VIERDE HOOFDSTUK.De „Barre Bruinvisch.”„Wat zou er toch te doen zijn, Moeder?” vroeg Alida, de oudste zuster van Michiel.„Och, ik weet het niet, kind! Eet maar,” zegt Moeder.Men had zich maar aan tafel gezet en was op den gewonen tijd begonnen met eten. Op Michiel werd nooit gewacht; die kwam zoo dikwijls te laat.Het maal was weldra verdwenen, ditmaal echter in de magen der kinderen.Moeder had zoo goed als niets gegeten en Vader ook niet.Dat Vader Adriaen den pot geene eere aandeed, gebeurde maar zelden en dan moest er wel wat bijzonders gebeurd zijn.Dat was evenwel toch nu het geval niet; want dat Michiel, die aartsdeugniet er niet was, zie, dat was geene reden. Als hij daarom het eten moest laten staan, dan ging hij van de zeven dagen, die er in de week zijn, zeker drie zonder gegeten te hebben van tafel.En toch schoof Vader Adriaen onrustig op zijnen stoel heen en weer, en keek telkens, zoo tersluiks zijne vrouw aan, die maar strak voor zich zat te kijken.Maar wat haperde er dan toch aan Vader Adriaen?Stil, ik geloof dat ik het weet.Hij is boos, erg boos, en voor Michiel is een spiksplinternieuw pak in den maak. Ditmaal zal het geen afleggertje zijn, evenmin als gisteren, en evenmin als al de andere pakken en pakjes, die zijn Vader hem gemaakt en kant en klaar geleverd heeft. De goede man wist het wel, dat afleggertjes bij jongens niet gewild zijn! Die kreeg hij dan ook maar alleen van zijne lieve, goede Moeder, die soms tot diep in den nacht bezig was om zoogenaamd van oud weer nieuw te maken.En dat nieuwe pak van gisteren nu al versleten!Hoe kon dat in de wereld mogelijk zijn?Had Vader Adriaen niet gezegd: Het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit? Had hij denkwâjongenniet geranseld, niet zóó geranseld, dat de schelm een sloksken koud water moest hebben om niet van zijn stokje te rollen? En nu al vergeten!Weer schoof Vader Adriaen naar den anderen kant van zijnen stoel, en keek het kleine vertrek rond.Moeder Alida, die maar voor zich keek, voelde dat haar man iets zocht en angstig keek ze even naar de groote vuurtang, die in het hoekje van den haard stond.Op hetzelfde oogenblik dat Moeder dit deed, deed Vaderhet ook en hij dacht: „Helpen rinkellatten niet, dan de tang maar. Ik zeg: het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit.”„Maar wat zou er toch te doen zijn?” zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, terwijl hij met eten opeens ophield.„Hoor dat volk eens joelen en schreeuwen,” merkte een der jongeren ongeduldig aan.„Zie, daar kijkt die leelijke negerjongen door het raam,” riep Alida. „Wat moet die hier komen scharrelen?”„En daar zijn Pieter en Geleyn Evertsen ook,” zeide Dirk.„Och, we zijn toch klaar met eten! Zouden we maar niet danken, Adriaen?” sprak Moeder.Vader gaf geen antwoord; hij scheen het niet te verstaan.„Zouden we maar niet danken, Adriaen?” vroeg Moeder andermaal, doch erg angstig en bevend.Nu hoorde Vader wat; maar het rechte toch niet en daarom zei hij: „Wat vraagt gij daar, Moeder?”„Of we maar niet danken zouden?”„Ik dacht dat we het al gedaan hadden! Jan, dank vanmiddag maar, jongen! Ik kan het niet.”Vader en jongens hielden de mutsen voor de oogen; Moeder en de meisjes vouwden de handen samen en bogen zich voorover, en Jan dankte.Nauwelijks evenwel had hij „Amen” gezegd of de kinderen stoven van hunne zitplaatsen op.„Hei, hei, waar dat heen? Moet ge niet eten?” vroeg Vader.„Maar, Adriaen!” zei Moeder Alida, „hoe heb ik het nu? Wij hebben immers zóó gedankt!”„O, ja, dat is waar ook. Nu, vooruit dan maar!”De kinderen liepen de deur uit, doch het leed geene minuut, of Alida vloog weer naar binnen en riep: „Moeder, Vader, Michiel heeft boven op den toren gezeten!”„O, God, en is er af gevallen!” riepen Vader en Moeder bijna tegelijk.De tang viel uit Vaders handen en de man met dat hart, zoo onvermurwbaar hard, waggelde waar hij stond en moest zich vasthouden om niet te vallen.Wist gij het wel, Michiel, dat uw Vader u zoo lief had, ja, niet minder lief zelfs dan uwe al te teerhartige en toegevende Moeder?Wist gij het wel, eerste van Vlissingens straatjongens, welk eene groote plaats gij beslaat in het hart van den man, die niet uit lust tot slaan zeide: „Het kwaad moet er uit en zal er uit,” maar alleen uit liefde voor u?Wist gij het, bengel, dat het ook van een Vaderhart waar is: „Van buiten is niet alles te zien, wat binnen te koop is”?„Dood gevallen?” vroeg Vader nog eens, maar op eenen toon, alsof hij het niemand anders dan zichzelven vroeg.„Neen, Vader,” zei nu weer een ander der kinderen, „hij is heelhuids beneden gekomen. Maar waar hij nu is weten ze niet.”„Hij geklommen is op den toren, ja! Hij geweest is bij het haan, heelemaal bij het haan. Ik het gezien heb.„En weg waren de ladders. Hij trapt stuk die lei en nog die lei en trapt weer stuk die lei en nog die lei, en klautert zoo naar beneden langs dat peer. Al die volk wit zag. Ik ook, wit, heelemaal wit en ik koû kreeg. Die Burgemeester gekomen is met dat twee man om te haal Michiel. Ik Michiel spreek moest. Maar Michiel gauw weg was. Wij dachten hij naar huis is. Wij liep een, twee, drie, vier, vijf, allemaal naar hier. Wij zien wilden hoe Michiel weer krijgen zou en dan wij vraag wilden: „Niet slaan Michiel! Michiel een jongen is, die heeft moed!””Met alle aandacht hadden Vader en Moeder en de kinderen naar de wartaal van Jan geluisterd, en juist wilde Vader nog een en ander vragen toen daar buiten een oorverdoovend geschreeuw opsteeg: „Daar is de belhamel! Daar is Michiel!”Gedragen door zes jongens, waarbij nu ook Pieter en Geleyn Evertsen waren, die hem, niet te huis vindende,weer elders gezocht en gevonden hadden, en gevolgd door alles wat Vlissingen aan straatjeugd had, naderde de dolle troep al meer het huis van Michiel.De Ouders en kinderen vlogen naar buiten en Moeder Alida, zich geenen tijd gunnende hare muilen aan te trekken, liep op de kousen haren zoon, dien grooten waaghals, te gemoet en haren man, die zijne „flauwigheid” vergeten en weer de tang opgenomen had, voorbij.Weldra stond ze temidden der woelende en joelende belhamels.„Fij, rauwe gasten, wat stelt gij uzelven gemeen aan! Kom hier, Michiel,” riep ze.„Jongens, dat is Moeder Alida, de Moeder van onzen Koning!” riep Geleyn Evertsen.„Gauw, jongens, een hoezee voor Moeder Alida!” schreeuwde Pieter zoo hard als zijne jongenskeel dit toeliet.En daverend klonk het uit honderden monden, van grooten zelfs zoowel als van kleinen: „Hoezee! Leve Moeder Alida! Leve de Moeder van Michiel!”„Hoezee! Leve mijne lieve, goede Moeder!” riep Michiel.„Roep dat nog eens, Michiel,” zeiden de jongens en hieven hunnen Koning in de hoogte.Wip, daar stond de Vorst der straatbengels op de schouders zijner makkers. Hij gooide zijne muts in de hoogte en terwijl de zoele westenwind langs zijne vuurroode wangen streek en zijne bruine haren deed golven, riep hij weer met stralende oogen: „Leve mijne goede, lieve Moeder! Hoezee! Hoezee!”„Hoezee!” brulde men hem na, en als op een gegeven teeken sloot het volk zich om de Moeder en de jongens heen, en begon al dansende te zingen:„Lang zal zij leven!Honderd jaar na dezen!Lang zal zij levenMoeder Alida!”Opeens sprong Michiel van de schouders der jongens op de straat, en zijne Moeder om den hals vallende, zei hij: „En wees niet boos, goed, lief, best Moedertje! Het was daar boven zoo mooi! Ga mee naar binnen dan zal ik vertellen, wat ik daar in de hoogte gezien heb!”„O, God, lieve, lieve jongen, uw Vader! Wat zal er van u groeien? Kind, kind, ge doet uwen Vader zooveel verdriet en mij zoo ontzettend veel pijn,” sprak ze en gaf hem eenen kus op zijne gloeiende wangen.En het volk om hen heen scheen maar niet moede te kunnen worden, en juichte maar altijd door:„Lang zal zij levenMoeder Alida!”„En ik wilde wel eens weten of ik nu op mijne beurt niet eens even aan het woord mag komen,” zeide Vader Adriaen en kwam met de groote tang nader.Michiel zag het en liep hem te gemoet. Hij scheen na zooveel genot gesmaakt, en na zooveel eer genoten te hebben, nu wel eens eene vaderlijke kastijding te willen oploopen om wat tot zichzelven te komen.„Vervoerde schavuit, kom hier! Ik zal je Koningen!” riep de Vader sissend door de tanden heen van lang verkropte boosheid, die voor liefde in de plaats gekomen was.Daar ging de tang de hoogte in.Michiel klemde de lippen op elkander en kromde den rug.Daar daalde de tang en....„Hei, niet slaan!” riep Geleyn Evertsen en hield, geholpen door Pieter, den arm van Vader Adriaen tegen.„Neen, Adriaen, niet slaan!” riepen enkelen uit den hoop.Vader Adriaen keek verwoed, gaf met de vrije hand eerst Geleyn en toen Pieter Evertsen eenen draai om de ooren, roepende: „Uit den weg, Jan Hagel en zijn vee! Uit den weg, zeg ik.”En weer ging de tang de hoogte in en weer kromde Michiel onderworpen den rug.„Niet slaan! Niet slaan!” riep het volk nu ook met de jongens mede.„Wat, wilt gijlieden mij de wet komen stellen?” riep de Vader bleek van kwaadheid. „Ik zal toch dien kwâjongen....”„Niet slaan! Niet slaan!” klonk het nu van al het volk als uit éénen mond. Zelfs enkele deftige lieden, die tusschen den hoop stonden, riepen het mede.Vader Adriaen had moeite zijnen toorn in bedwang te houden en misschien zou het tusschen hem en het volk, dat voor den kwâjongen partij trok, tot ruzie en vechten gekomen zijn, als niet eensklaps de menigte uit elkander gegaan was om ruimte te maken voor twee mannen.Het waren de voorzittende Burgemeester en een der Heeren Lampsens.„Wel, Vader, houdt gij afrekening met den bengel? Dat is goed!” zeide de Burgemeester.„Neen, Burgemeester, die menschen daar met al die schavuiten beletten mij het. Maar nu zal ik....”„Niet slaan! Niet slaan!” riep het volk in koor.De Burgemeester keek niet heel vriendelijk toen men dat, ondanks zijne nabijheid, zoo brutaal riep.„En als ik wil dat deze straatbengel, die de heele stad in opschudding brengt, die dag aan dag de goê gemeente tot last is, die zijn grootste vermaak vindt in straatschenderij, gestraft zal worden, wie zou dat dan beletten?”„Wij, Heer Burgemeester,” riepen enkelen.„Wie roept dat daar?”„Wij, Heer Burgemeester!” riepen ze nu allemaal. Het scheen dat men nu door den regel van drieën heen was.De Burgemeester fronste het voorhoofd en krachtig klonk zijn bevel: „Sla zeg ik!”„Niet slaan!Niet slaan!” schreeuwde het volk en drong nu zoo dicht om Adriaen, Michiel, den Burgemeester en den Heer Lampsens heen, dat de Vader geene ruimte had om de tang op te heffen.„Wat? Zal dat rebellie tegen het gezag geven?” riep de Burgemeester woedend uit.Daar drong zich een man voorop en na zich met moeite door de menigte heen gewrongen te hebben, stond hij vlak voor den Burgemeester.Hij was een zeeman, een kort, maar ontzettend breed geschouderd man. Een groote knevelbaard bedekte bijna zijn geheele gelaat, waar langs het blonde hoofdhaar zich krullend heenslingerde. De man geleek wel eenen leeuw.Een gemompel doorliep de menigte, doch op het: „Ssst, de „Barre Bruinvisch” heeft het woord,” werd het doodstil.„Wie ben je, wat wil je kerel?” vroeg de Burgemeester wat terugtrekkende. Hij scheen voor dien zeeleeuw toch wel eenigszins bevreesd te zijn.De Heer Lampsens knikte den zeeman vriendelijk toe.„Ik ben de „Barre Bruinvisch”!” sprak de man.„Leve de „Barre Bruinvisch”!” schreeuwde de menigte.„Houd den mond daar, en spreek als je wat gevraagd wordt!” sprak de zeeman bevelend tot het volk.Weer was het doodstil.„Barre Bruinvisch! Zoo heet gij toch niet? Hoe is uw ware naam?” vroeg de Burgemeester!„Cornelis Lievensz., om u te dienen, Burgemeester!”„Van beroep?” vroeg de Burgervader, zeker in de meening, dat hij op zijn doode gemak op het Stadhuis den een of ander onder het verhoor had.„Sedert eenige jaren zooveel als Bootsman op de „Lijnbaan” van de Heeren Lampsens, Burgemeester!”„Dat is zoo,” zeide Lampsens tot den Burgervader. „Een ferm, open en rond zeeman. Hij zal een verstandig woord spreken, daar kunt ge op aan!”„En wat wilt gij, goede vriend?” klonk het nu eensklaps uit den mond van den eersten man van Vlissingen op heel anderen, ja, bijna vriendelijken toon.„Ik wil dat die jongen niet geslagen wordt!”Moeder Alida, die naderbij gekomen was, had den ruwen zeeman wel om den hals willen vliegen, zoo innig dankbaar was zij hem.„Die „Barre Bruinvisch” mijn baas is,” zeide Jan Kompanjie. „Dat baas veel durft.”„Maar, mijn goede vriend, gij als een Bootsman, zult aanboord toch ook wel eens gebruik maken van het „endje dag,” nietwaar?” vroeg de Burgemeester.„Daar staat een van de Patroons,” zeide Lievensz. „Laat hij zeggen of de „Barre Bruinvisch” niet al zeevader geweest is over misschien wel twintig zulke deugnieten als deze er één is!”„Lievensz. is zeevader geweest over negentien bengels,” zeide Lampsens, wat nader tredend en Michiel goed beschouwend.„En laat de Patroon nu zeggen of er door mij aanboord van de „Lijnbaan” veel van het „endje dag” gebruik gemaakt is om belhamels tot rede en plicht te brengen.”„Dat kan ik op mijn eerewoord verklaren van bijna nooit,” antwoordde Lampsens.„En als het van den Patroon niet te veel gevergd is, dan zou ik ook wel willen dat hij zei, wat er uit die borsten gegroeid is.”„Er is wakker, ferm zeevolk uit gegroeid, Burgemeester! Alle reeders hebben graag jongens, die aanboord van de „Lijnbaan” van Lievensz. het varen geleerd hebben. Daar voor dien negerknaap, die nog maar eene week of tien onder zijne leiding is, hebben de Heeren Hendriksz. te Middelburg mij eene mooie som gelds geboden.”„Hi, hi, ik waard ben een mooie geld,” riep Jan en gaf van pure blijdschap zichzelven eenen slag op de wang, die klonk als eene klok. „Hi hi, Michieltje, jij nog niet waard mooie geld!”„Sausneger,” bromde Michiel, die eindelijk door zijnen Vader losgelaten was.„Alzoo,” dus vervolgde de „Barre Bruinvisch” toen de Heer Lampsens zweeg, „alzoo, Heer Burgemeester, getuigt de Patroon, dat ik wel bengels weet te regeeren zonder het „endje dag.” Ik zeg maar....”„Het kwaad moet er uit en zal er uit,” zeide Vader Adriaen, en de toon waarop hij sprak klonk nog alles geruststellend voor Michiels rug.„Zeker, Vader, dat zeg ik ook. Het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit, maar niet met slaan,” sprak Lievensz. „Men slaat het kwaad er soms dieper in.”„Ik zou wel eens willen weten, hoe dan,” sprak de Burgemeester.