TWEEDE HOOFDSTUK.

TWEEDE HOOFDSTUK.Een straatjongens-daagje.Op den morgen van dien dag was hij naar de lijnbaan gegaan, doch ontmoette onderweg Geleyn en Pieter Evertsen, zoons van eenen visscher, die zoo nu en dan ook wel eens ten oorlog voer en er dan wakker op sloeg. Dat hadden de Spanjaarden in 1607 bij Gibraltar en in nog vroegere jaren, op andere plaatsen, duchtig ondervonden. En dat klappen deelen en vechten zat er bij zijne twee zoons ook al vroeg in. Pieter was een jaar ouder dan Michiel en Geleyn was even oud, dus juist jongens voor onzen bierdragerszoon om er samen op uit te gaan.„Zeg, hei, Michiel, waar gaat dat op zulk een sukkeldrafje heen?” had Pieter gevraagd toen Michiel hem voorbij kwam.„Ik? Wel waar anders heen dan naar de lijnbaan!”„Kom, ga met ons mee!”„Neen, dat gaat niet, jongens!”„Zijt gij bang dat de lijnbaan wegloopen zal, als gij eens een keertje doet, alsof er op heel de wereld geene lijnbaan is?”„Neen, dat niet!”„Nu, waarom gaat gij dan niet mee?”„Wel, Vader is tegenwoordig zoo hardhandig en hij slaat er zoo gauw op! Als hij mij eens op straat zag, dan zou er vanmiddag weer zoo even wat op zitten!”„Zien? Wat geeft dat? Gij zegt maar, als hij wat vraagt,dat gij eene boodschap voor den meesterknecht moet doen,” zeide Geleyn, die nog geen woord gesproken had.„Denkt gij dan dat ik om een pak slaag mis te loopen eene leugen verzinnen zal?” vroeg Michiel.„Dat moet gij weten! Ik verzin er wel tien voor!” zeide Geleyn, zoo onverschillig mogelijk.„En ik wel twintig!” riep Pieter.Daar sloeg de Sint Jacob negen uren.„Het klokje van gehoorzaamheid, manneke! En al loopt gij nu ook het vuur uit de sloffen, er is geen kijk meer op om op den bepaalden tijd op het werk te zijn. Waarom zoudt gij niet met ons medegaan? We zullen pret hebben, Michiel, heel wat pret ook,” zeide Pieter vleiend en hield Michiel al bij de gelapte mouw van het versleten wambuis vast.Michiel aarzelde en vroeg: „En waar gaat gij dan die groote pret uithalen? Kom, zeg op! Op het hoofd of op den Westdijk?”„Neen, we gaan naar de rijsbermen buiten den Westdijk om krabbetjes te vangen,” antwoordde Pieter.„Hè, hè, daar alle drie staan! Michiel een, Geleyn twee, Pieter drie! Dat drie brave jongens zijn,” klonk op eenmaal de stem van eenen anderen jongen, die juist het hoekje van de straat omsloeg.Het was een negerknaap, die hier in het begin van April met een schip aangekomen was. Nog eenige dagen dan ging hij weer heen; maar, eer hij Vlissingen verliet, moest hij eerst gedoopt worden. De Heeren Lampsens, van wie het schip was waarmede de negerknaap vertrekken zou, stonden er op, dat hij geen heiden zou blijven, en daarom hadden zij hem bij eenen Domine op de catechisatie gedaan, waar hij tot groot vermaak van al de jongens, die er ook op gingen, in zijn Neger-Hollandsch zijne wijsheid uitkraamde. Michiel, Geleyn en Pieter hadden bij zijne aankomst zich dadelijk van hem meester gemaakt enonder hunne leiding leerde hij nu niet zoo heel veel moois.„Waar gaat gij naar toe, sausneger?” vroeg Pieter.„Negersaus, jij nog zeggen moet eens, dat ik ben negersaus,” antwoordde de negerknaap, die den naam van Jan Kompanjie gekregen had en onder dien naam ook op de scheepsrol der Heeren Lampsens en in het doopboek ingeschreven zou worden.„Negersaus,” riep Pieter lachend. „Zeer goed spreken! Is me dat eene taal? Is dat negertaal soms?”„Neen, Hollandsch is, goed Hollandsch. Maar dat Vlissingers, dat spreek zoo raar, niet verstaan ik!”„Goed, goed,” zeide Michiel. „Zeg maar waarheen gij gaat!”„Ikke ga naar de schippe! Ikke daar moet schuren de dek met bezem en dweil! Zjjjt, zjjjt!” zeide Jan het geluid van den bezem nabootsende.„Gij zijt een wonder van eenen braven, gehoorzamen jongen,” spotte Michiel.„Dat de Domine ook zegt!”„Loop, dat zal de Domine zeggen en ge zijt verleden week nog van de catechisatie gejaagd!” riep Geleyn.„En toch een wonder ben. Dominie zegt: jij aangedreven bent op het plank toen je op het zee, het groote zee, omgeven door die water, ging op en neer! Jij kwam bons met het plank, en niet bons met de hoofd tegen de schippe van de Heeren Lampsens. De Kapitein van die schippe braaf was, hij jou opneemt en brengt hier. Jij hier komt als een leelijke, vuile Heiden, en jij zal gaan weg als een mooie, gedoopte Christenknaap. Jij een wonder bent! Jan! Ja, heelemaal een mooi wonder. Dat Dominie gezegd heeft en dat waar is. Ikke Zondag gedoopt ben!”„Nu hoor, een wonder of geen wonder, braaf of niet braaf, alles gekheid. Gij gaat met ons mede om krabbetjes te vangen,” sprak Michiel, die de lijnbaan en het wiel, dat hem daar wachtte, reeds lang vergeten had.„Neen, ik naar de schippe moet!”„Wat naar het schip, gekheid!” riep Michiel.„Ja, zeker, ik anders stellig krijg met die touw voor die broekie, klets, klets! Dat pijn doet akelig pijn. Al gevoeld die touw op die broekie?”Deze laatste vraag gold Michiel, die al lachend antwoordde: „Neen, zulk een „eindje knut” is alleen voor sausnegertjes. En naar het schip, malligheid! Ik niet naar de baan, Jan Kompanjie niet naar het schip. Samen uit, samen thuis! Komaan, als hij niet wil, hem dan maar meegesleept, jongens!”Hoewel de negerjongen nu niet zulk een min ventje was, kon hij toch niet tegen die drie kwajongens op, en liet zich een heel eind meesleuren.„Houd oppe met dat ruk en dat trek! Ik loop zal wel,” riep Jan eindelijk uit, daar hij het rukken en trekken en heen- en weergooien, dat de jongens, onbarmhartige plaaggeesten, die ze waren, hem deden, spoedig zad werd.„Maar pas op, als gij drossen gaat, hoor,” zei Michiel, „want dan zullen we mekaêr eens even spreken door het oor van eene mande!”„Ik niet zal drossen. Ik meegaan zal, ik, als een braaf jongen,” antwoordde Jan, die geen plan meer had om naar zijn schip te gaan.En zoo gingen de vier knapen naar de rijsberm bij den Westdijk en zagen niemand, dien ze kenden en die hen verklikken kon.Neen, zij zagen niemand. Maar Vader Adriaen zag hen wel, en nam des middags uit de brouwerij al vast eene stevige rinkellat met zich om zijn zoontje, het aardige krabben-visschertje,eens even te spreken.De jongens bleven daar spelen tot het twaalf uren sloeg en gingen toen naar huis.„Zoo, Michiel,” zei Vader, „gij zijt er vroeg bij. Een vroegertje van den baas gehad?”„Neen, Vader!”„Zeker de klok niet gehoord en zoo maar op den gis naar huis gegaan, nietwaar?”„Neen, Vader!”„Weggestuurd dan soms?”„Neen, Vader!”„Dan een beetje aan den waterkant aan het spelen geweest met Geleyn en Pieter Evertsen en dien kleinen neger van het schip van de Heeren Lampsens?”„Ja, Vader!”„En veel pret gehad, mijn jongen?”„Ja, Vader, o zooveel pret!”„En wat hebt gij dan uitgevoerd?”„We hebben krabbetjes gevangen, Vader! En Jan, die geene krabben kende, pakte ze zoo maar beet en dan sloegen die dieren hunne scharen in zijne vingers! Ge hadt dat leelijke gezicht moeten zien, Vader!”„Zoo, jongen! En hoeveel krabbetjes denkt gij wel, dat ge gevangen hebt?”„Maar tien, Vader! Maar één was er bij zoo groot als mijne muts! Nog nooit zoo eene gezien!”„Jawel, daar zijn groote krabben ook, zoo wel als groote pakken slaag! Kom maar eens hier, ventje, en breng dat rinkellatje mede, dat daar in den hoek staat!”Michiel keek heel leelijk naar dat latje en zei: „Zal ik het maar eens even in het vuur onder de bruine boonen stoppen, Vader?”„Neen, jongen, het is te groot, ik zal het vooraf wel in kleine stukjes breken!”„Dat kan ik ook wel, Vader,” antwoordde Michiel en brak het latje al vast door.„Gij zijt sterk,” zei Vader, „breng mij die twee eindjes nu maar!”„Ze kunnen er anders nu wel al onder, Vader!”„Komt gij nu hier, bengel,” riep Vader terwijl hij verstoord de vuisten balde en gereed was, den deugniet deze te laten voelen.Nu durfde Michiel niet langer wachten. Hij bracht de eindjes lat bij zijnen Vader en....Michiel schreeuwde huizen hoog! Zoo had hij nog nooit voor de broek gehad.„Vader, Vader, houd toch op,” klaagde en smeekte Moeder Alida en wilde de hand van haren man tegenhouden.„Laat los, Alida! Deze eindjes zullen op zijne broek aan stukken of mijn naam is geen Adriaen. Zoo’n schandaal van eenen jongen. Het kwaad moet er uit....”„Maar Vader, houd dan toch op,” herhaalde Moeder Alida, wier bleeke wangen nog akeliger bleek van angst en medelijden werden.„Klets-klets! Het kwaad zal er uit!”„Houd nu op, Adriaen! De jongen kan niet meer schreeuwen. Hij zal nog stikken van angst,” riep Moeder, zichzelve niet langer meester.„Klets-klets! Eerst de latjes kapot, dan is de zaak gezond, vrouw! Ik houd er van om maar ineens een goed pak te geven! Klets-klets!”„Hei, hei, Adriaen, dat gaat hier op den dood af,” klonk eensklaps eene stem.De vertoornde Vader zag op, hield op met slaan, zette Michiel neer, stond op en zeide beleefd: „Uw dienaar, Sinjeur Seylmaecker.”Michiel stond er akelig bij. Verdwenen was de gezonde en blozende kleur van zijne wangen en het had werkelijk al den schijn, dat hij op het punt stond om het van pijn te besterven.De binnentredende keek hem vol medelijden aan en zeide: „Breng uwen jongen even buiten, Moeder, en laat hem wat koud water drinken. Hij is bijna vermoord.”Hierop wendde hij zich tot den vertoornden Vader en sprak: „Wie zijnen zoon lief heeft, spaart de roede niet, denkt ge zeker! Maar zeg eens, Adriaen, zoudt gij zelf zulk een pak slaag wel willen ontvangen?”„Voor geene honderd schellingen, Sinjeur!”„En waarom geeft gij het dan aan uwen jongen?”„Sinjeur, die jongen is een nagel aan mijne doodkist! Ik bega nog een ongeluk aan hem,” sprak de Vader en smeet de twee stukken rinkellat op het vuur.„En wat kwaads heeft hij dan nu weer uitgevoerd?”„Hij is driemaal van school gejaagd, Sinjeur! Nu is hij in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en doet zijn best daar ook vandaan gejaagd te worden. Ieder oogenblik gaat hij inplaats van aan zijn werk met zijne kornuiten spelen. Hij heeft me dat vanmorgen alweer gelapt! Maar het kwaad zal er uit en het kwaad moet er uit!”„En zóó slaat gij het er in en al dieper in, Adriaen! Zulke jongens moeten op eene andere wijze gestraft worden.”Terwijl hij sprak trad Michiel, wankelend van pijn, aan de hand zijner ontstelde en diep bedroefde Moeder binnen.Hij zette zich op eene houten bank, doch daar het zitten hem te veel pijn deed, zoo stond hij dadelijk op en ging in het vensterkozijn leunen.Sinjeur Seylmaecker ging op hem af, legde hem de hand op den schouder en sprak op vriendelijken toon: „Jongen, jongen, wat moet er van u terecht komen?”„Ik wil varen, Sinjeur, en dan zal ik wel goed oppassen,” antwoordde Michiel, die den Heer wel kende, daar deze een voornaam handelaar en Schepen in de Vroedschap was. Hij was een streng Heer en Michiel zag hem op straat altijd liever gaan dan komen, doch nu was hij den Vroeden man in zijn hart recht dankbaar, dat hij gekomen was; want zijne komst toch had een einde gemaakt aan de vaderlijke kastijding. Wie weet of anders die houtjes, die nu zoo lustig brandden en de boonen bijna uit den pot deden springen nog niet op zijne broek dansen zouden.„Komaan, zoudt gij zoo graag willen varen? Is er wat tegen, Adriaen?” Deze laatste vraag gold niet meer den zoon, maar den Vader, wiens woede nog niet geheel bekoeld scheen.„Bij mij in het minst niet, Sinjeur,” luidde Vaders antwoord. „Maar, daar aanboord zal de bengel er nog anders van lusten. Ravallen en kielhalen zit er voor hem op.”„Dat zou voor mij de groote vraag zijn, Adriaen,” hernam Sinjeur Seylmaecker. „Het is meer gezien: wie aanwal een bengel is, wordt aanboord een engel. Ik zou het er gerust op durven wagen en zelfs moed hebben, dat er wat goeds uit den bengel groeien zou. Heeft u er iets tegen, Moeder Alida? Is er bij u bezwaar?”De teerhartige Moeder keek den vriendelijken koopman aan en zeide: „Bij mij bestaat wel bezwaar, Sinjeur, en groot bezwaar ook, ik wil het niet ontveinzen. Zie, als hij ruiter in Staatschen dienst wilde worden, zooals mijn Vader zaliger is geweest, dan zou ik zeggen: ga, jongen! Een mensch z’n zin, een mensch z’n leven! Maar, als matroos het zeegat uit, praat er mij niet van, Sinjeur, praat er mij niet van! Ik zou het besterven.”