TIENDE HOOFDSTUK.Eene moeielijke bedelreis.Vol hoop en moed dat ze wel ergens op de Fransche kust terecht komen of misschien een Engelsch, Hollandsch of Fransch schip ontmoeten zouden, lieten ze zich door de eb maar verder in zee drijven, en toen deze niet meer ging en de vloed weer doorbrak, roeiden ze er op goed geluk tegen in.Eerst toen de dag begon aan te breken, waren zij meer gerust. Ze waren in volle zee. Waar nu heen?Michiel keek naar de opkomende zon en zei: „Als we nu maar in die richting roeien, krijgen we de Fransche kust!”Hongerig, dorstig, koud en moede, als ze waren, ging het roeien van Jan en Michiel,—Geleyn zat aan het roer,—niet heel vlug.„Wij komen er vandaag nog niet!” zei Geleyn met eenen diepen zucht en het scheen dat hij op het punt stond den moed op te geven.„Jawel,” riep Michiel, „ik voel dat de vloed op komt zetten. Die zal ons helpen. En de wind ook. Hij is pal zuidwest. Waar ergens aan de kust van Frankrijk we zullen komen, weet ik niet, maar onder deBiscayersvast niet!”Zoo ging het wel twee uren voort. De man aan het roer werd telkens afgewisseld.Nu zat Michiel er aan, en dat mocht ook wel, want hij had drie uur aan een stuk stevig doorgetrokken.„Land,” riep hij eensklaps. „Ik zie land, en ik wed dat we het eiland Ré of Oléron krijgen. Ik zie torens ook. Wie weet of we het groote meevallertje niet hebben te La Rochelle aan te komen.”Het kwam op Michiels zeggen uit, meende men. Dwars tusschen de eilanden Ré en Oléron kwamen ze tegen denavond zoogenaamd te La Rochelle aan. Ze hadden in een etmaal eenen ontzettenden afstand afgelegd; maar waren ook met reuzenkrachten geholpen door eb en vloed.„Wat is La Rochelle klein!” zei Geleyn. „Ik dacht, dat het eene groote stad was, vol leven en beweging.”„Ik ook,” sprak Michiel. „Mis hebben kan ik toch niet!”„Daar bakkers wonen? Ik brooden koop!” riep Jan. „Ik honger, veel honger hebben.”„Eerst maar geld hebben,” merkte Michiel aan. „Ik heb niemendal uit te geven, want ik ben platzak.”„Ik heb nog eenen zilveren duit,” zei Geleyn. „Het is niet veel, maar toch altijd wat!”Ze kwamen in eene modderige haven aan, waar een man stond te visschen.„La Rochelle lá?” vroeg Michiel, op zijne manier het beste Fransch uitpakkende.„La Rochelle?” vroeg de man, vol verbazing, en antwoordde: „Non! Arcachon, mes enfants!”Michiel had zich dus bedrogen.De kust, die hier vol kreken was, had hem twee landtongen, die boven den lagen oever uitstaken, voor twee eilanden doen aanzien, en in de meening doen verkeeren, dat hij La Rochelle voor zich had. En nu was hij in eene stad, veel verder ten zuiden aangekomen.Onderwijl ze moeite deden, op een geschikt punt te landen, vroeg hun de Franschman aan den oever wat.Geen der drie jongens verstond hem en Michiel antwoordde op goed geluk: „Nous sommesof Flushing!” Hij smeet zoo wat Engelsch en Fransch door elkander, dat ziet ge, doch gij begrijpt, dat hij wilde zeggen: „Wij zijn van Vlissingen!”De visscher wist misschien evenveel van de bergen op de maan, als van Vlissingen, en dacht, dat ze van hun schip gekomen waren om een en ander te Arcachon te koopen. Hij zeide daarom: „Oui, mes enfants! Tout abondeen notre ville!” dat is: „Ja, mijne kinderen, alles is in overvloed in onze stad.”„Och, die man spreekt geen Fransch,” zei Michiel, doch toen ze aangekomen waren, vroeg hij hem toch: „Voulez vous vendre notre-notre-boot-boot-, Geleyn wat is boot, schuit of sloep in het Fransch?”Geleyn haalde de schouders op en zei: „Weet ik het? Ik kan geen Fransch spreken.”De visscher had Michiel eerst aangehoord, doch toen deze het woord tot Geleyn richtte, keerde hij zich om en wierp zijn net uit.„Wacht, nu weet ik het,” riep Michiel en den Franschen visscher aanstootende, zei hij nogmaals: „Voulez-vous vendre notre bateau?”Dat verstond de visscher wel, en begrijpende, dat zij hem toch niet zouden verstaan, haalde hij vijf kleine zilveren geldstukjes uit den zak en liet die Michiel zien.„Beter wat dan niemendal,” dacht Michiel en zei: „Oui, voilà la bateau! Santé avec-avec lehebbeding! Je verstaat me toch niet! Ik weet niet welke landsman je bent!”De jongens gingen nu, na hunne roeiboot voor eenen appel en een ei verkocht te hebben, naar het stadje, dat voor hen lag, en zagen niet hoe de visscher van blijdschap in de handen wreef, nu hij voor zulk een beetje geld, eene bijna spiksplinternieuwe roeiboot gekocht had.„Dat is me hier toch even een modderland!” zei Geleyn, die weldra tot over de voeten in het slijk liep.„O, dat wat is?” riep eensklaps Jan hevig schrikkende door een leelijk, hard en zonderling geluid.Michiel en Geleyn schrikten niet minder en stonden in twijfel of ze niet zouden terugkeeren en den visscher vragen, hoe ze toch loopen moesten om te Arcachon te komen.„Hoe!” schreeuwde Jan nu, en lag, pardoes, lang uit in de modder te spartelen, als eene schol, die zoo uit het water in de boot komt.De leelijke schreeuwer van zoo even, schreeuwde nu bijna vlak voor zijne voeten en vloog, vreeselijk akelige geluiden makende, op.„Het is een roerdomp,” zei Geleyn. „Die dieren leven hier veel, naar het schijnt! Kijk, als ge maar goed tusschen het riet loert, ziet ge er nog veel meer.”„Neen maar, zeg, kijk eens,” riep Michiel op eens.„Waar?” vroegen Geleyn en Jan tegelijk.„Wel daar,” antwoordde Michiel, en wees niet verre van zich af naar eene kleine hoogte, die met brem en bruin mos was bedekt, en waarop ook eenige lage dennenboomen zich verhieven.Nu zagen Geleyn en Jan ook twee mannen, eene vrouw en drie jongens aan den kant der hoogte zitten. Zij hielden hunnen maaltijd, die uit grof, zwart brood bestond, en nu en dan namen ze eene teug uit eene groote kruik. Maar dit alles was nu zoo zeldzaam niet. Dat, wat Michiel deed uitroepen: „Neen maar, zeg, kijk eens!” was dat ze allen hooge stelten onder de voeten hadden.„Menschen en vogels doen hier al even raar,” zeide Geleyn. „Welke lui zijn dat toch, die daar zitten?”„Zeker een gezelschap reizende kunstenmakers! Maar dan zijn ze hier al in eene vreemde streek om wat te verdienen,” meende Michiel.Pas had hij dat evenwel gezegd, of ze zagen den visscher aan wien ze hunne roeiboot verkocht hadden, ook op stelten aankomen.Het was een vreemd gezicht, zoo hoog in de lucht een man te zien, die zijn kruisnet over de schouders droeg en eenen vischzak op zijde had hangen.Jan Kompanjie was van verbazing bijna, alsof het hem in het hoofd haperde, en riep maar: „Hij ooievaar, hij ooievaar, allemaal ooievaar! Hi-hi!”„Nu begrijp ik het al,” zei Geleyn. „Dat zijn geene kunstenmakers: maar om niet zoo door de modder temoeten ploeteren in dit slijkland, loopen de menschen hier allemaal op stelten. Kijk maar, ginder ver loopen er nog!”Dit begreep Michiel ook; en nu zijne grootste verwondering over was, dacht hij er aan om dien menschen te vragen of ze voor hen niet wat te eten en te drinken hadden.Zoo goed en kwaad dit kon, ging hij er heen, en de beweging van eten makende, wees hij op een brood, en liet hun tegelijkertijd een der geldstukjes zien, die hij voor de roeiboot ontvangen had.De oudste van de mannen beproefde een gesprek met hem te beginnen, doch merkte weldra dat hiervan niemendal komen kon, en reikte hem het bruine brood over, doch stak tegelijkertijd het geldstukje in den zak.Thans keerde Michiel tot zijne twee vrienden terug, deelde het brood in drie gelijke deelen, en terwijl ze hunnen weg naar Arcachon vervolgden, aten ze het met smaak op. Lekker was het niet, maar honger weet weinig van lekker af.Eindelijk kwamen ze in de stad aan, doch vonden hier ook al niet veel troost.Zij kochten wat bier en kregen wat zuren landwijn te drinken. De menschen verstonden hen niet. Alleen een slager kon hun leverworst geven, daar Michiel die aanwees. Ook wees deze hen, op Geleyns vraag: „Paris?” naar het noordoosten, en daarheen zou het nu gaan.Het was me het tochtje wel!Nu eens kwamen ze aan breede rivieren en dan voor bergen, die ze niet wisten over te komen en dan maar liepen, tot ze een soort van doorgang vonden, gevormd door kloven en ravijnen.Bedelende van huis tot huis, op het laatst zonder schoenen aan de voeten, en ieder met eene vijgenmat op het hoofd, ging het al maar verder. Nu eens sliepen ze in eene schuur, dan in eenen hoop hooi op het veld, soms zelfszoo maar aan den kant van den weg onder eenen boom op het gras. Het was een tocht vol ellende en ontberingen.„Paris?” vroegen ze maar.„Voilà,” zeide men, en wees dan de richting aan waarin de stad lag waar ze hoopten toch wel éénen Hollander te vinden, die hen helpen wilde om verder te komen.Hoe menigmaal stond Michiel op het punt den legpenning, den Gelderschen rijder, dien buurman Engels hem gegeven had, in te wisselen; maar telkens, als hij daartoe besloten had, en reeds gereed stond hem van de borst te halen, trok hij de hand terug en fluisterde: „Laat ik nog eenen dag wachten!” Dat zei hij evenwel iederen keer—de Geldersche rijder kwam niet van de borst af.Na zoo bijna drie maanden lang gezworven te hebben, kwamen ze eindelijk op een dorpje waar ze weer van huis tot huis brood en wat drinken bedelden. Aan het einde van het dorpje stond de kerk, en daarbij lag de pastorie. Vóór de pastorie lag een lief tuintje met vruchtboomen. Een Geestelijke wandelde erin, plukte eene perzik en at ze op.Michielwatertanddeervan; hij bleef staan en stamelde: „Monsieur, bon monsieur!”Ze troffen het bijzonder. Die Geestelijke was een ware Sinterklaas. Hij naderde de heining, die den tuin van den landweg scheidde, en vroeg: „Venez-vous de Paris?”Zooveel Fransch hadden Geleyn en Michiel onderweg wel al geleerd, dat ze begrepen, dat de Geestelijke vroeg: „Komt ge van Parijs?”„Non, monsieur! Moikom- kom- vanla ville Arcachon!” zeide Geleyn.„Quoi!” riep de Geestelijke. „Quoi, d’Arcachon? C’est impossible! Impossible!” („Wat? Van Arcachon? Dat is onmogelijk! Onmogelijk!”)Michiel begreep er zoo wat van en kreeg opeens de gedachte om door teekenen te kennen te geven, dat ze doorBiscayers gevangen genomen waren, maar dat ze in een roeibootje hadden weten te ontsnappen.„Kom hier, Jan!” riep hij.Jan naderde.„Geef me uwe beide handen!” beval Michiel.Hoewel Jan niet begreep wat er gebeuren moest, stak hij toch de handen uit.„Ik zal probeeren, dien goeden Pastoor aan te toonen, hoe we door de Biscayers gevangen genomen zijn, en hoe we in een roeibootje zijn ontsnapt.”Michiel bond met eenen doek Jans handen vast.„Monsieur,” zei hij op Jan wijzende, „Hollandais! Moi Hollandais, et Geleyn aussi Hollandais!”De Geestelijke lachte.Toen nam Michiel den doornstok, dien hij onderweg mee genomen had, en begon te doen, alsof hij sloeg.„Biscayer, monsieur, un pirate!”—(„Biscayer, mijnheer, een zeeroover!”) sprak Michiel weer, den Geestelijke aanziende, en tegelijkertijd hem de wonde in den arm aanwijzende, die nog niet geheel genezen was. De Pastoor knikte, dat zeker zooveel wilde zeggen, als: „Ik begrijp u een weinig!”Toen wees Michiel op Jan, op Geleyn en op zichzelven en hield de handen, alsof ze geboeid waren, en Geleyn, die zeer goed begreep, wat Michiel bedoelde, hield de handen ook zoo.„Prisonniers, monsieur, prisonniers, Jean, Geleyn et moi!” („Gevangenen, mijnheer, gevangenen, Jan, Geleyn en ik!”) sprak Michiel.En weer knikte de Geestelijke. Het werd hem allengs duidelijker wat de jongens bedoelden met hun gebarenspel en geradbraakt Fransch.„Doet nu eens, alsof ge de boeien verbreekt, gaat dan dadelijk achter me zitten, doet alsof ge roeit en roep dan:Libre, libre, bateau, Arcachon,” zeide Michiel.„Als de goede man dat niet begrijpt, dan weet ik het niet meer!” sprak Geleyn, en op het „Los!” van Michiel, lieten ze alle drie de handen vrij, gingen achter elkander op den grond zitten en begonnen met hunne doornstokken in het zand te roeien.„Libre!Vrij!Bateau! Arcachon!” riep Michiel, hierin trouw door Jan en Geleyn geholpen.Intusschen waren er meer menschen bij hen gekomen, en lachten zoo luid ze konden om de grappen der drie bedelknapen, die nog maar altijd roeiden.„Riemen in!” beval Michiel.Jan en Geleyn hielden op met roeien.„De boot uit!” klonk alweer een ander bevel en het voorbeeld van hunnen makker volgende, sprongen Jan en Geleyn ook op.„Libre! Libre!Vrij!Voici, Arcachon!” riep Michiel.Thans was het den Geestelijke volkomen duidelijk wat er met de drie knapen gebeurd was. Hij nam Jans vijgenmat van het hoofd, wierp er een stuk zilvergeld in en nadat hij aan de omstanders verteld had, wat er met die drie Hollandsche knapen gebeurd was, ging hij met de vijgenmat rond en ieder volgde het voorbeeld van den goede Geestelijke, en wierp er in, wat hij missen kon.Stom van verbazing zag Michiel dat een oogenblik aan, doch eindelijk zijn gevoel niet meer meester, sprong hij op, omvatte de handen van den braven Geestelijke en stamelde, terwijl hem de tranen uit de oogen stroomden: „God de Heere zegene U!”Of de Pastoor dat verstond?Al had Michiel niets gezegd, de Geestelijke zou hem begrepen hebben. Hij drukte den knaap de hand en zeide bewogen: „Mes pauvres garçons!”Hierop zeide hij nog wat tot eenen der omstanders en deze knikte de jongens vriendelijk toe, waarop hij heenging.Ook de mannen, vrouwen en kinderen verstrooiden zich,zoodat onze drie knapen met den Geestelijke alleen bleven.Deze nam hen met zich in huis en liet hun eenen stevigen maaltijd en water en wijn voorzetten.Wat de jongens hun best deden!Het eenige wat den Pastoor niet scheen te bevallen was, dat ze geen van drieën Roomsch waren; want eer ze gingen eten, baden ze wel, doch maakten geen kruis.Dat speet den goeden man zeker wel, doch het veranderde niemendal in de plannen van zijn edel hart, en toen de jongens genoeg gegeten hadden, kregen ze ieder nog een paar boterhammen met vleesch mede. Hij bracht ze door den tuin naar den landweg, plukte voor ieder hunner eene heerlijke perzik en op eene kar, die voor het hek stond, wijzend, zei hij: „Adieu, mes enfants! Dieu vous soit en aide!” („Vaarwel, mijne kinderen! God helpe u!”)Nogmaals dankten met tranen in de oogen de drie jongens den braven man, kropen op de kar in het stroo, en zagen, dat de voerman de persoon was, die door den Pastoor was toegesproken, en die zich daarop verwijderd had.Tegen den avond kwamen zij in eene schoone buurt.Het was eene der voorsteden van Parijs.De voerman hield bij de poort op en zich beleefd tot eenen voorbijganger wendend, vroeg hij of hij hier in den omtrek geene Hollandsche familie wist te wonen.De heer zeide van ja en wees een klein vischwinkeltje aan.De voerman bedankte, reed tot bij het aangeduide winkeltje en vroeg daar of hier Hollanders woonden.