I.Nagerechten.173.Broodpap.1 Liter melk op 1 ons brood, aan stukjes gesneden. Deze is de standvastige verhouding.Men zet de melk met een weinig water op en laat ze koken.Als ze kookt, doet men er het brood bij en blijft er aanhoudend in roeren, tot de pap dik wordt.174.Boekweitegort met melk.1 Liter melk op 1¼ ons boekweitegort, een zeer klein weinigje zout.Men zet de melk op en laat ze koken. Als ze kookt, wordt, bij kleine beetjes, nu en dan een handje vol, de gort en het zout er in gedaan en de melk aanhoudend geroerd, tot ze dik is. Als de pap dik is, wordt ze afgenomen en voorgediend met stroop of suiker.175.Gewone gort.1 Liter karnemelk (of melk) op 1 ons gort. De gort wordt een nacht van te voren, desnoods eenige uren van te voren, in de karnemelk of in de melk te weeken gezet, waarin ze moet worden gekookt.Men brengt dan verder de gort in die melk aan den kook en laat ze zoo doorkoken, tot de korrels gort goed zijn uitgedijd. Twee à drie uren zachtjes koken.Men eet deze gort met stroop of suiker.176.Griesmeelpap.1 Liter melk op 1 ons griesmeel, een klein weinigje zout. (Men kan er, naar verkiezing, suiker bijkoken).De melk wordt gekookt endaarna wordt, beetje bij beetje, het griesmeel er door geroerd.Men blijft er in doorroeren tot het meel gaar is en dik wordt.Deze pap wordt met stroop of suiker gebruikt.177.Haverdegortpap.Dezelfde verhouding en dezelfde bereiding als de boekweitegort (no. 174).Ze moet op een zacht vuur langer doorkoken dan de boekweitegort.178.Havermout.Evenzoo dezelfde verhouding en bereiding als no. 174. Om klonteren te voorkomen, wordt de mout ook bij beetjes in de kokende melk gedaan en doorgeroerd. Dik geworden is de pap gereed. Men kan aan de havermout een eigenaardigen lekkeren smaak geven, door er een weinig saffraan aan toe te voegen.179.Deensche brij.1¼ Liter kokend water, 1 ons parelgort, ¾ splitglas bessensap, 4 à 5 lepels krenten en evenveel rozijnen, 2 à 3 lepels witte suiker.De parelgort wordt goed gewasschen en bij het kokende water gedaan. Men laat ze zachtjes 1 à 1½ uur koken. De rozijnen en krenten worden goed gewasschen en met het bessensap en de suiker er doorheen geroerd. Wordt de brij te dik, dan doet men er heet water bij.180.Maïzenapap.1 Liter melk op ½ ons maïzena (4 à 5 lepels)—vaste verhouding, anders wordt de pap te dik.Men kookt eerst de melk. Dan maakt men de maïzena aan, met een weinig (van dezelfde) koude melk en voegt ze daarna bij de geheele hoeveelheid kokende melk. Men blijve aanhoudend roeren. In eenige minuten is de maïzena gaar en dik.Men eet deze pap met suiker, stroop of goeladjawastroop.Voegt men een weinigje zout bij de pap, die men danwat dunnermoet koken, dan heeft men een goede vervangster (surrogaat) voor de zoo zeer in Indië gewilde181.Boeboer soemsoem,die men altijd met goeladjawastroop moet gebruiken.182.Rijst met krenten.Een half pond rijst, een ons krenten, 2 theelepels zout.Men neemt, om de rijst goed tot pap gaar te koken, op ééne hoeveelheid rijst, drie maal dezelfde hoeveelheid water, b.v. 1 kopje rijst op 3 kopjes water.Moet de rijst gaar en korrelig zijn (geen „pap”) dan is de verhouding 1 rijst op 2 water.Het halve pond rijst wordt, na goed te zijn gewasschen, met zout en water opgezet in de verhouding als hierboven opgegeven: 1 rijst op 3 water.De krenten worden gewasschen en 10 minuten met weinig water gekookt. Is de rijst gaar, dan voegt men er de gekookte krenten bij en roert alles goed door elkander. Men eet deze rijstepap met suiker (ook wat kaneel er bij, naar verkiezing.)183.Rijst met karnemelk.1½ ons rijst, 1 liter karnemelk.De rijst wordt schoongewasschen, daarna opgezet met koude karnemelk. Langzaam doorroeren, tot alles kookt. Men laat daarna de rijst nog eenigen tijd uitdijen.Men gebruikt deze pap met witte suiker.184.Rijstenbrij.Op 1¼ liter melk 150 gram rijst (voor matig dikke brij.) Wil mendunnebrij hebben, 100 gram endikkebrij, 200 gram rijst op dezelfde hoeveelheid melk.De melk wordt gekookt in een schoone pan, die eerst met helder versch water is omgespoeld en de rijst, die goed is gewasschen, wordt er dan, al roerende, ingestort.Men blijft doorroeren, tot de melk is doorgekookt, waarna men de rijst en melk nog 1½ uur samen zacht laat koken.Men gebruikt de rijstenbrij met witte suiker.185.Saffraanrijst.Dezelfde verhouding als hierboven en voor 10 cents saffraan (bij den apotheker te ontbieden.)Dezelfde bereiding als hierboven, no. 184, terwijlmen bij de in de melk gestorte rijst de saffraan voegt en deze laat medekoken.Deze gele rijstepap wordt met witte suiker gebruikt.185a.Prinses Julianarijst.Hetzelfde maar roode kleurstof bij de gele saffraan mengen, voor de oranjekleur.186.Tapiocapap.1¼ Liter melk op 1 ons tapioca.De tapioca wordt gewasschen, in de melk te weeken gezet en daarna in diezelfde melk gekookt. Nu en dan moet men roeren, ter voorkoming dat de tapioca aanzet. Is ze gaar, dan laat men het gerecht nog een à 1½ uur boven een zacht vuurtje doorkoken, opdat de tapioca zich behoorlijk kan uitzetten.Ze is, gaar zijnde, doorschijnend-glazig.Men gebruikt ze met witte suiker.187.Vermicellipap.1 Liter melk, vermicelli naar eigen bevinding (± 1 ons.)Men laat de melk koken, breekt er de vermicelli in en al zacht roerende, laten gaar worden. (± ¾ uur à 1 uur.)Wordt met witte suiker gebruikt.188.Jan in den zak I.1 Pond bloem, ½ pond krenten, ½ pond rozijnen, 3 eieren, ½ ons gist (of ’n paar lepels legèn), ½ flesch melk, een weinig zout. Naar verkiezing ½ ons zeer fijngehakt sucade, lauw-warm water.Men maakt van al de ingrediënten een beslag, als volgt: de bloem wordt in eene kom gedaan, eenkuiltje er in; eieren geklutst en in het kuiltje gestort. De gist wordt met wat lauwwarme melk aangemaakt en daarbij gedaan—of men voegt er de legèn bij—. Nu gaat men deze massa, van het midden uit, roeren, zelfden kant om, en zoo lang roeren, onder telkens toevoeging van wat melk, tot deze op is en alles een glad, gelijk deeg is geworden.Daarna roert men het zout, de krenten, rozijnen en stukjes sucade door het beslag, dat men dan ¾ à 1 uur op een warme plaats laat rijzen.Is ze goed gerezen, dan doet men het beslag in een schoonen linnen doek of zak, (sarong-bantal), die men van binnen met boter heeft besmeerd. Den zak bindt men een handbreed (of iets meer) boven het beslag, toe, om dat te laten uitzetten. Den zak in een pan met lauwwarm water doen en zoo laten koken. Na 1½ uur omkeeren en op dezen kant ook laten koken. Onder het koken moet de zak dikwijls worden opgehaald, opdat hij drijven blijft en niet op den bodem van den kookketel (of de pan) gaat rusten.Men haalt, als hij gaar is, den Jan uit den ketel èn uit den zak en gebruikt hem met keukenstroop.Een andere wijze van189.Jan in den zak IIis: het deeg in een met boter ingesmeerden en met paneermeel bestrooiden puddingvorm te doen en ze dan gedurende 3 uren „au bain Marie” te koken.Natuurlijk neemt men dan de helft van de in het vorige nummer opgegeven hoeveelheden.Ook deze koek wordt, hoewel oneigenaardig, „ketelkoek” of „zakkoek” genoemd.Men eet ze ook met keukenstroop of met boter en suiker.190.Knoedels.100 gram meel, 1 ei, suiker en melk.Het ei wordt geklutst tot schuim en met het meel goed door elkander gewerkt tot een dik deeg. Is dit deeg te dun of slap, dan voegt men er nog wat meel bij.Vervolgens legt men dit deeg op een met meel bestreken plank, strijkt het goed uit, rolt het nog eens op en neemt er hoeveelheden van af, die men tot balletjes (kepel) kneedt. De balletjes kookt men in kokende melk op, tot ze gaar en dik worden. Men voegt er, onder het opkoken, suiker bij.Deze knoedels worden, met suiker bestrooid, genuttigd. In de melk kan men wat vanille medekoken.191.Flensjes.1 ons bloem, 3 eieren, een paar kopjes melk, een weinig zout, boter.Men klutst de 3 eieren gedurende 5 minuten met zout en voegt er de bloem, al roerende lepel voor lepel, bij, zoodat het „beslag” niet klontert. Vervolgens roert men er, langzaam aan, de melk bij. Van dit beslag bakt men, in boter, zeer dunne pannekoeken, „flensjes” genaamd, en zorgt dat ze aan beide zijden lichtbruin zien.192.Flensjes met vulsel.(gelei, gestoofde vruchten, enz.).Hetzelfde beslag, dezelfde bereiding; zijn de flensjes gaar, dan doet men er wat vulsel in en vouwt of rolt ze op.193.Flensjestaart.Dezelfde gevulde en gereed gemaakte flensjesworden in een met boter besmeerden „basi-kasar” in rijen, kruiselings, op elkander geplaatst, met wat vanillevla overgoten, dan met paneermeel bestrooid, waarbij een kluitje boter er bovenop; daarna in den oven (pan-bàkàr) van boven lichtgeel laten bakken.194.Pannekoeken.1 pond bloem, 4 à 5 eieren, 1¼ flesch melk, ’n paar lepels legèn, zout, boter.Men doet de bloem in een kom; de eieren worden geklutst en langzaam aan door de bloem geroerd; vervolgens wordt hierdoor de melk geroerd, met de legèn. (Dooiers en wit kan men ook elk afzonderlijk kloppen of klutsen.)Men laat nu dit beslag eenigen tijd (± ½ uur) rijzen en bakt daarna de pannekoeken in een platte, pan, waarin boter of genuaolie goed heet is gemaakt.Men kan ook, om de pannekoeken smakelijker en luchtiger te krijgen, gesmolten boter door het beslag mederoeren.Men gebruikt de pannekoeken met suiker of stroop.Van de pannekoeken kan men tal van variatiën bereiden, naarmate van hetgeen er in het beslag bij wordt gevoegd: alsa.pannekoeken metkrenten,b.pannekoeken,,met,,sucade,c.pannekoeken,,met,,kaneel geroerd, enz., enz.195.Poffertjes.Een halfpond tarwebloem, 3 eieren, ½ theelepeltje zout, 1 kopje gesmolten boter, (voorgistneme men 1 à 2 lepels legèn) en zooveel lauwe melk, dat men van dit alles een deeg maakt, alsof men pannekoeken zal bakken.Men klutst eerst de 3 eierdooiers stevig, waarna men er het meel, de boter, het zout en de melk doorheen roert; is dit goed vermengd, dat doet men er de legèn bij en het tot schuim geklopte wit der 3 eieren; alles wederom goed door elkander roeren en het dan ½ uur op een warme plaats laten rijzen.Is het genoegzaam gerezen, dan bakt men dit beslag in een flink met boter bestreken en heeten poffertjespan. Aan beide kanten gaar bakken.Men eet ze met boter en suiker bestrooid.En zoo komt men geleidelijk tot de