„Maar hoor nu eens even, Moeder Alida! Gij zegt daar: een mensch z’n zin, een mensch z’n leven. Als ge dát meent, dan moet ge er ook niet tegen zijn, dat die schavuit daar, het zeegat uitgaat! Dat schijnt nu eenmaal zijn zin te zijn.”„Jawel, Sinjeur, maar ik zei dat zoo maar bij manier van spreken! Wat zou er van hem aanboord terecht komen? Er is onder het matrozen-volk raar goedje, Sinjeur!”„Dat is zoo, Moeder Alida! Maar als hij nu eens eenen goeden zeevader had?”„Wat is een zeevader, Sinjeur?”„Dat is een man aanboord, die over een paar jongens gesteld is om die voor zeeman op te leiden.”„Ja, Sinjeur, dan zou het wat anders zijn. Maar waar vindt men eenen goeden zeevader?”„Wel, aanboord van de „Lijnbaan” is....”„Is dat het schip van de Heeren Lampsens, Sinjeur?”„Juist, Moedertje! En daar aanboord is de „Barre Bruinvisch” Bootsman!”„De „Barre Bruinvisch”? Is dat Corstiaen Lievensz.?”„Neen, het is zijn broêr Cornelis. En ik sta er u voor in, als onze maat dien „Barren Bruinvisch” tot zeevader heeft, dat hij aanboord wel alle leelijke grapjes uit het hoofd zal laten!”„Ik heb u immers gezegd, Sinjeur, dat ik aanboord wel oppassen zou en geene grapjes uithalen,” zeide Michiel, die al hoopte, dat Moeder overwonnen was.„Wil ik er eens met eenen van de Heeren Lampsens over spreken?” vroeg het heerschap.„Och, neen, neen, Sinjeur! Doe het maar niet, alsjeblieft! Na het pak, dat hij zoo even gehad heeft, zal hij nu wel oppassen! Nietwaar, Michiel, mijn jongen?”Michiel zweeg en liet zijne lip, zooals men dat wel eens zegt, op het derde knoopsgat hangen.„Hij zegt er niet gauw ja op, Moeder Alida! Maar, ik wil u niet dwingen! Ik kwam ook niet om over dien bengel te spreken. Ik kwam een vaatje bier bestellen!”„Alsjeblieft, Sinjeur!” zeide Adriaen.„Neen, geen alsjeblieft,” hernam Seylmaecker. „Ik zou dat eigenlijk moeten zeggen. Ik kom maar hier, omdat het kantoor van den Heer Allertsz. wel wat ver uit mijnen koers was, en ik hier toch voorbij moest.”„Jawel, Sinjeur, maar mijn Meester geeft me voor ieder vaatje bier, dat bij mij besteld wordt, eene kleinigheid. En alle beetjes helpen! Er is wat noodig, Sinjeur! Daar zitten ze alle elf, en drie ervan zijn nog maar aan de verdiensten, want Michiel, die bengel, telt niet mee, al is hij reeds in zijn elfde jaar.”Dit zeggende wees Vader Adriaen op zijne elf kinderen, die bij zichzelven dachten: „Wij wilden wel dat die Sinjeur maar heenging; de boonen zijn al lang gaar!”„Ja, man, er is veel brij noodig om al dien schelmen den mond te stoppen. Dus, als de lieden iets bij u bestellen, dan hebt gij er nog eenig voordeel bij?”„Ja, Sinjeur!”„Goed, dat ik het weet. Ik zal het mijnen kennissen ook zeggen. Nu ga ik heen, anders hebt gijlieden vanmiddag de boonen koud! Eet smakelijk samen!”„Dank u wel, Sinjeur,” zeiden Vader en Moeder.Bij de deur gekomen riep de goedhartige man met de klink in de hand: „En over dien bengel daar,”—hij wees op Michiel,—„zult gij nog wel eens denken, nietwaar? Goeden dag!”Hij schoof voorbij het raam en Vader Adriaen zei: „Hij ziet er zoo bar uit, en toch is hij een doodgoed man. Als alle menschen zoo waren, dan zou het leven voor een arm mensch nog al te dulden zijn.”„Wat hij anders van de zee vertelde, vond ik niet zoo goed,” zeide de Moeder.„Ja, vrouw, het schijnt dat gij aan de zee allerlei kwaads gezien of er een broertje aan dood hebt.”„Praat me niet van de zee! Ik begin al te beven als ik er aan denk.”„Beef dan maar niet zoo hard, dat de jongens en meiden in dien tusschentijd u al de boonen voor den neus weghalen. Die Michiel heeft er tenminste al een heel gat in geslagen. Wilt gij wel eens ophouden, kwâjongen! Dat eet als een uitgehongerde Leidenaar!”„Michiel denkt zeker: „Vader heeft alles naar onder geslagen, er moet boven op ook wat zitten, anders ligt de schuit niet vast,” zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, op spottenden toon.„Laat den jongen maar eten, als hij honger heeft,” sprak Moeder Alida, die door het pak slaag, dat Michiel gehad had, erg zenuwachtig geworden was. „Ik had al genoeg eer Sinjeur Seylmaecker kwam.”„Dat zijn lekkere, Moeder,” zeide Michiel en schoof in den schotel voor Moeders plaats de grootste boonen, die hij vinden kon. Zij aten samen uit denzelfden schotel, weetge! Aan een bord voor ieder werd niet gedacht, en dat had niet alleen plaats bij arme en eenvoudige menschen, zooals bij den bierdrager Adriaen Michielsz., o neen, dat deed men ook bij de meergegoeden, en op het platte land kan men velen onzer boertjes nog met het geheele gezin uit denzelfden schotel zien eten.Nadat het middagmaal afgeloopen was ging onze Michiel naar de lijnbaan. Hoe hij daar door baas Lorkens, den meesterknecht ontvangen werd en welk gesprek hij met hem voerde, hebben we reeds gelezen.Michiel draaide een uurtje lang vrij geregeld door en baas Lorkens dacht: „Zoo’n „end” schijnt te helpen! Het gaat er nu goed door!” maar pas had hij dat gedacht of het wiel begon onregelmatig te draaien en hield eindelijk heelemaal stil.„Zeg eens even, nu al moede?” vroeg Lorkens, die Michiel met de handen op den rug en naar de wolken kijkend voor de deur van het huisje vond staan.„Daar komt een stevig koeltje opzetten, baas!”„Wat geef ik om een koeltje, draai maar!”„Ik wed dat het, eer we een uur verder zijn, eene gereefde marszeilskoelte waait!”„Wilt gij nu wel eens draaien,kwâjongen?”„Ja, baas!”Michiel ging in zijn hok en draaide dat een mensch er koude van krijgen zou.„Draai toch harder, schavuit!”„Het wiel gaat zoo erg stroef, baas! Het moet zeker eens goed in het vet gezet en gesmeerd worden!”„Het wiel gesmeerd? Mis, mannetje! Michiels rug moet gesmeerd worden, dat is heel wat anders, en meer helpen zal het ook. En nu niet langer geluierd! Draai!”„Ja, baas!”En weer ging Michiel aan den gang.„Wacht,” dacht hij, „als ik den draaier een klein beetjelinks duw onderwijl ik draai, dan gaat het toch zoo ellendig piepen, dat een mensch er akelig van wordt.”Rrrrt, daar ging de draaier een beetje links.Piep-piep! klonk het zacht.„Ha, ha, mooi zoo, eerst zacht en dan al harder en harder,” mompelde Michiel.Rrrrt, alweer wat links.Piehiep! Piehiep!—„Heerlijk, prachtig, het kan niet beter,” zeide Michiel zachtjes en lachte ondeugend toen de baas opkeek om te kijken waar dat afschuwelijke geluid vandaan kwam.„Het is het wiel, baas!” riep Michiel.Rrrrt, daar ging de draaier zoo ver links, als maar mogelijk was.Pie-hie-iep! Pie-hie-hie-iep!Baloorig smeet baas Lorkens zijn werk neer.„Houd op, jongen! Het is om een mensch heelemaal van de wijs te maken,” sprak hij toen hij naderbij kwam. Ongelukkig genoeg wist de man niemendal van Michiels uitvinding af.„Ja, baas, ik ben er ook heelemaal van streek door,” zeide Michiel met het onnoozelste gezicht van de wereld en natuurlijk terstond ophoudende met draaien. „Het zal eens een weekje rust moeten hebben om gemaakt te worden. Zoo kan het niet langer!”Die goede raad kwam onzen baas erg verdacht voor, want als het wiel rustte, dan rustte Michiel ook. Was het den deugniet daarom misschien ook alleen te doen?„Haal den smeerpot, Michiel,” beval hij.„Ja, baas! Staat hij in het kabelhok?”„Neen, achter die hennep-balen! Gauw wat!”„Ja, baas!”„Ik geloof heilig dat de jongen me voor den gek houdt,” mompelde Lorkens en begon ook eens te draaien, doch daar alles gebleven was, zooals Michiel het gemaakthad, maakte het ding nog een afschuwelijk geweld.„Het is toch waar,” bromde hij ontevreden.„Hi-hi! Hij probeert eens,” zeide Michiel terwijl hij naar den smeerpot greep. „Hoe gelukkig dat ik er nog niemendal aan veranderd had! Wacht maar, eer het avond is, moet er weer gesmeerd worden!”„Zeg, moet ge den pot uit de Oost-Indiën halen?” riep de baas, wien het wachten verveelde.„Neen, baas! Hier ben ik al!”„Mooi! En waar ergens piept dat ding nu toch zoo?”„Ik geloof van hier, baas,” zei Michiel en wees een plekje aan waar niet te veel smeer was.Baas Lorkens nam nu de smoutkwast en begon de kale plek eens terdege in het vet te zetten, waarna hij zeide: „Er is nu bijna eene karrevracht smout op! Kom aan, draai nog eens!”Michiel haalde den draaier nu een weinig naar rechts, maar zoo dat geen mensch het zien kon en.... Piep-pie-hiep!„Houd op! Hier zit zeker ook nog niet genoeg,” sprak Lorkens, die nu een ander plekje in het vet zette, en zoodra hij hiermede klaar was, klonk het bevelend: „Draai, bengel!”„Ja, baas!”Daar ging de draaier weer links en: Pie-hie-hie-hiep! Pie....„Houd op, jongen! Hooren en zien vergaat hier een mensch. Wat kan er toch aan dat ding haperen?” sprak Lorkens, nijdig, omdat hij het gebrek niet vinden kon en er toch zeer veel werk, dat vlug klaar moest zijn, wachtte.Michiel stak de handen in de zakken, ging buiten staan en riep: „Ze hebben hem al te pakken, baas! Jongen, jongen, dat wordt een stoker van wat ben je me en wie maar gerekend heeft op een gereefd marszeilskoeltje, die....”„Houdt den mond, schavuit! Ik wilde wel dat gij met dat gereefd marszeilskoeltje en dat akelige wiel op Spitsbergen zat!”„Hi, Hi, baas, wat jaagt ge me ver van honk! Ik zou er wel willen zijn en heel graag ook, maar zonder....”„Zonder het wiel zeker?”„Wel, baas, u lijkt wel een profeet. Hoe raadt gij dat toch zoo opeens? Maar als ik op Spitsbergen zat en het wiel was hier in de baan gebleven, wie zou het dan draaien?”„Een ander, deugniet, een ander, die zijnen schelling in de week beter verdiende dan gij dien verdient. En kort en goed, ik doe nu aan het wiel niemendal meer. Al piept het dat ze het er in de Molukken van op de zenuwen krijgen, draaien zult gij! Begin!”De smeerpot werd neergezet; baas Lorkens ging zijn werk weer opnemen en Michiel begon, na den draaier heelemaal naar rechts gebracht te hebben, te draaien dat het een lieve lust was.„Het heeft dan toch wat geholpen, baas!” riep Michiel.„Ik wil het wel gelooven! Er zit eene halve scheepslading olie op,” was het korzelig gegeven antwoord.Een uurtje daarna echter liet de kwâjongen het wiel weer eens even piepen.„Daar zal het lieve leven zoo waar alweer beginnen, baas! Zouden wij den smoutpot weer maar niet eens voor den dag halen,” zeide Michiel met een paar oogen waaruit wel twee schelmen tegelijk keken.„Laat piepen wat piept! Draai!” snauwde Lorkens hem toe.Weer ging het een oogenblik goed, doch niet langer dan Michiel verkoos, en eindelijk maakte het ding zulk een hevig geweld, dat Lorkens zijn werk voorgoed neersmeet, naar het huisje kwam en zeî: „Daar moet de smid naar komen kijken! Ga hem halen!”Weg was Michiel.Maar wie nu denkt, dat hij den naasten weg ging, heeft het heelemaal mis. Eerst moest hij eens op het hoofd gaan kijken. Toen hij daar kwam, hielp hij een bootje vastleggen,maakte een praatje met de twee matrozen, die er in zaten en ging eindelijk op zijn doode gemak naar den smid. Deze was evenwel niet thuis; maar de gezel zou het zeggen en de Meester zou dan dadelijk komen.„Meester Heisteck zal zoo dadelijk komen, baas! Hij was niet thuis,” zeide Michiel.Het liep wel een uur aan eer de man kwam, doch nauwelijks had hij het wiel bekeken of hij zeî: „Wel, er hapert aan dat wiel niets. Zit de draaier wel goed?”Michiel hoopte dat die „akelige vent” het niet vinden zou; maar dat viel hem bitter tegen.„Welja, het ligt aan den draaier,” zeide hij. „Die is te veel naar links! Een klein gebrek, gauw verholpen!”Met behulp van hamer, nijptang, vijl en eene kram stond de draaier nu vast en kon niet meer naar links of rechts. Meester Heisteck draaide eens en....„Ga maar gerust aan den slag, hoor,” sprak hij, „en als het ding nu nog piept, dan geef ik een potteken bier.”Michiel draaide, deed zijn best om het toestel te laten piepen, maar mis, er was niets te vernemen.„Ziezoo, alles in orde,” sprak Meester Heisteck en ging met zijne gereedschappen heen.Onder al die bedrijven door was het evenwel avond geworden en, Michiel kon naar huis.Of hij dien dag zijn kostje verdiend had?Als ge dat aan Michiel gevraagd hadt, zou hij u gezegd hebben: „Welneen, maar laat me naar zee gaan, dan verdien ik den kost dubbel! Hier aan den wal is daar nu ofte nimmer denken aan. Ik wil naar zee!”

