DERDE HOOFDSTUK.

DERDE HOOFDSTUK.Bij het torenhaantje.„Michiel, hei, Michiel!”Zoo riep den volgenden morgen Jan Kompanjie toen Michiel naar de lijnbaan slenterde.„Wat is er aan de hand?” vroeg Michiel vrij korzelig.„Jij gisteren middag gehad hebt voor die broekie met die latrinkel, hi-hi! Zóó dat ging, klets-klats! Klits-klets!”„Wilt gij er wel eens van zwijgen, sausneger!”„Jij schreeuwde brand en moord!”„Hoe weet gij dat?”„Ikke gehoord heb. Ikke buiten stond. Ikke alles hoorde!”„En aan wien hebt gij het verteld?”„Ikke verteld? Ikke verteld aan Jan!”„Aan welken Jan?”„Aan ikke Jan! Aan Jan Kompanjie!”„Gek van eenen negerjongen, vertelt gij wat aan uzelven?”„Ja. Ikke dacht: dat Dominee toch wel gelijk heeft. Jan Kompanjie de wonderkind is. Ikke speel, jij speelt. Ikke niemendal krijg, jij krijgt voor vier. Ikke dankbaar ben Een wonderkind altijd dankbaar is.„Jij, wonderkind! Ik had je graag van het pak de helft en het overschot willen overdoen!”„Dank je. Ikke dan zijn zou een wonderkind half. Maar wat moeten ze daar uitvoeren?”Dit vragende wees Jan Kompanjie naar het torenkruis waarop de haan draait en waar men een paar werklieden, van beneden gezien niet veel grooter dan poppetjes in eene speelgoedkraam, tegen op zag klauteren.Michiel keek in de aangewezen richting en met oogen, die schitterden van begeerte om ook zoo hoog te zijn, zeide hij: „He, wat zitten die daar heerlijk in den wind!”„Die ver zien. Hoog, heel hoog, ver zien kan. Mijn land zien. In mijn land geene torens zijn. In mijn land bergen. Jij daar bovenop wordt een manneke, groot zoo als mijn duim. Jij dan zien kan het zee waarop dreef die wonderkind op dat plank, tot die wonderkind die koppetje stoot tegen die schippe en dat matrozen hijschen die wonderkind aanboord!”„Ik zou daar ook wel eens willen werken,” zeide Michiel. „Vooral nu, daar ik mijn wiel niet meer kan laten piepen zooals gisteren.”„Michiel gepiept heeft gisteren, toen dat ging voor die broekie, akelig mooi gepiept hebben dat Michiel!”„Pats,” zei Michiel, en gaf den negerknaap eenen draai om de ooren dat hij op den grond tuimelde.„Jij mij slaat leelijk zeer! Waarom?” vroeg Jan toen hij opgestaan was.„Omdat gij alweer over dat pak slaag begint. Ik wil niet hebben, dat gij daar zoo mee te koop loopt.”„Ik niet te koop loop, ik, met die pak slaag. Toch geen mensch koopen zou. Maar die Michiel geleerd heeft van Vader Adriaen, ikke wel weet wat geleerd.”„Wat dan?”„Te geven pats-pats! Ikke zeer doen dat oor! Dat oor ijsheet is!”„Dat behoort zoo, anders helpt het niet,” zeide Michiel.„Hi-hi, dat denken ook Vader Adriaen, de boen Papa,” riep Jan lachend, doch pas had hij dat gezegd of hij maakte dat hij buiten het bereik van Michiels handen kwam.Lachend zag Michiel hem na, mompelde: „Een goedzak van eenen jongen toch, dat moet gezegd worden,” en slenterde naar de lijnbaan waar baas Lorkens zijn „goeden morgen, baas,” beantwoordde met een nijdig: „Zoo, is de slampamper er eindelijk, ja? Kom, kom, geene morgenpraatjes, er is te veel te doen! Vooruit maar, en de schade van gisteren ingehaald.”„Ja, baas,” zei hij droomerig en begon te draaien.Het ging erg langzaam, maar toch gestadig voort en het was elf uur eer Michiel het wist.„Genoeg, Michiel! Houd maar op,” riep baas Lorkens.„Ja, baas!”„Weet ge Sinjeur Pieter Jansz. Seylmaecker, het Lid van de Vroedschap, te wonen?”„Ja, baas! Hij is gisteren nog bij ons geweest.”„Sinjeur Seylmaecker? Wat kwam hij daar toch doen?” vroeg baas Lorkens ongeloovig.„Hij kwam bier bestellen en deed meteen bij Moeder een goed woordje om me maar naar zee te laten gaan.”„Naar zee! Zoudt gij dat inderdaad nu zoo graag willen, Michiel?”„Ja, baas!”„Maar gelooft gij dan, jongen, dat ge het aanboord beter zult hebben dan hier, en dat ge daar ook zulke streken zult kunnen uithalen als gisteren hier in de baan?”„Ik in de baan streken uitgehaald, baas?”„Ja, zeker, streken! Houd u maar zoo onnoozel niet!”„Maar, baas dan!”„Maar, Michiel dan? Weet ge waarover ik gisteren avond toen ik thuis was, gedacht heb?”„Neen, baas.”„Nu, ik dacht zoo bij me zelven: ik wed om wat men wil, dat die kwâjongen er een kunstje op geweten heeft om dat wiel zulk een helsch leven te laten maken.”„Maar, baas!”„Ja, leuke guit! En weet ge wat ik vanmorgen daarom eens gedaan heb, vóór het volk er was?”„Neen, baas!”„Nu, toen ik hier kwam dacht ik: kom ik moet dat boeltje eens even los maken, dat de smid vastgezet heeft.„Ik deed het en zocht toen zóó lang tot ik het piepkunstje vond. Al maar een beetje meer links tot het ophet laatst ging precies als gisteren: Pie-hie-hie-hie-iep! Heb ik het niet goed geraden?”„Ja, baas, ge hebt het kunstje gevonden!”„Jawel, beken het maar, want tegenspreken zou toch niet helpen. Maar zoudt gij nu denken, dat ge aanboord ook zulke streken kunt uithalen zonder dat het „endje touw” voor den dag komt? De Kapiteins van de schepen zijn niet zulke goedzakken, als ik er een ben, hoor! Aanboord is Keesje Knuttel heel gauw tot elks dienst!”„Wie is Keesje Knuttel, baas?”„Dat weet gij ook wel, deugniet! Ik behoef u niet te zeggen, dat Keesje Knuttel een dingetje van gedraaid touw is om iemand, die straf verdiend heeft een warm broekje te geven!”„Keesje Knuttel zeggen de zeelui nooit; ze kennen alleen maar een „endje dag.” Maar als ge nu denkt, dat ik het aanboord ook zoo zou maken als hier, dan zijt gij bezijden de plank, baas!”„Och, jongen, het kwaaddoen zit er bij Michiel zóó muurvast in, dat hij het niet meer laten kan. Kwaaddoen is zijn opstaan en zijn naar bed gaan.”„Hier aan den wal, baas, hier aan den wal!”„En waarom zal dat op zee niet zoo wezen, jongen?”„Omdat ik me daar niet zoo vervelen zal als hier!”„Nu, het kan zijn. Maar bij wien wilde Sinjeur Seylmaecker u aanboord hebben?”„Op een van de schepen van onze Heeren, en dan zou hij maken, dat de „Barre Bruinvisch” mijn zeevader werd.”„Als hij dát kon gedaan krijgen, dan geloof ik ook dat ge op zee nog wat worden kunt, ja! Wat hebt ge ook gedroomd dat ge geworden waart?”„Admiraal, baas!”„Ja, ja, Admiraal! Maar komaan, hier zijn acht strengen paktouw en twintig knuttels bindgaren. Breng die bij Sinjeur Seylmaecker!”„En zal ik, als die boodschap gedaan is, voor den middag terug komen baas?”„Och, dat zou toch maar voor eene minuut of vijf zijn. Neen blijf maar weg! Maar vanmiddag op den tijd, hoor!”„Ja, baas!”Michiel nam de strengen paktouw en de knuttels bindgaren aan en liep zoo hard hij kon heen. Baas Lorkens keek hem na en dacht: „Hij heeft zeker weer wat in den zin, dat hij zoo hard loopt. Ik zal vanmiddag eens vragen wat hij uitgevoerd heeft.”Sinjeur Seylmaecker woonde in de buurt van Michiels Ouders, doch het was er verre af dat Michiel naar huis ging toen hij zijne boodschap gedaan had. Hij had een heel ander plan. Al zoo dikwijls had hij het voornemen gehad eens den Sint-Jacobstoren te beklimmen, doch het was er nog niet van gekomen.En welk eene schoone gelegenheid bood zich thans daartoe aan! Wie weet of er ooit zulk eene zou wederkeeren! Nu of nooit dus, en daarom, vooruit, niet gedraald, haast-je, rep-je!Het was juist groente- en botermarkt en dien dag nog al tamelijk druk door de komst van eenige schepen der Compagnie.Maar voor Michiel was dat geen hinderpaal. Hij wipte over de manden met groenten; hij sprong tusschen de boterkorven; hij kroop tusschen koopers en verkoopers door, zoo handig als men het ooit gezien had.Wel liep hij hier eenen stomp, daar eenen stoot en wat verder eenen draai om de ooren op, maar daar gaf Michiel niet om; hij was aan slagen krijgen al gewoon geraakt.Hij zag dat de wijzer reeds over half twaalf wees. Te twaalf uren ging het werkvolk eten en dan zou de toren wel gesloten worden, dus, geenen tijd verzuimen!De torendeur was evenwel toe, doch toen hij er eens ferm tegen duwde, ontdekte hij, dat ze toch niet op slot,maar alleen stevig aangezet was, om de indringers niet te lokken.En hij de steenen wenteltrap op naar boven tot bij den eersten omgang bij de verweerde wijzerborden, die wel een kwastje verf noodig hadden.Het werkvolk, dat daar in de hoogte zulk een gevaarlijk werk te verrichten had, was, omdat tegen den middag de wind opgestoken was, vóór den bepaalden tijd naar beneden gekomen en stond ook op den omgang toen Michiel er kwam. Hij zag hen terstond, dook weg en zonder hem gezien te hebben daalden de mannen nu de steenen wenteltrap af, terwijl Michiel, vlug als een aap, tegen de vaste ladders met ijzeren sporten hooger klom.Bij de peer, waarop het kruis stond, gekomen, ging het nog hooger tot bij het kruis. Maar....