NEGENDE HOOFDSTUK.

NEGENDE HOOFDSTUK.Bij de kapers.Als hij weer aanwal was, had Meester Van Gelder gezegd. Het was de vraag of ze er weer zouden komen, en, als ze er weer aan kwamen, zou het hier met recht heeten: door het oog van eene naald gekropen.De reis was vrij voorspoedig, en reeds hadden ze Bordeaux met eene lading wijn verlaten toen Lievensz. naar Michiel kwam en zei: „Ziet gij daar ginder dat schip?”„Ja, Bootsman! Is dat een bijzonder soort soms?”„Zoo bijzonder, dat we, eer het avond is, best in handen van den Spanjool kunnen zijn!”„Ei, Bootsman! Maakt hij dan jacht op ons?”„Geen weinigje ook,” luidde het antwoord, en pas had hij dit gezegd of de Schipper kwam bij hem en vroeg: „Wat denkt gij van dien Biscayer daar, Bootsman?”„Ja, Schipper, ik denk er zóó over. Ontzeilen kunnen wij hem niet, want hij maakt veel meer vaart dan wij. Ons verdedigen zoo goed en kwaad we kunnen, is de boodschap.”„Gij kunt gelijk hebben, Bootsman, doch daar we hem een heel eind voor zijn, zou ik wel willen probeeren hemte ontzeilen. Gaat dat niet, welnu, dan zal het kanon aan het woord zijn. Me zonder slag of stoot overgeven doe ik niet,” sprak de Schipper.Nu was alles in de weer.In de masten, aan de zeilen, aan het roer, op het voorschip, tusschendeks, overal waren handen te kort.„Wij vechten gaan, Michieltje!” zei Jan en wreef zich van pret in de handen.„Wat zal je doen, Jan? Met droge beschuiten gooien of met vuil water?” vroeg Geleyn Evertsen.„Ik zal neem de geweer, en pief-paf, ik schiet zal een Spanjool in een twee!”„Nu, Jan, zal de kaas niet van zijne boterham laten halen!” meende Michiel.„Ik geen boterham heb, ik geen kaas heb!” zeide Jan, die Michiel natuurlijk niet begreep.„Nog een, Michiel en Geleyn! Nu zijn er twee! Dat zal er spannen! Daar is niet tegen op te werken,” sprak Lievensz.„Dus niet vechten?” vroeg Michiel.„Ik zou zeggen van ja,” antwoordde Geleyn. „Als ik ooit Schipper word, zullen ze mijn schip nooit krijgen! Ik vecht me liever dood!”1„Dood is dood!” zeide Lievensz. „Als we een tegen drie zijn, dan waag ik het er ook op! Maar nu zijn we stellig niet eens een tegen tien. De Biscayers hebben altijd veel volk aanboord en, ze hebben moed als Watergeuzen.”„Daar zijn er drie, Schipper,” zeide nu de Stuurman. „Kijk, daar juist achter die voorste!”De Schipper keek in de aangewezen richting, en nu ook den derden roover ziende, zei hij: „Hoor eens, mannen,we zullen het zien te ontzeilen, dat is al wat er op zit. Van tegenweer bieden komt niemendal in!”„Kunnen we soms niet eenen list verzinnen, Schipper?” vroeg Michiel. „Wie niet sterk is, moet slim zijn.”„Noem er maar een op!” was het antwoord.„Wel, hij wil die luî allemaal dronken voeren en ze dan aan het dek binden, niet waar, Michiel?” zeide de Scheepsbarbier, die Michiel niet lijden mocht, op sarrenden toon.Michiel ging nijdig weg en bromde: „Als ik Kapitein word van een schip, ik zal mijnen vijand ontkomen door geweld of door list, halen waar halen!”Intusschen kwamen de Biscayers steeds nader, en aan ontzeilen viel niet te denken.„Vechten willen niet hij? Hij is kruip weg, bang, ja?” vroeg Jan op den Schipper wijzend.„Neen, er wordt niet gevochten,” antwoordde Michiel botweg.„Wij eens willen afsteken die kanon, hé? Bom, hij zal zeg, ach, zoo mooi, zoo mooi dat gaat!”Daar viel een schot van eenen der roovers.De kogel vloog juist voor den boeg over het water en maakte een vreeselijk geweld.„Nu, als ge dan toch wilt, dat we een kogeltje zullen wisselen, komaan dan!” zei de Schipper en gaf bevel een kanon te richten.Bom! daar viel weer een schot van den vijand.Nu vloog de kogel door het tuig van de „Lijnbaan” zonder erg veel te beschadigen.„Dat toch vecht,” riep Jan en kwam met zulk een groot zinkroer op het dek, dat hij nauwelijks voort kon. „Zeg, Michiel, jij ook deze ding?”„Ik zou een kanon genomen hebben,” zeide Michiel. „Neen, mannetje, dat heb-je te Bergen-op-....”„Vuur,” beval de Schipper.Het kanon ging af en, plof, daar lag onze Jan met zijn zinkroer languit op het dek.Van één kogeltje wisselen kwamen er twee, drie, vier, ja, wel honderd kogels, en als de „Lijnbaan” het niet met drie aan den stok had gekregen, dan zou het nog de vraag geweest zijn of de Biscayers „Victorie” zouden geroepen hebben.Eén Biscayer was in ontredderden toestand terug geweken, doch nu naderden de twee anderen.„O, God,” riep eensklaps de „Barre Bruinvisch” uit, en hoewel hij aanvankelijk staan bleef, zag men toch dat hij door een musketschot in de borst getroffen was.Michiel, Jan en Geleyn schoten toe om hem te ondersteunen, daar hij reeds begon te vallen.„Dat is eene harde pil, die ze me daar te slikken hebben gegeven, jongens,” zeide Lievensz., moeite doende nog even eene aardigheid met lachend gezicht te zeggen.De drie jongens pakten hem voorzichtig op en droegen hem naar den grooten mast, waar ze hem met het hoofd op eene rol kabeltouw nederlegden.Geen zacht hoofdkussen voor eenen gekwetste!Ja, wat zal men iemand, die in den oorlog, hetzij men dien te land of op het water voert, al beter geven? Het is altijd nog wat.„Gaat je plicht doen, jongens, en laat mij maar liggen! Als ik sterven moet, kan ik dat heel goed alleen af,” sprak Lievensz. kalm.Jan en Geleyn gingen terstond, doch Michiel aarzelde.„Nu, jij ook, dappere jongen!” zei hij.„Laat mij hier blijven om u te helpen, als de roovers kwaad willen doen,” sprak Michiel.Lievensz. lachte verwonderlijk raar en zeide: „Mij kwaad doen, zeg je? Loop, jongen, aan den „Barren Bruinvisch” is geen kwaad meer te doen! Nog een paar hapjes, dan is zijn beschuit op, en gaat hij voor altijd naar de kooi. Maar zeg, luister eens!”Michiel boog zich over hem.„Je weet dat ik nog eene Moeder en twee zusters te Westersouburg heb, nietwaar?”„Ja, Bootsman!”„Goed! Mocht je nu op de eene of andere manier daar nog eens komen, zeg haar dan, dat ik haar g’ndag gezegd heb. En laat me nu alleen, ik wilde nog wel even wat zeggen tegen den Grooten Baas!”„Tegen wien?” vroeg Michiel verwonderd.„Stil, jongen, stil, ik bedoel den Lieven Heer! Dag, Michiel!” sprak Lievensz. zacht. Hij vouwde de handen, sloot de oogen enMichielhoorde het begin van zijn gebed: „Onze Vader!”In dien tusschentijd hadden de Biscayers de „Lijnbaan” geënterd, en er was al heel wat vijandelijk volk op het dek. Jan Kompanjie had al eenen klap om de ooren gekregen, dat hij het noorden van het kompas in het westen zocht, en juist toen Michiel zich met een eind hout wilde verweren, kreeg hij een lichte sabelhouw in den arm en werd gevangen genomen.„Jij blijf af van Michiel!” riep Jan, die ineens opsprong en het noorden gevonden had.Pats, daar kreeg hij er weer een, die raak was.Jan trok een afschuwelijk leelijk gezicht, alsof hij beproeven wilde, den vijand hiermede op den loop te jagen. Maar deze scheen zich om geene leelijke gezichten te bekommeren, en gaf Jan opnieuw eenen dril om de ooren, zoodat zijn mond weer in het fatsoen schoot.Het was er anders verre van af, dat de bemanning van de „Lijnbaan” lafhartig was. Men vocht zoo lang men kon en waarmede men kon. Alles werd wapen genoemd. Geleyn zelfs had de puts, waarmede men aanboord water uit zee ophaalt, aan eenen kleinen ketting, en sloeg er hiermede op in.„Geef je over!” riepen de roovers in het Spaansch.„Neen,” antwoordde de bemanning van den „Lijnbaan”, in het Hollandsch.„En hier heb je mijn antwoord,” riep de Schipper, den Kaper-kapitein eenen slag met de volle hand in het aangezicht gevende, waarna hij onder het roepen van: „Liever verdrinken dan slaaf worden,” overboord sprong. De Stuurman volgde zijn voorbeeld.Thans viel er aan verder verzet niet meer te denken. Het overschot der bemanning gaf zich over.De Biscayers hadden dus overwonnen en de „Lijnbaan” zou niet weer te Vlissingen aankomen.Maar ook de Schipper en de Stuurman, die Michiel geleerd had, zouden hunne vaderstad niet meer weder zien, terwijl zes man van de matrozen thuis ook tevergeefs gewacht zouden worden.Te Westersouburg zouden eene brave, oude vrouw en hare twee ongelukkige dochters, nimmer meer de stem hooren van den man, die zoo goed voor haar gezorgd had! Zij zouden reeds lang gestorven zijn, als hij, na jaren gevangen gezeten te hebben, alweer in het Vaderland terugkwam. Maar, armoede zouden ze niet geleden hebben; want de spaarpot van den braven zoon en trouwen broeder was ruim voorzien, en wat er nog te kort gekomen was, dat hadden de Heeren Lampsens gaarne bijgepast.Negen mannen waren in den ongelijken strijd gevallen!Michiel, Geleyn en Jan werden met de overige manschappen spoedig aanboord van een der roofschepen gebracht. De jongens kregen hun logies in een nauw hok, dat aan den voorkant van het schip lag. Een heel klein raampje, dat stuk geslagen was, gaf hun genoeg licht om te kunnen zien, maar te weinig lucht om er gezond te kunnen leven. Ze hadden het er benauwd heet en versmachtten bijna van den dorst. Langzamerhand werd het donkerder en reeds zaten ze in duizend angsten van geen eten of drinken te zullen krijgen toen de deur geopend werd en een paar goed gewapende matrozen hun brood en water brachten.Ze hoorden de deur stevig dichtgrendelen.