The Project Gutenberg eBook ofVitaulium: Hofwyck en Spaansche WijsheitThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Vitaulium: Hofwyck en Spaansche WijsheitAuthor: Constantijn HuygensRelease date: February 1, 2004 [eBook #10975]Most recently updated: December 23, 2020Language: DutchCredits: Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VITAULIUM: HOFWYCK EN SPAANSCHE WIJSHEIT ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Vitaulium: Hofwyck en Spaansche WijsheitAuthor: Constantijn HuygensRelease date: February 1, 2004 [eBook #10975]Most recently updated: December 23, 2020Language: DutchCredits: Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
Title: Vitaulium: Hofwyck en Spaansche Wijsheit
Author: Constantijn Huygens
Author: Constantijn Huygens
Release date: February 1, 2004 [eBook #10975]Most recently updated: December 23, 2020
Language: Dutch
Credits: Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VITAULIUM: HOFWYCK EN SPAANSCHE WIJSHEIT ***
Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe.
* * * * *
Ridder, enz.
"In Dec. 1639 hebb' ick, naer veel soeckens om yetwes in 't quartier van Voorburg ende aen de Vliet te vinden, daer ick een huysken van vertreck, in tijde van sieckte ende andersins, soude moge timmeren ende beplanten, gekocht van Mr. Jacob Adrichem, woonachtig te Delft, eene sijne partye lands, gelegen ten Westen rakende aen het voorn. dorp, ter wederzijde van den Lijdwegh, groot 4 merghen 1 hond ende 39 roeden". (Aant. bij Schinckel,Bijdrage tot de Kennis, enz. van C.H. bl. 77).—In Dec. 1640 en Maart 1642 kocht H. nog belendende teellanden aan, na al aanstonds met de bouwmeesters Van Campen en Post over den aanleg en opbouw van plaats en huis, geraadpleegd te hebben. Met laatstgemelde, die ook zijn huis aan 't Plein voor hem gebouwd had[1], ontwierp hij de benoodigde plans en teekeningen, zoodat er reeds in 't voorjaar van 1640 met den aanleg van plaats en plantsoen, en kort daarna met het bouwen van 't huis een aanvang gemaakt werd, en dit laatste in July al ver gevorderd was. Den 8sten dier maand kwam H., van 's Prinsen wege uit het leger naar den Haag gezonden, zijn nieuwen aanbouw in den vroegen morgen in oogenschouw nemen, en in 't najaar was deze, zijnHofwijck, voltooid. Zijn voortdurende afwezigheid in het leger en drukke werkzaamheid in de stad vergunden hem echter slechts nu en dan er een enkelen dag, soms maar weinige uren, door te brengen, en zoo dikwijls hem dat te beurt viel, teekende hij het in zijn Dagboek aan. Het eerst ontbeet hij er, met eenige vrienden, den 23sten Mei 1642. Na den dood van Prins Willem II verminderden zijn werkzaamheden natuurlijk, en had hij gelegenheid er dikwijls eenige dagen te slijten; en toen zijn zoon Constantijn hem bij Willem III als geheimschrijver was opgevolgd, hield hij er des zomers geregeld zijn verblijf.—In 1652 bezong hij het, en gaf zijn dichtwerk den 11den Febr. 1653, bij Adriaen Vlac in Den Haag ter perse. (Zie SchinkelsNadere Byzonderheden, enz. II, bl. 58 en v).
Noot:
[1] Het thans afgebroken ministerie van justitie, als men weet.
1652
geseght DOUBLET,
VROUWE VAN S. ANNELAND, & c.[1]
Mevrouw en waerde Moeye;
De wijsen van eertijds hebben 't soo verstaen, ende het is altoos waerachtigh gebleven, dat Vrucht en Vreughd, Voordeel en Vermaeck in een getwernt[2], den deughdelicksten draed maecken. Daerop sagh ick dat mijn Vader gesien hadde, als hy sich gelusten liet de lichamelicke lusten van sijnHofwijcksoo te beschrijven, datse de Ziel raeckten, makende van die Wandeling een Handeling, die naer[3] hem sijn Erven, noch naer[3] den ondergangh van de plaetse, te stade komen moght. Ende het soete voornemen alsoo uytgevoert, heeft my te dienstigen licht gedocht voor de Korenmate, daer onder het geschapen was voor eerst te smooren, sonder de moeite, die ick aengewent hebbe, om het oock onze Eewe te mogen bekent maken. Hoe het dese neus-wijse Wereld sal op nemen, staet te sien. By U.E. en meen ick geenen ondanck verdient te hebben: de Stichter vanHofwijckis haer te lief, om een stucksken Wercks van den Dichter te verwerpen. Een stucksken Bywercks noemde ick het beter: dewijle wy heel wel weten, en qualick gelooven konnen, dat hy daer aen al gaende en staende niet meer en heeft besteedt als de brockelingen van vier der druckste maenden, die hy beleeft heeft, sonder dat yemand getwijffelt hebbe, dat hy in 't gewoel van soo vele andere besigheden yet sulcks onder de leden soude hebben. Nu het Kind schielick ter wereld is gekomen, ende my, den oudsten van de Voor-kinderen, als het jonghste van 't tweede Bedd', vertrouwt, weet ick het niet beter te besteden als by U E., beider oudste Moeye, die ick wenschte, dat sich somwijlen daer mede wilde verlusten tegens de swaermoedigheden, die haer overigh mogen zijn zedert sy de twee lieve derdendeelen van hare eigen Bedde-vruchten uyt der tijd heeft sien haelen; wel goeds tijds[4], na ons gevoelen, maer ontwijffelick te goeder tijd, dewijl het Gods tijd was. Hem bid ick, U E. in alle tijden ende naer alle tijden te segenen met tijdelick ende eewigh welzijn, blijvende,
Me Vrouwe en Waerde Moeye,
U E. Ootmoedige Neef en dienaer
Noten:
[1] Constantijn Huygens zuster, zie I en II, bl. 836 [2] gedraaid; verg. 't Hoogd. wirn. [3] na. [4] vroegtijdig. [5] Versta 's dichters oudste zoonChristiaan, die de uitgave bezorgde.
Wie is' er met sich selfs of met sijn' tijd verlegen,Sijn' kostelicken tijd? wie soeckt naer niewe wegen,Om lustigh leegh te zijn? wien stinckt[2] de Steen en 't Berd[3],En ander arger vuyl, dat spel gerekent werdt?Hy kome daer ick gae, wanneer ick Haegh en Hof wijck;Hy blijve daer hy is, en volge my op Hofwijck;Hy wandele met my, en spare voet en schoen:Hy kan sijn wellust met een oogen-blick voldoen,Of, is sijn Oogh te luy, met een geduldigh Oor-deel[4];Daer hooren streckt voor sien, en geeft het oogh geen voordeel;De doove by sijn oogh, de blinde by sijn oor,Kan voelen waer ick tree, en treden in mijn spoor.Men hoor of sie my dan, ick stae in[5] voor 't berouwenBy alle keurige van planten en van bouwen;En, ben ick niet verleidt van eigen toover-min,Sy sullen Hofwijck bey soo vinden als ick 't vin[6].
Noch liegh ick voor de helft: de blinden sullen voor gaen,En dobbele genucht sal in des hoorers oor gaenBy d'enckele van 't oogh, Soo gaet het met de pen,De Rijm-pen; want sy lieght, ten deele van gewen[7],Ten deelen[9] om de kunst: en die de waerheit soeckenIn 't los aensienelick van welgerijmde Boecken,Zijn even verr' van 't pad, als die den wilden aerdVan 't weelderigh pinceel aenvaerden voor een Kaert.Leest met voorsichtigheid wat Dichters van haer[10] geven;'t Is rouw'[11] Land-metery, daer staet geen passer neven.En die een dobbeltje wil hangen aen de vracht,Om Hofwijck te gaen sien in d' ongemeene pracht,Dien ick het heb geleent, zal weinigh min als vloecken,En seggen: "Wel, ick segg: is dat het voer van Boecken,Is dat een' Schildery, die op het leven treckt?'t Schijnt, dat men kinderen d' oud' avontuer vertreckt[12]Van 't Koninghs dochtertjen, om in den slaep te raecken!Is dit het hoogh Kasteel, zijn dese dorre staeckenDie Eicken Hemel-hoogh, is dit het Masten-woud,Zijn dese Lindekens het andere Voorhout,Is dese bult een Bergh, is dese plas een Vijver?Wat quelt my d'ydelheit van dien verweenden Schrijver!Laegh noch mijn dobbeltjen in 'tsackjen van den Kerck,Soo had ick Godt behaeght en sat noch op mijn werck.
Ja, vrienden, blijft by huys, en spaert uw sestien duyten[13]:'k Heb rijp en groen geseght, om dat hetDichtsouw sluyten.Soo gaet het (noch eens) met de Rijmpen; om een woordDat sonder weergae is, moet arme Waerheit voort,En om een braever[14] woord, dan woorden die wat seggen,Moet onred' in den top, en Reden onder leggen;Mits dat het Klinck-dicht zy, is 't snoodste 't beste Dicht,En beste Dichter is die konstelickst verdicht.