„We hadden de ladders van de peer moeten wegnemen,” zeide een van het volk toen het al beneden in den toren was. „Het waait fel; ze konden losslaan en als zulk eene ladder iemand op het hoofd kreeg, nu, die zou ons geen kwaad meer doen, maar ik geloof dat de Magistraat het ons inpeperen zou.”Dat geloofden de anderen ook en daarom, nog eens naar boven. Zonder dat ze Michiel zagen haalden ze de ladders van de peer enzettendeze zoo, dat ze onmogelijk vallen konden.Thans was het laddergevaar geweken en het werkvolk daalde voor goed naar beneden.En Michiel?Hij genoot, zooals hij nog nimmer op het hoofd of in een bootje op de Schelde genoten had.Wat een vergezicht!Hoe mooi! Hoe schoon!Wat bruiste die zee! Wat rolden die golven met hare witte pluimen! Wat wiegelden die schepen daar in de Wielingen en in de Duerloo!En daar ginder nog verder, nog veel verder, een paar driemasters, die naar de Oost gingen.Kijk, daar was het vaste land van Zeeland, of zooals men toen zeide en nu nog zegt: het land van Cadzand. Wat lag dat nu dichter, veel dichter bij, dan als men op het hoofd of op den Westdijk stond!En hoe gek, het scheen wel dat Middelburg zoo dicht bij lag, dat men er op neerspringen kon. Heel het eiland Walcheren lag daar voor hem uitgespreid. Westersouburg, het kasteel van Aldegonde, het slot Ter Hoghe, Popkensburg, Ter Veere, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle!—Och, och, hoe mooi! Hoe mooi!Daar beneden hem sloeg het twaalf uren.Hij daar boven evenwel, hij hoorde geen klokkenspel spelen en geene klok slaan. Hij zou op het oogenblik niet weten wat hij met de ooren doen zou dan luisteren naar dat bruisen der zee, naar dat heerlijke golvenlied.En zien, ja, zien moest hij, alsof het voor den laatsten keer in zijn leven was, dat hij zien kon.Zijne bruine oogen glommen als stralend vuur, dat van het gloeiend ijzer spat, als de smid het op zijn aanbeeld neerlegt om het te smeden.Hij genoot met volle teugen bij al die heerlijkheid!Maar vooral trok die groote, groote zee met hare rollende golven, dansende schepen en wiegelende tonnen of boeien hem aan.Hij kon evenwel nog hooger.Hij kon tegen het ijzeren kruis opklimmen.Zou hij het doen?Zou hij dien grooten, leelijken haan, die beneden zoo mooi blonk en zoo pieperig klein was, eens met de hand aanraken om te kunnen zeggen: „Wat, wie spreekt er van klimmen? Ik heb den haan van den toren aangeraakt, ja, dat heb ik gedaan!”Zou hij het doen?Maar was er ook gevaar bij? Als hij eens viel!Wat vallen! Hij had zijne handen toch om vast te houden! En als hij wat vast had, een knappe jongen, die het hem van tusschen de stevige vingers kon krijgen! Het was nog geenen enkelen jongen gelukt, dit te doen.Ja, ja, naar boven! Naar boven naar dien leelijken haan, zoo grof en zoo slecht verguld! Moedig naar boven! Voorwaarts! Stevig, ferm vasthouden maar. De beenen om de ijzeren stang! Ha, daar heeft hij het kruis al beet! Nog hooger! Nog hooger! Het is toch nog een heele klim om bij dien haan te komen! Dat zou een mensch, die daar beneden staat niet zeggen. Wel neen, met de hand er aan komen als men op het kruis zit! O, gemakkelijk! Jawel gemakkelijk, morgen brengen! Het is me een sjouw, hoor! Maar—de aanhouder wint. Hij raakt den haan, den leelijken, groven, slecht vergulden haan aan. Hij probeert hem te draaien. Jawel, alsof er eene mug met eenen ijzeren bout wilde wegvliegen! Die wind moet me toch wat mans zijn om zulk eenen haan maar ineens eenen draai te geven, dat hij met den kop net andersom staat, alsjeblief!Maar nu al mooi genoeg! Nog een poosje op het kruis staan en eens beneden naar de markt gekeken.Hij staat er, maar....„Wat! Waar is de markt nu?” mompelt hij.Eindelijk valt ze hem in het oog; maar hoe gek! Ze ligt onder zijne voeten! Als hij naar beneden sprong kwam hij op de Roode brug terecht.En wat deden die boeren en boerinnen gek!Kijk eens, wat een hoop volk stond daar te kijken!Ha, ha, dat wiemelt als in eenen emmer vol muizen! Maar stil, ze schreeuwen wat!Michiel luisterde; hij kon het niet verstaan wat ze riepen.Hij stoorde er zich niet aan ook. Zij zouden zeker roepen: „Och, hemeltje, val toch niet, lieve jongen! Hoe zult gij toch beneden komen?”Beneden komen? Wel, langs de ladders!Daar laat hij zich glijden tot op de peer!„He, hoe leelijk! Die werkmenschen hebben de ladders weggehaald,” bromt hij.„Zeker bang, dat er wind zou komen en dat ze naar beneden zouden rollen, die ladders, weet je! Nu, zoo’n ladder op den knikkerbol en—men is er geweest, secuur geweest.”Michiel zit een poosje stil en denkt na.Hij ziet niet eens wat er in dien emmer met muizen gebeurt, anders zou hij vast lachen.Maar dat lachen zou hem niet mooi staan.Zie, ze komen met dekens en lappen zeil om hem op te vangen. Ze houden hun hart vast. Ze sidderen en beven.Michiel houdt niet zijn hart, maar de ijzeren stang vast en van sidderen en van beven weet hij niemendal.Maar hij moet toch naar beneden!Wacht, hij heeft spijkers in de hakken van zijne schoenen. Hij zal de leien waarmee de peer gedekt is, stuk slaan en aan de spijkers, waaraan ze hangen, zal hij zich met vingers en nagels vastklemmen.„Hoezee! Een goed matroos is nooit verlegen,” roept hij en begint den roekeloozen tocht naar beneden.Hij wordt gelukkig volbracht en hij verdwijnt in den toren.En daar beneden uit „dien emmer met muizen” stijgt één geluid, één klank naar boven: „Goddank!”Ze weten niet wie die koene, neen, wie die drieste klimmersbaas was, die tot schrik van heel de gemeente met zijn leven spotte.Ze loopen naar de torendeur met heele hoopen. Ze willen hem zien. Ze willen en zullen het weten wie die waaghals geweest is!„Op zij! Op zij!”Daar komt een van de Burgemeesters aan. Hij heeft er van gehoord, en is het werkvolk gaan roepen om denknaap te redden. Het schijnt wel een straatjongen te zijn, maar....„Wie is het, Burgemeester, wie is het?”„Och, menschen, zwijgt, ik weet het niet. En hij is al in den toren en van de peer af, zegt ge?”„Ja, Burgemeester! Hij zal zoo wel komen. Daar is hij! Daar is hij!”„Waar is die Michiel? Ikke hebben moet dien Michiel! Daar is hij!” schreeuwde Jan Kompanjie, die kwam aandraven.Het volk, dat zich een oogenblik om den negerknaap verdringt, vergeet naar de torendeur te kijken, en alleen op het geroep van den negerjongen: „Daar is hij!” zien ze op, en, ja, waarlijk, het is Michiel, die ondeugende Michiel van Adriaen, den bierdrager, en van Alida Jans.En—verdwenen is hij.Maar, is hij nergens te vinden, het volk weet hem te wonen en loopt naar zijn huis, waar het zich in eene dichte menigte op elkander hoopt.De straatjeugd speelt er natuurlijk de eerste viool bij.

