VIERDE HOOFDSTUK.De Vice-Admiraal.Hoewel De Ruyter aanvankelijk weer besloten had, den dienst vaarwel te zeggen, bleef hij toch bij de vloot en toen Admiraal Tromp den eersten December van 1652 uitliep om meer dan vierhonderd koopvaarders naar zee te brengen, en hij zijne vloot, die uit negentig oorlogsschepen bestond, in vier eskaders verdeelde, kreeg De Ruyter inplaats van Witte Cornelisz. De With, die ziek geworden was, als Kommandeur het bevel over het tweede eskader. Zijne vlag woei van het schip: „Het Lam.”Tien dagen later viel er tusschen deze vloot en deEngelschen onder den beroemden Blake een zeegevecht bij de Cingels voor. De onzen hadden alles in het nadeel, de Engelschen in het voordeel en toch noodzaakte Tromp den vijand den Theems op te loopen. Had hij op dat oogenblik goede loodsen aanboord gehad, dan zou een tocht naar Chattam eenige jaren vroeger hebben plaats gehad.De Engelschen noemden sedert dien tijd onzen Admiraal „den grooten Tromp.”Bijna drie maanden later bevond onze vloot zich andermaal in het Kanaal om de uitgaande koopvaardij-schepen te beschermen. Tromp bracht ze tot het eiland Ré en vond daar eene koopvaardij-vloot van honderd vijftig schepen, die door hem weer naar het Vaderland moesten gebracht worden. Dit zou evenwel niet gebeuren zonder met de vijanden slaags te geraken. Dit gevecht had den achtentwintigsten Februari 1653 plaats.De Ruyter voerde bij dit gevecht de achterhoede der vloot aan en was de eerste, die aan den slag was, en wel met een groot Engelsch schip „The Prosperity.” Nadat hij veel van het geschut van den vijand geleden had, besloot hij het schip te enteren. Zijn onverschrokken volk voldeed aan dat bevel en kwam weldra aanboord van den Engelschman, die hen evenwel weer verdreef.„Dat gaat niet, kinderen! Eens er in, altijd er in! Sa, lustig nog eens gedaan!” zeide De Ruyter en andermaal werd zijn bevel gehoorzaamd en met dat gevolg, dat het vijandelijk schip veroverd werd.Nauwelijks hadden de Engelschen evenwel gezien, wat er gebeurd was, of wel twintig van hunne schepen vielen De Ruyter aan. Deze stelde zich, geholpen door den dapperen Jan Evertsen, ook een Vlissinger, duchtig te weer, doch toen het gevecht op het hevigst was, gingen weer eenige lafhartige Kapiteins op de vlucht.„Daar gaan de schelmen, Michiel!” schreeuwde Jan Evertsen door den scheepsroeper De Ruyter tegen.„Ze gaan niet, goêmaat, ze vliegen,” antwoordde De Ruyter. „Maar er door heen moeten we, halen waar halen!”En Michiel ging er doorheen, hoewel nog tijdig geholpen door zijnen vriend Kapitein Aert van Nes en den Kommandeur Balk.„Ha, jongens, dat is er door!” zeide hij toen hij het gevaar te boven was, en hij wischte zich het zweet van het voorhoofd af. „Dat heeft er gespannen zou ik zoo meenen.”„Ja,” zeide de Kapitein, „maar zie eens hoe ons „Lam” er uit ziet! We zullen ons uit het gevecht moeten verwijderen! We zijn reddeloos geschoten!”De Ruyters oogen flikkerden.„Vooruit! Vooruit! Voor de vrijheid ter zee en de eere van het lieve Vaderland!” riep Michiel in antwoord op de aanmerking des Kapiteins, en zoo goed en zoo kwaad dat kon, snelde hij in het heetst van het gevecht, brandde los, viel aan, trok even terug, viel opnieuw aan, brandde weer los, sloeg dwars door zeven vijandelijke schepen heen, noodzaakte den Engelschen Vice-Admiraal, Willem Penn, te vluchten, en vond zich aan den avond van dien dag als overwinnaar, van den vijand verlaten.Maar hoe zag zijn schip er uit!De masten gesplinterd en gekraakt, de zeilen aan flarden met honderden kogelgaten, zijne voorsteng afgeschoten, alles op het dek vernield, bijna niet instaat eenig zeil te voeren!Dertig dooden, mannen, gevallen te midden van het gevecht, worden met een „Onze Vader!” en een: „Een-twee-drie, in Godsnaam!” overboord in de diepte van het Kanaal neergelaten.Wel te rusten, mannen! Al worden uwe namen ook nimmer bekend, uwe daden spreken voor u!En daar tusschendeks liggen, bijna zonder eenige heelkundige hulp, meer dan dertig gekwetsten.Hoe zal dat wat worden, als morgen de vijand opnieuw en met versterking verschijnt?Daar wordt De Ruyter aanboord van Tromp geseind.„Hier ben ik, Bestevaêr!” zegt De Ruyter, zoodra hij Tromp ziet.„Dat zie ik, De Ruyter,” antwoordde deze. „Dat zie ik, en de Hemel gave, dat ik iedereen als u de heldenhand mochte drukken. Er zijn weer vele bloôhartigen geweest, goede vriend, en gij en uw schip, hebt wonderen van dapperheid verricht. Wees zoo goed uw volk uit mijnen naam te danken. Morgen ochtend verwacht ik u bij mij met uw schip. Het is een post van eere waaraan groot gevaar verbonden is.”„Ik zal komen, Admiraal!” is De Ruyters antwoord en den volgenden morgen is de held waar hij zijn moet.„Daar komen die Roôrokken waarlijk alweer op ons „Lam” aan,” zeide de Kapitein van De Ruyters schip, dat nu dicht bij dat van Tromp lag.„Ze mogen komen! Het Lam zal ons maantje achter wolken van kruit verbergen,” antwoordde De Ruyter.1En bij zeggen bleef het niet; De Ruyter deed het ook. Doch op het midden van den dag was hij zoo reddeloos geschoten, dat hij, als een vat zonder stuur, op de baren dobberde.Reeds begon het volk den moed te verliezen toen De Ruyter uitriep: „Sa, mannen, brandt nog maar dapper er op los, daar komt Bestevaêr Tromp ons helpen!”De Ruyter had gelukkig niet mis gezien. Tromp kwam en gelastte eenen Kapitein Duims het schip van De Ruyter op sleeptouw te nemen.En zoo bleef men vechten tot den avond. Zes malenhadden de Engelschen beproefd Tromps slagorde te verbreken, zesmaal waren ze teruggeslagen, doch, niet overwonnen en niet ontmoedigd. Den volgenden dag zou de aanval vernieuwd worden.De onzen wachtten dien aanval niet af, maar waren zelven de aanvallers.Dood en vernieling zonden we onder de Engelsche vloot, doch ook deze gaf, aangevoerd door eenen zeeheld als Blake, den strijd zoo gauw niet op.Het begon er duister voor de onzen uit te zien, want aanboord van Tromp kwam van den eenen Kapitein na den anderen de klacht: „Als het nog langer moet duren dan hebben wij geen kruit en lood meer!”Van het weinige dat enkele schepen nog in voorraad hadden liet de Admiraal nu uitdeelen.Er zal volgehouden worden, als het kan, tot de avond aan den slag een einde maakt, maar hoewel de zon reeds het grootste deel van hare dagreize volbracht heeft, zal het toch nog twee uren aanloopen eer ze in het westen ondergaat.Een treurig vooruitzicht voor de onzen en Blake, een Admiraal, wiens naam naast de namen van Tromp en De Ruyter mag genoemd worden, schijnt te bespeuren waaraan het bij zijnen vijand begint te haperen. Hij weet den moed der zijnen, die bijna geheel verflauwd is, weer op te wekken, daar hij nu hoop heeft den beslissenden slag te slaan.„Valt aan! Valt aan!” klinkt het van boord tot boord der Engelsche schepen, en, het gebeurt.Maar de onzen staan pal. Geen schot wordt op goed geluk gelost. Bijna elke kogel bereikt zijn doel.„Gered!” klinkt het plotseling van de Nederlandsche schepen; want de vijand trekt af.Maar de eerlijkheid gebiedt het te zeggen: de onzen zijn, strijdende, steeds achteruit gegaan. Onze schepen haddenminder diepgang dan de Engelsche, en om nu zoowel het slagveld te behouden, als de koopvaardijschepen, wist Tromp het zóó aan te leggen, dat hij zonder de vlag gestreken en zich overwonnen verklaard te hebben, de Vlaamsche banken bereikte. Dit gelukte hem en Blake wachtte zich wel om hier den strijd te vervolgen, want het zou zijn ondergang geweest zijn. Hij trok dus niet af, omdat hij door den moed der onzen of de Nederlandsche kogels daartoe genoodzaakt was, maar omdat hij zich in vaarwater bevond, dat hem, zónder Nederlandschen moed en zónder Nederlandsche kogels ten verderve kon voeren. Door dit te vermelden doen we den roem van Tromp niet te kort, integendeel, hieruit blijkt, dat hij nog wat anders was dan een zeeheld, dat hij was een man, die de zee kende en van haar gebruik wist te maken. Bovendien had hij de nederlaag nu niet geleden en de koopvaardij-vloot met al hare schatten in behouden haven gebracht.