TWEEDE HOOFDSTUK.Een straatjongens-daagje.Op den morgen van dien dag was hij naar de lijnbaan gegaan, doch ontmoette onderweg Geleyn en Pieter Evertsen, zoons van eenen visscher, die zoo nu en dan ook wel eens ten oorlog voer en er dan wakker op sloeg. Dat hadden de Spanjaarden in 1607 bij Gibraltar en in nog vroegere jaren, op andere plaatsen, duchtig ondervonden. En dat klappen deelen en vechten zat er bij zijne twee zoons ook al vroeg in. Pieter was een jaar ouder dan Michiel en Geleyn was even oud, dus juist jongens voor onzen bierdragerszoon om er samen op uit te gaan.„Zeg, hei, Michiel, waar gaat dat op zulk een sukkeldrafje heen?” had Pieter gevraagd toen Michiel hem voorbij kwam.„Ik? Wel waar anders heen dan naar de lijnbaan!”„Kom, ga met ons mee!”„Neen, dat gaat niet, jongens!”„Zijt gij bang dat de lijnbaan wegloopen zal, als gij eens een keertje doet, alsof er op heel de wereld geene lijnbaan is?”„Neen, dat niet!”„Nu, waarom gaat gij dan niet mee?”„Wel, Vader is tegenwoordig zoo hardhandig en hij slaat er zoo gauw op! Als hij mij eens op straat zag, dan zou er vanmiddag weer zoo even wat op zitten!”„Zien? Wat geeft dat? Gij zegt maar, als hij wat vraagt,dat gij eene boodschap voor den meesterknecht moet doen,” zeide Geleyn, die nog geen woord gesproken had.„Denkt gij dan dat ik om een pak slaag mis te loopen eene leugen verzinnen zal?” vroeg Michiel.„Dat moet gij weten! Ik verzin er wel tien voor!” zeide Geleyn, zoo onverschillig mogelijk.„En ik wel twintig!” riep Pieter.Daar sloeg de Sint Jacob negen uren.„Het klokje van gehoorzaamheid, manneke! En al loopt gij nu ook het vuur uit de sloffen, er is geen kijk meer op om op den bepaalden tijd op het werk te zijn. Waarom zoudt gij niet met ons medegaan? We zullen pret hebben, Michiel, heel wat pret ook,” zeide Pieter vleiend en hield Michiel al bij de gelapte mouw van het versleten wambuis vast.Michiel aarzelde en vroeg: „En waar gaat gij dan die groote pret uithalen? Kom, zeg op! Op het hoofd of op den Westdijk?”„Neen, we gaan naar de rijsbermen buiten den Westdijk om krabbetjes te vangen,” antwoordde Pieter.„Hè, hè, daar alle drie staan! Michiel een, Geleyn twee, Pieter drie! Dat drie brave jongens zijn,” klonk op eenmaal de stem van eenen anderen jongen, die juist het hoekje van de straat omsloeg.Het was een negerknaap, die hier in het begin van April met een schip aangekomen was. Nog eenige dagen dan ging hij weer heen; maar, eer hij Vlissingen verliet, moest hij eerst gedoopt worden. De Heeren Lampsens, van wie het schip was waarmede de negerknaap vertrekken zou, stonden er op, dat hij geen heiden zou blijven, en daarom hadden zij hem bij eenen Domine op de catechisatie gedaan, waar hij tot groot vermaak van al de jongens, die er ook op gingen, in zijn Neger-Hollandsch zijne wijsheid uitkraamde. Michiel, Geleyn en Pieter hadden bij zijne aankomst zich dadelijk van hem meester gemaakt enonder hunne leiding leerde hij nu niet zoo heel veel moois.„Waar gaat gij naar toe, sausneger?” vroeg Pieter.„Negersaus, jij nog zeggen moet eens, dat ik ben negersaus,” antwoordde de negerknaap, die den naam van Jan Kompanjie gekregen had en onder dien naam ook op de scheepsrol der Heeren Lampsens en in het doopboek ingeschreven zou worden.„Negersaus,” riep Pieter lachend. „Zeer goed spreken! Is me dat eene taal? Is dat negertaal soms?”„Neen, Hollandsch is, goed Hollandsch. Maar dat Vlissingers, dat spreek zoo raar, niet verstaan ik!”„Goed, goed,” zeide Michiel. „Zeg maar waarheen gij gaat!”„Ikke ga naar de schippe! Ikke daar moet schuren de dek met bezem en dweil! Zjjjt, zjjjt!” zeide Jan het geluid van den bezem nabootsende.„Gij zijt een wonder van eenen braven, gehoorzamen jongen,” spotte Michiel.„Dat de Domine ook zegt!”„Loop, dat zal de Domine zeggen en ge zijt verleden week nog van de catechisatie gejaagd!” riep Geleyn.„En toch een wonder ben. Dominie zegt: jij aangedreven bent op het plank toen je op het zee, het groote zee, omgeven door die water, ging op en neer! Jij kwam bons met het plank, en niet bons met de hoofd tegen de schippe van de Heeren Lampsens. De Kapitein van die schippe braaf was, hij jou opneemt en brengt hier. Jij hier komt als een leelijke, vuile Heiden, en jij zal gaan weg als een mooie, gedoopte Christenknaap. Jij een wonder bent! Jan! Ja, heelemaal een mooi wonder. Dat Dominie gezegd heeft en dat waar is. Ikke Zondag gedoopt ben!”„Nu hoor, een wonder of geen wonder, braaf of niet braaf, alles gekheid. Gij gaat met ons mede om krabbetjes te vangen,” sprak Michiel, die de lijnbaan en het wiel, dat hem daar wachtte, reeds lang vergeten had.„Neen, ik naar de schippe moet!”„Wat naar het schip, gekheid!” riep Michiel.„Ja, zeker, ik anders stellig krijg met die touw voor die broekie, klets, klets! Dat pijn doet akelig pijn. Al gevoeld die touw op die broekie?”Deze laatste vraag gold Michiel, die al lachend antwoordde: „Neen, zulk een „eindje knut” is alleen voor sausnegertjes. En naar het schip, malligheid! Ik niet naar de baan, Jan Kompanjie niet naar het schip. Samen uit, samen thuis! Komaan, als hij niet wil, hem dan maar meegesleept, jongens!”Hoewel de negerjongen nu niet zulk een min ventje was, kon hij toch niet tegen die drie kwajongens op, en liet zich een heel eind meesleuren.„Houd oppe met dat ruk en dat trek! Ik loop zal wel,” riep Jan eindelijk uit, daar hij het rukken en trekken en heen- en weergooien, dat de jongens, onbarmhartige plaaggeesten, die ze waren, hem deden, spoedig zad werd.„Maar pas op, als gij drossen gaat, hoor,” zei Michiel, „want dan zullen we mekaêr eens even spreken door het oor van eene mande!”„Ik niet zal drossen. Ik meegaan zal, ik, als een braaf jongen,” antwoordde Jan, die geen plan meer had om naar zijn schip te gaan.En zoo gingen de vier knapen naar de rijsberm bij den Westdijk en zagen niemand, dien ze kenden en die hen verklikken kon.Neen, zij zagen niemand. Maar Vader Adriaen zag hen wel, en nam des middags uit de brouwerij al vast eene stevige rinkellat met zich om zijn zoontje, het aardige krabben-visschertje,eens even te spreken.De jongens bleven daar spelen tot het twaalf uren sloeg en gingen toen naar huis.„Zoo, Michiel,” zei Vader, „gij zijt er vroeg bij. Een vroegertje van den baas gehad?”„Neen, Vader!”„Zeker de klok niet gehoord en zoo maar op den gis naar huis gegaan, nietwaar?”„Neen, Vader!”„Weggestuurd dan soms?”„Neen, Vader!”„Dan een beetje aan den waterkant aan het spelen geweest met Geleyn en Pieter Evertsen en dien kleinen neger van het schip van de Heeren Lampsens?”„Ja, Vader!”„En veel pret gehad, mijn jongen?”„Ja, Vader, o zooveel pret!”„En wat hebt gij dan uitgevoerd?”„We hebben krabbetjes gevangen, Vader! En Jan, die geene krabben kende, pakte ze zoo maar beet en dan sloegen die dieren hunne scharen in zijne vingers! Ge hadt dat leelijke gezicht moeten zien, Vader!”„Zoo, jongen! En hoeveel krabbetjes denkt gij wel, dat ge gevangen hebt?”„Maar tien, Vader! Maar één was er bij zoo groot als mijne muts! Nog nooit zoo eene gezien!”„Jawel, daar zijn groote krabben ook, zoo wel als groote pakken slaag! Kom maar eens hier, ventje, en breng dat rinkellatje mede, dat daar in den hoek staat!”Michiel keek heel leelijk naar dat latje en zei: „Zal ik het maar eens even in het vuur onder de bruine boonen stoppen, Vader?”„Neen, jongen, het is te groot, ik zal het vooraf wel in kleine stukjes breken!”„Dat kan ik ook wel, Vader,” antwoordde Michiel en brak het latje al vast door.„Gij zijt sterk,” zei Vader, „breng mij die twee eindjes nu maar!”„Ze kunnen er anders nu wel al onder, Vader!”„Komt gij nu hier, bengel,” riep Vader terwijl hij verstoord de vuisten balde en gereed was, den deugniet deze te laten voelen.Nu durfde Michiel niet langer wachten. Hij bracht de eindjes lat bij zijnen Vader en....Michiel schreeuwde huizen hoog! Zoo had hij nog nooit voor de broek gehad.„Vader, Vader, houd toch op,” klaagde en smeekte Moeder Alida en wilde de hand van haren man tegenhouden.„Laat los, Alida! Deze eindjes zullen op zijne broek aan stukken of mijn naam is geen Adriaen. Zoo’n schandaal van eenen jongen. Het kwaad moet er uit....”„Maar Vader, houd dan toch op,” herhaalde Moeder Alida, wier bleeke wangen nog akeliger bleek van angst en medelijden werden.„Klets-klets! Het kwaad zal er uit!”„Houd nu op, Adriaen! De jongen kan niet meer schreeuwen. Hij zal nog stikken van angst,” riep Moeder, zichzelve niet langer meester.„Klets-klets! Eerst de latjes kapot, dan is de zaak gezond, vrouw! Ik houd er van om maar ineens een goed pak te geven! Klets-klets!”„Hei, hei, Adriaen, dat gaat hier op den dood af,” klonk eensklaps eene stem.De vertoornde Vader zag op, hield op met slaan, zette Michiel neer, stond op en zeide beleefd: „Uw dienaar, Sinjeur Seylmaecker.”Michiel stond er akelig bij. Verdwenen was de gezonde en blozende kleur van zijne wangen en het had werkelijk al den schijn, dat hij op het punt stond om het van pijn te besterven.De binnentredende keek hem vol medelijden aan en zeide: „Breng uwen jongen even buiten, Moeder, en laat hem wat koud water drinken. Hij is bijna vermoord.”Hierop wendde hij zich tot den vertoornden Vader en sprak: „Wie zijnen zoon lief heeft, spaart de roede niet, denkt ge zeker! Maar zeg eens, Adriaen, zoudt gij zelf zulk een pak slaag wel willen ontvangen?”„Voor geene honderd schellingen, Sinjeur!”„En waarom geeft gij het dan aan uwen jongen?”„Sinjeur, die jongen is een nagel aan mijne doodkist! Ik bega nog een ongeluk aan hem,” sprak de Vader en smeet de twee stukken rinkellat op het vuur.„En wat kwaads heeft hij dan nu weer uitgevoerd?”„Hij is driemaal van school gejaagd, Sinjeur! Nu is hij in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en doet zijn best daar ook vandaan gejaagd te worden. Ieder oogenblik gaat hij inplaats van aan zijn werk met zijne kornuiten spelen. Hij heeft me dat vanmorgen alweer gelapt! Maar het kwaad zal er uit en het kwaad moet er uit!”„En zóó slaat gij het er in en al dieper in, Adriaen! Zulke jongens moeten op eene andere wijze gestraft worden.”Terwijl hij sprak trad Michiel, wankelend van pijn, aan de hand zijner ontstelde en diep bedroefde Moeder binnen.Hij zette zich op eene houten bank, doch daar het zitten hem te veel pijn deed, zoo stond hij dadelijk op en ging in het vensterkozijn leunen.Sinjeur Seylmaecker ging op hem af, legde hem de hand op den schouder en sprak op vriendelijken toon: „Jongen, jongen, wat moet er van u terecht komen?”„Ik wil varen, Sinjeur, en dan zal ik wel goed oppassen,” antwoordde Michiel, die den Heer wel kende, daar deze een voornaam handelaar en Schepen in de Vroedschap was. Hij was een streng Heer en Michiel zag hem op straat altijd liever gaan dan komen, doch nu was hij den Vroeden man in zijn hart recht dankbaar, dat hij gekomen was; want zijne komst toch had een einde gemaakt aan de vaderlijke kastijding. Wie weet of anders die houtjes, die nu zoo lustig brandden en de boonen bijna uit den pot deden springen nog niet op zijne broek dansen zouden.„Komaan, zoudt gij zoo graag willen varen? Is er wat tegen, Adriaen?” Deze laatste vraag gold niet meer den zoon, maar den Vader, wiens woede nog niet geheel bekoeld scheen.„Bij mij in het minst niet, Sinjeur,” luidde Vaders antwoord. „Maar, daar aanboord zal de bengel er nog anders van lusten. Ravallen en kielhalen zit er voor hem op.”„Dat zou voor mij de groote vraag zijn, Adriaen,” hernam Sinjeur Seylmaecker. „Het is meer gezien: wie aanwal een bengel is, wordt aanboord een engel. Ik zou het er gerust op durven wagen en zelfs moed hebben, dat er wat goeds uit den bengel groeien zou. Heeft u er iets tegen, Moeder Alida? Is er bij u bezwaar?”De teerhartige Moeder keek den vriendelijken koopman aan en zeide: „Bij mij bestaat wel bezwaar, Sinjeur, en groot bezwaar ook, ik wil het niet ontveinzen. Zie, als hij ruiter in Staatschen dienst wilde worden, zooals mijn Vader zaliger is geweest, dan zou ik zeggen: ga, jongen! Een mensch z’n zin, een mensch z’n leven! Maar, als matroos het zeegat uit, praat er mij niet van, Sinjeur, praat er mij niet van! Ik zou het besterven.”„Maar hoor nu eens even, Moeder Alida! Gij zegt daar: een mensch z’n zin, een mensch z’n leven. Als ge dát meent, dan moet ge er ook niet tegen zijn, dat die schavuit daar, het zeegat uitgaat! Dat schijnt nu eenmaal zijn zin te zijn.”„Jawel, Sinjeur, maar ik zei dat zoo maar bij manier van spreken! Wat zou er van hem aanboord terecht komen? Er is onder het matrozen-volk raar goedje, Sinjeur!”„Dat is zoo, Moeder Alida! Maar als hij nu eens eenen goeden zeevader had?”„Wat is een zeevader, Sinjeur?”„Dat is een man aanboord, die over een paar jongens gesteld is om die voor zeeman op te leiden.”„Ja, Sinjeur, dan zou het wat anders zijn. Maar waar vindt men eenen goeden zeevader?”„Wel, aanboord van de „Lijnbaan” is....”„Is dat het schip van de Heeren Lampsens, Sinjeur?”„Juist, Moedertje! En daar aanboord is de „Barre Bruinvisch” Bootsman!”„De „Barre Bruinvisch”? Is dat Corstiaen Lievensz.?”„Neen, het is zijn broêr Cornelis. En ik sta er u voor in, als onze maat dien „Barren Bruinvisch” tot zeevader heeft, dat hij aanboord wel alle leelijke grapjes uit het hoofd zal laten!”„Ik heb u immers gezegd, Sinjeur, dat ik aanboord wel oppassen zou en geene grapjes uithalen,” zeide Michiel, die al hoopte, dat Moeder overwonnen was.„Wil ik er eens met eenen van de Heeren Lampsens over spreken?” vroeg het heerschap.„Och, neen, neen, Sinjeur! Doe het maar niet, alsjeblieft! Na het pak, dat hij zoo even gehad heeft, zal hij nu wel oppassen! Nietwaar, Michiel, mijn jongen?”Michiel zweeg en liet zijne lip, zooals men dat wel eens zegt, op het derde knoopsgat hangen.„Hij zegt er niet gauw ja op, Moeder Alida! Maar, ik wil u niet dwingen! Ik kwam ook niet om over dien bengel te spreken. Ik kwam een vaatje bier bestellen!”„Alsjeblieft, Sinjeur!” zeide Adriaen.„Neen, geen alsjeblieft,” hernam Seylmaecker. „Ik zou dat eigenlijk moeten zeggen. Ik kom maar hier, omdat het kantoor van den Heer Allertsz. wel wat ver uit mijnen koers was, en ik hier toch voorbij moest.”„Jawel, Sinjeur, maar mijn Meester geeft me voor ieder vaatje bier, dat bij mij besteld wordt, eene kleinigheid. En alle beetjes helpen! Er is wat noodig, Sinjeur! Daar zitten ze alle elf, en drie ervan zijn nog maar aan de verdiensten, want Michiel, die bengel, telt niet mee, al is hij reeds in zijn elfde jaar.”Dit zeggende wees Vader Adriaen op zijne elf kinderen, die bij zichzelven dachten: „Wij wilden wel dat die Sinjeur maar heenging; de boonen zijn al lang gaar!”„Ja, man, er is veel brij noodig om al dien schelmen den mond te stoppen. Dus, als de lieden iets bij u bestellen, dan hebt gij er nog eenig voordeel bij?”„Ja, Sinjeur!”„Goed, dat ik het weet. Ik zal het mijnen kennissen ook zeggen. Nu ga ik heen, anders hebt gijlieden vanmiddag de boonen koud! Eet smakelijk samen!”„Dank u wel, Sinjeur,” zeiden Vader en Moeder.Bij de deur gekomen riep de goedhartige man met de klink in de hand: „En over dien bengel daar,”—hij wees op Michiel,—„zult gij nog wel eens denken, nietwaar? Goeden dag!”Hij schoof voorbij het raam en Vader Adriaen zei: „Hij ziet er zoo bar uit, en toch is hij een doodgoed man. Als alle menschen zoo waren, dan zou het leven voor een arm mensch nog al te dulden zijn.”„Wat hij anders van de zee vertelde, vond ik niet zoo goed,” zeide de Moeder.„Ja, vrouw, het schijnt dat gij aan de zee allerlei kwaads gezien of er een broertje aan dood hebt.”„Praat me niet van de zee! Ik begin al te beven als ik er aan denk.”„Beef dan maar niet zoo hard, dat de jongens en meiden in dien tusschentijd u al de boonen voor den neus weghalen. Die Michiel heeft er tenminste al een heel gat in geslagen. Wilt gij wel eens ophouden, kwâjongen! Dat eet als een uitgehongerde Leidenaar!”„Michiel denkt zeker: „Vader heeft alles naar onder geslagen, er moet boven op ook wat zitten, anders ligt de schuit niet vast,” zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, op spottenden toon.„Laat den jongen maar eten, als hij honger heeft,” sprak Moeder Alida, die door het pak slaag, dat Michiel gehad had, erg zenuwachtig geworden was. „Ik had al genoeg eer Sinjeur Seylmaecker kwam.”„Dat zijn lekkere, Moeder,” zeide Michiel en schoof in den schotel voor Moeders plaats de grootste boonen, die hij vinden kon. Zij aten samen uit denzelfden schotel, weetge! Aan een bord voor ieder werd niet gedacht, en dat had niet alleen plaats bij arme en eenvoudige menschen, zooals bij den bierdrager Adriaen Michielsz., o neen, dat deed men ook bij de meergegoeden, en op het platte land kan men velen onzer boertjes nog met het geheele gezin uit denzelfden schotel zien eten.Nadat het middagmaal afgeloopen was ging onze Michiel naar de lijnbaan. Hoe hij daar door baas Lorkens, den meesterknecht ontvangen werd en welk gesprek hij met hem voerde, hebben we reeds gelezen.Michiel draaide een uurtje lang vrij geregeld door en baas Lorkens dacht: „Zoo’n „end” schijnt te helpen! Het gaat er nu goed door!” maar pas had hij dat gedacht of het wiel begon onregelmatig te draaien en hield eindelijk heelemaal stil.„Zeg eens even, nu al moede?” vroeg Lorkens, die Michiel met de handen op den rug en naar de wolken kijkend voor de deur van het huisje vond staan.„Daar komt een stevig koeltje opzetten, baas!”„Wat geef ik om een koeltje, draai maar!”„Ik wed dat het, eer we een uur verder zijn, eene gereefde marszeilskoelte waait!”„Wilt gij nu wel eens draaien,kwâjongen?”„Ja, baas!”Michiel ging in zijn hok en draaide dat een mensch er koude van krijgen zou.„Draai toch harder, schavuit!”„Het wiel gaat zoo erg stroef, baas! Het moet zeker eens goed in het vet gezet en gesmeerd worden!”„Het wiel gesmeerd? Mis, mannetje! Michiels rug moet gesmeerd worden, dat is heel wat anders, en meer helpen zal het ook. En nu niet langer geluierd! Draai!”„Ja, baas!”En weer ging Michiel aan den gang.„Wacht,” dacht hij, „als ik den draaier een klein beetjelinks duw onderwijl ik draai, dan gaat het toch zoo ellendig piepen, dat een mensch er akelig van wordt.”Rrrrt, daar ging de draaier een beetje links.Piep-piep! klonk het zacht.„Ha, ha, mooi zoo, eerst zacht en dan al harder en harder,” mompelde Michiel.Rrrrt, alweer wat links.Piehiep! Piehiep!—„Heerlijk, prachtig, het kan niet beter,” zeide Michiel zachtjes en lachte ondeugend toen de baas opkeek om te kijken waar dat afschuwelijke geluid vandaan kwam.„Het is het wiel, baas!” riep Michiel.Rrrrt, daar ging de draaier zoo ver links, als maar mogelijk was.Pie-hie-iep! Pie-hie-hie-iep!Baloorig smeet baas Lorkens zijn werk neer.„Houd op, jongen! Het is om een mensch heelemaal van de wijs te maken,” sprak hij toen hij naderbij kwam. Ongelukkig genoeg wist de man niemendal van Michiels uitvinding af.„Ja, baas, ik ben er ook heelemaal van streek door,” zeide Michiel met het onnoozelste gezicht van de wereld en natuurlijk terstond ophoudende met draaien. „Het zal eens een weekje rust moeten hebben om gemaakt te worden. Zoo kan het niet langer!”Die goede raad kwam onzen baas erg verdacht voor, want als het wiel rustte, dan rustte Michiel ook. Was het den deugniet daarom misschien ook alleen te doen?„Haal den smeerpot, Michiel,” beval hij.„Ja, baas! Staat hij in het kabelhok?”„Neen, achter die hennep-balen! Gauw wat!”„Ja, baas!”„Ik geloof heilig dat de jongen me voor den gek houdt,” mompelde Lorkens en begon ook eens te draaien, doch daar alles gebleven was, zooals Michiel het gemaakthad, maakte het ding nog een afschuwelijk geweld.„Het is toch waar,” bromde hij ontevreden.„Hi-hi! Hij probeert eens,” zeide Michiel terwijl hij naar den smeerpot greep. „Hoe gelukkig dat ik er nog niemendal aan veranderd had! Wacht maar, eer het avond is, moet er weer gesmeerd worden!”„Zeg, moet ge den pot uit de Oost-Indiën halen?” riep de baas, wien het wachten verveelde.„Neen, baas! Hier ben ik al!”„Mooi! En waar ergens piept dat ding nu toch zoo?”„Ik geloof van hier, baas,” zei Michiel en wees een plekje aan waar niet te veel smeer was.Baas Lorkens nam nu de smoutkwast en begon de kale plek eens terdege in het vet te zetten, waarna hij zeide: „Er is nu bijna eene karrevracht smout op! Kom aan, draai nog eens!”Michiel haalde den draaier nu een weinig naar rechts, maar zoo dat geen mensch het zien kon en.... Piep-pie-hiep!„Houd op! Hier zit zeker ook nog niet genoeg,” sprak Lorkens, die nu een ander plekje in het vet zette, en zoodra hij hiermede klaar was, klonk het bevelend: „Draai, bengel!”„Ja, baas!”Daar ging de draaier weer links en: Pie-hie-hie-hiep! Pie....„Houd op, jongen! Hooren en zien vergaat hier een mensch. Wat kan er toch aan dat ding haperen?” sprak Lorkens, nijdig, omdat hij het gebrek niet vinden kon en er toch zeer veel werk, dat vlug klaar moest zijn, wachtte.Michiel stak de handen in de zakken, ging buiten staan en riep: „Ze hebben hem al te pakken, baas! Jongen, jongen, dat wordt een stoker van wat ben je me en wie maar gerekend heeft op een gereefd marszeilskoeltje, die....”„Houdt den mond, schavuit! Ik wilde wel dat gij met dat gereefd marszeilskoeltje en dat akelige wiel op Spitsbergen zat!”„Hi, Hi, baas, wat jaagt ge me ver van honk! Ik zou er wel willen zijn en heel graag ook, maar zonder....”„Zonder het wiel zeker?”„Wel, baas, u lijkt wel een profeet. Hoe raadt gij dat toch zoo opeens? Maar als ik op Spitsbergen zat en het wiel was hier in de baan gebleven, wie zou het dan draaien?”„Een ander, deugniet, een ander, die zijnen schelling in de week beter verdiende dan gij dien verdient. En kort en goed, ik doe nu aan het wiel niemendal meer. Al piept het dat ze het er in de Molukken van op de zenuwen krijgen, draaien zult gij! Begin!”De smeerpot werd neergezet; baas Lorkens ging zijn werk weer opnemen en Michiel begon, na den draaier heelemaal naar rechts gebracht te hebben, te draaien dat het een lieve lust was.„Het heeft dan toch wat geholpen, baas!” riep Michiel.„Ik wil het wel gelooven! Er zit eene halve scheepslading olie op,” was het korzelig gegeven antwoord.Een uurtje daarna echter liet de kwâjongen het wiel weer eens even piepen.„Daar zal het lieve leven zoo waar alweer beginnen, baas! Zouden wij den smoutpot weer maar niet eens voor den dag halen,” zeide Michiel met een paar oogen waaruit wel twee schelmen tegelijk keken.„Laat piepen wat piept! Draai!” snauwde Lorkens hem toe.Weer ging het een oogenblik goed, doch niet langer dan Michiel verkoos, en eindelijk maakte het ding zulk een hevig geweld, dat Lorkens zijn werk voorgoed neersmeet, naar het huisje kwam en zeî: „Daar moet de smid naar komen kijken! Ga hem halen!”Weg was Michiel.Maar wie nu denkt, dat hij den naasten weg ging, heeft het heelemaal mis. Eerst moest hij eens op het hoofd gaan kijken. Toen hij daar kwam, hielp hij een bootje vastleggen,maakte een praatje met de twee matrozen, die er in zaten en ging eindelijk op zijn doode gemak naar den smid. Deze was evenwel niet thuis; maar de gezel zou het zeggen en de Meester zou dan dadelijk komen.„Meester Heisteck zal zoo dadelijk komen, baas! Hij was niet thuis,” zeide Michiel.Het liep wel een uur aan eer de man kwam, doch nauwelijks had hij het wiel bekeken of hij zeî: „Wel, er hapert aan dat wiel niets. Zit de draaier wel goed?”Michiel hoopte dat die „akelige vent” het niet vinden zou; maar dat viel hem bitter tegen.„Welja, het ligt aan den draaier,” zeide hij. „Die is te veel naar links! Een klein gebrek, gauw verholpen!”Met behulp van hamer, nijptang, vijl en eene kram stond de draaier nu vast en kon niet meer naar links of rechts. Meester Heisteck draaide eens en....„Ga maar gerust aan den slag, hoor,” sprak hij, „en als het ding nu nog piept, dan geef ik een potteken bier.”Michiel draaide, deed zijn best om het toestel te laten piepen, maar mis, er was niets te vernemen.„Ziezoo, alles in orde,” sprak Meester Heisteck en ging met zijne gereedschappen heen.Onder al die bedrijven door was het evenwel avond geworden en, Michiel kon naar huis.Of hij dien dag zijn kostje verdiend had?Als ge dat aan Michiel gevraagd hadt, zou hij u gezegd hebben: „Welneen, maar laat me naar zee gaan, dan verdien ik den kost dubbel! Hier aan den wal is daar nu ofte nimmer denken aan. Ik wil naar zee!”