„Ja, juist, hoe dan?” bromde Vader Adriaen.„Dat is mijne kunst, en als ik moest zeggen, hoe ik dat aanleg, dan zou ik het niet kunnen. Maar het kwaad gaat er uit. Is het vandaag niet, dan morgen. Is het morgen niet, dan overmorgen of een jaar later; maar er uit gaat het. En—alle jongens houden veel van me.”„Ik veel houd van mijnen zeevader, ja, ikke,” zeide Jan, en liet vroolijk lachend al zijne blanke tanden en het heele wit van zijne oogen zien.„Maar welk plan hebt gij nu met dien bengel, Lievensz.?” vroeg de Burgemeester.„Welk plan, Burgemeester?”„Ja, zeker, welk plan? Al zijt gij ook tienduizend maal een goede zeevader, daar heeft die rauwe gast niemendal aan. Die gaat voort met rebellie te veroorzaken.”„Burgemeester, ik was vanmorgen op de Markt toen die kwâjongen daar naar het haantje klauterde. Ik zag alles, en ik dacht....”Eensklaps hield hij op en Michiel aanziende met een paar oogen waarvoor zelfs tijgers op den loop zouden gaan, zei hij: „Als de wind naar binnen, maat! En kom me niet voor den boeg aleer ik je roep.”En Michiel?Wel, het was, alsof hij met eene dommekracht naar binnen geduwd werd. Hij kon niet blijven staan en was in een oogenblik, tot verbazing van iedereen, verdwenen.„Ziezoo, nu heb ik blanke zee voor me. Het is niet goed, als een bengel hoort, dat er toch nog wat goeds in hem steekt. Ik dacht bij mezelven toen ik dien jongen dat dolle waagstuk zag ondernemen: „Daar zit wat in dien deugniet!” Ja, ik had wel in mijne handen willen klappen en „Mooi, mooi!” willen roepen. Ik weet niet of ge het gezien hebt, Burgemeester, maar zoo bedaard, alsof ik den valreep afstapte, zoo bedaard klom hij naar beneden! Heel leuk sloeg hij met de hakken van zijne schoenen,—het was goed dat er spijkers in waren, Vader Adriaen, anders had hij het hem niet gelapt,—de leien stuk. Ik zag het duidelijk! Kerel, het was zulk een kranig stuk! Dicht bij me kreeg een vrouwtje het op haar zenuwen, maar eer het zoover kwam riep ze nog: „Lieve menschen, daar komt hij! Helpt hem dan toch!”„Verbeeld je, helpen? Ik zou eene kat willen zien, die zonder ladder naar boven kon klauteren en daarom zei ik: „Nu mensch, doet zoo raar niet! Hij zal wel voor anker komen!”—Maar pas had ik dat gezegd, of ze kreeg eene kleur als een schoone zwabber, zette het bestek naar de afgevaren breedte, en daar ging ze, hoor, ze lag er zoo mooi als een Ammiraals-vlag in het kluisgat!”„Ze viel dus van d’r zelven, die goede ziel,” zeide eene der vrouwen op meewarigen toon.„Nu ja, dat zal wel waar zijn, ik weet het niet hoe jelui dat noemt. Ik keek er dan ook niet meer naar en ik had alleen oogen voor dien jongen, die zoo netjes langs de peer naar beneden kwam. Ik keek hem na, tot hij in den toren verdween en wilde juist weggaan, toen Sinjeur Seylmaeckers mij praaide en dwong even bij te leggen.”„Wat zegt gij van dat gevalletje, Barre?” vroeg hij.„Het is een mooi stuk,” zei ik, „een mooi stuk, Sinjeur!”„En weet gij ook wie het is?” vroeg hij.„Neen,” zei ik, „maar laten we even wachten. Als hij uit de torendeur komt dan kunnen wij hem zien.”Maar bij de torendeur komen om den knaap te zien, was wel te zeggen, niet te doen. Ik had even gemakkelijk eenen knoopstopper met mijne hielen kunnen leggen, als bij de torendeur komen. Daar stond ik nu als eene garnalenschuit tusschen Spaansche galeien. Ik kon niemendal zien. Gelukkig heeft Sinjeur Seylmaeckers de lengte van eenen sloepmast en steekt hij, als wijlen Koning Saul, een hoofd boven het volk uit, zoodat hij een poosje later zei: „Daar is hij! Ik ken hem al! Het is Michiel Adriaensz., de zoon van den bierdrager. Gisteren was ik er bij toen zijn Vader hem met twee rinkellatten voor de broek gaf. Ik heb den luiden aangeraden hem naar zee te zenden, dan kan er misschien nog wat van hem groeien!”„Zoo,” zei ik, „en....”„En ik heb gezegd dat ik dan probeeren zou te maken, dat gij zijn zeevader werdt. Maar Moeder de vrouw had er geene ooren naar, ze zou het besterven, zeide ze.”Dat zei Sinjeur Seylmaeckers en ik draaide het schip met den kop naar den wind en nam mijnen koers naar hier, om er eens ampel met zijne Ouders over te spreken. En daar ik alle hoop heb, dat ik toch zijn zeevader worden zal, zoo riep ik met het volk mee: „Niet slaan,” Heer Burgemeester. Nu heb ik het mijne ervan gezegd.”De „Barre Bruinvisch”zweeg, nam zijne muts af, wischte zich het zweet van het voorhoofd en zei: „He, zulk eene redevoering bekomt een mensch al even goed als een kabeljauw, die met betingsbouten zijn middagmaal doet.”„Nu, Lievensz., zie wat ge gedaan kunt krijgen. Ge zult Vlissingen van eene plaag verlossen, als ge dat lieverdje onder uw opzicht neemt,” zeide de Burgemeester en vroeg aan den Heer Lampsens of deze zoo ver medeging.„Neen, Burgemeester, ik zal met Lievensz. bij dezemenschen binnengaan en mijn best doen, dat ze den jongen het zeegat uit sturen. Goeden middag!”De Burgemeester beantwoordde den groet en vertrok.De menigte ging ook uit elkander en weldra was er van den heelen oploop niemendal meer te zien. De zoons van Adriaen, die op een ambacht waren, gingen naar hun winkel, vier gingen er naar school en een meisje, Alida, verliet ook het huis om naar eenen middagdienst te gaan.Er bleven dus nog vier kinderen over en onder deze was Michiel, die in een hoekje met Jan Kompanjie zat, waar hij dezen vertelde, wat hij daar boven bij het torenhaantje zoo al gezien had.Vader en Moeder zaten met den Heer Lampsens en Lievensz. bij de tafel en redeneerden druk.In het eerst schudde Moeder Alida maar steeds het hoofd, doch langzamerhand, naarmate de „Barre Bruinvisch” meer aan het woord was, hield dat hoofdschudden op en eindelijk zeide ze: „Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne reis mede, en probeer wat gij van hem kunt maken. Maar o, het valt mij zoo hard, zoo ontzettend hard.”Michiel scheen het vermogen te hebben twee dingen te doen, namelijk luisteren, wat anderen zeiden, en zelf wat te vertellen. Dit bleek; want pas had Moeder gezegd: „Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne reis mede en probeer wat ge van hem kunt maken,” of hij sprong op, liep naar zijne Moeder en kuste haar.Hierop ging hij naar zijnen Vader en zeide, bijna op zegevierenden toon en vol gloed en leven: „Vader, het kwaad is er uit!”„Ja, dat kan ik zoo gelooven! Neen, jongen, kom me dat eens over een jaar drie-vier vertellen,” luidde het antwoord.„Het is toch vast waar, Vader! Het kwaad is er nu al heelemaal, heelemaal uit met wortel en tak.”„Het zou goed voor je zijn, jongen,” sprak Lievensz.„Gij zult geenen last van me hebben, Bootsman!” sprak Michiel en liep met Jan Kompanjie heen om baas Lorkens te vertellen, dat hij van de eene lijnbaan afging om op de andere te komen.„Dat is uitkomst, he? Wie heeft die gebracht?”„De „Barre Bruinvisch,” baas! Maar nu moet ik naar Geleyn en Pieter om hun het nieuws te vertellen.”„Nu, gij zult toch nog wel afscheid komen nemen eer gij weggaat!” zeide baas Lorkens.„O, vooreerst ga ik nog niet weg. Het schip moet nog vooraf gekalefaat worden. En dan gaan we samen, sausnegertje, samen het ruime sop op! Hoezee!” riep Michiel en begon met Jan van loutere pret langs de straatkeien te rollen.
VIERDE HOOFDSTUK.De „Barre Bruinvisch.”„Wat zou er toch te doen zijn, Moeder?” vroeg Alida, de oudste zuster van Michiel.„Och, ik weet het niet, kind! Eet maar,” zegt Moeder.Men had zich maar aan tafel gezet en was op den gewonen tijd begonnen met eten. Op Michiel werd nooit gewacht; die kwam zoo dikwijls te laat.Het maal was weldra verdwenen, ditmaal echter in de magen der kinderen.Moeder had zoo goed als niets gegeten en Vader ook niet.Dat Vader Adriaen den pot geene eere aandeed, gebeurde maar zelden en dan moest er wel wat bijzonders gebeurd zijn.Dat was evenwel toch nu het geval niet; want dat Michiel, die aartsdeugniet er niet was, zie, dat was geene reden. Als hij daarom het eten moest laten staan, dan ging hij van de zeven dagen, die er in de week zijn, zeker drie zonder gegeten te hebben van tafel.En toch schoof Vader Adriaen onrustig op zijnen stoel heen en weer, en keek telkens, zoo tersluiks zijne vrouw aan, die maar strak voor zich zat te kijken.Maar wat haperde er dan toch aan Vader Adriaen?Stil, ik geloof dat ik het weet.Hij is boos, erg boos, en voor Michiel is een spiksplinternieuw pak in den maak. Ditmaal zal het geen afleggertje zijn, evenmin als gisteren, en evenmin als al de andere pakken en pakjes, die zijn Vader hem gemaakt en kant en klaar geleverd heeft. De goede man wist het wel, dat afleggertjes bij jongens niet gewild zijn! Die kreeg hij dan ook maar alleen van zijne lieve, goede Moeder, die soms tot diep in den nacht bezig was om zoogenaamd van oud weer nieuw te maken.En dat nieuwe pak van gisteren nu al versleten!Hoe kon dat in de wereld mogelijk zijn?Had Vader Adriaen niet gezegd: Het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit? Had hij denkwâjongenniet geranseld, niet zóó geranseld, dat de schelm een sloksken koud water moest hebben om niet van zijn stokje te rollen? En nu al vergeten!Weer schoof Vader Adriaen naar den anderen kant van zijnen stoel, en keek het kleine vertrek rond.Moeder Alida, die maar voor zich keek, voelde dat haar man iets zocht en angstig keek ze even naar de groote vuurtang, die in het hoekje van den haard stond.Op hetzelfde oogenblik dat Moeder dit deed, deed Vaderhet ook en hij dacht: „Helpen rinkellatten niet, dan de tang maar. Ik zeg: het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit.”„Maar wat zou er toch te doen zijn?” zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, terwijl hij met eten opeens ophield.„Hoor dat volk eens joelen en schreeuwen,” merkte een der jongeren ongeduldig aan.„Zie, daar kijkt die leelijke negerjongen door het raam,” riep Alida. „Wat moet die hier komen scharrelen?”„En daar zijn Pieter en Geleyn Evertsen ook,” zeide Dirk.„Och, we zijn toch klaar met eten! Zouden we maar niet danken, Adriaen?” sprak Moeder.Vader gaf geen antwoord; hij scheen het niet te verstaan.„Zouden we maar niet danken, Adriaen?” vroeg Moeder andermaal, doch erg angstig en bevend.Nu hoorde Vader wat; maar het rechte toch niet en daarom zei hij: „Wat vraagt gij daar, Moeder?”„Of we maar niet danken zouden?”„Ik dacht dat we het al gedaan hadden! Jan, dank vanmiddag maar, jongen! Ik kan het niet.”Vader en jongens hielden de mutsen voor de oogen; Moeder en de meisjes vouwden de handen samen en bogen zich voorover, en Jan dankte.Nauwelijks evenwel had hij „Amen” gezegd of de kinderen stoven van hunne zitplaatsen op.„Hei, hei, waar dat heen? Moet ge niet eten?” vroeg Vader.„Maar, Adriaen!” zei Moeder Alida, „hoe heb ik het nu? Wij hebben immers zóó gedankt!”„O, ja, dat is waar ook. Nu, vooruit dan maar!”De kinderen liepen de deur uit, doch het leed geene minuut, of Alida vloog weer naar binnen en riep: „Moeder, Vader, Michiel heeft boven op den toren gezeten!”„O, God, en is er af gevallen!” riepen Vader en Moeder bijna tegelijk.De tang viel uit Vaders handen en de man met dat hart, zoo onvermurwbaar hard, waggelde waar hij stond en moest zich vasthouden om niet te vallen.Wist gij het wel, Michiel, dat uw Vader u zoo lief had, ja, niet minder lief zelfs dan uwe al te teerhartige en toegevende Moeder?Wist gij het wel, eerste van Vlissingens straatjongens, welk eene groote plaats gij beslaat in het hart van den man, die niet uit lust tot slaan zeide: „Het kwaad moet er uit en zal er uit,” maar alleen uit liefde voor u?Wist gij het, bengel, dat het ook van een Vaderhart waar is: „Van buiten is niet alles te zien, wat binnen te koop is”?„Dood gevallen?” vroeg Vader nog eens, maar op eenen toon, alsof hij het niemand anders dan zichzelven vroeg.„Neen, Vader,” zei nu weer een ander der kinderen, „hij is heelhuids beneden gekomen. Maar waar hij nu is weten ze niet.”„Hij geklommen is op den toren, ja! Hij geweest is bij het haan, heelemaal bij het haan. Ik het gezien heb.„En weg waren de ladders. Hij trapt stuk die lei en nog die lei en trapt weer stuk die lei en nog die lei, en klautert zoo naar beneden langs dat peer. Al die volk wit zag. Ik ook, wit, heelemaal wit en ik koû kreeg. Die Burgemeester gekomen is met dat twee man om te haal Michiel. Ik Michiel spreek moest. Maar Michiel gauw weg was. Wij dachten hij naar huis is. Wij liep een, twee, drie, vier, vijf, allemaal naar hier. Wij zien wilden hoe Michiel weer krijgen zou en dan wij vraag wilden: „Niet slaan Michiel! Michiel een jongen is, die heeft moed!””Met alle aandacht hadden Vader en Moeder en de kinderen naar de wartaal van Jan geluisterd, en juist wilde Vader nog een en ander vragen toen daar buiten een oorverdoovend geschreeuw opsteeg: „Daar is de belhamel! Daar is Michiel!”Gedragen door zes jongens, waarbij nu ook Pieter en Geleyn Evertsen waren, die hem, niet te huis vindende,weer elders gezocht en gevonden hadden, en gevolgd door alles wat Vlissingen aan straatjeugd had, naderde de dolle troep al meer het huis van Michiel.De Ouders en kinderen vlogen naar buiten en Moeder Alida, zich geenen tijd gunnende hare muilen aan te trekken, liep op de kousen haren zoon, dien grooten waaghals, te gemoet en haren man, die zijne „flauwigheid” vergeten en weer de tang opgenomen had, voorbij.Weldra stond ze temidden der woelende en joelende belhamels.„Fij, rauwe gasten, wat stelt gij uzelven gemeen aan! Kom hier, Michiel,” riep ze.„Jongens, dat is Moeder Alida, de Moeder van onzen Koning!” riep Geleyn Evertsen.„Gauw, jongens, een hoezee voor Moeder Alida!” schreeuwde Pieter zoo hard als zijne jongenskeel dit toeliet.En daverend klonk het uit honderden monden, van grooten zelfs zoowel als van kleinen: „Hoezee! Leve Moeder Alida! Leve de Moeder van Michiel!”„Hoezee! Leve mijne lieve, goede Moeder!” riep Michiel.„Roep dat nog eens, Michiel,” zeiden de jongens en hieven hunnen Koning in de hoogte.Wip, daar stond de Vorst der straatbengels op de schouders zijner makkers. Hij gooide zijne muts in de hoogte en terwijl de zoele westenwind langs zijne vuurroode wangen streek en zijne bruine haren deed golven, riep hij weer met stralende oogen: „Leve mijne goede, lieve Moeder! Hoezee! Hoezee!”