„Hier wij leelijk zit! En ik nog de wonderkind!” bromde Jan en deed een hapje in het harde brood.Michiel stond voor het raampje.„Zeg, Michiel, ge moet daar niet zoo voor dat ruitje staan, anders stikken wij beiden hier nog,” zeide Geleyn.„Ik neem de maat,” sprak Michiel.„Wat? Maatnemen? Waarvan dan toch?”„Van mezelven en van dat raampje!”„Hi-hi,” lachte Jan, „ik liever eet, ik honger heb!”„Ben ik niet de dikste van de drie?” vroeg Michiel.„Dat zal wel waar zijn,” antwoordde Geleyn, die een echte Evertsen en niet zoo bijzonder kloek was. „Waarom vraagt ge dat?”„Zoo maar! Kunt gij zwemmen?”„Dat weet ge wel! Ik heb het eenigen tijd geleden nog van zeven jongens gewonnen.”„Kunt gij zwemmen, Jan?”„Ikke zwom op dat groote zee, dat is vol water, op het planke!” antwoordde Jan.„Jawel, maar kunt gij zonder plank zwemmen?”„Ikke? Ja, ikke zwemmen kan! Ikke doe niet graag. De water hier koud en nat is!”„Zoo,” sprak Michiel, „dan heb ik een plan!”„Wat dan?” vroeg Geleyn.„Eerst zal ik een stukje eten! Hei, schrok van eenen neger, het is voor ons drieën, hoor! Ik ook wat!” zei Michiel en nam Jan, die aan een ander stuk brood begonnen was, met de tanden de korst af te zagen, handig eene homp af en werkte het, na het in water geweekt te hebben, naar binnen. Zoodra hem dat gelukt was, zei hij: „Als het donker is zullen we ontvluchten!”„Dat goed is!” sprak Jan. „Ik hier zad ben al lang!”„Ontvluchten?” vroeg Geleyn,op eenmaal van verbazing ophoudende met eten. „Ik ben nieuwsgierig te weten hoe gij dat aanleggen zult.”„Door dat raampje heen!”„Zijt gij wel dwaas? Daar kunnen wij niet door!”„Met me een beetje te wringen kan ik er precies door. Gij en Jan schuiven er door als vet.”Geleyn bedacht zich even, nam het raampje nauwkeurig op en zeide toen: „En wie zal de eerste zijn om dat halsbrekers-baantje uit te halen?”„Dat zal ik zijn; maar luistert nu,” antwoordde Michiel, heel zacht sprekend om door niemand gehoord te worden. „Ziet ge dat touw daar telkens tegen het raampje slaan?”„Jawel! Dat heeft me al lang verveeld!”„Mij niet! Het moet ons redden. Eerst breken we voorzichtig het eenige ruitje uit en snijden dan met een mes de sponningen weg.”„En dan?”„Dan klim ik door het gat, grijp het touw en laat me in het water zakken!”„Mooi, dan zijt gij in het water! Maar ge zijt toch bijgeval geen meerman?”„Neen! Maar hoort ge daar niet onophoudelijk aan bakboord wat kloppen?”„Ja! En dat verveelt me ook al lang!”„Mij niet! Dat is een bootje. En dat het zoo klopt komt door de eb, die het telkens tegen de schuit duwt!”„Het is alsof ge er bijstaat, zoo weet ge alles,” bromde Geleyn, die nog altijd veel gevaar in de vlucht zag.„Wie niet sterk is, moet slim zijn! Ik heb de gelegenheid goed opgenomen!”„Ik klaar ben,” zei Jan, en spoelde de laatste bete broods door. „Nu ik wegloopen wind als de vlug.”„Houd den mond, Jan! Praat niet zoo hard! Als er een is, die bij ongeluk Hollandsch verstaat, dan valt het heele plan misschien in duigen.”„Maar dat heele plan weet ik nog niet,” sprak Geleyn.„Het is toch duidelijk. We kruipen de een na den anderdoor dat raampje, laten ons aan dat touw in het water zakken en zwemmen naar dat bootje. Zijn we er alle drie in, dan snijden we het touw los waarmee het vast ligt, duwen voorzichtig het bootje langs den boeg naar stuurboordzij, en laten ons dan met de eb in zee drijven!”„En waar dan heen?”„Dat weet ik nog niet. Eerst moeten we een heel eind van het schip af zijn, dan kunnen we altijd zien!”„En als we dan in den Oceaan terecht komen?”„Dat zou kunnen!”„Maar dan begrijpt gij toch, dat we met dat bootje verdrinken moeten! Eéne stortzee, en we zijn er geweest!”„Eén schopje tegen onze voeten en we hangen zoo mooi door eenen strop te kijken, als geen schelm ooit gedaan heeft,” zeide Michiel.„Wat wil dat zeggen?”„Dat we morgen of overmorgen eenvoudig aan de ra opgehangen worden, en als dat niet gebeurt, dan worden we als slaaf verkocht of we mogen naar de galeien.”„Hoe weet ge dat?” vroeg Geleyn, nog altijd niet met het ontvluchtingsplan ingenomen.„Dat is zeeroovers-manier! Maar als ge er nu geenen zin in hebt, gij beidjes om dien dans te ontsnappen, het zou me erg spijten, maar dan ga ik alleen. Wie niet waagt wint niet!”Geleyn dacht een oogenblik na en zei: „Ik ga mee, Michiel! Maar ik geloof nooit, dat we door dat kleine raampje kunnen kruipen! En dan dat touw, hangt dat wel vast genoeg? Zullen ze er op het dek niets van bemerken?”„Zal ik eerst probeeren, Geleyn?”„We moesten dan nu maar beginnen!”„Ja, ik stuk slaan zal!” riep Jan, trok zijnen schoen uit en wilde met de hak, waarin stevige spijkers geslagen, waren, het ruitje stuk slaan.„Zijt gij krankzinnig, Jan?” riep Michiel op halfluidentoon. „Gij zoudt het heele plan doen mislukken. Ga maar weg, dat zal ik wel doen. Maar luistert, Geleyn en Jan! We moeten onze schoenen en bovenkleeren uitdoen en in een pakje binden. Als ik er door ben, laat ge die drie pakjes maar zakken, dan zal ik ze in de boot brengen.”Geleyn en Jan begrepen dat dit geschieden moest, en trokken schoenen, kousen en bovenkleeren uit en maakten er drie pakjes van, die eerst gemeten werden of ze niet te dik gerold waren om door het raampje gestoken te kunnen worden.Inmiddels was het aardedonker geworden; ze konden nauwelijks het raampje meer zien.Michiel begon nu heel voorzichtig met den baard van den sleutel van zijne matrozenkist, het glas bij kleine stukjes af te breken, en na hiermede een groot kwartier bezig geweest te zijn, was hij klaar. Na nog eens nauwkeurig gemeten te hebben vond hij het onnoodig om de sponningen weg te snijden; ze konden er zoo wel door.„Nu, Geleyn en Jan, goed kijken hoor, hoe ik doe!” zei Michiel.Hij wipte zich wat op en, daar ging hij al verder en verder, tot hij er met de beenen ook door was. Half vrij!Hij ging buiten het schip aan het touw en zei fluisterend door het gat: „De pakjes!”Geleyn stak ze door het gat en Michiel, die gezorgd had, dat er stevige knoopen op gelegd waren, pakte de punten van die knoopen in den mond en liet zich zakken.Nu volgde Jan het voorbeeld van Michiel en was ook weldra buiten het schip.Geleyn aarzelde nog.Waren ze niet in de diepte verdwenen?Zouden ze werkelijk wel opgehangen, als slaven verkocht of naar de galeien gevoerd worden?Daar hoorde hij het bootje aan de andere zijde van het schip sterker tegen de schuit bonzen.„Zou Jan er nu instappen? Zou het daardoor meer leven maken?” dacht Geleyn.Nog aarzelde hij.Maar op eenmaal greep hij het gat, wipte er in, wrong er zich half door, pakte het touw, trok zich heelemaal door de nauwe opening, liet zich zakken, zwom om het schip en—ja, daar waren Michiel en Jan in het bootje. Het scheelde weinig of Geleyn had eenen schreeuw van blijdschap gegeten.Daar klom Geleyn in de boot.„We dachten dat ge verdronken waart,” fluisterde Michiel. „Kom gauw maar, er gaat eene sterke eb!”„Dat ben ik gewaar geworden! Ik kon bijna niet aan deze zijde van het schip komen,” gaf Geleyn ook fluisterend ten antwoord.Nu ging Michiels mes door het touw.Het bootje was vrij.Met de handen duwden ze het om het schip heen en—nauwelijks waren ze bij den boeg, of de eb gaf er eensklaps zulk eene vaart aan, dat Michiel overboord zou geslagen zijn, als Geleyn hem niet gauw gegrepen had.In minder dan vijf minuten was er niets meer van den wal te zien.Zoo ze nu op hunne vlucht niet door eenen anderen Biscayer overvallen werden, zouden ze voor galg, slavernij of galeien niet meer te vreezen hebben. Maar, wie den regen ontloopt, komt wel eens in den drup.1Geleyn Evertsen hield woord. Hij sneuvelde reeds den derden Mei 1627 op de hoogte van Lissabon in een gevecht tegen eene Portugeesche galei. Hij diende toen aanboord van zijnen broeder Johan, die als Luitenant-Admiraal den vierden Augustus 1666 sneuvelde.↑

