EERSTE AFDEELING.

EERSTE AFDEELING.Michiel Adriaensz. De Ruyter als knaap.EERSTE HOOFDSTUK.Eerste kennismaking.„Michiel!”„Ja, baas!”„Waar ben je heel den tijd geweest?”„Wel, baas, ik heb, ik heb....”„Ja, ja, ik begrijp wat er volgen zal! Ge zoekt weer uitvluchten en leugens om jezelven te dekken.”Op deze woorden toog een gloeiend rood over de gezonde wangen van den flinken knaap; zijne oogen fonkelden en bijna op driesten toon, antwoordde hij: „Wanneer heb ik u wat voorgelogen, baas! Ik jok niet om eene kleinigheid en om geene grootigheid ook!”De man, die als „baas” aangesproken werd, keek den eergevoeligen knaap verstoord aan, doch toen het scheen, dat hij hem eenen draai om de ooren zou geven, bedacht hij zich. Het was zoo! Welk een ondeugd de knaap ook mocht zijn, met leugens had hij zich nooit opgehouden. Hij was wáár, op brutaal-worden af. Daarom trok hij de hand terug en zeide wat minder nijdig, dan de knaap wel verwacht scheen te hebben: „Gij jokt nooit, ja, dat weet ik; maar met waarheid spreken, redt een dief zich niet van de galg.Orde en tucht moeten er zijn. Spreek op, waar hebt gij weer zoo lang gezeten,Michiel?”„Ik heb niet gezeten, baas,” sprak Michiel, die zijne verstoordheid opeens vergeten was. „Gezeten? Alles behalve! Ik heb eene pret gehad, nog zoo!”„Pret hebben, als men werken moet, komt niet te pas, zou ik zoo meenen!”„Neen, baas!”„Ei, bekent gij zelf, dat er wat meer gewerkt moet worden en wat minder gespeeld?”„Ja, baas!”„Goed, als gij er dan voortaan maar aan denkt. En met welke jongens zijt gij nu alweer aan den slag geweest?”„Wel, baas, met dat malle negertje, Jan Kompanjie, met Geleyn Evertsen en Pieter Evertsen; met....”„Houd op! Het zijn me de kameraden wel, ja! Allemaal kanonnen- en sabelvoer.”„Kanonnen- en sabelvoer? Wat is dat, baas?”„Wat dat is? Volkje voor de oorlogsschepen of voor de schepen van de Compagnie!”„Zou u dat denken, baas? Zou ik goed voor het schip zijn?” riep de knaap en zijne oogen tintelden van genot.„Ja, goed voor het schip, nergens anders voor!”„O, baas, zeg dat tegen Vader en Moeder, dan laten ze me zeker naar het schip gaan. De zee is mijn lust en mijn leven. Geen beter en vrijer leven dan met eene houten aarde onder de voeten op de baren te dansen.”„Men zou zoo zeggen, dat gij er al heel wat van af weet! Ja, ik zie je naar zee gaan en drie maanden later alweer bij Moeders pappot zitten. Ze hebben aanboord een taai eindje, weet je dat wel?”„Een eindje knut, hé, baas? Dat gaat er van langs op het broekje! En schreeuwen dat die matrozen dandoen! Zoo hard kunnen ze niet trommelen of men hoort hen boven alles uit. Zulk een taai ding moet erg pijn doen!”„Of het! En dat kreeg je stellig eens in de week!”„Ik, baas, ik?”„Ja, wie anders? Aanboord kunt gij zulke kunsten niet uithalen, als hier in de lijnbaan, hoor! Dat gelijkt er niet naar!”„Willen we eens wedden, baas!”„Wat zoudt gij wedden?”„Dat ik, als ik maar op zee ben, nooit straf krijg. Willen we?”„Ik wed niet, jongen!”„Ook goed! Maar gij zult zien, dat ik aanboord goed oppas. Toe, wilt ge bij Vader en Moeder een goed woordje voor mij doen? Een van de Heeren Lampsens zal me wel als kajuitsjongen of als lichtmatroos op een van hunne schepen willen nemen.”„Dat geloof ik nog zoo gauw niet. De Heeren hebben fatsoenlijk en best volk in hunnen dienst, waarbij een straatjongen past, als het vijfde wiel aan eenen wagen! Neen, mannetje, uw zondenboekje is al veel te vol. En dan, wat moet er van zulk eenen, als gij er een zijt, aan boord worden?”„Een Admiraal, baas!”De baas schoot in eenen luiden lach, en riep: „Een Admiraal! Ha, ha! Hoe komt gij daaraan?”„Ik heb het gedroomd, baas!”„Ja, gedroomd, een mensch kan zooveel droomen!”„Het is toch zoo, baas! Toen ik bij Meester Van Gelder ook van school gejaagd was en des avonds met een warm broekje, dat Vader me aangepast had, zonder eten naar bed was gegaan, lag ik eenen heelen tijd wakker en dacht: „Ewouts, Worst, De Moor, Sebastiaan De Lange en Piet Hein zijn van gemeen matroos wel opgeklommen tot Vlootvoogdenof Bevelhebbers van schepen. Piet Hein leeft nog en zal het wel verder brengen dan Kapitein op eenen koopvaarder. En wat nu Piet Hein en die vier Zeeuwsche jongens konden worden, zoo ver kan ik het ook wel brengen. Zóó dacht ik aan varen, en voor dat ik sliep, droomde ik al en zag ik mijzelven met eenen pluimhoed op het achterschip staan!”„Dat is geen droomen! Dat is denken!”„Niet, baas? En als ik het wiel laat stilstaan, dan roept u: „Jongen, staat toch niet zoo te droomen!””„Nu ja, doch dan bedoel ik suffen. Maar wat ik vragen wil: kunt gij wel lezen en schrijven? Ik wed van neen!”„Ei, baas, nu heeft u het glad mis! Al werd ik wel driemaal van school gejaagd, geleerd heb ik toch wat! Het is vreemd met mij, baas, maar al lette ik nog zoo slecht op, ik wist toch altijd, wat Meester zeide. Ha, ha, als ik zoo rond zat te kijken, het liefst naar het torenhaantje, dan was het opeens: „Michiel, wat heb ik gezegd?” Dan schrikte ik wel even, maar toch gaf ik altijd een goed antwoord. De baas kon mij niet vangen.”„Maar wat hadt ge toch met dat torenhaantje uitstaan?”„Ik was jaloersch er op, baas! Ik dacht zoo: Kijk eens, zoo’n doode haan staat daar zoo hoog, zóó hoog dat hij Engeland wel zou kunnen zien, als hij zien kon, en ik, die goede oogen heb, zit zoo laag, zóó laag dat ik niets anders zie dan vier witte muren! Zat die malle haan maar hier en was ik maar daar in de hoogte! Wat zou ik mijnen oogen den kost geven! Hé!”Dat „Hé” kwam er zóó natuurlijk uit, dat de touwslagersbaas terstond begreep, dat die wensch, hoe dwaas ook, toch oprecht gemeend was.„Maar waarom zijt gij dan van school gejaagd? Zat er dan heelemaal geen oppassen in?”„In het eerst paste ik wel op, maar later liep dat mis, toen was ik geen „zoete” jongen meer!”„In het eerst wel en later niet? Hoe kwam dat?”„Dat zal ik u vertellen, baas. Toen ik voor den tweeden keer van school gejaagd was, zei Vader tegen Moeder: „Alida, wat nu?”„Ja, wat nu?” vroeg Moeder.„Ja, net, wat nu? vroeg Vader alweer.„Ja, juist man, wat nu?” vroeg Moeder.„Toen Vader en Moeder zoo mooi „nuden” begon ik hard te lachen; maar Vader, die behalve over mij nog over vier van mijne broêrs en zes van mijne zusters te regeeren heeft....”„Zijt gij wel mal, jongen? Hebt ge nog vier broêrs en zes zusters?”„Ja, baas! Het is er precies één meer dan eenen mudzak vol, zegt Vader! Maar ik wilde zeggen, dat Vader onder zulk eene bende goed orde heeft leeren houden. Zoodra ik begon te lachen, kwam hij op me af, legde mij over de knie en gaf mij met zijne groote handen een pak voor het broekje, baas, niet zuinig, hoor! Jongens, het ging er zoo van langs. De tamboer van het halve vendel, dat hier ligt, kan zoo vlug niet roffelen als hij!”„Dan zult gij het terdege gevoeld hebben!”„Of ik, baas!”Maar toen Vader eindelijk zoo geroffeld had, dat er aan ieder van zijne haren een druppel zweet hing, zette hij mij neer en vroeg aan Moeder weer: „Ja, wat nu, Alida?”Ik stak mijnen duim in den mond en beet er haast een stuk van om niet in eenen lach te schieten, toen Moeder ook al weer vroeg: „Ja, juist, wat nu, Adriaen?”Vader keek eens even naar het hoekje waar ik stond, doch ik hield me goed en lachte niet.„De kwâjongen is toch nog te jong om hem al van school af te nemen. Hij kan amper zijnen naam schrijven! Wat denkt ge er van, als we het nog eens probeerden bij Meester Van Gelder?”„Ja, Adriaen, dat zal wel het beste zijn,” sprak Moeder.„Nu, dan ga ik er dadelijk op uit! Meê, Michiel!”Vader stapte de deur uit en ik ging hem achterna, en toen we eindelijk in school kwamen, zei Vader: „Meester, hier is een jongen, die al van twee scholen gejaagd is! Ik zou hem nu nog eens bij u op de proef willen geven! Maar, u zal wel weten, dat ik maar een bierdrager ben, en elf kinderen heb, dus schappelijk maken met het schoolgeld, alsjeblief!”Meester Van Gelder legde de handen op zijn hoofd, liet ze glijden langs zijne wangen, zijne borst, zijnen buik tot op zijne knieën, en toen hij zoo ver gekomen was, ging hij weer rechtop staan en zei: „Als ik hem eens voor niemendal nam?”„Wel, dat zou me lijken,” sprak Vader opgeruimd.