B. SchreùderB. Schreùder
Willem wilde tegelijk op intellectueel gebied bewerken, wat hij op œconomisch terrein volbracht had. Wat den Vorst in Vlaamsch-België vooral getroffen had, was de diepe onwetendheid, een gevolg van den rampzaligen achterlijken toestand van het onderwijs. Daar de lagere volksscholen zeerverwaarloosd waren, besloot de Koning in 1815 in België de Hollandsche schoolwet van 1806 toe te passen, waarbij het lager onderwijs, onzijdig en kosteloos, door gediplomeerde onderwijzers gegeven, onder het toezicht van den Staat verstrekt werd. Te Lier werd eene kweekschool voor onderwijzers opgericht, onder het bestuur van den knappen Schreùder, een katholiek onderwijzer uit Holland, die zich schitterend van zijne taak kweet. Weldra was er geen enkel dorp zonder lagere school; in vijftien jaar tijds liet Willem's regeering meer dan 1100 schoolgebouwen en 650 woningen voor onderwijzers oprichten, en de vier duizend Staatsscholen telden op het einde meer dan drie honderd duizend leerlingen. Volgens een ministerieel verslag van 1826 zoudener, op eene bevolking van zes millioen zielen, nog slechts 240,000 personen aan te treffen zijn, die noch lezen noch schrijven konden. Ruim voorzagen gemeenten, provinciën en Staat in het onderwijs en de toelage aan jaarwedden steeg van 158,000 fr. tot 448,000 fr.
Tegelijk was de beurt aan het middelbaar onderwijs. Door het reglement van 25enSeptember 1816 werden, bij de twee nog bestaande keizerlijke lycea te Brussel en Luik, de athenea van Brugge, Gent, Doornik, Antwerpen, Luksemburg, Namen en Maastricht gevoegd. De ingedommelde stedelijke colleges werden heropgebeurd. Van 1818 tot 1825 klom het getal leerlingen van de Latijnsche scholen met een derde, en de colleges en athenea telden in laatstgenoemd jaar 5,500 studenten.
Hetzelfde hooger genoemd besluit van 1816 richtte in het Zuiden drie hoogescholen op, evenveel als in het Noorden; namelijk te Leuven, te Luik en te Gent; het getal studenten klom voor de drie, van 892 in 1820 tot 1557 in 1828. Naast talrijke Belgen waren aan de hoogescholen als professoren aangesteld jeugdige Hollandsche geleerden, zooals Kinker, Thorbecke, Holtius en Ackersdijk, of Duitschers als Warnkœnig, Haus en Biernbaum.
Die prachtige inrichting van het onderwijs was grootendeels het werk van den knappen minister Falck. Voegt men daarbij de lofwaardige pogingen van het bijzonder initiatief, vertegenwoordigd door de machtige vereenigingTot Nut van 't Algemeen, die zich uit Noord-Nederland naar Vlaamsch-België uitbreidde, en in het belang van het volksonderwijs openbare bibliotheken en scholen voor volwassenen stichtte, dan rijst voor ons oog een prachtig tafereel van de verstandelijke wedergeboorte van onze Vlaamsche gewesten.
Om het gebouw te bekronen werd de Brusselsche Academie voor wetenschappen en fraaie letteren, door keizerin Maria Theresia gesticht, maar door de Fransche Republiek afgeschaft, door Willem I opnieuw in 't leven geroepen (18enNovember 1816) en 't Instituut der Nederlanden schitterde weldra onder de geleerde genootschappen van Europa. Hier en daar werden zelfs muziekscholen opgericht; en zoo ookwas 't aan Willem te danken, door de stichting der schilderscholen te Antwerpen en te Amsterdam, dat onze Vlaamsche schilderschool omstreeks 1830 met Wappers en anderen mocht herleven. Onnoodig te zeggen hoe dusdoende Willem zich de gunst der liberalen verwierf.
J. R. ThorbeckeJ. R. Thorbecke
Te Gent werd deMaatschappij voor Nederlandsche Letterkunde(1821) gesticht, en te Brussel hetMuseum voor Natuurwetenschap en Geesteswetenschappen. Scholen voor handwerkkunst, gestichten voor doofstommen, benevens talrijke inrichtingen van weldadigheid, volledigden het stelsel. De bedelarij, een der plagen van 't land vóor de vereeniging met Holland, werd, door toedoen van deMaatschappij van Weldadigheid, door 's Konings initiatief in 1821 gesticht, derwijze ingekrompen dat men weldra in het koninkrijk der Nederlanden niet meer dan 46,000 noodlijdenden telde, met de gevangenen, krankzinnigen en vondelingen inbegrepen.
Dit heerlijk gebouw voor geestesontwikkeling werd geenszins geëvenaard door dit der wetgeving. Anti-franschgezind en anti-revolutionnair, wilde Willem de laatste sporen der Fransche overheersching alhier doen verdwijnen. Alhoewel Napoleon's wetboek in 't Zuiden bepaald ingeplant was, beschouwde hij het, met de Hollandsche rechtsgeleerden, als slecht en gevaarlijk. Nochtans bleef het volgens art. 2 der Grondwet, in gebruik tot verdere schikking. Doch de besluiten van het Verbrekingshof te Parijs hielden op rechtsgezag te hebben in Nederland. Overigens, volkomen ingenomen met de Hollandsche landswetten, toonde hij weldra zijn neiging om tot dezelve terug te keeren. Den 21enAugustus 1814 herstelde een besluit de stokslagen in 't leger; wij hebben gezien hoe den 6enNovember de jury afgeschaft was geworden alsook de openbaarheid van het rechterlijk onderzoek. Het ontwerp door 't ministerie in 1820 ingediend, tot verandering van het Burgerlijk Wetboek, leed schipbreuk voor de krachtdadige verdediging der Fransche wetgeving door de twee Belgische afgevaardigden Dotrenge en Reyphins; men vergenoegde zich dus met de volgorde der artikels van hetCode Napoléonte veranderen en er een onbeholpen Nederlandsche vertaling van te geven. Wij zullen verder zien hoe deerlijk insgelijks het ontwerp van een Strafwetboek, met echt middeleeuwsche bepalingen doorspekt, in 1827 moest ingetrokken worden.
Hooger heeft men gelezen, dat ofschoon art. 227 der Grondwet de vrijheid van drukpers uitriep, het draconisch reglement van 20enApril 1815 de persmisdrijven, in zeer vage bewoordingen aangeduid, op zeer strenge wijze strafte: een buitengewoon bijzonder Hof was gelast de betichte dagbladschrijvers te vonnissen. Onder de drukking der Groote Mogendheden werd den 28enSeptember 1816 deWet der 500 guldengestemd: zij bedreigde met een boete van dit bedrag, en bij hervalling met een gevangenzetting van ééntot drie jaar, al degenen die vreemde vorsten aanvielen of gispten. Op deze wijze kon men voortaan alles als persmisdrijf bestempelen.
Priester De Foere had, gedurende De Broglie's moeilijkheden, zijn vranke schrijven met twee jaar gevangenis moeten bekoopen. Wel is waar werd door eene wet in 1818 de bijzondere vorm van procedure van het besluit van 1815 afgeschaft; de drukpersovertredingen zouden in het vervolg voor de gewone en niet meer voor buitengewone rechtbanken gebracht worden, maar de strenge straffen werden behouden.
In 1819 deed de regeering den schrijver Van der Straeten een geruchtmakend proces aan, daar hij haar in zijn vlugschrift:De l'État actuel du Royaume des Pays-Bas, gelaakt had; doch eene openbare inschrijving kwam de boete van 3000 gulden dekken waartoe hij veroordeeld werd. Vier jaar later werd die publicist opnieuw vervolgd en in de gevangenis opgesloten voor zijne snedige artikels in zijn bladL'ami du roi et de la patrie; ziek gevallen, stierf hij drie dagen na het vonnis, en dit nieuws verwekte het land door eene hevige ontroering. Onophoudend werden de dagbladen der oppositie vervolgd; en alhoewel zekere dezer vonnissen gewettigd waren, als de veroordeelingen van Ph. Lesbroussart en pastoor Zinzerling, had de handelwijze der regeering, die rondom sommige zaken te veel gerucht maakte, of aan andere, onbeduidende gevallen te veel gewicht en belang bijzette, tot gevolg dat de veroordeelden in de oogen des volks met de martelaarskroon omstraald glinsterden.
Willem's pogingen om eene «nationale» taal in te voeren verwekten ook hevigen tegenstand. Gewis spraken ongeveer vier millioen en half van zijn onderdanen op zes Hollandsch of Vlaamsch; maar in de Zuidelijke Nederlanden was van lieverlede het Fransch de gewone taal der zaken en der openbare instellingen geworden; de hoogere klassen, zelfs in Vlaanderen, gebruikten deze bijna uitsluitend; zij was ook de taal der ontwikkelden: advocaten, notarissen, geneesheeren, die in deze spraak hunne studiën haddengedaan. Overigens, gedurende het twintigjarig Fransch regime was alleen het gebruik van 't Fransch wettelijk geweest. In Vlaanderen zelf vond in 't algemeen het gebruik der beschaafde Nederlandsche taal weinig bijval; men hield van het gebruik der Vlaamsche dialecten; men legde, en zoo deed nog deGentsche Almanakvan 1823, den nadruk op het verschil tusschen Hollandsch en Vlaamsch. De geestelijkheid bijzonderlijk beweerde dat het Hollandsch, zelfs door geleerde en onberispelijke personen geschreven, altijd de kiemen der ketterij in zich droeg..