„Gered!” klinkt het ook aanboord van dien scheepsromp, die daar, zonder éénen mast, op sleeptouw voortdrijft; want de stompjes hout, die nog een enkel lapje zeil dragen, verdienen den naam van masten niet.Het is „Het Lam” van Michiel Adriaensz. De Ruyter, die zóó ontredderd thuiskomende, daardoor aan iedereen vertelt wat man hij is. Het is vergeefsch, dat zijne nederigheid de kloeke daden verzwijgen wil. Zijn scheepsvolk zal het uitroepen, en, als hun mond zwijgt, dan verkondigen die doornagelde scheepsromp, die roerlooze schuit, dat mastelooze wrak op luiden toon den lande: „Hoezee! Hoezee! Voor Vlissinger Michiel! Hoezee voor den held, die Neêrlands roem en hope zal worden! Hoezee!”Maar wat baatten helden als Tromp, De With, De Ruyter, Florisz. en zoovele anderen, waar de Regeering zoo weinig deed om onze vloot meer in overeenstemming te brengen met die des vijands? Sprekend kwam die weinige zorg opnieuw uit in den zeeslag bij Nieuwpoort, den twaalfdenen dertienden Juni daaraanvolgende, weer geleverd met eene vloot, die maar zoo wat „opgelapt” was en voor de zooveelste maal gebrek aan kruit en lood had. Men moest zich verbazen over de mogelijkheid, dat ze zee dorst houden tegenover eene uitmuntend uitgeruste Engelsche vloot, die wel honderd schepen telde, en aangevoerd werd door helden als Generaal Monk, Admiraal Deane, Blake, William Penn en John Lawson, die in geen enkel opzicht voor Tromp en zijnen heldenstoet onderdeden.Het gevolg daarvan was dan ook dat de driftige De With de Regeering toesnauwde: „Wat baat het, dat ik zwijg? Ik ben hier voor mijne Opperheeren; ik mag en moet het zeggen: de Engelschen zijn meester van ons en diensvolgens van de zee!”En De Ruyter, die allerminst uit geldelijk voordeel in dienst van den lande getreden was, daar hij eerst na den driedaagschen zeestrijd de toezegging kreeg, dat de Staten van Zeeland hem eene bezoldiging van tweehonderd gulden in de maand zouden geven, wat deed De Ruyter? Bleef hij, de nederige man, als ondergeschikte, zwijgen?Neen, zóó ver ging zijne nederigheid niet! Hij begreep dat hij door zwijgen zijn Vaderland minder dienst zou doen dan door spreken, en daarom zeide hij open en rond: „Ik zal niet meer in zee gaan voor en aleer de vloot versterkt wordt en betere schepen heeft.”Zóó spraken De With en De Ruyter; op deze manier liet Tromp zich telkens uit, en in denzelfden geest dachten, handelden en spraken allen, van den hoogstgeplaatste tot den nederigsten dienaar op ’s Lands vloot. Men behoefde geen geleerde te zijn om te zien hoeveel beter Engeland ten oorlog toegerust was en hoe men daar geene schatten ontzag om den oorlog goed te voeren.Maar er kwam uitkomst in den persoon van een zevenentwintigjarig man, die, als Raadpensionaris van de Staten van Holland, door zijn ambt niets anders dan hun dienaar,maar door zijne groote kennis, zijnen helderen blik en onverzettelijken wil hun aller meester werd.Deze man was Johan De Witt.Door hem kwam er verandering. Hij begreep dat de klachten der Vlootvoogden en van alle minderen niet overdreven waren, en door zijnen invloed en zijne ongekende werkzaamheid kwam het, dat binnen betrekkelijk korten tijd, de Nederlandsche vloot in veel beter staat gebracht werd. Maar—Het is op den tienden Augustus des jaren 1653.Hoor, wat dreunt daar als een verwijderd onweder op zee?Het zijn kanonschoten.In het gezicht der Hollandsche kust, bij het dorpje Ter Heide, wordt Tromps laatste zeegevecht geleverd. Zijn laatste, ja! Niet omdat hij andermaal den slag verliezen zou en dan door onkundige, doch waanwijze kooplieden van lafhartigheid en onkunde beschuldigd, andermaal ontslagen zou worden. Neen, de hooge betrekking van Luitenant-Admiraal zou hij thans houden tot zijn laatste levensoogenblik, tot zijnen laatsten ademtocht zou hij thans het Vaderland dienen, maar hij is gevallen de edele held, de koene zeeman, de warme vaderlander, en reeds heeft Michiel Adriaensz. De Ruyter bij zijn lijk uitgeroepen: „Ware ik voor hem gestorven!” Nog meer is er gebeurd. Met zijn masteloos en tot wrak geschoten schip „Het Lam” is De Ruyter reeds naar de Maas gesleept. Reeds heeft Witte Cornelisz. De With zichzelven al uit de Texelsche zeegaten geloodst en zich aan het hoofd der vloot gesteld om den dood van den grooten Tromp te wreken. Reeds hebben de Hollanders Banckert en Sangher en de Engelschen Cocx en Taylor zoolang met elkander gestreden, dat ze alle vier zonken. Reeds zijn er al weer lafaards op de vlucht gegaan en tal van helden gesneuveld, maar noch Hollander, noch Engelschman geeft krimp, men wil niet wijken. De Nederlandsche vloot is reddeloos geschoten en de Engelsche bijna nietinstaat zee te houden. Ieder wil zich de eer der overwinning toeschrijven, waar door niemand de overwinning behaald is, maar waar men als helden gekampt heeft tot de duisternis van middernacht en de ondiepten der kust, als het ware, samenspanden om te beletten, dat twee vloten elkander tot het laatste schip vernietigden.De zeeslag bij Ter Heide was de laatste, die in den eersten Engelschen oorlog geleverd werd, en zij was ook de vernielendste. Nòch Engeland, nòch de Vereenigde Nederlanden waren bij machte, den oorlog voort te zetten, en—de vrede werd het volgende jaar gesloten op voorwaarden, die voor ons Gemeenebest niet voordeelig mochten genoemd worden.Inplaats van Marten Harpertsz. Tromp had men tot Luitenant-Admiraal der Nederlandsche vloot benoemd den Kolonel der ruiterij, Jacob, Grave van Wassenaar, Heer van Obdam, een buitengewoon dapper en ervaren krijgsman te velde, doch een zeer ongeschikt zeeman, die later evenwel toonde, dat hij niet onder wilde doen voor den Engelschen Admiraal Monk, die, even als hij, van het leger te velde geroepen was, om zijn Vaderland ter zee te dienen. Maar eer ook nog de vrede gesloten werd, had men onzen dapperen Zeeuw, den ervaren Vlootvoogd De Ruyter, aangesteld tot Vice-Admiraal bij de Admiraliteit van Amsterdam, en hoewel de held eerst voor die eer bedankt had, liet hij zich eindelijk door de welbespraakte tong van den Raadpensionaris Johan De Witt overhalen de benoeming aan te nemen. Hij nam derhalve zijn ontslag bij de Admiraliteit van Zeeland, en vestigde zich metterwoon te Amsterdam, van welke stad men hem in het volgende jaar het Groot-Burgerschap vereerde, een titel, die hem het recht gaf naar alle stedelijke betrekkingen te kunnen mededingen.In zijne betrekking van Vice-Admiraal maakte hij van 1654 tot 1656 verscheidene tochten naar de Middellandsche zee om de Algerijnsche zeeroovers te tuchtigen, en dat hijzich van dien last goed kweet, kan van eenen man, als hij getoond had te zijn, verwacht worden.Ons verhaal zou veel te groot worden zoo we hem op al die tochten wilden vergezellen en daarom willen wij hem liever ook eens in heel andere deelen van de wereld bezig zien om zijne groote gaven en zijnen ongeëvenaarden heldenmoed het Vaderland te wijden.1Met dit zeggen zinspeelde De Ruyter op de slagorde onzer vloot, die eene halve maan vormde, en de koopvaarders binnen de hoornen of den halven kring sloot.↑
VIERDE HOOFDSTUK.De Vice-Admiraal.Hoewel De Ruyter aanvankelijk weer besloten had, den dienst vaarwel te zeggen, bleef hij toch bij de vloot en toen Admiraal Tromp den eersten December van 1652 uitliep om meer dan vierhonderd koopvaarders naar zee te brengen, en hij zijne vloot, die uit negentig oorlogsschepen bestond, in vier eskaders verdeelde, kreeg De Ruyter inplaats van Witte Cornelisz. De With, die ziek geworden was, als Kommandeur het bevel over het tweede eskader. Zijne vlag woei van het schip: „Het Lam.”Tien dagen later viel er tusschen deze vloot en deEngelschen onder den beroemden Blake een zeegevecht bij de Cingels voor. De onzen hadden alles in het nadeel, de Engelschen in het voordeel en toch noodzaakte Tromp den vijand den Theems op te loopen. Had hij op dat oogenblik goede loodsen aanboord gehad, dan zou een tocht naar Chattam eenige jaren vroeger hebben plaats gehad.De Engelschen noemden sedert dien tijd onzen Admiraal „den grooten Tromp.”Bijna drie maanden later bevond onze vloot zich andermaal in het Kanaal om de uitgaande koopvaardij-schepen te beschermen. Tromp bracht ze tot het eiland Ré en vond daar eene koopvaardij-vloot van honderd vijftig schepen, die door hem weer naar het Vaderland moesten gebracht worden. Dit zou evenwel niet gebeuren zonder met de vijanden slaags te geraken. Dit gevecht had den achtentwintigsten Februari 1653 plaats.De Ruyter voerde bij dit gevecht de achterhoede der vloot aan en was de eerste, die aan den slag was, en wel met een groot Engelsch schip „The Prosperity.” Nadat hij veel van het geschut van den vijand geleden had, besloot hij het schip te enteren. Zijn onverschrokken volk voldeed aan dat bevel en kwam weldra aanboord van den Engelschman, die hen evenwel weer verdreef.„Dat gaat niet, kinderen! Eens er in, altijd er in! Sa, lustig nog eens gedaan!” zeide De Ruyter en andermaal werd zijn bevel gehoorzaamd en met dat gevolg, dat het vijandelijk schip veroverd werd.Nauwelijks hadden de Engelschen evenwel gezien, wat er gebeurd was, of wel twintig van hunne schepen vielen De Ruyter aan. Deze stelde zich, geholpen door den dapperen Jan Evertsen, ook een Vlissinger, duchtig te weer, doch toen het gevecht op het hevigst was, gingen weer eenige lafhartige Kapiteins op de vlucht.„Daar gaan de schelmen, Michiel!” schreeuwde Jan Evertsen door den scheepsroeper De Ruyter tegen.„Ze gaan niet, goêmaat, ze vliegen,” antwoordde De Ruyter. „Maar er door heen moeten we, halen waar halen!”En Michiel ging er doorheen, hoewel nog tijdig geholpen door zijnen vriend Kapitein Aert van Nes en den Kommandeur Balk.„Ha, jongens, dat is er door!” zeide hij toen hij het gevaar te boven was, en hij wischte zich het zweet van het voorhoofd af. „Dat heeft er gespannen zou ik zoo meenen.”„Ja,” zeide de Kapitein, „maar zie eens hoe ons „Lam” er uit ziet! We zullen ons uit het gevecht moeten verwijderen! We zijn reddeloos geschoten!”De Ruyters oogen flikkerden.