„Hoezee!” brulde men hem na, en als op een gegeven teeken sloot het volk zich om de Moeder en de jongens heen, en begon al dansende te zingen:„Lang zal zij leven!Honderd jaar na dezen!Lang zal zij levenMoeder Alida!”Opeens sprong Michiel van de schouders der jongens op de straat, en zijne Moeder om den hals vallende, zei hij: „En wees niet boos, goed, lief, best Moedertje! Het was daar boven zoo mooi! Ga mee naar binnen dan zal ik vertellen, wat ik daar in de hoogte gezien heb!”„O, God, lieve, lieve jongen, uw Vader! Wat zal er van u groeien? Kind, kind, ge doet uwen Vader zooveel verdriet en mij zoo ontzettend veel pijn,” sprak ze en gaf hem eenen kus op zijne gloeiende wangen.En het volk om hen heen scheen maar niet moede te kunnen worden, en juichte maar altijd door:„Lang zal zij levenMoeder Alida!”„En ik wilde wel eens weten of ik nu op mijne beurt niet eens even aan het woord mag komen,” zeide Vader Adriaen en kwam met de groote tang nader.Michiel zag het en liep hem te gemoet. Hij scheen na zooveel genot gesmaakt, en na zooveel eer genoten te hebben, nu wel eens eene vaderlijke kastijding te willen oploopen om wat tot zichzelven te komen.„Vervoerde schavuit, kom hier! Ik zal je Koningen!” riep de Vader sissend door de tanden heen van lang verkropte boosheid, die voor liefde in de plaats gekomen was.Daar ging de tang de hoogte in.Michiel klemde de lippen op elkander en kromde den rug.Daar daalde de tang en....„Hei, niet slaan!” riep Geleyn Evertsen en hield, geholpen door Pieter, den arm van Vader Adriaen tegen.„Neen, Adriaen, niet slaan!” riepen enkelen uit den hoop.Vader Adriaen keek verwoed, gaf met de vrije hand eerst Geleyn en toen Pieter Evertsen eenen draai om de ooren, roepende: „Uit den weg, Jan Hagel en zijn vee! Uit den weg, zeg ik.”En weer ging de tang de hoogte in en weer kromde Michiel onderworpen den rug.„Niet slaan! Niet slaan!” riep het volk nu ook met de jongens mede.„Wat, wilt gijlieden mij de wet komen stellen?” riep de Vader bleek van kwaadheid. „Ik zal toch dien kwâjongen....”„Niet slaan! Niet slaan!” klonk het nu van al het volk als uit éénen mond. Zelfs enkele deftige lieden, die tusschen den hoop stonden, riepen het mede.Vader Adriaen had moeite zijnen toorn in bedwang te houden en misschien zou het tusschen hem en het volk, dat voor den kwâjongen partij trok, tot ruzie en vechten gekomen zijn, als niet eensklaps de menigte uit elkander gegaan was om ruimte te maken voor twee mannen.Het waren de voorzittende Burgemeester en een der Heeren Lampsens.„Wel, Vader, houdt gij afrekening met den bengel? Dat is goed!” zeide de Burgemeester.„Neen, Burgemeester, die menschen daar met al die schavuiten beletten mij het. Maar nu zal ik....”„Niet slaan! Niet slaan!” riep het volk in koor.De Burgemeester keek niet heel vriendelijk toen men dat, ondanks zijne nabijheid, zoo brutaal riep.„En als ik wil dat deze straatbengel, die de heele stad in opschudding brengt, die dag aan dag de goê gemeente tot last is, die zijn grootste vermaak vindt in straatschenderij, gestraft zal worden, wie zou dat dan beletten?”„Wij, Heer Burgemeester,” riepen enkelen.„Wie roept dat daar?”„Wij, Heer Burgemeester!” riepen ze nu allemaal. Het scheen dat men nu door den regel van drieën heen was.De Burgemeester fronste het voorhoofd en krachtig klonk zijn bevel: „Sla zeg ik!”„Niet slaan!Niet slaan!” schreeuwde het volk en drong nu zoo dicht om Adriaen, Michiel, den Burgemeester en den Heer Lampsens heen, dat de Vader geene ruimte had om de tang op te heffen.„Wat? Zal dat rebellie tegen het gezag geven?” riep de Burgemeester woedend uit.Daar drong zich een man voorop en na zich met moeite door de menigte heen gewrongen te hebben, stond hij vlak voor den Burgemeester.Hij was een zeeman, een kort, maar ontzettend breed geschouderd man. Een groote knevelbaard bedekte bijna zijn geheele gelaat, waar langs het blonde hoofdhaar zich krullend heenslingerde. De man geleek wel eenen leeuw.Een gemompel doorliep de menigte, doch op het: „Ssst, de „Barre Bruinvisch” heeft het woord,” werd het doodstil.„Wie ben je, wat wil je kerel?” vroeg de Burgemeester wat terugtrekkende. Hij scheen voor dien zeeleeuw toch wel eenigszins bevreesd te zijn.De Heer Lampsens knikte den zeeman vriendelijk toe.„Ik ben de „Barre Bruinvisch”!” sprak de man.„Leve de „Barre Bruinvisch”!” schreeuwde de menigte.„Houd den mond daar, en spreek als je wat gevraagd wordt!” sprak de zeeman bevelend tot het volk.Weer was het doodstil.„Barre Bruinvisch! Zoo heet gij toch niet? Hoe is uw ware naam?” vroeg de Burgemeester!„Cornelis Lievensz., om u te dienen, Burgemeester!”„Van beroep?” vroeg de Burgervader, zeker in de meening, dat hij op zijn doode gemak op het Stadhuis den een of ander onder het verhoor had.„Sedert eenige jaren zooveel als Bootsman op de „Lijnbaan” van de Heeren Lampsens, Burgemeester!”„Dat is zoo,” zeide Lampsens tot den Burgervader. „Een ferm, open en rond zeeman. Hij zal een verstandig woord spreken, daar kunt ge op aan!”„En wat wilt gij, goede vriend?” klonk het nu eensklaps uit den mond van den eersten man van Vlissingen op heel anderen, ja, bijna vriendelijken toon.„Ik wil dat die jongen niet geslagen wordt!”Moeder Alida, die naderbij gekomen was, had den ruwen zeeman wel om den hals willen vliegen, zoo innig dankbaar was zij hem.„Die „Barre Bruinvisch” mijn baas is,” zeide Jan Kompanjie. „Dat baas veel durft.”„Maar, mijn goede vriend, gij als een Bootsman, zult aanboord toch ook wel eens gebruik maken van het „endje dag,” nietwaar?” vroeg de Burgemeester.„Daar staat een van de Patroons,” zeide Lievensz. „Laat hij zeggen of de „Barre Bruinvisch” niet al zeevader geweest is over misschien wel twintig zulke deugnieten als deze er één is!”„Lievensz. is zeevader geweest over negentien bengels,” zeide Lampsens, wat nader tredend en Michiel goed beschouwend.„En laat de Patroon nu zeggen of er door mij aanboord van de „Lijnbaan” veel van het „endje dag” gebruik gemaakt is om belhamels tot rede en plicht te brengen.”„Dat kan ik op mijn eerewoord verklaren van bijna nooit,” antwoordde Lampsens.„En als het van den Patroon niet te veel gevergd is, dan zou ik ook wel willen dat hij zei, wat er uit die borsten gegroeid is.”„Er is wakker, ferm zeevolk uit gegroeid, Burgemeester! Alle reeders hebben graag jongens, die aanboord van de „Lijnbaan” van Lievensz. het varen geleerd hebben. Daar voor dien negerknaap, die nog maar eene week of tien onder zijne leiding is, hebben de Heeren Hendriksz. te Middelburg mij eene mooie som gelds geboden.”„Hi, hi, ik waard ben een mooie geld,” riep Jan en gaf van pure blijdschap zichzelven eenen slag op de wang, die klonk als eene klok. „Hi hi, Michieltje, jij nog niet waard mooie geld!”„Sausneger,” bromde Michiel, die eindelijk door zijnen Vader losgelaten was.„Alzoo,” dus vervolgde de „Barre Bruinvisch” toen de Heer Lampsens zweeg, „alzoo, Heer Burgemeester, getuigt de Patroon, dat ik wel bengels weet te regeeren zonder het „endje dag.” Ik zeg maar....”„Het kwaad moet er uit en zal er uit,” zeide Vader Adriaen, en de toon waarop hij sprak klonk nog alles geruststellend voor Michiels rug.„Zeker, Vader, dat zeg ik ook. Het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit, maar niet met slaan,” sprak Lievensz. „Men slaat het kwaad er soms dieper in.”„Ik zou wel eens willen weten, hoe dan,” sprak de Burgemeester.„Ja, juist, hoe dan?” bromde Vader Adriaen.„Dat is mijne kunst, en als ik moest zeggen, hoe ik dat aanleg, dan zou ik het niet kunnen. Maar het kwaad gaat er uit. Is het vandaag niet, dan morgen. Is het morgen niet, dan overmorgen of een jaar later; maar er uit gaat het. En—alle jongens houden veel van me.”„Ik veel houd van mijnen zeevader, ja, ikke,” zeide Jan, en liet vroolijk lachend al zijne blanke tanden en het heele wit van zijne oogen zien.„Maar welk plan hebt gij nu met dien bengel, Lievensz.?” vroeg de Burgemeester.„Welk plan, Burgemeester?”„Ja, zeker, welk plan? Al zijt gij ook tienduizend maal een goede zeevader, daar heeft die rauwe gast niemendal aan. Die gaat voort met rebellie te veroorzaken.”„Burgemeester, ik was vanmorgen op de Markt toen die kwâjongen daar naar het haantje klauterde. Ik zag alles, en ik dacht....”Eensklaps hield hij op en Michiel aanziende met een paar oogen waarvoor zelfs tijgers op den loop zouden gaan, zei hij: „Als de wind naar binnen, maat! En kom me niet voor den boeg aleer ik je roep.”En Michiel?Wel, het was, alsof hij met eene dommekracht naar binnen geduwd werd. Hij kon niet blijven staan en was in een oogenblik, tot verbazing van iedereen, verdwenen.„Ziezoo, nu heb ik blanke zee voor me. Het is niet goed, als een bengel hoort, dat er toch nog wat goeds in hem steekt. Ik dacht bij mezelven toen ik dien jongen dat dolle waagstuk zag ondernemen: „Daar zit wat in dien deugniet!” Ja, ik had wel in mijne handen willen klappen en „Mooi, mooi!” willen roepen. Ik weet niet of ge het gezien hebt, Burgemeester, maar zoo bedaard, alsof ik den valreep afstapte, zoo bedaard klom hij naar beneden! Heel leuk sloeg hij met de hakken van zijne schoenen,—het was goed dat er spijkers in waren, Vader Adriaen, anders had hij het hem niet gelapt,—de leien stuk. Ik zag het duidelijk! Kerel, het was zulk een kranig stuk! Dicht bij me kreeg een vrouwtje het op haar zenuwen, maar eer het zoover kwam riep ze nog: „Lieve menschen, daar komt hij! Helpt hem dan toch!”„Verbeeld je, helpen? Ik zou eene kat willen zien, die zonder ladder naar boven kon klauteren en daarom zei ik: „Nu mensch, doet zoo raar niet! Hij zal wel voor anker komen!”—Maar pas had ik dat gezegd, of ze kreeg eene kleur als een schoone zwabber, zette het bestek naar de afgevaren breedte, en daar ging ze, hoor, ze lag er zoo mooi als een Ammiraals-vlag in het kluisgat!”„Ze viel dus van d’r zelven, die goede ziel,” zeide eene der vrouwen op meewarigen toon.„Nu ja, dat zal wel waar zijn, ik weet het niet hoe jelui dat noemt. Ik keek er dan ook niet meer naar en ik had alleen oogen voor dien jongen, die zoo netjes langs de peer naar beneden kwam. Ik keek hem na, tot hij in den toren verdween en wilde juist weggaan, toen Sinjeur Seylmaeckers mij praaide en dwong even bij te leggen.”„Wat zegt gij van dat gevalletje, Barre?” vroeg hij.„Het is een mooi stuk,” zei ik, „een mooi stuk, Sinjeur!”„En weet gij ook wie het is?” vroeg hij.„Neen,” zei ik, „maar laten we even wachten. Als hij uit de torendeur komt dan kunnen wij hem zien.”Maar bij de torendeur komen om den knaap te zien, was wel te zeggen, niet te doen. Ik had even gemakkelijk eenen knoopstopper met mijne hielen kunnen leggen, als bij de torendeur komen. Daar stond ik nu als eene garnalenschuit tusschen Spaansche galeien. Ik kon niemendal zien. Gelukkig heeft Sinjeur Seylmaeckers de lengte van eenen sloepmast en steekt hij, als wijlen Koning Saul, een hoofd boven het volk uit, zoodat hij een poosje later zei: „Daar is hij! Ik ken hem al! Het is Michiel Adriaensz., de zoon van den bierdrager. Gisteren was ik er bij toen zijn Vader hem met twee rinkellatten voor de broek gaf. Ik heb den luiden aangeraden hem naar zee te zenden, dan kan er misschien nog wat van hem groeien!”„Zoo,” zei ik, „en....”„En ik heb gezegd dat ik dan probeeren zou te maken, dat gij zijn zeevader werdt. Maar Moeder de vrouw had er geene ooren naar, ze zou het besterven, zeide ze.”Dat zei Sinjeur Seylmaeckers en ik draaide het schip met den kop naar den wind en nam mijnen koers naar hier, om er eens ampel met zijne Ouders over te spreken. En daar ik alle hoop heb, dat ik toch zijn zeevader worden zal, zoo riep ik met het volk mee: „Niet slaan,” Heer Burgemeester. Nu heb ik het mijne ervan gezegd.”De „Barre Bruinvisch”zweeg, nam zijne muts af, wischte zich het zweet van het voorhoofd en zei: „He, zulk eene redevoering bekomt een mensch al even goed als een kabeljauw, die met betingsbouten zijn middagmaal doet.”„Nu, Lievensz., zie wat ge gedaan kunt krijgen. Ge zult Vlissingen van eene plaag verlossen, als ge dat lieverdje onder uw opzicht neemt,” zeide de Burgemeester en vroeg aan den Heer Lampsens of deze zoo ver medeging.„Neen, Burgemeester, ik zal met Lievensz. bij dezemenschen binnengaan en mijn best doen, dat ze den jongen het zeegat uit sturen. Goeden middag!”De Burgemeester beantwoordde den groet en vertrok.De menigte ging ook uit elkander en weldra was er van den heelen oploop niemendal meer te zien. De zoons van Adriaen, die op een ambacht waren, gingen naar hun winkel, vier gingen er naar school en een meisje, Alida, verliet ook het huis om naar eenen middagdienst te gaan.Er bleven dus nog vier kinderen over en onder deze was Michiel, die in een hoekje met Jan Kompanjie zat, waar hij dezen vertelde, wat hij daar boven bij het torenhaantje zoo al gezien had.Vader en Moeder zaten met den Heer Lampsens en Lievensz. bij de tafel en redeneerden druk.In het eerst schudde Moeder Alida maar steeds het hoofd, doch langzamerhand, naarmate de „Barre Bruinvisch” meer aan het woord was, hield dat hoofdschudden op en eindelijk zeide ze: „Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne reis mede, en probeer wat gij van hem kunt maken. Maar o, het valt mij zoo hard, zoo ontzettend hard.”Michiel scheen het vermogen te hebben twee dingen te doen, namelijk luisteren, wat anderen zeiden, en zelf wat te vertellen. Dit bleek; want pas had Moeder gezegd: „Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne reis mede en probeer wat ge van hem kunt maken,” of hij sprong op, liep naar zijne Moeder en kuste haar.Hierop ging hij naar zijnen Vader en zeide, bijna op zegevierenden toon en vol gloed en leven: „Vader, het kwaad is er uit!”„Ja, dat kan ik zoo gelooven! Neen, jongen, kom me dat eens over een jaar drie-vier vertellen,” luidde het antwoord.„Het is toch vast waar, Vader! Het kwaad is er nu al heelemaal, heelemaal uit met wortel en tak.”„Het zou goed voor je zijn, jongen,” sprak Lievensz.„Gij zult geenen last van me hebben, Bootsman!” sprak Michiel en liep met Jan Kompanjie heen om baas Lorkens te vertellen, dat hij van de eene lijnbaan afging om op de andere te komen.„Dat is uitkomst, he? Wie heeft die gebracht?”„De „Barre Bruinvisch,” baas! Maar nu moet ik naar Geleyn en Pieter om hun het nieuws te vertellen.”„Nu, gij zult toch nog wel afscheid komen nemen eer gij weggaat!” zeide baas Lorkens.„O, vooreerst ga ik nog niet weg. Het schip moet nog vooraf gekalefaat worden. En dan gaan we samen, sausnegertje, samen het ruime sop op! Hoezee!” riep Michiel en begon met Jan van loutere pret langs de straatkeien te rollen.
