ACHTSTE HOOFDSTUK.Verloren tijd inhalen.Het was zooals de Schipper of de Kapitein van de „Lijnbaan” voorspeld had, men bleef maar kort aan den wal. Reeds vier weken later was Michiel weer in zee.Ook ditmaal had de „Lijnbaan” eene zeer voordeelige reis en getuigde de „Barre Bruinvisch” van Michiel, dat hij de uitmuntendste jongen was, dien hij nog ooit gehad had. Zelfs Geleyn Evertsen moest voor hem onderdoen, en dat zeide zoo iets.Michiel echter dacht nog altijd aan zijne zoogenaamde ingeving en aan zijne beloften, aanboord nog te zullen leeren. Hij begreep zeer goed dat hij, met het weinigje kennis, dat hij bezat, het niet ver zou brengen. Dat zag hij dagelijks aan den „Barren Bruinvisch.”Andere reeders, vooral uit Middelburg, hadden Lievensz. wat dikwijls gevraagd of hij niet bij hen aanboord, als Bootsman, wilde dienen, hij zou dan zoo en zooveel dukaten meer in het jaar krijgen.Dat nu doet een reeder zoo gauw niet en de „BarreBruinvisch” moest dan ook meer waard zijn dan anderen.De Heeren Lampsens, die eenen Bootsman, als Lievensz. was, liever wilden houden, verhoogden telkens zijn loon, en de man had dan ook, ik weet niet hoe dikwijls gezegd: „Zoolang de Heeren Lampsens schepen hebben en ik varen kan, zoolang blijf ik bij hen aanboord, en zal ik me op geen ander schip laten aanmonsteren.”Maar wat was Lievensz. aanboord van de Heeren Lampsens?Bootsman!Wat zou hij zijn leven lang blijven?Bootsman!Wat kon hij op schepen van andere reeders worden?Bootsman!Wat zou hij daar misschien, voor veel geld, blijven?Bootsman!En hoe kwam dat?Lievensz. zelf heeft het al gezegd: hij kon niet lezen of niet schrijven, en aan vooruit komen was dus niet te denken.Dat wist Michiel, en Michiel wist ook zeer goed dat hij denzelfden weg zou opgaan, als hij niet maakte, dat hij wat meer wist, dan wat hij op de drie scholen waar hij weggejaagd was, nog had kunnen leeren.In zijne ledige oogenblikken, als zelfs Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met de matrozen grappen maakten, of met de dobbelsteenen speelden, zat Michiel met een boek of eene lei voor zich.Het kostte hem wat moeite om de vermenigvuldiging en deeling met tiendeelige breuken, nog niet zoo heel lang geleden door Simon Stevin in gebruik gebracht, in het hoofd te krijgen, en de Stuurman, die hem leerde lezen en zijne sommen nazag, haalde dikwijls onder het lezen de schouders op en zeide dan: „Domoor, dat staat er niet! Eene slak op eenen drogen zandweg vordert meer dan gij.”Op eenen anderen tijd, als er gerekend was, ging er vaakeene dikke streep door al de sommen heen, omdat er niet ééne goede was. Ja, er haperde dan weinig aan of Michiel kreeg, nadat hij zich had hooren toevoegen: „Domoor, niemendal goed,” bijna de lei naar het hoofd.En als Michiel dan die doorgestreepte sommen zag en hij dacht aan de moeite, die hij gehad had, ze te maken, zie, dan smeet hij lei, boek, pen en griffel wel eens baloorig weg en begon dan, met de handen onder het hoofd, een deuntje te huilen.Maar dan sprong hij dikwijls weer opeens op, droogde zijne tranen af, nam lei, boek, pen en griffel weer in de hand en zei tot zichzelven: „Michiel, Michiel, zóó komt gij er niet! Zóó blijft gij levenslang de oude knecht. Denk er aan, jongen, wat ge op den avond vóór de eerste reis tegen uwe goede Ouders in het bijzijn van den „Barren Bruinvisch” en van buurman Engels gezegd hebt. Weet ge het niet meer?”—Jawel, willen is kunnen!—Juist, willen is kunnen! Pak op, lei, boek, pen en griffel! Maak de sommen dertig- ja, veertigmaal fout, ééns zullen ze goed zijn en zal de Stuurman zeggen: „Zoo, dat is er in! Nu wat anders! Eens zult ge zelf begrijpen, wat ge leest en het zal zóó goed gaan, dat alweer de Stuurman zegt: „Zoo, jongen, dat is goed! Dat gaat vooruit!” Toe dan, Michiel, den verspeelden tijd inhalen, en gaat het moeielijk, ja, lijkt het onmogelijk, op, op, bootsmansjongen! Willen is kunnen!”En als Michiel zoo met zichzelven aan het redeneeren geweest was, dan ging hij aan het werken, aan het spellen, lezen en rekenen, dat hem de ooren gloeiden, de wangen tintelden en hem het zweet met groote druppels van het hoofd vloeide.Dat wel besteden van zijnen tijd, en die ijzeren wil van Michiel waren dan ook oorzaak, dat de Stuurman dikwijls tot zichzelven zeide: „Zou het ook aan mijne manier vanonderwijzen haperen, dat de jongen niet harder vordert? Als hij maar één vrij oogenblikje heeft, gebruikt hij het om te leeren en—dom of traag van begrip is hij in het geheel niet. Ik moet toch nog eens een ander middel bedenken om hem het een en ander aan zijn verstand te brengen!”De Stuurman deed, wat hij zich voorgenomen had, maar de man kon niet helpen, dat hij den slag van „duidelijk maken” maar niet beet krijgen kon, al wist hij zelf de zaken ook nog zoo goed. Intusschen, waar èn de onderwijzer èn de leerling zóó zich inspannen, daar moet wat geleerd worden, al is het ook niet veel, en al gaat het voetje voor voetje en zóó langzaam, dat men voor zichzelven begint te gelooven, dat men niet vordert.Daar kwam hij van zijne tweede reis thuis en toen hij in het kantoor van de Heeren Lampsens stond om zijn geld te ontvangen, sprong hij ineens op en riep: „Goddank!”„Wat is er, jongen?” vroeg Adriaen, de oudste der broeders, natuurlijk over dien uitroep verbaasd.„O, Sinjeur, Sinjeur, het heeft toch geholpen! Ik ga vooruit!” riep Michiel opgewonden uit.„Wat mankeert die jongen, Cornelis?” vroeg nu Adriaen aan zijnen broeder.„Ik weet het niet! Ik geloof, dat het hem in de bovenkamer hapert!”„Neen, neen, Sinjeurs, alles behalve dat! Ik ga vooruit, ja, en zelfs veel harder vooruit dan ik zelf meende. En ik dacht, dat ik niet vorderde!”„Maar waarin gaat gij dan vooruit?” vroeg Cornelis.„In de kunst van lezen, Sinjeur!”„Aha! Is er daarom zulk eene pret in het land? Daarom zoo blij? Nu, dat is een goed teeken. Maar hoe weet ge, dat ge in de leeskunst nog al veel vooruit gegaan zijt?”„Wel, Sinjeurs, toen ik den laatsten keer hier was, konik het schrift van die koopmans-brieven, die daar hangen, niet lezen, en nu wel!”„Ferm zoo, Michiel, ferm zoo!” sprak Adriaen, en zijne hand op het hoofd van den knaap leggende, zeide hij nog: „Zoo komt men vooruit in de wereld!”„En van wien leert ge dat, Michiel?” vroeg Cornelis.„Van den tweeden Stuurman, Sinjeur! Och, hij heeft zooveel geduld met me. Hij leert me rekenen ook!”„Nu, dat is goed, jongen! Vertel het hem maar, hoor! Het is eenen leermeester altijd aangenaam zoo hij te weten komt, dat zijn discipel vorderingen maakt! Dag, Michiel!”„Goeden middag, Sinjeurs!” antwoordde Michiel en liep, in de blijdschap zijns harten, naar de „Lijnbaan”, om daar den goeden Stuurman terstond te vertellen, dat hij, Michiel, in het lezen toch zulke vorderingen gemaakt had.De Stuurman hoorde hem lachend aan en zei: „Mooi, mooi, jongen! Op de volgende reis zullen we het er nog eens van hebben!”„Alsjeblief, Stuurman, alsjeblief!” riep Michiel, en snelde nu naar huis toe, waar hij zijne lieve Moeder de tranen van blijdschap in de oogen deed komen op zijn bericht, dat hij in de leeskunst zoo vooruitging. En ieder moest dat weten, ja, ook hij, hij!Wie was die hij?„Moeder, ik heb alweer een paar Oostersche muilen meegebracht, ik ga ze eens wegbrengen!”„Dat is goed, jongen! Aan wien?”„Aan Meester Van Gelder, Moeder! De andere twee Meesters zijn dood, anders bracht ik die er ook ieder een paar.”Moeder Alida sloeg van verbazing de handen in elkander en riep: „Een paar muilen voor Meester Van Gelder?”„Ja, Moeder!”„Voor-Meester-Van-Gel-der?” herhaalde Moeder Alida, niet tot zichzelve kunnende komen van verbazing, en op iedere lettergreep drukkende.„Ja, Moeder, voor Meester Van Gelder, voor niemand anders. Vindt ge dat zoo vreemd?”„Maar, jongen, zijt gij dan die katten-geschiedenis heelemaal vergeten? Is de bullepees, waarmede hij dreigde, u dan uit de gedachten?”„Neen, Moeder! Maar dat de Meester dacht dat ik het gedaan had, was niet zoo heel gemeen van hem!”„Maar, kind, wat hoor ik nu pas? Hebt gij het dan toch gedaan?”„Neen, Moeder, maar zou het zulk een wonder geweest zijn, als ik het gedaan had?”„Neen, Michiel, want ge waart bar ondeugend!”„Welnu, Moeder, omdat ik zoo ondeugend ben geweest, én omdat ik weet dat ik Meester Van Gelder dikwijls reden gegeven heb mij te straffen, èn ook omdat ik weet, dat hij mij wel leeren wou, maar dat ik nietwilde, daarom ga ik hem een paar muilen brengen en vragen of we goede vrienden kunnen worden!”Moeder Alida veegde met heur voorschoot zich den mond af, doch kwam toch wat hooger ook.„Kom eens hier, Michiel!” zei ze.Michiel deed het.Moeder boog zich tot aan zijn oor en fluisterde hem toe: „Zeeman, kleine zeeman, je bent Moeder Alida’s liefste jongen! Zijt gij nu niet boos meer op me, dat ik het altijd tegen gehouden heb, dat ge naar zee gingt?”„Moeder, ik boos?” zei Michiel zachtjes. „Nooit boos geweest op u! Ik kon nooit boos op u zijn!”De zachtzinnige en teedere Moeder gaf haren lieveling eenen kus en zei: „Ga, kind, ga naar uwen ouden Meester! Het is zoo goed, alsof gij eenen kerkgang doet!”Michiel ging de deur uit, knikte door de ruiten zijne Moeder nog eens vriendelijk toe, en liet een vijf minuten later den klopper op Meester Van Gelders deur vallen.„Ga eens kijken wie daar is, Anna!” zei Meester VanGelder, die juist bezig was met pennen te vermaken, tot zijn dochtertje.Anna ging naar de deur, opende die en liet Michiel in de gang komen, waarna ze de voordeur sloot.„Ik wilde uwen Vader wel eens een oogenblikje spreken, Anna,” zeide Michiel.Anna kende den dikken, jongen en net gekleeden zeeman niet meer, en vroeg: „Als Vader vraagt wie er is, wat zal ik dan zeggen?”„Als er iemand is om me te spreken, moet hij maar hier komen,” riep Meester Van Gelder uit de school.Michiel herkende terstond zijne stem en ging de school, die met eene deur in de gang uitkwam, binnen.En daar zat op dezelfde plaats waar hij jaren geleden reeds zat, met hetzelfde pennemes in de handen en denzelfden pennenbak voor zich, de forsche gestalte van Meester Van Gelder, nog niets veranderd.Ook de geheele inrichting van de school was nog zoo als in de jaren toen Michiel school ging.Dáár had Michiel gezeten, daar in dat hoekje bij den schoorsteen. Dáár was het bord waarop hij het zoogenaamde portret van Meester geteekend had.„Wat is er, vriendschap?” vroeg Meester Van Gelder de punten van eene pen op zijne duim leggende om ze met zijn mes af te punten, en zonder den bezoeker aan te kijken.„Dag, Meester!” sprak Michiel.„Wat Zaterdag, die stem, dat gezicht,” zei Meester, terwijl hij Michiel aanzag.„Dag, Meester,” herhaalde Michiel lachend.„Drommelsche jongen, je bent toch niet....?”„Jawel, Meester, ik zie, dat u het weet wie ik ben! Zeg het maar!”„Michiel!?”„Juist, Meester, Michiel Adriaensz. de Ruyter, de grootste straatbengel, dien ge ooit op school gehad hebt!”„Michiel!? Jij, Michiel? En jij hier?”„Ja, Meester, ik hier! Vind u dat zoo vreemd?”„Maar, jongen, kan ik mijne oogen wel vertrouwen? Fopt gij me niet?”„Benik dan zóó veranderd, Meester?”„Neen, jongen, nu ik u goed bekijk, zijt ge wel grooter, steviger en dikker geworden, maar uw gezicht is heelemaal hetzelfde gebleven! Het verwondert me maar zoo, dat ge bij mij komt. Vroeger waart ge....”„Blij als ik u niet zag, wil u dat niet zeggen? Gij hieldt me voor den liederlijksten straatjongen van heel Vlissingen, is het niet zoo?”„Ja, jongen, daar hield ik je voor. Later is het uitgekomen, dat er nog grooter schelmen waren dan gij er een waart!”„Ei, Meester! Dat moeten nu dan toch zoo even deugnieten geweest zijn!”„Dat waren ze ook, Michiel! Denkt ge nog wel eens aan die katten-geschiedenis, en—aan de bullepees?”„Ja, Meester, en dan moet ik er telkens om lachen!”„Ik denk er ook wel eens aan, jongen, en wel dikwijls zelfs, want van dien avond af ben ik een heel ander mensch geworden. Ik ben glad bekeerd. Ik had leelijke gebreken, jongen!”Thans was de beurt aan Michiel om verbaasd op te kijken en heel natuurlijk was zijn uitroep: „Maar, Meester!”„Ja, jongen, kijk zoo gek niet. Ik ben bekeerd door dien „Barren Bruinvisch”. Die man heeft me in een oogenblik van eene leelijke ondeugd genezen. Sinds dien avond maak ik mij zoo onverstandig driftig niet meer en houd ik mij bedaard. Het gevolg daarvan is, dat ik tegenwoordig zooveel pleizier van mijne discipelen heb, als vroeger verdriet. En weet ge wat eene maand later uitkwam?”„Neen, Meester!”„Dat Lammen Lammensz. de kat door het open raam in mijne pap gesmeten heeft!”„Wat, die brave Lammen, die door u altijd als een toonbeeld van braafheid, deugd en leerzaamheid aan de heele school werd voorgesteld?!”„Dezelfde, Michiel, dezelfde!”„Wel, wat een gemeene huichelaar! En hoe kwam het uit?”„Zijn broertje heeft het verklikt toen hij boos op hem was. En weet ge ook, wien ik nog grooter ondeugd noem dan gij ooit geweest zijt?”„Zeker dien Lammen, Meester?”„Juist, Michiel! Gij deedt kwaad en ge staakt het onder geene stoelen of banken en—ge loogt nooit! Die Lammen was een boosdoener, en speelde den brave met honderden keeren te liegen. Michiel, jongen, geef me eene hand. Ik heb u niet altijd goed behandeld!”Michiel vatte die hand en zei: „Meester, ik was juist van plan u te komen vragen, of ge, alsjeblieft, al mijne kwâjongensstreken vergeven en vergeten wilt, en of ik u, als eene aardigheid, deze Oostersche muilen mag geven. Ik heb ze voor u meegebracht van Amboina.”„Michiel! Jongen! Het is precies zooals Dominé zegt: „In Michiel Adriaensz. De Ruyter steekt wat goeds, en hij zou het ver kunnen brengen, als hij wat meer geleerd had!” Dat zei Dominé en ik zeg het hem na, Michiel! Het is o, zoo jammer dat ge niet wat meer weet! Kunt ge nog wel lezen wat daar op het bord staat?”Michiel begon te lachen, toen hij zag dat het speloefeningen voor de eerstbeginnenden waren.„Wel ja, Meester,” zei hij, „en dat op dit bord hier achter ons ook wel!”„Maar, jongen, dat is toch niet waar? Dat zijn schrijfvoorbeelden voor de hoogsten!”„Toch waar,” was het antwoord, en om er het bewijs van te leveren begon Michiel alles te lezen.„Daar begrijp ik niemendal van,” sprak Meester. „Hebtge dan, nadat ge hier van school gejaagd zijt, nog ergens anders school gegaan?”„Neen, Meester! Maar ik heb aanboord nog al veel vrijen tijd, en de tweede Stuurman, die veel geduld heeft en veel van me houdt, heeft me leeren lezen. Ik reken ook. Ik kan al op zijn Simons Stevens, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen! Het kan me naderhand te pas komen!”Meester Van Gelder sloeg van pure verwondering de handen in elkander en zeide eindelijk: „Jongen, Michiel, ik weet wat! Ge hebt het zeker nu niet druk?”„Ja, Meester, heel druk! „Want over eene week of drie zeilen we alweer uit!”„Dat zal wel niet waar zijn, Michiel!”„Toch heusch en stellig waar, Meester!”„Ik weet er meer af dan gij, Michiel! Er loopen sedert vanmiddag rare praatjes door de stad.”„Ja, Meester? En welke als ik vragen mag?”„Dat de Spanjaarden weer groote vorderingen maken, te land, en terzee weer te duchten zijn. De schepen, die binnen zijn, zullen vooreerst wel binnen blijven ook! Het is of we na het Bestand minder flink en doortastend geworden zijn!”„Ze zeggen, dat Zijne Excellentie Prince Maurits ziekelijk is!”„Dat is hij ook! Maar die binnenlandsche verdeeldheden hebben ons veel kwaad gedaan!”„Zou u denken, Meester, dat die verdeeldheden van—van—ja, de namen ben ik vergeten....”„Van Remonstranten en Contra-Remonstranten, Michiel!”„Ja juist. En zou u denken, dat die de oorzaak zijn van het slappe oorlogvoeren na het Bestand?”„Ongetwijfeld, Michiel, stellig en zeker!”„Weet ge wat onze Schipper zegt?”„Neen, Michiel!”„Hij zegt, dat onze mannen nu alleen oog en hart hebben voor de Oost en de West. Ze hebben den lust verloren om te land te dienen. Op zee is het veel voordeeliger!”Meester Van Gelder streek de hand langs het voorhoofd en zei: „Ge hebt eenen verstandigen kop van eenen Schipper, maar hierin heeft de man geen gelijk. Van het land als soldaat te dienen zijn we nooit voorstanders geweest. Wij gaven liever geld, lieten Zwitsers, Duitschers, Franschen en Engelschen voor ons vechten en keken bedaard toe hoe Prince Maurits met dat rommelzoodje van alle natiën en tongen zulke groote dingen kon doen. Dat is zijn hoogste roem; dat lokte Hertogen en Graven, Markiezen en Baronnen uit andere landen om van hem te leeren hoe men krijgstucht uitoefent en met kleine middelen groote dingen doen kan. Prince Maurits is de grootste Veldheer van zijnen tijd. Maar de rust van het Bestand bracht onrust in de gemoederen. Nu men niet meer de oorlogskaart voor zich had en met bonte spelden den weg en de legers er op af teekende, greep men naar kleingeestige twistgeschriften en men zette de bonte spelden bij allerlei nietige twistvragen neer, alsof diezelfde twistvragen vijandelijke vestingen waren. En in dat vechten kreeg ieder Nederlander lust; daartoe had men wel dukaten beschikbaar, doch toen het Bestand ten einde was en Prince Maurits om dukaten vroeg om den oorlog tegen heel andere dan papieren vestingen met geleerden inkt bemorst, voort te zetten, was de lust, de rechte lust er niet toe. En die lust werd niet aangewakkerd door nieuwe krijgsbedrijven van den Prins, die alweer van meet af aan beginnen moest met een mengelmoes van allerlei volk tot een krachtig geheel te maken. We hebben ook te veel voorspoed gehad in den handel, Michiel! Millioenen schats zijn ons land binnengekomen, maar—rijkdom maakt een volk voor eenigen tijd wel machtig, doch krachtig nooit, en waar macht geen gevolg van kracht is,daar valt de macht eens in duigen, Doch, ik praat te veel, te geleerd misschien ook. Laat ik dus liever eene vraag doen. Als ik goed gezien hebt en ge blijft ditmaal lang aan den wal, hebt ge dan lust om na schooltijd bij me te komen, dan zal ik je les geven?”Michiel zei niet dadelijk ja; hij dacht om de kosten.