I.Nagerechten.173.Broodpap.1 Liter melk op 1 ons brood, aan stukjes gesneden. Deze is de standvastige verhouding.Men zet de melk met een weinig water op en laat ze koken.Als ze kookt, doet men er het brood bij en blijft er aanhoudend in roeren, tot de pap dik wordt.174.Boekweitegort met melk.1 Liter melk op 1¼ ons boekweitegort, een zeer klein weinigje zout.Men zet de melk op en laat ze koken. Als ze kookt, wordt, bij kleine beetjes, nu en dan een handje vol, de gort en het zout er in gedaan en de melk aanhoudend geroerd, tot ze dik is. Als de pap dik is, wordt ze afgenomen en voorgediend met stroop of suiker.175.Gewone gort.1 Liter karnemelk (of melk) op 1 ons gort. De gort wordt een nacht van te voren, desnoods eenige uren van te voren, in de karnemelk of in de melk te weeken gezet, waarin ze moet worden gekookt.Men brengt dan verder de gort in die melk aan den kook en laat ze zoo doorkoken, tot de korrels gort goed zijn uitgedijd. Twee à drie uren zachtjes koken.Men eet deze gort met stroop of suiker.176.Griesmeelpap.1 Liter melk op 1 ons griesmeel, een klein weinigje zout. (Men kan er, naar verkiezing, suiker bijkoken).De melk wordt gekookt endaarna wordt, beetje bij beetje, het griesmeel er door geroerd.Men blijft er in doorroeren tot het meel gaar is en dik wordt.Deze pap wordt met stroop of suiker gebruikt.177.Haverdegortpap.Dezelfde verhouding en dezelfde bereiding als de boekweitegort (no. 174).Ze moet op een zacht vuur langer doorkoken dan de boekweitegort.178.Havermout.Evenzoo dezelfde verhouding en bereiding als no. 174. Om klonteren te voorkomen, wordt de mout ook bij beetjes in de kokende melk gedaan en doorgeroerd. Dik geworden is de pap gereed. Men kan aan de havermout een eigenaardigen lekkeren smaak geven, door er een weinig saffraan aan toe te voegen.179.Deensche brij.1¼ Liter kokend water, 1 ons parelgort, ¾ splitglas bessensap, 4 à 5 lepels krenten en evenveel rozijnen, 2 à 3 lepels witte suiker.De parelgort wordt goed gewasschen en bij het kokende water gedaan. Men laat ze zachtjes 1 à 1½ uur koken. De rozijnen en krenten worden goed gewasschen en met het bessensap en de suiker er doorheen geroerd. Wordt de brij te dik, dan doet men er heet water bij.180.Maïzenapap.1 Liter melk op ½ ons maïzena (4 à 5 lepels)—vaste verhouding, anders wordt de pap te dik.Men kookt eerst de melk. Dan maakt men de maïzena aan, met een weinig (van dezelfde) koude melk en voegt ze daarna bij de geheele hoeveelheid kokende melk. Men blijve aanhoudend roeren. In eenige minuten is de maïzena gaar en dik.Men eet deze pap met suiker, stroop of goeladjawastroop.Voegt men een weinigje zout bij de pap, die men danwat dunnermoet koken, dan heeft men een goede vervangster (surrogaat) voor de zoo zeer in Indië gewilde181.Boeboer soemsoem,die men altijd met goeladjawastroop moet gebruiken.182.Rijst met krenten.Een half pond rijst, een ons krenten, 2 theelepels zout.Men neemt, om de rijst goed tot pap gaar te koken, op ééne hoeveelheid rijst, drie maal dezelfde hoeveelheid water, b.v. 1 kopje rijst op 3 kopjes water.Moet de rijst gaar en korrelig zijn (geen „pap”) dan is de verhouding 1 rijst op 2 water.Het halve pond rijst wordt, na goed te zijn gewasschen, met zout en water opgezet in de verhouding als hierboven opgegeven: 1 rijst op 3 water.De krenten worden gewasschen en 10 minuten met weinig water gekookt. Is de rijst gaar, dan voegt men er de gekookte krenten bij en roert alles goed door elkander. Men eet deze rijstepap met suiker (ook wat kaneel er bij, naar verkiezing.)183.Rijst met karnemelk.1½ ons rijst, 1 liter karnemelk.De rijst wordt schoongewasschen, daarna opgezet met koude karnemelk. Langzaam doorroeren, tot alles kookt. Men laat daarna de rijst nog eenigen tijd uitdijen.Men gebruikt deze pap met witte suiker.184.Rijstenbrij.Op 1¼ liter melk 150 gram rijst (voor matig dikke brij.) Wil mendunnebrij hebben, 100 gram endikkebrij, 200 gram rijst op dezelfde hoeveelheid melk.De melk wordt gekookt in een schoone pan, die eerst met helder versch water is omgespoeld en de rijst, die goed is gewasschen, wordt er dan, al roerende, ingestort.Men blijft doorroeren, tot de melk is doorgekookt, waarna men de rijst en melk nog 1½ uur samen zacht laat koken.Men gebruikt de rijstenbrij met witte suiker.185.Saffraanrijst.Dezelfde verhouding als hierboven en voor 10 cents saffraan (bij den apotheker te ontbieden.)Dezelfde bereiding als hierboven, no. 184, terwijlmen bij de in de melk gestorte rijst de saffraan voegt en deze laat medekoken.Deze gele rijstepap wordt met witte suiker gebruikt.185a.Prinses Julianarijst.Hetzelfde maar roode kleurstof bij de gele saffraan mengen, voor de oranjekleur.186.Tapiocapap.1¼ Liter melk op 1 ons tapioca.De tapioca wordt gewasschen, in de melk te weeken gezet en daarna in diezelfde melk gekookt. Nu en dan moet men roeren, ter voorkoming dat de tapioca aanzet. Is ze gaar, dan laat men het gerecht nog een à 1½ uur boven een zacht vuurtje doorkoken, opdat de tapioca zich behoorlijk kan uitzetten.Ze is, gaar zijnde, doorschijnend-glazig.Men gebruikt ze met witte suiker.187.Vermicellipap.1 Liter melk, vermicelli naar eigen bevinding (± 1 ons.)Men laat de melk koken, breekt er de vermicelli in en al zacht roerende, laten gaar worden. (± ¾ uur à 1 uur.)Wordt met witte suiker gebruikt.188.Jan in den zak I.1 Pond bloem, ½ pond krenten, ½ pond rozijnen, 3 eieren, ½ ons gist (of ’n paar lepels legèn), ½ flesch melk, een weinig zout. Naar verkiezing ½ ons zeer fijngehakt sucade, lauw-warm water.Men maakt van al de ingrediënten een beslag, als volgt: de bloem wordt in eene kom gedaan, eenkuiltje er in; eieren geklutst en in het kuiltje gestort. De gist wordt met wat lauwwarme melk aangemaakt en daarbij gedaan—of men voegt er de legèn bij—. Nu gaat men deze massa, van het midden uit, roeren, zelfden kant om, en zoo lang roeren, onder telkens toevoeging van wat melk, tot deze op is en alles een glad, gelijk deeg is geworden.Daarna roert men het zout, de krenten, rozijnen en stukjes sucade door het beslag, dat men dan ¾ à 1 uur op een warme plaats laat rijzen.Is ze goed gerezen, dan doet men het beslag in een schoonen linnen doek of zak, (sarong-bantal), die men van binnen met boter heeft besmeerd. Den zak bindt men een handbreed (of iets meer) boven het beslag, toe, om dat te laten uitzetten. Den zak in een pan met lauwwarm water doen en zoo laten koken. Na 1½ uur omkeeren en op dezen kant ook laten koken. Onder het koken moet de zak dikwijls worden opgehaald, opdat hij drijven blijft en niet op den bodem van den kookketel (of de pan) gaat rusten.Men haalt, als hij gaar is, den Jan uit den ketel èn uit den zak en gebruikt hem met keukenstroop.Een andere wijze van189.Jan in den zak IIis: het deeg in een met boter ingesmeerden en met paneermeel bestrooiden puddingvorm te doen en ze dan gedurende 3 uren „au bain Marie” te koken.Natuurlijk neemt men dan de helft van de in het vorige nummer opgegeven hoeveelheden.Ook deze koek wordt, hoewel oneigenaardig, „ketelkoek” of „zakkoek” genoemd.Men eet ze ook met keukenstroop of met boter en suiker.190.Knoedels.100 gram meel, 1 ei, suiker en melk.Het ei wordt geklutst tot schuim en met het meel goed door elkander gewerkt tot een dik deeg. Is dit deeg te dun of slap, dan voegt men er nog wat meel bij.Vervolgens legt men dit deeg op een met meel bestreken plank, strijkt het goed uit, rolt het nog eens op en neemt er hoeveelheden van af, die men tot balletjes (kepel) kneedt. De balletjes kookt men in kokende melk op, tot ze gaar en dik worden. Men voegt er, onder het opkoken, suiker bij.Deze knoedels worden, met suiker bestrooid, genuttigd. In de melk kan men wat vanille medekoken.191.Flensjes.1 ons bloem, 3 eieren, een paar kopjes melk, een weinig zout, boter.Men klutst de 3 eieren gedurende 5 minuten met zout en voegt er de bloem, al roerende lepel voor lepel, bij, zoodat het „beslag” niet klontert. Vervolgens roert men er, langzaam aan, de melk bij. Van dit beslag bakt men, in boter, zeer dunne pannekoeken, „flensjes” genaamd, en zorgt dat ze aan beide zijden lichtbruin zien.192.Flensjes met vulsel.(gelei, gestoofde vruchten, enz.).Hetzelfde beslag, dezelfde bereiding; zijn de flensjes gaar, dan doet men er wat vulsel in en vouwt of rolt ze op.193.Flensjestaart.Dezelfde gevulde en gereed gemaakte flensjesworden in een met boter besmeerden „basi-kasar” in rijen, kruiselings, op elkander geplaatst, met wat vanillevla overgoten, dan met paneermeel bestrooid, waarbij een kluitje boter er bovenop; daarna in den oven (pan-bàkàr) van boven lichtgeel laten bakken.194.Pannekoeken.1 pond bloem, 4 à 5 eieren, 1¼ flesch melk, ’n paar lepels legèn, zout, boter.Men doet de bloem in een kom; de eieren worden geklutst en langzaam aan door de bloem geroerd; vervolgens wordt hierdoor de melk geroerd, met de legèn. (Dooiers en wit kan men ook elk afzonderlijk kloppen of klutsen.)Men laat nu dit beslag eenigen tijd (± ½ uur) rijzen en bakt daarna de pannekoeken in een platte, pan, waarin boter of genuaolie goed heet is gemaakt.Men kan ook, om de pannekoeken smakelijker en luchtiger te krijgen, gesmolten boter door het beslag mederoeren.Men gebruikt de pannekoeken met suiker of stroop.Van de pannekoeken kan men tal van variatiën bereiden, naarmate van hetgeen er in het beslag bij wordt gevoegd: alsa.pannekoeken metkrenten,b.pannekoeken,,met,,sucade,c.pannekoeken,,met,,kaneel geroerd, enz., enz.195.Poffertjes.Een halfpond tarwebloem, 3 eieren, ½ theelepeltje zout, 1 kopje gesmolten boter, (voorgistneme men 1 à 2 lepels legèn) en zooveel lauwe melk, dat men van dit alles een deeg maakt, alsof men pannekoeken zal bakken.Men klutst eerst de 3 eierdooiers stevig, waarna men er het meel, de boter, het zout en de melk doorheen roert; is dit goed vermengd, dat doet men er de legèn bij en het tot schuim geklopte wit der 3 eieren; alles wederom goed door elkander roeren en het dan ½ uur op een warme plaats laten rijzen.Is het genoegzaam gerezen, dan bakt men dit beslag in een flink met boter bestreken en heeten poffertjespan. Aan beide kanten gaar bakken.Men eet ze met boter en suiker bestrooid.En zoo komt men geleidelijk tot de
