TWEEDE AFDEELING.Michiel Adriaensz. De Ruyter als man.EERSTE HOOFDSTUK.Bij den man in huis.We slaan nu maar ineens een groot aantal jaren over en doen, alsof het zoo maar ongemerkt Hooimaand van het jaar 1652 geworden is.Wij willen ons verbeelden te Vlissingen te zijn, te Vlissingen de geboorteplaats van zoovele Nederlandsche zeehelden, die Gewest en Vaderland zoo eerlijk en roemvol dienden.Sinds we hier het laatst waren is er nog al wat veranderd. Hier werd afgebroken, daar bijgebouwd. Vlissingen is sedert dien tijd grooter en bedrijviger geworden. Het is wel op verre na geen Middelburg, noch in schoonheid en regelmatigheid van aanleg, noch in rijkdom, maar toch wordt hier ook veel handel gedreven op Oost en West, en de meeste varensgezellen, die de koopvaarders der Middelburgsche reeders bemannen, wonen hier. Enkele Heeren, zooals Lampsens, vinden het zelfs verkieslijker hier dan in Middelburg te wonen. Hier vindt men ruime havens, die met kleine kosten op behoorlijke diepte kunnen gehouden worden, en hoewel de Middelburgsche haven, die bij het fort Rammekens in de Schelde loopt, Zeelands hoofdstadmet de zee verbindt, ondervinden de zwaar geladen schepen telkens, dat die haven, niettegenstaande de groote kosten, die er jaarlijks aan besteed worden, toch op den duur te veel verzandt en te weinig diepte heeft.Maar of men nu te Middelburg of te Vlissingen is, men vindt in geene van die twee plaatsen die woelige bedrijvigheid, die zoozeer het kenmerk is van handelssteden. Integendeel, de havens bevatten wel schepen, doch deze liggen, half afgetuigd aan den wal gemeerd, zoo rustig en stil, alsof ze wachten op iets, dat lang wegblijft en denkelijk vooreerst nog niet komen zal. Geen vroolijk zeemansliedje klinkt er aanboord, want er is geen volk op. De tamelijk breede en diepe kaden, waar men een paar jaren geleden de voeten niet zetten kon zonder gevaar te loopen tegen balen, kisten, pakken, zakken, manden, kabels, kettingen en duizenden dingen meer, te stooten, liggen nu geheel en al ledig. In de koopmanskantoren zitten boekhouders en klerken op hun stoeltje met den rug naar den lessenaar op hunne pennen te bijten.Alleen op de scheepstimmerwerven heerscht drukte. Men bouwt daar evenwel geene koopvaardij-schepen, maar oorlogsbodems en overal, waar men komt, hoort men van niets anders dan van zeegevechten, die door de onzen gevoerd worden, spreken. Die gesprekken houdt men met ernstig gelaat, en nergens wordt gejuich vernomen. Hieruit valt op te maken, dat het ons niet voor den wind gaat, en dat we den oorlog met nadeel en schade voeren.„Als schade maar niet met één lettertje meer ook schande wordt,” mompelt er een, en nauwelijks heeft hij dat gezegd, of van alle kanten hoort men op den Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp smalen.„Hij moet van zijn ambt ontzet worden!” roept er een.„Ra-vallen was stellig nog wel zoo goed!” schreeuwt een ander.„Wat heeft die kerel den oorlog te beginnen, als hij geenbeleid en dapperheid genoeg heeft dien te voeren?” laat een ander zich hooren.„Onze eigen schuld,” zegt een vierde, „waarom benoemen de Staten van Zeeland niet eenen eigen Bevelhebber der vloot? Hebben wij bij de zee niet evenveel belang als de Hollanders?”