Bibliographie

Standbeeld van Jacob van Artevelde te GentStandbeeld van Jacob van Artevelde te Gent

Halle te IeperenHalle te Ieperen

In de 15deeeuw is er behoefte aan toenadering en eenheid. Een vorstengeslacht uit Frankrijk afkomstig, de vier hertogen van Bourgondië, stichten die eenheid op de puinhoopen der gemeentevrijheden. Onder hunnen krachtigen schepter rijst in 't Westen eene nieuwe mogendheid op, die men eerst met den aarzelenden naam vanLanden van herrewaarts over, weldra met dien vanNederlandenaanduidt, naar de «lage landen bij de zee», tusschen Frankrijk, Duitschland en Engeland. Groote bouwmeesters, beeldhouwers en schilders maken den naam van Vlaming vermaard over Europa. De Van Eycks, Memlinc, zooveel anderen behooren tot de schitterende Brugsche schilderschool, wier houten paneelen nu nog het sieraad zijn der kerken en der museums in de geheele wereld. Glansrijk bloeit de bouwkunst in de stadhuizen van Brussel, Leuven, Aalst, enz., terwijl de meesterlijke beeldhouwwerken, waarvan zoovele in den beeldenstorm van 1566 vernietigd werden, nieuwe wegen openen voor die edele kunst in West-Europa. Doch onder deFranschgezinde hertogen wordt de volkstaal niet in eere gehouden. De Vlaamsche letterkunde kwijnt, terwijl eene Fransche hofletterkunde bloeit met Jean le Bel van Luik, Jean Froissart van Valencijn, Georges Chastellain van Aalst en Philippe de Comines van Komen.

Keizer Karel VKeizer Karel V

Zoo breekt de zestiende eeuw aan. De Duitsche Habsburgers, evenals de Bourgondische hertogen, door een huwelijk in onze geschiedenis getreden, komen op den troon en de derde van hun geslacht, een Gentenaar, vereenigt op zijn hoofd de kronen van de Nederlanden, van Spanje en van het Duitsche Rijk: 't is Keizer Karel of Karel V, die geheelWest-Europa tot in 1555 beheerscht. De fraaie kunsten vervolgen hunnen bloei: Quinten Matsijs en zijne Antwerpsche schilderschool zijn de erfgenamen der Brugsche meesters; te Oudenaarde, te Gent, te Middelburg rijzen prachtige stadhuizen op en Erasmus, van Rotterdam, die, eilaas! zijne moedertaal veracht en in het geleerde Latijn schrijft, is de intellectueele koning van Europa, iets als Voltaire tijdens de 18deeeuw. Op œconomisch gebied staan de rijke nijverige Nederlanden aan de spits in 't Westen en Antwerpen wordt de grootste handelshaven, het Londen van den tijd, en tevens de hoofdstad der pas uitgevonden boekdrukkunst in het Noorden.

Marnix van St-AldegondeMarnix van St-Aldegonde

Doch, naast den ouden strijd voor de staatkundige vrijheid, begint nu een kamp voor de nieuwe vrijheid van denken en gelooven. De volksletterkunde fleurt weer op en weerspiegelt de hartstochten van de godsdienstige twisten: de schoolmeesteres Anna Bijns, van Antwerpen, in hare mannelijkeRefereynentegen Luther en de «vermaledide Luterisce secte» en de Brusselsche edelman Philips van Marnix van Sint-Aldegonde in zijnenByenkorf der H. Roomsche kerckeen in zijnWilhelmusstaan vooraan in de rangen der geusche en antigeusche letterkunde van den tijd.

Onder Philips II, die van Spanje uit, onze Nederlanden op zijn Spaansch wil onderjukken, breken de Nederlandsche beroerten uit (1566). De opeenvolgende bedrijven van dat bloedig heldhaftig treurspel zijn: het Eedverbond derEdelen, de Beeldenstorm, Alva's schrikbewind, de verwoesting van Antwerpen en van andere bloeiende steden door de Spanjaarden, de tijdelijke verzoening van katholieken en protestanten bij de Pacificatie van Gent, hunne spoedige afscheuring in de vijandige Unies van Atrecht en van Utrecht, de moord van den Prins van Oranje, de val van Antwerpen (1585), voorafgegaan door dien van al de Vlaamsche en Brabantsche steden en van het verraad der Waalsche Malcontenten.

Van die scheuring af dagteekent eerst de verdeeling der Nederlanden in twee afzonderlijke Staten, die tot aan den slag van Waterloo naast elkander, doch schier vreemd aan elkander, een afzonderlijk leven hebben geleid. Het is het groote keerpunt, het beslissend uur in onze vaderlandsche geschiedenis.

Willem De ZwijgerWillem De Zwijger

De handel, de nijverheid, de vrijheid, de letterkunde, de wetenschap verhuisden naar het Noorden met de tienduizenden protestantsche Vlamingen en Brabanders (en ook minder talrijke Walen), die er de wijk nemen, omdat Zuid-Nederland zijne onroomsche kinderen geene plaats meer onder de zon aanbood; en daar stichtten zij, eendrachtig met de Hollanders, de Zeeuwen, de Stichtschen, de Gelderschen, de Friezen en de Groningers de heldhaftige Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden tusschen Schelde en Eems aan de kust der Noordzee. Te gelijk waren de Zuidelijke gewesten, vooral Brabant en Vlaanderen (eens de rijkste en bloeiendste der zeventien provinciën vóór de godsdienstige beroerten) nu diep vervallen tot de verarmde, ontvolkte en uitgeputte Spaansche of Katholieke Nederlanden. Het groote bloeiende Dietsche rijk van de hertogen van Bourgondië en van Keizer Karel was in twee helften van elkander losgescheurd.

Verbazend is het getal der mannen van beteekenis, die, van Zuidelijke afkomst, de grootheid en den roem der Noordelijke Republiek hebben helpen vestigen. Wij noemen slechts de philologen Daniël Heinsius van Gent, Bonaventura De Smet (Vulcanius) van Brugge en Justus Lipsius van Overijsche (bij Brussel), die later tot de Roomsche kerk terugkeerde en het sieraad der Leuvensche hoogeschool werd; den grondlegger der wetenschappelijke plantenkunde Rembert Dodoens (Dodonæus) van Mechelen; den wiskundige Simon Stevin van Brugge, den leermeester van Prins Maurits, zoon van Willem den Zwijger; den boekdrukker Louis Elzevier van Leuven; den zeevaarder Izaäk Le Maire van Doornik, die in 1615 de zeestraat naar hem genoemd bij de Zuidpool ontdekte; de groote financiemannen en kooplieden Balthazar Moucheron en Willem Usselinckx van Antwerpen, beide zoo zeer bemoeid in de Oost- en West-Indische Compagnies; de geografen Joost de Hont en Philips van Lansbergh van Gent en Jan de Laet van Antwerpen; de historieschrijvers Jean le Petit van Bethune (Fransch-Vlaanderen) en Emmanuel van Meteren van Antwerpen; de schilders Gerard de Lairesse van Luik, Frans Hals van Mechelen en Karel van Mander van Meulebeke (bij Tielt); den dichter Jacob van Zevecote van Gent en aller dichtren prins Joost van den Vondel, geboren te Keulen uit Antwerpsche ouders; een leger van godgeleerden en predikanten, waaronder de beroemde Gomarus van Brugge, die eene beslissende rol speelde op de Synode van Dordrecht in 1618; een leger van staatslieden met Willem den Zwijger, te Brussel grootgebracht, en den Brusselaar Marnix van Sint-Aldegonde aan hun hoofd; enz., enz.

De Leidsche hoogeschool, in 1575 gesticht, wordt de eerste van Noord-Europa en hare beste professoren zijn bij den aanvang in meerderheid Zuid-Nederlanders. Openbare liefdadigheid en volksonderwijs worden ingericht als in geen ander land van Europa.