NEGENDE HOOFDSTUK.Bij de kapers.Als hij weer aanwal was, had Meester Van Gelder gezegd. Het was de vraag of ze er weer zouden komen, en, als ze er weer aan kwamen, zou het hier met recht heeten: door het oog van eene naald gekropen.De reis was vrij voorspoedig, en reeds hadden ze Bordeaux met eene lading wijn verlaten toen Lievensz. naar Michiel kwam en zei: „Ziet gij daar ginder dat schip?”„Ja, Bootsman! Is dat een bijzonder soort soms?”„Zoo bijzonder, dat we, eer het avond is, best in handen van den Spanjool kunnen zijn!”„Ei, Bootsman! Maakt hij dan jacht op ons?”„Geen weinigje ook,” luidde het antwoord, en pas had hij dit gezegd of de Schipper kwam bij hem en vroeg: „Wat denkt gij van dien Biscayer daar, Bootsman?”„Ja, Schipper, ik denk er zóó over. Ontzeilen kunnen wij hem niet, want hij maakt veel meer vaart dan wij. Ons verdedigen zoo goed en kwaad we kunnen, is de boodschap.”„Gij kunt gelijk hebben, Bootsman, doch daar we hem een heel eind voor zijn, zou ik wel willen probeeren hemte ontzeilen. Gaat dat niet, welnu, dan zal het kanon aan het woord zijn. Me zonder slag of stoot overgeven doe ik niet,” sprak de Schipper.Nu was alles in de weer.In de masten, aan de zeilen, aan het roer, op het voorschip, tusschendeks, overal waren handen te kort.„Wij vechten gaan, Michieltje!” zei Jan en wreef zich van pret in de handen.„Wat zal je doen, Jan? Met droge beschuiten gooien of met vuil water?” vroeg Geleyn Evertsen.„Ik zal neem de geweer, en pief-paf, ik schiet zal een Spanjool in een twee!”„Nu, Jan, zal de kaas niet van zijne boterham laten halen!” meende Michiel.„Ik geen boterham heb, ik geen kaas heb!” zeide Jan, die Michiel natuurlijk niet begreep.„Nog een, Michiel en Geleyn! Nu zijn er twee! Dat zal er spannen! Daar is niet tegen op te werken,” sprak Lievensz.„Dus niet vechten?” vroeg Michiel.„Ik zou zeggen van ja,” antwoordde Geleyn. „Als ik ooit Schipper word, zullen ze mijn schip nooit krijgen! Ik vecht me liever dood!”1„Dood is dood!” zeide Lievensz. „Als we een tegen drie zijn, dan waag ik het er ook op! Maar nu zijn we stellig niet eens een tegen tien. De Biscayers hebben altijd veel volk aanboord en, ze hebben moed als Watergeuzen.”„Daar zijn er drie, Schipper,” zeide nu de Stuurman. „Kijk, daar juist achter die voorste!”De Schipper keek in de aangewezen richting, en nu ook den derden roover ziende, zei hij: „Hoor eens, mannen,we zullen het zien te ontzeilen, dat is al wat er op zit. Van tegenweer bieden komt niemendal in!”„Kunnen we soms niet eenen list verzinnen, Schipper?” vroeg Michiel. „Wie niet sterk is, moet slim zijn.”„Noem er maar een op!” was het antwoord.„Wel, hij wil die luî allemaal dronken voeren en ze dan aan het dek binden, niet waar, Michiel?” zeide de Scheepsbarbier, die Michiel niet lijden mocht, op sarrenden toon.Michiel ging nijdig weg en bromde: „Als ik Kapitein word van een schip, ik zal mijnen vijand ontkomen door geweld of door list, halen waar halen!”Intusschen kwamen de Biscayers steeds nader, en aan ontzeilen viel niet te denken.„Vechten willen niet hij? Hij is kruip weg, bang, ja?” vroeg Jan op den Schipper wijzend.„Neen, er wordt niet gevochten,” antwoordde Michiel botweg.„Wij eens willen afsteken die kanon, hé? Bom, hij zal zeg, ach, zoo mooi, zoo mooi dat gaat!”Daar viel een schot van eenen der roovers.De kogel vloog juist voor den boeg over het water en maakte een vreeselijk geweld.„Nu, als ge dan toch wilt, dat we een kogeltje zullen wisselen, komaan dan!” zei de Schipper en gaf bevel een kanon te richten.Bom! daar viel weer een schot van den vijand.Nu vloog de kogel door het tuig van de „Lijnbaan” zonder erg veel te beschadigen.„Dat toch vecht,” riep Jan en kwam met zulk een groot zinkroer op het dek, dat hij nauwelijks voort kon. „Zeg, Michiel, jij ook deze ding?”„Ik zou een kanon genomen hebben,” zeide Michiel. „Neen, mannetje, dat heb-je te Bergen-op-....”„Vuur,” beval de Schipper.Het kanon ging af en, plof, daar lag onze Jan met zijn zinkroer languit op het dek.Van één kogeltje wisselen kwamen er twee, drie, vier, ja, wel honderd kogels, en als de „Lijnbaan” het niet met drie aan den stok had gekregen, dan zou het nog de vraag geweest zijn of de Biscayers „Victorie” zouden geroepen hebben.Eén Biscayer was in ontredderden toestand terug geweken, doch nu naderden de twee anderen.„O, God,” riep eensklaps de „Barre Bruinvisch” uit, en hoewel hij aanvankelijk staan bleef, zag men toch dat hij door een musketschot in de borst getroffen was.Michiel, Jan en Geleyn schoten toe om hem te ondersteunen, daar hij reeds begon te vallen.„Dat is eene harde pil, die ze me daar te slikken hebben gegeven, jongens,” zeide Lievensz., moeite doende nog even eene aardigheid met lachend gezicht te zeggen.De drie jongens pakten hem voorzichtig op en droegen hem naar den grooten mast, waar ze hem met het hoofd op eene rol kabeltouw nederlegden.Geen zacht hoofdkussen voor eenen gekwetste!Ja, wat zal men iemand, die in den oorlog, hetzij men dien te land of op het water voert, al beter geven? Het is altijd nog wat.„Gaat je plicht doen, jongens, en laat mij maar liggen! Als ik sterven moet, kan ik dat heel goed alleen af,” sprak Lievensz. kalm.Jan en Geleyn gingen terstond, doch Michiel aarzelde.„Nu, jij ook, dappere jongen!” zei hij.„Laat mij hier blijven om u te helpen, als de roovers kwaad willen doen,” sprak Michiel.Lievensz. lachte verwonderlijk raar en zeide: „Mij kwaad doen, zeg je? Loop, jongen, aan den „Barren Bruinvisch” is geen kwaad meer te doen! Nog een paar hapjes, dan is zijn beschuit op, en gaat hij voor altijd naar de kooi. Maar zeg, luister eens!”Michiel boog zich over hem.„Je weet dat ik nog eene Moeder en twee zusters te Westersouburg heb, nietwaar?”„Ja, Bootsman!”„Goed! Mocht je nu op de eene of andere manier daar nog eens komen, zeg haar dan, dat ik haar g’ndag gezegd heb. En laat me nu alleen, ik wilde nog wel even wat zeggen tegen den Grooten Baas!”„Tegen wien?” vroeg Michiel verwonderd.„Stil, jongen, stil, ik bedoel den Lieven Heer! Dag, Michiel!” sprak Lievensz. zacht. Hij vouwde de handen, sloot de oogen enMichielhoorde het begin van zijn gebed: „Onze Vader!”In dien tusschentijd hadden de Biscayers de „Lijnbaan” geënterd, en er was al heel wat vijandelijk volk op het dek. Jan Kompanjie had al eenen klap om de ooren gekregen, dat hij het noorden van het kompas in het westen zocht, en juist toen Michiel zich met een eind hout wilde verweren, kreeg hij een lichte sabelhouw in den arm en werd gevangen genomen.„Jij blijf af van Michiel!” riep Jan, die ineens opsprong en het noorden gevonden had.Pats, daar kreeg hij er weer een, die raak was.Jan trok een afschuwelijk leelijk gezicht, alsof hij beproeven wilde, den vijand hiermede op den loop te jagen. Maar deze scheen zich om geene leelijke gezichten te bekommeren, en gaf Jan opnieuw eenen dril om de ooren, zoodat zijn mond weer in het fatsoen schoot.Het was er anders verre van af, dat de bemanning van de „Lijnbaan” lafhartig was. Men vocht zoo lang men kon en waarmede men kon. Alles werd wapen genoemd. Geleyn zelfs had de puts, waarmede men aanboord water uit zee ophaalt, aan eenen kleinen ketting, en sloeg er hiermede op in.„Geef je over!” riepen de roovers in het Spaansch.„Neen,” antwoordde de bemanning van den „Lijnbaan”, in het Hollandsch.„En hier heb je mijn antwoord,” riep de Schipper, den Kaper-kapitein eenen slag met de volle hand in het aangezicht gevende, waarna hij onder het roepen van: „Liever verdrinken dan slaaf worden,” overboord sprong. De Stuurman volgde zijn voorbeeld.Thans viel er aan verder verzet niet meer te denken. Het overschot der bemanning gaf zich over.De Biscayers hadden dus overwonnen en de „Lijnbaan” zou niet weer te Vlissingen aankomen.Maar ook de Schipper en de Stuurman, die Michiel geleerd had, zouden hunne vaderstad niet meer weder zien, terwijl zes man van de matrozen thuis ook tevergeefs gewacht zouden worden.Te Westersouburg zouden eene brave, oude vrouw en hare twee ongelukkige dochters, nimmer meer de stem hooren van den man, die zoo goed voor haar gezorgd had! Zij zouden reeds lang gestorven zijn, als hij, na jaren gevangen gezeten te hebben, alweer in het Vaderland terugkwam. Maar, armoede zouden ze niet geleden hebben; want de spaarpot van den braven zoon en trouwen broeder was ruim voorzien, en wat er nog te kort gekomen was, dat hadden de Heeren Lampsens gaarne bijgepast.Negen mannen waren in den ongelijken strijd gevallen!Michiel, Geleyn en Jan werden met de overige manschappen spoedig aanboord van een der roofschepen gebracht. De jongens kregen hun logies in een nauw hok, dat aan den voorkant van het schip lag. Een heel klein raampje, dat stuk geslagen was, gaf hun genoeg licht om te kunnen zien, maar te weinig lucht om er gezond te kunnen leven. Ze hadden het er benauwd heet en versmachtten bijna van den dorst. Langzamerhand werd het donkerder en reeds zaten ze in duizend angsten van geen eten of drinken te zullen krijgen toen de deur geopend werd en een paar goed gewapende matrozen hun brood en water brachten.Ze hoorden de deur stevig dichtgrendelen.„Hier wij leelijk zit! En ik nog de wonderkind!” bromde Jan en deed een hapje in het harde brood.Michiel stond voor het raampje.„Zeg, Michiel, ge moet daar niet zoo voor dat ruitje staan, anders stikken wij beiden hier nog,” zeide Geleyn.„Ik neem de maat,” sprak Michiel.„Wat? Maatnemen? Waarvan dan toch?”„Van mezelven en van dat raampje!”„Hi-hi,” lachte Jan, „ik liever eet, ik honger heb!”„Ben ik niet de dikste van de drie?” vroeg Michiel.„Dat zal wel waar zijn,” antwoordde Geleyn, die een echte Evertsen en niet zoo bijzonder kloek was. „Waarom vraagt ge dat?”„Zoo maar! Kunt gij zwemmen?”„Dat weet ge wel! Ik heb het eenigen tijd geleden nog van zeven jongens gewonnen.”„Kunt gij zwemmen, Jan?”„Ikke zwom op dat groote zee, dat is vol water, op het planke!” antwoordde Jan.„Jawel, maar kunt gij zonder plank zwemmen?”„Ikke? Ja, ikke zwemmen kan! Ikke doe niet graag. De water hier koud en nat is!”„Zoo,” sprak Michiel, „dan heb ik een plan!”„Wat dan?” vroeg Geleyn.„Eerst zal ik een stukje eten! Hei, schrok van eenen neger, het is voor ons drieën, hoor! Ik ook wat!” zei Michiel en nam Jan, die aan een ander stuk brood begonnen was, met de tanden de korst af te zagen, handig eene homp af en werkte het, na het in water geweekt te hebben, naar binnen. Zoodra hem dat gelukt was, zei hij: „Als het donker is zullen we ontvluchten!”„Dat goed is!” sprak Jan. „Ik hier zad ben al lang!”„Ontvluchten?” vroeg Geleyn,op eenmaal van verbazing ophoudende met eten. „Ik ben nieuwsgierig te weten hoe gij dat aanleggen zult.”„Door dat raampje heen!”„Zijt gij wel dwaas? Daar kunnen wij niet door!”„Met me een beetje te wringen kan ik er precies door. Gij en Jan schuiven er door als vet.”Geleyn bedacht zich even, nam het raampje nauwkeurig op en zeide toen: „En wie zal de eerste zijn om dat halsbrekers-baantje uit te halen?”„Dat zal ik zijn; maar luistert nu,” antwoordde Michiel, heel zacht sprekend om door niemand gehoord te worden. „Ziet ge dat touw daar telkens tegen het raampje slaan?”„Jawel! Dat heeft me al lang verveeld!”„Mij niet! Het moet ons redden. Eerst breken we voorzichtig het eenige ruitje uit en snijden dan met een mes de sponningen weg.”„En dan?”„Dan klim ik door het gat, grijp het touw en laat me in het water zakken!”„Mooi, dan zijt gij in het water! Maar ge zijt toch bijgeval geen meerman?”„Neen! Maar hoort ge daar niet onophoudelijk aan bakboord wat kloppen?”„Ja! En dat verveelt me ook al lang!”„Mij niet! Dat is een bootje. En dat het zoo klopt komt door de eb, die het telkens tegen de schuit duwt!”„Het is alsof ge er bijstaat, zoo weet ge alles,” bromde Geleyn, die nog altijd veel gevaar in de vlucht zag.„Wie niet sterk is, moet slim zijn! Ik heb de gelegenheid goed opgenomen!”„Ik klaar ben,” zei Jan, en spoelde de laatste bete broods door. „Nu ik wegloopen wind als de vlug.”„Houd den mond, Jan! Praat niet zoo hard! Als er een is, die bij ongeluk Hollandsch verstaat, dan valt het heele plan misschien in duigen.”„Maar dat heele plan weet ik nog niet,” sprak Geleyn.„Het is toch duidelijk. We kruipen de een na den anderdoor dat raampje, laten ons aan dat touw in het water zakken en zwemmen naar dat bootje. Zijn we er alle drie in, dan snijden we het touw los waarmee het vast ligt, duwen voorzichtig het bootje langs den boeg naar stuurboordzij, en laten ons dan met de eb in zee drijven!”„En waar dan heen?”„Dat weet ik nog niet. Eerst moeten we een heel eind van het schip af zijn, dan kunnen we altijd zien!”„En als we dan in den Oceaan terecht komen?”„Dat zou kunnen!”„Maar dan begrijpt gij toch, dat we met dat bootje verdrinken moeten! Eéne stortzee, en we zijn er geweest!”„Eén schopje tegen onze voeten en we hangen zoo mooi door eenen strop te kijken, als geen schelm ooit gedaan heeft,” zeide Michiel.„Wat wil dat zeggen?”„Dat we morgen of overmorgen eenvoudig aan de ra opgehangen worden, en als dat niet gebeurt, dan worden we als slaaf verkocht of we mogen naar de galeien.”„Hoe weet ge dat?” vroeg Geleyn, nog altijd niet met het ontvluchtingsplan ingenomen.„Dat is zeeroovers-manier! Maar als ge er nu geenen zin in hebt, gij beidjes om dien dans te ontsnappen, het zou me erg spijten, maar dan ga ik alleen. Wie niet waagt wint niet!”Geleyn dacht een oogenblik na en zei: „Ik ga mee, Michiel! Maar ik geloof nooit, dat we door dat kleine raampje kunnen kruipen! En dan dat touw, hangt dat wel vast genoeg? Zullen ze er op het dek niets van bemerken?”„Zal ik eerst probeeren, Geleyn?”„We moesten dan nu maar beginnen!”„Ja, ik stuk slaan zal!” riep Jan, trok zijnen schoen uit en wilde met de hak, waarin stevige spijkers geslagen, waren, het ruitje stuk slaan.„Zijt gij krankzinnig, Jan?” riep Michiel op halfluidentoon. „Gij zoudt het heele plan doen mislukken. Ga maar weg, dat zal ik wel doen. Maar luistert, Geleyn en Jan! We moeten onze schoenen en bovenkleeren uitdoen en in een pakje binden. Als ik er door ben, laat ge die drie pakjes maar zakken, dan zal ik ze in de boot brengen.”Geleyn en Jan begrepen dat dit geschieden moest, en trokken schoenen, kousen en bovenkleeren uit en maakten er drie pakjes van, die eerst gemeten werden of ze niet te dik gerold waren om door het raampje gestoken te kunnen worden.Inmiddels was het aardedonker geworden; ze konden nauwelijks het raampje meer zien.Michiel begon nu heel voorzichtig met den baard van den sleutel van zijne matrozenkist, het glas bij kleine stukjes af te breken, en na hiermede een groot kwartier bezig geweest te zijn, was hij klaar. Na nog eens nauwkeurig gemeten te hebben vond hij het onnoodig om de sponningen weg te snijden; ze konden er zoo wel door.„Nu, Geleyn en Jan, goed kijken hoor, hoe ik doe!” zei Michiel.Hij wipte zich wat op en, daar ging hij al verder en verder, tot hij er met de beenen ook door was. Half vrij!Hij ging buiten het schip aan het touw en zei fluisterend door het gat: „De pakjes!”Geleyn stak ze door het gat en Michiel, die gezorgd had, dat er stevige knoopen op gelegd waren, pakte de punten van die knoopen in den mond en liet zich zakken.Nu volgde Jan het voorbeeld van Michiel en was ook weldra buiten het schip.Geleyn aarzelde nog.Waren ze niet in de diepte verdwenen?Zouden ze werkelijk wel opgehangen, als slaven verkocht of naar de galeien gevoerd worden?Daar hoorde hij het bootje aan de andere zijde van het schip sterker tegen de schuit bonzen.„Zou Jan er nu instappen? Zou het daardoor meer leven maken?” dacht Geleyn.Nog aarzelde hij.Maar op eenmaal greep hij het gat, wipte er in, wrong er zich half door, pakte het touw, trok zich heelemaal door de nauwe opening, liet zich zakken, zwom om het schip en—ja, daar waren Michiel en Jan in het bootje. Het scheelde weinig of Geleyn had eenen schreeuw van blijdschap gegeten.Daar klom Geleyn in de boot.„We dachten dat ge verdronken waart,” fluisterde Michiel. „Kom gauw maar, er gaat eene sterke eb!”„Dat ben ik gewaar geworden! Ik kon bijna niet aan deze zijde van het schip komen,” gaf Geleyn ook fluisterend ten antwoord.Nu ging Michiels mes door het touw.Het bootje was vrij.Met de handen duwden ze het om het schip heen en—nauwelijks waren ze bij den boeg, of de eb gaf er eensklaps zulk eene vaart aan, dat Michiel overboord zou geslagen zijn, als Geleyn hem niet gauw gegrepen had.In minder dan vijf minuten was er niets meer van den wal te zien.Zoo ze nu op hunne vlucht niet door eenen anderen Biscayer overvallen werden, zouden ze voor galg, slavernij of galeien niet meer te vreezen hebben. Maar, wie den regen ontloopt, komt wel eens in den drup.1Geleyn Evertsen hield woord. Hij sneuvelde reeds den derden Mei 1627 op de hoogte van Lissabon in een gevecht tegen eene Portugeesche galei. Hij diende toen aanboord van zijnen broeder Johan, die als Luitenant-Admiraal den vierden Augustus 1666 sneuvelde.↑