„Jawel,” zeide de man, die onder zijne luifel bij eenige tonnetjes Hollandschen haring stond, „ik ben een Hollander. Waarom vraagt ge dat?” Hij sprak natuurlijk Fransch. Iemand, die in Parijs zaken wil doen, komt daar met zijn Hollandsch niet terecht.De voerman vertelde hierop wie daar op zijne kar zaten, en nauwelijks had de vischhandelaar gehoord, wat er met hen zoo al gebeurd was, of hij zei: „Welkom in Parijs,jongens! Gij hebt me dan zoo even een aardig reisje achter den rug! Komt maar van de kar af!”Het was Michiel, Geleyn en Jan, alsof ze op eens een millioen gulden rijk geworden waren, zoo verheugden ze zich, eindelijk weer eens de Hollandsche taal te hooren. Ze sprongen van de kar af en zouden van blijdschap vergeten hebben den voerman te bedanken, als de vischboer niet gezegd had: „Nu, moet die man niet bedankt worden, jongens? Hij heeft wel een hartelijk bedankje verdiend, zou ik zoo meenen.”Zij drukten hem hierop vriendelijk lachend de hand, en nadat de vischboer hem een paar haringen en eene groote gedroogde schol ten geschenke gegeven had, reed hij heen.De vischhandelaar was een vriendelijk man en wilde de jongens gaarne des nachts houden; maar toen zijne vrouw hen zag, wilde ze zulke vuile landloopers niet over haren dorpel hebben, en ze wist het zoover te krijgen, dat haar man er eindelijk in toestemde, hen in eene achterbuurt, bij eenen slaapsteêhouder, te krijgen.„En nu zullen we morgen toch voor al het geld, dat we hebben, eens schoenen en wat betere kleederen koopen,” sprak Michiel, en legde het geld in eenen doek geknoopt onder zijn vuil en versleten matras.Geleyn en Jan vonden dat goed en sliepen weldra in.Maar een kerel, die daar in hunne buurt lag, een echt gemeene, Parijsche bedelaar, had gezien en ook gehoord wat Michiel daar onder zijn matras stopte, en toen de heele bende sliep,—ze lagen misschien wel met hun twintigen in die zaal, sloop hij naar Michiels matras, stak de hand er onder, grinnikte van blijdschap, haalde de hand weer terug, ging naar zijn eigen matras, sliep daar tot de schemering aanbrak, en maakte zich van den schat der arme jongens meester.Met welk een vroolijk gevoel werden ze den volgenden morgen wakker!Ze hadden lang, heel lang geslapen. Er was niemand van de logeergasten meer te zien.„Komt, Jan en Geleyn, ons nu gauw aangekleed en gewasschen, en dan naar den vischboer, die zal ons wel zeggen waar ergens eene uitdragerij is!”Vroolijk kleedden de knapen zich aan, hadden onder het wasschen veel pret en waren eindelijk klaar.„En nu nog het beste van alles,” riep Michiel, de matras oplichtend, maar op eenmaal viel hij er languit op neer en schreeuwde: „Ons geld is gestolen! Ons geld is weg!”„Hebt gij het niet al in den zak gestoken?” vroeg Geleyn, die niet minder schrikte.„Neen,” zei Michiel.Nu had Jan een groot gebrek en dat was om, als hij erg bedroefd was, te gaan lachen. Michiel en Geleyn dachten daaraan niet, en toen Jan zoo lachte, riepen ze beiden te gelijk: „Leelijke sausneger, is ons dat laten schrikken! Komaan, geef op den doek!”Maar toen kwam het uit, dat Jan niet lachte van pret, maar van schrik en verdriet.„Ikke niet heb! Ikke niet heb! Jij voel maar overal in het zak. Wee, wee, die geld weg, heelemaal weg! Ikke gestolen niet heb! Wij maar verdrink moet alle drie!”Eindelijk kwam op het rumoer de slaapsteêhouder toeschieten, doch daar hij geen woord van hen verstond en de vischboer het slaapgeld al betaald had, zoo joeg hij hen alle drie de deur uit.De vischboer was gauw gevonden, doch deze was niet thuis, en zijne vrouw wilde niemendal met drie zulke vieze, verscheurde en magere landloopers te doen hebben. Zij schold hen letterlijk de straat uit.Opnieuw nam de bedeltocht nu weer eenen aanvang, doch er was ruzie onder de drie ontstaan. Geleyn verweet Michiel, dat die, met overall haantje de voorste te spelen,oorzaak was van het stelen van het geld, en Michiel, die dat niet verdragen kon, liet nu Geleyn maar voor alles zorgen, en het gevolg hiervan was, dat ze meer slagen, stompen en scheldwoorden dan eten, drinken en onderkomen vonden, zoodat Geleyn eindelijk inzag, dat hij verkeerd gedaan had met Michiel verwijten te doen, vergiffenis vroeg en het bestuur over den tocht opnieuw aan Michiel overliet.Gelukkig kwamen ze nu aan de Vlaamsche grenzen en konden ze zich doen verstaan. De menschen betoonden hier en daar hun medelijden, en zoo kwamen eindelijk onze drie zwervelingen, na eenen tocht van bijna vijf maanden te Breskens aan, waar ze zich bij gelegenheid door eenen garnalen-schipper, die Geleyn kende, lieten overzetten.Deze jongens waren voorloopig de eenigen, die van de „Lijnbaan” in Vlissingen kwamen, en de Heeren Lampsens zagen verwonderd op, dat er eindelijk toch nog drie waren, die konden vertellen hoe ellendig het met hun schip en met al de opvarenden afgeloopen was.„Dat is een tochtje van belang geweest, jongens! Ge zijt juist op den kop acht maanden afwezig gebleven. Wij dachten allen, dat de „Lijnbaan” met man en muis vergaan was. Uwe familie is al in den rouw, en uwe Moeder, Michiel, is er niet te best aan toe. Ik zou u althans aanraden, niet dadelijk naar huis te gaan. Ik zal uwen Vader laten komen! En hier, hier is uw loon, jongens, zoo goed en zooveel, hoor, alsof ge acht maanden voor ons op reis waart geweest. En dit hebt ge nog op den koop toe!”Heer Cornelis betaalde ieder uit, en gaf nog, als eene kleine vergoeding voor alles, wat ze op den langen zwerftocht doorstaan hadden, ieder vier Zeeuwsche rijksdaalders.Maar het gerucht van de terugkomst van drie jongens van de „Lijnbaan” liep spoedig door heel de stad, en bereikte ook het kleine huisje van Adriaen.Moeder Alida zat met eenen opgeslagen Bijbel voor zichaan tafel, toen Alida binnenstormde en uitriep: „Moeder, Moeder, onze Michiel is terug!”Alida Jans keek op.Och, och, wat zag die vrouw er uit! Wat waren die oogen groot, en diep in het hoofd gezonken! Wat waren die wangen mager! Wat kon men zien, dat ze bitter en bitter moest geleden hebben!„Kind,” riep ze, terwijl ze zich aan de tafel vasthield om niet achterover te vallen, „kind, kind, het kan niet waar zijn! Zes maanden geleden heb ik hem immers uit zijn bed hooren stappen, duidelijk, Alida, duidelijk; want ik lag helder wakker en dacht aan mijnen jongen. En na dien tijd, hebben we immers niets meer van hem gehoord? Neen, Alida, Michiel zie ik hier op aarde niet meer. Strakjes boven, boven! Wie uit zijn bed stapt, als hij niet thuis is, komt op aarde niet meer terug. Hij is dood.”1„Maar, Moeder, het is toch stellig waar, dat Michiel, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie in de stad zijn. Wacht, daar komt Dirk aanloopen!”„Moeder, Moeder, Michiel is terug!” riep Dirk, toen hij nog niet eens in huis was.„Dan toch waar, toch waar? Heere, mijn God, hoe zal ik U loven en danken? U danken, dat ik mijnen jongennog zal kunnen zien, eer mijn aardsche huis afgebroken wordt!” stamelde Moeder Alida.Daar kwam de Heer Lampsens aan. Hij wilde de goede vrouw voorbereiden op het heugelijke bericht, doch zoodra ze hem zag, riep ze: „Sinjeur, Sinjeur,ishet waar,ishet waar, dat mijn jongen thuis is?”Eenigszins verrast door die vraag, gaf de Heer Lampsens niet dadelijk antwoord, doch toen de goede vrouw bewijzen gaf, dat zij meende, dat hare kinderen haar om den tuin geleid hadden, zei hij: „Ja, goede ziel, Michiel, is thuis! Ik zal hem roepen; hij staat....”„Moedertje, lief Moedertje, goed Moedertje, best Moedertje!” schreeuwde Michiel, en vloog door de geopende deur zijne arme Moeder om den hals.Hij zag niet dat ze zoo bleek en zoo mager was. Hij zag alleen, die groote, blauwe oogen! Hij voelde alleen die hartelijke omhelzing en die brandende kussen, en geene andere woorden had hij dan: „Goed, lief, best Moedertje! Mijn, mijn eigen Moedertje! Hier ben ik! Hier!”Het werd den braven Cornelis Lampsens te eng in dat woonvertrek van die eenvoudige menschen. Hij liep naar buiten en zoo snel hij kon naar zijn kantoor, waar hij voorover op zijnen lessenaar viel.„Wat scheelt er aan, Cornelis?” vroeg zijn broeder Adriaen, die niet zoo gauw de kluts kwijt was.„Zoo iets wil ik nooit meer zien, neen, nooit meer! Het was hartverscheurend!” antwoordde Cornelis en deed zijnen broeder verslag van de ontmoeting tusschen Moeder Alida en haren Michiel.Vier weken later was Michiel aanboord van de „Vlissingen”. Hij ging naar de Oost-Indiën, en liet daar zijnen vriend Jan Kompanjie, die op een ander schip overging, achter.Zijne terugreis was nu zeer voorspoedig.Anderhalf jaar later kwam hij als Stuurman terug daar de derde Stuurman weggeloopen was.Michiel vond Vlissingen niets veranderd, niets!Maar Moeder Alida’s stoel stond ledig.De tering had de arme vrouw weggerukt.En des avonds vond men op een der graven, buiten de kerk, een jonkman geknield, bitter schreiende en fluisterende: „Wel te rusten, lieve, goede, trouwe Moeder! Wel te rusten! Tot hier namaals!”Terwijl hij daar op de groeve lag kwam Maria Velders een rozenpotje op het graf van hare oude vriendin brengen.Zij gingen samen naar huis die twee en—werden later een paar.1In mijnen knapentijd hechtte men op het platteland van Walcheren zeer veel gewicht aan dat zoogenaamde „uit bed stappen” van eenen afwezende. Het was een bewijs, dat op hetzelfde oogenblik, hij of zij, die afwezig was, stierf, met eene laatste gedachte aan het vriendelijke, ouderlijke huis. Er waren toen nog veel meer van die bijgeloovigheden in omloop, o. a. ook van het slaan op, of het vallen van eenen spiegel. Een paardendokter, geen geëxamineerde, maar een, die de kunst van zijnen Vader, als het ware, overgeërfd had, heeft mij en mijnen makkers soms vreeselijke dingen verteld van zwarte vlaggen, noorderlicht, slagen op de spiegels, vallen van spiegels, uit bed stappen, geheimzinnige ontmoetingen, geklop op de deur midden in den nacht, enz. Het angstzweet brak ons bij die verhalen dikwijls uit, en toch waren wij altijd graag bij dien man, als hij aan zijne deur stond en tijd en lust had om ons, door zijne bijgeloovige verhalen, des nachts den slaap uit de oogen te jagen.↑
TIENDE HOOFDSTUK.Eene moeielijke bedelreis.Vol hoop en moed dat ze wel ergens op de Fransche kust terecht komen of misschien een Engelsch, Hollandsch of Fransch schip ontmoeten zouden, lieten ze zich door de eb maar verder in zee drijven, en toen deze niet meer ging en de vloed weer doorbrak, roeiden ze er op goed geluk tegen in.Eerst toen de dag begon aan te breken, waren zij meer gerust. Ze waren in volle zee. Waar nu heen?Michiel keek naar de opkomende zon en zei: „Als we nu maar in die richting roeien, krijgen we de Fransche kust!”Hongerig, dorstig, koud en moede, als ze waren, ging het roeien van Jan en Michiel,—Geleyn zat aan het roer,—niet heel vlug.„Wij komen er vandaag nog niet!” zei Geleyn met eenen diepen zucht en het scheen dat hij op het punt stond den moed op te geven.„Jawel,” riep Michiel, „ik voel dat de vloed op komt zetten. Die zal ons helpen. En de wind ook. Hij is pal zuidwest. Waar ergens aan de kust van Frankrijk we zullen komen, weet ik niet, maar onder deBiscayersvast niet!”Zoo ging het wel twee uren voort. De man aan het roer werd telkens afgewisseld.Nu zat Michiel er aan, en dat mocht ook wel, want hij had drie uur aan een stuk stevig doorgetrokken.„Land,” riep hij eensklaps. „Ik zie land, en ik wed dat we het eiland Ré of Oléron krijgen. Ik zie torens ook. Wie weet of we het groote meevallertje niet hebben te La Rochelle aan te komen.”Het kwam op Michiels zeggen uit, meende men. Dwars tusschen de eilanden Ré en Oléron kwamen ze tegen denavond zoogenaamd te La Rochelle aan. Ze hadden in een etmaal eenen ontzettenden afstand afgelegd; maar waren ook met reuzenkrachten geholpen door eb en vloed.„Wat is La Rochelle klein!” zei Geleyn. „Ik dacht, dat het eene groote stad was, vol leven en beweging.”„Ik ook,” sprak Michiel. „Mis hebben kan ik toch niet!”„Daar bakkers wonen? Ik brooden koop!” riep Jan. „Ik honger, veel honger hebben.”„Eerst maar geld hebben,” merkte Michiel aan. „Ik heb niemendal uit te geven, want ik ben platzak.”„Ik heb nog eenen zilveren duit,” zei Geleyn. „Het is niet veel, maar toch altijd wat!”Ze kwamen in eene modderige haven aan, waar een man stond te visschen.„La Rochelle lá?” vroeg Michiel, op zijne manier het beste Fransch uitpakkende.„La Rochelle?” vroeg de man, vol verbazing, en antwoordde: „Non! Arcachon, mes enfants!”Michiel had zich dus bedrogen.De kust, die hier vol kreken was, had hem twee landtongen, die boven den lagen oever uitstaken, voor twee eilanden doen aanzien, en in de meening doen verkeeren, dat hij La Rochelle voor zich had. En nu was hij in eene stad, veel verder ten zuiden aangekomen.Onderwijl ze moeite deden, op een geschikt punt te landen, vroeg hun de Franschman aan den oever wat.Geen der drie jongens verstond hem en Michiel antwoordde op goed geluk: „Nous sommesof Flushing!” Hij smeet zoo wat Engelsch en Fransch door elkander, dat ziet ge, doch gij begrijpt, dat hij wilde zeggen: „Wij zijn van Vlissingen!”De visscher wist misschien evenveel van de bergen op de maan, als van Vlissingen, en dacht, dat ze van hun schip gekomen waren om een en ander te Arcachon te koopen. Hij zeide daarom: „Oui, mes enfants! Tout abondeen notre ville!” dat is: „Ja, mijne kinderen, alles is in overvloed in onze stad.”„Och, die man spreekt geen Fransch,” zei Michiel, doch toen ze aangekomen waren, vroeg hij hem toch: „Voulez vous vendre notre-notre-boot-boot-, Geleyn wat is boot, schuit of sloep in het Fransch?”Geleyn haalde de schouders op en zei: „Weet ik het? Ik kan geen Fransch spreken.”De visscher had Michiel eerst aangehoord, doch toen deze het woord tot Geleyn richtte, keerde hij zich om en wierp zijn net uit.„Wacht, nu weet ik het,” riep Michiel en den Franschen visscher aanstootende, zei hij nogmaals: „Voulez-vous vendre notre bateau?”Dat verstond de visscher wel, en begrijpende, dat zij hem toch niet zouden verstaan, haalde hij vijf kleine zilveren geldstukjes uit den zak en liet die Michiel zien.„Beter wat dan niemendal,” dacht Michiel en zei: „Oui, voilà la bateau! Santé avec-avec lehebbeding! Je verstaat me toch niet! Ik weet niet welke landsman je bent!”De jongens gingen nu, na hunne roeiboot voor eenen appel en een ei verkocht te hebben, naar het stadje, dat voor hen lag, en zagen niet hoe de visscher van blijdschap in de handen wreef, nu hij voor zulk een beetje geld, eene bijna spiksplinternieuwe roeiboot gekocht had.„Dat is me hier toch even een modderland!” zei Geleyn, die weldra tot over de voeten in het slijk liep.„O, dat wat is?” riep eensklaps Jan hevig schrikkende door een leelijk, hard en zonderling geluid.Michiel en Geleyn schrikten niet minder en stonden in twijfel of ze niet zouden terugkeeren en den visscher vragen, hoe ze toch loopen moesten om te Arcachon te komen.„Hoe!” schreeuwde Jan nu, en lag, pardoes, lang uit in de modder te spartelen, als eene schol, die zoo uit het water in de boot komt.De leelijke schreeuwer van zoo even, schreeuwde nu bijna vlak voor zijne voeten en vloog, vreeselijk akelige geluiden makende, op.