De Hollandsche schilderschool ontwikkelt eene eenige oorspronkelijkheid met Rembrandt, Hals, Ruysdael, Dou, Pieter de Hooch, Jan Steen, Vermeer en zooveel andere onsterfelijke meesters.

De kleine provinciestad Amsterdam is eene wereldstad geworden; de oudere Hollandsche, Zeeuwsche en Utrechtsche steden moeten alle hunne wallen uitzetten en zien hunne bevolking en hunnen welstand verbazend stijgen. De Nederlandsche Republiek wordt de eerste handels- en koloniale mogendheid der wereld in de 17deeeuw.

Intusschen zieltoogt het door geweld katholiek gebleven Zuid-Nederland. In de Vlaamsche en Brabantsche steden, die door de gedwongene protestantsche uitwijking de bloem hunner burgerij en handswerklieden hebben verloren, staan een derde der huizen te koop of te huur en vinden er geene liefhebbers, zoodat de kloosterlingen der plattelandsche abdijen, welke in den burgeroorlog verwoest waren geworden, geheele stadswijken voor een appel en een ei meester worden en zich in iedere stad komen nestelen. Buiten de steden zijn hoeven, stallingen, schuren en kasteelen in puin gelegd; de onbebouwde verlatene akkers groeien vol distels, ginststruiken en ander wild gewas. Wolven loopen het ontvolkte platte land af. De Schelde is gesloten en Antwerpen houdt op eene zeehaven te zijn gedurende meer dan twee eeuwen. De gewetensdwang en de geestelijke censuur op de boeken belemmeren elke ontwikkeling van den menschelijken geest. Het onderwijs der Jezuieten, Augustijnen en nonnen verkwezelt en verfranscht de hoogere standen, en devolksschool ligt in eene erbarmelijke verwaarloozing gedompeld. Terwijl in Holland de gouden eeuw der Nederlandsche letteren schittert met Vondel, Hooft, Bredero, Cats en Huygens, levert de letterkunde in Vlaamsch België niets anders op dan Pater Poirters en Willem Ogier. Alleen op het gebied der fraaie kunsten, ten dienste meestal van kerken en kloosters, leeft een tijdlang nog de oude verbazende kracht van den Vlaamschen stam voort. De prachtige Antwerpsche schilderschool met Rubens, Van Dijck, Jordaens, Teniers, enz. is de laatste glorievonk van het uitdoovend nationaal genie.

P. P. RubensP. P. Rubens

Terwijl de Nederlandsche driekleur op alle zeeën en oceanen met glans en eere wappert, terwijl de Nederlandsche Republiek de Europeesche diplomatie beheerscht en door veldheeren als Maurits en Frederik Hendrik, door admiralen als De Ruyter en Tromp, door staatslieden als Oldenbarnevelt en Jan de Wit, door groote schilders en geleerden de bewondering en de afgunst van het buitenland opwekt; terwijl eindelijk de stadhouder Willem III van Oranje, koning van Engeland, als de redder van Europa's onafhankelijkheid optreedt tot fnuiking der Fransche Wereldmonarchie van Lodewijk XIV; — is de zeventiende eeuw voor Vlaanderen het rampzaligste tijdvak onzer gansche geschiedenis. De Spaansche katholieke Nederlanden zijn het bloedig en weerloos slagveld der groote mogendheden geworden. Gedurende meer dan eene eeuw, tot aan den Vrede van Utrecht (1713),werd er op onzen bodem oorlog gevoerd om ons brokstukken van ons grondgebied te ontrooven: in 't Noorden verloren wij aldus Zeeuwsch-Vlaanderen, Noord-Brabant, Maastricht en den rechteroever der Maas ten gunste der Nederlandsche Republiek; in 't Zuiden, Artois, Fransch-Vlaanderen, de helft van Henegouwen en eene strook van Luksemburg, ten gunste van Frankrijk, dat ons land zelfs tijdelijk in zijn geheel had ingepalmd (1700-1706). Ontelbare veldslagen en belegeringen maakten eilaas! den naam onzer steden en onzer onbekende Vlaamsche en Waalsche dorpen bloedig beroemd in de wereldgeschiedenis.

Ons land was op den rand van den afgrond, toen de groote mogendheden het aan Spanje ontnamen om het, buiten onzen wil, aan Oostenrijk over te maken. Als een lakei, die met eenen nieuwen meester ook van livrei moet veranderen, verwisselden onze gewesten hunnen naam vanSpaanschemet dien vanOostenrijksche Nederlanden. In 't midden der achttiende eeuw kwam eene tweede tijdelijke verovering van Frankrijk onder Lodewijk XV de nationale rampen vermeerderen, waar de Vrede van Aken (1748) een einde aan stelde. Dertig jaren van ongestoorden vrede volgden daarop onder de moederlijke regeering van keizerin Maria Theresia, die eenige verademing brachten. Ook wordt hare nagedachtenis nog in België gezegend; aan zulke rust waren onze zwaargeteisterde voorouders niet meer gewoon. Daarenboven toonde zich de Oostenrijksche regeering milder en verstandiger dan de Spaansche. Het hooger en middelbaar onderwijs werden verbeterd, de landbouw en de nijverheid aangemoedigd, de verschrikkelijke uitbreiding der kloosters werd tegengewerkt, de opheffing der Jezuietenorde (na hare afschaffing door paus Clemens XIV) in ons land in 1773 ook doorgevoerd en de Academie der wetenschappen en letteren te Brussel opgericht (1772).

Jozef IIJozef II

Maria Theresia's schrandere zoon, keizer Jozef II bezocht in 1781 ons vaderland, kort na zijne troonsbestijging. Sedert Philips II 's vertrek naar Spanje in 1559 was hij de eerste vorst der Zuidelijke Nederlanden, die zich gewaardigde onzen bodem te betreden en hij kwam er opzettelijk om onze toestanden te bestudeeren. De vruchten zijner edelmoedige studiereis bleven niet uit. Tal van hervormingen, uit Weenen naar ons land overgebriefd, verrasten en schokten weldra keer op keer onze ingedommelde voorouders: afschaffing der pijnbank, bedeesde verdraagzaamheid voor de dungezaaide protestanten, opheffing der «onnoodige» kloosters, hervorming der bisschoppelijke seminaries, herinrichting van het gerecht en van de bestuurlijke instellingen en meer andere doortastende veranderingen, meestal heilzame en dringende verbeteringen, die eenige jaren later door de Fransche Omwenteling werden doorgedreven. Maar de katholieke geestelijkheid en al degenen, die leefden van de voorrechten en misbruiken, ruiden het verdwaasde volk op tegen die hervormingen, welke overigens door Jozef II werden afgekondigd zonder acht te slaan op 's lands aloude grondwettelijke waarborgen. De Brabantsche omwenteling, die belachelijke en beschamende clericale naäperij van de groote Fransche van 1789, brak uit. Het Oostenrijksch bewind werd omver geworpen, Jozef II stierf van verdriet, onze voorouders op zijn sterfbed van ondankbaarheid beschuldigende, en gedurende 360 dagen leefde ons land in eenen revolutionnairen staat van potsierlijke onafhankelijkheid en clericale reactie onder den naam vanÉtats-Belgiques-Unis, alweer eene onmachtige nabootsing van de vrije Republiek der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, die zich eenige jarenvroeger tegen Engeland had vrijgevochten. Na minder dan een volle jaar keerden de zegevierende Oostenrijksche legers terug; doch al de hervormingen van Jozef II werden ingetrokken.

Maar dan begon de strijd tegen Frankrijk, die na een paar bloedige veldtochten leidde tot de inlijving van Zuid-Nederland bij de Fransche Republiekune et indivisibleonder de leus:Liberté, Égalité, Fraternité ou la mort(1794). Zuid-Nederland verdween van de kaart van Europa en werd ingedeeld in Fransche wingewesten:Départements de la Lys, de l'Escaut, de la Dyle, des Deux-Nèthes, de la Meuse Inférieure, de l'Ourthe, des Forêts, de Jemmapes, de Sambre-et-Meuse. Dat was het tweede keerpunt in onze vaderlandsche geschiedenis.