I.Nagerechten.173.Broodpap.1 Liter melk op 1 ons brood, aan stukjes gesneden. Deze is de standvastige verhouding.Men zet de melk met een weinig water op en laat ze koken.Als ze kookt, doet men er het brood bij en blijft er aanhoudend in roeren, tot de pap dik wordt.174.Boekweitegort met melk.1 Liter melk op 1¼ ons boekweitegort, een zeer klein weinigje zout.Men zet de melk op en laat ze koken. Als ze kookt, wordt, bij kleine beetjes, nu en dan een handje vol, de gort en het zout er in gedaan en de melk aanhoudend geroerd, tot ze dik is. Als de pap dik is, wordt ze afgenomen en voorgediend met stroop of suiker.175.Gewone gort.1 Liter karnemelk (of melk) op 1 ons gort. De gort wordt een nacht van te voren, desnoods eenige uren van te voren, in de karnemelk of in de melk te weeken gezet, waarin ze moet worden gekookt.Men brengt dan verder de gort in die melk aan den kook en laat ze zoo doorkoken, tot de korrels gort goed zijn uitgedijd. Twee à drie uren zachtjes koken.Men eet deze gort met stroop of suiker.176.Griesmeelpap.1 Liter melk op 1 ons griesmeel, een klein weinigje zout. (Men kan er, naar verkiezing, suiker bijkoken).De melk wordt gekookt endaarna wordt, beetje bij beetje, het griesmeel er door geroerd.Men blijft er in doorroeren tot het meel gaar is en dik wordt.Deze pap wordt met stroop of suiker gebruikt.177.Haverdegortpap.Dezelfde verhouding en dezelfde bereiding als de boekweitegort (no. 174).Ze moet op een zacht vuur langer doorkoken dan de boekweitegort.178.Havermout.Evenzoo dezelfde verhouding en bereiding als no. 174. Om klonteren te voorkomen, wordt de mout ook bij beetjes in de kokende melk gedaan en doorgeroerd. Dik geworden is de pap gereed. Men kan aan de havermout een eigenaardigen lekkeren smaak geven, door er een weinig saffraan aan toe te voegen.179.Deensche brij.1¼ Liter kokend water, 1 ons parelgort, ¾ splitglas bessensap, 4 à 5 lepels krenten en evenveel rozijnen, 2 à 3 lepels witte suiker.De parelgort wordt goed gewasschen en bij het kokende water gedaan. Men laat ze zachtjes 1 à 1½ uur koken. De rozijnen en krenten worden goed gewasschen en met het bessensap en de suiker er doorheen geroerd. Wordt de brij te dik, dan doet men er heet water bij.180.Maïzenapap.1 Liter melk op ½ ons maïzena (4 à 5 lepels)—vaste verhouding, anders wordt de pap te dik.Men kookt eerst de melk. Dan maakt men de maïzena aan, met een weinig (van dezelfde) koude melk en voegt ze daarna bij de geheele hoeveelheid kokende melk. Men blijve aanhoudend roeren. In eenige minuten is de maïzena gaar en dik.Men eet deze pap met suiker, stroop of goeladjawastroop.Voegt men een weinigje zout bij de pap, die men danwat dunnermoet koken, dan heeft men een goede vervangster (surrogaat) voor de zoo zeer in Indië gewilde181.Boeboer soemsoem,die men altijd met goeladjawastroop moet gebruiken.182.Rijst met krenten.Een half pond rijst, een ons krenten, 2 theelepels zout.Men neemt, om de rijst goed tot pap gaar te koken, op ééne hoeveelheid rijst, drie maal dezelfde hoeveelheid water, b.v. 1 kopje rijst op 3 kopjes water.Moet de rijst gaar en korrelig zijn (geen „pap”) dan is de verhouding 1 rijst op 2 water.Het halve pond rijst wordt, na goed te zijn gewasschen, met zout en water opgezet in de verhouding als hierboven opgegeven: 1 rijst op 3 water.De krenten worden gewasschen en 10 minuten met weinig water gekookt. Is de rijst gaar, dan voegt men er de gekookte krenten bij en roert alles goed door elkander. Men eet deze rijstepap met suiker (ook wat kaneel er bij, naar verkiezing.)183.Rijst met karnemelk.1½ ons rijst, 1 liter karnemelk.De rijst wordt schoongewasschen, daarna opgezet met koude karnemelk. Langzaam doorroeren, tot alles kookt. Men laat daarna de rijst nog eenigen tijd uitdijen.Men gebruikt deze pap met witte suiker.184.Rijstenbrij.Op 1¼ liter melk 150 gram rijst (voor matig dikke brij.) Wil mendunnebrij hebben, 100 gram endikkebrij, 200 gram rijst op dezelfde hoeveelheid melk.De melk wordt gekookt in een schoone pan, die eerst met helder versch water is omgespoeld en de rijst, die goed is gewasschen, wordt er dan, al roerende, ingestort.Men blijft doorroeren, tot de melk is doorgekookt, waarna men de rijst en melk nog 1½ uur samen zacht laat koken.Men gebruikt de rijstenbrij met witte suiker.185.Saffraanrijst.Dezelfde verhouding als hierboven en voor 10 cents saffraan (bij den apotheker te ontbieden.)Dezelfde bereiding als hierboven, no. 184, terwijlmen bij de in de melk gestorte rijst de saffraan voegt en deze laat medekoken.Deze gele rijstepap wordt met witte suiker gebruikt.185a.Prinses Julianarijst.Hetzelfde maar roode kleurstof bij de gele saffraan mengen, voor de oranjekleur.186.Tapiocapap.1¼ Liter melk op 1 ons tapioca.De tapioca wordt gewasschen, in de melk te weeken gezet en daarna in diezelfde melk gekookt. Nu en dan moet men roeren, ter voorkoming dat de tapioca aanzet. Is ze gaar, dan laat men het gerecht nog een à 1½ uur boven een zacht vuurtje doorkoken, opdat de tapioca zich behoorlijk kan uitzetten.Ze is, gaar zijnde, doorschijnend-glazig.Men gebruikt ze met witte suiker.187.Vermicellipap.1 Liter melk, vermicelli naar eigen bevinding (± 1 ons.)Men laat de melk koken, breekt er de vermicelli in en al zacht roerende, laten gaar worden. (± ¾ uur à 1 uur.)Wordt met witte suiker gebruikt.188.Jan in den zak I.1 Pond bloem, ½ pond krenten, ½ pond rozijnen, 3 eieren, ½ ons gist (of ’n paar lepels legèn), ½ flesch melk, een weinig zout. Naar verkiezing ½ ons zeer fijngehakt sucade, lauw-warm water.Men maakt van al de ingrediënten een beslag, als volgt: de bloem wordt in eene kom gedaan, eenkuiltje er in; eieren geklutst en in het kuiltje gestort. De gist wordt met wat lauwwarme melk aangemaakt en daarbij gedaan—of men voegt er de legèn bij—. Nu gaat men deze massa, van het midden uit, roeren, zelfden kant om, en zoo lang roeren, onder telkens toevoeging van wat melk, tot deze op is en alles een glad, gelijk deeg is geworden.Daarna roert men het zout, de krenten, rozijnen en stukjes sucade door het beslag, dat men dan ¾ à 1 uur op een warme plaats laat rijzen.Is ze goed gerezen, dan doet men het beslag in een schoonen linnen doek of zak, (sarong-bantal), die men van binnen met boter heeft besmeerd. Den zak bindt men een handbreed (of iets meer) boven het beslag, toe, om dat te laten uitzetten. Den zak in een pan met lauwwarm water doen en zoo laten koken. Na 1½ uur omkeeren en op dezen kant ook laten koken. Onder het koken moet de zak dikwijls worden opgehaald, opdat hij drijven blijft en niet op den bodem van den kookketel (of de pan) gaat rusten.Men haalt, als hij gaar is, den Jan uit den ketel èn uit den zak en gebruikt hem met keukenstroop.Een andere wijze van189.Jan in den zak IIis: het deeg in een met boter ingesmeerden en met paneermeel bestrooiden puddingvorm te doen en ze dan gedurende 3 uren „au bain Marie” te koken.Natuurlijk neemt men dan de helft van de in het vorige nummer opgegeven hoeveelheden.Ook deze koek wordt, hoewel oneigenaardig, „ketelkoek” of „zakkoek” genoemd.Men eet ze ook met keukenstroop of met boter en suiker.190.Knoedels.100 gram meel, 1 ei, suiker en melk.Het ei wordt geklutst tot schuim en met het meel goed door elkander gewerkt tot een dik deeg. Is dit deeg te dun of slap, dan voegt men er nog wat meel bij.Vervolgens legt men dit deeg op een met meel bestreken plank, strijkt het goed uit, rolt het nog eens op en neemt er hoeveelheden van af, die men tot balletjes (kepel) kneedt. De balletjes kookt men in kokende melk op, tot ze gaar en dik worden. Men voegt er, onder het opkoken, suiker bij.Deze knoedels worden, met suiker bestrooid, genuttigd. In de melk kan men wat vanille medekoken.191.Flensjes.1 ons bloem, 3 eieren, een paar kopjes melk, een weinig zout, boter.Men klutst de 3 eieren gedurende 5 minuten met zout en voegt er de bloem, al roerende lepel voor lepel, bij, zoodat het „beslag” niet klontert. Vervolgens roert men er, langzaam aan, de melk bij. Van dit beslag bakt men, in boter, zeer dunne pannekoeken, „flensjes” genaamd, en zorgt dat ze aan beide zijden lichtbruin zien.192.Flensjes met vulsel.(gelei, gestoofde vruchten, enz.).Hetzelfde beslag, dezelfde bereiding; zijn de flensjes gaar, dan doet men er wat vulsel in en vouwt of rolt ze op.193.Flensjestaart.Dezelfde gevulde en gereed gemaakte flensjesworden in een met boter besmeerden „basi-kasar” in rijen, kruiselings, op elkander geplaatst, met wat vanillevla overgoten, dan met paneermeel bestrooid, waarbij een kluitje boter er bovenop; daarna in den oven (pan-bàkàr) van boven lichtgeel laten bakken.194.Pannekoeken.1 pond bloem, 4 à 5 eieren, 1¼ flesch melk, ’n paar lepels legèn, zout, boter.Men doet de bloem in een kom; de eieren worden geklutst en langzaam aan door de bloem geroerd; vervolgens wordt hierdoor de melk geroerd, met de legèn. (Dooiers en wit kan men ook elk afzonderlijk kloppen of klutsen.)Men laat nu dit beslag eenigen tijd (± ½ uur) rijzen en bakt daarna de pannekoeken in een platte, pan, waarin boter of genuaolie goed heet is gemaakt.Men kan ook, om de pannekoeken smakelijker en luchtiger te krijgen, gesmolten boter door het beslag mederoeren.Men gebruikt de pannekoeken met suiker of stroop.Van de pannekoeken kan men tal van variatiën bereiden, naarmate van hetgeen er in het beslag bij wordt gevoegd: alsa.pannekoeken metkrenten,b.pannekoeken,,met,,sucade,c.pannekoeken,,met,,kaneel geroerd, enz., enz.195.Poffertjes.Een halfpond tarwebloem, 3 eieren, ½ theelepeltje zout, 1 kopje gesmolten boter, (voorgistneme men 1 à 2 lepels legèn) en zooveel lauwe melk, dat men van dit alles een deeg maakt, alsof men pannekoeken zal bakken.Men klutst eerst de 3 eierdooiers stevig, waarna men er het meel, de boter, het zout en de melk doorheen roert; is dit goed vermengd, dat doet men er de legèn bij en het tot schuim geklopte wit der 3 eieren; alles wederom goed door elkander roeren en het dan ½ uur op een warme plaats laten rijzen.Is het genoegzaam gerezen, dan bakt men dit beslag in een flink met boter bestreken en heeten poffertjespan. Aan beide kanten gaar bakken.Men eet ze met boter en suiker bestrooid.En zoo komt men geleidelijk tot de