Willem begon met in October 1814 een decreet uit te vaardigen waardoor het gebruik der talen vrij verklaard werd, als tijdens het Oostenrijksch bestuur. Niettegenstaande de vermaningen van Hogendorp, die den koning tot voorzichtigheid aanspoorde, besliste eene koninklijke verordening van 15enSeptember 1819, dat van af 1enJanuari 1823 de «nationale taal» — die voorzeker die niet was van de Waalsche gewesten — in de provinciën Limburg, Oost- en West-Vlaanderen en Antwerpen de eenige taal van het ambtelijk verkeer zou wezen; bij arrest van 26enOctober 1822 werd deze bepaling uitgebreid tot de steden en gemeenten van de arrondissementen Brussel en Leuven; de ambtenaars die na den vastgestelden termijn de Nederlandsche taal niet machtig zouden zijn, zouden naar het Fransch gedeelte verplaatst worden.
Daargelaten nog de woede der in de Vlaamsche gewesten gevestigde Walen wien men aldus eene onbekende taal opdrong, verhief zich bij de afkondiging dier besluiten een storm van protesten, voornamelijk van wege de Vlaamschonkundige advocaten, de Waalsche studenten der Hoogescholen of al degenen die zich tot de openbare ambten voorbereidden zonder het Vlaamsch te willen kennen. Talrijke zonen van begoede Belgische familiën zagen zich aldus een loopbaan sluiten die zij reeds betreden hadden of gingen betreden.
Het taalverschil veroorzaakte menige wrijving in het Parlement evenals in het leger. Terwijl de Zuidnederlandsche afgevaardigden, waaronder Vlamingen, die slechts eendialect en niet de beschaafde omgangstaal kenden, zich bijna uitsluitend van het Fransch bedienden, begonnen vele Hollandsche vertegenwoordigers met opzet het Nederlandsch te gebruiken bij alle besprekingen, morrende wanneer de vertaling door de Vlaamsch-onkundigen geëischt werd. Ook zag men Hollandsche soldaten met hunne makkers van het Zuiden handgemeen worden; de Hollandsche sergeanten kwelden de Vlaamsche recruten, en gaven soms aan de Waalsche arrest wegens hunne onkunde van het Vlaamsch.
Die wassende afkeer tusschen Noord en Zuid had, nog vóór 1820, bij klaarziende toeschouwers de onmogelijkheid van de versmelting van de beide volken doen inzien, en hen doen besluiten dat de redding in eene federatie lag, waarin Belg en Hollander hunne zelfstandigheid zouden bewaren.
De toestand werd nog door noodlottige toevallen verergerd. Het verschil tusschen de stoffelijke belangen van Holland en België, door den financieelen toestand van de twee landen nog grooter gemaakt, zou weldra aanleiding geven tot het eerste openbare geschil tusschen beide volken.
Volgens latere berekeningen, bezaten de Zuidelijke Nederlanden, in 1814, eene schuld van omstreeks 100 millioen gulden. De Hollandsche Staatsschuld, integendeel, was zoo groot dat Napoleon, toen hij Holland in 1810 bij zijn Keizerrijk binnenpalmde, door een soort van bankroet, geweigerd had de twee derden er van te erkennen. Willem wilde die oneerlijkheid niet bekrachtigen, en om de schuldeischers van den Staat te voldoen, nam hij zijn toevlucht tot een voor de Staatskas zeer nadeelig stelsel: de oude schuld werd verdeeld in werkelijke schuld voor een derde, en uitgestelde schuld, zijnde deze de door Napoleon afgeschafte twee derden. Mits eene storting van 100 gulden per titel van 45 gulden rente, erkende men aan drager, vooreerst 2000 gulden kapitaal in werkelijke schuld die eene jaarlijksche rente van 50 gulden opbrachten, en daarbij 4000 gulden in uitgestelde schuld, die door jaarlijksche trekking tot de loopende schuld overgingen. Door dit erbarmelijk stelselbevond zich Holland in 1815 voor eene werkelijke schuld van 573 millioen en eene verdaagde van 1 milliard. Nu, volgens 't Verdrag der acht artikelen en de Grondwet van 1815 moest België natuurlijk de helft dezer schuld dragen.
Een amortisatiefonds werd in 1816 in 't leven geroepen; men kon voorzeker de begrooting der Staatsuitgaven merkelijk verminderen, maar de schuld vermeerderde van jaar tot jaar; in 1820 was de werkelijke schuld reeds met 50 millioen gulden vermeerderd en tien jaar later betaalde de Staat jaarlijks nog 10 millioen gulden meer aan zijne schuldeischers. Nu, 't was de Koning zelf die zich door de Grondwet het opperbestuur van 't Geldwezen had doen toevertrouwen; elk toezicht over de financiën was verder onmogelijk ter oorzake van de tienjarige begrooting. Dit toezicht werd nog verminderd toen de vorst hetamortisatie-syndikaatschiep, een vereeniging van kapitalisten belast met het onderhoud van wegen, bruggen, vaarten en mijnen en de ontvangst hunner rechten; dat geheim beheer werd zeer erg besproken.
Om het deficiet te dempen moest de Regeering voortdurend naar nieuwe geldmiddelen uitzien, en schiep tolrechten en belastingen. Overweegt men nu den aard der beide landstreken, het Zuiden agrarisch en industrieel, het Noorden handeldrijvend, zoo ziet men dat hunne belangen regelrecht tegen malkaar in strijd waren. Den vrijhandel in België uitroepen was landbouw en nijverheid dooden; beschermende rechten in Holland opleggen was handel en scheepvaart stremmen. Er bestond aldus een noodzakelijke mercantiele naijver. In dien nood begon Willem met de invoerrechten op vreemde koopwaren en gemaakt werk, die aan de Belgische nijverheid zulke hooge vlucht gaven, uit te schrijven (25 tot 30%); in 1819 deed hij zelfs, trots den tegenstand der Hollandsche groote kooplieden, eene belasting op suiker en koffie stemmen. Maar gehoor gevende aan de klachten die hem van wege de handelsaristocratie uit 't Noorden gewerden, veranderde in 1821 de Koning plots van zienswijze.
Tot dan toe hadden de Belgische afgevaardigden in de Staten-Generaal eene tamelijk lijdzame rol gespeeld; zijhadden geen ander verlangen dan den nieuwen Staat te versterken, en de tegenstand van de meesten was altijd kalm en hoffelijk geweest. Doch bij het zicht van de nieuwe handelspolitiek en het nieuwe belastingstelsel der Regeering, greep er een plotselinge ommekeer in hunne houding plaats, zoodat de donkere voorspellingen over de ontbinding der Nederlanden, van een pessimist als den Oostenrijkschen afgezant Binder, zich weldra dreigden te verwezenlijken.
Het aan de Staten-Generaal voorgelegde wetsontwerp deed de inkomrechten op de vreemde producten, die rechtstreeks met de nationale mededongen, tot 3 of 6% dalen; voor de Belgische fabrikanten was dit zooveel als de afschaffing der invoertarieven. Wel is waar besteedde men tegelijk een jaarfonds van 1,300,000 gulden tot ondersteuning van zekere takken der inlandsche nijverheid; maar dit kon geenszins opwegen tegen het nadeel door de vermindering der tolrechten berokkend. Daarbij stelde de Regeering een wetsontwerp met nog twee nieuwe belastingen voor, op hetGemaalen hetGeslacht, dat wil zeggen: eene belasting op brood en vleesch, waarvan de eerste op de Zuidelijke Nederlanden des te drukkender woog, daar boeren en werklieden er zich schier uitsluitend met brood voedden, terwijl in 't Noorden de aardappelteelt algemeen geworden was.
De bespreking dier wet gaf aanleiding tot een levendig verzet van wege de Belgische afgevaardigden; voor de eerste maal sloten zij zich eendrachtig aaneen: de blokpolitiek vangt aan. Dotrenge en Reyphins, die nochtans zeer Oranjegezind waren, vielen de principes van den vrijhandel heftig aan en toonden het nadeel door de twee belastingen aan het kleine volk berokkend; zij aarzelden niet te wijzen op het politieke gevaar dat de wet voor 't bestaan zelf van 't koninkrijk opleverde, door de tegenstelling der twee bevolkingen nog te verscherpen. Lecocq en Dotrenge noemden de wet een broedermoord; de eenige Belgische afgevaardigde die de wet durfde verdedigen werd door 't publiek uitgefloten. Doch de wet werd aangenomen met 55 stemmen tegen 51; de meerderheid was die van al de afgevaardigden van 't Noorden, de minderheidbestond, op drie uitzonderingen na, uit al de Belgische volksvertegenwoordigers. Even scherp bleek de tegenstelling der vertegenwoordigers van de beide deelen des koninkrijks in de Eerste Kamer enkele dagen later; van de 21 ja-stemmers behoorden er 18 tot het Noorden, van de 17 neen-zeggers waren er 15 uit het Zuiden (4enJuli 1821). Zoo erg was de Koning verbitterd dat hij zeven zijner zuidelijke Kamerheeren, die eene afkeurende stemming uitgebracht hadden, enkele dagen nadien afzette.
Bijzondere besluiten brachten het volgende jaar het nieuwe stelsel in werking. Doch dadelijk werd de persoon van den Koning zoo scherp beschimpt door spotprenten en pamfletten, dat deze de aanhechting van België bijna betreurde. Klachten verhieven zich overigens ten allen kante, niettegenstaande enkele latere wijzigingen aan de toltarieven; onophoudend werden de zwaardrukkende belastingen op gemaal en geslacht (8 Januari 1823) aangevallen, en zij zullen in 't vervolg een der hoofdthema's zijn van de oppositie.
't Is rondom dit tijdstip dat de autoritaire inzichten van den Vorst zoo klaar uitschijnen; zijne rechtstreeksche tusschenkomst in 's lands zaken doet zich sterk gevoelen. De bekwame ministers die hem bij den aanvang zoo knap ter zijde gestaan hadden, had hij éen voor éen uit den weg geruimd; hij moest plooibaarder mannen hebben, die eenvoudig de uitvoerders zijner bevelen en geene raadgevers der kroon wezen zouden; zijne laatste ministers hebben geen beduidenden invloed gehad op den gang van het bestuur, met uitzondering misschien van Van Maanen; daarom valt ook op den Vorst alleen de verantwoordelijkheid der onbehendige en onpolitieke maatregelen der laatste jaren zijner regeering.