„En als ge soms denkt, dat ik er éénen duit voor rekenen zal, dan hebt gij het mis! Nu ik gezien heb, dat ge wilt leeren, wil ik van mijnen kant graag wat doen om veel goed te maken. Doen, gauw, zeg maar ja, dan beginnen we dadelijk!”Nu wilde Michiel niet neen zeggen, en het gevolg hiervan was, dat hij pas bij Meester Van Gelder vandaan ging, toen het te donker was geworden om nog iets te doen.Dat hield Michiel zes of zeven weken lang zoo vol; want Meester Van Gelder had gelijk gehad: de „Lijnbaan” zeilde vooreerst niet uit.De Heeren Lampsens waren voorname kooplieden, maar zeer bedachtzaam. Waar veel te winnen, maar als het tegenliep, ook veel te verliezen viel, daar waren zij niet bij, en het gevolg hiervan was, dat ze bijna nooit verliezen leden. Men vindt van hen aangeteekend, dat zij voor eigen rekening twaalf schepen, die te zamen wel honderd tachtig stukken geschut voerden, uitgerust hadden voor den handel. In 1632 zonden ze, ook voor eigen rekening, de „Samson” en de „Vlissingen”, twee oorlogsschepen uit om de Duinkerker kapers te tuchtigen, en ze deden dat zóó goed, dat de verzekering van schepen, die op de Bocht van Frankrijk voeren en reeds tot acht, ja, tot tien ten honderd gestegen was, daalde tot drie ten honderd. De Duinkerkers durfden zich niet roeren of bewegen, en bleven in de haven. In het jaar 1654 deden ze het onbewoonde eiland Tabago, in Amerika, weder bevolken, een werk dat hun in elf jaar tijds gelukte. Zij brachten de kolonisten, met al wat dezen noodig hadden, in hun eigen schepen over. Adriaen Lampsenswas zelfs van 1650–52 Burgemeester van Vlissingen, en werd later door Lodewijk XIV, Koning van Frankrijk, versierd met de ridderorde van Sint Michael, en tot den Franschen adelstand verheven onder den titel van Baron van Tabago.Toen ik hierboven sprak van twaalf schepen, die samen wel honderdtachtig stukken geschut voerden, hebt ge mogelijk wel gedacht: waren dat dan oorlogsschepen?Neen, het waren koopvaardijschepen, doch die, in tijden van oorlog, ook wel eens dienst deden als oorlogsschepen. Men was toen wel genoodzaakt dekoopvaardijschepensterk te bemannen en van geschut te voorzien. Vooreerst, omdat we nog altijd in oorlog waren met Spanje en op zee menigmaal Spaansche oorlogsschepen ontmoetten. Ten tweede om de Duinkerker kapers, die aan het Nauw van Calais soms heel netjes de binnenvarende schepen der Hollanders wisten te bemachtigen. Ten derde om den naijver der Engelschen, die in Europa zoogenaamd onze vrienden waren, doch in de Oost-Indiën ons meest altijd als vijanden behandelden. En ten vierde, omdat die deelen van de Oost-Indiën, waarop wij handel dreven, nog niet zoo onder ons gezag waren, of ze konden onze schepen, die kwamen om te koopen, wel aanvallen en plunderen. Om al deze redenen was in dien tijd een koopvaardij-schip een oorlogsvaartuig in het klein.Maar keeren we tot onzen Michiel terug.Zes weken lang haalde hij, onafgebroken, iederen avond les, en of Meester Van Gelder er nu meer slag van had dan de tweede Stuurman van de „Lijnbaan”, dan wel of Michiel nu nog meer zijn best deed dan vroeger en gaandeweg gemakkelijker leerde, naarmate hij verder kwam, het is onzeker; maar waar is het, dat hij al een heel eind in de koopmans-berekeningen en de stuurmanskunst was gevorderd, toen hij op zekeren avond alweer bij Meester Van Gelder kwam en zeide: „Dat zal nu wel voor het laatst zijn, Meester!”„Voor het laatst, jongen? Hoe dat zoo?”„Wel, er is rondgeroepen, dat alle zeeluî, die door de omstandigheden gedwongen zijn aan wal te blijven, dienst kunnen nemen bij de busschieters in het Staatsche leger!”„En waarom zoudt gij dat doen?”„Och, ik zelf heb er niet zooveel lust in. Maar Vader zou graag zien, dat ik het deed!”„Ja, jongen, zulk een jong zeeman, die niemendal thuisbrengt, in den kost te hebben, is niet zoo heel voordeelig, dat begrijp ik best. Er zijn nog kleintjes thuis ook.”„Neen, Meester, dat is de reden toch niet. Ik betaal mijnen kost met mijne spaarpenningen meer dan voldoende en er zijn bij ons thuis al heel wat, die aardig helpen om de inkomsten te verbeteren. Van armoede lijden is geene sprake meer, gelukkig. Maar de Spanjaarden zijn in Brabant gevallen, en hebben onder Spinola de stad Steenbergen al ingenomen. Nu trekken ze op Bergen-op-Zoom, of, ze zullen er reeds wel wezen!”„Bergen-op-Zoom zullen ze zoo gauw niet hebben; Michiel! Het is sterker dan Steenbergen!”„Jawel, Meester! Maar nu is Vader uit de buurt van Bergen-op-Zoom, en hij trekt er altijd nog partij voor. Als hij geen huisgezin had, zei hij, ging hij er heen. En toen hij dat gezegd had, voegde hij er lachend bij: „Dat was net wat voor Michiel! Ze hebben het omgetrommeld, dat alle zeelui aan den wal dienst kunnen nemen als busschieter! Hebt gij er geenen lust in om eens onder onzen beroemden Prins Maurits de Spanjaarden te lijf te gaan?”Ik zag aan Vaders gezicht, dat het hem geen pleizier zou doen, als ik neen zeide, en daarom zeî ik: „Wel ja, Vader, ik wil te land ook wel eens dienen!”„Dat doet me pleizier, Michiel! Ik ga je dadelijk bij den Magistraat aangeven!” sprak Vader.Dit gebeurde op straat terwijl ik naar u kwam; maar als ik straks thuis kom, zal ik heel wat woorden moetengebruiken om alles goed te praten, want naar Vaders zin mag het zijn, naar Moeders zeker niet! Morgen ga ik er al heen.”Zoo sprak Michiel en den volgenden dag was hij des avonds reeds te Bergen-op-Zoom, waar de wakkere zeeluî met open armen ontvangen werden; want het scheen bij Spinola meenens te zijn met deze belegering. Had men er van Spaansche zijde in 1605 tot driemalen toe het hoofd voor gestooten, Spinola zou dat eens verbeteren en zien of deze vesting werkelijk zoo sterk was, als ze vertelden.Maar iets ontbrak den dapperen, moedigen en beleidvollen Spinola. Hij had geen enkel schip en moest dus aan eene zijde de stad onbelegerd laten. En aan die eene zijde kwam alles binnen, wat de belegerden noodig hadden: kruit, lood, geweren, levensmiddelen, en soldaten. Er was geen gebrek aan iets. Het gevolg daarvan was, dat alle aanvallen dapper werden afgeslagen, en dat Michiel, hij mocht al opgehouden hebben een straatjongen te zijn, hier op zijne dreef was, zal iedereen wel begrijpen. Wat hij uitvoerde en door welke drieste waagstukken of schoone heldendaden hij zich onderscheidde, is nergens opgeteekend, doch zijn levensbeschrijver, Gerard Brandt, deelt mede, dat hij er een paard kocht waarvan hij zich „stoutelijk” diende en in de uitvallen der bezetting verscheidene malen buit op den vijand behaalde. Als wij nu in zijne levensgeschiedenis lezen, dat hij als volwassen man een zeer slecht ruiter was en dat Spinola voor Bergen-op-Zoom in een beleg van achtenzeventig dagen wel tienduizend man verloor, dan behoeven we niet te vragen, of Michiel met of zonder paard ook zijn oud waaghalzenhart lucht gegeven heeft. Stellig en zeker heeft hij dat gedaan en de lust tot vechten schijnt hem toen eenige weken lang zoo bezield te hebben, dat hij bij zijne thuiskomst uit Bergen-op-Zoom, eenigen tijd als hoogbootsmans-jongen ten oorlog voer. Het leven aanboord van een oorlogsschip scheen hem echter niet erg bevallen te zijn, want al heel spoedig washij weer thuis. Lang zou hij echter niet aan den wal blijven, want in hetzelfde jaar was hij weer aanboord van de „Lijnbaan”, die ditmaal eene lading Fransche wijnen te Bordeaux zou gaan halen.Veel gereed te maken viel er niet, zoodat Michiel op zijn gemak overal afscheid kon gaan nemen.Van Meester Van Gelder kreeg hij een paar reken-, lees- en schrijfboeken en de belofte mee, dat ze het nog eens zouden hervatten, als hij weer aanwal was.
ACHTSTE HOOFDSTUK.Verloren tijd inhalen.Het was zooals de Schipper of de Kapitein van de „Lijnbaan” voorspeld had, men bleef maar kort aan den wal. Reeds vier weken later was Michiel weer in zee.Ook ditmaal had de „Lijnbaan” eene zeer voordeelige reis en getuigde de „Barre Bruinvisch” van Michiel, dat hij de uitmuntendste jongen was, dien hij nog ooit gehad had. Zelfs Geleyn Evertsen moest voor hem onderdoen, en dat zeide zoo iets.Michiel echter dacht nog altijd aan zijne zoogenaamde ingeving en aan zijne beloften, aanboord nog te zullen leeren. Hij begreep zeer goed dat hij, met het weinigje kennis, dat hij bezat, het niet ver zou brengen. Dat zag hij dagelijks aan den „Barren Bruinvisch.”Andere reeders, vooral uit Middelburg, hadden Lievensz. wat dikwijls gevraagd of hij niet bij hen aanboord, als Bootsman, wilde dienen, hij zou dan zoo en zooveel dukaten meer in het jaar krijgen.Dat nu doet een reeder zoo gauw niet en de „BarreBruinvisch” moest dan ook meer waard zijn dan anderen.De Heeren Lampsens, die eenen Bootsman, als Lievensz. was, liever wilden houden, verhoogden telkens zijn loon, en de man had dan ook, ik weet niet hoe dikwijls gezegd: „Zoolang de Heeren Lampsens schepen hebben en ik varen kan, zoolang blijf ik bij hen aanboord, en zal ik me op geen ander schip laten aanmonsteren.”Maar wat was Lievensz. aanboord van de Heeren Lampsens?Bootsman!Wat zou hij zijn leven lang blijven?Bootsman!Wat kon hij op schepen van andere reeders worden?Bootsman!Wat zou hij daar misschien, voor veel geld, blijven?Bootsman!En hoe kwam dat?Lievensz. zelf heeft het al gezegd: hij kon niet lezen of niet schrijven, en aan vooruit komen was dus niet te denken.Dat wist Michiel, en Michiel wist ook zeer goed dat hij denzelfden weg zou opgaan, als hij niet maakte, dat hij wat meer wist, dan wat hij op de drie scholen waar hij weggejaagd was, nog had kunnen leeren.In zijne ledige oogenblikken, als zelfs Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met de matrozen grappen maakten, of met de dobbelsteenen speelden, zat Michiel met een boek of eene lei voor zich.Het kostte hem wat moeite om de vermenigvuldiging en deeling met tiendeelige breuken, nog niet zoo heel lang geleden door Simon Stevin in gebruik gebracht, in het hoofd te krijgen, en de Stuurman, die hem leerde lezen en zijne sommen nazag, haalde dikwijls onder het lezen de schouders op en zeide dan: „Domoor, dat staat er niet! Eene slak op eenen drogen zandweg vordert meer dan gij.”Op eenen anderen tijd, als er gerekend was, ging er vaakeene dikke streep door al de sommen heen, omdat er niet ééne goede was. Ja, er haperde dan weinig aan of Michiel kreeg, nadat hij zich had hooren toevoegen: „Domoor, niemendal goed,” bijna de lei naar het hoofd.En als Michiel dan die doorgestreepte sommen zag en hij dacht aan de moeite, die hij gehad had, ze te maken, zie, dan smeet hij lei, boek, pen en griffel wel eens baloorig weg en begon dan, met de handen onder het hoofd, een deuntje te huilen.Maar dan sprong hij dikwijls weer opeens op, droogde zijne tranen af, nam lei, boek, pen en griffel weer in de hand en zei tot zichzelven: „Michiel, Michiel, zóó komt gij er niet! Zóó blijft gij levenslang de oude knecht. Denk er aan, jongen, wat ge op den avond vóór de eerste reis tegen uwe goede Ouders in het bijzijn van den „Barren Bruinvisch” en van buurman Engels gezegd hebt. Weet ge het niet meer?”—Jawel, willen is kunnen!—Juist, willen is kunnen! Pak op, lei, boek, pen en griffel! Maak de sommen dertig- ja, veertigmaal fout, ééns zullen ze goed zijn en zal de Stuurman zeggen: „Zoo, dat is er in! Nu wat anders! Eens zult ge zelf begrijpen, wat ge leest en het zal zóó goed gaan, dat alweer de Stuurman zegt: „Zoo, jongen, dat is goed! Dat gaat vooruit!” Toe dan, Michiel, den verspeelden tijd inhalen, en gaat het moeielijk, ja, lijkt het onmogelijk, op, op, bootsmansjongen! Willen is kunnen!”En als Michiel zoo met zichzelven aan het redeneeren geweest was, dan ging hij aan het werken, aan het spellen, lezen en rekenen, dat hem de ooren gloeiden, de wangen tintelden en hem het zweet met groote druppels van het hoofd vloeide.Dat wel besteden van zijnen tijd, en die ijzeren wil van Michiel waren dan ook oorzaak, dat de Stuurman dikwijls tot zichzelven zeide: „Zou het ook aan mijne manier vanonderwijzen haperen, dat de jongen niet harder vordert? Als hij maar één vrij oogenblikje heeft, gebruikt hij het om te leeren en—dom of traag van begrip is hij in het geheel niet. Ik moet toch nog eens een ander middel bedenken om hem het een en ander aan zijn verstand te brengen!”De Stuurman deed, wat hij zich voorgenomen had, maar de man kon niet helpen, dat hij den slag van „duidelijk maken” maar niet beet krijgen kon, al wist hij zelf de zaken ook nog zoo goed. Intusschen, waar èn de onderwijzer èn de leerling zóó zich inspannen, daar moet wat geleerd worden, al is het ook niet veel, en al gaat het voetje voor voetje en zóó langzaam, dat men voor zichzelven begint te gelooven, dat men niet vordert.Daar kwam hij van zijne tweede reis thuis en toen hij in het kantoor van de Heeren Lampsens stond om zijn geld te ontvangen, sprong hij ineens op en riep: „Goddank!”„Wat is er, jongen?” vroeg Adriaen, de oudste der broeders, natuurlijk over dien uitroep verbaasd.„O, Sinjeur, Sinjeur, het heeft toch geholpen! Ik ga vooruit!” riep Michiel opgewonden uit.„Wat mankeert die jongen, Cornelis?” vroeg nu Adriaen aan zijnen broeder.„Ik weet het niet! Ik geloof, dat het hem in de bovenkamer hapert!”„Neen, neen, Sinjeurs, alles behalve dat! Ik ga vooruit, ja, en zelfs veel harder vooruit dan ik zelf meende. En ik dacht, dat ik niet vorderde!”„Maar waarin gaat gij dan vooruit?” vroeg Cornelis.„In de kunst van lezen, Sinjeur!”„Aha! Is er daarom zulk eene pret in het land? Daarom zoo blij? Nu, dat is een goed teeken. Maar hoe weet ge, dat ge in de leeskunst nog al veel vooruit gegaan zijt?”„Wel, Sinjeurs, toen ik den laatsten keer hier was, konik het schrift van die koopmans-brieven, die daar hangen, niet lezen, en nu wel!”„Ferm zoo, Michiel, ferm zoo!” sprak Adriaen, en zijne hand op het hoofd van den knaap leggende, zeide hij nog: „Zoo komt men vooruit in de wereld!”„En van wien leert ge dat, Michiel?” vroeg Cornelis.„Van den tweeden Stuurman, Sinjeur! Och, hij heeft zooveel geduld met me. Hij leert me rekenen ook!”„Nu, dat is goed, jongen! Vertel het hem maar, hoor! Het is eenen leermeester altijd aangenaam zoo hij te weten komt, dat zijn discipel vorderingen maakt! Dag, Michiel!”„Goeden middag, Sinjeurs!” antwoordde Michiel en liep, in de blijdschap zijns harten, naar de „Lijnbaan”, om daar den goeden Stuurman terstond te vertellen, dat hij, Michiel, in het lezen toch zulke vorderingen gemaakt had.De Stuurman hoorde hem lachend aan en zei: „Mooi, mooi, jongen! Op de volgende reis zullen we het er nog eens van hebben!”„Alsjeblief, Stuurman, alsjeblief!” riep Michiel, en snelde nu naar huis toe, waar hij zijne lieve Moeder de tranen van blijdschap in de oogen deed komen op zijn bericht, dat hij in de leeskunst zoo vooruitging. En ieder moest dat weten, ja, ook hij, hij!Wie was die hij?„Moeder, ik heb alweer een paar Oostersche muilen meegebracht, ik ga ze eens wegbrengen!”„Dat is goed, jongen! Aan wien?”„Aan Meester Van Gelder, Moeder! De andere twee Meesters zijn dood, anders bracht ik die er ook ieder een paar.”Moeder Alida sloeg van verbazing de handen in elkander en riep: „Een paar muilen voor Meester Van Gelder?”„Ja, Moeder!”„Voor-Meester-Van-Gel-der?” herhaalde Moeder Alida, niet tot zichzelve kunnende komen van verbazing, en op iedere lettergreep drukkende.„Ja, Moeder, voor Meester Van Gelder, voor niemand anders. Vindt ge dat zoo vreemd?”„Maar, jongen, zijt gij dan die katten-geschiedenis heelemaal vergeten? Is de bullepees, waarmede hij dreigde, u dan uit de gedachten?”„Neen, Moeder! Maar dat de Meester dacht dat ik het gedaan had, was niet zoo heel gemeen van hem!”„Maar, kind, wat hoor ik nu pas? Hebt gij het dan toch gedaan?”„Neen, Moeder, maar zou het zulk een wonder geweest zijn, als ik het gedaan had?”„Neen, Michiel, want ge waart bar ondeugend!”„Welnu, Moeder, omdat ik zoo ondeugend ben geweest, én omdat ik weet dat ik Meester Van Gelder dikwijls reden gegeven heb mij te straffen, èn ook omdat ik weet, dat hij mij wel leeren wou, maar dat ik nietwilde, daarom ga ik hem een paar muilen brengen en vragen of we goede vrienden kunnen worden!”Moeder Alida veegde met heur voorschoot zich den mond af, doch kwam toch wat hooger ook.