NEGENDE HOOFDSTUK.Bij de kapers.Als hij weer aanwal was, had Meester Van Gelder gezegd. Het was de vraag of ze er weer zouden komen, en, als ze er weer aan kwamen, zou het hier met recht heeten: door het oog van eene naald gekropen.De reis was vrij voorspoedig, en reeds hadden ze Bordeaux met eene lading wijn verlaten toen Lievensz. naar Michiel kwam en zei: „Ziet gij daar ginder dat schip?”„Ja, Bootsman! Is dat een bijzonder soort soms?”„Zoo bijzonder, dat we, eer het avond is, best in handen van den Spanjool kunnen zijn!”„Ei, Bootsman! Maakt hij dan jacht op ons?”„Geen weinigje ook,” luidde het antwoord, en pas had hij dit gezegd of de Schipper kwam bij hem en vroeg: „Wat denkt gij van dien Biscayer daar, Bootsman?”„Ja, Schipper, ik denk er zóó over. Ontzeilen kunnen wij hem niet, want hij maakt veel meer vaart dan wij. Ons verdedigen zoo goed en kwaad we kunnen, is de boodschap.”„Gij kunt gelijk hebben, Bootsman, doch daar we hem een heel eind voor zijn, zou ik wel willen probeeren hemte ontzeilen. Gaat dat niet, welnu, dan zal het kanon aan het woord zijn. Me zonder slag of stoot overgeven doe ik niet,” sprak de Schipper.Nu was alles in de weer.In de masten, aan de zeilen, aan het roer, op het voorschip, tusschendeks, overal waren handen te kort.„Wij vechten gaan, Michieltje!” zei Jan en wreef zich van pret in de handen.„Wat zal je doen, Jan? Met droge beschuiten gooien of met vuil water?” vroeg Geleyn Evertsen.„Ik zal neem de geweer, en pief-paf, ik schiet zal een Spanjool in een twee!”„Nu, Jan, zal de kaas niet van zijne boterham laten halen!” meende Michiel.„Ik geen boterham heb, ik geen kaas heb!” zeide Jan, die Michiel natuurlijk niet begreep.„Nog een, Michiel en Geleyn! Nu zijn er twee! Dat zal er spannen! Daar is niet tegen op te werken,” sprak Lievensz.„Dus niet vechten?” vroeg Michiel.„Ik zou zeggen van ja,” antwoordde Geleyn. „Als ik ooit Schipper word, zullen ze mijn schip nooit krijgen! Ik vecht me liever dood!”1„Dood is dood!” zeide Lievensz. „Als we een tegen drie zijn, dan waag ik het er ook op! Maar nu zijn we stellig niet eens een tegen tien. De Biscayers hebben altijd veel volk aanboord en, ze hebben moed als Watergeuzen.”„Daar zijn er drie, Schipper,” zeide nu de Stuurman. „Kijk, daar juist achter die voorste!”De Schipper keek in de aangewezen richting, en nu ook den derden roover ziende, zei hij: „Hoor eens, mannen,we zullen het zien te ontzeilen, dat is al wat er op zit. Van tegenweer bieden komt niemendal in!”„Kunnen we soms niet eenen list verzinnen, Schipper?” vroeg Michiel. „Wie niet sterk is, moet slim zijn.”„Noem er maar een op!” was het antwoord.„Wel, hij wil die luî allemaal dronken voeren en ze dan aan het dek binden, niet waar, Michiel?” zeide de Scheepsbarbier, die Michiel niet lijden mocht, op sarrenden toon.Michiel ging nijdig weg en bromde: „Als ik Kapitein word van een schip, ik zal mijnen vijand ontkomen door geweld of door list, halen waar halen!”Intusschen kwamen de Biscayers steeds nader, en aan ontzeilen viel niet te denken.„Vechten willen niet hij? Hij is kruip weg, bang, ja?” vroeg Jan op den Schipper wijzend.„Neen, er wordt niet gevochten,” antwoordde Michiel botweg.„Wij eens willen afsteken die kanon, hé? Bom, hij zal zeg, ach, zoo mooi, zoo mooi dat gaat!”Daar viel een schot van eenen der roovers.De kogel vloog juist voor den boeg over het water en maakte een vreeselijk geweld.„Nu, als ge dan toch wilt, dat we een kogeltje zullen wisselen, komaan dan!” zei de Schipper en gaf bevel een kanon te richten.Bom! daar viel weer een schot van den vijand.Nu vloog de kogel door het tuig van de „Lijnbaan” zonder erg veel te beschadigen.„Dat toch vecht,” riep Jan en kwam met zulk een groot zinkroer op het dek, dat hij nauwelijks voort kon. „Zeg, Michiel, jij ook deze ding?”„Ik zou een kanon genomen hebben,” zeide Michiel. „Neen, mannetje, dat heb-je te Bergen-op-....”„Vuur,” beval de Schipper.Het kanon ging af en, plof, daar lag onze Jan met zijn zinkroer languit op het dek.Van één kogeltje wisselen kwamen er twee, drie, vier, ja, wel honderd kogels, en als de „Lijnbaan” het niet met drie aan den stok had gekregen, dan zou het nog de vraag geweest zijn of de Biscayers „Victorie” zouden geroepen hebben.Eén Biscayer was in ontredderden toestand terug geweken, doch nu naderden de twee anderen.„O, God,” riep eensklaps de „Barre Bruinvisch” uit, en hoewel hij aanvankelijk staan bleef, zag men toch dat hij door een musketschot in de borst getroffen was.Michiel, Jan en Geleyn schoten toe om hem te ondersteunen, daar hij reeds begon te vallen.„Dat is eene harde pil, die ze me daar te slikken hebben gegeven, jongens,” zeide Lievensz., moeite doende nog even eene aardigheid met lachend gezicht te zeggen.De drie jongens pakten hem voorzichtig op en droegen hem naar den grooten mast, waar ze hem met het hoofd op eene rol kabeltouw nederlegden.Geen zacht hoofdkussen voor eenen gekwetste!Ja, wat zal men iemand, die in den oorlog, hetzij men dien te land of op het water voert, al beter geven? Het is altijd nog wat.„Gaat je plicht doen, jongens, en laat mij maar liggen! Als ik sterven moet, kan ik dat heel goed alleen af,” sprak Lievensz. kalm.Jan en Geleyn gingen terstond, doch Michiel aarzelde.„Nu, jij ook, dappere jongen!” zei hij.„Laat mij hier blijven om u te helpen, als de roovers kwaad willen doen,” sprak Michiel.Lievensz. lachte verwonderlijk raar en zeide: „Mij kwaad doen, zeg je? Loop, jongen, aan den „Barren Bruinvisch” is geen kwaad meer te doen! Nog een paar hapjes, dan is zijn beschuit op, en gaat hij voor altijd naar de kooi. Maar zeg, luister eens!”Michiel boog zich over hem.„Je weet dat ik nog eene Moeder en twee zusters te Westersouburg heb, nietwaar?”„Ja, Bootsman!”„Goed! Mocht je nu op de eene of andere manier daar nog eens komen, zeg haar dan, dat ik haar g’ndag gezegd heb. En laat me nu alleen, ik wilde nog wel even wat zeggen tegen den Grooten Baas!”„Tegen wien?” vroeg Michiel verwonderd.„Stil, jongen, stil, ik bedoel den Lieven Heer! Dag, Michiel!” sprak Lievensz. zacht. Hij vouwde de handen, sloot de oogen enMichielhoorde het begin van zijn gebed: „Onze Vader!”In dien tusschentijd hadden de Biscayers de „Lijnbaan” geënterd, en er was al heel wat vijandelijk volk op het dek. Jan Kompanjie had al eenen klap om de ooren gekregen, dat hij het noorden van het kompas in het westen zocht, en juist toen Michiel zich met een eind hout wilde verweren, kreeg hij een lichte sabelhouw in den arm en werd gevangen genomen.„Jij blijf af van Michiel!” riep Jan, die ineens opsprong en het noorden gevonden had.Pats, daar kreeg hij er weer een, die raak was.Jan trok een afschuwelijk leelijk gezicht, alsof hij beproeven wilde, den vijand hiermede op den loop te jagen. Maar deze scheen zich om geene leelijke gezichten te bekommeren, en gaf Jan opnieuw eenen dril om de ooren, zoodat zijn mond weer in het fatsoen schoot.Het was er anders verre van af, dat de bemanning van de „Lijnbaan” lafhartig was. Men vocht zoo lang men kon en waarmede men kon. Alles werd wapen genoemd. Geleyn zelfs had de puts, waarmede men aanboord water uit zee ophaalt, aan eenen kleinen ketting, en sloeg er hiermede op in.„Geef je over!” riepen de roovers in het Spaansch.„Neen,” antwoordde de bemanning van den „Lijnbaan”, in het Hollandsch.„En hier heb je mijn antwoord,” riep de Schipper, den Kaper-kapitein eenen slag met de volle hand in het aangezicht gevende, waarna hij onder het roepen van: „Liever verdrinken dan slaaf worden,” overboord sprong. De Stuurman volgde zijn voorbeeld.Thans viel er aan verder verzet niet meer te denken. Het overschot der bemanning gaf zich over.De Biscayers hadden dus overwonnen en de „Lijnbaan” zou niet weer te Vlissingen aankomen.Maar ook de Schipper en de Stuurman, die Michiel geleerd had, zouden hunne vaderstad niet meer weder zien, terwijl zes man van de matrozen thuis ook tevergeefs gewacht zouden worden.Te Westersouburg zouden eene brave, oude vrouw en hare twee ongelukkige dochters, nimmer meer de stem hooren van den man, die zoo goed voor haar gezorgd had! Zij zouden reeds lang gestorven zijn, als hij, na jaren gevangen gezeten te hebben, alweer in het Vaderland terugkwam. Maar, armoede zouden ze niet geleden hebben; want de spaarpot van den braven zoon en trouwen broeder was ruim voorzien, en wat er nog te kort gekomen was, dat hadden de Heeren Lampsens gaarne bijgepast.Negen mannen waren in den ongelijken strijd gevallen!Michiel, Geleyn en Jan werden met de overige manschappen spoedig aanboord van een der roofschepen gebracht. De jongens kregen hun logies in een nauw hok, dat aan den voorkant van het schip lag. Een heel klein raampje, dat stuk geslagen was, gaf hun genoeg licht om te kunnen zien, maar te weinig lucht om er gezond te kunnen leven. Ze hadden het er benauwd heet en versmachtten bijna van den dorst. Langzamerhand werd het donkerder en reeds zaten ze in duizend angsten van geen eten of drinken te zullen krijgen toen de deur geopend werd en een paar goed gewapende matrozen hun brood en water brachten.Ze hoorden de deur stevig dichtgrendelen.