De man, dien Willem tot zijn vertrouweling verkozen had, Van Maanen, had beurtelings de Fransche Republiek en Bonaparte gediend; bedrijvig en buigzaam, bezat hij ook de koppigheid van zijn meester, die hem alléen eenig initiatief liet in zijn ministerie van rechtswezen; hij was de Belgen weinig genegen, en hij was het, die op ongelukkige wijze de bewoordingen van 't Verdrag van Parijs herinnerende, België een uitbreiding van Hollands grondgebied noemde en Hollands oppermacht uitriep. 's Konings werktuigen waren de andere ministers, en voornamelijk die Staatssecretaris Van Streefkerk, dien men vergeleek bij eene klok, stom of luidend naar geliefte des Vorsten.
C. F. van MaanenC. F. van Maanen
Willem's gedrag wijkt niet veel af van dit der verlichte despoten der 18eeeuw en in meer dan een opzicht biedt hij eene treffende overeenkomst met Keizer Jozef II aan. Zijn strijd om het onderwijs onafhankelijk te maken van de katholieke geestelijkheid bewijst dit volkomen.
Volgens art. 226 der Grondwet was het openbaar onderwijs het voorwerp der voortdurende zorgen der Regeering.Reeds vroeger had De Broglie en de geestelijkheid die schikking fel bekampt, aan een protestantsche regeering het recht betwistende om zich met het onderwijs in het katholieke België in te laten en dit recht uitsluitend voor zichzelf eischende. Bij de stichting der drie universiteiten en der athenea hadden de priesters hunnen haat niet verborgen tegen deze instellingen, wier zuiver burgerlijk karakter hen ergerde, en door smaadschriften en sermoenen trachtten zij het onzijdig onderwijs als calvinistisch, ja zelfs, ongodsdienstig voor te stellen. Op den Vlaamschen buiten waar de geestelijkheid onbetwist de plak zwaaide, werd een hevige strijd gevoerd tegen de lagere scholen door middel van biechtstoel en weigering van absolutie. Men verspreidde het gerucht dat de Koning het katholieke volk wilde protestantiseeren.
Tegenover het Staatsonderwijs poogden de clericalen een mededingend confessioneel onderwijs op te richten. De Koning en de regeering, sterk door de Grondwet, besloten het voorrecht van den Staat hardnekkig te verdedigen; Willem I gevoelde overigens den geheimen invloed der Congregatie en der Jezuïeten, die alsdan Frankrijk beheerschten, en wilde hun pogingen in België verijdelen. Op 22enJuli 1822 werd bij koninklijk besluit verboden het lager onderwijs te geven zonder toelating. Anderhalf jaar later werd dit besluit toegepast op de geestelijke vereenigingen, die zich met onderwijs ophielden; voortaan zullen zij nog slechts als leden hunner orde personen kunnen opnemen die een bekwaamheidsbewijs bezitten. Die verordeningen hadden den val tot gevolg van de scholen der Broeders der Christelijke Leering, die alhier uit Frankrijk overgekomen waren en in 't Walenland het lager onderwijs zochten te bemachtigen; weldra werden zelfs hunne vereenigingen ontbonden en hunne orde afgeschaft, daar zij aan eenen overste van vreemde nationaliteit gehoorzaamden.
Intusschen was de minister van binnenlandsche zaken en openbaar onderwijs, de klaarziende Falck, als gezant naar Londen gezonden, en vervangen door den buigzamen Van Gobbelschroy, een ontwikkelden Belg, die, met de beste inzichten bezield, zich met den meesten ijver op de uitbreiding van 't Staatsonderwijs toelegde. Door 's Konings toedoen besloot hij insgelijks het middelbaar onderwijs aan den invloed der geestelijkheid te onttrekken. Een besluit van 14enJuni 1825 beval de sluiting van al de niet erkende Latijnsche scholen en colleges; alleen de wereldlijke Latijnsche scholen werden toegelaten. Alzoo sloot men dekleine bisschoppelijke seminariën, die onder voorwendsel van tot den geestelijken stand op te leiden, aan de zonen der burgerij het voorbereidend hooger onderwijs verschaften. Wanneer later deze hunne humaniora in den vreemde, vooral in de Jezuietengestichten van StAcheul, in Frankrijk, en Freiburg, in Zwitserland, wilden gaan voleindigen, werd hun voor 't vervolg de toegang tot de Staatshoogescholen van Gent, Leuven en Luik ontzegd.
Zoolang de Koning zich als verdediger van het Staatsonderwijs aanstelde, bleef hij binnen de palen der Grondwet. Maar ondoordacht en vermetel was zijne poging, toen hij zich in de opleiding van de Belgische katholieke geestelijkheid wilde mengen. Hierin handelde hij voorzeker te goeder trouw; men heeft hem ten onrechte voorgesteld als een godsdienstigen ijveraar voor het Protestantisme; het staat vast dat hij volstrekt geen vijand was van het Katholicisme. Zooals hij in Holland met de Hervormde gemeenten gedaan had, zoo wilde hij alhier den voorrang van de burgerlijke macht boven de geestelijke vestigen. Daarom was hij voornemens, voor de toekomst, eene verstandige, verlichte, verdraagzame, nationale geestelijkheid te vormen, door middel eener hervorming der godgeleerde studiën. Zoodat de Calvinistische vorst hoopte te slagen, daar waar zijn katholieke voorganger, Jozef II, bezweken was! Zelfs de tegenwerpingen zijner omgeving konden hem zijn besluit niet doen verzaken.
Den zelfden dag (14 Juni 1825) dat Willem de kleine seminariën afschafte, verordende hij de oprichting bij de Hoogeschool van Leuven van hetWijsgeerig College, voor de jongelingen van alle bisdommen die zich tot den geestelijken staat voorbereidden. Zij zouden gezamenlijk met de studenten der Faculteit der wijsbegeerte zekere lessen in de philosophie volgen. De bestuurder en de onderbestuurders, alsook drie leeraars, zouden door den Vorst benoemd worden, met goedkeuring van den aartsbisschop. Den 11enJuli volgt een verbod in de groote seminariën studenten te ontvangen die het Wijsgeerig College niet doorloopen hebben; en het verbod tegen degenen die in den vreemde zouden gaan studeeren, wordt ook op de toekomstige seminaristen toegepast.
«Die noodlottige besluiten zijn misschien de ergste misslag in de regeering van koning Willem I en zij getuigen van eene groote verblindheid, van een jammerlijk Staatsbeleid». Hoe kon de Koning toch verwachten dat de Belgische geestelijkheid, die voortdurend aanspraak maakte op gansch de leiding van het openbaar onderwijs, zou toelaten dat een leek, en dan nog een Calvinist, de opleiding van de toekomstige priesters zou besturen? De Paus en de bisschoppen teekenden verzet aan; de aartsbisschop van Mechelen weigerde, niettegenstaande herhaald verzoek des ministers, de plaats van opziener van het College; talrijke vlugschriften vielen de stichting aan, en de katholieke dagbladen kantten zich met hardnekkigheid tegen 's Konings inmenging in geestelijke zaken. Doch wanneer de koninklijke maatregels in de Staten-Generaal door de katholieke volksvertegenwoordigers De Stassart, Surmont de Volsberghe en vooral De Gerlache heftig werden gelaakt, vond de Regeering eenen krachtigen steun in de twee knappe Belgische redenaars, de liberale oppositieleiders, Reyphins en Dotrenge. Zij juichten de uitdrijving van de Ignorantins toe, en wezen op de pogingen van de Jezuïeten om in de Nederlanden terug te keeren. Ook was de overwinning van de ministers Van Maanen, Van Gobbelschroy en Goubau, bestuurder van den katholieken eeredienst, volledig. Vele Belgische ontwikkelde groepen stemden met die anticlericale besluiten in, en Louis de Potter, een rijk en knap publicist, die zich door een geweldig anticlericalisme onderscheidde, prees de stichting van hetCollegium Philosophicumen den strijd van de regeering voor het Staatsonderwijs.
De liberalen waren bereid zich om het ministerie te scharen, wilde men hunne grieven aanhooren. In dien zin washet slot van Dotrenge's redevoering vol beteekenis. «Sire, zei hij, beschut ons vóór de Jezuïeten, doch verlos ons van de belasting op het gemaal».
Het scheen dus dat de Belgische oppositie verbroken was. Nochtans werd er, gedurende het debat over het onderwijs, een woord door den leider van de katholieken uitgesproken, dat voor de toekomst een schrikbaar voorteeken was. Baron de Gerlache, oud-advocaat te Parijs, thans te Luik gevestigd, waar hij beurtelings naar den gemeenteraad, naar de Provinciale Staten en sedert het vorige jaar naar de Staten-Generaal gezonden werd, had, in eene zeer welsprekende rede, waarvan de indruk door het uiterlijke van zijn persoon nog verhoogd werd, zich, niet gelijk zijne collega's op de leerstellingen van het kanonieke recht en van het Concilie van Trente beroepen, maar, evenals de liberale katholieken, en voornamelijk Lamennais in Frankrijk, op de vrijheid van het onderwijs, die hij afleidde uit alle andere vrijheden, als de vrijheid van godsdienst en van drukpers; dit was voor 't vervolg den weg afbakenen voor een verbond, dat op dien stond nochtans door niemand voorzien werd.