I.Nagerechten.173.Broodpap.1 Liter melk op 1 ons brood, aan stukjes gesneden. Deze is de standvastige verhouding.Men zet de melk met een weinig water op en laat ze koken.Als ze kookt, doet men er het brood bij en blijft er aanhoudend in roeren, tot de pap dik wordt.174.Boekweitegort met melk.1 Liter melk op 1¼ ons boekweitegort, een zeer klein weinigje zout.Men zet de melk op en laat ze koken. Als ze kookt, wordt, bij kleine beetjes, nu en dan een handje vol, de gort en het zout er in gedaan en de melk aanhoudend geroerd, tot ze dik is. Als de pap dik is, wordt ze afgenomen en voorgediend met stroop of suiker.175.Gewone gort.1 Liter karnemelk (of melk) op 1 ons gort. De gort wordt een nacht van te voren, desnoods eenige uren van te voren, in de karnemelk of in de melk te weeken gezet, waarin ze moet worden gekookt.Men brengt dan verder de gort in die melk aan den kook en laat ze zoo doorkoken, tot de korrels gort goed zijn uitgedijd. Twee à drie uren zachtjes koken.Men eet deze gort met stroop of suiker.176.Griesmeelpap.1 Liter melk op 1 ons griesmeel, een klein weinigje zout. (Men kan er, naar verkiezing, suiker bijkoken).De melk wordt gekookt endaarna wordt, beetje bij beetje, het griesmeel er door geroerd.Men blijft er in doorroeren tot het meel gaar is en dik wordt.Deze pap wordt met stroop of suiker gebruikt.177.Haverdegortpap.Dezelfde verhouding en dezelfde bereiding als de boekweitegort (no. 174).Ze moet op een zacht vuur langer doorkoken dan de boekweitegort.178.Havermout.Evenzoo dezelfde verhouding en bereiding als no. 174. Om klonteren te voorkomen, wordt de mout ook bij beetjes in de kokende melk gedaan en doorgeroerd. Dik geworden is de pap gereed. Men kan aan de havermout een eigenaardigen lekkeren smaak geven, door er een weinig saffraan aan toe te voegen.179.Deensche brij.1¼ Liter kokend water, 1 ons parelgort, ¾ splitglas bessensap, 4 à 5 lepels krenten en evenveel rozijnen, 2 à 3 lepels witte suiker.De parelgort wordt goed gewasschen en bij het kokende water gedaan. Men laat ze zachtjes 1 à 1½ uur koken. De rozijnen en krenten worden goed gewasschen en met het bessensap en de suiker er doorheen geroerd. Wordt de brij te dik, dan doet men er heet water bij.180.Maïzenapap.1 Liter melk op ½ ons maïzena (4 à 5 lepels)—vaste verhouding, anders wordt de pap te dik.Men kookt eerst de melk. Dan maakt men de maïzena aan, met een weinig (van dezelfde) koude melk en voegt ze daarna bij de geheele hoeveelheid kokende melk. Men blijve aanhoudend roeren. In eenige minuten is de maïzena gaar en dik.Men eet deze pap met suiker, stroop of goeladjawastroop.Voegt men een weinigje zout bij de pap, die men danwat dunnermoet koken, dan heeft men een goede vervangster (surrogaat) voor de zoo zeer in Indië gewilde181.Boeboer soemsoem,die men altijd met goeladjawastroop moet gebruiken.182.Rijst met krenten.Een half pond rijst, een ons krenten, 2 theelepels zout.Men neemt, om de rijst goed tot pap gaar te koken, op ééne hoeveelheid rijst, drie maal dezelfde hoeveelheid water, b.v. 1 kopje rijst op 3 kopjes water.Moet de rijst gaar en korrelig zijn (geen „pap”) dan is de verhouding 1 rijst op 2 water.Het halve pond rijst wordt, na goed te zijn gewasschen, met zout en water opgezet in de verhouding als hierboven opgegeven: 1 rijst op 3 water.De krenten worden gewasschen en 10 minuten met weinig water gekookt. Is de rijst gaar, dan voegt men er de gekookte krenten bij en roert alles goed door elkander. Men eet deze rijstepap met suiker (ook wat kaneel er bij, naar verkiezing.)183.Rijst met karnemelk.1½ ons rijst, 1 liter karnemelk.De rijst wordt schoongewasschen, daarna opgezet met koude karnemelk. Langzaam doorroeren, tot alles kookt. Men laat daarna de rijst nog eenigen tijd uitdijen.Men gebruikt deze pap met witte suiker.184.Rijstenbrij.Op 1¼ liter melk 150 gram rijst (voor matig dikke brij.) Wil mendunnebrij hebben, 100 gram endikkebrij, 200 gram rijst op dezelfde hoeveelheid melk.De melk wordt gekookt in een schoone pan, die eerst met helder versch water is omgespoeld en de rijst, die goed is gewasschen, wordt er dan, al roerende, ingestort.Men blijft doorroeren, tot de melk is doorgekookt, waarna men de rijst en melk nog 1½ uur samen zacht laat koken.Men gebruikt de rijstenbrij met witte suiker.185.Saffraanrijst.Dezelfde verhouding als hierboven en voor 10 cents saffraan (bij den apotheker te ontbieden.)Dezelfde bereiding als hierboven, no. 184, terwijlmen bij de in de melk gestorte rijst de saffraan voegt en deze laat medekoken.Deze gele rijstepap wordt met witte suiker gebruikt.185a.Prinses Julianarijst.Hetzelfde maar roode kleurstof bij de gele saffraan mengen, voor de oranjekleur.186.Tapiocapap.1¼ Liter melk op 1 ons tapioca.De tapioca wordt gewasschen, in de melk te weeken gezet en daarna in diezelfde melk gekookt. Nu en dan moet men roeren, ter voorkoming dat de tapioca aanzet. Is ze gaar, dan laat men het gerecht nog een à 1½ uur boven een zacht vuurtje doorkoken, opdat de tapioca zich behoorlijk kan uitzetten.Ze is, gaar zijnde, doorschijnend-glazig.Men gebruikt ze met witte suiker.187.Vermicellipap.1 Liter melk, vermicelli naar eigen bevinding (± 1 ons.)Men laat de melk koken, breekt er de vermicelli in en al zacht roerende, laten gaar worden. (± ¾ uur à 1 uur.)Wordt met witte suiker gebruikt.188.Jan in den zak I.1 Pond bloem, ½ pond krenten, ½ pond rozijnen, 3 eieren, ½ ons gist (of ’n paar lepels legèn), ½ flesch melk, een weinig zout. Naar verkiezing ½ ons zeer fijngehakt sucade, lauw-warm water.Men maakt van al de ingrediënten een beslag, als volgt: de bloem wordt in eene kom gedaan, eenkuiltje er in; eieren geklutst en in het kuiltje gestort. De gist wordt met wat lauwwarme melk aangemaakt en daarbij gedaan—of men voegt er de legèn bij—. Nu gaat men deze massa, van het midden uit, roeren, zelfden kant om, en zoo lang roeren, onder telkens toevoeging van wat melk, tot deze op is en alles een glad, gelijk deeg is geworden.Daarna roert men het zout, de krenten, rozijnen en stukjes sucade door het beslag, dat men dan ¾ à 1 uur op een warme plaats laat rijzen.Is ze goed gerezen, dan doet men het beslag in een schoonen linnen doek of zak, (sarong-bantal), die men van binnen met boter heeft besmeerd. Den zak bindt men een handbreed (of iets meer) boven het beslag, toe, om dat te laten uitzetten. Den zak in een pan met lauwwarm water doen en zoo laten koken. Na 1½ uur omkeeren en op dezen kant ook laten koken. Onder het koken moet de zak dikwijls worden opgehaald, opdat hij drijven blijft en niet op den bodem van den kookketel (of de pan) gaat rusten.Men haalt, als hij gaar is, den Jan uit den ketel èn uit den zak en gebruikt hem met keukenstroop.Een andere wijze van189.Jan in den zak IIis: het deeg in een met boter ingesmeerden en met paneermeel bestrooiden puddingvorm te doen en ze dan gedurende 3 uren „au bain Marie” te koken.Natuurlijk neemt men dan de helft van de in het vorige nummer opgegeven hoeveelheden.Ook deze koek wordt, hoewel oneigenaardig, „ketelkoek” of „zakkoek” genoemd.Men eet ze ook met keukenstroop of met boter en suiker.190.Knoedels.100 gram meel, 1 ei, suiker en melk.Het ei wordt geklutst tot schuim en met het meel goed door elkander gewerkt tot een dik deeg. Is dit deeg te dun of slap, dan voegt men er nog wat meel bij.Vervolgens legt men dit deeg op een met meel bestreken plank, strijkt het goed uit, rolt het nog eens op en neemt er hoeveelheden van af, die men tot balletjes (kepel) kneedt. De balletjes kookt men in kokende melk op, tot ze gaar en dik worden. Men voegt er, onder het opkoken, suiker bij.Deze knoedels worden, met suiker bestrooid, genuttigd. In de melk kan men wat vanille medekoken.191.Flensjes.1 ons bloem, 3 eieren, een paar kopjes melk, een weinig zout, boter.Men klutst de 3 eieren gedurende 5 minuten met zout en voegt er de bloem, al roerende lepel voor lepel, bij, zoodat het „beslag” niet klontert. Vervolgens roert men er, langzaam aan, de melk bij. Van dit beslag bakt men, in boter, zeer dunne pannekoeken, „flensjes” genaamd, en zorgt dat ze aan beide zijden lichtbruin zien.192.Flensjes met vulsel.(gelei, gestoofde vruchten, enz.).Hetzelfde beslag, dezelfde bereiding; zijn de flensjes gaar, dan doet men er wat vulsel in en vouwt of rolt ze op.193.Flensjestaart.Dezelfde gevulde en gereed gemaakte flensjesworden in een met boter besmeerden „basi-kasar” in rijen, kruiselings, op elkander geplaatst, met wat vanillevla overgoten, dan met paneermeel bestrooid, waarbij een kluitje boter er bovenop; daarna in den oven (pan-bàkàr) van boven lichtgeel laten bakken.194.Pannekoeken.1 pond bloem, 4 à 5 eieren, 1¼ flesch melk, ’n paar lepels legèn, zout, boter.Men doet de bloem in een kom; de eieren worden geklutst en langzaam aan door de bloem geroerd; vervolgens wordt hierdoor de melk geroerd, met de legèn. (Dooiers en wit kan men ook elk afzonderlijk kloppen of klutsen.)Men laat nu dit beslag eenigen tijd (± ½ uur) rijzen en bakt daarna de pannekoeken in een platte, pan, waarin boter of genuaolie goed heet is gemaakt.Men kan ook, om de pannekoeken smakelijker en luchtiger te krijgen, gesmolten boter door het beslag mederoeren.Men gebruikt de pannekoeken met suiker of stroop.Van de pannekoeken kan men tal van variatiën bereiden, naarmate van hetgeen er in het beslag bij wordt gevoegd: alsa.pannekoeken metkrenten,b.pannekoeken,,met,,sucade,c.pannekoeken,,met,,kaneel geroerd, enz., enz.195.Poffertjes.Een halfpond tarwebloem, 3 eieren, ½ theelepeltje zout, 1 kopje gesmolten boter, (voorgistneme men 1 à 2 lepels legèn) en zooveel lauwe melk, dat men van dit alles een deeg maakt, alsof men pannekoeken zal bakken.Men klutst eerst de 3 eierdooiers stevig, waarna men er het meel, de boter, het zout en de melk doorheen roert; is dit goed vermengd, dat doet men er de legèn bij en het tot schuim geklopte wit der 3 eieren; alles wederom goed door elkander roeren en het dan ½ uur op een warme plaats laten rijzen.Is het genoegzaam gerezen, dan bakt men dit beslag in een flink met boter bestreken en heeten poffertjespan. Aan beide kanten gaar bakken.Men eet ze met boter en suiker bestrooid.En zoo komt men geleidelijk tot de
I.Nagerechten.