„Het is een roerdomp,” zei Geleyn. „Die dieren leven hier veel, naar het schijnt! Kijk, als ge maar goed tusschen het riet loert, ziet ge er nog veel meer.”„Neen maar, zeg, kijk eens,” riep Michiel op eens.„Waar?” vroegen Geleyn en Jan tegelijk.„Wel daar,” antwoordde Michiel, en wees niet verre van zich af naar eene kleine hoogte, die met brem en bruin mos was bedekt, en waarop ook eenige lage dennenboomen zich verhieven.Nu zagen Geleyn en Jan ook twee mannen, eene vrouw en drie jongens aan den kant der hoogte zitten. Zij hielden hunnen maaltijd, die uit grof, zwart brood bestond, en nu en dan namen ze eene teug uit eene groote kruik. Maar dit alles was nu zoo zeldzaam niet. Dat, wat Michiel deed uitroepen: „Neen maar, zeg, kijk eens!” was dat ze allen hooge stelten onder de voeten hadden.„Menschen en vogels doen hier al even raar,” zeide Geleyn. „Welke lui zijn dat toch, die daar zitten?”„Zeker een gezelschap reizende kunstenmakers! Maar dan zijn ze hier al in eene vreemde streek om wat te verdienen,” meende Michiel.Pas had hij dat evenwel gezegd, of ze zagen den visscher aan wien ze hunne roeiboot verkocht hadden, ook op stelten aankomen.Het was een vreemd gezicht, zoo hoog in de lucht een man te zien, die zijn kruisnet over de schouders droeg en eenen vischzak op zijde had hangen.Jan Kompanjie was van verbazing bijna, alsof het hem in het hoofd haperde, en riep maar: „Hij ooievaar, hij ooievaar, allemaal ooievaar! Hi-hi!”„Nu begrijp ik het al,” zei Geleyn. „Dat zijn geene kunstenmakers: maar om niet zoo door de modder temoeten ploeteren in dit slijkland, loopen de menschen hier allemaal op stelten. Kijk maar, ginder ver loopen er nog!”Dit begreep Michiel ook; en nu zijne grootste verwondering over was, dacht hij er aan om dien menschen te vragen of ze voor hen niet wat te eten en te drinken hadden.Zoo goed en kwaad dit kon, ging hij er heen, en de beweging van eten makende, wees hij op een brood, en liet hun tegelijkertijd een der geldstukjes zien, die hij voor de roeiboot ontvangen had.De oudste van de mannen beproefde een gesprek met hem te beginnen, doch merkte weldra dat hiervan niemendal komen kon, en reikte hem het bruine brood over, doch stak tegelijkertijd het geldstukje in den zak.Thans keerde Michiel tot zijne twee vrienden terug, deelde het brood in drie gelijke deelen, en terwijl ze hunnen weg naar Arcachon vervolgden, aten ze het met smaak op. Lekker was het niet, maar honger weet weinig van lekker af.Eindelijk kwamen ze in de stad aan, doch vonden hier ook al niet veel troost.Zij kochten wat bier en kregen wat zuren landwijn te drinken. De menschen verstonden hen niet. Alleen een slager kon hun leverworst geven, daar Michiel die aanwees. Ook wees deze hen, op Geleyns vraag: „Paris?” naar het noordoosten, en daarheen zou het nu gaan.Het was me het tochtje wel!Nu eens kwamen ze aan breede rivieren en dan voor bergen, die ze niet wisten over te komen en dan maar liepen, tot ze een soort van doorgang vonden, gevormd door kloven en ravijnen.Bedelende van huis tot huis, op het laatst zonder schoenen aan de voeten, en ieder met eene vijgenmat op het hoofd, ging het al maar verder. Nu eens sliepen ze in eene schuur, dan in eenen hoop hooi op het veld, soms zelfszoo maar aan den kant van den weg onder eenen boom op het gras. Het was een tocht vol ellende en ontberingen.„Paris?” vroegen ze maar.„Voilà,” zeide men, en wees dan de richting aan waarin de stad lag waar ze hoopten toch wel éénen Hollander te vinden, die hen helpen wilde om verder te komen.Hoe menigmaal stond Michiel op het punt den legpenning, den Gelderschen rijder, dien buurman Engels hem gegeven had, in te wisselen; maar telkens, als hij daartoe besloten had, en reeds gereed stond hem van de borst te halen, trok hij de hand terug en fluisterde: „Laat ik nog eenen dag wachten!” Dat zei hij evenwel iederen keer—de Geldersche rijder kwam niet van de borst af.Na zoo bijna drie maanden lang gezworven te hebben, kwamen ze eindelijk op een dorpje waar ze weer van huis tot huis brood en wat drinken bedelden. Aan het einde van het dorpje stond de kerk, en daarbij lag de pastorie. Vóór de pastorie lag een lief tuintje met vruchtboomen. Een Geestelijke wandelde erin, plukte eene perzik en at ze op.Michielwatertanddeervan; hij bleef staan en stamelde: „Monsieur, bon monsieur!”Ze troffen het bijzonder. Die Geestelijke was een ware Sinterklaas. Hij naderde de heining, die den tuin van den landweg scheidde, en vroeg: „Venez-vous de Paris?”Zooveel Fransch hadden Geleyn en Michiel onderweg wel al geleerd, dat ze begrepen, dat de Geestelijke vroeg: „Komt ge van Parijs?”„Non, monsieur! Moikom- kom- vanla ville Arcachon!” zeide Geleyn.„Quoi!” riep de Geestelijke. „Quoi, d’Arcachon? C’est impossible! Impossible!” („Wat? Van Arcachon? Dat is onmogelijk! Onmogelijk!”)Michiel begreep er zoo wat van en kreeg opeens de gedachte om door teekenen te kennen te geven, dat ze doorBiscayers gevangen genomen waren, maar dat ze in een roeibootje hadden weten te ontsnappen.„Kom hier, Jan!” riep hij.Jan naderde.„Geef me uwe beide handen!” beval Michiel.Hoewel Jan niet begreep wat er gebeuren moest, stak hij toch de handen uit.„Ik zal probeeren, dien goeden Pastoor aan te toonen, hoe we door de Biscayers gevangen genomen zijn, en hoe we in een roeibootje zijn ontsnapt.”Michiel bond met eenen doek Jans handen vast.„Monsieur,” zei hij op Jan wijzende, „Hollandais! Moi Hollandais, et Geleyn aussi Hollandais!”De Geestelijke lachte.Toen nam Michiel den doornstok, dien hij onderweg mee genomen had, en begon te doen, alsof hij sloeg.„Biscayer, monsieur, un pirate!”—(„Biscayer, mijnheer, een zeeroover!”) sprak Michiel weer, den Geestelijke aanziende, en tegelijkertijd hem de wonde in den arm aanwijzende, die nog niet geheel genezen was. De Pastoor knikte, dat zeker zooveel wilde zeggen, als: „Ik begrijp u een weinig!”Toen wees Michiel op Jan, op Geleyn en op zichzelven en hield de handen, alsof ze geboeid waren, en Geleyn, die zeer goed begreep, wat Michiel bedoelde, hield de handen ook zoo.„Prisonniers, monsieur, prisonniers, Jean, Geleyn et moi!” („Gevangenen, mijnheer, gevangenen, Jan, Geleyn en ik!”) sprak Michiel.En weer knikte de Geestelijke. Het werd hem allengs duidelijker wat de jongens bedoelden met hun gebarenspel en geradbraakt Fransch.„Doet nu eens, alsof ge de boeien verbreekt, gaat dan dadelijk achter me zitten, doet alsof ge roeit en roep dan:Libre, libre, bateau, Arcachon,” zeide Michiel.„Als de goede man dat niet begrijpt, dan weet ik het niet meer!” sprak Geleyn, en op het „Los!” van Michiel, lieten ze alle drie de handen vrij, gingen achter elkander op den grond zitten en begonnen met hunne doornstokken in het zand te roeien.„Libre!Vrij!Bateau! Arcachon!” riep Michiel, hierin trouw door Jan en Geleyn geholpen.Intusschen waren er meer menschen bij hen gekomen, en lachten zoo luid ze konden om de grappen der drie bedelknapen, die nog maar altijd roeiden.„Riemen in!” beval Michiel.Jan en Geleyn hielden op met roeien.„De boot uit!” klonk alweer een ander bevel en het voorbeeld van hunnen makker volgende, sprongen Jan en Geleyn ook op.„Libre! Libre!Vrij!Voici, Arcachon!” riep Michiel.Thans was het den Geestelijke volkomen duidelijk wat er met de drie knapen gebeurd was. Hij nam Jans vijgenmat van het hoofd, wierp er een stuk zilvergeld in en nadat hij aan de omstanders verteld had, wat er met die drie Hollandsche knapen gebeurd was, ging hij met de vijgenmat rond en ieder volgde het voorbeeld van den goede Geestelijke, en wierp er in, wat hij missen kon.Stom van verbazing zag Michiel dat een oogenblik aan, doch eindelijk zijn gevoel niet meer meester, sprong hij op, omvatte de handen van den braven Geestelijke en stamelde, terwijl hem de tranen uit de oogen stroomden: „God de Heere zegene U!”Of de Pastoor dat verstond?Al had Michiel niets gezegd, de Geestelijke zou hem begrepen hebben. Hij drukte den knaap de hand en zeide bewogen: „Mes pauvres garçons!”Hierop zeide hij nog wat tot eenen der omstanders en deze knikte de jongens vriendelijk toe, waarop hij heenging.Ook de mannen, vrouwen en kinderen verstrooiden zich,zoodat onze drie knapen met den Geestelijke alleen bleven.Deze nam hen met zich in huis en liet hun eenen stevigen maaltijd en water en wijn voorzetten.Wat de jongens hun best deden!Het eenige wat den Pastoor niet scheen te bevallen was, dat ze geen van drieën Roomsch waren; want eer ze gingen eten, baden ze wel, doch maakten geen kruis.Dat speet den goeden man zeker wel, doch het veranderde niemendal in de plannen van zijn edel hart, en toen de jongens genoeg gegeten hadden, kregen ze ieder nog een paar boterhammen met vleesch mede. Hij bracht ze door den tuin naar den landweg, plukte voor ieder hunner eene heerlijke perzik en op eene kar, die voor het hek stond, wijzend, zei hij: „Adieu, mes enfants! Dieu vous soit en aide!” („Vaarwel, mijne kinderen! God helpe u!”)Nogmaals dankten met tranen in de oogen de drie jongens den braven man, kropen op de kar in het stroo, en zagen, dat de voerman de persoon was, die door den Pastoor was toegesproken, en die zich daarop verwijderd had.Tegen den avond kwamen zij in eene schoone buurt.Het was eene der voorsteden van Parijs.De voerman hield bij de poort op en zich beleefd tot eenen voorbijganger wendend, vroeg hij of hij hier in den omtrek geene Hollandsche familie wist te wonen.De heer zeide van ja en wees een klein vischwinkeltje aan.De voerman bedankte, reed tot bij het aangeduide winkeltje en vroeg daar of hier Hollanders woonden.„Jawel,” zeide de man, die onder zijne luifel bij eenige tonnetjes Hollandschen haring stond, „ik ben een Hollander. Waarom vraagt ge dat?” Hij sprak natuurlijk Fransch. Iemand, die in Parijs zaken wil doen, komt daar met zijn Hollandsch niet terecht.De voerman vertelde hierop wie daar op zijne kar zaten, en nauwelijks had de vischhandelaar gehoord, wat er met hen zoo al gebeurd was, of hij zei: „Welkom in Parijs,jongens! Gij hebt me dan zoo even een aardig reisje achter den rug! Komt maar van de kar af!”Het was Michiel, Geleyn en Jan, alsof ze op eens een millioen gulden rijk geworden waren, zoo verheugden ze zich, eindelijk weer eens de Hollandsche taal te hooren. Ze sprongen van de kar af en zouden van blijdschap vergeten hebben den voerman te bedanken, als de vischboer niet gezegd had: „Nu, moet die man niet bedankt worden, jongens? Hij heeft wel een hartelijk bedankje verdiend, zou ik zoo meenen.”Zij drukten hem hierop vriendelijk lachend de hand, en nadat de vischboer hem een paar haringen en eene groote gedroogde schol ten geschenke gegeven had, reed hij heen.De vischhandelaar was een vriendelijk man en wilde de jongens gaarne des nachts houden; maar toen zijne vrouw hen zag, wilde ze zulke vuile landloopers niet over haren dorpel hebben, en ze wist het zoover te krijgen, dat haar man er eindelijk in toestemde, hen in eene achterbuurt, bij eenen slaapsteêhouder, te krijgen.„En nu zullen we morgen toch voor al het geld, dat we hebben, eens schoenen en wat betere kleederen koopen,” sprak Michiel, en legde het geld in eenen doek geknoopt onder zijn vuil en versleten matras.Geleyn en Jan vonden dat goed en sliepen weldra in.Maar een kerel, die daar in hunne buurt lag, een echt gemeene, Parijsche bedelaar, had gezien en ook gehoord wat Michiel daar onder zijn matras stopte, en toen de heele bende sliep,—ze lagen misschien wel met hun twintigen in die zaal, sloop hij naar Michiels matras, stak de hand er onder, grinnikte van blijdschap, haalde de hand weer terug, ging naar zijn eigen matras, sliep daar tot de schemering aanbrak, en maakte zich van den schat der arme jongens meester.Met welk een vroolijk gevoel werden ze den volgenden morgen wakker!Ze hadden lang, heel lang geslapen. Er was niemand van de logeergasten meer te zien.„Komt, Jan en Geleyn, ons nu gauw aangekleed en gewasschen, en dan naar den vischboer, die zal ons wel zeggen waar ergens eene uitdragerij is!”Vroolijk kleedden de knapen zich aan, hadden onder het wasschen veel pret en waren eindelijk klaar.„En nu nog het beste van alles,” riep Michiel, de matras oplichtend, maar op eenmaal viel hij er languit op neer en schreeuwde: „Ons geld is gestolen! Ons geld is weg!”„Hebt gij het niet al in den zak gestoken?” vroeg Geleyn, die niet minder schrikte.„Neen,” zei Michiel.Nu had Jan een groot gebrek en dat was om, als hij erg bedroefd was, te gaan lachen. Michiel en Geleyn dachten daaraan niet, en toen Jan zoo lachte, riepen ze beiden te gelijk: „Leelijke sausneger, is ons dat laten schrikken! Komaan, geef op den doek!”Maar toen kwam het uit, dat Jan niet lachte van pret, maar van schrik en verdriet.„Ikke niet heb! Ikke niet heb! Jij voel maar overal in het zak. Wee, wee, die geld weg, heelemaal weg! Ikke gestolen niet heb! Wij maar verdrink moet alle drie!”Eindelijk kwam op het rumoer de slaapsteêhouder toeschieten, doch daar hij geen woord van hen verstond en de vischboer het slaapgeld al betaald had, zoo joeg hij hen alle drie de deur uit.De vischboer was gauw gevonden, doch deze was niet thuis, en zijne vrouw wilde niemendal met drie zulke vieze, verscheurde en magere landloopers te doen hebben. Zij schold hen letterlijk de straat uit.Opnieuw nam de bedeltocht nu weer eenen aanvang, doch er was ruzie onder de drie ontstaan. Geleyn verweet Michiel, dat die, met overall haantje de voorste te spelen,oorzaak was van het stelen van het geld, en Michiel, die dat niet verdragen kon, liet nu Geleyn maar voor alles zorgen, en het gevolg hiervan was, dat ze meer slagen, stompen en scheldwoorden dan eten, drinken en onderkomen vonden, zoodat Geleyn eindelijk inzag, dat hij verkeerd gedaan had met Michiel verwijten te doen, vergiffenis vroeg en het bestuur over den tocht opnieuw aan Michiel overliet.Gelukkig kwamen ze nu aan de Vlaamsche grenzen en konden ze zich doen verstaan. De menschen betoonden hier en daar hun medelijden, en zoo kwamen eindelijk onze drie zwervelingen, na eenen tocht van bijna vijf maanden te Breskens aan, waar ze zich bij gelegenheid door eenen garnalen-schipper, die Geleyn kende, lieten overzetten.Deze jongens waren voorloopig de eenigen, die van de „Lijnbaan” in Vlissingen kwamen, en de Heeren Lampsens zagen verwonderd op, dat er eindelijk toch nog drie waren, die konden vertellen hoe ellendig het met hun schip en met al de opvarenden afgeloopen was.