XXXI.De Zelfmoord.Eene geheel nieuwe vertooning moest den laatsten dag van mijn verblijf teLondenkenmerken.De derde verdieping van het huis, waar ik op de eerste mijn verblijf hield, werd bewoond door eenen handwerksman, die in eene fabriek het toezigt hield over de gereedschappen en werktuigen, en wiens inkomen voldoende was, om zich het noodige te kunnen bezorgen. Altijd was hij gewoon, des morgens te acht ure naar zijn werk te gaan, en nu was het reeds tien ure geslagen, en nog had men hem niet te voorschijn zien komen. Onze huisvrouw duchtende, dat hij misschien ziek was, of dat hem het een of ander mogt zijn overgekomen, klopte bij hem aan. Dit eenige malen herhaald hebbende, zonder antwoord te bekomen, werd zij met reden ongerust en ging er derhalve terstond kennis van geven aan het geregt: de kamer werd geopend, men vond hemuitgestrekt op den grond, badende in zijn bloed, en geheel koud en stijf, zoodat hij reeds verscheidene uren moet dood geweest zijn: het scheermes, hetwelk hij gebruikt had, om zich den hals af te snijden, lag naast hem, en op eene tafel lag een beschreven papier, met de volgende woorden: „Niemand is oorzaak van mijnen dood. Het leven behaagt mij niet meer. Wat is het leven? Eten, drinken, slapen, werken, rusten, en den anderen dag al weder van voren af aan. Deze eentoonigheid verveelt mij, en daarom wil ik iets nieuws beginnen.”Telkens, wanneer iemand door eenen geweldigen of schielijken dood zijne dagen eindigt, het zij vrijwillig of bij toeval, roept de regter twaalf personen zamen uit de bloedverwanten, vrienden en buren van den overledenen, en dit twaalftal vormt eene soort van regtbank, welke uitspraak doet over de oorzaak van den dood.Juist ging men zich met dit onderwerp bezig houden, toen ik ten mijnent kwam: ik verzocht dus, dat men mij wilde vergunnen, er bij tegenwoordig te zijn, hetgeen mij ook niet geweigerd werd. Daar de zitting nog niet geopend was, nam ik de vrijheid, om den regter aan te spreken.—„Gij moet wel veel drukte en bezigheden hebben, mijnheer! want de zelfmoorden zijn, volgens het algemeene zeggen, niet zeldzaam inLonden.”—„Vooroordeelen, mijnheer! loutere praatjes! In het geheele jaar achttienhonderd en veertien, hebben er slechts vijfendertig zelfmoorden inLondenplaats gehad, en andere jaren somtijds nog veel minder.”Nu waren al de getuigen tegenwoordig, en de regter begon hen op de volgende wijze te ondervragen.—„Heeft armoede of gebrek den overledenen tot deze wanhopige daad kunnen vervoeren?”—„Neen, mijnheer! men heeft dertig ponden (730livres), de vrucht zijner bezuinigingen, bij hem gevonden.”—„Was hij dan niet bij zijn verstand?—Had hij verdriet, kwelling?”—„Niets van dit alles; hij verdiende genoeg, om behoorlijk te kunnen bestaan, was bij ieder wel gezien, en heeft nimmer met eenige menschen verschil gehad.”—„Openbare, ontegensprekelijke krankzinnigheid!—Leefde hij in goede verstandhouding met zijne bloedverwanten?”—„Hij had slechts eene zuster, en daarzij in behoeftige omstandigheden verkeerde, heeft hij haar meer dan eens ondersteund en uit den nood geholpen.”—„Ware zinneloosheid! Heeft hij ook somwijlen het voornemen doen blijken, om zich van kant te maken?”—„Nooit.”—Dikwijls echter zeide hij, dat het leven hem tot eenen last was, dat hij nergens vermaak in vond, en dat hij geenszins kon begrijpen, hoe men nog zoo lang in deze wereld kon voortsukkelen. Eindelijk heeft men hem, sinds een jaar, niet meer dan eens beschonken gezien.—„Een volmaakt bewijs van verbijsterde zinnen! Was hij, bij geval, ook onderhevig aan eenige kwalen?”—„Hij is nooit ziek geweest, en wist zelfs niet eens, wat ziekte was; doch dikwijls klaagde hij over hoofdpijn.”