„Vooruit! Vooruit! Voor de vrijheid ter zee en de eere van het lieve Vaderland!” riep Michiel in antwoord op de aanmerking des Kapiteins, en zoo goed en zoo kwaad dat kon, snelde hij in het heetst van het gevecht, brandde los, viel aan, trok even terug, viel opnieuw aan, brandde weer los, sloeg dwars door zeven vijandelijke schepen heen, noodzaakte den Engelschen Vice-Admiraal, Willem Penn, te vluchten, en vond zich aan den avond van dien dag als overwinnaar, van den vijand verlaten.Maar hoe zag zijn schip er uit!De masten gesplinterd en gekraakt, de zeilen aan flarden met honderden kogelgaten, zijne voorsteng afgeschoten, alles op het dek vernield, bijna niet instaat eenig zeil te voeren!Dertig dooden, mannen, gevallen te midden van het gevecht, worden met een „Onze Vader!” en een: „Een-twee-drie, in Godsnaam!” overboord in de diepte van het Kanaal neergelaten.Wel te rusten, mannen! Al worden uwe namen ook nimmer bekend, uwe daden spreken voor u!En daar tusschendeks liggen, bijna zonder eenige heelkundige hulp, meer dan dertig gekwetsten.Hoe zal dat wat worden, als morgen de vijand opnieuw en met versterking verschijnt?Daar wordt De Ruyter aanboord van Tromp geseind.„Hier ben ik, Bestevaêr!” zegt De Ruyter, zoodra hij Tromp ziet.„Dat zie ik, De Ruyter,” antwoordde deze. „Dat zie ik, en de Hemel gave, dat ik iedereen als u de heldenhand mochte drukken. Er zijn weer vele bloôhartigen geweest, goede vriend, en gij en uw schip, hebt wonderen van dapperheid verricht. Wees zoo goed uw volk uit mijnen naam te danken. Morgen ochtend verwacht ik u bij mij met uw schip. Het is een post van eere waaraan groot gevaar verbonden is.”„Ik zal komen, Admiraal!” is De Ruyters antwoord en den volgenden morgen is de held waar hij zijn moet.„Daar komen die Roôrokken waarlijk alweer op ons „Lam” aan,” zeide de Kapitein van De Ruyters schip, dat nu dicht bij dat van Tromp lag.„Ze mogen komen! Het Lam zal ons maantje achter wolken van kruit verbergen,” antwoordde De Ruyter.1En bij zeggen bleef het niet; De Ruyter deed het ook. Doch op het midden van den dag was hij zoo reddeloos geschoten, dat hij, als een vat zonder stuur, op de baren dobberde.Reeds begon het volk den moed te verliezen toen De Ruyter uitriep: „Sa, mannen, brandt nog maar dapper er op los, daar komt Bestevaêr Tromp ons helpen!”De Ruyter had gelukkig niet mis gezien. Tromp kwam en gelastte eenen Kapitein Duims het schip van De Ruyter op sleeptouw te nemen.En zoo bleef men vechten tot den avond. Zes malenhadden de Engelschen beproefd Tromps slagorde te verbreken, zesmaal waren ze teruggeslagen, doch, niet overwonnen en niet ontmoedigd. Den volgenden dag zou de aanval vernieuwd worden.De onzen wachtten dien aanval niet af, maar waren zelven de aanvallers.Dood en vernieling zonden we onder de Engelsche vloot, doch ook deze gaf, aangevoerd door eenen zeeheld als Blake, den strijd zoo gauw niet op.Het begon er duister voor de onzen uit te zien, want aanboord van Tromp kwam van den eenen Kapitein na den anderen de klacht: „Als het nog langer moet duren dan hebben wij geen kruit en lood meer!”Van het weinige dat enkele schepen nog in voorraad hadden liet de Admiraal nu uitdeelen.Er zal volgehouden worden, als het kan, tot de avond aan den slag een einde maakt, maar hoewel de zon reeds het grootste deel van hare dagreize volbracht heeft, zal het toch nog twee uren aanloopen eer ze in het westen ondergaat.Een treurig vooruitzicht voor de onzen en Blake, een Admiraal, wiens naam naast de namen van Tromp en De Ruyter mag genoemd worden, schijnt te bespeuren waaraan het bij zijnen vijand begint te haperen. Hij weet den moed der zijnen, die bijna geheel verflauwd is, weer op te wekken, daar hij nu hoop heeft den beslissenden slag te slaan.„Valt aan! Valt aan!” klinkt het van boord tot boord der Engelsche schepen, en, het gebeurt.Maar de onzen staan pal. Geen schot wordt op goed geluk gelost. Bijna elke kogel bereikt zijn doel.„Gered!” klinkt het plotseling van de Nederlandsche schepen; want de vijand trekt af.Maar de eerlijkheid gebiedt het te zeggen: de onzen zijn, strijdende, steeds achteruit gegaan. Onze schepen haddenminder diepgang dan de Engelsche, en om nu zoowel het slagveld te behouden, als de koopvaardijschepen, wist Tromp het zóó aan te leggen, dat hij zonder de vlag gestreken en zich overwonnen verklaard te hebben, de Vlaamsche banken bereikte. Dit gelukte hem en Blake wachtte zich wel om hier den strijd te vervolgen, want het zou zijn ondergang geweest zijn. Hij trok dus niet af, omdat hij door den moed der onzen of de Nederlandsche kogels daartoe genoodzaakt was, maar omdat hij zich in vaarwater bevond, dat hem, zónder Nederlandschen moed en zónder Nederlandsche kogels ten verderve kon voeren. Door dit te vermelden doen we den roem van Tromp niet te kort, integendeel, hieruit blijkt, dat hij nog wat anders was dan een zeeheld, dat hij was een man, die de zee kende en van haar gebruik wist te maken. Bovendien had hij de nederlaag nu niet geleden en de koopvaardij-vloot met al hare schatten in behouden haven gebracht.„Gered!” klinkt het ook aanboord van dien scheepsromp, die daar, zonder éénen mast, op sleeptouw voortdrijft; want de stompjes hout, die nog een enkel lapje zeil dragen, verdienen den naam van masten niet.Het is „Het Lam” van Michiel Adriaensz. De Ruyter, die zóó ontredderd thuiskomende, daardoor aan iedereen vertelt wat man hij is. Het is vergeefsch, dat zijne nederigheid de kloeke daden verzwijgen wil. Zijn scheepsvolk zal het uitroepen, en, als hun mond zwijgt, dan verkondigen die doornagelde scheepsromp, die roerlooze schuit, dat mastelooze wrak op luiden toon den lande: „Hoezee! Hoezee! Voor Vlissinger Michiel! Hoezee voor den held, die Neêrlands roem en hope zal worden! Hoezee!”Maar wat baatten helden als Tromp, De With, De Ruyter, Florisz. en zoovele anderen, waar de Regeering zoo weinig deed om onze vloot meer in overeenstemming te brengen met die des vijands? Sprekend kwam die weinige zorg opnieuw uit in den zeeslag bij Nieuwpoort, den twaalfdenen dertienden Juni daaraanvolgende, weer geleverd met eene vloot, die maar zoo wat „opgelapt” was en voor de zooveelste maal gebrek aan kruit en lood had. Men moest zich verbazen over de mogelijkheid, dat ze zee dorst houden tegenover eene uitmuntend uitgeruste Engelsche vloot, die wel honderd schepen telde, en aangevoerd werd door helden als Generaal Monk, Admiraal Deane, Blake, William Penn en John Lawson, die in geen enkel opzicht voor Tromp en zijnen heldenstoet onderdeden.Het gevolg daarvan was dan ook dat de driftige De With de Regeering toesnauwde: „Wat baat het, dat ik zwijg? Ik ben hier voor mijne Opperheeren; ik mag en moet het zeggen: de Engelschen zijn meester van ons en diensvolgens van de zee!”En De Ruyter, die allerminst uit geldelijk voordeel in dienst van den lande getreden was, daar hij eerst na den driedaagschen zeestrijd de toezegging kreeg, dat de Staten van Zeeland hem eene bezoldiging van tweehonderd gulden in de maand zouden geven, wat deed De Ruyter? Bleef hij, de nederige man, als ondergeschikte, zwijgen?Neen, zóó ver ging zijne nederigheid niet! Hij begreep dat hij door zwijgen zijn Vaderland minder dienst zou doen dan door spreken, en daarom zeide hij open en rond: „Ik zal niet meer in zee gaan voor en aleer de vloot versterkt wordt en betere schepen heeft.”Zóó spraken De With en De Ruyter; op deze manier liet Tromp zich telkens uit, en in denzelfden geest dachten, handelden en spraken allen, van den hoogstgeplaatste tot den nederigsten dienaar op ’s Lands vloot. Men behoefde geen geleerde te zijn om te zien hoeveel beter Engeland ten oorlog toegerust was en hoe men daar geene schatten ontzag om den oorlog goed te voeren.Maar er kwam uitkomst in den persoon van een zevenentwintigjarig man, die, als Raadpensionaris van de Staten van Holland, door zijn ambt niets anders dan hun dienaar,maar door zijne groote kennis, zijnen helderen blik en onverzettelijken wil hun aller meester werd.Deze man was Johan De Witt.Door hem kwam er verandering. Hij begreep dat de klachten der Vlootvoogden en van alle minderen niet overdreven waren, en door zijnen invloed en zijne ongekende werkzaamheid kwam het, dat binnen betrekkelijk korten tijd, de Nederlandsche vloot in veel beter staat gebracht werd. Maar—Het is op den tienden Augustus des jaren 1653.Hoor, wat dreunt daar als een verwijderd onweder op zee?Het zijn kanonschoten.In het gezicht der Hollandsche kust, bij het dorpje Ter Heide, wordt Tromps laatste zeegevecht geleverd. Zijn laatste, ja! Niet omdat hij andermaal den slag verliezen zou en dan door onkundige, doch waanwijze kooplieden van lafhartigheid en onkunde beschuldigd, andermaal ontslagen zou worden. Neen, de hooge betrekking van Luitenant-Admiraal zou hij thans houden tot zijn laatste levensoogenblik, tot zijnen laatsten ademtocht zou hij thans het Vaderland dienen, maar hij is gevallen de edele held, de koene zeeman, de warme vaderlander, en reeds heeft Michiel Adriaensz. De Ruyter bij zijn lijk uitgeroepen: „Ware ik voor hem gestorven!” Nog meer is er gebeurd. Met zijn masteloos en tot wrak geschoten