ACHTSTE HOOFDSTUK.Chattam.Wij verplaatsen ons wat vroeger op het smaldeel om het met eigen oogen te zien.Statig en langzaam was het smaldeel der Nederlandsche vloot Engelands schoonste en breedste rivier opgevaren.Het stond onder bevel van den Luitenant-Admiraal Van Ghent, aanboord van wiens Admiraalsschip „De Agatha” zich de Gecommitteerde van de Staten van Holland, Cornelis De Witt, bevond.En op die rivier, bij Chattam en Rochester, lagen de grootste Engelsche oorlogsschepen, tendeele afgetuigd, onder bescherming van de forten aan den oever der rivier.Die schepen moesten vernield, die forten tot zwijgen gebracht worden. Men was begonnen met de sterkte Sheerness op het eilandje Chepay, en dat was gelukt. Het smaldeel was reeds genaderd tot de rivier Medway, bij Rochester.Maar hoe verder te komen, daar de rivier met eenen ketting, die op geankerde vlotten lag, afgesloten was? Hoe zou men over dien ketting komen?Wie? Op „De Agatha” zat een Kapitein, een NederlandschKapitein gevangen, omdat hij zich tegen het bevel van De Witt gedragen had.„Hoogmogende Heer,” zegt hij tot De Witt, „geef mij mijnen degen terug en daarbij het oudste schip der vloot. Laat mij goedmaken, wat ik misdreef, en het eerst de Engelschen vóór of over dien ketting aanvallen!”Het is de dappere, maar dolle Kapitein Van Brakel, die zoo spreekt.„Hier is uw degen, en daar is uw schip, Kapitein!” zegt De Witt en wijst hem Van Brakels eigen schip, „De Vrede”, aan.Daar snelt Van Brakel heen.„Hoezee!” roept het scheepsvolk, als het hem ziet. „Hoezee! Daar is onze oude baas weer!”„Ja, mannen,” roept Van Brakel, „ja, hier ben ik! Vooruit! Ons is de eer gegund van het eerst hier aan den dans te mogen gaan. Ziet ge daar dat koningsschip voor den ketting? Dat hebben die rabauwen vroeger van ons gekaapt. Het is de oude „Eendracht”! Vooruit, haalt de kaas terug, die de Roodrokken van je boterham gestolen hebben! Hoezee!”En donderend schreeuwt men hem na: „Vooruit! Hoezee!”Met fonkelende oogen ziet de bemanning van heel het smaldeel „De Vrede” na.Daar branden de batterijen van de kust op hem los en de schepen geven hem de volle laag.„Vooruit, mannen! Vooruit!” roept Van Brakel, en schudt de lange, grijze haren, als een leeuw zijne manen.Zijne mannen staan bij het geschut het teeken af te wachten om op hunne beurt los te branden.Tot op een musketschot afstands is men nu „The Unity”, zooals de Engelschen het schip gedoopt hebben, genaderd.„Vuur!” kommandeert Van Brakel, en zijne mannen branden los.Waaghals, dolle waaghals, waarheen met uw oud schip waarop Hollands vlag door de groote wolken van rook nauw zichtbaar is?„Hoezee! Voor Bestevaêr Michiel en het lieve Vaderland!” roept Van Brakel, niet denkende, dat Bestevaêr niet aan het hoofd der overwinning mag staan, maar in de verte ligt, als een lafaard, die anderen het spit laat afbijten, omdat hij zelf niet durft! Bestevaêr een lafaard! Cornelis De Witt de held, de man, die durft en kan!Of dergelijke gedachten als Lievensz. had en Kapitein Van Brakel op het oogenblik ook wel had, luide uitgesproken werden, zou ik niet durven bevestigen. Het zeevolk was echter grootendeels zeer Prinsgezind en zag met leedwezen, dat de dappere Tromp niet op de vloot was. Algemeen was men van oordeel, dat de partij van De Witt hem niet zoo zeer vanboord en buiten betrekking hield om zijnen twist met De Ruyter, als wel om zijne Prinsgezindheid. Daardoor kwamen De Witt en de zijnen, hoeveel ze ook gedaan hadden en nog deden om de Republiek der Vereenigde Nederlanden zulk eene macht te doen bereiken en zoo groot te maken, bij het zeevolk vooral in minachting. En toen nu Cornelis De Witt, omgeven door eene lijfwacht, als ware hij de Vorst van het land, aanboord der vloot kwam om het opperbevel te voeren, steeg de haat hoog, en als niet De Ruyter het voorbeeld van onderwerping gegeven had, dan zou het de vraag geweest zijn, of alles wel goed afgeloopen zou zijn. De Ruyter echter, hoewel het hem ook wel gegriefd zal hebben, diende met zulk eene onverstoorbare eerlijkheid zijn Vaderland en niet zichzelven, dat het niet in hem opkwam om door woord of daad te toonen, dat men hem in zijn gevoel van eigenwaarde kwetste.Doch keeren we nu tot den moedigen Van Brakel terug.Hij zeilt tot vlak voor den ketting in de onmiddellijke nabijheid van „The Unity.”„Valt aan, mannen, valt aan!” klinkt de machtige stem van den grijzen held.„Op, op, jongens! Voor den „Dolle”!” schreeuwt zijn volk, klampt zich aanboord van den Engelschman, palmt zich aan touwen, en alles wat maar hou-vast biedt, naar boven en ziet den „Dolle” hun het pad wijzen.Ze zijn er! Ze zijn er!„Hoezee! Hoezee!”Maar de Engelschen laten den eenmaal genomen buit niet zoo gemakkelijk glippen, en trachten te houden, wat ze hebben.„Vooruit! Vooruit! Niet sammelen! Valt aan!” klinkt Van Brakels luid kommando-woord weer, en onze mannen hem naschreeuwende, klauteren als katten tegen het schip op.Een groot aantal van hen is reeds aanboord. Men vecht met wat men vindt; want velen hebben, door hunne groote haast, de enterbijl laten vallen of vergeten.Daar wijkt de vijand!„Vooruit! Vooruit! Aan ons, wat ons eenmaal ontstolen werd! Hoezee!”De aanval is te sterk en de Engelschman, die den ketting moest verdedigen, geeft zich na een kort, doch woedend gevecht over. Het waagstuk is volbracht.Twee branders hebben nu gelegenheid te naderen.—De eerste brander „De Susanna,” Kapitein Hendrik Esdre, komt moedig er op los. Zijn volk stoort zich niet aan de vijandelijke kogels, die om de ooren fluiten, doch deinst toch voor den ketting terug. Nu volgt de brander „Pro Patria” gekommandeerd door Kapitein Van de Rijn.Zal deze ook deinzen?„Vooruit! Vooruit!”Wat plonst daar in het water en schuift langs de vlotten, die aan zware ankers liggen, en den ketting dragen, in de diepte? Wat is dat? Het is de ketting, die, doorgezeild, den weg voor de heele Nederlandsche vloot opent.De „Pro Patria” hecht zich aan het Engelsche schip „Matthias”, dat spoedig vlam vat en weldra met eenen donderenden slag in de lucht springt.Van Brakel zet thans ook zijnen tocht voort en werpt zich met jeugdige geestdrift in eene sloep.Daar ligt de „Carolus Quintus,” een schip, dat ook eenigen tijd geleden ons door de Engelschen ontnomen is geworden.Met den degen in de vuist klimt de „Dolle” weer naar boven, valt de bemanning aan, overmeestert ze, hakt gaten in het schip en laat het brandende zinken.En nu nog de reus der Britsche vloot, de prachtige „Royal Charles” veroverd.Zou dat wel gaan, mannen? Bedenkt toch, dat....Wat gaan? Alles moet gaan vandaag! Vooruit! Vooruit!Het moedige waagstuk is reeds bedreven, en Vice-Admiraal De Liefde steekt er de Hollandsche vlag van uit.Daar nadert „De Agatha”, zoo heet het Admiraalsschip van Luitenant-Admiraal Van Ghent. Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten, bevindt zich daar aanboord, en ook hij beklimt het genomen Britsche Admiraalsschip, en op dien bodem schrijft hij aan de Hoog-Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden:„Op huiden heeft God Almachtig de wapenen van den Staat zoo goedertierenlijk gelieven te segenen, dat wij en alle d’ ingesetenen zijne Goddelyke Majesteyt over deszelfs Genade niet genoegsaem kunnen dancken.” Aan zijnen broeder, den Raadpensionaris, schreef hij: „Danckende God Almachtig, dat Hij door Zijne Goddelyke Voorsienigheyd den hoogmoed van de Engelsche Natie door de glorieuse wapenen van Uwe Hoogmogenden sodanigh ghelieft heeft te vernederen, dat wij niet konnen twyfelen of de vrede sal tot volkomen contentement van den Staet getroffen konnen worden.”Van Brakel scheen intusschen gezworen te hebben de held van den dag te zijn, en begon nu zijn geschut los tebranden op de forten, en deze leden zoo geweldig, dat de bezetting weldra op de vlucht sloeg.Maar langzamerhand werd het avond en het vernielingswerk werd gestaakt om den volgenden dag onder het onmiddellijk opperbevel van De Ruyter te worden voortgezet. De taak van den eersten dag was door Van Ghent en den Ruwaard Van Putten volbracht.Met eenen frisschen noord-oosten wind kwam bijna de geheele Nederlandsche vloot op den middag van den drieëntwintigsten Juni voor het kasteel Upnor, dat een hevig geschutvuur op onze schepen, die rustig en bedaard het anker lieten vallen, opende.Er kwam evenwel op onze vloot een oogenblik van aarzeling, zulk een klein oogenblik van wankelenden moed, op eene onverklaarbare wijze ontstaan, welke aan een moeielijk werk, dat op het punt staat met eenen schitterenden uitslag bekroond te worden, op eenmaal eene heel andere wending geeft en de verwachte glorierijke overwinning in eene volkomen nederlaag doet veranderen.Dat ontzettende oogenblik van wankelenden moed en van onverklaarbare aarzeling wordt door De Ruyter, die juist aangekomen is, gezien. Hij begrijpt er terstond het volle gewicht van en op Lievensz. toesnellende, roept hij dezen toe: „Bootsman, vlug, als de wind zoo vlug in de booten! Zet ze uit, terstond! Ik zelf ga mede, of alles, alles is verloren! Er zijn verkeerde bevelen gegeven! Vooruit!”„Mannen,” roept hij tot zijn volk, „ik ga er zelf op los. Vier booten uit!”„Goed, Admiraal,” antwoordden dezen en weldra liggen sterk bemande sloepen aan den valreep, waar De Ruyter juist langs af wil klimmen, als De Witt hem vraagt: „Waar dàt heen, Admiraal?”„Als ik mijn volk den weg niet wijs, Hoog-Edelmogende, dan is alles, alles verloren. Er is een bevel gegeven, datniet goed was of verkeerd begrepen is. Zie maar, er is wanorde, er is aarzeling!”„Ik ga met u,” zegt De Witt en stapt, tot groote ergernis van den „Barren Bruinvisch”, ook in de sloep.En vooruit gaat het nu, overal waar de moed der onzen dreigt te verflauwen en het gevaar het grootst is.„Mannen, daar komt Bestevaêr kijken of we het wel goed doen!” klinkt het dan, en aangevuurd door een: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” vatten ze den moed weer op, slaan den vijand terug, vernielen zijne schepen, steken ze inbrand en laten ze in de lucht vliegen.Daar valt men de „Royal Oak” aan. Het volk, aangevoerd door zijnen Kapitein Douglas, verdedigt zich woedend, doch, niet genoeg bijgestaan, gaat het op de vlucht.„Vlucht! vlucht! Kapitein,” zoo roepen zijne matrozen hem haastig toe.Douglas gaat bij den grooten mast staan en ziet de matrozen woedend aan.„Vlucht, vlucht dan toch, Kapitein!” smeeken zijne onderhoorigen hem bijna.