Om de woede der clericalen te stillen, besloot Willem enkele toegevingen te doen. Reeds vroeger was Reinhold, zijn gezant te Rome, met het Vatikaan in onderhandeling getreden, om een concordaat tot stand te brengen in den zin van dit van Napoleon, dat in België van 1801 tot 1815 in zwang was; een pauselijke nuntius was zelfs te dien einde in België geweest, maar moest onverrichterzake terugkeeren. Zoo bleef de zaak tot in 't begin van 1826, wanneer een katholieke afgevaardigde, de graaf de Celles, zich aanbood om de onderhandelingen te hernemen. Paus Leo XII en Koning Willem toonden zich even inschikkelijk. De Jozefist Goubau moest van het bestuur van den katholieken eeredienst aftreden, dat bij 't ministerie van binnenlandsche zaken gevoegd werd (1826); Reinhold werd als gevolmachtigde te Rome door graaf de Celles vervangen. Doch deze botste tijdens de besprekingen op talrijke moeilijkhedenhem door de dweepzieke omgeving in 't Vatikaan in den weg gelegd en klaagde er bij zijne regeering over dat hij nu niet meer kon verkrijgen wat men twee jaar vroeger gemakkelijk zou bekomen hebben.
Eindelijk op 18enJuni 1827 teekende de Celles het concordaat met den kardinaal Capellari. Ieder bisdom zou een seminarie bezitten. Wat de verkiezing der prelaten betrof, deze moest geschieden door het kapittel, dat den Koning een kandidatenlijst zou voorleggen, waarop deze de kandidaten, die hem niet bevielen, zou doorschrappen; de Paus duidde dan den titularis aan.
De bulle van 17enAugustus kondigde daarenboven de oprichting van drie nieuwe bisdommen aan, nevens de vijf bestaande, namelijk te Brugge, te Amsterdam en te 's Hertogenbosch, en bevestigde dat voortaan alléen de bisschoppen voor de opvoeding hunner geestelijkheid te zorgen hadden.
De Belgische katholieken onthaalden het sluiten van het concordaat met luid gejuich; verscheidene hunner afgevaardigden stemden zelfs de begrooting zonder verzet.
De Hollandsche Calvinisten evenals de Belgische liberalen keurden integendeel de vernedering des Konings vóór den Paus streng af; zij verweten aan de regeering dat zij niet alleen van haar recht van benoeming der bisschoppen afstand gedaan had, maar daarbij nog het Wijsgeerig College van Leuven opofferde. Fel aangevallen in de liberale dagbladen en voornamelijk in denCourrier des Pays-Basdoor de pen van den heftigen Louis de Potter, zocht de regeering de waarde van het concordaat en van de pauselijke bulle te verzwakken. Reeds op 5enOctober zond Van Gobbelschroy een vertrouwelijken omzendbrief aan de gouverneurs, om hun te laten weten dat de invloed des Konings op de benoeming der bisschoppen grooter was dan 't concordaat liet vermoeden, dat niets veranderd was aangaande het onderwijs der seminariën, dat het volgen der leergangen in het Wijsgeerig College eenvoudig van verplichtend, vrij geworden was, en eindelijk dat men alle overeenkomst tot het bezetten der ledig staande bisschoppelijke zetels zou verdagen. Om de liberalen te paaien, deelde zelfs Van Gobbelschroy, die met Louis de Potter bevriend was, dien omzendbrief aan den publicist mede, die zich verhaastte hem in zijn dagblad af te kondigen.
J. M. SchrantJ. M. Schrant
Die mededeeling (14enOctober 1827) en het wezenlijk behoud van hetstatu quo, verwekten bij de katholieken eene geweldige verontwaardiging. Van dan af hernam de strijd der geestelijkheid tegen de regeering met nieuwe woede. Gesterkt nog door het voorbeeld van Frankrijk, waar een katholieke prelaat deUniversité de France, dat is geheel het onderwijs, bestuurde, en waar Karel X de wet op de heiligschennis had doen aannemen, begonnen de Belgische priesters het onderwijs der professoren van de hoogescholen en athenea aan te klagen, donderden zij van op den preekstoel tegen de «Duivelscholen» en verdoemden het «Schoolvee van Van Gobbelschroy». Pastoor Schrant, van Amsterdam,die in de oogen zijner Zuidnederlandsche collega's de onvergeeflijke zonde begaan had een leerstoel aan de Hoogeschool te Gent te aanvaarden, moest dit bezuren. De katholieke dagbladen kondigden de lijsten af der leden van hetNut van 't Algemeen, aan welke de priesters besloten de absolutie te weigeren. Nooit had de schoolstrijd zoo erg gewoed. In hunne redevoeringen en preeken gingen zekere dorpsherders zoover, dat de Regeering ze vóór de rechtbank moest dagen en laten veroordeelen. De katholieke vertegenwoordigers in 't Parlement, wier verzet tot dan toe eerbiedig en bedaard geweest was, namen insgelijks eenen heftigen toon aan.
Had dan nog de regeering op den steun der liberale partij kunnen rekenen; maar door hare halsstarrigheid in het weigeren van zekere politieke, sociale of Å“conomische eischen, en niet minder door hare dubbelzinnigheid, die wantrouwen inboezemde, bevond zij zich weldra gansch alleen.
Intusschen had zich in België eene gewichtige verandering op intellectueel en politiek gebied voorgedaan. Tot omstreeks 1827 had de bevolking zich weinig om de Staatszaken bekommerd; zelfs de dagbladen zonden geene reporters naar de zittingen der Staten-Generaal. Immers onze voorouders, gedurende drie eeuwen onder vreemd juk gebogen, van alle deelneming aan het openbaar bestuur verstoken, voor de meerderheid in de grootste onwetendheid gedompeld, toonden zich onverschillig voor de politieke besprekingen. Aan die onverschilligheid had het ingewikkelde kiesstelsel voor de Staten-Generaal geen klein aandeel; immers de verkiezingen geschiedden in twee graden, dekiezersbetalende honderd gulden in grondbelasting, kozen een zeer beperkt getalstemgerechtigden, die de volksvertegenwoordigers benoemden; zoo konden de kleine burgerij en het kleine volk, van de verkiezing volkomen uitgesloten, zich natuurlijk voor deze niet warm maken. Voegt daarbij nog de drukking van den koninklijken commissaris,die de verkiezing voorzat en allen strijd tegen den officieelen kandidaat verijdelde.
Doch met het jaar 1827 doet zich een bepaalde vooruitgang in de politieke opleiding voor. Eene nieuwe generatie van jonge redenaars en publicisten is ontstaan, gedeeltelijk gevormd in de Staatshoogescholen. In de liberale fractie zien wij Le Hon en Ch. de Brouckère met een vroeger onbekenden gloed voor de vuist spreken, en in navolging der Fransche doctrinairen der Kamer als Royer-Collard en Benjamin Constant, in wel doordachte redevoeringen, den misprijzenden trots, waarmede de ministers vroeger op de redenaars nederzagen, tarten en onophoudend de regeering op het bankje zetten. Ch. de Brouckère durfde zelfs in 1828 in de Staten-Generaal het recht van initiatief gebruiken, dat aan de volksvertegenwoordigers ontzegd was. Met de opkomst van het liberale ministerie Martignac in Frankrijk wordt de vrijmoedigheid der partij nog grooter.
Het waren de liberale afgevaardigden en hunne vrienden die het overgroote getal der Belgische dagbladen opstelden. Niet minder dan de weerklank hunner stem buiten het Parlement, wist de snedigheid hunner pen de natie op te wekken tot belangstelling in haar beheer; en de eenparigheid waarmede sindsdien stelselmatig al de Belgische afgevaardigden, buiten drie of vier afvalligen, tegen die van het Noorden stemden, was geen geringe factor om de gemoederen eindelijk met politieken hartstocht te bezielen.
In die bewerking der openbare meening hebben de advocaten-publicisten eene overwegende rol gespeeld; Gendebien, Lebeau, Devaux en hunne aanhangers, reeds geërgerd door de Taalbesluiten die hunne persoonlijke belangen gekrenkt hadden, verwoed nog om de hardnekkigheid waarmede de regeering de opstellers der artikels, die de handelingen van het bestuur aanvielen, vervolgde en strafte, verklaarden een onverzoenbaren oorlog aan het ministerie van Koning Willem.
Hadden Van Maanen en zijne collega's nochtans op zekere punten van politieken en Å“conomischen aard toegegeven, dan zou de vroegere goede verstandhouding met de liberalepartij misschien hebben kunnen voortbestaan. Dit was het geval toen de liberalen door de Provinciale Staten van Luik, Namen en Henegouwen, verzoekschriften aan den Koning deden zenden om de belastingen op het geslacht en het gemaal af te schaffen. De Koning in zijne koppigheid beschouwde dit verzoek als eene onwettelijke daad en weigerde het in aanmerking te nemen; de Vorst wist overigens dat de strekking der Belgische liberalen ten opzichte van een constitutioneele regeering door den oligarchischen geest der Noord-Nederlanders afgekeurd werd.
Het vraagstuk der vrijheid van drukpers bood aan de liberalen een gunstiger oorlogsterrein. Dagelijks zagen zij hunne dagbladen voor de minste critiek der bestaande verordeningen of der ministerieele handelwijze voor de rechtbank dagen, krachtens het strenge Besluit van 20enApril 1815. Zoo werd, in Maart 1828, Ducpétiaux, opsteller bij den liberalenCourrier des Pays-Bas, vervolgd om een verdediging der doodstraf, geschreven door een referendaris van 't ministerie van justitie, weerlegd te hebben. De publicist richtte alsdan tot de Tweede Kamer een verzoekschrift, waarin hij tegen zijne vervolging verzet aanteekende.
Dit gaf aanleiding tot het hartstochtelijkste debat dat sedert Waterloo in de Staten-Generaal plaats gevonden had. De jeugdige Ch. de Brouckère, alhoewel een zoon van den gouverneur van Limburg, hekelde fel het gedrag van het gerecht en drong aan op de afschaffing van het draconische reglement: «Het schijnt mij dagelijks klaarder, sprak hij, dat men de pers in de Nederlanden dooden wil. De natie echter wil bevrijd zijn van al die uitzonderingswetten.» Wel is waar beloofde de Koning in zijne troonrede, bij de opening der Staten-Generaal, de wetgeving voor de perszaken te veranderen; die belofte bleef echter een doode letter; integendeel beval minister Van Maanen aan de rechtbanken met nog meer strengheid tegen de dagbladen te werk te gaan.