„Houd den mond, maat! Het ras der Vlissingsche Watergeuzen is uitgestorven. In heel Zeeland vindt men niets anders dan luie baliekluivers en onwijze landrotten, die van de zeevaart niets weten en geenen knip voor den neus waard zijn,” klinkt de stem van eenen matroos op schamperen toon, en als hij ziet, dat hij onder het volk een aandachtig gehoor vindt, vervolgt hij met nog veel meer bitters in zijne stem: „Holland alleen is knap voor zes, zoo meent het althans, en ringeloort daarom de zes andere gewesten zoo hard als het maar kan. Maar ik zeg, en wie spreekt het tegen: de Hollanders zijn koekbakkers en dukaten-tellers, die op éénen duit dood blijven.”Een algemeen gelach beantwoordt deze laatste woorden, doch één uit den hoop vindt dat toch te kras en zegt: „Hei, hei, dat is al te boud gesproken, kompeer! Ik geef toe, dat wij, Zeeuwen, heel weinig in de melk te brokken hebben, maar welk gewest zit niet onder de Hollandsche plak? Waar kraait de Hollandsche haan niet koning? Zoo was het lang geleden, zoo is het nu, zoo zal het blijven. Maar mannen, die dat kunnen en durven, zijn heel wat anders dan koekbakkers en dukaten-tellers; ze zijn mannen met haar op de tanden, dat zeg ik!”„Een gedeserteerde Zeeuw!” roept op dit oogenblik een der hoorders.De laatste spreker schudt het hoofd en vervolgt: „Neen, niet gedeserteerd, een Zeeuw van Ouder tot Ouder. Ik zeg de waarheid. De Hollanders zijn mannen, die durven, maar hun gevoel van overwicht en macht maakt hen onbillijk en onredelijk. Hun trots en hoogmoed gaan alle perkenen palen te buiten, en inplaats van ons als kinderen van één huis, als zonen van hetzelfde volk te beschouwen, doen ze met ons als met de Generaliteits-landen en zijn we in hun oog beweldadigden, door Holland beweldadigden, die dankbaar moeten zijn, dat dit machtige gewest ons wel als broeders wil erkennen. En ziet ge, dat is Hollands oneer, maar onze schande. Wij moeten ons niet laten ringelooren en toonen, dat wij niet onder, maar naast Holland staan. De Zeeuwen moeten over hunne eigen schepen van oorlog eenen eigen Admiraal hebben, die alweer niet staat onder, maar naast den Hollandschen Admiraal.”Dat was gesproken naar den mond der menigte, die deze woorden stormachtig toejuichte. Een echter, een man als een boom, een varensgezel, zeer gezien onder het volk, schudde het hoofd en zeide: „Geene twee groote masten op één schip of heel de boel gaat naar den kelder. Eén Hoofd moet er zijn, dat moet, of Engeland krijgt ons er heelemaal onder. Maar Holland moet zijne kleingeestigheid laten varen met steeds te willen, dat een Hollandsche Admiraal het opperbevel voert. Hadden we eenen Stadhouder dan was deze meteen Admiraal-Generaal. Nu hebben wij er geen en wil Holland in zijne plaats treden, dat is de heele zaak.”„En Holland scheept ons op met eenen Tromp, die wel oorlog weet te maken, doch die, als het er op aankomt niets anders weet dan zeeslagen te verliezen. Wij willen Tromp niet,” riep een burger uit den hoop.„Houd den mond daar, gij, landrot, en zwijg over Tromp, want dat is een man, zooals er maar weinigen zijn. Ik was er bij toen wij in het Kanaal kruisten om onze koopvaarders te beschermen met den dubbelzinnigen last door Tromp medegekregen, te zorgen dat onze Republiek door de Roôrokken....”„Zeg Koningsmoorders”, riep er een.„Goed, om te zorgen dat onze Republiek door de Koningsmoorders geene kleinigheid zou komen te lijden. En hoetergend voor elken zeeman van de Republiek het ook ware, reeds stond Tromp, toen hij de Engelschen ontmoette, gereed om de vlag als een teeken van onderdanigheid te strijken, toen Blake den dans begon met ons eenen kogel toe te zenden. Neen, niet Tromp alleen was het, die deze vijandelijke kogels beantwoordde. Het bloed van groot en klein kookte bij het zien van die beleediging, en ik geloof zelfs dat het bevel van Tromp niet afgewacht werd om ons allen naar de kanonnen te doen snellen om te toonen, dat we nog jongens van Duins waren. En wie de oorlog begonnen is? De koopman, die achter zijnen lessenaar, de uitgaven van de inkomsten aftrekt en steeds winst begeert, onverschillig of het zeevolk voor die winst alle eergevoel moet afleggen, hij is er de naaste oorzaak van. Is me dat eene vloot, die ze aan Tromp geven om oorlog te voeren! Alles is op een koopje ingericht, en er is zooveel eenheid, als in eene kudde wilde varkens. Een Stadhouder alleen....”