„Gaat, lafaards en vlucht zelf! Het is nog nooit gezien, dat een Douglas, zonder last hiertoe te ontvangen, zijnen post verliet! Vlucht gij, ik blijf!”De dappere Engelschman blijft volharden en komt in de vlammen van zijn brandend schip om.De nederlaag der Engelschen was volkomen.Des Konings broeder, de Hertog van York,—de Admiraal der Engelsche vloot, Prins Robert, en Generaal Monk hadden, machteloos, aan den oever der rivier dat werk der vernieling moeten aanzien.Gansch Engeland beefde en sidderde.In Londen was alles in rep en roer! Men pakte zijne kostbaarste zaken bijeen en vlood er mede de poorten uit.Van straat tot straat, van plein tot plein, van gracht tot gracht, van bedelaarskluis tot koningswoning, klonkhet geroep van: „Vlucht, vlucht! De Hollanders komen! Duizenden soldaten zijn er aanboord om te landen! Vlucht! Vlucht!”Velen lachten die bange lieden echter in het aangezicht uit; want men begreep wel, dat dit niet gebeuren zou. Men liet de honderdtallen vluchten; de duizenden bleven; Engelands volk was niet laf. Het was slechts overvallen, en had een oogenblik gesidderd voor den Nederlandschen zeeleeuw, die brullend in het hart des lands gevallen was. Maar nu beefde het niet meer. Men vloog te wapen, en terwijl de vloot der overwinnaars in den nacht van den drie- op den vierentwintigsten Juni op de plaats der overwinning bleef om uit te rusten, verzamelden de Hertog van York en Generaal Monk aan den oever een leger van ruim twaalfduizend man.Maar ook de Nederlanders begrepen, dat ze hunne taak volbracht hadden, en dat er genoeg gedaan was om eenen Nederlander van later dagen met recht te doen zeggen:„Een landverrader om te koopen,Een weerloos eiland af te loopen,Is werk van lafaards, lafaards waard.Maar trotsche Britten te doen knielen,En Eng’lands keurvloot te vernielen,Is werk van mannen, mannen waard.”Den volgenden dag werden de ankers gelicht en statig zakte de Nederlandsche vloot de rivier af, als overwinningsteekenen, „The Unity” en „Royal Charles” mede voerende.Dat zagen de Engelschen daar van den oever aan. Ze wilden het wel beletten, maar konden het niet; want ze hadden geene schepen meer om de stoutmoedigen na te jagen.Hoe hun dat speet! Hoe het verlies van dat trotsche koningsschip hun aan het hart ging!Ware het verbrand, vernietigd, in de lucht gesprongen of gezonken, het zou niet zoo erg geweest zijn!Maar het als zegeteeken triomfantelijk weg te zien sleepennaar dat kleine land van kaasboeren en kruideniers, dat konden ze niet verkroppen!Dat deed de Engelsche dichter Andrew Marvel naar de pen grijpen en schrijven: „Die heilige kiel, de lust der oorlogsvloot, nu een buit, en de slaaf van eenen geringen overwinnaar.”1Weldra was onze vloot weer in volle zee en werden de twee prijzen naar het Vaderland gebracht.De onderhandelingen over den vrede werden nu met kracht voortgezet. Engeland zelf wilde dat, doch zoo lang het nog geen vrede was, bleef onze vloot kruisen om, òf nieuwe heldendaden te verrichten, òf den vijand te beletten zich te versterken, terwijl men zorgvuldig den mond van de Theems gesloten hield.Dit laatste was het geval; er werd niet meer gevochten.„Nog al niet naar den zin, oude jongen?” vroeg Engel op zekeren morgen aan Lievensz., die met een ontevreden gezicht naar het water stond te kijken.„Naar den zin, Jonker? Ik zou wel eens willen weten, wie het naar den zin kan hebben?” antwoordde Lievensz.„Wie? Wel, ik bijvoorbeeld!”„Dan zijt ge van eene andere makelij dan ik ben, Jonker! Het ergert me dag aan dag hier te liggen als mannekens, die in eene praam gezet moeten worden. Wat doen wij hier?”„Wat we hier doen? We laten de Londenaars honger lijden, opdat ze zooveel te harder om den vrede kunnen schreeuwen, en, als de Engelschen het wisten, wat we nog meer deden, dan....”„Maar, Jonker, wat doen we dan toch? Ik zie niemendal gebeuren, dan den Admiraal met zijne Officieren en zijn volk in de booten rondscharrelen, alsof ze spiering visschen.”„Spiering visschen, kom, Grootvadertje, dat weet ge stellig wel beter.”„Ik mag een doorgeschoten slipsteek zijn, als ik er wat van begrijp, Jonker!”„Welnu dan, ik zal het u zeggen, want gij moogt het wel weten. Vader laat hier het Koningsdiep en de heele kust peilen en in kaart brengen. Onze loodsen zullen dan in het vervolg hier even goed den weg weten, als bij Texel of op de Schelde.”De „Barre Bruinvisch” wreef de hand over het gerimpelde gelaat, doch zeide niets.„Nu, wat zegt gij ervan?” vroeg Engel.„Wat ik zeg, Jonker? Wat ik zeg?”„Ja, ja, wat ge zegt, vraag ik.”„Dat ik bemerk, dat ik oud begin te worden, en niet verder meer zien kan dan mijn neus lang is. Engel, uw Vader is nog meer dan een zeeheld! Hij is in alles een zeeman, dat is hij! Een man, die tegen duizend mannen opweegt.”„Welnu, doe dan dat leelijke gezicht weg, Grootvadertje!”„Neen, Jonker, dat kan ik niet! Nu zelfs nog minder dan anders! Die Heeren van de pen liggen nog overdwars in mijn vaarwater en nu meer dan ooit. Waarom zijn er van die dwarskijkers op de vloot om toe te zien of uw Vader zijnen plicht wel doet? Een man, zooals Michiel Adriaensz. De Ruyter is, doet altijd zijnen plicht. Maar, hoor ik daar niet schieten?”„Ja, dat is zoo. Het zou mij niet verwonderen, als er bericht uit Den Haag kwam, dat de vrede gesloten is,” antwoordde Engel, die goed geraden had.De Opperbevelhebber van ’s Lands vloot ontving de tijding dat den eenendertigsten Juli te Breda, tusschen Engeland en de Republiek der Vereenigde Nederlanden een vrede gesloten was, die, dank zij den tocht naar Chattam, voor ons land vrij voordeelig was.Thans kon de Nederlandsche vloot de havens weer opzoeken, doch door bijkomende omstandigheden, geschiedde dit toch eerst in October.Met groot gejuich werden de overwinnaars, de bewerkers van den vrede, ontvangen, en overal waar De Ruyter zich vertoonde, werd hij begroet met een blij geroep van „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”Zeker was het voor onzen dapperen Vlootvoogd streelend, zooveel eer te genieten; maar meer welkom waren hem de blijde gezichten zijner huisgenooten, die den Echtgenoot en Vader met blijdschap ontvingen. Want hoe goed Zeeman ook, toch was hij misschien nog beter Huisvader, die den gezelligen huiselijken haard boven alles liefhad.Dat de Algemeene Staten niet achterbleven om den Bevelhebber van ’s Lands vloot, en zelfs den matrozen belooningen uit te reiken, dat spreekt bijna vanzelf, waar iedereen onzen zonen der zee rechtmatige hulde bracht. Maar gedenkpenningen gaan eenmaal verloren, beschreven perkamenten verteren, steenen gedenkteekenen vallen in puin, gesproken woorden worden vergeten. „Doch,” zegt J. A. Brand, een van De Ruyters lofredenaars, „al werden al deze gedenkteekenen door den stroom des tijds verzwolgen, zoo zoude nog Engelands hoofdrivier, zoo lang zij hare golven zal zien voortrollen, den nakomeling, Neêrlands glorie en De Ruyters wapenroem herinneren.”1„That sacred keel, that pleasure-boat of war,Now a cheap spoil, and the mean victor’s slave.”↑
ACHTSTE HOOFDSTUK.Chattam.Wij verplaatsen ons wat vroeger op het smaldeel om het met eigen oogen te zien.Statig en langzaam was het smaldeel der Nederlandsche vloot Engelands schoonste en breedste rivier opgevaren.Het stond onder bevel van den Luitenant-Admiraal Van Ghent, aanboord van wiens Admiraalsschip „De Agatha” zich de Gecommitteerde van de Staten van Holland, Cornelis De Witt, bevond.En op die rivier, bij Chattam en Rochester, lagen de grootste Engelsche oorlogsschepen, tendeele afgetuigd, onder bescherming van de forten aan den oever der rivier.Die schepen moesten vernield, die forten tot zwijgen gebracht worden. Men was begonnen met de sterkte Sheerness op het eilandje Chepay, en dat was gelukt. Het smaldeel was reeds genaderd tot de rivier Medway, bij Rochester.Maar hoe verder te komen, daar de rivier met eenen ketting, die op geankerde vlotten lag, afgesloten was? Hoe zou men over dien ketting komen?Wie? Op „De Agatha” zat een Kapitein, een NederlandschKapitein gevangen, omdat hij zich tegen het bevel van De Witt gedragen had.„Hoogmogende Heer,” zegt hij tot De Witt, „geef mij mijnen degen terug en daarbij het oudste schip der vloot. Laat mij goedmaken, wat ik misdreef, en het eerst de Engelschen vóór of over dien ketting aanvallen!”Het is de dappere, maar dolle Kapitein Van Brakel, die zoo spreekt.„Hier is uw degen, en daar is uw schip, Kapitein!” zegt De Witt en wijst hem Van Brakels eigen schip, „De Vrede”, aan.Daar snelt Van Brakel heen.„Hoezee!” roept het scheepsvolk, als het hem ziet. „Hoezee! Daar is onze oude baas weer!”„Ja, mannen,” roept Van Brakel, „ja, hier ben ik! Vooruit! Ons is de eer gegund van het eerst hier aan den dans te mogen gaan. Ziet ge daar dat koningsschip voor den ketting? Dat hebben die rabauwen vroeger van ons gekaapt. Het is de oude „Eendracht”! Vooruit, haalt de kaas terug, die de Roodrokken van je boterham gestolen hebben! Hoezee!”En donderend schreeuwt men hem na: „Vooruit! Hoezee!”Met fonkelende oogen ziet de bemanning van heel het smaldeel „De Vrede” na.Daar branden de batterijen van de kust op hem los en de schepen geven hem de volle laag.„Vooruit, mannen! Vooruit!” roept Van Brakel, en schudt de lange, grijze haren, als een leeuw zijne manen.Zijne mannen staan bij het geschut het teeken af te wachten om op hunne beurt los te branden.Tot op een musketschot afstands is men nu „The Unity”, zooals de Engelschen het schip gedoopt hebben, genaderd.„Vuur!” kommandeert Van Brakel, en zijne mannen branden los.Waaghals, dolle waaghals, waarheen met uw oud schip waarop Hollands vlag door de groote wolken van rook nauw zichtbaar is?„Hoezee! Voor Bestevaêr Michiel en het lieve Vaderland!” roept Van Brakel, niet denkende, dat Bestevaêr niet aan het hoofd der overwinning mag staan, maar in de verte ligt, als een lafaard, die anderen het spit laat afbijten, omdat hij zelf niet durft! Bestevaêr een lafaard! Cornelis De Witt de held, de man, die durft en kan!Of dergelijke gedachten als Lievensz. had en Kapitein Van Brakel op het oogenblik ook wel had, luide uitgesproken werden, zou ik niet durven bevestigen. Het zeevolk was echter grootendeels zeer Prinsgezind en zag met leedwezen, dat de dappere Tromp niet op de vloot was. Algemeen was men van oordeel, dat de partij van De Witt hem niet zoo zeer vanboord en buiten betrekking hield om zijnen twist met De Ruyter, als wel om zijne Prinsgezindheid. Daardoor kwamen De Witt en de zijnen, hoeveel ze ook gedaan hadden en nog deden om de Republiek der Vereenigde Nederlanden zulk eene macht te doen bereiken en zoo groot te maken, bij het zeevolk vooral in minachting. En toen nu Cornelis De Witt, omgeven door eene lijfwacht, als ware hij de Vorst van het land, aanboord der vloot kwam om het opperbevel te voeren, steeg de haat hoog, en als niet De Ruyter het voorbeeld van onderwerping gegeven had, dan zou het de vraag geweest zijn, of alles wel goed afgeloopen zou zijn. De Ruyter echter, hoewel het hem ook wel gegriefd zal hebben, diende met zulk eene onverstoorbare eerlijkheid zijn Vaderland en niet zichzelven, dat het niet in hem opkwam om door woord of daad te toonen, dat men hem in zijn gevoel van eigenwaarde kwetste.Doch keeren we nu tot den moedigen Van Brakel terug.Hij zeilt tot vlak voor den ketting in de onmiddellijke nabijheid van „The Unity.”