schip „Het Lam” is De Ruyter reeds naar de Maas gesleept. Reeds heeft Witte Cornelisz. De With zichzelven al uit de Texelsche zeegaten geloodst en zich aan het hoofd der vloot gesteld om den dood van den grooten Tromp te wreken. Reeds hebben de Hollanders Banckert en Sangher en de Engelschen Cocx en Taylor zoolang met elkander gestreden, dat ze alle vier zonken. Reeds zijn er al weer lafaards op de vlucht gegaan en tal van helden gesneuveld, maar noch Hollander, noch Engelschman geeft krimp, men wil niet wijken. De Nederlandsche vloot is reddeloos geschoten en de Engelsche bijna nietinstaat zee te houden. Ieder wil zich de eer der overwinning toeschrijven, waar door niemand de overwinning behaald is, maar waar men als helden gekampt heeft tot de duisternis van middernacht en de ondiepten der kust, als het ware, samenspanden om te beletten, dat twee vloten elkander tot het laatste schip vernietigden.De zeeslag bij Ter Heide was de laatste, die in den eersten Engelschen oorlog geleverd werd, en zij was ook de vernielendste. Nòch Engeland, nòch de Vereenigde Nederlanden waren bij machte, den oorlog voort te zetten, en—de vrede werd het volgende jaar gesloten op voorwaarden, die voor ons Gemeenebest niet voordeelig mochten genoemd worden.Inplaats van Marten Harpertsz. Tromp had men tot Luitenant-Admiraal der Nederlandsche vloot benoemd den Kolonel der ruiterij, Jacob, Grave van Wassenaar, Heer van Obdam, een buitengewoon dapper en ervaren krijgsman te velde, doch een zeer ongeschikt zeeman, die later evenwel toonde, dat hij niet onder wilde doen voor den Engelschen Admiraal Monk, die, even als hij, van het leger te velde geroepen was, om zijn Vaderland ter zee te dienen. Maar eer ook nog de vrede gesloten werd, had men onzen dapperen Zeeuw, den ervaren Vlootvoogd De Ruyter, aangesteld tot Vice-Admiraal bij de Admiraliteit van Amsterdam, en hoewel de held eerst voor die eer bedankt had, liet hij zich eindelijk door de welbespraakte tong van den Raadpensionaris Johan De Witt overhalen de benoeming aan te nemen. Hij nam derhalve zijn ontslag bij de Admiraliteit van Zeeland, en vestigde zich metterwoon te Amsterdam, van welke stad men hem in het volgende jaar het Groot-Burgerschap vereerde, een titel, die hem het recht gaf naar alle stedelijke betrekkingen te kunnen mededingen.In zijne betrekking van Vice-Admiraal maakte hij van 1654 tot 1656 verscheidene tochten naar de Middellandsche zee om de Algerijnsche zeeroovers te tuchtigen, en dat hijzich van dien last goed kweet, kan van eenen man, als hij getoond had te zijn, verwacht worden.Ons verhaal zou veel te groot worden zoo we hem op al die tochten wilden vergezellen en daarom willen wij hem liever ook eens in heel andere deelen van de wereld bezig zien om zijne groote gaven en zijnen ongeëvenaarden heldenmoed het Vaderland te wijden.1Met dit zeggen zinspeelde De Ruyter op de slagorde onzer vloot, die eene halve maan vormde, en de koopvaarders binnen de hoornen of den halven kring sloot.↑
VIERDE HOOFDSTUK.De Vice-Admiraal.Hoewel De Ruyter aanvankelijk weer besloten had, den dienst vaarwel te zeggen, bleef hij toch bij de vloot en toen Admiraal Tromp den eersten December van 1652 uitliep om meer dan vierhonderd koopvaarders naar zee te brengen, en hij zijne vloot, die uit negentig oorlogsschepen bestond, in vier eskaders verdeelde, kreeg De Ruyter inplaats van Witte Cornelisz. De With, die ziek geworden was, als Kommandeur het bevel over het tweede eskader. Zijne vlag woei van het schip: „Het Lam.”Tien dagen later viel er tusschen deze vloot en deEngelschen onder den beroemden Blake een zeegevecht bij de Cingels voor. De onzen hadden alles in het nadeel, de Engelschen in het voordeel en toch noodzaakte Tromp den vijand den Theems op te loopen. Had hij op dat oogenblik goede loodsen aanboord gehad, dan zou een tocht naar Chattam eenige jaren vroeger hebben plaats gehad.De Engelschen noemden sedert dien tijd onzen Admiraal „den grooten Tromp.”Bijna drie maanden later bevond onze vloot zich andermaal in het Kanaal om de uitgaande koopvaardij-schepen te beschermen. Tromp bracht ze tot het eiland Ré en vond daar eene koopvaardij-vloot van honderd vijftig schepen, die door hem weer naar het Vaderland moesten gebracht worden. Dit zou evenwel niet gebeuren zonder met de vijanden slaags te geraken. Dit gevecht had den achtentwintigsten Februari 1653 plaats.De Ruyter voerde bij dit gevecht de achterhoede der vloot aan en was de eerste, die aan den slag was, en wel met een groot Engelsch schip „The Prosperity.” Nadat hij veel van het geschut van den vijand geleden had, besloot hij het schip te enteren. Zijn onverschrokken volk voldeed aan dat bevel en kwam weldra aanboord van den Engelschman, die hen evenwel weer verdreef.„Dat gaat niet, kinderen! Eens er in, altijd er in! Sa, lustig nog eens gedaan!” zeide De Ruyter en andermaal werd zijn bevel gehoorzaamd en met dat gevolg, dat het vijandelijk schip veroverd werd.Nauwelijks hadden de Engelschen evenwel gezien, wat er gebeurd was, of wel twintig van hunne schepen vielen De Ruyter aan. Deze stelde zich, geholpen door den dapperen Jan Evertsen, ook een Vlissinger, duchtig te weer, doch toen het gevecht op het hevigst was, gingen weer eenige lafhartige Kapiteins op de vlucht.„Daar gaan de schelmen, Michiel!” schreeuwde Jan Evertsen door den scheepsroeper De Ruyter tegen.„Ze gaan niet, goêmaat, ze vliegen,” antwoordde De Ruyter. „Maar er door heen moeten we, halen waar halen!”En Michiel ging er doorheen, hoewel nog tijdig geholpen door zijnen vriend Kapitein Aert van Nes en den Kommandeur Balk.„Ha, jongens, dat is er door!” zeide hij toen hij het gevaar te boven was, en hij wischte zich het zweet van het voorhoofd af. „Dat heeft er gespannen zou ik zoo meenen.”„Ja,” zeide de Kapitein, „maar zie eens hoe ons „Lam” er uit ziet! We zullen ons uit het gevecht moeten verwijderen! We zijn reddeloos geschoten!”De Ruyters oogen flikkerden.„Vooruit! Vooruit! Voor de vrijheid ter zee en de eere van het lieve Vaderland!” riep Michiel in antwoord op de aanmerking des Kapiteins, en zoo goed en zoo kwaad dat kon, snelde hij in het heetst van het gevecht, brandde los, viel aan, trok even terug, viel opnieuw aan, brandde weer los, sloeg dwars door zeven vijandelijke schepen heen, noodzaakte den Engelschen Vice-Admiraal, Willem Penn, te vluchten, en vond zich aan den avond van dien dag als overwinnaar, van den vijand verlaten.Maar hoe zag zijn schip er uit!De masten gesplinterd en gekraakt, de zeilen aan flarden met honderden kogelgaten, zijne voorsteng afgeschoten, alles op het dek vernield, bijna niet instaat eenig zeil te voeren!Dertig dooden, mannen, gevallen te midden van het gevecht, worden met een „Onze Vader!” en een: „Een-twee-drie, in Godsnaam!” overboord in de diepte van het Kanaal neergelaten.Wel te rusten, mannen! Al worden uwe namen ook nimmer bekend, uwe daden spreken voor u!En daar tusschendeks liggen, bijna zonder eenige heelkundige hulp, meer dan dertig gekwetsten.Hoe zal dat wat worden, als morgen de vijand opnieuw en met versterking verschijnt?Daar wordt De Ruyter aanboord van Tromp geseind.„Hier ben ik, Bestevaêr!” zegt De Ruyter, zoodra hij Tromp ziet.„Dat zie ik, De Ruyter,” antwoordde deze. „Dat zie ik, en de Hemel gave, dat ik iedereen als u de heldenhand mochte drukken. Er zijn weer vele bloôhartigen geweest, goede vriend, en gij en uw schip, hebt wonderen van dapperheid verricht. Wees zoo goed uw volk uit mijnen naam te danken. Morgen ochtend verwacht ik u bij mij met uw schip. Het is een post van eere waaraan groot gevaar verbonden is.”„Ik zal komen, Admiraal!” is De Ruyters antwoord en den volgenden morgen is de held waar hij zijn moet.„Daar komen die Roôrokken waarlijk alweer op ons „Lam” aan,” zeide de Kapitein van De Ruyters schip, dat nu dicht bij dat van Tromp lag.„Ze mogen komen! Het Lam zal ons maantje achter wolken van kruit verbergen,” antwoordde De Ruyter.1En bij zeggen bleef het niet; De Ruyter deed het ook. Doch op het midden van den dag was hij zoo reddeloos geschoten, dat hij, als een vat zonder stuur, op de baren dobberde.Reeds begon het volk den moed te verliezen toen De Ruyter uitriep: „Sa, mannen, brandt nog maar dapper er op los, daar komt Bestevaêr Tromp ons helpen!”De Ruyter had gelukkig niet mis gezien. Tromp kwam en gelastte eenen Kapitein Duims het schip van De Ruyter op sleeptouw te nemen.En zoo bleef men vechten tot den avond. Zes malenhadden de Engelschen beproefd Tromps slagorde te verbreken, zesmaal waren ze teruggeslagen, doch, niet overwonnen en niet ontmoedigd. Den volgenden dag zou de aanval vernieuwd worden.De onzen wachtten dien aanval niet af, maar waren zelven de aanvallers.Dood en vernieling zonden we onder de Engelsche vloot, doch ook deze gaf, aangevoerd door eenen zeeheld als Blake, den strijd zoo gauw niet op.Het begon er duister voor de onzen uit te zien, want aanboord van Tromp kwam van den eenen Kapitein na den anderen de klacht: „Als het nog langer moet duren dan hebben wij geen kruit en lood meer!”Van het weinige dat enkele schepen nog in voorraad hadden liet de Admiraal nu uitdeelen.Er zal volgehouden worden, als het kan, tot de avond aan den slag een einde maakt, maar hoewel de zon reeds het grootste deel van hare dagreize volbracht heeft, zal het toch nog twee uren aanloopen eer ze in het westen ondergaat.Een treurig vooruitzicht voor de onzen en Blake, een Admiraal, wiens naam naast de namen van Tromp en De Ruyter mag genoemd worden, schijnt te bespeuren waaraan het bij zijnen vijand begint te haperen. Hij weet den moed der zijnen, die bijna geheel verflauwd is, weer op te wekken, daar hij nu hoop heeft den beslissenden slag te slaan.