Beschaemt[14] den Meester vry, die[15] van de kunst wilt heeten,En laet ons een voor een ontlasten ons geweten:Wy lijden van den Rijm al, dat het Schip in ZeeVan vloed en ebbe lijdt: wy leggen 't op de ree,De ree van Reden, aen; en 't schijnt, de volle zeilen,En 't schijnt, de ruyme schoot en weten van geen feilen;Het Roer light midden-boords, de vlagge wijst voor uyt,De Naelde wijckt noch wraeckt[16], en alle gissingh sluyt,En al 't besteck gaet vast; voor-wind maeckt rechte streken,Maer, Stierman! waer is 't Schip ten einde van ses weken?Voor St. Helena? jae, soo 't God en water wil,Soo niet, aen St. Thome, of mog'lick in Brasil!Dat doet de blinde kracht van ongemerckte Stroomen.Soo gaet het in 't beleid van Rijmers en haer' droomen:Sy munten 't op de kust daer 't Schip op is bevracht,Sy hebben Roer en Schoot (soo meenens') in haer macht;Maer daer's wat onverhoeds, in 't Zee-sop en sijn baeren,Haer slechte Zeemanschap in 't zeilen wedervaeren;Een ongevoelde drift, een Tij heeft haer verleidt;Sy hebben eens een woord voordachteloos mis-seidt,Goen avond[17] Redens-ree: dat woord moet weer berijmt zijn,Of 't streeck houdt of geen streeck, of 't Dicht soud' ongelijmt zijn.Soo lijmt men dan voort aen[18], en raect van Oost in West,Van 't Zuyden in het Noord: tot dat m', in 't lieve lest,Verzeilt en bijster 's weeghs, met loeven en laveeren,(God weet hoe gracelick!) naer 't oogemerck[19] moet keeren:Terwijl de Leser staet en gaept met open mond,En wenschte, dat hij eens den Dichter wel verstond,Die wel verstaenlick waer, kond hy sich selfs begrijpen.Gaet, lieve leser! gaet uw herssenen nu slijpen,Om door 't geheim te sien van 't mijmerigh gesegh,Daer, die u leiden sou, verruckt[20] is van den wegh.
Nu heb ick my ontkleedt: waer hael' ick Vijgen-bladenTot masker van de schaemt, daer med' ick sta beladen?Wie wil nu Hofwijck sien of hooren met geduld,Met logens opgepronckt, met klater-goud verguldt?Ghy, Leser! hoort ghy noch dry woorden van verschoonen;Noch ben ick lesens waerd, en kan het sus[21] bethoonen:
Al dat ick Hofwijck noem, is Of-wijck[22] van den wegh,Die waerdigh zij betreen; indien ick Hoefwijck segg',Soo spreeck ick uyt mijn Bors en uyt mijn hert te saemen;Maer die het Stof-wijck heet, heeft goet verstand van naemenEn van de slechte stof, daer Hof-wijck af bestaet.En van der Dichteren ruym spreken sonder maet.
En is 't Gesticht[23] soo slecht, wat sal 't Gedicht verbloemen,Dat, die wat Hofwijs is, sal Holwijck derven noemen?Hol, lieve Leser! hol, en holler dan een blaes,Een blaes met boonen, is dit voddige geraes.Verhaest uw vonnis niet; jae, spreeckt het sonder schroomen,Ick help 't u spreken: 't zijn derd'daeghsche-kortsedroomen,Daer op ick u onthael; 't is ongerijmde Rijm,Een buyten cierlijck graf, van binnen asch en slijm[24].
Maer houd het vonnis in, en hoort my noch eens spreken:Die oyt gewandelt heeft langhs modderige beken,En heeftse niet altoos bewandelt sonder lust;De Zee is alom sout, maer hier en daer de KustBeset met soet gewasch van Bloemekens en Kruyden,Daer 't keurige begrijp van recht neus-wijse LuydenSijn sinnen in voldoet, en vindt de wegen kort,Daer hier wat nuts en daer wat schoons gevonden wordt.Het kreupele geschrift van teere LeerelingenWordt by des Meesters hand met konstelicke ringen,Met strick en spinneweb omvlochten en geciert,En hoe 't min deughdigh is, hoe meer betiereliert[25]:Soo kan een Ebben[26] lijst een slechten doeck[27] verrijcken,En doen hem voor wat goeds verkoopen of bekijcken;Die lagen leg ick u: mijn Boeck, mijn Schrift, mijn Doeck,Mijn tamme Schildery, recht uyt geseght, mijn Boeck,Mijn Hofwijck in papier is wandelen, noch lesen,Noch koop, noch kijcken waerd; dat vonnis is gewesen:Maer kust[28] en strick en lijst, die 't cieren op den kantZijn op de proeven van het keurlickste verstand.Veracht ghy dan mijn stof, mijn selfkant moet ghy prysen;Danck hebbe 't soet behulp van afgestorven Wijsen:Die heb ick uyt haer graf doen spreken t' mijner baet,En van haer lappen my een feestelick gewaetGeflickt[29] en omgedaen: met Peerlen van AthenenIs dit gewaet versien; de kostelickste steenenVan Roomens burgery, does' op haer rijckste was,Heb ick gelesen uyt haer Puyn en uyt haer as,En my mee geborduert: der Christelicke Vad'ren[30]Heb ick het beste bloed van haer ontsteken ad'renGesmolten in mijn vleesch, en uyt haer oud gebeentHet onverrotste mergh gesogen en geleent.Nu pronck ick met den buyt, nu tert ick uw gedulden[31]:Verkoop ick niet als lood, 'ck heb 't weten te vergulden;Nu moet ghy Hofwijck sien, het zij u lief of leed:'t Kind is wanschapen, maer 't is rijckelick[32] gekleedt[33].
Noten:
[1] Versta: de bijgevoegde lofdichten, naar den smaak der eeuw. [2] walgt. [3] verkeerbord. [4] Min gelukkige klankspeling. [5] vrijwaar. [6] Voor vind. [7] gewoonte. [8] Welluidendheidshalve voor deele. [9] zich. [10] ruwe. [11] verhaalt. [12] Thans zou men van tien centen spreken. [13] fraayer. [14] Stelt op de kaak, ten toon. [15] Versta: gij die. [16] weerspreekt. [17] Vaarwel dan. [18] Maar voort. [19] doel. [20] vervoert. [21] zoo. [22] af-wijk. [23] Versta: het geheele buiten. [24] slijk. [25] Omkruld. [26] ebbenhouten. [27] schilderstuk. [28] rand. [29] Aangelapt (van 't Hoogd. flicken). [30] De zoogenoemde kerkvaders. [31] geduld hebben. [32] Rijk, weelderig. [33] Dat oud-roomsche en atheensche, en dat kerkvaderlijk borduursel en verguldsel is in deze volksuitgaaf, als minder doeltreffend, echter weggelaten. De desbeluste lezer kan 't in de oudere naslaan.
k Hebb' Hofwijck uytgedruckt: is 't t' uwent niet te druck,Verdruckt my in uw pers, en helpt ons in den Druck;My in den druck van eer of oneer, van berispenOf prijsen, naer het volck of spreken wil of lispen[1]:U in den meerder druck, van Kostelick papier,Als Ketter-vleesch, te sien verdoemen tot het Vier.Van dusend tegen een de nadruck[2] zal ons' beurt zijn;Ick heb 't u ingedruckt; denckt, als het sal gebeurt zijn:
Die Dichter heeft sijn plicht uytdruckelick vervult:Mijn onderdrucken[3] is de dochter van mijn schuld.
Noten:
[1] Voor prevelen. [2] Voor narouw. [3] In den druk raken.
over het lesen van sijn Eds.
't Is een dagh of vier geleden,Dat ick hallif moe getredenDoor de paedtjes van mijn hofWat gingh sitten onder 't lof[1],Daer de hitte niet kan nypenOnder 't lommeren van ypen,Op een banckje van een deel[2],In een koel en groen prieel;Daer de dichte blaedjes weerenDat de Son my niet kan deeren,Schoon hy op de middagh blaeckt,Als hy 't Hemel-kreeftje naeckt.
Om mijn eensaemheit t' ontvluchten,Die my somtijds doet versuchten,Als ick aersel op de schae[3]Van mijn afgestorven gae,(Wie kan steeds den mensch verkrachten)?Liet ick drijven mijn gedachten[4],Liet ick mijn herdencken gaenDoor u lecker letter-blaen,Die ick even had gelesen;Blaen, die voor geen sterven vresen,'t Zy de Somer swicht of brand,Van een soete Joff'ren-hand,Door uw wil, aen my gegeven;Blaen, daerHofwijckdoor sal levenLanger, alsser bosch of laenStaet, of met of sonder blaen;Langer, als d' abeele kruynenSullenHofwijcken sijn tuynenDecken voor de scherpe sneeVan de seyssen uytter Zee[5]:Langer, als sy, met de toppenVan haer hoogh-gestege koppen,Sullen weygeren den pasAen het huylen en 't gebasVan de nortse Noorder-windenOp den bloesem van de Linden,Die, aen d' Oost' en Wester-kantVan denHofwijcksHof geplant,Maecken ruyme wandeldreven,Die het quaelick willen gevenVoor 't Voorhoutse Joffren-rack,Munnick-tuyntje, blaeder-dack,Dat, door 't roemen uwer Dichten[6],Voor geen dingh behoeft te swichten,Wat of in of buyten 't landtSijne borst op schoonheit spant;
Langer, als de maste-boomen[7]Sullen wederzijds bezoomen,Met een altijd groenend lof,'t Buytenpad van uwen Hof:Als de nimmer-dorre Climmen[8]Sullen klauteren en klimmen,Langhs 't gebeent' en armen op,Over hooft en kruyn en topVan de hoecksche Vierelingen[9],Al gelijck in alle dingen,Broeders, even hoogh en breedtEn al eveneens gekleedt:Daer de Cabbeljaeus-gesinden[10]Noch wel herbergh souden vinden,Soo 't de Landvooghd soo verstond,Dat hy die in schootels sond't Lijf gesoon, de staert gebraeden,En een kruyck met wijn gelaedenVan de Moesel of de Deel[11],Om het oud-versufte scheel[12]Met een Roemer af te drincken;
Langer, als de Vloer sal blincken,En het marmer staen te prael,In uw sinnelicke[13] sael;Langer, als uw Slot zal duyren,Dat, met even-zijdse muyren,Vierkant uyt het waeter rijst,Dat de Waerd en gasten spijstMet een vangst van goede vissenAls 't u die gelieft te dissen,Slot, als men 't van 't Zuyden kijckt,Dat een flesch in 't koel vat lijckt;—
Langer als men 't paerdt sal jaegenLanghs de Vliet, met sweepe-slaegen,Nae den Dam, of Delft, of Haegh,Alsser Schip en schuyt en kaegh,Met sijn vracht en volck en waeren,Uw kasteel verby sal vaeren,Die, of van of nae de VlietDoor den Duycker henen schiet;—Soo langh als men Duyts sal spreecken,En geen leeser sal ontbreken,Die een aerdigh Rijm bemint,Daer men pit en kruym in vindt.