„Valt aan, mannen, valt aan!” klinkt de machtige stem van den grijzen held.„Op, op, jongens! Voor den „Dolle”!” schreeuwt zijn volk, klampt zich aanboord van den Engelschman, palmt zich aan touwen, en alles wat maar hou-vast biedt, naar boven en ziet den „Dolle” hun het pad wijzen.Ze zijn er! Ze zijn er!„Hoezee! Hoezee!”Maar de Engelschen laten den eenmaal genomen buit niet zoo gemakkelijk glippen, en trachten te houden, wat ze hebben.„Vooruit! Vooruit! Niet sammelen! Valt aan!” klinkt Van Brakels luid kommando-woord weer, en onze mannen hem naschreeuwende, klauteren als katten tegen het schip op.Een groot aantal van hen is reeds aanboord. Men vecht met wat men vindt; want velen hebben, door hunne groote haast, de enterbijl laten vallen of vergeten.Daar wijkt de vijand!„Vooruit! Vooruit! Aan ons, wat ons eenmaal ontstolen werd! Hoezee!”De aanval is te sterk en de Engelschman, die den ketting moest verdedigen, geeft zich na een kort, doch woedend gevecht over. Het waagstuk is volbracht.Twee branders hebben nu gelegenheid te naderen.—De eerste brander „De Susanna,” Kapitein Hendrik Esdre, komt moedig er op los. Zijn volk stoort zich niet aan de vijandelijke kogels, die om de ooren fluiten, doch deinst toch voor den ketting terug. Nu volgt de brander „Pro Patria” gekommandeerd door Kapitein Van de Rijn.Zal deze ook deinzen?„Vooruit! Vooruit!”Wat plonst daar in het water en schuift langs de vlotten, die aan zware ankers liggen, en den ketting dragen, in de diepte? Wat is dat? Het is de ketting, die, doorgezeild, den weg voor de heele Nederlandsche vloot opent.De „Pro Patria” hecht zich aan het Engelsche schip „Matthias”, dat spoedig vlam vat en weldra met eenen donderenden slag in de lucht springt.Van Brakel zet thans ook zijnen tocht voort en werpt zich met jeugdige geestdrift in eene sloep.Daar ligt de „Carolus Quintus,” een schip, dat ook eenigen tijd geleden ons door de Engelschen ontnomen is geworden.Met den degen in de vuist klimt de „Dolle” weer naar boven, valt de bemanning aan, overmeestert ze, hakt gaten in het schip en laat het brandende zinken.En nu nog de reus der Britsche vloot, de prachtige „Royal Charles” veroverd.Zou dat wel gaan, mannen? Bedenkt toch, dat....Wat gaan? Alles moet gaan vandaag! Vooruit! Vooruit!Het moedige waagstuk is reeds bedreven, en Vice-Admiraal De Liefde steekt er de Hollandsche vlag van uit.Daar nadert „De Agatha”, zoo heet het Admiraalsschip van Luitenant-Admiraal Van Ghent. Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten, bevindt zich daar aanboord, en ook hij beklimt het genomen Britsche Admiraalsschip, en op dien bodem schrijft hij aan de Hoog-Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden:„Op huiden heeft God Almachtig de wapenen van den Staat zoo goedertierenlijk gelieven te segenen, dat wij en alle d’ ingesetenen zijne Goddelyke Majesteyt over deszelfs Genade niet genoegsaem kunnen dancken.” Aan zijnen broeder, den Raadpensionaris, schreef hij: „Danckende God Almachtig, dat Hij door Zijne Goddelyke Voorsienigheyd den hoogmoed van de Engelsche Natie door de glorieuse wapenen van Uwe Hoogmogenden sodanigh ghelieft heeft te vernederen, dat wij niet konnen twyfelen of de vrede sal tot volkomen contentement van den Staet getroffen konnen worden.”Van Brakel scheen intusschen gezworen te hebben de held van den dag te zijn, en begon nu zijn geschut los tebranden op de forten, en deze leden zoo geweldig, dat de bezetting weldra op de vlucht sloeg.Maar langzamerhand werd het avond en het vernielingswerk werd gestaakt om den volgenden dag onder het onmiddellijk opperbevel van De Ruyter te worden voortgezet. De taak van den eersten dag was door Van Ghent en den Ruwaard Van Putten volbracht.Met eenen frisschen noord-oosten wind kwam bijna de geheele Nederlandsche vloot op den middag van den drieëntwintigsten Juni voor het kasteel Upnor, dat een hevig geschutvuur op onze schepen, die rustig en bedaard het anker lieten vallen, opende.Er kwam evenwel op onze vloot een oogenblik van aarzeling, zulk een klein oogenblik van wankelenden moed, op eene onverklaarbare wijze ontstaan, welke aan een moeielijk werk, dat op het punt staat met eenen schitterenden uitslag bekroond te worden, op eenmaal eene heel andere wending geeft en de verwachte glorierijke overwinning in eene volkomen nederlaag doet veranderen.Dat ontzettende oogenblik van wankelenden moed en van onverklaarbare aarzeling wordt door De Ruyter, die juist aangekomen is, gezien. Hij begrijpt er terstond het volle gewicht van en op Lievensz. toesnellende, roept hij dezen toe: „Bootsman, vlug, als de wind zoo vlug in de booten! Zet ze uit, terstond! Ik zelf ga mede, of alles, alles is verloren! Er zijn verkeerde bevelen gegeven! Vooruit!”„Mannen,” roept hij tot zijn volk, „ik ga er zelf op los. Vier booten uit!”„Goed, Admiraal,” antwoordden dezen en weldra liggen sterk bemande sloepen aan den valreep, waar De Ruyter juist langs af wil klimmen, als De Witt hem vraagt: „Waar dàt heen, Admiraal?”„Als ik mijn volk den weg niet wijs, Hoog-Edelmogende, dan is alles, alles verloren. Er is een bevel gegeven, datniet goed was of verkeerd begrepen is. Zie maar, er is wanorde, er is aarzeling!”„Ik ga met u,” zegt De Witt en stapt, tot groote ergernis van den „Barren Bruinvisch”, ook in de sloep.En vooruit gaat het nu, overal waar de moed der onzen dreigt te verflauwen en het gevaar het grootst is.„Mannen, daar komt Bestevaêr kijken of we het wel goed doen!” klinkt het dan, en aangevuurd door een: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” vatten ze den moed weer op, slaan den vijand terug, vernielen zijne schepen, steken ze inbrand en laten ze in de lucht vliegen.Daar valt men de „Royal Oak” aan. Het volk, aangevoerd door zijnen Kapitein Douglas, verdedigt zich woedend, doch, niet genoeg bijgestaan, gaat het op de vlucht.„Vlucht! vlucht! Kapitein,” zoo roepen zijne matrozen hem haastig toe.Douglas gaat bij den grooten mast staan en ziet de matrozen woedend aan.„Vlucht, vlucht dan toch, Kapitein!” smeeken zijne onderhoorigen hem bijna.„Gaat, lafaards en vlucht zelf! Het is nog nooit gezien, dat een Douglas, zonder last hiertoe te ontvangen, zijnen post verliet! Vlucht gij, ik blijf!”De dappere Engelschman blijft volharden en komt in de vlammen van zijn brandend schip om.De nederlaag der Engelschen was volkomen.Des Konings broeder, de Hertog van York,—de Admiraal der Engelsche vloot, Prins Robert, en Generaal Monk hadden, machteloos, aan den oever der rivier dat werk der vernieling moeten aanzien.Gansch Engeland beefde en sidderde.In Londen was alles in rep en roer! Men pakte zijne kostbaarste zaken bijeen en vlood er mede de poorten uit.Van straat tot straat, van plein tot plein, van gracht tot gracht, van bedelaarskluis tot koningswoning, klonkhet geroep van: „Vlucht, vlucht! De Hollanders komen! Duizenden soldaten zijn er aanboord om te landen! Vlucht! Vlucht!”Velen lachten die bange lieden echter in het aangezicht uit; want men begreep wel, dat dit niet gebeuren zou. Men liet de honderdtallen vluchten; de duizenden bleven; Engelands volk was niet laf. Het was slechts overvallen, en had een oogenblik gesidderd voor den Nederlandschen zeeleeuw, die brullend in het hart des lands gevallen was. Maar nu beefde het niet meer. Men vloog te wapen, en terwijl de vloot der overwinnaars in den nacht van den drie- op den vierentwintigsten Juni op de plaats der overwinning bleef om uit te rusten, verzamelden de Hertog van York en Generaal Monk aan den oever een leger van ruim twaalfduizend man.Maar ook de Nederlanders begrepen, dat ze hunne taak volbracht hadden, en dat er genoeg gedaan was om eenen Nederlander van later dagen met recht te doen zeggen:„Een landverrader om te koopen,Een weerloos eiland af te loopen,Is werk van lafaards, lafaards waard.Maar trotsche Britten te doen knielen,En Eng’lands keurvloot te vernielen,Is werk van mannen, mannen waard.”Den volgenden dag werden de ankers gelicht en statig zakte de Nederlandsche vloot de rivier af, als overwinningsteekenen, „The Unity” en „Royal Charles” mede voerende.Dat zagen de Engelschen daar van den oever aan. Ze wilden het wel beletten, maar konden het niet; want ze hadden geene schepen meer om de stoutmoedigen na te jagen.Hoe hun dat speet! Hoe het verlies van dat trotsche koningsschip hun aan het hart ging!Ware het verbrand, vernietigd, in de lucht gesprongen of gezonken, het zou niet zoo erg geweest zijn!Maar het als zegeteeken triomfantelijk weg te zien sleepennaar dat kleine land van kaasboeren en kruideniers, dat konden ze niet verkroppen!Dat deed de Engelsche dichter Andrew Marvel naar de pen grijpen en schrijven: „Die heilige kiel, de lust der oorlogsvloot, nu een buit, en de slaaf van eenen geringen overwinnaar.”1Weldra was onze vloot weer in volle zee en werden de twee prijzen naar het Vaderland gebracht.De onderhandelingen over den vrede werden nu met kracht voortgezet. Engeland zelf wilde dat, doch zoo lang het nog geen vrede was, bleef onze vloot kruisen om, òf nieuwe heldendaden te verrichten, òf den vijand te beletten zich te versterken, terwijl men zorgvuldig den mond van de Theems gesloten hield.Dit laatste was het geval; er werd niet meer gevochten.„Nog al niet naar den zin, oude jongen?” vroeg Engel op zekeren morgen aan Lievensz., die met een ontevreden gezicht naar het water stond te kijken.„Naar den zin, Jonker? Ik zou wel eens willen weten, wie het naar den zin kan hebben?” antwoordde Lievensz.„Wie? Wel, ik bijvoorbeeld!”„Dan zijt ge van eene andere makelij dan ik ben, Jonker! Het ergert me dag aan dag hier te liggen als mannekens, die in eene praam gezet moeten worden. Wat doen wij hier?”