„Valt aan! Valt aan!” klinkt het van boord tot boord der Engelsche schepen, en, het gebeurt.Maar de onzen staan pal. Geen schot wordt op goed geluk gelost. Bijna elke kogel bereikt zijn doel.„Gered!” klinkt het plotseling van de Nederlandsche schepen; want de vijand trekt af.Maar de eerlijkheid gebiedt het te zeggen: de onzen zijn, strijdende, steeds achteruit gegaan. Onze schepen haddenminder diepgang dan de Engelsche, en om nu zoowel het slagveld te behouden, als de koopvaardijschepen, wist Tromp het zóó aan te leggen, dat hij zonder de vlag gestreken en zich overwonnen verklaard te hebben, de Vlaamsche banken bereikte. Dit gelukte hem en Blake wachtte zich wel om hier den strijd te vervolgen, want het zou zijn ondergang geweest zijn. Hij trok dus niet af, omdat hij door den moed der onzen of de Nederlandsche kogels daartoe genoodzaakt was, maar omdat hij zich in vaarwater bevond, dat hem, zónder Nederlandschen moed en zónder Nederlandsche kogels ten verderve kon voeren. Door dit te vermelden doen we den roem van Tromp niet te kort, integendeel, hieruit blijkt, dat hij nog wat anders was dan een zeeheld, dat hij was een man, die de zee kende en van haar gebruik wist te maken. Bovendien had hij de nederlaag nu niet geleden en de koopvaardij-vloot met al hare schatten in behouden haven gebracht.„Gered!” klinkt het ook aanboord van dien scheepsromp, die daar, zonder éénen mast, op sleeptouw voortdrijft; want de stompjes hout, die nog een enkel lapje zeil dragen, verdienen den naam van masten niet.Het is „Het Lam” van Michiel Adriaensz. De Ruyter, die zóó ontredderd thuiskomende, daardoor aan iedereen vertelt wat man hij is. Het is vergeefsch, dat zijne nederigheid de kloeke daden verzwijgen wil. Zijn scheepsvolk zal het uitroepen, en, als hun mond zwijgt, dan verkondigen die doornagelde scheepsromp, die roerlooze schuit, dat mastelooze wrak op luiden toon den lande: „Hoezee! Hoezee! Voor Vlissinger Michiel! Hoezee voor den held, die Neêrlands roem en hope zal worden! Hoezee!”Maar wat baatten helden als Tromp, De With, De Ruyter, Florisz. en zoovele anderen, waar de Regeering zoo weinig deed om onze vloot meer in overeenstemming te brengen met die des vijands? Sprekend kwam die weinige zorg opnieuw uit in den zeeslag bij Nieuwpoort, den twaalfdenen dertienden Juni daaraanvolgende, weer geleverd met eene vloot, die maar zoo wat „opgelapt” was en voor de zooveelste maal gebrek aan kruit en lood had. Men moest zich verbazen over de mogelijkheid, dat ze zee dorst houden tegenover eene uitmuntend uitgeruste Engelsche vloot, die wel honderd schepen telde, en aangevoerd werd door helden als Generaal Monk, Admiraal Deane, Blake, William Penn en John Lawson, die in geen enkel opzicht voor Tromp en zijnen heldenstoet onderdeden.Het gevolg daarvan was dan ook dat de driftige De With de Regeering toesnauwde: „Wat baat het, dat ik zwijg? Ik ben hier voor mijne Opperheeren; ik mag en moet het zeggen: de Engelschen zijn meester van ons en diensvolgens van de zee!”En De Ruyter, die allerminst uit geldelijk voordeel in dienst van den lande getreden was, daar hij eerst na den driedaagschen zeestrijd de toezegging kreeg, dat de Staten van Zeeland hem eene bezoldiging van tweehonderd gulden in de maand zouden geven, wat deed De Ruyter? Bleef hij, de nederige man, als ondergeschikte, zwijgen?Neen, zóó ver ging zijne nederigheid niet! Hij begreep dat hij door zwijgen zijn Vaderland minder dienst zou doen dan door spreken, en daarom zeide hij open en rond: „Ik zal niet meer in zee gaan voor en aleer de vloot versterkt wordt en betere schepen heeft.”Zóó spraken De With en De Ruyter; op deze manier liet Tromp zich telkens uit, en in denzelfden geest dachten, handelden en spraken allen, van den hoogstgeplaatste tot den nederigsten dienaar op ’s Lands vloot. Men behoefde geen geleerde te zijn om te zien hoeveel beter Engeland ten oorlog toegerust was en hoe men daar geene schatten ontzag om den oorlog goed te voeren.Maar er kwam uitkomst in den persoon van een zevenentwintigjarig man, die, als Raadpensionaris van de Staten van Holland, door zijn ambt niets anders dan hun dienaar,maar door zijne groote kennis, zijnen helderen blik en onverzettelijken wil hun aller meester werd.Deze man was Johan De Witt.Door hem kwam er verandering. Hij begreep dat de klachten der Vlootvoogden en van alle minderen niet overdreven waren, en door zijnen invloed en zijne ongekende werkzaamheid kwam het, dat binnen betrekkelijk korten tijd, de Nederlandsche vloot in veel beter staat gebracht werd. Maar—Het is op den tienden Augustus des jaren 1653.Hoor, wat dreunt daar als een verwijderd onweder op zee?Het zijn kanonschoten.In het gezicht der Hollandsche kust, bij het dorpje Ter Heide, wordt Tromps laatste zeegevecht geleverd. Zijn laatste, ja! Niet omdat hij andermaal den slag verliezen zou en dan door onkundige, doch waanwijze kooplieden van lafhartigheid en onkunde beschuldigd, andermaal ontslagen zou worden. Neen, de hooge betrekking van Luitenant-Admiraal zou hij thans houden tot zijn laatste levensoogenblik, tot zijnen laatsten ademtocht zou hij thans het Vaderland dienen, maar hij is gevallen de edele held, de koene zeeman, de warme vaderlander, en reeds heeft Michiel Adriaensz. De Ruyter bij zijn lijk uitgeroepen: „Ware ik voor hem gestorven!” Nog meer is er gebeurd. Met zijn masteloos en tot wrak geschoten schip „Het Lam” is De Ruyter reeds naar de Maas gesleept. Reeds heeft Witte Cornelisz. De With zichzelven al uit de Texelsche zeegaten geloodst en zich aan het hoofd der vloot gesteld om den dood van den grooten Tromp te wreken. Reeds hebben de Hollanders Banckert en Sangher en de Engelschen Cocx en Taylor zoolang met elkander gestreden, dat ze alle vier zonken. Reeds zijn er al weer lafaards op de vlucht gegaan en tal van helden gesneuveld, maar noch Hollander, noch Engelschman geeft krimp, men wil niet wijken. De Nederlandsche vloot is reddeloos geschoten en de Engelsche bijna nietinstaat zee te houden. Ieder wil zich de eer der overwinning toeschrijven, waar door niemand de overwinning behaald is, maar waar men als helden gekampt heeft tot de duisternis van middernacht en de ondiepten der kust, als het ware, samenspanden om te beletten, dat twee vloten elkander tot het laatste schip vernietigden.De zeeslag bij Ter Heide was de laatste, die in den eersten Engelschen oorlog geleverd werd, en zij was ook de vernielendste. Nòch Engeland, nòch de Vereenigde Nederlanden waren bij machte, den oorlog voort te zetten, en—de vrede werd het volgende jaar gesloten op voorwaarden, die voor ons Gemeenebest niet voordeelig mochten genoemd worden.Inplaats van Marten Harpertsz. Tromp had men tot Luitenant-Admiraal der Nederlandsche vloot benoemd den Kolonel der ruiterij, Jacob, Grave van Wassenaar, Heer van Obdam, een buitengewoon dapper en ervaren krijgsman te velde, doch een zeer ongeschikt zeeman, die later evenwel toonde, dat hij niet onder wilde doen voor den Engelschen Admiraal Monk, die, even als hij, van het leger te velde geroepen was, om zijn Vaderland ter zee te dienen. Maar eer ook nog de vrede gesloten werd, had men onzen dapperen Zeeuw, den ervaren Vlootvoogd De Ruyter, aangesteld tot Vice-Admiraal bij de Admiraliteit van Amsterdam, en hoewel de held eerst voor die eer bedankt had, liet hij zich eindelijk door de welbespraakte tong van den Raadpensionaris Johan De Witt overhalen de benoeming aan te nemen. Hij nam derhalve zijn ontslag bij de Admiraliteit van Zeeland, en vestigde zich metterwoon te Amsterdam, van welke stad men hem in het volgende jaar het Groot-Burgerschap vereerde, een titel, die hem het recht gaf naar alle stedelijke betrekkingen te kunnen mededingen.In zijne betrekking van Vice-Admiraal maakte hij van 1654 tot 1656 verscheidene tochten naar de Middellandsche zee om de Algerijnsche zeeroovers te tuchtigen, en dat hijzich van dien last goed kweet, kan van eenen man, als hij getoond had te zijn, verwacht worden.Ons verhaal zou veel te groot worden zoo we hem op al die tochten wilden vergezellen en daarom willen wij hem liever ook eens in heel andere deelen van de wereld bezig zien om zijne groote gaven en zijnen ongeëvenaarden heldenmoed het Vaderland te wijden.1Met dit zeggen zinspeelde De Ruyter op de slagorde onzer vloot, die eene halve maan vormde, en de koopvaarders binnen de hoornen of den halven kring sloot.↑
VIERDE HOOFDSTUK.De Vice-Admiraal.