DERDE HOOFDSTUK.Bij het torenhaantje.„Michiel, hei, Michiel!”Zoo riep den volgenden morgen Jan Kompanjie toen Michiel naar de lijnbaan slenterde.„Wat is er aan de hand?” vroeg Michiel vrij korzelig.„Jij gisteren middag gehad hebt voor die broekie met die latrinkel, hi-hi! Zóó dat ging, klets-klats! Klits-klets!”„Wilt gij er wel eens van zwijgen, sausneger!”„Jij schreeuwde brand en moord!”„Hoe weet gij dat?”„Ikke gehoord heb. Ikke buiten stond. Ikke alles hoorde!”„En aan wien hebt gij het verteld?”„Ikke verteld? Ikke verteld aan Jan!”„Aan welken Jan?”„Aan ikke Jan! Aan Jan Kompanjie!”„Gek van eenen negerjongen, vertelt gij wat aan uzelven?”„Ja. Ikke dacht: dat Dominee toch wel gelijk heeft. Jan Kompanjie de wonderkind is. Ikke speel, jij speelt. Ikke niemendal krijg, jij krijgt voor vier. Ikke dankbaar ben Een wonderkind altijd dankbaar is.„Jij, wonderkind! Ik had je graag van het pak de helft en het overschot willen overdoen!”„Dank je. Ikke dan zijn zou een wonderkind half. Maar wat moeten ze daar uitvoeren?”Dit vragende wees Jan Kompanjie naar het torenkruis waarop de haan draait en waar men een paar werklieden, van beneden gezien niet veel grooter dan poppetjes in eene speelgoedkraam, tegen op zag klauteren.Michiel keek in de aangewezen richting en met oogen, die schitterden van begeerte om ook zoo hoog te zijn, zeide hij: „He, wat zitten die daar heerlijk in den wind!”„Die ver zien. Hoog, heel hoog, ver zien kan. Mijn land zien. In mijn land geene torens zijn. In mijn land bergen. Jij daar bovenop wordt een manneke, groot zoo als mijn duim. Jij dan zien kan het zee waarop dreef die wonderkind op dat plank, tot die wonderkind die koppetje stoot tegen die schippe en dat matrozen hijschen die wonderkind aanboord!”„Ik zou daar ook wel eens willen werken,” zeide Michiel. „Vooral nu, daar ik mijn wiel niet meer kan laten piepen zooals gisteren.”„Michiel gepiept heeft gisteren, toen dat ging voor die broekie, akelig mooi gepiept hebben dat Michiel!”„Pats,” zei Michiel, en gaf den negerknaap eenen draai om de ooren dat hij op den grond tuimelde.„Jij mij slaat leelijk zeer! Waarom?” vroeg Jan toen hij opgestaan was.„Omdat gij alweer over dat pak slaag begint. Ik wil niet hebben, dat gij daar zoo mee te koop loopt.”„Ik niet te koop loop, ik, met die pak slaag. Toch geen mensch koopen zou. Maar die Michiel geleerd heeft van Vader Adriaen, ikke wel weet wat geleerd.”„Wat dan?”„Te geven pats-pats! Ikke zeer doen dat oor! Dat oor ijsheet is!”„Dat behoort zoo, anders helpt het niet,” zeide Michiel.„Hi-hi, dat denken ook Vader Adriaen, de boen Papa,” riep Jan lachend, doch pas had hij dat gezegd of hij maakte dat hij buiten het bereik van Michiels handen kwam.Lachend zag Michiel hem na, mompelde: „Een goedzak van eenen jongen toch, dat moet gezegd worden,” en slenterde naar de lijnbaan waar baas Lorkens zijn „goeden morgen, baas,” beantwoordde met een nijdig: „Zoo, is de slampamper er eindelijk, ja? Kom, kom, geene morgenpraatjes, er is te veel te doen! Vooruit maar, en de schade van gisteren ingehaald.”„Ja, baas,” zei hij droomerig en begon te draaien.Het ging erg langzaam, maar toch gestadig voort en het was elf uur eer Michiel het wist.„Genoeg, Michiel! Houd maar op,” riep baas Lorkens.„Ja, baas!”„Weet ge Sinjeur Pieter Jansz. Seylmaecker, het Lid van de Vroedschap, te wonen?”„Ja, baas! Hij is gisteren nog bij ons geweest.”„Sinjeur Seylmaecker? Wat kwam hij daar toch doen?” vroeg baas Lorkens ongeloovig.„Hij kwam bier bestellen en deed meteen bij Moeder een goed woordje om me maar naar zee te laten gaan.”„Naar zee! Zoudt gij dat inderdaad nu zoo graag willen, Michiel?”„Ja, baas!”„Maar gelooft gij dan, jongen, dat ge het aanboord beter zult hebben dan hier, en dat ge daar ook zulke streken zult kunnen uithalen als gisteren hier in de baan?”„Ik in de baan streken uitgehaald, baas?”„Ja, zeker, streken! Houd u maar zoo onnoozel niet!”„Maar, baas dan!”„Maar, Michiel dan? Weet ge waarover ik gisteren avond toen ik thuis was, gedacht heb?”„Neen, baas.”„Nu, ik dacht zoo bij me zelven: ik wed om wat men wil, dat die kwâjongen er een kunstje op geweten heeft om dat wiel zulk een helsch leven te laten maken.”„Maar, baas!”„Ja, leuke guit! En weet ge wat ik vanmorgen daarom eens gedaan heb, vóór het volk er was?”„Neen, baas!”„Nu, toen ik hier kwam dacht ik: kom ik moet dat boeltje eens even los maken, dat de smid vastgezet heeft.„Ik deed het en zocht toen zóó lang tot ik het piepkunstje vond. Al maar een beetje meer links tot het ophet laatst ging precies als gisteren: Pie-hie-hie-hie-iep! Heb ik het niet goed geraden?”„Ja, baas, ge hebt het kunstje gevonden!”„Jawel, beken het maar, want tegenspreken zou toch niet helpen. Maar zoudt gij nu denken, dat ge aanboord ook zulke streken kunt uithalen zonder dat het „endje touw” voor den dag komt? De Kapiteins van de schepen zijn niet zulke goedzakken, als ik er een ben, hoor! Aanboord is Keesje Knuttel heel gauw tot elks dienst!”„Wie is Keesje Knuttel, baas?”„Dat weet gij ook wel, deugniet! Ik behoef u niet te zeggen, dat Keesje Knuttel een dingetje van gedraaid touw is om iemand, die straf verdiend heeft een warm broekje te geven!”„Keesje Knuttel zeggen de zeelui nooit; ze kennen alleen maar een „endje dag.” Maar als ge nu denkt, dat ik het aanboord ook zoo zou maken als hier, dan zijt gij bezijden de plank, baas!”„Och, jongen, het kwaaddoen zit er bij Michiel zóó muurvast in, dat hij het niet meer laten kan. Kwaaddoen is zijn opstaan en zijn naar bed gaan.”„Hier aan den wal, baas, hier aan den wal!”„En waarom zal dat op zee niet zoo wezen, jongen?”„Omdat ik me daar niet zoo vervelen zal als hier!”„Nu, het kan zijn. Maar bij wien wilde Sinjeur Seylmaecker u aanboord hebben?”„Op een van de schepen van onze Heeren, en dan zou hij maken, dat de „Barre Bruinvisch” mijn zeevader werd.”„Als hij dát kon gedaan krijgen, dan geloof ik ook dat ge op zee nog wat worden kunt, ja! Wat hebt ge ook gedroomd dat ge geworden waart?”„Admiraal, baas!”„Ja, ja, Admiraal! Maar komaan, hier zijn acht strengen paktouw en twintig knuttels bindgaren. Breng die bij Sinjeur Seylmaecker!”„En zal ik, als die boodschap gedaan is, voor den middag terug komen baas?”„Och, dat zou toch maar voor eene minuut of vijf zijn. Neen blijf maar weg! Maar vanmiddag op den tijd, hoor!”„Ja, baas!”Michiel nam de strengen paktouw en de knuttels bindgaren aan en liep zoo hard hij kon heen. Baas Lorkens keek hem na en dacht: „Hij heeft zeker weer wat in den zin, dat hij zoo hard loopt. Ik zal vanmiddag eens vragen wat hij uitgevoerd heeft.”Sinjeur Seylmaecker woonde in de buurt van Michiels Ouders, doch het was er verre af dat Michiel naar huis ging toen hij zijne boodschap gedaan had. Hij had een heel ander plan. Al zoo dikwijls had hij het voornemen gehad eens den Sint-Jacobstoren te beklimmen, doch het was er nog niet van gekomen.En welk eene schoone gelegenheid bood zich thans daartoe aan! Wie weet of er ooit zulk eene zou wederkeeren! Nu of nooit dus, en daarom, vooruit, niet gedraald, haast-je, rep-je!Het was juist groente- en botermarkt en dien dag nog al tamelijk druk door de komst van eenige schepen der Compagnie.Maar voor Michiel was dat geen hinderpaal. Hij wipte over de manden met groenten; hij sprong tusschen de boterkorven; hij kroop tusschen koopers en verkoopers door, zoo handig als men het ooit gezien had.Wel liep hij hier eenen stomp, daar eenen stoot en wat verder eenen draai om de ooren op, maar daar gaf Michiel niet om; hij was aan slagen krijgen al gewoon geraakt.Hij zag dat de wijzer reeds over half twaalf wees. Te twaalf uren ging het werkvolk eten en dan zou de toren wel gesloten worden, dus, geenen tijd verzuimen!De torendeur was evenwel toe, doch toen hij er eens ferm tegen duwde, ontdekte hij, dat ze toch niet op slot,maar alleen stevig aangezet was, om de indringers niet te lokken.En hij de steenen wenteltrap op naar boven tot bij den eersten omgang bij de verweerde wijzerborden, die wel een kwastje verf noodig hadden.Het werkvolk, dat daar in de hoogte zulk een gevaarlijk werk te verrichten had, was, omdat tegen den middag de wind opgestoken was, vóór den bepaalden tijd naar beneden gekomen en stond ook op den omgang toen Michiel er kwam. Hij zag hen terstond, dook weg en zonder hem gezien te hebben daalden de mannen nu de steenen wenteltrap af, terwijl Michiel, vlug als een aap, tegen de vaste ladders met ijzeren sporten hooger klom.Bij de peer, waarop het kruis stond, gekomen, ging het nog hooger tot bij het kruis. Maar....„We hadden de ladders van de peer moeten wegnemen,” zeide een van het volk toen het al beneden in den toren was. „Het waait fel; ze konden losslaan en als zulk eene ladder iemand op het hoofd kreeg, nu, die zou ons geen kwaad meer doen, maar ik geloof dat de Magistraat het ons inpeperen zou.”Dat geloofden de anderen ook en daarom, nog eens naar boven. Zonder dat ze Michiel zagen haalden ze de ladders van de peer enzettendeze zoo, dat ze onmogelijk vallen konden.Thans was het laddergevaar geweken en het werkvolk daalde voor goed naar beneden.En Michiel?Hij genoot, zooals hij nog nimmer op het hoofd of in een bootje op de Schelde genoten had.Wat een vergezicht!Hoe mooi! Hoe schoon!Wat bruiste die zee! Wat rolden die golven met hare witte pluimen! Wat wiegelden die schepen daar in de Wielingen en in de Duerloo!En daar ginder nog verder, nog veel verder, een paar driemasters, die naar de Oost gingen.Kijk, daar was het vaste land van Zeeland, of zooals men toen zeide en nu nog zegt: het land van Cadzand. Wat lag dat nu dichter, veel dichter bij, dan als men op het hoofd of op den Westdijk stond!En hoe gek, het scheen wel dat Middelburg zoo dicht bij lag, dat men er op neerspringen kon. Heel het eiland Walcheren lag daar voor hem uitgespreid. Westersouburg, het kasteel van Aldegonde, het slot Ter Hoghe, Popkensburg, Ter Veere, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle!—Och, och, hoe mooi! Hoe mooi!Daar beneden hem sloeg het twaalf uren.Hij daar boven evenwel, hij hoorde geen klokkenspel spelen en geene klok slaan. Hij zou op het oogenblik niet weten wat hij met de ooren doen zou dan luisteren naar dat bruisen der zee, naar dat heerlijke golvenlied.En zien, ja, zien moest hij, alsof het voor den laatsten keer in zijn leven was, dat hij zien kon.Zijne bruine oogen glommen als stralend vuur, dat van het gloeiend ijzer spat, als de smid het op zijn aanbeeld neerlegt om het te smeden.Hij genoot met volle teugen bij al die heerlijkheid!Maar vooral trok die groote, groote zee met hare rollende golven, dansende schepen en wiegelende tonnen of boeien hem aan.Hij kon evenwel nog hooger.Hij kon tegen het ijzeren kruis opklimmen.Zou hij het doen?Zou hij dien grooten, leelijken haan, die beneden zoo mooi blonk en zoo pieperig klein was, eens met de hand aanraken om te kunnen zeggen: „Wat, wie spreekt er van klimmen? Ik heb den haan van den toren aangeraakt, ja, dat heb ik gedaan!”Zou hij het doen?Maar was er ook gevaar bij? Als hij eens viel!Wat vallen! Hij had zijne handen toch om vast te houden! En als hij wat vast had, een knappe jongen, die het hem van tusschen de stevige vingers kon krijgen! Het was nog geenen enkelen jongen gelukt, dit te doen.Ja, ja, naar boven! Naar boven naar dien leelijken haan, zoo grof en zoo slecht verguld! Moedig naar boven! Voorwaarts! Stevig, ferm vasthouden maar. De beenen om de ijzeren stang! Ha, daar heeft hij het kruis al beet! Nog hooger! Nog hooger! Het is toch nog een heele klim om bij dien haan te komen! Dat zou een mensch, die daar beneden staat niet zeggen. Wel neen, met de hand er aan komen als men op het kruis zit! O, gemakkelijk! Jawel gemakkelijk, morgen brengen! Het is me een sjouw, hoor! Maar—de aanhouder wint. Hij raakt den haan, den leelijken, groven, slecht vergulden haan aan. Hij probeert hem te draaien. Jawel, alsof er eene mug met eenen ijzeren bout wilde wegvliegen! Die wind moet me toch wat mans zijn om zulk eenen haan maar ineens eenen draai te geven, dat hij met den kop net andersom staat, alsjeblief!Maar nu al mooi genoeg! Nog een poosje op het kruis staan en eens beneden naar de markt gekeken.Hij staat er, maar....„Wat! Waar is de markt nu?” mompelt hij.Eindelijk valt ze hem in het oog; maar hoe gek! Ze ligt onder zijne voeten! Als hij naar beneden sprong kwam hij op de Roode brug terecht.En wat deden die boeren en boerinnen gek!Kijk eens, wat een hoop volk stond daar te kijken!Ha, ha, dat wiemelt als in eenen emmer vol muizen! Maar stil, ze schreeuwen wat!Michiel luisterde; hij kon het niet verstaan wat ze riepen.Hij stoorde er zich niet aan ook. Zij zouden zeker roepen: „Och, hemeltje, val toch niet, lieve jongen! Hoe zult gij toch beneden komen?”Beneden komen? Wel, langs de ladders!Daar laat hij zich glijden tot op de peer!„He, hoe leelijk! Die werkmenschen hebben de ladders weggehaald,” bromt hij.„Zeker bang, dat er wind zou komen en dat ze naar beneden zouden rollen, die ladders, weet je! Nu, zoo’n ladder op den knikkerbol en—men is er geweest, secuur geweest.”Michiel zit een poosje stil en denkt na.Hij ziet niet eens wat er in dien emmer met muizen gebeurt, anders zou hij vast lachen.Maar dat lachen zou hem niet mooi staan.Zie, ze komen met dekens en lappen zeil om hem op te vangen. Ze houden hun hart vast. Ze sidderen en beven.Michiel houdt niet zijn hart, maar de ijzeren stang vast en van sidderen en van beven weet hij niemendal.Maar hij moet toch naar beneden!Wacht, hij heeft spijkers in de hakken van zijne schoenen. Hij zal de leien waarmee de peer gedekt is, stuk slaan en aan de spijkers, waaraan ze hangen, zal hij zich met vingers en nagels vastklemmen.„Hoezee! Een goed matroos is nooit verlegen,” roept hij en begint den roekeloozen tocht naar beneden.Hij wordt gelukkig volbracht en hij verdwijnt in den toren.En daar beneden uit „dien emmer met muizen” stijgt één geluid, één klank naar boven: „Goddank!”Ze weten niet wie die koene, neen, wie die drieste klimmersbaas was, die tot schrik van heel de gemeente met zijn leven spotte.Ze loopen naar de torendeur met heele hoopen. Ze willen hem zien. Ze willen en zullen het weten wie die waaghals geweest is!„Op zij! Op zij!”Daar komt een van de Burgemeesters aan. Hij heeft er van gehoord, en is het werkvolk gaan roepen om denknaap te redden. Het schijnt wel een straatjongen te zijn, maar....„Wie is het, Burgemeester, wie is het?”„Och, menschen, zwijgt, ik weet het niet. En hij is al in den toren en van de peer af, zegt ge?”„Ja, Burgemeester! Hij zal zoo wel komen. Daar is hij! Daar is hij!”„Waar is die Michiel? Ikke hebben moet dien Michiel! Daar is hij!” schreeuwde Jan Kompanjie, die kwam aandraven.Het volk, dat zich een oogenblik om den negerknaap verdringt, vergeet naar de torendeur te kijken, en alleen op het geroep van den negerjongen: „Daar is hij!” zien ze op, en, ja, waarlijk, het is Michiel, die ondeugende Michiel van Adriaen, den bierdrager, en van Alida Jans.En—verdwenen is hij.Maar, is hij nergens te vinden, het volk weet hem te wonen en loopt naar zijn huis, waar het zich in eene dichte menigte op elkander hoopt.De straatjeugd speelt er natuurlijk de eerste viool bij.