„Kom eens hier, Michiel!” zei ze.Michiel deed het.Moeder boog zich tot aan zijn oor en fluisterde hem toe: „Zeeman, kleine zeeman, je bent Moeder Alida’s liefste jongen! Zijt gij nu niet boos meer op me, dat ik het altijd tegen gehouden heb, dat ge naar zee gingt?”„Moeder, ik boos?” zei Michiel zachtjes. „Nooit boos geweest op u! Ik kon nooit boos op u zijn!”De zachtzinnige en teedere Moeder gaf haren lieveling eenen kus en zei: „Ga, kind, ga naar uwen ouden Meester! Het is zoo goed, alsof gij eenen kerkgang doet!”Michiel ging de deur uit, knikte door de ruiten zijne Moeder nog eens vriendelijk toe, en liet een vijf minuten later den klopper op Meester Van Gelders deur vallen.„Ga eens kijken wie daar is, Anna!” zei Meester VanGelder, die juist bezig was met pennen te vermaken, tot zijn dochtertje.Anna ging naar de deur, opende die en liet Michiel in de gang komen, waarna ze de voordeur sloot.„Ik wilde uwen Vader wel eens een oogenblikje spreken, Anna,” zeide Michiel.Anna kende den dikken, jongen en net gekleeden zeeman niet meer, en vroeg: „Als Vader vraagt wie er is, wat zal ik dan zeggen?”„Als er iemand is om me te spreken, moet hij maar hier komen,” riep Meester Van Gelder uit de school.Michiel herkende terstond zijne stem en ging de school, die met eene deur in de gang uitkwam, binnen.En daar zat op dezelfde plaats waar hij jaren geleden reeds zat, met hetzelfde pennemes in de handen en denzelfden pennenbak voor zich, de forsche gestalte van Meester Van Gelder, nog niets veranderd.Ook de geheele inrichting van de school was nog zoo als in de jaren toen Michiel school ging.Dáár had Michiel gezeten, daar in dat hoekje bij den schoorsteen. Dáár was het bord waarop hij het zoogenaamde portret van Meester geteekend had.„Wat is er, vriendschap?” vroeg Meester Van Gelder de punten van eene pen op zijne duim leggende om ze met zijn mes af te punten, en zonder den bezoeker aan te kijken.„Dag, Meester!” sprak Michiel.„Wat Zaterdag, die stem, dat gezicht,” zei Meester, terwijl hij Michiel aanzag.„Dag, Meester,” herhaalde Michiel lachend.„Drommelsche jongen, je bent toch niet....?”„Jawel, Meester, ik zie, dat u het weet wie ik ben! Zeg het maar!”„Michiel!?”„Juist, Meester, Michiel Adriaensz. de Ruyter, de grootste straatbengel, dien ge ooit op school gehad hebt!”„Michiel!? Jij, Michiel? En jij hier?”„Ja, Meester, ik hier! Vind u dat zoo vreemd?”„Maar, jongen, kan ik mijne oogen wel vertrouwen? Fopt gij me niet?”„Benik dan zóó veranderd, Meester?”„Neen, jongen, nu ik u goed bekijk, zijt ge wel grooter, steviger en dikker geworden, maar uw gezicht is heelemaal hetzelfde gebleven! Het verwondert me maar zoo, dat ge bij mij komt. Vroeger waart ge....”„Blij als ik u niet zag, wil u dat niet zeggen? Gij hieldt me voor den liederlijksten straatjongen van heel Vlissingen, is het niet zoo?”„Ja, jongen, daar hield ik je voor. Later is het uitgekomen, dat er nog grooter schelmen waren dan gij er een waart!”„Ei, Meester! Dat moeten nu dan toch zoo even deugnieten geweest zijn!”„Dat waren ze ook, Michiel! Denkt ge nog wel eens aan die katten-geschiedenis, en—aan de bullepees?”„Ja, Meester, en dan moet ik er telkens om lachen!”„Ik denk er ook wel eens aan, jongen, en wel dikwijls zelfs, want van dien avond af ben ik een heel ander mensch geworden. Ik ben glad bekeerd. Ik had leelijke gebreken, jongen!”Thans was de beurt aan Michiel om verbaasd op te kijken en heel natuurlijk was zijn uitroep: „Maar, Meester!”„Ja, jongen, kijk zoo gek niet. Ik ben bekeerd door dien „Barren Bruinvisch”. Die man heeft me in een oogenblik van eene leelijke ondeugd genezen. Sinds dien avond maak ik mij zoo onverstandig driftig niet meer en houd ik mij bedaard. Het gevolg daarvan is, dat ik tegenwoordig zooveel pleizier van mijne discipelen heb, als vroeger verdriet. En weet ge wat eene maand later uitkwam?”„Neen, Meester!”„Dat Lammen Lammensz. de kat door het open raam in mijne pap gesmeten heeft!”„Wat, die brave Lammen, die door u altijd als een toonbeeld van braafheid, deugd en leerzaamheid aan de heele school werd voorgesteld?!”„Dezelfde, Michiel, dezelfde!”„Wel, wat een gemeene huichelaar! En hoe kwam het uit?”„Zijn broertje heeft het verklikt toen hij boos op hem was. En weet ge ook, wien ik nog grooter ondeugd noem dan gij ooit geweest zijt?”„Zeker dien Lammen, Meester?”„Juist, Michiel! Gij deedt kwaad en ge staakt het onder geene stoelen of banken en—ge loogt nooit! Die Lammen was een boosdoener, en speelde den brave met honderden keeren te liegen. Michiel, jongen, geef me eene hand. Ik heb u niet altijd goed behandeld!”Michiel vatte die hand en zei: „Meester, ik was juist van plan u te komen vragen, of ge, alsjeblieft, al mijne kwâjongensstreken vergeven en vergeten wilt, en of ik u, als eene aardigheid, deze Oostersche muilen mag geven. Ik heb ze voor u meegebracht van Amboina.”„Michiel! Jongen! Het is precies zooals Dominé zegt: „In Michiel Adriaensz. De Ruyter steekt wat goeds, en hij zou het ver kunnen brengen, als hij wat meer geleerd had!” Dat zei Dominé en ik zeg het hem na, Michiel! Het is o, zoo jammer dat ge niet wat meer weet! Kunt ge nog wel lezen wat daar op het bord staat?”Michiel begon te lachen, toen hij zag dat het speloefeningen voor de eerstbeginnenden waren.„Wel ja, Meester,” zei hij, „en dat op dit bord hier achter ons ook wel!”„Maar, jongen, dat is toch niet waar? Dat zijn schrijfvoorbeelden voor de hoogsten!”„Toch waar,” was het antwoord, en om er het bewijs van te leveren begon Michiel alles te lezen.„Daar begrijp ik niemendal van,” sprak Meester. „Hebtge dan, nadat ge hier van school gejaagd zijt, nog ergens anders school gegaan?”„Neen, Meester! Maar ik heb aanboord nog al veel vrijen tijd, en de tweede Stuurman, die veel geduld heeft en veel van me houdt, heeft me leeren lezen. Ik reken ook. Ik kan al op zijn Simons Stevens, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen! Het kan me naderhand te pas komen!”Meester Van Gelder sloeg van pure verwondering de handen in elkander en zeide eindelijk: „Jongen, Michiel, ik weet wat! Ge hebt het zeker nu niet druk?”„Ja, Meester, heel druk! „Want over eene week of drie zeilen we alweer uit!”„Dat zal wel niet waar zijn, Michiel!”„Toch heusch en stellig waar, Meester!”„Ik weet er meer af dan gij, Michiel! Er loopen sedert vanmiddag rare praatjes door de stad.”„Ja, Meester? En welke als ik vragen mag?”„Dat de Spanjaarden weer groote vorderingen maken, te land, en terzee weer te duchten zijn. De schepen, die binnen zijn, zullen vooreerst wel binnen blijven ook! Het is of we na het Bestand minder flink en doortastend geworden zijn!”„Ze zeggen, dat Zijne Excellentie Prince Maurits ziekelijk is!”„Dat is hij ook! Maar die binnenlandsche verdeeldheden hebben ons veel kwaad gedaan!”„Zou u denken, Meester, dat die verdeeldheden van—van—ja, de namen ben ik vergeten....”„Van Remonstranten en Contra-Remonstranten, Michiel!”„Ja juist. En zou u denken, dat die de oorzaak zijn van het slappe oorlogvoeren na het Bestand?”„Ongetwijfeld, Michiel, stellig en zeker!”„Weet ge wat onze Schipper zegt?”„Neen, Michiel!”„Hij zegt, dat onze mannen nu alleen oog en hart hebben voor de Oost en de West. Ze hebben den lust verloren om te land te dienen. Op zee is het veel voordeeliger!”Meester Van Gelder streek de hand langs het voorhoofd en zei: „Ge hebt eenen verstandigen kop van eenen Schipper, maar hierin heeft de man geen gelijk. Van het land als soldaat te dienen zijn we nooit voorstanders geweest. Wij gaven liever geld, lieten Zwitsers, Duitschers, Franschen en Engelschen voor ons vechten en keken bedaard toe hoe Prince Maurits met dat rommelzoodje van alle natiën en tongen zulke groote dingen kon doen. Dat is zijn hoogste roem; dat lokte Hertogen en Graven, Markiezen en Baronnen uit andere landen om van hem te leeren hoe men krijgstucht uitoefent en met kleine middelen groote dingen doen kan. Prince Maurits is de grootste Veldheer van zijnen tijd. Maar de rust van het Bestand bracht onrust in de gemoederen. Nu men niet meer de oorlogskaart voor zich had en met bonte spelden den weg en de legers er op af teekende, greep men naar kleingeestige twistgeschriften en men zette de bonte spelden bij allerlei nietige twistvragen neer, alsof diezelfde twistvragen vijandelijke vestingen waren. En in dat vechten kreeg ieder Nederlander lust; daartoe had men wel dukaten beschikbaar, doch toen het Bestand ten einde was en Prince Maurits om dukaten vroeg om den oorlog tegen heel andere dan papieren vestingen met geleerden inkt bemorst, voort te zetten, was de lust, de rechte lust er niet toe. En die lust werd niet aangewakkerd door nieuwe krijgsbedrijven van den Prins, die alweer van meet af aan beginnen moest met een mengelmoes van allerlei volk tot een krachtig geheel te maken. We hebben ook te veel voorspoed gehad in den handel, Michiel! Millioenen schats zijn ons land binnengekomen, maar—rijkdom maakt een volk voor eenigen tijd wel machtig, doch krachtig nooit, en waar macht geen gevolg van kracht is,daar valt de macht eens in duigen, Doch, ik praat te veel, te geleerd misschien ook. Laat ik dus liever eene vraag doen. Als ik goed gezien hebt en ge blijft ditmaal lang aan den wal, hebt ge dan lust om na schooltijd bij me te komen, dan zal ik je les geven?”Michiel zei niet dadelijk ja; hij dacht om de kosten.„En als ge soms denkt, dat ik er éénen duit voor rekenen zal, dan hebt gij het mis! Nu ik gezien heb, dat ge wilt leeren, wil ik van mijnen kant graag wat doen om veel goed te maken. Doen, gauw, zeg maar ja, dan beginnen we dadelijk!”Nu wilde Michiel niet neen zeggen, en het gevolg hiervan was, dat hij pas bij Meester Van Gelder vandaan ging, toen het te donker was geworden om nog iets te doen.Dat hield Michiel zes of zeven weken lang zoo vol; want Meester Van Gelder had gelijk gehad: de „Lijnbaan” zeilde vooreerst niet uit.De Heeren Lampsens waren voorname kooplieden, maar zeer bedachtzaam. Waar veel te winnen, maar als het tegenliep, ook veel te verliezen viel, daar waren zij niet bij, en het gevolg hiervan was, dat ze bijna nooit verliezen leden. Men vindt van hen aangeteekend, dat zij voor eigen rekening twaalf schepen, die te zamen wel honderd tachtig stukken geschut voerden, uitgerust hadden voor den handel. In 1632 zonden ze, ook voor eigen rekening, de „Samson” en de „Vlissingen”, twee oorlogsschepen uit om de Duinkerker kapers te tuchtigen, en ze deden dat zóó goed, dat de verzekering van schepen, die op de Bocht van Frankrijk voeren en reeds tot acht, ja, tot tien ten honderd gestegen was, daalde tot drie ten honderd. De Duinkerkers durfden zich niet roeren of bewegen, en bleven in de haven. In het jaar 1654 deden ze het onbewoonde eiland Tabago, in Amerika, weder bevolken, een werk dat hun in elf jaar tijds gelukte. Zij brachten de kolonisten, met al wat dezen noodig hadden, in hun eigen schepen over. Adriaen Lampsenswas zelfs van 1650–52 Burgemeester van Vlissingen, en werd later door Lodewijk XIV, Koning van Frankrijk, versierd met de ridderorde van Sint Michael, en tot den Franschen adelstand verheven onder den titel van Baron van Tabago.Toen ik hierboven sprak van twaalf schepen, die samen wel honderdtachtig stukken geschut voerden, hebt ge mogelijk wel gedacht: waren dat dan oorlogsschepen?Neen, het waren koopvaardijschepen, doch die, in tijden van oorlog, ook wel eens dienst deden als oorlogsschepen. Men was toen wel genoodzaakt dekoopvaardijschepensterk te bemannen en van geschut te voorzien. Vooreerst, omdat we nog altijd in oorlog waren met Spanje en op zee menigmaal Spaansche oorlogsschepen ontmoetten. Ten tweede om de Duinkerker kapers, die aan het Nauw van Calais soms heel netjes de binnenvarende schepen der Hollanders wisten te bemachtigen. Ten derde om den naijver der Engelschen, die in Europa zoogenaamd onze vrienden waren, doch in de Oost-Indiën ons meest altijd als vijanden behandelden. En ten vierde, omdat die deelen van de Oost-Indiën, waarop wij handel dreven, nog niet zoo onder ons gezag waren, of ze konden onze schepen, die kwamen om te koopen, wel aanvallen en plunderen. Om al deze redenen was in dien tijd een koopvaardij-schip een oorlogsvaartuig in het klein.Maar keeren we tot onzen Michiel terug.Zes weken lang haalde hij, onafgebroken, iederen avond les, en of Meester Van Gelder er nu meer slag van had dan de tweede Stuurman van de „Lijnbaan”, dan wel of Michiel nu nog meer zijn best deed dan vroeger en gaandeweg gemakkelijker leerde, naarmate hij verder kwam, het is onzeker; maar waar is het, dat hij al een heel eind in de koopmans-berekeningen en de stuurmanskunst was gevorderd, toen hij op zekeren avond alweer bij Meester Van Gelder kwam en zeide: „Dat zal nu wel voor het laatst zijn, Meester!”„Voor het laatst, jongen? Hoe dat zoo?”„Wel, er is rondgeroepen, dat alle zeeluî, die door de omstandigheden gedwongen zijn aan wal te blijven, dienst kunnen nemen bij de busschieters in het Staatsche leger!”„En waarom zoudt gij dat doen?”„Och, ik zelf heb er niet zooveel lust in. Maar Vader zou graag zien, dat ik het deed!”„Ja, jongen, zulk een jong zeeman, die niemendal thuisbrengt, in den kost te hebben, is niet zoo heel voordeelig, dat begrijp ik best. Er zijn nog kleintjes thuis ook.”„Neen, Meester, dat is de reden toch niet. Ik betaal mijnen kost met mijne spaarpenningen meer dan voldoende en er zijn bij ons thuis al heel wat, die aardig helpen om de inkomsten te verbeteren. Van armoede lijden is geene sprake meer, gelukkig. Maar de Spanjaarden zijn in Brabant gevallen, en hebben onder Spinola de stad Steenbergen al ingenomen. Nu trekken ze op Bergen-op-Zoom, of, ze zullen er reeds wel wezen!”„Bergen-op-Zoom zullen ze zoo gauw niet hebben; Michiel! Het is sterker dan Steenbergen!”„Jawel, Meester! Maar nu is Vader uit de buurt van Bergen-op-Zoom, en hij trekt er altijd nog partij voor. Als hij geen huisgezin had, zei hij, ging hij er heen. En toen hij dat gezegd had, voegde hij er lachend bij: „Dat was net wat voor Michiel! Ze hebben het omgetrommeld, dat alle zeelui aan den wal dienst kunnen nemen als busschieter! Hebt gij er geenen lust in om eens onder onzen beroemden Prins Maurits de Spanjaarden te lijf te gaan?”Ik zag aan Vaders gezicht, dat het hem geen pleizier zou doen, als ik neen zeide, en daarom zeî ik: „Wel ja, Vader, ik wil te land ook wel eens dienen!”„Dat doet me pleizier, Michiel! Ik ga je dadelijk bij den Magistraat aangeven!” sprak Vader.Dit gebeurde op straat terwijl ik naar u kwam; maar als ik straks thuis kom, zal ik heel wat woorden moetengebruiken om alles goed te praten, want naar Vaders zin mag het zijn, naar Moeders zeker niet! Morgen ga ik er al heen.”Zoo sprak Michiel en den volgenden dag was hij des avonds reeds te Bergen-op-Zoom, waar de wakkere zeeluî met open armen ontvangen werden; want het scheen bij Spinola meenens te zijn met deze belegering. Had men er van Spaansche zijde in 1605 tot driemalen toe het hoofd voor gestooten, Spinola zou dat eens verbeteren en zien of deze vesting werkelijk zoo sterk was, als ze vertelden.Maar iets ontbrak den dapperen, moedigen en beleidvollen Spinola. Hij had geen enkel schip en moest dus aan eene zijde de stad onbelegerd laten. En aan die eene zijde kwam alles binnen, wat de belegerden noodig hadden: kruit, lood, geweren, levensmiddelen, en soldaten. Er was geen gebrek aan iets. Het gevolg daarvan was, dat alle aanvallen dapper werden afgeslagen, en dat Michiel, hij mocht al opgehouden hebben een straatjongen te zijn, hier op zijne dreef was, zal iedereen wel begrijpen. Wat hij uitvoerde en door welke drieste waagstukken of schoone heldendaden hij zich onderscheidde, is nergens opgeteekend, doch zijn levensbeschrijver, Gerard Brandt, deelt mede, dat hij er een paard kocht waarvan hij zich „stoutelijk” diende en in de uitvallen der bezetting verscheidene malen buit op den vijand behaalde. Als wij nu in zijne levensgeschiedenis lezen, dat hij als volwassen man een zeer slecht ruiter was en dat Spinola voor Bergen-op-Zoom in een beleg van achtenzeventig dagen wel tienduizend man verloor, dan behoeven we niet te vragen, of Michiel met of zonder paard ook zijn oud waaghalzenhart lucht gegeven heeft. Stellig en zeker heeft hij dat gedaan en de lust tot vechten schijnt hem toen eenige weken lang zoo bezield te hebben, dat hij bij zijne thuiskomst uit Bergen-op-Zoom, eenigen tijd als hoogbootsmans-jongen ten oorlog voer. Het leven aanboord van een oorlogsschip scheen hem echter niet erg bevallen te zijn, want al heel spoedig washij weer thuis. Lang zou hij echter niet aan den wal blijven, want in hetzelfde jaar was hij weer aanboord van de „Lijnbaan”, die ditmaal eene lading Fransche wijnen te Bordeaux zou gaan halen.Veel gereed te maken viel er niet, zoodat Michiel op zijn gemak overal afscheid kon gaan nemen.Van Meester Van Gelder kreeg hij een paar reken-, lees- en schrijfboeken en de belofte mee, dat ze het nog eens zouden hervatten, als hij weer aanwal was.