„Jawel, jawel,” vervolgde Meester, „maar dan moet hij tusschen schooltijd boodschappen voor mij doen of krijtzagen, borden schoon maken, tafels recht zetten, messen slijpen voor mijne vrouw, turf halen, hout hakken, vloer aanvegen en opdweilen, kaarsenblokken schoonmaken, ragen, ruiten wasschen, het plaatsje schuren, en in den winter des Zondags driemaal eene stoof voor mijne vrouw in de kerk brengen!”„Nu,” zei Vader, „de jongen moet leeren werken, u kan hem krijgen, Meester!”Zoo kwam ik daar op school, en ik moet zeggen: in het eerst had ik er nog al pret in, maar op het laatst werd ik het mooi zad, dat begrijpt ge! Ik begon daarom alles heel slecht te doen. De boodschappen liet ik met opzet in de modder vallen; de messen sleep ik blank, maar zóó bot, dat men er geene brij mee snijden kon, en het turfkooltje in de vuurtest hield ik, als ik de stoof naar de kerk bracht, en als het regende, even onder een gootje en liet het kooltje uitdooven. Het laatste was, dat ik het kleine kind, dat ik altijd inslaap wiegen moest, zoo hardwiegde, dat de arme hals over den grond rolde, als een bal, en eene keel opzette, alsof ze vermoord werd. Toen kreeg ik een pak slaag, mocht niemendal meer doen, en Vader moest beginnen met schoolgeld te betalen, en ik met slaag krijgen!”„En zijt ge daar ook weggejaagd?”„Ja, baas!”„Wat hadt gij dan uitgevoerd?”„Wel, ik had op het bord een tonnetje geteekend, en op dat tonnetje een menschenhoofd en onder dat tonnetje twee korte beentjes. Daaronder schreef ik: „Dat is de Meester!””„En wie dat gedaan had, werd zeker door een verklikt. Wie deed dat?”„Mijn schrift verklikte me. Geen mensch schreef zoo slecht als ik, en aan dat schrift zag Meester dadelijk, dat ik dat moois gemaakt had.”„En toen?”„Toen werd ik van school gejaagd!”„Ei, ei, en verder?”„Kwam ik hier in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en bij mijnen goeden baas.”„Zoo, die goede baas ben ik zeker?”„Ja, baas!”„Nu, ik wil wel zeggen, Michieltje, als ge het hier niet beter gaat aanleggen, en het iederen dag zoo van eieren blijft maken, dat ge hier ook weggestuurd wordt! En dat zoudt gij toch zeker wel niet willen, hé?”„Ja, baas, heel graag!”„Wat, heel graag, jongen? Zijt gij dan hier niet goed, en verdient gij niet eenen schelling in de week?”„Ja, baas!”„Neen, baas, moest gij eigenlijk zeggen, want geverdientgeenen schelling! De Heeren Lampsensgeveneenen schelling, want ik weet niet hoe dikwijls wel, dat in een schoft het wiel stil staat!”„Het draait ook zoo stroef, baas!”„Wat stroef! Dat komt omdat gij er geenen zin in hebt, en liever heele dagen langs de straat loopt slenteren. Gij zult me een kerel worden, ja! Een luie baliekluiver, een bedelaar, een spinhuisbrok of galgeman!”„Neen, baas, dat word ik niet!”„Ei, wat ge zegt! Wordt ge dat alles niet? Och, dan toch! En wat denkt de brave jongen dan, dat hij worden zal?”„Als ik maar overal aan den wal weggejaagd word, dan zullen ze me wel gaan laten varen, baas! En, dàt weet ik zeker, op zee word ik wat!”„Ja, pluimgraaf, wat anders?”„Er zijn veel baantjes aanboord, baas!”„Veel baantjes! O ja, er is zelfs een Admiraal, en in uw suffend brein is het op eenen mooien avond opgekomen, dat het Admiraals-baantje voor eenen Vlissingschen straatjongen zijn zou. Eene goede verbeelding en een kurken geweten, dan drijft ge naar Breskens! Ha, ha! Als gij Admiraal wordt, dan word ik nog wel Stadhouder! Zoo’n kwajongen, zoo’n luie deugniet, die driemaal van de school en ik weet niet hoe dikwijls van zijnen baas gejaagd is, zou Admiraal worden! Als ik in uwe plaats was, dan zou ik zulk moois maar niet meer droomen en liever overdag de handen uit de mouw steken, dan hebt gij des avonds te veel slaap om aan zulke malle dingen te denken.”„Hoor eens, baas, droomen....”„Zwijg, jongen! daar slaat de klok! Het schoftuur is om, en het wiel wacht. En wat ik zeggen wil, niet zoo horten en stooten en zoo ongelijk draaien als gisteren, hoor!”„Neen, baas! Maar luister eens! Die droomen!”„Ga aan het werk, luiwammes,” riep de baas en hield nu werkelijk in ernst het „end” gereed om hem op eene gevoelige manier naar het werk te drijven.Michiel ging, doch bromde: „Ook al zoo’n beul, ja! En hij wil niemendal van mijn droomen weten; maar waaris het toch dat ik gedroomd heb, dat ik Admiraal was geworden.”Dit gesprek had plaats te Vlissingen in de lijnbaan van de Heeren Lampsens, en wel tusschen den meesterknecht in die baan, door het werkvolk gewoonlijk baas genoemd, en eenen elfjarigen knaap.Men schreef het jaar 1618.De knaap zag er voordeelig uit, althans wat zijn lichaam aangaat. Hij was niet heel lang, maar ook niet kort, doch breed geschouderd. De gezondheid lag op zijne dikke, blozende wangen en de vroolijkheid en levenslust keken uit zijne guitige, bruine oogen. Dat hij ook wel kracht moest hebben, bleek uit zijne gespierde vuisten, die nu juist voor kindervuisten niet zoo heel sierlijk stonden. Zijne plunje was anders. Zoo voordeelig zijn lichaam er uitzag, zoo ellendig zag de kleeding er uit. Men kon zoo zien, dat hij vast niet de oudste was van de broeders, en dat de afleggertjes van den oudsten op één na, wat voor hem verknipt waren geworden. En voor dien oudsten op één na alweer, waren ze verknipt geworden van afleggertjes van den oudsten. Niet pleizierig voor Michiel. Zijn jonger broertje was er beter aan toe. Van Michiels lijf gingen ze regelrecht naar de lorrenmand; hiervoor zorgde Michiel wel, want wat hem aan het lijf kwam, was, lang vóór hij er uitgegroeid was, al op en versleten.De naam van den knaap, die zulk een baasje was en die alles zoo stuk maakte was Michiel Adriaensz. Nu was zijn Moeders Vader evenwel ruiter in Staatschen dienst geweest, en Moeder Alida Jans was daar niet weinig trotsch op, zoodat ze haren man oorlof vroeg den derden jongen nog den bijnaam van De Ruyter te geven. Vader Adriaen had er ook niemendal tegen en de koster, die bij den doop van Michiel den naam van het kind in het doopboek schreef, had er evenmin wat tegen om achter Michiel Adriaensz. nog De Ruyter te zetten. En als de koster er niets tegen had,wie zou het dan beletten? De Magistraat bemoeide zich met zulke dingen niet. Wie trouwen wilde, liet dat in de kerk doen, en de koster schreef in het trouw-register de namen der gehuwden en van de getuigen op. Was er iemand gestorven, dan moest men alweer bij den koster terecht komen; want deze moest voor een graf in de kerk of op het kerkhof, dat buiten de kerk lag, zorgen. In het begrafenis-register kon men dus de namen der overledenen vinden. Geboorten, huwelijken en begrafenissen gingen alle door de handen van den koster, zoodat deze betrekking eene zeer gewichtige was, en gewoonlijk bekleed werd door iemand, die onder de voornaamste burgers der stad gerekend werd. Laurens Jansz., die de boekdrukkunst uitvond, of zoo hij dat niet gedaan heeft, dan toch denkelijk een van de eerste boekdrukkers in ons land was, kreeg den bijnaam van Koster, omdat hij koster van de Sint-Bavokerk te Haarlem was. En van hem vinden we opgeteekend, dat hij Lid van de Regeering zijner vaderstad was. Men noemde dat toen, Lid van de Vroedschap, en de Vroede of wijze mannen waren daarom degenen aan wie het Bestuur eener plaats opgedragen was.Zoo heette dus onze jonge, maar gespierde schelm Michiel Adriaensz. De Ruyter.Dat zijne Ouders niet zoo heel veel pleizier van hem hadden, is ons reeds gebleken, en het zou ons niet verwonderen als de zachtzinnige Alida Jans menige traan gelaten heeft over dat kind, dat naar haren Vader heette. Wel dikwijls zal zij de toekomst voor hem donker ingezien hebben. Het was toen toch ook al evenals nu, dat er van eenen straatjongen zelden iets anders groeit dan een man, die, als hij sterft den eersten dienst aan de maatschappij doet, en van wien men dan, misschien onbarmhartig genoeg, zegt: „Dat zal eene opruiming geven!”Toch hield Michiel zielsveel van zijne Moeder, en nooit zou hij ook haar iets voorgelogen hebben. Tegenover zijneMoeder loog hij nooit. Ja, men zegt dat hij zelfs nooit loog en altijd rond voor de waarheid uitkwam, al wist hij dan ook vooraf, dat er voor hem een pak slaag op zat.

