DERDE HOOFDSTUK.

DERDE HOOFDSTUK.In dienst van het land.„Goeden middag, Heeren!” sprak De Ruyter terwijl hij beleefd hen te gemoet trad.„Wij wenschen u en uwer huisvrouwe hetzelfde, Meneer De Ruyter!” was het antwoord, en nadat ze eenen stoel genomen hadden begon een der Heeren Afgevaardigden aldus:„Het lichaam wel aanwal, maar de geest toch altijd op zee, Meneer De Ruyter?”„Hoe dat zoo?” vroeg De Ruyter?„Wel, omdat ge tot uwe woonkamer juist die gekozen hebt, welke op zee uitziet!”„Nu ja, al hoop ik voor mijzelven niets meer van de zee, Heeren, ik ben er daarom geen vijand van!”„Dat zou ons ook spijten, Meneer De Ruyter, en ons geenen moed geven, u het voorstel te doen, waarmede we vanwege de Edelmogende Heeren Staten van Zeeland en Hoog Edelmogende Heeren Staten Generaal tot u komen!”„En mag ik weten welk voorstel de Edelmogenden mij te doen hebben, Heeren?”„Natuurlijk, Meneer De Ruyter! Gij weet dat de Regeering ontevreden is over den Luitenant-Admiraal Tromp!”„Men hoort althans ontevreden woorden genoeg, Heeren!”„En niet ten onrechte, Meneer De Ruyter!”„Dat weet ik niet, Heeren!”„Ued. gelieft te schertsen, en weet dat wel! Engeland is ons de baas en dat is zijne schuld!”„Ik zal mij niet vermeten de oordeelen en besluiten der Regeering aan mijne meeningen te toetsen. Maar wat hadden de Heeren mij nu voor te stellen?”„Wij hebben in last u voor te stellen, het bevel van een eskader op u te nemen!”„Gij zult hiertoe eene vergeefsche poging gewaagd hebben, Heeren! Ik heb besloten aanwal te blijven en hier de dagen, die de Heere mij toegerekend heeft, in ruste te eindigen, zorgende voor vrouw en kinderen!”„De Edelmogenden begrepen dat Ued. na zooveel jaren zwervens en zwalkens de ruste dierbaar moest zijn, Meneer De Ruyter; maar zij rekenden er ook op, dat Ued. een liefhebber van het bedreigde Vaderland is.”„Dat ben ik, en het doet mij tot in de ziel leed, dat het ons in dezen oorlog zoo kwalijk gaat. Wij hadden hem niet moeten beginnen.”„Ued. heeft gelijk, en Tromp had zijn verstand moeten gebruiken en....”„Ik noem geene namen, Heeren, en allerminst dien van den heldhaftigen Marten Harpertsz. Tromp, eenen zeeman, die de roem van zijn land is.”„Hierover oordeelen wij anders, Meneer De Ruyter!”„Dat doet mij leed, Heeren! Om Tromp te beoordeelen moet men als hij, zooveel zout water gezien en het fluiten van zooveel kogels gehoord hebben. Ik vereer Tromp hoog.”De Heeren keken niet heel vriendelijk en durfden den strijd over Tromps geschiktheid of ongeschiktheid niet aanbinden met eenen man, die de zee door en door kende. Een hunner zeide daarom kortaf: „Ons gevoelen is heel anders, Meneer De Ruyter, en daarom komen wij u vragen of ge het bevel van een eskader op u nemen wilt.”„Het gevoelen der Edelmogenden zal ik niet langer tegenspreken, Heeren, doch ik heb nu eenmaal besloten aanwal te blijven, en dank dus beleefdelijk voor de vereerende opdracht!”„Maar waarom toch, Meneer De Ruyter? Het is slechts, als ge dat begeert, voor éénen tocht! En zie eens aan, daar voor uw venster liggen de koopvaarders afgetuigd, omdat ze niet in zee durven steken. Dagen aan dagen worden de deuren der ledige pakhuizen te vergeefs geopendom de schatten der terugkeerende koopvaardij-vloot te ontvangen. Maar men zeilt niet uit en ontvangt niet! Waar moet dat heen, Meneer De Ruyter?”„Vertrouwen, het volste vertrouwen hebben in den dapperen en beleidvollen Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp, Heeren! Dáár heen moet het; een andere weg is er niet, tenzij men nog hoop genoeg heeft, dat de strijd rechtvaardig is en God ons helpen zal.”„Wij gelooven zelven dat Tromp zal moeten eindigen, wat hij ontijdig begon, en wij zijn eveneens van de meening, dat de Luitenant-Admiraal niet lang van zijne gedwongen rust genoegen zal hebben! Maar in dien tusschentijd moet er toch één zijn, die althans voor Zeeland zijne plaats vervangt.”„Neemt Witte Cornelisz. De With, Heeren, en gij hebt eenen man, die telt voor eene heele vloot!”„Die is reeds vanwege Holland aangesteld, en al ware dat zoo niet, wij zouden dien man niet willen hebben. Ons zeevolk vloekt al genoeg, en in ruwheid behoeft het niet meer aan te leeren, zoodat we eenen vloeker en eenen ruwen gast, als De With, kunnen missen!”„Dat de Heer De With vloekt en ruw is, dat is, eilaci, waar! Doch waar is het ook, dat hij is de dapperste onder de dapperen, en dat in zijn rauw zeemanshart eene liefde voor het Vaderland woont, die alle beschrijving te boven gaat. En wat zijn beleid betreft, ook dat heeft hij, als hij slechts gehoorzaamd wordt. Geeft Tromp of geeft De With eene andere en betere vloot, vermeerdert en vergroot hunne schepen, brengt meer eenheid in het bestuur en straft iederen lafaard met den koorde, die niet weet te gehoorzamen, en op de vlucht slaat, dan kunnen de Edelmogenden verzekerd zijn, dat de Engelschen minder gelukkig zullen wezen; want er ontbreekt niet alleen veel, heel veel aan onze schepen van oorlog, Heeren, maar nog veel meer aan het bestuur over de vloot; er is geene éénheid enzonder hulp der Regeering kan de Admiraal die niet aanbrengen.”„En als wij Ued. nu beloven zooveel en zoo gauw mogelijk uwe wenschen te gemoet te komen, neemt ge dan ons voorstel aan?”De Ruyter aarzelde een antwoord te geven en zag zijne vrouw vragender-wijze van terzijde aan.Dit zagen de Afgevaardigden en zeiden daarom: „Help ons, Mevrouw, uwen man te overreden den Vaderlande zijne diensten te bewijzen. Hij behoeft zich slechts voor éénen tocht te verbinden!”„Overhaast mij niet, Heeren, met een besluit te nemen! Lang talmen zal ik niet. Ik zal het Ued. zoo spoedig mogelijk laten weten!”„Volgaarne verleenen wij u eenen korten tijd van beraad, Meneer De Ruyter, doch we kunnen, eer we scheiden, niet nalaten, de hoop uit te drukken, dat Ued. besluiten moge het geprangde Vaderland die diensten te bewijzen, waartoe God de Heere Ued. met de noodige krachten toegerust heeft.”De Afgevaardigden bogen, groetten beleefdelijk en vertrokken alweer naar Middelburg.En Michiel Adriaensz. De Ruyter, wat deed hij?Hij nam het voorstel aan en trad indienst van het land als Vice-Kommandeur.DeEdelmogendenvan Zeeland hadden eene keuze gedaan, die hun nooit berouwen zou, integendeel, er zouden dagen komen waarin men den bescheiden en nederigen man, niet alleen in Zeeland, maar ook in Holland, ja, in alle Gewesten der Unie, noemen zou: „Redder van het Vaderland.” Ja, heel de wereld zou van zijne voorbeeldelooze dapperheid, van zijnen nimmer falenden moed, van zijn weergaloos beleid en van zijne ongeveinsde nederigheid en godsvrucht gewagen. Zijn Admiraals-schip „De zeven Provinciën” zou de schrik van den vijand, de trots des Oceaans en de gloriedrager van Nederland worden.Want Michiel Adriaensz. De Ruyter bleef van dat oogenblik af tot aan zijnen heldendood, aan den dienst van het Vaderland verbonden. Eerst het besluit der Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden, genomen den negenentwintigsten Juli van het jaar 1652, zou De Ruyter een tweede leven doen beginnen en hem doen worden de man, dien we zoo gaarne en altijd met zooveel trots noemen: Luitenant-Admiraal-Generaal: Michiel Adriaensz. De Ruyter!Den tienden Augustus was De Ruyter reeds op zijnen post en had hij in last ontvangen, de koopvaardijvloot, die te Texel zou uitloopen door het Kanaal in den Atlantischen oceaan te brengen. Gedurende den tijd, dat hij daar te Calais op de koopvaarders lag te wachten, kreeg hij bericht, dat er zich tusschen het eiland Wight en Portland eene vrij sterke Engelsche oorlogsvloot ophield, en daarom drong hij er bij de Staten van Zeeland op aan, dat men hem meer macht geven zou.Van onze kennissen bevond zich aanboord van de „Neptunus” het schip waarop De Ruyter zijne vlag liet waaien, de vijftienjarige Adriaen. Zijn Vader had, na zijn aanhoudend aandringen, hem eindelijk verlof gegeven eenen tocht mede te maken, hoezeer hij wel zag, dat er uit zijnen oudsten zoon denkelijk wel geen zeeman groeien zou. De knaap was verbazend zwak en bleek.