ACHTSTE HOOFDSTUK.Verloren tijd inhalen.Het was zooals de Schipper of de Kapitein van de „Lijnbaan” voorspeld had, men bleef maar kort aan den wal. Reeds vier weken later was Michiel weer in zee.Ook ditmaal had de „Lijnbaan” eene zeer voordeelige reis en getuigde de „Barre Bruinvisch” van Michiel, dat hij de uitmuntendste jongen was, dien hij nog ooit gehad had. Zelfs Geleyn Evertsen moest voor hem onderdoen, en dat zeide zoo iets.Michiel echter dacht nog altijd aan zijne zoogenaamde ingeving en aan zijne beloften, aanboord nog te zullen leeren. Hij begreep zeer goed dat hij, met het weinigje kennis, dat hij bezat, het niet ver zou brengen. Dat zag hij dagelijks aan den „Barren Bruinvisch.”Andere reeders, vooral uit Middelburg, hadden Lievensz. wat dikwijls gevraagd of hij niet bij hen aanboord, als Bootsman, wilde dienen, hij zou dan zoo en zooveel dukaten meer in het jaar krijgen.Dat nu doet een reeder zoo gauw niet en de „BarreBruinvisch” moest dan ook meer waard zijn dan anderen.De Heeren Lampsens, die eenen Bootsman, als Lievensz. was, liever wilden houden, verhoogden telkens zijn loon, en de man had dan ook, ik weet niet hoe dikwijls gezegd: „Zoolang de Heeren Lampsens schepen hebben en ik varen kan, zoolang blijf ik bij hen aanboord, en zal ik me op geen ander schip laten aanmonsteren.”Maar wat was Lievensz. aanboord van de Heeren Lampsens?Bootsman!Wat zou hij zijn leven lang blijven?Bootsman!Wat kon hij op schepen van andere reeders worden?Bootsman!Wat zou hij daar misschien, voor veel geld, blijven?Bootsman!En hoe kwam dat?Lievensz. zelf heeft het al gezegd: hij kon niet lezen of niet schrijven, en aan vooruit komen was dus niet te denken.Dat wist Michiel, en Michiel wist ook zeer goed dat hij denzelfden weg zou opgaan, als hij niet maakte, dat hij wat meer wist, dan wat hij op de drie scholen waar hij weggejaagd was, nog had kunnen leeren.In zijne ledige oogenblikken, als zelfs Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met de matrozen grappen maakten, of met de dobbelsteenen speelden, zat Michiel met een boek of eene lei voor zich.Het kostte hem wat moeite om de vermenigvuldiging en deeling met tiendeelige breuken, nog niet zoo heel lang geleden door Simon Stevin in gebruik gebracht, in het hoofd te krijgen, en de Stuurman, die hem leerde lezen en zijne sommen nazag, haalde dikwijls onder het lezen de schouders op en zeide dan: „Domoor, dat staat er niet! Eene slak op eenen drogen zandweg vordert meer dan gij.”Op eenen anderen tijd, als er gerekend was, ging er vaakeene dikke streep door al de sommen heen, omdat er niet ééne goede was. Ja, er haperde dan weinig aan of Michiel kreeg, nadat hij zich had hooren toevoegen: „Domoor, niemendal goed,” bijna de lei naar het hoofd.En als Michiel dan die doorgestreepte sommen zag en hij dacht aan de moeite, die hij gehad had, ze te maken, zie, dan smeet hij lei, boek, pen en griffel wel eens baloorig weg en begon dan, met de handen onder het hoofd, een deuntje te huilen.Maar dan sprong hij dikwijls weer opeens op, droogde zijne tranen af, nam lei, boek, pen en griffel weer in de hand en zei tot zichzelven: „Michiel, Michiel, zóó komt gij er niet! Zóó blijft gij levenslang de oude knecht. Denk er aan, jongen, wat ge op den avond vóór de eerste reis tegen uwe goede Ouders in het bijzijn van den „Barren Bruinvisch” en van buurman Engels gezegd hebt. Weet ge het niet meer?”—Jawel, willen is kunnen!—Juist, willen is kunnen! Pak op, lei, boek, pen en griffel! Maak de sommen dertig- ja, veertigmaal fout, ééns zullen ze goed zijn en zal de Stuurman zeggen: „Zoo, dat is er in! Nu wat anders! Eens zult ge zelf begrijpen, wat ge leest en het zal zóó goed gaan, dat alweer de Stuurman zegt: „Zoo, jongen, dat is goed! Dat gaat vooruit!” Toe dan, Michiel, den verspeelden tijd inhalen, en gaat het moeielijk, ja, lijkt het onmogelijk, op, op, bootsmansjongen! Willen is kunnen!”En als Michiel zoo met zichzelven aan het redeneeren geweest was, dan ging hij aan het werken, aan het spellen, lezen en rekenen, dat hem de ooren gloeiden, de wangen tintelden en hem het zweet met groote druppels van het hoofd vloeide.Dat wel besteden van zijnen tijd, en die ijzeren wil van Michiel waren dan ook oorzaak, dat de Stuurman dikwijls tot zichzelven zeide: „Zou het ook aan mijne manier vanonderwijzen haperen, dat de jongen niet harder vordert? Als hij maar één vrij oogenblikje heeft, gebruikt hij het om te leeren en—dom of traag van begrip is hij in het geheel niet. Ik moet toch nog eens een ander middel bedenken om hem het een en ander aan zijn verstand te brengen!”De Stuurman deed, wat hij zich voorgenomen had, maar de man kon niet helpen, dat hij den slag van „duidelijk maken” maar niet beet krijgen kon, al wist hij zelf de zaken ook nog zoo goed. Intusschen, waar èn de onderwijzer èn de leerling zóó zich inspannen, daar moet wat geleerd worden, al is het ook niet veel, en al gaat het voetje voor voetje en zóó langzaam, dat men voor zichzelven begint te gelooven, dat men niet vordert.Daar kwam hij van zijne tweede reis thuis en toen hij in het kantoor van de Heeren Lampsens stond om zijn geld te ontvangen, sprong hij ineens op en riep: „Goddank!”„Wat is er, jongen?” vroeg Adriaen, de oudste der broeders, natuurlijk over dien uitroep verbaasd.„O, Sinjeur, Sinjeur, het heeft toch geholpen! Ik ga vooruit!” riep Michiel opgewonden uit.„Wat mankeert die jongen, Cornelis?” vroeg nu Adriaen aan zijnen broeder.„Ik weet het niet! Ik geloof, dat het hem in de bovenkamer hapert!”„Neen, neen, Sinjeurs, alles behalve dat! Ik ga vooruit, ja, en zelfs veel harder vooruit dan ik zelf meende. En ik dacht, dat ik niet vorderde!”„Maar waarin gaat gij dan vooruit?” vroeg Cornelis.„In de kunst van lezen, Sinjeur!”„Aha! Is er daarom zulk eene pret in het land? Daarom zoo blij? Nu, dat is een goed teeken. Maar hoe weet ge, dat ge in de leeskunst nog al veel vooruit gegaan zijt?”„Wel, Sinjeurs, toen ik den laatsten keer hier was, konik het schrift van die koopmans-brieven, die daar hangen, niet lezen, en nu wel!”„Ferm zoo, Michiel, ferm zoo!” sprak Adriaen, en zijne hand op het hoofd van den knaap leggende, zeide hij nog: „Zoo komt men vooruit in de wereld!”„En van wien leert ge dat, Michiel?” vroeg Cornelis.„Van den tweeden Stuurman, Sinjeur! Och, hij heeft zooveel geduld met me. Hij leert me rekenen ook!”„Nu, dat is goed, jongen! Vertel het hem maar, hoor! Het is eenen leermeester altijd aangenaam zoo hij te weten komt, dat zijn discipel vorderingen maakt! Dag, Michiel!”„Goeden middag, Sinjeurs!” antwoordde Michiel en liep, in de blijdschap zijns harten, naar de „Lijnbaan”, om daar den goeden Stuurman terstond te vertellen, dat hij, Michiel, in het lezen toch zulke vorderingen gemaakt had.De Stuurman hoorde hem lachend aan en zei: „Mooi, mooi, jongen! Op de volgende reis zullen we het er nog eens van hebben!”„Alsjeblief, Stuurman, alsjeblief!” riep Michiel, en snelde nu naar huis toe, waar hij zijne lieve Moeder de tranen van blijdschap in de oogen deed komen op zijn bericht, dat hij in de leeskunst zoo vooruitging. En ieder moest dat weten, ja, ook hij, hij!Wie was die hij?„Moeder, ik heb alweer een paar Oostersche muilen meegebracht, ik ga ze eens wegbrengen!”„Dat is goed, jongen! Aan wien?”„Aan Meester Van Gelder, Moeder! De andere twee Meesters zijn dood, anders bracht ik die er ook ieder een paar.”Moeder Alida sloeg van verbazing de handen in elkander en riep: „Een paar muilen voor Meester Van Gelder?”„Ja, Moeder!”„Voor-Meester-Van-Gel-der?” herhaalde Moeder Alida, niet tot zichzelve kunnende komen van verbazing, en op iedere lettergreep drukkende.„Ja, Moeder, voor Meester Van Gelder, voor niemand anders. Vindt ge dat zoo vreemd?”„Maar, jongen, zijt gij dan die katten-geschiedenis heelemaal vergeten? Is de bullepees, waarmede hij dreigde, u dan uit de gedachten?”„Neen, Moeder! Maar dat de Meester dacht dat ik het gedaan had, was niet zoo heel gemeen van hem!”„Maar, kind, wat hoor ik nu pas? Hebt gij het dan toch gedaan?”„Neen, Moeder, maar zou het zulk een wonder geweest zijn, als ik het gedaan had?”„Neen, Michiel, want ge waart bar ondeugend!”„Welnu, Moeder, omdat ik zoo ondeugend ben geweest, én omdat ik weet dat ik Meester Van Gelder dikwijls reden gegeven heb mij te straffen, èn ook omdat ik weet, dat hij mij wel leeren wou, maar dat ik nietwilde, daarom ga ik hem een paar muilen brengen en vragen of we goede vrienden kunnen worden!”Moeder Alida veegde met heur voorschoot zich den mond af, doch kwam toch wat hooger ook.„Kom eens hier, Michiel!” zei ze.Michiel deed het.Moeder boog zich tot aan zijn oor en fluisterde hem toe: „Zeeman, kleine zeeman, je bent Moeder Alida’s liefste jongen! Zijt gij nu niet boos meer op me, dat ik het altijd tegen gehouden heb, dat ge naar zee gingt?”„Moeder, ik boos?” zei Michiel zachtjes. „Nooit boos geweest op u! Ik kon nooit boos op u zijn!”De zachtzinnige en teedere Moeder gaf haren lieveling eenen kus en zei: „Ga, kind, ga naar uwen ouden Meester! Het is zoo goed, alsof gij eenen kerkgang doet!”Michiel ging de deur uit, knikte door de ruiten zijne Moeder nog eens vriendelijk toe, en liet een vijf minuten later den klopper op Meester Van Gelders deur vallen.„Ga eens kijken wie daar is, Anna!” zei Meester VanGelder, die juist bezig was met pennen te vermaken, tot zijn dochtertje.Anna ging naar de deur, opende die en liet Michiel in de gang komen, waarna ze de voordeur sloot.„Ik wilde uwen Vader wel eens een oogenblikje spreken, Anna,” zeide Michiel.Anna kende den dikken, jongen en net gekleeden zeeman niet meer, en vroeg: „Als Vader vraagt wie er is, wat zal ik dan zeggen?”„Als er iemand is om me te spreken, moet hij maar hier komen,” riep Meester Van Gelder uit de school.Michiel herkende terstond zijne stem en ging de school, die met eene deur in de gang uitkwam, binnen.En daar zat op dezelfde plaats waar hij jaren geleden reeds zat, met hetzelfde pennemes in de handen en denzelfden pennenbak voor zich, de forsche gestalte van Meester Van Gelder, nog niets veranderd.Ook de geheele inrichting van de school was nog zoo als in de jaren toen Michiel school ging.Dáár had Michiel gezeten, daar in dat hoekje bij den schoorsteen. Dáár was het bord waarop hij het zoogenaamde portret van Meester geteekend had.„Wat is er, vriendschap?” vroeg Meester Van Gelder de punten van eene pen op zijne duim leggende om ze met zijn mes af te punten, en zonder den bezoeker aan te kijken.„Dag, Meester!” sprak Michiel.„Wat Zaterdag, die stem, dat gezicht,” zei Meester, terwijl hij Michiel aanzag.„Dag, Meester,” herhaalde Michiel lachend.„Drommelsche jongen, je bent toch niet....?”„Jawel, Meester, ik zie, dat u het weet wie ik ben! Zeg het maar!”„Michiel!?”„Juist, Meester, Michiel Adriaensz. de Ruyter, de grootste straatbengel, dien ge ooit op school gehad hebt!”„Michiel!? Jij, Michiel? En jij hier?”„Ja, Meester, ik hier! Vind u dat zoo vreemd?”„Maar, jongen, kan ik mijne oogen wel vertrouwen? Fopt gij me niet?”„Benik dan zóó veranderd, Meester?”„Neen, jongen, nu ik u goed bekijk, zijt ge wel grooter, steviger en dikker geworden, maar uw gezicht is heelemaal hetzelfde gebleven! Het verwondert me maar zoo, dat ge bij mij komt. Vroeger waart ge....”„Blij als ik u niet zag, wil u dat niet zeggen? Gij hieldt me voor den liederlijksten straatjongen van heel Vlissingen, is het niet zoo?”„Ja, jongen, daar hield ik je voor. Later is het uitgekomen, dat er nog grooter schelmen waren dan gij er een waart!”„Ei, Meester! Dat moeten nu dan toch zoo even deugnieten geweest zijn!”„Dat waren ze ook, Michiel! Denkt ge nog wel eens aan die katten-geschiedenis, en—aan de bullepees?”„Ja, Meester, en dan moet ik er telkens om lachen!”„Ik denk er ook wel eens aan, jongen, en wel dikwijls zelfs, want van dien avond af ben ik een heel ander mensch geworden. Ik ben glad bekeerd. Ik had leelijke gebreken, jongen!”Thans was de beurt aan Michiel om verbaasd op te kijken en heel natuurlijk was zijn uitroep: „Maar, Meester!”„Ja, jongen, kijk zoo gek niet. Ik ben bekeerd door dien „Barren Bruinvisch”. Die man heeft me in een oogenblik van eene leelijke ondeugd genezen. Sinds dien avond maak ik mij zoo onverstandig driftig niet meer en houd ik mij bedaard. Het gevolg daarvan is, dat ik tegenwoordig zooveel pleizier van mijne discipelen heb, als vroeger verdriet. En weet ge wat eene maand later uitkwam?”„Neen, Meester!”„Dat Lammen Lammensz. de kat door het open raam in mijne pap gesmeten heeft!”„Wat, die brave Lammen, die door u altijd als een toonbeeld van braafheid, deugd en leerzaamheid aan de heele school werd voorgesteld?!”„Dezelfde, Michiel, dezelfde!”„Wel, wat een gemeene huichelaar! En hoe kwam het uit?”