EERSTE AFDEELING.Michiel Adriaensz. De Ruyter als knaap.EERSTE HOOFDSTUK.Eerste kennismaking.„Michiel!”„Ja, baas!”„Waar ben je heel den tijd geweest?”„Wel, baas, ik heb, ik heb....”„Ja, ja, ik begrijp wat er volgen zal! Ge zoekt weer uitvluchten en leugens om jezelven te dekken.”Op deze woorden toog een gloeiend rood over de gezonde wangen van den flinken knaap; zijne oogen fonkelden en bijna op driesten toon, antwoordde hij: „Wanneer heb ik u wat voorgelogen, baas! Ik jok niet om eene kleinigheid en om geene grootigheid ook!”De man, die als „baas” aangesproken werd, keek den eergevoeligen knaap verstoord aan, doch toen het scheen, dat hij hem eenen draai om de ooren zou geven, bedacht hij zich. Het was zoo! Welk een ondeugd de knaap ook mocht zijn, met leugens had hij zich nooit opgehouden. Hij was wáár, op brutaal-worden af. Daarom trok hij de hand terug en zeide wat minder nijdig, dan de knaap wel verwacht scheen te hebben: „Gij jokt nooit, ja, dat weet ik; maar met waarheid spreken, redt een dief zich niet van de galg.Orde en tucht moeten er zijn. Spreek op, waar hebt gij weer zoo lang gezeten,Michiel?”„Ik heb niet gezeten, baas,” sprak Michiel, die zijne verstoordheid opeens vergeten was. „Gezeten? Alles behalve! Ik heb eene pret gehad, nog zoo!”„Pret hebben, als men werken moet, komt niet te pas, zou ik zoo meenen!”„Neen, baas!”„Ei, bekent gij zelf, dat er wat meer gewerkt moet worden en wat minder gespeeld?”„Ja, baas!”„Goed, als gij er dan voortaan maar aan denkt. En met welke jongens zijt gij nu alweer aan den slag geweest?”„Wel, baas, met dat malle negertje, Jan Kompanjie, met Geleyn Evertsen en Pieter Evertsen; met....”„Houd op! Het zijn me de kameraden wel, ja! Allemaal kanonnen- en sabelvoer.”„Kanonnen- en sabelvoer? Wat is dat, baas?”„Wat dat is? Volkje voor de oorlogsschepen of voor de schepen van de Compagnie!”„Zou u dat denken, baas? Zou ik goed voor het schip zijn?” riep de knaap en zijne oogen tintelden van genot.„Ja, goed voor het schip, nergens anders voor!”„O, baas, zeg dat tegen Vader en Moeder, dan laten ze me zeker naar het schip gaan. De zee is mijn lust en mijn leven. Geen beter en vrijer leven dan met eene houten aarde onder de voeten op de baren te dansen.”„Men zou zoo zeggen, dat gij er al heel wat van af weet! Ja, ik zie je naar zee gaan en drie maanden later alweer bij Moeders pappot zitten. Ze hebben aanboord een taai eindje, weet je dat wel?”„Een eindje knut, hé, baas? Dat gaat er van langs op het broekje! En schreeuwen dat die matrozen dandoen! Zoo hard kunnen ze niet trommelen of men hoort hen boven alles uit. Zulk een taai ding moet erg pijn doen!”„Of het! En dat kreeg je stellig eens in de week!”„Ik, baas, ik?”„Ja, wie anders? Aanboord kunt gij zulke kunsten niet uithalen, als hier in de lijnbaan, hoor! Dat gelijkt er niet naar!”„Willen we eens wedden, baas!”„Wat zoudt gij wedden?”„Dat ik, als ik maar op zee ben, nooit straf krijg. Willen we?”„Ik wed niet, jongen!”„Ook goed! Maar gij zult zien, dat ik aanboord goed oppas. Toe, wilt ge bij Vader en Moeder een goed woordje voor mij doen? Een van de Heeren Lampsens zal me wel als kajuitsjongen of als lichtmatroos op een van hunne schepen willen nemen.”„Dat geloof ik nog zoo gauw niet. De Heeren hebben fatsoenlijk en best volk in hunnen dienst, waarbij een straatjongen past, als het vijfde wiel aan eenen wagen! Neen, mannetje, uw zondenboekje is al veel te vol. En dan, wat moet er van zulk eenen, als gij er een zijt, aan boord worden?”„Een Admiraal, baas!”De baas schoot in eenen luiden lach, en riep: „Een Admiraal! Ha, ha! Hoe komt gij daaraan?”„Ik heb het gedroomd, baas!”„Ja, gedroomd, een mensch kan zooveel droomen!”„Het is toch zoo, baas! Toen ik bij Meester Van Gelder ook van school gejaagd was en des avonds met een warm broekje, dat Vader me aangepast had, zonder eten naar bed was gegaan, lag ik eenen heelen tijd wakker en dacht: „Ewouts, Worst, De Moor, Sebastiaan De Lange en Piet Hein zijn van gemeen matroos wel opgeklommen tot Vlootvoogdenof Bevelhebbers van schepen. Piet Hein leeft nog en zal het wel verder brengen dan Kapitein op eenen koopvaarder. En wat nu Piet Hein en die vier Zeeuwsche jongens konden worden, zoo ver kan ik het ook wel brengen. Zóó dacht ik aan varen, en voor dat ik sliep, droomde ik al en zag ik mijzelven met eenen pluimhoed op het achterschip staan!”„Dat is geen droomen! Dat is denken!”„Niet, baas? En als ik het wiel laat stilstaan, dan roept u: „Jongen, staat toch niet zoo te droomen!””„Nu ja, doch dan bedoel ik suffen. Maar wat ik vragen wil: kunt gij wel lezen en schrijven? Ik wed van neen!”„Ei, baas, nu heeft u het glad mis! Al werd ik wel driemaal van school gejaagd, geleerd heb ik toch wat! Het is vreemd met mij, baas, maar al lette ik nog zoo slecht op, ik wist toch altijd, wat Meester zeide. Ha, ha, als ik zoo rond zat te kijken, het liefst naar het torenhaantje, dan was het opeens: „Michiel, wat heb ik gezegd?” Dan schrikte ik wel even, maar toch gaf ik altijd een goed antwoord. De baas kon mij niet vangen.”„Maar wat hadt ge toch met dat torenhaantje uitstaan?”„Ik was jaloersch er op, baas! Ik dacht zoo: Kijk eens, zoo’n doode haan staat daar zoo hoog, zóó hoog dat hij Engeland wel zou kunnen zien, als hij zien kon, en ik, die goede oogen heb, zit zoo laag, zóó laag dat ik niets anders zie dan vier witte muren! Zat die malle haan maar hier en was ik maar daar in de hoogte! Wat zou ik mijnen oogen den kost geven! Hé!”Dat „Hé” kwam er zóó natuurlijk uit, dat de touwslagersbaas terstond begreep, dat die wensch, hoe dwaas ook, toch oprecht gemeend was.„Maar waarom zijt gij dan van school gejaagd? Zat er dan heelemaal geen oppassen in?”„In het eerst paste ik wel op, maar later liep dat mis, toen was ik geen „zoete” jongen meer!”„In het eerst wel en later niet? Hoe kwam dat?”„Dat zal ik u vertellen, baas. Toen ik voor den tweeden keer van school gejaagd was, zei Vader tegen Moeder: „Alida, wat nu?”„Ja, wat nu?” vroeg Moeder.„Ja, net, wat nu? vroeg Vader alweer.„Ja, juist man, wat nu?” vroeg Moeder.„Toen Vader en Moeder zoo mooi „nuden” begon ik hard te lachen; maar Vader, die behalve over mij nog over vier van mijne broêrs en zes van mijne zusters te regeeren heeft....”„Zijt gij wel mal, jongen? Hebt ge nog vier broêrs en zes zusters?”„Ja, baas! Het is er precies één meer dan eenen mudzak vol, zegt Vader! Maar ik wilde zeggen, dat Vader onder zulk eene bende goed orde heeft leeren houden. Zoodra ik begon te lachen, kwam hij op me af, legde mij over de knie en gaf mij met zijne groote handen een pak voor het broekje, baas, niet zuinig, hoor! Jongens, het ging er zoo van langs. De tamboer van het halve vendel, dat hier ligt, kan zoo vlug niet roffelen als hij!”„Dan zult gij het terdege gevoeld hebben!”„Of ik, baas!”Maar toen Vader eindelijk zoo geroffeld had, dat er aan ieder van zijne haren een druppel zweet hing, zette hij mij neer en vroeg aan Moeder weer: „Ja, wat nu, Alida?”Ik stak mijnen duim in den mond en beet er haast een stuk van om niet in eenen lach te schieten, toen Moeder ook al weer vroeg: „Ja, juist, wat nu, Adriaen?”Vader keek eens even naar het hoekje waar ik stond, doch ik hield me goed en lachte niet.„De kwâjongen is toch nog te jong om hem al van school af te nemen. Hij kan amper zijnen naam schrijven! Wat denkt ge er van, als we het nog eens probeerden bij Meester Van Gelder?”„Ja, Adriaen, dat zal wel het beste zijn,” sprak Moeder.„Nu, dan ga ik er dadelijk op uit! Meê, Michiel!”Vader stapte de deur uit en ik ging hem achterna, en toen we eindelijk in school kwamen, zei Vader: „Meester, hier is een jongen, die al van twee scholen gejaagd is! Ik zou hem nu nog eens bij u op de proef willen geven! Maar, u zal wel weten, dat ik maar een bierdrager ben, en elf kinderen heb, dus schappelijk maken met het schoolgeld, alsjeblief!”Meester Van Gelder legde de handen op zijn hoofd, liet ze glijden langs zijne wangen, zijne borst, zijnen buik tot op zijne knieën, en toen hij zoo ver gekomen was, ging hij weer rechtop staan en zei: „Als ik hem eens voor niemendal nam?”„Wel, dat zou me lijken,” sprak Vader opgeruimd.