TWEEDE HOOFDSTUK.Een straatjongens-daagje.Op den morgen van dien dag was hij naar de lijnbaan gegaan, doch ontmoette onderweg Geleyn en Pieter Evertsen, zoons van eenen visscher, die zoo nu en dan ook wel eens ten oorlog voer en er dan wakker op sloeg. Dat hadden de Spanjaarden in 1607 bij Gibraltar en in nog vroegere jaren, op andere plaatsen, duchtig ondervonden. En dat klappen deelen en vechten zat er bij zijne twee zoons ook al vroeg in. Pieter was een jaar ouder dan Michiel en Geleyn was even oud, dus juist jongens voor onzen bierdragerszoon om er samen op uit te gaan.„Zeg, hei, Michiel, waar gaat dat op zulk een sukkeldrafje heen?” had Pieter gevraagd toen Michiel hem voorbij kwam.„Ik? Wel waar anders heen dan naar de lijnbaan!”„Kom, ga met ons mee!”„Neen, dat gaat niet, jongens!”„Zijt gij bang dat de lijnbaan wegloopen zal, als gij eens een keertje doet, alsof er op heel de wereld geene lijnbaan is?”„Neen, dat niet!”„Nu, waarom gaat gij dan niet mee?”„Wel, Vader is tegenwoordig zoo hardhandig en hij slaat er zoo gauw op! Als hij mij eens op straat zag, dan zou er vanmiddag weer zoo even wat op zitten!”„Zien? Wat geeft dat? Gij zegt maar, als hij wat vraagt,dat gij eene boodschap voor den meesterknecht moet doen,” zeide Geleyn, die nog geen woord gesproken had.„Denkt gij dan dat ik om een pak slaag mis te loopen eene leugen verzinnen zal?” vroeg Michiel.„Dat moet gij weten! Ik verzin er wel tien voor!” zeide Geleyn, zoo onverschillig mogelijk.„En ik wel twintig!” riep Pieter.Daar sloeg de Sint Jacob negen uren.„Het klokje van gehoorzaamheid, manneke! En al loopt gij nu ook het vuur uit de sloffen, er is geen kijk meer op om op den bepaalden tijd op het werk te zijn. Waarom zoudt gij niet met ons medegaan? We zullen pret hebben, Michiel, heel wat pret ook,” zeide Pieter vleiend en hield Michiel al bij de gelapte mouw van het versleten wambuis vast.Michiel aarzelde en vroeg: „En waar gaat gij dan die groote pret uithalen? Kom, zeg op! Op het hoofd of op den Westdijk?”„Neen, we gaan naar de rijsbermen buiten den Westdijk om krabbetjes te vangen,” antwoordde Pieter.„Hè, hè, daar alle drie staan! Michiel een, Geleyn twee, Pieter drie! Dat drie brave jongens zijn,” klonk op eenmaal de stem van eenen anderen jongen, die juist het hoekje van de straat omsloeg.Het was een negerknaap, die hier in het begin van April met een schip aangekomen was. Nog eenige dagen dan ging hij weer heen; maar, eer hij Vlissingen verliet, moest hij eerst gedoopt worden. De Heeren Lampsens, van wie het schip was waarmede de negerknaap vertrekken zou, stonden er op, dat hij geen heiden zou blijven, en daarom hadden zij hem bij eenen Domine op de catechisatie gedaan, waar hij tot groot vermaak van al de jongens, die er ook op gingen, in zijn Neger-Hollandsch zijne wijsheid uitkraamde. Michiel, Geleyn en Pieter hadden bij zijne aankomst zich dadelijk van hem meester gemaakt enonder hunne leiding leerde hij nu niet zoo heel veel moois.„Waar gaat gij naar toe, sausneger?” vroeg Pieter.„Negersaus, jij nog zeggen moet eens, dat ik ben negersaus,” antwoordde de negerknaap, die den naam van Jan Kompanjie gekregen had en onder dien naam ook op de scheepsrol der Heeren Lampsens en in het doopboek ingeschreven zou worden.„Negersaus,” riep Pieter lachend. „Zeer goed spreken! Is me dat eene taal? Is dat negertaal soms?”„Neen, Hollandsch is, goed Hollandsch. Maar dat Vlissingers, dat spreek zoo raar, niet verstaan ik!”„Goed, goed,” zeide Michiel. „Zeg maar waarheen gij gaat!”„Ikke ga naar de schippe! Ikke daar moet schuren de dek met bezem en dweil! Zjjjt, zjjjt!” zeide Jan het geluid van den bezem nabootsende.„Gij zijt een wonder van eenen braven, gehoorzamen jongen,” spotte Michiel.„Dat de Domine ook zegt!”„Loop, dat zal de Domine zeggen en ge zijt verleden week nog van de catechisatie gejaagd!” riep Geleyn.„En toch een wonder ben. Dominie zegt: jij aangedreven bent op het plank toen je op het zee, het groote zee, omgeven door die water, ging op en neer! Jij kwam bons met het plank, en niet bons met de hoofd tegen de schippe van de Heeren Lampsens. De Kapitein van die schippe braaf was, hij jou opneemt en brengt hier. Jij hier komt als een leelijke, vuile Heiden, en jij zal gaan weg als een mooie, gedoopte Christenknaap. Jij een wonder bent! Jan! Ja, heelemaal een mooi wonder. Dat Dominie gezegd heeft en dat waar is. Ikke Zondag gedoopt ben!”„Nu hoor, een wonder of geen wonder, braaf of niet braaf, alles gekheid. Gij gaat met ons mede om krabbetjes te vangen,” sprak Michiel, die de lijnbaan en het wiel, dat hem daar wachtte, reeds lang vergeten had.„Neen, ik naar de schippe moet!”„Wat naar het schip, gekheid!” riep Michiel.„Ja, zeker, ik anders stellig krijg met die touw voor die broekie, klets, klets! Dat pijn doet akelig pijn. Al gevoeld die touw op die broekie?”Deze laatste vraag gold Michiel, die al lachend antwoordde: „Neen, zulk een „eindje knut” is alleen voor sausnegertjes. En naar het schip, malligheid! Ik niet naar de baan, Jan Kompanjie niet naar het schip. Samen uit, samen thuis! Komaan, als hij niet wil, hem dan maar meegesleept, jongens!”Hoewel de negerjongen nu niet zulk een min ventje was, kon hij toch niet tegen die drie kwajongens op, en liet zich een heel eind meesleuren.„Houd oppe met dat ruk en dat trek! Ik loop zal wel,” riep Jan eindelijk uit, daar hij het rukken en trekken en heen- en weergooien, dat de jongens, onbarmhartige plaaggeesten, die ze waren, hem deden, spoedig zad werd.„Maar pas op, als gij drossen gaat, hoor,” zei Michiel, „want dan zullen we mekaêr eens even spreken door het oor van eene mande!”„Ik niet zal drossen. Ik meegaan zal, ik, als een braaf jongen,” antwoordde Jan, die geen plan meer had om naar zijn schip te gaan.En zoo gingen de vier knapen naar de rijsberm bij den Westdijk en zagen niemand, dien ze kenden en die hen verklikken kon.Neen, zij zagen niemand. Maar Vader Adriaen zag hen wel, en nam des middags uit de brouwerij al vast eene stevige rinkellat met zich om zijn zoontje, het aardige krabben-visschertje,eens even te spreken.De jongens bleven daar spelen tot het twaalf uren sloeg en gingen toen naar huis.„Zoo, Michiel,” zei Vader, „gij zijt er vroeg bij. Een vroegertje van den baas gehad?”„Neen, Vader!”„Zeker de klok niet gehoord en zoo maar op den gis naar huis gegaan, nietwaar?”„Neen, Vader!”„Weggestuurd dan soms?”„Neen, Vader!”„Dan een beetje aan den waterkant aan het spelen geweest met Geleyn en Pieter Evertsen en dien kleinen neger van het schip van de Heeren Lampsens?”„Ja, Vader!”„En veel pret gehad, mijn jongen?”„Ja, Vader, o zooveel pret!”„En wat hebt gij dan uitgevoerd?”„We hebben krabbetjes gevangen, Vader! En Jan, die geene krabben kende, pakte ze zoo maar beet en dan sloegen die dieren hunne scharen in zijne vingers! Ge hadt dat leelijke gezicht moeten zien, Vader!”„Zoo, jongen! En hoeveel krabbetjes denkt gij wel, dat ge gevangen hebt?”„Maar tien, Vader! Maar één was er bij zoo groot als mijne muts! Nog nooit zoo eene gezien!”„Jawel, daar zijn groote krabben ook, zoo wel als groote pakken slaag! Kom maar eens hier, ventje, en breng dat rinkellatje mede, dat daar in den hoek staat!”Michiel keek heel leelijk naar dat latje en zei: „Zal ik het maar eens even in het vuur onder de bruine boonen stoppen, Vader?”„Neen, jongen, het is te groot, ik zal het vooraf wel in kleine stukjes breken!”„Dat kan ik ook wel, Vader,” antwoordde Michiel en brak het latje al vast door.„Gij zijt sterk,” zei Vader, „breng mij die twee eindjes nu maar!”„Ze kunnen er anders nu wel al onder, Vader!”„Komt gij nu hier, bengel,” riep Vader terwijl hij verstoord de vuisten balde en gereed was, den deugniet deze te laten voelen.Nu durfde Michiel niet langer wachten. Hij bracht de eindjes lat bij zijnen Vader en....Michiel schreeuwde huizen hoog! Zoo had hij nog nooit voor de broek gehad.„Vader, Vader, houd toch op,” klaagde en smeekte Moeder Alida en wilde de hand van haren man tegenhouden.„Laat los, Alida! Deze eindjes zullen op zijne broek aan stukken of mijn naam is geen Adriaen. Zoo’n schandaal van eenen jongen. Het kwaad moet er uit....”„Maar Vader, houd dan toch op,” herhaalde Moeder Alida, wier bleeke wangen nog akeliger bleek van angst en medelijden werden.„Klets-klets! Het kwaad zal er uit!”„Houd nu op, Adriaen! De jongen kan niet meer schreeuwen. Hij zal nog stikken van angst,” riep Moeder, zichzelve niet langer meester.„Klets-klets! Eerst de latjes kapot, dan is de zaak gezond, vrouw! Ik houd er van om maar ineens een goed pak te geven! Klets-klets!”„Hei, hei, Adriaen, dat gaat hier op den dood af,” klonk eensklaps eene stem.De vertoornde Vader zag op, hield op met slaan, zette Michiel neer, stond op en zeide beleefd: „Uw dienaar, Sinjeur Seylmaecker.”Michiel stond er akelig bij. Verdwenen was de gezonde en blozende kleur van zijne wangen en het had werkelijk al den schijn, dat hij op het punt stond om het van pijn te besterven.De binnentredende keek hem vol medelijden aan en zeide: „Breng uwen jongen even buiten, Moeder, en laat hem wat koud water drinken. Hij is bijna vermoord.”Hierop wendde hij zich tot den vertoornden Vader en sprak: „Wie zijnen zoon lief heeft, spaart de roede niet, denkt ge zeker! Maar zeg eens, Adriaen, zoudt gij zelf zulk een pak slaag wel willen ontvangen?”„Voor geene honderd schellingen, Sinjeur!”„En waarom geeft gij het dan aan uwen jongen?”„Sinjeur, die jongen is een nagel aan mijne doodkist! Ik bega nog een ongeluk aan hem,” sprak de Vader en smeet de twee stukken rinkellat op het vuur.„En wat kwaads heeft hij dan nu weer uitgevoerd?”„Hij is driemaal van school gejaagd, Sinjeur! Nu is hij in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en doet zijn best daar ook vandaan gejaagd te worden. Ieder oogenblik gaat hij inplaats van aan zijn werk met zijne kornuiten spelen. Hij heeft me dat vanmorgen alweer gelapt! Maar het kwaad zal er uit en het kwaad moet er uit!”„En zóó slaat gij het er in en al dieper in, Adriaen! Zulke jongens moeten op eene andere wijze gestraft worden.”Terwijl hij sprak trad Michiel, wankelend van pijn, aan de hand zijner ontstelde en diep bedroefde Moeder binnen.Hij zette zich op eene houten bank, doch daar het zitten hem te veel pijn deed, zoo stond hij dadelijk op en ging in het vensterkozijn leunen.Sinjeur Seylmaecker ging op hem af, legde hem de hand op den schouder en sprak op vriendelijken toon: „Jongen, jongen, wat moet er van u terecht komen?”„Ik wil varen, Sinjeur, en dan zal ik wel goed oppassen,” antwoordde Michiel, die den Heer wel kende, daar deze een voornaam handelaar en Schepen in de Vroedschap was. Hij was een streng Heer en Michiel zag hem op straat altijd liever gaan dan komen, doch nu was hij den Vroeden man in zijn hart recht dankbaar, dat hij gekomen was; want zijne komst toch had een einde gemaakt aan de vaderlijke kastijding. Wie weet of anders die houtjes, die nu zoo lustig brandden en de boonen bijna uit den pot deden springen nog niet op zijne broek dansen zouden.„Komaan, zoudt gij zoo graag willen varen? Is er wat tegen, Adriaen?” Deze laatste vraag gold niet meer den zoon, maar den Vader, wiens woede nog niet geheel bekoeld scheen.„Bij mij in het minst niet, Sinjeur,” luidde Vaders antwoord. „Maar, daar aanboord zal de bengel er nog anders van lusten. Ravallen en kielhalen zit er voor hem op.”„Dat zou voor mij de groote vraag zijn, Adriaen,” hernam Sinjeur Seylmaecker. „Het is meer gezien: wie aanwal een bengel is, wordt aanboord een engel. Ik zou het er gerust op durven wagen en zelfs moed hebben, dat er wat goeds uit den bengel groeien zou. Heeft u er iets tegen, Moeder Alida? Is er bij u bezwaar?”De teerhartige Moeder keek den vriendelijken koopman aan en zeide: „Bij mij bestaat wel bezwaar, Sinjeur, en groot bezwaar ook, ik wil het niet ontveinzen. Zie, als hij ruiter in Staatschen dienst wilde worden, zooals mijn Vader zaliger is geweest, dan zou ik zeggen: ga, jongen! Een mensch z’n zin, een mensch z’n leven! Maar, als matroos het zeegat uit, praat er mij niet van, Sinjeur, praat er mij niet van! Ik zou het besterven.”„Maar hoor nu eens even, Moeder Alida! Gij zegt daar: een mensch z’n zin, een mensch z’n leven. Als ge dát meent, dan moet ge er ook niet tegen zijn, dat die schavuit daar, het zeegat uitgaat! Dat schijnt nu eenmaal zijn zin te zijn.”„Jawel, Sinjeur, maar ik zei dat zoo maar bij manier van spreken! Wat zou er van hem aanboord terecht komen? Er is onder het matrozen-volk raar goedje, Sinjeur!”„Dat is zoo, Moeder Alida! Maar als hij nu eens eenen goeden zeevader had?”„Wat is een zeevader, Sinjeur?”„Dat is een man aanboord, die over een paar jongens gesteld is om die voor zeeman op te leiden.”„Ja, Sinjeur, dan zou het wat anders zijn. Maar waar vindt men eenen goeden zeevader?”„Wel, aanboord van de „Lijnbaan” is....”„Is dat het schip van de Heeren Lampsens, Sinjeur?”„Juist, Moedertje! En daar aanboord is de „Barre Bruinvisch” Bootsman!”„De „Barre Bruinvisch”? Is dat Corstiaen Lievensz.?”„Neen, het is zijn broêr Cornelis. En ik sta er u voor in, als onze maat dien „Barren Bruinvisch” tot zeevader heeft, dat hij aanboord wel alle leelijke grapjes uit het hoofd zal laten!”„Ik heb u immers gezegd, Sinjeur, dat ik aanboord wel oppassen zou en geene grapjes uithalen,” zeide Michiel, die al hoopte, dat Moeder overwonnen was.„Wil ik er eens met eenen van de Heeren Lampsens over spreken?” vroeg het heerschap.„Och, neen, neen, Sinjeur! Doe het maar niet, alsjeblieft! Na het pak, dat hij zoo even gehad heeft, zal hij nu wel oppassen! Nietwaar, Michiel, mijn jongen?”Michiel zweeg en liet zijne lip, zooals men dat wel eens zegt, op het derde knoopsgat hangen.„Hij zegt er niet gauw ja op, Moeder Alida! Maar, ik wil u niet dwingen! Ik kwam ook niet om over dien bengel te spreken. Ik kwam een vaatje bier bestellen!”„Alsjeblieft, Sinjeur!” zeide Adriaen.„Neen, geen alsjeblieft,” hernam Seylmaecker. „Ik zou dat eigenlijk moeten zeggen. Ik kom maar hier, omdat het kantoor van den Heer Allertsz. wel wat ver uit mijnen koers was, en ik hier toch voorbij moest.”„Jawel, Sinjeur, maar mijn Meester geeft me voor ieder vaatje bier, dat bij mij besteld wordt, eene kleinigheid. En alle beetjes helpen! Er is wat noodig, Sinjeur! Daar zitten ze alle elf, en drie ervan zijn nog maar aan de verdiensten, want Michiel, die bengel, telt niet mee, al is hij reeds in zijn elfde jaar.”Dit zeggende wees Vader Adriaen op zijne elf kinderen, die bij zichzelven dachten: „Wij wilden wel dat die Sinjeur maar heenging; de boonen zijn al lang gaar!”„Ja, man, er is veel brij noodig om al dien schelmen den mond te stoppen. Dus, als de lieden iets bij u bestellen, dan hebt gij er nog eenig voordeel bij?”„Ja, Sinjeur!”„Goed, dat ik het weet. Ik zal het mijnen kennissen ook zeggen. Nu ga ik heen, anders hebt gijlieden vanmiddag de boonen koud! Eet smakelijk samen!”„Dank u wel, Sinjeur,” zeiden Vader en Moeder.Bij de deur gekomen riep de goedhartige man met de klink in de hand: „En over dien bengel daar,”—hij wees op Michiel,—„zult gij nog wel eens denken, nietwaar? Goeden dag!”Hij schoof voorbij het raam en Vader Adriaen zei: „Hij ziet er zoo bar uit, en toch is hij een doodgoed man. Als alle menschen zoo waren, dan zou het leven voor een arm mensch nog al te dulden zijn.”„Wat hij anders van de zee vertelde, vond ik niet zoo goed,” zeide de Moeder.„Ja, vrouw, het schijnt dat gij aan de zee allerlei kwaads gezien of er een broertje aan dood hebt.”„Praat me niet van de zee! Ik begin al te beven als ik er aan denk.”„Beef dan maar niet zoo hard, dat de jongens en meiden in dien tusschentijd u al de boonen voor den neus weghalen. Die Michiel heeft er tenminste al een heel gat in geslagen. Wilt gij wel eens ophouden, kwâjongen! Dat eet als een uitgehongerde Leidenaar!”„Michiel denkt zeker: „Vader heeft alles naar onder geslagen, er moet boven op ook wat zitten, anders ligt de schuit niet vast,” zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, op spottenden toon.„Laat den jongen maar eten, als hij honger heeft,” sprak Moeder Alida, die door het pak slaag, dat Michiel gehad had, erg zenuwachtig geworden was. „Ik had al genoeg eer Sinjeur Seylmaecker kwam.”„Dat zijn lekkere, Moeder,” zeide Michiel en schoof in den schotel voor Moeders plaats de grootste boonen, die hij vinden kon. Zij aten samen uit denzelfden schotel, weetge! Aan een bord voor ieder werd niet gedacht, en dat had niet alleen plaats bij arme en eenvoudige menschen, zooals bij den bierdrager Adriaen Michielsz., o neen, dat deed men ook bij de meergegoeden, en op het platte land kan men velen onzer boertjes nog met het geheele gezin uit denzelfden schotel zien eten.Nadat het middagmaal afgeloopen was ging onze Michiel naar de lijnbaan. Hoe hij daar door baas Lorkens, den meesterknecht ontvangen werd en welk gesprek hij met hem voerde, hebben we reeds gelezen.Michiel draaide een uurtje lang vrij geregeld door en baas Lorkens dacht: „Zoo’n „end” schijnt te helpen! Het gaat er nu goed door!” maar pas had hij dat gedacht of het wiel begon onregelmatig te draaien en hield eindelijk heelemaal stil.„Zeg eens even, nu al moede?” vroeg Lorkens, die Michiel met de handen op den rug en naar de wolken kijkend voor de deur van het huisje vond staan.„Daar komt een stevig koeltje opzetten, baas!”„Wat geef ik om een koeltje, draai maar!”„Ik wed dat het, eer we een uur verder zijn, eene gereefde marszeilskoelte waait!”„Wilt gij nu wel eens draaien,kwâjongen?”„Ja, baas!”Michiel ging in zijn hok en draaide dat een mensch er koude van krijgen zou.„Draai toch harder, schavuit!”„Het wiel gaat zoo erg stroef, baas! Het moet zeker eens goed in het vet gezet en gesmeerd worden!”„Het wiel gesmeerd? Mis, mannetje! Michiels rug moet gesmeerd worden, dat is heel wat anders, en meer helpen zal het ook. En nu niet langer geluierd! Draai!”„Ja, baas!”En weer ging Michiel aan den gang.„Wacht,” dacht hij, „als ik den draaier een klein beetjelinks duw onderwijl ik draai, dan gaat het toch zoo ellendig piepen, dat een mensch er akelig van wordt.”Rrrrt, daar ging de draaier een beetje links.Piep-piep! klonk het zacht.„Ha, ha, mooi zoo, eerst zacht en dan al harder en harder,” mompelde Michiel.Rrrrt, alweer wat links.Piehiep! Piehiep!—„Heerlijk, prachtig, het kan niet beter,” zeide Michiel zachtjes en lachte ondeugend toen de baas opkeek om te kijken waar dat afschuwelijke geluid vandaan kwam.„Het is het wiel, baas!” riep Michiel.Rrrrt, daar ging de draaier zoo ver links, als maar mogelijk was.Pie-hie-iep! Pie-hie-hie-iep!Baloorig smeet baas Lorkens zijn werk neer.„Houd op, jongen! Het is om een mensch heelemaal van de wijs te maken,” sprak hij toen hij naderbij kwam. Ongelukkig genoeg wist de man niemendal van Michiels uitvinding af.„Ja, baas, ik ben er ook heelemaal van streek door,” zeide Michiel met het onnoozelste gezicht van de wereld en natuurlijk terstond ophoudende met draaien. „Het zal eens een weekje rust moeten hebben om gemaakt te worden. Zoo kan het niet langer!”Die goede raad kwam onzen baas erg verdacht voor, want als het wiel rustte, dan rustte Michiel ook. Was het den deugniet daarom misschien ook alleen te doen?„Haal den smeerpot, Michiel,” beval hij.„Ja, baas! Staat hij in het kabelhok?”„Neen, achter die hennep-balen! Gauw wat!”„Ja, baas!”„Ik geloof heilig dat de jongen me voor den gek houdt,” mompelde Lorkens en begon ook eens te draaien, doch daar alles gebleven was, zooals Michiel het gemaakthad, maakte het ding nog een afschuwelijk geweld.„Het is toch waar,” bromde hij ontevreden.„Hi-hi! Hij probeert eens,” zeide Michiel terwijl hij naar den smeerpot greep. „Hoe gelukkig dat ik er nog niemendal aan veranderd had! Wacht maar, eer het avond is, moet er weer gesmeerd worden!”„Zeg, moet ge den pot uit de Oost-Indiën halen?” riep de baas, wien het wachten verveelde.„Neen, baas! Hier ben ik al!”„Mooi! En waar ergens piept dat ding nu toch zoo?”„Ik geloof van hier, baas,” zei Michiel en wees een plekje aan waar niet te veel smeer was.Baas Lorkens nam nu de smoutkwast en begon de kale plek eens terdege in het vet te zetten, waarna hij zeide: „Er is nu bijna eene karrevracht smout op! Kom aan, draai nog eens!”Michiel haalde den draaier nu een weinig naar rechts, maar zoo dat geen mensch het zien kon en.... Piep-pie-hiep!„Houd op! Hier zit zeker ook nog niet genoeg,” sprak Lorkens, die nu een ander plekje in het vet zette, en zoodra hij hiermede klaar was, klonk het bevelend: „Draai, bengel!”„Ja, baas!”Daar ging de draaier weer links en: Pie-hie-hie-hiep! Pie....„Houd op, jongen! Hooren en zien vergaat hier een mensch. Wat kan er toch aan dat ding haperen?” sprak Lorkens, nijdig, omdat hij het gebrek niet vinden kon en er toch zeer veel werk, dat vlug klaar moest zijn, wachtte.Michiel stak de handen in de zakken, ging buiten staan en riep: „Ze hebben hem al te pakken, baas! Jongen, jongen, dat wordt een stoker van wat ben je me en wie maar gerekend heeft op een gereefd marszeilskoeltje, die....”„Houdt den mond, schavuit! Ik wilde wel dat gij met dat gereefd marszeilskoeltje en dat akelige wiel op Spitsbergen zat!”„Hi, Hi, baas, wat jaagt ge me ver van honk! Ik zou er wel willen zijn en heel graag ook, maar zonder....”„Zonder het wiel zeker?”„Wel, baas, u lijkt wel een profeet. Hoe raadt gij dat toch zoo opeens? Maar als ik op Spitsbergen zat en het wiel was hier in de baan gebleven, wie zou het dan draaien?”„Een ander, deugniet, een ander, die zijnen schelling in de week beter verdiende dan gij dien verdient. En kort en goed, ik doe nu aan het wiel niemendal meer. Al piept het dat ze het er in de Molukken van op de zenuwen krijgen, draaien zult gij! Begin!”De smeerpot werd neergezet; baas Lorkens ging zijn werk weer opnemen en Michiel begon, na den draaier heelemaal naar rechts gebracht te hebben, te draaien dat het een lieve lust was.„Het heeft dan toch wat geholpen, baas!” riep Michiel.„Ik wil het wel gelooven! Er zit eene halve scheepslading olie op,” was het korzelig gegeven antwoord.Een uurtje daarna echter liet de kwâjongen het wiel weer eens even piepen.„Daar zal het lieve leven zoo waar alweer beginnen, baas! Zouden wij den smoutpot weer maar niet eens voor den dag halen,” zeide Michiel met een paar oogen waaruit wel twee schelmen tegelijk keken.„Laat piepen wat piept! Draai!” snauwde Lorkens hem toe.Weer ging het een oogenblik goed, doch niet langer dan Michiel verkoos, en eindelijk maakte het ding zulk een hevig geweld, dat Lorkens zijn werk voorgoed neersmeet, naar het huisje kwam en zeî: „Daar moet de smid naar komen kijken! Ga hem halen!”Weg was Michiel.Maar wie nu denkt, dat hij den naasten weg ging, heeft het heelemaal mis. Eerst moest hij eens op het hoofd gaan kijken. Toen hij daar kwam, hielp hij een bootje vastleggen,maakte een praatje met de twee matrozen, die er in zaten en ging eindelijk op zijn doode gemak naar den smid. Deze was evenwel niet thuis; maar de gezel zou het zeggen en de Meester zou dan dadelijk komen.„Meester Heisteck zal zoo dadelijk komen, baas! Hij was niet thuis,” zeide Michiel.Het liep wel een uur aan eer de man kwam, doch nauwelijks had hij het wiel bekeken of hij zeî: „Wel, er hapert aan dat wiel niets. Zit de draaier wel goed?”Michiel hoopte dat die „akelige vent” het niet vinden zou; maar dat viel hem bitter tegen.„Welja, het ligt aan den draaier,” zeide hij. „Die is te veel naar links! Een klein gebrek, gauw verholpen!”Met behulp van hamer, nijptang, vijl en eene kram stond de draaier nu vast en kon niet meer naar links of rechts. Meester Heisteck draaide eens en....„Ga maar gerust aan den slag, hoor,” sprak hij, „en als het ding nu nog piept, dan geef ik een potteken bier.”Michiel draaide, deed zijn best om het toestel te laten piepen, maar mis, er was niets te vernemen.„Ziezoo, alles in orde,” sprak Meester Heisteck en ging met zijne gereedschappen heen.Onder al die bedrijven door was het evenwel avond geworden en, Michiel kon naar huis.Of hij dien dag zijn kostje verdiend had?Als ge dat aan Michiel gevraagd hadt, zou hij u gezegd hebben: „Welneen, maar laat me naar zee gaan, dan verdien ik den kost dubbel! Hier aan den wal is daar nu ofte nimmer denken aan. Ik wil naar zee!”