„Zouden de schepen waarom u gevraagd heeft, al gauw komen, Vader?” vroeg Adriaen in den vroegen morgen van den eenentwintigsten Augustus.Vader en zoon stonden naast elkander en de Stuurman wiens oog op die beiden viel, mompelde: „Een verschil tusschen die twee als van dag en nacht. Die jongen zal wel niet veel grijze haren kammen. Jammer genoeg; want hem bezielt dezelfde geest als zijnen Vader.”„Ik weet het niet, jongen! Ik vrees er voor,” was het antwoord. „De timmerwerven kunnen in de behoefte niet voorzien.”Als ware het om die woorden te logenstraffen vertoonden zich weldra een vijftig schepen en in de vreugde zijns harten riep Adriaen: „Daar komen ze, Vader!”De Ruyter had evenwel spoedig gezien, dat het lang niet alle schepen van oorlog waren, en spoedig wist hij dat de versterking, die hem gebracht werd, slechts uit acht oorlogsvaartuigen bestond, die vijftig koopvaarders geleidden. Zulk eene hulp kon De Ruyter missen. Toch verliet hij Calais en zeilde hij het Kanaal binnen.„Kijk, Vader,” riep Adriaen vijf dagen later. „Daar liggen de afgezonden schepen ons al te wachten.”„Zijt gij wel dwaas, jongen,” sprak De Ruyter. „Zij daar zullen heel wat anders doen dan ons helpen. Het zijn de Engelschen, en ik zou u raden naar de kajuit te gaan, want zonder eenige kogels te wisselen, komen wij er niet af.”„Naar binnen gaan, Vader, naar binnen? Waarom moet ik mij bergen? Ben ik niet uw zoon?” riep Adriaen nu met gloeiende wangen en vonkelende oogen, die akelig afstaken bij zijne magere en zwakke gelaatstrekken.Michiel zag Adriaen aan en kon amper eenen traan, die hem in het oog welde, tegenhouden.„Nu, Vader waarom moet ik naar binnen gaan? Meent ge soms dat ik bang zal zijn?”„Neen, neen, lieve jongen! Maar gij zijt zoo zwak; ik vrees dat gij u zult overspannen!” antwoordde De Ruyter.„Zwak, Vader? Een paar maanden geleden werd ik moede, als ik Engel even droeg, en dat werd ik nu toch op het laatst niet meer! Als ik moede word, zal ik wel wat gaan rusten, Vader!”„Nu, blijf dan, jongen!” klonk het zuchtend en de Vader, die dat zei, kon niet nalaten treurige gedachten te hebben over zijnen oudsten jongen.„Ik tel vijfenveertig schepen van oorlog, Schipper,” sprak De Ruyter tot den Kapitein van de „Neptunus”, terwijldeze hem voorbij kwam. „Er zit eene taaie snede voor het mes, man! Wij zijn er slechts drieëndertig sterk en nog bezwaard door zestig koopvaarders! Sein de Kapiteins aanboord! Ze moeten terstond komen om raad te beleggen.”De Schipper voldeed aan het bevel en weldra kwamen de verschillende Kapiteins van het eskader bij De Ruyter.„Mannen,” sprak hij, toen na een kort beraad tot den aanval besloten was, „laat de overmacht aan de Engelschen en de roem aan ons zijn. Men telle het getal zijner vijanden niet, maar sla er wakker op in. Ik zelf zal den middeltocht aanvoeren, de achterhoede stel ik onder bevel van Kapitein Verhaaf en de voorhoede onder bevel van Kapitein Van den Broek. Doet allen uwen plicht en versaagt niet! En nu, Heeren, tot na het gevecht! God behoede u en hen, die onder u staan!”De Kapiteins begaven zich naar hunne schepen, stelden die in slagorde en des namiddags te vier uren begon het gevecht. Adriaens bleeke wangen hadden onder het bulderen der kanonnen, het knetteren der musketten, het fluiten der kogels en het aanmoedigend geschreeuw van het scheepsvolk eene hoogroode kleur gekregen. Met eigen hand schoot hij een kanon af en toen hij zag hoe de kogel eene Engelsche vlag in flarden sloeg, juichte hij met geestdrift: „Vivat! Hoezee! Weg met de Koningsmoorders!”Toen Michiel De Ruyter echter zag dat de geestdrift van Adriaen te sterk was voor diens zwak gestel, zond hij hem naar beneden en zeide: „Nu moet ge eerst eens een uurtje rusten, jongen! Kom dan weer boven!”De Engelschen, die ook niet gewoon waren spoedig krimp te geven, stelden zich dapper teweer en deden zelfs vele Kapiteins van onze vloot verschrikt terugkeeren.Ook het volk van „De Vogel Struis”, een koopvaarder, die dienst als oorlogsschip deed, wilde dat voorbeeld volgen, doch de Kapitein van dien bodem, de Fries Douwe Aukes, nam eene brandende lont en dreigde deze in het kruit testeken, als het volk nog eenmaal van wijken dorst reppen. Dat hielp. Het volk wetende, dat Douwe Aukes een man van zijn woord was, hervatte het gevecht en wel zoodanig, dat, hadden alle schepen het voorbeeld van „De Vogel Struis” gevolgd, de Engelsche vloot niet alleen geheel verslagen, maar zelfs vernield zou zijn. Toch behield De Ruyter het slagveld en bracht de koopvaarders behouden buiten. De Bevelhebber der Engelsche vloot, George Ayscue, een man, die met leeuwenmoed gestreden had en wiens Kapiteins bijna allen gekwetst waren, onderging het lot van Tromp en viel bij de Regeering zijns lands in ongenade.Geen wonder dat de Nederlanders, maar bovenal de Zeeuwen, met hunnen nieuwen Vlootvoogd hoog ingenomen waren en hem niet alleen met veel onderscheiding behandelden, maar hem nu reeds onder de beroemdste en meest ervaren Vlootvoogden van het Gemeentebest telden.Adriaen, die in alles bewezen had, hetzelfde heldenhart als zijn Vader te bezitten, werd hierop spoedig benoemd tot Luitenant ter zee, doch zijn zwak lichaam kon op den duur de vermoeienissen van het zeeleven en den oorlog niet verdragen, zoodat hij vaak aan den wal moest blijven, hoe gaarne hij ook zou medegegaan zijn. Langzamerhand werd hij zwakker en de jongeling, die reeds zooveel beloofd had, stierf in April van het jaar 1655, dus op achttienjarigen leeftijd te Amsterdam, waar zijne Ouders zich, na de benoeming van Michiel tot Vice-Admiraal van Holland, op het Nieuwe-Waalseiland metterwoon gevestigd hadden.Doch keeren we tot ons verhaal terug.De Ruyter was dus als overwinnaar en beroemd held te midden der zijnen teruggekeerd. Zijne rust duurde echter maar kort. Reeds in de volgende maand kreeg De Ruyter bevel, de huiswaarts keerende koopvaarders in het oog te houden en te beschermen, doch zijne vloot verkeerde in zulk eenen slechten toestand, dat hij er niet veel mee uitvoeren kon. Toch wist hij zich met Witte Cornelisz.DeWith te vereenigen en onder het opperbevel van dezen „dapperste der dapperen” had er nog een zeeslag tegen de Engelschen onder Blake plaats, welke zeker weer voor ons goed zou afgeloopen zijn, als niet veel van onze Kapiteins lafhartig op de vlucht gegaan waren.In het land teruggekomen klaagde De With de laaghartige Kapiteins aan, en hoewel dezen gestraft werden, zag men toch in, dat men op den duur telkens zou moeten straffen, daar het niet enkel lafhartigheid van de lieden was, maar ook onwil om De With te gehoorzamen. Men haatte hem te veel. Het gevolg daarvan was, dat men besloot, Marten Harpertsz. Tromp opnieuw het opperbevel over de vloot aan te bieden, en hoewel deze daartoe bereid was, kon hij toch niet nalaten te zeggen, dat hij niet aarzelde, maar „dat het hem bekommerde, als hij, na alles wat in zijn vermogen was ten dienste van het Vaderland gedaan te hebben, zijne beste daden miskend zag, en dat zulks hem ijver en lust benam.”