„Jawel, jawel,” vervolgde Meester, „maar dan moet hij tusschen schooltijd boodschappen voor mij doen of krijtzagen, borden schoon maken, tafels recht zetten, messen slijpen voor mijne vrouw, turf halen, hout hakken, vloer aanvegen en opdweilen, kaarsenblokken schoonmaken, ragen, ruiten wasschen, het plaatsje schuren, en in den winter des Zondags driemaal eene stoof voor mijne vrouw in de kerk brengen!”„Nu,” zei Vader, „de jongen moet leeren werken, u kan hem krijgen, Meester!”Zoo kwam ik daar op school, en ik moet zeggen: in het eerst had ik er nog al pret in, maar op het laatst werd ik het mooi zad, dat begrijpt ge! Ik begon daarom alles heel slecht te doen. De boodschappen liet ik met opzet in de modder vallen; de messen sleep ik blank, maar zóó bot, dat men er geene brij mee snijden kon, en het turfkooltje in de vuurtest hield ik, als ik de stoof naar de kerk bracht, en als het regende, even onder een gootje en liet het kooltje uitdooven. Het laatste was, dat ik het kleine kind, dat ik altijd inslaap wiegen moest, zoo hardwiegde, dat de arme hals over den grond rolde, als een bal, en eene keel opzette, alsof ze vermoord werd. Toen kreeg ik een pak slaag, mocht niemendal meer doen, en Vader moest beginnen met schoolgeld te betalen, en ik met slaag krijgen!”„En zijt ge daar ook weggejaagd?”„Ja, baas!”„Wat hadt gij dan uitgevoerd?”„Wel, ik had op het bord een tonnetje geteekend, en op dat tonnetje een menschenhoofd en onder dat tonnetje twee korte beentjes. Daaronder schreef ik: „Dat is de Meester!””„En wie dat gedaan had, werd zeker door een verklikt. Wie deed dat?”„Mijn schrift verklikte me. Geen mensch schreef zoo slecht als ik, en aan dat schrift zag Meester dadelijk, dat ik dat moois gemaakt had.”„En toen?”„Toen werd ik van school gejaagd!”„Ei, ei, en verder?”„Kwam ik hier in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en bij mijnen goeden baas.”„Zoo, die goede baas ben ik zeker?”„Ja, baas!”„Nu, ik wil wel zeggen, Michieltje, als ge het hier niet beter gaat aanleggen, en het iederen dag zoo van eieren blijft maken, dat ge hier ook weggestuurd wordt! En dat zoudt gij toch zeker wel niet willen, hé?”„Ja, baas, heel graag!”„Wat, heel graag, jongen? Zijt gij dan hier niet goed, en verdient gij niet eenen schelling in de week?”„Ja, baas!”„Neen, baas, moest gij eigenlijk zeggen, want geverdientgeenen schelling! De Heeren Lampsensgeveneenen schelling, want ik weet niet hoe dikwijls wel, dat in een schoft het wiel stil staat!”„Het draait ook zoo stroef, baas!”„Wat stroef! Dat komt omdat gij er geenen zin in hebt, en liever heele dagen langs de straat loopt slenteren. Gij zult me een kerel worden, ja! Een luie baliekluiver, een bedelaar, een spinhuisbrok of galgeman!”„Neen, baas, dat word ik niet!”„Ei, wat ge zegt! Wordt ge dat alles niet? Och, dan toch! En wat denkt de brave jongen dan, dat hij worden zal?”„Als ik maar overal aan den wal weggejaagd word, dan zullen ze me wel gaan laten varen, baas! En, dàt weet ik zeker, op zee word ik wat!”„Ja, pluimgraaf, wat anders?”„Er zijn veel baantjes aanboord, baas!”„Veel baantjes! O ja, er is zelfs een Admiraal, en in uw suffend brein is het op eenen mooien avond opgekomen, dat het Admiraals-baantje voor eenen Vlissingschen straatjongen zijn zou. Eene goede verbeelding en een kurken geweten, dan drijft ge naar Breskens! Ha, ha! Als gij Admiraal wordt, dan word ik nog wel Stadhouder! Zoo’n kwajongen, zoo’n luie deugniet, die driemaal van de school en ik weet niet hoe dikwijls van zijnen baas gejaagd is, zou Admiraal worden! Als ik in uwe plaats was, dan zou ik zulk moois maar niet meer droomen en liever overdag de handen uit de mouw steken, dan hebt gij des avonds te veel slaap om aan zulke malle dingen te denken.”„Hoor eens, baas, droomen....”„Zwijg, jongen! daar slaat de klok! Het schoftuur is om, en het wiel wacht. En wat ik zeggen wil, niet zoo horten en stooten en zoo ongelijk draaien als gisteren, hoor!”„Neen, baas! Maar luister eens! Die droomen!”„Ga aan het werk, luiwammes,” riep de baas en hield nu werkelijk in ernst het „end” gereed om hem op eene gevoelige manier naar het werk te drijven.Michiel ging, doch bromde: „Ook al zoo’n beul, ja! En hij wil niemendal van mijn droomen weten; maar waaris het toch dat ik gedroomd heb, dat ik Admiraal was geworden.”Dit gesprek had plaats te Vlissingen in de lijnbaan van de Heeren Lampsens, en wel tusschen den meesterknecht in die baan, door het werkvolk gewoonlijk baas genoemd, en eenen elfjarigen knaap.Men schreef het jaar 1618.De knaap zag er voordeelig uit, althans wat zijn lichaam aangaat. Hij was niet heel lang, maar ook niet kort, doch breed geschouderd. De gezondheid lag op zijne dikke, blozende wangen en de vroolijkheid en levenslust keken uit zijne guitige, bruine oogen. Dat hij ook wel kracht moest hebben, bleek uit zijne gespierde vuisten, die nu juist voor kindervuisten niet zoo heel sierlijk stonden. Zijne plunje was anders. Zoo voordeelig zijn lichaam er uitzag, zoo ellendig zag de kleeding er uit. Men kon zoo zien, dat hij vast niet de oudste was van de broeders, en dat de afleggertjes van den oudsten op één na, wat voor hem verknipt waren geworden. En voor dien oudsten op één na alweer, waren ze verknipt geworden van afleggertjes van den oudsten. Niet pleizierig voor Michiel. Zijn jonger broertje was er beter aan toe. Van Michiels lijf gingen ze regelrecht naar de lorrenmand; hiervoor zorgde Michiel wel, want wat hem aan het lijf kwam, was, lang vóór hij er uitgegroeid was, al op en versleten.De naam van den knaap, die zulk een baasje was en die alles zoo stuk maakte was Michiel Adriaensz. Nu was zijn Moeders Vader evenwel ruiter in Staatschen dienst geweest, en Moeder Alida Jans was daar niet weinig trotsch op, zoodat ze haren man oorlof vroeg den derden jongen nog den bijnaam van De Ruyter te geven. Vader Adriaen had er ook niemendal tegen en de koster, die bij den doop van Michiel den naam van het kind in het doopboek schreef, had er evenmin wat tegen om achter Michiel Adriaensz. nog De Ruyter te zetten. En als de koster er niets tegen had,wie zou het dan beletten? De Magistraat bemoeide zich met zulke dingen niet. Wie trouwen wilde, liet dat in de kerk doen, en de koster schreef in het trouw-register de namen der gehuwden en van de getuigen op. Was er iemand gestorven, dan moest men alweer bij den koster terecht komen; want deze moest voor een graf in de kerk of op het kerkhof, dat buiten de kerk lag, zorgen. In het begrafenis-register kon men dus de namen der overledenen vinden. Geboorten, huwelijken en begrafenissen gingen alle door de handen van den koster, zoodat deze betrekking eene zeer gewichtige was, en gewoonlijk bekleed werd door iemand, die onder de voornaamste burgers der stad gerekend werd. Laurens Jansz., die de boekdrukkunst uitvond, of zoo hij dat niet gedaan heeft, dan toch denkelijk een van de eerste boekdrukkers in ons land was, kreeg den bijnaam van Koster, omdat hij koster van de Sint-Bavokerk te Haarlem was. En van hem vinden we opgeteekend, dat hij Lid van de Regeering zijner vaderstad was. Men noemde dat toen, Lid van de Vroedschap, en de Vroede of wijze mannen waren daarom degenen aan wie het Bestuur eener plaats opgedragen was.Zoo heette dus onze jonge, maar gespierde schelm Michiel Adriaensz. De Ruyter.Dat zijne Ouders niet zoo heel veel pleizier van hem hadden, is ons reeds gebleken, en het zou ons niet verwonderen als de zachtzinnige Alida Jans menige traan gelaten heeft over dat kind, dat naar haren Vader heette. Wel dikwijls zal zij de toekomst voor hem donker ingezien hebben. Het was toen toch ook al evenals nu, dat er van eenen straatjongen zelden iets anders groeit dan een man, die, als hij sterft den eersten dienst aan de maatschappij doet, en van wien men dan, misschien onbarmhartig genoeg, zegt: „Dat zal eene opruiming geven!”Toch hield Michiel zielsveel van zijne Moeder, en nooit zou hij ook haar iets voorgelogen hebben. Tegenover zijneMoeder loog hij nooit. Ja, men zegt dat hij zelfs nooit loog en altijd rond voor de waarheid uitkwam, al wist hij dan ook vooraf, dat er voor hem een pak slaag op zat.