Ducpétiaux, in een nieuw artikel (28enOctober 1828), had verzet durven aanteekenen tegen de onwettelijke uitdrijving van twee jonge Fransche schrijvers, beticht eentamelijk zwak hekeldicht tegen de belasting op het gemaal geschreven te hebben; hij werd in de gevangenis geworpen. Op 5enNovember dient daarop Ch. de Brouckère een wetsontwerp in, tot afschaffing der besluiten op de drukpers. Vijf dagen later kondigt deCourrier des Pays-Bas, die zich door de aanhouding van Ducpétiaux niet had laten afschrikken, een hoogst geweldig artikel af van den vroegeren bondgenoot der regeering, Louis de Potter. «Laat ons die schim van het gevaar der Jezuieten, waarmede de regeering voortdurend schermt en ons bedot, verwerpen, schreef hij ongeveer; laat ons voortaan beschimpen, hoonen en vervolgen deministerieelen!» Het woord stond er. Door de noodlottige dwaasheid der regeering, door hare nuttelooze strengheid kwam zij voor altijd den steun der liberalen te verliezen.
De vranke publicist, van ophitsing beschuldigd, werd met Ducpétiaux in de gevangenis der Kleine Karmelieten opgesloten; intusschen bepleitte vruchteloos De Brouckère in de Tweede Kamer de vraag van de vrijheid der drukpers: met 61 stemmen tegen 44, 't zij al de vertegenwoordigers van 't Noorden met zeven van 't Zuiden, werd zijn wetsontwerp verworpen (3enDecember).
Op 13enDecember 1828 kreeg Ducpétiaux van 't Assisenhof van Zuid-Brabant éen jaar gevangenisstraf; acht dagen later, niettegenstaande de welsprekende pogingen van zijn advocaten Van Meenen en Van de Weyer, werd Louis de Potter tot 18 maanden gevangenisstraf en 100 gulden boete veroordeeld. De aanspraak van den beschuldigde tot het publiek na de pleidooien, — een echt rekwisitorium tegen de regeering — werd door de aanwezigen op luid handgeklap onthaald, de uitspraak van het vonnis integendeel op gejouw en gefluit; en 't was onder de kreten, door de woelige menigte geuit, van «Leve De Potter! Weg met Van Maanen!» dat de veroordeelde naar zijn gevangenis teruggevoerd werd. Het gepeupel wierp de vensterglazen van het Ministerie van Justitie uit.
Dit proces vond gansch België door eenen ongehoorden weerklank en het oefende een beslissenden invloed op den verderen gang der zaken uit. De Potter, die in den grondeen woelgeest was, en er naar hunkerde om in België de rol van O'Connell in Ierland te spelen, ging door voor een martelaar.
Terwijl de regeering zich alzoo moedwillig de verschrikkelijkste verbittering der liberale dagbladschrijvers en advocaten op den hals haalde, hadden de katholieken ook de wapens niet neergelegd. Hunne leiders die vroeger tegen de moderne vrijheden der Grondwet gepruild hadden, waren nu gedeeltelijk gewonnen tot het godsdienstig liberalisme van F. de Lamennais, en zij beriepen zich voortdurend op zijne verklaringen, sedert de sluwe De Gerlache de vrijheid van onderwijs als onafscheidbaar verklaard had van die van godsdienst en van drukpers.
't Is met dit sophisme als grondslag dat nochtans deUnie der Liberalen en Katholiekentot stand kwam, die den politieken tegenstand van Noord en Zuid in een strijd van volk tegen volk zou doen ontaarden. Dank zij hare dwaze houding was de regeering er aldus volkomen in geslaagd deze twee elkander hoogst vijandige partijen in malkaars armen te werpen.
Wanneer men de denkbeelden van den rationalistischen Louis de Potter en van den radicalen Gendebien van vóór 1828 met die van den ultramontaanschen De Gerlache of den dweepzieken De Secus vergelijkt, vraagt men zich af, hoe dergelijke eendracht van het jakobinisme en van het geestelijk fanatisme — wat Willem en zijne ministers hetMonsterachtig verbondvan de roode en de vierkante muts noemden — kon tot stand komen. 't Zijn de gematigde liberalen als Lebeau, S. Van de Weyer en de katholieke democraten als J.-B. Nothomb en Ph. Vilain XIIII, die deze toenadering mogelijk maakten. Beide fracties verzochten de zoo hevige geschillen tusschen beide partijen op zijde te schuiven, om alleen voor de herstelling der bepaalde grieven te ijveren en de «vrijheid in alles en voor allen» te eischen.
Wij hebben gezien hoe De Gerlache, in den grond een aanhanger van gewetensdwang en bestuurlijk absolutisme, met eene machiavellistische arglistigheid, het vrijheidsbeginsel als een lokaas aan de liberalen toegeworpen had. Reeds in Maart 1827 ontwikkelde Paul Devaux, een talentvol jong publicist, in denMathieu Laensberg(laterLe Politique) van Luik het plan van een verbond op grond van de volledige ontwikkeling der vrijheden door de Grondwet beloofd. Eerst fel bestreden door Bartels inLe Catholiquevan Gent, door Kersten inLe Courrier de la Meusevan Luik, alsook door den liberalenCourrier des Pays-Bas, vond Devaux' voorstel allengskens eene algemeene bijtreding. Reeds op 23enJuli 1828 kondigde het Luiker liberaal dagblad de sluiting derUnieaan......
Kort na deze netelige onderhandelingen werd het wetsontwerp De Brouckère verworpen en Louis de Potter veroordeeld.
Terstond kwam door toedoen der dagbladen van alle gezindheid een ontzaglijk petitionnement tot stand (November 1828), waarvan de onderteekenaars in 't Walenland en te Brussel in de eerste plaats, de afschaffing van de belasting op het gemaal en van het besluit op de drukpers van 1815 vroegen, doch in Vlaanderen (45,000 onderteekenaars op het globale getal van 70,000) vooral het opheffen van het Staatsmonopolium van het onderwijs wilden: aldaar was de geestelijkheid van huis tot huis de onderteekenaars gaan vinden, en de talrijke kruisjes in plaats van handteekeningen onderaan de petities, bewezen voldoende op welke wijze men deze had verkregen.
De regeering bestempelde die beweging alsschandalig.
Een tweede petitionnement, uitgaande van de Brusselsche katholieken als den ouden graaf de Mérode-Westerloo, burggraaf Vilain XIIII en den correspondent der Jezuieten L. Robiano de Borsbeek, vroeg uitsluitend de vrijheid van onderwijs (Januari-Februari 1829) en verkreeg nog meer bijval dan het eerste. Er werd algemeen en met onrust opgemerkt hoe intusschen op den buiten de geestelijkheid, met eene zonderlinge bedrijvigheid, de boeren aanspoorde om zich op de lijsten der gemeentewacht te doen inschrijven,en hoe buitengewoon de burgers der Belgische steden zich eveneens daartoe beijverden. Ook de liberalen lieten niet los, en Lebeau en Rogier inLe Politiquevan Luik onderhielden de geesten in eene ongemeene gisting.
Plots verscheen er een vlugschrift, door Louis de Potter in zijn gevangenis opgesteld, dat de eendracht der anti-ministerieelen nog zou versterken (Juni 1829). Hij stelde de voltrekking van deUnion des Catholiques et des Libérauxmet genoegen vast en preekte de wederzijdsche verdraagzaamheid aan om des te sterker den gemeenschappelijken vijand te bestrijden. Die aanmaning tot samenwerking maakte een overgrooten opgang, omdat zij uitging van een zoo hevig anti-clericaal.
Ditmaal werden de ultra-liberale en katholieke fracties door die plotselinge bekeering van De Potter geërgerd. De overtuigde liberalen vreesden voor hunne principes in dit samengaan met de ultramontanen, en Ch. Durand gaf een pamflet uit in antwoord op deUnion. Ook de Belgische katholieken vonden het noodzakelijk, in een vlugschrift, hun gedrag bij hunne Fransche geestverwanten te verrechtvaardigen. Doch de stoot was gegeven. Ver van nu het hachelijke van haren toestand in te zien, volhardde de regeering in hare koppigheid.
Toen de verzoekschriften zoo overvloedig op de banken van de Staten-Generaal regenden, had Ch. Le Hon voorgesteld den Koning een adres aan te bieden, om zijne aandacht op den staat van gisting in de Zuidelijke Provinciën in te roepen; het adres werd aangenomen door de Tweede Kamer maar door de Eerste verworpen.
De wet op de instelling van de jury bij de rechtbanken, door de vertegenwoordigers van 't Zuiden voorgesteld, onderging dit lot reeds bij de stemming in de Tweede Kamer.
Alsdan ontstonden overal Grondwettelijke Vereenigingen of Comiteiten tot herstelling derGrieven. Immers sedert October 1828 had deCourrier de la Meuseeen statistiek opgesteld, waardoor, met overvloed van cijfers uit officieele oorkonden, de partijdigheid der regeering bewezen werd in zake benoemingen tot de openbare ambten. Op 7 ministers teldemen slechts éen Belg, op 14 bestuurders in de ministeries insgelijks éen; onder de 300 hoogere beambten der ministeries, vond men 17 Belgen. In het leger trof men 2377 Hollandsche officieren tegenover 417 Belgen aan; men insinueerde zelfs dat de Belgen slechts tot hoogere graden klommen, in Oost-Indië «om aldaar de bloedbelasting te betalen», terwijl men wist dat het aandeel der Belgen in het koloniaal leger, gedurende den opstand van Dipo-Negoro op Java (1826-1830), slechts een vijfde bedroeg. Overigens die zoo ongunstige verhouding van officieren in de troepen, verklaart zich door het feit, dat, bij de organisatie, van 't leger in 1814-15 en den oproep tot de oud-militairen om zich aan te melden met hunnen vroegeren graad, veel Hollanders en weinig Belgen zich aangeboden hadden; men voege daarbij dat degenen die zich in de Zuidelijke Nederlanden met bestuurlijke of militaire zaken ophielden, in zeer klein getal waren. Doch zooals zij voorgesteld was, bleef die verdeeling der openbare ambten eene schreeuwende ongerechtigheid. Sindsdien volgden nog andere statistieken die het Hollandsch «nepotisme» geeselden en de openbare meening verontwaardigden.