DERDE HOOFDSTUK.In dienst van het land.„Goeden middag, Heeren!” sprak De Ruyter terwijl hij beleefd hen te gemoet trad.„Wij wenschen u en uwer huisvrouwe hetzelfde, Meneer De Ruyter!” was het antwoord, en nadat ze eenen stoel genomen hadden begon een der Heeren Afgevaardigden aldus:„Het lichaam wel aanwal, maar de geest toch altijd op zee, Meneer De Ruyter?”„Hoe dat zoo?” vroeg De Ruyter?„Wel, omdat ge tot uwe woonkamer juist die gekozen hebt, welke op zee uitziet!”„Nu ja, al hoop ik voor mijzelven niets meer van de zee, Heeren, ik ben er daarom geen vijand van!”„Dat zou ons ook spijten, Meneer De Ruyter, en ons geenen moed geven, u het voorstel te doen, waarmede we vanwege de Edelmogende Heeren Staten van Zeeland en Hoog Edelmogende Heeren Staten Generaal tot u komen!”„En mag ik weten welk voorstel de Edelmogenden mij te doen hebben, Heeren?”„Natuurlijk, Meneer De Ruyter! Gij weet dat de Regeering ontevreden is over den Luitenant-Admiraal Tromp!”„Men hoort althans ontevreden woorden genoeg, Heeren!”„En niet ten onrechte, Meneer De Ruyter!”„Dat weet ik niet, Heeren!”„Ued. gelieft te schertsen, en weet dat wel! Engeland is ons de baas en dat is zijne schuld!”„Ik zal mij niet vermeten de oordeelen en besluiten der Regeering aan mijne meeningen te toetsen. Maar wat hadden de Heeren mij nu voor te stellen?”„Wij hebben in last u voor te stellen, het bevel van een eskader op u te nemen!”„Gij zult hiertoe eene vergeefsche poging gewaagd hebben, Heeren! Ik heb besloten aanwal te blijven en hier de dagen, die de Heere mij toegerekend heeft, in ruste te eindigen, zorgende voor vrouw en kinderen!”„De Edelmogenden begrepen dat Ued. na zooveel jaren zwervens en zwalkens de ruste dierbaar moest zijn, Meneer De Ruyter; maar zij rekenden er ook op, dat Ued. een liefhebber van het bedreigde Vaderland is.”„Dat ben ik, en het doet mij tot in de ziel leed, dat het ons in dezen oorlog zoo kwalijk gaat. Wij hadden hem niet moeten beginnen.”„Ued. heeft gelijk, en Tromp had zijn verstand moeten gebruiken en....”„Ik noem geene namen, Heeren, en allerminst dien van den heldhaftigen Marten Harpertsz. Tromp, eenen zeeman, die de roem van zijn land is.”„Hierover oordeelen wij anders, Meneer De Ruyter!”„Dat doet mij leed, Heeren! Om Tromp te beoordeelen moet men als hij, zooveel zout water gezien en het fluiten van zooveel kogels gehoord hebben. Ik vereer Tromp hoog.”De Heeren keken niet heel vriendelijk en durfden den strijd over Tromps geschiktheid of ongeschiktheid niet aanbinden met eenen man, die de zee door en door kende. Een hunner zeide daarom kortaf: „Ons gevoelen is heel anders, Meneer De Ruyter, en daarom komen wij u vragen of ge het bevel van een eskader op u nemen wilt.”„Het gevoelen der Edelmogenden zal ik niet langer tegenspreken, Heeren, doch ik heb nu eenmaal besloten aanwal te blijven, en dank dus beleefdelijk voor de vereerende opdracht!”„Maar waarom toch, Meneer De Ruyter? Het is slechts, als ge dat begeert, voor éénen tocht! En zie eens aan, daar voor uw venster liggen de koopvaarders afgetuigd, omdat ze niet in zee durven steken. Dagen aan dagen worden de deuren der ledige pakhuizen te vergeefs geopendom de schatten der terugkeerende koopvaardij-vloot te ontvangen. Maar men zeilt niet uit en ontvangt niet! Waar moet dat heen, Meneer De Ruyter?”„Vertrouwen, het volste vertrouwen hebben in den dapperen en beleidvollen Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp, Heeren! Dáár heen moet het; een andere weg is er niet, tenzij men nog hoop genoeg heeft, dat de strijd rechtvaardig is en God ons helpen zal.”„Wij gelooven zelven dat Tromp zal moeten eindigen, wat hij ontijdig begon, en wij zijn eveneens van de meening, dat de Luitenant-Admiraal niet lang van zijne gedwongen rust genoegen zal hebben! Maar in dien tusschentijd moet er toch één zijn, die althans voor Zeeland zijne plaats vervangt.”„Neemt Witte Cornelisz. De With, Heeren, en gij hebt eenen man, die telt voor eene heele vloot!”„Die is reeds vanwege Holland aangesteld, en al ware dat zoo niet, wij zouden dien man niet willen hebben. Ons zeevolk vloekt al genoeg, en in ruwheid behoeft het niet meer aan te leeren, zoodat we eenen vloeker en eenen ruwen gast, als De With, kunnen missen!”„Dat de Heer De With vloekt en ruw is, dat is, eilaci, waar! Doch waar is het ook, dat hij is de dapperste onder de dapperen, en dat in zijn rauw zeemanshart eene liefde voor het Vaderland woont, die alle beschrijving te boven gaat. En wat zijn beleid betreft, ook dat heeft hij, als hij slechts gehoorzaamd wordt. Geeft Tromp of geeft De With eene andere en betere vloot, vermeerdert en vergroot hunne schepen, brengt meer eenheid in het bestuur en straft iederen lafaard met den koorde, die niet weet te gehoorzamen, en op de vlucht slaat, dan kunnen de Edelmogenden verzekerd zijn, dat de Engelschen minder gelukkig zullen wezen; want er ontbreekt niet alleen veel, heel veel aan onze schepen van oorlog, Heeren, maar nog veel meer aan het bestuur over de vloot; er is geene éénheid enzonder hulp der Regeering kan de Admiraal die niet aanbrengen.”„En als wij Ued. nu beloven zooveel en zoo gauw mogelijk uwe wenschen te gemoet te komen, neemt ge dan ons voorstel aan?”De Ruyter aarzelde een antwoord te geven en zag zijne vrouw vragender-wijze van terzijde aan.Dit zagen de Afgevaardigden en zeiden daarom: „Help ons, Mevrouw, uwen man te overreden den Vaderlande zijne diensten te bewijzen. Hij behoeft zich slechts voor éénen tocht te verbinden!”„Overhaast mij niet, Heeren, met een besluit te nemen! Lang talmen zal ik niet. Ik zal het Ued. zoo spoedig mogelijk laten weten!”„Volgaarne verleenen wij u eenen korten tijd van beraad, Meneer De Ruyter, doch we kunnen, eer we scheiden, niet nalaten, de hoop uit te drukken, dat Ued. besluiten moge het geprangde Vaderland die diensten te bewijzen, waartoe God de Heere Ued. met de noodige krachten toegerust heeft.”De Afgevaardigden bogen, groetten beleefdelijk en vertrokken alweer naar Middelburg.En Michiel Adriaensz. De Ruyter, wat deed hij?Hij nam het voorstel aan en trad indienst van het land als Vice-Kommandeur.DeEdelmogendenvan Zeeland hadden eene keuze gedaan, die hun nooit berouwen zou, integendeel, er zouden dagen komen waarin men den bescheiden en nederigen man, niet alleen in Zeeland, maar ook in Holland, ja, in alle Gewesten der Unie, noemen zou: „Redder van het Vaderland.” Ja, heel de wereld zou van zijne voorbeeldelooze dapperheid, van zijnen nimmer falenden moed, van zijn weergaloos beleid en van zijne ongeveinsde nederigheid en godsvrucht gewagen. Zijn Admiraals-schip „De zeven Provinciën” zou de schrik van den vijand, de trots des Oceaans en de gloriedrager van Nederland worden.Want Michiel Adriaensz. De Ruyter bleef van dat oogenblik af tot aan zijnen heldendood, aan den dienst van het Vaderland verbonden. Eerst het besluit der Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden, genomen den negenentwintigsten Juli van het jaar 1652, zou De Ruyter een tweede leven doen beginnen en hem doen worden de man, dien we zoo gaarne en altijd met zooveel trots noemen: Luitenant-Admiraal-Generaal: Michiel Adriaensz. De Ruyter!Den tienden Augustus was De Ruyter reeds op zijnen post en had hij in last ontvangen, de koopvaardijvloot, die te Texel zou uitloopen door het Kanaal in den Atlantischen oceaan te brengen. Gedurende den tijd, dat hij daar te Calais op de koopvaarders lag te wachten, kreeg hij bericht, dat er zich tusschen het eiland Wight en Portland eene vrij sterke Engelsche oorlogsvloot ophield, en daarom drong hij er bij de Staten van Zeeland op aan, dat men hem meer macht geven zou.Van onze kennissen bevond zich aanboord van de „Neptunus” het schip waarop De Ruyter zijne vlag liet waaien, de vijftienjarige Adriaen. Zijn Vader had, na zijn aanhoudend aandringen, hem eindelijk verlof gegeven eenen tocht mede te maken, hoezeer hij wel zag, dat er uit zijnen oudsten zoon denkelijk wel geen zeeman groeien zou. De knaap was verbazend zwak en bleek.„Zouden de schepen waarom u gevraagd heeft, al gauw komen, Vader?” vroeg Adriaen in den vroegen morgen van den eenentwintigsten Augustus.Vader en zoon stonden naast elkander en de Stuurman wiens oog op die beiden viel, mompelde: „Een verschil tusschen die twee als van dag en nacht. Die jongen zal wel niet veel grijze haren kammen. Jammer genoeg; want hem bezielt dezelfde geest als zijnen Vader.”„Ik weet het niet, jongen! Ik vrees er voor,” was het antwoord. „De timmerwerven kunnen in de behoefte niet voorzien.”Als ware het om die woorden te logenstraffen vertoonden zich weldra een vijftig schepen en in de vreugde zijns harten riep Adriaen: „Daar komen ze, Vader!”De Ruyter had evenwel spoedig gezien, dat het lang niet alle schepen van oorlog waren, en spoedig wist hij dat de versterking, die hem gebracht werd, slechts uit acht oorlogsvaartuigen bestond, die vijftig koopvaarders geleidden. Zulk eene hulp kon De Ruyter missen. Toch verliet hij Calais en zeilde hij het Kanaal binnen.„Kijk, Vader,” riep Adriaen vijf dagen later. „Daar liggen de afgezonden schepen ons al te wachten.”„Zijt gij wel dwaas, jongen,” sprak De Ruyter. „Zij daar zullen heel wat anders doen dan ons helpen. Het zijn de Engelschen, en ik zou u raden naar de kajuit te gaan, want zonder eenige kogels te wisselen, komen wij er niet af.”„Naar binnen gaan, Vader, naar binnen? Waarom moet ik mij bergen? Ben ik niet uw zoon?” riep Adriaen nu met gloeiende wangen en vonkelende oogen, die akelig afstaken bij zijne magere en zwakke gelaatstrekken.Michiel zag Adriaen aan en kon amper eenen traan, die hem in het oog welde, tegenhouden.„Nu, Vader waarom moet ik naar binnen gaan? Meent ge soms dat ik bang zal zijn?”„Neen, neen, lieve jongen! Maar gij zijt zoo zwak; ik vrees dat gij u zult overspannen!” antwoordde De Ruyter.„Zwak, Vader? Een paar maanden geleden werd ik moede, als ik Engel even droeg, en dat werd ik nu toch op het laatst niet meer! Als ik moede word, zal ik wel wat gaan rusten, Vader!”„Nu, blijf dan, jongen!” klonk het zuchtend en de Vader, die dat zei, kon niet nalaten treurige gedachten te hebben over zijnen oudsten jongen.„Ik tel vijfenveertig schepen van oorlog, Schipper,” sprak De Ruyter tot den Kapitein van de „Neptunus”, terwijldeze hem voorbij kwam. „Er zit eene taaie snede voor het mes, man! Wij zijn er slechts drieëndertig sterk en nog bezwaard door zestig koopvaarders! Sein de Kapiteins aanboord! Ze moeten terstond komen om raad te beleggen.”De Schipper voldeed aan het bevel en weldra kwamen de verschillende Kapiteins van het eskader bij De Ruyter.„Mannen,” sprak hij, toen na een kort beraad tot den aanval besloten was, „laat de overmacht aan de Engelschen en de roem aan ons zijn. Men telle het getal zijner vijanden niet, maar sla er wakker op in. Ik zelf zal den middeltocht aanvoeren, de achterhoede stel ik onder bevel van Kapitein Verhaaf en de voorhoede onder bevel van Kapitein Van den Broek. Doet allen uwen plicht en versaagt niet! En nu, Heeren, tot na het gevecht! God behoede u en hen, die onder u staan!”De Kapiteins begaven zich naar hunne schepen, stelden die in slagorde en des namiddags te vier uren begon het gevecht. Adriaens bleeke wangen hadden onder het bulderen der kanonnen, het knetteren der musketten, het fluiten der kogels en het aanmoedigend geschreeuw van het scheepsvolk eene hoogroode kleur gekregen. Met eigen hand schoot hij een kanon af en toen hij zag hoe de kogel eene Engelsche vlag in flarden sloeg, juichte hij met geestdrift: „Vivat! Hoezee! Weg met de Koningsmoorders!”Toen Michiel De Ruyter echter zag dat de geestdrift van Adriaen te sterk was voor diens zwak gestel, zond hij hem naar beneden en zeide: „Nu moet ge eerst eens een uurtje rusten, jongen! Kom dan weer boven!”De Engelschen, die ook niet gewoon waren spoedig krimp te geven, stelden zich dapper teweer en deden zelfs vele Kapiteins van onze vloot verschrikt terugkeeren.Ook het volk van „De Vogel Struis”, een koopvaarder, die dienst als oorlogsschip deed, wilde dat voorbeeld volgen, doch de Kapitein van dien bodem, de Fries Douwe Aukes, nam eene brandende lont en dreigde deze in het kruit testeken, als het volk nog eenmaal van wijken dorst reppen. Dat hielp. Het volk wetende, dat Douwe Aukes een man van zijn woord was, hervatte het gevecht en wel zoodanig, dat, hadden alle schepen het voorbeeld van „De Vogel Struis” gevolgd, de Engelsche vloot niet alleen geheel verslagen, maar zelfs vernield zou zijn. Toch behield De Ruyter het slagveld en bracht de koopvaarders behouden buiten. De Bevelhebber der Engelsche vloot, George Ayscue, een man, die met leeuwenmoed gestreden had en wiens Kapiteins bijna allen gekwetst waren, onderging het lot van Tromp en viel bij de Regeering zijns lands in ongenade.Geen wonder dat de Nederlanders, maar bovenal de Zeeuwen, met hunnen nieuwen Vlootvoogd hoog ingenomen waren en hem niet alleen met veel onderscheiding behandelden, maar hem nu reeds onder de beroemdste en meest ervaren Vlootvoogden van het Gemeentebest telden.Adriaen, die in alles bewezen had, hetzelfde heldenhart als zijn Vader te bezitten, werd hierop spoedig benoemd tot Luitenant ter zee, doch zijn zwak lichaam kon op den duur de vermoeienissen van het zeeleven en den oorlog niet verdragen, zoodat hij vaak aan den wal moest blijven, hoe gaarne hij ook zou medegegaan zijn. Langzamerhand werd hij zwakker en de jongeling, die reeds zooveel beloofd had, stierf in April van het jaar 1655, dus op achttienjarigen leeftijd te Amsterdam, waar zijne Ouders zich, na de benoeming van Michiel tot Vice-Admiraal van Holland, op het Nieuwe-Waalseiland metterwoon gevestigd hadden.Doch keeren we tot ons verhaal terug.De Ruyter was dus als overwinnaar en beroemd held te midden der zijnen teruggekeerd. Zijne rust duurde echter maar kort. Reeds in de volgende maand kreeg De Ruyter bevel, de huiswaarts keerende koopvaarders in het oog te houden en te beschermen, doch zijne vloot verkeerde in zulk eenen slechten toestand, dat hij er niet veel mee uitvoeren kon. Toch wist hij zich met Witte Cornelisz.DeWith te vereenigen en onder het opperbevel van dezen „dapperste der dapperen” had er nog een zeeslag tegen de Engelschen onder Blake plaats, welke zeker weer voor ons goed zou afgeloopen zijn, als niet veel van onze Kapiteins lafhartig op de vlucht gegaan waren.In het land teruggekomen klaagde De With de laaghartige Kapiteins aan, en hoewel dezen gestraft werden, zag men toch in, dat men op den duur telkens zou moeten straffen, daar het niet enkel lafhartigheid van de lieden was, maar ook onwil om De With te gehoorzamen. Men haatte hem te veel. Het gevolg daarvan was, dat men besloot, Marten Harpertsz. Tromp opnieuw het opperbevel over de vloot aan te bieden, en hoewel deze daartoe bereid was, kon hij toch niet nalaten te zeggen, dat hij niet aarzelde, maar „dat het hem bekommerde, als hij, na alles wat in zijn vermogen was ten dienste van het Vaderland gedaan te hebben, zijne beste daden miskend zag, en dat zulks hem ijver en lust benam.”