„Hier wij leelijk zit! En ik nog de wonderkind!” bromde Jan en deed een hapje in het harde brood.Michiel stond voor het raampje.„Zeg, Michiel, ge moet daar niet zoo voor dat ruitje staan, anders stikken wij beiden hier nog,” zeide Geleyn.„Ik neem de maat,” sprak Michiel.„Wat? Maatnemen? Waarvan dan toch?”„Van mezelven en van dat raampje!”„Hi-hi,” lachte Jan, „ik liever eet, ik honger heb!”„Ben ik niet de dikste van de drie?” vroeg Michiel.„Dat zal wel waar zijn,” antwoordde Geleyn, die een echte Evertsen en niet zoo bijzonder kloek was. „Waarom vraagt ge dat?”„Zoo maar! Kunt gij zwemmen?”„Dat weet ge wel! Ik heb het eenigen tijd geleden nog van zeven jongens gewonnen.”„Kunt gij zwemmen, Jan?”„Ikke zwom op dat groote zee, dat is vol water, op het planke!” antwoordde Jan.„Jawel, maar kunt gij zonder plank zwemmen?”„Ikke? Ja, ikke zwemmen kan! Ikke doe niet graag. De water hier koud en nat is!”„Zoo,” sprak Michiel, „dan heb ik een plan!”„Wat dan?” vroeg Geleyn.„Eerst zal ik een stukje eten! Hei, schrok van eenen neger, het is voor ons drieën, hoor! Ik ook wat!” zei Michiel en nam Jan, die aan een ander stuk brood begonnen was, met de tanden de korst af te zagen, handig eene homp af en werkte het, na het in water geweekt te hebben, naar binnen. Zoodra hem dat gelukt was, zei hij: „Als het donker is zullen we ontvluchten!”„Dat goed is!” sprak Jan. „Ik hier zad ben al lang!”„Ontvluchten?” vroeg Geleyn,op eenmaal van verbazing ophoudende met eten. „Ik ben nieuwsgierig te weten hoe gij dat aanleggen zult.”„Door dat raampje heen!”„Zijt gij wel dwaas? Daar kunnen wij niet door!”„Met me een beetje te wringen kan ik er precies door. Gij en Jan schuiven er door als vet.”Geleyn bedacht zich even, nam het raampje nauwkeurig op en zeide toen: „En wie zal de eerste zijn om dat halsbrekers-baantje uit te halen?”„Dat zal ik zijn; maar luistert nu,” antwoordde Michiel, heel zacht sprekend om door niemand gehoord te worden. „Ziet ge dat touw daar telkens tegen het raampje slaan?”„Jawel! Dat heeft me al lang verveeld!”„Mij niet! Het moet ons redden. Eerst breken we voorzichtig het eenige ruitje uit en snijden dan met een mes de sponningen weg.”„En dan?”„Dan klim ik door het gat, grijp het touw en laat me in het water zakken!”„Mooi, dan zijt gij in het water! Maar ge zijt toch bijgeval geen meerman?”„Neen! Maar hoort ge daar niet onophoudelijk aan bakboord wat kloppen?”„Ja! En dat verveelt me ook al lang!”„Mij niet! Dat is een bootje. En dat het zoo klopt komt door de eb, die het telkens tegen de schuit duwt!”„Het is alsof ge er bijstaat, zoo weet ge alles,” bromde Geleyn, die nog altijd veel gevaar in de vlucht zag.„Wie niet sterk is, moet slim zijn! Ik heb de gelegenheid goed opgenomen!”„Ik klaar ben,” zei Jan, en spoelde de laatste bete broods door. „Nu ik wegloopen wind als de vlug.”„Houd den mond, Jan! Praat niet zoo hard! Als er een is, die bij ongeluk Hollandsch verstaat, dan valt het heele plan misschien in duigen.”„Maar dat heele plan weet ik nog niet,” sprak Geleyn.„Het is toch duidelijk. We kruipen de een na den anderdoor dat raampje, laten ons aan dat touw in het water zakken en zwemmen naar dat bootje. Zijn we er alle drie in, dan snijden we het touw los waarmee het vast ligt, duwen voorzichtig het bootje langs den boeg naar stuurboordzij, en laten ons dan met de eb in zee drijven!”„En waar dan heen?”„Dat weet ik nog niet. Eerst moeten we een heel eind van het schip af zijn, dan kunnen we altijd zien!”„En als we dan in den Oceaan terecht komen?”„Dat zou kunnen!”„Maar dan begrijpt gij toch, dat we met dat bootje verdrinken moeten! Eéne stortzee, en we zijn er geweest!”„Eén schopje tegen onze voeten en we hangen zoo mooi door eenen strop te kijken, als geen schelm ooit gedaan heeft,” zeide Michiel.„Wat wil dat zeggen?”„Dat we morgen of overmorgen eenvoudig aan de ra opgehangen worden, en als dat niet gebeurt, dan worden we als slaaf verkocht of we mogen naar de galeien.”„Hoe weet ge dat?” vroeg Geleyn, nog altijd niet met het ontvluchtingsplan ingenomen.„Dat is zeeroovers-manier! Maar als ge er nu geenen zin in hebt, gij beidjes om dien dans te ontsnappen, het zou me erg spijten, maar dan ga ik alleen. Wie niet waagt wint niet!”Geleyn dacht een oogenblik na en zei: „Ik ga mee, Michiel! Maar ik geloof nooit, dat we door dat kleine raampje kunnen kruipen! En dan dat touw, hangt dat wel vast genoeg? Zullen ze er op het dek niets van bemerken?”„Zal ik eerst probeeren, Geleyn?”„We moesten dan nu maar beginnen!”„Ja, ik stuk slaan zal!” riep Jan, trok zijnen schoen uit en wilde met de hak, waarin stevige spijkers geslagen, waren, het ruitje stuk slaan.„Zijt gij krankzinnig, Jan?” riep Michiel op halfluidentoon. „Gij zoudt het heele plan doen mislukken. Ga maar weg, dat zal ik wel doen. Maar luistert, Geleyn en Jan! We moeten onze schoenen en bovenkleeren uitdoen en in een pakje binden. Als ik er door ben, laat ge die drie pakjes maar zakken, dan zal ik ze in de boot brengen.”Geleyn en Jan begrepen dat dit geschieden moest, en trokken schoenen, kousen en bovenkleeren uit en maakten er drie pakjes van, die eerst gemeten werden of ze niet te dik gerold waren om door het raampje gestoken te kunnen worden.Inmiddels was het aardedonker geworden; ze konden nauwelijks het raampje meer zien.Michiel begon nu heel voorzichtig met den baard van den sleutel van zijne matrozenkist, het glas bij kleine stukjes af te breken, en na hiermede een groot kwartier bezig geweest te zijn, was hij klaar. Na nog eens nauwkeurig gemeten te hebben vond hij het onnoodig om de sponningen weg te snijden; ze konden er zoo wel door.„Nu, Geleyn en Jan, goed kijken hoor, hoe ik doe!” zei Michiel.Hij wipte zich wat op en, daar ging hij al verder en verder, tot hij er met de beenen ook door was. Half vrij!Hij ging buiten het schip aan het touw en zei fluisterend door het gat: „De pakjes!”Geleyn stak ze door het gat en Michiel, die gezorgd had, dat er stevige knoopen op gelegd waren, pakte de punten van die knoopen in den mond en liet zich zakken.Nu volgde Jan het voorbeeld van Michiel en was ook weldra buiten het schip.Geleyn aarzelde nog.Waren ze niet in de diepte verdwenen?Zouden ze werkelijk wel opgehangen, als slaven verkocht of naar de galeien gevoerd worden?Daar hoorde hij het bootje aan de andere zijde van het schip sterker tegen de schuit bonzen.„Zou Jan er nu instappen? Zou het daardoor meer leven maken?” dacht Geleyn.Nog aarzelde hij.Maar op eenmaal greep hij het gat, wipte er in, wrong er zich half door, pakte het touw, trok zich heelemaal door de nauwe opening, liet zich zakken, zwom om het schip en—ja, daar waren Michiel en Jan in het bootje. Het scheelde weinig of Geleyn had eenen schreeuw van blijdschap gegeten.Daar klom Geleyn in de boot.„We dachten dat ge verdronken waart,” fluisterde Michiel. „Kom gauw maar, er gaat eene sterke eb!”„Dat ben ik gewaar geworden! Ik kon bijna niet aan deze zijde van het schip komen,” gaf Geleyn ook fluisterend ten antwoord.Nu ging Michiels mes door het touw.Het bootje was vrij.Met de handen duwden ze het om het schip heen en—nauwelijks waren ze bij den boeg, of de eb gaf er eensklaps zulk eene vaart aan, dat Michiel overboord zou geslagen zijn, als Geleyn hem niet gauw gegrepen had.In minder dan vijf minuten was er niets meer van den wal te zien.Zoo ze nu op hunne vlucht niet door eenen anderen Biscayer overvallen werden, zouden ze voor galg, slavernij of galeien niet meer te vreezen hebben. Maar, wie den regen ontloopt, komt wel eens in den drup.1Geleyn Evertsen hield woord. Hij sneuvelde reeds den derden Mei 1627 op de hoogte van Lissabon in een gevecht tegen eene Portugeesche galei. Hij diende toen aanboord van zijnen broeder Johan, die als Luitenant-Admiraal den vierden Augustus 1666 sneuvelde.↑