DERDE HOOFDSTUK.Bij het torenhaantje.„Michiel, hei, Michiel!”Zoo riep den volgenden morgen Jan Kompanjie toen Michiel naar de lijnbaan slenterde.„Wat is er aan de hand?” vroeg Michiel vrij korzelig.„Jij gisteren middag gehad hebt voor die broekie met die latrinkel, hi-hi! Zóó dat ging, klets-klats! Klits-klets!”„Wilt gij er wel eens van zwijgen, sausneger!”„Jij schreeuwde brand en moord!”„Hoe weet gij dat?”„Ikke gehoord heb. Ikke buiten stond. Ikke alles hoorde!”„En aan wien hebt gij het verteld?”„Ikke verteld? Ikke verteld aan Jan!”„Aan welken Jan?”„Aan ikke Jan! Aan Jan Kompanjie!”„Gek van eenen negerjongen, vertelt gij wat aan uzelven?”„Ja. Ikke dacht: dat Dominee toch wel gelijk heeft. Jan Kompanjie de wonderkind is. Ikke speel, jij speelt. Ikke niemendal krijg, jij krijgt voor vier. Ikke dankbaar ben Een wonderkind altijd dankbaar is.„Jij, wonderkind! Ik had je graag van het pak de helft en het overschot willen overdoen!”„Dank je. Ikke dan zijn zou een wonderkind half. Maar wat moeten ze daar uitvoeren?”Dit vragende wees Jan Kompanjie naar het torenkruis waarop de haan draait en waar men een paar werklieden, van beneden gezien niet veel grooter dan poppetjes in eene speelgoedkraam, tegen op zag klauteren.Michiel keek in de aangewezen richting en met oogen, die schitterden van begeerte om ook zoo hoog te zijn, zeide hij: „He, wat zitten die daar heerlijk in den wind!”„Die ver zien. Hoog, heel hoog, ver zien kan. Mijn land zien. In mijn land geene torens zijn. In mijn land bergen. Jij daar bovenop wordt een manneke, groot zoo als mijn duim. Jij dan zien kan het zee waarop dreef die wonderkind op dat plank, tot die wonderkind die koppetje stoot tegen die schippe en dat matrozen hijschen die wonderkind aanboord!”„Ik zou daar ook wel eens willen werken,” zeide Michiel. „Vooral nu, daar ik mijn wiel niet meer kan laten piepen zooals gisteren.”„Michiel gepiept heeft gisteren, toen dat ging voor die broekie, akelig mooi gepiept hebben dat Michiel!”„Pats,” zei Michiel, en gaf den negerknaap eenen draai om de ooren dat hij op den grond tuimelde.„Jij mij slaat leelijk zeer! Waarom?” vroeg Jan toen hij opgestaan was.„Omdat gij alweer over dat pak slaag begint. Ik wil niet hebben, dat gij daar zoo mee te koop loopt.”„Ik niet te koop loop, ik, met die pak slaag. Toch geen mensch koopen zou. Maar die Michiel geleerd heeft van Vader Adriaen, ikke wel weet wat geleerd.”„Wat dan?”„Te geven pats-pats! Ikke zeer doen dat oor! Dat oor ijsheet is!”„Dat behoort zoo, anders helpt het niet,” zeide Michiel.„Hi-hi, dat denken ook Vader Adriaen, de boen Papa,” riep Jan lachend, doch pas had hij dat gezegd of hij maakte dat hij buiten het bereik van Michiels handen kwam.Lachend zag Michiel hem na, mompelde: „Een goedzak van eenen jongen toch, dat moet gezegd worden,” en slenterde naar de lijnbaan waar baas Lorkens zijn „goeden morgen, baas,” beantwoordde met een nijdig: „Zoo, is de slampamper er eindelijk, ja? Kom, kom, geene morgenpraatjes, er is te veel te doen! Vooruit maar, en de schade van gisteren ingehaald.”„Ja, baas,” zei hij droomerig en begon te draaien.Het ging erg langzaam, maar toch gestadig voort en het was elf uur eer Michiel het wist.„Genoeg, Michiel! Houd maar op,” riep baas Lorkens.„Ja, baas!”„Weet ge Sinjeur Pieter Jansz. Seylmaecker, het Lid van de Vroedschap, te wonen?”„Ja, baas! Hij is gisteren nog bij ons geweest.”„Sinjeur Seylmaecker? Wat kwam hij daar toch doen?” vroeg baas Lorkens ongeloovig.„Hij kwam bier bestellen en deed meteen bij Moeder een goed woordje om me maar naar zee te laten gaan.”„Naar zee! Zoudt gij dat inderdaad nu zoo graag willen, Michiel?”„Ja, baas!”„Maar gelooft gij dan, jongen, dat ge het aanboord beter zult hebben dan hier, en dat ge daar ook zulke streken zult kunnen uithalen als gisteren hier in de baan?”„Ik in de baan streken uitgehaald, baas?”„Ja, zeker, streken! Houd u maar zoo onnoozel niet!”„Maar, baas dan!”„Maar, Michiel dan? Weet ge waarover ik gisteren avond toen ik thuis was, gedacht heb?”„Neen, baas.”„Nu, ik dacht zoo bij me zelven: ik wed om wat men wil, dat die kwâjongen er een kunstje op geweten heeft om dat wiel zulk een helsch leven te laten maken.”„Maar, baas!”„Ja, leuke guit! En weet ge wat ik vanmorgen daarom eens gedaan heb, vóór het volk er was?”„Neen, baas!”„Nu, toen ik hier kwam dacht ik: kom ik moet dat boeltje eens even los maken, dat de smid vastgezet heeft.„Ik deed het en zocht toen zóó lang tot ik het piepkunstje vond. Al maar een beetje meer links tot het ophet laatst ging precies als gisteren: Pie-hie-hie-hie-iep! Heb ik het niet goed geraden?”„Ja, baas, ge hebt het kunstje gevonden!”„Jawel, beken het maar, want tegenspreken zou toch niet helpen. Maar zoudt gij nu denken, dat ge aanboord ook zulke streken kunt uithalen zonder dat het „endje touw” voor den dag komt? De Kapiteins van de schepen zijn niet zulke goedzakken, als ik er een ben, hoor! Aanboord is Keesje Knuttel heel gauw tot elks dienst!”„Wie is Keesje Knuttel, baas?”„Dat weet gij ook wel, deugniet! Ik behoef u niet te zeggen, dat Keesje Knuttel een dingetje van gedraaid touw is om iemand, die straf verdiend heeft een warm broekje te geven!”„Keesje Knuttel zeggen de zeelui nooit; ze kennen alleen maar een „endje dag.” Maar als ge nu denkt, dat ik het aanboord ook zoo zou maken als hier, dan zijt gij bezijden de plank, baas!”„Och, jongen, het kwaaddoen zit er bij Michiel zóó muurvast in, dat hij het niet meer laten kan. Kwaaddoen is zijn opstaan en zijn naar bed gaan.”„Hier aan den wal, baas, hier aan den wal!”„En waarom zal dat op zee niet zoo wezen, jongen?”„Omdat ik me daar niet zoo vervelen zal als hier!”„Nu, het kan zijn. Maar bij wien wilde Sinjeur Seylmaecker u aanboord hebben?”„Op een van de schepen van onze Heeren, en dan zou hij maken, dat de „Barre Bruinvisch” mijn zeevader werd.”„Als hij dát kon gedaan krijgen, dan geloof ik ook dat ge op zee nog wat worden kunt, ja! Wat hebt ge ook gedroomd dat ge geworden waart?”„Admiraal, baas!”„Ja, ja, Admiraal! Maar komaan, hier zijn acht strengen paktouw en twintig knuttels bindgaren. Breng die bij Sinjeur Seylmaecker!”„En zal ik, als die boodschap gedaan is, voor den middag terug komen baas?”„Och, dat zou toch maar voor eene minuut of vijf zijn. Neen blijf maar weg! Maar vanmiddag op den tijd, hoor!”„Ja, baas!”Michiel nam de strengen paktouw en de knuttels bindgaren aan en liep zoo hard hij kon heen. Baas Lorkens keek hem na en dacht: „Hij heeft zeker weer wat in den zin, dat hij zoo hard loopt. Ik zal vanmiddag eens vragen wat hij uitgevoerd heeft.”Sinjeur Seylmaecker woonde in de buurt van Michiels Ouders, doch het was er verre af dat Michiel naar huis ging toen hij zijne boodschap gedaan had. Hij had een heel ander plan. Al zoo dikwijls had hij het voornemen gehad eens den Sint-Jacobstoren te beklimmen, doch het was er nog niet van gekomen.En welk eene schoone gelegenheid bood zich thans daartoe aan! Wie weet of er ooit zulk eene zou wederkeeren! Nu of nooit dus, en daarom, vooruit, niet gedraald, haast-je, rep-je!Het was juist groente- en botermarkt en dien dag nog al tamelijk druk door de komst van eenige schepen der Compagnie.Maar voor Michiel was dat geen hinderpaal. Hij wipte over de manden met groenten; hij sprong tusschen de boterkorven; hij kroop tusschen koopers en verkoopers door, zoo handig als men het ooit gezien had.Wel liep hij hier eenen stomp, daar eenen stoot en wat verder eenen draai om de ooren op, maar daar gaf Michiel niet om; hij was aan slagen krijgen al gewoon geraakt.Hij zag dat de wijzer reeds over half twaalf wees. Te twaalf uren ging het werkvolk eten en dan zou de toren wel gesloten worden, dus, geenen tijd verzuimen!De torendeur was evenwel toe, doch toen hij er eens ferm tegen duwde, ontdekte hij, dat ze toch niet op slot,maar alleen stevig aangezet was, om de indringers niet te lokken.En hij de steenen wenteltrap op naar boven tot bij den eersten omgang bij de verweerde wijzerborden, die wel een kwastje verf noodig hadden.Het werkvolk, dat daar in de hoogte zulk een gevaarlijk werk te verrichten had, was, omdat tegen den middag de wind opgestoken was, vóór den bepaalden tijd naar beneden gekomen en stond ook op den omgang toen Michiel er kwam. Hij zag hen terstond, dook weg en zonder hem gezien te hebben daalden de mannen nu de steenen wenteltrap af, terwijl Michiel, vlug als een aap, tegen de vaste ladders met ijzeren sporten hooger klom.Bij de peer, waarop het kruis stond, gekomen, ging het nog hooger tot bij het kruis. Maar....„We hadden de ladders van de peer moeten wegnemen,” zeide een van het volk toen het al beneden in den toren was. „Het waait fel; ze konden losslaan en als zulk eene ladder iemand op het hoofd kreeg, nu, die zou ons geen kwaad meer doen, maar ik geloof dat de Magistraat het ons inpeperen zou.”Dat geloofden de anderen ook en daarom, nog eens naar boven. Zonder dat ze Michiel zagen haalden ze de ladders van de peer enzettendeze zoo, dat ze onmogelijk vallen konden.Thans was het laddergevaar geweken en het werkvolk daalde voor goed naar beneden.En Michiel?Hij genoot, zooals hij nog nimmer op het hoofd of in een bootje op de Schelde genoten had.Wat een vergezicht!Hoe mooi! Hoe schoon!Wat bruiste die zee! Wat rolden die golven met hare witte pluimen! Wat wiegelden die schepen daar in de Wielingen en in de Duerloo!En daar ginder nog verder, nog veel verder, een paar driemasters, die naar de Oost gingen.Kijk, daar was het vaste land van Zeeland, of zooals men toen zeide en nu nog zegt: het land van Cadzand. Wat lag dat nu dichter, veel dichter bij, dan als men op het hoofd of op den Westdijk stond!En hoe gek, het scheen wel dat Middelburg zoo dicht bij lag, dat men er op neerspringen kon. Heel het eiland Walcheren lag daar voor hem uitgespreid. Westersouburg, het kasteel van Aldegonde, het slot Ter Hoghe, Popkensburg, Ter Veere, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle!—Och, och, hoe mooi! Hoe mooi!Daar beneden hem sloeg het twaalf uren.Hij daar boven evenwel, hij hoorde geen klokkenspel spelen en geene klok slaan. Hij zou op het oogenblik niet weten wat hij met de ooren doen zou dan luisteren naar dat bruisen der zee, naar dat heerlijke golvenlied.En zien, ja, zien moest hij, alsof het voor den laatsten keer in zijn leven was, dat hij zien kon.Zijne bruine oogen glommen als stralend vuur, dat van het gloeiend ijzer spat, als de smid het op zijn aanbeeld neerlegt om het te smeden.Hij genoot met volle teugen bij al die heerlijkheid!Maar vooral trok die groote, groote zee met hare rollende golven, dansende schepen en wiegelende tonnen of boeien hem aan.Hij kon evenwel nog hooger.Hij kon tegen het ijzeren kruis opklimmen.Zou hij het doen?Zou hij dien grooten, leelijken haan, die beneden zoo mooi blonk en zoo pieperig klein was, eens met de hand aanraken om te kunnen zeggen: „Wat, wie spreekt er van klimmen? Ik heb den haan van den toren aangeraakt, ja, dat heb ik gedaan!”Zou hij het doen?Maar was er ook gevaar bij? Als hij eens viel!Wat vallen! Hij had zijne handen toch om vast te houden! En als hij wat vast had, een knappe jongen, die het hem van tusschen de stevige vingers kon krijgen! Het was nog geenen enkelen jongen gelukt, dit te doen.Ja, ja, naar boven! Naar boven naar dien leelijken haan, zoo grof en zoo slecht verguld! Moedig naar boven! Voorwaarts! Stevig, ferm vasthouden maar. De beenen om de ijzeren stang! Ha, daar heeft hij het kruis al beet! Nog hooger! Nog hooger! Het is toch nog een heele klim om bij dien haan te komen! Dat zou een mensch, die daar beneden staat niet zeggen. Wel neen, met de hand er aan komen als men op het kruis zit! O, gemakkelijk! Jawel gemakkelijk, morgen brengen! Het is me een sjouw, hoor! Maar—de aanhouder wint. Hij raakt den haan, den leelijken, groven, slecht vergulden haan aan. Hij probeert hem te draaien. Jawel, alsof er eene mug met eenen ijzeren bout wilde wegvliegen! Die wind moet me toch wat mans zijn om zulk eenen haan maar ineens eenen draai te geven, dat hij met den kop net andersom staat, alsjeblief!Maar nu al mooi genoeg! Nog een poosje op het kruis staan en eens beneden naar de markt gekeken.Hij staat er, maar....„Wat! Waar is de markt nu?” mompelt hij.Eindelijk valt ze hem in het oog; maar hoe gek! Ze ligt onder zijne voeten! Als hij naar beneden sprong kwam hij op de Roode brug terecht.En wat deden die boeren en boerinnen gek!Kijk eens, wat een hoop volk stond daar te kijken!Ha, ha, dat wiemelt als in eenen emmer vol muizen! Maar stil, ze schreeuwen wat!Michiel luisterde; hij kon het niet verstaan wat ze riepen.Hij stoorde er zich niet aan ook. Zij zouden zeker roepen: „Och, hemeltje, val toch niet, lieve jongen! Hoe zult gij toch beneden komen?”Beneden komen? Wel, langs de ladders!Daar laat hij zich glijden tot op de peer!„He, hoe leelijk! Die werkmenschen hebben de ladders weggehaald,” bromt hij.„Zeker bang, dat er wind zou komen en dat ze naar beneden zouden rollen, die ladders, weet je! Nu, zoo’n ladder op den knikkerbol en—men is er geweest, secuur geweest.”Michiel zit een poosje stil en denkt na.Hij ziet niet eens wat er in dien emmer met muizen gebeurt, anders zou hij vast lachen.Maar dat lachen zou hem niet mooi staan.Zie, ze komen met dekens en lappen zeil om hem op te vangen. Ze houden hun hart vast. Ze sidderen en beven.Michiel houdt niet zijn hart, maar de ijzeren stang vast en van sidderen en van beven weet hij niemendal.Maar hij moet toch naar beneden!Wacht, hij heeft spijkers in de hakken van zijne schoenen. Hij zal de leien waarmee de peer gedekt is, stuk slaan en aan de spijkers, waaraan ze hangen, zal hij zich met vingers en nagels vastklemmen.„Hoezee! Een goed matroos is nooit verlegen,” roept hij en begint den roekeloozen tocht naar beneden.Hij wordt gelukkig volbracht en hij verdwijnt in den toren.En daar beneden uit „dien emmer met muizen” stijgt één geluid, één klank naar boven: „Goddank!”Ze weten niet wie die koene, neen, wie die drieste klimmersbaas was, die tot schrik van heel de gemeente met zijn leven spotte.Ze loopen naar de torendeur met heele hoopen. Ze willen hem zien. Ze willen en zullen het weten wie die waaghals geweest is!„Op zij! Op zij!”Daar komt een van de Burgemeesters aan. Hij heeft er van gehoord, en is het werkvolk gaan roepen om denknaap te redden. Het schijnt wel een straatjongen te zijn, maar....„Wie is het, Burgemeester, wie is het?”„Och, menschen, zwijgt, ik weet het niet. En hij is al in den toren en van de peer af, zegt ge?”„Ja, Burgemeester! Hij zal zoo wel komen. Daar is hij! Daar is hij!”„Waar is die Michiel? Ikke hebben moet dien Michiel! Daar is hij!” schreeuwde Jan Kompanjie, die kwam aandraven.Het volk, dat zich een oogenblik om den negerknaap verdringt, vergeet naar de torendeur te kijken, en alleen op het geroep van den negerjongen: „Daar is hij!” zien ze op, en, ja, waarlijk, het is Michiel, die ondeugende Michiel van Adriaen, den bierdrager, en van Alida Jans.En—verdwenen is hij.Maar, is hij nergens te vinden, het volk weet hem te wonen en loopt naar zijn huis, waar het zich in eene dichte menigte op elkander hoopt.De straatjeugd speelt er natuurlijk de eerste viool bij.