VIERDE HOOFDSTUK.De „Barre Bruinvisch.”„Wat zou er toch te doen zijn, Moeder?” vroeg Alida, de oudste zuster van Michiel.„Och, ik weet het niet, kind! Eet maar,” zegt Moeder.Men had zich maar aan tafel gezet en was op den gewonen tijd begonnen met eten. Op Michiel werd nooit gewacht; die kwam zoo dikwijls te laat.Het maal was weldra verdwenen, ditmaal echter in de magen der kinderen.Moeder had zoo goed als niets gegeten en Vader ook niet.Dat Vader Adriaen den pot geene eere aandeed, gebeurde maar zelden en dan moest er wel wat bijzonders gebeurd zijn.Dat was evenwel toch nu het geval niet; want dat Michiel, die aartsdeugniet er niet was, zie, dat was geene reden. Als hij daarom het eten moest laten staan, dan ging hij van de zeven dagen, die er in de week zijn, zeker drie zonder gegeten te hebben van tafel.En toch schoof Vader Adriaen onrustig op zijnen stoel heen en weer, en keek telkens, zoo tersluiks zijne vrouw aan, die maar strak voor zich zat te kijken.Maar wat haperde er dan toch aan Vader Adriaen?Stil, ik geloof dat ik het weet.Hij is boos, erg boos, en voor Michiel is een spiksplinternieuw pak in den maak. Ditmaal zal het geen afleggertje zijn, evenmin als gisteren, en evenmin als al de andere pakken en pakjes, die zijn Vader hem gemaakt en kant en klaar geleverd heeft. De goede man wist het wel, dat afleggertjes bij jongens niet gewild zijn! Die kreeg hij dan ook maar alleen van zijne lieve, goede Moeder, die soms tot diep in den nacht bezig was om zoogenaamd van oud weer nieuw te maken.En dat nieuwe pak van gisteren nu al versleten!Hoe kon dat in de wereld mogelijk zijn?Had Vader Adriaen niet gezegd: Het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit? Had hij denkwâjongenniet geranseld, niet zóó geranseld, dat de schelm een sloksken koud water moest hebben om niet van zijn stokje te rollen? En nu al vergeten!Weer schoof Vader Adriaen naar den anderen kant van zijnen stoel, en keek het kleine vertrek rond.Moeder Alida, die maar voor zich keek, voelde dat haar man iets zocht en angstig keek ze even naar de groote vuurtang, die in het hoekje van den haard stond.Op hetzelfde oogenblik dat Moeder dit deed, deed Vaderhet ook en hij dacht: „Helpen rinkellatten niet, dan de tang maar. Ik zeg: het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit.”„Maar wat zou er toch te doen zijn?” zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, terwijl hij met eten opeens ophield.„Hoor dat volk eens joelen en schreeuwen,” merkte een der jongeren ongeduldig aan.„Zie, daar kijkt die leelijke negerjongen door het raam,” riep Alida. „Wat moet die hier komen scharrelen?”„En daar zijn Pieter en Geleyn Evertsen ook,” zeide Dirk.„Och, we zijn toch klaar met eten! Zouden we maar niet danken, Adriaen?” sprak Moeder.Vader gaf geen antwoord; hij scheen het niet te verstaan.„Zouden we maar niet danken, Adriaen?” vroeg Moeder andermaal, doch erg angstig en bevend.Nu hoorde Vader wat; maar het rechte toch niet en daarom zei hij: „Wat vraagt gij daar, Moeder?”„Of we maar niet danken zouden?”„Ik dacht dat we het al gedaan hadden! Jan, dank vanmiddag maar, jongen! Ik kan het niet.”Vader en jongens hielden de mutsen voor de oogen; Moeder en de meisjes vouwden de handen samen en bogen zich voorover, en Jan dankte.Nauwelijks evenwel had hij „Amen” gezegd of de kinderen stoven van hunne zitplaatsen op.„Hei, hei, waar dat heen? Moet ge niet eten?” vroeg Vader.„Maar, Adriaen!” zei Moeder Alida, „hoe heb ik het nu? Wij hebben immers zóó gedankt!”„O, ja, dat is waar ook. Nu, vooruit dan maar!”De kinderen liepen de deur uit, doch het leed geene minuut, of Alida vloog weer naar binnen en riep: „Moeder, Vader, Michiel heeft boven op den toren gezeten!”„O, God, en is er af gevallen!” riepen Vader en Moeder bijna tegelijk.De tang viel uit Vaders handen en de man met dat hart, zoo onvermurwbaar hard, waggelde waar hij stond en moest zich vasthouden om niet te vallen.Wist gij het wel, Michiel, dat uw Vader u zoo lief had, ja, niet minder lief zelfs dan uwe al te teerhartige en toegevende Moeder?Wist gij het wel, eerste van Vlissingens straatjongens, welk eene groote plaats gij beslaat in het hart van den man, die niet uit lust tot slaan zeide: „Het kwaad moet er uit en zal er uit,” maar alleen uit liefde voor u?Wist gij het, bengel, dat het ook van een Vaderhart waar is: „Van buiten is niet alles te zien, wat binnen te koop is”?„Dood gevallen?” vroeg Vader nog eens, maar op eenen toon, alsof hij het niemand anders dan zichzelven vroeg.„Neen, Vader,” zei nu weer een ander der kinderen, „hij is heelhuids beneden gekomen. Maar waar hij nu is weten ze niet.”„Hij geklommen is op den toren, ja! Hij geweest is bij het haan, heelemaal bij het haan. Ik het gezien heb.„En weg waren de ladders. Hij trapt stuk die lei en nog die lei en trapt weer stuk die lei en nog die lei, en klautert zoo naar beneden langs dat peer. Al die volk wit zag. Ik ook, wit, heelemaal wit en ik koû kreeg. Die Burgemeester gekomen is met dat twee man om te haal Michiel. Ik Michiel spreek moest. Maar Michiel gauw weg was. Wij dachten hij naar huis is. Wij liep een, twee, drie, vier, vijf, allemaal naar hier. Wij zien wilden hoe Michiel weer krijgen zou en dan wij vraag wilden: „Niet slaan Michiel! Michiel een jongen is, die heeft moed!””Met alle aandacht hadden Vader en Moeder en de kinderen naar de wartaal van Jan geluisterd, en juist wilde Vader nog een en ander vragen toen daar buiten een oorverdoovend geschreeuw opsteeg: „Daar is de belhamel! Daar is Michiel!”Gedragen door zes jongens, waarbij nu ook Pieter en Geleyn Evertsen waren, die hem, niet te huis vindende,weer elders gezocht en gevonden hadden, en gevolgd door alles wat Vlissingen aan straatjeugd had, naderde de dolle troep al meer het huis van Michiel.De Ouders en kinderen vlogen naar buiten en Moeder Alida, zich geenen tijd gunnende hare muilen aan te trekken, liep op de kousen haren zoon, dien grooten waaghals, te gemoet en haren man, die zijne „flauwigheid” vergeten en weer de tang opgenomen had, voorbij.Weldra stond ze temidden der woelende en joelende belhamels.„Fij, rauwe gasten, wat stelt gij uzelven gemeen aan! Kom hier, Michiel,” riep ze.„Jongens, dat is Moeder Alida, de Moeder van onzen Koning!” riep Geleyn Evertsen.„Gauw, jongens, een hoezee voor Moeder Alida!” schreeuwde Pieter zoo hard als zijne jongenskeel dit toeliet.En daverend klonk het uit honderden monden, van grooten zelfs zoowel als van kleinen: „Hoezee! Leve Moeder Alida! Leve de Moeder van Michiel!”„Hoezee! Leve mijne lieve, goede Moeder!” riep Michiel.„Roep dat nog eens, Michiel,” zeiden de jongens en hieven hunnen Koning in de hoogte.Wip, daar stond de Vorst der straatbengels op de schouders zijner makkers. Hij gooide zijne muts in de hoogte en terwijl de zoele westenwind langs zijne vuurroode wangen streek en zijne bruine haren deed golven, riep hij weer met stralende oogen: „Leve mijne goede, lieve Moeder! Hoezee! Hoezee!”„Hoezee!” brulde men hem na, en als op een gegeven teeken sloot het volk zich om de Moeder en de jongens heen, en begon al dansende te zingen:„Lang zal zij leven!Honderd jaar na dezen!Lang zal zij levenMoeder Alida!”Opeens sprong Michiel van de schouders der jongens op de straat, en zijne Moeder om den hals vallende, zei hij: „En wees niet boos, goed, lief, best Moedertje! Het was daar boven zoo mooi! Ga mee naar binnen dan zal ik vertellen, wat ik daar in de hoogte gezien heb!”„O, God, lieve, lieve jongen, uw Vader! Wat zal er van u groeien? Kind, kind, ge doet uwen Vader zooveel verdriet en mij zoo ontzettend veel pijn,” sprak ze en gaf hem eenen kus op zijne gloeiende wangen.En het volk om hen heen scheen maar niet moede te kunnen worden, en juichte maar altijd door:„Lang zal zij levenMoeder Alida!”„En ik wilde wel eens weten of ik nu op mijne beurt niet eens even aan het woord mag komen,” zeide Vader Adriaen en kwam met de groote tang nader.Michiel zag het en liep hem te gemoet. Hij scheen na zooveel genot gesmaakt, en na zooveel eer genoten te hebben, nu wel eens eene vaderlijke kastijding te willen oploopen om wat tot zichzelven te komen.„Vervoerde schavuit, kom hier! Ik zal je Koningen!” riep de Vader sissend door de tanden heen van lang verkropte boosheid, die voor liefde in de plaats gekomen was.Daar ging de tang de hoogte in.Michiel klemde de lippen op elkander en kromde den rug.Daar daalde de tang en....„Hei, niet slaan!” riep Geleyn Evertsen en hield, geholpen door Pieter, den arm van Vader Adriaen tegen.„Neen, Adriaen, niet slaan!” riepen enkelen uit den hoop.Vader Adriaen keek verwoed, gaf met de vrije hand eerst Geleyn en toen Pieter Evertsen eenen draai om de ooren, roepende: „Uit den weg, Jan Hagel en zijn vee! Uit den weg, zeg ik.”En weer ging de tang de hoogte in en weer kromde Michiel onderworpen den rug.„Niet slaan! Niet slaan!” riep het volk nu ook met de jongens mede.„Wat, wilt gijlieden mij de wet komen stellen?” riep de Vader bleek van kwaadheid. „Ik zal toch dien kwâjongen....”„Niet slaan! Niet slaan!” klonk het nu van al het volk als uit éénen mond. Zelfs enkele deftige lieden, die tusschen den hoop stonden, riepen het mede.Vader Adriaen had moeite zijnen toorn in bedwang te houden en misschien zou het tusschen hem en het volk, dat voor den kwâjongen partij trok, tot ruzie en vechten gekomen zijn, als niet eensklaps de menigte uit elkander gegaan was om ruimte te maken voor twee mannen.Het waren de voorzittende Burgemeester en een der Heeren Lampsens.„Wel, Vader, houdt gij afrekening met den bengel? Dat is goed!” zeide de Burgemeester.„Neen, Burgemeester, die menschen daar met al die schavuiten beletten mij het. Maar nu zal ik....”„Niet slaan! Niet slaan!” riep het volk in koor.De Burgemeester keek niet heel vriendelijk toen men dat, ondanks zijne nabijheid, zoo brutaal riep.„En als ik wil dat deze straatbengel, die de heele stad in opschudding brengt, die dag aan dag de goê gemeente tot last is, die zijn grootste vermaak vindt in straatschenderij, gestraft zal worden, wie zou dat dan beletten?”„Wij, Heer Burgemeester,” riepen enkelen.„Wie roept dat daar?”„Wij, Heer Burgemeester!” riepen ze nu allemaal. Het scheen dat men nu door den regel van drieën heen was.De Burgemeester fronste het voorhoofd en krachtig klonk zijn bevel: „Sla zeg ik!”„Niet slaan!Niet slaan!” schreeuwde het volk en drong nu zoo dicht om Adriaen, Michiel, den Burgemeester en den Heer Lampsens heen, dat de Vader geene ruimte had om de tang op te heffen.„Wat? Zal dat rebellie tegen het gezag geven?” riep de Burgemeester woedend uit.Daar drong zich een man voorop en na zich met moeite door de menigte heen gewrongen te hebben, stond hij vlak voor den Burgemeester.Hij was een zeeman, een kort, maar ontzettend breed geschouderd man. Een groote knevelbaard bedekte bijna zijn geheele gelaat, waar langs het blonde hoofdhaar zich krullend heenslingerde. De man geleek wel eenen leeuw.Een gemompel doorliep de menigte, doch op het: „Ssst, de „Barre Bruinvisch” heeft het woord,” werd het doodstil.