TWEEDE HOOFDSTUK.Een straatjongens-daagje.

Op den morgen van dien dag was hij naar de lijnbaan gegaan, doch ontmoette onderweg Geleyn en Pieter Evertsen, zoons van eenen visscher, die zoo nu en dan ook wel eens ten oorlog voer en er dan wakker op sloeg. Dat hadden de Spanjaarden in 1607 bij Gibraltar en in nog vroegere jaren, op andere plaatsen, duchtig ondervonden. En dat klappen deelen en vechten zat er bij zijne twee zoons ook al vroeg in. Pieter was een jaar ouder dan Michiel en Geleyn was even oud, dus juist jongens voor onzen bierdragerszoon om er samen op uit te gaan.„Zeg, hei, Michiel, waar gaat dat op zulk een sukkeldrafje heen?” had Pieter gevraagd toen Michiel hem voorbij kwam.„Ik? Wel waar anders heen dan naar de lijnbaan!”„Kom, ga met ons mee!”„Neen, dat gaat niet, jongens!”„Zijt gij bang dat de lijnbaan wegloopen zal, als gij eens een keertje doet, alsof er op heel de wereld geene lijnbaan is?”„Neen, dat niet!”„Nu, waarom gaat gij dan niet mee?”„Wel, Vader is tegenwoordig zoo hardhandig en hij slaat er zoo gauw op! Als hij mij eens op straat zag, dan zou er vanmiddag weer zoo even wat op zitten!”„Zien? Wat geeft dat? Gij zegt maar, als hij wat vraagt,dat gij eene boodschap voor den meesterknecht moet doen,” zeide Geleyn, die nog geen woord gesproken had.„Denkt gij dan dat ik om een pak slaag mis te loopen eene leugen verzinnen zal?” vroeg Michiel.„Dat moet gij weten! Ik verzin er wel tien voor!” zeide Geleyn, zoo onverschillig mogelijk.„En ik wel twintig!” riep Pieter.Daar sloeg de Sint Jacob negen uren.„Het klokje van gehoorzaamheid, manneke! En al loopt gij nu ook het vuur uit de sloffen, er is geen kijk meer op om op den bepaalden tijd op het werk te zijn. Waarom zoudt gij niet met ons medegaan? We zullen pret hebben, Michiel, heel wat pret ook,” zeide Pieter vleiend en hield Michiel al bij de gelapte mouw van het versleten wambuis vast.Michiel aarzelde en vroeg: „En waar gaat gij dan die groote pret uithalen? Kom, zeg op! Op het hoofd of op den Westdijk?”„Neen, we gaan naar de rijsbermen buiten den Westdijk om krabbetjes te vangen,” antwoordde Pieter.„Hè, hè, daar alle drie staan! Michiel een, Geleyn twee, Pieter drie! Dat drie brave jongens zijn,” klonk op eenmaal de stem van eenen anderen jongen, die juist het hoekje van de straat omsloeg.Het was een negerknaap, die hier in het begin van April met een schip aangekomen was. Nog eenige dagen dan ging hij weer heen; maar, eer hij Vlissingen verliet, moest hij eerst gedoopt worden. De Heeren Lampsens, van wie het schip was waarmede de negerknaap vertrekken zou, stonden er op, dat hij geen heiden zou blijven, en daarom hadden zij hem bij eenen Domine op de catechisatie gedaan, waar hij tot groot vermaak van al de jongens, die er ook op gingen, in zijn Neger-Hollandsch zijne wijsheid uitkraamde. Michiel, Geleyn en Pieter hadden bij zijne aankomst zich dadelijk van hem meester gemaakt enonder hunne leiding leerde hij nu niet zoo heel veel moois.„Waar gaat gij naar toe, sausneger?” vroeg Pieter.„Negersaus, jij nog zeggen moet eens, dat ik ben negersaus,” antwoordde de negerknaap, die den naam van Jan Kompanjie gekregen had en onder dien naam ook op de scheepsrol der Heeren Lampsens en in het doopboek ingeschreven zou worden.„Negersaus,” riep Pieter lachend. „Zeer goed spreken! Is me dat eene taal? Is dat negertaal soms?”„Neen, Hollandsch is, goed Hollandsch. Maar dat Vlissingers, dat spreek zoo raar, niet verstaan ik!”„Goed, goed,” zeide Michiel. „Zeg maar waarheen gij gaat!”„Ikke ga naar de schippe! Ikke daar moet schuren de dek met bezem en dweil! Zjjjt, zjjjt!” zeide Jan het geluid van den bezem nabootsende.„Gij zijt een wonder van eenen braven, gehoorzamen jongen,” spotte Michiel.„Dat de Domine ook zegt!”„Loop, dat zal de Domine zeggen en ge zijt verleden week nog van de catechisatie gejaagd!” riep Geleyn.„En toch een wonder ben. Dominie zegt: jij aangedreven bent op het plank toen je op het zee, het groote zee, omgeven door die water, ging op en neer! Jij kwam bons met het plank, en niet bons met de hoofd tegen de schippe van de Heeren Lampsens. De Kapitein van die schippe braaf was, hij jou opneemt en brengt hier. Jij hier komt als een leelijke, vuile Heiden, en jij zal gaan weg als een mooie, gedoopte Christenknaap. Jij een wonder bent! Jan! Ja, heelemaal een mooi wonder. Dat Dominie gezegd heeft en dat waar is. Ikke Zondag gedoopt ben!”„Nu hoor, een wonder of geen wonder, braaf of niet braaf, alles gekheid. Gij gaat met ons mede om krabbetjes te vangen,” sprak Michiel, die de lijnbaan en het wiel, dat hem daar wachtte, reeds lang vergeten had.„Neen, ik naar de schippe moet!”„Wat naar het schip, gekheid!” riep Michiel.„Ja, zeker, ik anders stellig krijg met die touw voor die broekie, klets, klets! Dat pijn doet akelig pijn. Al gevoeld die touw op die broekie?”Deze laatste vraag gold Michiel, die al lachend antwoordde: „Neen, zulk een „eindje knut” is alleen voor sausnegertjes. En naar het schip, malligheid! Ik niet naar de baan, Jan Kompanjie niet naar het schip. Samen uit, samen thuis! Komaan, als hij niet wil, hem dan maar meegesleept, jongens!”Hoewel de negerjongen nu niet zulk een min ventje was, kon hij toch niet tegen die drie kwajongens op, en liet zich een heel eind meesleuren.„Houd oppe met dat ruk en dat trek! Ik loop zal wel,” riep Jan eindelijk uit, daar hij het rukken en trekken en heen- en weergooien, dat de jongens, onbarmhartige plaaggeesten, die ze waren, hem deden, spoedig zad werd.„Maar pas op, als gij drossen gaat, hoor,” zei Michiel, „want dan zullen we mekaêr eens even spreken door het oor van eene mande!”„Ik niet zal drossen. Ik meegaan zal, ik, als een braaf jongen,” antwoordde Jan, die geen plan meer had om naar zijn schip te gaan.En zoo gingen de vier knapen naar de rijsberm bij den Westdijk en zagen niemand, dien ze kenden en die hen verklikken kon.Neen, zij zagen niemand. Maar Vader Adriaen zag hen wel, en nam des middags uit de brouwerij al vast eene stevige rinkellat met zich om zijn zoontje, het aardige krabben-visschertje,eens even te spreken.De jongens bleven daar spelen tot het twaalf uren sloeg en gingen toen naar huis.„Zoo, Michiel,” zei Vader, „gij zijt er vroeg bij. Een vroegertje van den baas gehad?”„Neen, Vader!”„Zeker de klok niet gehoord en zoo maar op den gis naar huis gegaan, nietwaar?”„Neen, Vader!”„Weggestuurd dan soms?”„Neen, Vader!”„Dan een beetje aan den waterkant aan het spelen geweest met Geleyn en Pieter Evertsen en dien kleinen neger van het schip van de Heeren Lampsens?”„Ja, Vader!”„En veel pret gehad, mijn jongen?”„Ja, Vader, o zooveel pret!”„En wat hebt gij dan uitgevoerd?”„We hebben krabbetjes gevangen, Vader! En Jan, die geene krabben kende, pakte ze zoo maar beet en dan sloegen die dieren hunne scharen in zijne vingers! Ge hadt dat leelijke gezicht moeten zien, Vader!”„Zoo, jongen! En hoeveel krabbetjes denkt gij wel, dat ge gevangen hebt?”„Maar tien, Vader! Maar één was er bij zoo groot als mijne muts! Nog nooit zoo eene gezien!”„Jawel, daar zijn groote krabben ook, zoo wel als groote pakken slaag! Kom maar eens hier, ventje, en breng dat rinkellatje mede, dat daar in den hoek staat!”Michiel keek heel leelijk naar dat latje en zei: „Zal ik het maar eens even in het vuur onder de bruine boonen stoppen, Vader?”„Neen, jongen, het is te groot, ik zal het vooraf wel in kleine stukjes breken!”„Dat kan ik ook wel, Vader,” antwoordde Michiel en brak het latje al vast door.„Gij zijt sterk,” zei Vader, „breng mij die twee eindjes nu maar!”„Ze kunnen er anders nu wel al onder, Vader!”„Komt gij nu hier, bengel,” riep Vader terwijl hij verstoord de vuisten balde en gereed was, den deugniet deze te laten voelen.Nu durfde Michiel niet langer wachten. Hij bracht de eindjes lat bij zijnen Vader en....Michiel schreeuwde huizen hoog! Zoo had hij nog nooit voor de broek gehad.„Vader, Vader, houd toch op,” klaagde en smeekte Moeder Alida en wilde de hand van haren man tegenhouden.„Laat los, Alida! Deze eindjes zullen op zijne broek aan stukken of mijn naam is geen Adriaen. Zoo’n schandaal van eenen jongen. Het kwaad moet er uit....”„Maar Vader, houd dan toch op,” herhaalde Moeder Alida, wier bleeke wangen nog akeliger bleek van angst en medelijden werden.„Klets-klets! Het kwaad zal er uit!”„Houd nu op, Adriaen! De jongen kan niet meer schreeuwen. Hij zal nog stikken van angst,” riep Moeder, zichzelve niet langer meester.„Klets-klets! Eerst de latjes kapot, dan is de zaak gezond, vrouw! Ik houd er van om maar ineens een goed pak te geven! Klets-klets!”„Hei, hei, Adriaen, dat gaat hier op den dood af,” klonk eensklaps eene stem.De vertoornde Vader zag op, hield op met slaan, zette Michiel neer, stond op en zeide beleefd: „Uw dienaar, Sinjeur Seylmaecker.”Michiel stond er akelig bij. Verdwenen was de gezonde en blozende kleur van zijne wangen en het had werkelijk al den schijn, dat hij op het punt stond om het van pijn te besterven.De binnentredende keek hem vol medelijden aan en zeide: „Breng uwen jongen even buiten, Moeder, en laat hem wat koud water drinken. Hij is bijna vermoord.”Hierop wendde hij zich tot den vertoornden Vader en sprak: „Wie zijnen zoon lief heeft, spaart de roede niet, denkt ge zeker! Maar zeg eens, Adriaen, zoudt gij zelf zulk een pak slaag wel willen ontvangen?”„Voor geene honderd schellingen, Sinjeur!”„En waarom geeft gij het dan aan uwen jongen?”„Sinjeur, die jongen is een nagel aan mijne doodkist! Ik bega nog een ongeluk aan hem,” sprak de Vader en smeet de twee stukken rinkellat op het vuur.„En wat kwaads heeft hij dan nu weer uitgevoerd?”„Hij is driemaal van school gejaagd, Sinjeur! Nu is hij in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en doet zijn best daar ook vandaan gejaagd te worden. Ieder oogenblik gaat hij inplaats van aan zijn werk met zijne kornuiten spelen. Hij heeft me dat vanmorgen alweer gelapt! Maar het kwaad zal er uit en het kwaad moet er uit!”„En zóó slaat gij het er in en al dieper in, Adriaen! Zulke jongens moeten op eene andere wijze gestraft worden.”Terwijl hij sprak trad Michiel, wankelend van pijn, aan de hand zijner ontstelde en diep bedroefde Moeder binnen.Hij zette zich op eene houten bank, doch daar het zitten hem te veel pijn deed, zoo stond hij dadelijk op en ging in het vensterkozijn leunen.Sinjeur Seylmaecker ging op hem af, legde hem de hand op den schouder en sprak op vriendelijken toon: „Jongen, jongen, wat moet er van u terecht komen?”„Ik wil varen, Sinjeur, en dan zal ik wel goed oppassen,” antwoordde Michiel, die den Heer wel kende, daar deze een voornaam handelaar en Schepen in de Vroedschap was. Hij was een streng Heer en Michiel zag hem op straat altijd liever gaan dan komen, doch nu was hij den Vroeden man in zijn hart recht dankbaar, dat hij gekomen was; want zijne komst toch had een einde gemaakt aan de vaderlijke kastijding. Wie weet of anders die houtjes, die nu zoo lustig brandden en de boonen bijna uit den pot deden springen nog niet op zijne broek dansen zouden.„Komaan, zoudt gij zoo graag willen varen? Is er wat tegen, Adriaen?” Deze laatste vraag gold niet meer den zoon, maar den Vader, wiens woede nog niet geheel bekoeld scheen.„Bij mij in het minst niet, Sinjeur,” luidde Vaders antwoord. „Maar, daar aanboord zal de bengel er nog anders van lusten. Ravallen en kielhalen zit er voor hem op.”„Dat zou voor mij de groote vraag zijn, Adriaen,” hernam Sinjeur Seylmaecker. „Het is meer gezien: wie aanwal een bengel is, wordt aanboord een engel. Ik zou het er gerust op durven wagen en zelfs moed hebben, dat er wat goeds uit den bengel groeien zou. Heeft u er iets tegen, Moeder Alida? Is er bij u bezwaar?”De teerhartige Moeder keek den vriendelijken koopman aan en zeide: „Bij mij bestaat wel bezwaar, Sinjeur, en groot bezwaar ook, ik wil het niet ontveinzen. Zie, als hij ruiter in Staatschen dienst wilde worden, zooals mijn Vader zaliger is geweest, dan zou ik zeggen: ga, jongen! Een mensch z’n zin, een mensch z’n leven! Maar, als matroos het zeegat uit, praat er mij niet van, Sinjeur, praat er mij niet van! Ik zou het besterven.”