NEGENDE HOOFDSTUK.Bij de kapers.

Als hij weer aanwal was, had Meester Van Gelder gezegd. Het was de vraag of ze er weer zouden komen, en, als ze er weer aan kwamen, zou het hier met recht heeten: door het oog van eene naald gekropen.De reis was vrij voorspoedig, en reeds hadden ze Bordeaux met eene lading wijn verlaten toen Lievensz. naar Michiel kwam en zei: „Ziet gij daar ginder dat schip?”„Ja, Bootsman! Is dat een bijzonder soort soms?”„Zoo bijzonder, dat we, eer het avond is, best in handen van den Spanjool kunnen zijn!”„Ei, Bootsman! Maakt hij dan jacht op ons?”„Geen weinigje ook,” luidde het antwoord, en pas had hij dit gezegd of de Schipper kwam bij hem en vroeg: „Wat denkt gij van dien Biscayer daar, Bootsman?”„Ja, Schipper, ik denk er zóó over. Ontzeilen kunnen wij hem niet, want hij maakt veel meer vaart dan wij. Ons verdedigen zoo goed en kwaad we kunnen, is de boodschap.”„Gij kunt gelijk hebben, Bootsman, doch daar we hem een heel eind voor zijn, zou ik wel willen probeeren hemte ontzeilen. Gaat dat niet, welnu, dan zal het kanon aan het woord zijn. Me zonder slag of stoot overgeven doe ik niet,” sprak de Schipper.Nu was alles in de weer.In de masten, aan de zeilen, aan het roer, op het voorschip, tusschendeks, overal waren handen te kort.„Wij vechten gaan, Michieltje!” zei Jan en wreef zich van pret in de handen.„Wat zal je doen, Jan? Met droge beschuiten gooien of met vuil water?” vroeg Geleyn Evertsen.„Ik zal neem de geweer, en pief-paf, ik schiet zal een Spanjool in een twee!”„Nu, Jan, zal de kaas niet van zijne boterham laten halen!” meende Michiel.„Ik geen boterham heb, ik geen kaas heb!” zeide Jan, die Michiel natuurlijk niet begreep.„Nog een, Michiel en Geleyn! Nu zijn er twee! Dat zal er spannen! Daar is niet tegen op te werken,” sprak Lievensz.„Dus niet vechten?” vroeg Michiel.„Ik zou zeggen van ja,” antwoordde Geleyn. „Als ik ooit Schipper word, zullen ze mijn schip nooit krijgen! Ik vecht me liever dood!”1„Dood is dood!” zeide Lievensz. „Als we een tegen drie zijn, dan waag ik het er ook op! Maar nu zijn we stellig niet eens een tegen tien. De Biscayers hebben altijd veel volk aanboord en, ze hebben moed als Watergeuzen.”„Daar zijn er drie, Schipper,” zeide nu de Stuurman. „Kijk, daar juist achter die voorste!”De Schipper keek in de aangewezen richting, en nu ook den derden roover ziende, zei hij: „Hoor eens, mannen,we zullen het zien te ontzeilen, dat is al wat er op zit. Van tegenweer bieden komt niemendal in!”„Kunnen we soms niet eenen list verzinnen, Schipper?” vroeg Michiel. „Wie niet sterk is, moet slim zijn.”„Noem er maar een op!” was het antwoord.„Wel, hij wil die luî allemaal dronken voeren en ze dan aan het dek binden, niet waar, Michiel?” zeide de Scheepsbarbier, die Michiel niet lijden mocht, op sarrenden toon.Michiel ging nijdig weg en bromde: „Als ik Kapitein word van een schip, ik zal mijnen vijand ontkomen door geweld of door list, halen waar halen!”Intusschen kwamen de Biscayers steeds nader, en aan ontzeilen viel niet te denken.„Vechten willen niet hij? Hij is kruip weg, bang, ja?” vroeg Jan op den Schipper wijzend.„Neen, er wordt niet gevochten,” antwoordde Michiel botweg.„Wij eens willen afsteken die kanon, hé? Bom, hij zal zeg, ach, zoo mooi, zoo mooi dat gaat!”Daar viel een schot van eenen der roovers.De kogel vloog juist voor den boeg over het water en maakte een vreeselijk geweld.„Nu, als ge dan toch wilt, dat we een kogeltje zullen wisselen, komaan dan!” zei de Schipper en gaf bevel een kanon te richten.Bom! daar viel weer een schot van den vijand.Nu vloog de kogel door het tuig van de „Lijnbaan” zonder erg veel te beschadigen.„Dat toch vecht,” riep Jan en kwam met zulk een groot zinkroer op het dek, dat hij nauwelijks voort kon. „Zeg, Michiel, jij ook deze ding?”„Ik zou een kanon genomen hebben,” zeide Michiel. „Neen, mannetje, dat heb-je te Bergen-op-....”„Vuur,” beval de Schipper.Het kanon ging af en, plof, daar lag onze Jan met zijn zinkroer languit op het dek.Van één kogeltje wisselen kwamen er twee, drie, vier, ja, wel honderd kogels, en als de „Lijnbaan” het niet met drie aan den stok had gekregen, dan zou het nog de vraag geweest zijn of de Biscayers „Victorie” zouden geroepen hebben.Eén Biscayer was in ontredderden toestand terug geweken, doch nu naderden de twee anderen.„O, God,” riep eensklaps de „Barre Bruinvisch” uit, en hoewel hij aanvankelijk staan bleef, zag men toch dat hij door een musketschot in de borst getroffen was.Michiel, Jan en Geleyn schoten toe om hem te ondersteunen, daar hij reeds begon te vallen.„Dat is eene harde pil, die ze me daar te slikken hebben gegeven, jongens,” zeide Lievensz., moeite doende nog even eene aardigheid met lachend gezicht te zeggen.De drie jongens pakten hem voorzichtig op en droegen hem naar den grooten mast, waar ze hem met het hoofd op eene rol kabeltouw nederlegden.Geen zacht hoofdkussen voor eenen gekwetste!Ja, wat zal men iemand, die in den oorlog, hetzij men dien te land of op het water voert, al beter geven? Het is altijd nog wat.„Gaat je plicht doen, jongens, en laat mij maar liggen! Als ik sterven moet, kan ik dat heel goed alleen af,” sprak Lievensz. kalm.Jan en Geleyn gingen terstond, doch Michiel aarzelde.„Nu, jij ook, dappere jongen!” zei hij.„Laat mij hier blijven om u te helpen, als de roovers kwaad willen doen,” sprak Michiel.Lievensz. lachte verwonderlijk raar en zeide: „Mij kwaad doen, zeg je? Loop, jongen, aan den „Barren Bruinvisch” is geen kwaad meer te doen! Nog een paar hapjes, dan is zijn beschuit op, en gaat hij voor altijd naar de kooi. Maar zeg, luister eens!”Michiel boog zich over hem.„Je weet dat ik nog eene Moeder en twee zusters te Westersouburg heb, nietwaar?”„Ja, Bootsman!”„Goed! Mocht je nu op de eene of andere manier daar nog eens komen, zeg haar dan, dat ik haar g’ndag gezegd heb. En laat me nu alleen, ik wilde nog wel even wat zeggen tegen den Grooten Baas!”„Tegen wien?” vroeg Michiel verwonderd.„Stil, jongen, stil, ik bedoel den Lieven Heer! Dag, Michiel!” sprak Lievensz. zacht. Hij vouwde de handen, sloot de oogen enMichielhoorde het begin van zijn gebed: „Onze Vader!”In dien tusschentijd hadden de Biscayers de „Lijnbaan” geënterd, en er was al heel wat vijandelijk volk op het dek. Jan Kompanjie had al eenen klap om de ooren gekregen, dat hij het noorden van het kompas in het westen zocht, en juist toen Michiel zich met een eind hout wilde verweren, kreeg hij een lichte sabelhouw in den arm en werd gevangen genomen.„Jij blijf af van Michiel!” riep Jan, die ineens opsprong en het noorden gevonden had.Pats, daar kreeg hij er weer een, die raak was.Jan trok een afschuwelijk leelijk gezicht, alsof hij beproeven wilde, den vijand hiermede op den loop te jagen. Maar deze scheen zich om geene leelijke gezichten te bekommeren, en gaf Jan opnieuw eenen dril om de ooren, zoodat zijn mond weer in het fatsoen schoot.Het was er anders verre van af, dat de bemanning van de „Lijnbaan” lafhartig was. Men vocht zoo lang men kon en waarmede men kon. Alles werd wapen genoemd. Geleyn zelfs had de puts, waarmede men aanboord water uit zee ophaalt, aan eenen kleinen ketting, en sloeg er hiermede op in.„Geef je over!” riepen de roovers in het Spaansch.„Neen,” antwoordde de bemanning van den „Lijnbaan”, in het Hollandsch.„En hier heb je mijn antwoord,” riep de Schipper, den Kaper-kapitein eenen slag met de volle hand in het aangezicht gevende, waarna hij onder het roepen van: „Liever verdrinken dan slaaf worden,” overboord sprong. De Stuurman volgde zijn voorbeeld.Thans viel er aan verder verzet niet meer te denken. Het overschot der bemanning gaf zich over.De Biscayers hadden dus overwonnen en de „Lijnbaan” zou niet weer te Vlissingen aankomen.Maar ook de Schipper en de Stuurman, die Michiel geleerd had, zouden hunne vaderstad niet meer weder zien, terwijl zes man van de matrozen thuis ook tevergeefs gewacht zouden worden.Te Westersouburg zouden eene brave, oude vrouw en hare twee ongelukkige dochters, nimmer meer de stem hooren van den man, die zoo goed voor haar gezorgd had! Zij zouden reeds lang gestorven zijn, als hij, na jaren gevangen gezeten te hebben, alweer in het Vaderland terugkwam. Maar, armoede zouden ze niet geleden hebben; want de spaarpot van den braven zoon en trouwen broeder was ruim voorzien, en wat er nog te kort gekomen was, dat hadden de Heeren Lampsens gaarne bijgepast.Negen mannen waren in den ongelijken strijd gevallen!Michiel, Geleyn en Jan werden met de overige manschappen spoedig aanboord van een der roofschepen gebracht. De jongens kregen hun logies in een nauw hok, dat aan den voorkant van het schip lag. Een heel klein raampje, dat stuk geslagen was, gaf hun genoeg licht om te kunnen zien, maar te weinig lucht om er gezond te kunnen leven. Ze hadden het er benauwd heet en versmachtten bijna van den dorst. Langzamerhand werd het donkerder en reeds zaten ze in duizend angsten van geen eten of drinken te zullen krijgen toen de deur geopend werd en een paar goed gewapende matrozen hun brood en water brachten.Ze hoorden de deur stevig dichtgrendelen.„Hier wij leelijk zit! En ik nog de wonderkind!” bromde Jan en deed een hapje in het harde brood.Michiel stond voor het raampje.„Zeg, Michiel, ge moet daar niet zoo voor dat ruitje staan, anders stikken wij beiden hier nog,” zeide Geleyn.„Ik neem de maat,” sprak Michiel.„Wat? Maatnemen? Waarvan dan toch?”„Van mezelven en van dat raampje!”„Hi-hi,” lachte Jan, „ik liever eet, ik honger heb!”„Ben ik niet de dikste van de drie?” vroeg Michiel.„Dat zal wel waar zijn,” antwoordde Geleyn, die een echte Evertsen en niet zoo bijzonder kloek was. „Waarom vraagt ge dat?”„Zoo maar! Kunt gij zwemmen?”„Dat weet ge wel! Ik heb het eenigen tijd geleden nog van zeven jongens gewonnen.”„Kunt gij zwemmen, Jan?”„Ikke zwom op dat groote zee, dat is vol water, op het planke!” antwoordde Jan.„Jawel, maar kunt gij zonder plank zwemmen?”„Ikke? Ja, ikke zwemmen kan! Ikke doe niet graag. De water hier koud en nat is!”„Zoo,” sprak Michiel, „dan heb ik een plan!”„Wat dan?” vroeg Geleyn.„Eerst zal ik een stukje eten! Hei, schrok van eenen neger, het is voor ons drieën, hoor! Ik ook wat!” zei Michiel en nam Jan, die aan een ander stuk brood begonnen was, met de tanden de korst af te zagen, handig eene homp af en werkte het, na het in water geweekt te hebben, naar binnen. Zoodra hem dat gelukt was, zei hij: „Als het donker is zullen we ontvluchten!”„Dat goed is!” sprak Jan. „Ik hier zad ben al lang!”„Ontvluchten?” vroeg Geleyn,op eenmaal van verbazing ophoudende met eten. „Ik ben nieuwsgierig te weten hoe gij dat aanleggen zult.”„Door dat raampje heen!”„Zijt gij wel dwaas? Daar kunnen wij niet door!”„Met me een beetje te wringen kan ik er precies door. Gij en Jan schuiven er door als vet.”Geleyn bedacht zich even, nam het raampje nauwkeurig op en zeide toen: „En wie zal de eerste zijn om dat halsbrekers-baantje uit te halen?”„Dat zal ik zijn; maar luistert nu,” antwoordde Michiel, heel zacht sprekend om door niemand gehoord te worden. „Ziet ge dat touw daar telkens tegen het raampje slaan?”„Jawel! Dat heeft me al lang verveeld!”„Mij niet! Het moet ons redden. Eerst breken we voorzichtig het eenige ruitje uit en snijden dan met een mes de sponningen weg.”„En dan?”„Dan klim ik door het gat, grijp het touw en laat me in het water zakken!”„Mooi, dan zijt gij in het water! Maar ge zijt toch bijgeval geen meerman?”„Neen! Maar hoort ge daar niet onophoudelijk aan bakboord wat kloppen?”„Ja! En dat verveelt me ook al lang!”„Mij niet! Dat is een bootje. En dat het zoo klopt komt door de eb, die het telkens tegen de schuit duwt!”„Het is alsof ge er bijstaat, zoo weet ge alles,” bromde Geleyn, die nog altijd veel gevaar in de vlucht zag.„Wie niet sterk is, moet slim zijn! Ik heb de gelegenheid goed opgenomen!”„Ik klaar ben,” zei Jan, en spoelde de laatste bete broods door. „Nu ik wegloopen wind als de vlug.”„Houd den mond, Jan! Praat niet zoo hard! Als er een is, die bij ongeluk Hollandsch verstaat, dan valt het heele plan misschien in duigen.”„Maar dat heele plan weet ik nog niet,” sprak Geleyn.„Het is toch duidelijk. We kruipen de een na den anderdoor dat raampje, laten ons aan dat touw in het water zakken en zwemmen naar dat bootje. Zijn we er alle drie in, dan snijden we het touw los waarmee het vast ligt, duwen voorzichtig het bootje langs den boeg naar stuurboordzij, en laten ons dan met de eb in zee drijven!”„En waar dan heen?”„Dat weet ik nog niet. Eerst moeten we een heel eind van het schip af zijn, dan kunnen we altijd zien!”„En als we dan in den Oceaan terecht komen?”„Dat zou kunnen!”„Maar dan begrijpt gij toch, dat we met dat bootje verdrinken moeten! Eéne stortzee, en we zijn er geweest!”„Eén schopje tegen onze voeten en we hangen zoo mooi door eenen strop te kijken, als geen schelm ooit gedaan heeft,” zeide Michiel.„Wat wil dat zeggen?”„Dat we morgen of overmorgen eenvoudig aan de ra opgehangen worden, en als dat niet gebeurt, dan worden we als slaaf verkocht of we mogen naar de galeien.”„Hoe weet ge dat?” vroeg Geleyn, nog altijd niet met het ontvluchtingsplan ingenomen.„Dat is zeeroovers-manier! Maar als ge er nu geenen zin in hebt, gij beidjes om dien dans te ontsnappen, het zou me erg spijten, maar dan ga ik alleen. Wie niet waagt wint niet!”Geleyn dacht een oogenblik na en zei: „Ik ga mee, Michiel! Maar ik geloof nooit, dat we door dat kleine raampje kunnen kruipen! En dan dat touw, hangt dat wel vast genoeg? Zullen ze er op het dek niets van bemerken?”„Zal ik eerst probeeren, Geleyn?”„We moesten dan nu maar beginnen!”„Ja, ik stuk slaan zal!” riep Jan, trok zijnen schoen uit en wilde met de hak, waarin stevige spijkers geslagen, waren, het ruitje stuk slaan.„Zijt gij krankzinnig, Jan?” riep Michiel op halfluidentoon. „Gij zoudt het heele plan doen mislukken. Ga maar weg, dat zal ik wel doen. Maar luistert, Geleyn en Jan! We moeten onze schoenen en bovenkleeren uitdoen en in een pakje binden. Als ik er door ben, laat ge die drie pakjes maar zakken, dan zal ik ze in de boot brengen.”Geleyn en Jan begrepen dat dit geschieden moest, en trokken schoenen, kousen en bovenkleeren uit en maakten er drie pakjes van, die eerst gemeten werden of ze niet te dik gerold waren om door het raampje gestoken te kunnen worden.Inmiddels was het aardedonker geworden; ze konden nauwelijks het raampje meer zien.Michiel begon nu heel voorzichtig met den baard van den sleutel van zijne matrozenkist, het glas bij kleine stukjes af te breken, en na hiermede een groot kwartier bezig geweest te zijn, was hij klaar. Na nog eens nauwkeurig gemeten te hebben vond hij het onnoodig om de sponningen weg te snijden; ze konden er zoo wel door.„Nu, Geleyn en Jan, goed kijken hoor, hoe ik doe!” zei Michiel.Hij wipte zich wat op en, daar ging hij al verder en verder, tot hij er met de beenen ook door was. Half vrij!Hij ging buiten het schip aan het touw en zei fluisterend door het gat: „De pakjes!”Geleyn stak ze door het gat en Michiel, die gezorgd had, dat er stevige knoopen op gelegd waren, pakte de punten van die knoopen in den mond en liet zich zakken.Nu volgde Jan het voorbeeld van Michiel en was ook weldra buiten het schip.Geleyn aarzelde nog.Waren ze niet in de diepte verdwenen?Zouden ze werkelijk wel opgehangen, als slaven verkocht of naar de galeien gevoerd worden?Daar hoorde hij het bootje aan de andere zijde van het schip sterker tegen de schuit bonzen.„Zou Jan er nu instappen? Zou het daardoor meer leven maken?” dacht Geleyn.Nog aarzelde hij.Maar op eenmaal greep hij het gat, wipte er in, wrong er zich half door, pakte het touw, trok zich heelemaal door de nauwe opening, liet zich zakken, zwom om het schip en—ja, daar waren Michiel en Jan in het bootje. Het scheelde weinig of Geleyn had eenen schreeuw van blijdschap gegeten.Daar klom Geleyn in de boot.„We dachten dat ge verdronken waart,” fluisterde Michiel. „Kom gauw maar, er gaat eene sterke eb!”„Dat ben ik gewaar geworden! Ik kon bijna niet aan deze zijde van het schip komen,” gaf Geleyn ook fluisterend ten antwoord.Nu ging Michiels mes door het touw.Het bootje was vrij.Met de handen duwden ze het om het schip heen en—nauwelijks waren ze bij den boeg, of de eb gaf er eensklaps zulk eene vaart aan, dat Michiel overboord zou geslagen zijn, als Geleyn hem niet gauw gegrepen had.In minder dan vijf minuten was er niets meer van den wal te zien.Zoo ze nu op hunne vlucht niet door eenen anderen Biscayer overvallen werden, zouden ze voor galg, slavernij of galeien niet meer te vreezen hebben. Maar, wie den regen ontloopt, komt wel eens in den drup.