173.Broodpap.1 Liter melk op 1 ons brood, aan stukjes gesneden. Deze is de standvastige verhouding.Men zet de melk met een weinig water op en laat ze koken.Als ze kookt, doet men er het brood bij en blijft er aanhoudend in roeren, tot de pap dik wordt.174.Boekweitegort met melk.1 Liter melk op 1¼ ons boekweitegort, een zeer klein weinigje zout.Men zet de melk op en laat ze koken. Als ze kookt, wordt, bij kleine beetjes, nu en dan een handje vol, de gort en het zout er in gedaan en de melk aanhoudend geroerd, tot ze dik is. Als de pap dik is, wordt ze afgenomen en voorgediend met stroop of suiker.175.Gewone gort.1 Liter karnemelk (of melk) op 1 ons gort. De gort wordt een nacht van te voren, desnoods eenige uren van te voren, in de karnemelk of in de melk te weeken gezet, waarin ze moet worden gekookt.Men brengt dan verder de gort in die melk aan den kook en laat ze zoo doorkoken, tot de korrels gort goed zijn uitgedijd. Twee à drie uren zachtjes koken.Men eet deze gort met stroop of suiker.176.Griesmeelpap.1 Liter melk op 1 ons griesmeel, een klein weinigje zout. (Men kan er, naar verkiezing, suiker bijkoken).De melk wordt gekookt endaarna wordt, beetje bij beetje, het griesmeel er door geroerd.Men blijft er in doorroeren tot het meel gaar is en dik wordt.Deze pap wordt met stroop of suiker gebruikt.177.Haverdegortpap.Dezelfde verhouding en dezelfde bereiding als de boekweitegort (no. 174).Ze moet op een zacht vuur langer doorkoken dan de boekweitegort.178.Havermout.Evenzoo dezelfde verhouding en bereiding als no. 174. Om klonteren te voorkomen, wordt de mout ook bij beetjes in de kokende melk gedaan en doorgeroerd. Dik geworden is de pap gereed. Men kan aan de havermout een eigenaardigen lekkeren smaak geven, door er een weinig saffraan aan toe te voegen.179.Deensche brij.1¼ Liter kokend water, 1 ons parelgort, ¾ splitglas bessensap, 4 à 5 lepels krenten en evenveel rozijnen, 2 à 3 lepels witte suiker.De parelgort wordt goed gewasschen en bij het kokende water gedaan. Men laat ze zachtjes 1 à 1½ uur koken. De rozijnen en krenten worden goed gewasschen en met het bessensap en de suiker er doorheen geroerd. Wordt de brij te dik, dan doet men er heet water bij.180.Maïzenapap.1 Liter melk op ½ ons maïzena (4 à 5 lepels)—vaste verhouding, anders wordt de pap te dik.Men kookt eerst de melk. Dan maakt men de maïzena aan, met een weinig (van dezelfde) koude melk en voegt ze daarna bij de geheele hoeveelheid kokende melk. Men blijve aanhoudend roeren. In eenige minuten is de maïzena gaar en dik.Men eet deze pap met suiker, stroop of goeladjawastroop.Voegt men een weinigje zout bij de pap, die men danwat dunnermoet koken, dan heeft men een goede vervangster (surrogaat) voor de zoo zeer in Indië gewilde181.Boeboer soemsoem,die men altijd met goeladjawastroop moet gebruiken.182.Rijst met krenten.Een half pond rijst, een ons krenten, 2 theelepels zout.Men neemt, om de rijst goed tot pap gaar te koken, op ééne hoeveelheid rijst, drie maal dezelfde hoeveelheid water, b.v. 1 kopje rijst op 3 kopjes water.Moet de rijst gaar en korrelig zijn (geen „pap”) dan is de verhouding 1 rijst op 2 water.Het halve pond rijst wordt, na goed te zijn gewasschen, met zout en water opgezet in de verhouding als hierboven opgegeven: 1 rijst op 3 water.De krenten worden gewasschen en 10 minuten met weinig water gekookt. Is de rijst gaar, dan voegt men er de gekookte krenten bij en roert alles goed door elkander. Men eet deze rijstepap met suiker (ook wat kaneel er bij, naar verkiezing.)183.Rijst met karnemelk.1½ ons rijst, 1 liter karnemelk.De rijst wordt schoongewasschen, daarna opgezet met koude karnemelk. Langzaam doorroeren, tot alles kookt. Men laat daarna de rijst nog eenigen tijd uitdijen.Men gebruikt deze pap met witte suiker.184.Rijstenbrij.Op 1¼ liter melk 150 gram rijst (voor matig dikke brij.) Wil mendunnebrij hebben, 100 gram endikkebrij, 200 gram rijst op dezelfde hoeveelheid melk.De melk wordt gekookt in een schoone pan, die eerst met helder versch water is omgespoeld en de rijst, die goed is gewasschen, wordt er dan, al roerende, ingestort.Men blijft doorroeren, tot de melk is doorgekookt, waarna men de rijst en melk nog 1½ uur samen zacht laat koken.Men gebruikt de rijstenbrij met witte suiker.185.Saffraanrijst.Dezelfde verhouding als hierboven en voor 10 cents saffraan (bij den apotheker te ontbieden.)Dezelfde bereiding als hierboven, no. 184, terwijlmen bij de in de melk gestorte rijst de saffraan voegt en deze laat medekoken.Deze gele rijstepap wordt met witte suiker gebruikt.185a.Prinses Julianarijst.Hetzelfde maar roode kleurstof bij de gele saffraan mengen, voor de oranjekleur.186.Tapiocapap.1¼ Liter melk op 1 ons tapioca.De tapioca wordt gewasschen, in de melk te weeken gezet en daarna in diezelfde melk gekookt. Nu en dan moet men roeren, ter voorkoming dat de tapioca aanzet. Is ze gaar, dan laat men het gerecht nog een à 1½ uur boven een zacht vuurtje doorkoken, opdat de tapioca zich behoorlijk kan uitzetten.Ze is, gaar zijnde, doorschijnend-glazig.Men gebruikt ze met witte suiker.187.Vermicellipap.1 Liter melk, vermicelli naar eigen bevinding (± 1 ons.)Men laat de melk koken, breekt er de vermicelli in en al zacht roerende, laten gaar worden. (± ¾ uur à 1 uur.)Wordt met witte suiker gebruikt.188.Jan in den zak I.1 Pond bloem, ½ pond krenten, ½ pond rozijnen, 3 eieren, ½ ons gist (of ’n paar lepels legèn), ½ flesch melk, een weinig zout. Naar verkiezing ½ ons zeer fijngehakt sucade, lauw-warm water.Men maakt van al de ingrediënten een beslag, als volgt: de bloem wordt in eene kom gedaan, eenkuiltje er in; eieren geklutst en in het kuiltje gestort. De gist wordt met wat lauwwarme melk aangemaakt en daarbij gedaan—of men voegt er de legèn bij—. Nu gaat men deze massa, van het midden uit, roeren, zelfden kant om, en zoo lang roeren, onder telkens toevoeging van wat melk, tot deze op is en alles een glad, gelijk deeg is geworden.Daarna roert men het zout, de krenten, rozijnen en stukjes sucade door het beslag, dat men dan ¾ à 1 uur op een warme plaats laat rijzen.Is ze goed gerezen, dan doet men het beslag in een schoonen linnen doek of zak, (sarong-bantal), die men van binnen met boter heeft besmeerd. Den zak bindt men een handbreed (of iets meer) boven het beslag, toe, om dat te laten uitzetten. Den zak in een pan met lauwwarm water doen en zoo laten koken. Na 1½ uur omkeeren en op dezen kant ook laten koken. Onder het koken moet de zak dikwijls worden opgehaald, opdat hij drijven blijft en niet op den bodem van den kookketel (of de pan) gaat rusten.Men haalt, als hij gaar is, den Jan uit den ketel èn uit den zak en gebruikt hem met keukenstroop.Een andere wijze van189.Jan in den zak IIis: het deeg in een met boter ingesmeerden en met paneermeel bestrooiden puddingvorm te doen en ze dan gedurende 3 uren „au bain Marie” te koken.Natuurlijk neemt men dan de helft van de in het vorige nummer opgegeven hoeveelheden.Ook deze koek wordt, hoewel oneigenaardig, „ketelkoek” of „zakkoek” genoemd.Men eet ze ook met keukenstroop of met boter en suiker.190.Knoedels.100 gram meel, 1 ei, suiker en melk.Het ei wordt geklutst tot schuim en met het meel goed door elkander gewerkt tot een dik deeg. Is dit deeg te dun of slap, dan voegt men er nog wat meel bij.Vervolgens legt men dit deeg op een met meel bestreken plank, strijkt het goed uit, rolt het nog eens op en neemt er hoeveelheden van af, die men tot balletjes (kepel) kneedt. De balletjes kookt men in kokende melk op, tot ze gaar en dik worden. Men voegt er, onder het opkoken, suiker bij.Deze knoedels worden, met suiker bestrooid, genuttigd. In de melk kan men wat vanille medekoken.191.Flensjes.1 ons bloem, 3 eieren, een paar kopjes melk, een weinig zout, boter.Men klutst de 3 eieren gedurende 5 minuten met zout en voegt er de bloem, al roerende lepel voor lepel, bij, zoodat het „beslag” niet klontert. Vervolgens roert men er, langzaam aan, de melk bij. Van dit beslag bakt men, in boter, zeer dunne pannekoeken, „flensjes” genaamd, en zorgt dat ze aan beide zijden lichtbruin zien.192.Flensjes met vulsel.(gelei, gestoofde vruchten, enz.).Hetzelfde beslag, dezelfde bereiding; zijn de flensjes gaar, dan doet men er wat vulsel in en vouwt of rolt ze op.193.Flensjestaart.Dezelfde gevulde en gereed gemaakte flensjesworden in een met boter besmeerden „basi-kasar” in rijen, kruiselings, op elkander geplaatst, met wat vanillevla overgoten, dan met paneermeel bestrooid, waarbij een kluitje boter er bovenop; daarna in den oven (pan-bàkàr) van boven lichtgeel laten bakken.194.Pannekoeken.1 pond bloem, 4 à 5 eieren, 1¼ flesch melk, ’n paar lepels legèn, zout, boter.Men doet de bloem in een kom; de eieren worden geklutst en langzaam aan door de bloem geroerd; vervolgens wordt hierdoor de melk geroerd, met de legèn. (Dooiers en wit kan men ook elk afzonderlijk kloppen of klutsen.)Men laat nu dit beslag eenigen tijd (± ½ uur) rijzen en bakt daarna de pannekoeken in een platte, pan, waarin boter of genuaolie goed heet is gemaakt.Men kan ook, om de pannekoeken smakelijker en luchtiger te krijgen, gesmolten boter door het beslag mederoeren.Men gebruikt de pannekoeken met suiker of stroop.Van de pannekoeken kan men tal van variatiën bereiden, naarmate van hetgeen er in het beslag bij wordt gevoegd: alsa.pannekoeken metkrenten,b.pannekoeken,,met,,sucade,c.pannekoeken,,met,,kaneel geroerd, enz., enz.195.Poffertjes.Een halfpond tarwebloem, 3 eieren, ½ theelepeltje zout, 1 kopje gesmolten boter, (voorgistneme men 1 à 2 lepels legèn) en zooveel lauwe melk, dat men van dit alles een deeg maakt, alsof men pannekoeken zal bakken.Men klutst eerst de 3 eierdooiers stevig, waarna men er het meel, de boter, het zout en de melk doorheen roert; is dit goed vermengd, dat doet men er de legèn bij en het tot schuim geklopte wit der 3 eieren; alles wederom goed door elkander roeren en het dan ½ uur op een warme plaats laten rijzen.Is het genoegzaam gerezen, dan bakt men dit beslag in een flink met boter bestreken en heeten poffertjespan. Aan beide kanten gaar bakken.Men eet ze met boter en suiker bestrooid.En zoo komt men geleidelijk tot de
173.Broodpap.1 Liter melk op 1 ons brood, aan stukjes gesneden. Deze is de standvastige verhouding.Men zet de melk met een weinig water op en laat ze koken.Als ze kookt, doet men er het brood bij en blijft er aanhoudend in roeren, tot de pap dik wordt.