Wijl ick sit en suff en mijmer,Opgetogen, hoe de RijmerIn soo een gemeene stofWint soo ongemeene lof;Hoe hy Wijsheit mengt met kluchten,Hoe hy sonder jock kan tuchten[14],Hoe hy ernst met lacchen speckt,Daer men les en vreughd uyt treckt,Vind ick my in 't Bosch gekommenEn op uwen Bergh geklommen,Daer een vierkant hout-gebouw(Wist ick hoe men 't noemen souw)Braght my weder op mijn sinnen,Datter voordeel was te winnenVan een heerlijck PeterschapVoor die op den hooghsten trapIn het gissen konde raeckenVan profijtelickst vermaeckenIn het geven van een naem,Beyde nut en aengenaem.
Ick gevoelde my bestreedenVan mijn tochten en de Reden:D' een sey dat ick 't laeten souw,D' ander riep er tegen: "houw!Houw, en wilt u daer voor wachten,'t Is geen werck van uwe krachten,'t Is geen last van uwen rugh;Wat vermeet sich vliegh of mugh,Dat een kemel is te vergen?Wie begeeft sich op de bergen,Die genoegh sich vind beswaert,Dat hy kruype by der aerd?"
Reden had nae reen gesproken,Eersucht quamper tegens stoken:"Die niet soeckt, die niet en vind,Die niet waeght, die niet en wint;Waeght ghy: 't kan misschien gelucken;Mist ghy: 't hoeft u niet te drucken;Vele, die wat groots bestaenHebben met de wil voldaen;Oock soud ghy den eerst niet wesen,Dien, als anderen voor desen,Een geluckigh woort ontvil[15],Als 't geluck maer dienen wil;Blinden kunnen somtijds raecken,En oock acker-lieden spraeckenSomtijdts wel een tijdigh woord,Dat den wijsen heeft bekoort;Oock is 't mee al waer bevonden,Dat een haes, voor snelle hondenAfgeloopen vry en los,Is gevangen van een Os,Die hem op sijn lenden trapte,Wijl[16] hy door de weyde stapteIn een dichte bos van gras,Daer het wild gelegert was".
Wat is goed en wat is beter?Soo 't geluckt, soo werd ick Peter[17],En soo 't mist, waer kom ick heen?Wat is 't als een blauwe scheen?Die is lichtelick te waegen:Vryers loopens' alle daegen,En wie gaetter kreupel van?
Dus geschuddet[18] in een wan,Dus gehangen tusschen beyden,Eer dit strijden was gescheyden,Had my d' eersucht al vermant,En de Pen was in de hand,En de Reden aen het swijmen,En de Dichter aen het rijmen,En de veder in den int,Om een naem voor 't houte kind.
HofwijcksHoogh-beroemde Schrijver,Dus geraeckt' ick door den yver,Die de reden had verbluft,Van het peynsen half versuft,Aen het raen en aen het rijmen,Aen het voegen, aen het lijmen,Aen het krabblen met de pen,Waer van ick dit naschrift[19] sen[20].
Heb ick 't wit niet kunnen raeckenVan 't profytelickst vermaecken,Soo ick in den naem hier misWat en nut en vrolicks is;Heb ick 't bey niet kunnen raemenWilt de Meester niet beschaemen,En die mee is van de kunst,Deck mijn feilen met sijn gunst!—
20 Julij, 1652. (jACOB WESTERBAEN).
Noten:
[1] loof.[2] plank.[3] 't verlies.[4] Westerbaens overleden vrouw, na welker dood hij zich op Ockenburghgevestigd had.[5] Versta: de zeewind of -lucht.[6] Zie deel III en IV bl. 30 in't Voorhout.[7] Huygens' lievelingen. Zie vervolgens en in de Sneldichten.[8] klimop.[9] "Vier houten cabinetten of prieelen met clim bewassen, staende op devier hoecken van den Hof, alle uyt eender hand gemaeckt" Huygens.[10] Klankspeling op het vorenstaand hoeksch.[11] In Belgien; deelewijn.[12] verschil.[13] nette.[14] leeren.[15] Ontviel; gelijk wirp voor wierp in 't volg. lofdicht.[16] terwyl.[17] peet-oom.[18] Voor geschud.[19] Zie volgende gedichten.[20] Voor zend, gelijk vin voor vind, enz.
Spreeckende
HOF-STEDE des HEEREN VAN ZUYLICHEM BY VOORBURGH.
Dus sprak een houte Kind, of een van sijnentwegen, Doe hy sich vond op 't Land om tijd-verdrijf verlegen:
Ick heb dat wesen niet dat ick te hebben plagh.Een quaden avond-luym, een felle blixem-slagh,Die hooge bergen treft en spaert de laege heuvlen,Wirp[2] my ter aerde neer, eer hy my dede sneuvlen,Soo dat ick met mijn top, beneden in het gras,Verraedlick lagh, gestort, eer ick gewaerschouwt was.
Ick was, of ick geleeck, een van des werelds Wondren,Een van het seven-tal, eer 't blixemen en 't dondrenMy door een domme kracht ter neder had geploft;Ick leeck der Spitzen een daer Memphis noch op stoft[3],Die Vorsten-beenderen en Konincklicke lijckenVerstreckten tot een graf in de beroemde Rijcken,Daer 't Nylewaeter mest het Kooren-rijck Egipt.Ick wierd van yder een besprooken en belipt[4];Die timmert aen den wegh is selden buyten opspraeck.Ick leeck der spitzen een daer, eer men tot den top raeck,En siese van der aerd ten wolcken uyt gebout,De Stichter sagh verspilt ruym hondert tonnen gout,En noch eens, en noch eens, en seventigh en negenAen loock, ajuyn, en kaes, soo ick het heb te degenEn men de rekeningh van Steven[5] wel verstaet.
Nu ben ick—Kijcker, stae! segh, eer ghy henen gaet,Wat ben ick? Wie hier gaeuwst en kloekst sal in de weer sijn,En't nutst en 't vrolickst vind, die sal mijn Heers Compeer[6] sijn;Jan, maeck het Bosch-heck op, en ghy, o Kijcker-vrind!Komt nader en bedenckt een naem voor 't houte kind.Sie my van elcke kant, van boven, van beneden,En wilt, om wel te sien, wat tijds aen my besteden;Het sien en kost hier niet. Aen een wanschaepen dierHebt ghy somwijl versnoept een stuyver drie of vier:Te kermis, aen een meyt, die armeloos geboorenUyttarte met de voet de beste Nayster-slooren,Stack draen door 't naelden-oogh en naeyde wacker heen,En wat daer vingers doen, dee vaerdigh met de teen;—Aen een die ruym het hoofd van een volkomen man had,Maer borst en buyck en dyen en beenen van een span had;Een Reus in 't Aepenland, die in een Munnicks mouw,Die in een Visschers hoos sijn herbergh vinden sou;Een Karel onder 't volck[7] dat in voorleden tijden,Tweemaal zes duymen hoogh, met Kraenen plagh te strijden;Een schaduw, die de Son hier op de middagh geeft,Als hy een man beschijnt van boven uyt de Kreeft;—Aen een gebaerde knecht, die met sijn hooft en borst satOp sijn verdort geraemt, die veel tijds goeden dorst had,En mocht sijn kroes wel uyt, en op de toon-banck sprack,Wat meerder als een hooft daer 't lichaem aen gebrack.Oock siet men aen dit lijf geen beenen noch geen voeten,Maer soo 't geoorloft was te graeven en te wroeten,Men vonde dat ick die heb langh en dick en breet;Maer dat ghy 's niet en siet, dat heeft oock sijn bescheet.Weet dat ick RODEN-BURGH[8] heb onder mijne soolen,En tree de voncken uyt van sijn verborgen koolen,Die hy hier onder my met groene rocken deckt,En door een snoode pest uyt giftich sand verweckt,Mijn buyren sterven deen; dees trapten ick het hooft in,En stae tot op sijn hert, daer ick het vyer verdooft vin.
Een koocker is mijn romp, mijn ingewand een trap,Waer langs ick lijde dat men tien en tienmael stap,Tot dat men eyndelick koom boven op mijn schoudren;Daer laed' ick jong' en ouw', en kinderen en oudren,En vrind en vreemdelingh; komt vry in groot getal,En niemand sij vervaert voor ongeluck of val,Danck heb geen sackende maer rijsende-bragoenen[9];Die door een draeyend hooft raeckt onvast in sijn schoenen,Om dat hy sich te hoogh vind boven in de locht,Die leune vry daer op, en vreese krack noch bocht.Hier siet men 't grootst waerom[10] des Heeren die my boude;Oock isser geen geweest die dese moeyte roude,Dat hy den hoender-trap[11] langhs Rodenburgh beklam,Tot hy door mijn gedarmt op mijne schouders quam.Hier siet ghy over 't vlack der voor en achter-weyen,Hoogh boven top en tack van elsen, eyck, en meyen,En onverhindert komt den halven wereld-klootIn uw verheven oogh; hoe spits, hoe steyl, hoe grootGesticht of bosch of boom, ghy siet het al gedoocken,En onder uw gesicht ootmoedigh en gebroocken.