„Maar hoor nu eens even, Moeder Alida! Gij zegt daar: een mensch z’n zin, een mensch z’n leven. Als ge dát meent, dan moet ge er ook niet tegen zijn, dat die schavuit daar, het zeegat uitgaat! Dat schijnt nu eenmaal zijn zin te zijn.”„Jawel, Sinjeur, maar ik zei dat zoo maar bij manier van spreken! Wat zou er van hem aanboord terecht komen? Er is onder het matrozen-volk raar goedje, Sinjeur!”„Dat is zoo, Moeder Alida! Maar als hij nu eens eenen goeden zeevader had?”„Wat is een zeevader, Sinjeur?”„Dat is een man aanboord, die over een paar jongens gesteld is om die voor zeeman op te leiden.”„Ja, Sinjeur, dan zou het wat anders zijn. Maar waar vindt men eenen goeden zeevader?”„Wel, aanboord van de „Lijnbaan” is....”„Is dat het schip van de Heeren Lampsens, Sinjeur?”„Juist, Moedertje! En daar aanboord is de „Barre Bruinvisch” Bootsman!”„De „Barre Bruinvisch”? Is dat Corstiaen Lievensz.?”„Neen, het is zijn broêr Cornelis. En ik sta er u voor in, als onze maat dien „Barren Bruinvisch” tot zeevader heeft, dat hij aanboord wel alle leelijke grapjes uit het hoofd zal laten!”„Ik heb u immers gezegd, Sinjeur, dat ik aanboord wel oppassen zou en geene grapjes uithalen,” zeide Michiel, die al hoopte, dat Moeder overwonnen was.„Wil ik er eens met eenen van de Heeren Lampsens over spreken?” vroeg het heerschap.„Och, neen, neen, Sinjeur! Doe het maar niet, alsjeblieft! Na het pak, dat hij zoo even gehad heeft, zal hij nu wel oppassen! Nietwaar, Michiel, mijn jongen?”Michiel zweeg en liet zijne lip, zooals men dat wel eens zegt, op het derde knoopsgat hangen.„Hij zegt er niet gauw ja op, Moeder Alida! Maar, ik wil u niet dwingen! Ik kwam ook niet om over dien bengel te spreken. Ik kwam een vaatje bier bestellen!”„Alsjeblieft, Sinjeur!” zeide Adriaen.„Neen, geen alsjeblieft,” hernam Seylmaecker. „Ik zou dat eigenlijk moeten zeggen. Ik kom maar hier, omdat het kantoor van den Heer Allertsz. wel wat ver uit mijnen koers was, en ik hier toch voorbij moest.”„Jawel, Sinjeur, maar mijn Meester geeft me voor ieder vaatje bier, dat bij mij besteld wordt, eene kleinigheid. En alle beetjes helpen! Er is wat noodig, Sinjeur! Daar zitten ze alle elf, en drie ervan zijn nog maar aan de verdiensten, want Michiel, die bengel, telt niet mee, al is hij reeds in zijn elfde jaar.”Dit zeggende wees Vader Adriaen op zijne elf kinderen, die bij zichzelven dachten: „Wij wilden wel dat die Sinjeur maar heenging; de boonen zijn al lang gaar!”„Ja, man, er is veel brij noodig om al dien schelmen den mond te stoppen. Dus, als de lieden iets bij u bestellen, dan hebt gij er nog eenig voordeel bij?”„Ja, Sinjeur!”„Goed, dat ik het weet. Ik zal het mijnen kennissen ook zeggen. Nu ga ik heen, anders hebt gijlieden vanmiddag de boonen koud! Eet smakelijk samen!”„Dank u wel, Sinjeur,” zeiden Vader en Moeder.Bij de deur gekomen riep de goedhartige man met de klink in de hand: „En over dien bengel daar,”—hij wees op Michiel,—„zult gij nog wel eens denken, nietwaar? Goeden dag!”Hij schoof voorbij het raam en Vader Adriaen zei: „Hij ziet er zoo bar uit, en toch is hij een doodgoed man. Als alle menschen zoo waren, dan zou het leven voor een arm mensch nog al te dulden zijn.”„Wat hij anders van de zee vertelde, vond ik niet zoo goed,” zeide de Moeder.„Ja, vrouw, het schijnt dat gij aan de zee allerlei kwaads gezien of er een broertje aan dood hebt.”„Praat me niet van de zee! Ik begin al te beven als ik er aan denk.”„Beef dan maar niet zoo hard, dat de jongens en meiden in dien tusschentijd u al de boonen voor den neus weghalen. Die Michiel heeft er tenminste al een heel gat in geslagen. Wilt gij wel eens ophouden, kwâjongen! Dat eet als een uitgehongerde Leidenaar!”„Michiel denkt zeker: „Vader heeft alles naar onder geslagen, er moet boven op ook wat zitten, anders ligt de schuit niet vast,” zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, op spottenden toon.„Laat den jongen maar eten, als hij honger heeft,” sprak Moeder Alida, die door het pak slaag, dat Michiel gehad had, erg zenuwachtig geworden was. „Ik had al genoeg eer Sinjeur Seylmaecker kwam.”„Dat zijn lekkere, Moeder,” zeide Michiel en schoof in den schotel voor Moeders plaats de grootste boonen, die hij vinden kon. Zij aten samen uit denzelfden schotel, weetge! Aan een bord voor ieder werd niet gedacht, en dat had niet alleen plaats bij arme en eenvoudige menschen, zooals bij den bierdrager Adriaen Michielsz., o neen, dat deed men ook bij de meergegoeden, en op het platte land kan men velen onzer boertjes nog met het geheele gezin uit denzelfden schotel zien eten.Nadat het middagmaal afgeloopen was ging onze Michiel naar de lijnbaan. Hoe hij daar door baas Lorkens, den meesterknecht ontvangen werd en welk gesprek hij met hem voerde, hebben we reeds gelezen.Michiel draaide een uurtje lang vrij geregeld door en baas Lorkens dacht: „Zoo’n „end” schijnt te helpen! Het gaat er nu goed door!” maar pas had hij dat gedacht of het wiel begon onregelmatig te draaien en hield eindelijk heelemaal stil.„Zeg eens even, nu al moede?” vroeg Lorkens, die Michiel met de handen op den rug en naar de wolken kijkend voor de deur van het huisje vond staan.„Daar komt een stevig koeltje opzetten, baas!”„Wat geef ik om een koeltje, draai maar!”„Ik wed dat het, eer we een uur verder zijn, eene gereefde marszeilskoelte waait!”„Wilt gij nu wel eens draaien,kwâjongen?”„Ja, baas!”Michiel ging in zijn hok en draaide dat een mensch er koude van krijgen zou.„Draai toch harder, schavuit!”„Het wiel gaat zoo erg stroef, baas! Het moet zeker eens goed in het vet gezet en gesmeerd worden!”„Het wiel gesmeerd? Mis, mannetje! Michiels rug moet gesmeerd worden, dat is heel wat anders, en meer helpen zal het ook. En nu niet langer geluierd! Draai!”„Ja, baas!”En weer ging Michiel aan den gang.„Wacht,” dacht hij, „als ik den draaier een klein beetjelinks duw onderwijl ik draai, dan gaat het toch zoo ellendig piepen, dat een mensch er akelig van wordt.”Rrrrt, daar ging de draaier een beetje links.Piep-piep! klonk het zacht.„Ha, ha, mooi zoo, eerst zacht en dan al harder en harder,” mompelde Michiel.Rrrrt, alweer wat links.Piehiep! Piehiep!—„Heerlijk, prachtig, het kan niet beter,” zeide Michiel zachtjes en lachte ondeugend toen de baas opkeek om te kijken waar dat afschuwelijke geluid vandaan kwam.„Het is het wiel, baas!” riep Michiel.Rrrrt, daar ging de draaier zoo ver links, als maar mogelijk was.Pie-hie-iep! Pie-hie-hie-iep!Baloorig smeet baas Lorkens zijn werk neer.„Houd op, jongen! Het is om een mensch heelemaal van de wijs te maken,” sprak hij toen hij naderbij kwam. Ongelukkig genoeg wist de man niemendal van Michiels uitvinding af.„Ja, baas, ik ben er ook heelemaal van streek door,” zeide Michiel met het onnoozelste gezicht van de wereld en natuurlijk terstond ophoudende met draaien. „Het zal eens een weekje rust moeten hebben om gemaakt te worden. Zoo kan het niet langer!”Die goede raad kwam onzen baas erg verdacht voor, want als het wiel rustte, dan rustte Michiel ook. Was het den deugniet daarom misschien ook alleen te doen?„Haal den smeerpot, Michiel,” beval hij.„Ja, baas! Staat hij in het kabelhok?”„Neen, achter die hennep-balen! Gauw wat!”„Ja, baas!”„Ik geloof heilig dat de jongen me voor den gek houdt,” mompelde Lorkens en begon ook eens te draaien, doch daar alles gebleven was, zooals Michiel het gemaakthad, maakte het ding nog een afschuwelijk geweld.„Het is toch waar,” bromde hij ontevreden.„Hi-hi! Hij probeert eens,” zeide Michiel terwijl hij naar den smeerpot greep. „Hoe gelukkig dat ik er nog niemendal aan veranderd had! Wacht maar, eer het avond is, moet er weer gesmeerd worden!”„Zeg, moet ge den pot uit de Oost-Indiën halen?” riep de baas, wien het wachten verveelde.„Neen, baas! Hier ben ik al!”„Mooi! En waar ergens piept dat ding nu toch zoo?”„Ik geloof van hier, baas,” zei Michiel en wees een plekje aan waar niet te veel smeer was.Baas Lorkens nam nu de smoutkwast en begon de kale plek eens terdege in het vet te zetten, waarna hij zeide: „Er is nu bijna eene karrevracht smout op! Kom aan, draai nog eens!”Michiel haalde den draaier nu een weinig naar rechts, maar zoo dat geen mensch het zien kon en.... Piep-pie-hiep!„Houd op! Hier zit zeker ook nog niet genoeg,” sprak Lorkens, die nu een ander plekje in het vet zette, en zoodra hij hiermede klaar was, klonk het bevelend: „Draai, bengel!”„Ja, baas!”Daar ging de draaier weer links en: Pie-hie-hie-hiep! Pie....„Houd op, jongen! Hooren en zien vergaat hier een mensch. Wat kan er toch aan dat ding haperen?” sprak Lorkens, nijdig, omdat hij het gebrek niet vinden kon en er toch zeer veel werk, dat vlug klaar moest zijn, wachtte.Michiel stak de handen in de zakken, ging buiten staan en riep: „Ze hebben hem al te pakken, baas! Jongen, jongen, dat wordt een stoker van wat ben je me en wie maar gerekend heeft op een gereefd marszeilskoeltje, die....”„Houdt den mond, schavuit! Ik wilde wel dat gij met dat gereefd marszeilskoeltje en dat akelige wiel op Spitsbergen zat!”„Hi, Hi, baas, wat jaagt ge me ver van honk! Ik zou er wel willen zijn en heel graag ook, maar zonder....”„Zonder het wiel zeker?”„Wel, baas, u lijkt wel een profeet. Hoe raadt gij dat toch zoo opeens? Maar als ik op Spitsbergen zat en het wiel was hier in de baan gebleven, wie zou het dan draaien?”„Een ander, deugniet, een ander, die zijnen schelling in de week beter verdiende dan gij dien verdient. En kort en goed, ik doe nu aan het wiel niemendal meer. Al piept het dat ze het er in de Molukken van op de zenuwen krijgen, draaien zult gij! Begin!”De smeerpot werd neergezet; baas Lorkens ging zijn werk weer opnemen en Michiel begon, na den draaier heelemaal naar rechts gebracht te hebben, te draaien dat het een lieve lust was.„Het heeft dan toch wat geholpen, baas!” riep Michiel.„Ik wil het wel gelooven! Er zit eene halve scheepslading olie op,” was het korzelig gegeven antwoord.Een uurtje daarna echter liet de kwâjongen het wiel weer eens even piepen.„Daar zal het lieve leven zoo waar alweer beginnen, baas! Zouden wij den smoutpot weer maar niet eens voor den dag halen,” zeide Michiel met een paar oogen waaruit wel twee schelmen tegelijk keken.„Laat piepen wat piept! Draai!” snauwde Lorkens hem toe.Weer ging het een oogenblik goed, doch niet langer dan Michiel verkoos, en eindelijk maakte het ding zulk een hevig geweld, dat Lorkens zijn werk voorgoed neersmeet, naar het huisje kwam en zeî: „Daar moet de smid naar komen kijken! Ga hem halen!”Weg was Michiel.Maar wie nu denkt, dat hij den naasten weg ging, heeft het heelemaal mis. Eerst moest hij eens op het hoofd gaan kijken. Toen hij daar kwam, hielp hij een bootje vastleggen,maakte een praatje met de twee matrozen, die er in zaten en ging eindelijk op zijn doode gemak naar den smid. Deze was evenwel niet thuis; maar de gezel zou het zeggen en de Meester zou dan dadelijk komen.„Meester Heisteck zal zoo dadelijk komen, baas! Hij was niet thuis,” zeide Michiel.Het liep wel een uur aan eer de man kwam, doch nauwelijks had hij het wiel bekeken of hij zeî: „Wel, er hapert aan dat wiel niets. Zit de draaier wel goed?”Michiel hoopte dat die „akelige vent” het niet vinden zou; maar dat viel hem bitter tegen.„Welja, het ligt aan den draaier,” zeide hij. „Die is te veel naar links! Een klein gebrek, gauw verholpen!”Met behulp van hamer, nijptang, vijl en eene kram stond de draaier nu vast en kon niet meer naar links of rechts. Meester Heisteck draaide eens en....„Ga maar gerust aan den slag, hoor,” sprak hij, „en als het ding nu nog piept, dan geef ik een potteken bier.”Michiel draaide, deed zijn best om het toestel te laten piepen, maar mis, er was niets te vernemen.„Ziezoo, alles in orde,” sprak Meester Heisteck en ging met zijne gereedschappen heen.Onder al die bedrijven door was het evenwel avond geworden en, Michiel kon naar huis.Of hij dien dag zijn kostje verdiend had?Als ge dat aan Michiel gevraagd hadt, zou hij u gezegd hebben: „Welneen, maar laat me naar zee gaan, dan verdien ik den kost dubbel! Hier aan den wal is daar nu ofte nimmer denken aan. Ik wil naar zee!”