De kerkelijke en staatkundige instellingen, die zich sedert de middeleeuwen gaandeweg ontwikkeld hadden, werden plotseling neergehaald en door splinternieuwe vervangen. Al de voorrechten van geestelijkheid en adel werden afgeschaft en door de burgerlijke gelijkheid aller inwoners vervangen, hetgeen een niet genoeg te waardeeren hervorming was, waarvan wij heden nog de zegeningen genieten. Doch, indien al de moderne vrijheden werden afgekondigd, dit was slechts in de woorden en op het papier, want in de werkelijkheid bleef de regeering almachtig; de Republiek en na haar Napoleon I oefenden eene staatkundige dwingelandij uit, die zelden werd geëvenaard. Daarenboven werden onze gewesten door Frankrijk letterlijk uitgebuit.

De inlijving begon in 1794 met eene oorlogsbelasting van tachtig millioen Franschelivresop de steden, waarvan Brussel er vijf, Antwerpen tien, Gent zeven, enz. moesten opbrengen. Al de rijkdommen in goud en zilver van kerken, kloosters, neringen, ambachten en gilden werden aangeslagen, met hamers aan stukken gebroken, in houten vaten gekuipt en naar Frankrijk gezonden. De gedwongen koers van het waardeloos papieren geld (assignats) en de stelselmatige afpersing van alle waren, levensmiddelen, vee, meubels, stoffen, kunstschatten en verdere roerende eigendommen, onder den naam vanrequisities, brachten eene onbeschrijfelijke ellende teweeg, gevolgd door hongersnood en ziekten. Ondertusschen moesten onze wanhopige voorouders eene officieele feestvreugde aan den dag leggen bij het planten der vrijheidsboomen en hunne Fransche driekleur uitsteken op dendecadi, die den afgeschaften Zondag was komen vervangen, evenals de katholieke kerken herschapen waren intempels der Rede; de kloosters en abdijen waren opgeheven en hunne goederen verkocht. Zoo brak de «gesloten tijd» (1797-98) aan, die gekenmerkt werd door allerlei hatelijke of kleingeestige vervolgingen tegen de priesters, die in 't geheim de mis lazen en de sacramenten bedienden en die zich daardoor aan deportatie naar Cayenne blootstelden. De ruw ingevoerde militaire loting (conscriptie) deed den beker overloopen en den wanhopigenBoerenkrijguitbreken (1798-1799), die na heldhaftigen tegenstand in het bloed gesmoord werd. Geen tijdvak onzer geschiedenis, buiten de bloedige dwingelandij van Alva, in de 16deeeuw, kan met de laatste jaren der achttiende eeuw onder het Fransche schrikbewind worden vergeleken.

Het consulaat van Napoleon Bonaparte bracht eenige verademing. De vrede met Europa, de inwendige openbare rust en de oude katholieke godsdienst werden hersteld. Doch Napoleon zette de keizerskroon op zijn hoofd (1804) en zijne onverzadelijke eerzucht veranderde geheel Europa, van Spanje af tot aan Rusland, in een groot oorlogsterrein. De conscriptie eischte overal kanonnenvleesch. De dwingelandij van den meester kende geene palen meer. De moedertaal, reeds brutaal aan kant gezet bij den eersten dag der Fransche inlijving, werd onmeedoogend vervolgd en uitgeroeid tot in de dagbladen, straatnamen, uithangborden, testamenten en kwijtschriften. Vertwijfeling en haat tegen de Fransche overheersching waren de alom heerschende gevoelens in ons diep gezonken vaderland.

In al die rampen had Noord-Nederland ook zijn aandeel gehad. Het verzwakte en ingedommelde gemeenebest der Zeven Vereenigde Nederlanden was, door inwendige twisten en onder Franschen invloed, uiteengevallen en tot vassaalstaat van Frankrijk gezonken onder den naam van Bataafsche Republiek (1795). Napoleon veranderde haar in eenRoyaume de Hollandemet zijnen broeder Lodewijk als koning (1806), en, toen deze niet slaafsch genoeg aan zijne ongehoordste eischen gehoorzaamde, stiet hij hem van den troon en lijfde Noord-Nederland bij het Fransche Keizerrijk in (1810). Op hunne beurt waren ook de Hollandsche gewesten tot Fransche departementen vervallen, vijftien jaren na Zuid-Nederland.

De Nederlandsche stam in Noord en Zuid scheen alsdan met eenen onvermijdelijken ondergang bedreigd, toen Napoleon's val een historisch mirakel mogelijk maakte: de verrijzenis der groote mogendheid van de Bourgondische hertogen en van Keizer Karel onder den naam vanKoninkrijk der Nederlandenmet eenen Oranjevorst, eenen afstammeling van Willem den Zwijger, op den troon.

Naast al hare vernederingen en onheilen had de Fransche overheersching ons toch onloochenbare weldaden aangebracht: de gelijkheid aller burgers vóór de wet met opheffing aller voorrechten van adel en geestelijkheid, de heropening der Schelde (1795) na meer dan twee volle eeuwen, de scheiding der bestuurlijke en rechterlijke machten (1796), waar Jozef II zijnen onverdienden val grootendeels aan te danken had, de afschaffing der al te talrijke en overrijke kloosters, de ernstige inrichting van den burgerlijken stand, de verwereldlijking en verbetering van de openbare liefdadigheid. Maar de vrijheid was onmeedoogend met de voeten getreden; de moedertaal, de nationaliteit, het volksonderwijs en het Nederlandsch karakter verwaarloosd en veracht.

Op het bloedig slagveld van Waterloo (1815) ging de zon der vrijheid en der onafhankelijkheid op voor Europa in 't algemeen en in 't bijzonder voor ons arme vaderland.

H. Pirenne,Histoire de Belgique. 2 deelen. 1900-1903 (Nederl. vertaling door R. Delbecq, 1904) — P. J. Blok,Geschiedenis van het Nederlandsche Volk. 6 deelen. 1892-1904. — Eug. Van Bemmel,Patria Belgica. 3 deelen. 1873-1875. — Julius Vuylsteke,Inleidingtot deKorte statistieke Beschrijving van België, 1869, herdrukt in zijneVerzamelde Prozaschriften(1887) en in zijneHistoriebladen(1904).

DOOR

VICTOR FRIS

De rampzalige aftocht uit Rusland had de macht van den grooten dwingeland bepaald geknakt. Wel poogde Napoleon met nieuwe krachten den aanval der legers van het Verbond van al de Europeesche mogendheden te stuiten, doch hij werd te Leipzig (October 1813) verslagen. Terstond hieven al de volken, die Bonaparte zoolang onder zijn hiel gehouden had, het hoofd op en schudden het gehate juk met een zucht van verlichting af. Overal brak bij het naderen der troepen der Geallieerden de opstand los en sloeg van Westfalen naar Holland over. Amsterdam gaf het sein der verlossing (15enNovember 1813); de Pruisen en de Russen verjoegen de Fransche generaals, terwijl de Engelschen in Zeeland landden.

Reeds op 16enNovember aanvaardden twee patriotten, de graven van Hogendorp en van der Duyn, de souvereiniteit der oud-Vereenigde Provinciën in naam van den prins Willem van Oranje; veertien dagen later ontscheepte de zoon van den oud-stadhouder te Scheveningen, en op 1enDecember nam hij in den Haag den titel van Souvereinen Vorst der Vereenigde Provinciën.

Intusschen rukten de verbonden legers Frankrijk binnen; het leger van het Noorden onder Bernadotte's bevel trok langs België op Parijs af. De schielijke vlucht der Fransche ambtenaren en de aantocht der Pruisen en der Kozakken werden alhier met geestdrift onthaald, vooral in de Vlaamsche gewesten, waar de herinnering aan den Boerenkrijg nog zoo levendig was.