EERSTE HOOFDSTUK.Eerste kennismaking.„Michiel!”„Ja, baas!”„Waar ben je heel den tijd geweest?”„Wel, baas, ik heb, ik heb....”„Ja, ja, ik begrijp wat er volgen zal! Ge zoekt weer uitvluchten en leugens om jezelven te dekken.”Op deze woorden toog een gloeiend rood over de gezonde wangen van den flinken knaap; zijne oogen fonkelden en bijna op driesten toon, antwoordde hij: „Wanneer heb ik u wat voorgelogen, baas! Ik jok niet om eene kleinigheid en om geene grootigheid ook!”De man, die als „baas” aangesproken werd, keek den eergevoeligen knaap verstoord aan, doch toen het scheen, dat hij hem eenen draai om de ooren zou geven, bedacht hij zich. Het was zoo! Welk een ondeugd de knaap ook mocht zijn, met leugens had hij zich nooit opgehouden. Hij was wáár, op brutaal-worden af. Daarom trok hij de hand terug en zeide wat minder nijdig, dan de knaap wel verwacht scheen te hebben: „Gij jokt nooit, ja, dat weet ik; maar met waarheid spreken, redt een dief zich niet van de galg.Orde en tucht moeten er zijn. Spreek op, waar hebt gij weer zoo lang gezeten,Michiel?”„Ik heb niet gezeten, baas,” sprak Michiel, die zijne verstoordheid opeens vergeten was. „Gezeten? Alles behalve! Ik heb eene pret gehad, nog zoo!”„Pret hebben, als men werken moet, komt niet te pas, zou ik zoo meenen!”„Neen, baas!”„Ei, bekent gij zelf, dat er wat meer gewerkt moet worden en wat minder gespeeld?”„Ja, baas!”„Goed, als gij er dan voortaan maar aan denkt. En met welke jongens zijt gij nu alweer aan den slag geweest?”„Wel, baas, met dat malle negertje, Jan Kompanjie, met Geleyn Evertsen en Pieter Evertsen; met....”„Houd op! Het zijn me de kameraden wel, ja! Allemaal kanonnen- en sabelvoer.”„Kanonnen- en sabelvoer? Wat is dat, baas?”„Wat dat is? Volkje voor de oorlogsschepen of voor de schepen van de Compagnie!”„Zou u dat denken, baas? Zou ik goed voor het schip zijn?” riep de knaap en zijne oogen tintelden van genot.„Ja, goed voor het schip, nergens anders voor!”„O, baas, zeg dat tegen Vader en Moeder, dan laten ze me zeker naar het schip gaan. De zee is mijn lust en mijn leven. Geen beter en vrijer leven dan met eene houten aarde onder de voeten op de baren te dansen.”„Men zou zoo zeggen, dat gij er al heel wat van af weet! Ja, ik zie je naar zee gaan en drie maanden later alweer bij Moeders pappot zitten. Ze hebben aanboord een taai eindje, weet je dat wel?”„Een eindje knut, hé, baas? Dat gaat er van langs op het broekje! En schreeuwen dat die matrozen dandoen! Zoo hard kunnen ze niet trommelen of men hoort hen boven alles uit. Zulk een taai ding moet erg pijn doen!”„Of het! En dat kreeg je stellig eens in de week!”„Ik, baas, ik?”„Ja, wie anders? Aanboord kunt gij zulke kunsten niet uithalen, als hier in de lijnbaan, hoor! Dat gelijkt er niet naar!”„Willen we eens wedden, baas!”„Wat zoudt gij wedden?”„Dat ik, als ik maar op zee ben, nooit straf krijg. Willen we?”„Ik wed niet, jongen!”„Ook goed! Maar gij zult zien, dat ik aanboord goed oppas. Toe, wilt ge bij Vader en Moeder een goed woordje voor mij doen? Een van de Heeren Lampsens zal me wel als kajuitsjongen of als lichtmatroos op een van hunne schepen willen nemen.”„Dat geloof ik nog zoo gauw niet. De Heeren hebben fatsoenlijk en best volk in hunnen dienst, waarbij een straatjongen past, als het vijfde wiel aan eenen wagen! Neen, mannetje, uw zondenboekje is al veel te vol. En dan, wat moet er van zulk eenen, als gij er een zijt, aan boord worden?”„Een Admiraal, baas!”De baas schoot in eenen luiden lach, en riep: „Een Admiraal! Ha, ha! Hoe komt gij daaraan?”„Ik heb het gedroomd, baas!”„Ja, gedroomd, een mensch kan zooveel droomen!”„Het is toch zoo, baas! Toen ik bij Meester Van Gelder ook van school gejaagd was en des avonds met een warm broekje, dat Vader me aangepast had, zonder eten naar bed was gegaan, lag ik eenen heelen tijd wakker en dacht: „Ewouts, Worst, De Moor, Sebastiaan De Lange en Piet Hein zijn van gemeen matroos wel opgeklommen tot Vlootvoogdenof Bevelhebbers van schepen. Piet Hein leeft nog en zal het wel verder brengen dan Kapitein op eenen koopvaarder. En wat nu Piet Hein en die vier Zeeuwsche jongens konden worden, zoo ver kan ik het ook wel brengen. Zóó dacht ik aan varen, en voor dat ik sliep, droomde ik al en zag ik mijzelven met eenen pluimhoed op het achterschip staan!”„Dat is geen droomen! Dat is denken!”„Niet, baas? En als ik het wiel laat stilstaan, dan roept u: „Jongen, staat toch niet zoo te droomen!””„Nu ja, doch dan bedoel ik suffen. Maar wat ik vragen wil: kunt gij wel lezen en schrijven? Ik wed van neen!”„Ei, baas, nu heeft u het glad mis! Al werd ik wel driemaal van school gejaagd, geleerd heb ik toch wat! Het is vreemd met mij, baas, maar al lette ik nog zoo slecht op, ik wist toch altijd, wat Meester zeide. Ha, ha, als ik zoo rond zat te kijken, het liefst naar het torenhaantje, dan was het opeens: „Michiel, wat heb ik gezegd?” Dan schrikte ik wel even, maar toch gaf ik altijd een goed antwoord. De baas kon mij niet vangen.”„Maar wat hadt ge toch met dat torenhaantje uitstaan?”„Ik was jaloersch er op, baas! Ik dacht zoo: Kijk eens, zoo’n doode haan staat daar zoo hoog, zóó hoog dat hij Engeland wel zou kunnen zien, als hij zien kon, en ik, die goede oogen heb, zit zoo laag, zóó laag dat ik niets anders zie dan vier witte muren! Zat die malle haan maar hier en was ik maar daar in de hoogte! Wat zou ik mijnen oogen den kost geven! Hé!”Dat „Hé” kwam er zóó natuurlijk uit, dat de touwslagersbaas terstond begreep, dat die wensch, hoe dwaas ook, toch oprecht gemeend was.„Maar waarom zijt gij dan van school gejaagd? Zat er dan heelemaal geen oppassen in?”„In het eerst paste ik wel op, maar later liep dat mis, toen was ik geen „zoete” jongen meer!”„In het eerst wel en later niet? Hoe kwam dat?”„Dat zal ik u vertellen, baas. Toen ik voor den tweeden keer van school gejaagd was, zei Vader tegen Moeder: „Alida, wat nu?”„Ja, wat nu?” vroeg Moeder.„Ja, net, wat nu? vroeg Vader alweer.„Ja, juist man, wat nu?” vroeg Moeder.„Toen Vader en Moeder zoo mooi „nuden” begon ik hard te lachen; maar Vader, die behalve over mij nog over vier van mijne broêrs en zes van mijne zusters te regeeren heeft....”„Zijt gij wel mal, jongen? Hebt ge nog vier broêrs en zes zusters?”„Ja, baas! Het is er precies één meer dan eenen mudzak vol, zegt Vader! Maar ik wilde zeggen, dat Vader onder zulk eene bende goed orde heeft leeren houden. Zoodra ik begon te lachen, kwam hij op me af, legde mij over de knie en gaf mij met zijne groote handen een pak voor het broekje, baas, niet zuinig, hoor! Jongens, het ging er zoo van langs. De tamboer van het halve vendel, dat hier ligt, kan zoo vlug niet roffelen als hij!”„Dan zult gij het terdege gevoeld hebben!”„Of ik, baas!”Maar toen Vader eindelijk zoo geroffeld had, dat er aan ieder van zijne haren een druppel zweet hing, zette hij mij neer en vroeg aan Moeder weer: „Ja, wat nu, Alida?”Ik stak mijnen duim in den mond en beet er haast een stuk van om niet in eenen lach te schieten, toen Moeder ook al weer vroeg: „Ja, juist, wat nu, Adriaen?”Vader keek eens even naar het hoekje waar ik stond, doch ik hield me goed en lachte niet.„De kwâjongen is toch nog te jong om hem al van school af te nemen. Hij kan amper zijnen naam schrijven! Wat denkt ge er van, als we het nog eens probeerden bij Meester Van Gelder?”„Ja, Adriaen, dat zal wel het beste zijn,” sprak Moeder.„Nu, dan ga ik er dadelijk op uit! Meê, Michiel!”Vader stapte de deur uit en ik ging hem achterna, en toen we eindelijk in school kwamen, zei Vader: „Meester, hier is een jongen, die al van twee scholen gejaagd is! Ik zou hem nu nog eens bij u op de proef willen geven! Maar, u zal wel weten, dat ik maar een bierdrager ben, en elf kinderen heb, dus schappelijk maken met het schoolgeld, alsjeblief!”Meester Van Gelder legde de handen op zijn hoofd, liet ze glijden langs zijne wangen, zijne borst, zijnen buik tot op zijne knieën, en toen hij zoo ver gekomen was, ging hij weer rechtop staan en zei: „Als ik hem eens voor niemendal nam?”„Wel, dat zou me lijken,” sprak Vader opgeruimd.„Jawel, jawel,” vervolgde Meester, „maar dan moet hij tusschen schooltijd boodschappen voor mij doen of krijtzagen, borden schoon maken, tafels recht zetten, messen slijpen voor mijne vrouw, turf halen, hout hakken, vloer aanvegen en opdweilen, kaarsenblokken schoonmaken, ragen, ruiten wasschen, het plaatsje schuren, en in den winter des Zondags driemaal eene stoof voor mijne vrouw in de kerk brengen!”„Nu,” zei Vader, „de jongen moet leeren werken, u kan hem krijgen, Meester!”Zoo kwam ik daar op school, en ik moet zeggen: in het eerst had ik er nog al pret in, maar op het laatst werd ik het mooi zad, dat begrijpt ge! Ik begon daarom alles heel slecht te doen. De boodschappen liet ik met opzet in de modder vallen; de messen sleep ik blank, maar zóó bot, dat men er geene brij mee snijden kon, en het turfkooltje in de vuurtest hield ik, als ik de stoof naar de kerk bracht, en als het regende, even onder een gootje en liet het kooltje uitdooven. Het laatste was, dat ik het kleine kind, dat ik altijd inslaap wiegen moest, zoo hardwiegde, dat de arme hals over den grond rolde, als een bal, en eene keel opzette, alsof ze vermoord werd. Toen kreeg ik een pak slaag, mocht niemendal meer doen, en Vader moest beginnen met schoolgeld te betalen, en ik met slaag krijgen!”„En zijt ge daar ook weggejaagd?”„Ja, baas!”„Wat hadt gij dan uitgevoerd?”„Wel, ik had op het bord een tonnetje geteekend, en op dat tonnetje een menschenhoofd en onder dat tonnetje twee korte beentjes. Daaronder schreef ik: „Dat is de Meester!””„En wie dat gedaan had, werd zeker door een verklikt. Wie deed dat?”„Mijn schrift verklikte me. Geen mensch schreef zoo slecht als ik, en aan dat schrift zag Meester dadelijk, dat ik dat moois gemaakt had.”„En toen?”„Toen werd ik van school gejaagd!”„Ei, ei, en verder?”„Kwam ik hier in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en bij mijnen goeden baas.”„Zoo, die goede baas ben ik zeker?”„Ja, baas!”„Nu, ik wil wel zeggen, Michieltje, als ge het hier niet beter gaat aanleggen, en het iederen dag zoo van eieren blijft maken, dat ge hier ook weggestuurd wordt! En dat zoudt gij toch zeker wel niet willen, hé?”„Ja, baas, heel graag!”„Wat, heel graag, jongen? Zijt gij dan hier niet goed, en verdient gij niet eenen schelling in de week?”„Ja, baas!”„Neen, baas, moest gij eigenlijk zeggen, want geverdientgeenen schelling! De Heeren Lampsensgeveneenen schelling, want ik weet niet hoe dikwijls wel, dat in een schoft het wiel stil staat!”„Het draait ook zoo stroef, baas!”„Wat stroef! Dat komt omdat gij er geenen zin in hebt, en liever heele dagen langs de straat loopt slenteren. Gij zult me een kerel worden, ja! Een luie baliekluiver, een bedelaar, een spinhuisbrok of galgeman!”„Neen, baas, dat word ik niet!”„Ei, wat ge zegt! Wordt ge dat alles niet? Och, dan toch! En wat denkt de brave jongen dan, dat hij worden zal?”„Als ik maar overal aan den wal weggejaagd word, dan zullen ze me wel gaan laten varen, baas! En, dàt weet ik zeker, op zee word ik wat!”„Ja, pluimgraaf, wat anders?”„Er zijn veel baantjes aanboord, baas!”„Veel baantjes! O ja, er is zelfs een Admiraal, en in uw suffend brein is het op eenen mooien avond opgekomen, dat het Admiraals-baantje voor eenen Vlissingschen straatjongen zijn zou. Eene goede verbeelding en een kurken geweten, dan drijft ge naar Breskens! Ha, ha! Als gij Admiraal wordt, dan word ik nog wel Stadhouder! Zoo’n kwajongen, zoo’n luie deugniet, die driemaal van de school en ik weet niet hoe dikwijls van zijnen baas gejaagd is, zou Admiraal worden! Als ik in uwe plaats was, dan zou ik zulk moois maar niet meer droomen en liever overdag de handen uit de mouw steken, dan hebt gij des avonds te veel slaap om aan zulke malle dingen te denken.”„Hoor eens, baas, droomen....”„Zwijg, jongen! daar slaat de klok! Het schoftuur is om, en het wiel wacht. En wat ik zeggen wil, niet zoo horten en stooten en zoo ongelijk draaien als gisteren, hoor!”„Neen, baas! Maar luister eens! Die droomen!”„Ga aan het werk, luiwammes,” riep de baas en hield nu werkelijk in ernst het „end” gereed om hem op eene gevoelige manier naar het werk te drijven.Michiel ging, doch bromde: „Ook al zoo’n beul, ja! En hij wil niemendal van mijn droomen weten; maar waaris het toch dat ik gedroomd heb, dat ik Admiraal was geworden.”Dit gesprek had plaats te Vlissingen in de lijnbaan van de Heeren Lampsens, en wel tusschen den meesterknecht in die baan, door het werkvolk gewoonlijk baas genoemd, en eenen elfjarigen knaap.Men schreef het jaar 1618.De knaap zag er voordeelig uit, althans wat zijn lichaam aangaat. Hij was niet heel lang, maar ook niet kort, doch breed geschouderd. De gezondheid lag op zijne dikke, blozende wangen en de vroolijkheid en levenslust keken uit zijne guitige, bruine oogen. Dat hij ook wel kracht moest hebben, bleek uit zijne gespierde vuisten, die nu juist voor kindervuisten niet zoo heel sierlijk stonden. Zijne plunje was anders. Zoo voordeelig zijn lichaam er uitzag, zoo ellendig zag de kleeding er uit. Men kon zoo zien, dat hij vast niet de oudste was van de broeders, en dat de afleggertjes van den oudsten op één na, wat voor hem verknipt waren geworden. En voor dien oudsten op één na alweer, waren ze verknipt geworden van afleggertjes van den oudsten. Niet pleizierig voor Michiel. Zijn jonger broertje was er beter aan toe. Van Michiels lijf gingen ze regelrecht naar de lorrenmand; hiervoor zorgde Michiel wel, want wat hem aan het lijf kwam, was, lang vóór hij er uitgegroeid was, al op en versleten.De naam van den knaap, die zulk een baasje was en die alles zoo stuk maakte was Michiel Adriaensz. Nu was zijn Moeders Vader evenwel ruiter in Staatschen dienst geweest, en Moeder Alida Jans was daar niet weinig trotsch op, zoodat ze haren man oorlof vroeg den derden jongen nog den bijnaam van De Ruyter te geven. Vader Adriaen had er ook niemendal tegen en de koster, die bij den doop van Michiel den naam van het kind in het doopboek schreef, had er evenmin wat tegen om achter Michiel Adriaensz. nog De Ruyter te zetten. En als de koster er niets tegen had,wie zou het dan beletten? De Magistraat bemoeide zich met zulke dingen niet. Wie trouwen wilde, liet dat in de kerk doen, en de koster schreef in het trouw-register de namen der gehuwden en van de getuigen op. Was er iemand gestorven, dan moest men alweer bij den koster terecht komen; want deze moest voor een graf in de kerk of op het kerkhof, dat buiten de kerk lag, zorgen. In het begrafenis-register kon men dus de namen der overledenen vinden. Geboorten, huwelijken en begrafenissen gingen alle door de handen van den koster, zoodat deze betrekking eene zeer gewichtige was, en gewoonlijk bekleed werd door iemand, die onder de voornaamste burgers der stad gerekend werd. Laurens Jansz., die de boekdrukkunst uitvond, of zoo hij dat niet gedaan heeft, dan toch denkelijk een van de eerste boekdrukkers in ons land was, kreeg den bijnaam van Koster, omdat hij koster van de Sint-Bavokerk te Haarlem was. En van hem vinden we opgeteekend, dat hij Lid van de Regeering zijner vaderstad was. Men noemde dat toen, Lid van de Vroedschap, en de Vroede of wijze mannen waren daarom degenen aan wie het Bestuur eener plaats opgedragen was.Zoo heette dus onze jonge, maar gespierde schelm Michiel Adriaensz. De Ruyter.Dat zijne Ouders niet zoo heel veel pleizier van hem hadden, is ons reeds gebleken, en het zou ons niet verwonderen als de zachtzinnige Alida Jans menige traan gelaten heeft over dat kind, dat naar haren Vader heette. Wel dikwijls zal zij de toekomst voor hem donker ingezien hebben. Het was toen toch ook al evenals nu, dat er van eenen straatjongen zelden iets anders groeit dan een man, die, als hij sterft den eersten dienst aan de maatschappij doet, en van wien men dan, misschien onbarmhartig genoeg, zegt: „Dat zal eene opruiming geven!”Toch hield Michiel zielsveel van zijne Moeder, en nooit zou hij ook haar iets voorgelogen hebben. Tegenover zijneMoeder loog hij nooit. Ja, men zegt dat hij zelfs nooit loog en altijd rond voor de waarheid uitkwam, al wist hij dan ook vooraf, dat er voor hem een pak slaag op zat.