Hoewel De Ruyter aanvankelijk weer besloten had, den dienst vaarwel te zeggen, bleef hij toch bij de vloot en toen Admiraal Tromp den eersten December van 1652 uitliep om meer dan vierhonderd koopvaarders naar zee te brengen, en hij zijne vloot, die uit negentig oorlogsschepen bestond, in vier eskaders verdeelde, kreeg De Ruyter inplaats van Witte Cornelisz. De With, die ziek geworden was, als Kommandeur het bevel over het tweede eskader. Zijne vlag woei van het schip: „Het Lam.”Tien dagen later viel er tusschen deze vloot en deEngelschen onder den beroemden Blake een zeegevecht bij de Cingels voor. De onzen hadden alles in het nadeel, de Engelschen in het voordeel en toch noodzaakte Tromp den vijand den Theems op te loopen. Had hij op dat oogenblik goede loodsen aanboord gehad, dan zou een tocht naar Chattam eenige jaren vroeger hebben plaats gehad.De Engelschen noemden sedert dien tijd onzen Admiraal „den grooten Tromp.”Bijna drie maanden later bevond onze vloot zich andermaal in het Kanaal om de uitgaande koopvaardij-schepen te beschermen. Tromp bracht ze tot het eiland Ré en vond daar eene koopvaardij-vloot van honderd vijftig schepen, die door hem weer naar het Vaderland moesten gebracht worden. Dit zou evenwel niet gebeuren zonder met de vijanden slaags te geraken. Dit gevecht had den achtentwintigsten Februari 1653 plaats.De Ruyter voerde bij dit gevecht de achterhoede der vloot aan en was de eerste, die aan den slag was, en wel met een groot Engelsch schip „The Prosperity.” Nadat hij veel van het geschut van den vijand geleden had, besloot hij het schip te enteren. Zijn onverschrokken volk voldeed aan dat bevel en kwam weldra aanboord van den Engelschman, die hen evenwel weer verdreef.„Dat gaat niet, kinderen! Eens er in, altijd er in! Sa, lustig nog eens gedaan!” zeide De Ruyter en andermaal werd zijn bevel gehoorzaamd en met dat gevolg, dat het vijandelijk schip veroverd werd.Nauwelijks hadden de Engelschen evenwel gezien, wat er gebeurd was, of wel twintig van hunne schepen vielen De Ruyter aan. Deze stelde zich, geholpen door den dapperen Jan Evertsen, ook een Vlissinger, duchtig te weer, doch toen het gevecht op het hevigst was, gingen weer eenige lafhartige Kapiteins op de vlucht.„Daar gaan de schelmen, Michiel!” schreeuwde Jan Evertsen door den scheepsroeper De Ruyter tegen.„Ze gaan niet, goêmaat, ze vliegen,” antwoordde De Ruyter. „Maar er door heen moeten we, halen waar halen!”En Michiel ging er doorheen, hoewel nog tijdig geholpen door zijnen vriend Kapitein Aert van Nes en den Kommandeur Balk.„Ha, jongens, dat is er door!” zeide hij toen hij het gevaar te boven was, en hij wischte zich het zweet van het voorhoofd af. „Dat heeft er gespannen zou ik zoo meenen.”„Ja,” zeide de Kapitein, „maar zie eens hoe ons „Lam” er uit ziet! We zullen ons uit het gevecht moeten verwijderen! We zijn reddeloos geschoten!”De Ruyters oogen flikkerden.„Vooruit! Vooruit! Voor de vrijheid ter zee en de eere van het lieve Vaderland!” riep Michiel in antwoord op de aanmerking des Kapiteins, en zoo goed en zoo kwaad dat kon, snelde hij in het heetst van het gevecht, brandde los, viel aan, trok even terug, viel opnieuw aan, brandde weer los, sloeg dwars door zeven vijandelijke schepen heen, noodzaakte den Engelschen Vice-Admiraal, Willem Penn, te vluchten, en vond zich aan den avond van dien dag als overwinnaar, van den vijand verlaten.Maar hoe zag zijn schip er uit!De masten gesplinterd en gekraakt, de zeilen aan flarden met honderden kogelgaten, zijne voorsteng afgeschoten, alles op het dek vernield, bijna niet instaat eenig zeil te voeren!Dertig dooden, mannen, gevallen te midden van het gevecht, worden met een „Onze Vader!” en een: „Een-twee-drie, in Godsnaam!” overboord in de diepte van het Kanaal neergelaten.Wel te rusten, mannen! Al worden uwe namen ook nimmer bekend, uwe daden spreken voor u!En daar tusschendeks liggen, bijna zonder eenige heelkundige hulp, meer dan dertig gekwetsten.Hoe zal dat wat worden, als morgen de vijand opnieuw en met versterking verschijnt?Daar wordt De Ruyter aanboord van Tromp geseind.„Hier ben ik, Bestevaêr!” zegt De Ruyter, zoodra hij Tromp ziet.„Dat zie ik, De Ruyter,” antwoordde deze. „Dat zie ik, en de Hemel gave, dat ik iedereen als u de heldenhand mochte drukken. Er zijn weer vele bloôhartigen geweest, goede vriend, en gij en uw schip, hebt wonderen van dapperheid verricht. Wees zoo goed uw volk uit mijnen naam te danken. Morgen ochtend verwacht ik u bij mij met uw schip. Het is een post van eere waaraan groot gevaar verbonden is.”„Ik zal komen, Admiraal!” is De Ruyters antwoord en den volgenden morgen is de held waar hij zijn moet.„Daar komen die Roôrokken waarlijk alweer op ons „Lam” aan,” zeide de Kapitein van De Ruyters schip, dat nu dicht bij dat van Tromp lag.„Ze mogen komen! Het Lam zal ons maantje achter wolken van kruit verbergen,” antwoordde De Ruyter.1En bij zeggen bleef het niet; De Ruyter deed het ook. Doch op het midden van den dag was hij zoo reddeloos geschoten, dat hij, als een vat zonder stuur, op de baren dobberde.Reeds begon het volk den moed te verliezen toen De Ruyter uitriep: „Sa, mannen, brandt nog maar dapper er op los, daar komt Bestevaêr Tromp ons helpen!”De Ruyter had gelukkig niet mis gezien. Tromp kwam en gelastte eenen Kapitein Duims het schip van De Ruyter op sleeptouw te nemen.En zoo bleef men vechten tot den avond. Zes malenhadden de Engelschen beproefd Tromps slagorde te verbreken, zesmaal waren ze teruggeslagen, doch, niet overwonnen en niet ontmoedigd. Den volgenden dag zou de aanval vernieuwd worden.De onzen wachtten dien aanval niet af, maar waren zelven de aanvallers.Dood en vernieling zonden we onder de Engelsche vloot, doch ook deze gaf, aangevoerd door eenen zeeheld als Blake, den strijd zoo gauw niet op.Het begon er duister voor de onzen uit te zien, want aanboord van Tromp kwam van den eenen Kapitein na den anderen de klacht: „Als het nog langer moet duren dan hebben wij geen kruit en lood meer!”Van het weinige dat enkele schepen nog in voorraad hadden liet de Admiraal nu uitdeelen.Er zal volgehouden worden, als het kan, tot de avond aan den slag een einde maakt, maar hoewel de zon reeds het grootste deel van hare dagreize volbracht heeft, zal het toch nog twee uren aanloopen eer ze in het westen ondergaat.Een treurig vooruitzicht voor de onzen en Blake, een Admiraal, wiens naam naast de namen van Tromp en De Ruyter mag genoemd worden, schijnt te bespeuren waaraan het bij zijnen vijand begint te haperen. Hij weet den moed der zijnen, die bijna geheel verflauwd is, weer op te wekken, daar hij nu hoop heeft den beslissenden slag te slaan.„Valt aan! Valt aan!” klinkt het van boord tot boord der Engelsche schepen, en, het gebeurt.Maar de onzen staan pal. Geen schot wordt op goed geluk gelost. Bijna elke kogel bereikt zijn doel.„Gered!” klinkt het plotseling van de Nederlandsche schepen; want de vijand trekt af.Maar de eerlijkheid gebiedt het te zeggen: de onzen zijn, strijdende, steeds achteruit gegaan. Onze schepen haddenminder diepgang dan de Engelsche, en om nu zoowel het slagveld te behouden, als de koopvaardijschepen, wist Tromp het zóó aan te leggen, dat hij zonder de vlag gestreken en zich overwonnen verklaard te hebben, de Vlaamsche banken bereikte. Dit gelukte hem en Blake wachtte zich wel om hier den strijd te vervolgen, want het zou zijn ondergang geweest zijn. Hij trok dus niet af, omdat hij door den moed der onzen of de Nederlandsche kogels daartoe genoodzaakt was, maar omdat hij zich in vaarwater bevond, dat hem, zónder Nederlandschen moed en zónder Nederlandsche kogels ten verderve kon voeren. Door dit te vermelden doen we den roem van Tromp niet te kort, integendeel, hieruit blijkt, dat hij nog wat anders was dan een zeeheld, dat hij was een man, die de zee kende en van haar gebruik wist te maken. Bovendien had hij de nederlaag nu niet geleden en de koopvaardij-vloot met al hare schatten in behouden haven gebracht.„Gered!” klinkt het ook aanboord van dien scheepsromp, die daar, zonder éénen mast, op sleeptouw voortdrijft; want de stompjes hout, die nog een enkel lapje zeil dragen, verdienen den naam van masten niet.Het is „Het Lam” van Michiel Adriaensz. De Ruyter, die zóó ontredderd thuiskomende, daardoor aan iedereen vertelt wat man hij is. Het is vergeefsch, dat zijne nederigheid de kloeke daden verzwijgen wil. Zijn scheepsvolk zal het uitroepen, en, als hun mond zwijgt, dan verkondigen die doornagelde scheepsromp, die roerlooze schuit, dat mastelooze wrak op luiden toon den lande: „Hoezee! Hoezee! Voor Vlissinger Michiel! Hoezee voor den held, die Neêrlands roem en hope zal worden! Hoezee!”Maar wat baatten helden als Tromp, De With, De Ruyter, Florisz. en zoovele anderen, waar de Regeering zoo weinig deed om onze vloot meer in overeenstemming te brengen met die des vijands? Sprekend kwam die weinige zorg opnieuw uit in den zeeslag bij Nieuwpoort, den twaalfdenen dertienden Juni daaraanvolgende, weer geleverd met eene vloot, die maar zoo wat „opgelapt” was en voor de zooveelste maal gebrek aan kruit en lood had. Men moest zich verbazen over de mogelijkheid, dat ze zee dorst houden tegenover eene uitmuntend uitgeruste Engelsche vloot, die wel honderd schepen telde, en aangevoerd werd door helden als Generaal Monk, Admiraal Deane, Blake, William Penn en John Lawson, die in geen enkel opzicht voor Tromp en zijnen heldenstoet onderdeden.Het gevolg daarvan was dan ook dat de driftige De With de Regeering toesnauwde: „Wat baat het, dat ik zwijg? Ik ben hier voor mijne Opperheeren; ik mag en moet het zeggen: de Engelschen zijn meester van ons en diensvolgens van de zee!”En De Ruyter, die allerminst uit geldelijk voordeel in dienst van den lande getreden was, daar hij eerst na den driedaagschen zeestrijd de toezegging kreeg, dat de Staten van Zeeland hem eene bezoldiging van tweehonderd gulden in de maand zouden geven, wat deed De Ruyter? Bleef hij, de nederige man, als ondergeschikte, zwijgen?Neen, zóó ver ging zijne nederigheid niet! Hij begreep dat hij door zwijgen zijn Vaderland minder dienst zou doen dan door spreken, en daarom zeide hij open en rond: „Ik zal niet meer in zee gaan voor en aleer de vloot versterkt wordt en betere schepen heeft.”Zóó spraken De With en De Ruyter; op deze manier liet Tromp zich telkens uit, en in denzelfden geest