„Dat is een tochtje van belang geweest, jongens! Ge zijt juist op den kop acht maanden afwezig gebleven. Wij dachten allen, dat de „Lijnbaan” met man en muis vergaan was. Uwe familie is al in den rouw, en uwe Moeder, Michiel, is er niet te best aan toe. Ik zou u althans aanraden, niet dadelijk naar huis te gaan. Ik zal uwen Vader laten komen! En hier, hier is uw loon, jongens, zoo goed en zooveel, hoor, alsof ge acht maanden voor ons op reis waart geweest. En dit hebt ge nog op den koop toe!”Heer Cornelis betaalde ieder uit, en gaf nog, als eene kleine vergoeding voor alles, wat ze op den langen zwerftocht doorstaan hadden, ieder vier Zeeuwsche rijksdaalders.Maar het gerucht van de terugkomst van drie jongens van de „Lijnbaan” liep spoedig door heel de stad, en bereikte ook het kleine huisje van Adriaen.Moeder Alida zat met eenen opgeslagen Bijbel voor zichaan tafel, toen Alida binnenstormde en uitriep: „Moeder, Moeder, onze Michiel is terug!”Alida Jans keek op.Och, och, wat zag die vrouw er uit! Wat waren die oogen groot, en diep in het hoofd gezonken! Wat waren die wangen mager! Wat kon men zien, dat ze bitter en bitter moest geleden hebben!„Kind,” riep ze, terwijl ze zich aan de tafel vasthield om niet achterover te vallen, „kind, kind, het kan niet waar zijn! Zes maanden geleden heb ik hem immers uit zijn bed hooren stappen, duidelijk, Alida, duidelijk; want ik lag helder wakker en dacht aan mijnen jongen. En na dien tijd, hebben we immers niets meer van hem gehoord? Neen, Alida, Michiel zie ik hier op aarde niet meer. Strakjes boven, boven! Wie uit zijn bed stapt, als hij niet thuis is, komt op aarde niet meer terug. Hij is dood.”1„Maar, Moeder, het is toch stellig waar, dat Michiel, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie in de stad zijn. Wacht, daar komt Dirk aanloopen!”„Moeder, Moeder, Michiel is terug!” riep Dirk, toen hij nog niet eens in huis was.„Dan toch waar, toch waar? Heere, mijn God, hoe zal ik U loven en danken? U danken, dat ik mijnen jongennog zal kunnen zien, eer mijn aardsche huis afgebroken wordt!” stamelde Moeder Alida.Daar kwam de Heer Lampsens aan. Hij wilde de goede vrouw voorbereiden op het heugelijke bericht, doch zoodra ze hem zag, riep ze: „Sinjeur, Sinjeur,ishet waar,ishet waar, dat mijn jongen thuis is?”Eenigszins verrast door die vraag, gaf de Heer Lampsens niet dadelijk antwoord, doch toen de goede vrouw bewijzen gaf, dat zij meende, dat hare kinderen haar om den tuin geleid hadden, zei hij: „Ja, goede ziel, Michiel, is thuis! Ik zal hem roepen; hij staat....”„Moedertje, lief Moedertje, goed Moedertje, best Moedertje!” schreeuwde Michiel, en vloog door de geopende deur zijne arme Moeder om den hals.Hij zag niet dat ze zoo bleek en zoo mager was. Hij zag alleen, die groote, blauwe oogen! Hij voelde alleen die hartelijke omhelzing en die brandende kussen, en geene andere woorden had hij dan: „Goed, lief, best Moedertje! Mijn, mijn eigen Moedertje! Hier ben ik! Hier!”Het werd den braven Cornelis Lampsens te eng in dat woonvertrek van die eenvoudige menschen. Hij liep naar buiten en zoo snel hij kon naar zijn kantoor, waar hij voorover op zijnen lessenaar viel.„Wat scheelt er aan, Cornelis?” vroeg zijn broeder Adriaen, die niet zoo gauw de kluts kwijt was.„Zoo iets wil ik nooit meer zien, neen, nooit meer! Het was hartverscheurend!” antwoordde Cornelis en deed zijnen broeder verslag van de ontmoeting tusschen Moeder Alida en haren Michiel.Vier weken later was Michiel aanboord van de „Vlissingen”. Hij ging naar de Oost-Indiën, en liet daar zijnen vriend Jan Kompanjie, die op een ander schip overging, achter.Zijne terugreis was nu zeer voorspoedig.Anderhalf jaar later kwam hij als Stuurman terug daar de derde Stuurman weggeloopen was.Michiel vond Vlissingen niets veranderd, niets!Maar Moeder Alida’s stoel stond ledig.De tering had de arme vrouw weggerukt.En des avonds vond men op een der graven, buiten de kerk, een jonkman geknield, bitter schreiende en fluisterende: „Wel te rusten, lieve, goede, trouwe Moeder! Wel te rusten! Tot hier namaals!”Terwijl hij daar op de groeve lag kwam Maria Velders een rozenpotje op het graf van hare oude vriendin brengen.Zij gingen samen naar huis die twee en—werden later een paar.1In mijnen knapentijd hechtte men op het platteland van Walcheren zeer veel gewicht aan dat zoogenaamde „uit bed stappen” van eenen afwezende. Het was een bewijs, dat op hetzelfde oogenblik, hij of zij, die afwezig was, stierf, met eene laatste gedachte aan het vriendelijke, ouderlijke huis. Er waren toen nog veel meer van die bijgeloovigheden in omloop, o. a. ook van het slaan op, of het vallen van eenen spiegel. Een paardendokter, geen geëxamineerde, maar een, die de kunst van zijnen Vader, als het ware, overgeërfd had, heeft mij en mijnen makkers soms vreeselijke dingen verteld van zwarte vlaggen, noorderlicht, slagen op de spiegels, vallen van spiegels, uit bed stappen, geheimzinnige ontmoetingen, geklop op de deur midden in den nacht, enz. Het angstzweet brak ons bij die verhalen dikwijls uit, en toch waren wij altijd graag bij dien man, als hij aan zijne deur stond en tijd en lust had om ons, door zijne bijgeloovige verhalen, des nachts den slaap uit de oogen te jagen.↑
TIENDE HOOFDSTUK.Eene moeielijke bedelreis.Vol hoop en moed dat ze wel ergens op de Fransche kust terecht komen of misschien een Engelsch, Hollandsch of Fransch schip ontmoeten zouden, lieten ze zich door de eb maar verder in zee drijven, en toen deze niet meer ging en de vloed weer doorbrak, roeiden ze er op goed geluk tegen in.Eerst toen de dag begon aan te breken, waren zij meer gerust. Ze waren in volle zee. Waar nu heen?Michiel keek naar de opkomende zon en zei: „Als we nu maar in die richting roeien, krijgen we de Fransche kust!”Hongerig, dorstig, koud en moede, als ze waren, ging het roeien van Jan en Michiel,—Geleyn zat aan het roer,—niet heel vlug.„Wij komen er vandaag nog niet!” zei Geleyn met eenen diepen zucht en het scheen dat hij op het punt stond den moed op te geven.„Jawel,” riep Michiel, „ik voel dat de vloed op komt zetten. Die zal ons helpen. En de wind ook. Hij is pal zuidwest. Waar ergens aan de kust van Frankrijk we zullen komen, weet ik niet, maar onder deBiscayersvast niet!”Zoo ging het wel twee uren voort. De man aan het roer werd telkens afgewisseld.Nu zat Michiel er aan, en dat mocht ook wel, want hij had drie uur aan een stuk stevig doorgetrokken.„Land,” riep hij eensklaps. „Ik zie land, en ik wed dat we het eiland Ré of Oléron krijgen. Ik zie torens ook. Wie weet of we het groote meevallertje niet hebben te La Rochelle aan te komen.”Het kwam op Michiels zeggen uit, meende men. Dwars tusschen de eilanden Ré en Oléron kwamen ze tegen denavond zoogenaamd te La Rochelle aan. Ze hadden in een etmaal eenen ontzettenden afstand afgelegd; maar waren ook met reuzenkrachten geholpen door eb en vloed.„Wat is La Rochelle klein!” zei Geleyn. „Ik dacht, dat het eene groote stad was, vol leven en beweging.”„Ik ook,” sprak Michiel. „Mis hebben kan ik toch niet!”„Daar bakkers wonen? Ik brooden koop!” riep Jan. „Ik honger, veel honger hebben.”„Eerst maar geld hebben,” merkte Michiel aan. „Ik heb niemendal uit te geven, want ik ben platzak.”„Ik heb nog eenen zilveren duit,” zei Geleyn. „Het is niet veel, maar toch altijd wat!”Ze kwamen in eene modderige haven aan, waar een man stond te visschen.„La Rochelle lá?” vroeg Michiel, op zijne manier het beste Fransch uitpakkende.„La Rochelle?” vroeg de man, vol verbazing, en antwoordde: „Non! Arcachon, mes enfants!”Michiel had zich dus bedrogen.De kust, die hier vol kreken was, had hem twee landtongen, die boven den lagen oever uitstaken, voor twee eilanden doen aanzien, en in de meening doen verkeeren, dat hij La Rochelle voor zich had. En nu was hij in eene stad, veel verder ten zuiden aangekomen.Onderwijl ze moeite deden, op een geschikt punt te landen, vroeg hun de Franschman aan den oever wat.Geen der drie jongens verstond hem en Michiel antwoordde op goed geluk: „Nous sommesof Flushing!” Hij smeet zoo wat Engelsch en Fransch door elkander, dat ziet ge, doch gij begrijpt, dat hij wilde zeggen: „Wij zijn van Vlissingen!”De visscher wist misschien evenveel van de bergen op de maan, als van Vlissingen, en dacht, dat ze van hun schip gekomen waren om een en ander te Arcachon te koopen. Hij zeide daarom: „Oui, mes enfants! Tout abondeen notre ville!” dat is: „Ja, mijne kinderen, alles is in overvloed in onze stad.”„Och, die man spreekt geen Fransch,” zei Michiel, doch toen ze aangekomen waren, vroeg hij hem toch: „Voulez vous vendre notre-notre-boot-boot-, Geleyn wat is boot, schuit of sloep in het Fransch?”Geleyn haalde de schouders op en zei: „Weet ik het? Ik kan geen Fransch spreken.”De visscher had Michiel eerst aangehoord, doch toen deze het woord tot Geleyn richtte, keerde hij zich om en wierp zijn net uit.„Wacht, nu weet ik het,” riep Michiel en den Franschen visscher aanstootende, zei hij nogmaals: „Voulez-vous vendre notre bateau?”Dat verstond de visscher wel, en begrijpende, dat zij hem toch niet zouden verstaan, haalde hij vijf kleine zilveren geldstukjes uit den zak en liet die Michiel zien.„Beter wat dan niemendal,” dacht Michiel en zei: „Oui, voilà la bateau! Santé avec-avec lehebbeding! Je verstaat me toch niet! Ik weet niet welke landsman je bent!”De jongens gingen nu, na hunne roeiboot voor eenen appel en een ei verkocht te hebben, naar het stadje, dat voor hen lag, en zagen niet hoe de visscher van blijdschap in de handen wreef, nu hij voor zulk een beetje geld, eene bijna spiksplinternieuwe roeiboot gekocht had.„Dat is me hier toch even een modderland!” zei Geleyn, die weldra tot over de voeten in het slijk liep.„O, dat wat is?” riep eensklaps Jan hevig schrikkende door een leelijk, hard en zonderling geluid.Michiel en Geleyn schrikten niet minder en stonden in twijfel of ze niet zouden terugkeeren en den visscher vragen, hoe ze toch loopen moesten om te Arcachon te komen.„Hoe!” schreeuwde Jan nu, en lag, pardoes, lang uit in de modder te spartelen, als eene schol, die zoo uit het water in de boot komt.De leelijke schreeuwer van zoo even, schreeuwde nu bijna vlak voor zijne voeten en vloog, vreeselijk akelige geluiden makende, op.„Het is een roerdomp,” zei Geleyn. „Die dieren leven hier veel, naar het schijnt! Kijk, als ge maar goed tusschen het riet loert, ziet ge er nog veel meer.”„Neen maar, zeg, kijk eens,” riep Michiel op eens.„Waar?” vroegen Geleyn en Jan tegelijk.„Wel daar,” antwoordde Michiel, en wees niet verre van zich af naar eene kleine hoogte, die met brem en bruin mos was bedekt, en waarop ook eenige lage dennenboomen zich verhieven.Nu zagen Geleyn en Jan ook twee mannen, eene vrouw en drie jongens aan den kant der hoogte zitten. Zij hielden hunnen maaltijd, die uit grof, zwart brood bestond, en nu en dan namen ze eene teug uit eene groote kruik. Maar dit alles was nu zoo zeldzaam niet. Dat, wat Michiel deed uitroepen: „Neen maar, zeg, kijk eens!” was dat ze allen hooge stelten onder de voeten hadden.„Menschen en vogels doen hier al even raar,” zeide Geleyn. „Welke lui zijn dat toch, die daar zitten?”„Zeker een gezelschap reizende kunstenmakers! Maar dan zijn ze hier al in eene vreemde streek om wat te verdienen,” meende Michiel.Pas had hij dat evenwel gezegd, of ze zagen den visscher aan wien ze hunne roeiboot verkocht hadden, ook op stelten aankomen.Het was een vreemd gezicht, zoo hoog in de lucht een man te zien, die zijn kruisnet over de schouders droeg en eenen vischzak op zijde had hangen.Jan Kompanjie was van verbazing bijna, alsof het hem in het hoofd haperde, en riep maar: „Hij ooievaar, hij ooievaar, allemaal ooievaar! Hi-hi!”„Nu begrijp ik het al,” zei Geleyn. „Dat zijn geene kunstenmakers: maar om niet zoo door de modder temoeten ploeteren in dit slijkland, loopen de menschen hier allemaal op stelten. Kijk maar, ginder ver loopen er nog!”Dit begreep Michiel ook; en nu zijne grootste verwondering over was, dacht hij er aan om dien menschen te vragen of ze voor hen niet wat te eten en te drinken hadden.Zoo goed en kwaad dit kon, ging hij er heen, en de beweging van eten makende, wees hij op een brood, en liet hun tegelijkertijd een der geldstukjes zien, die hij voor de roeiboot ontvangen had.De oudste van de mannen beproefde een gesprek met hem te beginnen, doch merkte weldra dat hiervan niemendal komen kon, en reikte hem het bruine brood over, doch stak tegelijkertijd het geldstukje in den zak.Thans keerde Michiel tot zijne twee vrienden terug, deelde het brood in drie gelijke deelen, en terwijl ze hunnen weg naar Arcachon vervolgden, aten ze het met smaak op. Lekker was het niet, maar honger weet weinig van lekker af.Eindelijk kwamen ze in de stad aan, doch vonden hier ook al niet veel troost.Zij kochten wat bier en kregen wat zuren landwijn te drinken. De menschen verstonden hen niet. Alleen een slager kon hun leverworst geven, daar Michiel die aanwees. Ook wees deze hen, op Geleyns vraag: „Paris?” naar het noordoosten, en daarheen zou het nu gaan.Het was me het tochtje wel!Nu eens kwamen ze aan breede rivieren en dan voor bergen, die ze niet wisten over te komen en dan maar liepen, tot ze een soort van doorgang vonden, gevormd door kloven en ravijnen.Bedelende van huis tot huis, op het laatst zonder schoenen aan de voeten, en ieder met eene vijgenmat op het hoofd, ging het al maar verder. Nu eens sliepen ze in eene schuur, dan in eenen hoop hooi op het veld, soms zelfszoo maar aan den kant van den weg onder eenen boom op het gras. Het was een tocht vol ellende en ontberingen.„Paris?” vroegen ze maar.„Voilà,” zeide men, en wees dan de richting aan waarin de stad lag waar ze hoopten toch wel éénen Hollander te vinden, die hen helpen wilde om verder te komen.Hoe menigmaal stond Michiel op het punt den legpenning, den Gelderschen rijder, dien buurman Engels hem gegeven had, in te wisselen; maar telkens, als hij daartoe besloten had, en reeds gereed stond hem van de borst te halen, trok hij de hand terug en fluisterde: „Laat ik nog eenen dag wachten!” Dat zei hij evenwel iederen keer—de Geldersche rijder kwam niet van de borst af.Na zoo bijna drie maanden lang gezworven te hebben, kwamen ze eindelijk op een dorpje waar ze weer van huis tot huis brood en wat drinken bedelden. Aan het einde van het dorpje stond de kerk, en daarbij lag de pastorie. Vóór de pastorie lag een lief tuintje met vruchtboomen. Een Geestelijke wandelde erin, plukte eene perzik en at ze op.Michielwatertanddeervan; hij bleef staan en stamelde: „Monsieur, bon monsieur!”Ze troffen het bijzonder. Die Geestelijke was een ware Sinterklaas. Hij naderde de heining, die den tuin van den landweg scheidde, en vroeg: „Venez-vous de Paris?”Zooveel Fransch hadden Geleyn en Michiel onderweg wel al geleerd, dat ze begrepen, dat de Geestelijke vroeg: „Komt ge van Parijs?”„Non, monsieur! Moikom- kom- vanla ville Arcachon!” zeide Geleyn.„Quoi!” riep de Geestelijke. „Quoi, d’Arcachon? C’est impossible! Impossible!” („Wat? Van Arcachon? Dat is onmogelijk! Onmogelijk!”)Michiel begreep er zoo wat van en kreeg opeens de gedachte om door teekenen te kennen te geven, dat ze doorBiscayers gevangen genomen waren, maar dat ze in een roeibootje hadden weten te ontsnappen.