DERDE HOOFDSTUK.In dienst van het land.„Goeden middag, Heeren!” sprak De Ruyter terwijl hij beleefd hen te gemoet trad.„Wij wenschen u en uwer huisvrouwe hetzelfde, Meneer De Ruyter!” was het antwoord, en nadat ze eenen stoel genomen hadden begon een der Heeren Afgevaardigden aldus:„Het lichaam wel aanwal, maar de geest toch altijd op zee, Meneer De Ruyter?”„Hoe dat zoo?” vroeg De Ruyter?„Wel, omdat ge tot uwe woonkamer juist die gekozen hebt, welke op zee uitziet!”„Nu ja, al hoop ik voor mijzelven niets meer van de zee, Heeren, ik ben er daarom geen vijand van!”„Dat zou ons ook spijten, Meneer De Ruyter, en ons geenen moed geven, u het voorstel te doen, waarmede we vanwege de Edelmogende Heeren Staten van Zeeland en Hoog Edelmogende Heeren Staten Generaal tot u komen!”„En mag ik weten welk voorstel de Edelmogenden mij te doen hebben, Heeren?”„Natuurlijk, Meneer De Ruyter! Gij weet dat de Regeering ontevreden is over den Luitenant-Admiraal Tromp!”„Men hoort althans ontevreden woorden genoeg, Heeren!”„En niet ten onrechte, Meneer De Ruyter!”„Dat weet ik niet, Heeren!”„Ued. gelieft te schertsen, en weet dat wel! Engeland is ons de baas en dat is zijne schuld!”„Ik zal mij niet vermeten de oordeelen en besluiten der Regeering aan mijne meeningen te toetsen. Maar wat hadden de Heeren mij nu voor te stellen?”„Wij hebben in last u voor te stellen, het bevel van een eskader op u te nemen!”„Gij zult hiertoe eene vergeefsche poging gewaagd hebben, Heeren! Ik heb besloten aanwal te blijven en hier de dagen, die de Heere mij toegerekend heeft, in ruste te eindigen, zorgende voor vrouw en kinderen!”„De Edelmogenden begrepen dat Ued. na zooveel jaren zwervens en zwalkens de ruste dierbaar moest zijn, Meneer De Ruyter; maar zij rekenden er ook op, dat Ued. een liefhebber van het bedreigde Vaderland is.”„Dat ben ik, en het doet mij tot in de ziel leed, dat het ons in dezen oorlog zoo kwalijk gaat. Wij hadden hem niet moeten beginnen.”„Ued. heeft gelijk, en Tromp had zijn verstand moeten gebruiken en....”„Ik noem geene namen, Heeren, en allerminst dien van den heldhaftigen Marten Harpertsz. Tromp, eenen zeeman, die de roem van zijn land is.”„Hierover oordeelen wij anders, Meneer De Ruyter!”„Dat doet mij leed, Heeren! Om Tromp te beoordeelen moet men als hij, zooveel zout water gezien en het fluiten van zooveel kogels gehoord hebben. Ik vereer Tromp hoog.”De Heeren keken niet heel vriendelijk en durfden den strijd over Tromps geschiktheid of ongeschiktheid niet aanbinden met eenen man, die de zee door en door kende. Een hunner zeide daarom kortaf: „Ons gevoelen is heel anders, Meneer De Ruyter, en daarom komen wij u vragen of ge het bevel van een eskader op u nemen wilt.”„Het gevoelen der Edelmogenden zal ik niet langer tegenspreken, Heeren, doch ik heb nu eenmaal besloten aanwal te blijven, en dank dus beleefdelijk voor de vereerende opdracht!”„Maar waarom toch, Meneer De Ruyter? Het is slechts, als ge dat begeert, voor éénen tocht! En zie eens aan, daar voor uw venster liggen de koopvaarders afgetuigd, omdat ze niet in zee durven steken. Dagen aan dagen worden de deuren der ledige pakhuizen te vergeefs geopendom de schatten der terugkeerende koopvaardij-vloot te ontvangen. Maar men zeilt niet uit en ontvangt niet! Waar moet dat heen, Meneer De Ruyter?”„Vertrouwen, het volste vertrouwen hebben in den dapperen en beleidvollen Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp, Heeren! Dáár heen moet het; een andere weg is er niet, tenzij men nog hoop genoeg heeft, dat de strijd rechtvaardig is en God ons helpen zal.”„Wij gelooven zelven dat Tromp zal moeten eindigen, wat hij ontijdig begon, en wij zijn eveneens van de meening, dat de Luitenant-Admiraal niet lang van zijne gedwongen rust genoegen zal hebben! Maar in dien tusschentijd moet er toch één zijn, die althans voor Zeeland zijne plaats vervangt.”„Neemt Witte Cornelisz. De With, Heeren, en gij hebt eenen man, die telt voor eene heele vloot!”„Die is reeds vanwege Holland aangesteld, en al ware dat zoo niet, wij zouden dien man niet willen hebben. Ons zeevolk vloekt al genoeg, en in ruwheid behoeft het niet meer aan te leeren, zoodat we eenen vloeker en eenen ruwen gast, als De With, kunnen missen!”„Dat de Heer De With vloekt en ruw is, dat is, eilaci, waar! Doch waar is het ook, dat hij is de dapperste onder de dapperen, en dat in zijn rauw zeemanshart eene liefde voor het Vaderland woont, die alle beschrijving te boven gaat. En wat zijn beleid betreft, ook dat heeft hij, als hij slechts gehoorzaamd wordt. Geeft Tromp of geeft De With eene andere en betere vloot, vermeerdert en vergroot hunne schepen, brengt meer eenheid in het bestuur en straft iederen lafaard met den koorde, die niet weet te gehoorzamen, en op de vlucht slaat, dan kunnen de Edelmogenden verzekerd zijn, dat de Engelschen minder gelukkig zullen wezen; want er ontbreekt niet alleen veel, heel veel aan onze schepen van oorlog, Heeren, maar nog veel meer aan het bestuur over de vloot; er is geene éénheid enzonder hulp der Regeering kan de Admiraal die niet aanbrengen.”„En als wij Ued. nu beloven zooveel en zoo gauw mogelijk uwe wenschen te gemoet te komen, neemt ge dan ons voorstel aan?”De Ruyter aarzelde een antwoord te geven en zag zijne vrouw vragender-wijze van terzijde aan.Dit zagen de Afgevaardigden en zeiden daarom: „Help ons, Mevrouw, uwen man te overreden den Vaderlande zijne diensten te bewijzen. Hij behoeft zich slechts voor éénen tocht te verbinden!”„Overhaast mij niet, Heeren, met een besluit te nemen! Lang talmen zal ik niet. Ik zal het Ued. zoo spoedig mogelijk laten weten!”„Volgaarne verleenen wij u eenen korten tijd van beraad, Meneer De Ruyter, doch we kunnen, eer we scheiden, niet nalaten, de hoop uit te drukken, dat Ued. besluiten moge het geprangde Vaderland die diensten te bewijzen, waartoe God de Heere Ued. met de noodige krachten toegerust heeft.”De Afgevaardigden bogen, groetten beleefdelijk en vertrokken alweer naar Middelburg.En Michiel Adriaensz. De Ruyter, wat deed hij?Hij nam het voorstel aan en trad indienst van het land als Vice-Kommandeur.DeEdelmogendenvan Zeeland hadden eene keuze gedaan, die hun nooit berouwen zou, integendeel, er zouden dagen komen waarin men den bescheiden en nederigen man, niet alleen in Zeeland, maar ook in Holland, ja, in alle Gewesten der Unie, noemen zou: „Redder van het Vaderland.” Ja, heel de wereld zou van zijne voorbeeldelooze dapperheid, van zijnen nimmer falenden moed, van zijn weergaloos beleid en van zijne ongeveinsde nederigheid en godsvrucht gewagen. Zijn Admiraals-schip „De zeven Provinciën” zou de schrik van den vijand, de trots des Oceaans en de gloriedrager van Nederland worden.Want Michiel Adriaensz. De Ruyter bleef van dat oogenblik af tot aan zijnen heldendood, aan den dienst van het Vaderland verbonden. Eerst het besluit der Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden, genomen den negenentwintigsten Juli van het jaar 1652, zou De Ruyter een tweede leven doen beginnen en hem doen worden de man, dien we zoo gaarne en altijd met zooveel trots noemen: Luitenant-Admiraal-Generaal: Michiel Adriaensz. De Ruyter!Den tienden Augustus was De Ruyter reeds op zijnen post en had hij in last ontvangen, de koopvaardijvloot, die te Texel zou uitloopen door het Kanaal in den Atlantischen oceaan te brengen. Gedurende den tijd, dat hij daar te Calais op de koopvaarders lag te wachten, kreeg hij bericht, dat er zich tusschen het eiland Wight en Portland eene vrij sterke Engelsche oorlogsvloot ophield, en daarom drong hij er bij de Staten van Zeeland op aan, dat men hem meer macht geven zou.Van onze kennissen bevond zich aanboord van de „Neptunus” het schip waarop De Ruyter zijne vlag liet waaien, de vijftienjarige Adriaen. Zijn Vader had, na zijn aanhoudend aandringen, hem eindelijk verlof gegeven eenen tocht mede te maken, hoezeer hij wel zag, dat er uit zijnen oudsten zoon denkelijk wel geen zeeman groeien zou. De knaap was verbazend zwak en bleek.„Zouden de schepen waarom u gevraagd heeft, al gauw komen, Vader?” vroeg Adriaen in den vroegen morgen van den eenentwintigsten Augustus.Vader en zoon stonden naast elkander en de Stuurman wiens oog op die beiden viel, mompelde: „Een verschil tusschen die twee als van dag en nacht. Die jongen zal wel niet veel grijze haren kammen. Jammer genoeg; want hem bezielt dezelfde geest als zijnen Vader.”„Ik weet het niet, jongen! Ik vrees er voor,” was het antwoord. „De timmerwerven kunnen in de behoefte niet voorzien.”Als ware het om die woorden te logenstraffen vertoonden zich weldra een vijftig schepen en in de vreugde zijns harten riep Adriaen: „Daar komen ze, Vader!”De Ruyter had evenwel spoedig gezien, dat het lang niet alle schepen van oorlog waren, en spoedig wist hij dat de versterking, die hem gebracht werd, slechts uit acht oorlogsvaartuigen bestond, die vijftig koopvaarders geleidden. Zulk eene hulp kon De Ruyter missen. Toch verliet hij Calais en zeilde hij het Kanaal binnen.„Kijk, Vader,” riep Adriaen vijf dagen later. „Daar liggen de afgezonden schepen ons al te wachten.”„Zijt gij wel dwaas, jongen,” sprak De Ruyter. „Zij daar zullen heel wat anders doen dan ons helpen. Het zijn de Engelschen, en ik zou u raden naar de kajuit te gaan, want zonder eenige kogels te wisselen, komen wij er niet af.”„Naar binnen gaan, Vader, naar binnen? Waarom moet ik mij bergen? Ben ik niet uw zoon?” riep Adriaen nu met gloeiende wangen en vonkelende oogen, die akelig afstaken bij zijne magere en zwakke gelaatstrekken.Michiel zag Adriaen aan en kon amper eenen traan, die hem in het oog welde, tegenhouden.„Nu, Vader waarom moet ik naar binnen gaan? Meent ge soms dat ik bang zal zijn?”„Neen, neen, lieve jongen! Maar gij zijt zoo zwak; ik vrees dat gij u zult overspannen!” antwoordde De Ruyter.„Zwak, Vader? Een paar maanden geleden werd ik moede, als ik Engel even droeg, en dat werd ik nu toch op het laatst niet meer! Als ik moede word, zal ik wel wat gaan rusten, Vader!”„Nu, blijf dan, jongen!” klonk het zuchtend en de Vader, die dat zei, kon niet nalaten treurige gedachten te hebben over zijnen oudsten jongen.„Ik tel vijfenveertig schepen van oorlog, Schipper,” sprak De Ruyter tot den Kapitein van de „Neptunus”, terwijldeze hem voorbij kwam. „Er zit eene taaie snede voor het mes, man! Wij zijn er slechts drieëndertig sterk en nog bezwaard door zestig koopvaarders! Sein de Kapiteins aanboord! Ze moeten terstond komen om raad te beleggen.”De Schipper voldeed aan het bevel en weldra kwamen de verschillende Kapiteins van het eskader bij De Ruyter.„Mannen,” sprak hij, toen na een kort beraad tot den aanval besloten was, „laat de overmacht aan de Engelschen en de roem aan ons zijn. Men telle het getal zijner vijanden niet, maar sla er wakker op in. Ik zelf zal den middeltocht aanvoeren, de achterhoede stel ik onder bevel van Kapitein Verhaaf en de voorhoede onder bevel van Kapitein Van den Broek. Doet allen uwen plicht en versaagt niet! En nu, Heeren, tot na het gevecht! God behoede u en hen, die onder u staan!”De Kapiteins begaven zich naar hunne schepen, stelden die in slagorde en des namiddags te vier uren begon het gevecht. Adriaens bleeke wangen hadden onder het bulderen der kanonnen, het knetteren der musketten, het fluiten der kogels en het aanmoedigend geschreeuw van het scheepsvolk eene hoogroode kleur gekregen. Met eigen hand schoot hij een kanon af en toen hij zag hoe de kogel eene Engelsche vlag in flarden sloeg, juichte hij met geestdrift: „Vivat! Hoezee! Weg met de Koningsmoorders!”Toen Michiel De Ruyter echter zag dat de geestdrift van Adriaen te sterk was voor diens zwak gestel, zond hij hem naar beneden en zeide: „Nu moet ge eerst eens een uurtje rusten, jongen! Kom dan weer boven!”De Engelschen, die ook niet gewoon waren spoedig krimp te geven, stelden zich dapper teweer en deden zelfs vele Kapiteins van onze vloot verschrikt terugkeeren.Ook het volk van „De Vogel Struis”, een koopvaarder, die dienst als oorlogsschip deed, wilde dat voorbeeld volgen, doch de Kapitein van dien bodem, de Fries Douwe Aukes, nam eene brandende lont en dreigde deze in het kruit testeken, als het volk nog eenmaal van wijken dorst reppen. Dat hielp. Het volk wetende, dat Douwe Aukes een man van zijn woord was, hervatte het gevecht en wel zoodanig, dat, hadden alle schepen het voorbeeld van „De Vogel Struis” gevolgd, de Engelsche vloot niet alleen geheel verslagen, maar zelfs vernield zou zijn. Toch behield De Ruyter het slagveld en bracht de koopvaarders behouden buiten. De Bevelhebber der Engelsche vloot, George Ayscue, een man, die met leeuwenmoed gestreden had en wiens Kapiteins bijna allen gekwetst waren, onderging het lot van Tromp en viel bij de Regeering zijns lands in ongenade.Geen wonder dat de Nederlanders, maar bovenal de Zeeuwen, met hunnen nieuwen Vlootvoogd hoog ingenomen waren en hem niet alleen met veel onderscheiding behandelden, maar hem nu reeds onder de beroemdste en meest ervaren Vlootvoogden van het Gemeentebest telden.Adriaen, die in alles bewezen had, hetzelfde heldenhart als zijn Vader te bezitten, werd hierop spoedig benoemd tot Luitenant ter zee, doch zijn zwak lichaam kon op den duur de vermoeienissen van het zeeleven en den oorlog niet verdragen, zoodat hij vaak aan den wal moest blijven, hoe gaarne hij ook zou medegegaan zijn. Langzamerhand werd hij zwakker en de jongeling, die reeds zooveel beloofd had, stierf in April van het jaar 1655, dus op achttienjarigen leeftijd te Amsterdam, waar zijne Ouders zich, na de benoeming van Michiel tot Vice-Admiraal van Holland, op het Nieuwe-Waalseiland metterwoon gevestigd hadden.Doch keeren we tot ons verhaal terug.De Ruyter was dus als overwinnaar en beroemd held te midden der zijnen teruggekeerd. Zijne rust duurde echter maar kort. Reeds in de volgende maand kreeg De Ruyter bevel, de huiswaarts keerende koopvaarders in het oog te houden en te beschermen, doch zijne vloot verkeerde in zulk eenen slechten toestand, dat hij er niet veel mee uitvoeren kon. Toch wist hij zich met Witte Cornelisz.DeWith te vereenigen en onder het opperbevel van dezen „dapperste der dapperen” had er nog een zeeslag tegen de Engelschen onder Blake plaats, welke zeker weer voor ons goed zou afgeloopen zijn, als niet veel van onze Kapiteins lafhartig op de vlucht gegaan waren.In het land teruggekomen klaagde De With de laaghartige Kapiteins aan, en hoewel dezen gestraft werden, zag men toch in, dat men op den duur telkens zou moeten straffen, daar het niet enkel lafhartigheid van de lieden was, maar ook onwil om De With te gehoorzamen. Men haatte hem te veel. Het gevolg daarvan was, dat men besloot, Marten Harpertsz. Tromp opnieuw het opperbevel over de vloot aan te bieden, en hoewel deze daartoe bereid was, kon hij toch niet nalaten te zeggen, dat hij niet aarzelde, maar „dat het hem bekommerde, als hij, na alles wat in zijn vermogen was ten dienste van het Vaderland gedaan te hebben, zijne beste daden miskend zag, en dat zulks hem ijver en lust benam.”