EERSTE HOOFDSTUK.Eerste kennismaking.

„Michiel!”„Ja, baas!”„Waar ben je heel den tijd geweest?”„Wel, baas, ik heb, ik heb....”„Ja, ja, ik begrijp wat er volgen zal! Ge zoekt weer uitvluchten en leugens om jezelven te dekken.”Op deze woorden toog een gloeiend rood over de gezonde wangen van den flinken knaap; zijne oogen fonkelden en bijna op driesten toon, antwoordde hij: „Wanneer heb ik u wat voorgelogen, baas! Ik jok niet om eene kleinigheid en om geene grootigheid ook!”De man, die als „baas” aangesproken werd, keek den eergevoeligen knaap verstoord aan, doch toen het scheen, dat hij hem eenen draai om de ooren zou geven, bedacht hij zich. Het was zoo! Welk een ondeugd de knaap ook mocht zijn, met leugens had hij zich nooit opgehouden. Hij was wáár, op brutaal-worden af. Daarom trok hij de hand terug en zeide wat minder nijdig, dan de knaap wel verwacht scheen te hebben: „Gij jokt nooit, ja, dat weet ik; maar met waarheid spreken, redt een dief zich niet van de galg.Orde en tucht moeten er zijn. Spreek op, waar hebt gij weer zoo lang gezeten,Michiel?”„Ik heb niet gezeten, baas,” sprak Michiel, die zijne verstoordheid opeens vergeten was. „Gezeten? Alles behalve! Ik heb eene pret gehad, nog zoo!”„Pret hebben, als men werken moet, komt niet te pas, zou ik zoo meenen!”„Neen, baas!”„Ei, bekent gij zelf, dat er wat meer gewerkt moet worden en wat minder gespeeld?”„Ja, baas!”„Goed, als gij er dan voortaan maar aan denkt. En met welke jongens zijt gij nu alweer aan den slag geweest?”„Wel, baas, met dat malle negertje, Jan Kompanjie, met Geleyn Evertsen en Pieter Evertsen; met....”„Houd op! Het zijn me de kameraden wel, ja! Allemaal kanonnen- en sabelvoer.”„Kanonnen- en sabelvoer? Wat is dat, baas?”„Wat dat is? Volkje voor de oorlogsschepen of voor de schepen van de Compagnie!”„Zou u dat denken, baas? Zou ik goed voor het schip zijn?” riep de knaap en zijne oogen tintelden van genot.„Ja, goed voor het schip, nergens anders voor!”„O, baas, zeg dat tegen Vader en Moeder, dan laten ze me zeker naar het schip gaan. De zee is mijn lust en mijn leven. Geen beter en vrijer leven dan met eene houten aarde onder de voeten op de baren te dansen.”„Men zou zoo zeggen, dat gij er al heel wat van af weet! Ja, ik zie je naar zee gaan en drie maanden later alweer bij Moeders pappot zitten. Ze hebben aanboord een taai eindje, weet je dat wel?”„Een eindje knut, hé, baas? Dat gaat er van langs op het broekje! En schreeuwen dat die matrozen dandoen! Zoo hard kunnen ze niet trommelen of men hoort hen boven alles uit. Zulk een taai ding moet erg pijn doen!”„Of het! En dat kreeg je stellig eens in de week!”„Ik, baas, ik?”„Ja, wie anders? Aanboord kunt gij zulke kunsten niet uithalen, als hier in de lijnbaan, hoor! Dat gelijkt er niet naar!”„Willen we eens wedden, baas!”„Wat zoudt gij wedden?”„Dat ik, als ik maar op zee ben, nooit straf krijg. Willen we?”„Ik wed niet, jongen!”„Ook goed! Maar gij zult zien, dat ik aanboord goed oppas. Toe, wilt ge bij Vader en Moeder een goed woordje voor mij doen? Een van de Heeren Lampsens zal me wel als kajuitsjongen of als lichtmatroos op een van hunne schepen willen nemen.”„Dat geloof ik nog zoo gauw niet. De Heeren hebben fatsoenlijk en best volk in hunnen dienst, waarbij een straatjongen past, als het vijfde wiel aan eenen wagen! Neen, mannetje, uw zondenboekje is al veel te vol. En dan, wat moet er van zulk eenen, als gij er een zijt, aan boord worden?”„Een Admiraal, baas!”De baas schoot in eenen luiden lach, en riep: „Een Admiraal! Ha, ha! Hoe komt gij daaraan?”„Ik heb het gedroomd, baas!”„Ja, gedroomd, een mensch kan zooveel droomen!”„Het is toch zoo, baas! Toen ik bij Meester Van Gelder ook van school gejaagd was en des avonds met een warm broekje, dat Vader me aangepast had, zonder eten naar bed was gegaan, lag ik eenen heelen tijd wakker en dacht: „Ewouts, Worst, De Moor, Sebastiaan De Lange en Piet Hein zijn van gemeen matroos wel opgeklommen tot Vlootvoogdenof Bevelhebbers van schepen. Piet Hein leeft nog en zal het wel verder brengen dan Kapitein op eenen koopvaarder. En wat nu Piet Hein en die vier Zeeuwsche jongens konden worden, zoo ver kan ik het ook wel brengen. Zóó dacht ik aan varen, en voor dat ik sliep, droomde ik al en zag ik mijzelven met eenen pluimhoed op het achterschip staan!”„Dat is geen droomen! Dat is denken!”„Niet, baas? En als ik het wiel laat stilstaan, dan roept u: „Jongen, staat toch niet zoo te droomen!””„Nu ja, doch dan bedoel ik suffen. Maar wat ik vragen wil: kunt gij wel lezen en schrijven? Ik wed van neen!”„Ei, baas, nu heeft u het glad mis! Al werd ik wel driemaal van school gejaagd, geleerd heb ik toch wat! Het is vreemd met mij, baas, maar al lette ik nog zoo slecht op, ik wist toch altijd, wat Meester zeide. Ha, ha, als ik zoo rond zat te kijken, het liefst naar het torenhaantje, dan was het opeens: „Michiel, wat heb ik gezegd?” Dan schrikte ik wel even, maar toch gaf ik altijd een goed antwoord. De baas kon mij niet vangen.”„Maar wat hadt ge toch met dat torenhaantje uitstaan?”„Ik was jaloersch er op, baas! Ik dacht zoo: Kijk eens, zoo’n doode haan staat daar zoo hoog, zóó hoog dat hij Engeland wel zou kunnen zien, als hij zien kon, en ik, die goede oogen heb, zit zoo laag, zóó laag dat ik niets anders zie dan vier witte muren! Zat die malle haan maar hier en was ik maar daar in de hoogte! Wat zou ik mijnen oogen den kost geven! Hé!”Dat „Hé” kwam er zóó natuurlijk uit, dat de touwslagersbaas terstond begreep, dat die wensch, hoe dwaas ook, toch oprecht gemeend was.„Maar waarom zijt gij dan van school gejaagd? Zat er dan heelemaal geen oppassen in?”„In het eerst paste ik wel op, maar later liep dat mis, toen was ik geen „zoete” jongen meer!”„In het eerst wel en later niet? Hoe kwam dat?”„Dat zal ik u vertellen, baas. Toen ik voor den tweeden keer van school gejaagd was, zei Vader tegen Moeder: „Alida, wat nu?”„Ja, wat nu?” vroeg Moeder.„Ja, net, wat nu? vroeg Vader alweer.„Ja, juist man, wat nu?” vroeg Moeder.„Toen Vader en Moeder zoo mooi „nuden” begon ik hard te lachen; maar Vader, die behalve over mij nog over vier van mijne broêrs en zes van mijne zusters te regeeren heeft....”„Zijt gij wel mal, jongen? Hebt ge nog vier broêrs en zes zusters?”„Ja, baas! Het is er precies één meer dan eenen mudzak vol, zegt Vader! Maar ik wilde zeggen, dat Vader onder zulk eene bende goed orde heeft leeren houden. Zoodra ik begon te lachen, kwam hij op me af, legde mij over de knie en gaf mij met zijne groote handen een pak voor het broekje, baas, niet zuinig, hoor! Jongens, het ging er zoo van langs. De tamboer van het halve vendel, dat hier ligt, kan zoo vlug niet roffelen als hij!”„Dan zult gij het terdege gevoeld hebben!”„Of ik, baas!”Maar toen Vader eindelijk zoo geroffeld had, dat er aan ieder van zijne haren een druppel zweet hing, zette hij mij neer en vroeg aan Moeder weer: „Ja, wat nu, Alida?”Ik stak mijnen duim in den mond en beet er haast een stuk van om niet in eenen lach te schieten, toen Moeder ook al weer vroeg: „Ja, juist, wat nu, Adriaen?”Vader keek eens even naar het hoekje waar ik stond, doch ik hield me goed en lachte niet.„De kwâjongen is toch nog te jong om hem al van school af te nemen. Hij kan amper zijnen naam schrijven! Wat denkt ge er van, als we het nog eens probeerden bij Meester Van Gelder?”„Ja, Adriaen, dat zal wel het beste zijn,” sprak Moeder.„Nu, dan ga ik er dadelijk op uit! Meê, Michiel!”Vader stapte de deur uit en ik ging hem achterna, en toen we eindelijk in school kwamen, zei Vader: „Meester, hier is een jongen, die al van twee scholen gejaagd is! Ik zou hem nu nog eens bij u op de proef willen geven! Maar, u zal wel weten, dat ik maar een bierdrager ben, en elf kinderen heb, dus schappelijk maken met het schoolgeld, alsjeblief!”Meester Van Gelder legde de handen op zijn hoofd, liet ze glijden langs zijne wangen, zijne borst, zijnen buik tot op zijne knieën, en toen hij zoo ver gekomen was, ging hij weer rechtop staan en zei: „Als ik hem eens voor niemendal nam?”„Wel, dat zou me lijken,” sprak Vader opgeruimd.„Jawel, jawel,” vervolgde Meester, „maar dan moet hij tusschen schooltijd boodschappen voor mij doen of krijtzagen, borden schoon maken, tafels recht zetten, messen slijpen voor mijne vrouw, turf halen, hout hakken, vloer aanvegen en opdweilen, kaarsenblokken schoonmaken, ragen, ruiten wasschen, het plaatsje schuren, en in den winter des Zondags driemaal eene stoof voor mijne vrouw in de kerk brengen!”„Nu,” zei Vader, „de jongen moet leeren werken, u kan hem krijgen, Meester!”Zoo kwam ik daar op school, en ik moet zeggen: in het eerst had ik er nog al pret in, maar op het laatst werd ik het mooi zad, dat begrijpt ge! Ik begon daarom alles heel slecht te doen. De boodschappen liet ik met opzet in de modder vallen; de messen sleep ik blank, maar zóó bot, dat men er geene brij mee snijden kon, en het turfkooltje in de vuurtest hield ik, als ik de stoof naar de kerk bracht, en als het regende, even onder een gootje en liet het kooltje uitdooven. Het laatste was, dat ik het kleine kind, dat ik altijd inslaap wiegen moest, zoo hardwiegde, dat de arme hals over den grond rolde, als een bal, en eene keel opzette, alsof ze vermoord werd. Toen kreeg ik een pak slaag, mocht niemendal meer doen, en Vader moest beginnen met schoolgeld te betalen, en ik met slaag krijgen!”„En zijt ge daar ook weggejaagd?”„Ja, baas!”„Wat hadt gij dan uitgevoerd?”„Wel, ik had op het bord een tonnetje geteekend, en op dat tonnetje een menschenhoofd en onder dat tonnetje twee korte beentjes. Daaronder schreef ik: „Dat is de Meester!””„En wie dat gedaan had, werd zeker door een verklikt. Wie deed dat?”„Mijn schrift verklikte me. Geen mensch schreef zoo slecht als ik, en aan dat schrift zag Meester dadelijk, dat ik dat moois gemaakt had.”„En toen?”„Toen werd ik van school gejaagd!”„Ei, ei, en verder?”„Kwam ik hier in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en bij mijnen goeden baas.”„Zoo, die goede baas ben ik zeker?”„Ja, baas!”„Nu, ik wil wel zeggen, Michieltje, als ge het hier niet beter gaat aanleggen, en het iederen dag zoo van eieren blijft maken, dat ge hier ook weggestuurd wordt! En dat zoudt gij toch zeker wel niet willen, hé?”„Ja, baas, heel graag!”„Wat, heel graag, jongen? Zijt gij dan hier niet goed, en verdient gij niet eenen schelling in de week?”„Ja, baas!”„Neen, baas, moest gij eigenlijk zeggen, want geverdientgeenen schelling! De Heeren Lampsensgeveneenen schelling, want ik weet niet hoe dikwijls wel, dat in een schoft het wiel stil staat!”„Het draait ook zoo stroef, baas!”„Wat stroef! Dat komt omdat gij er geenen zin in hebt, en liever heele dagen langs de straat loopt slenteren. Gij zult me een kerel worden, ja! Een luie baliekluiver, een bedelaar, een spinhuisbrok of galgeman!”„Neen, baas, dat word ik niet!”„Ei, wat ge zegt! Wordt ge dat alles niet? Och, dan toch! En wat denkt de brave jongen dan, dat hij worden zal?”„Als ik maar overal aan den wal weggejaagd word, dan zullen ze me wel gaan laten varen, baas! En, dàt weet ik zeker, op zee word ik wat!”„Ja, pluimgraaf, wat anders?”„Er zijn veel baantjes aanboord, baas!”„Veel baantjes! O ja, er is zelfs een Admiraal, en in uw suffend brein is het op eenen mooien avond opgekomen, dat het Admiraals-baantje voor eenen Vlissingschen straatjongen zijn zou. Eene goede verbeelding en een kurken geweten, dan drijft ge naar Breskens! Ha, ha! Als gij Admiraal wordt, dan word ik nog wel Stadhouder! Zoo’n kwajongen, zoo’n luie deugniet, die driemaal van de school en ik weet niet hoe dikwijls van zijnen baas gejaagd is, zou Admiraal worden! Als ik in uwe plaats was, dan zou ik zulk moois maar niet meer droomen en liever overdag de handen uit de mouw steken, dan hebt gij des avonds te veel slaap om aan zulke malle dingen te denken.”„Hoor eens, baas, droomen....”„Zwijg, jongen! daar slaat de klok! Het schoftuur is om, en het wiel wacht. En wat ik zeggen wil, niet zoo horten en stooten en zoo ongelijk draaien als gisteren, hoor!”„Neen, baas! Maar luister eens! Die droomen!”„Ga aan het werk, luiwammes,” riep de baas en hield nu werkelijk in ernst het „end” gereed om hem op eene gevoelige manier naar het werk te drijven.Michiel ging, doch bromde: „Ook al zoo’n beul, ja! En hij wil niemendal van mijn droomen weten; maar waaris het toch dat ik gedroomd heb, dat ik Admiraal was geworden.”Dit gesprek had plaats te Vlissingen in de lijnbaan van de Heeren Lampsens, en wel tusschen den meesterknecht in die baan, door het werkvolk gewoonlijk baas genoemd, en eenen elfjarigen knaap.Men schreef het jaar 1618.De knaap zag er voordeelig uit, althans wat zijn lichaam aangaat. Hij was niet heel lang, maar ook niet kort, doch breed geschouderd. De gezondheid lag op zijne dikke, blozende wangen en de vroolijkheid en levenslust keken uit zijne guitige, bruine oogen. Dat hij ook wel kracht moest hebben, bleek uit zijne gespierde vuisten, die nu juist voor kindervuisten niet zoo heel sierlijk stonden. Zijne plunje was anders. Zoo voordeelig zijn lichaam er uitzag, zoo ellendig zag de kleeding er uit. Men kon zoo zien, dat hij vast niet de oudste was van de broeders, en dat de afleggertjes van den oudsten op één na, wat voor hem verknipt waren geworden. En voor dien oudsten op één na alweer, waren ze verknipt geworden van afleggertjes van den oudsten. Niet pleizierig voor Michiel. Zijn jonger broertje was er beter aan toe. Van Michiels lijf gingen ze regelrecht naar de lorrenmand; hiervoor zorgde Michiel wel, want wat hem aan het lijf kwam, was, lang vóór hij er uitgegroeid was, al op en versleten.De naam van den knaap, die zulk een baasje was en die alles zoo stuk maakte was Michiel Adriaensz. Nu was zijn Moeders Vader evenwel ruiter in Staatschen dienst geweest, en Moeder Alida Jans was daar niet weinig trotsch op, zoodat ze haren man oorlof vroeg den derden jongen nog den bijnaam van De Ruyter te geven. Vader Adriaen had er ook niemendal tegen en de koster, die bij den doop van Michiel den naam van het kind in het doopboek schreef, had er evenmin wat tegen om achter Michiel Adriaensz. nog De Ruyter te zetten. En als de koster er niets tegen had,wie zou het dan beletten? De Magistraat bemoeide zich met zulke dingen niet. Wie trouwen wilde, liet dat in de kerk doen, en de koster schreef in het trouw-register de namen der gehuwden en van de getuigen op. Was er iemand gestorven, dan moest men alweer bij den koster terecht komen; want deze moest voor een graf in de kerk of op het kerkhof, dat buiten de kerk lag, zorgen. In het begrafenis-register kon men dus de namen der overledenen vinden. Geboorten, huwelijken en begrafenissen gingen alle door de handen van den koster, zoodat deze betrekking eene zeer gewichtige was, en gewoonlijk bekleed werd door iemand, die onder de voornaamste burgers der stad gerekend werd. Laurens Jansz., die de boekdrukkunst uitvond, of zoo hij dat niet gedaan heeft, dan toch denkelijk een van de eerste boekdrukkers in ons land was, kreeg den bijnaam van Koster, omdat hij koster van de Sint-Bavokerk te Haarlem was. En van hem vinden we opgeteekend, dat hij Lid van de Regeering zijner vaderstad was. Men noemde dat toen, Lid van de Vroedschap, en de Vroede of wijze mannen waren daarom degenen aan wie het Bestuur eener plaats opgedragen was.Zoo heette dus onze jonge, maar gespierde schelm Michiel Adriaensz. De Ruyter.Dat zijne Ouders niet zoo heel veel pleizier van hem hadden, is ons reeds gebleken, en het zou ons niet verwonderen als de zachtzinnige Alida Jans menige traan gelaten heeft over dat kind, dat naar haren Vader heette. Wel dikwijls zal zij de toekomst voor hem donker ingezien hebben. Het was toen toch ook al evenals nu, dat er van eenen straatjongen zelden iets anders groeit dan een man, die, als hij sterft den eersten dienst aan de maatschappij doet, en van wien men dan, misschien onbarmhartig genoeg, zegt: „Dat zal eene opruiming geven!”Toch hield Michiel zielsveel van zijne Moeder, en nooit zou hij ook haar iets voorgelogen hebben. Tegenover zijneMoeder loog hij nooit. Ja, men zegt dat hij zelfs nooit loog en altijd rond voor de waarheid uitkwam, al wist hij dan ook vooraf, dat er voor hem een pak slaag op zat.