DERDE HOOFDSTUK.Bij het torenhaantje.

„Michiel, hei, Michiel!”Zoo riep den volgenden morgen Jan Kompanjie toen Michiel naar de lijnbaan slenterde.„Wat is er aan de hand?” vroeg Michiel vrij korzelig.„Jij gisteren middag gehad hebt voor die broekie met die latrinkel, hi-hi! Zóó dat ging, klets-klats! Klits-klets!”„Wilt gij er wel eens van zwijgen, sausneger!”„Jij schreeuwde brand en moord!”„Hoe weet gij dat?”„Ikke gehoord heb. Ikke buiten stond. Ikke alles hoorde!”„En aan wien hebt gij het verteld?”„Ikke verteld? Ikke verteld aan Jan!”„Aan welken Jan?”„Aan ikke Jan! Aan Jan Kompanjie!”„Gek van eenen negerjongen, vertelt gij wat aan uzelven?”„Ja. Ikke dacht: dat Dominee toch wel gelijk heeft. Jan Kompanjie de wonderkind is. Ikke speel, jij speelt. Ikke niemendal krijg, jij krijgt voor vier. Ikke dankbaar ben Een wonderkind altijd dankbaar is.„Jij, wonderkind! Ik had je graag van het pak de helft en het overschot willen overdoen!”„Dank je. Ikke dan zijn zou een wonderkind half. Maar wat moeten ze daar uitvoeren?”Dit vragende wees Jan Kompanjie naar het torenkruis waarop de haan draait en waar men een paar werklieden, van beneden gezien niet veel grooter dan poppetjes in eene speelgoedkraam, tegen op zag klauteren.Michiel keek in de aangewezen richting en met oogen, die schitterden van begeerte om ook zoo hoog te zijn, zeide hij: „He, wat zitten die daar heerlijk in den wind!”„Die ver zien. Hoog, heel hoog, ver zien kan. Mijn land zien. In mijn land geene torens zijn. In mijn land bergen. Jij daar bovenop wordt een manneke, groot zoo als mijn duim. Jij dan zien kan het zee waarop dreef die wonderkind op dat plank, tot die wonderkind die koppetje stoot tegen die schippe en dat matrozen hijschen die wonderkind aanboord!”„Ik zou daar ook wel eens willen werken,” zeide Michiel. „Vooral nu, daar ik mijn wiel niet meer kan laten piepen zooals gisteren.”„Michiel gepiept heeft gisteren, toen dat ging voor die broekie, akelig mooi gepiept hebben dat Michiel!”„Pats,” zei Michiel, en gaf den negerknaap eenen draai om de ooren dat hij op den grond tuimelde.„Jij mij slaat leelijk zeer! Waarom?” vroeg Jan toen hij opgestaan was.„Omdat gij alweer over dat pak slaag begint. Ik wil niet hebben, dat gij daar zoo mee te koop loopt.”„Ik niet te koop loop, ik, met die pak slaag. Toch geen mensch koopen zou. Maar die Michiel geleerd heeft van Vader Adriaen, ikke wel weet wat geleerd.”„Wat dan?”„Te geven pats-pats! Ikke zeer doen dat oor! Dat oor ijsheet is!”„Dat behoort zoo, anders helpt het niet,” zeide Michiel.„Hi-hi, dat denken ook Vader Adriaen, de boen Papa,” riep Jan lachend, doch pas had hij dat gezegd of hij maakte dat hij buiten het bereik van Michiels handen kwam.Lachend zag Michiel hem na, mompelde: „Een goedzak van eenen jongen toch, dat moet gezegd worden,” en slenterde naar de lijnbaan waar baas Lorkens zijn „goeden morgen, baas,” beantwoordde met een nijdig: „Zoo, is de slampamper er eindelijk, ja? Kom, kom, geene morgenpraatjes, er is te veel te doen! Vooruit maar, en de schade van gisteren ingehaald.”„Ja, baas,” zei hij droomerig en begon te draaien.Het ging erg langzaam, maar toch gestadig voort en het was elf uur eer Michiel het wist.„Genoeg, Michiel! Houd maar op,” riep baas Lorkens.„Ja, baas!”„Weet ge Sinjeur Pieter Jansz. Seylmaecker, het Lid van de Vroedschap, te wonen?”„Ja, baas! Hij is gisteren nog bij ons geweest.”„Sinjeur Seylmaecker? Wat kwam hij daar toch doen?” vroeg baas Lorkens ongeloovig.„Hij kwam bier bestellen en deed meteen bij Moeder een goed woordje om me maar naar zee te laten gaan.”„Naar zee! Zoudt gij dat inderdaad nu zoo graag willen, Michiel?”„Ja, baas!”„Maar gelooft gij dan, jongen, dat ge het aanboord beter zult hebben dan hier, en dat ge daar ook zulke streken zult kunnen uithalen als gisteren hier in de baan?”„Ik in de baan streken uitgehaald, baas?”„Ja, zeker, streken! Houd u maar zoo onnoozel niet!”„Maar, baas dan!”„Maar, Michiel dan? Weet ge waarover ik gisteren avond toen ik thuis was, gedacht heb?”„Neen, baas.”„Nu, ik dacht zoo bij me zelven: ik wed om wat men wil, dat die kwâjongen er een kunstje op geweten heeft om dat wiel zulk een helsch leven te laten maken.”„Maar, baas!”„Ja, leuke guit! En weet ge wat ik vanmorgen daarom eens gedaan heb, vóór het volk er was?”„Neen, baas!”„Nu, toen ik hier kwam dacht ik: kom ik moet dat boeltje eens even los maken, dat de smid vastgezet heeft.„Ik deed het en zocht toen zóó lang tot ik het piepkunstje vond. Al maar een beetje meer links tot het ophet laatst ging precies als gisteren: Pie-hie-hie-hie-iep! Heb ik het niet goed geraden?”„Ja, baas, ge hebt het kunstje gevonden!”„Jawel, beken het maar, want tegenspreken zou toch niet helpen. Maar zoudt gij nu denken, dat ge aanboord ook zulke streken kunt uithalen zonder dat het „endje touw” voor den dag komt? De Kapiteins van de schepen zijn niet zulke goedzakken, als ik er een ben, hoor! Aanboord is Keesje Knuttel heel gauw tot elks dienst!”„Wie is Keesje Knuttel, baas?”„Dat weet gij ook wel, deugniet! Ik behoef u niet te zeggen, dat Keesje Knuttel een dingetje van gedraaid touw is om iemand, die straf verdiend heeft een warm broekje te geven!”„Keesje Knuttel zeggen de zeelui nooit; ze kennen alleen maar een „endje dag.” Maar als ge nu denkt, dat ik het aanboord ook zoo zou maken als hier, dan zijt gij bezijden de plank, baas!”„Och, jongen, het kwaaddoen zit er bij Michiel zóó muurvast in, dat hij het niet meer laten kan. Kwaaddoen is zijn opstaan en zijn naar bed gaan.”„Hier aan den wal, baas, hier aan den wal!”„En waarom zal dat op zee niet zoo wezen, jongen?”„Omdat ik me daar niet zoo vervelen zal als hier!”„Nu, het kan zijn. Maar bij wien wilde Sinjeur Seylmaecker u aanboord hebben?”„Op een van de schepen van onze Heeren, en dan zou hij maken, dat de „Barre Bruinvisch” mijn zeevader werd.”„Als hij dát kon gedaan krijgen, dan geloof ik ook dat ge op zee nog wat worden kunt, ja! Wat hebt ge ook gedroomd dat ge geworden waart?”„Admiraal, baas!”„Ja, ja, Admiraal! Maar komaan, hier zijn acht strengen paktouw en twintig knuttels bindgaren. Breng die bij Sinjeur Seylmaecker!”„En zal ik, als die boodschap gedaan is, voor den middag terug komen baas?”„Och, dat zou toch maar voor eene minuut of vijf zijn. Neen blijf maar weg! Maar vanmiddag op den tijd, hoor!”„Ja, baas!”Michiel nam de strengen paktouw en de knuttels bindgaren aan en liep zoo hard hij kon heen. Baas Lorkens keek hem na en dacht: „Hij heeft zeker weer wat in den zin, dat hij zoo hard loopt. Ik zal vanmiddag eens vragen wat hij uitgevoerd heeft.”Sinjeur Seylmaecker woonde in de buurt van Michiels Ouders, doch het was er verre af dat Michiel naar huis ging toen hij zijne boodschap gedaan had. Hij had een heel ander plan. Al zoo dikwijls had hij het voornemen gehad eens den Sint-Jacobstoren te beklimmen, doch het was er nog niet van gekomen.En welk eene schoone gelegenheid bood zich thans daartoe aan! Wie weet of er ooit zulk eene zou wederkeeren! Nu of nooit dus, en daarom, vooruit, niet gedraald, haast-je, rep-je!Het was juist groente- en botermarkt en dien dag nog al tamelijk druk door de komst van eenige schepen der Compagnie.Maar voor Michiel was dat geen hinderpaal. Hij wipte over de manden met groenten; hij sprong tusschen de boterkorven; hij kroop tusschen koopers en verkoopers door, zoo handig als men het ooit gezien had.Wel liep hij hier eenen stomp, daar eenen stoot en wat verder eenen draai om de ooren op, maar daar gaf Michiel niet om; hij was aan slagen krijgen al gewoon geraakt.Hij zag dat de wijzer reeds over half twaalf wees. Te twaalf uren ging het werkvolk eten en dan zou de toren wel gesloten worden, dus, geenen tijd verzuimen!De torendeur was evenwel toe, doch toen hij er eens ferm tegen duwde, ontdekte hij, dat ze toch niet op slot,maar alleen stevig aangezet was, om de indringers niet te lokken.En hij de steenen wenteltrap op naar boven tot bij den eersten omgang bij de verweerde wijzerborden, die wel een kwastje verf noodig hadden.Het werkvolk, dat daar in de hoogte zulk een gevaarlijk werk te verrichten had, was, omdat tegen den middag de wind opgestoken was, vóór den bepaalden tijd naar beneden gekomen en stond ook op den omgang toen Michiel er kwam. Hij zag hen terstond, dook weg en zonder hem gezien te hebben daalden de mannen nu de steenen wenteltrap af, terwijl Michiel, vlug als een aap, tegen de vaste ladders met ijzeren sporten hooger klom.Bij de peer, waarop het kruis stond, gekomen, ging het nog hooger tot bij het kruis. Maar....