Op den morgen van dien dag was hij naar de lijnbaan gegaan, doch ontmoette onderweg Geleyn en Pieter Evertsen, zoons van eenen visscher, die zoo nu en dan ook wel eens ten oorlog voer en er dan wakker op sloeg. Dat hadden de Spanjaarden in 1607 bij Gibraltar en in nog vroegere jaren, op andere plaatsen, duchtig ondervonden. En dat klappen deelen en vechten zat er bij zijne twee zoons ook al vroeg in. Pieter was een jaar ouder dan Michiel en Geleyn was even oud, dus juist jongens voor onzen bierdragerszoon om er samen op uit te gaan.

„Zeg, hei, Michiel, waar gaat dat op zulk een sukkeldrafje heen?” had Pieter gevraagd toen Michiel hem voorbij kwam.

„Ik? Wel waar anders heen dan naar de lijnbaan!”

„Kom, ga met ons mee!”

„Neen, dat gaat niet, jongens!”

„Zijt gij bang dat de lijnbaan wegloopen zal, als gij eens een keertje doet, alsof er op heel de wereld geene lijnbaan is?”

„Neen, dat niet!”

„Nu, waarom gaat gij dan niet mee?”

„Wel, Vader is tegenwoordig zoo hardhandig en hij slaat er zoo gauw op! Als hij mij eens op straat zag, dan zou er vanmiddag weer zoo even wat op zitten!”

„Zien? Wat geeft dat? Gij zegt maar, als hij wat vraagt,dat gij eene boodschap voor den meesterknecht moet doen,” zeide Geleyn, die nog geen woord gesproken had.

„Denkt gij dan dat ik om een pak slaag mis te loopen eene leugen verzinnen zal?” vroeg Michiel.

„Dat moet gij weten! Ik verzin er wel tien voor!” zeide Geleyn, zoo onverschillig mogelijk.

„En ik wel twintig!” riep Pieter.

Daar sloeg de Sint Jacob negen uren.

„Het klokje van gehoorzaamheid, manneke! En al loopt gij nu ook het vuur uit de sloffen, er is geen kijk meer op om op den bepaalden tijd op het werk te zijn. Waarom zoudt gij niet met ons medegaan? We zullen pret hebben, Michiel, heel wat pret ook,” zeide Pieter vleiend en hield Michiel al bij de gelapte mouw van het versleten wambuis vast.

Michiel aarzelde en vroeg: „En waar gaat gij dan die groote pret uithalen? Kom, zeg op! Op het hoofd of op den Westdijk?”

„Neen, we gaan naar de rijsbermen buiten den Westdijk om krabbetjes te vangen,” antwoordde Pieter.

„Hè, hè, daar alle drie staan! Michiel een, Geleyn twee, Pieter drie! Dat drie brave jongens zijn,” klonk op eenmaal de stem van eenen anderen jongen, die juist het hoekje van de straat omsloeg.

Het was een negerknaap, die hier in het begin van April met een schip aangekomen was. Nog eenige dagen dan ging hij weer heen; maar, eer hij Vlissingen verliet, moest hij eerst gedoopt worden. De Heeren Lampsens, van wie het schip was waarmede de negerknaap vertrekken zou, stonden er op, dat hij geen heiden zou blijven, en daarom hadden zij hem bij eenen Domine op de catechisatie gedaan, waar hij tot groot vermaak van al de jongens, die er ook op gingen, in zijn Neger-Hollandsch zijne wijsheid uitkraamde. Michiel, Geleyn en Pieter hadden bij zijne aankomst zich dadelijk van hem meester gemaakt enonder hunne leiding leerde hij nu niet zoo heel veel moois.

„Waar gaat gij naar toe, sausneger?” vroeg Pieter.

„Negersaus, jij nog zeggen moet eens, dat ik ben negersaus,” antwoordde de negerknaap, die den naam van Jan Kompanjie gekregen had en onder dien naam ook op de scheepsrol der Heeren Lampsens en in het doopboek ingeschreven zou worden.

„Negersaus,” riep Pieter lachend. „Zeer goed spreken! Is me dat eene taal? Is dat negertaal soms?”

„Neen, Hollandsch is, goed Hollandsch. Maar dat Vlissingers, dat spreek zoo raar, niet verstaan ik!”

„Goed, goed,” zeide Michiel. „Zeg maar waarheen gij gaat!”

„Ikke ga naar de schippe! Ikke daar moet schuren de dek met bezem en dweil! Zjjjt, zjjjt!” zeide Jan het geluid van den bezem nabootsende.

„Gij zijt een wonder van eenen braven, gehoorzamen jongen,” spotte Michiel.

„Dat de Domine ook zegt!”

„Loop, dat zal de Domine zeggen en ge zijt verleden week nog van de catechisatie gejaagd!” riep Geleyn.

„En toch een wonder ben. Dominie zegt: jij aangedreven bent op het plank toen je op het zee, het groote zee, omgeven door die water, ging op en neer! Jij kwam bons met het plank, en niet bons met de hoofd tegen de schippe van de Heeren Lampsens. De Kapitein van die schippe braaf was, hij jou opneemt en brengt hier. Jij hier komt als een leelijke, vuile Heiden, en jij zal gaan weg als een mooie, gedoopte Christenknaap. Jij een wonder bent! Jan! Ja, heelemaal een mooi wonder. Dat Dominie gezegd heeft en dat waar is. Ikke Zondag gedoopt ben!”

„Nu hoor, een wonder of geen wonder, braaf of niet braaf, alles gekheid. Gij gaat met ons mede om krabbetjes te vangen,” sprak Michiel, die de lijnbaan en het wiel, dat hem daar wachtte, reeds lang vergeten had.

„Neen, ik naar de schippe moet!”

„Wat naar het schip, gekheid!” riep Michiel.

„Ja, zeker, ik anders stellig krijg met die touw voor die broekie, klets, klets! Dat pijn doet akelig pijn. Al gevoeld die touw op die broekie?”

Deze laatste vraag gold Michiel, die al lachend antwoordde: „Neen, zulk een „eindje knut” is alleen voor sausnegertjes. En naar het schip, malligheid! Ik niet naar de baan, Jan Kompanjie niet naar het schip. Samen uit, samen thuis! Komaan, als hij niet wil, hem dan maar meegesleept, jongens!”

Hoewel de negerjongen nu niet zulk een min ventje was, kon hij toch niet tegen die drie kwajongens op, en liet zich een heel eind meesleuren.

„Houd oppe met dat ruk en dat trek! Ik loop zal wel,” riep Jan eindelijk uit, daar hij het rukken en trekken en heen- en weergooien, dat de jongens, onbarmhartige plaaggeesten, die ze waren, hem deden, spoedig zad werd.

„Maar pas op, als gij drossen gaat, hoor,” zei Michiel, „want dan zullen we mekaêr eens even spreken door het oor van eene mande!”

„Ik niet zal drossen. Ik meegaan zal, ik, als een braaf jongen,” antwoordde Jan, die geen plan meer had om naar zijn schip te gaan.

En zoo gingen de vier knapen naar de rijsberm bij den Westdijk en zagen niemand, dien ze kenden en die hen verklikken kon.

Neen, zij zagen niemand. Maar Vader Adriaen zag hen wel, en nam des middags uit de brouwerij al vast eene stevige rinkellat met zich om zijn zoontje, het aardige krabben-visschertje,eens even te spreken.

De jongens bleven daar spelen tot het twaalf uren sloeg en gingen toen naar huis.

„Zoo, Michiel,” zei Vader, „gij zijt er vroeg bij. Een vroegertje van den baas gehad?”

„Neen, Vader!”

„Zeker de klok niet gehoord en zoo maar op den gis naar huis gegaan, nietwaar?”

„Neen, Vader!”

„Weggestuurd dan soms?”

„Neen, Vader!”

„Dan een beetje aan den waterkant aan het spelen geweest met Geleyn en Pieter Evertsen en dien kleinen neger van het schip van de Heeren Lampsens?”

„Ja, Vader!”

„En veel pret gehad, mijn jongen?”

„Ja, Vader, o zooveel pret!”

„En wat hebt gij dan uitgevoerd?”

„We hebben krabbetjes gevangen, Vader! En Jan, die geene krabben kende, pakte ze zoo maar beet en dan sloegen die dieren hunne scharen in zijne vingers! Ge hadt dat leelijke gezicht moeten zien, Vader!”

„Zoo, jongen! En hoeveel krabbetjes denkt gij wel, dat ge gevangen hebt?”

„Maar tien, Vader! Maar één was er bij zoo groot als mijne muts! Nog nooit zoo eene gezien!”

„Jawel, daar zijn groote krabben ook, zoo wel als groote pakken slaag! Kom maar eens hier, ventje, en breng dat rinkellatje mede, dat daar in den hoek staat!”

Michiel keek heel leelijk naar dat latje en zei: „Zal ik het maar eens even in het vuur onder de bruine boonen stoppen, Vader?”

„Neen, jongen, het is te groot, ik zal het vooraf wel in kleine stukjes breken!”

„Dat kan ik ook wel, Vader,” antwoordde Michiel en brak het latje al vast door.

„Gij zijt sterk,” zei Vader, „breng mij die twee eindjes nu maar!”

„Ze kunnen er anders nu wel al onder, Vader!”

„Komt gij nu hier, bengel,” riep Vader terwijl hij verstoord de vuisten balde en gereed was, den deugniet deze te laten voelen.

Nu durfde Michiel niet langer wachten. Hij bracht de eindjes lat bij zijnen Vader en....

Michiel schreeuwde huizen hoog! Zoo had hij nog nooit voor de broek gehad.

„Vader, Vader, houd toch op,” klaagde en smeekte Moeder Alida en wilde de hand van haren man tegenhouden.

„Laat los, Alida! Deze eindjes zullen op zijne broek aan stukken of mijn naam is geen Adriaen. Zoo’n schandaal van eenen jongen. Het kwaad moet er uit....”

„Maar Vader, houd dan toch op,” herhaalde Moeder Alida, wier bleeke wangen nog akeliger bleek van angst en medelijden werden.

„Klets-klets! Het kwaad zal er uit!”

„Houd nu op, Adriaen! De jongen kan niet meer schreeuwen. Hij zal nog stikken van angst,” riep Moeder, zichzelve niet langer meester.

„Klets-klets! Eerst de latjes kapot, dan is de zaak gezond, vrouw! Ik houd er van om maar ineens een goed pak te geven! Klets-klets!”

„Hei, hei, Adriaen, dat gaat hier op den dood af,” klonk eensklaps eene stem.

De vertoornde Vader zag op, hield op met slaan, zette Michiel neer, stond op en zeide beleefd: „Uw dienaar, Sinjeur Seylmaecker.”

Michiel stond er akelig bij. Verdwenen was de gezonde en blozende kleur van zijne wangen en het had werkelijk al den schijn, dat hij op het punt stond om het van pijn te besterven.

De binnentredende keek hem vol medelijden aan en zeide: „Breng uwen jongen even buiten, Moeder, en laat hem wat koud water drinken. Hij is bijna vermoord.”

Hierop wendde hij zich tot den vertoornden Vader en sprak: „Wie zijnen zoon lief heeft, spaart de roede niet, denkt ge zeker! Maar zeg eens, Adriaen, zoudt gij zelf zulk een pak slaag wel willen ontvangen?”