„Michiel!”

„Ja, baas!”

„Waar ben je heel den tijd geweest?”

„Wel, baas, ik heb, ik heb....”

„Ja, ja, ik begrijp wat er volgen zal! Ge zoekt weer uitvluchten en leugens om jezelven te dekken.”

Op deze woorden toog een gloeiend rood over de gezonde wangen van den flinken knaap; zijne oogen fonkelden en bijna op driesten toon, antwoordde hij: „Wanneer heb ik u wat voorgelogen, baas! Ik jok niet om eene kleinigheid en om geene grootigheid ook!”

De man, die als „baas” aangesproken werd, keek den eergevoeligen knaap verstoord aan, doch toen het scheen, dat hij hem eenen draai om de ooren zou geven, bedacht hij zich. Het was zoo! Welk een ondeugd de knaap ook mocht zijn, met leugens had hij zich nooit opgehouden. Hij was wáár, op brutaal-worden af. Daarom trok hij de hand terug en zeide wat minder nijdig, dan de knaap wel verwacht scheen te hebben: „Gij jokt nooit, ja, dat weet ik; maar met waarheid spreken, redt een dief zich niet van de galg.Orde en tucht moeten er zijn. Spreek op, waar hebt gij weer zoo lang gezeten,Michiel?”

„Ik heb niet gezeten, baas,” sprak Michiel, die zijne verstoordheid opeens vergeten was. „Gezeten? Alles behalve! Ik heb eene pret gehad, nog zoo!”

„Pret hebben, als men werken moet, komt niet te pas, zou ik zoo meenen!”

„Neen, baas!”

„Ei, bekent gij zelf, dat er wat meer gewerkt moet worden en wat minder gespeeld?”

„Ja, baas!”

„Goed, als gij er dan voortaan maar aan denkt. En met welke jongens zijt gij nu alweer aan den slag geweest?”

„Wel, baas, met dat malle negertje, Jan Kompanjie, met Geleyn Evertsen en Pieter Evertsen; met....”

„Houd op! Het zijn me de kameraden wel, ja! Allemaal kanonnen- en sabelvoer.”

„Kanonnen- en sabelvoer? Wat is dat, baas?”

„Wat dat is? Volkje voor de oorlogsschepen of voor de schepen van de Compagnie!”

„Zou u dat denken, baas? Zou ik goed voor het schip zijn?” riep de knaap en zijne oogen tintelden van genot.

„Ja, goed voor het schip, nergens anders voor!”

„O, baas, zeg dat tegen Vader en Moeder, dan laten ze me zeker naar het schip gaan. De zee is mijn lust en mijn leven. Geen beter en vrijer leven dan met eene houten aarde onder de voeten op de baren te dansen.”

„Men zou zoo zeggen, dat gij er al heel wat van af weet! Ja, ik zie je naar zee gaan en drie maanden later alweer bij Moeders pappot zitten. Ze hebben aanboord een taai eindje, weet je dat wel?”

„Een eindje knut, hé, baas? Dat gaat er van langs op het broekje! En schreeuwen dat die matrozen dandoen! Zoo hard kunnen ze niet trommelen of men hoort hen boven alles uit. Zulk een taai ding moet erg pijn doen!”

„Of het! En dat kreeg je stellig eens in de week!”

„Ik, baas, ik?”

„Ja, wie anders? Aanboord kunt gij zulke kunsten niet uithalen, als hier in de lijnbaan, hoor! Dat gelijkt er niet naar!”

„Willen we eens wedden, baas!”

„Wat zoudt gij wedden?”

„Dat ik, als ik maar op zee ben, nooit straf krijg. Willen we?”

„Ik wed niet, jongen!”

„Ook goed! Maar gij zult zien, dat ik aanboord goed oppas. Toe, wilt ge bij Vader en Moeder een goed woordje voor mij doen? Een van de Heeren Lampsens zal me wel als kajuitsjongen of als lichtmatroos op een van hunne schepen willen nemen.”

„Dat geloof ik nog zoo gauw niet. De Heeren hebben fatsoenlijk en best volk in hunnen dienst, waarbij een straatjongen past, als het vijfde wiel aan eenen wagen! Neen, mannetje, uw zondenboekje is al veel te vol. En dan, wat moet er van zulk eenen, als gij er een zijt, aan boord worden?”

„Een Admiraal, baas!”

De baas schoot in eenen luiden lach, en riep: „Een Admiraal! Ha, ha! Hoe komt gij daaraan?”

„Ik heb het gedroomd, baas!”

„Ja, gedroomd, een mensch kan zooveel droomen!”

„Het is toch zoo, baas! Toen ik bij Meester Van Gelder ook van school gejaagd was en des avonds met een warm broekje, dat Vader me aangepast had, zonder eten naar bed was gegaan, lag ik eenen heelen tijd wakker en dacht: „Ewouts, Worst, De Moor, Sebastiaan De Lange en Piet Hein zijn van gemeen matroos wel opgeklommen tot Vlootvoogdenof Bevelhebbers van schepen. Piet Hein leeft nog en zal het wel verder brengen dan Kapitein op eenen koopvaarder. En wat nu Piet Hein en die vier Zeeuwsche jongens konden worden, zoo ver kan ik het ook wel brengen. Zóó dacht ik aan varen, en voor dat ik sliep, droomde ik al en zag ik mijzelven met eenen pluimhoed op het achterschip staan!”

„Dat is geen droomen! Dat is denken!”

„Niet, baas? En als ik het wiel laat stilstaan, dan roept u: „Jongen, staat toch niet zoo te droomen!””

„Nu ja, doch dan bedoel ik suffen. Maar wat ik vragen wil: kunt gij wel lezen en schrijven? Ik wed van neen!”

„Ei, baas, nu heeft u het glad mis! Al werd ik wel driemaal van school gejaagd, geleerd heb ik toch wat! Het is vreemd met mij, baas, maar al lette ik nog zoo slecht op, ik wist toch altijd, wat Meester zeide. Ha, ha, als ik zoo rond zat te kijken, het liefst naar het torenhaantje, dan was het opeens: „Michiel, wat heb ik gezegd?” Dan schrikte ik wel even, maar toch gaf ik altijd een goed antwoord. De baas kon mij niet vangen.”

„Maar wat hadt ge toch met dat torenhaantje uitstaan?”

„Ik was jaloersch er op, baas! Ik dacht zoo: Kijk eens, zoo’n doode haan staat daar zoo hoog, zóó hoog dat hij Engeland wel zou kunnen zien, als hij zien kon, en ik, die goede oogen heb, zit zoo laag, zóó laag dat ik niets anders zie dan vier witte muren! Zat die malle haan maar hier en was ik maar daar in de hoogte! Wat zou ik mijnen oogen den kost geven! Hé!”

Dat „Hé” kwam er zóó natuurlijk uit, dat de touwslagersbaas terstond begreep, dat die wensch, hoe dwaas ook, toch oprecht gemeend was.

„Maar waarom zijt gij dan van school gejaagd? Zat er dan heelemaal geen oppassen in?”

„In het eerst paste ik wel op, maar later liep dat mis, toen was ik geen „zoete” jongen meer!”

„In het eerst wel en later niet? Hoe kwam dat?”

„Dat zal ik u vertellen, baas. Toen ik voor den tweeden keer van school gejaagd was, zei Vader tegen Moeder: „Alida, wat nu?”

„Ja, wat nu?” vroeg Moeder.