„Wat we hier doen? We laten de Londenaars honger lijden, opdat ze zooveel te harder om den vrede kunnen schreeuwen, en, als de Engelschen het wisten, wat we nog meer deden, dan....”„Maar, Jonker, wat doen we dan toch? Ik zie niemendal gebeuren, dan den Admiraal met zijne Officieren en zijn volk in de booten rondscharrelen, alsof ze spiering visschen.”„Spiering visschen, kom, Grootvadertje, dat weet ge stellig wel beter.”„Ik mag een doorgeschoten slipsteek zijn, als ik er wat van begrijp, Jonker!”„Welnu dan, ik zal het u zeggen, want gij moogt het wel weten. Vader laat hier het Koningsdiep en de heele kust peilen en in kaart brengen. Onze loodsen zullen dan in het vervolg hier even goed den weg weten, als bij Texel of op de Schelde.”De „Barre Bruinvisch” wreef de hand over het gerimpelde gelaat, doch zeide niets.„Nu, wat zegt gij ervan?” vroeg Engel.„Wat ik zeg, Jonker? Wat ik zeg?”„Ja, ja, wat ge zegt, vraag ik.”„Dat ik bemerk, dat ik oud begin te worden, en niet verder meer zien kan dan mijn neus lang is. Engel, uw Vader is nog meer dan een zeeheld! Hij is in alles een zeeman, dat is hij! Een man, die tegen duizend mannen opweegt.”„Welnu, doe dan dat leelijke gezicht weg, Grootvadertje!”„Neen, Jonker, dat kan ik niet! Nu zelfs nog minder dan anders! Die Heeren van de pen liggen nog overdwars in mijn vaarwater en nu meer dan ooit. Waarom zijn er van die dwarskijkers op de vloot om toe te zien of uw Vader zijnen plicht wel doet? Een man, zooals Michiel Adriaensz. De Ruyter is, doet altijd zijnen plicht. Maar, hoor ik daar niet schieten?”„Ja, dat is zoo. Het zou mij niet verwonderen, als er bericht uit Den Haag kwam, dat de vrede gesloten is,” antwoordde Engel, die goed geraden had.De Opperbevelhebber van ’s Lands vloot ontving de tijding dat den eenendertigsten Juli te Breda, tusschen Engeland en de Republiek der Vereenigde Nederlanden een vrede gesloten was, die, dank zij den tocht naar Chattam, voor ons land vrij voordeelig was.Thans kon de Nederlandsche vloot de havens weer opzoeken, doch door bijkomende omstandigheden, geschiedde dit toch eerst in October.Met groot gejuich werden de overwinnaars, de bewerkers van den vrede, ontvangen, en overal waar De Ruyter zich vertoonde, werd hij begroet met een blij geroep van „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”Zeker was het voor onzen dapperen Vlootvoogd streelend, zooveel eer te genieten; maar meer welkom waren hem de blijde gezichten zijner huisgenooten, die den Echtgenoot en Vader met blijdschap ontvingen. Want hoe goed Zeeman ook, toch was hij misschien nog beter Huisvader, die den gezelligen huiselijken haard boven alles liefhad.Dat de Algemeene Staten niet achterbleven om den Bevelhebber van ’s Lands vloot, en zelfs den matrozen belooningen uit te reiken, dat spreekt bijna vanzelf, waar iedereen onzen zonen der zee rechtmatige hulde bracht. Maar gedenkpenningen gaan eenmaal verloren, beschreven perkamenten verteren, steenen gedenkteekenen vallen in puin, gesproken woorden worden vergeten. „Doch,” zegt J. A. Brand, een van De Ruyters lofredenaars, „al werden al deze gedenkteekenen door den stroom des tijds verzwolgen, zoo zoude nog Engelands hoofdrivier, zoo lang zij hare golven zal zien voortrollen, den nakomeling, Neêrlands glorie en De Ruyters wapenroem herinneren.”1„That sacred keel, that pleasure-boat of war,Now a cheap spoil, and the mean victor’s slave.”↑
ACHTSTE HOOFDSTUK.Chattam.Wij verplaatsen ons wat vroeger op het smaldeel om het met eigen oogen te zien.Statig en langzaam was het smaldeel der Nederlandsche vloot Engelands schoonste en breedste rivier opgevaren.Het stond onder bevel van den Luitenant-Admiraal Van Ghent, aanboord van wiens Admiraalsschip „De Agatha” zich de Gecommitteerde van de Staten van Holland, Cornelis De Witt, bevond.En op die rivier, bij Chattam en Rochester, lagen de grootste Engelsche oorlogsschepen, tendeele afgetuigd, onder bescherming van de forten aan den oever der rivier.Die schepen moesten vernield, die forten tot zwijgen gebracht worden. Men was begonnen met de sterkte Sheerness op het eilandje Chepay, en dat was gelukt. Het smaldeel was reeds genaderd tot de rivier Medway, bij Rochester.Maar hoe verder te komen, daar de rivier met eenen ketting, die op geankerde vlotten lag, afgesloten was? Hoe zou men over dien ketting komen?Wie? Op „De Agatha” zat een Kapitein, een NederlandschKapitein gevangen, omdat hij zich tegen het bevel van De Witt gedragen had.„Hoogmogende Heer,” zegt hij tot De Witt, „geef mij mijnen degen terug en daarbij het oudste schip der vloot. Laat mij goedmaken, wat ik misdreef, en het eerst de Engelschen vóór of over dien ketting aanvallen!”Het is de dappere, maar dolle Kapitein Van Brakel, die zoo spreekt.„Hier is uw degen, en daar is uw schip, Kapitein!” zegt De Witt en wijst hem Van Brakels eigen schip, „De Vrede”, aan.Daar snelt Van Brakel heen.„Hoezee!” roept het scheepsvolk, als het hem ziet. „Hoezee! Daar is onze oude baas weer!”„Ja, mannen,” roept Van Brakel, „ja, hier ben ik! Vooruit! Ons is de eer gegund van het eerst hier aan den dans te mogen gaan. Ziet ge daar dat koningsschip voor den ketting? Dat hebben die rabauwen vroeger van ons gekaapt. Het is de oude „Eendracht”! Vooruit, haalt de kaas terug, die de Roodrokken van je boterham gestolen hebben! Hoezee!”En donderend schreeuwt men hem na: „Vooruit! Hoezee!”Met fonkelende oogen ziet de bemanning van heel het smaldeel „De Vrede” na.Daar branden de batterijen van de kust op hem los en de schepen geven hem de volle laag.„Vooruit, mannen! Vooruit!” roept Van Brakel, en schudt de lange, grijze haren, als een leeuw zijne manen.Zijne mannen staan bij het geschut het teeken af te wachten om op hunne beurt los te branden.Tot op een musketschot afstands is men nu „The Unity”, zooals de Engelschen het schip gedoopt hebben, genaderd.„Vuur!” kommandeert Van Brakel, en zijne mannen branden los.Waaghals, dolle waaghals, waarheen met uw oud schip waarop Hollands vlag door de groote wolken van rook nauw zichtbaar is?„Hoezee! Voor Bestevaêr Michiel en het lieve Vaderland!” roept Van Brakel, niet denkende, dat Bestevaêr niet aan het hoofd der overwinning mag staan, maar in de verte ligt, als een lafaard, die anderen het spit laat afbijten, omdat hij zelf niet durft! Bestevaêr een lafaard! Cornelis De Witt de held, de man, die durft en kan!Of dergelijke gedachten als Lievensz. had en Kapitein Van Brakel op het oogenblik ook wel had, luide uitgesproken werden, zou ik niet durven bevestigen. Het zeevolk was echter grootendeels zeer Prinsgezind en zag met leedwezen, dat de dappere Tromp niet op de vloot was. Algemeen was men van oordeel, dat de partij van De Witt hem niet zoo zeer vanboord en buiten betrekking hield om zijnen twist met De Ruyter, als wel om zijne Prinsgezindheid. Daardoor kwamen De Witt en de zijnen, hoeveel ze ook gedaan hadden en nog deden om de Republiek der Vereenigde Nederlanden zulk eene macht te doen bereiken en zoo groot te maken, bij het zeevolk vooral in minachting. En toen nu Cornelis De Witt, omgeven door eene lijfwacht, als ware hij de Vorst van het land, aanboord der vloot kwam om het opperbevel te voeren, steeg de haat hoog, en als niet De Ruyter het voorbeeld van onderwerping gegeven had, dan zou het de vraag geweest zijn, of alles wel goed afgeloopen zou zijn. De Ruyter echter, hoewel het hem ook wel gegriefd zal hebben, diende met zulk eene onverstoorbare eerlijkheid zijn Vaderland en niet zichzelven, dat het niet in hem opkwam om door woord of daad te toonen, dat men hem in zijn gevoel van eigenwaarde kwetste.Doch keeren we nu tot den moedigen Van Brakel terug.Hij zeilt tot vlak voor den ketting in de onmiddellijke nabijheid van „The Unity.”„Valt aan, mannen, valt aan!” klinkt de machtige stem van den grijzen held.„Op, op, jongens! Voor den „Dolle”!” schreeuwt zijn volk, klampt zich aanboord van den Engelschman, palmt zich aan touwen, en alles wat maar hou-vast biedt, naar boven en ziet den „Dolle” hun het pad wijzen.Ze zijn er! Ze zijn er!„Hoezee! Hoezee!”Maar de Engelschen laten den eenmaal genomen buit niet zoo gemakkelijk glippen, en trachten te houden, wat ze hebben.„Vooruit! Vooruit! Niet sammelen! Valt aan!” klinkt Van Brakels luid kommando-woord weer, en onze mannen hem naschreeuwende, klauteren als katten tegen het schip op.Een groot aantal van hen is reeds aanboord. Men vecht met wat men vindt; want velen hebben, door hunne groote haast, de enterbijl laten vallen of vergeten.Daar wijkt de vijand!„Vooruit! Vooruit! Aan ons, wat ons eenmaal ontstolen werd! Hoezee!”De aanval is te sterk en de Engelschman, die den ketting moest verdedigen, geeft zich na een kort, doch woedend gevecht over. Het waagstuk is volbracht.Twee branders hebben nu gelegenheid te naderen.—De eerste brander „De Susanna,” Kapitein Hendrik Esdre, komt moedig er op los. Zijn volk stoort zich niet aan de vijandelijke kogels, die om de ooren fluiten, doch deinst toch voor den ketting terug. Nu volgt de brander „Pro Patria” gekommandeerd door Kapitein Van de Rijn.Zal deze ook deinzen?„Vooruit! Vooruit!”Wat plonst daar in het water en schuift langs de vlotten, die aan zware ankers liggen, en den ketting dragen, in de diepte? Wat is dat? Het is de ketting, die, doorgezeild, den weg voor de heele Nederlandsche vloot opent.De „Pro Patria” hecht zich aan het Engelsche schip „Matthias”, dat spoedig vlam vat en weldra met eenen donderenden slag in de lucht springt.Van Brakel zet thans ook zijnen tocht voort en werpt zich met jeugdige geestdrift in eene sloep.Daar ligt de „Carolus Quintus,” een schip, dat ook eenigen tijd geleden ons door de Engelschen ontnomen is geworden.Met den degen in de vuist klimt de „Dolle” weer naar boven, valt de bemanning aan, overmeestert ze, hakt gaten in het schip en laat het brandende zinken.En nu nog de reus der Britsche vloot, de prachtige „Royal Charles” veroverd.Zou dat wel gaan, mannen? Bedenkt toch, dat....Wat gaan? Alles moet gaan vandaag! Vooruit! Vooruit!Het moedige waagstuk is reeds bedreven, en Vice-Admiraal De Liefde steekt er de Hollandsche vlag van uit.Daar nadert „De Agatha”, zoo heet het Admiraalsschip van Luitenant-Admiraal Van Ghent. Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten, bevindt zich daar aanboord, en ook hij beklimt het genomen Britsche Admiraalsschip, en op dien bodem schrijft hij aan de Hoog-Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden:„Op huiden heeft God Almachtig de wapenen van den Staat zoo goedertierenlijk gelieven te segenen, dat wij en alle d’ ingesetenen zijne Goddelyke Majesteyt over deszelfs Genade niet genoegsaem kunnen dancken.” Aan zijnen broeder, den Raadpensionaris, schreef hij: „Danckende God Almachtig, dat Hij door Zijne Goddelyke Voorsienigheyd den hoogmoed van de Engelsche Natie door de glorieuse wapenen van Uwe Hoogmogenden sodanigh ghelieft heeft te vernederen, dat wij niet konnen twyfelen of de vrede sal tot volkomen contentement van den Staet getroffen konnen worden.”Van Brakel scheen intusschen gezworen te hebben de held van den dag te zijn, en begon nu zijn geschut los tebranden op de forten, en deze leden zoo geweldig, dat de bezetting weldra op de vlucht sloeg.Maar langzamerhand werd het avond en het vernielingswerk werd gestaakt om den volgenden dag onder het onmiddellijk opperbevel van De Ruyter te worden voortgezet. De taak van den eersten dag was door Van Ghent en den Ruwaard Van Putten volbracht.Met eenen frisschen noord-oosten wind kwam bijna de geheele Nederlandsche vloot op den middag van den drieëntwintigsten Juni voor het kasteel Upnor, dat een hevig geschutvuur op onze schepen, die rustig en bedaard het anker lieten vallen, opende.Er kwam evenwel op onze vloot een oogenblik van aarzeling, zulk een klein oogenblik van wankelenden moed, op eene onverklaarbare wijze ontstaan, welke aan een moeielijk werk, dat op het punt staat met eenen schitterenden uitslag bekroond te worden, op eenmaal eene heel andere wending geeft en de verwachte glorierijke overwinning in eene volkomen nederlaag doet veranderen.Dat ontzettende oogenblik van wankelenden moed en van onverklaarbare aarzeling wordt door De Ruyter, die juist aangekomen is, gezien. Hij begrijpt er terstond het volle gewicht van en op Lievensz. toesnellende, roept hij dezen toe: „Bootsman, vlug, als de wind zoo vlug in de booten! Zet ze uit, terstond! Ik zelf ga mede, of alles, alles is verloren! Er zijn verkeerde bevelen gegeven! Vooruit!”„Mannen,” roept hij tot zijn volk, „ik ga er zelf op los. Vier booten uit!”„Goed, Admiraal,” antwoordden dezen en weldra liggen sterk bemande sloepen aan den valreep, waar De Ruyter juist langs af wil klimmen, als De Witt hem vraagt: „Waar dàt heen, Admiraal?”„Als ik mijn volk den weg niet wijs, Hoog-Edelmogende, dan is alles, alles verloren. Er is een bevel gegeven, datniet goed was of verkeerd begrepen is. Zie maar, er is wanorde, er is aarzeling!”„Ik ga met u,” zegt De Witt en stapt, tot groote ergernis van den „Barren Bruinvisch”, ook in de sloep.En vooruit gaat het nu, overal waar de moed der onzen dreigt te verflauwen en het gevaar het grootst is.„Mannen, daar komt Bestevaêr kijken of we het wel goed doen!” klinkt het dan, en aangevuurd door een: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” vatten ze den moed weer op, slaan den vijand terug, vernielen zijne schepen, steken ze inbrand en laten ze in de lucht vliegen.Daar valt men de „Royal Oak” aan. Het volk, aangevoerd door zijnen Kapitein Douglas, verdedigt zich woedend, doch, niet genoeg bijgestaan, gaat het op de vlucht.„Vlucht! vlucht! Kapitein,” zoo roepen zijne matrozen hem haastig toe.Douglas gaat bij den grooten mast staan en ziet de matrozen woedend aan.„Vlucht, vlucht dan toch, Kapitein!” smeeken zijne onderhoorigen hem bijna.„Gaat, lafaards en vlucht zelf! Het is nog nooit gezien, dat een Douglas, zonder last hiertoe te ontvangen, zijnen post verliet! Vlucht gij, ik blijf!”De dappere Engelschman blijft volharden en komt in de vlammen van zijn brandend schip om.De nederlaag der Engelschen was volkomen.Des Konings broeder, de Hertog van York,—de Admiraal der Engelsche vloot, Prins Robert, en Generaal Monk hadden, machteloos, aan den oever der rivier dat werk der vernieling moeten aanzien.Gansch Engeland beefde en sidderde.In Londen was alles in rep en roer! Men pakte zijne kostbaarste zaken bijeen en vlood er mede de poorten uit.Van straat tot straat, van plein tot plein, van gracht tot gracht, van bedelaarskluis tot koningswoning, klonkhet geroep van: „Vlucht, vlucht! De Hollanders komen! Duizenden soldaten zijn er aanboord om te landen! Vlucht! Vlucht!”Velen lachten die bange lieden echter in het aangezicht uit; want men begreep wel, dat dit niet gebeuren zou. Men liet de honderdtallen vluchten; de duizenden bleven; Engelands volk was niet laf. Het was slechts overvallen, en had een oogenblik gesidderd voor den Nederlandschen zeeleeuw, die brullend in het hart des lands gevallen was. Maar nu beefde het niet meer. Men vloog te wapen, en terwijl de vloot der overwinnaars in den nacht van den drie- op den vierentwintigsten Juni op de plaats der overwinning bleef om uit te rusten, verzamelden de Hertog van York en Generaal Monk aan den oever een leger van ruim twaalfduizend man.Maar ook de Nederlanders begrepen, dat ze hunne taak volbracht hadden, en dat er genoeg gedaan was om eenen Nederlander van later dagen met recht te doen zeggen:„Een landverrader om te koopen,Een weerloos eiland af te loopen,Is werk van lafaards, lafaards waard.Maar trotsche Britten te doen knielen,En Eng’lands keurvloot te vernielen,Is werk van mannen, mannen waard.”Den volgenden dag werden de ankers gelicht en statig zakte de Nederlandsche vloot de rivier af, als overwinningsteekenen, „The Unity” en „Royal Charles” mede voerende.Dat zagen de Engelschen daar van den oever aan. Ze wilden het wel beletten, maar konden het niet; want ze hadden geene schepen meer om de stoutmoedigen na te jagen.Hoe hun dat speet! Hoe het verlies van dat trotsche koningsschip hun aan het hart ging!Ware het verbrand, vernietigd, in de lucht gesprongen of gezonken, het zou niet zoo erg geweest zijn!Maar het als zegeteeken triomfantelijk weg te zien sleepennaar dat kleine land van kaasboeren en kruideniers, dat konden ze niet verkroppen!Dat deed de Engelsche dichter Andrew Marvel naar de pen grijpen en schrijven: „Die heilige kiel, de lust der oorlogsvloot, nu een buit, en de slaaf van eenen geringen overwinnaar.”1Weldra was onze vloot weer in volle zee en werden de twee prijzen naar het Vaderland gebracht.De onderhandelingen over den vrede werden nu met kracht voortgezet. Engeland zelf wilde dat, doch zoo lang het nog geen vrede was, bleef onze vloot kruisen om, òf nieuwe heldendaden te verrichten, òf den vijand te beletten zich te versterken, terwijl men zorgvuldig den mond van de Theems gesloten hield.Dit laatste was het geval; er werd niet meer gevochten.„Nog al niet naar den zin, oude jongen?” vroeg Engel op zekeren morgen aan Lievensz., die met een ontevreden gezicht naar het water stond te kijken.„Naar den zin, Jonker? Ik zou wel eens willen weten, wie het naar den zin kan hebben?” antwoordde Lievensz.„Wie? Wel, ik bijvoorbeeld!”„Dan zijt ge van eene andere makelij dan ik ben, Jonker! Het ergert me dag aan dag hier te liggen als mannekens, die in eene praam gezet moeten worden. Wat doen wij hier?”„Wat we hier doen? We laten de Londenaars honger lijden, opdat ze zooveel te harder om den vrede kunnen schreeuwen, en, als de Engelschen het wisten, wat we nog meer deden, dan....”„Maar, Jonker, wat doen we dan toch? Ik zie niemendal gebeuren, dan den Admiraal met zijne Officieren en zijn volk in de booten rondscharrelen, alsof ze spiering visschen.”„Spiering visschen, kom, Grootvadertje, dat weet ge stellig wel beter.”„Ik mag een doorgeschoten slipsteek zijn, als ik er wat van begrijp, Jonker!”„Welnu dan, ik zal het u zeggen, want gij moogt het wel weten. Vader laat hier het Koningsdiep en de heele kust peilen en in kaart brengen. Onze loodsen zullen dan in het vervolg hier even goed den weg weten, als bij Texel of op de Schelde.”De „Barre Bruinvisch” wreef de hand over het gerimpelde gelaat, doch zeide niets.„Nu, wat zegt gij ervan?” vroeg Engel.„Wat ik zeg, Jonker? Wat ik zeg?”„Ja, ja, wat ge zegt, vraag ik.”„Dat ik bemerk, dat ik oud begin te worden, en niet verder meer zien kan dan mijn neus lang is. Engel, uw Vader is nog meer dan een zeeheld! Hij is in alles een zeeman, dat is hij! Een man, die tegen duizend mannen opweegt.”„Welnu, doe dan dat leelijke gezicht weg, Grootvadertje!”„Neen, Jonker, dat kan ik niet! Nu zelfs nog minder dan anders! Die Heeren van de pen liggen nog overdwars in mijn vaarwater en nu meer dan ooit. Waarom zijn er van die dwarskijkers op de vloot om toe te zien of uw Vader zijnen plicht wel doet? Een man, zooals Michiel Adriaensz. De Ruyter is, doet altijd zijnen plicht. Maar, hoor ik daar niet schieten?”„Ja, dat is zoo. Het zou mij niet verwonderen, als er bericht uit Den Haag kwam, dat de vrede gesloten is,” antwoordde Engel, die goed geraden had.De Opperbevelhebber van ’s Lands vloot ontving de tijding dat den eenendertigsten Juli te Breda, tusschen Engeland en de Republiek der Vereenigde Nederlanden een vrede gesloten was, die, dank zij den tocht naar Chattam, voor ons land vrij voordeelig was.Thans kon de Nederlandsche vloot de havens weer opzoeken, doch door bijkomende omstandigheden, geschiedde dit toch eerst in October.Met groot gejuich werden de overwinnaars, de bewerkers van den vrede, ontvangen, en overal waar De Ruyter zich vertoonde, werd hij begroet met een blij geroep van „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”Zeker was het voor onzen dapperen Vlootvoogd streelend, zooveel eer te genieten; maar meer welkom waren hem de blijde gezichten zijner huisgenooten, die den Echtgenoot en Vader met blijdschap ontvingen. Want hoe goed Zeeman ook, toch was hij misschien nog beter Huisvader, die den gezelligen huiselijken haard boven alles liefhad.Dat de Algemeene Staten niet achterbleven om den Bevelhebber van ’s Lands vloot, en zelfs den matrozen belooningen uit te reiken, dat spreekt bijna vanzelf, waar iedereen onzen zonen der zee rechtmatige hulde bracht. Maar gedenkpenningen gaan eenmaal verloren, beschreven perkamenten verteren, steenen gedenkteekenen vallen in puin, gesproken woorden worden vergeten. „Doch,” zegt J. A. Brand, een van De Ruyters lofredenaars, „al werden al deze gedenkteekenen door den stroom des tijds verzwolgen, zoo zoude nog Engelands hoofdrivier, zoo lang zij hare golven zal zien voortrollen, den nakomeling, Neêrlands glorie en De Ruyters wapenroem herinneren.”1„That sacred keel, that pleasure-boat of war,Now a cheap spoil, and the mean victor’s slave.”↑
ACHTSTE HOOFDSTUK.Chattam.