173.Broodpap.
1 Liter melk op 1 ons brood, aan stukjes gesneden. Deze is de standvastige verhouding.Men zet de melk met een weinig water op en laat ze koken.Als ze kookt, doet men er het brood bij en blijft er aanhoudend in roeren, tot de pap dik wordt.
1 Liter melk op 1 ons brood, aan stukjes gesneden. Deze is de standvastige verhouding.
Men zet de melk met een weinig water op en laat ze koken.
Als ze kookt, doet men er het brood bij en blijft er aanhoudend in roeren, tot de pap dik wordt.
174.Boekweitegort met melk.1 Liter melk op 1¼ ons boekweitegort, een zeer klein weinigje zout.Men zet de melk op en laat ze koken. Als ze kookt, wordt, bij kleine beetjes, nu en dan een handje vol, de gort en het zout er in gedaan en de melk aanhoudend geroerd, tot ze dik is. Als de pap dik is, wordt ze afgenomen en voorgediend met stroop of suiker.
174.Boekweitegort met melk.
1 Liter melk op 1¼ ons boekweitegort, een zeer klein weinigje zout.Men zet de melk op en laat ze koken. Als ze kookt, wordt, bij kleine beetjes, nu en dan een handje vol, de gort en het zout er in gedaan en de melk aanhoudend geroerd, tot ze dik is. Als de pap dik is, wordt ze afgenomen en voorgediend met stroop of suiker.
1 Liter melk op 1¼ ons boekweitegort, een zeer klein weinigje zout.
Men zet de melk op en laat ze koken. Als ze kookt, wordt, bij kleine beetjes, nu en dan een handje vol, de gort en het zout er in gedaan en de melk aanhoudend geroerd, tot ze dik is. Als de pap dik is, wordt ze afgenomen en voorgediend met stroop of suiker.
175.Gewone gort.1 Liter karnemelk (of melk) op 1 ons gort. De gort wordt een nacht van te voren, desnoods eenige uren van te voren, in de karnemelk of in de melk te weeken gezet, waarin ze moet worden gekookt.Men brengt dan verder de gort in die melk aan den kook en laat ze zoo doorkoken, tot de korrels gort goed zijn uitgedijd. Twee à drie uren zachtjes koken.Men eet deze gort met stroop of suiker.
175.Gewone gort.
1 Liter karnemelk (of melk) op 1 ons gort. De gort wordt een nacht van te voren, desnoods eenige uren van te voren, in de karnemelk of in de melk te weeken gezet, waarin ze moet worden gekookt.Men brengt dan verder de gort in die melk aan den kook en laat ze zoo doorkoken, tot de korrels gort goed zijn uitgedijd. Twee à drie uren zachtjes koken.Men eet deze gort met stroop of suiker.
1 Liter karnemelk (of melk) op 1 ons gort. De gort wordt een nacht van te voren, desnoods eenige uren van te voren, in de karnemelk of in de melk te weeken gezet, waarin ze moet worden gekookt.
Men brengt dan verder de gort in die melk aan den kook en laat ze zoo doorkoken, tot de korrels gort goed zijn uitgedijd. Twee à drie uren zachtjes koken.
Men eet deze gort met stroop of suiker.
176.Griesmeelpap.1 Liter melk op 1 ons griesmeel, een klein weinigje zout. (Men kan er, naar verkiezing, suiker bijkoken).De melk wordt gekookt endaarna wordt, beetje bij beetje, het griesmeel er door geroerd.Men blijft er in doorroeren tot het meel gaar is en dik wordt.Deze pap wordt met stroop of suiker gebruikt.
176.Griesmeelpap.
1 Liter melk op 1 ons griesmeel, een klein weinigje zout. (Men kan er, naar verkiezing, suiker bijkoken).De melk wordt gekookt endaarna wordt, beetje bij beetje, het griesmeel er door geroerd.Men blijft er in doorroeren tot het meel gaar is en dik wordt.Deze pap wordt met stroop of suiker gebruikt.
1 Liter melk op 1 ons griesmeel, een klein weinigje zout. (Men kan er, naar verkiezing, suiker bijkoken).
De melk wordt gekookt endaarna wordt, beetje bij beetje, het griesmeel er door geroerd.
Men blijft er in doorroeren tot het meel gaar is en dik wordt.
Deze pap wordt met stroop of suiker gebruikt.
177.Haverdegortpap.Dezelfde verhouding en dezelfde bereiding als de boekweitegort (no. 174).Ze moet op een zacht vuur langer doorkoken dan de boekweitegort.
177.Haverdegortpap.
Dezelfde verhouding en dezelfde bereiding als de boekweitegort (no. 174).Ze moet op een zacht vuur langer doorkoken dan de boekweitegort.
Dezelfde verhouding en dezelfde bereiding als de boekweitegort (no. 174).
Ze moet op een zacht vuur langer doorkoken dan de boekweitegort.
178.Havermout.Evenzoo dezelfde verhouding en bereiding als no. 174. Om klonteren te voorkomen, wordt de mout ook bij beetjes in de kokende melk gedaan en doorgeroerd. Dik geworden is de pap gereed. Men kan aan de havermout een eigenaardigen lekkeren smaak geven, door er een weinig saffraan aan toe te voegen.
178.Havermout.
Evenzoo dezelfde verhouding en bereiding als no. 174. Om klonteren te voorkomen, wordt de mout ook bij beetjes in de kokende melk gedaan en doorgeroerd. Dik geworden is de pap gereed. Men kan aan de havermout een eigenaardigen lekkeren smaak geven, door er een weinig saffraan aan toe te voegen.
Evenzoo dezelfde verhouding en bereiding als no. 174. Om klonteren te voorkomen, wordt de mout ook bij beetjes in de kokende melk gedaan en doorgeroerd. Dik geworden is de pap gereed. Men kan aan de havermout een eigenaardigen lekkeren smaak geven, door er een weinig saffraan aan toe te voegen.
179.Deensche brij.1¼ Liter kokend water, 1 ons parelgort, ¾ splitglas bessensap, 4 à 5 lepels krenten en evenveel rozijnen, 2 à 3 lepels witte suiker.De parelgort wordt goed gewasschen en bij het kokende water gedaan. Men laat ze zachtjes 1 à 1½ uur koken. De rozijnen en krenten worden goed gewasschen en met het bessensap en de suiker er doorheen geroerd. Wordt de brij te dik, dan doet men er heet water bij.
179.Deensche brij.
1¼ Liter kokend water, 1 ons parelgort, ¾ splitglas bessensap, 4 à 5 lepels krenten en evenveel rozijnen, 2 à 3 lepels witte suiker.De parelgort wordt goed gewasschen en bij het kokende water gedaan. Men laat ze zachtjes 1 à 1½ uur koken. De rozijnen en krenten worden goed gewasschen en met het bessensap en de suiker er doorheen geroerd. Wordt de brij te dik, dan doet men er heet water bij.
1¼ Liter kokend water, 1 ons parelgort, ¾ splitglas bessensap, 4 à 5 lepels krenten en evenveel rozijnen, 2 à 3 lepels witte suiker.
De parelgort wordt goed gewasschen en bij het kokende water gedaan. Men laat ze zachtjes 1 à 1½ uur koken. De rozijnen en krenten worden goed gewasschen en met het bessensap en de suiker er doorheen geroerd. Wordt de brij te dik, dan doet men er heet water bij.
180.Maïzenapap.1 Liter melk op ½ ons maïzena (4 à 5 lepels)—vaste verhouding, anders wordt de pap te dik.Men kookt eerst de melk. Dan maakt men de maïzena aan, met een weinig (van dezelfde) koude melk en voegt ze daarna bij de geheele hoeveelheid kokende melk. Men blijve aanhoudend roeren. In eenige minuten is de maïzena gaar en dik.Men eet deze pap met suiker, stroop of goeladjawastroop.Voegt men een weinigje zout bij de pap, die men danwat dunnermoet koken, dan heeft men een goede vervangster (surrogaat) voor de zoo zeer in Indië gewilde
180.Maïzenapap.
1 Liter melk op ½ ons maïzena (4 à 5 lepels)—vaste verhouding, anders wordt de pap te dik.Men kookt eerst de melk. Dan maakt men de maïzena aan, met een weinig (van dezelfde) koude melk en voegt ze daarna bij de geheele hoeveelheid kokende melk. Men blijve aanhoudend roeren. In eenige minuten is de maïzena gaar en dik.Men eet deze pap met suiker, stroop of goeladjawastroop.Voegt men een weinigje zout bij de pap, die men danwat dunnermoet koken, dan heeft men een goede vervangster (surrogaat) voor de zoo zeer in Indië gewilde
1 Liter melk op ½ ons maïzena (4 à 5 lepels)—vaste verhouding, anders wordt de pap te dik.
Men kookt eerst de melk. Dan maakt men de maïzena aan, met een weinig (van dezelfde) koude melk en voegt ze daarna bij de geheele hoeveelheid kokende melk. Men blijve aanhoudend roeren. In eenige minuten is de maïzena gaar en dik.
Men eet deze pap met suiker, stroop of goeladjawastroop.
Voegt men een weinigje zout bij de pap, die men danwat dunnermoet koken, dan heeft men een goede vervangster (surrogaat) voor de zoo zeer in Indië gewilde
181.Boeboer soemsoem,die men altijd met goeladjawastroop moet gebruiken.
181.Boeboer soemsoem,
die men altijd met goeladjawastroop moet gebruiken.
die men altijd met goeladjawastroop moet gebruiken.
182.Rijst met krenten.Een half pond rijst, een ons krenten, 2 theelepels zout.Men neemt, om de rijst goed tot pap gaar te koken, op ééne hoeveelheid rijst, drie maal dezelfde hoeveelheid water, b.v. 1 kopje rijst op 3 kopjes water.Moet de rijst gaar en korrelig zijn (geen „pap”) dan is de verhouding 1 rijst op 2 water.Het halve pond rijst wordt, na goed te zijn gewasschen, met zout en water opgezet in de verhouding als hierboven opgegeven: 1 rijst op 3 water.De krenten worden gewasschen en 10 minuten met weinig water gekookt. Is de rijst gaar, dan voegt men er de gekookte krenten bij en roert alles goed door elkander. Men eet deze rijstepap met suiker (ook wat kaneel er bij, naar verkiezing.)
182.Rijst met krenten.
Een half pond rijst, een ons krenten, 2 theelepels zout.Men neemt, om de rijst goed tot pap gaar te koken, op ééne hoeveelheid rijst, drie maal dezelfde hoeveelheid water, b.v. 1 kopje rijst op 3 kopjes water.Moet de rijst gaar en korrelig zijn (geen „pap”) dan is de verhouding 1 rijst op 2 water.Het halve pond rijst wordt, na goed te zijn gewasschen, met zout en water opgezet in de verhouding als hierboven opgegeven: 1 rijst op 3 water.De krenten worden gewasschen en 10 minuten met weinig water gekookt. Is de rijst gaar, dan voegt men er de gekookte krenten bij en roert alles goed door elkander. Men eet deze rijstepap met suiker (ook wat kaneel er bij, naar verkiezing.)
Een half pond rijst, een ons krenten, 2 theelepels zout.
Men neemt, om de rijst goed tot pap gaar te koken, op ééne hoeveelheid rijst, drie maal dezelfde hoeveelheid water, b.v. 1 kopje rijst op 3 kopjes water.
Moet de rijst gaar en korrelig zijn (geen „pap”) dan is de verhouding 1 rijst op 2 water.