„Voor geene honderd schellingen, Sinjeur!”

„En waarom geeft gij het dan aan uwen jongen?”

„Sinjeur, die jongen is een nagel aan mijne doodkist! Ik bega nog een ongeluk aan hem,” sprak de Vader en smeet de twee stukken rinkellat op het vuur.

„En wat kwaads heeft hij dan nu weer uitgevoerd?”

„Hij is driemaal van school gejaagd, Sinjeur! Nu is hij in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en doet zijn best daar ook vandaan gejaagd te worden. Ieder oogenblik gaat hij inplaats van aan zijn werk met zijne kornuiten spelen. Hij heeft me dat vanmorgen alweer gelapt! Maar het kwaad zal er uit en het kwaad moet er uit!”

„En zóó slaat gij het er in en al dieper in, Adriaen! Zulke jongens moeten op eene andere wijze gestraft worden.”

Terwijl hij sprak trad Michiel, wankelend van pijn, aan de hand zijner ontstelde en diep bedroefde Moeder binnen.

Hij zette zich op eene houten bank, doch daar het zitten hem te veel pijn deed, zoo stond hij dadelijk op en ging in het vensterkozijn leunen.

Sinjeur Seylmaecker ging op hem af, legde hem de hand op den schouder en sprak op vriendelijken toon: „Jongen, jongen, wat moet er van u terecht komen?”

„Ik wil varen, Sinjeur, en dan zal ik wel goed oppassen,” antwoordde Michiel, die den Heer wel kende, daar deze een voornaam handelaar en Schepen in de Vroedschap was. Hij was een streng Heer en Michiel zag hem op straat altijd liever gaan dan komen, doch nu was hij den Vroeden man in zijn hart recht dankbaar, dat hij gekomen was; want zijne komst toch had een einde gemaakt aan de vaderlijke kastijding. Wie weet of anders die houtjes, die nu zoo lustig brandden en de boonen bijna uit den pot deden springen nog niet op zijne broek dansen zouden.

„Komaan, zoudt gij zoo graag willen varen? Is er wat tegen, Adriaen?” Deze laatste vraag gold niet meer den zoon, maar den Vader, wiens woede nog niet geheel bekoeld scheen.

„Bij mij in het minst niet, Sinjeur,” luidde Vaders antwoord. „Maar, daar aanboord zal de bengel er nog anders van lusten. Ravallen en kielhalen zit er voor hem op.”

„Dat zou voor mij de groote vraag zijn, Adriaen,” hernam Sinjeur Seylmaecker. „Het is meer gezien: wie aanwal een bengel is, wordt aanboord een engel. Ik zou het er gerust op durven wagen en zelfs moed hebben, dat er wat goeds uit den bengel groeien zou. Heeft u er iets tegen, Moeder Alida? Is er bij u bezwaar?”

De teerhartige Moeder keek den vriendelijken koopman aan en zeide: „Bij mij bestaat wel bezwaar, Sinjeur, en groot bezwaar ook, ik wil het niet ontveinzen. Zie, als hij ruiter in Staatschen dienst wilde worden, zooals mijn Vader zaliger is geweest, dan zou ik zeggen: ga, jongen! Een mensch z’n zin, een mensch z’n leven! Maar, als matroos het zeegat uit, praat er mij niet van, Sinjeur, praat er mij niet van! Ik zou het besterven.”

„Maar hoor nu eens even, Moeder Alida! Gij zegt daar: een mensch z’n zin, een mensch z’n leven. Als ge dát meent, dan moet ge er ook niet tegen zijn, dat die schavuit daar, het zeegat uitgaat! Dat schijnt nu eenmaal zijn zin te zijn.”

„Jawel, Sinjeur, maar ik zei dat zoo maar bij manier van spreken! Wat zou er van hem aanboord terecht komen? Er is onder het matrozen-volk raar goedje, Sinjeur!”

„Dat is zoo, Moeder Alida! Maar als hij nu eens eenen goeden zeevader had?”

„Wat is een zeevader, Sinjeur?”

„Dat is een man aanboord, die over een paar jongens gesteld is om die voor zeeman op te leiden.”

„Ja, Sinjeur, dan zou het wat anders zijn. Maar waar vindt men eenen goeden zeevader?”

„Wel, aanboord van de „Lijnbaan” is....”

„Is dat het schip van de Heeren Lampsens, Sinjeur?”

„Juist, Moedertje! En daar aanboord is de „Barre Bruinvisch” Bootsman!”

„De „Barre Bruinvisch”? Is dat Corstiaen Lievensz.?”

„Neen, het is zijn broêr Cornelis. En ik sta er u voor in, als onze maat dien „Barren Bruinvisch” tot zeevader heeft, dat hij aanboord wel alle leelijke grapjes uit het hoofd zal laten!”

„Ik heb u immers gezegd, Sinjeur, dat ik aanboord wel oppassen zou en geene grapjes uithalen,” zeide Michiel, die al hoopte, dat Moeder overwonnen was.

„Wil ik er eens met eenen van de Heeren Lampsens over spreken?” vroeg het heerschap.

„Och, neen, neen, Sinjeur! Doe het maar niet, alsjeblieft! Na het pak, dat hij zoo even gehad heeft, zal hij nu wel oppassen! Nietwaar, Michiel, mijn jongen?”

Michiel zweeg en liet zijne lip, zooals men dat wel eens zegt, op het derde knoopsgat hangen.

„Hij zegt er niet gauw ja op, Moeder Alida! Maar, ik wil u niet dwingen! Ik kwam ook niet om over dien bengel te spreken. Ik kwam een vaatje bier bestellen!”

„Alsjeblieft, Sinjeur!” zeide Adriaen.

„Neen, geen alsjeblieft,” hernam Seylmaecker. „Ik zou dat eigenlijk moeten zeggen. Ik kom maar hier, omdat het kantoor van den Heer Allertsz. wel wat ver uit mijnen koers was, en ik hier toch voorbij moest.”

„Jawel, Sinjeur, maar mijn Meester geeft me voor ieder vaatje bier, dat bij mij besteld wordt, eene kleinigheid. En alle beetjes helpen! Er is wat noodig, Sinjeur! Daar zitten ze alle elf, en drie ervan zijn nog maar aan de verdiensten, want Michiel, die bengel, telt niet mee, al is hij reeds in zijn elfde jaar.”

Dit zeggende wees Vader Adriaen op zijne elf kinderen, die bij zichzelven dachten: „Wij wilden wel dat die Sinjeur maar heenging; de boonen zijn al lang gaar!”

„Ja, man, er is veel brij noodig om al dien schelmen den mond te stoppen. Dus, als de lieden iets bij u bestellen, dan hebt gij er nog eenig voordeel bij?”

„Ja, Sinjeur!”

„Goed, dat ik het weet. Ik zal het mijnen kennissen ook zeggen. Nu ga ik heen, anders hebt gijlieden vanmiddag de boonen koud! Eet smakelijk samen!”

„Dank u wel, Sinjeur,” zeiden Vader en Moeder.

Bij de deur gekomen riep de goedhartige man met de klink in de hand: „En over dien bengel daar,”—hij wees op Michiel,—„zult gij nog wel eens denken, nietwaar? Goeden dag!”

Hij schoof voorbij het raam en Vader Adriaen zei: „Hij ziet er zoo bar uit, en toch is hij een doodgoed man. Als alle menschen zoo waren, dan zou het leven voor een arm mensch nog al te dulden zijn.”

„Wat hij anders van de zee vertelde, vond ik niet zoo goed,” zeide de Moeder.

„Ja, vrouw, het schijnt dat gij aan de zee allerlei kwaads gezien of er een broertje aan dood hebt.”

„Praat me niet van de zee! Ik begin al te beven als ik er aan denk.”

„Beef dan maar niet zoo hard, dat de jongens en meiden in dien tusschentijd u al de boonen voor den neus weghalen. Die Michiel heeft er tenminste al een heel gat in geslagen. Wilt gij wel eens ophouden, kwâjongen! Dat eet als een uitgehongerde Leidenaar!”

„Michiel denkt zeker: „Vader heeft alles naar onder geslagen, er moet boven op ook wat zitten, anders ligt de schuit niet vast,” zeide Jan, de oudste broeder van Michiel, op spottenden toon.

„Laat den jongen maar eten, als hij honger heeft,” sprak Moeder Alida, die door het pak slaag, dat Michiel gehad had, erg zenuwachtig geworden was. „Ik had al genoeg eer Sinjeur Seylmaecker kwam.”

„Dat zijn lekkere, Moeder,” zeide Michiel en schoof in den schotel voor Moeders plaats de grootste boonen, die hij vinden kon. Zij aten samen uit denzelfden schotel, weetge! Aan een bord voor ieder werd niet gedacht, en dat had niet alleen plaats bij arme en eenvoudige menschen, zooals bij den bierdrager Adriaen Michielsz., o neen, dat deed men ook bij de meergegoeden, en op het platte land kan men velen onzer boertjes nog met het geheele gezin uit denzelfden schotel zien eten.

Nadat het middagmaal afgeloopen was ging onze Michiel naar de lijnbaan. Hoe hij daar door baas Lorkens, den meesterknecht ontvangen werd en welk gesprek hij met hem voerde, hebben we reeds gelezen.

Michiel draaide een uurtje lang vrij geregeld door en baas Lorkens dacht: „Zoo’n „end” schijnt te helpen! Het gaat er nu goed door!” maar pas had hij dat gedacht of het wiel begon onregelmatig te draaien en hield eindelijk heelemaal stil.

„Zeg eens even, nu al moede?” vroeg Lorkens, die Michiel met de handen op den rug en naar de wolken kijkend voor de deur van het huisje vond staan.

„Daar komt een stevig koeltje opzetten, baas!”

„Wat geef ik om een koeltje, draai maar!”

„Ik wed dat het, eer we een uur verder zijn, eene gereefde marszeilskoelte waait!”

„Wilt gij nu wel eens draaien,kwâjongen?”

„Ja, baas!”

Michiel ging in zijn hok en draaide dat een mensch er koude van krijgen zou.

„Draai toch harder, schavuit!”

„Het wiel gaat zoo erg stroef, baas! Het moet zeker eens goed in het vet gezet en gesmeerd worden!”

„Het wiel gesmeerd? Mis, mannetje! Michiels rug moet gesmeerd worden, dat is heel wat anders, en meer helpen zal het ook. En nu niet langer geluierd! Draai!”

„Ja, baas!”

En weer ging Michiel aan den gang.

„Wacht,” dacht hij, „als ik den draaier een klein beetjelinks duw onderwijl ik draai, dan gaat het toch zoo ellendig piepen, dat een mensch er akelig van wordt.”

Rrrrt, daar ging de draaier een beetje links.

Piep-piep! klonk het zacht.

„Ha, ha, mooi zoo, eerst zacht en dan al harder en harder,” mompelde Michiel.

Rrrrt, alweer wat links.

Piehiep! Piehiep!—

„Heerlijk, prachtig, het kan niet beter,” zeide Michiel zachtjes en lachte ondeugend toen de baas opkeek om te kijken waar dat afschuwelijke geluid vandaan kwam.

„Het is het wiel, baas!” riep Michiel.

Rrrrt, daar ging de draaier zoo ver links, als maar mogelijk was.

Pie-hie-iep! Pie-hie-hie-iep!

Baloorig smeet baas Lorkens zijn werk neer.

„Houd op, jongen! Het is om een mensch heelemaal van de wijs te maken,” sprak hij toen hij naderbij kwam. Ongelukkig genoeg wist de man niemendal van Michiels uitvinding af.

„Ja, baas, ik ben er ook heelemaal van streek door,” zeide Michiel met het onnoozelste gezicht van de wereld en natuurlijk terstond ophoudende met draaien. „Het zal eens een weekje rust moeten hebben om gemaakt te worden. Zoo kan het niet langer!”

Die goede raad kwam onzen baas erg verdacht voor, want als het wiel rustte, dan rustte Michiel ook. Was het den deugniet daarom misschien ook alleen te doen?

„Haal den smeerpot, Michiel,” beval hij.

„Ja, baas! Staat hij in het kabelhok?”

„Neen, achter die hennep-balen! Gauw wat!”

„Ja, baas!”

„Ik geloof heilig dat de jongen me voor den gek houdt,” mompelde Lorkens en begon ook eens te draaien, doch daar alles gebleven was, zooals Michiel het gemaakthad, maakte het ding nog een afschuwelijk geweld.

„Het is toch waar,” bromde hij ontevreden.

„Hi-hi! Hij probeert eens,” zeide Michiel terwijl hij naar den smeerpot greep. „Hoe gelukkig dat ik er nog niemendal aan veranderd had! Wacht maar, eer het avond is, moet er weer gesmeerd worden!”

„Zeg, moet ge den pot uit de Oost-Indiën halen?” riep de baas, wien het wachten verveelde.

„Neen, baas! Hier ben ik al!”

„Mooi! En waar ergens piept dat ding nu toch zoo?”

„Ik geloof van hier, baas,” zei Michiel en wees een plekje aan waar niet te veel smeer was.

Baas Lorkens nam nu de smoutkwast en begon de kale plek eens terdege in het vet te zetten, waarna hij zeide: „Er is nu bijna eene karrevracht smout op! Kom aan, draai nog eens!”

Michiel haalde den draaier nu een weinig naar rechts, maar zoo dat geen mensch het zien kon en.... Piep-pie-hiep!

„Houd op! Hier zit zeker ook nog niet genoeg,” sprak Lorkens, die nu een ander plekje in het vet zette, en zoodra hij hiermede klaar was, klonk het bevelend: „Draai, bengel!”

„Ja, baas!”

Daar ging de draaier weer links en: Pie-hie-hie-hiep! Pie....

„Houd op, jongen! Hooren en zien vergaat hier een mensch. Wat kan er toch aan dat ding haperen?” sprak Lorkens, nijdig, omdat hij het gebrek niet vinden kon en er toch zeer veel werk, dat vlug klaar moest zijn, wachtte.

Michiel stak de handen in de zakken, ging buiten staan en riep: „Ze hebben hem al te pakken, baas! Jongen, jongen, dat wordt een stoker van wat ben je me en wie maar gerekend heeft op een gereefd marszeilskoeltje, die....”

„Houdt den mond, schavuit! Ik wilde wel dat gij met dat gereefd marszeilskoeltje en dat akelige wiel op Spitsbergen zat!”

„Hi, Hi, baas, wat jaagt ge me ver van honk! Ik zou er wel willen zijn en heel graag ook, maar zonder....”

„Zonder het wiel zeker?”

„Wel, baas, u lijkt wel een profeet. Hoe raadt gij dat toch zoo opeens? Maar als ik op Spitsbergen zat en het wiel was hier in de baan gebleven, wie zou het dan draaien?”

„Een ander, deugniet, een ander, die zijnen schelling in de week beter verdiende dan gij dien verdient. En kort en goed, ik doe nu aan het wiel niemendal meer. Al piept het dat ze het er in de Molukken van op de zenuwen krijgen, draaien zult gij! Begin!”

De smeerpot werd neergezet; baas Lorkens ging zijn werk weer opnemen en Michiel begon, na den draaier heelemaal naar rechts gebracht te hebben, te draaien dat het een lieve lust was.

„Het heeft dan toch wat geholpen, baas!” riep Michiel.

„Ik wil het wel gelooven! Er zit eene halve scheepslading olie op,” was het korzelig gegeven antwoord.

Een uurtje daarna echter liet de kwâjongen het wiel weer eens even piepen.

„Daar zal het lieve leven zoo waar alweer beginnen, baas! Zouden wij den smoutpot weer maar niet eens voor den dag halen,” zeide Michiel met een paar oogen waaruit wel twee schelmen tegelijk keken.

„Laat piepen wat piept! Draai!” snauwde Lorkens hem toe.

Weer ging het een oogenblik goed, doch niet langer dan Michiel verkoos, en eindelijk maakte het ding zulk een hevig geweld, dat Lorkens zijn werk voorgoed neersmeet, naar het huisje kwam en zeî: „Daar moet de smid naar komen kijken! Ga hem halen!”

Weg was Michiel.

Maar wie nu denkt, dat hij den naasten weg ging, heeft het heelemaal mis. Eerst moest hij eens op het hoofd gaan kijken. Toen hij daar kwam, hielp hij een bootje vastleggen,maakte een praatje met de twee matrozen, die er in zaten en ging eindelijk op zijn doode gemak naar den smid. Deze was evenwel niet thuis; maar de gezel zou het zeggen en de Meester zou dan dadelijk komen.

„Meester Heisteck zal zoo dadelijk komen, baas! Hij was niet thuis,” zeide Michiel.

Het liep wel een uur aan eer de man kwam, doch nauwelijks had hij het wiel bekeken of hij zeî: „Wel, er hapert aan dat wiel niets. Zit de draaier wel goed?”

Michiel hoopte dat die „akelige vent” het niet vinden zou; maar dat viel hem bitter tegen.

„Welja, het ligt aan den draaier,” zeide hij. „Die is te veel naar links! Een klein gebrek, gauw verholpen!”

Met behulp van hamer, nijptang, vijl en eene kram stond de draaier nu vast en kon niet meer naar links of rechts. Meester Heisteck draaide eens en....

„Ga maar gerust aan den slag, hoor,” sprak hij, „en als het ding nu nog piept, dan geef ik een potteken bier.”

Michiel draaide, deed zijn best om het toestel te laten piepen, maar mis, er was niets te vernemen.

„Ziezoo, alles in orde,” sprak Meester Heisteck en ging met zijne gereedschappen heen.

Onder al die bedrijven door was het evenwel avond geworden en, Michiel kon naar huis.

Of hij dien dag zijn kostje verdiend had?

Als ge dat aan Michiel gevraagd hadt, zou hij u gezegd hebben: „Welneen, maar laat me naar zee gaan, dan verdien ik den kost dubbel! Hier aan den wal is daar nu ofte nimmer denken aan. Ik wil naar zee!”


Back to IndexNext