„Kom hier, Jan!” riep hij.Jan naderde.„Geef me uwe beide handen!” beval Michiel.Hoewel Jan niet begreep wat er gebeuren moest, stak hij toch de handen uit.„Ik zal probeeren, dien goeden Pastoor aan te toonen, hoe we door de Biscayers gevangen genomen zijn, en hoe we in een roeibootje zijn ontsnapt.”Michiel bond met eenen doek Jans handen vast.„Monsieur,” zei hij op Jan wijzende, „Hollandais! Moi Hollandais, et Geleyn aussi Hollandais!”De Geestelijke lachte.Toen nam Michiel den doornstok, dien hij onderweg mee genomen had, en begon te doen, alsof hij sloeg.„Biscayer, monsieur, un pirate!”—(„Biscayer, mijnheer, een zeeroover!”) sprak Michiel weer, den Geestelijke aanziende, en tegelijkertijd hem de wonde in den arm aanwijzende, die nog niet geheel genezen was. De Pastoor knikte, dat zeker zooveel wilde zeggen, als: „Ik begrijp u een weinig!”Toen wees Michiel op Jan, op Geleyn en op zichzelven en hield de handen, alsof ze geboeid waren, en Geleyn, die zeer goed begreep, wat Michiel bedoelde, hield de handen ook zoo.„Prisonniers, monsieur, prisonniers, Jean, Geleyn et moi!” („Gevangenen, mijnheer, gevangenen, Jan, Geleyn en ik!”) sprak Michiel.En weer knikte de Geestelijke. Het werd hem allengs duidelijker wat de jongens bedoelden met hun gebarenspel en geradbraakt Fransch.„Doet nu eens, alsof ge de boeien verbreekt, gaat dan dadelijk achter me zitten, doet alsof ge roeit en roep dan:Libre, libre, bateau, Arcachon,” zeide Michiel.„Als de goede man dat niet begrijpt, dan weet ik het niet meer!” sprak Geleyn, en op het „Los!” van Michiel, lieten ze alle drie de handen vrij, gingen achter elkander op den grond zitten en begonnen met hunne doornstokken in het zand te roeien.„Libre!Vrij!Bateau! Arcachon!” riep Michiel, hierin trouw door Jan en Geleyn geholpen.Intusschen waren er meer menschen bij hen gekomen, en lachten zoo luid ze konden om de grappen der drie bedelknapen, die nog maar altijd roeiden.„Riemen in!” beval Michiel.Jan en Geleyn hielden op met roeien.„De boot uit!” klonk alweer een ander bevel en het voorbeeld van hunnen makker volgende, sprongen Jan en Geleyn ook op.„Libre! Libre!Vrij!Voici, Arcachon!” riep Michiel.Thans was het den Geestelijke volkomen duidelijk wat er met de drie knapen gebeurd was. Hij nam Jans vijgenmat van het hoofd, wierp er een stuk zilvergeld in en nadat hij aan de omstanders verteld had, wat er met die drie Hollandsche knapen gebeurd was, ging hij met de vijgenmat rond en ieder volgde het voorbeeld van den goede Geestelijke, en wierp er in, wat hij missen kon.Stom van verbazing zag Michiel dat een oogenblik aan, doch eindelijk zijn gevoel niet meer meester, sprong hij op, omvatte de handen van den braven Geestelijke en stamelde, terwijl hem de tranen uit de oogen stroomden: „God de Heere zegene U!”Of de Pastoor dat verstond?Al had Michiel niets gezegd, de Geestelijke zou hem begrepen hebben. Hij drukte den knaap de hand en zeide bewogen: „Mes pauvres garçons!”Hierop zeide hij nog wat tot eenen der omstanders en deze knikte de jongens vriendelijk toe, waarop hij heenging.Ook de mannen, vrouwen en kinderen verstrooiden zich,zoodat onze drie knapen met den Geestelijke alleen bleven.Deze nam hen met zich in huis en liet hun eenen stevigen maaltijd en water en wijn voorzetten.Wat de jongens hun best deden!Het eenige wat den Pastoor niet scheen te bevallen was, dat ze geen van drieën Roomsch waren; want eer ze gingen eten, baden ze wel, doch maakten geen kruis.Dat speet den goeden man zeker wel, doch het veranderde niemendal in de plannen van zijn edel hart, en toen de jongens genoeg gegeten hadden, kregen ze ieder nog een paar boterhammen met vleesch mede. Hij bracht ze door den tuin naar den landweg, plukte voor ieder hunner eene heerlijke perzik en op eene kar, die voor het hek stond, wijzend, zei hij: „Adieu, mes enfants! Dieu vous soit en aide!” („Vaarwel, mijne kinderen! God helpe u!”)Nogmaals dankten met tranen in de oogen de drie jongens den braven man, kropen op de kar in het stroo, en zagen, dat de voerman de persoon was, die door den Pastoor was toegesproken, en die zich daarop verwijderd had.Tegen den avond kwamen zij in eene schoone buurt.Het was eene der voorsteden van Parijs.De voerman hield bij de poort op en zich beleefd tot eenen voorbijganger wendend, vroeg hij of hij hier in den omtrek geene Hollandsche familie wist te wonen.De heer zeide van ja en wees een klein vischwinkeltje aan.De voerman bedankte, reed tot bij het aangeduide winkeltje en vroeg daar of hier Hollanders woonden.„Jawel,” zeide de man, die onder zijne luifel bij eenige tonnetjes Hollandschen haring stond, „ik ben een Hollander. Waarom vraagt ge dat?” Hij sprak natuurlijk Fransch. Iemand, die in Parijs zaken wil doen, komt daar met zijn Hollandsch niet terecht.De voerman vertelde hierop wie daar op zijne kar zaten, en nauwelijks had de vischhandelaar gehoord, wat er met hen zoo al gebeurd was, of hij zei: „Welkom in Parijs,jongens! Gij hebt me dan zoo even een aardig reisje achter den rug! Komt maar van de kar af!”Het was Michiel, Geleyn en Jan, alsof ze op eens een millioen gulden rijk geworden waren, zoo verheugden ze zich, eindelijk weer eens de Hollandsche taal te hooren. Ze sprongen van de kar af en zouden van blijdschap vergeten hebben den voerman te bedanken, als de vischboer niet gezegd had: „Nu, moet die man niet bedankt worden, jongens? Hij heeft wel een hartelijk bedankje verdiend, zou ik zoo meenen.”Zij drukten hem hierop vriendelijk lachend de hand, en nadat de vischboer hem een paar haringen en eene groote gedroogde schol ten geschenke gegeven had, reed hij heen.De vischhandelaar was een vriendelijk man en wilde de jongens gaarne des nachts houden; maar toen zijne vrouw hen zag, wilde ze zulke vuile landloopers niet over haren dorpel hebben, en ze wist het zoover te krijgen, dat haar man er eindelijk in toestemde, hen in eene achterbuurt, bij eenen slaapsteêhouder, te krijgen.„En nu zullen we morgen toch voor al het geld, dat we hebben, eens schoenen en wat betere kleederen koopen,” sprak Michiel, en legde het geld in eenen doek geknoopt onder zijn vuil en versleten matras.Geleyn en Jan vonden dat goed en sliepen weldra in.Maar een kerel, die daar in hunne buurt lag, een echt gemeene, Parijsche bedelaar, had gezien en ook gehoord wat Michiel daar onder zijn matras stopte, en toen de heele bende sliep,—ze lagen misschien wel met hun twintigen in die zaal, sloop hij naar Michiels matras, stak de hand er onder, grinnikte van blijdschap, haalde de hand weer terug, ging naar zijn eigen matras, sliep daar tot de schemering aanbrak, en maakte zich van den schat der arme jongens meester.Met welk een vroolijk gevoel werden ze den volgenden morgen wakker!Ze hadden lang, heel lang geslapen. Er was niemand van de logeergasten meer te zien.„Komt, Jan en Geleyn, ons nu gauw aangekleed en gewasschen, en dan naar den vischboer, die zal ons wel zeggen waar ergens eene uitdragerij is!”Vroolijk kleedden de knapen zich aan, hadden onder het wasschen veel pret en waren eindelijk klaar.„En nu nog het beste van alles,” riep Michiel, de matras oplichtend, maar op eenmaal viel hij er languit op neer en schreeuwde: „Ons geld is gestolen! Ons geld is weg!”„Hebt gij het niet al in den zak gestoken?” vroeg Geleyn, die niet minder schrikte.„Neen,” zei Michiel.Nu had Jan een groot gebrek en dat was om, als hij erg bedroefd was, te gaan lachen. Michiel en Geleyn dachten daaraan niet, en toen Jan zoo lachte, riepen ze beiden te gelijk: „Leelijke sausneger, is ons dat laten schrikken! Komaan, geef op den doek!”Maar toen kwam het uit, dat Jan niet lachte van pret, maar van schrik en verdriet.„Ikke niet heb! Ikke niet heb! Jij voel maar overal in het zak. Wee, wee, die geld weg, heelemaal weg! Ikke gestolen niet heb! Wij maar verdrink moet alle drie!”Eindelijk kwam op het rumoer de slaapsteêhouder toeschieten, doch daar hij geen woord van hen verstond en de vischboer het slaapgeld al betaald had, zoo joeg hij hen alle drie de deur uit.De vischboer was gauw gevonden, doch deze was niet thuis, en zijne vrouw wilde niemendal met drie zulke vieze, verscheurde en magere landloopers te doen hebben. Zij schold hen letterlijk de straat uit.Opnieuw nam de bedeltocht nu weer eenen aanvang, doch er was ruzie onder de drie ontstaan. Geleyn verweet Michiel, dat die, met overall haantje de voorste te spelen,oorzaak was van het stelen van het geld, en Michiel, die dat niet verdragen kon, liet nu Geleyn maar voor alles zorgen, en het gevolg hiervan was, dat ze meer slagen, stompen en scheldwoorden dan eten, drinken en onderkomen vonden, zoodat Geleyn eindelijk inzag, dat hij verkeerd gedaan had met Michiel verwijten te doen, vergiffenis vroeg en het bestuur over den tocht opnieuw aan Michiel overliet.Gelukkig kwamen ze nu aan de Vlaamsche grenzen en konden ze zich doen verstaan. De menschen betoonden hier en daar hun medelijden, en zoo kwamen eindelijk onze drie zwervelingen, na eenen tocht van bijna vijf maanden te Breskens aan, waar ze zich bij gelegenheid door eenen garnalen-schipper, die Geleyn kende, lieten overzetten.Deze jongens waren voorloopig de eenigen, die van de „Lijnbaan” in Vlissingen kwamen, en de Heeren Lampsens zagen verwonderd op, dat er eindelijk toch nog drie waren, die konden vertellen hoe ellendig het met hun schip en met al de opvarenden afgeloopen was.„Dat is een tochtje van belang geweest, jongens! Ge zijt juist op den kop acht maanden afwezig gebleven. Wij dachten allen, dat de „Lijnbaan” met man en muis vergaan was. Uwe familie is al in den rouw, en uwe Moeder, Michiel, is er niet te best aan toe. Ik zou u althans aanraden, niet dadelijk naar huis te gaan. Ik zal uwen Vader laten komen! En hier, hier is uw loon, jongens, zoo goed en zooveel, hoor, alsof ge acht maanden voor ons op reis waart geweest. En dit hebt ge nog op den koop toe!”Heer Cornelis betaalde ieder uit, en gaf nog, als eene kleine vergoeding voor alles, wat ze op den langen zwerftocht doorstaan hadden, ieder vier Zeeuwsche rijksdaalders.Maar het gerucht van de terugkomst van drie jongens van de „Lijnbaan” liep spoedig door heel de stad, en bereikte ook het kleine huisje van Adriaen.Moeder Alida zat met eenen opgeslagen Bijbel voor zichaan tafel, toen Alida binnenstormde en uitriep: „Moeder, Moeder, onze Michiel is terug!”Alida Jans keek op.Och, och, wat zag die vrouw er uit! Wat waren die oogen groot, en diep in het hoofd gezonken! Wat waren die wangen mager! Wat kon men zien, dat ze bitter en bitter moest geleden hebben!„Kind,” riep ze, terwijl ze zich aan de tafel vasthield om niet achterover te vallen, „kind, kind, het kan niet waar zijn! Zes maanden geleden heb ik hem immers uit zijn bed hooren stappen, duidelijk, Alida, duidelijk; want ik lag helder wakker en dacht aan mijnen jongen. En na dien tijd, hebben we immers niets meer van hem gehoord? Neen, Alida, Michiel zie ik hier op aarde niet meer. Strakjes boven, boven! Wie uit zijn bed stapt, als hij niet thuis is, komt op aarde niet meer terug. Hij is dood.”1„Maar, Moeder, het is toch stellig waar, dat Michiel, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie in de stad zijn. Wacht, daar komt Dirk aanloopen!”„Moeder, Moeder, Michiel is terug!” riep Dirk, toen hij nog niet eens in huis was.„Dan toch waar, toch waar? Heere, mijn God, hoe zal ik U loven en danken? U danken, dat ik mijnen jongennog zal kunnen zien, eer mijn aardsche huis afgebroken wordt!” stamelde Moeder Alida.Daar kwam de Heer Lampsens aan. Hij wilde de goede vrouw voorbereiden op het heugelijke bericht, doch zoodra ze hem zag, riep ze: „Sinjeur, Sinjeur,ishet waar,ishet waar, dat mijn jongen thuis is?”Eenigszins verrast door die vraag, gaf de Heer Lampsens niet dadelijk antwoord, doch toen de goede vrouw bewijzen gaf, dat zij meende, dat hare kinderen haar om den tuin geleid hadden, zei hij: „Ja, goede ziel, Michiel, is thuis! Ik zal hem roepen; hij staat....”„Moedertje, lief Moedertje, goed Moedertje, best Moedertje!” schreeuwde Michiel, en vloog door de geopende deur zijne arme Moeder om den hals.Hij zag niet dat ze zoo bleek en zoo mager was. Hij zag alleen, die groote, blauwe oogen! Hij voelde alleen die hartelijke omhelzing en die brandende kussen, en geene andere woorden had hij dan: „Goed, lief, best Moedertje! Mijn, mijn eigen Moedertje! Hier ben ik! Hier!”Het werd den braven Cornelis Lampsens te eng in dat woonvertrek van die eenvoudige menschen. Hij liep naar buiten en zoo snel hij kon naar zijn kantoor, waar hij voorover op zijnen lessenaar viel.„Wat scheelt er aan, Cornelis?” vroeg zijn broeder Adriaen, die niet zoo gauw de kluts kwijt was.„Zoo iets wil ik nooit meer zien, neen, nooit meer! Het was hartverscheurend!” antwoordde Cornelis en deed zijnen broeder verslag van de ontmoeting tusschen Moeder Alida en haren Michiel.Vier weken later was Michiel aanboord van de „Vlissingen”. Hij ging naar de Oost-Indiën, en liet daar zijnen vriend Jan Kompanjie, die op een ander schip overging, achter.Zijne terugreis was nu zeer voorspoedig.Anderhalf jaar later kwam hij als Stuurman terug daar de derde Stuurman weggeloopen was.Michiel vond Vlissingen niets veranderd, niets!Maar Moeder Alida’s stoel stond ledig.De tering had de arme vrouw weggerukt.En des avonds vond men op een der graven, buiten de kerk, een jonkman geknield, bitter schreiende en fluisterende: „Wel te rusten, lieve, goede, trouwe Moeder! Wel te rusten! Tot hier namaals!”Terwijl hij daar op de groeve lag kwam Maria Velders een rozenpotje op het graf van hare oude vriendin brengen.Zij gingen samen naar huis die twee en—werden later een paar.1In mijnen knapentijd hechtte men op het platteland van Walcheren zeer veel gewicht aan dat zoogenaamde „uit bed stappen” van eenen afwezende. Het was een bewijs, dat op hetzelfde oogenblik, hij of zij, die afwezig was, stierf, met eene laatste gedachte aan het vriendelijke, ouderlijke huis. Er waren toen nog veel meer van die bijgeloovigheden in omloop, o. a. ook van het slaan op, of het vallen van eenen spiegel. Een paardendokter, geen geëxamineerde, maar een, die de kunst van zijnen Vader, als het ware, overgeërfd had, heeft mij en mijnen makkers soms vreeselijke dingen verteld van zwarte vlaggen, noorderlicht, slagen op de spiegels, vallen van spiegels, uit bed stappen, geheimzinnige ontmoetingen, geklop op de deur midden in den nacht, enz. Het angstzweet brak ons bij die verhalen dikwijls uit, en toch waren wij altijd graag bij dien man, als hij aan zijne deur stond en tijd en lust had om ons, door zijne bijgeloovige verhalen, des nachts den slaap uit de oogen te jagen.↑
TIENDE HOOFDSTUK.Eene moeielijke bedelreis.