„Zijn broertje heeft het verklikt toen hij boos op hem was. En weet ge ook, wien ik nog grooter ondeugd noem dan gij ooit geweest zijt?”„Zeker dien Lammen, Meester?”„Juist, Michiel! Gij deedt kwaad en ge staakt het onder geene stoelen of banken en—ge loogt nooit! Die Lammen was een boosdoener, en speelde den brave met honderden keeren te liegen. Michiel, jongen, geef me eene hand. Ik heb u niet altijd goed behandeld!”Michiel vatte die hand en zei: „Meester, ik was juist van plan u te komen vragen, of ge, alsjeblieft, al mijne kwâjongensstreken vergeven en vergeten wilt, en of ik u, als eene aardigheid, deze Oostersche muilen mag geven. Ik heb ze voor u meegebracht van Amboina.”„Michiel! Jongen! Het is precies zooals Dominé zegt: „In Michiel Adriaensz. De Ruyter steekt wat goeds, en hij zou het ver kunnen brengen, als hij wat meer geleerd had!” Dat zei Dominé en ik zeg het hem na, Michiel! Het is o, zoo jammer dat ge niet wat meer weet! Kunt ge nog wel lezen wat daar op het bord staat?”Michiel begon te lachen, toen hij zag dat het speloefeningen voor de eerstbeginnenden waren.„Wel ja, Meester,” zei hij, „en dat op dit bord hier achter ons ook wel!”„Maar, jongen, dat is toch niet waar? Dat zijn schrijfvoorbeelden voor de hoogsten!”„Toch waar,” was het antwoord, en om er het bewijs van te leveren begon Michiel alles te lezen.„Daar begrijp ik niemendal van,” sprak Meester. „Hebtge dan, nadat ge hier van school gejaagd zijt, nog ergens anders school gegaan?”„Neen, Meester! Maar ik heb aanboord nog al veel vrijen tijd, en de tweede Stuurman, die veel geduld heeft en veel van me houdt, heeft me leeren lezen. Ik reken ook. Ik kan al op zijn Simons Stevens, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen! Het kan me naderhand te pas komen!”Meester Van Gelder sloeg van pure verwondering de handen in elkander en zeide eindelijk: „Jongen, Michiel, ik weet wat! Ge hebt het zeker nu niet druk?”„Ja, Meester, heel druk! „Want over eene week of drie zeilen we alweer uit!”„Dat zal wel niet waar zijn, Michiel!”„Toch heusch en stellig waar, Meester!”„Ik weet er meer af dan gij, Michiel! Er loopen sedert vanmiddag rare praatjes door de stad.”„Ja, Meester? En welke als ik vragen mag?”„Dat de Spanjaarden weer groote vorderingen maken, te land, en terzee weer te duchten zijn. De schepen, die binnen zijn, zullen vooreerst wel binnen blijven ook! Het is of we na het Bestand minder flink en doortastend geworden zijn!”„Ze zeggen, dat Zijne Excellentie Prince Maurits ziekelijk is!”„Dat is hij ook! Maar die binnenlandsche verdeeldheden hebben ons veel kwaad gedaan!”„Zou u denken, Meester, dat die verdeeldheden van—van—ja, de namen ben ik vergeten....”„Van Remonstranten en Contra-Remonstranten, Michiel!”„Ja juist. En zou u denken, dat die de oorzaak zijn van het slappe oorlogvoeren na het Bestand?”„Ongetwijfeld, Michiel, stellig en zeker!”„Weet ge wat onze Schipper zegt?”„Neen, Michiel!”„Hij zegt, dat onze mannen nu alleen oog en hart hebben voor de Oost en de West. Ze hebben den lust verloren om te land te dienen. Op zee is het veel voordeeliger!”Meester Van Gelder streek de hand langs het voorhoofd en zei: „Ge hebt eenen verstandigen kop van eenen Schipper, maar hierin heeft de man geen gelijk. Van het land als soldaat te dienen zijn we nooit voorstanders geweest. Wij gaven liever geld, lieten Zwitsers, Duitschers, Franschen en Engelschen voor ons vechten en keken bedaard toe hoe Prince Maurits met dat rommelzoodje van alle natiën en tongen zulke groote dingen kon doen. Dat is zijn hoogste roem; dat lokte Hertogen en Graven, Markiezen en Baronnen uit andere landen om van hem te leeren hoe men krijgstucht uitoefent en met kleine middelen groote dingen doen kan. Prince Maurits is de grootste Veldheer van zijnen tijd. Maar de rust van het Bestand bracht onrust in de gemoederen. Nu men niet meer de oorlogskaart voor zich had en met bonte spelden den weg en de legers er op af teekende, greep men naar kleingeestige twistgeschriften en men zette de bonte spelden bij allerlei nietige twistvragen neer, alsof diezelfde twistvragen vijandelijke vestingen waren. En in dat vechten kreeg ieder Nederlander lust; daartoe had men wel dukaten beschikbaar, doch toen het Bestand ten einde was en Prince Maurits om dukaten vroeg om den oorlog tegen heel andere dan papieren vestingen met geleerden inkt bemorst, voort te zetten, was de lust, de rechte lust er niet toe. En die lust werd niet aangewakkerd door nieuwe krijgsbedrijven van den Prins, die alweer van meet af aan beginnen moest met een mengelmoes van allerlei volk tot een krachtig geheel te maken. We hebben ook te veel voorspoed gehad in den handel, Michiel! Millioenen schats zijn ons land binnengekomen, maar—rijkdom maakt een volk voor eenigen tijd wel machtig, doch krachtig nooit, en waar macht geen gevolg van kracht is,daar valt de macht eens in duigen, Doch, ik praat te veel, te geleerd misschien ook. Laat ik dus liever eene vraag doen. Als ik goed gezien hebt en ge blijft ditmaal lang aan den wal, hebt ge dan lust om na schooltijd bij me te komen, dan zal ik je les geven?”Michiel zei niet dadelijk ja; hij dacht om de kosten.„En als ge soms denkt, dat ik er éénen duit voor rekenen zal, dan hebt gij het mis! Nu ik gezien heb, dat ge wilt leeren, wil ik van mijnen kant graag wat doen om veel goed te maken. Doen, gauw, zeg maar ja, dan beginnen we dadelijk!”Nu wilde Michiel niet neen zeggen, en het gevolg hiervan was, dat hij pas bij Meester Van Gelder vandaan ging, toen het te donker was geworden om nog iets te doen.Dat hield Michiel zes of zeven weken lang zoo vol; want Meester Van Gelder had gelijk gehad: de „Lijnbaan” zeilde vooreerst niet uit.De Heeren Lampsens waren voorname kooplieden, maar zeer bedachtzaam. Waar veel te winnen, maar als het tegenliep, ook veel te verliezen viel, daar waren zij niet bij, en het gevolg hiervan was, dat ze bijna nooit verliezen leden. Men vindt van hen aangeteekend, dat zij voor eigen rekening twaalf schepen, die te zamen wel honderd tachtig stukken geschut voerden, uitgerust hadden voor den handel. In 1632 zonden ze, ook voor eigen rekening, de „Samson” en de „Vlissingen”, twee oorlogsschepen uit om de Duinkerker kapers te tuchtigen, en ze deden dat zóó goed, dat de verzekering van schepen, die op de Bocht van Frankrijk voeren en reeds tot acht, ja, tot tien ten honderd gestegen was, daalde tot drie ten honderd. De Duinkerkers durfden zich niet roeren of bewegen, en bleven in de haven. In het jaar 1654 deden ze het onbewoonde eiland Tabago, in Amerika, weder bevolken, een werk dat hun in elf jaar tijds gelukte. Zij brachten de kolonisten, met al wat dezen noodig hadden, in hun eigen schepen over. Adriaen Lampsenswas zelfs van 1650–52 Burgemeester van Vlissingen, en werd later door Lodewijk XIV, Koning van Frankrijk, versierd met de ridderorde van Sint Michael, en tot den Franschen adelstand verheven onder den titel van Baron van Tabago.Toen ik hierboven sprak van twaalf schepen, die samen wel honderdtachtig stukken geschut voerden, hebt ge mogelijk wel gedacht: waren dat dan oorlogsschepen?Neen, het waren koopvaardijschepen, doch die, in tijden van oorlog, ook wel eens dienst deden als oorlogsschepen. Men was toen wel genoodzaakt dekoopvaardijschepensterk te bemannen en van geschut te voorzien. Vooreerst, omdat we nog altijd in oorlog waren met Spanje en op zee menigmaal Spaansche oorlogsschepen ontmoetten. Ten tweede om de Duinkerker kapers, die aan het Nauw van Calais soms heel netjes de binnenvarende schepen der Hollanders wisten te bemachtigen. Ten derde om den naijver der Engelschen, die in Europa zoogenaamd onze vrienden waren, doch in de Oost-Indiën ons meest altijd als vijanden behandelden. En ten vierde, omdat die deelen van de Oost-Indiën, waarop wij handel dreven, nog niet zoo onder ons gezag waren, of ze konden onze schepen, die kwamen om te koopen, wel aanvallen en plunderen. Om al deze redenen was in dien tijd een koopvaardij-schip een oorlogsvaartuig in het klein.Maar keeren we tot onzen Michiel terug.Zes weken lang haalde hij, onafgebroken, iederen avond les, en of Meester Van Gelder er nu meer slag van had dan de tweede Stuurman van de „Lijnbaan”, dan wel of Michiel nu nog meer zijn best deed dan vroeger en gaandeweg gemakkelijker leerde, naarmate hij verder kwam, het is onzeker; maar waar is het, dat hij al een heel eind in de koopmans-berekeningen en de stuurmanskunst was gevorderd, toen hij op zekeren avond alweer bij Meester Van Gelder kwam en zeide: „Dat zal nu wel voor het laatst zijn, Meester!”„Voor het laatst, jongen? Hoe dat zoo?”„Wel, er is rondgeroepen, dat alle zeeluî, die door de omstandigheden gedwongen zijn aan wal te blijven, dienst kunnen nemen bij de busschieters in het Staatsche leger!”„En waarom zoudt gij dat doen?”„Och, ik zelf heb er niet zooveel lust in. Maar Vader zou graag zien, dat ik het deed!”„Ja, jongen, zulk een jong zeeman, die niemendal thuisbrengt, in den kost te hebben, is niet zoo heel voordeelig, dat begrijp ik best. Er zijn nog kleintjes thuis ook.”„Neen, Meester, dat is de reden toch niet. Ik betaal mijnen kost met mijne spaarpenningen meer dan voldoende en er zijn bij ons thuis al heel wat, die aardig helpen om de inkomsten te verbeteren. Van armoede lijden is geene sprake meer, gelukkig. Maar de Spanjaarden zijn in Brabant gevallen, en hebben onder Spinola de stad Steenbergen al ingenomen. Nu trekken ze op Bergen-op-Zoom, of, ze zullen er reeds wel wezen!”„Bergen-op-Zoom zullen ze zoo gauw niet hebben; Michiel! Het is sterker dan Steenbergen!”„Jawel, Meester! Maar nu is Vader uit de buurt van Bergen-op-Zoom, en hij trekt er altijd nog partij voor. Als hij geen huisgezin had, zei hij, ging hij er heen. En toen hij dat gezegd had, voegde hij er lachend bij: „Dat was net wat voor Michiel! Ze hebben het omgetrommeld, dat alle zeelui aan den wal dienst kunnen nemen als busschieter! Hebt gij er geenen lust in om eens onder onzen beroemden Prins Maurits de Spanjaarden te lijf te gaan?”Ik zag aan Vaders gezicht, dat het hem geen pleizier zou doen, als ik neen zeide, en daarom zeî ik: „Wel ja, Vader, ik wil te land ook wel eens dienen!”„Dat doet me pleizier, Michiel! Ik ga je dadelijk bij den Magistraat aangeven!” sprak Vader.Dit gebeurde op straat terwijl ik naar u kwam; maar als ik straks thuis kom, zal ik heel wat woorden moetengebruiken om alles goed te praten, want naar Vaders zin mag het zijn, naar Moeders zeker niet! Morgen ga ik er al heen.”Zoo sprak Michiel en den volgenden dag was hij des avonds reeds te Bergen-op-Zoom, waar de wakkere zeeluî met open armen ontvangen werden; want het scheen bij Spinola meenens te zijn met deze belegering. Had men er van Spaansche zijde in 1605 tot driemalen toe het hoofd voor gestooten, Spinola zou dat eens verbeteren en zien of deze vesting werkelijk zoo sterk was, als ze vertelden.Maar iets ontbrak den dapperen, moedigen en beleidvollen Spinola. Hij had geen enkel schip en moest dus aan eene zijde de stad onbelegerd laten. En aan die eene zijde kwam alles binnen, wat de belegerden noodig hadden: kruit, lood, geweren, levensmiddelen, en soldaten. Er was geen gebrek aan iets. Het gevolg daarvan was, dat alle aanvallen dapper werden afgeslagen, en dat Michiel, hij mocht al opgehouden hebben een straatjongen te zijn, hier op zijne dreef was, zal iedereen wel begrijpen. Wat hij uitvoerde en door welke drieste waagstukken of schoone heldendaden hij zich onderscheidde, is nergens opgeteekend, doch zijn levensbeschrijver, Gerard Brandt, deelt mede, dat hij er een paard kocht waarvan hij zich „stoutelijk” diende en in de uitvallen der bezetting verscheidene malen buit op den vijand behaalde. Als wij nu in zijne levensgeschiedenis lezen, dat hij als volwassen man een zeer slecht ruiter was en dat Spinola voor Bergen-op-Zoom in een beleg van achtenzeventig dagen wel tienduizend man verloor, dan behoeven we niet te vragen, of Michiel met of zonder paard ook zijn oud waaghalzenhart lucht gegeven heeft. Stellig en zeker heeft hij dat gedaan en de lust tot vechten schijnt hem toen eenige weken lang zoo bezield te hebben, dat hij bij zijne thuiskomst uit Bergen-op-Zoom, eenigen tijd als hoogbootsmans-jongen ten oorlog voer. Het leven aanboord van een oorlogsschip scheen hem echter niet erg bevallen te zijn, want al heel spoedig washij weer thuis. Lang zou hij echter niet aan den wal blijven, want in hetzelfde jaar was hij weer aanboord van de „Lijnbaan”, die ditmaal eene lading Fransche wijnen te Bordeaux zou gaan halen.Veel gereed te maken viel er niet, zoodat Michiel op zijn gemak overal afscheid kon gaan nemen.Van Meester Van Gelder kreeg hij een paar reken-, lees- en schrijfboeken en de belofte mee, dat ze het nog eens zouden hervatten, als hij weer aanwal was.
ACHTSTE HOOFDSTUK.Verloren tijd inhalen.