„We hadden de ladders van de peer moeten wegnemen,” zeide een van het volk toen het al beneden in den toren was. „Het waait fel; ze konden losslaan en als zulk eene ladder iemand op het hoofd kreeg, nu, die zou ons geen kwaad meer doen, maar ik geloof dat de Magistraat het ons inpeperen zou.”Dat geloofden de anderen ook en daarom, nog eens naar boven. Zonder dat ze Michiel zagen haalden ze de ladders van de peer enzettendeze zoo, dat ze onmogelijk vallen konden.Thans was het laddergevaar geweken en het werkvolk daalde voor goed naar beneden.En Michiel?Hij genoot, zooals hij nog nimmer op het hoofd of in een bootje op de Schelde genoten had.Wat een vergezicht!Hoe mooi! Hoe schoon!Wat bruiste die zee! Wat rolden die golven met hare witte pluimen! Wat wiegelden die schepen daar in de Wielingen en in de Duerloo!En daar ginder nog verder, nog veel verder, een paar driemasters, die naar de Oost gingen.Kijk, daar was het vaste land van Zeeland, of zooals men toen zeide en nu nog zegt: het land van Cadzand. Wat lag dat nu dichter, veel dichter bij, dan als men op het hoofd of op den Westdijk stond!En hoe gek, het scheen wel dat Middelburg zoo dicht bij lag, dat men er op neerspringen kon. Heel het eiland Walcheren lag daar voor hem uitgespreid. Westersouburg, het kasteel van Aldegonde, het slot Ter Hoghe, Popkensburg, Ter Veere, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle!—Och, och, hoe mooi! Hoe mooi!Daar beneden hem sloeg het twaalf uren.Hij daar boven evenwel, hij hoorde geen klokkenspel spelen en geene klok slaan. Hij zou op het oogenblik niet weten wat hij met de ooren doen zou dan luisteren naar dat bruisen der zee, naar dat heerlijke golvenlied.En zien, ja, zien moest hij, alsof het voor den laatsten keer in zijn leven was, dat hij zien kon.Zijne bruine oogen glommen als stralend vuur, dat van het gloeiend ijzer spat, als de smid het op zijn aanbeeld neerlegt om het te smeden.Hij genoot met volle teugen bij al die heerlijkheid!Maar vooral trok die groote, groote zee met hare rollende golven, dansende schepen en wiegelende tonnen of boeien hem aan.Hij kon evenwel nog hooger.Hij kon tegen het ijzeren kruis opklimmen.Zou hij het doen?Zou hij dien grooten, leelijken haan, die beneden zoo mooi blonk en zoo pieperig klein was, eens met de hand aanraken om te kunnen zeggen: „Wat, wie spreekt er van klimmen? Ik heb den haan van den toren aangeraakt, ja, dat heb ik gedaan!”Zou hij het doen?Maar was er ook gevaar bij? Als hij eens viel!Wat vallen! Hij had zijne handen toch om vast te houden! En als hij wat vast had, een knappe jongen, die het hem van tusschen de stevige vingers kon krijgen! Het was nog geenen enkelen jongen gelukt, dit te doen.Ja, ja, naar boven! Naar boven naar dien leelijken haan, zoo grof en zoo slecht verguld! Moedig naar boven! Voorwaarts! Stevig, ferm vasthouden maar. De beenen om de ijzeren stang! Ha, daar heeft hij het kruis al beet! Nog hooger! Nog hooger! Het is toch nog een heele klim om bij dien haan te komen! Dat zou een mensch, die daar beneden staat niet zeggen. Wel neen, met de hand er aan komen als men op het kruis zit! O, gemakkelijk! Jawel gemakkelijk, morgen brengen! Het is me een sjouw, hoor! Maar—de aanhouder wint. Hij raakt den haan, den leelijken, groven, slecht vergulden haan aan. Hij probeert hem te draaien. Jawel, alsof er eene mug met eenen ijzeren bout wilde wegvliegen! Die wind moet me toch wat mans zijn om zulk eenen haan maar ineens eenen draai te geven, dat hij met den kop net andersom staat, alsjeblief!Maar nu al mooi genoeg! Nog een poosje op het kruis staan en eens beneden naar de markt gekeken.Hij staat er, maar....„Wat! Waar is de markt nu?” mompelt hij.Eindelijk valt ze hem in het oog; maar hoe gek! Ze ligt onder zijne voeten! Als hij naar beneden sprong kwam hij op de Roode brug terecht.En wat deden die boeren en boerinnen gek!Kijk eens, wat een hoop volk stond daar te kijken!Ha, ha, dat wiemelt als in eenen emmer vol muizen! Maar stil, ze schreeuwen wat!Michiel luisterde; hij kon het niet verstaan wat ze riepen.Hij stoorde er zich niet aan ook. Zij zouden zeker roepen: „Och, hemeltje, val toch niet, lieve jongen! Hoe zult gij toch beneden komen?”Beneden komen? Wel, langs de ladders!Daar laat hij zich glijden tot op de peer!„He, hoe leelijk! Die werkmenschen hebben de ladders weggehaald,” bromt hij.„Zeker bang, dat er wind zou komen en dat ze naar beneden zouden rollen, die ladders, weet je! Nu, zoo’n ladder op den knikkerbol en—men is er geweest, secuur geweest.”Michiel zit een poosje stil en denkt na.Hij ziet niet eens wat er in dien emmer met muizen gebeurt, anders zou hij vast lachen.Maar dat lachen zou hem niet mooi staan.Zie, ze komen met dekens en lappen zeil om hem op te vangen. Ze houden hun hart vast. Ze sidderen en beven.Michiel houdt niet zijn hart, maar de ijzeren stang vast en van sidderen en van beven weet hij niemendal.Maar hij moet toch naar beneden!Wacht, hij heeft spijkers in de hakken van zijne schoenen. Hij zal de leien waarmee de peer gedekt is, stuk slaan en aan de spijkers, waaraan ze hangen, zal hij zich met vingers en nagels vastklemmen.„Hoezee! Een goed matroos is nooit verlegen,” roept hij en begint den roekeloozen tocht naar beneden.Hij wordt gelukkig volbracht en hij verdwijnt in den toren.En daar beneden uit „dien emmer met muizen” stijgt één geluid, één klank naar boven: „Goddank!”Ze weten niet wie die koene, neen, wie die drieste klimmersbaas was, die tot schrik van heel de gemeente met zijn leven spotte.Ze loopen naar de torendeur met heele hoopen. Ze willen hem zien. Ze willen en zullen het weten wie die waaghals geweest is!„Op zij! Op zij!”Daar komt een van de Burgemeesters aan. Hij heeft er van gehoord, en is het werkvolk gaan roepen om denknaap te redden. Het schijnt wel een straatjongen te zijn, maar....„Wie is het, Burgemeester, wie is het?”„Och, menschen, zwijgt, ik weet het niet. En hij is al in den toren en van de peer af, zegt ge?”„Ja, Burgemeester! Hij zal zoo wel komen. Daar is hij! Daar is hij!”„Waar is die Michiel? Ikke hebben moet dien Michiel! Daar is hij!” schreeuwde Jan Kompanjie, die kwam aandraven.Het volk, dat zich een oogenblik om den negerknaap verdringt, vergeet naar de torendeur te kijken, en alleen op het geroep van den negerjongen: „Daar is hij!” zien ze op, en, ja, waarlijk, het is Michiel, die ondeugende Michiel van Adriaen, den bierdrager, en van Alida Jans.En—verdwenen is hij.Maar, is hij nergens te vinden, het volk weet hem te wonen en loopt naar zijn huis, waar het zich in eene dichte menigte op elkander hoopt.De straatjeugd speelt er natuurlijk de eerste viool bij.