„Wie ben je, wat wil je kerel?” vroeg de Burgemeester wat terugtrekkende. Hij scheen voor dien zeeleeuw toch wel eenigszins bevreesd te zijn.De Heer Lampsens knikte den zeeman vriendelijk toe.„Ik ben de „Barre Bruinvisch”!” sprak de man.„Leve de „Barre Bruinvisch”!” schreeuwde de menigte.„Houd den mond daar, en spreek als je wat gevraagd wordt!” sprak de zeeman bevelend tot het volk.Weer was het doodstil.„Barre Bruinvisch! Zoo heet gij toch niet? Hoe is uw ware naam?” vroeg de Burgemeester!„Cornelis Lievensz., om u te dienen, Burgemeester!”„Van beroep?” vroeg de Burgervader, zeker in de meening, dat hij op zijn doode gemak op het Stadhuis den een of ander onder het verhoor had.„Sedert eenige jaren zooveel als Bootsman op de „Lijnbaan” van de Heeren Lampsens, Burgemeester!”„Dat is zoo,” zeide Lampsens tot den Burgervader. „Een ferm, open en rond zeeman. Hij zal een verstandig woord spreken, daar kunt ge op aan!”„En wat wilt gij, goede vriend?” klonk het nu eensklaps uit den mond van den eersten man van Vlissingen op heel anderen, ja, bijna vriendelijken toon.„Ik wil dat die jongen niet geslagen wordt!”Moeder Alida, die naderbij gekomen was, had den ruwen zeeman wel om den hals willen vliegen, zoo innig dankbaar was zij hem.„Die „Barre Bruinvisch” mijn baas is,” zeide Jan Kompanjie. „Dat baas veel durft.”„Maar, mijn goede vriend, gij als een Bootsman, zult aanboord toch ook wel eens gebruik maken van het „endje dag,” nietwaar?” vroeg de Burgemeester.„Daar staat een van de Patroons,” zeide Lievensz. „Laat hij zeggen of de „Barre Bruinvisch” niet al zeevader geweest is over misschien wel twintig zulke deugnieten als deze er één is!”„Lievensz. is zeevader geweest over negentien bengels,” zeide Lampsens, wat nader tredend en Michiel goed beschouwend.„En laat de Patroon nu zeggen of er door mij aanboord van de „Lijnbaan” veel van het „endje dag” gebruik gemaakt is om belhamels tot rede en plicht te brengen.”„Dat kan ik op mijn eerewoord verklaren van bijna nooit,” antwoordde Lampsens.„En als het van den Patroon niet te veel gevergd is, dan zou ik ook wel willen dat hij zei, wat er uit die borsten gegroeid is.”„Er is wakker, ferm zeevolk uit gegroeid, Burgemeester! Alle reeders hebben graag jongens, die aanboord van de „Lijnbaan” van Lievensz. het varen geleerd hebben. Daar voor dien negerknaap, die nog maar eene week of tien onder zijne leiding is, hebben de Heeren Hendriksz. te Middelburg mij eene mooie som gelds geboden.”„Hi, hi, ik waard ben een mooie geld,” riep Jan en gaf van pure blijdschap zichzelven eenen slag op de wang, die klonk als eene klok. „Hi hi, Michieltje, jij nog niet waard mooie geld!”„Sausneger,” bromde Michiel, die eindelijk door zijnen Vader losgelaten was.„Alzoo,” dus vervolgde de „Barre Bruinvisch” toen de Heer Lampsens zweeg, „alzoo, Heer Burgemeester, getuigt de Patroon, dat ik wel bengels weet te regeeren zonder het „endje dag.” Ik zeg maar....”„Het kwaad moet er uit en zal er uit,” zeide Vader Adriaen, en de toon waarop hij sprak klonk nog alles geruststellend voor Michiels rug.„Zeker, Vader, dat zeg ik ook. Het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit, maar niet met slaan,” sprak Lievensz. „Men slaat het kwaad er soms dieper in.”„Ik zou wel eens willen weten, hoe dan,” sprak de Burgemeester.„Ja, juist, hoe dan?” bromde Vader Adriaen.„Dat is mijne kunst, en als ik moest zeggen, hoe ik dat aanleg, dan zou ik het niet kunnen. Maar het kwaad gaat er uit. Is het vandaag niet, dan morgen. Is het morgen niet, dan overmorgen of een jaar later; maar er uit gaat het. En—alle jongens houden veel van me.”„Ik veel houd van mijnen zeevader, ja, ikke,” zeide Jan, en liet vroolijk lachend al zijne blanke tanden en het heele wit van zijne oogen zien.„Maar welk plan hebt gij nu met dien bengel, Lievensz.?” vroeg de Burgemeester.„Welk plan, Burgemeester?”„Ja, zeker, welk plan? Al zijt gij ook tienduizend maal een goede zeevader, daar heeft die rauwe gast niemendal aan. Die gaat voort met rebellie te veroorzaken.”„Burgemeester, ik was vanmorgen op de Markt toen die kwâjongen daar naar het haantje klauterde. Ik zag alles, en ik dacht....”Eensklaps hield hij op en Michiel aanziende met een paar oogen waarvoor zelfs tijgers op den loop zouden gaan, zei hij: „Als de wind naar binnen, maat! En kom me niet voor den boeg aleer ik je roep.”En Michiel?Wel, het was, alsof hij met eene dommekracht naar binnen geduwd werd. Hij kon niet blijven staan en was in een oogenblik, tot verbazing van iedereen, verdwenen.„Ziezoo, nu heb ik blanke zee voor me. Het is niet goed, als een bengel hoort, dat er toch nog wat goeds in hem steekt. Ik dacht bij mezelven toen ik dien jongen dat dolle waagstuk zag ondernemen: „Daar zit wat in dien deugniet!” Ja, ik had wel in mijne handen willen klappen en „Mooi, mooi!” willen roepen. Ik weet niet of ge het gezien hebt, Burgemeester, maar zoo bedaard, alsof ik den valreep afstapte, zoo bedaard klom hij naar beneden! Heel leuk sloeg hij met de hakken van zijne schoenen,—het was goed dat er spijkers in waren, Vader Adriaen, anders had hij het hem niet gelapt,—de leien stuk. Ik zag het duidelijk! Kerel, het was zulk een kranig stuk! Dicht bij me kreeg een vrouwtje het op haar zenuwen, maar eer het zoover kwam riep ze nog: „Lieve menschen, daar komt hij! Helpt hem dan toch!”„Verbeeld je, helpen? Ik zou eene kat willen zien, die zonder ladder naar boven kon klauteren en daarom zei ik: „Nu mensch, doet zoo raar niet! Hij zal wel voor anker komen!”—Maar pas had ik dat gezegd, of ze kreeg eene kleur als een schoone zwabber, zette het bestek naar de afgevaren breedte, en daar ging ze, hoor, ze lag er zoo mooi als een Ammiraals-vlag in het kluisgat!”„Ze viel dus van d’r zelven, die goede ziel,” zeide eene der vrouwen op meewarigen toon.„Nu ja, dat zal wel waar zijn, ik weet het niet hoe jelui dat noemt. Ik keek er dan ook niet meer naar en ik had alleen oogen voor dien jongen, die zoo netjes langs de peer naar beneden kwam. Ik keek hem na, tot hij in den toren verdween en wilde juist weggaan, toen Sinjeur Seylmaeckers mij praaide en dwong even bij te leggen.”„Wat zegt gij van dat gevalletje, Barre?” vroeg hij.„Het is een mooi stuk,” zei ik, „een mooi stuk, Sinjeur!”„En weet gij ook wie het is?” vroeg hij.„Neen,” zei ik, „maar laten we even wachten. Als hij uit de torendeur komt dan kunnen wij hem zien.”Maar bij de torendeur komen om den knaap te zien, was wel te zeggen, niet te doen. Ik had even gemakkelijk eenen knoopstopper met mijne hielen kunnen leggen, als bij de torendeur komen. Daar stond ik nu als eene garnalenschuit tusschen Spaansche galeien. Ik kon niemendal zien. Gelukkig heeft Sinjeur Seylmaeckers de lengte van eenen sloepmast en steekt hij, als wijlen Koning Saul, een hoofd boven het volk uit, zoodat hij een poosje later zei: „Daar is hij! Ik ken hem al! Het is Michiel Adriaensz., de zoon van den bierdrager. Gisteren was ik er bij toen zijn Vader hem met twee rinkellatten voor de broek gaf. Ik heb den luiden aangeraden hem naar zee te zenden, dan kan er misschien nog wat van hem groeien!”„Zoo,” zei ik, „en....”„En ik heb gezegd dat ik dan probeeren zou te maken, dat gij zijn zeevader werdt. Maar Moeder de vrouw had er geene ooren naar, ze zou het besterven, zeide ze.”Dat zei Sinjeur Seylmaeckers en ik draaide het schip met den kop naar den wind en nam mijnen koers naar hier, om er eens ampel met zijne Ouders over te spreken. En daar ik alle hoop heb, dat ik toch zijn zeevader worden zal, zoo riep ik met het volk mee: „Niet slaan,” Heer Burgemeester. Nu heb ik het mijne ervan gezegd.”De „Barre Bruinvisch”zweeg, nam zijne muts af, wischte zich het zweet van het voorhoofd en zei: „He, zulk eene redevoering bekomt een mensch al even goed als een kabeljauw, die met betingsbouten zijn middagmaal doet.”„Nu, Lievensz., zie wat ge gedaan kunt krijgen. Ge zult Vlissingen van eene plaag verlossen, als ge dat lieverdje onder uw opzicht neemt,” zeide de Burgemeester en vroeg aan den Heer Lampsens of deze zoo ver medeging.„Neen, Burgemeester, ik zal met Lievensz. bij dezemenschen binnengaan en mijn best doen, dat ze den jongen het zeegat uit sturen. Goeden middag!”De Burgemeester beantwoordde den groet en vertrok.De menigte ging ook uit elkander en weldra was er van den heelen oploop niemendal meer te zien. De zoons van Adriaen, die op een ambacht waren, gingen naar hun winkel, vier gingen er naar school en een meisje, Alida, verliet ook het huis om naar eenen middagdienst te gaan.Er bleven dus nog vier kinderen over en onder deze was Michiel, die in een hoekje met Jan Kompanjie zat, waar hij dezen vertelde, wat hij daar boven bij het torenhaantje zoo al gezien had.Vader en Moeder zaten met den Heer Lampsens en Lievensz. bij de tafel en redeneerden druk.In het eerst schudde Moeder Alida maar steeds het hoofd, doch langzamerhand, naarmate de „Barre Bruinvisch” meer aan het woord was, hield dat hoofdschudden op en eindelijk zeide ze: „Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne reis mede, en probeer wat gij van hem kunt maken. Maar o, het valt mij zoo hard, zoo ontzettend hard.”Michiel scheen het vermogen te hebben twee dingen te doen, namelijk luisteren, wat anderen zeiden, en zelf wat te vertellen. Dit bleek; want pas had Moeder gezegd: „Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne reis mede en probeer wat ge van hem kunt maken,” of hij sprong op, liep naar zijne Moeder en kuste haar.Hierop ging hij naar zijnen Vader en zeide, bijna op zegevierenden toon en vol gloed en leven: „Vader, het kwaad is er uit!”„Ja, dat kan ik zoo gelooven! Neen, jongen, kom me dat eens over een jaar drie-vier vertellen,” luidde het antwoord.„Het is toch vast waar, Vader! Het kwaad is er nu al heelemaal, heelemaal uit met wortel en tak.”„Het zou goed voor je zijn, jongen,” sprak Lievensz.„Gij zult geenen last van me hebben, Bootsman!” sprak Michiel en liep met Jan Kompanjie heen om baas Lorkens te vertellen, dat hij van de eene lijnbaan afging om op de andere te komen.„Dat is uitkomst, he? Wie heeft die gebracht?”„De „Barre Bruinvisch,” baas! Maar nu moet ik naar Geleyn en Pieter om hun het nieuws te vertellen.”„Nu, gij zult toch nog wel afscheid komen nemen eer gij weggaat!” zeide baas Lorkens.„O, vooreerst ga ik nog niet weg. Het schip moet nog vooraf gekalefaat worden. En dan gaan we samen, sausnegertje, samen het ruime sop op! Hoezee!” riep Michiel en begon met Jan van loutere pret langs de straatkeien te rollen.
VIERDE HOOFDSTUK.De „Barre Bruinvisch.”