Den 4enFebruari 1814 vaardigde, in naam der Vreemde Mogendheden, generaal Karel van Saksen-Weimar een proclamatie tot de Belgen uit, waarin hij hun de onafhankelijkheid liet verhopen en ze aanspoorde om troepen te lichten ten einde hunne vrijheid te verdedigen. In overeenkomst met generaal Bülow, stelde hij een Voorloopig Bestuur aan, en benoemde den Oostenrijkschgezinden hertog van Beaufort-Spontin tot gouverneur-generaal; deze werd al spoedig (den 29enMaart), op bevel van keizer Frans I, vervangen door den generaal baron de Vincent, die echter slechts den 5enMei, een maand na Napoleon's troonafstand, bezit nam van zijn ambt. Den 30enMei 1814 werd door het eerste verdrag van Parijs beslist, op het aandringen van den Engelschen gevolmachtigde, dat Holland een uitbreiding van grondgebied zou verkrijgen; door twee afzonderlijke en geheime akten werd zelfs de uitgestrektheid dezer uitbreiding aangeduid, n.l. tusschen Frankrijk, de zee en de Maas, ja zelfs tusschen de Maas en den Rijn. Drie weken later bepaalden de gevolmachtigden der Geallieerden, in Conferentie te Londen vereenigd, de voorwaarden der vereeniging van Holland met de Belgische gewesten, bestaande uit de vroegere Oostenrijksche Nederlanden en 't Prinsbisdom Luik met het Groothertogdom Luksemburg; prins Willem van Oranje werd verzocht deze bij te treden, en in den meest liberalen zin te werken om de volkomenversmeltingder beide landen te verwezenlijken (21enJuni 1814). Die voorwaarden, in acht artikelen vervat, werden door den Prins van Oranje een maand later aangenomen, doch voor 't publiek tot het volgende jaar verborgen gehouden. Volgens artikel I moest die vereeniging innig en volkomen zijn; beide landen moesten slechts één Staat vormen, beheerd door de reeds in Holland aangenomen Grondwet, met de noodige wijzigingen volgens de nieuwe omstandigheden. De volgende artikelen verzekerden aan alle godsdiensten gelijke rechten en bescherming, aan alle burgers gelijke benoembaarheid tot de openbare ambten; de Belgische provinciënzouden «op geschikte wijze» in de Staten-Generaal vertegenwoordigd zijn en voortaan met de Hollandsche provinciën lasten en voordeelen dragen. De gedwongen, bepaalde afstand van de Kaapkolonie en van de helft van Suriname was de belooning van Engeland voor deze weldaad tegenover het huis van Oranje, dat Luksemburg verkreeg in ruiling zijner bezittingen in Duitschland.

Op 31enJuli 1814 gaf baron de Vincent het opperbestuur van ons land over in handen van den Souvereinen Vorst der Nederlanden. Eindelijk waren de verwachtingen die Willem sedert twintig jaren omtrent het bezit van België gekoesterd had, verwezenlijkt.

De vereeniging van Holland met België, welke de Engelsche diplomatie sedert lang beoogde, was eenvoudig een schikking in 't belang van Europa, dat tusschen Maas en Rijn een sterken dam tegen de toekomstige pogingen der Fransche veroveringszucht wilde opwerpen. De monarken van het Heilig Verbond hadden het vorstenhuis van Oranje-Nassau willen bevoordeeligen. Niet eens had men onze bevolking geraadpleegd; ook was er in de Zuidelijke Provinciën bijna niemand die de vereeniging met Holland toegedaan was; men gevoelde weinig aantrekking voor dat land dat men niet kende. Overigens, beide streken vertoonden zulk verschil in zeden, belangen, godsdienst en zelfs in taal, dat dit gedwongen huwelijk met weinig ingenomenheid van wege beide partijen aangezien werd.

Wel waren Noord en Zuid stamgenooten, maar de geschiedenis had ze sinds bijna 250 jaren gescheiden gehouden. Terwijl België zonder politiek leven, zonder eigenlijke zelfstandigheid van den Spanjaard naar den Oostenrijker was overgegaan, om eindelijk door den Franschman te worden veroverd, had Holland eene gewichtige historische rol gespeeld; en terwijl men in 't Zuiden nog den druk van het vreemde juk gevoelde, boogde het Noorden met fierheid op de trotsche overleveringen zijner heldendaden en zag daarom met eene zekere minachting op het naburige volkje neder.

Op intellectueel gebied veel hooger staande, beschouwden de Hollanders de Belgen geheel als ondergeschikten, en deze houding kwam het verschil in karakter nog verscherpen.

Terwijl benoorden den Moerdijk taal en zeden van zuiver Germaanschen aard gebleven waren, hadden, sedert de 16eeeuw, in het Dietsche zoowel als in het Waalsche gedeelte der Zuidelijke Nederlanden, Fransche taal en Fransche zeden de hoogere klassen veroverd; en die invloed van het naburige Frankrijk was niet weinig versterkt gedurende de twintigjarige overheersching van de Republiek en van het Keizerrijk. In scholen, gerechtshoven, bestuur, vergaderingen, vereenigingen, dagbladen, openbare of private briefwisselingen zwaaiden in de Vlaamsche gewesten de Fransche spraak en de Fransche denkbeelden onbetwist den schepter.

De Hollander, aan de voorvaderlijke levensgewoonten getrouw gebleven, was stijf, koel, plechtig en teruggetrokken; de Belg, onder Franschen invloed beweegbaar en losser in handel en wandel geworden, was van de moderne denkbeelden die de Fransche Omwenteling met zich gevoerd had, doordrongen; daarom ook werd de Fransche wetgeving in 't Zuiden met genoegen onthaald, terwijl men ze in 't Noorden beschouwde als eene «nieuwigheid» door den overweldiger opgedrongen.

Even stoer stonden tegenover elkander de dweepzieke Katholieken van 't Zuiden en de bekrompen Calvinisten van 't Noorden; de laatsten overtrotsch om hunne onmiskenbare verstandelijke superioriteit, de eersten fier op hunne zegepraal tegenover Jozef-de-Tweede's liberale hervormingen, en tevens bereid om, na hunne lange onderwerping tijdens het Fransch bestuur, de overhand van hunnen godsdienst te herstellen.

Die verschillen, waarbij nog moet gevoegd worden de tegenstelling der staathuishoudkundige belangen van beide landen — handeldrijvend en dus voorstanders van vrijen in- en uitvoer in 't Noorden, levend van nijverheid en landbouw en daardoor beschermingsgezind in 't Zuiden — waren oorzaak dat er weinig neiging tot vereeniging bestond bij de Belgen,tenzij bij zekere ontwikkelde lieden; zoodat de onhandige pogingen van de enkele Orangisten, die de openbare meening tot de vereeniging moesten voorbereiden tijdens het voorloopig bestuur van den hertog van Beaufort, de zaak van prins Willem bijna in gevaar brachten.

Machtig integendeel was de Fransche partij, gesteund door de regeering van Lodewijk XVIII, die de hereeniging met Frankrijk wenschte. Zij was uit zeer uiteenloopende bestanddeelen samengesteld. Zij bestond ter eener zijde uit de partijgangers der Fransche denkbeelden. Deze stonden in bewondering voor het regeeringsstelsel door de Republiek ingevoerd, dat in België aan de verschillende grondgebieden, aan de afwisselende locale gewoonten en verouderde rechtsgebruiken, de eenvormigheid van bestuur, wetboeken en rechtbanken, benevens de concentratie der openbare machten opgedrongen had. Dan had men de menigte der uit Frankrijk teruggekomen Belgische krijgslieden en ambtenaren die den grooten keizer gediend hadden, en wie het tegen de borst stootte dat hun land onder de heerschappij van het kleine Holland gesteld was. Eindelijk waren daar nog de Fransche ballingen en uitwijkelingen, conventioneelen en bonapartisten, die de vervolgingen van de clericale «Terreur blanche» uit Frankrijk ontvlucht waren.