„Weg met de Stadhouders! We kunnen onze eigen vensterruiten zeemen,” klonk eene ruwe stem.Die woorden brachten verdeeldheid onder de menigte, die, zooals dat altijd gaat, de tegenpartij met de meest ondoordachte woorden en eene veel te geringe kennis van zaken, instaat van beschuldiging stelt. De verstandigen hadden heel wat werks om de orde te handhaven en een bloedig burgergevecht te voorkomen.Wij maken ons ook uit de voeten, doch vragen toch: „Wat is er gaande?”Om die vraag te beantwoorden willen we even het boek van onze geschiedenis openslaan, doch om spoedig tot den held van ons verhaal terug te kunnen keeren, zullen we zoo kort mogelijk zijn.De Republiek der Vereenigde Nederlanden voerde oorlog met Engeland, dat in dien tijd ook eene soort van Republiek was. Aan het hoofd dier republiek stond Cromwell, een man, die bij vele ondeugden, ook heel veel deugden bezat,iets dat Vorsten en gewone burgers, die boven duizenden uitsteken, meest allen met elkander gemeen hebben. Die Cromwell nu, had getracht met de zeven gewesten onzer Unie een zeer nauw verbond te sluiten, doch dit was niet gelukt. De Engelsche gezanten, die dit verbond hadden moeten tot stand helpen brengen, keerden onverrichter zake naar Engeland terug. Kort hierop vaardigde Engeland de zoogenaamde „Acte van navigatie” of „Scheepvaart-wet” uit. Die Acte was voor de Nederlanders zeer nadeelig; want door die wet toch werd bepaald, dat vreemde schepen in Engeland geene andere waren mochten brengen, dan die genoemd konden worden: voortbrengselen van het land waar ze vandaan kwamen. Nu hadden de Nederlanders tot dat oogenblik de rijke voortbrengselen uit Oost- en West-Indië vrij en ongestoord in Engeland mogen brengen, en hiermede, dat spreekt vanzelf, aardig wat verdiend. Die verdiensten hielden nu op, en maakten dat Engeland won, wat wij verloren. Door dezen maatregel bevorderde Cromwell dus de scheepvaart van zijn eigen volk, en het nadeel, dat wij daardoor leden, heeft ons wel wat partijdig tegenover Cromwell gemaakt, en ons veel onwaars doen vertellen. Een nader onderzoek, vooral van den laatsten tijd, is oorzaak geweest, dat men dien man thans van veel voordeeliger zijde heeft leeren kennen.Dat wij bij die voor ons zoo nadeelige „Scheepvaartwet” niet stil bleven zitten, spreekt vanzelf, doch al onze pogingen leden schipbreuk. Een gezantschap, aan welks hoofd Jacob Cats stond, kon bij de Britsche regeering niets gedaan krijgen, en wij moesten ons de vernedering getroosten, Engelands heerschappij ter zee te erkennen, door heel beleefd de Engelsche vlag te groeten. Er kwam evenwel nog veel meer bij. Onze koopvaarders moesten zich onderwerpen, in volle zee zelfs, gevisiteerd te worden, en toen eenige Engelsche schepen van dat „zichzelven aangematigd recht” gebruik gemaakt, ja, eenige vaartuigen genomen hadden,werd Marten Harpertsz. Tromp met eene oorlogsvloot in zee gezonden om dit te beletten. Hij kreeg evenwel een streng bevel mede, de vijandelijkheden zooveel mogelijk te voorkomen.Zijnlast luidde als die, welken de Staten-Generaal aan alle Bevelhebbers medegaven:„Bejegenende eenige oorlochschepen van eenige Coningen, Princen, Potentaten ofte Republycken, met dezen Staet in alliantie ofte neutraliteyt synde, sullen deselve betoonen