Wij verplaatsen ons wat vroeger op het smaldeel om het met eigen oogen te zien.Statig en langzaam was het smaldeel der Nederlandsche vloot Engelands schoonste en breedste rivier opgevaren.Het stond onder bevel van den Luitenant-Admiraal Van Ghent, aanboord van wiens Admiraalsschip „De Agatha” zich de Gecommitteerde van de Staten van Holland, Cornelis De Witt, bevond.En op die rivier, bij Chattam en Rochester, lagen de grootste Engelsche oorlogsschepen, tendeele afgetuigd, onder bescherming van de forten aan den oever der rivier.Die schepen moesten vernield, die forten tot zwijgen gebracht worden. Men was begonnen met de sterkte Sheerness op het eilandje Chepay, en dat was gelukt. Het smaldeel was reeds genaderd tot de rivier Medway, bij Rochester.Maar hoe verder te komen, daar de rivier met eenen ketting, die op geankerde vlotten lag, afgesloten was? Hoe zou men over dien ketting komen?Wie? Op „De Agatha” zat een Kapitein, een NederlandschKapitein gevangen, omdat hij zich tegen het bevel van De Witt gedragen had.„Hoogmogende Heer,” zegt hij tot De Witt, „geef mij mijnen degen terug en daarbij het oudste schip der vloot. Laat mij goedmaken, wat ik misdreef, en het eerst de Engelschen vóór of over dien ketting aanvallen!”Het is de dappere, maar dolle Kapitein Van Brakel, die zoo spreekt.„Hier is uw degen, en daar is uw schip, Kapitein!” zegt De Witt en wijst hem Van Brakels eigen schip, „De Vrede”, aan.Daar snelt Van Brakel heen.„Hoezee!” roept het scheepsvolk, als het hem ziet. „Hoezee! Daar is onze oude baas weer!”„Ja, mannen,” roept Van Brakel, „ja, hier ben ik! Vooruit! Ons is de eer gegund van het eerst hier aan den dans te mogen gaan. Ziet ge daar dat koningsschip voor den ketting? Dat hebben die rabauwen vroeger van ons gekaapt. Het is de oude „Eendracht”! Vooruit, haalt de kaas terug, die de Roodrokken van je boterham gestolen hebben! Hoezee!”En donderend schreeuwt men hem na: „Vooruit! Hoezee!”Met fonkelende oogen ziet de bemanning van heel het smaldeel „De Vrede” na.Daar branden de batterijen van de kust op hem los en de schepen geven hem de volle laag.„Vooruit, mannen! Vooruit!” roept Van Brakel, en schudt de lange, grijze haren, als een leeuw zijne manen.Zijne mannen staan bij het geschut het teeken af te wachten om op hunne beurt los te branden.Tot op een musketschot afstands is men nu „The Unity”, zooals de Engelschen het schip gedoopt hebben, genaderd.„Vuur!” kommandeert Van Brakel, en zijne mannen branden los.Waaghals, dolle waaghals, waarheen met uw oud schip waarop Hollands vlag door de groote wolken van rook nauw zichtbaar is?„Hoezee! Voor Bestevaêr Michiel en het lieve Vaderland!” roept Van Brakel, niet denkende, dat Bestevaêr niet aan het hoofd der overwinning mag staan, maar in de verte ligt, als een lafaard, die anderen het spit laat afbijten, omdat hij zelf niet durft! Bestevaêr een lafaard! Cornelis De Witt de held, de man, die durft en kan!Of dergelijke gedachten als Lievensz. had en Kapitein Van Brakel op het oogenblik ook wel had, luide uitgesproken werden, zou ik niet durven bevestigen. Het zeevolk was echter grootendeels zeer Prinsgezind en zag met leedwezen, dat de dappere Tromp niet op de vloot was. Algemeen was men van oordeel, dat de partij van De Witt hem niet zoo zeer vanboord en buiten betrekking hield om zijnen twist met De Ruyter, als wel om zijne Prinsgezindheid. Daardoor kwamen De Witt en de zijnen, hoeveel ze ook gedaan hadden en nog deden om de Republiek der Vereenigde Nederlanden zulk eene macht te doen bereiken en zoo groot te maken, bij het zeevolk vooral in minachting. En toen nu Cornelis De Witt, omgeven door eene lijfwacht, als ware hij de Vorst van het land, aanboord der vloot kwam om het opperbevel te voeren, steeg de haat hoog, en als niet De Ruyter het voorbeeld van onderwerping gegeven had, dan zou het de vraag geweest zijn, of alles wel goed afgeloopen zou zijn. De Ruyter echter, hoewel het hem ook wel gegriefd zal hebben, diende met zulk eene onverstoorbare eerlijkheid zijn Vaderland en niet zichzelven, dat het niet in hem opkwam om door woord of daad te toonen, dat men hem in zijn gevoel van eigenwaarde kwetste.Doch keeren we nu tot den moedigen Van Brakel terug.Hij zeilt tot vlak voor den ketting in de onmiddellijke nabijheid van „The Unity.”„Valt aan, mannen, valt aan!” klinkt de machtige stem van den grijzen held.„Op, op, jongens! Voor den „Dolle”!” schreeuwt zijn volk, klampt zich aanboord van den Engelschman, palmt zich aan touwen, en alles wat maar hou-vast biedt, naar boven en ziet den „Dolle” hun het pad wijzen.Ze zijn er! Ze zijn er!„Hoezee! Hoezee!”Maar de Engelschen laten den eenmaal genomen buit niet zoo gemakkelijk glippen, en trachten te houden, wat ze hebben.„Vooruit! Vooruit! Niet sammelen! Valt aan!” klinkt Van Brakels luid kommando-woord weer, en onze mannen hem naschreeuwende, klauteren als katten tegen het schip op.Een groot aantal van hen is reeds aanboord. Men vecht met wat men vindt; want velen hebben, door hunne groote haast, de enterbijl laten vallen of vergeten.Daar wijkt de vijand!„Vooruit! Vooruit! Aan ons, wat ons eenmaal ontstolen werd! Hoezee!”De aanval is te sterk en de Engelschman, die den ketting moest verdedigen, geeft zich na een kort, doch woedend gevecht over. Het waagstuk is volbracht.Twee branders hebben nu gelegenheid te naderen.—De eerste brander „De Susanna,” Kapitein Hendrik Esdre, komt moedig er op los. Zijn volk stoort zich niet aan de vijandelijke kogels, die om de ooren fluiten, doch deinst toch voor den ketting terug. Nu volgt de brander „Pro Patria” gekommandeerd door Kapitein Van de Rijn.Zal deze ook deinzen?„Vooruit! Vooruit!”Wat plonst daar in het water en schuift langs de vlotten, die aan zware ankers liggen, en den ketting dragen, in de diepte? Wat is dat? Het is de ketting, die, doorgezeild, den weg voor de heele Nederlandsche vloot opent.De „Pro Patria” hecht zich aan het Engelsche schip „Matthias”, dat spoedig vlam vat en weldra met eenen donderenden slag in de lucht springt.Van Brakel zet thans ook zijnen tocht voort en werpt zich met jeugdige geestdrift in eene sloep.Daar ligt de „Carolus Quintus,” een schip, dat ook eenigen tijd geleden ons door de Engelschen ontnomen is geworden.Met den degen in de vuist klimt de „Dolle” weer naar boven, valt de bemanning aan, overmeestert ze, hakt gaten in het schip en laat het brandende zinken.En nu nog de reus der Britsche vloot, de prachtige „Royal Charles” veroverd.Zou dat wel gaan, mannen? Bedenkt toch, dat....Wat gaan? Alles moet gaan vandaag! Vooruit! Vooruit!Het moedige waagstuk is reeds bedreven, en Vice-Admiraal De Liefde steekt er de Hollandsche vlag van uit.Daar nadert „De Agatha”, zoo heet het Admiraalsschip van Luitenant-Admiraal Van Ghent. Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten, bevindt zich daar aanboord, en ook hij beklimt het genomen Britsche Admiraalsschip, en op dien bodem schrijft hij aan de Hoog-Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden:„Op huiden heeft God Almachtig de wapenen van den Staat zoo goedertierenlijk gelieven te segenen, dat wij en alle d’ ingesetenen zijne Goddelyke Majesteyt over deszelfs Genade niet genoegsaem kunnen dancken.” Aan zijnen broeder, den Raadpensionaris, schreef hij: „Danckende God Almachtig, dat Hij door Zijne Goddelyke Voorsienigheyd den hoogmoed van de Engelsche Natie door de glorieuse wapenen van Uwe Hoogmogenden sodanigh ghelieft heeft te vernederen, dat wij niet konnen twyfelen of de vrede sal tot volkomen contentement van den Staet getroffen konnen worden.”Van Brakel scheen intusschen gezworen te hebben de held van den dag te zijn, en begon nu zijn geschut los tebranden op de forten, en deze leden zoo geweldig, dat de bezetting weldra op de vlucht sloeg.Maar langzamerhand werd het avond en het vernielingswerk werd gestaakt om den volgenden dag onder het onmiddellijk opperbevel van De Ruyter te worden voortgezet. De taak van den eersten dag was door Van Ghent en den Ruwaard Van Putten volbracht.Met eenen frisschen noord-oosten wind kwam bijna de geheele Nederlandsche vloot op den middag van den drieëntwintigsten Juni voor het kasteel Upnor, dat een hevig geschutvuur op onze schepen, die rustig en bedaard het anker lieten vallen, opende.Er kwam evenwel op onze vloot een oogenblik van aarzeling, zulk een klein oogenblik van wankelenden moed, op eene onverklaarbare wijze ontstaan, welke aan een moeielijk werk, dat op het punt staat met eenen schitterenden uitslag bekroond te worden, op eenmaal eene heel andere wending geeft en de verwachte glorierijke overwinning in eene volkomen nederlaag doet veranderen.Dat ontzettende oogenblik van wankelenden moed en van onverklaarbare aarzeling wordt door De Ruyter, die juist aangekomen is, gezien. Hij begrijpt er terstond het volle gewicht van en op Lievensz. toesnellende, roept hij dezen toe: „Bootsman, vlug, als de wind zoo vlug in de booten! Zet ze uit, terstond! Ik zelf ga mede, of alles, alles is verloren! Er zijn verkeerde bevelen gegeven! Vooruit!”„Mannen,” roept hij tot zijn volk, „ik ga er zelf op los. Vier booten uit!”„Goed, Admiraal,” antwoordden dezen en weldra liggen sterk bemande sloepen aan den valreep, waar De Ruyter juist langs af wil klimmen, als De Witt hem vraagt: „Waar dàt heen, Admiraal?”„Als ik mijn volk den weg niet wijs, Hoog-Edelmogende, dan is alles, alles verloren. Er is een bevel gegeven, datniet goed was of verkeerd begrepen is. Zie maar, er is wanorde, er is aarzeling!”„Ik ga met u,” zegt De Witt en stapt, tot groote ergernis van den „Barren Bruinvisch”, ook in de sloep.En vooruit gaat het nu, overal waar de moed der onzen dreigt te verflauwen en het gevaar het grootst is.„Mannen, daar komt Bestevaêr kijken of we het wel goed doen!” klinkt het dan, en aangevuurd door een: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” vatten ze den moed weer op, slaan den vijand terug, vernielen zijne schepen, steken ze inbrand en laten ze in de lucht vliegen.Daar valt men de „Royal Oak” aan. Het volk, aangevoerd door zijnen Kapitein Douglas, verdedigt zich woedend, doch, niet genoeg bijgestaan, gaat het op de vlucht.„Vlucht! vlucht! Kapitein,” zoo roepen zijne matrozen hem haastig toe.Douglas gaat bij den grooten mast staan en ziet de matrozen woedend aan.„Vlucht, vlucht dan toch, Kapitein!” smeeken zijne onderhoorigen hem bijna.„Gaat, lafaards en vlucht zelf! Het is nog nooit gezien, dat een Douglas, zonder last hiertoe te ontvangen, zijnen post verliet! Vlucht gij, ik blijf!”De dappere Engelschman blijft volharden en komt in de vlammen van zijn brandend schip om.De nederlaag der Engelschen was volkomen.Des Konings broeder, de Hertog van York,—de Admiraal der Engelsche vloot, Prins Robert, en Generaal Monk hadden, machteloos, aan den oever der rivier dat werk der vernieling moeten aanzien.Gansch Engeland beefde en sidderde.In Londen was alles in rep en roer! Men pakte zijne kostbaarste zaken bijeen en vlood er mede de poorten uit.Van straat tot straat, van plein tot plein, van gracht tot gracht, van bedelaarskluis tot koningswoning, klonkhet geroep van: „Vlucht, vlucht! De Hollanders komen! Duizenden soldaten zijn er aanboord om te landen! Vlucht! Vlucht!”Velen lachten die bange lieden echter in het aangezicht uit; want men begreep wel, dat dit niet gebeuren zou. Men liet de honderdtallen vluchten; de duizenden bleven; Engelands volk was niet laf. Het was slechts overvallen, en had een oogenblik gesidderd voor den Nederlandschen zeeleeuw, die brullend in het hart des lands gevallen was. Maar nu beefde het niet meer. Men vloog te wapen, en terwijl de vloot der overwinnaars in den nacht van den drie- op den vierentwintigsten Juni op de plaats der overwinning bleef om uit te rusten, verzamelden de Hertog van York en Generaal Monk aan den oever een leger van ruim twaalfduizend man.Maar ook de Nederlanders begrepen, dat ze hunne taak volbracht hadden, en dat er genoeg gedaan was om eenen Nederlander van later dagen met recht te doen zeggen:„Een landverrader om te koopen,Een weerloos eiland af te loopen,Is werk van lafaards, lafaards waard.Maar trotsche Britten te doen knielen,En Eng’lands keurvloot te vernielen,Is werk van mannen, mannen waard.”Den volgenden dag werden de ankers gelicht en statig zakte de Nederlandsche vloot de rivier af, als overwinningsteekenen, „The Unity” en „Royal Charles” mede voerende.Dat zagen de Engelschen daar van den oever aan. Ze wilden het wel beletten, maar konden het niet; want ze hadden geene schepen meer om de stoutmoedigen na te jagen.Hoe hun dat speet! Hoe het verlies van dat trotsche koningsschip hun aan het hart ging!Ware het verbrand, vernietigd, in de lucht gesprongen of gezonken, het zou niet zoo erg geweest zijn!Maar het als zegeteeken triomfantelijk weg te zien sleepennaar dat kleine land van kaasboeren en kruideniers, dat konden ze niet verkroppen!Dat deed de Engelsche dichter Andrew Marvel naar de pen grijpen en schrijven: „Die heilige kiel, de lust der oorlogsvloot, nu een buit, en de slaaf van eenen geringen overwinnaar.”1Weldra was onze vloot weer in volle zee en werden de twee prijzen naar het Vaderland gebracht.De onderhandelingen over den vrede werden nu met kracht voortgezet. Engeland zelf wilde dat, doch zoo lang het nog geen vrede was, bleef onze vloot kruisen om, òf nieuwe heldendaden te verrichten, òf den vijand te beletten zich te versterken, terwijl men zorgvuldig den mond van de Theems gesloten hield.Dit laatste was het geval; er werd niet meer gevochten.