—„Daar hebben wij het! ijlhoofdigheid!—Scheerde hij zich zelf?”—„Ja, mijnheer! antwoordde hierop een der buren, die een messenmaker was; nog voor twee dagen heb ik het scheermes, dat hij gebruikt heeft, voor hem aangezet.”—„Gij ziet dus, mijne vrienden! dat hier geen bepaald voornemen tot zelfmoord heeft plaats gehad; want met voordacht heeft hij geenwerktuig gekocht, om zich het leven te benemen; o neen, hij heeft zich slechts bediend van dat, hetwelk het toeval, in eene vlaag van zinneloosheid, hem in de handen voerde.”—„Derhalve, mijne heeren! hier bestaat geen zelfmoord. Zijt gij allen van dit gevoelen?”—„Ja, mijnheer!—Ja!—Ja!—Ja!—En het besluit van het regterlijk onderzoek was het volgende:Een geweldige dood, veroorzaakt door eenen aanval van ijlhoofdigheid.”—„Hoe!”zeide ik tegen mijnehospita, zoodra ik met haar alleen was;„is dat geen zelfmoord? Het geschrift, dat deze ongelukkige heeft achtergelaten, de voorzorg, welke hij genomen heeft, om zijn mes te doen aanzetten, ten einde zeker van zijne zaak te zijn, zijn dit geene openbare en ontegenzeggelijke bewijzen, dat hij wel degelijk het voornemen gehad heeft, om zich voorbedachtelijk van het leven te berooven, en dat het geenszins een aanval van krankzinnigheid is geweest?”„Mijnheer!”gaf zij mij ten antwoord,„de Engelsche wetten tegen deze misdaad zijn zoo gestreng, dat men, zoo veel mogelijk, vermijdt, ook zelfs den onbetwistbaarsten zelfmoord als zoodanig te erkennen. Van dertigof veertig rampzaligen, die aldus hun leven eindigen, wordt naauwelijks één voor eenen zelfmoorder verklaard. Eenigen tijd geleden, had zich een zeker aanzienlijk man, even als deze ongelukkige, den hals afgesneden, en er was bijna geene mogelijkheid, om hem niet voor eenen zelfmoordenaar te doen verklaren; doch, wat vindt men uit? In de tegenwoordigheid van eenige heelmeesters en artsen doet men het hoofd ontleden, en deze heeren vonden klare bewijzen van krankzinnigheid in het zamenstel der hersenen.”„Nu, dacht ik bij mij zelven, verwonder ik mij niet langer over het kleine getal van zelfmoorden, welke teLondenplaats vinden!”—„Maar, hernam ik, welke zijn dan toch de gestrenge wetten, die hier tegen den zelfmoord bestaan?”—„De lijken der zelfmoorders worden op horden weggesleept, en mogen niet bij andere eerlijke Christenen begraven worden; ook worden al hunne goederen verbeurd verklaard.”—„Wel dat is overheerlijk! Aldus worden de kinderen of nabestaanden gestraft voor de misdaad hunner ouderen of bloedverwanten! Waarlijk, eene verstandige wet, waartegen niets is in te brengen?”—„Maar, mijnheer! de natuurlijke liefdevan de ouders voor hunne kinderen moet hem juist daarom alleen van den zelfmoord terughouden, en ziedaar de eigenlijke geest en strekking van deze heilzame wet.”—„Maar indien deze overweging de ouderen nu eens niet terughoudt, zijn dan de ongelukkige kinderen niet evenwel de beklagenswaardige slagtoffers? Neen, foei! foei! Het is eene onmenschelijke wet!.”Beter zonder twijfel had men het uitwerksel eener wet op den menschelijken geest berekend in eene zekere stad van het aloudeGriekenland, waar eensklaps onder de jonge meisjes, van vijftien tot twintig jaren, eene aanstekende ziekte of soort van dolheid ontstond, welke haar aanzettede, om zich van het leven te berooven.—Bij deze wet bepaalde de regering, dat alle meisjes, welke de handen aan zich zelve sloegen, en aldus haar leven eindigden, na haren dood geheel naakt aan hare deuren zouden ten toon gesteld worden. De vrees voor zulk eene schande bewerkte hare genezing, niemand wilde zich hieraan bloot stellen, en de moordlust der jeugdige schoonen was verdwenen.