Een aanzienlijk gedeelte der bevolking, voornamelijk de geestelijkheid en de adel, in een woord, de leiders der Brabantsche Omwenteling die zich later met keizer Leopold verzoend hadden, betrachtte, na den val van Napoleon, den terugkeer van onze provinciën onder het Oostenrijksch bestuur. De twee bevoorrechte standen beschouwden die herstelling van het gezag der Habsburgers als innig verbonden met de herstelling van het Oud Regime, waarvan zij droomden.

De ontvluchting van den Corsicaanschen dwingeland uit het eiland Elba bedreigde plotseling het pas gevormde Rijk der Nederlanden. Willem maakte gebruik van de algemeene verwarring in Europa, om zich op 14enMaart 1815 den titelvan Koning der Nederlanden toe te kennen. Daarna bezocht hij de Zuidelijke gewesten, waar hij met uitbundige vreugde ontvangen werd: alzoo betoogden de Belgen hoe gelukkig ze waren, van het langdurige Fransche juk verlost te zijn, onder hetwelk zij niets anders dan afpersing, knevelarij, geweldenarij en dwang gekend hadden.

Zonder dralen riep hij 25,000 Belgen te wapen, die in spoed opgekomen en met evenveel Hollanders vereenigd, onder bevel van den prins van Oranje, zijn oudsten zoon, het Engelsch leger van Wellington gingen versterken. De Nederlandsche troepen vochten met leeuwenmoed te Quatre-Bras, en twee dagen later, toen het Fransche Keizerrijk ten onder ging in de vlakte van Waterloo (18enJuni 1815), zei Wellington dat hij hunne dapperheid niet genoeg kon prijzen. Die strijd van Hollanders en Belgen zij aan zij, droeg veel bij tot eene toenadering tusschen beiden. De Nederlandsche Leeuw werd te Waterloo opgericht als een gedenkteeken van Europa's bevrijding en van Nederlands roemrijk aandeel in die overwinning.

Het Congres van Weenen erkende Willem als koning der Nederlanden, als belooning voor zijne krachtdadige tusschenkomst; en door het tweede Congres van Parijs verkreeg hij eene uitbreiding van grondgebied, n.l. het hertogdom Bouillon, Philippeville en Mariembourg (20enNovember 1815).

Uit een œconomisch oogpunt was het Rijk, waarover Willem nu heerschte, eene prachtige schepping; nooit was een land zoo plotseling in een zoo voordeeligen toestand geplaatst, want het was tegelijkertijd machtig door de rijkdommen van den grond, den handel en de scheepvaart. Bezat Holland groote havens, waar onophoudend de belangrijke handelsvloot van hare millioenrijke kooplieden de schatten van het weelderige Insulinde of van andere koloniën binnenvoerde, België, met zijne vruchtbare landouwen — de klassieke grond van landbouw en veeteelt — met zijne ijzer-, kool- en loodmijnen, door eene nijverige bevolking uitgebaat, vond in zijnen grond de schatten, die Holland op den Oceaan zocht. Beide landen vulden elkander aan.

Overigens, was het volk in twee groote afdeelingen gesplitst en in vele opzichten gescheiden, in andere opzichten hing het samen; er bestond meer dan een overgang tusschen de twee landstreken, dien men tot het vormen van een gemeenschappelijk leven kon benuttigen. Doch evenals alle willekeurig geschapene inrichtingen, bezat dit kunstmatige rijk slechts weinig vastheid op zich zelf, en het moest recht gehouden worden door de talenten van zijn Vorst.

Willem IWillem I

Deze Vorst, wien de moeilijke taak was opgedragen, de samensmelting van deze twee landen te voltooien, bezat groote hoedanigheden. Hij was een toonbeeld van huiselijke en persoonlijke deugden; hij onderscheidde zich door zijne minzaamheid en rechtschapenheid; hij was zeer verstandig en bezat een sterk geheugen.

Willem I streefde er naar, de genegenheid zijner onderdanen te winnen, en verleende op gestelde dagen, iedere week, gehoor in zijn paleis aan groot en klein, arm en rijk. Zeer werkzaam, strekte hij zijne bedrijvigheid uit over bezigheden van zeer uiteenloopenden aard.

Maar de Vorst was ook een man van zaken, dien de geldzucht bijna tot de gierigheid dreef. Zijne verwaandheid over de onfeilbaarheid van zijn oordeel, zijne koppigheid en zijn gemis aan doorzicht, droegen veel bij tot zijne impopulariteit, en zijn bestuur vonden de Belgen des te onverdragelijker, daar hij protestant en Hollander was.

Ziedaar de man van wiens persoonlijk karakter en bestuurlijke begaafdheid het afhing in hoeverre de Hollanders en de Belgen zich broederlijk als zonen van hetzelfde vaderland zouden leeren beschouwen.

De prins van Oranje, de oudste zoon van den Koning, en Wellington's leerling in den krijg, verschilde volkomen met zijn vader wat karakter en denkwijze betreft. Zeer eigenzinnig en, als gemaal eener Russische groothertogin, zeer hoogmoedig, werd hij weldra door den Koning uit het bestuur van het krijgswezen ontzet, en gedurende tien jaren van de staatszaken verwijderd.

Zeer ontwikkeld en zeer geliefd, oefende prins Frederik, Willem's tweede zoon, als grootmeester der Nederlandsche vrijmetselarij, een zekeren invloed uit op de liberale partij in Zuid-Nederland. Het beleid van 't krijgsbestuur werd hem in 1817 opgedragen; doch evenals zijn vader, miste hij bezieling en geestdrift en kon die dus aan anderen niet mededeelen.

Willem koos in den beginne voorname en ervaren mannen als ministers, meest allen Noord-Nederlanders. Maar noch Gijsbert Karel van Hogendorp, een ontwikkeld staatsman, een edel en open karakter, aan wien de koning zijne kroon verschuldigd was en die zeer goed ingelicht was omtrent het bestuur van het land; noch de bekwame en kundige Falck, die inschikkelijker was, noch Van Nagel, noch Roëll, konden lang overeenkomen met een Koning, die alles alleen wilde doen en voor de persoonlijke regeering was in den echten zin van het woord.

A. R. FalckA. R. Falck

Hoe kwam het dat in den beginne het bestuur van Willem in 't buitenland geprezen werd als het toonbeeld van een goede liberale regeering? Dit dankte hij aan zijne zelfstandige houding op het Congres te Weenen tegenover de reactionnaire vorsten van Pruisen en Rusland; voorts aan de gastvrijheid die hij aan de bannelingen van alle natiën verleende, op het oogenblik dat de Europeesche landen onder de bloedige verdrukking van de vorsten van de Sainte-Alliance zuchtten; en eindelijk aan het schenken van eene Grondwet aan zijne onderdanen.

Uit eigen beweging had Willem, in Maart 1814, een Grondwet aan Holland gegeven. Deze verleende het volk meer vrijheid en meer waarborgen dan in de voormaligeVereenigde Provinciën, maar verzekerde ook aan den Vorst een uitgebreider macht dan ooit een stadhouder bezeten had. Dadelijk na de oprichting van de Nederlanden tot koninkrijk, was een commissie tot stand gekomen om de Grondwet te herzien en om de noodige veranderingen er aan toe te brengen, in overeenstemming met den nieuwen staat van zaken (22enApril 1815). G. K. van Hogendorp zat die commissie voor, samengesteld uit 12 Hollanders en 12 Belgen. Onder deze laatsten telde men de reactionnaire graven de Mérode, de Méan en de Thiennes met den griffier Raepsaet, verder radicalen als Dotrenge en Leclercq, en twee knappe en vooruitstrevende mannen, Gendebien vader en Holvoet.