Als hij weer aanwal was, had Meester Van Gelder gezegd. Het was de vraag of ze er weer zouden komen, en, als ze er weer aan kwamen, zou het hier met recht heeten: door het oog van eene naald gekropen.

De reis was vrij voorspoedig, en reeds hadden ze Bordeaux met eene lading wijn verlaten toen Lievensz. naar Michiel kwam en zei: „Ziet gij daar ginder dat schip?”

„Ja, Bootsman! Is dat een bijzonder soort soms?”

„Zoo bijzonder, dat we, eer het avond is, best in handen van den Spanjool kunnen zijn!”

„Ei, Bootsman! Maakt hij dan jacht op ons?”

„Geen weinigje ook,” luidde het antwoord, en pas had hij dit gezegd of de Schipper kwam bij hem en vroeg: „Wat denkt gij van dien Biscayer daar, Bootsman?”

„Ja, Schipper, ik denk er zóó over. Ontzeilen kunnen wij hem niet, want hij maakt veel meer vaart dan wij. Ons verdedigen zoo goed en kwaad we kunnen, is de boodschap.”

„Gij kunt gelijk hebben, Bootsman, doch daar we hem een heel eind voor zijn, zou ik wel willen probeeren hemte ontzeilen. Gaat dat niet, welnu, dan zal het kanon aan het woord zijn. Me zonder slag of stoot overgeven doe ik niet,” sprak de Schipper.

Nu was alles in de weer.

In de masten, aan de zeilen, aan het roer, op het voorschip, tusschendeks, overal waren handen te kort.

„Wij vechten gaan, Michieltje!” zei Jan en wreef zich van pret in de handen.

„Wat zal je doen, Jan? Met droge beschuiten gooien of met vuil water?” vroeg Geleyn Evertsen.

„Ik zal neem de geweer, en pief-paf, ik schiet zal een Spanjool in een twee!”

„Nu, Jan, zal de kaas niet van zijne boterham laten halen!” meende Michiel.

„Ik geen boterham heb, ik geen kaas heb!” zeide Jan, die Michiel natuurlijk niet begreep.

„Nog een, Michiel en Geleyn! Nu zijn er twee! Dat zal er spannen! Daar is niet tegen op te werken,” sprak Lievensz.

„Dus niet vechten?” vroeg Michiel.

„Ik zou zeggen van ja,” antwoordde Geleyn. „Als ik ooit Schipper word, zullen ze mijn schip nooit krijgen! Ik vecht me liever dood!”1

„Dood is dood!” zeide Lievensz. „Als we een tegen drie zijn, dan waag ik het er ook op! Maar nu zijn we stellig niet eens een tegen tien. De Biscayers hebben altijd veel volk aanboord en, ze hebben moed als Watergeuzen.”

„Daar zijn er drie, Schipper,” zeide nu de Stuurman. „Kijk, daar juist achter die voorste!”

De Schipper keek in de aangewezen richting, en nu ook den derden roover ziende, zei hij: „Hoor eens, mannen,we zullen het zien te ontzeilen, dat is al wat er op zit. Van tegenweer bieden komt niemendal in!”

„Kunnen we soms niet eenen list verzinnen, Schipper?” vroeg Michiel. „Wie niet sterk is, moet slim zijn.”

„Noem er maar een op!” was het antwoord.

„Wel, hij wil die luî allemaal dronken voeren en ze dan aan het dek binden, niet waar, Michiel?” zeide de Scheepsbarbier, die Michiel niet lijden mocht, op sarrenden toon.

Michiel ging nijdig weg en bromde: „Als ik Kapitein word van een schip, ik zal mijnen vijand ontkomen door geweld of door list, halen waar halen!”

Intusschen kwamen de Biscayers steeds nader, en aan ontzeilen viel niet te denken.

„Vechten willen niet hij? Hij is kruip weg, bang, ja?” vroeg Jan op den Schipper wijzend.

„Neen, er wordt niet gevochten,” antwoordde Michiel botweg.

„Wij eens willen afsteken die kanon, hé? Bom, hij zal zeg, ach, zoo mooi, zoo mooi dat gaat!”

Daar viel een schot van eenen der roovers.

De kogel vloog juist voor den boeg over het water en maakte een vreeselijk geweld.

„Nu, als ge dan toch wilt, dat we een kogeltje zullen wisselen, komaan dan!” zei de Schipper en gaf bevel een kanon te richten.

Bom! daar viel weer een schot van den vijand.

Nu vloog de kogel door het tuig van de „Lijnbaan” zonder erg veel te beschadigen.

„Dat toch vecht,” riep Jan en kwam met zulk een groot zinkroer op het dek, dat hij nauwelijks voort kon. „Zeg, Michiel, jij ook deze ding?”

„Ik zou een kanon genomen hebben,” zeide Michiel. „Neen, mannetje, dat heb-je te Bergen-op-....”

„Vuur,” beval de Schipper.

Het kanon ging af en, plof, daar lag onze Jan met zijn zinkroer languit op het dek.

Van één kogeltje wisselen kwamen er twee, drie, vier, ja, wel honderd kogels, en als de „Lijnbaan” het niet met drie aan den stok had gekregen, dan zou het nog de vraag geweest zijn of de Biscayers „Victorie” zouden geroepen hebben.

Eén Biscayer was in ontredderden toestand terug geweken, doch nu naderden de twee anderen.

„O, God,” riep eensklaps de „Barre Bruinvisch” uit, en hoewel hij aanvankelijk staan bleef, zag men toch dat hij door een musketschot in de borst getroffen was.

Michiel, Jan en Geleyn schoten toe om hem te ondersteunen, daar hij reeds begon te vallen.

„Dat is eene harde pil, die ze me daar te slikken hebben gegeven, jongens,” zeide Lievensz., moeite doende nog even eene aardigheid met lachend gezicht te zeggen.

De drie jongens pakten hem voorzichtig op en droegen hem naar den grooten mast, waar ze hem met het hoofd op eene rol kabeltouw nederlegden.

Geen zacht hoofdkussen voor eenen gekwetste!

Ja, wat zal men iemand, die in den oorlog, hetzij men dien te land of op het water voert, al beter geven? Het is altijd nog wat.

„Gaat je plicht doen, jongens, en laat mij maar liggen! Als ik sterven moet, kan ik dat heel goed alleen af,” sprak Lievensz. kalm.

Jan en Geleyn gingen terstond, doch Michiel aarzelde.

„Nu, jij ook, dappere jongen!” zei hij.

„Laat mij hier blijven om u te helpen, als de roovers kwaad willen doen,” sprak Michiel.

Lievensz. lachte verwonderlijk raar en zeide: „Mij kwaad doen, zeg je? Loop, jongen, aan den „Barren Bruinvisch” is geen kwaad meer te doen! Nog een paar hapjes, dan is zijn beschuit op, en gaat hij voor altijd naar de kooi. Maar zeg, luister eens!”

Michiel boog zich over hem.

„Je weet dat ik nog eene Moeder en twee zusters te Westersouburg heb, nietwaar?”

„Ja, Bootsman!”

„Goed! Mocht je nu op de eene of andere manier daar nog eens komen, zeg haar dan, dat ik haar g’ndag gezegd heb. En laat me nu alleen, ik wilde nog wel even wat zeggen tegen den Grooten Baas!”

„Tegen wien?” vroeg Michiel verwonderd.

„Stil, jongen, stil, ik bedoel den Lieven Heer! Dag, Michiel!” sprak Lievensz. zacht. Hij vouwde de handen, sloot de oogen enMichielhoorde het begin van zijn gebed: „Onze Vader!”

In dien tusschentijd hadden de Biscayers de „Lijnbaan” geënterd, en er was al heel wat vijandelijk volk op het dek. Jan Kompanjie had al eenen klap om de ooren gekregen, dat hij het noorden van het kompas in het westen zocht, en juist toen Michiel zich met een eind hout wilde verweren, kreeg hij een lichte sabelhouw in den arm en werd gevangen genomen.

„Jij blijf af van Michiel!” riep Jan, die ineens opsprong en het noorden gevonden had.

Pats, daar kreeg hij er weer een, die raak was.

Jan trok een afschuwelijk leelijk gezicht, alsof hij beproeven wilde, den vijand hiermede op den loop te jagen. Maar deze scheen zich om geene leelijke gezichten te bekommeren, en gaf Jan opnieuw eenen dril om de ooren, zoodat zijn mond weer in het fatsoen schoot.