„Nog al niet naar den zin, oude jongen?” vroeg Engel op zekeren morgen aan Lievensz., die met een ontevreden gezicht naar het water stond te kijken.„Naar den zin, Jonker? Ik zou wel eens willen weten, wie het naar den zin kan hebben?” antwoordde Lievensz.„Wie? Wel, ik bijvoorbeeld!”„Dan zijt ge van eene andere makelij dan ik ben, Jonker! Het ergert me dag aan dag hier te liggen als mannekens, die in eene praam gezet moeten worden. Wat doen wij hier?”„Wat we hier doen? We laten de Londenaars honger lijden, opdat ze zooveel te harder om den vrede kunnen schreeuwen, en, als de Engelschen het wisten, wat we nog meer deden, dan....”„Maar, Jonker, wat doen we dan toch? Ik zie niemendal gebeuren, dan den Admiraal met zijne Officieren en zijn volk in de booten rondscharrelen, alsof ze spiering visschen.”„Spiering visschen, kom, Grootvadertje, dat weet ge stellig wel beter.”„Ik mag een doorgeschoten slipsteek zijn, als ik er wat van begrijp, Jonker!”„Welnu dan, ik zal het u zeggen, want gij moogt het wel weten. Vader laat hier het Koningsdiep en de heele kust peilen en in kaart brengen. Onze loodsen zullen dan in het vervolg hier even goed den weg weten, als bij Texel of op de Schelde.”De „Barre Bruinvisch” wreef de hand over het gerimpelde gelaat, doch zeide niets.„Nu, wat zegt gij ervan?” vroeg Engel.„Wat ik zeg, Jonker? Wat ik zeg?”„Ja, ja, wat ge zegt, vraag ik.”„Dat ik bemerk, dat ik oud begin te worden, en niet verder meer zien kan dan mijn neus lang is. Engel, uw Vader is nog meer dan een zeeheld! Hij is in alles een zeeman, dat is hij! Een man, die tegen duizend mannen opweegt.”„Welnu, doe dan dat leelijke gezicht weg, Grootvadertje!”„Neen, Jonker, dat kan ik niet! Nu zelfs nog minder dan anders! Die Heeren van de pen liggen nog overdwars in mijn vaarwater en nu meer dan ooit. Waarom zijn er van die dwarskijkers op de vloot om toe te zien of uw Vader zijnen plicht wel doet? Een man, zooals Michiel Adriaensz. De Ruyter is, doet altijd zijnen plicht. Maar, hoor ik daar niet schieten?”„Ja, dat is zoo. Het zou mij niet verwonderen, als er bericht uit Den Haag kwam, dat de vrede gesloten is,” antwoordde Engel, die goed geraden had.De Opperbevelhebber van ’s Lands vloot ontving de tijding dat den eenendertigsten Juli te Breda, tusschen Engeland en de Republiek der Vereenigde Nederlanden een vrede gesloten was, die, dank zij den tocht naar Chattam, voor ons land vrij voordeelig was.Thans kon de Nederlandsche vloot de havens weer opzoeken, doch door bijkomende omstandigheden, geschiedde dit toch eerst in October.Met groot gejuich werden de overwinnaars, de bewerkers van den vrede, ontvangen, en overal waar De Ruyter zich vertoonde, werd hij begroet met een blij geroep van „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”Zeker was het voor onzen dapperen Vlootvoogd streelend, zooveel eer te genieten; maar meer welkom waren hem de blijde gezichten zijner huisgenooten, die den Echtgenoot en Vader met blijdschap ontvingen. Want hoe goed Zeeman ook, toch was hij misschien nog beter Huisvader, die den gezelligen huiselijken haard boven alles liefhad.Dat de Algemeene Staten niet achterbleven om den Bevelhebber van ’s Lands vloot, en zelfs den matrozen belooningen uit te reiken, dat spreekt bijna vanzelf, waar iedereen onzen zonen der zee rechtmatige hulde bracht. Maar gedenkpenningen gaan eenmaal verloren, beschreven perkamenten verteren, steenen gedenkteekenen vallen in puin, gesproken woorden worden vergeten. „Doch,” zegt J. A. Brand, een van De Ruyters lofredenaars, „al werden al deze gedenkteekenen door den stroom des tijds verzwolgen, zoo zoude nog Engelands hoofdrivier, zoo lang zij hare golven zal zien voortrollen, den nakomeling, Neêrlands glorie en De Ruyters wapenroem herinneren.”
Wij verplaatsen ons wat vroeger op het smaldeel om het met eigen oogen te zien.
Statig en langzaam was het smaldeel der Nederlandsche vloot Engelands schoonste en breedste rivier opgevaren.
Het stond onder bevel van den Luitenant-Admiraal Van Ghent, aanboord van wiens Admiraalsschip „De Agatha” zich de Gecommitteerde van de Staten van Holland, Cornelis De Witt, bevond.
En op die rivier, bij Chattam en Rochester, lagen de grootste Engelsche oorlogsschepen, tendeele afgetuigd, onder bescherming van de forten aan den oever der rivier.
Die schepen moesten vernield, die forten tot zwijgen gebracht worden. Men was begonnen met de sterkte Sheerness op het eilandje Chepay, en dat was gelukt. Het smaldeel was reeds genaderd tot de rivier Medway, bij Rochester.
Maar hoe verder te komen, daar de rivier met eenen ketting, die op geankerde vlotten lag, afgesloten was? Hoe zou men over dien ketting komen?
Wie? Op „De Agatha” zat een Kapitein, een NederlandschKapitein gevangen, omdat hij zich tegen het bevel van De Witt gedragen had.
„Hoogmogende Heer,” zegt hij tot De Witt, „geef mij mijnen degen terug en daarbij het oudste schip der vloot. Laat mij goedmaken, wat ik misdreef, en het eerst de Engelschen vóór of over dien ketting aanvallen!”
Het is de dappere, maar dolle Kapitein Van Brakel, die zoo spreekt.
„Hier is uw degen, en daar is uw schip, Kapitein!” zegt De Witt en wijst hem Van Brakels eigen schip, „De Vrede”, aan.
Daar snelt Van Brakel heen.
„Hoezee!” roept het scheepsvolk, als het hem ziet. „Hoezee! Daar is onze oude baas weer!”
„Ja, mannen,” roept Van Brakel, „ja, hier ben ik! Vooruit! Ons is de eer gegund van het eerst hier aan den dans te mogen gaan. Ziet ge daar dat koningsschip voor den ketting? Dat hebben die rabauwen vroeger van ons gekaapt. Het is de oude „Eendracht”! Vooruit, haalt de kaas terug, die de Roodrokken van je boterham gestolen hebben! Hoezee!”
En donderend schreeuwt men hem na: „Vooruit! Hoezee!”
Met fonkelende oogen ziet de bemanning van heel het smaldeel „De Vrede” na.
Daar branden de batterijen van de kust op hem los en de schepen geven hem de volle laag.
„Vooruit, mannen! Vooruit!” roept Van Brakel, en schudt de lange, grijze haren, als een leeuw zijne manen.
Zijne mannen staan bij het geschut het teeken af te wachten om op hunne beurt los te branden.
Tot op een musketschot afstands is men nu „The Unity”, zooals de Engelschen het schip gedoopt hebben, genaderd.
„Vuur!” kommandeert Van Brakel, en zijne mannen branden los.
Waaghals, dolle waaghals, waarheen met uw oud schip waarop Hollands vlag door de groote wolken van rook nauw zichtbaar is?
„Hoezee! Voor Bestevaêr Michiel en het lieve Vaderland!” roept Van Brakel, niet denkende, dat Bestevaêr niet aan het hoofd der overwinning mag staan, maar in de verte ligt, als een lafaard, die anderen het spit laat afbijten, omdat hij zelf niet durft! Bestevaêr een lafaard! Cornelis De Witt de held, de man, die durft en kan!
Of dergelijke gedachten als Lievensz. had en Kapitein Van Brakel op het oogenblik ook wel had, luide uitgesproken werden, zou ik niet durven bevestigen. Het zeevolk was echter grootendeels zeer Prinsgezind en zag met leedwezen, dat de dappere Tromp niet op de vloot was. Algemeen was men van oordeel, dat de partij van De Witt hem niet zoo zeer vanboord en buiten betrekking hield om zijnen twist met De Ruyter, als wel om zijne Prinsgezindheid. Daardoor kwamen De Witt en de zijnen, hoeveel ze ook gedaan hadden en nog deden om de Republiek der Vereenigde Nederlanden zulk eene macht te doen bereiken en zoo groot te maken, bij het zeevolk vooral in minachting. En toen nu Cornelis De Witt, omgeven door eene lijfwacht, als ware hij de Vorst van het land, aanboord der vloot kwam om het opperbevel te voeren, steeg de haat hoog, en als niet De Ruyter het voorbeeld van onderwerping gegeven had, dan zou het de vraag geweest zijn, of alles wel goed afgeloopen zou zijn. De Ruyter echter, hoewel het hem ook wel gegriefd zal hebben, diende met zulk eene onverstoorbare eerlijkheid zijn Vaderland en niet zichzelven, dat het niet in hem opkwam om door woord of daad te toonen, dat men hem in zijn gevoel van eigenwaarde kwetste.
Doch keeren we nu tot den moedigen Van Brakel terug.
Hij zeilt tot vlak voor den ketting in de onmiddellijke nabijheid van „The Unity.”
„Valt aan, mannen, valt aan!” klinkt de machtige stem van den grijzen held.
„Op, op, jongens! Voor den „Dolle”!” schreeuwt zijn volk, klampt zich aanboord van den Engelschman, palmt zich aan touwen, en alles wat maar hou-vast biedt, naar boven en ziet den „Dolle” hun het pad wijzen.
Ze zijn er! Ze zijn er!
„Hoezee! Hoezee!”
Maar de Engelschen laten den eenmaal genomen buit niet zoo gemakkelijk glippen, en trachten te houden, wat ze hebben.
„Vooruit! Vooruit! Niet sammelen! Valt aan!” klinkt Van Brakels luid kommando-woord weer, en onze mannen hem naschreeuwende, klauteren als katten tegen het schip op.
Een groot aantal van hen is reeds aanboord. Men vecht met wat men vindt; want velen hebben, door hunne groote haast, de enterbijl laten vallen of vergeten.
Daar wijkt de vijand!
„Vooruit! Vooruit! Aan ons, wat ons eenmaal ontstolen werd! Hoezee!”
De aanval is te sterk en de Engelschman, die den ketting moest verdedigen, geeft zich na een kort, doch woedend gevecht over. Het waagstuk is volbracht.
Twee branders hebben nu gelegenheid te naderen.—De eerste brander „De Susanna,” Kapitein Hendrik Esdre, komt moedig er op los. Zijn volk stoort zich niet aan de vijandelijke kogels, die om de ooren fluiten, doch deinst toch voor den ketting terug. Nu volgt de brander „Pro Patria” gekommandeerd door Kapitein Van de Rijn.
Zal deze ook deinzen?
„Vooruit! Vooruit!”
Wat plonst daar in het water en schuift langs de vlotten, die aan zware ankers liggen, en den ketting dragen, in de diepte? Wat is dat? Het is de ketting, die, doorgezeild, den weg voor de heele Nederlandsche vloot opent.
De „Pro Patria” hecht zich aan het Engelsche schip „Matthias”, dat spoedig vlam vat en weldra met eenen donderenden slag in de lucht springt.
Van Brakel zet thans ook zijnen tocht voort en werpt zich met jeugdige geestdrift in eene sloep.
Daar ligt de „Carolus Quintus,” een schip, dat ook eenigen tijd geleden ons door de Engelschen ontnomen is geworden.
Met den degen in de vuist klimt de „Dolle” weer naar boven, valt de bemanning aan, overmeestert ze, hakt gaten in het schip en laat het brandende zinken.
En nu nog de reus der Britsche vloot, de prachtige „Royal Charles” veroverd.
Zou dat wel gaan, mannen? Bedenkt toch, dat....
Wat gaan? Alles moet gaan vandaag! Vooruit! Vooruit!
Het moedige waagstuk is reeds bedreven, en Vice-Admiraal De Liefde steekt er de Hollandsche vlag van uit.
Daar nadert „De Agatha”, zoo heet het Admiraalsschip van Luitenant-Admiraal Van Ghent. Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten, bevindt zich daar aanboord, en ook hij beklimt het genomen Britsche Admiraalsschip, en op dien bodem schrijft hij aan de Hoog-Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden:
„Op huiden heeft God Almachtig de wapenen van den Staat zoo goedertierenlijk gelieven te segenen, dat wij en alle d’ ingesetenen zijne Goddelyke Majesteyt over deszelfs Genade niet genoegsaem kunnen dancken.” Aan zijnen broeder, den Raadpensionaris, schreef hij: „Danckende God Almachtig, dat Hij door Zijne Goddelyke Voorsienigheyd den hoogmoed van de Engelsche Natie door de glorieuse wapenen van Uwe Hoogmogenden sodanigh ghelieft heeft te vernederen, dat wij niet konnen twyfelen of de vrede sal tot volkomen contentement van den Staet getroffen konnen worden.”