Daarbij kwam nog het wijzen op de politieke overheersching van België door de Hollandsche ambtenaren, die zich tegenover het Zuiden als tegenover een wingewest gedroegen; de oppositie noemde de Grondwet eene aan het Zuiden opgedrongen keure, hekelde de taalbesluiten, het officieel onderwijs; ja, zelfs het belastingstelsel werd wegens onrechtvaardige toepassing aangevallen, alhoewel het klaar was dat de Hollanders, die zestien gulden per hoofd betaalden, vijf gulden meer dan de Vlamingen en juist het dubbel van de Walen in de Staatskist stortten.
Voor de herstelling dezer grieven, 't zij echte, 't zij ingebeelde, voerden nu vlugschriften en dagbladen een hevigen strijd, en de Constitutioneele Vereenigingen ijverden natuurlijk niet het minst voor de vrijheid van drukpers. Op dit laatste punt moest de regeering eindelijk toegeven, en 't was om zoo te zeggen met eenparigheid van stemmen dat het besluit van April 1815 door de Staten-Generaal afgeschaft werd; de zeer vrijzinnige wet van16enMei 1829 verving het hatelijke dwangreglement.
Doch in hare verblindheid tegen de Belgische «factie» had de regeering besloten de aanvallen der Belgische pers door aanvallen tegen hare opstellers te beantwoorden; daarom stichtte zij te Brussel een officieus blad,Le National(Mei 1829); de Koning beging de onvergeeflijke fout het bestuur van dit blad toe te vertrouwen aan den Florentijn Libry, graaf van Bagnano, die sedert jaren uit Frankrijk geweken, zich uitgaf voor een slachtoffer van de reactie der Bourbons. Met een ongehoord cynisme, overlaadde hij de partijgangers der Unie en de katholieken met persoonlijken hoon en smaad, en hij aarzelde niet te schrijven — wat de zaak der regeering meer kwaad dan goed deed — onder andere «dat men de Belgen een muilband moest aandoen evenals de honden». Maar plots kwam het uit dat de kampioen des Konings, de vertrouweling van Van Maanen, tweemaal in Frankrijk voor schriftvervalsching in handelszaken tot dwangarbeid en brandmerk veroordeeld geweest was; en deCourrier des Pays-Basdrukte terzelfdertijd drie geheime besluiten af, die het blad zich had weten te verschaffen, waardoor de Vorst aan den verdediger der regeering 85,000 gulden op het Nijverheidsfonds verleende. Een kreet van algemeene verontwaardiging steeg in België bij die verpletterende openbaring op. Van toen af in vergaderingen en drankhuizen durfde men de vraag stellen of Frankrijk een opstand in België gewapenderhand zou ondersteunen.
Rekenende op de gevolgen die een officieel bezoek kan hebben, ondernam Willem, eene omreis in de Zuidelijke Provinciën. Overal zag hij de blijken van welstand en voorspoed; het feestelijk onthaal dat hem daar te beurt viel versterkte hem in de overtuiging dat de aanvallen tegen zijne regeering gericht, slechts het werk van enkele opruiende dagbladschrijvers waren, en dat de gisting niet tot in de massa gedrongen was. Tijdens zijn bezoek aan Luik (23enJuni 1829) kon de begoochelde Vorst niet nalaten zijn antwoord aan het gemeentebestuur van Luikmet de volgende woorden te eindigen: «Ik zie nu wat ik moet denken over de zoogezegde grieven waarover men zooveel gerucht gemaakt heeft. Dat is aan enkele bijzonderen te wijten die uit eigenbelang handelen. Dit is een schandelijk gedrag!...» Dit onvoorzichtig smaadwoord tegen de opstellers der vertoogschriften gericht, kreeg zooveel weerklank, dat Willem's oogen hadden moeten opengaan. Te Brugge stichtte Constantijn Rodenbach dadelijk, in clericale navolging der «Geuzen» van de 16eeeuw, deOrde der Schande(Ordre de l'Infamie), die op hare kenteekens de leus voerde: «Trouw tot aan de schande!» (Juli 1829). Bij het opgehitste lagere volk ontstond een ware haat tegen den Hollander en al wat Hollandsch was.
Het koninklijk bezoek had dus geenszins de bedaring verwekt die men verhoopt had, wel integendeel. Ziende dat de nieuwe wet op de drukpers de liberalen niet gestild had, besloot de regeering aan de katholieken zekere toegevingen te doen, om de Unie te trachten te verbreken en de vrijzinnige oppositie in toom te houden.
Immers ook te Rome had Paus Leo XII het verbond van de Belgische katholieken met de liberalen met een zeer kwaad oog aanschouwd; duchtende voor 't gevaar dat die eendracht voor 't geloof kon opleveren, zond hij in de Nederlanden den zeer vrijzinnigen nuntius Capaccini, die de Belgische geestelijkheid zou aanmanen niet katholieker te willen zijn dan de Paus. De kardinaal beijverde zich om het concordaat te doen uitvoeren en kon door den Koning drie nieuwe bisschoppen, namelijk voor Luik (Van Bommel), voor Gent (Van de Velde) en voor Doornik (Delplancq) doen aanvaarden. Pius VIII, die intusschen den meer toegevenden Leo XII opgevolgd was, bekrachtigde hunne benoeming op 18enMei 1829.
Evenveel genoegen baarde aan de katholieken het koninklijk besluit van 20enJuni, waarbij het bezoeken van het Wijsgeerig College van Leuven als facultatief verklaard werd; daarbij stond Willem, door eene andere verordening van 2enOctober, de heropening, mits zekere beperkingen, van de kleine bisschoppelijke seminaries weder toe.
Andere toegevingen werden gedaan in den zin van de petities; de afschaffing van de belasting op het geslacht werd beloofd (19enMei 1829); den 5enJuli werd bepaald dat op 1enFebruari 1831 de nieuwe rechterlijke inrichting in werking zou treden, dat men dienvolgens onafzetbare magistraten zou hebben. De regeering liet zelfs een ontwerp van een gewijzigde wet op 't onderwijs verhopen.
Maar deze toegevingen die enkele maanden vroeger met gejubel zouden onthaald geweest zijn en die het petitionnement konden verhinderen, daar zij de hoofdgrieven uit den weg ruimden, kwamen nu te laat. De clericalen beschouwden deze vergunningen als eene onvoldoende afkorting; de liberalen weigerden allen steun aan de regeering, zoolang de ministerieele verantwoordelijkheid niet toegestaan werd. In geen enkele klasse der bevolking telde de regeering nog vrienden.
De opening der kleine seminaries, verre van de katholieken te bevredigen, had hunne aanspraken nog hooger gemaakt; zij eischten de algemeene vrijheid van onderwijs, zonder toezicht. Op 4{en} November 1829 stelden de katholieke edelen Robiano de Borsbeek, De Mérode en D'Hoogvorst eene nieuwe petitie in dien zin op; de geestelijkheid belastte zich opnieuw met het inzamelen der handteekeningen en der kruisjes, en pastoors en onderpastoors teekenden ditmaal aan 't hoofd der lijsten; op de 360,000 onderteekenaars waren er 240,000 uit Vlaanderen alleen.
De schilder Geirnaert heeft ons, in een treffend tafereel, weldra door den steendruk verspreid, de handelwijze der geestelijken in deze beweging geschilderd. Zijne teekening wordt nog bevestigd door de beschrijving die Schuermans en Holtius, in hunne brieven aan Van Maanen, van de bedrijvigheid der geestelijkheid geven.
Zekere klaarziende liberalen, zooals de advocaat Napoleon de Pauw van Gent, aarzelden niet dit petitionnement, bij de Staten-Generaal, als eene verkrachting van art. 161 der Grondwet aan te klagen.
De clericale partij, die intusschen te Gent een Vlaamsch orgaan,De Vaderlander, gesticht had, antwoordde, kort nadie aanklacht, met een vertoogschrift, dat de teruggave eischte van de goederen der geestelijkheid, door de Fransche Revolutie verbeurd verklaard.
De polemiek der Unionistische pers van Gent, Brussel en Luik tegen de Hollandscheoverheerschingen tegen dedictatuurvan Van Maanen werd des te driester, daar de regeering en het gerecht het hoofd verloren hadden; en de gevallen van persovertredingen werden zoo talrijk, dat de gevangenissen van dagbladschrijvers opgepropt waren. De drukpers, in hare woede tegen de gehuurde penneknechten der regeering, ging alle palen te buiten. Men aarzelde zelfs niet de populariteit van den prins van Oranje te ondermijnen en hem op de lasterlijkste manier te beschuldigen: wanneer in den nacht van 25-26 September 1829 de diamanten zijner echtgenoote in 't paleis te Brussel op eene geheimzinnige manier gestolen werden, werden door zekere vuige lieden plakkaten op de muren van Brussel gehecht, waarin de kroonprins openlijk verdacht gemaakt werd.