Het was zooals de Schipper of de Kapitein van de „Lijnbaan” voorspeld had, men bleef maar kort aan den wal. Reeds vier weken later was Michiel weer in zee.Ook ditmaal had de „Lijnbaan” eene zeer voordeelige reis en getuigde de „Barre Bruinvisch” van Michiel, dat hij de uitmuntendste jongen was, dien hij nog ooit gehad had. Zelfs Geleyn Evertsen moest voor hem onderdoen, en dat zeide zoo iets.Michiel echter dacht nog altijd aan zijne zoogenaamde ingeving en aan zijne beloften, aanboord nog te zullen leeren. Hij begreep zeer goed dat hij, met het weinigje kennis, dat hij bezat, het niet ver zou brengen. Dat zag hij dagelijks aan den „Barren Bruinvisch.”Andere reeders, vooral uit Middelburg, hadden Lievensz. wat dikwijls gevraagd of hij niet bij hen aanboord, als Bootsman, wilde dienen, hij zou dan zoo en zooveel dukaten meer in het jaar krijgen.Dat nu doet een reeder zoo gauw niet en de „BarreBruinvisch” moest dan ook meer waard zijn dan anderen.De Heeren Lampsens, die eenen Bootsman, als Lievensz. was, liever wilden houden, verhoogden telkens zijn loon, en de man had dan ook, ik weet niet hoe dikwijls gezegd: „Zoolang de Heeren Lampsens schepen hebben en ik varen kan, zoolang blijf ik bij hen aanboord, en zal ik me op geen ander schip laten aanmonsteren.”Maar wat was Lievensz. aanboord van de Heeren Lampsens?Bootsman!Wat zou hij zijn leven lang blijven?Bootsman!Wat kon hij op schepen van andere reeders worden?Bootsman!Wat zou hij daar misschien, voor veel geld, blijven?Bootsman!En hoe kwam dat?Lievensz. zelf heeft het al gezegd: hij kon niet lezen of niet schrijven, en aan vooruit komen was dus niet te denken.Dat wist Michiel, en Michiel wist ook zeer goed dat hij denzelfden weg zou opgaan, als hij niet maakte, dat hij wat meer wist, dan wat hij op de drie scholen waar hij weggejaagd was, nog had kunnen leeren.In zijne ledige oogenblikken, als zelfs Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met de matrozen grappen maakten, of met de dobbelsteenen speelden, zat Michiel met een boek of eene lei voor zich.Het kostte hem wat moeite om de vermenigvuldiging en deeling met tiendeelige breuken, nog niet zoo heel lang geleden door Simon Stevin in gebruik gebracht, in het hoofd te krijgen, en de Stuurman, die hem leerde lezen en zijne sommen nazag, haalde dikwijls onder het lezen de schouders op en zeide dan: „Domoor, dat staat er niet! Eene slak op eenen drogen zandweg vordert meer dan gij.”Op eenen anderen tijd, als er gerekend was, ging er vaakeene dikke streep door al de sommen heen, omdat er niet ééne goede was. Ja, er haperde dan weinig aan of Michiel kreeg, nadat hij zich had hooren toevoegen: „Domoor, niemendal goed,” bijna de lei naar het hoofd.En als Michiel dan die doorgestreepte sommen zag en hij dacht aan de moeite, die hij gehad had, ze te maken, zie, dan smeet hij lei, boek, pen en griffel wel eens baloorig weg en begon dan, met de handen onder het hoofd, een deuntje te huilen.Maar dan sprong hij dikwijls weer opeens op, droogde zijne tranen af, nam lei, boek, pen en griffel weer in de hand en zei tot zichzelven: „Michiel, Michiel, zóó komt gij er niet! Zóó blijft gij levenslang de oude knecht. Denk er aan, jongen, wat ge op den avond vóór de eerste reis tegen uwe goede Ouders in het bijzijn van den „Barren Bruinvisch” en van buurman Engels gezegd hebt. Weet ge het niet meer?”—Jawel, willen is kunnen!—Juist, willen is kunnen! Pak op, lei, boek, pen en griffel! Maak de sommen dertig- ja, veertigmaal fout, ééns zullen ze goed zijn en zal de Stuurman zeggen: „Zoo, dat is er in! Nu wat anders! Eens zult ge zelf begrijpen, wat ge leest en het zal zóó goed gaan, dat alweer de Stuurman zegt: „Zoo, jongen, dat is goed! Dat gaat vooruit!” Toe dan, Michiel, den verspeelden tijd inhalen, en gaat het moeielijk, ja, lijkt het onmogelijk, op, op, bootsmansjongen! Willen is kunnen!”En als Michiel zoo met zichzelven aan het redeneeren geweest was, dan ging hij aan het werken, aan het spellen, lezen en rekenen, dat hem de ooren gloeiden, de wangen tintelden en hem het zweet met groote druppels van het hoofd vloeide.Dat wel besteden van zijnen tijd, en die ijzeren wil van Michiel waren dan ook oorzaak, dat de Stuurman dikwijls tot zichzelven zeide: „Zou het ook aan mijne manier vanonderwijzen haperen, dat de jongen niet harder vordert? Als hij maar één vrij oogenblikje heeft, gebruikt hij het om te leeren en—dom of traag van begrip is hij in het geheel niet. Ik moet toch nog eens een ander middel bedenken om hem het een en ander aan zijn verstand te brengen!”De Stuurman deed, wat hij zich voorgenomen had, maar de man kon niet helpen, dat hij den slag van „duidelijk maken” maar niet beet krijgen kon, al wist hij zelf de zaken ook nog zoo goed. Intusschen, waar èn de onderwijzer èn de leerling zóó zich inspannen, daar moet wat geleerd worden, al is het ook niet veel, en al gaat het voetje voor voetje en zóó langzaam, dat men voor zichzelven begint te gelooven, dat men niet vordert.Daar kwam hij van zijne tweede reis thuis en toen hij in het kantoor van de Heeren Lampsens stond om zijn geld te ontvangen, sprong hij ineens op en riep: „Goddank!”„Wat is er, jongen?” vroeg Adriaen, de oudste der broeders, natuurlijk over dien uitroep verbaasd.„O, Sinjeur, Sinjeur, het heeft toch geholpen! Ik ga vooruit!” riep Michiel opgewonden uit.„Wat mankeert die jongen, Cornelis?” vroeg nu Adriaen aan zijnen broeder.„Ik weet het niet! Ik geloof, dat het hem in de bovenkamer hapert!”„Neen, neen, Sinjeurs, alles behalve dat! Ik ga vooruit, ja, en zelfs veel harder vooruit dan ik zelf meende. En ik dacht, dat ik niet vorderde!”„Maar waarin gaat gij dan vooruit?” vroeg Cornelis.„In de kunst van lezen, Sinjeur!”„Aha! Is er daarom zulk eene pret in het land? Daarom zoo blij? Nu, dat is een goed teeken. Maar hoe weet ge, dat ge in de leeskunst nog al veel vooruit gegaan zijt?”„Wel, Sinjeurs, toen ik den laatsten keer hier was, konik het schrift van die koopmans-brieven, die daar hangen, niet lezen, en nu wel!”„Ferm zoo, Michiel, ferm zoo!” sprak Adriaen, en zijne hand op het hoofd van den knaap leggende, zeide hij nog: „Zoo komt men vooruit in de wereld!”„En van wien leert ge dat, Michiel?” vroeg Cornelis.„Van den tweeden Stuurman, Sinjeur! Och, hij heeft zooveel geduld met me. Hij leert me rekenen ook!”„Nu, dat is goed, jongen! Vertel het hem maar, hoor! Het is eenen leermeester altijd aangenaam zoo hij te weten komt, dat zijn discipel vorderingen maakt! Dag, Michiel!”„Goeden middag, Sinjeurs!” antwoordde Michiel en liep, in de blijdschap zijns harten, naar de „Lijnbaan”, om daar den goeden Stuurman terstond te vertellen, dat hij, Michiel, in het lezen toch zulke vorderingen gemaakt had.De Stuurman hoorde hem lachend aan en zei: „Mooi, mooi, jongen! Op de volgende reis zullen we het er nog eens van hebben!”„Alsjeblief, Stuurman, alsjeblief!” riep Michiel, en snelde nu naar huis toe, waar hij zijne lieve Moeder de tranen van blijdschap in de oogen deed komen op zijn bericht, dat hij in de leeskunst zoo vooruitging. En ieder moest dat weten, ja, ook hij, hij!Wie was die hij?„Moeder, ik heb alweer een paar Oostersche muilen meegebracht, ik ga ze eens wegbrengen!”„Dat is goed, jongen! Aan wien?”„Aan Meester Van Gelder, Moeder! De andere twee Meesters zijn dood, anders bracht ik die er ook ieder een paar.”Moeder Alida sloeg van verbazing de handen in elkander en riep: „Een paar muilen voor Meester Van Gelder?”„Ja, Moeder!”„Voor-Meester-Van-Gel-der?” herhaalde Moeder Alida, niet tot zichzelve kunnende komen van verbazing, en op iedere lettergreep drukkende.„Ja, Moeder, voor Meester Van Gelder, voor niemand anders. Vindt ge dat zoo vreemd?”„Maar, jongen, zijt gij dan die katten-geschiedenis heelemaal vergeten? Is de bullepees, waarmede hij dreigde, u dan uit de gedachten?”„Neen, Moeder! Maar dat de Meester dacht dat ik het gedaan had, was niet zoo heel gemeen van hem!”„Maar, kind, wat hoor ik nu pas? Hebt gij het dan toch gedaan?”„Neen, Moeder, maar zou het zulk een wonder geweest zijn, als ik het gedaan had?”„Neen, Michiel, want ge waart bar ondeugend!”„Welnu, Moeder, omdat ik zoo ondeugend ben geweest, én omdat ik weet dat ik Meester Van Gelder dikwijls reden gegeven heb mij te straffen, èn ook omdat ik weet, dat hij mij wel leeren wou, maar dat ik nietwilde, daarom ga ik hem een paar muilen brengen en vragen of we goede vrienden kunnen worden!”Moeder Alida veegde met heur voorschoot zich den mond af, doch kwam toch wat hooger ook.„Kom eens hier, Michiel!” zei ze.Michiel deed het.Moeder boog zich tot aan zijn oor en fluisterde hem toe: „Zeeman, kleine zeeman, je bent Moeder Alida’s liefste jongen! Zijt gij nu niet boos meer op me, dat ik het altijd tegen gehouden heb, dat ge naar zee gingt?”„Moeder, ik boos?” zei Michiel zachtjes. „Nooit boos geweest op u! Ik kon nooit boos op u zijn!”De zachtzinnige en teedere Moeder gaf haren lieveling eenen kus en zei: „Ga, kind, ga naar uwen ouden Meester! Het is zoo goed, alsof gij eenen kerkgang doet!”Michiel ging de deur uit, knikte door de ruiten zijne Moeder nog eens vriendelijk toe, en liet een vijf minuten later den klopper op Meester Van Gelders deur vallen.„Ga eens kijken wie daar is, Anna!” zei Meester VanGelder, die juist bezig was met pennen te vermaken, tot zijn dochtertje.Anna ging naar de deur, opende die en liet Michiel in de gang komen, waarna ze de voordeur sloot.„Ik wilde uwen Vader wel eens een oogenblikje spreken, Anna,” zeide Michiel.Anna kende den dikken, jongen en net gekleeden zeeman niet meer, en vroeg: „Als Vader vraagt wie er is, wat zal ik dan zeggen?”„Als er iemand is om me te spreken, moet hij maar hier komen,” riep Meester Van Gelder uit de school.Michiel herkende terstond zijne stem en ging de school, die met eene deur in de gang uitkwam, binnen.En daar zat op dezelfde plaats waar hij jaren geleden reeds zat, met hetzelfde pennemes in de handen en denzelfden pennenbak voor zich, de forsche gestalte van Meester Van Gelder, nog niets veranderd.Ook de geheele inrichting van de school was nog zoo als in de jaren toen Michiel school ging.Dáár had Michiel gezeten, daar in dat hoekje bij den schoorsteen. Dáár was het bord waarop hij het zoogenaamde portret van Meester geteekend had.„Wat is er, vriendschap?” vroeg Meester Van Gelder de punten van eene pen op zijne duim leggende om ze met zijn mes af te punten, en zonder den bezoeker aan te kijken.„Dag, Meester!” sprak Michiel.„Wat Zaterdag, die stem, dat gezicht,” zei Meester, terwijl hij Michiel aanzag.„Dag, Meester,” herhaalde Michiel lachend.„Drommelsche jongen, je bent toch niet....?”„Jawel, Meester, ik zie, dat u het weet wie ik ben! Zeg het maar!”„Michiel!?”„Juist, Meester, Michiel Adriaensz. de Ruyter, de grootste straatbengel, dien ge ooit op school gehad hebt!”„Michiel!? Jij, Michiel? En jij hier?”„Ja, Meester, ik hier! Vind u dat zoo vreemd?”„Maar, jongen, kan ik mijne oogen wel vertrouwen? Fopt gij me niet?”„Benik dan zóó veranderd, Meester?”„Neen, jongen, nu ik u goed bekijk, zijt ge wel grooter, steviger en dikker geworden, maar uw gezicht is heelemaal hetzelfde gebleven! Het verwondert me maar zoo, dat ge bij mij komt. Vroeger waart ge....”„Blij als ik u niet zag, wil u dat niet zeggen? Gij hieldt me voor den liederlijksten straatjongen van heel Vlissingen, is het niet zoo?”„Ja, jongen, daar hield ik je voor. Later is het uitgekomen, dat er nog grooter schelmen waren dan gij er een waart!”„Ei, Meester! Dat moeten nu dan toch zoo even deugnieten geweest zijn!”„Dat waren ze ook, Michiel! Denkt ge nog wel eens aan die katten-geschiedenis, en—aan de bullepees?”„Ja, Meester, en dan moet ik er telkens om lachen!”„Ik denk er ook wel eens aan, jongen, en wel dikwijls zelfs, want van dien avond af ben ik een heel ander mensch geworden. Ik ben glad bekeerd. Ik had leelijke gebreken, jongen!”Thans was de beurt aan Michiel om verbaasd op te kijken en heel natuurlijk was zijn uitroep: „Maar, Meester!”„Ja, jongen, kijk zoo gek niet. Ik ben bekeerd door dien „Barren Bruinvisch”. Die man heeft me in een oogenblik van eene leelijke ondeugd genezen. Sinds dien avond maak ik mij zoo onverstandig driftig niet meer en houd ik mij bedaard. Het gevolg daarvan is, dat ik tegenwoordig zooveel pleizier van mijne discipelen heb, als vroeger verdriet. En weet ge wat eene maand later uitkwam?”„Neen, Meester!”„Dat Lammen Lammensz. de kat door het open raam in mijne pap gesmeten heeft!”„Wat, die brave Lammen, die door u altijd als een toonbeeld van braafheid, deugd en leerzaamheid aan de heele school werd voorgesteld?!”„Dezelfde, Michiel, dezelfde!”„Wel, wat een gemeene huichelaar! En hoe kwam het uit?”„Zijn broertje heeft het verklikt toen hij boos op hem was. En weet ge ook, wien ik nog grooter ondeugd noem dan gij ooit geweest zijt?”„Zeker dien Lammen, Meester?”„Juist, Michiel! Gij deedt kwaad en ge staakt het onder geene stoelen of banken en—ge loogt nooit! Die Lammen was een boosdoener, en speelde den brave met honderden keeren te liegen. Michiel, jongen, geef me eene hand. Ik heb u niet altijd goed behandeld!”Michiel vatte die hand en zei: „Meester, ik was juist van plan u te komen vragen, of ge, alsjeblieft, al mijne kwâjongensstreken vergeven en vergeten wilt, en of ik u, als eene aardigheid, deze Oostersche muilen mag geven. Ik heb ze voor u meegebracht van Amboina.”„Michiel! Jongen! Het is precies zooals Dominé zegt: „In Michiel Adriaensz. De Ruyter steekt wat goeds, en hij zou het ver kunnen brengen, als hij wat meer geleerd had!” Dat zei Dominé en ik zeg het hem na, Michiel! Het is o, zoo jammer dat ge niet wat meer weet! Kunt ge nog wel lezen wat daar op het bord staat?”Michiel begon te lachen, toen hij zag dat het speloefeningen voor de eerstbeginnenden waren.„Wel ja, Meester,” zei hij, „en dat op dit bord hier achter ons ook wel!”„Maar, jongen, dat is toch niet waar? Dat zijn schrijfvoorbeelden voor de hoogsten!”„Toch waar,” was het antwoord, en om er het bewijs van te leveren begon Michiel alles te lezen.„Daar begrijp ik niemendal van,” sprak Meester. „Hebtge dan, nadat ge hier van school gejaagd zijt, nog ergens anders school gegaan?”„Neen, Meester! Maar ik heb aanboord nog al veel vrijen tijd, en de tweede Stuurman, die veel geduld heeft en veel van me houdt, heeft me leeren lezen. Ik reken ook. Ik kan al op zijn Simons Stevens, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen! Het kan me naderhand te pas komen!”Meester Van Gelder sloeg van pure verwondering de handen in elkander en zeide eindelijk: „Jongen, Michiel, ik weet wat! Ge hebt het zeker nu niet druk?”„Ja, Meester, heel druk! „Want over eene week of drie zeilen we alweer uit!”„Dat zal wel niet waar zijn, Michiel!”„Toch heusch en stellig waar, Meester!”„Ik weet er meer af dan gij, Michiel! Er loopen sedert vanmiddag rare praatjes door de stad.”„Ja, Meester? En welke als ik vragen mag?”„Dat de Spanjaarden weer groote vorderingen maken, te land, en terzee weer te duchten zijn. De schepen, die binnen zijn, zullen vooreerst wel binnen blijven ook! Het is of we na het Bestand minder flink en doortastend geworden zijn!”„Ze zeggen, dat Zijne Excellentie Prince Maurits ziekelijk is!”„Dat is hij ook! Maar die binnenlandsche verdeeldheden hebben ons veel kwaad gedaan!”„Zou u denken, Meester, dat die verdeeldheden van—van—ja, de namen ben ik vergeten....”„Van Remonstranten en Contra-Remonstranten, Michiel!”„Ja juist. En zou u denken, dat die de oorzaak zijn van het slappe oorlogvoeren na het Bestand?”„Ongetwijfeld, Michiel, stellig en zeker!”„Weet ge wat onze Schipper zegt?”„Neen, Michiel!”„Hij zegt, dat onze mannen nu alleen oog en hart hebben voor de Oost en de West. Ze hebben den lust verloren om te land te dienen. Op zee is het veel voordeeliger!”Meester Van Gelder streek de hand langs het voorhoofd en zei: „Ge hebt eenen verstandigen kop van eenen Schipper, maar hierin heeft de man geen gelijk. Van het land als soldaat te dienen zijn we nooit voorstanders geweest. Wij gaven liever geld, lieten Zwitsers, Duitschers, Franschen en Engelschen voor ons vechten en keken bedaard toe hoe Prince Maurits met dat rommelzoodje van alle natiën en tongen zulke groote dingen kon doen. Dat is zijn hoogste roem; dat lokte Hertogen en Graven, Markiezen en Baronnen uit andere landen om van hem te leeren hoe men krijgstucht uitoefent en met kleine middelen groote dingen doen kan. Prince Maurits is de grootste Veldheer van zijnen tijd. Maar de rust van het Bestand bracht onrust in de gemoederen. Nu men niet meer de oorlogskaart voor zich had en met bonte spelden den weg en de legers er op af teekende, greep men naar kleingeestige twistgeschriften en men zette de bonte spelden bij allerlei nietige twistvragen neer, alsof diezelfde twistvragen vijandelijke vestingen waren. En in dat vechten kreeg ieder Nederlander lust; daartoe had men wel dukaten beschikbaar, doch toen het Bestand ten einde was en Prince Maurits om dukaten vroeg om den oorlog tegen heel andere dan papieren vestingen met geleerden inkt bemorst, voort te zetten, was de lust, de rechte lust er niet toe. En die lust werd niet aangewakkerd door nieuwe krijgsbedrijven van den Prins, die alweer van meet af aan beginnen moest met een mengelmoes van allerlei volk tot een krachtig geheel te maken. We hebben ook te veel voorspoed gehad in den handel, Michiel! Millioenen schats zijn ons land binnengekomen, maar—rijkdom maakt een volk voor eenigen tijd wel machtig, doch krachtig nooit, en waar macht geen gevolg van kracht is,daar valt de macht eens in duigen, Doch, ik praat te veel, te geleerd misschien ook. Laat ik dus liever eene vraag doen. Als ik goed gezien hebt en ge blijft ditmaal lang aan den wal, hebt ge dan lust om na schooltijd bij me te komen, dan zal ik je les geven?”Michiel zei niet dadelijk ja; hij dacht om de kosten.