Sie, Kijcker! dat ghy siet, en neemt wat tijds daertoe;Verschoont mijn schouders niet; die werden nimmer moe;Verschoont alleen mijn hals, daer magh[12] ick weynigh veelen;Met halsen valt het wat gevaerelick te speelen.Ghy siet hoe langh, hoe smal, dat hy nae boven gaet,En wat een top-swaer hooft dat aen het eynde staet;Een hooft, dat nimmermeer is sonder schudde-bollen,En echter even net, hoe het de winden sollen,En 't sij of dagh of nacht, al even fraey gehult;Maer, soo het herssens had by 't kostelick vergult,Wat spijtigh Reyntje kon op mijne schoonheit smaelen?Waer sou het Vosje stof tot leppigh schempen haelen?
Wat dunckt u, Kijcker-vrind! hoe staet u 't maecksel aen?Een hals soo dun, soo langh, als tienmael van een Kraen,Een hooft soo hoogh van 't lijf! Maer doch 't en is om niet niet,Dat ghy mijn hals soo langh als eenigh Indisch riet ziet,En dat mijn hooft soo ver van mijne schouders staet;De reden vindghy licht, soo ghy uw oogen slaetOp mijn vergulden kop, daer wonden en quetsuyren,Die ick gekregen heb van Rygens en van Buyren,U leeren, dat mijn hooft streckt tot een Pylen-doel;Men rake soo men kan, het heeft doch geen gevoel,En ick noch arm noch hand om zeer of leed te wreken.Meer wil ick van my selfs voor dese mael niet spreken.
Gae, Kijcker! gae nu heen, en span uw krachten in,En geeft het kind een naem na mijnes Stichters sin.Indien 't u wel geluckt, soo sult ghy deughd[13] gevoelen;Men sal op mijnen Doop de beste glasen spoelen,En doen een frisschen dronck van eedle[14] Deele-wijn,Bn ghy sult de Compeer[15] van Hofwijcks Land-heer zijn.
Noten:
[1] Persoonsverbeelding.[2] Wierp; zie boven vil en derg.[3] Versta de Aegiptische pyramiden.[4] berept, bepraat.[5] Stephanns, in zijn beschrijving.[6] Medepeter, gevader.[7] dat der Pygmeen.[8] "Een Bergh van het roode sandt gemaeckt, dat de boomen dedeuytgaen ende namaels verlaeten wierdt, ende op een hoop gekart,ende met groene zooden bedeckt". H.[9] Zie boven in 't Kostelick Mal.[10] reden.[11] "Een trap van een swaere planck gemaeckt, daer de latten overdwers opgenagelt syn, om op den Bergh te klimmen". H.[12] kan.[13] genot, weelde.[14] Later "koele".[15] gevader.
Elck die uw hooft bemickt, treft sijnen Doele niet;Het is altijds geen lap wanneer de Schutter schiet,Nochtans, wanneer der[1] prijs met schieten is te winnen,Sijn s' altemael te been, die roer of boogh beminnen,En hoopt oock d' alderminst 't geluck van eene schoot,Door een beleefde pijl of door een gunstigh loodt.
So waegh ick mee een kans, en vlam op het CompeerschapMeer als op 't beste glas van sulcken braeven Heerschap,Die met een Fenix-pen, wanneer hy 't sich bepijnt,De Son beschrijven kan veel schoonder als hy schijnt[2].Maer weer soo waegh ick 't niet. Hoe raeck ick dat te vort[3] is?Hoe reyck ick aen een spits, daer mijnen arm te kort is?Hoe werd een rappen haes gevangen van een Koe?Hoe vlieght een lamme gans tot aen den Hemel toe?Wat maeckt een blinderick[4] in winckelen en hoecken,Daer 't voor een Arentsoogh is duyster om te soecken?Wat vind Tiresias[5] daer Argus[6] is van noo?
Noch waeg' ick 't evenwel: een vryer al te blooBesliep noyt schoone vrouw; die 't gunstigh uyr liet deurgaenAls sy wel willen souw, moet naemaels voor de deur staen:"Mijn vrind! ick ken u niet, goen avond en goe nacht,Ghy hebt het luck versuymt dat u heeft toegelacht".Dien de Fortuyn verschijnt, die grijpse by de vlechten;Voor isser vatten aen, 't is naemaels niet te rechtenSoo ghyse glippen laet; want achter isse kael,Daer heeftse tuyt[7] noch haer; dies, vryers altemael!Past op het vinck-slagh wel, en laet geen tijd verlooren.So een geluckigh uyr u heden werd gebooren,So wacht tot morgen niet; wanneer het visje bijt,So slaet den[8] hengelaer, of anders is hy 't quijt.
Soo waegh ick dan uw naem, die soo langh sonder naem staet,Men oordeel of men dus het nut en 't soet te saem raedt:
Een halve kap, een lap van pluys of van fluweelBedeckt voor locht en kouw het teere Vrouwen-scheel[9]Van 't voorhooft tot de kruyn, en wie kan sich beroemen,Dat hy die kap, die lap, met sijnen naem kan noemen?Nochtans krijght hy een naem waer aen hem yeder kent,En echter yeder seyt: "Ick weet niet wat je bent".Dit is u bey gemeyn; dies segh ick sonder wachten(Men magh het nemen aen of vryelick verachten):
Die op het uytterlick alleen sijn oogen wend,Vind tusschen u meer scheels[10] als tusschen Koe en End;Maer soo men meer op reen als nae 't fatsoen en stof kijck,Sijt ghy JE-NE-SCAY-QUOY van het Kasteel van HOFWIJCK.
Noten:
[1] er [2] In zijn Voorhout,[3] Voor verde, ver.[4] blinde (verg. dommerik).[5] De blinde waarzegger.[6] De honderdoogige wachter.[7] haarvlecht.[8] de.[9] hoofd, schedel.[10] verschils.
Die u een SCHOU-BURGH sey, sou die sich al vertasten?Of sou het dorre bosch der averechte[1] masten,Het machtigh Amsterdam, de geldsack van Euroop,Niet lijden, dat men u met sulcken naem hier doop?Nochtans soo kunt ghy 't sijn met wel-gegronde reden,Het spijte, soo het wil, die groote Stadt der steden;Haer SCHOU-BURGH heb de naem of heel of hallif wel,En dien' haer, om te sien een bly of treurigh Spel;Maer die uw Burgh beklimt tot boven op den solder,Schouwt steden daer van daen, en menign dorp en polder,Jae, schouwt op zijn gemack den halven wereldkloot,Daer yder speelt sijn Rol, hy sij of kleyn of groot.
Noot:
[1] Omgekeerde.
So Voorburg, door de nood of door de gunst van Heeren,Sich eens sagh in een Stadt met wall' en muyr verkeeren,En bracht haer Vestingh uyt tot om dijns Heeren Slot,Was HOFWIJCK het kasteel, en Ghy KIIK-IN-DE-POT.
VAN DEN EDELEN EN GEESTIGEN HEER VAN ZUYLICHEM, &c.
Siet hier den rechten Hof, daer buyten 's Hofs geruchtenDe Wijsheyt leest haer bladt, de Ruste pluckt haer vruchten:Een schoon, een lustigh bladt, een welgesohildert bladt,Als Huygens in het gras en onder d' eycken sadt.Daer Huygens buyten 't Hof sijn Hof-tent heeft geslaegen,En queecksel en geboomt stelt boven 's Graven-Haegen.Maer een dinck vraeg' ick noch, en vraeg' het met verlof:Hoe kan het Hofwijck sijn, is Hofwijck in den Hof?
Door-wijse Hovelingh, van veel' door nijdt bestreden,Van meer om strijdt geroemt! die midden in het slickHoudt beyde voeten droogh, en uw' genegenhedenNoyt hinght aen ydelheit van 's werelts oogen-blick;Die nu en dan van 't Hof u laet nae Voorburgh voeren,En daer bekommeringh, beslommeringh ontwijckt,En daer uws selven sijt, een Heerschap by de Boeren,En daer u landt, u Hof, u rijck eens over-kijckt;—U steene Hof-wijck wijckt voor sommige gebouwen,In grootheyt, kostlickheyt, doch niet in cierlickheyt;Maer nu gy door u pen door-kunstigh hebt ontvouwen,Hoe all' de werelts doen daer voor uw ooghen leyt,Mag 't steenen Hof-wijck wel voor and're 't vaentje strijcken,Maer voor 't papiere, 't welck is onwaerderelijck,Is 't reden dat het all' eerbiedighlijcken wijck'.Noch 't steenen Hofwijck, noch het sterckste huys van allen,'t Welck oyt is opgebouwt door Menschelicke hand,En sal altijdt bestaen; maer noyt en sal vervallenDit HOFWIJCK, opgebouwt, mijn Heer! door u verstandt[1].
Noot:
[1] Vernuft.