XXXI.De Zelfmoord.Eene geheel nieuwe vertooning moest den laatsten dag van mijn verblijf teLondenkenmerken.De derde verdieping van het huis, waar ik op de eerste mijn verblijf hield, werd bewoond door eenen handwerksman, die in eene fabriek het toezigt hield over de gereedschappen en werktuigen, en wiens inkomen voldoende was, om zich het noodige te kunnen bezorgen. Altijd was hij gewoon, des morgens te acht ure naar zijn werk te gaan, en nu was het reeds tien ure geslagen, en nog had men hem niet te voorschijn zien komen. Onze huisvrouw duchtende, dat hij misschien ziek was, of dat hem het een of ander mogt zijn overgekomen, klopte bij hem aan. Dit eenige malen herhaald hebbende, zonder antwoord te bekomen, werd zij met reden ongerust en ging er derhalve terstond kennis van geven aan het geregt: de kamer werd geopend, men vond hemuitgestrekt op den grond, badende in zijn bloed, en geheel koud en stijf, zoodat hij reeds verscheidene uren moet dood geweest zijn: het scheermes, hetwelk hij gebruikt had, om zich den hals af te snijden, lag naast hem, en op eene tafel lag een beschreven papier, met de volgende woorden: „Niemand is oorzaak van mijnen dood. Het leven behaagt mij niet meer. Wat is het leven? Eten, drinken, slapen, werken, rusten, en den anderen dag al weder van voren af aan. Deze eentoonigheid verveelt mij, en daarom wil ik iets nieuws beginnen.”Telkens, wanneer iemand door eenen geweldigen of schielijken dood zijne dagen eindigt, het zij vrijwillig of bij toeval, roept de regter twaalf personen zamen uit de bloedverwanten, vrienden en buren van den overledenen, en dit twaalftal vormt eene soort van regtbank, welke uitspraak doet over de oorzaak van den dood.Juist ging men zich met dit onderwerp bezig houden, toen ik ten mijnent kwam: ik verzocht dus, dat men mij wilde vergunnen, er bij tegenwoordig te zijn, hetgeen mij ook niet geweigerd werd. Daar de zitting nog niet geopend was, nam ik de vrijheid, om den regter aan te spreken.—„Gij moet wel veel drukte en bezigheden hebben, mijnheer! want de zelfmoorden zijn, volgens het algemeene zeggen, niet zeldzaam inLonden.”—„Vooroordeelen, mijnheer! loutere praatjes! In het geheele jaar achttienhonderd en veertien, hebben er slechts vijfendertig zelfmoorden inLondenplaats gehad, en andere jaren somtijds nog veel minder.”Nu waren al de getuigen tegenwoordig, en de regter begon hen op de volgende wijze te ondervragen.—„Heeft armoede of gebrek den overledenen tot deze wanhopige daad kunnen vervoeren?”—„Neen, mijnheer! men heeft dertig ponden (730livres), de vrucht zijner bezuinigingen, bij hem gevonden.”—„Was hij dan niet bij zijn verstand?—Had hij verdriet, kwelling?”—„Niets van dit alles; hij verdiende genoeg, om behoorlijk te kunnen bestaan, was bij ieder wel gezien, en heeft nimmer met eenige menschen verschil gehad.”—„Openbare, ontegensprekelijke krankzinnigheid!—Leefde hij in goede verstandhouding met zijne bloedverwanten?”—„Hij had slechts eene zuster, en daarzij in behoeftige omstandigheden verkeerde, heeft hij haar meer dan eens ondersteund en uit den nood geholpen.”—„Ware zinneloosheid! Heeft hij ook somwijlen het voornemen doen blijken, om zich van kant te maken?”—„Nooit.”—Dikwijls echter zeide hij, dat het leven hem tot eenen last was, dat hij nergens vermaak in vond, en dat hij geenszins kon begrijpen, hoe men nog zoo lang in deze wereld kon voortsukkelen. Eindelijk heeft men hem, sinds een jaar, niet meer dan eens beschonken gezien.—„Een volmaakt bewijs van verbijsterde zinnen! Was hij, bij geval, ook onderhevig aan eenige kwalen?”—„Hij is nooit ziek geweest, en wist zelfs niet eens, wat ziekte was; doch dikwijls klaagde hij over hoofdpijn.”