DERDE HOOFDSTUK.In dienst van het land.

„Goeden middag, Heeren!” sprak De Ruyter terwijl hij beleefd hen te gemoet trad.„Wij wenschen u en uwer huisvrouwe hetzelfde, Meneer De Ruyter!” was het antwoord, en nadat ze eenen stoel genomen hadden begon een der Heeren Afgevaardigden aldus:„Het lichaam wel aanwal, maar de geest toch altijd op zee, Meneer De Ruyter?”„Hoe dat zoo?” vroeg De Ruyter?„Wel, omdat ge tot uwe woonkamer juist die gekozen hebt, welke op zee uitziet!”„Nu ja, al hoop ik voor mijzelven niets meer van de zee, Heeren, ik ben er daarom geen vijand van!”„Dat zou ons ook spijten, Meneer De Ruyter, en ons geenen moed geven, u het voorstel te doen, waarmede we vanwege de Edelmogende Heeren Staten van Zeeland en Hoog Edelmogende Heeren Staten Generaal tot u komen!”„En mag ik weten welk voorstel de Edelmogenden mij te doen hebben, Heeren?”„Natuurlijk, Meneer De Ruyter! Gij weet dat de Regeering ontevreden is over den Luitenant-Admiraal Tromp!”„Men hoort althans ontevreden woorden genoeg, Heeren!”„En niet ten onrechte, Meneer De Ruyter!”„Dat weet ik niet, Heeren!”„Ued. gelieft te schertsen, en weet dat wel! Engeland is ons de baas en dat is zijne schuld!”„Ik zal mij niet vermeten de oordeelen en besluiten der Regeering aan mijne meeningen te toetsen. Maar wat hadden de Heeren mij nu voor te stellen?”„Wij hebben in last u voor te stellen, het bevel van een eskader op u te nemen!”„Gij zult hiertoe eene vergeefsche poging gewaagd hebben, Heeren! Ik heb besloten aanwal te blijven en hier de dagen, die de Heere mij toegerekend heeft, in ruste te eindigen, zorgende voor vrouw en kinderen!”„De Edelmogenden begrepen dat Ued. na zooveel jaren zwervens en zwalkens de ruste dierbaar moest zijn, Meneer De Ruyter; maar zij rekenden er ook op, dat Ued. een liefhebber van het bedreigde Vaderland is.”„Dat ben ik, en het doet mij tot in de ziel leed, dat het ons in dezen oorlog zoo kwalijk gaat. Wij hadden hem niet moeten beginnen.”„Ued. heeft gelijk, en Tromp had zijn verstand moeten gebruiken en....”„Ik noem geene namen, Heeren, en allerminst dien van den heldhaftigen Marten Harpertsz. Tromp, eenen zeeman, die de roem van zijn land is.”„Hierover oordeelen wij anders, Meneer De Ruyter!”„Dat doet mij leed, Heeren! Om Tromp te beoordeelen moet men als hij, zooveel zout water gezien en het fluiten van zooveel kogels gehoord hebben. Ik vereer Tromp hoog.”De Heeren keken niet heel vriendelijk en durfden den strijd over Tromps geschiktheid of ongeschiktheid niet aanbinden met eenen man, die de zee door en door kende. Een hunner zeide daarom kortaf: „Ons gevoelen is heel anders, Meneer De Ruyter, en daarom komen wij u vragen of ge het bevel van een eskader op u nemen wilt.”„Het gevoelen der Edelmogenden zal ik niet langer tegenspreken, Heeren, doch ik heb nu eenmaal besloten aanwal te blijven, en dank dus beleefdelijk voor de vereerende opdracht!”„Maar waarom toch, Meneer De Ruyter? Het is slechts, als ge dat begeert, voor éénen tocht! En zie eens aan, daar voor uw venster liggen de koopvaarders afgetuigd, omdat ze niet in zee durven steken. Dagen aan dagen worden de deuren der ledige pakhuizen te vergeefs geopendom de schatten der terugkeerende koopvaardij-vloot te ontvangen. Maar men zeilt niet uit en ontvangt niet! Waar moet dat heen, Meneer De Ruyter?”„Vertrouwen, het volste vertrouwen hebben in den dapperen en beleidvollen Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp, Heeren! Dáár heen moet het; een andere weg is er niet, tenzij men nog hoop genoeg heeft, dat de strijd rechtvaardig is en God ons helpen zal.”„Wij gelooven zelven dat Tromp zal moeten eindigen, wat hij ontijdig begon, en wij zijn eveneens van de meening, dat de Luitenant-Admiraal niet lang van zijne gedwongen rust genoegen zal hebben! Maar in dien tusschentijd moet er toch één zijn, die althans voor Zeeland zijne plaats vervangt.”„Neemt Witte Cornelisz. De With, Heeren, en gij hebt eenen man, die telt voor eene heele vloot!”„Die is reeds vanwege Holland aangesteld, en al ware dat zoo niet, wij zouden dien man niet willen hebben. Ons zeevolk vloekt al genoeg, en in ruwheid behoeft het niet meer aan te leeren, zoodat we eenen vloeker en eenen ruwen gast, als De With, kunnen missen!”„Dat de Heer De With vloekt en ruw is, dat is, eilaci, waar! Doch waar is het ook, dat hij is de dapperste onder de dapperen, en dat in zijn rauw zeemanshart eene liefde voor het Vaderland woont, die alle beschrijving te boven gaat. En wat zijn beleid betreft, ook dat heeft hij, als hij slechts gehoorzaamd wordt. Geeft Tromp of geeft De With eene andere en betere vloot, vermeerdert en vergroot hunne schepen, brengt meer eenheid in het bestuur en straft iederen lafaard met den koorde, die niet weet te gehoorzamen, en op de vlucht slaat, dan kunnen de Edelmogenden verzekerd zijn, dat de Engelschen minder gelukkig zullen wezen; want er ontbreekt niet alleen veel, heel veel aan onze schepen van oorlog, Heeren, maar nog veel meer aan het bestuur over de vloot; er is geene éénheid enzonder hulp der Regeering kan de Admiraal die niet aanbrengen.”„En als wij Ued. nu beloven zooveel en zoo gauw mogelijk uwe wenschen te gemoet te komen, neemt ge dan ons voorstel aan?”De Ruyter aarzelde een antwoord te geven en zag zijne vrouw vragender-wijze van terzijde aan.Dit zagen de Afgevaardigden en zeiden daarom: „Help ons, Mevrouw, uwen man te overreden den Vaderlande zijne diensten te bewijzen. Hij behoeft zich slechts voor éénen tocht te verbinden!”„Overhaast mij niet, Heeren, met een besluit te nemen! Lang talmen zal ik niet. Ik zal het Ued. zoo spoedig mogelijk laten weten!”„Volgaarne verleenen wij u eenen korten tijd van beraad, Meneer De Ruyter, doch we kunnen, eer we scheiden, niet nalaten, de hoop uit te drukken, dat Ued. besluiten moge het geprangde Vaderland die diensten te bewijzen, waartoe God de Heere Ued. met de noodige krachten toegerust heeft.”De Afgevaardigden bogen, groetten beleefdelijk en vertrokken alweer naar Middelburg.En Michiel Adriaensz. De Ruyter, wat deed hij?Hij nam het voorstel aan en trad indienst van het land als Vice-Kommandeur.DeEdelmogendenvan Zeeland hadden eene keuze gedaan, die hun nooit berouwen zou, integendeel, er zouden dagen komen waarin men den bescheiden en nederigen man, niet alleen in Zeeland, maar ook in Holland, ja, in alle Gewesten der Unie, noemen zou: „Redder van het Vaderland.” Ja, heel de wereld zou van zijne voorbeeldelooze dapperheid, van zijnen nimmer falenden moed, van zijn weergaloos beleid en van zijne ongeveinsde nederigheid en godsvrucht gewagen. Zijn Admiraals-schip „De zeven Provinciën” zou de schrik van den vijand, de trots des Oceaans en de gloriedrager van Nederland worden.Want Michiel Adriaensz. De Ruyter bleef van dat oogenblik af tot aan zijnen heldendood, aan den dienst van het Vaderland verbonden. Eerst het besluit der Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden, genomen den negenentwintigsten Juli van het jaar 1652, zou De Ruyter een tweede leven doen beginnen en hem doen worden de man, dien we zoo gaarne en altijd met zooveel trots noemen: Luitenant-Admiraal-Generaal: Michiel Adriaensz. De Ruyter!Den tienden Augustus was De Ruyter reeds op zijnen post en had hij in last ontvangen, de koopvaardijvloot, die te Texel zou uitloopen door het Kanaal in den Atlantischen oceaan te brengen. Gedurende den tijd, dat hij daar te Calais op de koopvaarders lag te wachten, kreeg hij bericht, dat er zich tusschen het eiland Wight en Portland eene vrij sterke Engelsche oorlogsvloot ophield, en daarom drong hij er bij de Staten van Zeeland op aan, dat men hem meer macht geven zou.Van onze kennissen bevond zich aanboord van de „Neptunus” het schip waarop De Ruyter zijne vlag liet waaien, de vijftienjarige Adriaen. Zijn Vader had, na zijn aanhoudend aandringen, hem eindelijk verlof gegeven eenen tocht mede te maken, hoezeer hij wel zag, dat er uit zijnen oudsten zoon denkelijk wel geen zeeman groeien zou. De knaap was verbazend zwak en bleek.