Vol hoop en moed dat ze wel ergens op de Fransche kust terecht komen of misschien een Engelsch, Hollandsch of Fransch schip ontmoeten zouden, lieten ze zich door de eb maar verder in zee drijven, en toen deze niet meer ging en de vloed weer doorbrak, roeiden ze er op goed geluk tegen in.Eerst toen de dag begon aan te breken, waren zij meer gerust. Ze waren in volle zee. Waar nu heen?Michiel keek naar de opkomende zon en zei: „Als we nu maar in die richting roeien, krijgen we de Fransche kust!”Hongerig, dorstig, koud en moede, als ze waren, ging het roeien van Jan en Michiel,—Geleyn zat aan het roer,—niet heel vlug.„Wij komen er vandaag nog niet!” zei Geleyn met eenen diepen zucht en het scheen dat hij op het punt stond den moed op te geven.„Jawel,” riep Michiel, „ik voel dat de vloed op komt zetten. Die zal ons helpen. En de wind ook. Hij is pal zuidwest. Waar ergens aan de kust van Frankrijk we zullen komen, weet ik niet, maar onder deBiscayersvast niet!”Zoo ging het wel twee uren voort. De man aan het roer werd telkens afgewisseld.Nu zat Michiel er aan, en dat mocht ook wel, want hij had drie uur aan een stuk stevig doorgetrokken.„Land,” riep hij eensklaps. „Ik zie land, en ik wed dat we het eiland Ré of Oléron krijgen. Ik zie torens ook. Wie weet of we het groote meevallertje niet hebben te La Rochelle aan te komen.”Het kwam op Michiels zeggen uit, meende men. Dwars tusschen de eilanden Ré en Oléron kwamen ze tegen denavond zoogenaamd te La Rochelle aan. Ze hadden in een etmaal eenen ontzettenden afstand afgelegd; maar waren ook met reuzenkrachten geholpen door eb en vloed.„Wat is La Rochelle klein!” zei Geleyn. „Ik dacht, dat het eene groote stad was, vol leven en beweging.”„Ik ook,” sprak Michiel. „Mis hebben kan ik toch niet!”„Daar bakkers wonen? Ik brooden koop!” riep Jan. „Ik honger, veel honger hebben.”„Eerst maar geld hebben,” merkte Michiel aan. „Ik heb niemendal uit te geven, want ik ben platzak.”„Ik heb nog eenen zilveren duit,” zei Geleyn. „Het is niet veel, maar toch altijd wat!”Ze kwamen in eene modderige haven aan, waar een man stond te visschen.„La Rochelle lá?” vroeg Michiel, op zijne manier het beste Fransch uitpakkende.„La Rochelle?” vroeg de man, vol verbazing, en antwoordde: „Non! Arcachon, mes enfants!”Michiel had zich dus bedrogen.De kust, die hier vol kreken was, had hem twee landtongen, die boven den lagen oever uitstaken, voor twee eilanden doen aanzien, en in de meening doen verkeeren, dat hij La Rochelle voor zich had. En nu was hij in eene stad, veel verder ten zuiden aangekomen.Onderwijl ze moeite deden, op een geschikt punt te landen, vroeg hun de Franschman aan den oever wat.Geen der drie jongens verstond hem en Michiel antwoordde op goed geluk: „Nous sommesof Flushing!” Hij smeet zoo wat Engelsch en Fransch door elkander, dat ziet ge, doch gij begrijpt, dat hij wilde zeggen: „Wij zijn van Vlissingen!”De visscher wist misschien evenveel van de bergen op de maan, als van Vlissingen, en dacht, dat ze van hun schip gekomen waren om een en ander te Arcachon te koopen. Hij zeide daarom: „Oui, mes enfants! Tout abondeen notre ville!” dat is: „Ja, mijne kinderen, alles is in overvloed in onze stad.”„Och, die man spreekt geen Fransch,” zei Michiel, doch toen ze aangekomen waren, vroeg hij hem toch: „Voulez vous vendre notre-notre-boot-boot-, Geleyn wat is boot, schuit of sloep in het Fransch?”Geleyn haalde de schouders op en zei: „Weet ik het? Ik kan geen Fransch spreken.”De visscher had Michiel eerst aangehoord, doch toen deze het woord tot Geleyn richtte, keerde hij zich om en wierp zijn net uit.„Wacht, nu weet ik het,” riep Michiel en den Franschen visscher aanstootende, zei hij nogmaals: „Voulez-vous vendre notre bateau?”Dat verstond de visscher wel, en begrijpende, dat zij hem toch niet zouden verstaan, haalde hij vijf kleine zilveren geldstukjes uit den zak en liet die Michiel zien.„Beter wat dan niemendal,” dacht Michiel en zei: „Oui, voilà la bateau! Santé avec-avec lehebbeding! Je verstaat me toch niet! Ik weet niet welke landsman je bent!”De jongens gingen nu, na hunne roeiboot voor eenen appel en een ei verkocht te hebben, naar het stadje, dat voor hen lag, en zagen niet hoe de visscher van blijdschap in de handen wreef, nu hij voor zulk een beetje geld, eene bijna spiksplinternieuwe roeiboot gekocht had.„Dat is me hier toch even een modderland!” zei Geleyn, die weldra tot over de voeten in het slijk liep.„O, dat wat is?” riep eensklaps Jan hevig schrikkende door een leelijk, hard en zonderling geluid.Michiel en Geleyn schrikten niet minder en stonden in twijfel of ze niet zouden terugkeeren en den visscher vragen, hoe ze toch loopen moesten om te Arcachon te komen.„Hoe!” schreeuwde Jan nu, en lag, pardoes, lang uit in de modder te spartelen, als eene schol, die zoo uit het water in de boot komt.De leelijke schreeuwer van zoo even, schreeuwde nu bijna vlak voor zijne voeten en vloog, vreeselijk akelige geluiden makende, op.„Het is een roerdomp,” zei Geleyn. „Die dieren leven hier veel, naar het schijnt! Kijk, als ge maar goed tusschen het riet loert, ziet ge er nog veel meer.”„Neen maar, zeg, kijk eens,” riep Michiel op eens.„Waar?” vroegen Geleyn en Jan tegelijk.„Wel daar,” antwoordde Michiel, en wees niet verre van zich af naar eene kleine hoogte, die met brem en bruin mos was bedekt, en waarop ook eenige lage dennenboomen zich verhieven.Nu zagen Geleyn en Jan ook twee mannen, eene vrouw en drie jongens aan den kant der hoogte zitten. Zij hielden hunnen maaltijd, die uit grof, zwart brood bestond, en nu en dan namen ze eene teug uit eene groote kruik. Maar dit alles was nu zoo zeldzaam niet. Dat, wat Michiel deed uitroepen: „Neen maar, zeg, kijk eens!” was dat ze allen hooge stelten onder de voeten hadden.„Menschen en vogels doen hier al even raar,” zeide Geleyn. „Welke lui zijn dat toch, die daar zitten?”„Zeker een gezelschap reizende kunstenmakers! Maar dan zijn ze hier al in eene vreemde streek om wat te verdienen,” meende Michiel.Pas had hij dat evenwel gezegd, of ze zagen den visscher aan wien ze hunne roeiboot verkocht hadden, ook op stelten aankomen.Het was een vreemd gezicht, zoo hoog in de lucht een man te zien, die zijn kruisnet over de schouders droeg en eenen vischzak op zijde had hangen.Jan Kompanjie was van verbazing bijna, alsof het hem in het hoofd haperde, en riep maar: „Hij ooievaar, hij ooievaar, allemaal ooievaar! Hi-hi!”„Nu begrijp ik het al,” zei Geleyn. „Dat zijn geene kunstenmakers: maar om niet zoo door de modder temoeten ploeteren in dit slijkland, loopen de menschen hier allemaal op stelten. Kijk maar, ginder ver loopen er nog!”Dit begreep Michiel ook; en nu zijne grootste verwondering over was, dacht hij er aan om dien menschen te vragen of ze voor hen niet wat te eten en te drinken hadden.Zoo goed en kwaad dit kon, ging hij er heen, en de beweging van eten makende, wees hij op een brood, en liet hun tegelijkertijd een der geldstukjes zien, die hij voor de roeiboot ontvangen had.De oudste van de mannen beproefde een gesprek met hem te beginnen, doch merkte weldra dat hiervan niemendal komen kon, en reikte hem het bruine brood over, doch stak tegelijkertijd het geldstukje in den zak.Thans keerde Michiel tot zijne twee vrienden terug, deelde het brood in drie gelijke deelen, en terwijl ze hunnen weg naar Arcachon vervolgden, aten ze het met smaak op. Lekker was het niet, maar honger weet weinig van lekker af.Eindelijk kwamen ze in de stad aan, doch vonden hier ook al niet veel troost.Zij kochten wat bier en kregen wat zuren landwijn te drinken. De menschen verstonden hen niet. Alleen een slager kon hun leverworst geven, daar Michiel die aanwees. Ook wees deze hen, op Geleyns vraag: „Paris?” naar het noordoosten, en daarheen zou het nu gaan.Het was me het tochtje wel!Nu eens kwamen ze aan breede rivieren en dan voor bergen, die ze niet wisten over te komen en dan maar liepen, tot ze een soort van doorgang vonden, gevormd door kloven en ravijnen.Bedelende van huis tot huis, op het laatst zonder schoenen aan de voeten, en ieder met eene vijgenmat op het hoofd, ging het al maar verder. Nu eens sliepen ze in eene schuur, dan in eenen hoop hooi op het veld, soms zelfszoo maar aan den kant van den weg onder eenen boom op het gras. Het was een tocht vol ellende en ontberingen.„Paris?” vroegen ze maar.„Voilà,” zeide men, en wees dan de richting aan waarin de stad lag waar ze hoopten toch wel éénen Hollander te vinden, die hen helpen wilde om verder te komen.Hoe menigmaal stond Michiel op het punt den legpenning, den Gelderschen rijder, dien buurman Engels hem gegeven had, in te wisselen; maar telkens, als hij daartoe besloten had, en reeds gereed stond hem van de borst te halen, trok hij de hand terug en fluisterde: „Laat ik nog eenen dag wachten!” Dat zei hij evenwel iederen keer—de Geldersche rijder kwam niet van de borst af.Na zoo bijna drie maanden lang gezworven te hebben, kwamen ze eindelijk op een dorpje waar ze weer van huis tot huis brood en wat drinken bedelden. Aan het einde van het dorpje stond de kerk, en daarbij lag de pastorie. Vóór de pastorie lag een lief tuintje met vruchtboomen. Een Geestelijke wandelde erin, plukte eene perzik en at ze op.Michielwatertanddeervan; hij bleef staan en stamelde: „Monsieur, bon monsieur!”Ze troffen het bijzonder. Die Geestelijke was een ware Sinterklaas. Hij naderde de heining, die den tuin van den landweg scheidde, en vroeg: „Venez-vous de Paris?”Zooveel Fransch hadden Geleyn en Michiel onderweg wel al geleerd, dat ze begrepen, dat de Geestelijke vroeg: „Komt ge van Parijs?”„Non, monsieur! Moikom- kom- vanla ville Arcachon!” zeide Geleyn.„Quoi!” riep de Geestelijke. „Quoi, d’Arcachon? C’est impossible! Impossible!” („Wat? Van Arcachon? Dat is onmogelijk! Onmogelijk!”)Michiel begreep er zoo wat van en kreeg opeens de gedachte om door teekenen te kennen te geven, dat ze doorBiscayers gevangen genomen waren, maar dat ze in een roeibootje hadden weten te ontsnappen.„Kom hier, Jan!” riep hij.Jan naderde.„Geef me uwe beide handen!” beval Michiel.Hoewel Jan niet begreep wat er gebeuren moest, stak hij toch de handen uit.„Ik zal probeeren, dien goeden Pastoor aan te toonen, hoe we door de Biscayers gevangen genomen zijn, en hoe we in een roeibootje zijn ontsnapt.”Michiel bond met eenen doek Jans handen vast.„Monsieur,” zei hij op Jan wijzende, „Hollandais! Moi Hollandais, et Geleyn aussi Hollandais!”De Geestelijke lachte.Toen nam Michiel den doornstok, dien hij onderweg mee genomen had, en begon te doen, alsof hij sloeg.„Biscayer, monsieur, un pirate!”—(„Biscayer, mijnheer, een zeeroover!”) sprak Michiel weer, den Geestelijke aanziende, en tegelijkertijd hem de wonde in den arm aanwijzende, die nog niet geheel genezen was. De Pastoor knikte, dat zeker zooveel wilde zeggen, als: „Ik begrijp u een weinig!”Toen wees Michiel op Jan, op Geleyn en op zichzelven en hield de handen, alsof ze geboeid waren, en Geleyn, die zeer goed begreep, wat Michiel bedoelde, hield de handen ook zoo.„Prisonniers, monsieur, prisonniers, Jean, Geleyn et moi!” („Gevangenen, mijnheer, gevangenen, Jan, Geleyn en ik!”) sprak Michiel.En weer knikte de Geestelijke. Het werd hem allengs duidelijker wat de jongens bedoelden met hun gebarenspel en geradbraakt Fransch.„Doet nu eens, alsof ge de boeien verbreekt, gaat dan dadelijk achter me zitten, doet alsof ge roeit en roep dan:Libre, libre, bateau, Arcachon,” zeide Michiel.„Als de goede man dat niet begrijpt, dan weet ik het niet meer!” sprak Geleyn, en op het „Los!” van Michiel, lieten ze alle drie de handen vrij, gingen achter elkander op den grond zitten en begonnen met hunne doornstokken in het zand te roeien.„Libre!Vrij!Bateau! Arcachon!” riep Michiel, hierin trouw door Jan en Geleyn geholpen.Intusschen waren er meer menschen bij hen gekomen, en lachten zoo luid ze konden om de grappen der drie bedelknapen, die nog maar altijd roeiden.„Riemen in!” beval Michiel.Jan en Geleyn hielden op met roeien.„De boot uit!” klonk alweer een ander bevel en het voorbeeld van hunnen makker volgende, sprongen Jan en Geleyn ook op.„Libre! Libre!Vrij!Voici, Arcachon!” riep Michiel.Thans was het den Geestelijke volkomen duidelijk wat er met de drie knapen gebeurd was. Hij nam Jans vijgenmat van het hoofd, wierp er een stuk zilvergeld in en nadat hij aan de omstanders verteld had, wat er met die drie Hollandsche knapen gebeurd was, ging hij met de vijgenmat rond en ieder volgde het voorbeeld van den goede Geestelijke, en wierp er in, wat hij missen kon.Stom van verbazing zag Michiel dat een oogenblik aan, doch eindelijk zijn gevoel niet meer meester, sprong hij op, omvatte de handen van den braven Geestelijke en stamelde, terwijl hem de tranen uit de oogen stroomden: „God de Heere zegene U!”Of de Pastoor dat verstond?Al had Michiel niets gezegd, de Geestelijke zou hem begrepen hebben. Hij drukte den knaap de hand en zeide bewogen: „Mes pauvres garçons!”Hierop zeide hij nog wat tot eenen der omstanders en deze knikte de jongens vriendelijk toe, waarop hij heenging.Ook de mannen, vrouwen en kinderen verstrooiden zich,zoodat onze drie knapen met den Geestelijke alleen bleven.Deze nam hen met zich in huis en liet hun eenen stevigen maaltijd en water en wijn voorzetten.Wat de jongens hun best deden!Het eenige wat den Pastoor niet scheen te bevallen was, dat ze geen van drieën Roomsch waren; want eer ze gingen eten, baden ze wel, doch maakten geen kruis.Dat speet den goeden man zeker wel, doch het veranderde niemendal in de plannen van zijn edel hart, en toen de jongens genoeg gegeten hadden, kregen ze ieder nog een paar boterhammen met vleesch mede. Hij bracht ze door den tuin naar den landweg, plukte voor ieder hunner eene heerlijke perzik en op eene kar, die voor het hek stond, wijzend, zei hij: „Adieu, mes enfants! Dieu vous soit en aide!” („Vaarwel, mijne kinderen! God helpe u!”)Nogmaals dankten met tranen in de oogen de drie jongens den braven man, kropen op de kar in het stroo, en zagen, dat de voerman de persoon was, die door den Pastoor was toegesproken, en die zich daarop verwijderd had.Tegen den avond kwamen zij in eene schoone buurt.Het was eene der voorsteden van Parijs.De voerman hield bij de poort op en zich beleefd tot eenen voorbijganger wendend, vroeg hij of hij hier in den omtrek geene Hollandsche familie wist te wonen.De heer zeide van ja en wees een klein vischwinkeltje aan.De voerman bedankte, reed tot bij het aangeduide winkeltje en vroeg daar of hier Hollanders woonden.„Jawel,” zeide de man, die onder zijne luifel bij eenige tonnetjes Hollandschen haring stond, „ik ben een Hollander. Waarom vraagt ge dat?” Hij sprak natuurlijk Fransch. Iemand, die in Parijs zaken wil doen, komt daar met zijn Hollandsch niet terecht.De voerman vertelde hierop wie daar op zijne kar zaten, en nauwelijks had de vischhandelaar gehoord, wat er met hen zoo al gebeurd was, of hij zei: „Welkom in Parijs,jongens! Gij hebt me dan zoo even een aardig reisje achter den rug! Komt maar van de kar af!”Het was Michiel, Geleyn en Jan, alsof ze op eens een millioen gulden rijk geworden waren, zoo verheugden ze zich, eindelijk weer eens de Hollandsche taal te hooren. Ze sprongen van de kar af en zouden van blijdschap vergeten hebben den voerman te bedanken, als de vischboer niet gezegd had: „Nu, moet die man niet bedankt worden, jongens? Hij heeft wel een hartelijk bedankje verdiend, zou ik zoo meenen.”Zij drukten hem hierop vriendelijk lachend de hand, en nadat de vischboer hem een paar haringen en eene groote gedroogde schol ten geschenke gegeven had, reed hij heen.De vischhandelaar was een vriendelijk man en wilde de jongens gaarne des nachts houden; maar toen zijne vrouw hen zag, wilde ze zulke vuile landloopers niet over haren dorpel hebben, en ze wist het zoover te krijgen, dat haar man er eindelijk in toestemde, hen in eene achterbuurt, bij eenen slaapsteêhouder, te krijgen.„En nu zullen we morgen toch voor al het geld, dat we hebben, eens schoenen en wat betere kleederen koopen,” sprak Michiel, en legde het geld in eenen doek geknoopt onder zijn vuil en versleten matras.Geleyn en Jan vonden dat goed en sliepen weldra in.Maar een kerel, die daar in hunne buurt lag, een echt gemeene, Parijsche bedelaar, had gezien en ook gehoord wat Michiel daar onder zijn matras stopte, en toen de heele bende sliep,—ze lagen misschien wel met hun twintigen in die zaal, sloop hij naar Michiels matras, stak de hand er onder, grinnikte van blijdschap, haalde de hand weer terug, ging naar zijn eigen matras, sliep daar tot de schemering aanbrak, en maakte zich van den schat der arme jongens meester.Met welk een vroolijk gevoel werden ze den volgenden morgen wakker!Ze hadden lang, heel lang geslapen. Er was niemand van de logeergasten meer te zien.„Komt, Jan en Geleyn, ons nu gauw aangekleed en gewasschen, en dan naar den vischboer, die zal ons wel zeggen waar ergens eene uitdragerij is!”Vroolijk kleedden de knapen zich aan, hadden onder het wasschen veel pret en waren eindelijk klaar.„En nu nog het beste van alles,” riep Michiel, de matras oplichtend, maar op eenmaal viel hij er languit op neer en schreeuwde: „Ons geld is gestolen! Ons geld is weg!”„Hebt gij het niet al in den zak gestoken?” vroeg Geleyn, die niet minder schrikte.„Neen,” zei Michiel.Nu had Jan een groot gebrek en dat was om, als hij erg bedroefd was, te gaan lachen. Michiel en Geleyn dachten daaraan niet, en toen Jan zoo lachte, riepen ze beiden te gelijk: „Leelijke sausneger, is ons dat laten schrikken! Komaan, geef op den doek!”Maar toen kwam het uit, dat Jan niet lachte van pret, maar van schrik en verdriet.„Ikke niet heb! Ikke niet heb! Jij voel maar overal in het zak. Wee, wee, die geld weg, heelemaal weg! Ikke gestolen niet heb! Wij maar verdrink moet alle drie!”Eindelijk kwam op het rumoer de slaapsteêhouder toeschieten, doch daar hij geen woord van hen verstond en de vischboer het slaapgeld al betaald had, zoo joeg hij hen alle drie de deur uit.De vischboer was gauw gevonden, doch deze was niet thuis, en zijne vrouw wilde niemendal met drie zulke vieze, verscheurde en magere landloopers te doen hebben. Zij schold hen letterlijk de straat uit.Opnieuw nam de bedeltocht nu weer eenen aanvang, doch er was ruzie onder de drie ontstaan. Geleyn verweet Michiel, dat die, met overall haantje de voorste te spelen,oorzaak was van het stelen van het geld, en Michiel, die dat niet verdragen kon, liet nu Geleyn maar voor alles zorgen, en het gevolg hiervan was, dat ze meer slagen, stompen en scheldwoorden dan eten, drinken en onderkomen vonden, zoodat Geleyn eindelijk inzag, dat hij verkeerd gedaan had met Michiel verwijten te doen, vergiffenis vroeg en het bestuur over den tocht opnieuw aan Michiel overliet.Gelukkig kwamen ze nu aan de Vlaamsche grenzen en konden ze zich doen verstaan. De menschen betoonden hier en daar hun medelijden, en zoo kwamen eindelijk onze drie zwervelingen, na eenen tocht van bijna vijf maanden te Breskens aan, waar ze zich bij gelegenheid door eenen garnalen-schipper, die Geleyn kende, lieten overzetten.Deze jongens waren voorloopig de eenigen, die van de „Lijnbaan” in Vlissingen kwamen, en de Heeren Lampsens zagen verwonderd op, dat er eindelijk toch nog drie waren, die konden vertellen hoe ellendig het met hun schip en met al de opvarenden afgeloopen was.„Dat is een tochtje van belang geweest, jongens! Ge zijt juist op den kop acht maanden afwezig gebleven. Wij dachten allen, dat de „Lijnbaan” met man en muis vergaan was. Uwe familie is al in den rouw, en uwe Moeder, Michiel, is er niet te best aan toe. Ik zou u althans aanraden, niet dadelijk naar huis te gaan. Ik zal uwen Vader laten komen! En hier, hier is uw loon, jongens, zoo goed en zooveel, hoor, alsof ge acht maanden voor ons op reis waart geweest. En dit hebt ge nog op den koop toe!”Heer Cornelis betaalde ieder uit, en gaf nog, als eene kleine vergoeding voor alles, wat ze op den langen zwerftocht doorstaan hadden, ieder vier Zeeuwsche rijksdaalders.Maar het gerucht van de terugkomst van drie jongens van de „Lijnbaan” liep spoedig door heel de stad, en bereikte ook het kleine huisje van Adriaen.Moeder Alida zat met eenen opgeslagen Bijbel voor zichaan tafel, toen Alida binnenstormde en uitriep: „Moeder, Moeder, onze Michiel is terug!”Alida Jans keek op.Och, och, wat zag die vrouw er uit! Wat waren die oogen groot, en diep in het hoofd gezonken! Wat waren die wangen mager! Wat kon men zien, dat ze bitter en bitter moest geleden hebben!„Kind,” riep ze, terwijl ze zich aan de tafel vasthield om niet achterover te vallen, „kind, kind, het kan niet waar zijn! Zes maanden geleden heb ik hem immers uit zijn bed hooren stappen, duidelijk, Alida, duidelijk; want ik lag helder wakker en dacht aan mijnen jongen. En na dien tijd, hebben we immers niets meer van hem gehoord? Neen, Alida, Michiel zie ik hier op aarde niet meer. Strakjes boven, boven! Wie uit zijn bed stapt, als hij niet thuis is, komt op aarde niet meer terug. Hij is dood.”1„Maar, Moeder, het is toch stellig waar, dat Michiel, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie in de stad zijn. Wacht, daar komt Dirk aanloopen!”„Moeder, Moeder, Michiel is terug!” riep Dirk, toen hij nog niet eens in huis was.„Dan toch waar, toch waar? Heere, mijn God, hoe zal ik U loven en danken? U danken, dat ik mijnen jongennog zal kunnen zien, eer mijn aardsche huis afgebroken wordt!” stamelde Moeder Alida.Daar kwam de Heer Lampsens aan. Hij wilde de goede vrouw voorbereiden op het heugelijke bericht, doch zoodra ze hem zag, riep ze: „Sinjeur, Sinjeur,ishet waar,ishet waar, dat mijn jongen thuis is?”Eenigszins verrast door die vraag, gaf de Heer Lampsens niet dadelijk antwoord, doch toen de goede vrouw bewijzen gaf, dat zij meende, dat hare kinderen haar om den tuin geleid hadden, zei hij: „Ja, goede ziel, Michiel, is thuis! Ik zal hem roepen; hij staat....”„Moedertje, lief Moedertje, goed Moedertje, best Moedertje!” schreeuwde Michiel, en vloog door de geopende deur zijne arme Moeder om den hals.Hij zag niet dat ze zoo bleek en zoo mager was. Hij zag alleen, die groote, blauwe oogen! Hij voelde alleen die hartelijke omhelzing en die brandende kussen, en geene andere woorden had hij dan: „Goed, lief, best Moedertje! Mijn, mijn eigen Moedertje! Hier ben ik! Hier!”Het werd den braven Cornelis Lampsens te eng in dat woonvertrek van die eenvoudige menschen. Hij liep naar buiten en zoo snel hij kon naar zijn kantoor, waar hij voorover op zijnen lessenaar viel.„Wat scheelt er aan, Cornelis?” vroeg zijn broeder Adriaen, die niet zoo gauw de kluts kwijt was.„Zoo iets wil ik nooit meer zien, neen, nooit meer! Het was hartverscheurend!” antwoordde Cornelis en deed zijnen broeder verslag van de ontmoeting tusschen Moeder Alida en haren Michiel.Vier weken later was Michiel aanboord van de „Vlissingen”. Hij ging naar de Oost-Indiën, en liet daar zijnen vriend Jan Kompanjie, die op een ander schip overging, achter.Zijne terugreis was nu zeer voorspoedig.Anderhalf jaar later kwam hij als Stuurman terug daar de derde Stuurman weggeloopen was.Michiel vond Vlissingen niets veranderd, niets!Maar Moeder Alida’s stoel stond ledig.De tering had de arme vrouw weggerukt.En des avonds vond men op een der graven, buiten de kerk, een jonkman geknield, bitter schreiende en fluisterende: „Wel te rusten, lieve, goede, trouwe Moeder! Wel te rusten! Tot hier namaals!”Terwijl hij daar op de groeve lag kwam Maria Velders een rozenpotje op het graf van hare oude vriendin brengen.Zij gingen samen naar huis die twee en—werden later een paar.