De groote webb' is af, en 't Hof genoegh beschreven:Eens moet het Hofwijck zijn. Wie kent den draed van 't leven,Hoe kort hy is, hoe taey? de snaer die heldste[1] luidt,Scheidt d' eerste menighmael van leven en van Luyt,Verkracht en over-reckt of met der tijd versleten.'k Heb over-reckt geweest, maer bender[2] deur gebeten:Op 't slijten komt het aen: Twee dingen maecken 't waer,Of ick 't ontveinsen wouw, mijn jaeren en mijn haer.En als de snaer begint te vees'len en te pluysen,Soo staet sy meestendeel op 't schielicke verhuysen.Wie weet of 't schielicke verhuysen deser ZielNiet voor mijn deur en staet? En of 't God soo beviel,Sou Hofwijck onberijmt sijn Stichter overleven,En wijcken voor 't Voorhout? en soud' ick my begeven,Die anderen mijn pen baldadigh heb geleent?Met reden eischte men de schuld van mijn gebeent.Met reden schreefm'r op: "Hier light een Man begraven,Die meende te volstaen met planten en met graven,De slechte boeren-konst, en moght de moeyte nietSijn eigen maeckseltjen te cieren met een lied".Mijn sterven weet ick met langh leven niet te weeren;Maer, leef ick weinigh meer, het Grafschrift wil ick keeren,En singen wat ick poot, en rijmen wat ick bouw,Eer dese keel verschorr', en dese penn verouw'.'k Wil Hofwijck, als het is, 'k wil Hofwijck, als't sal wesen,Den Vreemdelingh doen sien, den Hollander doen lesen.Soo swack is menschen-werck, het duurt min als papierDe tijd slijt struyck en steen! eens sal men seggen: hier,Hier was 't dat Hofwijck stond, nu Puyn en Queeck en Aerde:En dan sal Hofwijck noch staen bloeyen in sijn waerde:Ja, waerde, sooder oyt yet waerdighs van mijn handDe jaeren heeft verduert en ouderdom vermant.
In Holland, wat een land! Noord-Holland, wat een Landje!In Rhijnland[3], wat een kley! in Voorburgh, wat een sandje!Aen 't Koets-pad, wat een wegh! aen 't water, wat een Vliet!Aen al dat lieffelick of vrolick rieckt of siet,Daer lagh een brockje vets, daer lagh een blockje magers,Een beetje voor het vee, een treetje voor de Jagers;Daer lagh, dat schickelick gevoeght had heel aen een,Maer van het groote spoor verscheiden lagh in tween;Het spoor en Vrouw Natuer verstonden hier den and'ren,Ten Zuyden lagh de wey; op 't Noorderlick verand'renVan Wey in drooge kroft[4] daer deelde 't spoor het scheel[5],Gelijck een Riem een Man in op- en onder-deel,In Broeck en Wambas scheidt. Daer hoefde geen bedenckenOp yeder deels gebruyck: de kley scheen my te wencken,En raedde stommelingh[6], sy was ten Boomgaerd nut,Mits met een wilde muer gemantelt en geschut;De kroft en eischte niet als vruchteloose[7] boomen,Die sy wel machtigh waer in wel-ge-Elste[8] zoomen.Elck heeft sijn Keur voldaen: hier 't Wilde, daer het Tam,Een yeder heeft volbrocht het geen hy ondernam.
Let, Ouders, en let scherp op 't keuren van uw gronden:Veel hebben sich vergeefs 't verkrachten onderwondenVan kinderen verstand, met onverstand getucht;Veel hebben wreedelick in eewigh' ongenuchtGekluystert en geboeyt wel draghbaere[9] vernuften,Maer die ondraghbaerlick haer 's levens tijd versuftenIn onwerck; dat is werck haer driften onbevoeght,Haer krachten ongelijck; veel' hebben sich verploeght,Verweven, of verschaeft, en geen bedijdt van allen;Die Staet of Lettervolck, of Krijgsluy konden vallen,En zijn 't geluckelick, en zijn ter eer en baetVan eigen en gemeen, van Huysgesin en Staet.
Het scheel alsoo gedeelt door my en door sich selven,Quam 't op de spaden aen; mijn eerste sorgh was: delven.Noch was 't de tweede maer: d'eerst had wat meerders in:Tot werck hoort overslagh, tot weldoen goed versin,My docht, papieren blad was licht genoegh te krijghen,En daer bleef 's[10] ruym genoegh voor peper en voor vijghen,Of ick 's[10] een riem verkladd' en aen mijn droomen hingh.'k Sagh menigh misverstand en redenloosigh[11] dinghDes werelds aengesicht mismaken en onteeren,Gelijck een schoone Vrouw lijdt van verbrodde kleeren;'k Sagh 't schoonste geld in 't slijck geworpen by geval,'k Vond allom nieuwen druck van Kostelicker MalDan ick heb doodt gerijmt of, mogelick, doen leven[12]:En al dit ongeval wist ick sijn naem te geven:'t Hiet Na-docht, soo my docht, en 't was gespaert papier:'t Was noch yet oolickers[13], 't was een onkundigh fier,Een stout' onwetenheit, die niet en kost als waghen,Om dat sy liever wouw niet twijfelen, dan vraghen.Ick twijfelden en vraeghde, en ley mijn rouwe stofVoor oogen, die ick wist, met vollen danck en lof,Stof, als de mijne was, te hebben helpen keuren,En oorbaerlick versnyen, niet snipperen, noch scheuren.Maer al mijn recht was mijn, ick hiel een woord in 't vat[14];De Landheer had wat wils en d' onderwijser wat.De konst leed geen geweld, maer liet sich wel wat recken.Ter liefde van mijn lust. En soo van dusend treckenBleef d'een en d'ander vast; en van dat af en aenBleef yet lichamelicks in 't swart en 't witte staen;Een dingh, dat Armen had en Schouderen en Beenen,Een redelick gestel van 't hoofd af tot de teenen,Soo veel my duncken moght. En nu stond Boom aen Boom,Daer Boom aen Boom sou staen; nu gingh ick in den toomVan voorraed[15] en bescheid, en, hoe 't sich nae moght schicken,Ick hiel mijn plicht voldaen met gissen en met micken.
Soo ver gaet menschen macht in allerley belangh;Beraden, overslaen sijn volle stade langh,Meer eischt men hem vergeefs; maer 't langh heeft oock sijn maeten:Die lang doen kan en magh, moet oock eens konnen laeten:Is 't overdencken goed, het over-dencken niet:Hy siet sijn selven uyt, die al te lang doorsiet:Ons oogh verdrinckt in 't werck, daer 't moed' in is geswommen,En ons vernuft beswijmt, gelijck die, hoogh geklommen,Met schrick te rugge sien, en weten niet waer heen,Om hals en been geheel[16] te brengen naer beneen.Soo raeckt men bijster 's weeghs[17] in 't soecken van veel wegen,En daer en komt geen end van stadigh overwegen:Die altijd willen doen, en hebben noyt gedaen;'t Schael-tongesken moet eens in 't huysken blijven staen.
Doe 't kind geboren was, hoe 't afliep met sijn lueren,Sijn swachtels, en sijn wiegh, soud' hier wat langer duerenDan 't yemand lusten moght; en van die eerste jeughdEn smaken meestendeel maer ouderen de vreughd:Vreughd, die de Nieuwigheit en Hoop alleen doen leven,Die self den ouderen ten einde werck begeven;Waer op volght ongevoel van wellust, doove plaegh,Daer van ick (ick beken 't) mijn kindsch[18] gedeelte draegh.Nu, 't kind is jongh geweest, en't is gebracht aen't groeien,Aen't bloeyen metter tijd; 'k heb niemand te bemoeyenMet wat het tien jaer langh te queecken heef gekost;De Wijsen eten met, de gecken doen den kost.Komt, wijsen! eet met my, ick sal u niet beswarenAls met welgaere spijs en wel betaelde waren:Ick wil u Hofwijck doen aenschouwen, of 't te nacht,Gelijck als Duivels-brood[19], te voorschijn waer gebracht:Jae meer, ick wil het u en my oock doen betreden,Als waer ons gisteren een gansche eew geleden:'k Wil met kindskinderen goed deelen voor mijn dood,Als waer ick Grootevaer en twee-dry-mael soo groot[20].Het wereldsche besit en is toch niet als droomen,En of 't gekomen is, of mogelick te komen,'t En is maer binnen ons het gen' het schijnt of is,'t Zij by voor-sieningen[21] of by geheugenis.
Dus sal dan Hofwijck zijn, neen (wy zijn hondert jarenGeboren naer[22] den dagh, dat wy geboren waren)Dus sien wy Hofwijck staen: Ten Noorden van 't groot spoorNae Voorburgh, 't schoone Dorp (of seght'er Steedje[22] voor),Light een aensienlick Bosch in mindere gesneden[23];Vraeght naer de lenghde niet by Roeden of by Treden;Die aen den ingangh staet, en siet den uytgangh niet,En 't eind is verr'genoegh daer 't oogh geen eind en siet.Een tamme wildernis van woeste schicklickheden;Soo noemt sich dit vertreck, ter liefde van de RedenEn gulde middelmaet, die ick soo waerdigh houw.Te tam waer al te stijf, te wild waer al te rouw;Daer is wat tusschen tween, dat tweederhands begeerenVoldoen kan, tam en wild, en dit door dat vermeeren:Gelijck wat etens dorst, wat drinckens honger maeckt,Gelijck langh slaepen weckt en langh gewaeck vervaeckt.
Den tammen lust voldoen vier wonderlicke drevenVan Eicken saeghbaer hout, van Boomen die daer strevenOm dickte by der aerd, om hooghten in de lucht,Om breedten onder weegh en groen en koel gerucht.'k Heb saeghbaer hout genoemt: maer laet het niemant wagen,Mijn Trouw-verlaet[24] t' ontdoen, mijn Dreven om te sagen:Daer 's Potgeld, soo men 't heet, siet dit voort Poot-geld aen.Ick segg' het eew voor eew: Kinds kinderen! laet staen,En brandt of warmt u niet aen hout dat ick hiet waschen[25]Ondanckbaer' erffenis en is niet af te waschen:Ten minsten moet hy doen hetgeen de Sterver hiet[26],Die 't leven door hem kreeg en van sijn sweet geniet.