dachten, handelden en spraken allen, van den hoogstgeplaatste tot den nederigsten dienaar op ’s Lands vloot. Men behoefde geen geleerde te zijn om te zien hoeveel beter Engeland ten oorlog toegerust was en hoe men daar geene schatten ontzag om den oorlog goed te voeren.Maar er kwam uitkomst in den persoon van een zevenentwintigjarig man, die, als Raadpensionaris van de Staten van Holland, door zijn ambt niets anders dan hun dienaar,maar door zijne groote kennis, zijnen helderen blik en onverzettelijken wil hun aller meester werd.Deze man was Johan De Witt.Door hem kwam er verandering. Hij begreep dat de klachten der Vlootvoogden en van alle minderen niet overdreven waren, en door zijnen invloed en zijne ongekende werkzaamheid kwam het, dat binnen betrekkelijk korten tijd, de Nederlandsche vloot in veel beter staat gebracht werd. Maar—Het is op den tienden Augustus des jaren 1653.Hoor, wat dreunt daar als een verwijderd onweder op zee?Het zijn kanonschoten.In het gezicht der Hollandsche kust, bij het dorpje Ter Heide, wordt Tromps laatste zeegevecht geleverd. Zijn laatste, ja! Niet omdat hij andermaal den slag verliezen zou en dan door onkundige, doch waanwijze kooplieden van lafhartigheid en onkunde beschuldigd, andermaal ontslagen zou worden. Neen, de hooge betrekking van Luitenant-Admiraal zou hij thans houden tot zijn laatste levensoogenblik, tot zijnen laatsten ademtocht zou hij thans het Vaderland dienen, maar hij is gevallen de edele held, de koene zeeman, de warme vaderlander, en reeds heeft Michiel Adriaensz. De Ruyter bij zijn lijk uitgeroepen: „Ware ik voor hem gestorven!” Nog meer is er gebeurd. Met zijn masteloos en tot wrak geschoten schip „Het Lam” is De Ruyter reeds naar de Maas gesleept. Reeds heeft Witte Cornelisz. De With zichzelven al uit de Texelsche zeegaten geloodst en zich aan het hoofd der vloot gesteld om den dood van den grooten Tromp te wreken. Reeds hebben de Hollanders Banckert en Sangher en de Engelschen Cocx en Taylor zoolang met elkander gestreden, dat ze alle vier zonken. Reeds zijn er al weer lafaards op de vlucht gegaan en tal van helden gesneuveld, maar noch Hollander, noch Engelschman geeft krimp, men wil niet wijken. De Nederlandsche vloot is reddeloos geschoten en de Engelsche bijna nietinstaat zee te houden. Ieder wil zich de eer der overwinning toeschrijven, waar door niemand de overwinning behaald is, maar waar men als helden gekampt heeft tot de duisternis van middernacht en de ondiepten der kust, als het ware, samenspanden om te beletten, dat twee vloten elkander tot het laatste schip vernietigden.De zeeslag bij Ter Heide was de laatste, die in den eersten Engelschen oorlog geleverd werd, en zij was ook de vernielendste. Nòch Engeland, nòch de Vereenigde Nederlanden waren bij machte, den oorlog voort te zetten, en—de vrede werd het volgende jaar gesloten op voorwaarden, die voor ons Gemeenebest niet voordeelig mochten genoemd worden.Inplaats van Marten Harpertsz. Tromp had men tot Luitenant-Admiraal der Nederlandsche vloot benoemd den Kolonel der ruiterij, Jacob, Grave van Wassenaar, Heer van Obdam, een buitengewoon dapper en ervaren krijgsman te velde, doch een zeer ongeschikt zeeman, die later evenwel toonde, dat hij niet onder wilde doen voor den Engelschen Admiraal Monk, die, even als hij, van het leger te velde geroepen was, om zijn Vaderland ter zee te dienen. Maar eer ook nog de vrede gesloten werd, had men onzen dapperen Zeeuw, den ervaren Vlootvoogd De Ruyter, aangesteld tot Vice-Admiraal bij de Admiraliteit van Amsterdam, en hoewel de held eerst voor die eer bedankt had, liet hij zich eindelijk door de welbespraakte tong van den Raadpensionaris Johan De Witt overhalen de benoeming aan te nemen. Hij nam derhalve zijn ontslag bij de Admiraliteit van Zeeland, en vestigde zich metterwoon te Amsterdam, van welke stad men hem in het volgende jaar het Groot-Burgerschap vereerde, een titel, die hem het recht gaf naar alle stedelijke betrekkingen te kunnen mededingen.In zijne betrekking van Vice-Admiraal maakte hij van 1654 tot 1656 verscheidene tochten naar de Middellandsche zee om de Algerijnsche zeeroovers te tuchtigen, en dat hijzich van dien last goed kweet, kan van eenen man, als hij getoond had te zijn, verwacht worden.Ons verhaal zou veel te groot worden zoo we hem op al die tochten wilden vergezellen en daarom willen wij hem liever ook eens in heel andere deelen van de wereld bezig zien om zijne groote gaven en zijnen ongeëvenaarden heldenmoed het Vaderland te wijden.
Hoewel De Ruyter aanvankelijk weer besloten had, den dienst vaarwel te zeggen, bleef hij toch bij de vloot en toen Admiraal Tromp den eersten December van 1652 uitliep om meer dan vierhonderd koopvaarders naar zee te brengen, en hij zijne vloot, die uit negentig oorlogsschepen bestond, in vier eskaders verdeelde, kreeg De Ruyter inplaats van Witte Cornelisz. De With, die ziek geworden was, als Kommandeur het bevel over het tweede eskader. Zijne vlag woei van het schip: „Het Lam.”
Tien dagen later viel er tusschen deze vloot en deEngelschen onder den beroemden Blake een zeegevecht bij de Cingels voor. De onzen hadden alles in het nadeel, de Engelschen in het voordeel en toch noodzaakte Tromp den vijand den Theems op te loopen. Had hij op dat oogenblik goede loodsen aanboord gehad, dan zou een tocht naar Chattam eenige jaren vroeger hebben plaats gehad.
De Engelschen noemden sedert dien tijd onzen Admiraal „den grooten Tromp.”
Bijna drie maanden later bevond onze vloot zich andermaal in het Kanaal om de uitgaande koopvaardij-schepen te beschermen. Tromp bracht ze tot het eiland Ré en vond daar eene koopvaardij-vloot van honderd vijftig schepen, die door hem weer naar het Vaderland moesten gebracht worden. Dit zou evenwel niet gebeuren zonder met de vijanden slaags te geraken. Dit gevecht had den achtentwintigsten Februari 1653 plaats.
De Ruyter voerde bij dit gevecht de achterhoede der vloot aan en was de eerste, die aan den slag was, en wel met een groot Engelsch schip „The Prosperity.” Nadat hij veel van het geschut van den vijand geleden had, besloot hij het schip te enteren. Zijn onverschrokken volk voldeed aan dat bevel en kwam weldra aanboord van den Engelschman, die hen evenwel weer verdreef.
„Dat gaat niet, kinderen! Eens er in, altijd er in! Sa, lustig nog eens gedaan!” zeide De Ruyter en andermaal werd zijn bevel gehoorzaamd en met dat gevolg, dat het vijandelijk schip veroverd werd.
Nauwelijks hadden de Engelschen evenwel gezien, wat er gebeurd was, of wel twintig van hunne schepen vielen De Ruyter aan. Deze stelde zich, geholpen door den dapperen Jan Evertsen, ook een Vlissinger, duchtig te weer, doch toen het gevecht op het hevigst was, gingen weer eenige lafhartige Kapiteins op de vlucht.
„Daar gaan de schelmen, Michiel!” schreeuwde Jan Evertsen door den scheepsroeper De Ruyter tegen.
„Ze gaan niet, goêmaat, ze vliegen,” antwoordde De Ruyter. „Maar er door heen moeten we, halen waar halen!”
En Michiel ging er doorheen, hoewel nog tijdig geholpen door zijnen vriend Kapitein Aert van Nes en den Kommandeur Balk.
„Ha, jongens, dat is er door!” zeide hij toen hij het gevaar te boven was, en hij wischte zich het zweet van het voorhoofd af. „Dat heeft er gespannen zou ik zoo meenen.”
„Ja,” zeide de Kapitein, „maar zie eens hoe ons „Lam” er uit ziet! We zullen ons uit het gevecht moeten verwijderen! We zijn reddeloos geschoten!”
De Ruyters oogen flikkerden.
„Vooruit! Vooruit! Voor de vrijheid ter zee en de eere van het lieve Vaderland!” riep Michiel in antwoord op de aanmerking des Kapiteins, en zoo goed en zoo kwaad dat kon, snelde hij in het heetst van het gevecht, brandde los, viel aan, trok even terug, viel opnieuw aan, brandde weer los, sloeg dwars door zeven vijandelijke schepen heen, noodzaakte den Engelschen Vice-Admiraal, Willem Penn, te vluchten, en vond zich aan den avond van dien dag als overwinnaar, van den vijand verlaten.
Maar hoe zag zijn schip er uit!
De masten gesplinterd en gekraakt, de zeilen aan flarden met honderden kogelgaten, zijne voorsteng afgeschoten, alles op het dek vernield, bijna niet instaat eenig zeil te voeren!
Dertig dooden, mannen, gevallen te midden van het gevecht, worden met een „Onze Vader!” en een: „Een-twee-drie, in Godsnaam!” overboord in de diepte van het Kanaal neergelaten.
Wel te rusten, mannen! Al worden uwe namen ook nimmer bekend, uwe daden spreken voor u!
En daar tusschendeks liggen, bijna zonder eenige heelkundige hulp, meer dan dertig gekwetsten.
Hoe zal dat wat worden, als morgen de vijand opnieuw en met versterking verschijnt?
Daar wordt De Ruyter aanboord van Tromp geseind.
„Hier ben ik, Bestevaêr!” zegt De Ruyter, zoodra hij Tromp ziet.
„Dat zie ik, De Ruyter,” antwoordde deze. „Dat zie ik, en de Hemel gave, dat ik iedereen als u de heldenhand mochte drukken. Er zijn weer vele bloôhartigen geweest, goede vriend, en gij en uw schip, hebt wonderen van dapperheid verricht. Wees zoo goed uw volk uit mijnen naam te danken. Morgen ochtend verwacht ik u bij mij met uw schip. Het is een post van eere waaraan groot gevaar verbonden is.”
„Ik zal komen, Admiraal!” is De Ruyters antwoord en den volgenden morgen is de held waar hij zijn moet.
„Daar komen die Roôrokken waarlijk alweer op ons „Lam” aan,” zeide de Kapitein van De Ruyters schip, dat nu dicht bij dat van Tromp lag.
„Ze mogen komen! Het Lam zal ons maantje achter wolken van kruit verbergen,” antwoordde De Ruyter.1
En bij zeggen bleef het niet; De Ruyter deed het ook. Doch op het midden van den dag was hij zoo reddeloos geschoten, dat hij, als een vat zonder stuur, op de baren dobberde.
Reeds begon het volk den moed te verliezen toen De Ruyter uitriep: „Sa, mannen, brandt nog maar dapper er op los, daar komt Bestevaêr Tromp ons helpen!”
De Ruyter had gelukkig niet mis gezien. Tromp kwam en gelastte eenen Kapitein Duims het schip van De Ruyter op sleeptouw te nemen.
En zoo bleef men vechten tot den avond. Zes malenhadden de Engelschen beproefd Tromps slagorde te verbreken, zesmaal waren ze teruggeslagen, doch, niet overwonnen en niet ontmoedigd. Den volgenden dag zou de aanval vernieuwd worden.
De onzen wachtten dien aanval niet af, maar waren zelven de aanvallers.
Dood en vernieling zonden we onder de Engelsche vloot, doch ook deze gaf, aangevoerd door eenen zeeheld als Blake, den strijd zoo gauw niet op.