„Wat zou er toch te doen zijn, Moeder?” vroeg Alida, de oudste zuster van Michiel.„Och, ik weet het niet, kind! Eet maar,” zegt Moeder.Men had zich maar aan tafel gezet en was op den gewonen tijd begonnen met eten. Op Michiel werd nooit gewacht; die kwam zoo dikwijls te laat.Het maal was weldra verdwenen, ditmaal echter in de magen der kinderen.Moeder had zoo goed als niets gegeten en Vader ook niet.Dat Vader Adriaen den pot geene eere aandeed, gebeurde maar zelden en dan moest er wel wat bijzonders gebeurd zijn.Dat was evenwel toch nu het geval niet; want dat Michiel, die aartsdeugniet er niet was, zie, dat was geene reden. Als hij daarom het eten moest laten staan, dan ging hij van de zeven dagen, die er in de week zijn, zeker drie zonder gegeten te hebben van tafel.En toch schoof Vader Adriaen onrustig op zijnen stoel heen en weer, en keek telkens, zoo tersluiks zijne vrouw aan, die maar strak voor zich zat te kijken.Maar wat haperde er dan toch aan Vader Adriaen?Stil, ik geloof dat ik het weet.Hij is boos, erg boos, en voor Michiel is een spiksplinternieuw pak in den maak. Ditmaal zal het geen afleggertje zijn, evenmin als gisteren, en evenmin als al de andere pakken en pakjes, die zijn Vader hem gemaakt en kant en klaar geleverd heeft. De goede man wist het wel, dat afleggertjes bij jongens niet gewild zijn! Die kreeg hij dan ook maar alleen van zijne lieve, goede Moeder, die soms tot diep in den nacht bezig was om zoogenaamd van oud weer nieuw te maken.En dat nieuwe pak van gisteren nu al versleten!Hoe kon dat in de wereld mogelijk zijn?Had Vader Adriaen niet gezegd: Het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit? Had hij denkwâjongenniet geranseld, niet zóó geranseld, dat de schelm een sloksken koud water moest hebben om niet van zijn stokje te rollen? En nu al vergeten!Weer schoof Vader Adriaen naar den anderen kant van zijnen stoel, en keek het kleine vertrek rond.Moeder Alida, die maar voor zich keek, voelde dat haar man iets zocht en angstig keek ze even naar de groote vuurtang, die in het hoekje van den haard stond.Op hetzelfde oogenblik dat Moeder dit deed, deed Vaderhet ook en hij dacht: „Helpen rinkellatten niet, dan de tang maar. Ik zeg: het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit.”„Maar wat zou er toch te doen zijn?” zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, terwijl hij met eten opeens ophield.„Hoor dat volk eens joelen en schreeuwen,” merkte een der jongeren ongeduldig aan.„Zie, daar kijkt die leelijke negerjongen door het raam,” riep Alida. „Wat moet die hier komen scharrelen?”„En daar zijn Pieter en Geleyn Evertsen ook,” zeide Dirk.„Och, we zijn toch klaar met eten! Zouden we maar niet danken, Adriaen?” sprak Moeder.Vader gaf geen antwoord; hij scheen het niet te verstaan.„Zouden we maar niet danken, Adriaen?” vroeg Moeder andermaal, doch erg angstig en bevend.Nu hoorde Vader wat; maar het rechte toch niet en daarom zei hij: „Wat vraagt gij daar, Moeder?”„Of we maar niet danken zouden?”„Ik dacht dat we het al gedaan hadden! Jan, dank vanmiddag maar, jongen! Ik kan het niet.”Vader en jongens hielden de mutsen voor de oogen; Moeder en de meisjes vouwden de handen samen en bogen zich voorover, en Jan dankte.Nauwelijks evenwel had hij „Amen” gezegd of de kinderen stoven van hunne zitplaatsen op.„Hei, hei, waar dat heen? Moet ge niet eten?” vroeg Vader.„Maar, Adriaen!” zei Moeder Alida, „hoe heb ik het nu? Wij hebben immers zóó gedankt!”„O, ja, dat is waar ook. Nu, vooruit dan maar!”De kinderen liepen de deur uit, doch het leed geene minuut, of Alida vloog weer naar binnen en riep: „Moeder, Vader, Michiel heeft boven op den toren gezeten!”„O, God, en is er af gevallen!” riepen Vader en Moeder bijna tegelijk.De tang viel uit Vaders handen en de man met dat hart, zoo onvermurwbaar hard, waggelde waar hij stond en moest zich vasthouden om niet te vallen.Wist gij het wel, Michiel, dat uw Vader u zoo lief had, ja, niet minder lief zelfs dan uwe al te teerhartige en toegevende Moeder?Wist gij het wel, eerste van Vlissingens straatjongens, welk eene groote plaats gij beslaat in het hart van den man, die niet uit lust tot slaan zeide: „Het kwaad moet er uit en zal er uit,” maar alleen uit liefde voor u?Wist gij het, bengel, dat het ook van een Vaderhart waar is: „Van buiten is niet alles te zien, wat binnen te koop is”?„Dood gevallen?” vroeg Vader nog eens, maar op eenen toon, alsof hij het niemand anders dan zichzelven vroeg.„Neen, Vader,” zei nu weer een ander der kinderen, „hij is heelhuids beneden gekomen. Maar waar hij nu is weten ze niet.”„Hij geklommen is op den toren, ja! Hij geweest is bij het haan, heelemaal bij het haan. Ik het gezien heb.„En weg waren de ladders. Hij trapt stuk die lei en nog die lei en trapt weer stuk die lei en nog die lei, en klautert zoo naar beneden langs dat peer. Al die volk wit zag. Ik ook, wit, heelemaal wit en ik koû kreeg. Die Burgemeester gekomen is met dat twee man om te haal Michiel. Ik Michiel spreek moest. Maar Michiel gauw weg was. Wij dachten hij naar huis is. Wij liep een, twee, drie, vier, vijf, allemaal naar hier. Wij zien wilden hoe Michiel weer krijgen zou en dan wij vraag wilden: „Niet slaan Michiel! Michiel een jongen is, die heeft moed!””Met alle aandacht hadden Vader en Moeder en de kinderen naar de wartaal van Jan geluisterd, en juist wilde Vader nog een en ander vragen toen daar buiten een oorverdoovend geschreeuw opsteeg: „Daar is de belhamel! Daar is Michiel!”Gedragen door zes jongens, waarbij nu ook Pieter en Geleyn Evertsen waren, die hem, niet te huis vindende,weer elders gezocht en gevonden hadden, en gevolgd door alles wat Vlissingen aan straatjeugd had, naderde de dolle troep al meer het huis van Michiel.De Ouders en kinderen vlogen naar buiten en Moeder Alida, zich geenen tijd gunnende hare muilen aan te trekken, liep op de kousen haren zoon, dien grooten waaghals, te gemoet en haren man, die zijne „flauwigheid” vergeten en weer de tang opgenomen had, voorbij.Weldra stond ze temidden der woelende en joelende belhamels.„Fij, rauwe gasten, wat stelt gij uzelven gemeen aan! Kom hier, Michiel,” riep ze.„Jongens, dat is Moeder Alida, de Moeder van onzen Koning!” riep Geleyn Evertsen.„Gauw, jongens, een hoezee voor Moeder Alida!” schreeuwde Pieter zoo hard als zijne jongenskeel dit toeliet.En daverend klonk het uit honderden monden, van grooten zelfs zoowel als van kleinen: „Hoezee! Leve Moeder Alida! Leve de Moeder van Michiel!”„Hoezee! Leve mijne lieve, goede Moeder!” riep Michiel.„Roep dat nog eens, Michiel,” zeiden de jongens en hieven hunnen Koning in de hoogte.Wip, daar stond de Vorst der straatbengels op de schouders zijner makkers. Hij gooide zijne muts in de hoogte en terwijl de zoele westenwind langs zijne vuurroode wangen streek en zijne bruine haren deed golven, riep hij weer met stralende oogen: „Leve mijne goede, lieve Moeder! Hoezee! Hoezee!”„Hoezee!” brulde men hem na, en als op een gegeven teeken sloot het volk zich om de Moeder en de jongens heen, en begon al dansende te zingen:„Lang zal zij leven!Honderd jaar na dezen!Lang zal zij levenMoeder Alida!”Opeens sprong Michiel van de schouders der jongens op de straat, en zijne Moeder om den hals vallende, zei hij: „En wees niet boos, goed, lief, best Moedertje! Het was daar boven zoo mooi! Ga mee naar binnen dan zal ik vertellen, wat ik daar in de hoogte gezien heb!”„O, God, lieve, lieve jongen, uw Vader! Wat zal er van u groeien? Kind, kind, ge doet uwen Vader zooveel verdriet en mij zoo ontzettend veel pijn,” sprak ze en gaf hem eenen kus op zijne gloeiende wangen.En het volk om hen heen scheen maar niet moede te kunnen worden, en juichte maar altijd door:„Lang zal zij levenMoeder Alida!”„En ik wilde wel eens weten of ik nu op mijne beurt niet eens even aan het woord mag komen,” zeide Vader Adriaen en kwam met de groote tang nader.Michiel zag het en liep hem te gemoet. Hij scheen na zooveel genot gesmaakt, en na zooveel eer genoten te hebben, nu wel eens eene vaderlijke kastijding te willen oploopen om wat tot zichzelven te komen.„Vervoerde schavuit, kom hier! Ik zal je Koningen!” riep de Vader sissend door de tanden heen van lang verkropte boosheid, die voor liefde in de plaats gekomen was.Daar ging de tang de hoogte in.Michiel klemde de lippen op elkander en kromde den rug.Daar daalde de tang en....„Hei, niet slaan!” riep Geleyn Evertsen en hield, geholpen door Pieter, den arm van Vader Adriaen tegen.„Neen, Adriaen, niet slaan!” riepen enkelen uit den hoop.Vader Adriaen keek verwoed, gaf met de vrije hand eerst Geleyn en toen Pieter Evertsen eenen draai om de ooren, roepende: „Uit den weg, Jan Hagel en zijn vee! Uit den weg, zeg ik.”En weer ging de tang de hoogte in en weer kromde Michiel onderworpen den rug.„Niet slaan! Niet slaan!” riep het volk nu ook met de jongens mede.„Wat, wilt gijlieden mij de wet komen stellen?” riep de Vader bleek van kwaadheid. „Ik zal toch dien kwâjongen....”„Niet slaan! Niet slaan!” klonk het nu van al het volk als uit éénen mond. Zelfs enkele deftige lieden, die tusschen den hoop stonden, riepen het mede.Vader Adriaen had moeite zijnen toorn in bedwang te houden en misschien zou het tusschen hem en het volk, dat voor den kwâjongen partij trok, tot ruzie en vechten gekomen zijn, als niet eensklaps de menigte uit elkander gegaan was om ruimte te maken voor twee mannen.Het waren de voorzittende Burgemeester en een der Heeren Lampsens.„Wel, Vader, houdt gij afrekening met den bengel? Dat is goed!” zeide de Burgemeester.„Neen, Burgemeester, die menschen daar met al die schavuiten beletten mij het. Maar nu zal ik....”„Niet slaan! Niet slaan!” riep het volk in koor.De Burgemeester keek niet heel vriendelijk toen men dat, ondanks zijne nabijheid, zoo brutaal riep.„En als ik wil dat deze straatbengel, die de heele stad in opschudding brengt, die dag aan dag de goê gemeente tot last is, die zijn grootste vermaak vindt in straatschenderij, gestraft zal worden, wie zou dat dan beletten?”„Wij, Heer Burgemeester,” riepen enkelen.„Wie roept dat daar?”„Wij, Heer Burgemeester!” riepen ze nu allemaal. Het scheen dat men nu door den regel van drieën heen was.De Burgemeester fronste het voorhoofd en krachtig klonk zijn bevel: „Sla zeg ik!”„Niet slaan!Niet slaan!” schreeuwde het volk en drong nu zoo dicht om Adriaen, Michiel, den Burgemeester en den Heer Lampsens heen, dat de Vader geene ruimte had om de tang op te heffen.„Wat? Zal dat rebellie tegen het gezag geven?” riep de Burgemeester woedend uit.Daar drong zich een man voorop en na zich met moeite door de menigte heen gewrongen te hebben, stond hij vlak voor den Burgemeester.Hij was een zeeman, een kort, maar ontzettend breed geschouderd man. Een groote knevelbaard bedekte bijna zijn geheele gelaat, waar langs het blonde hoofdhaar zich krullend heenslingerde. De man geleek wel eenen leeuw.Een gemompel doorliep de menigte, doch op het: „Ssst, de „Barre Bruinvisch” heeft het woord,” werd het doodstil.„Wie ben je, wat wil je kerel?” vroeg de Burgemeester wat terugtrekkende. Hij scheen voor dien zeeleeuw toch wel eenigszins bevreesd te zijn.De Heer Lampsens knikte den zeeman vriendelijk toe.„Ik ben de „Barre Bruinvisch”!” sprak de man.„Leve de „Barre Bruinvisch”!” schreeuwde de menigte.„Houd den mond daar, en spreek als je wat gevraagd wordt!” sprak de zeeman bevelend tot het volk.Weer was het doodstil.„Barre Bruinvisch! Zoo heet gij toch niet? Hoe is uw ware naam?” vroeg de Burgemeester!„Cornelis Lievensz., om u te dienen, Burgemeester!”„Van beroep?” vroeg de Burgervader, zeker in de meening, dat hij op zijn doode gemak op het Stadhuis den een of ander onder het verhoor had.„Sedert eenige jaren zooveel als Bootsman op de „Lijnbaan” van de Heeren Lampsens, Burgemeester!”„Dat is zoo,” zeide Lampsens tot den Burgervader. „Een ferm, open en rond zeeman. Hij zal een verstandig woord spreken, daar kunt ge op aan!”„En wat wilt gij, goede vriend?” klonk het nu eensklaps uit den mond van den eersten man van Vlissingen op heel anderen, ja, bijna vriendelijken toon.„Ik wil dat die jongen niet geslagen wordt!”Moeder Alida, die naderbij gekomen was, had den ruwen zeeman wel om den hals willen vliegen, zoo innig dankbaar was zij hem.„Die „Barre Bruinvisch” mijn baas is,” zeide Jan Kompanjie. „Dat baas veel durft.”„Maar, mijn goede vriend, gij als een Bootsman, zult aanboord toch ook wel eens gebruik maken van het „endje dag,” nietwaar?” vroeg de Burgemeester.„Daar staat een van de Patroons,” zeide Lievensz. „Laat hij zeggen of de „Barre Bruinvisch” niet al zeevader geweest is over misschien wel twintig zulke deugnieten als deze er één is!”„Lievensz. is zeevader geweest over negentien bengels,” zeide Lampsens, wat nader tredend en Michiel goed beschouwend.„En laat de Patroon nu zeggen of er door mij aanboord van de „Lijnbaan” veel van het „endje dag” gebruik gemaakt is om belhamels tot rede en plicht te brengen.”„Dat kan ik op mijn eerewoord verklaren van bijna nooit,” antwoordde Lampsens.„En als het van den Patroon niet te veel gevergd is, dan zou ik ook wel willen dat hij zei, wat er uit die borsten gegroeid is.”„Er is wakker, ferm zeevolk uit gegroeid, Burgemeester! Alle reeders hebben graag jongens, die aanboord van de „Lijnbaan” van Lievensz. het varen geleerd hebben. Daar voor dien negerknaap, die nog maar eene week of tien onder zijne leiding is, hebben de Heeren Hendriksz. te Middelburg mij eene mooie som gelds geboden.”„Hi, hi, ik waard ben een mooie geld,” riep Jan en gaf van pure blijdschap zichzelven eenen slag op de wang, die klonk als eene klok. „Hi hi, Michieltje, jij nog niet waard mooie geld!”„Sausneger,” bromde Michiel, die eindelijk door zijnen Vader losgelaten was.„Alzoo,” dus vervolgde de „Barre Bruinvisch” toen de Heer Lampsens zweeg, „alzoo, Heer Burgemeester, getuigt de Patroon, dat ik wel bengels weet te regeeren zonder het „endje dag.” Ik zeg maar....”„Het kwaad moet er uit en zal er uit,” zeide Vader Adriaen, en de toon waarop hij sprak klonk nog alles geruststellend voor Michiels rug.„Zeker, Vader, dat zeg ik ook. Het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit, maar niet met slaan,” sprak Lievensz. „Men slaat het kwaad er soms dieper in.”„Ik zou wel eens willen weten, hoe dan,” sprak de Burgemeester.„Ja, juist, hoe dan?” bromde Vader Adriaen.„Dat is mijne kunst, en als ik moest zeggen, hoe ik dat aanleg, dan zou ik het niet kunnen. Maar het kwaad gaat er uit. Is het vandaag niet, dan morgen. Is het morgen niet, dan overmorgen of een jaar later; maar er uit gaat het. En—alle jongens houden veel van me.”„Ik veel houd van mijnen zeevader, ja, ikke,” zeide Jan, en liet vroolijk lachend al zijne blanke tanden en het heele wit van zijne oogen zien.„Maar welk plan hebt gij nu met dien bengel, Lievensz.?” vroeg de Burgemeester.„Welk plan, Burgemeester?”„Ja, zeker, welk plan? Al zijt gij ook tienduizend maal een goede zeevader, daar heeft die rauwe gast niemendal aan. Die gaat voort met rebellie te veroorzaken.”