—„Daar hebben wij het! ijlhoofdigheid!—Scheerde hij zich zelf?”—„Ja, mijnheer! antwoordde hierop een der buren, die een messenmaker was; nog voor twee dagen heb ik het scheermes, dat hij gebruikt heeft, voor hem aangezet.”—„Gij ziet dus, mijne vrienden! dat hier geen bepaald voornemen tot zelfmoord heeft plaats gehad; want met voordacht heeft hij geenwerktuig gekocht, om zich het leven te benemen; o neen, hij heeft zich slechts bediend van dat, hetwelk het toeval, in eene vlaag van zinneloosheid, hem in de handen voerde.”—„Derhalve, mijne heeren! hier bestaat geen zelfmoord. Zijt gij allen van dit gevoelen?”—„Ja, mijnheer!—Ja!—Ja!—Ja!—En het besluit van het regterlijk onderzoek was het volgende:Een geweldige dood, veroorzaakt door eenen aanval van ijlhoofdigheid.”—„Hoe!”zeide ik tegen mijnehospita, zoodra ik met haar alleen was;„is dat geen zelfmoord? Het geschrift, dat deze ongelukkige heeft achtergelaten, de voorzorg, welke hij genomen heeft, om zijn mes te doen aanzetten, ten einde zeker van zijne zaak te zijn, zijn dit geene openbare en ontegenzeggelijke bewijzen, dat hij wel degelijk het voornemen gehad heeft, om zich voorbedachtelijk van het leven te berooven, en dat het geenszins een aanval van krankzinnigheid is geweest?”„Mijnheer!”gaf zij mij ten antwoord,„de Engelsche wetten tegen deze misdaad zijn zoo gestreng, dat men, zoo veel mogelijk, vermijdt, ook zelfs den onbetwistbaarsten zelfmoord als zoodanig te erkennen. Van dertigof veertig rampzaligen, die aldus hun leven eindigen, wordt naauwelijks één voor eenen zelfmoorder verklaard. Eenigen tijd geleden, had zich een zeker aanzienlijk man, even als deze ongelukkige, den hals afgesneden, en er was bijna geene mogelijkheid, om hem niet voor eenen zelfmoordenaar te doen verklaren; doch, wat vindt men uit? In de tegenwoordigheid van eenige heelmeesters en artsen doet men het hoofd ontleden, en deze heeren vonden klare bewijzen van krankzinnigheid in het zamenstel der hersenen.”„Nu, dacht ik bij mij zelven, verwonder ik mij niet langer over het kleine getal van zelfmoorden, welke teLondenplaats vinden!”—„Maar, hernam ik, welke zijn dan toch de gestrenge wetten, die hier tegen den zelfmoord bestaan?”—„De lijken der zelfmoorders worden op horden weggesleept, en mogen niet bij andere eerlijke Christenen begraven worden; ook worden al hunne goederen verbeurd verklaard.”—„Wel dat is overheerlijk! Aldus worden de kinderen of nabestaanden gestraft voor de misdaad hunner ouderen of bloedverwanten! Waarlijk, eene verstandige wet, waartegen niets is in te brengen?”—„Maar, mijnheer! de natuurlijke liefdevan de ouders voor hunne kinderen moet hem juist daarom alleen van den zelfmoord terughouden, en ziedaar de eigenlijke geest en strekking van deze heilzame wet.”—„Maar indien deze overweging de ouderen nu eens niet terughoudt, zijn dan de ongelukkige kinderen niet evenwel de beklagenswaardige slagtoffers? Neen, foei! foei! Het is eene onmenschelijke wet!.”Beter zonder twijfel had men het uitwerksel eener wet op den menschelijken geest berekend in eene zekere stad van het aloudeGriekenland, waar eensklaps onder de jonge meisjes, van vijftien tot twintig jaren, eene aanstekende ziekte of soort van dolheid ontstond, welke haar aanzettede, om zich van het leven te berooven.—Bij deze wet bepaalde de regering, dat alle meisjes, welke de handen aan zich zelve sloegen, en aldus haar leven eindigden, na haren dood geheel naakt aan hare deuren zouden ten toon gesteld worden. De vrees voor zulk eene schande bewerkte hare genezing, niemand wilde zich hieraan bloot stellen, en de moordlust der jeugdige schoonen was verdwenen.