Het halve pond rijst wordt, na goed te zijn gewasschen, met zout en water opgezet in de verhouding als hierboven opgegeven: 1 rijst op 3 water.
De krenten worden gewasschen en 10 minuten met weinig water gekookt. Is de rijst gaar, dan voegt men er de gekookte krenten bij en roert alles goed door elkander. Men eet deze rijstepap met suiker (ook wat kaneel er bij, naar verkiezing.)
183.Rijst met karnemelk.1½ ons rijst, 1 liter karnemelk.De rijst wordt schoongewasschen, daarna opgezet met koude karnemelk. Langzaam doorroeren, tot alles kookt. Men laat daarna de rijst nog eenigen tijd uitdijen.Men gebruikt deze pap met witte suiker.
183.Rijst met karnemelk.
1½ ons rijst, 1 liter karnemelk.De rijst wordt schoongewasschen, daarna opgezet met koude karnemelk. Langzaam doorroeren, tot alles kookt. Men laat daarna de rijst nog eenigen tijd uitdijen.Men gebruikt deze pap met witte suiker.
1½ ons rijst, 1 liter karnemelk.
De rijst wordt schoongewasschen, daarna opgezet met koude karnemelk. Langzaam doorroeren, tot alles kookt. Men laat daarna de rijst nog eenigen tijd uitdijen.
Men gebruikt deze pap met witte suiker.
184.Rijstenbrij.Op 1¼ liter melk 150 gram rijst (voor matig dikke brij.) Wil mendunnebrij hebben, 100 gram endikkebrij, 200 gram rijst op dezelfde hoeveelheid melk.De melk wordt gekookt in een schoone pan, die eerst met helder versch water is omgespoeld en de rijst, die goed is gewasschen, wordt er dan, al roerende, ingestort.Men blijft doorroeren, tot de melk is doorgekookt, waarna men de rijst en melk nog 1½ uur samen zacht laat koken.Men gebruikt de rijstenbrij met witte suiker.
184.Rijstenbrij.
Op 1¼ liter melk 150 gram rijst (voor matig dikke brij.) Wil mendunnebrij hebben, 100 gram endikkebrij, 200 gram rijst op dezelfde hoeveelheid melk.De melk wordt gekookt in een schoone pan, die eerst met helder versch water is omgespoeld en de rijst, die goed is gewasschen, wordt er dan, al roerende, ingestort.Men blijft doorroeren, tot de melk is doorgekookt, waarna men de rijst en melk nog 1½ uur samen zacht laat koken.Men gebruikt de rijstenbrij met witte suiker.
Op 1¼ liter melk 150 gram rijst (voor matig dikke brij.) Wil mendunnebrij hebben, 100 gram endikkebrij, 200 gram rijst op dezelfde hoeveelheid melk.
De melk wordt gekookt in een schoone pan, die eerst met helder versch water is omgespoeld en de rijst, die goed is gewasschen, wordt er dan, al roerende, ingestort.
Men blijft doorroeren, tot de melk is doorgekookt, waarna men de rijst en melk nog 1½ uur samen zacht laat koken.
Men gebruikt de rijstenbrij met witte suiker.
185.Saffraanrijst.Dezelfde verhouding als hierboven en voor 10 cents saffraan (bij den apotheker te ontbieden.)Dezelfde bereiding als hierboven, no. 184, terwijlmen bij de in de melk gestorte rijst de saffraan voegt en deze laat medekoken.Deze gele rijstepap wordt met witte suiker gebruikt.
185.Saffraanrijst.
Dezelfde verhouding als hierboven en voor 10 cents saffraan (bij den apotheker te ontbieden.)Dezelfde bereiding als hierboven, no. 184, terwijlmen bij de in de melk gestorte rijst de saffraan voegt en deze laat medekoken.Deze gele rijstepap wordt met witte suiker gebruikt.
Dezelfde verhouding als hierboven en voor 10 cents saffraan (bij den apotheker te ontbieden.)
Dezelfde bereiding als hierboven, no. 184, terwijlmen bij de in de melk gestorte rijst de saffraan voegt en deze laat medekoken.
Deze gele rijstepap wordt met witte suiker gebruikt.
185a.Prinses Julianarijst.Hetzelfde maar roode kleurstof bij de gele saffraan mengen, voor de oranjekleur.
185a.Prinses Julianarijst.
Hetzelfde maar roode kleurstof bij de gele saffraan mengen, voor de oranjekleur.
Hetzelfde maar roode kleurstof bij de gele saffraan mengen, voor de oranjekleur.
186.Tapiocapap.1¼ Liter melk op 1 ons tapioca.De tapioca wordt gewasschen, in de melk te weeken gezet en daarna in diezelfde melk gekookt. Nu en dan moet men roeren, ter voorkoming dat de tapioca aanzet. Is ze gaar, dan laat men het gerecht nog een à 1½ uur boven een zacht vuurtje doorkoken, opdat de tapioca zich behoorlijk kan uitzetten.Ze is, gaar zijnde, doorschijnend-glazig.Men gebruikt ze met witte suiker.
186.Tapiocapap.
1¼ Liter melk op 1 ons tapioca.De tapioca wordt gewasschen, in de melk te weeken gezet en daarna in diezelfde melk gekookt. Nu en dan moet men roeren, ter voorkoming dat de tapioca aanzet. Is ze gaar, dan laat men het gerecht nog een à 1½ uur boven een zacht vuurtje doorkoken, opdat de tapioca zich behoorlijk kan uitzetten.Ze is, gaar zijnde, doorschijnend-glazig.Men gebruikt ze met witte suiker.
1¼ Liter melk op 1 ons tapioca.
De tapioca wordt gewasschen, in de melk te weeken gezet en daarna in diezelfde melk gekookt. Nu en dan moet men roeren, ter voorkoming dat de tapioca aanzet. Is ze gaar, dan laat men het gerecht nog een à 1½ uur boven een zacht vuurtje doorkoken, opdat de tapioca zich behoorlijk kan uitzetten.
Ze is, gaar zijnde, doorschijnend-glazig.
Men gebruikt ze met witte suiker.
187.Vermicellipap.1 Liter melk, vermicelli naar eigen bevinding (± 1 ons.)Men laat de melk koken, breekt er de vermicelli in en al zacht roerende, laten gaar worden. (± ¾ uur à 1 uur.)Wordt met witte suiker gebruikt.
187.Vermicellipap.
1 Liter melk, vermicelli naar eigen bevinding (± 1 ons.)Men laat de melk koken, breekt er de vermicelli in en al zacht roerende, laten gaar worden. (± ¾ uur à 1 uur.)Wordt met witte suiker gebruikt.
1 Liter melk, vermicelli naar eigen bevinding (± 1 ons.)
Men laat de melk koken, breekt er de vermicelli in en al zacht roerende, laten gaar worden. (± ¾ uur à 1 uur.)
Wordt met witte suiker gebruikt.
188.Jan in den zak I.1 Pond bloem, ½ pond krenten, ½ pond rozijnen, 3 eieren, ½ ons gist (of ’n paar lepels legèn), ½ flesch melk, een weinig zout. Naar verkiezing ½ ons zeer fijngehakt sucade, lauw-warm water.Men maakt van al de ingrediënten een beslag, als volgt: de bloem wordt in eene kom gedaan, eenkuiltje er in; eieren geklutst en in het kuiltje gestort. De gist wordt met wat lauwwarme melk aangemaakt en daarbij gedaan—of men voegt er de legèn bij—. Nu gaat men deze massa, van het midden uit, roeren, zelfden kant om, en zoo lang roeren, onder telkens toevoeging van wat melk, tot deze op is en alles een glad, gelijk deeg is geworden.Daarna roert men het zout, de krenten, rozijnen en stukjes sucade door het beslag, dat men dan ¾ à 1 uur op een warme plaats laat rijzen.Is ze goed gerezen, dan doet men het beslag in een schoonen linnen doek of zak, (sarong-bantal), die men van binnen met boter heeft besmeerd. Den zak bindt men een handbreed (of iets meer) boven het beslag, toe, om dat te laten uitzetten. Den zak in een pan met lauwwarm water doen en zoo laten koken. Na 1½ uur omkeeren en op dezen kant ook laten koken. Onder het koken moet de zak dikwijls worden opgehaald, opdat hij drijven blijft en niet op den bodem van den kookketel (of de pan) gaat rusten.Men haalt, als hij gaar is, den Jan uit den ketel èn uit den zak en gebruikt hem met keukenstroop.Een andere wijze van
188.Jan in den zak I.
1 Pond bloem, ½ pond krenten, ½ pond rozijnen, 3 eieren, ½ ons gist (of ’n paar lepels legèn), ½ flesch melk, een weinig zout. Naar verkiezing ½ ons zeer fijngehakt sucade, lauw-warm water.Men maakt van al de ingrediënten een beslag, als volgt: de bloem wordt in eene kom gedaan, eenkuiltje er in; eieren geklutst en in het kuiltje gestort. De gist wordt met wat lauwwarme melk aangemaakt en daarbij gedaan—of men voegt er de legèn bij—. Nu gaat men deze massa, van het midden uit, roeren, zelfden kant om, en zoo lang roeren, onder telkens toevoeging van wat melk, tot deze op is en alles een glad, gelijk deeg is geworden.Daarna roert men het zout, de krenten, rozijnen en stukjes sucade door het beslag, dat men dan ¾ à 1 uur op een warme plaats laat rijzen.Is ze goed gerezen, dan doet men het beslag in een schoonen linnen doek of zak, (sarong-bantal), die men van binnen met boter heeft besmeerd. Den zak bindt men een handbreed (of iets meer) boven het beslag, toe, om dat te laten uitzetten. Den zak in een pan met lauwwarm water doen en zoo laten koken. Na 1½ uur omkeeren en op dezen kant ook laten koken. Onder het koken moet de zak dikwijls worden opgehaald, opdat hij drijven blijft en niet op den bodem van den kookketel (of de pan) gaat rusten.Men haalt, als hij gaar is, den Jan uit den ketel èn uit den zak en gebruikt hem met keukenstroop.Een andere wijze van
1 Pond bloem, ½ pond krenten, ½ pond rozijnen, 3 eieren, ½ ons gist (of ’n paar lepels legèn), ½ flesch melk, een weinig zout. Naar verkiezing ½ ons zeer fijngehakt sucade, lauw-warm water.
Men maakt van al de ingrediënten een beslag, als volgt: de bloem wordt in eene kom gedaan, eenkuiltje er in; eieren geklutst en in het kuiltje gestort. De gist wordt met wat lauwwarme melk aangemaakt en daarbij gedaan—of men voegt er de legèn bij—. Nu gaat men deze massa, van het midden uit, roeren, zelfden kant om, en zoo lang roeren, onder telkens toevoeging van wat melk, tot deze op is en alles een glad, gelijk deeg is geworden.
Daarna roert men het zout, de krenten, rozijnen en stukjes sucade door het beslag, dat men dan ¾ à 1 uur op een warme plaats laat rijzen.
Is ze goed gerezen, dan doet men het beslag in een schoonen linnen doek of zak, (sarong-bantal), die men van binnen met boter heeft besmeerd. Den zak bindt men een handbreed (of iets meer) boven het beslag, toe, om dat te laten uitzetten. Den zak in een pan met lauwwarm water doen en zoo laten koken. Na 1½ uur omkeeren en op dezen kant ook laten koken. Onder het koken moet de zak dikwijls worden opgehaald, opdat hij drijven blijft en niet op den bodem van den kookketel (of de pan) gaat rusten.
Men haalt, als hij gaar is, den Jan uit den ketel èn uit den zak en gebruikt hem met keukenstroop.
Een andere wijze van
189.Jan in den zak IIis: het deeg in een met boter ingesmeerden en met paneermeel bestrooiden puddingvorm te doen en ze dan gedurende 3 uren „au bain Marie” te koken.Natuurlijk neemt men dan de helft van de in het vorige nummer opgegeven hoeveelheden.Ook deze koek wordt, hoewel oneigenaardig, „ketelkoek” of „zakkoek” genoemd.Men eet ze ook met keukenstroop of met boter en suiker.