„Burgemeester, ik was vanmorgen op de Markt toen die kwâjongen daar naar het haantje klauterde. Ik zag alles, en ik dacht....”Eensklaps hield hij op en Michiel aanziende met een paar oogen waarvoor zelfs tijgers op den loop zouden gaan, zei hij: „Als de wind naar binnen, maat! En kom me niet voor den boeg aleer ik je roep.”En Michiel?Wel, het was, alsof hij met eene dommekracht naar binnen geduwd werd. Hij kon niet blijven staan en was in een oogenblik, tot verbazing van iedereen, verdwenen.„Ziezoo, nu heb ik blanke zee voor me. Het is niet goed, als een bengel hoort, dat er toch nog wat goeds in hem steekt. Ik dacht bij mezelven toen ik dien jongen dat dolle waagstuk zag ondernemen: „Daar zit wat in dien deugniet!” Ja, ik had wel in mijne handen willen klappen en „Mooi, mooi!” willen roepen. Ik weet niet of ge het gezien hebt, Burgemeester, maar zoo bedaard, alsof ik den valreep afstapte, zoo bedaard klom hij naar beneden! Heel leuk sloeg hij met de hakken van zijne schoenen,—het was goed dat er spijkers in waren, Vader Adriaen, anders had hij het hem niet gelapt,—de leien stuk. Ik zag het duidelijk! Kerel, het was zulk een kranig stuk! Dicht bij me kreeg een vrouwtje het op haar zenuwen, maar eer het zoover kwam riep ze nog: „Lieve menschen, daar komt hij! Helpt hem dan toch!”„Verbeeld je, helpen? Ik zou eene kat willen zien, die zonder ladder naar boven kon klauteren en daarom zei ik: „Nu mensch, doet zoo raar niet! Hij zal wel voor anker komen!”—Maar pas had ik dat gezegd, of ze kreeg eene kleur als een schoone zwabber, zette het bestek naar de afgevaren breedte, en daar ging ze, hoor, ze lag er zoo mooi als een Ammiraals-vlag in het kluisgat!”„Ze viel dus van d’r zelven, die goede ziel,” zeide eene der vrouwen op meewarigen toon.„Nu ja, dat zal wel waar zijn, ik weet het niet hoe jelui dat noemt. Ik keek er dan ook niet meer naar en ik had alleen oogen voor dien jongen, die zoo netjes langs de peer naar beneden kwam. Ik keek hem na, tot hij in den toren verdween en wilde juist weggaan, toen Sinjeur Seylmaeckers mij praaide en dwong even bij te leggen.”„Wat zegt gij van dat gevalletje, Barre?” vroeg hij.„Het is een mooi stuk,” zei ik, „een mooi stuk, Sinjeur!”„En weet gij ook wie het is?” vroeg hij.„Neen,” zei ik, „maar laten we even wachten. Als hij uit de torendeur komt dan kunnen wij hem zien.”Maar bij de torendeur komen om den knaap te zien, was wel te zeggen, niet te doen. Ik had even gemakkelijk eenen knoopstopper met mijne hielen kunnen leggen, als bij de torendeur komen. Daar stond ik nu als eene garnalenschuit tusschen Spaansche galeien. Ik kon niemendal zien. Gelukkig heeft Sinjeur Seylmaeckers de lengte van eenen sloepmast en steekt hij, als wijlen Koning Saul, een hoofd boven het volk uit, zoodat hij een poosje later zei: „Daar is hij! Ik ken hem al! Het is Michiel Adriaensz., de zoon van den bierdrager. Gisteren was ik er bij toen zijn Vader hem met twee rinkellatten voor de broek gaf. Ik heb den luiden aangeraden hem naar zee te zenden, dan kan er misschien nog wat van hem groeien!”„Zoo,” zei ik, „en....”„En ik heb gezegd dat ik dan probeeren zou te maken, dat gij zijn zeevader werdt. Maar Moeder de vrouw had er geene ooren naar, ze zou het besterven, zeide ze.”Dat zei Sinjeur Seylmaeckers en ik draaide het schip met den kop naar den wind en nam mijnen koers naar hier, om er eens ampel met zijne Ouders over te spreken. En daar ik alle hoop heb, dat ik toch zijn zeevader worden zal, zoo riep ik met het volk mee: „Niet slaan,” Heer Burgemeester. Nu heb ik het mijne ervan gezegd.”De „Barre Bruinvisch”zweeg, nam zijne muts af, wischte zich het zweet van het voorhoofd en zei: „He, zulk eene redevoering bekomt een mensch al even goed als een kabeljauw, die met betingsbouten zijn middagmaal doet.”„Nu, Lievensz., zie wat ge gedaan kunt krijgen. Ge zult Vlissingen van eene plaag verlossen, als ge dat lieverdje onder uw opzicht neemt,” zeide de Burgemeester en vroeg aan den Heer Lampsens of deze zoo ver medeging.„Neen, Burgemeester, ik zal met Lievensz. bij dezemenschen binnengaan en mijn best doen, dat ze den jongen het zeegat uit sturen. Goeden middag!”De Burgemeester beantwoordde den groet en vertrok.De menigte ging ook uit elkander en weldra was er van den heelen oploop niemendal meer te zien. De zoons van Adriaen, die op een ambacht waren, gingen naar hun winkel, vier gingen er naar school en een meisje, Alida, verliet ook het huis om naar eenen middagdienst te gaan.Er bleven dus nog vier kinderen over en onder deze was Michiel, die in een hoekje met Jan Kompanjie zat, waar hij dezen vertelde, wat hij daar boven bij het torenhaantje zoo al gezien had.Vader en Moeder zaten met den Heer Lampsens en Lievensz. bij de tafel en redeneerden druk.In het eerst schudde Moeder Alida maar steeds het hoofd, doch langzamerhand, naarmate de „Barre Bruinvisch” meer aan het woord was, hield dat hoofdschudden op en eindelijk zeide ze: „Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne reis mede, en probeer wat gij van hem kunt maken. Maar o, het valt mij zoo hard, zoo ontzettend hard.”Michiel scheen het vermogen te hebben twee dingen te doen, namelijk luisteren, wat anderen zeiden, en zelf wat te vertellen. Dit bleek; want pas had Moeder gezegd: „Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne reis mede en probeer wat ge van hem kunt maken,” of hij sprong op, liep naar zijne Moeder en kuste haar.Hierop ging hij naar zijnen Vader en zeide, bijna op zegevierenden toon en vol gloed en leven: „Vader, het kwaad is er uit!”„Ja, dat kan ik zoo gelooven! Neen, jongen, kom me dat eens over een jaar drie-vier vertellen,” luidde het antwoord.„Het is toch vast waar, Vader! Het kwaad is er nu al heelemaal, heelemaal uit met wortel en tak.”„Het zou goed voor je zijn, jongen,” sprak Lievensz.„Gij zult geenen last van me hebben, Bootsman!” sprak Michiel en liep met Jan Kompanjie heen om baas Lorkens te vertellen, dat hij van de eene lijnbaan afging om op de andere te komen.„Dat is uitkomst, he? Wie heeft die gebracht?”„De „Barre Bruinvisch,” baas! Maar nu moet ik naar Geleyn en Pieter om hun het nieuws te vertellen.”„Nu, gij zult toch nog wel afscheid komen nemen eer gij weggaat!” zeide baas Lorkens.„O, vooreerst ga ik nog niet weg. Het schip moet nog vooraf gekalefaat worden. En dan gaan we samen, sausnegertje, samen het ruime sop op! Hoezee!” riep Michiel en begon met Jan van loutere pret langs de straatkeien te rollen.
„Wat zou er toch te doen zijn, Moeder?” vroeg Alida, de oudste zuster van Michiel.
„Och, ik weet het niet, kind! Eet maar,” zegt Moeder.
Men had zich maar aan tafel gezet en was op den gewonen tijd begonnen met eten. Op Michiel werd nooit gewacht; die kwam zoo dikwijls te laat.
Het maal was weldra verdwenen, ditmaal echter in de magen der kinderen.
Moeder had zoo goed als niets gegeten en Vader ook niet.
Dat Vader Adriaen den pot geene eere aandeed, gebeurde maar zelden en dan moest er wel wat bijzonders gebeurd zijn.
Dat was evenwel toch nu het geval niet; want dat Michiel, die aartsdeugniet er niet was, zie, dat was geene reden. Als hij daarom het eten moest laten staan, dan ging hij van de zeven dagen, die er in de week zijn, zeker drie zonder gegeten te hebben van tafel.
En toch schoof Vader Adriaen onrustig op zijnen stoel heen en weer, en keek telkens, zoo tersluiks zijne vrouw aan, die maar strak voor zich zat te kijken.
Maar wat haperde er dan toch aan Vader Adriaen?
Stil, ik geloof dat ik het weet.
Hij is boos, erg boos, en voor Michiel is een spiksplinternieuw pak in den maak. Ditmaal zal het geen afleggertje zijn, evenmin als gisteren, en evenmin als al de andere pakken en pakjes, die zijn Vader hem gemaakt en kant en klaar geleverd heeft. De goede man wist het wel, dat afleggertjes bij jongens niet gewild zijn! Die kreeg hij dan ook maar alleen van zijne lieve, goede Moeder, die soms tot diep in den nacht bezig was om zoogenaamd van oud weer nieuw te maken.
En dat nieuwe pak van gisteren nu al versleten!
Hoe kon dat in de wereld mogelijk zijn?
Had Vader Adriaen niet gezegd: Het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit? Had hij denkwâjongenniet geranseld, niet zóó geranseld, dat de schelm een sloksken koud water moest hebben om niet van zijn stokje te rollen? En nu al vergeten!
Weer schoof Vader Adriaen naar den anderen kant van zijnen stoel, en keek het kleine vertrek rond.
Moeder Alida, die maar voor zich keek, voelde dat haar man iets zocht en angstig keek ze even naar de groote vuurtang, die in het hoekje van den haard stond.
Op hetzelfde oogenblik dat Moeder dit deed, deed Vaderhet ook en hij dacht: „Helpen rinkellatten niet, dan de tang maar. Ik zeg: het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit.”
„Maar wat zou er toch te doen zijn?” zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, terwijl hij met eten opeens ophield.
„Hoor dat volk eens joelen en schreeuwen,” merkte een der jongeren ongeduldig aan.
„Zie, daar kijkt die leelijke negerjongen door het raam,” riep Alida. „Wat moet die hier komen scharrelen?”
„En daar zijn Pieter en Geleyn Evertsen ook,” zeide Dirk.
„Och, we zijn toch klaar met eten! Zouden we maar niet danken, Adriaen?” sprak Moeder.
Vader gaf geen antwoord; hij scheen het niet te verstaan.
„Zouden we maar niet danken, Adriaen?” vroeg Moeder andermaal, doch erg angstig en bevend.
Nu hoorde Vader wat; maar het rechte toch niet en daarom zei hij: „Wat vraagt gij daar, Moeder?”
„Of we maar niet danken zouden?”
„Ik dacht dat we het al gedaan hadden! Jan, dank vanmiddag maar, jongen! Ik kan het niet.”
Vader en jongens hielden de mutsen voor de oogen; Moeder en de meisjes vouwden de handen samen en bogen zich voorover, en Jan dankte.
Nauwelijks evenwel had hij „Amen” gezegd of de kinderen stoven van hunne zitplaatsen op.
„Hei, hei, waar dat heen? Moet ge niet eten?” vroeg Vader.
„Maar, Adriaen!” zei Moeder Alida, „hoe heb ik het nu? Wij hebben immers zóó gedankt!”
„O, ja, dat is waar ook. Nu, vooruit dan maar!”
De kinderen liepen de deur uit, doch het leed geene minuut, of Alida vloog weer naar binnen en riep: „Moeder, Vader, Michiel heeft boven op den toren gezeten!”
„O, God, en is er af gevallen!” riepen Vader en Moeder bijna tegelijk.
De tang viel uit Vaders handen en de man met dat hart, zoo onvermurwbaar hard, waggelde waar hij stond en moest zich vasthouden om niet te vallen.
Wist gij het wel, Michiel, dat uw Vader u zoo lief had, ja, niet minder lief zelfs dan uwe al te teerhartige en toegevende Moeder?
Wist gij het wel, eerste van Vlissingens straatjongens, welk eene groote plaats gij beslaat in het hart van den man, die niet uit lust tot slaan zeide: „Het kwaad moet er uit en zal er uit,” maar alleen uit liefde voor u?
Wist gij het, bengel, dat het ook van een Vaderhart waar is: „Van buiten is niet alles te zien, wat binnen te koop is”?
„Dood gevallen?” vroeg Vader nog eens, maar op eenen toon, alsof hij het niemand anders dan zichzelven vroeg.
„Neen, Vader,” zei nu weer een ander der kinderen, „hij is heelhuids beneden gekomen. Maar waar hij nu is weten ze niet.”
„Hij geklommen is op den toren, ja! Hij geweest is bij het haan, heelemaal bij het haan. Ik het gezien heb.
„En weg waren de ladders. Hij trapt stuk die lei en nog die lei en trapt weer stuk die lei en nog die lei, en klautert zoo naar beneden langs dat peer. Al die volk wit zag. Ik ook, wit, heelemaal wit en ik koû kreeg. Die Burgemeester gekomen is met dat twee man om te haal Michiel. Ik Michiel spreek moest. Maar Michiel gauw weg was. Wij dachten hij naar huis is. Wij liep een, twee, drie, vier, vijf, allemaal naar hier. Wij zien wilden hoe Michiel weer krijgen zou en dan wij vraag wilden: „Niet slaan Michiel! Michiel een jongen is, die heeft moed!””
Met alle aandacht hadden Vader en Moeder en de kinderen naar de wartaal van Jan geluisterd, en juist wilde Vader nog een en ander vragen toen daar buiten een oorverdoovend geschreeuw opsteeg: „Daar is de belhamel! Daar is Michiel!”
Gedragen door zes jongens, waarbij nu ook Pieter en Geleyn Evertsen waren, die hem, niet te huis vindende,weer elders gezocht en gevonden hadden, en gevolgd door alles wat Vlissingen aan straatjeugd had, naderde de dolle troep al meer het huis van Michiel.
De Ouders en kinderen vlogen naar buiten en Moeder Alida, zich geenen tijd gunnende hare muilen aan te trekken, liep op de kousen haren zoon, dien grooten waaghals, te gemoet en haren man, die zijne „flauwigheid” vergeten en weer de tang opgenomen had, voorbij.
Weldra stond ze temidden der woelende en joelende belhamels.
„Fij, rauwe gasten, wat stelt gij uzelven gemeen aan! Kom hier, Michiel,” riep ze.
„Jongens, dat is Moeder Alida, de Moeder van onzen Koning!” riep Geleyn Evertsen.
„Gauw, jongens, een hoezee voor Moeder Alida!” schreeuwde Pieter zoo hard als zijne jongenskeel dit toeliet.
En daverend klonk het uit honderden monden, van grooten zelfs zoowel als van kleinen: „Hoezee! Leve Moeder Alida! Leve de Moeder van Michiel!”
„Hoezee! Leve mijne lieve, goede Moeder!” riep Michiel.
„Roep dat nog eens, Michiel,” zeiden de jongens en hieven hunnen Koning in de hoogte.
Wip, daar stond de Vorst der straatbengels op de schouders zijner makkers. Hij gooide zijne muts in de hoogte en terwijl de zoele westenwind langs zijne vuurroode wangen streek en zijne bruine haren deed golven, riep hij weer met stralende oogen: „Leve mijne goede, lieve Moeder! Hoezee! Hoezee!”
„Hoezee!” brulde men hem na, en als op een gegeven teeken sloot het volk zich om de Moeder en de jongens heen, en begon al dansende te zingen:
„Lang zal zij leven!Honderd jaar na dezen!Lang zal zij levenMoeder Alida!”
„Lang zal zij leven!
Honderd jaar na dezen!
Lang zal zij leven
Moeder Alida!”
Opeens sprong Michiel van de schouders der jongens op de straat, en zijne Moeder om den hals vallende, zei hij: „En wees niet boos, goed, lief, best Moedertje! Het was daar boven zoo mooi! Ga mee naar binnen dan zal ik vertellen, wat ik daar in de hoogte gezien heb!”
„O, God, lieve, lieve jongen, uw Vader! Wat zal er van u groeien? Kind, kind, ge doet uwen Vader zooveel verdriet en mij zoo ontzettend veel pijn,” sprak ze en gaf hem eenen kus op zijne gloeiende wangen.
En het volk om hen heen scheen maar niet moede te kunnen worden, en juichte maar altijd door:
„Lang zal zij levenMoeder Alida!”
„Lang zal zij leven
Moeder Alida!”
„En ik wilde wel eens weten of ik nu op mijne beurt niet eens even aan het woord mag komen,” zeide Vader Adriaen en kwam met de groote tang nader.
Michiel zag het en liep hem te gemoet. Hij scheen na zooveel genot gesmaakt, en na zooveel eer genoten te hebben, nu wel eens eene vaderlijke kastijding te willen oploopen om wat tot zichzelven te komen.
„Vervoerde schavuit, kom hier! Ik zal je Koningen!” riep de Vader sissend door de tanden heen van lang verkropte boosheid, die voor liefde in de plaats gekomen was.