„Zouden de schepen waarom u gevraagd heeft, al gauw komen, Vader?” vroeg Adriaen in den vroegen morgen van den eenentwintigsten Augustus.Vader en zoon stonden naast elkander en de Stuurman wiens oog op die beiden viel, mompelde: „Een verschil tusschen die twee als van dag en nacht. Die jongen zal wel niet veel grijze haren kammen. Jammer genoeg; want hem bezielt dezelfde geest als zijnen Vader.”„Ik weet het niet, jongen! Ik vrees er voor,” was het antwoord. „De timmerwerven kunnen in de behoefte niet voorzien.”Als ware het om die woorden te logenstraffen vertoonden zich weldra een vijftig schepen en in de vreugde zijns harten riep Adriaen: „Daar komen ze, Vader!”De Ruyter had evenwel spoedig gezien, dat het lang niet alle schepen van oorlog waren, en spoedig wist hij dat de versterking, die hem gebracht werd, slechts uit acht oorlogsvaartuigen bestond, die vijftig koopvaarders geleidden. Zulk eene hulp kon De Ruyter missen. Toch verliet hij Calais en zeilde hij het Kanaal binnen.„Kijk, Vader,” riep Adriaen vijf dagen later. „Daar liggen de afgezonden schepen ons al te wachten.”„Zijt gij wel dwaas, jongen,” sprak De Ruyter. „Zij daar zullen heel wat anders doen dan ons helpen. Het zijn de Engelschen, en ik zou u raden naar de kajuit te gaan, want zonder eenige kogels te wisselen, komen wij er niet af.”„Naar binnen gaan, Vader, naar binnen? Waarom moet ik mij bergen? Ben ik niet uw zoon?” riep Adriaen nu met gloeiende wangen en vonkelende oogen, die akelig afstaken bij zijne magere en zwakke gelaatstrekken.Michiel zag Adriaen aan en kon amper eenen traan, die hem in het oog welde, tegenhouden.„Nu, Vader waarom moet ik naar binnen gaan? Meent ge soms dat ik bang zal zijn?”„Neen, neen, lieve jongen! Maar gij zijt zoo zwak; ik vrees dat gij u zult overspannen!” antwoordde De Ruyter.„Zwak, Vader? Een paar maanden geleden werd ik moede, als ik Engel even droeg, en dat werd ik nu toch op het laatst niet meer! Als ik moede word, zal ik wel wat gaan rusten, Vader!”„Nu, blijf dan, jongen!” klonk het zuchtend en de Vader, die dat zei, kon niet nalaten treurige gedachten te hebben over zijnen oudsten jongen.„Ik tel vijfenveertig schepen van oorlog, Schipper,” sprak De Ruyter tot den Kapitein van de „Neptunus”, terwijldeze hem voorbij kwam. „Er zit eene taaie snede voor het mes, man! Wij zijn er slechts drieëndertig sterk en nog bezwaard door zestig koopvaarders! Sein de Kapiteins aanboord! Ze moeten terstond komen om raad te beleggen.”De Schipper voldeed aan het bevel en weldra kwamen de verschillende Kapiteins van het eskader bij De Ruyter.„Mannen,” sprak hij, toen na een kort beraad tot den aanval besloten was, „laat de overmacht aan de Engelschen en de roem aan ons zijn. Men telle het getal zijner vijanden niet, maar sla er wakker op in. Ik zelf zal den middeltocht aanvoeren, de achterhoede stel ik onder bevel van Kapitein Verhaaf en de voorhoede onder bevel van Kapitein Van den Broek. Doet allen uwen plicht en versaagt niet! En nu, Heeren, tot na het gevecht! God behoede u en hen, die onder u staan!”De Kapiteins begaven zich naar hunne schepen, stelden die in slagorde en des namiddags te vier uren begon het gevecht. Adriaens bleeke wangen hadden onder het bulderen der kanonnen, het knetteren der musketten, het fluiten der kogels en het aanmoedigend geschreeuw van het scheepsvolk eene hoogroode kleur gekregen. Met eigen hand schoot hij een kanon af en toen hij zag hoe de kogel eene Engelsche vlag in flarden sloeg, juichte hij met geestdrift: „Vivat! Hoezee! Weg met de Koningsmoorders!”Toen Michiel De Ruyter echter zag dat de geestdrift van Adriaen te sterk was voor diens zwak gestel, zond hij hem naar beneden en zeide: „Nu moet ge eerst eens een uurtje rusten, jongen! Kom dan weer boven!”De Engelschen, die ook niet gewoon waren spoedig krimp te geven, stelden zich dapper teweer en deden zelfs vele Kapiteins van onze vloot verschrikt terugkeeren.Ook het volk van „De Vogel Struis”, een koopvaarder, die dienst als oorlogsschip deed, wilde dat voorbeeld volgen, doch de Kapitein van dien bodem, de Fries Douwe Aukes, nam eene brandende lont en dreigde deze in het kruit testeken, als het volk nog eenmaal van wijken dorst reppen. Dat hielp. Het volk wetende, dat Douwe Aukes een man van zijn woord was, hervatte het gevecht en wel zoodanig, dat, hadden alle schepen het voorbeeld van „De Vogel Struis” gevolgd, de Engelsche vloot niet alleen geheel verslagen, maar zelfs vernield zou zijn. Toch behield De Ruyter het slagveld en bracht de koopvaarders behouden buiten. De Bevelhebber der Engelsche vloot, George Ayscue, een man, die met leeuwenmoed gestreden had en wiens Kapiteins bijna allen gekwetst waren, onderging het lot van Tromp en viel bij de Regeering zijns lands in ongenade.Geen wonder dat de Nederlanders, maar bovenal de Zeeuwen, met hunnen nieuwen Vlootvoogd hoog ingenomen waren en hem niet alleen met veel onderscheiding behandelden, maar hem nu reeds onder de beroemdste en meest ervaren Vlootvoogden van het Gemeentebest telden.Adriaen, die in alles bewezen had, hetzelfde heldenhart als zijn Vader te bezitten, werd hierop spoedig benoemd tot Luitenant ter zee, doch zijn zwak lichaam kon op den duur de vermoeienissen van het zeeleven en den oorlog niet verdragen, zoodat hij vaak aan den wal moest blijven, hoe gaarne hij ook zou medegegaan zijn. Langzamerhand werd hij zwakker en de jongeling, die reeds zooveel beloofd had, stierf in April van het jaar 1655, dus op achttienjarigen leeftijd te Amsterdam, waar zijne Ouders zich, na de benoeming van Michiel tot Vice-Admiraal van Holland, op het Nieuwe-Waalseiland metterwoon gevestigd hadden.Doch keeren we tot ons verhaal terug.De Ruyter was dus als overwinnaar en beroemd held te midden der zijnen teruggekeerd. Zijne rust duurde echter maar kort. Reeds in de volgende maand kreeg De Ruyter bevel, de huiswaarts keerende koopvaarders in het oog te houden en te beschermen, doch zijne vloot verkeerde in zulk eenen slechten toestand, dat hij er niet veel mee uitvoeren kon. Toch wist hij zich met Witte Cornelisz.DeWith te vereenigen en onder het opperbevel van dezen „dapperste der dapperen” had er nog een zeeslag tegen de Engelschen onder Blake plaats, welke zeker weer voor ons goed zou afgeloopen zijn, als niet veel van onze Kapiteins lafhartig op de vlucht gegaan waren.In het land teruggekomen klaagde De With de laaghartige Kapiteins aan, en hoewel dezen gestraft werden, zag men toch in, dat men op den duur telkens zou moeten straffen, daar het niet enkel lafhartigheid van de lieden was, maar ook onwil om De With te gehoorzamen. Men haatte hem te veel. Het gevolg daarvan was, dat men besloot, Marten Harpertsz. Tromp opnieuw het opperbevel over de vloot aan te bieden, en hoewel deze daartoe bereid was, kon hij toch niet nalaten te zeggen, dat hij niet aarzelde, maar „dat het hem bekommerde, als hij, na alles wat in zijn vermogen was ten dienste van het Vaderland gedaan te hebben, zijne beste daden miskend zag, en dat zulks hem ijver en lust benam.”