189.Jan in den zak II
is: het deeg in een met boter ingesmeerden en met paneermeel bestrooiden puddingvorm te doen en ze dan gedurende 3 uren „au bain Marie” te koken.Natuurlijk neemt men dan de helft van de in het vorige nummer opgegeven hoeveelheden.Ook deze koek wordt, hoewel oneigenaardig, „ketelkoek” of „zakkoek” genoemd.Men eet ze ook met keukenstroop of met boter en suiker.
is: het deeg in een met boter ingesmeerden en met paneermeel bestrooiden puddingvorm te doen en ze dan gedurende 3 uren „au bain Marie” te koken.
Natuurlijk neemt men dan de helft van de in het vorige nummer opgegeven hoeveelheden.
Ook deze koek wordt, hoewel oneigenaardig, „ketelkoek” of „zakkoek” genoemd.
Men eet ze ook met keukenstroop of met boter en suiker.
190.Knoedels.100 gram meel, 1 ei, suiker en melk.Het ei wordt geklutst tot schuim en met het meel goed door elkander gewerkt tot een dik deeg. Is dit deeg te dun of slap, dan voegt men er nog wat meel bij.Vervolgens legt men dit deeg op een met meel bestreken plank, strijkt het goed uit, rolt het nog eens op en neemt er hoeveelheden van af, die men tot balletjes (kepel) kneedt. De balletjes kookt men in kokende melk op, tot ze gaar en dik worden. Men voegt er, onder het opkoken, suiker bij.Deze knoedels worden, met suiker bestrooid, genuttigd. In de melk kan men wat vanille medekoken.
190.Knoedels.
100 gram meel, 1 ei, suiker en melk.Het ei wordt geklutst tot schuim en met het meel goed door elkander gewerkt tot een dik deeg. Is dit deeg te dun of slap, dan voegt men er nog wat meel bij.Vervolgens legt men dit deeg op een met meel bestreken plank, strijkt het goed uit, rolt het nog eens op en neemt er hoeveelheden van af, die men tot balletjes (kepel) kneedt. De balletjes kookt men in kokende melk op, tot ze gaar en dik worden. Men voegt er, onder het opkoken, suiker bij.Deze knoedels worden, met suiker bestrooid, genuttigd. In de melk kan men wat vanille medekoken.
100 gram meel, 1 ei, suiker en melk.
Het ei wordt geklutst tot schuim en met het meel goed door elkander gewerkt tot een dik deeg. Is dit deeg te dun of slap, dan voegt men er nog wat meel bij.
Vervolgens legt men dit deeg op een met meel bestreken plank, strijkt het goed uit, rolt het nog eens op en neemt er hoeveelheden van af, die men tot balletjes (kepel) kneedt. De balletjes kookt men in kokende melk op, tot ze gaar en dik worden. Men voegt er, onder het opkoken, suiker bij.
Deze knoedels worden, met suiker bestrooid, genuttigd. In de melk kan men wat vanille medekoken.
191.Flensjes.1 ons bloem, 3 eieren, een paar kopjes melk, een weinig zout, boter.Men klutst de 3 eieren gedurende 5 minuten met zout en voegt er de bloem, al roerende lepel voor lepel, bij, zoodat het „beslag” niet klontert. Vervolgens roert men er, langzaam aan, de melk bij. Van dit beslag bakt men, in boter, zeer dunne pannekoeken, „flensjes” genaamd, en zorgt dat ze aan beide zijden lichtbruin zien.
191.Flensjes.
1 ons bloem, 3 eieren, een paar kopjes melk, een weinig zout, boter.Men klutst de 3 eieren gedurende 5 minuten met zout en voegt er de bloem, al roerende lepel voor lepel, bij, zoodat het „beslag” niet klontert. Vervolgens roert men er, langzaam aan, de melk bij. Van dit beslag bakt men, in boter, zeer dunne pannekoeken, „flensjes” genaamd, en zorgt dat ze aan beide zijden lichtbruin zien.
1 ons bloem, 3 eieren, een paar kopjes melk, een weinig zout, boter.
Men klutst de 3 eieren gedurende 5 minuten met zout en voegt er de bloem, al roerende lepel voor lepel, bij, zoodat het „beslag” niet klontert. Vervolgens roert men er, langzaam aan, de melk bij. Van dit beslag bakt men, in boter, zeer dunne pannekoeken, „flensjes” genaamd, en zorgt dat ze aan beide zijden lichtbruin zien.
192.Flensjes met vulsel.(gelei, gestoofde vruchten, enz.).Hetzelfde beslag, dezelfde bereiding; zijn de flensjes gaar, dan doet men er wat vulsel in en vouwt of rolt ze op.
192.Flensjes met vulsel.
(gelei, gestoofde vruchten, enz.).Hetzelfde beslag, dezelfde bereiding; zijn de flensjes gaar, dan doet men er wat vulsel in en vouwt of rolt ze op.
(gelei, gestoofde vruchten, enz.).
Hetzelfde beslag, dezelfde bereiding; zijn de flensjes gaar, dan doet men er wat vulsel in en vouwt of rolt ze op.
193.Flensjestaart.Dezelfde gevulde en gereed gemaakte flensjesworden in een met boter besmeerden „basi-kasar” in rijen, kruiselings, op elkander geplaatst, met wat vanillevla overgoten, dan met paneermeel bestrooid, waarbij een kluitje boter er bovenop; daarna in den oven (pan-bàkàr) van boven lichtgeel laten bakken.
193.Flensjestaart.
Dezelfde gevulde en gereed gemaakte flensjesworden in een met boter besmeerden „basi-kasar” in rijen, kruiselings, op elkander geplaatst, met wat vanillevla overgoten, dan met paneermeel bestrooid, waarbij een kluitje boter er bovenop; daarna in den oven (pan-bàkàr) van boven lichtgeel laten bakken.
Dezelfde gevulde en gereed gemaakte flensjesworden in een met boter besmeerden „basi-kasar” in rijen, kruiselings, op elkander geplaatst, met wat vanillevla overgoten, dan met paneermeel bestrooid, waarbij een kluitje boter er bovenop; daarna in den oven (pan-bàkàr) van boven lichtgeel laten bakken.
194.Pannekoeken.1 pond bloem, 4 à 5 eieren, 1¼ flesch melk, ’n paar lepels legèn, zout, boter.Men doet de bloem in een kom; de eieren worden geklutst en langzaam aan door de bloem geroerd; vervolgens wordt hierdoor de melk geroerd, met de legèn. (Dooiers en wit kan men ook elk afzonderlijk kloppen of klutsen.)Men laat nu dit beslag eenigen tijd (± ½ uur) rijzen en bakt daarna de pannekoeken in een platte, pan, waarin boter of genuaolie goed heet is gemaakt.Men kan ook, om de pannekoeken smakelijker en luchtiger te krijgen, gesmolten boter door het beslag mederoeren.Men gebruikt de pannekoeken met suiker of stroop.Van de pannekoeken kan men tal van variatiën bereiden, naarmate van hetgeen er in het beslag bij wordt gevoegd: alsa.pannekoeken metkrenten,b.pannekoeken,,met,,sucade,c.pannekoeken,,met,,kaneel geroerd, enz., enz.
194.Pannekoeken.
1 pond bloem, 4 à 5 eieren, 1¼ flesch melk, ’n paar lepels legèn, zout, boter.Men doet de bloem in een kom; de eieren worden geklutst en langzaam aan door de bloem geroerd; vervolgens wordt hierdoor de melk geroerd, met de legèn. (Dooiers en wit kan men ook elk afzonderlijk kloppen of klutsen.)Men laat nu dit beslag eenigen tijd (± ½ uur) rijzen en bakt daarna de pannekoeken in een platte, pan, waarin boter of genuaolie goed heet is gemaakt.Men kan ook, om de pannekoeken smakelijker en luchtiger te krijgen, gesmolten boter door het beslag mederoeren.Men gebruikt de pannekoeken met suiker of stroop.Van de pannekoeken kan men tal van variatiën bereiden, naarmate van hetgeen er in het beslag bij wordt gevoegd: alsa.pannekoeken metkrenten,b.pannekoeken,,met,,sucade,c.pannekoeken,,met,,kaneel geroerd, enz., enz.
1 pond bloem, 4 à 5 eieren, 1¼ flesch melk, ’n paar lepels legèn, zout, boter.
Men doet de bloem in een kom; de eieren worden geklutst en langzaam aan door de bloem geroerd; vervolgens wordt hierdoor de melk geroerd, met de legèn. (Dooiers en wit kan men ook elk afzonderlijk kloppen of klutsen.)
Men laat nu dit beslag eenigen tijd (± ½ uur) rijzen en bakt daarna de pannekoeken in een platte, pan, waarin boter of genuaolie goed heet is gemaakt.
Men kan ook, om de pannekoeken smakelijker en luchtiger te krijgen, gesmolten boter door het beslag mederoeren.
Men gebruikt de pannekoeken met suiker of stroop.
Van de pannekoeken kan men tal van variatiën bereiden, naarmate van hetgeen er in het beslag bij wordt gevoegd: als
a.pannekoeken metkrenten,b.pannekoeken,,met,,sucade,c.pannekoeken,,met,,kaneel geroerd, enz., enz.
195.Poffertjes.Een halfpond tarwebloem, 3 eieren, ½ theelepeltje zout, 1 kopje gesmolten boter, (voorgistneme men 1 à 2 lepels legèn) en zooveel lauwe melk, dat men van dit alles een deeg maakt, alsof men pannekoeken zal bakken.Men klutst eerst de 3 eierdooiers stevig, waarna men er het meel, de boter, het zout en de melk doorheen roert; is dit goed vermengd, dat doet men er de legèn bij en het tot schuim geklopte wit der 3 eieren; alles wederom goed door elkander roeren en het dan ½ uur op een warme plaats laten rijzen.Is het genoegzaam gerezen, dan bakt men dit beslag in een flink met boter bestreken en heeten poffertjespan. Aan beide kanten gaar bakken.Men eet ze met boter en suiker bestrooid.En zoo komt men geleidelijk tot de
195.Poffertjes.
Een halfpond tarwebloem, 3 eieren, ½ theelepeltje zout, 1 kopje gesmolten boter, (voorgistneme men 1 à 2 lepels legèn) en zooveel lauwe melk, dat men van dit alles een deeg maakt, alsof men pannekoeken zal bakken.Men klutst eerst de 3 eierdooiers stevig, waarna men er het meel, de boter, het zout en de melk doorheen roert; is dit goed vermengd, dat doet men er de legèn bij en het tot schuim geklopte wit der 3 eieren; alles wederom goed door elkander roeren en het dan ½ uur op een warme plaats laten rijzen.Is het genoegzaam gerezen, dan bakt men dit beslag in een flink met boter bestreken en heeten poffertjespan. Aan beide kanten gaar bakken.Men eet ze met boter en suiker bestrooid.En zoo komt men geleidelijk tot de
Een halfpond tarwebloem, 3 eieren, ½ theelepeltje zout, 1 kopje gesmolten boter, (voorgistneme men 1 à 2 lepels legèn) en zooveel lauwe melk, dat men van dit alles een deeg maakt, alsof men pannekoeken zal bakken.
Men klutst eerst de 3 eierdooiers stevig, waarna men er het meel, de boter, het zout en de melk doorheen roert; is dit goed vermengd, dat doet men er de legèn bij en het tot schuim geklopte wit der 3 eieren; alles wederom goed door elkander roeren en het dan ½ uur op een warme plaats laten rijzen.
Is het genoegzaam gerezen, dan bakt men dit beslag in een flink met boter bestreken en heeten poffertjespan. Aan beide kanten gaar bakken.
Men eet ze met boter en suiker bestrooid.
En zoo komt men geleidelijk tot de