„En als ge soms denkt, dat ik er éénen duit voor rekenen zal, dan hebt gij het mis! Nu ik gezien heb, dat ge wilt leeren, wil ik van mijnen kant graag wat doen om veel goed te maken. Doen, gauw, zeg maar ja, dan beginnen we dadelijk!”Nu wilde Michiel niet neen zeggen, en het gevolg hiervan was, dat hij pas bij Meester Van Gelder vandaan ging, toen het te donker was geworden om nog iets te doen.Dat hield Michiel zes of zeven weken lang zoo vol; want Meester Van Gelder had gelijk gehad: de „Lijnbaan” zeilde vooreerst niet uit.De Heeren Lampsens waren voorname kooplieden, maar zeer bedachtzaam. Waar veel te winnen, maar als het tegenliep, ook veel te verliezen viel, daar waren zij niet bij, en het gevolg hiervan was, dat ze bijna nooit verliezen leden. Men vindt van hen aangeteekend, dat zij voor eigen rekening twaalf schepen, die te zamen wel honderd tachtig stukken geschut voerden, uitgerust hadden voor den handel. In 1632 zonden ze, ook voor eigen rekening, de „Samson” en de „Vlissingen”, twee oorlogsschepen uit om de Duinkerker kapers te tuchtigen, en ze deden dat zóó goed, dat de verzekering van schepen, die op de Bocht van Frankrijk voeren en reeds tot acht, ja, tot tien ten honderd gestegen was, daalde tot drie ten honderd. De Duinkerkers durfden zich niet roeren of bewegen, en bleven in de haven. In het jaar 1654 deden ze het onbewoonde eiland Tabago, in Amerika, weder bevolken, een werk dat hun in elf jaar tijds gelukte. Zij brachten de kolonisten, met al wat dezen noodig hadden, in hun eigen schepen over. Adriaen Lampsenswas zelfs van 1650–52 Burgemeester van Vlissingen, en werd later door Lodewijk XIV, Koning van Frankrijk, versierd met de ridderorde van Sint Michael, en tot den Franschen adelstand verheven onder den titel van Baron van Tabago.Toen ik hierboven sprak van twaalf schepen, die samen wel honderdtachtig stukken geschut voerden, hebt ge mogelijk wel gedacht: waren dat dan oorlogsschepen?Neen, het waren koopvaardijschepen, doch die, in tijden van oorlog, ook wel eens dienst deden als oorlogsschepen. Men was toen wel genoodzaakt dekoopvaardijschepensterk te bemannen en van geschut te voorzien. Vooreerst, omdat we nog altijd in oorlog waren met Spanje en op zee menigmaal Spaansche oorlogsschepen ontmoetten. Ten tweede om de Duinkerker kapers, die aan het Nauw van Calais soms heel netjes de binnenvarende schepen der Hollanders wisten te bemachtigen. Ten derde om den naijver der Engelschen, die in Europa zoogenaamd onze vrienden waren, doch in de Oost-Indiën ons meest altijd als vijanden behandelden. En ten vierde, omdat die deelen van de Oost-Indiën, waarop wij handel dreven, nog niet zoo onder ons gezag waren, of ze konden onze schepen, die kwamen om te koopen, wel aanvallen en plunderen. Om al deze redenen was in dien tijd een koopvaardij-schip een oorlogsvaartuig in het klein.Maar keeren we tot onzen Michiel terug.Zes weken lang haalde hij, onafgebroken, iederen avond les, en of Meester Van Gelder er nu meer slag van had dan de tweede Stuurman van de „Lijnbaan”, dan wel of Michiel nu nog meer zijn best deed dan vroeger en gaandeweg gemakkelijker leerde, naarmate hij verder kwam, het is onzeker; maar waar is het, dat hij al een heel eind in de koopmans-berekeningen en de stuurmanskunst was gevorderd, toen hij op zekeren avond alweer bij Meester Van Gelder kwam en zeide: „Dat zal nu wel voor het laatst zijn, Meester!”„Voor het laatst, jongen? Hoe dat zoo?”„Wel, er is rondgeroepen, dat alle zeeluî, die door de omstandigheden gedwongen zijn aan wal te blijven, dienst kunnen nemen bij de busschieters in het Staatsche leger!”„En waarom zoudt gij dat doen?”„Och, ik zelf heb er niet zooveel lust in. Maar Vader zou graag zien, dat ik het deed!”„Ja, jongen, zulk een jong zeeman, die niemendal thuisbrengt, in den kost te hebben, is niet zoo heel voordeelig, dat begrijp ik best. Er zijn nog kleintjes thuis ook.”„Neen, Meester, dat is de reden toch niet. Ik betaal mijnen kost met mijne spaarpenningen meer dan voldoende en er zijn bij ons thuis al heel wat, die aardig helpen om de inkomsten te verbeteren. Van armoede lijden is geene sprake meer, gelukkig. Maar de Spanjaarden zijn in Brabant gevallen, en hebben onder Spinola de stad Steenbergen al ingenomen. Nu trekken ze op Bergen-op-Zoom, of, ze zullen er reeds wel wezen!”„Bergen-op-Zoom zullen ze zoo gauw niet hebben; Michiel! Het is sterker dan Steenbergen!”„Jawel, Meester! Maar nu is Vader uit de buurt van Bergen-op-Zoom, en hij trekt er altijd nog partij voor. Als hij geen huisgezin had, zei hij, ging hij er heen. En toen hij dat gezegd had, voegde hij er lachend bij: „Dat was net wat voor Michiel! Ze hebben het omgetrommeld, dat alle zeelui aan den wal dienst kunnen nemen als busschieter! Hebt gij er geenen lust in om eens onder onzen beroemden Prins Maurits de Spanjaarden te lijf te gaan?”Ik zag aan Vaders gezicht, dat het hem geen pleizier zou doen, als ik neen zeide, en daarom zeî ik: „Wel ja, Vader, ik wil te land ook wel eens dienen!”„Dat doet me pleizier, Michiel! Ik ga je dadelijk bij den Magistraat aangeven!” sprak Vader.Dit gebeurde op straat terwijl ik naar u kwam; maar als ik straks thuis kom, zal ik heel wat woorden moetengebruiken om alles goed te praten, want naar Vaders zin mag het zijn, naar Moeders zeker niet! Morgen ga ik er al heen.”Zoo sprak Michiel en den volgenden dag was hij des avonds reeds te Bergen-op-Zoom, waar de wakkere zeeluî met open armen ontvangen werden; want het scheen bij Spinola meenens te zijn met deze belegering. Had men er van Spaansche zijde in 1605 tot driemalen toe het hoofd voor gestooten, Spinola zou dat eens verbeteren en zien of deze vesting werkelijk zoo sterk was, als ze vertelden.Maar iets ontbrak den dapperen, moedigen en beleidvollen Spinola. Hij had geen enkel schip en moest dus aan eene zijde de stad onbelegerd laten. En aan die eene zijde kwam alles binnen, wat de belegerden noodig hadden: kruit, lood, geweren, levensmiddelen, en soldaten. Er was geen gebrek aan iets. Het gevolg daarvan was, dat alle aanvallen dapper werden afgeslagen, en dat Michiel, hij mocht al opgehouden hebben een straatjongen te zijn, hier op zijne dreef was, zal iedereen wel begrijpen. Wat hij uitvoerde en door welke drieste waagstukken of schoone heldendaden hij zich onderscheidde, is nergens opgeteekend, doch zijn levensbeschrijver, Gerard Brandt, deelt mede, dat hij er een paard kocht waarvan hij zich „stoutelijk” diende en in de uitvallen der bezetting verscheidene malen buit op den vijand behaalde. Als wij nu in zijne levensgeschiedenis lezen, dat hij als volwassen man een zeer slecht ruiter was en dat Spinola voor Bergen-op-Zoom in een beleg van achtenzeventig dagen wel tienduizend man verloor, dan behoeven we niet te vragen, of Michiel met of zonder paard ook zijn oud waaghalzenhart lucht gegeven heeft. Stellig en zeker heeft hij dat gedaan en de lust tot vechten schijnt hem toen eenige weken lang zoo bezield te hebben, dat hij bij zijne thuiskomst uit Bergen-op-Zoom, eenigen tijd als hoogbootsmans-jongen ten oorlog voer. Het leven aanboord van een oorlogsschip scheen hem echter niet erg bevallen te zijn, want al heel spoedig washij weer thuis. Lang zou hij echter niet aan den wal blijven, want in hetzelfde jaar was hij weer aanboord van de „Lijnbaan”, die ditmaal eene lading Fransche wijnen te Bordeaux zou gaan halen.Veel gereed te maken viel er niet, zoodat Michiel op zijn gemak overal afscheid kon gaan nemen.Van Meester Van Gelder kreeg hij een paar reken-, lees- en schrijfboeken en de belofte mee, dat ze het nog eens zouden hervatten, als hij weer aanwal was.
Het was zooals de Schipper of de Kapitein van de „Lijnbaan” voorspeld had, men bleef maar kort aan den wal. Reeds vier weken later was Michiel weer in zee.
Ook ditmaal had de „Lijnbaan” eene zeer voordeelige reis en getuigde de „Barre Bruinvisch” van Michiel, dat hij de uitmuntendste jongen was, dien hij nog ooit gehad had. Zelfs Geleyn Evertsen moest voor hem onderdoen, en dat zeide zoo iets.
Michiel echter dacht nog altijd aan zijne zoogenaamde ingeving en aan zijne beloften, aanboord nog te zullen leeren. Hij begreep zeer goed dat hij, met het weinigje kennis, dat hij bezat, het niet ver zou brengen. Dat zag hij dagelijks aan den „Barren Bruinvisch.”
Andere reeders, vooral uit Middelburg, hadden Lievensz. wat dikwijls gevraagd of hij niet bij hen aanboord, als Bootsman, wilde dienen, hij zou dan zoo en zooveel dukaten meer in het jaar krijgen.
Dat nu doet een reeder zoo gauw niet en de „BarreBruinvisch” moest dan ook meer waard zijn dan anderen.
De Heeren Lampsens, die eenen Bootsman, als Lievensz. was, liever wilden houden, verhoogden telkens zijn loon, en de man had dan ook, ik weet niet hoe dikwijls gezegd: „Zoolang de Heeren Lampsens schepen hebben en ik varen kan, zoolang blijf ik bij hen aanboord, en zal ik me op geen ander schip laten aanmonsteren.”
Maar wat was Lievensz. aanboord van de Heeren Lampsens?
Bootsman!
Wat zou hij zijn leven lang blijven?
Bootsman!
Wat kon hij op schepen van andere reeders worden?
Bootsman!
Wat zou hij daar misschien, voor veel geld, blijven?
Bootsman!
En hoe kwam dat?
Lievensz. zelf heeft het al gezegd: hij kon niet lezen of niet schrijven, en aan vooruit komen was dus niet te denken.
Dat wist Michiel, en Michiel wist ook zeer goed dat hij denzelfden weg zou opgaan, als hij niet maakte, dat hij wat meer wist, dan wat hij op de drie scholen waar hij weggejaagd was, nog had kunnen leeren.
In zijne ledige oogenblikken, als zelfs Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met de matrozen grappen maakten, of met de dobbelsteenen speelden, zat Michiel met een boek of eene lei voor zich.
Het kostte hem wat moeite om de vermenigvuldiging en deeling met tiendeelige breuken, nog niet zoo heel lang geleden door Simon Stevin in gebruik gebracht, in het hoofd te krijgen, en de Stuurman, die hem leerde lezen en zijne sommen nazag, haalde dikwijls onder het lezen de schouders op en zeide dan: „Domoor, dat staat er niet! Eene slak op eenen drogen zandweg vordert meer dan gij.”
Op eenen anderen tijd, als er gerekend was, ging er vaakeene dikke streep door al de sommen heen, omdat er niet ééne goede was. Ja, er haperde dan weinig aan of Michiel kreeg, nadat hij zich had hooren toevoegen: „Domoor, niemendal goed,” bijna de lei naar het hoofd.
En als Michiel dan die doorgestreepte sommen zag en hij dacht aan de moeite, die hij gehad had, ze te maken, zie, dan smeet hij lei, boek, pen en griffel wel eens baloorig weg en begon dan, met de handen onder het hoofd, een deuntje te huilen.
Maar dan sprong hij dikwijls weer opeens op, droogde zijne tranen af, nam lei, boek, pen en griffel weer in de hand en zei tot zichzelven: „Michiel, Michiel, zóó komt gij er niet! Zóó blijft gij levenslang de oude knecht. Denk er aan, jongen, wat ge op den avond vóór de eerste reis tegen uwe goede Ouders in het bijzijn van den „Barren Bruinvisch” en van buurman Engels gezegd hebt. Weet ge het niet meer?”
—Jawel, willen is kunnen!—
Juist, willen is kunnen! Pak op, lei, boek, pen en griffel! Maak de sommen dertig- ja, veertigmaal fout, ééns zullen ze goed zijn en zal de Stuurman zeggen: „Zoo, dat is er in! Nu wat anders! Eens zult ge zelf begrijpen, wat ge leest en het zal zóó goed gaan, dat alweer de Stuurman zegt: „Zoo, jongen, dat is goed! Dat gaat vooruit!” Toe dan, Michiel, den verspeelden tijd inhalen, en gaat het moeielijk, ja, lijkt het onmogelijk, op, op, bootsmansjongen! Willen is kunnen!”
En als Michiel zoo met zichzelven aan het redeneeren geweest was, dan ging hij aan het werken, aan het spellen, lezen en rekenen, dat hem de ooren gloeiden, de wangen tintelden en hem het zweet met groote druppels van het hoofd vloeide.
Dat wel besteden van zijnen tijd, en die ijzeren wil van Michiel waren dan ook oorzaak, dat de Stuurman dikwijls tot zichzelven zeide: „Zou het ook aan mijne manier vanonderwijzen haperen, dat de jongen niet harder vordert? Als hij maar één vrij oogenblikje heeft, gebruikt hij het om te leeren en—dom of traag van begrip is hij in het geheel niet. Ik moet toch nog eens een ander middel bedenken om hem het een en ander aan zijn verstand te brengen!”
De Stuurman deed, wat hij zich voorgenomen had, maar de man kon niet helpen, dat hij den slag van „duidelijk maken” maar niet beet krijgen kon, al wist hij zelf de zaken ook nog zoo goed. Intusschen, waar èn de onderwijzer èn de leerling zóó zich inspannen, daar moet wat geleerd worden, al is het ook niet veel, en al gaat het voetje voor voetje en zóó langzaam, dat men voor zichzelven begint te gelooven, dat men niet vordert.
Daar kwam hij van zijne tweede reis thuis en toen hij in het kantoor van de Heeren Lampsens stond om zijn geld te ontvangen, sprong hij ineens op en riep: „Goddank!”
„Wat is er, jongen?” vroeg Adriaen, de oudste der broeders, natuurlijk over dien uitroep verbaasd.
„O, Sinjeur, Sinjeur, het heeft toch geholpen! Ik ga vooruit!” riep Michiel opgewonden uit.
„Wat mankeert die jongen, Cornelis?” vroeg nu Adriaen aan zijnen broeder.
„Ik weet het niet! Ik geloof, dat het hem in de bovenkamer hapert!”
„Neen, neen, Sinjeurs, alles behalve dat! Ik ga vooruit, ja, en zelfs veel harder vooruit dan ik zelf meende. En ik dacht, dat ik niet vorderde!”
„Maar waarin gaat gij dan vooruit?” vroeg Cornelis.
„In de kunst van lezen, Sinjeur!”
„Aha! Is er daarom zulk eene pret in het land? Daarom zoo blij? Nu, dat is een goed teeken. Maar hoe weet ge, dat ge in de leeskunst nog al veel vooruit gegaan zijt?”
„Wel, Sinjeurs, toen ik den laatsten keer hier was, konik het schrift van die koopmans-brieven, die daar hangen, niet lezen, en nu wel!”
„Ferm zoo, Michiel, ferm zoo!” sprak Adriaen, en zijne hand op het hoofd van den knaap leggende, zeide hij nog: „Zoo komt men vooruit in de wereld!”
„En van wien leert ge dat, Michiel?” vroeg Cornelis.
„Van den tweeden Stuurman, Sinjeur! Och, hij heeft zooveel geduld met me. Hij leert me rekenen ook!”
„Nu, dat is goed, jongen! Vertel het hem maar, hoor! Het is eenen leermeester altijd aangenaam zoo hij te weten komt, dat zijn discipel vorderingen maakt! Dag, Michiel!”
„Goeden middag, Sinjeurs!” antwoordde Michiel en liep, in de blijdschap zijns harten, naar de „Lijnbaan”, om daar den goeden Stuurman terstond te vertellen, dat hij, Michiel, in het lezen toch zulke vorderingen gemaakt had.
De Stuurman hoorde hem lachend aan en zei: „Mooi, mooi, jongen! Op de volgende reis zullen we het er nog eens van hebben!”
„Alsjeblief, Stuurman, alsjeblief!” riep Michiel, en snelde nu naar huis toe, waar hij zijne lieve Moeder de tranen van blijdschap in de oogen deed komen op zijn bericht, dat hij in de leeskunst zoo vooruitging. En ieder moest dat weten, ja, ook hij, hij!
Wie was die hij?
„Moeder, ik heb alweer een paar Oostersche muilen meegebracht, ik ga ze eens wegbrengen!”
„Dat is goed, jongen! Aan wien?”
„Aan Meester Van Gelder, Moeder! De andere twee Meesters zijn dood, anders bracht ik die er ook ieder een paar.”
Moeder Alida sloeg van verbazing de handen in elkander en riep: „Een paar muilen voor Meester Van Gelder?”
„Ja, Moeder!”
„Voor-Meester-Van-Gel-der?” herhaalde Moeder Alida, niet tot zichzelve kunnende komen van verbazing, en op iedere lettergreep drukkende.
„Ja, Moeder, voor Meester Van Gelder, voor niemand anders. Vindt ge dat zoo vreemd?”
„Maar, jongen, zijt gij dan die katten-geschiedenis heelemaal vergeten? Is de bullepees, waarmede hij dreigde, u dan uit de gedachten?”
„Neen, Moeder! Maar dat de Meester dacht dat ik het gedaan had, was niet zoo heel gemeen van hem!”
„Maar, kind, wat hoor ik nu pas? Hebt gij het dan toch gedaan?”
„Neen, Moeder, maar zou het zulk een wonder geweest zijn, als ik het gedaan had?”
„Neen, Michiel, want ge waart bar ondeugend!”
„Welnu, Moeder, omdat ik zoo ondeugend ben geweest, én omdat ik weet dat ik Meester Van Gelder dikwijls reden gegeven heb mij te straffen, èn ook omdat ik weet, dat hij mij wel leeren wou, maar dat ik nietwilde, daarom ga ik hem een paar muilen brengen en vragen of we goede vrienden kunnen worden!”
Moeder Alida veegde met heur voorschoot zich den mond af, doch kwam toch wat hooger ook.
„Kom eens hier, Michiel!” zei ze.
Michiel deed het.
Moeder boog zich tot aan zijn oor en fluisterde hem toe: „Zeeman, kleine zeeman, je bent Moeder Alida’s liefste jongen! Zijt gij nu niet boos meer op me, dat ik het altijd tegen gehouden heb, dat ge naar zee gingt?”
„Moeder, ik boos?” zei Michiel zachtjes. „Nooit boos geweest op u! Ik kon nooit boos op u zijn!”
De zachtzinnige en teedere Moeder gaf haren lieveling eenen kus en zei: „Ga, kind, ga naar uwen ouden Meester! Het is zoo goed, alsof gij eenen kerkgang doet!”
Michiel ging de deur uit, knikte door de ruiten zijne Moeder nog eens vriendelijk toe, en liet een vijf minuten later den klopper op Meester Van Gelders deur vallen.
„Ga eens kijken wie daar is, Anna!” zei Meester VanGelder, die juist bezig was met pennen te vermaken, tot zijn dochtertje.
Anna ging naar de deur, opende die en liet Michiel in de gang komen, waarna ze de voordeur sloot.
„Ik wilde uwen Vader wel eens een oogenblikje spreken, Anna,” zeide Michiel.