Het begon er duister voor de onzen uit te zien, want aanboord van Tromp kwam van den eenen Kapitein na den anderen de klacht: „Als het nog langer moet duren dan hebben wij geen kruit en lood meer!”
Van het weinige dat enkele schepen nog in voorraad hadden liet de Admiraal nu uitdeelen.
Er zal volgehouden worden, als het kan, tot de avond aan den slag een einde maakt, maar hoewel de zon reeds het grootste deel van hare dagreize volbracht heeft, zal het toch nog twee uren aanloopen eer ze in het westen ondergaat.
Een treurig vooruitzicht voor de onzen en Blake, een Admiraal, wiens naam naast de namen van Tromp en De Ruyter mag genoemd worden, schijnt te bespeuren waaraan het bij zijnen vijand begint te haperen. Hij weet den moed der zijnen, die bijna geheel verflauwd is, weer op te wekken, daar hij nu hoop heeft den beslissenden slag te slaan.
„Valt aan! Valt aan!” klinkt het van boord tot boord der Engelsche schepen, en, het gebeurt.
Maar de onzen staan pal. Geen schot wordt op goed geluk gelost. Bijna elke kogel bereikt zijn doel.
„Gered!” klinkt het plotseling van de Nederlandsche schepen; want de vijand trekt af.
Maar de eerlijkheid gebiedt het te zeggen: de onzen zijn, strijdende, steeds achteruit gegaan. Onze schepen haddenminder diepgang dan de Engelsche, en om nu zoowel het slagveld te behouden, als de koopvaardijschepen, wist Tromp het zóó aan te leggen, dat hij zonder de vlag gestreken en zich overwonnen verklaard te hebben, de Vlaamsche banken bereikte. Dit gelukte hem en Blake wachtte zich wel om hier den strijd te vervolgen, want het zou zijn ondergang geweest zijn. Hij trok dus niet af, omdat hij door den moed der onzen of de Nederlandsche kogels daartoe genoodzaakt was, maar omdat hij zich in vaarwater bevond, dat hem, zónder Nederlandschen moed en zónder Nederlandsche kogels ten verderve kon voeren. Door dit te vermelden doen we den roem van Tromp niet te kort, integendeel, hieruit blijkt, dat hij nog wat anders was dan een zeeheld, dat hij was een man, die de zee kende en van haar gebruik wist te maken. Bovendien had hij de nederlaag nu niet geleden en de koopvaardij-vloot met al hare schatten in behouden haven gebracht.
„Gered!” klinkt het ook aanboord van dien scheepsromp, die daar, zonder éénen mast, op sleeptouw voortdrijft; want de stompjes hout, die nog een enkel lapje zeil dragen, verdienen den naam van masten niet.
Het is „Het Lam” van Michiel Adriaensz. De Ruyter, die zóó ontredderd thuiskomende, daardoor aan iedereen vertelt wat man hij is. Het is vergeefsch, dat zijne nederigheid de kloeke daden verzwijgen wil. Zijn scheepsvolk zal het uitroepen, en, als hun mond zwijgt, dan verkondigen die doornagelde scheepsromp, die roerlooze schuit, dat mastelooze wrak op luiden toon den lande: „Hoezee! Hoezee! Voor Vlissinger Michiel! Hoezee voor den held, die Neêrlands roem en hope zal worden! Hoezee!”
Maar wat baatten helden als Tromp, De With, De Ruyter, Florisz. en zoovele anderen, waar de Regeering zoo weinig deed om onze vloot meer in overeenstemming te brengen met die des vijands? Sprekend kwam die weinige zorg opnieuw uit in den zeeslag bij Nieuwpoort, den twaalfdenen dertienden Juni daaraanvolgende, weer geleverd met eene vloot, die maar zoo wat „opgelapt” was en voor de zooveelste maal gebrek aan kruit en lood had. Men moest zich verbazen over de mogelijkheid, dat ze zee dorst houden tegenover eene uitmuntend uitgeruste Engelsche vloot, die wel honderd schepen telde, en aangevoerd werd door helden als Generaal Monk, Admiraal Deane, Blake, William Penn en John Lawson, die in geen enkel opzicht voor Tromp en zijnen heldenstoet onderdeden.
Het gevolg daarvan was dan ook dat de driftige De With de Regeering toesnauwde: „Wat baat het, dat ik zwijg? Ik ben hier voor mijne Opperheeren; ik mag en moet het zeggen: de Engelschen zijn meester van ons en diensvolgens van de zee!”
En De Ruyter, die allerminst uit geldelijk voordeel in dienst van den lande getreden was, daar hij eerst na den driedaagschen zeestrijd de toezegging kreeg, dat de Staten van Zeeland hem eene bezoldiging van tweehonderd gulden in de maand zouden geven, wat deed De Ruyter? Bleef hij, de nederige man, als ondergeschikte, zwijgen?
Neen, zóó ver ging zijne nederigheid niet! Hij begreep dat hij door zwijgen zijn Vaderland minder dienst zou doen dan door spreken, en daarom zeide hij open en rond: „Ik zal niet meer in zee gaan voor en aleer de vloot versterkt wordt en betere schepen heeft.”
Zóó spraken De With en De Ruyter; op deze manier liet Tromp zich telkens uit, en in denzelfden geest dachten, handelden en spraken allen, van den hoogstgeplaatste tot den nederigsten dienaar op ’s Lands vloot. Men behoefde geen geleerde te zijn om te zien hoeveel beter Engeland ten oorlog toegerust was en hoe men daar geene schatten ontzag om den oorlog goed te voeren.
Maar er kwam uitkomst in den persoon van een zevenentwintigjarig man, die, als Raadpensionaris van de Staten van Holland, door zijn ambt niets anders dan hun dienaar,maar door zijne groote kennis, zijnen helderen blik en onverzettelijken wil hun aller meester werd.
Deze man was Johan De Witt.
Door hem kwam er verandering. Hij begreep dat de klachten der Vlootvoogden en van alle minderen niet overdreven waren, en door zijnen invloed en zijne ongekende werkzaamheid kwam het, dat binnen betrekkelijk korten tijd, de Nederlandsche vloot in veel beter staat gebracht werd. Maar—
Het is op den tienden Augustus des jaren 1653.
Hoor, wat dreunt daar als een verwijderd onweder op zee?
Het zijn kanonschoten.
In het gezicht der Hollandsche kust, bij het dorpje Ter Heide, wordt Tromps laatste zeegevecht geleverd. Zijn laatste, ja! Niet omdat hij andermaal den slag verliezen zou en dan door onkundige, doch waanwijze kooplieden van lafhartigheid en onkunde beschuldigd, andermaal ontslagen zou worden. Neen, de hooge betrekking van Luitenant-Admiraal zou hij thans houden tot zijn laatste levensoogenblik, tot zijnen laatsten ademtocht zou hij thans het Vaderland dienen, maar hij is gevallen de edele held, de koene zeeman, de warme vaderlander, en reeds heeft Michiel Adriaensz. De Ruyter bij zijn lijk uitgeroepen: „Ware ik voor hem gestorven!” Nog meer is er gebeurd. Met zijn masteloos en tot wrak geschoten schip „Het Lam” is De Ruyter reeds naar de Maas gesleept. Reeds heeft Witte Cornelisz. De With zichzelven al uit de Texelsche zeegaten geloodst en zich aan het hoofd der vloot gesteld om den dood van den grooten Tromp te wreken. Reeds hebben de Hollanders Banckert en Sangher en de Engelschen Cocx en Taylor zoolang met elkander gestreden, dat ze alle vier zonken. Reeds zijn er al weer lafaards op de vlucht gegaan en tal van helden gesneuveld, maar noch Hollander, noch Engelschman geeft krimp, men wil niet wijken. De Nederlandsche vloot is reddeloos geschoten en de Engelsche bijna nietinstaat zee te houden. Ieder wil zich de eer der overwinning toeschrijven, waar door niemand de overwinning behaald is, maar waar men als helden gekampt heeft tot de duisternis van middernacht en de ondiepten der kust, als het ware, samenspanden om te beletten, dat twee vloten elkander tot het laatste schip vernietigden.
De zeeslag bij Ter Heide was de laatste, die in den eersten Engelschen oorlog geleverd werd, en zij was ook de vernielendste. Nòch Engeland, nòch de Vereenigde Nederlanden waren bij machte, den oorlog voort te zetten, en—de vrede werd het volgende jaar gesloten op voorwaarden, die voor ons Gemeenebest niet voordeelig mochten genoemd worden.
Inplaats van Marten Harpertsz. Tromp had men tot Luitenant-Admiraal der Nederlandsche vloot benoemd den Kolonel der ruiterij, Jacob, Grave van Wassenaar, Heer van Obdam, een buitengewoon dapper en ervaren krijgsman te velde, doch een zeer ongeschikt zeeman, die later evenwel toonde, dat hij niet onder wilde doen voor den Engelschen Admiraal Monk, die, even als hij, van het leger te velde geroepen was, om zijn Vaderland ter zee te dienen. Maar eer ook nog de vrede gesloten werd, had men onzen dapperen Zeeuw, den ervaren Vlootvoogd De Ruyter, aangesteld tot Vice-Admiraal bij de Admiraliteit van Amsterdam, en hoewel de held eerst voor die eer bedankt had, liet hij zich eindelijk door de welbespraakte tong van den Raadpensionaris Johan De Witt overhalen de benoeming aan te nemen. Hij nam derhalve zijn ontslag bij de Admiraliteit van Zeeland, en vestigde zich metterwoon te Amsterdam, van welke stad men hem in het volgende jaar het Groot-Burgerschap vereerde, een titel, die hem het recht gaf naar alle stedelijke betrekkingen te kunnen mededingen.
In zijne betrekking van Vice-Admiraal maakte hij van 1654 tot 1656 verscheidene tochten naar de Middellandsche zee om de Algerijnsche zeeroovers te tuchtigen, en dat hijzich van dien last goed kweet, kan van eenen man, als hij getoond had te zijn, verwacht worden.
Ons verhaal zou veel te groot worden zoo we hem op al die tochten wilden vergezellen en daarom willen wij hem liever ook eens in heel andere deelen van de wereld bezig zien om zijne groote gaven en zijnen ongeëvenaarden heldenmoed het Vaderland te wijden.
1Met dit zeggen zinspeelde De Ruyter op de slagorde onzer vloot, die eene halve maan vormde, en de koopvaarders binnen de hoornen of den halven kring sloot.↑
1Met dit zeggen zinspeelde De Ruyter op de slagorde onzer vloot, die eene halve maan vormde, en de koopvaarders binnen de hoornen of den halven kring sloot.↑
1Met dit zeggen zinspeelde De Ruyter op de slagorde onzer vloot, die eene halve maan vormde, en de koopvaarders binnen de hoornen of den halven kring sloot.↑