Het was er anders verre van af, dat de bemanning van de „Lijnbaan” lafhartig was. Men vocht zoo lang men kon en waarmede men kon. Alles werd wapen genoemd. Geleyn zelfs had de puts, waarmede men aanboord water uit zee ophaalt, aan eenen kleinen ketting, en sloeg er hiermede op in.

„Geef je over!” riepen de roovers in het Spaansch.

„Neen,” antwoordde de bemanning van den „Lijnbaan”, in het Hollandsch.

„En hier heb je mijn antwoord,” riep de Schipper, den Kaper-kapitein eenen slag met de volle hand in het aangezicht gevende, waarna hij onder het roepen van: „Liever verdrinken dan slaaf worden,” overboord sprong. De Stuurman volgde zijn voorbeeld.

Thans viel er aan verder verzet niet meer te denken. Het overschot der bemanning gaf zich over.

De Biscayers hadden dus overwonnen en de „Lijnbaan” zou niet weer te Vlissingen aankomen.

Maar ook de Schipper en de Stuurman, die Michiel geleerd had, zouden hunne vaderstad niet meer weder zien, terwijl zes man van de matrozen thuis ook tevergeefs gewacht zouden worden.

Te Westersouburg zouden eene brave, oude vrouw en hare twee ongelukkige dochters, nimmer meer de stem hooren van den man, die zoo goed voor haar gezorgd had! Zij zouden reeds lang gestorven zijn, als hij, na jaren gevangen gezeten te hebben, alweer in het Vaderland terugkwam. Maar, armoede zouden ze niet geleden hebben; want de spaarpot van den braven zoon en trouwen broeder was ruim voorzien, en wat er nog te kort gekomen was, dat hadden de Heeren Lampsens gaarne bijgepast.

Negen mannen waren in den ongelijken strijd gevallen!

Michiel, Geleyn en Jan werden met de overige manschappen spoedig aanboord van een der roofschepen gebracht. De jongens kregen hun logies in een nauw hok, dat aan den voorkant van het schip lag. Een heel klein raampje, dat stuk geslagen was, gaf hun genoeg licht om te kunnen zien, maar te weinig lucht om er gezond te kunnen leven. Ze hadden het er benauwd heet en versmachtten bijna van den dorst. Langzamerhand werd het donkerder en reeds zaten ze in duizend angsten van geen eten of drinken te zullen krijgen toen de deur geopend werd en een paar goed gewapende matrozen hun brood en water brachten.

Ze hoorden de deur stevig dichtgrendelen.

„Hier wij leelijk zit! En ik nog de wonderkind!” bromde Jan en deed een hapje in het harde brood.

Michiel stond voor het raampje.

„Zeg, Michiel, ge moet daar niet zoo voor dat ruitje staan, anders stikken wij beiden hier nog,” zeide Geleyn.

„Ik neem de maat,” sprak Michiel.

„Wat? Maatnemen? Waarvan dan toch?”

„Van mezelven en van dat raampje!”

„Hi-hi,” lachte Jan, „ik liever eet, ik honger heb!”

„Ben ik niet de dikste van de drie?” vroeg Michiel.

„Dat zal wel waar zijn,” antwoordde Geleyn, die een echte Evertsen en niet zoo bijzonder kloek was. „Waarom vraagt ge dat?”

„Zoo maar! Kunt gij zwemmen?”

„Dat weet ge wel! Ik heb het eenigen tijd geleden nog van zeven jongens gewonnen.”

„Kunt gij zwemmen, Jan?”

„Ikke zwom op dat groote zee, dat is vol water, op het planke!” antwoordde Jan.

„Jawel, maar kunt gij zonder plank zwemmen?”

„Ikke? Ja, ikke zwemmen kan! Ikke doe niet graag. De water hier koud en nat is!”

„Zoo,” sprak Michiel, „dan heb ik een plan!”

„Wat dan?” vroeg Geleyn.

„Eerst zal ik een stukje eten! Hei, schrok van eenen neger, het is voor ons drieën, hoor! Ik ook wat!” zei Michiel en nam Jan, die aan een ander stuk brood begonnen was, met de tanden de korst af te zagen, handig eene homp af en werkte het, na het in water geweekt te hebben, naar binnen. Zoodra hem dat gelukt was, zei hij: „Als het donker is zullen we ontvluchten!”

„Dat goed is!” sprak Jan. „Ik hier zad ben al lang!”

„Ontvluchten?” vroeg Geleyn,op eenmaal van verbazing ophoudende met eten. „Ik ben nieuwsgierig te weten hoe gij dat aanleggen zult.”

„Door dat raampje heen!”

„Zijt gij wel dwaas? Daar kunnen wij niet door!”

„Met me een beetje te wringen kan ik er precies door. Gij en Jan schuiven er door als vet.”

Geleyn bedacht zich even, nam het raampje nauwkeurig op en zeide toen: „En wie zal de eerste zijn om dat halsbrekers-baantje uit te halen?”

„Dat zal ik zijn; maar luistert nu,” antwoordde Michiel, heel zacht sprekend om door niemand gehoord te worden. „Ziet ge dat touw daar telkens tegen het raampje slaan?”

„Jawel! Dat heeft me al lang verveeld!”

„Mij niet! Het moet ons redden. Eerst breken we voorzichtig het eenige ruitje uit en snijden dan met een mes de sponningen weg.”

„En dan?”

„Dan klim ik door het gat, grijp het touw en laat me in het water zakken!”

„Mooi, dan zijt gij in het water! Maar ge zijt toch bijgeval geen meerman?”

„Neen! Maar hoort ge daar niet onophoudelijk aan bakboord wat kloppen?”

„Ja! En dat verveelt me ook al lang!”

„Mij niet! Dat is een bootje. En dat het zoo klopt komt door de eb, die het telkens tegen de schuit duwt!”

„Het is alsof ge er bijstaat, zoo weet ge alles,” bromde Geleyn, die nog altijd veel gevaar in de vlucht zag.

„Wie niet sterk is, moet slim zijn! Ik heb de gelegenheid goed opgenomen!”

„Ik klaar ben,” zei Jan, en spoelde de laatste bete broods door. „Nu ik wegloopen wind als de vlug.”

„Houd den mond, Jan! Praat niet zoo hard! Als er een is, die bij ongeluk Hollandsch verstaat, dan valt het heele plan misschien in duigen.”

„Maar dat heele plan weet ik nog niet,” sprak Geleyn.

„Het is toch duidelijk. We kruipen de een na den anderdoor dat raampje, laten ons aan dat touw in het water zakken en zwemmen naar dat bootje. Zijn we er alle drie in, dan snijden we het touw los waarmee het vast ligt, duwen voorzichtig het bootje langs den boeg naar stuurboordzij, en laten ons dan met de eb in zee drijven!”

„En waar dan heen?”

„Dat weet ik nog niet. Eerst moeten we een heel eind van het schip af zijn, dan kunnen we altijd zien!”

„En als we dan in den Oceaan terecht komen?”

„Dat zou kunnen!”

„Maar dan begrijpt gij toch, dat we met dat bootje verdrinken moeten! Eéne stortzee, en we zijn er geweest!”

„Eén schopje tegen onze voeten en we hangen zoo mooi door eenen strop te kijken, als geen schelm ooit gedaan heeft,” zeide Michiel.

„Wat wil dat zeggen?”

„Dat we morgen of overmorgen eenvoudig aan de ra opgehangen worden, en als dat niet gebeurt, dan worden we als slaaf verkocht of we mogen naar de galeien.”

„Hoe weet ge dat?” vroeg Geleyn, nog altijd niet met het ontvluchtingsplan ingenomen.

„Dat is zeeroovers-manier! Maar als ge er nu geenen zin in hebt, gij beidjes om dien dans te ontsnappen, het zou me erg spijten, maar dan ga ik alleen. Wie niet waagt wint niet!”

Geleyn dacht een oogenblik na en zei: „Ik ga mee, Michiel! Maar ik geloof nooit, dat we door dat kleine raampje kunnen kruipen! En dan dat touw, hangt dat wel vast genoeg? Zullen ze er op het dek niets van bemerken?”

„Zal ik eerst probeeren, Geleyn?”

„We moesten dan nu maar beginnen!”

„Ja, ik stuk slaan zal!” riep Jan, trok zijnen schoen uit en wilde met de hak, waarin stevige spijkers geslagen, waren, het ruitje stuk slaan.

„Zijt gij krankzinnig, Jan?” riep Michiel op halfluidentoon. „Gij zoudt het heele plan doen mislukken. Ga maar weg, dat zal ik wel doen. Maar luistert, Geleyn en Jan! We moeten onze schoenen en bovenkleeren uitdoen en in een pakje binden. Als ik er door ben, laat ge die drie pakjes maar zakken, dan zal ik ze in de boot brengen.”

Geleyn en Jan begrepen dat dit geschieden moest, en trokken schoenen, kousen en bovenkleeren uit en maakten er drie pakjes van, die eerst gemeten werden of ze niet te dik gerold waren om door het raampje gestoken te kunnen worden.

Inmiddels was het aardedonker geworden; ze konden nauwelijks het raampje meer zien.

Michiel begon nu heel voorzichtig met den baard van den sleutel van zijne matrozenkist, het glas bij kleine stukjes af te breken, en na hiermede een groot kwartier bezig geweest te zijn, was hij klaar. Na nog eens nauwkeurig gemeten te hebben vond hij het onnoodig om de sponningen weg te snijden; ze konden er zoo wel door.

„Nu, Geleyn en Jan, goed kijken hoor, hoe ik doe!” zei Michiel.

Hij wipte zich wat op en, daar ging hij al verder en verder, tot hij er met de beenen ook door was. Half vrij!

Hij ging buiten het schip aan het touw en zei fluisterend door het gat: „De pakjes!”

Geleyn stak ze door het gat en Michiel, die gezorgd had, dat er stevige knoopen op gelegd waren, pakte de punten van die knoopen in den mond en liet zich zakken.

Nu volgde Jan het voorbeeld van Michiel en was ook weldra buiten het schip.

Geleyn aarzelde nog.

Waren ze niet in de diepte verdwenen?

Zouden ze werkelijk wel opgehangen, als slaven verkocht of naar de galeien gevoerd worden?

Daar hoorde hij het bootje aan de andere zijde van het schip sterker tegen de schuit bonzen.

„Zou Jan er nu instappen? Zou het daardoor meer leven maken?” dacht Geleyn.

Nog aarzelde hij.

Maar op eenmaal greep hij het gat, wipte er in, wrong er zich half door, pakte het touw, trok zich heelemaal door de nauwe opening, liet zich zakken, zwom om het schip en—ja, daar waren Michiel en Jan in het bootje. Het scheelde weinig of Geleyn had eenen schreeuw van blijdschap gegeten.

Daar klom Geleyn in de boot.

„We dachten dat ge verdronken waart,” fluisterde Michiel. „Kom gauw maar, er gaat eene sterke eb!”

„Dat ben ik gewaar geworden! Ik kon bijna niet aan deze zijde van het schip komen,” gaf Geleyn ook fluisterend ten antwoord.

Nu ging Michiels mes door het touw.

Het bootje was vrij.

Met de handen duwden ze het om het schip heen en—nauwelijks waren ze bij den boeg, of de eb gaf er eensklaps zulk eene vaart aan, dat Michiel overboord zou geslagen zijn, als Geleyn hem niet gauw gegrepen had.

In minder dan vijf minuten was er niets meer van den wal te zien.

Zoo ze nu op hunne vlucht niet door eenen anderen Biscayer overvallen werden, zouden ze voor galg, slavernij of galeien niet meer te vreezen hebben. Maar, wie den regen ontloopt, komt wel eens in den drup.

1Geleyn Evertsen hield woord. Hij sneuvelde reeds den derden Mei 1627 op de hoogte van Lissabon in een gevecht tegen eene Portugeesche galei. Hij diende toen aanboord van zijnen broeder Johan, die als Luitenant-Admiraal den vierden Augustus 1666 sneuvelde.↑

1Geleyn Evertsen hield woord. Hij sneuvelde reeds den derden Mei 1627 op de hoogte van Lissabon in een gevecht tegen eene Portugeesche galei. Hij diende toen aanboord van zijnen broeder Johan, die als Luitenant-Admiraal den vierden Augustus 1666 sneuvelde.↑

1Geleyn Evertsen hield woord. Hij sneuvelde reeds den derden Mei 1627 op de hoogte van Lissabon in een gevecht tegen eene Portugeesche galei. Hij diende toen aanboord van zijnen broeder Johan, die als Luitenant-Admiraal den vierden Augustus 1666 sneuvelde.↑


Back to IndexNext