XXXI.De Zelfmoord.
Eene geheel nieuwe vertooning moest den laatsten dag van mijn verblijf teLondenkenmerken.De derde verdieping van het huis, waar ik op de eerste mijn verblijf hield, werd bewoond door eenen handwerksman, die in eene fabriek het toezigt hield over de gereedschappen en werktuigen, en wiens inkomen voldoende was, om zich het noodige te kunnen bezorgen. Altijd was hij gewoon, des morgens te acht ure naar zijn werk te gaan, en nu was het reeds tien ure geslagen, en nog had men hem niet te voorschijn zien komen. Onze huisvrouw duchtende, dat hij misschien ziek was, of dat hem het een of ander mogt zijn overgekomen, klopte bij hem aan. Dit eenige malen herhaald hebbende, zonder antwoord te bekomen, werd zij met reden ongerust en ging er derhalve terstond kennis van geven aan het geregt: de kamer werd geopend, men vond hemuitgestrekt op den grond, badende in zijn bloed, en geheel koud en stijf, zoodat hij reeds verscheidene uren moet dood geweest zijn: het scheermes, hetwelk hij gebruikt had, om zich den hals af te snijden, lag naast hem, en op eene tafel lag een beschreven papier, met de volgende woorden: „Niemand is oorzaak van mijnen dood. Het leven behaagt mij niet meer. Wat is het leven? Eten, drinken, slapen, werken, rusten, en den anderen dag al weder van voren af aan. Deze eentoonigheid verveelt mij, en daarom wil ik iets nieuws beginnen.”Telkens, wanneer iemand door eenen geweldigen of schielijken dood zijne dagen eindigt, het zij vrijwillig of bij toeval, roept de regter twaalf personen zamen uit de bloedverwanten, vrienden en buren van den overledenen, en dit twaalftal vormt eene soort van regtbank, welke uitspraak doet over de oorzaak van den dood.Juist ging men zich met dit onderwerp bezig houden, toen ik ten mijnent kwam: ik verzocht dus, dat men mij wilde vergunnen, er bij tegenwoordig te zijn, hetgeen mij ook niet geweigerd werd. Daar de zitting nog niet geopend was, nam ik de vrijheid, om den regter aan te spreken.—„Gij moet wel veel drukte en bezigheden hebben, mijnheer! want de zelfmoorden zijn, volgens het algemeene zeggen, niet zeldzaam inLonden.”—„Vooroordeelen, mijnheer! loutere praatjes! In het geheele jaar achttienhonderd en veertien, hebben er slechts vijfendertig zelfmoorden inLondenplaats gehad, en andere jaren somtijds nog veel minder.”Nu waren al de getuigen tegenwoordig, en de regter begon hen op de volgende wijze te ondervragen.—„Heeft armoede of gebrek den overledenen tot deze wanhopige daad kunnen vervoeren?”—„Neen, mijnheer! men heeft dertig ponden (730livres), de vrucht zijner bezuinigingen, bij hem gevonden.”—„Was hij dan niet bij zijn verstand?—Had hij verdriet, kwelling?”—„Niets van dit alles; hij verdiende genoeg, om behoorlijk te kunnen bestaan, was bij ieder wel gezien, en heeft nimmer met eenige menschen verschil gehad.”—„Openbare, ontegensprekelijke krankzinnigheid!—Leefde hij in goede verstandhouding met zijne bloedverwanten?”—„Hij had slechts eene zuster, en daarzij in behoeftige omstandigheden verkeerde, heeft hij haar meer dan eens ondersteund en uit den nood geholpen.”—„Ware zinneloosheid! Heeft hij ook somwijlen het voornemen doen blijken, om zich van kant te maken?”—„Nooit.”—Dikwijls echter zeide hij, dat het leven hem tot eenen last was, dat hij nergens vermaak in vond, en dat hij geenszins kon begrijpen, hoe men nog zoo lang in deze wereld kon voortsukkelen. Eindelijk heeft men hem, sinds een jaar, niet meer dan eens beschonken gezien.—„Een volmaakt bewijs van verbijsterde zinnen! Was hij, bij geval, ook onderhevig aan eenige kwalen?”—„Hij is nooit ziek geweest, en wist zelfs niet eens, wat ziekte was; doch dikwijls klaagde hij over hoofdpijn.”