„Goeden middag, Heeren!” sprak De Ruyter terwijl hij beleefd hen te gemoet trad.

„Wij wenschen u en uwer huisvrouwe hetzelfde, Meneer De Ruyter!” was het antwoord, en nadat ze eenen stoel genomen hadden begon een der Heeren Afgevaardigden aldus:

„Het lichaam wel aanwal, maar de geest toch altijd op zee, Meneer De Ruyter?”

„Hoe dat zoo?” vroeg De Ruyter?

„Wel, omdat ge tot uwe woonkamer juist die gekozen hebt, welke op zee uitziet!”

„Nu ja, al hoop ik voor mijzelven niets meer van de zee, Heeren, ik ben er daarom geen vijand van!”

„Dat zou ons ook spijten, Meneer De Ruyter, en ons geenen moed geven, u het voorstel te doen, waarmede we vanwege de Edelmogende Heeren Staten van Zeeland en Hoog Edelmogende Heeren Staten Generaal tot u komen!”

„En mag ik weten welk voorstel de Edelmogenden mij te doen hebben, Heeren?”

„Natuurlijk, Meneer De Ruyter! Gij weet dat de Regeering ontevreden is over den Luitenant-Admiraal Tromp!”

„Men hoort althans ontevreden woorden genoeg, Heeren!”

„En niet ten onrechte, Meneer De Ruyter!”

„Dat weet ik niet, Heeren!”

„Ued. gelieft te schertsen, en weet dat wel! Engeland is ons de baas en dat is zijne schuld!”

„Ik zal mij niet vermeten de oordeelen en besluiten der Regeering aan mijne meeningen te toetsen. Maar wat hadden de Heeren mij nu voor te stellen?”

„Wij hebben in last u voor te stellen, het bevel van een eskader op u te nemen!”

„Gij zult hiertoe eene vergeefsche poging gewaagd hebben, Heeren! Ik heb besloten aanwal te blijven en hier de dagen, die de Heere mij toegerekend heeft, in ruste te eindigen, zorgende voor vrouw en kinderen!”

„De Edelmogenden begrepen dat Ued. na zooveel jaren zwervens en zwalkens de ruste dierbaar moest zijn, Meneer De Ruyter; maar zij rekenden er ook op, dat Ued. een liefhebber van het bedreigde Vaderland is.”

„Dat ben ik, en het doet mij tot in de ziel leed, dat het ons in dezen oorlog zoo kwalijk gaat. Wij hadden hem niet moeten beginnen.”

„Ued. heeft gelijk, en Tromp had zijn verstand moeten gebruiken en....”

„Ik noem geene namen, Heeren, en allerminst dien van den heldhaftigen Marten Harpertsz. Tromp, eenen zeeman, die de roem van zijn land is.”

„Hierover oordeelen wij anders, Meneer De Ruyter!”

„Dat doet mij leed, Heeren! Om Tromp te beoordeelen moet men als hij, zooveel zout water gezien en het fluiten van zooveel kogels gehoord hebben. Ik vereer Tromp hoog.”

De Heeren keken niet heel vriendelijk en durfden den strijd over Tromps geschiktheid of ongeschiktheid niet aanbinden met eenen man, die de zee door en door kende. Een hunner zeide daarom kortaf: „Ons gevoelen is heel anders, Meneer De Ruyter, en daarom komen wij u vragen of ge het bevel van een eskader op u nemen wilt.”

„Het gevoelen der Edelmogenden zal ik niet langer tegenspreken, Heeren, doch ik heb nu eenmaal besloten aanwal te blijven, en dank dus beleefdelijk voor de vereerende opdracht!”

„Maar waarom toch, Meneer De Ruyter? Het is slechts, als ge dat begeert, voor éénen tocht! En zie eens aan, daar voor uw venster liggen de koopvaarders afgetuigd, omdat ze niet in zee durven steken. Dagen aan dagen worden de deuren der ledige pakhuizen te vergeefs geopendom de schatten der terugkeerende koopvaardij-vloot te ontvangen. Maar men zeilt niet uit en ontvangt niet! Waar moet dat heen, Meneer De Ruyter?”

„Vertrouwen, het volste vertrouwen hebben in den dapperen en beleidvollen Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp, Heeren! Dáár heen moet het; een andere weg is er niet, tenzij men nog hoop genoeg heeft, dat de strijd rechtvaardig is en God ons helpen zal.”

„Wij gelooven zelven dat Tromp zal moeten eindigen, wat hij ontijdig begon, en wij zijn eveneens van de meening, dat de Luitenant-Admiraal niet lang van zijne gedwongen rust genoegen zal hebben! Maar in dien tusschentijd moet er toch één zijn, die althans voor Zeeland zijne plaats vervangt.”

„Neemt Witte Cornelisz. De With, Heeren, en gij hebt eenen man, die telt voor eene heele vloot!”

„Die is reeds vanwege Holland aangesteld, en al ware dat zoo niet, wij zouden dien man niet willen hebben. Ons zeevolk vloekt al genoeg, en in ruwheid behoeft het niet meer aan te leeren, zoodat we eenen vloeker en eenen ruwen gast, als De With, kunnen missen!”

„Dat de Heer De With vloekt en ruw is, dat is, eilaci, waar! Doch waar is het ook, dat hij is de dapperste onder de dapperen, en dat in zijn rauw zeemanshart eene liefde voor het Vaderland woont, die alle beschrijving te boven gaat. En wat zijn beleid betreft, ook dat heeft hij, als hij slechts gehoorzaamd wordt. Geeft Tromp of geeft De With eene andere en betere vloot, vermeerdert en vergroot hunne schepen, brengt meer eenheid in het bestuur en straft iederen lafaard met den koorde, die niet weet te gehoorzamen, en op de vlucht slaat, dan kunnen de Edelmogenden verzekerd zijn, dat de Engelschen minder gelukkig zullen wezen; want er ontbreekt niet alleen veel, heel veel aan onze schepen van oorlog, Heeren, maar nog veel meer aan het bestuur over de vloot; er is geene éénheid enzonder hulp der Regeering kan de Admiraal die niet aanbrengen.”

„En als wij Ued. nu beloven zooveel en zoo gauw mogelijk uwe wenschen te gemoet te komen, neemt ge dan ons voorstel aan?”

De Ruyter aarzelde een antwoord te geven en zag zijne vrouw vragender-wijze van terzijde aan.

Dit zagen de Afgevaardigden en zeiden daarom: „Help ons, Mevrouw, uwen man te overreden den Vaderlande zijne diensten te bewijzen. Hij behoeft zich slechts voor éénen tocht te verbinden!”

„Overhaast mij niet, Heeren, met een besluit te nemen! Lang talmen zal ik niet. Ik zal het Ued. zoo spoedig mogelijk laten weten!”