Hevige redetwisten grepen plaats over de ministerieele verantwoordelijkheid, die verworpen werd ondanks de liberalen. Men kon het ook niet eens worden over de aanduiding van de hoofdstad, Amsterdam of Brussel, en daarom besloot men geene melding hiervan te maken. De nationale vertegenwoordiging vooral was het voorwerp van langdurige beraadslagingen. Niettegenstaande Hogendorp's tegenwerpingen die slechts ééne Kamer wenschte, werd, op Raepsaet's voorstel, beslist dat men er twee zou hebben, die den verouderden en volkomen iets anders beteekenenden naam van Staten-Generaal behielden.

De Belgische aanhangers van het Oud Regime vroegen de vertegenwoordiging der drie standen; maar dit was onmogelijk in Holland, waar de abdijen afgeschaft en de ambachtsgilden verdwenen waren. Dan stelden ze voor om den adel en de bisschoppen in de Eerste Kamer te doen treden; dit alweer werd afgestemd en de geestelijkheid hield daardoor op als een bijzondere stand herkend te worden.

Men besloot dat de Hooge Kamer bestaan zou uit 40 of 60 leden, levenslang door den koning benoemd; en de Tweede Kamer uit 55 Hollanders en 55 Belgen gekozen voor 3 jaar door de Provinciale Staten, met jaarlijksche vernieuwing van een derde.

Vruchteloos verzette zich Gendebien tegen de gelijkheid in het getal der afgevaardigden van de Tweede Kamer, omdatBelgië 3 millioen inwoners en Holland er minder dan 2 millioen bezat. Van Maanen antwoordde dat de Vereenigde Provinciën sedert twee eeuwen als een zelfstandige Staat bestonden, en het overwicht der Belgen niet zouden dulden, en Hogendorp voegde er bij, dat men het belang der Hollandsche koloniën met hunne millioenen inwoners en de intellectueele ontwikkeling der Noorderprovinciën niet uit het oog mocht verliezen. In die omstandigheden werd het voorstel der regeering door al de Hollanders en door twee Belgische afgevaardigden (De Méan en De Mérode) aangenomen.

Het was zoo moeilijk om de artikelen te doen aannemen, over de volkomen geloofsvrijheid, over de gelijke bescherming van alle godsdiensten en over de benoembaarheid van alle burgers tot de openbare ambten, dat het noodig was de verplichting in zake gewetensvrijheid in te roepen, door de groote Mogendheden in het Protocol van Londen of Verdrag der acht artikelen den Koning opgelegd; dit werd nu eerst aan de bevolking bekend gemaakt.

Nauwelijks was het ontwerp opgesteld (18enJuli 1815), of de Raad van de Kroon stelde een lijst der Belgische notabelen op, die de Grondwet zouden aannemen of verwerpen. Ze waren ten getale van 1600, één per twee duizend inwoners, en werden benoemd door een soort van bekrachtigende stemming door middel van het algemeen stemrecht. Het ontwerp van Grondwet was, op voorhand, in 't geniep medegedeeld aan de bisschoppen De Broglie van Gent, Pisani van Namen en Hirn van Doornik. Den 28enJuli richtten zijEerbiedige Opmerkingentot den Koning, waarin zij de gewetensvrijheid als eene gevaarlijke nieuwigheid bestempelden, en zich beklaagden dat de geestelijkheid, vroeger de eerste stand in den Staat, nu uit de wetgevende vergaderingen en uit de lijst der notabelen gesloten was, en dat zij niet eens het recht bezat de onwaardigen van deze lijst te schrappen. Daar de Koning aan die eischen geen gehoor gaf, besloot de strijdlustige en dweepzieke bisschop van Gent in het perk te treden.

In zijn herderlijken omzendbrief van 2enAugustus verbood hij aan al de notabelen van zijn bisdom voor de nieuwe Grondwet, die de vrijheid van godsdienst en de gelijkheid van de eerediensten waarborgde, te stemmen. Het gevolg was dat, terwijl de Staten-Generaal in Holland eenparig de Grondwet aannamen, de Belgische notabelen, op 18enOogst 1815 te Brussel vergaderd, met 796 stemmen tegen 527, diezelfde Grondwet verwierpen. In de vier arrondissementen van Oost-Vlaanderen telde men slechts 67 stemmen vóór en 168 tegen. Bijna al de ontkennende stemmen waren gegrond op de artikelen 190 en volgende, aangaande de gewetensvrijheid; 126 briefjes hadden dit uitdrukkelijk verklaard.

De Koning, die zulks niet verwacht had, en overigens gebonden was door het Verdrag van Londen, toonde zich erg verbolgen. Nochtans, daar het ontwerp de meerderheid had in de Nederlanden door de eenparige stemmen van de Staten-Generaal in het Noorden, besloot hij over de moeilijkheid heen te stappen. Hij verklaarde dat hij de afwezige notabelen, 280 in getal, als goedkeurende stemmers beschouwde; hij vernietigde het honderdtal ontkennende gemotiveerde briefjes die hij onwettig vond, en na deze zonderlinge berekening kondigde hij af dat de Grondwet aangenomen was (24enAugustus 1815).

De Grondwet verzekerde de vrijheid van persoon, van eigendom en van geweten, en ook, doch slechts in zekere mate, die van drukpers; want een streng besluit, den 20enApril 1815 tijdens Napoleon's inval uitgevaardigd, waarbij zekere persmisdrijven, als het verspreiden van valsche geruchten en dergelijke, met brandmerk, zes jaar gevangenisstraf en duizend frank boete gestraft werden, werd niet ingetrokken.

De koninklijke macht was beperkt door eene volksvertegenwoordiging, maar de vorst benoemde de leden van de Eerste Kamer, en in de Tweede Kamer bezaten de afgevaardigden noch het recht van wijziging noch dat van initiatief. Verder bestond er geene ministerieele verantwoordelijkheid; de ministers waren de dienaren van den vorst, niet van de natie.

De begrooting moest door de Staten-Generaal goedgekeurd worden; doch was verdeeld in een buitengewoon budget datalléen jaarlijks onderzocht werd, en in een gewoon budget waarover slechts alle tien jaren moest gestemd worden, zoodat een toezicht over de financiën schier onmogelijk was.

In het rechtswezen had een eenvoudig besluit van November 1814 reeds de jury, die de koning eene instelling der barbaarsche tijden noemde, afgeschaft; en de onafzetbaarheid der rechters was slechts voor lateren tijd beloofd.

Een additioneel artikel bepaalde dat alle gevestigde overheden in hun ambt bleven en alle in zwang zijnde wetten hun kracht behielden, totdat daarin op andere wijze zou worden voorzien. Dit liet, onder 't deksel van wettelijkheid, de deur open voor allerlei willekeur, daar het opstellen van sommige noodwendige wetten op de lange baan werd geschoven.

Men ziet daardoor dat de Vorst zich een aanzienlijk overwicht in de regeering voorbehouden had. Het koninkrijk der Nederlanden was constitutioneel alleen in naam, 't was eene monarchie door eene Grondwet gematigd.

En nochtans was die Grondwet, vergeleken bij hetgeen toen ter tijde op Europa's vasteland gebeurde, zoo vrijzinnig, dat zij in den grond algemeen goed onthaald werd. Zelfs de katholieke De Gerlache keurde ze goed; maar wat de Belgen ergerde, waren de voorwaarden betrekkelijk de gelijkheid van 't getal volksvertegenwoordigers, en hetgeen in 't bijzonder de katholieken niet konden aannemen was de gewetensvrijheid. Wat juist bijdroeg tot de scheiding tusschen Noord en Zuid, alhoewel de Mogendheden aan Willem de volkomen samensmelting van de twee landen opgedragen hadden, was de gelijktallige volksvertegenwoordiging en het aanstellen van twee hoofdsteden, Brussel en den Haag, waar afwisselend de Staten zouden zetelen, alsof de keus van Antwerpen zich niet had moeten opdringen.

Nauwelijks had Willem, den 21enSeptember 1815, te Brussel zijn eed afgelegd en zijn plechtige inhuldiging gevierd, of een hardnekkig verzet werd door de Belgische bisschoppen tegen art. 190 en 191 van de Grondwet begonnen.