Ondanks die gevaarlijke voorteekens uitte de Koning bij de opening der Staten-Generaal te 's Gravenhage (19enOctober) zijne vreugde over de blijken van genegenheid hem door de Belgische natie in zijne omreis gegeven; hij kondigde enkele maatregelen aan voor 't welzijn van het koninkrijk en drukte op het ontwerp van herziening der onderwijswet. Zoo verzoeningsgezind was de troonrede, dat de Hollanders deze verklaring als een aftocht der regeering aanzagen. Maar de Belgische afgevaardigden, aangevuurd door de hevigheid der dagbladen en verbitterd wegens de schandelijke drukking door de officieele ambtenaren op de laatste verkiezingen uitgeoefend, hadden beslist de tienjarige begrooting te verwerpen, indien de regeering aan al hunne eischen niet toegaf. De nieuwe petities, die reeds op 15enNovember in de Staten-Generaal toekwamen en die zoozeer de Hollanders verbitterden, waren niet van aard om de spanning tusschen de Noordelijke en Zuidelijke afgevaardigden te verzachten. Aan De Gerlache, die naar de audientie van den Koning gegaan was, om dezen tot nieuwe toegevingen over te halen, sprak Willem I al zijne minachtinguit voor de liberalen, die hij heerschzuchtige woelgeesten noemde, en zijne misnoegdheid over de nooit tevreden clericalen; de pers overlaadde hij met smaadwoorden, en hij uitte zijne vrees voor die soort van geheime en onverantwoordelijke tegenregeering, die voortdurend beroep doet op de verderfelijkste hartstochten der onwetende en bijgeloovige massa. «Al de rechtmatige eischen heb ik ingewilligd, ging Willem voort, doch ik wil niet dat men de rollen omkeere. Indien het volk souverein is, kan de koning het niet zijn, want twee onverantwoordelijke machten kunnen in den Staat niet tegelijkertijd bestaan. Nu, mijne regeering is eene monarchie, getemperd door een Grondwet. Alle vraagstukken zijn er duidelijk in bepaald; al de tegenstrijdige theorieën zijn ongrondwettelijk, oproerig en revolutionnair! Ik ken mijn recht, ik ken mijn plicht, ik zal de bezworen Grondwet uit al mijne krachten rechthouden!»
Dezelfde autoritaire geest ademde de beruchteKoninklijke Boodschap, enkele dagen later uitgevaardigd (11enDecember 1829); en dat juist op 't oogenblik, dat voor de eerste maal de hoogere ambtenaren het gevaar der toenemende gisting aan de ministers aanwezen.
Die boodschap vergezelde het ontwerp van wijziging der pas aangenomen wet op de drukpers van 16enMei 1829, die de Koning al te liberaal gevonden had en die hij wilde zien verscherpen.
Na een lofrede op de daden zijner regeering sedert 1815, viel hij heftig de opstellers van het petitionnement aan «die op schandelijke wijze zijne weldaden miskenden», noemde de pers «onteerd en verlaagd», waarschuwde voor de «onbedachte aanmatigingen en misplaatste bemoeiingen» van zekere woelgeesten, en deed zijn inzicht kennen om de kuiperijen van de kwaadwilligen te beteugelen. Maar ook repte Willem van de «rechten van zijn huis», verklaarde zonder omwegen zijne aanspraak op de alleenheerschappij en verwierp dienvolgens de ministerieele verantwoordelijkheid. Om den indruk van dit stuk nog te versterken, liet de regeering het gerucht loopen, dat om den weerstand te verbrijzelen, zij de hulp van een Pruisisch leger zou inroepen.
's Anderendaags zond minister Van Maanen de Koninklijke Boodschap tot al de rechters en ambtenaren, met verzoek om hem, op straffe van afzetting, in de vier en twintig uren hunne toetreding te sturen «tot de grondbeginselen welke de Vorst uitdrukkelijk verklaard had de regelen van zijn bestuur te zijn». Die bemoeiing der Regeering met de denkwijze zijner beambten en die dwang tot aflegging eener sterke politieke geloofsbelijdenis keurde zelfs de gouverneur van Zuid-Holland, graaf van der Duyn, ten strengste af. De uitslag dezer willekeurige, daad liet zich niet wachten; de katholiekeCourrier de la Meusenoemde de Boodschap «het manifest van het despotismus tegen de vrijheid»; de andere bladen schandvlekten de houding der Hollandsche afgevaardigden die gedurende de debatten der volgende dagen van «de alleenheerschappij des Konings» hadden durven gewagen; talrijke vlugschriften als die van den katholieken Barthélémy Dumortier en den radikalen Adelson Castiau, beiden van Doornik, vroegen de afdanking van den «hatelijken» Van Maanen, den boozen genius des Konings; ook L. de Potter, van uit zijn gevangenis te Brussel, zond zijneLettre de Démophile au Roiin 't licht, waarin hij, na de doctrine der souvereiniteit der Keure tegenover die der souvereiniteit des Konings gesteld te hebben, durfde schrijven: «Sire, uwe hovelingen en uwe ministers, uwe vleiers en uwe raadgevers bedriegen u en brengen u op een dwaalspoor; het stelsel waarin zij de Regeering doen volharden, bedreigt haar met een onvermijdelijke ramp en voert ze onwederroepelijk ten ondergang».
In de Staten-Generaal verhieven Le Hon en De Brouckère, De Stassart en De Gerlache insgelijks de stem tegen de onvoorzichtige handelwijze, der Regeering en bezwoeren ze de voornaamste eischen hunner landgenooten in te willigen. De vruchteloosheid hunner pogingen inziende, besloten de afgevaardigden van het Zuiden al hunne macht tegen de tienjarige, begrooting van wegen en middelen te richten, en zij hadden de voldoening, dank zij de ondersteuning van enkele afgevaardigden van het Noorden, die te verwerpen met 55 stemmen tegen 52; de jaarlijksche uitgaven gingen slechts met eene stem door. Voor 't overige, als bewijs dat niemand de omverwerping der regeering vergde, stemde men op staanden voet met eenparigheid van stemmen een nieuw ontwerp van wegen en middelen, voor éen jaar, door 't Ministerie voorgesteld; uit die voorloopige begrooting was eindelijk de belasting op het gemaal verdwenen (19enDecember 1829). Deze was de eerste, maar gevoelige nederlaag van Koning Willem in de Staten.
Wel veranderde hij 't Ministerie, maar behield Van Maanen; Van Gobbelschroy, nu aangesteld voor nijverheid en koloniën, werd vervangen door een anderen Belg, De la Coste, gouverneur van Antwerpen (29enDecember). In plaats dus van te trachten een ministerie van verdrag te vormen, waarin enkele leiders der oppositie zouden getreden zijn, bleef de Koning aan zijn stelsel hechten en behield tevens zijn gehaten vertrouweling. Meer nog; om zich te wreken zette hij op 8enJanuari 1830 zes ambtenaren, leden der Staten-Generaal, van hunne bediening af, omdat zij tegen de begrootingen gestemd hadden, en een volkomen minachting voor de grondbeginselen der regeering toonden. Op die onbehendige gewelddaad antwoordde de Belgische oppositie met, in 17 dagbladen tegelijk, eenenationale inschrijvingte openen om de leden der Staten, slachtoffers van het despotismus, schadeloos te stellen. Enkele dagen later stelde L. de Potter, altijd op het voorbeeld van den strijd in Ierland, de stichting van eenenVaderlandschen Bondvoor, steunende op eene weerstandskas, die hunne vroegere jaarwedden aan de afgezette ambtenaars zou uitbetalen.
De gezanten der vreemde Mogendheden lieten bij dien toestand van opwinding in de Nederlanden, hunne ongerustheid aan hunne wederzijdsche regeeringen kennen. De Fransche gezant seinde zelfs het valsche gerucht over, als zou Willem zijn inzicht te kennen gegeven hebben, hier 25,000 Pruisische soldaten te ontbieden om de rebellen te straffen. De strijdlustige Polignac, die met toestemming vanRusland het «groote plan» had opgevat België in te palmen, dacht er zelfs aan, troepen op de Belgische grenzen samen te trekken. Maar Frankrijks gevolmachtigde, Lamoussaye, had zich deerlijk omtrent 's Konings bedoelingen bedrogen; verre van er aan te denken om den weerstand met geweld te beteugelen, zagen Willem en zijne ministers met verachting neder op die oppositie welke hij voor een handvol twistzoekers en woelgeesten aanzag. De jongste daad dezer bent, het plan van denVaderlandschen Bond, besloot de regeering voorbeeldig te straffen. Onverhoeds werden de papieren en de briefwisseling, die De Potter onvoorzichtig bij zich in de gevangenis gehouden had, aangeslagen. Uit de correspondentie bleek dat Tielemans, een referendaris bij 't ministerie van buitenlandsche zaken, de ware ingever van het ontwerp geweest was.
Die ontdekking bracht in de ministerieele kringen eene ware verbijstering te weeg; nu begreep men hoe de oppositie terstond over al de besluiten of ontwerpen der regeering ingelicht werd: de hoogere beambten der bureaux, de personen uit de onmiddellijke omgeving der regeering speelden de verklikkers en verschaften wapens aan de tegenpartij,
Vruchteloos wilde Tielemans zijn plan als een «Utopie» doen doorgaan; hij werd aangehouden met L. de Potter en met de twee opstellers vanLe Catholique des Pays-Bas, die denVaderlandschen Bondaanbevolen hadden, Bartels en J.-B. de Nève, voor het Assisenhof van Brabant verzonden, beticht een aanslag en eene samenzwering beraamd te hebben om de regeering om te werpen of te veranderen. Na een debat van elf dagen werden L. de Potter tot acht jaar, F. Tielemans en Adolf Bartels tot zeven en J.-B. de Nève tot 5 jaar ballingschap verwezen (30enApril 1830).
De Brusselsche bevolking, op wie de koene pleidooien van Van Meenen en Van de Weyer een diepen indruk gemaakt hadden, vernam deze nieuwe veroordeeling met de grootste verslagenheid. De politie, overigens zeer slecht ingericht, kon er niet in slagen de opstellers van een hevig plakkaat te ontdekken, waarin, voor de eerste maal, een oproeptot het geweld te lezen stond: «Slaapt gij, Belgisch volk? Ontwaakt en wet uwe dolken, om ze in den boezem uwer verdrukkers, Van Maanen en consoorten, te ploffen ... Vrijheid voor den heer De Potter! Weg met het ministerie, of deomwenteling! Leve de vrijheid!»