Twee dingen scheid'[27] ick uyt, het derde moet ick dulden:Onschuldigh Brood-gebreck sal u voor eerst ontschulden[28],En d'allerleste nood is buyten alle wet;Gods Koningh[29] heeft sijn maegh met Autaer-brood[30] ontset[31];Maer welvaert dol gespilt is verr' van mijn meedoogen[32]:Hy is noyt bystand waerd, die noyt heeft willen doogen[33].Daeraen volght ouderdom van Eicken die vergaen:Men spaertse te vergeefs, die niet en konnen staen.Maer daer den ouden stam ontstaet[34], staet haest een jonge:Soo sal mijn na-kinds kind, schoon ick het niet bedonge,Gedencken, daer een man in 't vechten werd gevelt,Dat daet'lick in de ry een versch man werdt herstelt.Oock staet de wereld soo: die schael moet even drijven;Pas soo veel schepsels niew verschijnen als ontlijven,Of 't waer een leege wer'ld, daer in wy Borgers zijn,Of langh waers' overkropt, geborsten van de pijn.
't Lest (dat ick lijden moet) is 't algemeene lijdenVan 's Vaderlands verderf. Staen die bebloedde tijdenIn 't eewighe beschick van Gods Voorsienigheit:Moet Holland eens niet zijn, of Niet zijn; is 't geseitBy diens sien seggen is, en seggen doen, en hedenEn morgen 't selfde punt, dat Holland weer bestreden,Weer overstreden zij, weer werde soo het was,Doe 't in sijn kolen smoockt' en smoorden in sijn as[35]Moet dat rad noch eens om, broeit Spagnen noch een toeleghVan Thiende-penningh-dwangh, en leght het maer de roe weghTot dat het onvoorsiens sijn geeselingh hervatt',En drijv' ons tot den keur van mutsaerd[36] en van rad,Of van versworen trouw en van versaeckt gevoelen;Sal sich dat heete bloed noch eens op 't onse koelen(God zij genadigher, en weer' den droeven dagh!),Dan is mijn wil geen wil; en als heel Holland lagh,En waer 't niet redelick dat Hofwijck over end stond;Van nu af schrab ick uyt wat in mijn Testament stond:Als 't Vaderland vergaet zijn mijn voor-sorgen uyt;'t Is reden dat de vracht versincke met de schuyt.
Soo zijn 't vier dreven dan, en altoos weer vier dreven,Die 't Bosch verr en naerby sijn prachtighst aensien geven,Als ick soo spreken magh, van bijds viermael 't Voorhout,Van verre 't hooge groen van 't Mast- en Liesen-hout[37].
Breda vergeve my, en oock den Haegh, dit roemen,Hier derv ick 't Eicken loof by 't Linden blad wel noemen:Daer sien ick niet als Mast, en Eick, en Elst en Berck:Tot mijnent 't selve groen, en even 't selve werck.Hier buygh ick voor Breda; mijn' Masten zijn haer kinderen:'t Heeft Frederick[38] belieft sijn hout-gewasch te mind'ren,Om 't mijne te versien: 't zijn Jofferen van 't Land,Mijns Vaders vaderland, die ick heb voortgeplant:'k Segg Jofferen, noch eens: 'k mochts' ed'le wijfjes noemen;Bredaesche wijfjes, jae; maer die ick derve roemenOp Hofwijck Haeghs gemaeckt te hebben en Hof wijs:Daer warren s' onder een als overgroeyend rijs:Hier staen sy zedighlick en proncken daer sy stonden,Does' eerst verhylickten aen 't Sand-schap mijner gronden:Daer staens' in 't wild gerucht van kinders kind'ren; hierAls maeghden, sonder meid of kinderen getier.'k Laet yeder overslaen welck zijn de liefste gasten,Gevolghde of ongevolghd': ick derf 't niet ondertasten;Men krijght' er sulck' en sulck', en houdt sich wel te vreen,Maer, heeft uw gast geen sleep van aenhangh, soeckt' er geen.
Dit volckjen heb ick thuis gehaelt als kale wichten,En van der jeught gefockt, en voor my leeren swichten.Neemt dat ick Rhee of Hind gerooft hebb' uyt het wald[39],En in mijn wildbaen ruym en lieffelick gestalt;Soo ben ick altoos thuis, en altoos by de dieren,Die t' harent Mensch noch Beest, maer my tot mijnent vieren.Neemt dat ick uyt Brasil Tapoeyers hebb' ontleent,En blinde Heidenen met Christen melck gespeent:'t Is swart volck, maer dat swart is vel-diep, en van binnenMaeck ickse mijns gelijck, dienstbaer, in blancke sinnen:Soo passen s' op 't gemack van diese voedt en houdt,Soo doen mijn' Bruyntjens oock, mijn' Wijfjens uyt het woud:Besiet, hoe vriendelick sy my staen en beluymen[40].Als seiden sy: "Lands-heer, geniet ons groene pluymen:Is 't heet, wy keeren u 't beswaeren van den dagh;Is 't koud, wy decken u voor al dat nijpen magh;En onse dienstbaerheit hanght aen geen' Jaer-getijden;Daer dient' er by de Maend; wy konnen doen en lijdenHet rond jaer uyt en in, met eenerley gelaet,Wat Eicken, 't stercke blad, nauw 's Somers uyt en staet;Ja, dese trouw munt uyt, en spant haer' fierste krachtenIn 't felste van de locht, in 't langhste van de nachten:Maeckt staet op vrienden, die op voorspoed niet en gaen,Maer in den tegenspoed als kop're mueren staen".
Twee troppen[41] tel ick hier die sulcken tale spreken,En kruysweeghs over een mijn Bosch in vieren breken.Soo most de deelingh zijn; dat weet de minste Cock,En al dat oyt ontzagh eens Hovemeesters[42] stock.Twee schot'len eener sopp' op eene zy te schicken!Daer soud' een swanger Vrouw, jae bergen, van verschricken:Ten minsten slaet het een den hongers lust ter neer:Soo fier is 't keel-gat self: soo speelt het oock den Heer:Ick swijgh van andere, die oock haer weetjen weten,En houden haer gebruyck soo kostelick als eten.
'k Heb dan op 't Cruys gepast, gelijck 't de diskonst noemt:En vraeght ghy, of ick 's my met reden heb beroemt?Let op den overhoeck; ghy vindt hem naer den regelIn evenredigheid soo vierkant als een tegel;Dat doet een Eicken block, verstaet een perck van groen,Daer Eickjens Nut, Vermaeck, en Heerlickheid voldoen;Hegh-houtje recht en kromm, dat om de seven jarenSijn' Meester leert hoe soet genieten is, en sparen(Elck in de middelmaet en ten besetten tijd),Hoe goed een kleedsel is, dat dient en niet en slijt,Dat, zijnde, warm en koel, niet zijnde, warm kan maken.Soo doen mijn Eickentjens: Ick laet den Honds-dagh blakenOp 't steilste van den Noen[43]; ick laet het Noorder guerSijn scherpste buyen toe, mijn groene dack en muerBelet my wederzijds het sweeten en het beven:En in de leckerny van dit staegh-stervend levenHeb ick altoos getelt het dobbele genietVan yet verheugelicks op 't kantjen van 't verdriet;Op 't kantjen, sonder schroom; soo dat vast and're smakenHet gene my genaeckt, en niet en kan geraken.
't Zy goed of quaede sin, ick voel mijn voorspoed bet,Als yemands tegenspoed daer nevens werdt geset.Ick scheppe geen vermaeck in mijnes naesten lijden:Maer, als hy 't lijden moet, soo kan ick my verblijdenIn dat ick 't niet en lij. Geeft my een blockje land,Een Eiland als een vuyst, bezeet[44] van alle kant,Bezeet op sulcken diep, dat op het minste blasen,Sijn holle baren stouwt gelijck de groote dwasen,Die met bergh over bergh ten Hemel wilden gaen,En grijpen naer de Sonn en treden op de Maen;Geeft my dat Eyland, rijck van Beemden en van Koren.Geeft my een huys daer in om weelde te bekoren,Geeft my Bosch om dat Huys, en langhs mijn steile strandOf opgeworpen Hout, of uyt de konst geplant;Siet my daer wandelen vry van den brand van 't Zuyen,Van Oost en Wester vlaegh en van de Noorder buyen;Siet my daer sorgeloos van d'een in d'ander hoeckVertreden mijn gepeins, of oock een beter Boeck,Een wijsen mans gepeins, terwijl een' vloot van Zeilen,Die storm en holle Zee den anderen toe keilen,Gedreight werdt[45] gangh voor gangh met 's levens lesten krackOp mijner Stranden klip; denckt, of ick mijn gemackAfsteken sie als wit by 't swart van die elende;Denckt, of ick my rondom, als in mijn roosen, wende,Terwijl dat arme volck de handen, van 't geschrobVan touw en takel zeer, ten duyst'ren hemel opMet kromme knyen streckt: denckt, of 't mijn lust verdobbeltDat ick soo veiligh sit, en mijns gelijck soo tobbelt,Soo dobbelt om sijn lijf. Soo gaet het allerweeghs:Hoe dichter onlust is by wellust, hoe meer deeghs.En soo doet Vrouw Natuer, in vele van haer wercken,Het wederstrijdighe door 't strijdighe verstercken:Soo werdt de kelder warm als 't ijs in 't water leit,Soo werdt de kelder kout als 't Somer-veld verheidt[46]:Soo sit ick in mijn kluys van Eicken, in mijn kluysje,In mijn gevonden hoeck, mijn ongevonden huysje;Hoe 't buyten banger brandt, hoe koeler en min bangh,Hoe 't buyten wilder waeyt, hoe louwer, in den dranghVan blaertjes, die ick hoor rondom my henen ruyschen,Maer als de baren doen die op mijn klippen bruyschen,En doen my minder leed dan of sy 't niet en deen,Om dat ick ongemack verneem, en lijde's geen.