—„Daar hebben wij het! ijlhoofdigheid!—Scheerde hij zich zelf?”—„Ja, mijnheer! antwoordde hierop een der buren, die een messenmaker was; nog voor twee dagen heb ik het scheermes, dat hij gebruikt heeft, voor hem aangezet.”—„Gij ziet dus, mijne vrienden! dat hier geen bepaald voornemen tot zelfmoord heeft plaats gehad; want met voordacht heeft hij geenwerktuig gekocht, om zich het leven te benemen; o neen, hij heeft zich slechts bediend van dat, hetwelk het toeval, in eene vlaag van zinneloosheid, hem in de handen voerde.”—„Derhalve, mijne heeren! hier bestaat geen zelfmoord. Zijt gij allen van dit gevoelen?”—„Ja, mijnheer!—Ja!—Ja!—Ja!—En het besluit van het regterlijk onderzoek was het volgende:Een geweldige dood, veroorzaakt door eenen aanval van ijlhoofdigheid.”—„Hoe!”zeide ik tegen mijnehospita, zoodra ik met haar alleen was;„is dat geen zelfmoord? Het geschrift, dat deze ongelukkige heeft achtergelaten, de voorzorg, welke hij genomen heeft, om zijn mes te doen aanzetten, ten einde zeker van zijne zaak te zijn, zijn dit geene openbare en ontegenzeggelijke bewijzen, dat hij wel degelijk het voornemen gehad heeft, om zich voorbedachtelijk van het leven te berooven, en dat het geenszins een aanval van krankzinnigheid is geweest?”„Mijnheer!”gaf zij mij ten antwoord,„de Engelsche wetten tegen deze misdaad zijn zoo gestreng, dat men, zoo veel mogelijk, vermijdt, ook zelfs den onbetwistbaarsten zelfmoord als zoodanig te erkennen. Van dertigof veertig rampzaligen, die aldus hun leven eindigen, wordt naauwelijks één voor eenen zelfmoorder verklaard. Eenigen tijd geleden, had zich een zeker aanzienlijk man, even als deze ongelukkige, den hals afgesneden, en er was bijna geene mogelijkheid, om hem niet voor eenen zelfmoordenaar te doen verklaren; doch, wat vindt men uit? In de tegenwoordigheid van eenige heelmeesters en artsen doet men het hoofd ontleden, en deze heeren vonden klare bewijzen van krankzinnigheid in het zamenstel der hersenen.”„Nu, dacht ik bij mij zelven, verwonder ik mij niet langer over het kleine getal van zelfmoorden, welke teLondenplaats vinden!”—„Maar, hernam ik, welke zijn dan toch de gestrenge wetten, die hier tegen den zelfmoord bestaan?”—„De lijken der zelfmoorders worden op horden weggesleept, en mogen niet bij andere eerlijke Christenen begraven worden; ook worden al hunne goederen verbeurd verklaard.”—„Wel dat is overheerlijk! Aldus worden de kinderen of nabestaanden gestraft voor de misdaad hunner ouderen of bloedverwanten! Waarlijk, eene verstandige wet, waartegen niets is in te brengen?”—„Maar, mijnheer! de natuurlijke liefdevan de ouders voor hunne kinderen moet hem juist daarom alleen van den zelfmoord terughouden, en ziedaar de eigenlijke geest en strekking van deze heilzame wet.”—„Maar indien deze overweging de ouderen nu eens niet terughoudt, zijn dan de ongelukkige kinderen niet evenwel de beklagenswaardige slagtoffers? Neen, foei! foei! Het is eene onmenschelijke wet!.”Beter zonder twijfel had men het uitwerksel eener wet op den menschelijken geest berekend in eene zekere stad van het aloudeGriekenland, waar eensklaps onder de jonge meisjes, van vijftien tot twintig jaren, eene aanstekende ziekte of soort van dolheid ontstond, welke haar aanzettede, om zich van het leven te berooven.—Bij deze wet bepaalde de regering, dat alle meisjes, welke de handen aan zich zelve sloegen, en aldus haar leven eindigden, na haren dood geheel naakt aan hare deuren zouden ten toon gesteld worden. De vrees voor zulk eene schande bewerkte hare genezing, niemand wilde zich hieraan bloot stellen, en de moordlust der jeugdige schoonen was verdwenen.