Daar ging de tang de hoogte in.
Michiel klemde de lippen op elkander en kromde den rug.
Daar daalde de tang en....
„Hei, niet slaan!” riep Geleyn Evertsen en hield, geholpen door Pieter, den arm van Vader Adriaen tegen.
„Neen, Adriaen, niet slaan!” riepen enkelen uit den hoop.
Vader Adriaen keek verwoed, gaf met de vrije hand eerst Geleyn en toen Pieter Evertsen eenen draai om de ooren, roepende: „Uit den weg, Jan Hagel en zijn vee! Uit den weg, zeg ik.”
En weer ging de tang de hoogte in en weer kromde Michiel onderworpen den rug.
„Niet slaan! Niet slaan!” riep het volk nu ook met de jongens mede.
„Wat, wilt gijlieden mij de wet komen stellen?” riep de Vader bleek van kwaadheid. „Ik zal toch dien kwâjongen....”
„Niet slaan! Niet slaan!” klonk het nu van al het volk als uit éénen mond. Zelfs enkele deftige lieden, die tusschen den hoop stonden, riepen het mede.
Vader Adriaen had moeite zijnen toorn in bedwang te houden en misschien zou het tusschen hem en het volk, dat voor den kwâjongen partij trok, tot ruzie en vechten gekomen zijn, als niet eensklaps de menigte uit elkander gegaan was om ruimte te maken voor twee mannen.
Het waren de voorzittende Burgemeester en een der Heeren Lampsens.
„Wel, Vader, houdt gij afrekening met den bengel? Dat is goed!” zeide de Burgemeester.
„Neen, Burgemeester, die menschen daar met al die schavuiten beletten mij het. Maar nu zal ik....”
„Niet slaan! Niet slaan!” riep het volk in koor.
De Burgemeester keek niet heel vriendelijk toen men dat, ondanks zijne nabijheid, zoo brutaal riep.
„En als ik wil dat deze straatbengel, die de heele stad in opschudding brengt, die dag aan dag de goê gemeente tot last is, die zijn grootste vermaak vindt in straatschenderij, gestraft zal worden, wie zou dat dan beletten?”
„Wij, Heer Burgemeester,” riepen enkelen.
„Wie roept dat daar?”
„Wij, Heer Burgemeester!” riepen ze nu allemaal. Het scheen dat men nu door den regel van drieën heen was.
De Burgemeester fronste het voorhoofd en krachtig klonk zijn bevel: „Sla zeg ik!”
„Niet slaan!Niet slaan!” schreeuwde het volk en drong nu zoo dicht om Adriaen, Michiel, den Burgemeester en den Heer Lampsens heen, dat de Vader geene ruimte had om de tang op te heffen.
„Wat? Zal dat rebellie tegen het gezag geven?” riep de Burgemeester woedend uit.
Daar drong zich een man voorop en na zich met moeite door de menigte heen gewrongen te hebben, stond hij vlak voor den Burgemeester.
Hij was een zeeman, een kort, maar ontzettend breed geschouderd man. Een groote knevelbaard bedekte bijna zijn geheele gelaat, waar langs het blonde hoofdhaar zich krullend heenslingerde. De man geleek wel eenen leeuw.
Een gemompel doorliep de menigte, doch op het: „Ssst, de „Barre Bruinvisch” heeft het woord,” werd het doodstil.
„Wie ben je, wat wil je kerel?” vroeg de Burgemeester wat terugtrekkende. Hij scheen voor dien zeeleeuw toch wel eenigszins bevreesd te zijn.
De Heer Lampsens knikte den zeeman vriendelijk toe.
„Ik ben de „Barre Bruinvisch”!” sprak de man.
„Leve de „Barre Bruinvisch”!” schreeuwde de menigte.
„Houd den mond daar, en spreek als je wat gevraagd wordt!” sprak de zeeman bevelend tot het volk.
Weer was het doodstil.
„Barre Bruinvisch! Zoo heet gij toch niet? Hoe is uw ware naam?” vroeg de Burgemeester!
„Cornelis Lievensz., om u te dienen, Burgemeester!”
„Van beroep?” vroeg de Burgervader, zeker in de meening, dat hij op zijn doode gemak op het Stadhuis den een of ander onder het verhoor had.
„Sedert eenige jaren zooveel als Bootsman op de „Lijnbaan” van de Heeren Lampsens, Burgemeester!”
„Dat is zoo,” zeide Lampsens tot den Burgervader. „Een ferm, open en rond zeeman. Hij zal een verstandig woord spreken, daar kunt ge op aan!”
„En wat wilt gij, goede vriend?” klonk het nu eensklaps uit den mond van den eersten man van Vlissingen op heel anderen, ja, bijna vriendelijken toon.
„Ik wil dat die jongen niet geslagen wordt!”
Moeder Alida, die naderbij gekomen was, had den ruwen zeeman wel om den hals willen vliegen, zoo innig dankbaar was zij hem.
„Die „Barre Bruinvisch” mijn baas is,” zeide Jan Kompanjie. „Dat baas veel durft.”
„Maar, mijn goede vriend, gij als een Bootsman, zult aanboord toch ook wel eens gebruik maken van het „endje dag,” nietwaar?” vroeg de Burgemeester.
„Daar staat een van de Patroons,” zeide Lievensz. „Laat hij zeggen of de „Barre Bruinvisch” niet al zeevader geweest is over misschien wel twintig zulke deugnieten als deze er één is!”
„Lievensz. is zeevader geweest over negentien bengels,” zeide Lampsens, wat nader tredend en Michiel goed beschouwend.
„En laat de Patroon nu zeggen of er door mij aanboord van de „Lijnbaan” veel van het „endje dag” gebruik gemaakt is om belhamels tot rede en plicht te brengen.”
„Dat kan ik op mijn eerewoord verklaren van bijna nooit,” antwoordde Lampsens.
„En als het van den Patroon niet te veel gevergd is, dan zou ik ook wel willen dat hij zei, wat er uit die borsten gegroeid is.”
„Er is wakker, ferm zeevolk uit gegroeid, Burgemeester! Alle reeders hebben graag jongens, die aanboord van de „Lijnbaan” van Lievensz. het varen geleerd hebben. Daar voor dien negerknaap, die nog maar eene week of tien onder zijne leiding is, hebben de Heeren Hendriksz. te Middelburg mij eene mooie som gelds geboden.”
„Hi, hi, ik waard ben een mooie geld,” riep Jan en gaf van pure blijdschap zichzelven eenen slag op de wang, die klonk als eene klok. „Hi hi, Michieltje, jij nog niet waard mooie geld!”
„Sausneger,” bromde Michiel, die eindelijk door zijnen Vader losgelaten was.
„Alzoo,” dus vervolgde de „Barre Bruinvisch” toen de Heer Lampsens zweeg, „alzoo, Heer Burgemeester, getuigt de Patroon, dat ik wel bengels weet te regeeren zonder het „endje dag.” Ik zeg maar....”
„Het kwaad moet er uit en zal er uit,” zeide Vader Adriaen, en de toon waarop hij sprak klonk nog alles geruststellend voor Michiels rug.
„Zeker, Vader, dat zeg ik ook. Het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit, maar niet met slaan,” sprak Lievensz. „Men slaat het kwaad er soms dieper in.”
„Ik zou wel eens willen weten, hoe dan,” sprak de Burgemeester.
„Ja, juist, hoe dan?” bromde Vader Adriaen.
„Dat is mijne kunst, en als ik moest zeggen, hoe ik dat aanleg, dan zou ik het niet kunnen. Maar het kwaad gaat er uit. Is het vandaag niet, dan morgen. Is het morgen niet, dan overmorgen of een jaar later; maar er uit gaat het. En—alle jongens houden veel van me.”
„Ik veel houd van mijnen zeevader, ja, ikke,” zeide Jan, en liet vroolijk lachend al zijne blanke tanden en het heele wit van zijne oogen zien.
„Maar welk plan hebt gij nu met dien bengel, Lievensz.?” vroeg de Burgemeester.
„Welk plan, Burgemeester?”
„Ja, zeker, welk plan? Al zijt gij ook tienduizend maal een goede zeevader, daar heeft die rauwe gast niemendal aan. Die gaat voort met rebellie te veroorzaken.”
„Burgemeester, ik was vanmorgen op de Markt toen die kwâjongen daar naar het haantje klauterde. Ik zag alles, en ik dacht....”
Eensklaps hield hij op en Michiel aanziende met een paar oogen waarvoor zelfs tijgers op den loop zouden gaan, zei hij: „Als de wind naar binnen, maat! En kom me niet voor den boeg aleer ik je roep.”
En Michiel?
Wel, het was, alsof hij met eene dommekracht naar binnen geduwd werd. Hij kon niet blijven staan en was in een oogenblik, tot verbazing van iedereen, verdwenen.
„Ziezoo, nu heb ik blanke zee voor me. Het is niet goed, als een bengel hoort, dat er toch nog wat goeds in hem steekt. Ik dacht bij mezelven toen ik dien jongen dat dolle waagstuk zag ondernemen: „Daar zit wat in dien deugniet!” Ja, ik had wel in mijne handen willen klappen en „Mooi, mooi!” willen roepen. Ik weet niet of ge het gezien hebt, Burgemeester, maar zoo bedaard, alsof ik den valreep afstapte, zoo bedaard klom hij naar beneden! Heel leuk sloeg hij met de hakken van zijne schoenen,—het was goed dat er spijkers in waren, Vader Adriaen, anders had hij het hem niet gelapt,—de leien stuk. Ik zag het duidelijk! Kerel, het was zulk een kranig stuk! Dicht bij me kreeg een vrouwtje het op haar zenuwen, maar eer het zoover kwam riep ze nog: „Lieve menschen, daar komt hij! Helpt hem dan toch!”
„Verbeeld je, helpen? Ik zou eene kat willen zien, die zonder ladder naar boven kon klauteren en daarom zei ik: „Nu mensch, doet zoo raar niet! Hij zal wel voor anker komen!”—Maar pas had ik dat gezegd, of ze kreeg eene kleur als een schoone zwabber, zette het bestek naar de afgevaren breedte, en daar ging ze, hoor, ze lag er zoo mooi als een Ammiraals-vlag in het kluisgat!”
„Ze viel dus van d’r zelven, die goede ziel,” zeide eene der vrouwen op meewarigen toon.
„Nu ja, dat zal wel waar zijn, ik weet het niet hoe jelui dat noemt. Ik keek er dan ook niet meer naar en ik had alleen oogen voor dien jongen, die zoo netjes langs de peer naar beneden kwam. Ik keek hem na, tot hij in den toren verdween en wilde juist weggaan, toen Sinjeur Seylmaeckers mij praaide en dwong even bij te leggen.”
„Wat zegt gij van dat gevalletje, Barre?” vroeg hij.
„Het is een mooi stuk,” zei ik, „een mooi stuk, Sinjeur!”
„En weet gij ook wie het is?” vroeg hij.
„Neen,” zei ik, „maar laten we even wachten. Als hij uit de torendeur komt dan kunnen wij hem zien.”
Maar bij de torendeur komen om den knaap te zien, was wel te zeggen, niet te doen. Ik had even gemakkelijk eenen knoopstopper met mijne hielen kunnen leggen, als bij de torendeur komen. Daar stond ik nu als eene garnalenschuit tusschen Spaansche galeien. Ik kon niemendal zien. Gelukkig heeft Sinjeur Seylmaeckers de lengte van eenen sloepmast en steekt hij, als wijlen Koning Saul, een hoofd boven het volk uit, zoodat hij een poosje later zei: „Daar is hij! Ik ken hem al! Het is Michiel Adriaensz., de zoon van den bierdrager. Gisteren was ik er bij toen zijn Vader hem met twee rinkellatten voor de broek gaf. Ik heb den luiden aangeraden hem naar zee te zenden, dan kan er misschien nog wat van hem groeien!”
„Zoo,” zei ik, „en....”
„En ik heb gezegd dat ik dan probeeren zou te maken, dat gij zijn zeevader werdt. Maar Moeder de vrouw had er geene ooren naar, ze zou het besterven, zeide ze.”
Dat zei Sinjeur Seylmaeckers en ik draaide het schip met den kop naar den wind en nam mijnen koers naar hier, om er eens ampel met zijne Ouders over te spreken. En daar ik alle hoop heb, dat ik toch zijn zeevader worden zal, zoo riep ik met het volk mee: „Niet slaan,” Heer Burgemeester. Nu heb ik het mijne ervan gezegd.”
De „Barre Bruinvisch”zweeg, nam zijne muts af, wischte zich het zweet van het voorhoofd en zei: „He, zulk eene redevoering bekomt een mensch al even goed als een kabeljauw, die met betingsbouten zijn middagmaal doet.”
„Nu, Lievensz., zie wat ge gedaan kunt krijgen. Ge zult Vlissingen van eene plaag verlossen, als ge dat lieverdje onder uw opzicht neemt,” zeide de Burgemeester en vroeg aan den Heer Lampsens of deze zoo ver medeging.
„Neen, Burgemeester, ik zal met Lievensz. bij dezemenschen binnengaan en mijn best doen, dat ze den jongen het zeegat uit sturen. Goeden middag!”
De Burgemeester beantwoordde den groet en vertrok.
De menigte ging ook uit elkander en weldra was er van den heelen oploop niemendal meer te zien. De zoons van Adriaen, die op een ambacht waren, gingen naar hun winkel, vier gingen er naar school en een meisje, Alida, verliet ook het huis om naar eenen middagdienst te gaan.
Er bleven dus nog vier kinderen over en onder deze was Michiel, die in een hoekje met Jan Kompanjie zat, waar hij dezen vertelde, wat hij daar boven bij het torenhaantje zoo al gezien had.
Vader en Moeder zaten met den Heer Lampsens en Lievensz. bij de tafel en redeneerden druk.
In het eerst schudde Moeder Alida maar steeds het hoofd, doch langzamerhand, naarmate de „Barre Bruinvisch” meer aan het woord was, hield dat hoofdschudden op en eindelijk zeide ze: „Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne reis mede, en probeer wat gij van hem kunt maken. Maar o, het valt mij zoo hard, zoo ontzettend hard.”
Michiel scheen het vermogen te hebben twee dingen te doen, namelijk luisteren, wat anderen zeiden, en zelf wat te vertellen. Dit bleek; want pas had Moeder gezegd: „Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne reis mede en probeer wat ge van hem kunt maken,” of hij sprong op, liep naar zijne Moeder en kuste haar.
Hierop ging hij naar zijnen Vader en zeide, bijna op zegevierenden toon en vol gloed en leven: „Vader, het kwaad is er uit!”
„Ja, dat kan ik zoo gelooven! Neen, jongen, kom me dat eens over een jaar drie-vier vertellen,” luidde het antwoord.
„Het is toch vast waar, Vader! Het kwaad is er nu al heelemaal, heelemaal uit met wortel en tak.”
„Het zou goed voor je zijn, jongen,” sprak Lievensz.
„Gij zult geenen last van me hebben, Bootsman!” sprak Michiel en liep met Jan Kompanjie heen om baas Lorkens te vertellen, dat hij van de eene lijnbaan afging om op de andere te komen.
„Dat is uitkomst, he? Wie heeft die gebracht?”
„De „Barre Bruinvisch,” baas! Maar nu moet ik naar Geleyn en Pieter om hun het nieuws te vertellen.”
„Nu, gij zult toch nog wel afscheid komen nemen eer gij weggaat!” zeide baas Lorkens.
„O, vooreerst ga ik nog niet weg. Het schip moet nog vooraf gekalefaat worden. En dan gaan we samen, sausnegertje, samen het ruime sop op! Hoezee!” riep Michiel en begon met Jan van loutere pret langs de straatkeien te rollen.