Wat scheelt het of my dit een Bosjen of een Boss doet?Wie leeft van overschot? de weide die den Oss voedtIs voor hem all' de wer'ld, en hondert merghen grasEn doet hem niet meer nuts dan of 't 'er niet en was;En duysend roeden houts en sou my niet meer streckenDan minder, die my hier verlustigen en decken.Kost yeder dat verstaen, wat waer de gierigheitIn haer holl kaeckgebeent een schoon gebit geleit!
Noch werdt mijn kleinigheit geboet met ander voordeel:De mensch is altoos mensch; neemt rijp en onrijp oordeel,Neemt sinnen oud of jongh;—soo menigh als wy zijn,Veranderen geeft vreughd, en niet verand'ren pijn.
Die vreughd is in mijn macht, die pijne kan ick schouwen,Soo haest mijn keure my wil schijnen te berouwen;Gelijck de siecke man het eene Bedd' verveelt,Tot dat hy 't ander proeft, en dat het niet en scheeltVan 't eerste sijn gemack; soo ruyl ick Berck voor Eicken,En Elst voor Bercken-bosch. Bey kan ick soo bereicken,Dat dit voor onder, dat voor opper-kleed verstreckt,Dat gen' als mantel, dit als Broeck en Wambas deckt.De Bercken staen om my als Toortsen, die in KerckenNiet half soo dienstigh staen en druypen op de Sercken;Blanck-stammigh is de Boom, gelijck 't was van de ByeSijn maker werdt onthaelt[47]; noch is 't veel dat ick 't sie,Soo duyster is 't in 't groen, soo groen is 't in den duyster;Den duyster, daer ontrent de flickerighste luysterVan Wolle-wevery, die t' huys mijn' mueren deckt[48],Nau voor een schaduwe van somer-groente streckt.Wat magh de sotte konst haer selven onderwinden?Haer uytterste geweld is qualick werck van blinden,By 't minste Bercken-blad, den minsten Elsen-tack,Mijn' muer-tapijten hier, mijn' sold'ring en mijn dack.
In dese wonderen bergh ick de soetichedenVan mijn gesnoepten tijd: hier spreeck ick met de Reden,Met my, met d' eewigheid, met vrienden verr' van my,Met eewen, goed of quaed, te komen of verby.Maer 't is altoos geen ernst: ick hoord' er oock wel spreken,Soo sich een vriend met my in 't groene komt versteken,En op de prate-banck, van zoden daer geplant,Sijn uertjens wagen wil en helpense van kant.
Neemt een gelijckenis tot keers-licht van mijn' reden:De Peerel-visscher duyckt tot dat hy gansch benedenDen bodem van de Cuyp, die 't zilte Zee-nat houdt,Geluckelick betreedt en als sijn acker bouwt:Daer tast en grabbelt hy naer Oesters, die haer' schalenEn daer sy groot af gaen, sijns lijfs gevaer betalen;Maer 't is met altoos prijs in sulcken Lotery:De Nieten zijn te veel: noch is de Visscher bly,Als baet by lasten komt, en d' een den ander' dragen.Die in mijn groene Meer met my den brand der dagenOf booser weer ontsit, is hier als op den grondVan een ontstelde Zee; de baren, boven rond,Gaen als 't den wind behaeght; beneden is 't stil water;Daer soeck ick peerelen, ick en mijn mede-prater;Maer beter peerelen dan daer den IndiaenSijn adem om verkracht, en hanght' ons Vrouw-volck aen;Die kralen zijn maer kalck: by d'onze niet te tellen,By d'onze maer Ayuyn van schilferende schellen[49],By d' onse maer Schotsch goed. Ons' peerelen zijn puyckVan Deughd of Wetenschap, bey dingen van gebruyck:Die soecken wy in 't stil, in 't groen diep mijner baeren,Mijn' zee van bladeren, die wy wel hooren barenEn ruyschen over ons, maer die ons niet en deert.Daer visschen wy somtijds yet dat ons sticht of leert:Daer mischen[50] wy somtijds dat stichten kan of leeren;Gedachten gaen als wind, en buytelen en keeren,En springen Oost uyt West, eer dat hy 't weet die denkt,Eer dat hy met een oogh of met een oogh-scheel wenckt:Soo slipt men lichtelick van goed' in slechter sinnen,Die dan uyt d'eene Webb' een andere verspinnen,En warren in een' knoop van soete voddery,Dat 's dan een misslagh van verloren Visschery,Een Schotsche peerel, of een' Oester-schelp die hol is:Soo komt het dat de mensch stracks zedigh en stracks dol is:Jae, neemt van 't stadighste, 't schijnt levend Vleesch en Bloed,En all' de menschlickheit beweeght by Ebb' en Vloed:Ernst wil getempert zijn, Jock wilder[51] onder wesen:Ick heb het soo gesien, ick heb het soo gelesen;Wy zijn geen' Engelen: De Reden doet haer best,Maer 't wispeltureloos en komt niet als op 't lest.
'k Wil uyt mijn' Bosjens niet; daer is noch wat te hooren: Is 't mogelick voorby, het tuyt noch in mijn Ooren. 'k Spreeck van geen Nachtegael; die heeft er oock sijn nest, En maeckt' er meer geschals dan all' de vlugge rest: 'k Spreeck van gevogelte met kostelicker veeren, Veel aerdiger gebeckt, en in veel langer kleeren.
Voor allen noem ick een UTRICIA[52] voor all,Ons' Swaen, of ons' Swaenin, of hoemens' heeten sal.Die heb ick hier gehoort, die dunckt my noch te hooren,Die heb ick hier gesien de Nachtegalen stooren,Gelijck de morgenstond de fierste Sterren stoort,En houdt alleen het Veld, en vleit sich met die moord,En pronckt met dat gesagh. Aensienlickste der Vrouwen,Aenhoorlickste daer toe! ick hebb' 't soo wel onthouwen,Wat dat ghy schoon geschals gemaeckt hebt in dit groen,In dit stil-wilde louw, dat ick 't u noch hoor doen,Noch voor de waerheit houw, dat van mijn' beste boomenDe beste naer uw' keel mijn Bosch in zijn gekomen,Noch voor mirakel houw, hoe 't mog'lick is geweest,Dat daer gelegert hebb' soo veelerhande BeestAls ghy der hebt gelockt; waer d' Olyfanten stonden,Waer Dromedarisen en Kemels ruymte vonden,Waer d'Esel en de Bock, het Vercken en den Uyl;Want, liegh ick van haer' komst soo valt d'history vuyl,Die haer' komst van eertijds op 't spel der Griecksche veelenDe wereld heeft verthoont met min gewelds van keelen.
Maer ick verdien geloof van 't Vercken en den Bock,Van d'Esel en den Uyl, die uw gesangh betrock;Daer heb ick menighmael getuigh af moeten wesen,En schrick' er nu noch voor, en voel mijn haer geresen,Als 't my te voren komt, 't onlijdelick gehoorVan Beesten Mensch-gelijck, dat 's Menschen sonder oor.Sy staen my in den wegh, sy wegen my op 't herte,En, zijn sy onvernoeght, dry vierendeel der smerteGevoel ick ruym en suer: sy wenschen sich 't gat uyt,Ick wensch haer daer geen tangh gekent werdt uyt een Luyt:Men wenscht haer in de Hell', maer ick en ben soo fel niet;Daer is een ander Hell', of die wat naer de Hell' siet,De boven aerdsche Hell', de Hell' van misverstand,Van Kercken-scheuringen, van twist in Stadt en Land,Van onmin tusschen Bloed en Swagerschap om erf-quaed,Dat heden erf-goed heet; en al dat op den kerf staetVan tweespalts vuyl bedrijf: daer voegense wel by,En 't scheel is wel gedeelt: sy vrolick, en ick bly:Nu is 't geselschap goed, wy sonder haer gebleven,Sy sonder ons gegaen in 't soetste van haer leven,In 't eewigh mis-geluyd van tweeklancks wreede snaer.'t Is onbezeffelick, 't is grouwelick, maer waer,Daer zijns' aen 't hooghste lot van haer' bevallickheden:En, als men 't overslaet, het heeft de selve reden,Goed mengelmoes van smaeck, van reuck, van verw, van toon.Dat is het uyterste van menschen-mog'lick schoonTe schouwen met een' haet die niet en is om soenen[53].
Wat seght ghy ——, die van 't hoofd tot de schoenenVerstant en reden zijt, die ick soo veel betrouw,Dat ick, wat u mishaeght, voor onbevallick houw;Dat ick toon toonsgenoot, en snaer op snaer gespannenMijn oor betrecken laet om datse 't uw vermannenWat seght ghy van den aerd van menschen die noch snaer,Noch keel-werck meer en smaeckt dan of het houts-kool waer;Wat seght ghy van uw Luyt, uw Boogh, en uw Clauwieren,Die uw thien vingeren soo weten te bestieren,Dat, waer ick meester van thien sinnen tot[54] de vijf,Sy roerden in my om het mergh van Ziel en Lijf;Is 't walgelick gerecht, is 't voedsel om vermuylen[55]?Ghy schrickt van eighen lof met eighen lof te vuylen:Ghy weet het, maer uw' deughd waer ondeughd en wat meer,Soo sy maer scheen den prijs te weten van haer eer.Weet ghy 't dan ongeseght, ick weet het en wil 't seggen:De reden moet hun selfs dwars in den weghe leggen,Die d' evenredenheit van toonen, uw of mijn',Of schuppen met vermaeck, of herbergen met pijn.Want (tusschen ons alleen) wat schroom ick goed te vindenDat u bevallen kan? ick ben niet van de blinden,Die 't niet en zijn als t' huys: maer, nu ghy 't seght, is 't waer,Daer is, ten minsten, wat verdraeg'licks in mijn' snaer;En d'een nakomelingh of d'ander sal 't gestanden[56];Somwijlen heb ick yets gebaert uyt hoofd of handen,Dat tegens d' opspraeck moght: en daer weet Sion van[57],En dien ick 't heiligh lied heb na gebootst, Gods man,De man na 's Heeren hert; en, die wat nau kan keuren,Sal mog'lick oordeelen, dat sulcken slagh van neurenOp sulcke woorden past; En, als ick 't seggen moght,Dat geen bevallicker geweld en is bedochtOm 't sterck en 't lieffelick van 's Coninghs diep bewegenTen naesten by te gaen en billick nae te plegen.