De gisting groeide nog aan, wanneer drie dagen na 't proces, niettegenstaande het voorafgaandelijk protest van De Potter's advocaten, dezes aangeslagene papieren en zijne briefwisseling met Tielemans door Libry-Bagnano in druk gegeven werden: de griffier van het tribunaal had ze met toestemming van minister Van Maanen aan den ellendeling geleverd! Vruchteloos kloegen de beide veroordeelden dit schandelijk misbruik bij den Koning en de Staten-Generaal aan; beiden moesten zonder genoegdoening het land verlaten; Frankrijk weigerde de ballingen te ontvangen, die daarop besloten een toevluchtsoord in Zwitserland te zoeken; in Pruisen, dat zij doortrokken, ontmoetten zij allerlei moeilijkheden.
De misnoegdheid sloeg van de straat naar de openbare tribune over. Wel is waar werd eindelijk het langdurige werk der herinrichting van het gerecht door de aanneming van een minder wreed strafwetboek volmaakt; maar bij de bespreking der herziening der wet op de drukpers van 16enMei 1829, die de regeering al te vrijzinnig geoordeeld had, werden zulke harde woorden door de afgevaardigden van het Zuiden uitgesproken, dat zekere ministerieelen van het Noorden, in woede ontstoken, allen eerbied voor hunne collega's vergaten. Den 18enMei 1830, daar men aan de Staten twee Nederlandsche verslagen aanbood, zonder ze in 't Fransch volgens gewoonte samen te vatten, bedreigde de Belgische volksvertegenwoordiger Barthélémy de Hollanders met het gezamenlijk vertrek der Zuidelijke afgevaardigden. Tweemaal onderging het ministerieele ontwerp eene nederlaag, en slechts met merkelijke wijzigingen kwam de wet er door (1enJuni 1830).
Na de kleine seminaries te hebben heringericht, begonnen de nieuwe bisschoppen, de strijdlustige Van Bommel, Delplancq en Van de Velde, hunne herderlijke omreis in hunnebisdommen. Het jubileum van Mei, dat aanzienlijke aflaten verleende, had het gansche land door aanleiding gegeven tot eene ongemeene opwelling van godsdienstigheid; ook het toedienen van het vormsel, waarvan sinds lange jaren vele personen verstoken gebleven waren, gaf aanleiding tot tooneelen van overdreven vroomheid. In Juni vormde Delplancq in het arrondissement Bergen alléen 40,000 personen en Van Bommel in Limburg meer dan 20,000. Volkomen beheerschte de geestelijkheid de plattelandsche bevolking; en gezien den oorlog, die zekere onverzoenbare pastoors de regeering, niettegenstaande hare laatste toegevingen, aandeden, kan men zich een denkbeeld vormen van de gisting, waarin de buiten gehouden werd. Is het dan te verwonderen dat wij later op de lijst der revolutionnaireAssociation Belgevan Parijs, de namen van drie priesters ontmoeten, J.-J. de Smet en Vandermensbrugghen van Gent en De Haerne van Ieperen, als «bijzonder geschikt om eene beweging op touw te zetten»?
Willem was intusschen zelf naar Brussel gekomen om den toestand der gemoederen te toetsen; hij besloot nieuwe toegevingen te doen. De belasting op de koffie, door de Belgen gevraagd, werd op 12enMei ingevoerd. Het ontwerp der nieuwe onderwijswet werd ingetrokken, en den 27enMei vaardigde hij eene verordening uit, die zonder de algemeene vrijheid van onderwijs te verleenen, toch de besluiten van 14enJuni en 14enAugustus 1825 vernietigde. Zoo paaide hij de katholieken. Om de gunst der liberale advocaten te winnen, stond hij, de volgende week (4enJuni), het gebruik der Fransche taal in de Vlaamsche gewesten, als gerechts- en ambtspraak, opnieuw toe. Met vreugde werden beide besluiten door de belanghebbenden onthaald.
Het scheen nu dat de hoofdgrieven der oppositie uit den weg geweerd waren; de dagbladen der Unie spraken hunne hoop uit op eene verandering van regeeringsstelsel; de verzoening scheen nakend; de prins van Oranje was zelfs in onderhandeling met Rome om de katholieken uit de Unie te doen treden, wat den tegenstand zou verbroken hebben.
Doch plotseling kwam een nieuwe onbehendigheid van hetministerie den heilzamen uitslag van die reeds eenigszins laattijdige overeenstemming vernietigen.
Gedurende den laatsten veldtocht tegen de regeering had deCourrier des Pays-Bas(Augustus-October 1829) in navolging van denCourrier de la Meuse, den Staatsalmanak uitgeplozen, en, met statistieken, de begunstiging van Holland en de verongelijking van België in de vestiging van alle voorname Staatsinrichtingen, getoond: het Krijgsgerechtshof en het Muntwezen waren te Utrecht gevestigd; het Krijgsarsenaal te Delft; de Krijgsschool te Breda; eindelijk in den Haag, waar reeds alle twee jaren de Staten-Generaal bijeenkwamen, waren de Ministeries, de Rekenkamer, het Hof van Adeldom en de Kanselarijen der koninklijke orden gevestigd. Deze kritiek had de regeering, niet zonder grond, weerlegd, met te toonen dat België voortdurend het gevaar van eenen Franschen inval liep, 't geen dus de vestiging der openbare instellingen in het Noorden noodzaakte, en met te wijzen op zekere belangrijke uitgaven, welke zich de regeering in het uitsluitend voordeel van België getroost had. Aan de tegenwerping dat de Hollanders alléen de groote Staatsambten bekleedden, antwoordde men door eene andere lijst, die bewees dat de Eerste Kamer der Staten-Generaal, door den Koning benoemd, dertig Belgen en zes-en-twintig Hollanders telde, de Staatsraad twaalf Hollanders en elf Belgen, de Rekenkamer evenveel Belgen als Hollanders, en dat de hoogste post des rijks, namelijk die van Gouverneur-Generaal van Oost-Indië, bekleed was door een Belg, Burggraaf du Bus de Ghisignies, tot groot misnoegen der hoogere kringen in Holland.
Die verklaringen konden echter niet opwegen tegen den indruk in België verwekt door de afkondiging der lijsten van denCourrier des Pays-Bas. Men beschouwde zich als diep verongelijkt.
En nu, in zulk een toestand kwam eene verordening van 21enJuni 1830 den zetel van het nieuwe Hooger Gerechtshof in Den Haag vestigen. Opnieuw haalden de dagbladen der oppositie hunne statistieken uit den hoek; opnieuw werd geschreeuwd over de Hollandsche overheersching. Overigens,er werd klaar bewezen dat dit besluit onbillijk en onzinnig was, daar in tien jaar de Belgische gerechtshoven vijf maal meer burgerlijke processen te beoordeelen gehad hadden dan het Hof in den Haag. De hartstochtelijke aanvallen der Belgische drukpers haalden haar nieuwe vervolgingen op den hals; er was bijna geen enkel dagblad der oppositie, of een zijner opstellers was voor de rechtbank gedaagd. En intusschen stortte Libry-Bagnano de hatelijkste scheldwoorden en lasterlijkste aantijgingen uit inLe National, over de tegenstrevers der regeering, zonder aanzien van personen; zoodat verkleefde dienaars van het huis van Nassau zelf zijne verwijdering aanraadden.
Ziehier hoe op 21enJuni 1830, de Oostenrijksche gezant, graaf de Mier, zich over de Belgische toestanden in een vertrouwelijk schrijven aan zijne regeering uitdrukte: «Sedert de tien jaar dat ik dit land bewoon, heb ik slechts een voortdurend veranderen van stelsel, in al de takken van bestuur, aanschouwd. Ik heb slechts zien breken en maken, zich eerst aan iets wagen en koppig volharden om dan achteruit te gaan en met kwade luim toe te geven; een slechte wet voorstellen, veranderen, intrekken, dan opnieuw, aanbieden; het gemaal belasten, dan vrijstellen; het wijsgeerig college verplichtend, later facultatief maken en het eindelijk afschaffen; de studiën in den vreemde verbieden en ze weer toelaten; eene zoogezegde nationale taal opdringen, die door de helft der natie niet begrepen wordt en dan met tegenzin op die willekeurige handelwijze terugkomen; de drukpers vrijlaten en ze weer intoomen; — met een woord, bestendigheid in niets. Is het dan te verwonderen dat zulk een staat van zaken een bijna algemeene ontevredenheid verwekt heeft, en dat deze redenen, gevoegd bij eenige niet minder belangrijke, dit talrijk petitionnement veroorzaakt hebben, dat men eerst als oproerig bestempelde, en later voer belachelijk heeft willen doen doorgaan? Maar dit petitionnement voor de herstelling der grieven heeft grootendeels den uitslag bekomen, dien zijne inrichters beoogden — , en de regeering, ofschoon zij deze als voorgewende grieven en de oppositie als woelziek uitgeeft, heeftde wezenlijkheid dezer grieven herkend met ze te herstellen, heeft zich door de bent overwonnen verklaard met aan hare klachten toe te geven, en heeft zich zelf gelogenstraft, met heden aan de kwaal te meesteren, die zij gisteren nog ontkende. Zoo is 't dat, dank zij 't petitionnement, de belasting op 't gemaal uit de Staatsbegrooting verdwenen is, dat het heffen van een accijnsrecht op de koffie een stelsel ingevoerd heeft, minder nadeelig voor de landbouwbelangen der Zuidelijke provinciën, dat de bepaling, die de beambten met burgerlijke onbevoegdheid sloeg, wanneer het bestuur hun geen eervol ontslag verleende, afgeschaft is. Zoo is 't eindelijk, dat, op dezelfde wijze, de besluiten op onderwijs en taal afgeperst geworden zijn. Moet dit alles de regeering en den Koning niet kleineeren in de oogen zijner eigene onderdanen, en ze vernederen bij de andere regeeringen?»