Vol hoop en moed dat ze wel ergens op de Fransche kust terecht komen of misschien een Engelsch, Hollandsch of Fransch schip ontmoeten zouden, lieten ze zich door de eb maar verder in zee drijven, en toen deze niet meer ging en de vloed weer doorbrak, roeiden ze er op goed geluk tegen in.
Eerst toen de dag begon aan te breken, waren zij meer gerust. Ze waren in volle zee. Waar nu heen?
Michiel keek naar de opkomende zon en zei: „Als we nu maar in die richting roeien, krijgen we de Fransche kust!”
Hongerig, dorstig, koud en moede, als ze waren, ging het roeien van Jan en Michiel,—Geleyn zat aan het roer,—niet heel vlug.
„Wij komen er vandaag nog niet!” zei Geleyn met eenen diepen zucht en het scheen dat hij op het punt stond den moed op te geven.
„Jawel,” riep Michiel, „ik voel dat de vloed op komt zetten. Die zal ons helpen. En de wind ook. Hij is pal zuidwest. Waar ergens aan de kust van Frankrijk we zullen komen, weet ik niet, maar onder deBiscayersvast niet!”
Zoo ging het wel twee uren voort. De man aan het roer werd telkens afgewisseld.
Nu zat Michiel er aan, en dat mocht ook wel, want hij had drie uur aan een stuk stevig doorgetrokken.
„Land,” riep hij eensklaps. „Ik zie land, en ik wed dat we het eiland Ré of Oléron krijgen. Ik zie torens ook. Wie weet of we het groote meevallertje niet hebben te La Rochelle aan te komen.”
Het kwam op Michiels zeggen uit, meende men. Dwars tusschen de eilanden Ré en Oléron kwamen ze tegen denavond zoogenaamd te La Rochelle aan. Ze hadden in een etmaal eenen ontzettenden afstand afgelegd; maar waren ook met reuzenkrachten geholpen door eb en vloed.
„Wat is La Rochelle klein!” zei Geleyn. „Ik dacht, dat het eene groote stad was, vol leven en beweging.”
„Ik ook,” sprak Michiel. „Mis hebben kan ik toch niet!”
„Daar bakkers wonen? Ik brooden koop!” riep Jan. „Ik honger, veel honger hebben.”
„Eerst maar geld hebben,” merkte Michiel aan. „Ik heb niemendal uit te geven, want ik ben platzak.”
„Ik heb nog eenen zilveren duit,” zei Geleyn. „Het is niet veel, maar toch altijd wat!”
Ze kwamen in eene modderige haven aan, waar een man stond te visschen.
„La Rochelle lá?” vroeg Michiel, op zijne manier het beste Fransch uitpakkende.
„La Rochelle?” vroeg de man, vol verbazing, en antwoordde: „Non! Arcachon, mes enfants!”
Michiel had zich dus bedrogen.
De kust, die hier vol kreken was, had hem twee landtongen, die boven den lagen oever uitstaken, voor twee eilanden doen aanzien, en in de meening doen verkeeren, dat hij La Rochelle voor zich had. En nu was hij in eene stad, veel verder ten zuiden aangekomen.
Onderwijl ze moeite deden, op een geschikt punt te landen, vroeg hun de Franschman aan den oever wat.
Geen der drie jongens verstond hem en Michiel antwoordde op goed geluk: „Nous sommesof Flushing!” Hij smeet zoo wat Engelsch en Fransch door elkander, dat ziet ge, doch gij begrijpt, dat hij wilde zeggen: „Wij zijn van Vlissingen!”
De visscher wist misschien evenveel van de bergen op de maan, als van Vlissingen, en dacht, dat ze van hun schip gekomen waren om een en ander te Arcachon te koopen. Hij zeide daarom: „Oui, mes enfants! Tout abondeen notre ville!” dat is: „Ja, mijne kinderen, alles is in overvloed in onze stad.”
„Och, die man spreekt geen Fransch,” zei Michiel, doch toen ze aangekomen waren, vroeg hij hem toch: „Voulez vous vendre notre-notre-boot-boot-, Geleyn wat is boot, schuit of sloep in het Fransch?”
Geleyn haalde de schouders op en zei: „Weet ik het? Ik kan geen Fransch spreken.”
De visscher had Michiel eerst aangehoord, doch toen deze het woord tot Geleyn richtte, keerde hij zich om en wierp zijn net uit.
„Wacht, nu weet ik het,” riep Michiel en den Franschen visscher aanstootende, zei hij nogmaals: „Voulez-vous vendre notre bateau?”
Dat verstond de visscher wel, en begrijpende, dat zij hem toch niet zouden verstaan, haalde hij vijf kleine zilveren geldstukjes uit den zak en liet die Michiel zien.
„Beter wat dan niemendal,” dacht Michiel en zei: „Oui, voilà la bateau! Santé avec-avec lehebbeding! Je verstaat me toch niet! Ik weet niet welke landsman je bent!”
De jongens gingen nu, na hunne roeiboot voor eenen appel en een ei verkocht te hebben, naar het stadje, dat voor hen lag, en zagen niet hoe de visscher van blijdschap in de handen wreef, nu hij voor zulk een beetje geld, eene bijna spiksplinternieuwe roeiboot gekocht had.
„Dat is me hier toch even een modderland!” zei Geleyn, die weldra tot over de voeten in het slijk liep.
„O, dat wat is?” riep eensklaps Jan hevig schrikkende door een leelijk, hard en zonderling geluid.
Michiel en Geleyn schrikten niet minder en stonden in twijfel of ze niet zouden terugkeeren en den visscher vragen, hoe ze toch loopen moesten om te Arcachon te komen.
„Hoe!” schreeuwde Jan nu, en lag, pardoes, lang uit in de modder te spartelen, als eene schol, die zoo uit het water in de boot komt.
De leelijke schreeuwer van zoo even, schreeuwde nu bijna vlak voor zijne voeten en vloog, vreeselijk akelige geluiden makende, op.
„Het is een roerdomp,” zei Geleyn. „Die dieren leven hier veel, naar het schijnt! Kijk, als ge maar goed tusschen het riet loert, ziet ge er nog veel meer.”
„Neen maar, zeg, kijk eens,” riep Michiel op eens.
„Waar?” vroegen Geleyn en Jan tegelijk.
„Wel daar,” antwoordde Michiel, en wees niet verre van zich af naar eene kleine hoogte, die met brem en bruin mos was bedekt, en waarop ook eenige lage dennenboomen zich verhieven.
Nu zagen Geleyn en Jan ook twee mannen, eene vrouw en drie jongens aan den kant der hoogte zitten. Zij hielden hunnen maaltijd, die uit grof, zwart brood bestond, en nu en dan namen ze eene teug uit eene groote kruik. Maar dit alles was nu zoo zeldzaam niet. Dat, wat Michiel deed uitroepen: „Neen maar, zeg, kijk eens!” was dat ze allen hooge stelten onder de voeten hadden.
„Menschen en vogels doen hier al even raar,” zeide Geleyn. „Welke lui zijn dat toch, die daar zitten?”
„Zeker een gezelschap reizende kunstenmakers! Maar dan zijn ze hier al in eene vreemde streek om wat te verdienen,” meende Michiel.
Pas had hij dat evenwel gezegd, of ze zagen den visscher aan wien ze hunne roeiboot verkocht hadden, ook op stelten aankomen.
Het was een vreemd gezicht, zoo hoog in de lucht een man te zien, die zijn kruisnet over de schouders droeg en eenen vischzak op zijde had hangen.
Jan Kompanjie was van verbazing bijna, alsof het hem in het hoofd haperde, en riep maar: „Hij ooievaar, hij ooievaar, allemaal ooievaar! Hi-hi!”
„Nu begrijp ik het al,” zei Geleyn. „Dat zijn geene kunstenmakers: maar om niet zoo door de modder temoeten ploeteren in dit slijkland, loopen de menschen hier allemaal op stelten. Kijk maar, ginder ver loopen er nog!”
Dit begreep Michiel ook; en nu zijne grootste verwondering over was, dacht hij er aan om dien menschen te vragen of ze voor hen niet wat te eten en te drinken hadden.
Zoo goed en kwaad dit kon, ging hij er heen, en de beweging van eten makende, wees hij op een brood, en liet hun tegelijkertijd een der geldstukjes zien, die hij voor de roeiboot ontvangen had.
De oudste van de mannen beproefde een gesprek met hem te beginnen, doch merkte weldra dat hiervan niemendal komen kon, en reikte hem het bruine brood over, doch stak tegelijkertijd het geldstukje in den zak.
Thans keerde Michiel tot zijne twee vrienden terug, deelde het brood in drie gelijke deelen, en terwijl ze hunnen weg naar Arcachon vervolgden, aten ze het met smaak op. Lekker was het niet, maar honger weet weinig van lekker af.
Eindelijk kwamen ze in de stad aan, doch vonden hier ook al niet veel troost.
Zij kochten wat bier en kregen wat zuren landwijn te drinken. De menschen verstonden hen niet. Alleen een slager kon hun leverworst geven, daar Michiel die aanwees. Ook wees deze hen, op Geleyns vraag: „Paris?” naar het noordoosten, en daarheen zou het nu gaan.
Het was me het tochtje wel!
Nu eens kwamen ze aan breede rivieren en dan voor bergen, die ze niet wisten over te komen en dan maar liepen, tot ze een soort van doorgang vonden, gevormd door kloven en ravijnen.
Bedelende van huis tot huis, op het laatst zonder schoenen aan de voeten, en ieder met eene vijgenmat op het hoofd, ging het al maar verder. Nu eens sliepen ze in eene schuur, dan in eenen hoop hooi op het veld, soms zelfszoo maar aan den kant van den weg onder eenen boom op het gras. Het was een tocht vol ellende en ontberingen.
„Paris?” vroegen ze maar.
„Voilà,” zeide men, en wees dan de richting aan waarin de stad lag waar ze hoopten toch wel éénen Hollander te vinden, die hen helpen wilde om verder te komen.
Hoe menigmaal stond Michiel op het punt den legpenning, den Gelderschen rijder, dien buurman Engels hem gegeven had, in te wisselen; maar telkens, als hij daartoe besloten had, en reeds gereed stond hem van de borst te halen, trok hij de hand terug en fluisterde: „Laat ik nog eenen dag wachten!” Dat zei hij evenwel iederen keer—de Geldersche rijder kwam niet van de borst af.
Na zoo bijna drie maanden lang gezworven te hebben, kwamen ze eindelijk op een dorpje waar ze weer van huis tot huis brood en wat drinken bedelden. Aan het einde van het dorpje stond de kerk, en daarbij lag de pastorie. Vóór de pastorie lag een lief tuintje met vruchtboomen. Een Geestelijke wandelde erin, plukte eene perzik en at ze op.
Michielwatertanddeervan; hij bleef staan en stamelde: „Monsieur, bon monsieur!”
Ze troffen het bijzonder. Die Geestelijke was een ware Sinterklaas. Hij naderde de heining, die den tuin van den landweg scheidde, en vroeg: „Venez-vous de Paris?”
Zooveel Fransch hadden Geleyn en Michiel onderweg wel al geleerd, dat ze begrepen, dat de Geestelijke vroeg: „Komt ge van Parijs?”
„Non, monsieur! Moikom- kom- vanla ville Arcachon!” zeide Geleyn.
„Quoi!” riep de Geestelijke. „Quoi, d’Arcachon? C’est impossible! Impossible!” („Wat? Van Arcachon? Dat is onmogelijk! Onmogelijk!”)
Michiel begreep er zoo wat van en kreeg opeens de gedachte om door teekenen te kennen te geven, dat ze doorBiscayers gevangen genomen waren, maar dat ze in een roeibootje hadden weten te ontsnappen.
„Kom hier, Jan!” riep hij.
Jan naderde.
„Geef me uwe beide handen!” beval Michiel.
Hoewel Jan niet begreep wat er gebeuren moest, stak hij toch de handen uit.
„Ik zal probeeren, dien goeden Pastoor aan te toonen, hoe we door de Biscayers gevangen genomen zijn, en hoe we in een roeibootje zijn ontsnapt.”Michiel bond met eenen doek Jans handen vast.
„Monsieur,” zei hij op Jan wijzende, „Hollandais! Moi Hollandais, et Geleyn aussi Hollandais!”
De Geestelijke lachte.
Toen nam Michiel den doornstok, dien hij onderweg mee genomen had, en begon te doen, alsof hij sloeg.
„Biscayer, monsieur, un pirate!”—(„Biscayer, mijnheer, een zeeroover!”) sprak Michiel weer, den Geestelijke aanziende, en tegelijkertijd hem de wonde in den arm aanwijzende, die nog niet geheel genezen was. De Pastoor knikte, dat zeker zooveel wilde zeggen, als: „Ik begrijp u een weinig!”
Toen wees Michiel op Jan, op Geleyn en op zichzelven en hield de handen, alsof ze geboeid waren, en Geleyn, die zeer goed begreep, wat Michiel bedoelde, hield de handen ook zoo.