„Michiel, hei, Michiel!”

Zoo riep den volgenden morgen Jan Kompanjie toen Michiel naar de lijnbaan slenterde.

„Wat is er aan de hand?” vroeg Michiel vrij korzelig.

„Jij gisteren middag gehad hebt voor die broekie met die latrinkel, hi-hi! Zóó dat ging, klets-klats! Klits-klets!”

„Wilt gij er wel eens van zwijgen, sausneger!”

„Jij schreeuwde brand en moord!”

„Hoe weet gij dat?”

„Ikke gehoord heb. Ikke buiten stond. Ikke alles hoorde!”

„En aan wien hebt gij het verteld?”

„Ikke verteld? Ikke verteld aan Jan!”

„Aan welken Jan?”

„Aan ikke Jan! Aan Jan Kompanjie!”

„Gek van eenen negerjongen, vertelt gij wat aan uzelven?”

„Ja. Ikke dacht: dat Dominee toch wel gelijk heeft. Jan Kompanjie de wonderkind is. Ikke speel, jij speelt. Ikke niemendal krijg, jij krijgt voor vier. Ikke dankbaar ben Een wonderkind altijd dankbaar is.

„Jij, wonderkind! Ik had je graag van het pak de helft en het overschot willen overdoen!”

„Dank je. Ikke dan zijn zou een wonderkind half. Maar wat moeten ze daar uitvoeren?”

Dit vragende wees Jan Kompanjie naar het torenkruis waarop de haan draait en waar men een paar werklieden, van beneden gezien niet veel grooter dan poppetjes in eene speelgoedkraam, tegen op zag klauteren.

Michiel keek in de aangewezen richting en met oogen, die schitterden van begeerte om ook zoo hoog te zijn, zeide hij: „He, wat zitten die daar heerlijk in den wind!”

„Die ver zien. Hoog, heel hoog, ver zien kan. Mijn land zien. In mijn land geene torens zijn. In mijn land bergen. Jij daar bovenop wordt een manneke, groot zoo als mijn duim. Jij dan zien kan het zee waarop dreef die wonderkind op dat plank, tot die wonderkind die koppetje stoot tegen die schippe en dat matrozen hijschen die wonderkind aanboord!”

„Ik zou daar ook wel eens willen werken,” zeide Michiel. „Vooral nu, daar ik mijn wiel niet meer kan laten piepen zooals gisteren.”

„Michiel gepiept heeft gisteren, toen dat ging voor die broekie, akelig mooi gepiept hebben dat Michiel!”

„Pats,” zei Michiel, en gaf den negerknaap eenen draai om de ooren dat hij op den grond tuimelde.

„Jij mij slaat leelijk zeer! Waarom?” vroeg Jan toen hij opgestaan was.

„Omdat gij alweer over dat pak slaag begint. Ik wil niet hebben, dat gij daar zoo mee te koop loopt.”

„Ik niet te koop loop, ik, met die pak slaag. Toch geen mensch koopen zou. Maar die Michiel geleerd heeft van Vader Adriaen, ikke wel weet wat geleerd.”

„Wat dan?”

„Te geven pats-pats! Ikke zeer doen dat oor! Dat oor ijsheet is!”

„Dat behoort zoo, anders helpt het niet,” zeide Michiel.

„Hi-hi, dat denken ook Vader Adriaen, de boen Papa,” riep Jan lachend, doch pas had hij dat gezegd of hij maakte dat hij buiten het bereik van Michiels handen kwam.

Lachend zag Michiel hem na, mompelde: „Een goedzak van eenen jongen toch, dat moet gezegd worden,” en slenterde naar de lijnbaan waar baas Lorkens zijn „goeden morgen, baas,” beantwoordde met een nijdig: „Zoo, is de slampamper er eindelijk, ja? Kom, kom, geene morgenpraatjes, er is te veel te doen! Vooruit maar, en de schade van gisteren ingehaald.”

„Ja, baas,” zei hij droomerig en begon te draaien.

Het ging erg langzaam, maar toch gestadig voort en het was elf uur eer Michiel het wist.

„Genoeg, Michiel! Houd maar op,” riep baas Lorkens.

„Ja, baas!”

„Weet ge Sinjeur Pieter Jansz. Seylmaecker, het Lid van de Vroedschap, te wonen?”

„Ja, baas! Hij is gisteren nog bij ons geweest.”

„Sinjeur Seylmaecker? Wat kwam hij daar toch doen?” vroeg baas Lorkens ongeloovig.

„Hij kwam bier bestellen en deed meteen bij Moeder een goed woordje om me maar naar zee te laten gaan.”

„Naar zee! Zoudt gij dat inderdaad nu zoo graag willen, Michiel?”

„Ja, baas!”

„Maar gelooft gij dan, jongen, dat ge het aanboord beter zult hebben dan hier, en dat ge daar ook zulke streken zult kunnen uithalen als gisteren hier in de baan?”

„Ik in de baan streken uitgehaald, baas?”

„Ja, zeker, streken! Houd u maar zoo onnoozel niet!”

„Maar, baas dan!”

„Maar, Michiel dan? Weet ge waarover ik gisteren avond toen ik thuis was, gedacht heb?”

„Neen, baas.”

„Nu, ik dacht zoo bij me zelven: ik wed om wat men wil, dat die kwâjongen er een kunstje op geweten heeft om dat wiel zulk een helsch leven te laten maken.”

„Maar, baas!”

„Ja, leuke guit! En weet ge wat ik vanmorgen daarom eens gedaan heb, vóór het volk er was?”

„Neen, baas!”

„Nu, toen ik hier kwam dacht ik: kom ik moet dat boeltje eens even los maken, dat de smid vastgezet heeft.

„Ik deed het en zocht toen zóó lang tot ik het piepkunstje vond. Al maar een beetje meer links tot het ophet laatst ging precies als gisteren: Pie-hie-hie-hie-iep! Heb ik het niet goed geraden?”

„Ja, baas, ge hebt het kunstje gevonden!”

„Jawel, beken het maar, want tegenspreken zou toch niet helpen. Maar zoudt gij nu denken, dat ge aanboord ook zulke streken kunt uithalen zonder dat het „endje touw” voor den dag komt? De Kapiteins van de schepen zijn niet zulke goedzakken, als ik er een ben, hoor! Aanboord is Keesje Knuttel heel gauw tot elks dienst!”

„Wie is Keesje Knuttel, baas?”

„Dat weet gij ook wel, deugniet! Ik behoef u niet te zeggen, dat Keesje Knuttel een dingetje van gedraaid touw is om iemand, die straf verdiend heeft een warm broekje te geven!”

„Keesje Knuttel zeggen de zeelui nooit; ze kennen alleen maar een „endje dag.” Maar als ge nu denkt, dat ik het aanboord ook zoo zou maken als hier, dan zijt gij bezijden de plank, baas!”

„Och, jongen, het kwaaddoen zit er bij Michiel zóó muurvast in, dat hij het niet meer laten kan. Kwaaddoen is zijn opstaan en zijn naar bed gaan.”

„Hier aan den wal, baas, hier aan den wal!”