„Volgaarne verleenen wij u eenen korten tijd van beraad, Meneer De Ruyter, doch we kunnen, eer we scheiden, niet nalaten, de hoop uit te drukken, dat Ued. besluiten moge het geprangde Vaderland die diensten te bewijzen, waartoe God de Heere Ued. met de noodige krachten toegerust heeft.”

De Afgevaardigden bogen, groetten beleefdelijk en vertrokken alweer naar Middelburg.

En Michiel Adriaensz. De Ruyter, wat deed hij?

Hij nam het voorstel aan en trad indienst van het land als Vice-Kommandeur.

DeEdelmogendenvan Zeeland hadden eene keuze gedaan, die hun nooit berouwen zou, integendeel, er zouden dagen komen waarin men den bescheiden en nederigen man, niet alleen in Zeeland, maar ook in Holland, ja, in alle Gewesten der Unie, noemen zou: „Redder van het Vaderland.” Ja, heel de wereld zou van zijne voorbeeldelooze dapperheid, van zijnen nimmer falenden moed, van zijn weergaloos beleid en van zijne ongeveinsde nederigheid en godsvrucht gewagen. Zijn Admiraals-schip „De zeven Provinciën” zou de schrik van den vijand, de trots des Oceaans en de gloriedrager van Nederland worden.

Want Michiel Adriaensz. De Ruyter bleef van dat oogenblik af tot aan zijnen heldendood, aan den dienst van het Vaderland verbonden. Eerst het besluit der Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden, genomen den negenentwintigsten Juli van het jaar 1652, zou De Ruyter een tweede leven doen beginnen en hem doen worden de man, dien we zoo gaarne en altijd met zooveel trots noemen: Luitenant-Admiraal-Generaal: Michiel Adriaensz. De Ruyter!

Den tienden Augustus was De Ruyter reeds op zijnen post en had hij in last ontvangen, de koopvaardijvloot, die te Texel zou uitloopen door het Kanaal in den Atlantischen oceaan te brengen. Gedurende den tijd, dat hij daar te Calais op de koopvaarders lag te wachten, kreeg hij bericht, dat er zich tusschen het eiland Wight en Portland eene vrij sterke Engelsche oorlogsvloot ophield, en daarom drong hij er bij de Staten van Zeeland op aan, dat men hem meer macht geven zou.

Van onze kennissen bevond zich aanboord van de „Neptunus” het schip waarop De Ruyter zijne vlag liet waaien, de vijftienjarige Adriaen. Zijn Vader had, na zijn aanhoudend aandringen, hem eindelijk verlof gegeven eenen tocht mede te maken, hoezeer hij wel zag, dat er uit zijnen oudsten zoon denkelijk wel geen zeeman groeien zou. De knaap was verbazend zwak en bleek.

„Zouden de schepen waarom u gevraagd heeft, al gauw komen, Vader?” vroeg Adriaen in den vroegen morgen van den eenentwintigsten Augustus.

Vader en zoon stonden naast elkander en de Stuurman wiens oog op die beiden viel, mompelde: „Een verschil tusschen die twee als van dag en nacht. Die jongen zal wel niet veel grijze haren kammen. Jammer genoeg; want hem bezielt dezelfde geest als zijnen Vader.”

„Ik weet het niet, jongen! Ik vrees er voor,” was het antwoord. „De timmerwerven kunnen in de behoefte niet voorzien.”

Als ware het om die woorden te logenstraffen vertoonden zich weldra een vijftig schepen en in de vreugde zijns harten riep Adriaen: „Daar komen ze, Vader!”

De Ruyter had evenwel spoedig gezien, dat het lang niet alle schepen van oorlog waren, en spoedig wist hij dat de versterking, die hem gebracht werd, slechts uit acht oorlogsvaartuigen bestond, die vijftig koopvaarders geleidden. Zulk eene hulp kon De Ruyter missen. Toch verliet hij Calais en zeilde hij het Kanaal binnen.

„Kijk, Vader,” riep Adriaen vijf dagen later. „Daar liggen de afgezonden schepen ons al te wachten.”

„Zijt gij wel dwaas, jongen,” sprak De Ruyter. „Zij daar zullen heel wat anders doen dan ons helpen. Het zijn de Engelschen, en ik zou u raden naar de kajuit te gaan, want zonder eenige kogels te wisselen, komen wij er niet af.”

„Naar binnen gaan, Vader, naar binnen? Waarom moet ik mij bergen? Ben ik niet uw zoon?” riep Adriaen nu met gloeiende wangen en vonkelende oogen, die akelig afstaken bij zijne magere en zwakke gelaatstrekken.

Michiel zag Adriaen aan en kon amper eenen traan, die hem in het oog welde, tegenhouden.

„Nu, Vader waarom moet ik naar binnen gaan? Meent ge soms dat ik bang zal zijn?”

„Neen, neen, lieve jongen! Maar gij zijt zoo zwak; ik vrees dat gij u zult overspannen!” antwoordde De Ruyter.

„Zwak, Vader? Een paar maanden geleden werd ik moede, als ik Engel even droeg, en dat werd ik nu toch op het laatst niet meer! Als ik moede word, zal ik wel wat gaan rusten, Vader!”

„Nu, blijf dan, jongen!” klonk het zuchtend en de Vader, die dat zei, kon niet nalaten treurige gedachten te hebben over zijnen oudsten jongen.

„Ik tel vijfenveertig schepen van oorlog, Schipper,” sprak De Ruyter tot den Kapitein van de „Neptunus”, terwijldeze hem voorbij kwam. „Er zit eene taaie snede voor het mes, man! Wij zijn er slechts drieëndertig sterk en nog bezwaard door zestig koopvaarders! Sein de Kapiteins aanboord! Ze moeten terstond komen om raad te beleggen.”

De Schipper voldeed aan het bevel en weldra kwamen de verschillende Kapiteins van het eskader bij De Ruyter.

„Mannen,” sprak hij, toen na een kort beraad tot den aanval besloten was, „laat de overmacht aan de Engelschen en de roem aan ons zijn. Men telle het getal zijner vijanden niet, maar sla er wakker op in. Ik zelf zal den middeltocht aanvoeren, de achterhoede stel ik onder bevel van Kapitein Verhaaf en de voorhoede onder bevel van Kapitein Van den Broek. Doet allen uwen plicht en versaagt niet! En nu, Heeren, tot na het gevecht! God behoede u en hen, die onder u staan!”

De Kapiteins begaven zich naar hunne schepen, stelden die in slagorde en des namiddags te vier uren begon het gevecht. Adriaens bleeke wangen hadden onder het bulderen der kanonnen, het knetteren der musketten, het fluiten der kogels en het aanmoedigend geschreeuw van het scheepsvolk eene hoogroode kleur gekregen. Met eigen hand schoot hij een kanon af en toen hij zag hoe de kogel eene Engelsche vlag in flarden sloeg, juichte hij met geestdrift: „Vivat! Hoezee! Weg met de Koningsmoorders!”

Toen Michiel De Ruyter echter zag dat de geestdrift van Adriaen te sterk was voor diens zwak gestel, zond hij hem naar beneden en zeide: „Nu moet ge eerst eens een uurtje rusten, jongen! Kom dan weer boven!”

De Engelschen, die ook niet gewoon waren spoedig krimp te geven, stelden zich dapper teweer en deden zelfs vele Kapiteins van onze vloot verschrikt terugkeeren.

Ook het volk van „De Vogel Struis”, een koopvaarder, die dienst als oorlogsschip deed, wilde dat voorbeeld volgen, doch de Kapitein van dien bodem, de Fries Douwe Aukes, nam eene brandende lont en dreigde deze in het kruit testeken, als het volk nog eenmaal van wijken dorst reppen. Dat hielp. Het volk wetende, dat Douwe Aukes een man van zijn woord was, hervatte het gevecht en wel zoodanig, dat, hadden alle schepen het voorbeeld van „De Vogel Struis” gevolgd, de Engelsche vloot niet alleen geheel verslagen, maar zelfs vernield zou zijn. Toch behield De Ruyter het slagveld en bracht de koopvaarders behouden buiten. De Bevelhebber der Engelsche vloot, George Ayscue, een man, die met leeuwenmoed gestreden had en wiens Kapiteins bijna allen gekwetst waren, onderging het lot van Tromp en viel bij de Regeering zijns lands in ongenade.

Geen wonder dat de Nederlanders, maar bovenal de Zeeuwen, met hunnen nieuwen Vlootvoogd hoog ingenomen waren en hem niet alleen met veel onderscheiding behandelden, maar hem nu reeds onder de beroemdste en meest ervaren Vlootvoogden van het Gemeentebest telden.

Adriaen, die in alles bewezen had, hetzelfde heldenhart als zijn Vader te bezitten, werd hierop spoedig benoemd tot Luitenant ter zee, doch zijn zwak lichaam kon op den duur de vermoeienissen van het zeeleven en den oorlog niet verdragen, zoodat hij vaak aan den wal moest blijven, hoe gaarne hij ook zou medegegaan zijn. Langzamerhand werd hij zwakker en de jongeling, die reeds zooveel beloofd had, stierf in April van het jaar 1655, dus op achttienjarigen leeftijd te Amsterdam, waar zijne Ouders zich, na de benoeming van Michiel tot Vice-Admiraal van Holland, op het Nieuwe-Waalseiland metterwoon gevestigd hadden.

Doch keeren we tot ons verhaal terug.

De Ruyter was dus als overwinnaar en beroemd held te midden der zijnen teruggekeerd. Zijne rust duurde echter maar kort. Reeds in de volgende maand kreeg De Ruyter bevel, de huiswaarts keerende koopvaarders in het oog te houden en te beschermen, doch zijne vloot verkeerde in zulk eenen slechten toestand, dat hij er niet veel mee uitvoeren kon. Toch wist hij zich met Witte Cornelisz.DeWith te vereenigen en onder het opperbevel van dezen „dapperste der dapperen” had er nog een zeeslag tegen de Engelschen onder Blake plaats, welke zeker weer voor ons goed zou afgeloopen zijn, als niet veel van onze Kapiteins lafhartig op de vlucht gegaan waren.

In het land teruggekomen klaagde De With de laaghartige Kapiteins aan, en hoewel dezen gestraft werden, zag men toch in, dat men op den duur telkens zou moeten straffen, daar het niet enkel lafhartigheid van de lieden was, maar ook onwil om De With te gehoorzamen. Men haatte hem te veel. Het gevolg daarvan was, dat men besloot, Marten Harpertsz. Tromp opnieuw het opperbevel over de vloot aan te bieden, en hoewel deze daartoe bereid was, kon hij toch niet nalaten te zeggen, dat hij niet aarzelde, maar „dat het hem bekommerde, als hij, na alles wat in zijn vermogen was ten dienste van het Vaderland gedaan te hebben, zijne beste daden miskend zag, en dat zulks hem ijver en lust benam.”


Back to IndexNext