Anna kende den dikken, jongen en net gekleeden zeeman niet meer, en vroeg: „Als Vader vraagt wie er is, wat zal ik dan zeggen?”
„Als er iemand is om me te spreken, moet hij maar hier komen,” riep Meester Van Gelder uit de school.
Michiel herkende terstond zijne stem en ging de school, die met eene deur in de gang uitkwam, binnen.
En daar zat op dezelfde plaats waar hij jaren geleden reeds zat, met hetzelfde pennemes in de handen en denzelfden pennenbak voor zich, de forsche gestalte van Meester Van Gelder, nog niets veranderd.
Ook de geheele inrichting van de school was nog zoo als in de jaren toen Michiel school ging.
Dáár had Michiel gezeten, daar in dat hoekje bij den schoorsteen. Dáár was het bord waarop hij het zoogenaamde portret van Meester geteekend had.
„Wat is er, vriendschap?” vroeg Meester Van Gelder de punten van eene pen op zijne duim leggende om ze met zijn mes af te punten, en zonder den bezoeker aan te kijken.
„Dag, Meester!” sprak Michiel.
„Wat Zaterdag, die stem, dat gezicht,” zei Meester, terwijl hij Michiel aanzag.
„Dag, Meester,” herhaalde Michiel lachend.
„Drommelsche jongen, je bent toch niet....?”
„Jawel, Meester, ik zie, dat u het weet wie ik ben! Zeg het maar!”
„Michiel!?”
„Juist, Meester, Michiel Adriaensz. de Ruyter, de grootste straatbengel, dien ge ooit op school gehad hebt!”
„Michiel!? Jij, Michiel? En jij hier?”
„Ja, Meester, ik hier! Vind u dat zoo vreemd?”
„Maar, jongen, kan ik mijne oogen wel vertrouwen? Fopt gij me niet?”
„Benik dan zóó veranderd, Meester?”
„Neen, jongen, nu ik u goed bekijk, zijt ge wel grooter, steviger en dikker geworden, maar uw gezicht is heelemaal hetzelfde gebleven! Het verwondert me maar zoo, dat ge bij mij komt. Vroeger waart ge....”
„Blij als ik u niet zag, wil u dat niet zeggen? Gij hieldt me voor den liederlijksten straatjongen van heel Vlissingen, is het niet zoo?”
„Ja, jongen, daar hield ik je voor. Later is het uitgekomen, dat er nog grooter schelmen waren dan gij er een waart!”
„Ei, Meester! Dat moeten nu dan toch zoo even deugnieten geweest zijn!”
„Dat waren ze ook, Michiel! Denkt ge nog wel eens aan die katten-geschiedenis, en—aan de bullepees?”
„Ja, Meester, en dan moet ik er telkens om lachen!”
„Ik denk er ook wel eens aan, jongen, en wel dikwijls zelfs, want van dien avond af ben ik een heel ander mensch geworden. Ik ben glad bekeerd. Ik had leelijke gebreken, jongen!”
Thans was de beurt aan Michiel om verbaasd op te kijken en heel natuurlijk was zijn uitroep: „Maar, Meester!”
„Ja, jongen, kijk zoo gek niet. Ik ben bekeerd door dien „Barren Bruinvisch”. Die man heeft me in een oogenblik van eene leelijke ondeugd genezen. Sinds dien avond maak ik mij zoo onverstandig driftig niet meer en houd ik mij bedaard. Het gevolg daarvan is, dat ik tegenwoordig zooveel pleizier van mijne discipelen heb, als vroeger verdriet. En weet ge wat eene maand later uitkwam?”
„Neen, Meester!”
„Dat Lammen Lammensz. de kat door het open raam in mijne pap gesmeten heeft!”
„Wat, die brave Lammen, die door u altijd als een toonbeeld van braafheid, deugd en leerzaamheid aan de heele school werd voorgesteld?!”
„Dezelfde, Michiel, dezelfde!”
„Wel, wat een gemeene huichelaar! En hoe kwam het uit?”
„Zijn broertje heeft het verklikt toen hij boos op hem was. En weet ge ook, wien ik nog grooter ondeugd noem dan gij ooit geweest zijt?”
„Zeker dien Lammen, Meester?”
„Juist, Michiel! Gij deedt kwaad en ge staakt het onder geene stoelen of banken en—ge loogt nooit! Die Lammen was een boosdoener, en speelde den brave met honderden keeren te liegen. Michiel, jongen, geef me eene hand. Ik heb u niet altijd goed behandeld!”
Michiel vatte die hand en zei: „Meester, ik was juist van plan u te komen vragen, of ge, alsjeblieft, al mijne kwâjongensstreken vergeven en vergeten wilt, en of ik u, als eene aardigheid, deze Oostersche muilen mag geven. Ik heb ze voor u meegebracht van Amboina.”
„Michiel! Jongen! Het is precies zooals Dominé zegt: „In Michiel Adriaensz. De Ruyter steekt wat goeds, en hij zou het ver kunnen brengen, als hij wat meer geleerd had!” Dat zei Dominé en ik zeg het hem na, Michiel! Het is o, zoo jammer dat ge niet wat meer weet! Kunt ge nog wel lezen wat daar op het bord staat?”
Michiel begon te lachen, toen hij zag dat het speloefeningen voor de eerstbeginnenden waren.
„Wel ja, Meester,” zei hij, „en dat op dit bord hier achter ons ook wel!”
„Maar, jongen, dat is toch niet waar? Dat zijn schrijfvoorbeelden voor de hoogsten!”
„Toch waar,” was het antwoord, en om er het bewijs van te leveren begon Michiel alles te lezen.
„Daar begrijp ik niemendal van,” sprak Meester. „Hebtge dan, nadat ge hier van school gejaagd zijt, nog ergens anders school gegaan?”
„Neen, Meester! Maar ik heb aanboord nog al veel vrijen tijd, en de tweede Stuurman, die veel geduld heeft en veel van me houdt, heeft me leeren lezen. Ik reken ook. Ik kan al op zijn Simons Stevens, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen! Het kan me naderhand te pas komen!”
Meester Van Gelder sloeg van pure verwondering de handen in elkander en zeide eindelijk: „Jongen, Michiel, ik weet wat! Ge hebt het zeker nu niet druk?”
„Ja, Meester, heel druk! „Want over eene week of drie zeilen we alweer uit!”
„Dat zal wel niet waar zijn, Michiel!”
„Toch heusch en stellig waar, Meester!”
„Ik weet er meer af dan gij, Michiel! Er loopen sedert vanmiddag rare praatjes door de stad.”
„Ja, Meester? En welke als ik vragen mag?”
„Dat de Spanjaarden weer groote vorderingen maken, te land, en terzee weer te duchten zijn. De schepen, die binnen zijn, zullen vooreerst wel binnen blijven ook! Het is of we na het Bestand minder flink en doortastend geworden zijn!”
„Ze zeggen, dat Zijne Excellentie Prince Maurits ziekelijk is!”
„Dat is hij ook! Maar die binnenlandsche verdeeldheden hebben ons veel kwaad gedaan!”
„Zou u denken, Meester, dat die verdeeldheden van—van—ja, de namen ben ik vergeten....”
„Van Remonstranten en Contra-Remonstranten, Michiel!”
„Ja juist. En zou u denken, dat die de oorzaak zijn van het slappe oorlogvoeren na het Bestand?”
„Ongetwijfeld, Michiel, stellig en zeker!”
„Weet ge wat onze Schipper zegt?”
„Neen, Michiel!”
„Hij zegt, dat onze mannen nu alleen oog en hart hebben voor de Oost en de West. Ze hebben den lust verloren om te land te dienen. Op zee is het veel voordeeliger!”
Meester Van Gelder streek de hand langs het voorhoofd en zei: „Ge hebt eenen verstandigen kop van eenen Schipper, maar hierin heeft de man geen gelijk. Van het land als soldaat te dienen zijn we nooit voorstanders geweest. Wij gaven liever geld, lieten Zwitsers, Duitschers, Franschen en Engelschen voor ons vechten en keken bedaard toe hoe Prince Maurits met dat rommelzoodje van alle natiën en tongen zulke groote dingen kon doen. Dat is zijn hoogste roem; dat lokte Hertogen en Graven, Markiezen en Baronnen uit andere landen om van hem te leeren hoe men krijgstucht uitoefent en met kleine middelen groote dingen doen kan. Prince Maurits is de grootste Veldheer van zijnen tijd. Maar de rust van het Bestand bracht onrust in de gemoederen. Nu men niet meer de oorlogskaart voor zich had en met bonte spelden den weg en de legers er op af teekende, greep men naar kleingeestige twistgeschriften en men zette de bonte spelden bij allerlei nietige twistvragen neer, alsof diezelfde twistvragen vijandelijke vestingen waren. En in dat vechten kreeg ieder Nederlander lust; daartoe had men wel dukaten beschikbaar, doch toen het Bestand ten einde was en Prince Maurits om dukaten vroeg om den oorlog tegen heel andere dan papieren vestingen met geleerden inkt bemorst, voort te zetten, was de lust, de rechte lust er niet toe. En die lust werd niet aangewakkerd door nieuwe krijgsbedrijven van den Prins, die alweer van meet af aan beginnen moest met een mengelmoes van allerlei volk tot een krachtig geheel te maken. We hebben ook te veel voorspoed gehad in den handel, Michiel! Millioenen schats zijn ons land binnengekomen, maar—rijkdom maakt een volk voor eenigen tijd wel machtig, doch krachtig nooit, en waar macht geen gevolg van kracht is,daar valt de macht eens in duigen, Doch, ik praat te veel, te geleerd misschien ook. Laat ik dus liever eene vraag doen. Als ik goed gezien hebt en ge blijft ditmaal lang aan den wal, hebt ge dan lust om na schooltijd bij me te komen, dan zal ik je les geven?”
Michiel zei niet dadelijk ja; hij dacht om de kosten.
„En als ge soms denkt, dat ik er éénen duit voor rekenen zal, dan hebt gij het mis! Nu ik gezien heb, dat ge wilt leeren, wil ik van mijnen kant graag wat doen om veel goed te maken. Doen, gauw, zeg maar ja, dan beginnen we dadelijk!”
Nu wilde Michiel niet neen zeggen, en het gevolg hiervan was, dat hij pas bij Meester Van Gelder vandaan ging, toen het te donker was geworden om nog iets te doen.
Dat hield Michiel zes of zeven weken lang zoo vol; want Meester Van Gelder had gelijk gehad: de „Lijnbaan” zeilde vooreerst niet uit.
De Heeren Lampsens waren voorname kooplieden, maar zeer bedachtzaam. Waar veel te winnen, maar als het tegenliep, ook veel te verliezen viel, daar waren zij niet bij, en het gevolg hiervan was, dat ze bijna nooit verliezen leden. Men vindt van hen aangeteekend, dat zij voor eigen rekening twaalf schepen, die te zamen wel honderd tachtig stukken geschut voerden, uitgerust hadden voor den handel. In 1632 zonden ze, ook voor eigen rekening, de „Samson” en de „Vlissingen”, twee oorlogsschepen uit om de Duinkerker kapers te tuchtigen, en ze deden dat zóó goed, dat de verzekering van schepen, die op de Bocht van Frankrijk voeren en reeds tot acht, ja, tot tien ten honderd gestegen was, daalde tot drie ten honderd. De Duinkerkers durfden zich niet roeren of bewegen, en bleven in de haven. In het jaar 1654 deden ze het onbewoonde eiland Tabago, in Amerika, weder bevolken, een werk dat hun in elf jaar tijds gelukte. Zij brachten de kolonisten, met al wat dezen noodig hadden, in hun eigen schepen over. Adriaen Lampsenswas zelfs van 1650–52 Burgemeester van Vlissingen, en werd later door Lodewijk XIV, Koning van Frankrijk, versierd met de ridderorde van Sint Michael, en tot den Franschen adelstand verheven onder den titel van Baron van Tabago.
Toen ik hierboven sprak van twaalf schepen, die samen wel honderdtachtig stukken geschut voerden, hebt ge mogelijk wel gedacht: waren dat dan oorlogsschepen?
Neen, het waren koopvaardijschepen, doch die, in tijden van oorlog, ook wel eens dienst deden als oorlogsschepen. Men was toen wel genoodzaakt dekoopvaardijschepensterk te bemannen en van geschut te voorzien. Vooreerst, omdat we nog altijd in oorlog waren met Spanje en op zee menigmaal Spaansche oorlogsschepen ontmoetten. Ten tweede om de Duinkerker kapers, die aan het Nauw van Calais soms heel netjes de binnenvarende schepen der Hollanders wisten te bemachtigen. Ten derde om den naijver der Engelschen, die in Europa zoogenaamd onze vrienden waren, doch in de Oost-Indiën ons meest altijd als vijanden behandelden. En ten vierde, omdat die deelen van de Oost-Indiën, waarop wij handel dreven, nog niet zoo onder ons gezag waren, of ze konden onze schepen, die kwamen om te koopen, wel aanvallen en plunderen. Om al deze redenen was in dien tijd een koopvaardij-schip een oorlogsvaartuig in het klein.
Maar keeren we tot onzen Michiel terug.
Zes weken lang haalde hij, onafgebroken, iederen avond les, en of Meester Van Gelder er nu meer slag van had dan de tweede Stuurman van de „Lijnbaan”, dan wel of Michiel nu nog meer zijn best deed dan vroeger en gaandeweg gemakkelijker leerde, naarmate hij verder kwam, het is onzeker; maar waar is het, dat hij al een heel eind in de koopmans-berekeningen en de stuurmanskunst was gevorderd, toen hij op zekeren avond alweer bij Meester Van Gelder kwam en zeide: „Dat zal nu wel voor het laatst zijn, Meester!”
„Voor het laatst, jongen? Hoe dat zoo?”
„Wel, er is rondgeroepen, dat alle zeeluî, die door de omstandigheden gedwongen zijn aan wal te blijven, dienst kunnen nemen bij de busschieters in het Staatsche leger!”
„En waarom zoudt gij dat doen?”
„Och, ik zelf heb er niet zooveel lust in. Maar Vader zou graag zien, dat ik het deed!”
„Ja, jongen, zulk een jong zeeman, die niemendal thuisbrengt, in den kost te hebben, is niet zoo heel voordeelig, dat begrijp ik best. Er zijn nog kleintjes thuis ook.”
„Neen, Meester, dat is de reden toch niet. Ik betaal mijnen kost met mijne spaarpenningen meer dan voldoende en er zijn bij ons thuis al heel wat, die aardig helpen om de inkomsten te verbeteren. Van armoede lijden is geene sprake meer, gelukkig. Maar de Spanjaarden zijn in Brabant gevallen, en hebben onder Spinola de stad Steenbergen al ingenomen. Nu trekken ze op Bergen-op-Zoom, of, ze zullen er reeds wel wezen!”
„Bergen-op-Zoom zullen ze zoo gauw niet hebben; Michiel! Het is sterker dan Steenbergen!”
„Jawel, Meester! Maar nu is Vader uit de buurt van Bergen-op-Zoom, en hij trekt er altijd nog partij voor. Als hij geen huisgezin had, zei hij, ging hij er heen. En toen hij dat gezegd had, voegde hij er lachend bij: „Dat was net wat voor Michiel! Ze hebben het omgetrommeld, dat alle zeelui aan den wal dienst kunnen nemen als busschieter! Hebt gij er geenen lust in om eens onder onzen beroemden Prins Maurits de Spanjaarden te lijf te gaan?”
Ik zag aan Vaders gezicht, dat het hem geen pleizier zou doen, als ik neen zeide, en daarom zeî ik: „Wel ja, Vader, ik wil te land ook wel eens dienen!”
„Dat doet me pleizier, Michiel! Ik ga je dadelijk bij den Magistraat aangeven!” sprak Vader.
Dit gebeurde op straat terwijl ik naar u kwam; maar als ik straks thuis kom, zal ik heel wat woorden moetengebruiken om alles goed te praten, want naar Vaders zin mag het zijn, naar Moeders zeker niet! Morgen ga ik er al heen.”
Zoo sprak Michiel en den volgenden dag was hij des avonds reeds te Bergen-op-Zoom, waar de wakkere zeeluî met open armen ontvangen werden; want het scheen bij Spinola meenens te zijn met deze belegering. Had men er van Spaansche zijde in 1605 tot driemalen toe het hoofd voor gestooten, Spinola zou dat eens verbeteren en zien of deze vesting werkelijk zoo sterk was, als ze vertelden.
Maar iets ontbrak den dapperen, moedigen en beleidvollen Spinola. Hij had geen enkel schip en moest dus aan eene zijde de stad onbelegerd laten. En aan die eene zijde kwam alles binnen, wat de belegerden noodig hadden: kruit, lood, geweren, levensmiddelen, en soldaten. Er was geen gebrek aan iets. Het gevolg daarvan was, dat alle aanvallen dapper werden afgeslagen, en dat Michiel, hij mocht al opgehouden hebben een straatjongen te zijn, hier op zijne dreef was, zal iedereen wel begrijpen. Wat hij uitvoerde en door welke drieste waagstukken of schoone heldendaden hij zich onderscheidde, is nergens opgeteekend, doch zijn levensbeschrijver, Gerard Brandt, deelt mede, dat hij er een paard kocht waarvan hij zich „stoutelijk” diende en in de uitvallen der bezetting verscheidene malen buit op den vijand behaalde. Als wij nu in zijne levensgeschiedenis lezen, dat hij als volwassen man een zeer slecht ruiter was en dat Spinola voor Bergen-op-Zoom in een beleg van achtenzeventig dagen wel tienduizend man verloor, dan behoeven we niet te vragen, of Michiel met of zonder paard ook zijn oud waaghalzenhart lucht gegeven heeft. Stellig en zeker heeft hij dat gedaan en de lust tot vechten schijnt hem toen eenige weken lang zoo bezield te hebben, dat hij bij zijne thuiskomst uit Bergen-op-Zoom, eenigen tijd als hoogbootsmans-jongen ten oorlog voer. Het leven aanboord van een oorlogsschip scheen hem echter niet erg bevallen te zijn, want al heel spoedig washij weer thuis. Lang zou hij echter niet aan den wal blijven, want in hetzelfde jaar was hij weer aanboord van de „Lijnbaan”, die ditmaal eene lading Fransche wijnen te Bordeaux zou gaan halen.
Veel gereed te maken viel er niet, zoodat Michiel op zijn gemak overal afscheid kon gaan nemen.
Van Meester Van Gelder kreeg hij een paar reken-, lees- en schrijfboeken en de belofte mee, dat ze het nog eens zouden hervatten, als hij weer aanwal was.