De inrichting van de katholieke kerk in België was sedert jaren door Napoleon's Concordaat geregeld. Tijdens het Voorloopig Bestuur had men besloten dat de kerkelijke zaken in de handen der geestelijken zouden blijven. Den 26enMei 1814 was de vurige Maurits de Broglie, een zoon van den Franschen maarschalk van dien naam, naar zijn bisdom Gent teruggekeerd, gestaald door den langen weerstand dien hij den machtigen Keizer had geboden. Die vreemdeling, teleurgesteld omdat België aan de heerschappij van de Bourbons, die krachtdadige beschermers van de geestelijkheid, ontsnapte, en in beginsel een protestantschen vorst vijandig, onderhield gedurende zes jaren een zeer gevaarlijke gisting onder de Belgische onverdraagzame en dweepzieke katholieken. Reeds den 8enOctober 1814 deed hij door zijnen vicaris-generaal, den Franschman Lesurre, een memorie opstellen, gericht tot de afgevaardigden op het Congres van Weenen. Daarin vroeg hij: de teruggave aan de geestelijkheid en aan de kloosters van al hunne oude voorrechten, de herstelling van de tienden en van de kerkelijke rechtbanken, de toekenning van het bestuur van het onderwijs aan de prelaten, het verbod van oprichting van protestantsche tempels; maar hij liet nochtans toe, dat de vorst binnen zijn paleis de protestantsche godsdienstoefeningen mocht houden. De leden van het Weener Congres lieten dit stuk natuurlijk zonder antwoord.

Wij hebben gezien hoe heftig Maurits de Broglie het volgende jaar het ontwerp van de Grondwet bestreed. Door talrijke edellieden en door de reactionnaire partij in 't algemeen ondersteund, voerde de geestelijkheid een hevigen strijd tegen de Grondwet, ter wille van de artikelen over de gewetensvrijheid. De ultra-katholieke partij zag niet in, dat een terugkeer tot den ouden staat van zaken onmogelijk was; zij hield geen rekening met den ommekeer in de denkbeelden teweeggebracht. Door gansch West-Europa eischte de openbare meening de onbeperkte vrijheid van denken; in België zelf bestond er een aanzienlijke liberale groep, radicalen, oud-Vonckisten of Voltairianen, die niet alleen de godsdiensten onverschillig, maar ook vijandig waren, benevensgematigden of doctrinairen die den voorrang van de burgerlijke macht op de geestelijke luide verkondigden. En het was juist dit kenmerk van den Nieuwen Tijd, die zucht naar ontvoogding van den menschelijken geest, die de klerikale partij zoo hevig bekampte.

Ook toen de bisschoppen in hunneHerderlijke onderrichtingen, oorzaak van het verwerpen van de Grondwet door de Belgische katholieken, verklaarden dat zij «dit verderfelijk grondbeginsel, gansch tegenstrijdig met het katholiek geloof, dat alle godsdiensten even goed zijn» niet konden aannemen, voer de Koning in zijne bekrachtigingsverordening van de Grondwet uit «tegen deze lieden die de maatschappij tot voorbeeld van verdraagzaamheid en van evangelische liefde zouden moeten strekken». In zijn verzet tegen de aanmatiging der Belgische geestelijkheid, wist hij overigens dat hij volkomen in den geest zijner Hollandsche onderdanen handelde.

Toen de Grondwet toch aangenomen werd, kondigden de bisschoppen eenLeerstellige Uitspraak(Jugement doctrinal) af, waarin ze zeiden dat de Katholieke Kerk het volk verplichtte zich te verzetten tegen de Grondwet. Zij verboden aan al de geloovigen, wilden zij zich niet schuldig maken aan het ergste verraad tegenover de heiligste belangen van den godsdienst, de verschillende eeden af te leggen, die de Grondwet voorschrijft; verder teekende bisschop De Broglie, die de voornaamste opsteller van het mandement was, protest aan tegen art. 196, waardoor aan den Koning was opgedragen om te zorgen dat de verschillende eerediensten zich onderwierpen aan de wetten van het land. Dientengevolge noodigde de bisschop van Gent zijne geestelijkheid uit, om de absolutie te weigeren aan de notabelen, afgevaardigden en burgemeesters die den eed aan de Grondwet zouden zweren (14enMei 1816). Dadelijk weigerden talrijke openbare ambtenaren hun ambt te bekleeden, en de leiders van de katholieke partij, de fanatieke Robiano de Borsbeek, de graaf de Mérode en de hertog van Beaufort wilden hunnen zetel, ondanks 's Konings misnoegen, in de Eerste Kamer van de Staten-Generaal niet aanvaarden.

De weigering van absolutie had, vooral in Vlaanderen, eene geweldige gisting in de gemoederen verwekt. DeLeerstellige Uitspraakoefende nochtans den invloed niet uit, dien De Brogue verhoopt had, want Paus Pius VII en de legaat Consalvi, alhoewel geenszins den weerstand van de bisschoppen lakende, toonden zich niet geneigd om de betrekkingen met de Nederlandsche regeering te bederven. De laatste prins-bisschop van Luik, prins de Méan, was door Willem tot aartsbisschop van Mechelen aangeduid; maar uit Rome verwachtte men nog zijn aanstelling tot dit ambt. Als lid der Eerste Kamer had reeds deze grijsaard den grondwettelijken eed afgelegd, doch onder voorbehoud van de pauselijke goedkeuring. De vernuftige Reinhold, gezant van Nederland bij het Vatikaan, gelukte er in het geschil tot eene minnelijke schikking te brengen: De Méan stelde eene openbare verklaring op, waarin hij bekende dat zijn eed hem tot niets verplichtte dat in strijd was met de leer der Kerk, en dat hij de grondwettelijke bescherming, zonder onderscheid aan alle eerediensten toegezegd, slechts uit een burgerlijk oogpunt opvatte (18enMei 1817). Daarop werd De Méan door den Paus aangesteld, en hield weldra als aartsbisschop zijne plechtige intrede te Mechelen. De verklaring van den primaat stilde de gemoederen; vele geestelijken en leeken, die tot dan toe den eed hadden geweigerd, legden hem in denzelfden zin af.

In Vlaanderen nochtans bleef de toestand gespannen: de absolutie werd voortdurend aan de partijgangers van de regeering geweigerd; de geestelijkheid ruide de dweepzieke bevolking door allerlei vlugschriften op. De regeering besloot het gerecht te doen optreden.

Priester De Foere uit Brugge, beticht ophitsende artikels in zijn Fransch tijdschrift te hebben geschreven, werd, krachtens het besluit van 20enApril 1815, tot twee jaar gevangenis veroordeeld (21enMaart 1817).

Die onpolitieke daad werd vijf dagen later door een bevel van aanhouding gevolgd, door den procureur-generaal tegen bisschop De Broglie uitgevaardigd. De bisschop vluchtte naar Frankrijk; zijn proces werd bij gebrek aan een HoogerGerechtshof door een Voorloopig Hof beoordeeld. Hij werd bij verstek tot de deportatie verwezen om zich tegen de aflegging van den eed verzet te hebben en zonder oorlof in briefwisseling met den Paus getreden te zijn (8enNovember 1817). Om zich over zijne ontvluchting te wreken, liet de regeering zijn vonnis te Gent, op eenen marktdag, tusschen twee tentoongestelde misdadigers aan de kaak aanplakken. Dit was de aanhangers van den bisschop nutteloos uitdagen; daarmee vernielde men den goeden indruk door het rechtmatige vonnis tegen hem teweeggebracht, en de verbannen prelaat won veler genegenheid. Dit bleek klaar, toen de regeering de met De Broglie in briefwisseling staande vicarissen-generaal van Gent wederrechtelijk voor het tribunaal daagde: zij zag ze vrijspreken en het gepeupel het vonnis met luid gejubel begroeten.