„Ja, net, wat nu? vroeg Vader alweer.

„Ja, juist man, wat nu?” vroeg Moeder.

„Toen Vader en Moeder zoo mooi „nuden” begon ik hard te lachen; maar Vader, die behalve over mij nog over vier van mijne broêrs en zes van mijne zusters te regeeren heeft....”

„Zijt gij wel mal, jongen? Hebt ge nog vier broêrs en zes zusters?”

„Ja, baas! Het is er precies één meer dan eenen mudzak vol, zegt Vader! Maar ik wilde zeggen, dat Vader onder zulk eene bende goed orde heeft leeren houden. Zoodra ik begon te lachen, kwam hij op me af, legde mij over de knie en gaf mij met zijne groote handen een pak voor het broekje, baas, niet zuinig, hoor! Jongens, het ging er zoo van langs. De tamboer van het halve vendel, dat hier ligt, kan zoo vlug niet roffelen als hij!”

„Dan zult gij het terdege gevoeld hebben!”

„Of ik, baas!”Maar toen Vader eindelijk zoo geroffeld had, dat er aan ieder van zijne haren een druppel zweet hing, zette hij mij neer en vroeg aan Moeder weer: „Ja, wat nu, Alida?”

Ik stak mijnen duim in den mond en beet er haast een stuk van om niet in eenen lach te schieten, toen Moeder ook al weer vroeg: „Ja, juist, wat nu, Adriaen?”

Vader keek eens even naar het hoekje waar ik stond, doch ik hield me goed en lachte niet.

„De kwâjongen is toch nog te jong om hem al van school af te nemen. Hij kan amper zijnen naam schrijven! Wat denkt ge er van, als we het nog eens probeerden bij Meester Van Gelder?”

„Ja, Adriaen, dat zal wel het beste zijn,” sprak Moeder.

„Nu, dan ga ik er dadelijk op uit! Meê, Michiel!”

Vader stapte de deur uit en ik ging hem achterna, en toen we eindelijk in school kwamen, zei Vader: „Meester, hier is een jongen, die al van twee scholen gejaagd is! Ik zou hem nu nog eens bij u op de proef willen geven! Maar, u zal wel weten, dat ik maar een bierdrager ben, en elf kinderen heb, dus schappelijk maken met het schoolgeld, alsjeblief!”

Meester Van Gelder legde de handen op zijn hoofd, liet ze glijden langs zijne wangen, zijne borst, zijnen buik tot op zijne knieën, en toen hij zoo ver gekomen was, ging hij weer rechtop staan en zei: „Als ik hem eens voor niemendal nam?”

„Wel, dat zou me lijken,” sprak Vader opgeruimd.

„Jawel, jawel,” vervolgde Meester, „maar dan moet hij tusschen schooltijd boodschappen voor mij doen of krijtzagen, borden schoon maken, tafels recht zetten, messen slijpen voor mijne vrouw, turf halen, hout hakken, vloer aanvegen en opdweilen, kaarsenblokken schoonmaken, ragen, ruiten wasschen, het plaatsje schuren, en in den winter des Zondags driemaal eene stoof voor mijne vrouw in de kerk brengen!”

„Nu,” zei Vader, „de jongen moet leeren werken, u kan hem krijgen, Meester!”

Zoo kwam ik daar op school, en ik moet zeggen: in het eerst had ik er nog al pret in, maar op het laatst werd ik het mooi zad, dat begrijpt ge! Ik begon daarom alles heel slecht te doen. De boodschappen liet ik met opzet in de modder vallen; de messen sleep ik blank, maar zóó bot, dat men er geene brij mee snijden kon, en het turfkooltje in de vuurtest hield ik, als ik de stoof naar de kerk bracht, en als het regende, even onder een gootje en liet het kooltje uitdooven. Het laatste was, dat ik het kleine kind, dat ik altijd inslaap wiegen moest, zoo hardwiegde, dat de arme hals over den grond rolde, als een bal, en eene keel opzette, alsof ze vermoord werd. Toen kreeg ik een pak slaag, mocht niemendal meer doen, en Vader moest beginnen met schoolgeld te betalen, en ik met slaag krijgen!”

„En zijt ge daar ook weggejaagd?”

„Ja, baas!”

„Wat hadt gij dan uitgevoerd?”

„Wel, ik had op het bord een tonnetje geteekend, en op dat tonnetje een menschenhoofd en onder dat tonnetje twee korte beentjes. Daaronder schreef ik: „Dat is de Meester!””

„En wie dat gedaan had, werd zeker door een verklikt. Wie deed dat?”

„Mijn schrift verklikte me. Geen mensch schreef zoo slecht als ik, en aan dat schrift zag Meester dadelijk, dat ik dat moois gemaakt had.”

„En toen?”

„Toen werd ik van school gejaagd!”

„Ei, ei, en verder?”

„Kwam ik hier in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en bij mijnen goeden baas.”

„Zoo, die goede baas ben ik zeker?”

„Ja, baas!”

„Nu, ik wil wel zeggen, Michieltje, als ge het hier niet beter gaat aanleggen, en het iederen dag zoo van eieren blijft maken, dat ge hier ook weggestuurd wordt! En dat zoudt gij toch zeker wel niet willen, hé?”

„Ja, baas, heel graag!”

„Wat, heel graag, jongen? Zijt gij dan hier niet goed, en verdient gij niet eenen schelling in de week?”

„Ja, baas!”

„Neen, baas, moest gij eigenlijk zeggen, want geverdientgeenen schelling! De Heeren Lampsensgeveneenen schelling, want ik weet niet hoe dikwijls wel, dat in een schoft het wiel stil staat!”

„Het draait ook zoo stroef, baas!”

„Wat stroef! Dat komt omdat gij er geenen zin in hebt, en liever heele dagen langs de straat loopt slenteren. Gij zult me een kerel worden, ja! Een luie baliekluiver, een bedelaar, een spinhuisbrok of galgeman!”

„Neen, baas, dat word ik niet!”

„Ei, wat ge zegt! Wordt ge dat alles niet? Och, dan toch! En wat denkt de brave jongen dan, dat hij worden zal?”

„Als ik maar overal aan den wal weggejaagd word, dan zullen ze me wel gaan laten varen, baas! En, dàt weet ik zeker, op zee word ik wat!”

„Ja, pluimgraaf, wat anders?”

„Er zijn veel baantjes aanboord, baas!”

„Veel baantjes! O ja, er is zelfs een Admiraal, en in uw suffend brein is het op eenen mooien avond opgekomen, dat het Admiraals-baantje voor eenen Vlissingschen straatjongen zijn zou. Eene goede verbeelding en een kurken geweten, dan drijft ge naar Breskens! Ha, ha! Als gij Admiraal wordt, dan word ik nog wel Stadhouder! Zoo’n kwajongen, zoo’n luie deugniet, die driemaal van de school en ik weet niet hoe dikwijls van zijnen baas gejaagd is, zou Admiraal worden! Als ik in uwe plaats was, dan zou ik zulk moois maar niet meer droomen en liever overdag de handen uit de mouw steken, dan hebt gij des avonds te veel slaap om aan zulke malle dingen te denken.”

„Hoor eens, baas, droomen....”

„Zwijg, jongen! daar slaat de klok! Het schoftuur is om, en het wiel wacht. En wat ik zeggen wil, niet zoo horten en stooten en zoo ongelijk draaien als gisteren, hoor!”

„Neen, baas! Maar luister eens! Die droomen!”

„Ga aan het werk, luiwammes,” riep de baas en hield nu werkelijk in ernst het „end” gereed om hem op eene gevoelige manier naar het werk te drijven.

Michiel ging, doch bromde: „Ook al zoo’n beul, ja! En hij wil niemendal van mijn droomen weten; maar waaris het toch dat ik gedroomd heb, dat ik Admiraal was geworden.”

Dit gesprek had plaats te Vlissingen in de lijnbaan van de Heeren Lampsens, en wel tusschen den meesterknecht in die baan, door het werkvolk gewoonlijk baas genoemd, en eenen elfjarigen knaap.

Men schreef het jaar 1618.

De knaap zag er voordeelig uit, althans wat zijn lichaam aangaat. Hij was niet heel lang, maar ook niet kort, doch breed geschouderd. De gezondheid lag op zijne dikke, blozende wangen en de vroolijkheid en levenslust keken uit zijne guitige, bruine oogen. Dat hij ook wel kracht moest hebben, bleek uit zijne gespierde vuisten, die nu juist voor kindervuisten niet zoo heel sierlijk stonden. Zijne plunje was anders. Zoo voordeelig zijn lichaam er uitzag, zoo ellendig zag de kleeding er uit. Men kon zoo zien, dat hij vast niet de oudste was van de broeders, en dat de afleggertjes van den oudsten op één na, wat voor hem verknipt waren geworden. En voor dien oudsten op één na alweer, waren ze verknipt geworden van afleggertjes van den oudsten. Niet pleizierig voor Michiel. Zijn jonger broertje was er beter aan toe. Van Michiels lijf gingen ze regelrecht naar de lorrenmand; hiervoor zorgde Michiel wel, want wat hem aan het lijf kwam, was, lang vóór hij er uitgegroeid was, al op en versleten.

De naam van den knaap, die zulk een baasje was en die alles zoo stuk maakte was Michiel Adriaensz. Nu was zijn Moeders Vader evenwel ruiter in Staatschen dienst geweest, en Moeder Alida Jans was daar niet weinig trotsch op, zoodat ze haren man oorlof vroeg den derden jongen nog den bijnaam van De Ruyter te geven. Vader Adriaen had er ook niemendal tegen en de koster, die bij den doop van Michiel den naam van het kind in het doopboek schreef, had er evenmin wat tegen om achter Michiel Adriaensz. nog De Ruyter te zetten. En als de koster er niets tegen had,wie zou het dan beletten? De Magistraat bemoeide zich met zulke dingen niet. Wie trouwen wilde, liet dat in de kerk doen, en de koster schreef in het trouw-register de namen der gehuwden en van de getuigen op. Was er iemand gestorven, dan moest men alweer bij den koster terecht komen; want deze moest voor een graf in de kerk of op het kerkhof, dat buiten de kerk lag, zorgen. In het begrafenis-register kon men dus de namen der overledenen vinden. Geboorten, huwelijken en begrafenissen gingen alle door de handen van den koster, zoodat deze betrekking eene zeer gewichtige was, en gewoonlijk bekleed werd door iemand, die onder de voornaamste burgers der stad gerekend werd. Laurens Jansz., die de boekdrukkunst uitvond, of zoo hij dat niet gedaan heeft, dan toch denkelijk een van de eerste boekdrukkers in ons land was, kreeg den bijnaam van Koster, omdat hij koster van de Sint-Bavokerk te Haarlem was. En van hem vinden we opgeteekend, dat hij Lid van de Regeering zijner vaderstad was. Men noemde dat toen, Lid van de Vroedschap, en de Vroede of wijze mannen waren daarom degenen aan wie het Bestuur eener plaats opgedragen was.

Zoo heette dus onze jonge, maar gespierde schelm Michiel Adriaensz. De Ruyter.

Dat zijne Ouders niet zoo heel veel pleizier van hem hadden, is ons reeds gebleken, en het zou ons niet verwonderen als de zachtzinnige Alida Jans menige traan gelaten heeft over dat kind, dat naar haren Vader heette. Wel dikwijls zal zij de toekomst voor hem donker ingezien hebben. Het was toen toch ook al evenals nu, dat er van eenen straatjongen zelden iets anders groeit dan een man, die, als hij sterft den eersten dienst aan de maatschappij doet, en van wien men dan, misschien onbarmhartig genoeg, zegt: „Dat zal eene opruiming geven!”

Toch hield Michiel zielsveel van zijne Moeder, en nooit zou hij ook haar iets voorgelogen hebben. Tegenover zijneMoeder loog hij nooit. Ja, men zegt dat hij zelfs nooit loog en altijd rond voor de waarheid uitkwam, al wist hij dan ook vooraf, dat er voor hem een pak slaag op zat.


Back to IndexNext