Eene geheel nieuwe vertooning moest den laatsten dag van mijn verblijf teLondenkenmerken.
De derde verdieping van het huis, waar ik op de eerste mijn verblijf hield, werd bewoond door eenen handwerksman, die in eene fabriek het toezigt hield over de gereedschappen en werktuigen, en wiens inkomen voldoende was, om zich het noodige te kunnen bezorgen. Altijd was hij gewoon, des morgens te acht ure naar zijn werk te gaan, en nu was het reeds tien ure geslagen, en nog had men hem niet te voorschijn zien komen. Onze huisvrouw duchtende, dat hij misschien ziek was, of dat hem het een of ander mogt zijn overgekomen, klopte bij hem aan. Dit eenige malen herhaald hebbende, zonder antwoord te bekomen, werd zij met reden ongerust en ging er derhalve terstond kennis van geven aan het geregt: de kamer werd geopend, men vond hemuitgestrekt op den grond, badende in zijn bloed, en geheel koud en stijf, zoodat hij reeds verscheidene uren moet dood geweest zijn: het scheermes, hetwelk hij gebruikt had, om zich den hals af te snijden, lag naast hem, en op eene tafel lag een beschreven papier, met de volgende woorden: „Niemand is oorzaak van mijnen dood. Het leven behaagt mij niet meer. Wat is het leven? Eten, drinken, slapen, werken, rusten, en den anderen dag al weder van voren af aan. Deze eentoonigheid verveelt mij, en daarom wil ik iets nieuws beginnen.”
Telkens, wanneer iemand door eenen geweldigen of schielijken dood zijne dagen eindigt, het zij vrijwillig of bij toeval, roept de regter twaalf personen zamen uit de bloedverwanten, vrienden en buren van den overledenen, en dit twaalftal vormt eene soort van regtbank, welke uitspraak doet over de oorzaak van den dood.
Juist ging men zich met dit onderwerp bezig houden, toen ik ten mijnent kwam: ik verzocht dus, dat men mij wilde vergunnen, er bij tegenwoordig te zijn, hetgeen mij ook niet geweigerd werd. Daar de zitting nog niet geopend was, nam ik de vrijheid, om den regter aan te spreken.
—„Gij moet wel veel drukte en bezigheden hebben, mijnheer! want de zelfmoorden zijn, volgens het algemeene zeggen, niet zeldzaam inLonden.”
—„Vooroordeelen, mijnheer! loutere praatjes! In het geheele jaar achttienhonderd en veertien, hebben er slechts vijfendertig zelfmoorden inLondenplaats gehad, en andere jaren somtijds nog veel minder.”
Nu waren al de getuigen tegenwoordig, en de regter begon hen op de volgende wijze te ondervragen.
—„Heeft armoede of gebrek den overledenen tot deze wanhopige daad kunnen vervoeren?”
—„Neen, mijnheer! men heeft dertig ponden (730livres), de vrucht zijner bezuinigingen, bij hem gevonden.”
—„Was hij dan niet bij zijn verstand?—Had hij verdriet, kwelling?”
—„Niets van dit alles; hij verdiende genoeg, om behoorlijk te kunnen bestaan, was bij ieder wel gezien, en heeft nimmer met eenige menschen verschil gehad.”
—„Openbare, ontegensprekelijke krankzinnigheid!—Leefde hij in goede verstandhouding met zijne bloedverwanten?”
—„Hij had slechts eene zuster, en daarzij in behoeftige omstandigheden verkeerde, heeft hij haar meer dan eens ondersteund en uit den nood geholpen.”
—„Ware zinneloosheid! Heeft hij ook somwijlen het voornemen doen blijken, om zich van kant te maken?”
—„Nooit.”—Dikwijls echter zeide hij, dat het leven hem tot eenen last was, dat hij nergens vermaak in vond, en dat hij geenszins kon begrijpen, hoe men nog zoo lang in deze wereld kon voortsukkelen. Eindelijk heeft men hem, sinds een jaar, niet meer dan eens beschonken gezien.
—„Een volmaakt bewijs van verbijsterde zinnen! Was hij, bij geval, ook onderhevig aan eenige kwalen?”
—„Hij is nooit ziek geweest, en wist zelfs niet eens, wat ziekte was; doch dikwijls klaagde hij over hoofdpijn.”