Nu wil ick uyt het Bosch; het stinckt' er naer mijn mond,En die naer eigen roem, die noyt mond wel en stond.Maer seggen blijft geseght; of 't Waerheit is, of Logen,Of 't Wit is, of geen Doel, die pijl is afgevlogen.
Heyl daer ick pijlen noem, en magh ick noch niet wegh:k Heb noch meer wederwercks ten Noorden van den wegh.Geburen in 't Zuyd-west, beleefde Mann en Vrouwen,Leen-volger van den naem die niet en sal verouwen,Soo langh daer Hoonaerts zijn van ondeughd, die den lofUws Vaders maghtich zijn te scheiden uyt sijn stof;Gebuer en soet gesin, weest doenders en weest tuygen;Brenght Pijl en Koker toe, laet Spaensche Bogen buygen,En beter' Engelsche dan daer men heden siet,Dat Vader mee naer Soon en Soon naer Vader schiet:Ons lust geen menschen-vleesch te priemen of te scheuren:Ick wacht u voor een Doel, dien 't beter kan gebeurenDan Heiligh Bastiaen[58] te lijden sonder pijn,Als wijse lien, gequetst en niet geraeckt te zijn,Veel' scheuten uyt te staen, en willense niet voelen:Mijn doel is als een Bergh, mijn Bergh is als dry Doelen,Of een' de hand versaeckt[59] of mogelick de Boogh,Of een' een tamme Pijl gelijck een' Wild' ontvloogh,Daer 's borge voor de schand: 't is hier meer konst te missen,Dan elders op 't vierkant van ses voet doels te gissen;'t Is altoos, Penn' of Lap, of Wit, of emmers, Bergh.Denckt dat men u wat gelds in blinde lotingh vergh':Al treckt ghy veeltijds mis, 't is troostelick om hooren,Dat die het sijne mist niet al en heeft verloren;Een doosjen is een Niet, een Spiegeltjen, een' Spel,Maer als 't maer Wat en is, al is 't geen Wat, 't is wel.God selver neemt het soo: wy micken op Sijn' Wetten,En treffen nu en dan: maer met het minst versetten,Wild zijn de schoten, wild, en wy vau 't Heiligh wit:Maer Hy, die vol Gerechts en vol Medoogens sit,Hooft-richter van sijn mensch, sijn schepsel, duydt den mis-schoot.Van een welmeenend hert, als of het wel en wis schoot.
Hoe komt de mensch soo wijs, of liever, hoe soo geck,Hoe spant hy sulcken oogh, soo vinnigh, in 't gebreckVan sijns gelijcken vat: wil die geen' misslagh dulden,Die dag'licks seggen moet: vergeeft ons onse schulden?'t Is wonder, een blind man, die stadigh valt of dwaelt,Is d'eerste die sijn Broer, sijn blinden Broer, behaelt!Is 't speeltjen op sijn hooghst, en zijn wy moe geschoten?O neen, 't is op syn laeghst: mijn' lieve Schut-genoten,Siet steiler in de locht; wy hebben schooner werck:Daer staet' er een, in spijt van 't haentje van de Kerck,Ten einde van een steng en drilt[60] als of hy leefde,En sijn gevaer verstond, en voor ons pijlen beefde:Hy schreewde, waer hy niet een Papegaey van hout,En waer veel liever in een warme koy gekrouwt,Dan dus van onderen gepeutert in sijn veeren:Hem moeten wy te lijf: die 't niet en kan, magh 't leeren;De Kempen konnen 't wel en all' de Meyery[61];Ten minsten is het geen' verboden weyery[62]:De Wet seght, veer met veer; wy nemen 't niet soo teertjens:Het komt ten naesten by: 't is hout met hout, en veertjens.
Daer light hy: wat een' vreugd! wat kan daer tegen op?Daer 's een onnosel beest geresen tot den top,En uyt den top gelicht: Zijn 't niet ons' oude perten?'t Hoogh doet ons seer in 't oogh: stracks trecken wy 't ter herten,En wenschen 't naer om laegh: rijst yemant in geluckVan eeren? halsen werck[63]; 't is yeder een sijn stuck,Ten minsten met fenijn van nijdighe gedachtenTe schieten naer sijn vlagg', en op sijn val te wachten;Als of 't ons beter ging in yemands minder wel:En, als men 't seggen magh, daer springt' er[64] uyt haer velVan vreughden, als een valt die haer, wat hoogh verheven,Een nijd-blein[65] in haer oogh onschuldigh hebb' gegeven:En laet ons op den wegh sien struyck'len by gevalDie 't niet verdient en heeft, wy lachen om den val.Hoe d' ongerechtigheit haer selfs weet te bekeuren:Wy grimmen om dien lach, als 't ons komt te gebeuren!
Bekeur ick dan 't gelach van onse wilde vreughd;Van ons getuymelt beest? o neen, ick prijs de deughdDes Schutters, dien sijn pijl, sijn pees, sijn boogh, sijn oogen,Sijn taaye zenuwen voor die reis niet bedrogen.Meer sal ick 't prijsen, meer, als 't noch en noch een mael.En noch een mael geschiet: nu hangh ick 't in de schael,Of 't heele konst of half, of 't half geluck of heel is.Ick tast aen dese stropp', om dat 't mijn eigen keel is,Die ick er me benauw; wie ghy my kent of niet,Mistrouwt het weinige, dat m'aen my hoort of siet;'t Heb wel een Papegaey een' vleugel afgeschorenMet een bevallick woord: (of sulcken slagh van oorenVernam het dien 't beviel.); och armen! maer 't is mis,Soo 't my te voller eer oyt toegerekent is:'t Geval heeft me gedaen; En die 't my noch eens verghde,En noch eens, en noch eens, souw sien hoe ick my berghde,En in mijn selven doock, daer 't hol is, als een vatDat van een klopjen bomt, en laedt noch droogh noch nat.'t En is geen achterklap; ick segh 't voor Son en Sterren;Wanneer ick in 't gedoen der menschen kom te werren,'k Sie menigh averechts voor-oordeel op het pad:'k Sie groot geluck betracht, en even op gevatOf 't groote wijsheit waer; 'k sie nytkomste van saken,Of s' uyt den Hemel viel en stortte door de daken:'k Sie de gelukkige, daer 't soo op solder leeckt,Voor d'allerkloeckste gaen, daer niet en aen gebreeckt:En God weet hoe 't 'er staet, en of sy niet en dachten,Sy waren aen de Caep, als sy 't voor Java brachten!
Wel toch! tot Java toe? ey siet, hoe vlieght de windVan menschen-mijmeringh, hoe vind ick my versint!Ick maeck den wijsen man, den Doctor, en den Leeraer,Oud Schoolkint, maer och Heer, in 't voorste van mijn leerjaer!Ick sie suer buytens tijds: 't is aengenaem en fraey:'k Stoof soute saucen tot[66] een houte Papegaey.
Nu, Buervolck, voor de moey van d' onlust, weest te vredenEen treedjen min of meer mijn Bergh-werck op te treden:Ghy zijt in 't vlack voldaen, de niewigheid van 't hooghSal uw' vermoeyden voet ontmoeyen door uw oogh.Mijn noem ick 't sonder roem, of met roem, een van beiden;Sijn afkomst is bekent en van my niet te scheiden(Sijn' opkomst seid' ick best); ten kortsten uyt geseit:'t En is geen Bergh van weeld', maer van Barmhertigheid:Erbarmt u van 't verhael: Ick most barmhertigh wesen,En komense te hulp, die met haer quynend wesenMet eenen voet in 't graf (soo staen sy trouwens noch,Mijn Eicken) riepen "moord", van 't schadelick bedrogh,Dat haer, op hoop van winst, uyt Eykenswaerde grondenIn 't sand bracht, daerse nu soo stierven als sy stonden;In 't Rood Sand, soo ick meen, de Turf-asch van de Hell',Die noch brand nae haer dood, en is als kool, soo fel.Soo stonden Boom voor Boom, als ick, op heete kolen;En aen haer' kruynen bleeck het roosten van haer' solen,'t Fenijn diend' onder uyt: 't en diende niet, het most:Wie kond'er tegenstaen? de Reden zei 't, en Post[67];Post, die de Reden heeft veel meer roems doen bereicken,In 't stellen van soo veel Pilaren schier als Eicken,Dan hem van Hofwijck komt, sijn vormsel niettemin,Gevroevrouwt door sijn' Pen, met dat het uyt den sin,Den redenrijcken sin van Campen[68] wierdt geboren,Van Campen, dien die eer voor eewigh toe sal hooren,Van 't blinde Nederlands mis-bouwende gesichtDe vuyle Gotsche schel te hebben afgelicht[69].Sijn' Reden seid' het me: 't vergift most uyt der aerden;De mijne sei 't er by: flucks wagens en flucks paerdenBy dusenden, niet min, die my van dat geweldOntlasten voor mijn' rust, mijn lust, en oock[70] mijn' geld.