De dood van den strijdlustigen prelaat (20enJuli 1821) bracht dadelijk eene verzoening met de geestelijkheid teweeg. Na zes jaren strijd legden de vicarissen-generaal van Gent den voorwaardelijken eed af, en een menigte priesters volgden dit voorbeeld.

Het scheen dus dat de Koning en de katholieke geestelijkheid voortaan in vrede gingen leven; maar in Vlaanderen zetten de priesters in 't geniep hunne kuiperijen tegen de regeering voort en verspreidden ondanks de waakzaamheid der overheden ontelbare libellen onder het volk; de onhandige besluiten van 1825 zouden den strijd hardnekkiger dan ooit aanvuren.

Gedurende dien wapenstilstand tusschen Kerk en Staat, waren er, door de onbehendigheid van de regeering, andere oorzaken van misnoegdheid ontstaan. Gansch België door morde men, omdat de Zuid-Nederlanders benadeeld werden in het verleenen van de openbare ambten. Men had opgemerkt dat er in 1815 onder de ministers slechts een Belg, de hertog van Ursel, aan het departement van den Waterstaat aangesteld, was; wanneer hij dit ambt in 1819 neerlegde, werden al de Belgische ingenieurs, door hem benoemd, vervangen door Hollanders. Al de hoogere ambten in het diplomatisch korps, in het leger, eigenden deze laatsten zich toe; ook in alle burgerlijke betrekkingen genoten zij de voorkeur. Men wees er op, hoe de voornaamste instellingen van de regeering en van het bestuur in het Noorden gevestigd waren; het was kenmerkend hoe, alle twee jaren, bij de verplaatsing van de Staten-Generaal naar Brussel (art. 98 van de Grondwet), het Hof, de Staatsraad en de ministers wel tijdelijk verhuisden, maar de bureaux in den Haag bleven en de overgekomen beambten reis- en verblijfkosten ontvingen, als waren zij in den vreemde. Voor het overige gedroegen zich de Hollandsche ambtenaren, namelijk in het verachterde Vlaamsch-België, waarop zij met minachting neerzagen, met eene trotsche stijfheid, die hun de sympathie van de bevolking ontnam en hevige verbittering tegen de «Kaaskoppen» deed ontstaan.

Intusschen vleide zich de Koning met het denkbeeld dat hij de gunst en de dankbaarheid der zuidelijke bevolking zou winnen, met zich in te spannen voor hunne œconomische belangen. Hij gebruikte de Hollandsche koopvaardijvloot om de talrijke producten der Belgische nijverheid naar den vreemde en vooral naar de Nederlandsche koloniën uit te voeren. Daarom moesten havens ingericht worden. De Scheldekaai en de Stapelplaats in Antwerpen werden voltooid; het getal binnengeloopen schepen steeg tusschen 1818 en 1829 van 585 tot 1028; ook te Oostende kwamen jaarlijks meer dan 500 vaartuigen binnen. De eerste stoombooten verschenen op de Schelde reeds in 1824. Van Gent naar Terneuzen werd eene breede vaart (1825-1827) gegraven, die aan de eerste stad eene prachtige haven schonk sedert het aanleggen van de dokken. Het kanaal van Pommerœul naar Antoing liet de koolschepen toe van de Hene naar de Schelde te varen, zonder op Franschen bodem te gaan, het Zuid-Willemskanaal (1822) bracht Maastricht met 's Hertogenbosch in verbinding, en de vaart van Charleroi naar Brussel zou weldra Rupel en Samber verbinden. Overal werden steenwegen door het land getrokken om het vervoer te vergemakkelijken, en dusdoende handel en nijverheid te bevoordeeligen.

In 't algemeen mag men zeggen dat de Koning, wat de stoffelijke belangen betreft, België meer begunstigde dan Holland. Om Engelands mededinging op Insulinde te kunnen weerstaan, gaf het handelshuis gebroeders De Smet te Gent aan de regeering den raad om de invoerrechten op de Engelsche manufacturen in Java te verhoogen, en terzelfdertijd onze nationale scheepvaart en handel krachtig te steunen. Einde Maart 1824 kwam deAlgemeene Handelsmaatschappijtot stand, met een fonds van 37 millioen, waarvan 4 door den Vorst zelf ingeteekend. Zij stelde zich tot doel den uitvoer te vergemakkelijken door uitsluitend nationale schepen te gebruiken, en zoo ziet men den handel, die in 1824 de som van 215 millioen gulden bedroeg, in drie jaren tijds tot 350 stijgen.

Deze Handelsvereeniging was de noodzakelijke aanvulling derAlgemeene Maatschappij tot begunstiging der nationale nijverheid(28enAug. 1822), die mijnen en fabrieken tot den heerlijksten bloei ontwikkelde. Dit machtig genootschap, gesticht met een kapitaal van 50 millioen, schoot aan de nijveraars aanzienlijke gelden voor. De belangstelling van Koning Willem in John Cockerill's onderneming te Seraing is voldoende bekend. Gent, dat 16,000 spinners en wevers telde, leverde bijna alleen de veertig duizend stuks katoen die Java jaarlijks gebruikte; van 1823 tot 1825 klom het getal textielfabrieken met elf, en in 1830 telde de stad niet minder dan 62 weefgestichten; de Phoenix, eene belangrijke mekaniekfabriek aldaar, werd insgelijks door den Koning gesteund.

Brussel behield het monopolium van weelde- en modeartikels, zooals borduurwerk en lint. Te Verviers en te Dison nam de lakenweverij een nieuwen bloei; de tapijtweverij en het porseleinwerk kwamen weer op te Doornik. Met behulp der regeering verrezen hoogovens met coke te Couvin en te Seraing, en bijzonderen bouwden er te Couillet. Men ontgon de koolmijnen in de Borinage en in het Luikerland met koortsachtigen ijver, en in 1825 bracht de glasblazerij van Val-St-Lambert bij Luik hare eerste kristallen op de markt. Daarbij verspreidde zich snel het gebruik der stoommachinesmet hooge drukking; Gent bezat er slechts drie in 1819, en tien jaren later reeds 50. Eerst voerden de bijzonderen, kort daarop de stedelijke besturen (1827), de gasverlichting in. Nieuwe nijverheden, als het kaarsgieten en het maken van kunstbronzen, rijzen op, dank zij de milde bescherming van de regeering.

Men mag dan ook zeggen dat het Nijverheidsfonds, dat is het millioen gulden dat de Staten-Generaal jaarlijks ter beschikking van den Koning stelden om de nijverheid te begunstigen, meer bij Belgische dan bij Hollandsche fabrikanten terecht kwam. Dank zij den aanhoudenden uitvoer naar Insulinde was het loon der arbeidende klassen tamelijk hoog, en werk was er bijna altijd verzekerd; bij verplichte staking zag men dikwerf den Koning met aanzienlijke sommen ter hulp der werkloozen komen.

Willem zorgde ook voor den Belgischen landbouw en veeteelt; maar hier stuitte hij op den ouden slenter en op de onwetendheid van de Vlaamsche boeren; echter door de belasting op de vreemde granen konden de inlandsche hunne waarde behouden. Want Willem had de koopwaren, waarvan men er genoeg bezat om ze te kunnen uitvoeren, door middel van zeer hooge invoerrechten beschermd, niettegenstaande den tegenstand van de Hollanders, partijgangers van den vrijhandel. De weefstoffen, de ijzerwaren, de stoomwerktuigen, de steenkolen uit België konden alzoo tegen de vreemde voortbrengselen concurreeren.

De tentoonstellingen der nationale nijverheid te Gent (1820), te Haarlem (1825) en te Brussel (1830) gaven klinkende bewijzen van den nationalen voorspoed. En de cijfers der bevolking, die op den tijd van 13 jaar (1816-1829) van 615 tot 733 duizend in Oost-Vlaanderen en van 519 tot 601 duizend in West-Vlaanderen geklommen was, getuigen genoeg van den stoffelijken vooruitgang.


Back to IndexNext