„En waarom zal dat op zee niet zoo wezen, jongen?”

„Omdat ik me daar niet zoo vervelen zal als hier!”

„Nu, het kan zijn. Maar bij wien wilde Sinjeur Seylmaecker u aanboord hebben?”

„Op een van de schepen van onze Heeren, en dan zou hij maken, dat de „Barre Bruinvisch” mijn zeevader werd.”

„Als hij dát kon gedaan krijgen, dan geloof ik ook dat ge op zee nog wat worden kunt, ja! Wat hebt ge ook gedroomd dat ge geworden waart?”

„Admiraal, baas!”

„Ja, ja, Admiraal! Maar komaan, hier zijn acht strengen paktouw en twintig knuttels bindgaren. Breng die bij Sinjeur Seylmaecker!”

„En zal ik, als die boodschap gedaan is, voor den middag terug komen baas?”

„Och, dat zou toch maar voor eene minuut of vijf zijn. Neen blijf maar weg! Maar vanmiddag op den tijd, hoor!”

„Ja, baas!”

Michiel nam de strengen paktouw en de knuttels bindgaren aan en liep zoo hard hij kon heen. Baas Lorkens keek hem na en dacht: „Hij heeft zeker weer wat in den zin, dat hij zoo hard loopt. Ik zal vanmiddag eens vragen wat hij uitgevoerd heeft.”

Sinjeur Seylmaecker woonde in de buurt van Michiels Ouders, doch het was er verre af dat Michiel naar huis ging toen hij zijne boodschap gedaan had. Hij had een heel ander plan. Al zoo dikwijls had hij het voornemen gehad eens den Sint-Jacobstoren te beklimmen, doch het was er nog niet van gekomen.

En welk eene schoone gelegenheid bood zich thans daartoe aan! Wie weet of er ooit zulk eene zou wederkeeren! Nu of nooit dus, en daarom, vooruit, niet gedraald, haast-je, rep-je!

Het was juist groente- en botermarkt en dien dag nog al tamelijk druk door de komst van eenige schepen der Compagnie.

Maar voor Michiel was dat geen hinderpaal. Hij wipte over de manden met groenten; hij sprong tusschen de boterkorven; hij kroop tusschen koopers en verkoopers door, zoo handig als men het ooit gezien had.

Wel liep hij hier eenen stomp, daar eenen stoot en wat verder eenen draai om de ooren op, maar daar gaf Michiel niet om; hij was aan slagen krijgen al gewoon geraakt.

Hij zag dat de wijzer reeds over half twaalf wees. Te twaalf uren ging het werkvolk eten en dan zou de toren wel gesloten worden, dus, geenen tijd verzuimen!

De torendeur was evenwel toe, doch toen hij er eens ferm tegen duwde, ontdekte hij, dat ze toch niet op slot,maar alleen stevig aangezet was, om de indringers niet te lokken.

En hij de steenen wenteltrap op naar boven tot bij den eersten omgang bij de verweerde wijzerborden, die wel een kwastje verf noodig hadden.

Het werkvolk, dat daar in de hoogte zulk een gevaarlijk werk te verrichten had, was, omdat tegen den middag de wind opgestoken was, vóór den bepaalden tijd naar beneden gekomen en stond ook op den omgang toen Michiel er kwam. Hij zag hen terstond, dook weg en zonder hem gezien te hebben daalden de mannen nu de steenen wenteltrap af, terwijl Michiel, vlug als een aap, tegen de vaste ladders met ijzeren sporten hooger klom.

Bij de peer, waarop het kruis stond, gekomen, ging het nog hooger tot bij het kruis. Maar....

„We hadden de ladders van de peer moeten wegnemen,” zeide een van het volk toen het al beneden in den toren was. „Het waait fel; ze konden losslaan en als zulk eene ladder iemand op het hoofd kreeg, nu, die zou ons geen kwaad meer doen, maar ik geloof dat de Magistraat het ons inpeperen zou.”

Dat geloofden de anderen ook en daarom, nog eens naar boven. Zonder dat ze Michiel zagen haalden ze de ladders van de peer enzettendeze zoo, dat ze onmogelijk vallen konden.

Thans was het laddergevaar geweken en het werkvolk daalde voor goed naar beneden.

En Michiel?

Hij genoot, zooals hij nog nimmer op het hoofd of in een bootje op de Schelde genoten had.

Wat een vergezicht!

Hoe mooi! Hoe schoon!

Wat bruiste die zee! Wat rolden die golven met hare witte pluimen! Wat wiegelden die schepen daar in de Wielingen en in de Duerloo!

En daar ginder nog verder, nog veel verder, een paar driemasters, die naar de Oost gingen.

Kijk, daar was het vaste land van Zeeland, of zooals men toen zeide en nu nog zegt: het land van Cadzand. Wat lag dat nu dichter, veel dichter bij, dan als men op het hoofd of op den Westdijk stond!

En hoe gek, het scheen wel dat Middelburg zoo dicht bij lag, dat men er op neerspringen kon. Heel het eiland Walcheren lag daar voor hem uitgespreid. Westersouburg, het kasteel van Aldegonde, het slot Ter Hoghe, Popkensburg, Ter Veere, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle!—Och, och, hoe mooi! Hoe mooi!

Daar beneden hem sloeg het twaalf uren.

Hij daar boven evenwel, hij hoorde geen klokkenspel spelen en geene klok slaan. Hij zou op het oogenblik niet weten wat hij met de ooren doen zou dan luisteren naar dat bruisen der zee, naar dat heerlijke golvenlied.

En zien, ja, zien moest hij, alsof het voor den laatsten keer in zijn leven was, dat hij zien kon.

Zijne bruine oogen glommen als stralend vuur, dat van het gloeiend ijzer spat, als de smid het op zijn aanbeeld neerlegt om het te smeden.

Hij genoot met volle teugen bij al die heerlijkheid!

Maar vooral trok die groote, groote zee met hare rollende golven, dansende schepen en wiegelende tonnen of boeien hem aan.

Hij kon evenwel nog hooger.

Hij kon tegen het ijzeren kruis opklimmen.

Zou hij het doen?

Zou hij dien grooten, leelijken haan, die beneden zoo mooi blonk en zoo pieperig klein was, eens met de hand aanraken om te kunnen zeggen: „Wat, wie spreekt er van klimmen? Ik heb den haan van den toren aangeraakt, ja, dat heb ik gedaan!”

Zou hij het doen?

Maar was er ook gevaar bij? Als hij eens viel!

Wat vallen! Hij had zijne handen toch om vast te houden! En als hij wat vast had, een knappe jongen, die het hem van tusschen de stevige vingers kon krijgen! Het was nog geenen enkelen jongen gelukt, dit te doen.

Ja, ja, naar boven! Naar boven naar dien leelijken haan, zoo grof en zoo slecht verguld! Moedig naar boven! Voorwaarts! Stevig, ferm vasthouden maar. De beenen om de ijzeren stang! Ha, daar heeft hij het kruis al beet! Nog hooger! Nog hooger! Het is toch nog een heele klim om bij dien haan te komen! Dat zou een mensch, die daar beneden staat niet zeggen. Wel neen, met de hand er aan komen als men op het kruis zit! O, gemakkelijk! Jawel gemakkelijk, morgen brengen! Het is me een sjouw, hoor! Maar—de aanhouder wint. Hij raakt den haan, den leelijken, groven, slecht vergulden haan aan. Hij probeert hem te draaien. Jawel, alsof er eene mug met eenen ijzeren bout wilde wegvliegen! Die wind moet me toch wat mans zijn om zulk eenen haan maar ineens eenen draai te geven, dat hij met den kop net andersom staat, alsjeblief!

Maar nu al mooi genoeg! Nog een poosje op het kruis staan en eens beneden naar de markt gekeken.

Hij staat er, maar....

„Wat! Waar is de markt nu?” mompelt hij.

Eindelijk valt ze hem in het oog; maar hoe gek! Ze ligt onder zijne voeten! Als hij naar beneden sprong kwam hij op de Roode brug terecht.

En wat deden die boeren en boerinnen gek!

Kijk eens, wat een hoop volk stond daar te kijken!

Ha, ha, dat wiemelt als in eenen emmer vol muizen! Maar stil, ze schreeuwen wat!

Michiel luisterde; hij kon het niet verstaan wat ze riepen.

Hij stoorde er zich niet aan ook. Zij zouden zeker roepen: „Och, hemeltje, val toch niet, lieve jongen! Hoe zult gij toch beneden komen?”

Beneden komen? Wel, langs de ladders!

Daar laat hij zich glijden tot op de peer!

„He, hoe leelijk! Die werkmenschen hebben de ladders weggehaald,” bromt hij.

„Zeker bang, dat er wind zou komen en dat ze naar beneden zouden rollen, die ladders, weet je! Nu, zoo’n ladder op den knikkerbol en—men is er geweest, secuur geweest.”

Michiel zit een poosje stil en denkt na.

Hij ziet niet eens wat er in dien emmer met muizen gebeurt, anders zou hij vast lachen.

Maar dat lachen zou hem niet mooi staan.

Zie, ze komen met dekens en lappen zeil om hem op te vangen. Ze houden hun hart vast. Ze sidderen en beven.

Michiel houdt niet zijn hart, maar de ijzeren stang vast en van sidderen en van beven weet hij niemendal.

Maar hij moet toch naar beneden!

Wacht, hij heeft spijkers in de hakken van zijne schoenen. Hij zal de leien waarmee de peer gedekt is, stuk slaan en aan de spijkers, waaraan ze hangen, zal hij zich met vingers en nagels vastklemmen.

„Hoezee! Een goed matroos is nooit verlegen,” roept hij en begint den roekeloozen tocht naar beneden.

Hij wordt gelukkig volbracht en hij verdwijnt in den toren.

En daar beneden uit „dien emmer met muizen” stijgt één geluid, één klank naar boven: „Goddank!”

Ze weten niet wie die koene, neen, wie die drieste klimmersbaas was, die tot schrik van heel de gemeente met zijn leven spotte.

Ze loopen naar de torendeur met heele hoopen. Ze willen hem zien. Ze willen en zullen het weten wie die waaghals geweest is!

„Op zij! Op zij!”

Daar komt een van de Burgemeesters aan. Hij heeft er van gehoord, en is het werkvolk gaan roepen om denknaap te redden. Het schijnt wel een straatjongen te zijn, maar....

„Wie is het, Burgemeester, wie is het?”

„Och, menschen, zwijgt, ik weet het niet. En hij is al in den toren en van de peer af, zegt ge?”

„Ja, Burgemeester! Hij zal zoo wel komen. Daar is hij! Daar is hij!”

„Waar is die Michiel? Ikke hebben moet dien Michiel! Daar is hij!” schreeuwde Jan Kompanjie, die kwam aandraven.

Het volk, dat zich een oogenblik om den negerknaap verdringt, vergeet naar de torendeur te kijken, en alleen op het geroep van den negerjongen: „Daar is hij!” zien ze op, en, ja, waarlijk, het is Michiel, die ondeugende Michiel van Adriaen, den bierdrager, en van Alida Jans.

En—verdwenen is hij.

Maar, is hij nergens te vinden, het volk weet hem te wonen en loopt naar zijn huis, waar het zich in eene dichte menigte op elkander hoopt.

De straatjeugd speelt er natuurlijk de eerste viool bij.


Back to IndexNext