—„Daar hebben wij het! ijlhoofdigheid!—Scheerde hij zich zelf?”
—„Ja, mijnheer! antwoordde hierop een der buren, die een messenmaker was; nog voor twee dagen heb ik het scheermes, dat hij gebruikt heeft, voor hem aangezet.”
—„Gij ziet dus, mijne vrienden! dat hier geen bepaald voornemen tot zelfmoord heeft plaats gehad; want met voordacht heeft hij geenwerktuig gekocht, om zich het leven te benemen; o neen, hij heeft zich slechts bediend van dat, hetwelk het toeval, in eene vlaag van zinneloosheid, hem in de handen voerde.”
—„Derhalve, mijne heeren! hier bestaat geen zelfmoord. Zijt gij allen van dit gevoelen?”
—„Ja, mijnheer!—Ja!—Ja!—Ja!—En het besluit van het regterlijk onderzoek was het volgende:Een geweldige dood, veroorzaakt door eenen aanval van ijlhoofdigheid.”
—„Hoe!”zeide ik tegen mijnehospita, zoodra ik met haar alleen was;„is dat geen zelfmoord? Het geschrift, dat deze ongelukkige heeft achtergelaten, de voorzorg, welke hij genomen heeft, om zijn mes te doen aanzetten, ten einde zeker van zijne zaak te zijn, zijn dit geene openbare en ontegenzeggelijke bewijzen, dat hij wel degelijk het voornemen gehad heeft, om zich voorbedachtelijk van het leven te berooven, en dat het geenszins een aanval van krankzinnigheid is geweest?”
„Mijnheer!”gaf zij mij ten antwoord,„de Engelsche wetten tegen deze misdaad zijn zoo gestreng, dat men, zoo veel mogelijk, vermijdt, ook zelfs den onbetwistbaarsten zelfmoord als zoodanig te erkennen. Van dertigof veertig rampzaligen, die aldus hun leven eindigen, wordt naauwelijks één voor eenen zelfmoorder verklaard. Eenigen tijd geleden, had zich een zeker aanzienlijk man, even als deze ongelukkige, den hals afgesneden, en er was bijna geene mogelijkheid, om hem niet voor eenen zelfmoordenaar te doen verklaren; doch, wat vindt men uit? In de tegenwoordigheid van eenige heelmeesters en artsen doet men het hoofd ontleden, en deze heeren vonden klare bewijzen van krankzinnigheid in het zamenstel der hersenen.”
„Nu, dacht ik bij mij zelven, verwonder ik mij niet langer over het kleine getal van zelfmoorden, welke teLondenplaats vinden!”—„Maar, hernam ik, welke zijn dan toch de gestrenge wetten, die hier tegen den zelfmoord bestaan?”
—„De lijken der zelfmoorders worden op horden weggesleept, en mogen niet bij andere eerlijke Christenen begraven worden; ook worden al hunne goederen verbeurd verklaard.”
—„Wel dat is overheerlijk! Aldus worden de kinderen of nabestaanden gestraft voor de misdaad hunner ouderen of bloedverwanten! Waarlijk, eene verstandige wet, waartegen niets is in te brengen?”
—„Maar, mijnheer! de natuurlijke liefdevan de ouders voor hunne kinderen moet hem juist daarom alleen van den zelfmoord terughouden, en ziedaar de eigenlijke geest en strekking van deze heilzame wet.”
—„Maar indien deze overweging de ouderen nu eens niet terughoudt, zijn dan de ongelukkige kinderen niet evenwel de beklagenswaardige slagtoffers? Neen, foei! foei! Het is eene onmenschelijke wet!.”
Beter zonder twijfel had men het uitwerksel eener wet op den menschelijken geest berekend in eene zekere stad van het aloudeGriekenland, waar eensklaps onder de jonge meisjes, van vijftien tot twintig jaren, eene aanstekende ziekte of soort van dolheid ontstond, welke haar aanzettede, om zich van het leven te berooven.—Bij deze wet bepaalde de regering, dat alle meisjes, welke de handen aan zich zelve sloegen, en aldus haar leven eindigden, na haren dood geheel naakt aan hare deuren zouden ten toon gesteld worden. De vrees voor zulk eene schande bewerkte hare genezing, niemand wilde zich hieraan bloot stellen, en de moordlust der jeugdige schoonen was verdwenen.