Van Brakel scheen intusschen gezworen te hebben de held van den dag te zijn, en begon nu zijn geschut los tebranden op de forten, en deze leden zoo geweldig, dat de bezetting weldra op de vlucht sloeg.
Maar langzamerhand werd het avond en het vernielingswerk werd gestaakt om den volgenden dag onder het onmiddellijk opperbevel van De Ruyter te worden voortgezet. De taak van den eersten dag was door Van Ghent en den Ruwaard Van Putten volbracht.
Met eenen frisschen noord-oosten wind kwam bijna de geheele Nederlandsche vloot op den middag van den drieëntwintigsten Juni voor het kasteel Upnor, dat een hevig geschutvuur op onze schepen, die rustig en bedaard het anker lieten vallen, opende.
Er kwam evenwel op onze vloot een oogenblik van aarzeling, zulk een klein oogenblik van wankelenden moed, op eene onverklaarbare wijze ontstaan, welke aan een moeielijk werk, dat op het punt staat met eenen schitterenden uitslag bekroond te worden, op eenmaal eene heel andere wending geeft en de verwachte glorierijke overwinning in eene volkomen nederlaag doet veranderen.
Dat ontzettende oogenblik van wankelenden moed en van onverklaarbare aarzeling wordt door De Ruyter, die juist aangekomen is, gezien. Hij begrijpt er terstond het volle gewicht van en op Lievensz. toesnellende, roept hij dezen toe: „Bootsman, vlug, als de wind zoo vlug in de booten! Zet ze uit, terstond! Ik zelf ga mede, of alles, alles is verloren! Er zijn verkeerde bevelen gegeven! Vooruit!”
„Mannen,” roept hij tot zijn volk, „ik ga er zelf op los. Vier booten uit!”
„Goed, Admiraal,” antwoordden dezen en weldra liggen sterk bemande sloepen aan den valreep, waar De Ruyter juist langs af wil klimmen, als De Witt hem vraagt: „Waar dàt heen, Admiraal?”
„Als ik mijn volk den weg niet wijs, Hoog-Edelmogende, dan is alles, alles verloren. Er is een bevel gegeven, datniet goed was of verkeerd begrepen is. Zie maar, er is wanorde, er is aarzeling!”
„Ik ga met u,” zegt De Witt en stapt, tot groote ergernis van den „Barren Bruinvisch”, ook in de sloep.
En vooruit gaat het nu, overal waar de moed der onzen dreigt te verflauwen en het gevaar het grootst is.
„Mannen, daar komt Bestevaêr kijken of we het wel goed doen!” klinkt het dan, en aangevuurd door een: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” vatten ze den moed weer op, slaan den vijand terug, vernielen zijne schepen, steken ze inbrand en laten ze in de lucht vliegen.
Daar valt men de „Royal Oak” aan. Het volk, aangevoerd door zijnen Kapitein Douglas, verdedigt zich woedend, doch, niet genoeg bijgestaan, gaat het op de vlucht.
„Vlucht! vlucht! Kapitein,” zoo roepen zijne matrozen hem haastig toe.
Douglas gaat bij den grooten mast staan en ziet de matrozen woedend aan.
„Vlucht, vlucht dan toch, Kapitein!” smeeken zijne onderhoorigen hem bijna.
„Gaat, lafaards en vlucht zelf! Het is nog nooit gezien, dat een Douglas, zonder last hiertoe te ontvangen, zijnen post verliet! Vlucht gij, ik blijf!”
De dappere Engelschman blijft volharden en komt in de vlammen van zijn brandend schip om.
De nederlaag der Engelschen was volkomen.
Des Konings broeder, de Hertog van York,—de Admiraal der Engelsche vloot, Prins Robert, en Generaal Monk hadden, machteloos, aan den oever der rivier dat werk der vernieling moeten aanzien.
Gansch Engeland beefde en sidderde.
In Londen was alles in rep en roer! Men pakte zijne kostbaarste zaken bijeen en vlood er mede de poorten uit.
Van straat tot straat, van plein tot plein, van gracht tot gracht, van bedelaarskluis tot koningswoning, klonkhet geroep van: „Vlucht, vlucht! De Hollanders komen! Duizenden soldaten zijn er aanboord om te landen! Vlucht! Vlucht!”
Velen lachten die bange lieden echter in het aangezicht uit; want men begreep wel, dat dit niet gebeuren zou. Men liet de honderdtallen vluchten; de duizenden bleven; Engelands volk was niet laf. Het was slechts overvallen, en had een oogenblik gesidderd voor den Nederlandschen zeeleeuw, die brullend in het hart des lands gevallen was. Maar nu beefde het niet meer. Men vloog te wapen, en terwijl de vloot der overwinnaars in den nacht van den drie- op den vierentwintigsten Juni op de plaats der overwinning bleef om uit te rusten, verzamelden de Hertog van York en Generaal Monk aan den oever een leger van ruim twaalfduizend man.
Maar ook de Nederlanders begrepen, dat ze hunne taak volbracht hadden, en dat er genoeg gedaan was om eenen Nederlander van later dagen met recht te doen zeggen:
„Een landverrader om te koopen,Een weerloos eiland af te loopen,Is werk van lafaards, lafaards waard.Maar trotsche Britten te doen knielen,En Eng’lands keurvloot te vernielen,Is werk van mannen, mannen waard.”
„Een landverrader om te koopen,
Een weerloos eiland af te loopen,
Is werk van lafaards, lafaards waard.
Maar trotsche Britten te doen knielen,
En Eng’lands keurvloot te vernielen,
Is werk van mannen, mannen waard.”
Den volgenden dag werden de ankers gelicht en statig zakte de Nederlandsche vloot de rivier af, als overwinningsteekenen, „The Unity” en „Royal Charles” mede voerende.
Dat zagen de Engelschen daar van den oever aan. Ze wilden het wel beletten, maar konden het niet; want ze hadden geene schepen meer om de stoutmoedigen na te jagen.
Hoe hun dat speet! Hoe het verlies van dat trotsche koningsschip hun aan het hart ging!
Ware het verbrand, vernietigd, in de lucht gesprongen of gezonken, het zou niet zoo erg geweest zijn!
Maar het als zegeteeken triomfantelijk weg te zien sleepennaar dat kleine land van kaasboeren en kruideniers, dat konden ze niet verkroppen!
Dat deed de Engelsche dichter Andrew Marvel naar de pen grijpen en schrijven: „Die heilige kiel, de lust der oorlogsvloot, nu een buit, en de slaaf van eenen geringen overwinnaar.”1
Weldra was onze vloot weer in volle zee en werden de twee prijzen naar het Vaderland gebracht.
De onderhandelingen over den vrede werden nu met kracht voortgezet. Engeland zelf wilde dat, doch zoo lang het nog geen vrede was, bleef onze vloot kruisen om, òf nieuwe heldendaden te verrichten, òf den vijand te beletten zich te versterken, terwijl men zorgvuldig den mond van de Theems gesloten hield.
Dit laatste was het geval; er werd niet meer gevochten.
„Nog al niet naar den zin, oude jongen?” vroeg Engel op zekeren morgen aan Lievensz., die met een ontevreden gezicht naar het water stond te kijken.
„Naar den zin, Jonker? Ik zou wel eens willen weten, wie het naar den zin kan hebben?” antwoordde Lievensz.
„Wie? Wel, ik bijvoorbeeld!”
„Dan zijt ge van eene andere makelij dan ik ben, Jonker! Het ergert me dag aan dag hier te liggen als mannekens, die in eene praam gezet moeten worden. Wat doen wij hier?”
„Wat we hier doen? We laten de Londenaars honger lijden, opdat ze zooveel te harder om den vrede kunnen schreeuwen, en, als de Engelschen het wisten, wat we nog meer deden, dan....”
„Maar, Jonker, wat doen we dan toch? Ik zie niemendal gebeuren, dan den Admiraal met zijne Officieren en zijn volk in de booten rondscharrelen, alsof ze spiering visschen.”
„Spiering visschen, kom, Grootvadertje, dat weet ge stellig wel beter.”
„Ik mag een doorgeschoten slipsteek zijn, als ik er wat van begrijp, Jonker!”
„Welnu dan, ik zal het u zeggen, want gij moogt het wel weten. Vader laat hier het Koningsdiep en de heele kust peilen en in kaart brengen. Onze loodsen zullen dan in het vervolg hier even goed den weg weten, als bij Texel of op de Schelde.”
De „Barre Bruinvisch” wreef de hand over het gerimpelde gelaat, doch zeide niets.
„Nu, wat zegt gij ervan?” vroeg Engel.
„Wat ik zeg, Jonker? Wat ik zeg?”
„Ja, ja, wat ge zegt, vraag ik.”
„Dat ik bemerk, dat ik oud begin te worden, en niet verder meer zien kan dan mijn neus lang is. Engel, uw Vader is nog meer dan een zeeheld! Hij is in alles een zeeman, dat is hij! Een man, die tegen duizend mannen opweegt.”
„Welnu, doe dan dat leelijke gezicht weg, Grootvadertje!”
„Neen, Jonker, dat kan ik niet! Nu zelfs nog minder dan anders! Die Heeren van de pen liggen nog overdwars in mijn vaarwater en nu meer dan ooit. Waarom zijn er van die dwarskijkers op de vloot om toe te zien of uw Vader zijnen plicht wel doet? Een man, zooals Michiel Adriaensz. De Ruyter is, doet altijd zijnen plicht. Maar, hoor ik daar niet schieten?”
„Ja, dat is zoo. Het zou mij niet verwonderen, als er bericht uit Den Haag kwam, dat de vrede gesloten is,” antwoordde Engel, die goed geraden had.
De Opperbevelhebber van ’s Lands vloot ontving de tijding dat den eenendertigsten Juli te Breda, tusschen Engeland en de Republiek der Vereenigde Nederlanden een vrede gesloten was, die, dank zij den tocht naar Chattam, voor ons land vrij voordeelig was.
Thans kon de Nederlandsche vloot de havens weer opzoeken, doch door bijkomende omstandigheden, geschiedde dit toch eerst in October.
Met groot gejuich werden de overwinnaars, de bewerkers van den vrede, ontvangen, en overal waar De Ruyter zich vertoonde, werd hij begroet met een blij geroep van „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”
Zeker was het voor onzen dapperen Vlootvoogd streelend, zooveel eer te genieten; maar meer welkom waren hem de blijde gezichten zijner huisgenooten, die den Echtgenoot en Vader met blijdschap ontvingen. Want hoe goed Zeeman ook, toch was hij misschien nog beter Huisvader, die den gezelligen huiselijken haard boven alles liefhad.
Dat de Algemeene Staten niet achterbleven om den Bevelhebber van ’s Lands vloot, en zelfs den matrozen belooningen uit te reiken, dat spreekt bijna vanzelf, waar iedereen onzen zonen der zee rechtmatige hulde bracht. Maar gedenkpenningen gaan eenmaal verloren, beschreven perkamenten verteren, steenen gedenkteekenen vallen in puin, gesproken woorden worden vergeten. „Doch,” zegt J. A. Brand, een van De Ruyters lofredenaars, „al werden al deze gedenkteekenen door den stroom des tijds verzwolgen, zoo zoude nog Engelands hoofdrivier, zoo lang zij hare golven zal zien voortrollen, den nakomeling, Neêrlands glorie en De Ruyters wapenroem herinneren.”
1„That sacred keel, that pleasure-boat of war,Now a cheap spoil, and the mean victor’s slave.”↑
1„That sacred keel, that pleasure-boat of war,Now a cheap spoil, and the mean victor’s slave.”↑
1
„That sacred keel, that pleasure-boat of war,Now a cheap spoil, and the mean victor’s slave.”
„That sacred keel, that pleasure-boat of war,Now a cheap spoil, and the mean victor’s slave.”
„That sacred keel, that pleasure-boat of war,Now a cheap spoil, and the mean victor’s slave.”
„That sacred keel, that pleasure-boat of war,Now a cheap spoil, and the mean victor’s slave.”
„That sacred keel, that pleasure-boat of war,
Now a cheap spoil, and the mean victor’s slave.”
↑