„Prisonniers, monsieur, prisonniers, Jean, Geleyn et moi!” („Gevangenen, mijnheer, gevangenen, Jan, Geleyn en ik!”) sprak Michiel.
En weer knikte de Geestelijke. Het werd hem allengs duidelijker wat de jongens bedoelden met hun gebarenspel en geradbraakt Fransch.
„Doet nu eens, alsof ge de boeien verbreekt, gaat dan dadelijk achter me zitten, doet alsof ge roeit en roep dan:Libre, libre, bateau, Arcachon,” zeide Michiel.
„Als de goede man dat niet begrijpt, dan weet ik het niet meer!” sprak Geleyn, en op het „Los!” van Michiel, lieten ze alle drie de handen vrij, gingen achter elkander op den grond zitten en begonnen met hunne doornstokken in het zand te roeien.
„Libre!Vrij!Bateau! Arcachon!” riep Michiel, hierin trouw door Jan en Geleyn geholpen.
Intusschen waren er meer menschen bij hen gekomen, en lachten zoo luid ze konden om de grappen der drie bedelknapen, die nog maar altijd roeiden.
„Riemen in!” beval Michiel.
Jan en Geleyn hielden op met roeien.
„De boot uit!” klonk alweer een ander bevel en het voorbeeld van hunnen makker volgende, sprongen Jan en Geleyn ook op.
„Libre! Libre!Vrij!Voici, Arcachon!” riep Michiel.
Thans was het den Geestelijke volkomen duidelijk wat er met de drie knapen gebeurd was. Hij nam Jans vijgenmat van het hoofd, wierp er een stuk zilvergeld in en nadat hij aan de omstanders verteld had, wat er met die drie Hollandsche knapen gebeurd was, ging hij met de vijgenmat rond en ieder volgde het voorbeeld van den goede Geestelijke, en wierp er in, wat hij missen kon.
Stom van verbazing zag Michiel dat een oogenblik aan, doch eindelijk zijn gevoel niet meer meester, sprong hij op, omvatte de handen van den braven Geestelijke en stamelde, terwijl hem de tranen uit de oogen stroomden: „God de Heere zegene U!”
Of de Pastoor dat verstond?
Al had Michiel niets gezegd, de Geestelijke zou hem begrepen hebben. Hij drukte den knaap de hand en zeide bewogen: „Mes pauvres garçons!”
Hierop zeide hij nog wat tot eenen der omstanders en deze knikte de jongens vriendelijk toe, waarop hij heenging.
Ook de mannen, vrouwen en kinderen verstrooiden zich,zoodat onze drie knapen met den Geestelijke alleen bleven.
Deze nam hen met zich in huis en liet hun eenen stevigen maaltijd en water en wijn voorzetten.
Wat de jongens hun best deden!
Het eenige wat den Pastoor niet scheen te bevallen was, dat ze geen van drieën Roomsch waren; want eer ze gingen eten, baden ze wel, doch maakten geen kruis.
Dat speet den goeden man zeker wel, doch het veranderde niemendal in de plannen van zijn edel hart, en toen de jongens genoeg gegeten hadden, kregen ze ieder nog een paar boterhammen met vleesch mede. Hij bracht ze door den tuin naar den landweg, plukte voor ieder hunner eene heerlijke perzik en op eene kar, die voor het hek stond, wijzend, zei hij: „Adieu, mes enfants! Dieu vous soit en aide!” („Vaarwel, mijne kinderen! God helpe u!”)
Nogmaals dankten met tranen in de oogen de drie jongens den braven man, kropen op de kar in het stroo, en zagen, dat de voerman de persoon was, die door den Pastoor was toegesproken, en die zich daarop verwijderd had.
Tegen den avond kwamen zij in eene schoone buurt.
Het was eene der voorsteden van Parijs.
De voerman hield bij de poort op en zich beleefd tot eenen voorbijganger wendend, vroeg hij of hij hier in den omtrek geene Hollandsche familie wist te wonen.
De heer zeide van ja en wees een klein vischwinkeltje aan.
De voerman bedankte, reed tot bij het aangeduide winkeltje en vroeg daar of hier Hollanders woonden.
„Jawel,” zeide de man, die onder zijne luifel bij eenige tonnetjes Hollandschen haring stond, „ik ben een Hollander. Waarom vraagt ge dat?” Hij sprak natuurlijk Fransch. Iemand, die in Parijs zaken wil doen, komt daar met zijn Hollandsch niet terecht.
De voerman vertelde hierop wie daar op zijne kar zaten, en nauwelijks had de vischhandelaar gehoord, wat er met hen zoo al gebeurd was, of hij zei: „Welkom in Parijs,jongens! Gij hebt me dan zoo even een aardig reisje achter den rug! Komt maar van de kar af!”
Het was Michiel, Geleyn en Jan, alsof ze op eens een millioen gulden rijk geworden waren, zoo verheugden ze zich, eindelijk weer eens de Hollandsche taal te hooren. Ze sprongen van de kar af en zouden van blijdschap vergeten hebben den voerman te bedanken, als de vischboer niet gezegd had: „Nu, moet die man niet bedankt worden, jongens? Hij heeft wel een hartelijk bedankje verdiend, zou ik zoo meenen.”
Zij drukten hem hierop vriendelijk lachend de hand, en nadat de vischboer hem een paar haringen en eene groote gedroogde schol ten geschenke gegeven had, reed hij heen.
De vischhandelaar was een vriendelijk man en wilde de jongens gaarne des nachts houden; maar toen zijne vrouw hen zag, wilde ze zulke vuile landloopers niet over haren dorpel hebben, en ze wist het zoover te krijgen, dat haar man er eindelijk in toestemde, hen in eene achterbuurt, bij eenen slaapsteêhouder, te krijgen.
„En nu zullen we morgen toch voor al het geld, dat we hebben, eens schoenen en wat betere kleederen koopen,” sprak Michiel, en legde het geld in eenen doek geknoopt onder zijn vuil en versleten matras.
Geleyn en Jan vonden dat goed en sliepen weldra in.
Maar een kerel, die daar in hunne buurt lag, een echt gemeene, Parijsche bedelaar, had gezien en ook gehoord wat Michiel daar onder zijn matras stopte, en toen de heele bende sliep,—ze lagen misschien wel met hun twintigen in die zaal, sloop hij naar Michiels matras, stak de hand er onder, grinnikte van blijdschap, haalde de hand weer terug, ging naar zijn eigen matras, sliep daar tot de schemering aanbrak, en maakte zich van den schat der arme jongens meester.
Met welk een vroolijk gevoel werden ze den volgenden morgen wakker!
Ze hadden lang, heel lang geslapen. Er was niemand van de logeergasten meer te zien.
„Komt, Jan en Geleyn, ons nu gauw aangekleed en gewasschen, en dan naar den vischboer, die zal ons wel zeggen waar ergens eene uitdragerij is!”
Vroolijk kleedden de knapen zich aan, hadden onder het wasschen veel pret en waren eindelijk klaar.
„En nu nog het beste van alles,” riep Michiel, de matras oplichtend, maar op eenmaal viel hij er languit op neer en schreeuwde: „Ons geld is gestolen! Ons geld is weg!”
„Hebt gij het niet al in den zak gestoken?” vroeg Geleyn, die niet minder schrikte.
„Neen,” zei Michiel.
Nu had Jan een groot gebrek en dat was om, als hij erg bedroefd was, te gaan lachen. Michiel en Geleyn dachten daaraan niet, en toen Jan zoo lachte, riepen ze beiden te gelijk: „Leelijke sausneger, is ons dat laten schrikken! Komaan, geef op den doek!”
Maar toen kwam het uit, dat Jan niet lachte van pret, maar van schrik en verdriet.
„Ikke niet heb! Ikke niet heb! Jij voel maar overal in het zak. Wee, wee, die geld weg, heelemaal weg! Ikke gestolen niet heb! Wij maar verdrink moet alle drie!”
Eindelijk kwam op het rumoer de slaapsteêhouder toeschieten, doch daar hij geen woord van hen verstond en de vischboer het slaapgeld al betaald had, zoo joeg hij hen alle drie de deur uit.
De vischboer was gauw gevonden, doch deze was niet thuis, en zijne vrouw wilde niemendal met drie zulke vieze, verscheurde en magere landloopers te doen hebben. Zij schold hen letterlijk de straat uit.
Opnieuw nam de bedeltocht nu weer eenen aanvang, doch er was ruzie onder de drie ontstaan. Geleyn verweet Michiel, dat die, met overall haantje de voorste te spelen,oorzaak was van het stelen van het geld, en Michiel, die dat niet verdragen kon, liet nu Geleyn maar voor alles zorgen, en het gevolg hiervan was, dat ze meer slagen, stompen en scheldwoorden dan eten, drinken en onderkomen vonden, zoodat Geleyn eindelijk inzag, dat hij verkeerd gedaan had met Michiel verwijten te doen, vergiffenis vroeg en het bestuur over den tocht opnieuw aan Michiel overliet.
Gelukkig kwamen ze nu aan de Vlaamsche grenzen en konden ze zich doen verstaan. De menschen betoonden hier en daar hun medelijden, en zoo kwamen eindelijk onze drie zwervelingen, na eenen tocht van bijna vijf maanden te Breskens aan, waar ze zich bij gelegenheid door eenen garnalen-schipper, die Geleyn kende, lieten overzetten.
Deze jongens waren voorloopig de eenigen, die van de „Lijnbaan” in Vlissingen kwamen, en de Heeren Lampsens zagen verwonderd op, dat er eindelijk toch nog drie waren, die konden vertellen hoe ellendig het met hun schip en met al de opvarenden afgeloopen was.
„Dat is een tochtje van belang geweest, jongens! Ge zijt juist op den kop acht maanden afwezig gebleven. Wij dachten allen, dat de „Lijnbaan” met man en muis vergaan was. Uwe familie is al in den rouw, en uwe Moeder, Michiel, is er niet te best aan toe. Ik zou u althans aanraden, niet dadelijk naar huis te gaan. Ik zal uwen Vader laten komen! En hier, hier is uw loon, jongens, zoo goed en zooveel, hoor, alsof ge acht maanden voor ons op reis waart geweest. En dit hebt ge nog op den koop toe!”
Heer Cornelis betaalde ieder uit, en gaf nog, als eene kleine vergoeding voor alles, wat ze op den langen zwerftocht doorstaan hadden, ieder vier Zeeuwsche rijksdaalders.
Maar het gerucht van de terugkomst van drie jongens van de „Lijnbaan” liep spoedig door heel de stad, en bereikte ook het kleine huisje van Adriaen.
Moeder Alida zat met eenen opgeslagen Bijbel voor zichaan tafel, toen Alida binnenstormde en uitriep: „Moeder, Moeder, onze Michiel is terug!”
Alida Jans keek op.
Och, och, wat zag die vrouw er uit! Wat waren die oogen groot, en diep in het hoofd gezonken! Wat waren die wangen mager! Wat kon men zien, dat ze bitter en bitter moest geleden hebben!
„Kind,” riep ze, terwijl ze zich aan de tafel vasthield om niet achterover te vallen, „kind, kind, het kan niet waar zijn! Zes maanden geleden heb ik hem immers uit zijn bed hooren stappen, duidelijk, Alida, duidelijk; want ik lag helder wakker en dacht aan mijnen jongen. En na dien tijd, hebben we immers niets meer van hem gehoord? Neen, Alida, Michiel zie ik hier op aarde niet meer. Strakjes boven, boven! Wie uit zijn bed stapt, als hij niet thuis is, komt op aarde niet meer terug. Hij is dood.”1
„Maar, Moeder, het is toch stellig waar, dat Michiel, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie in de stad zijn. Wacht, daar komt Dirk aanloopen!”
„Moeder, Moeder, Michiel is terug!” riep Dirk, toen hij nog niet eens in huis was.
„Dan toch waar, toch waar? Heere, mijn God, hoe zal ik U loven en danken? U danken, dat ik mijnen jongennog zal kunnen zien, eer mijn aardsche huis afgebroken wordt!” stamelde Moeder Alida.
Daar kwam de Heer Lampsens aan. Hij wilde de goede vrouw voorbereiden op het heugelijke bericht, doch zoodra ze hem zag, riep ze: „Sinjeur, Sinjeur,ishet waar,ishet waar, dat mijn jongen thuis is?”
Eenigszins verrast door die vraag, gaf de Heer Lampsens niet dadelijk antwoord, doch toen de goede vrouw bewijzen gaf, dat zij meende, dat hare kinderen haar om den tuin geleid hadden, zei hij: „Ja, goede ziel, Michiel, is thuis! Ik zal hem roepen; hij staat....”
„Moedertje, lief Moedertje, goed Moedertje, best Moedertje!” schreeuwde Michiel, en vloog door de geopende deur zijne arme Moeder om den hals.
Hij zag niet dat ze zoo bleek en zoo mager was. Hij zag alleen, die groote, blauwe oogen! Hij voelde alleen die hartelijke omhelzing en die brandende kussen, en geene andere woorden had hij dan: „Goed, lief, best Moedertje! Mijn, mijn eigen Moedertje! Hier ben ik! Hier!”
Het werd den braven Cornelis Lampsens te eng in dat woonvertrek van die eenvoudige menschen. Hij liep naar buiten en zoo snel hij kon naar zijn kantoor, waar hij voorover op zijnen lessenaar viel.
„Wat scheelt er aan, Cornelis?” vroeg zijn broeder Adriaen, die niet zoo gauw de kluts kwijt was.
„Zoo iets wil ik nooit meer zien, neen, nooit meer! Het was hartverscheurend!” antwoordde Cornelis en deed zijnen broeder verslag van de ontmoeting tusschen Moeder Alida en haren Michiel.
Vier weken later was Michiel aanboord van de „Vlissingen”. Hij ging naar de Oost-Indiën, en liet daar zijnen vriend Jan Kompanjie, die op een ander schip overging, achter.
Zijne terugreis was nu zeer voorspoedig.
Anderhalf jaar later kwam hij als Stuurman terug daar de derde Stuurman weggeloopen was.
Michiel vond Vlissingen niets veranderd, niets!
Maar Moeder Alida’s stoel stond ledig.
De tering had de arme vrouw weggerukt.
En des avonds vond men op een der graven, buiten de kerk, een jonkman geknield, bitter schreiende en fluisterende: „Wel te rusten, lieve, goede, trouwe Moeder! Wel te rusten! Tot hier namaals!”
Terwijl hij daar op de groeve lag kwam Maria Velders een rozenpotje op het graf van hare oude vriendin brengen.
Zij gingen samen naar huis die twee en—werden later een paar.
1In mijnen knapentijd hechtte men op het platteland van Walcheren zeer veel gewicht aan dat zoogenaamde „uit bed stappen” van eenen afwezende. Het was een bewijs, dat op hetzelfde oogenblik, hij of zij, die afwezig was, stierf, met eene laatste gedachte aan het vriendelijke, ouderlijke huis. Er waren toen nog veel meer van die bijgeloovigheden in omloop, o. a. ook van het slaan op, of het vallen van eenen spiegel. Een paardendokter, geen geëxamineerde, maar een, die de kunst van zijnen Vader, als het ware, overgeërfd had, heeft mij en mijnen makkers soms vreeselijke dingen verteld van zwarte vlaggen, noorderlicht, slagen op de spiegels, vallen van spiegels, uit bed stappen, geheimzinnige ontmoetingen, geklop op de deur midden in den nacht, enz. Het angstzweet brak ons bij die verhalen dikwijls uit, en toch waren wij altijd graag bij dien man, als hij aan zijne deur stond en tijd en lust had om ons, door zijne bijgeloovige verhalen, des nachts den slaap uit de oogen te jagen.↑
1In mijnen knapentijd hechtte men op het platteland van Walcheren zeer veel gewicht aan dat zoogenaamde „uit bed stappen” van eenen afwezende. Het was een bewijs, dat op hetzelfde oogenblik, hij of zij, die afwezig was, stierf, met eene laatste gedachte aan het vriendelijke, ouderlijke huis. Er waren toen nog veel meer van die bijgeloovigheden in omloop, o. a. ook van het slaan op, of het vallen van eenen spiegel. Een paardendokter, geen geëxamineerde, maar een, die de kunst van zijnen Vader, als het ware, overgeërfd had, heeft mij en mijnen makkers soms vreeselijke dingen verteld van zwarte vlaggen, noorderlicht, slagen op de spiegels, vallen van spiegels, uit bed stappen, geheimzinnige ontmoetingen, geklop op de deur midden in den nacht, enz. Het angstzweet brak ons bij die verhalen dikwijls uit, en toch waren wij altijd graag bij dien man, als hij aan zijne deur stond en tijd en lust had om ons, door zijne bijgeloovige verhalen, des nachts den slaap uit de oogen te jagen.↑
1In mijnen knapentijd hechtte men op het platteland van Walcheren zeer veel gewicht aan dat zoogenaamde „uit bed stappen” van eenen afwezende. Het was een bewijs, dat op hetzelfde oogenblik, hij of zij, die afwezig was, stierf, met eene laatste gedachte aan het vriendelijke, ouderlijke huis. Er waren toen nog veel meer van die bijgeloovigheden in omloop, o. a. ook van het slaan op, of het vallen van eenen spiegel. Een paardendokter, geen geëxamineerde, maar een, die de kunst van zijnen Vader, als het ware, overgeërfd had, heeft mij en mijnen makkers soms vreeselijke dingen verteld van zwarte vlaggen, noorderlicht, slagen op de spiegels, vallen van spiegels, uit bed stappen, geheimzinnige ontmoetingen, geklop op de deur midden in den nacht, enz. Het angstzweet brak ons bij die verhalen dikwijls uit, en toch waren wij altijd graag bij dien man, als hij aan zijne deur stond en tijd en lust had om ons, door zijne bijgeloovige verhalen, des nachts den slaap uit de oogen te jagen.↑