alle courtoisie ende vruntschap, sonder nochtans yetwes van deselve te gedogen, dat tot cleynachtinge ofte schade van desen Staet soude connen strecken.”Bij Tromps last werd nog gevoegd zich zoo te gedragen dat de Staat „geene kleinigheid” zou komen te lijden.Nu had Tromp, die in het Kanaal kruiste om onze koopvaardij-schepen tegen de grievende en willekeurige handelingen der Engelschen te beschermen, de Engelsche vloot onder Blake ontmoet. Dat hij zich gehaast heeft om door het strijken der vlag „alle courtoisie” te betoonen, geloof ik niet. Hoe toch konden wij de Engelschen beschouwen als vrienden of bondgenooten waar ze ons tergend en minachtend behandelden? Het gemoed van elken eerlijken zeeman, hij mocht Admiraal of Matroos zijn, kwam hiertegen in verzet. Toch begon Tromp gevolg te geven aan den last der Staten en liet op de beide marszeilen na, alle zeilen en den wimpel, die onder de zoogenaamde Prinsen- of Staten-vlag woei, innemen. Maar temidden van dat alles werden Tromp en de zijnen met kanonskogels der Engelschen begroet en een der kogels schoot eenen arm van eenen matroos weg. Tromp stond reeds gereed eene boodschap naar Blake te sturen om te vragen, waarom hij schoot, toen een Engelsche kogel zijn schip doorboorde. Nu meende hij aan zijnen last te kort te doen zoo hij het vijandelijke vuur niet beantwoordde en—de Eerste Engelsche oorlog, die ons op zoovele verliezen te staan zou komen, was begonnen. Tromp zeî, dat het de schuld van Blake, en Blake zeî, dat het de schuld vanTromp was, en alle onderhandelingen, die er gevoerd werden om den oorlog te voorkomen, waren vergeefsch. Wij werden telkens geslagen, en kwam dat ook, omdat de Engelsche vloot beter dan de onze was, het volk wilde het niet gelooven, en Marten Harpertsz. Tromp, de dappere Bevelhebber, werd instaat van beschuldiging gesteld, en voor eenigen tijd van zijne betrekking zoo goed als ontzet.Zoo staan de zaken, waar we ons in de Julimaand van 1652 te Vlissingen bevinden.Zonder ons nu langer door de luid gevoerde gesprekken der ontevredenen te laten ophouden, wandelen wij bedaard verder voort, en komen zoodoende weldra in eene buurt waar eenige kooplieden en vele rustende schippers wonen.Die ruste is evenwel bij velen gedwongen, we weten het.Enkelen slechts zijn er, die na jaren zwalkens en zwervens, voor goed den wal gekozen hebben. Eene der woningen waarin zulk een Schipper in vrijwillige ruste woont, treden wij binnen.Het ziet er wel niet heel rijk, maar toch deftig uit, en het is terstond te zien, dat hier iemand verblijf houdt, die het zeer goed doen kan, of die, zooals men dat ook wel eens zegt, zijne schaapjes op het droge heeft.De bewoner van dat huis, die Schipper in ruste, heet Michiel Adriaensz. De Ruyter, die nu voor de derde maal gehuwd is met Anna Van Gelder. Zijne eerste vrouw was Maria Velders, doch met deze mocht hij slechts tien maanden gelukkig leven. De dood, die niemand nog ontzien heeft, was ook ongevraagd, ongeweigerd, de woning van De Ruyter binnen getreden, toen deze nog als Stuurman voer. Zijne tweede vrouw was Cornelia Engels, die later, als zijne vrouw, de voeten nog aanbreide van de veel te groote kousen, die zij haren man gegeven had, toen deze als bootsmansleerling naar zee ging. Uit dit huwelijk had De Ruyter vier kinderen, namelijk Adriaen, die nu vijftien,—Cornelia, die dertien,—Alida, die tien en Engel, die drie jaren oud was.Zijne derde vrouw, Anna Van Gelder, was, toen zij met onzen Michiel in het huwelijk trad, de weduwe van Jan Paulusz., die ook als Schipper voor de Heeren Lampsens gevaren had, doch op zee gestorven was. Michiel en zijne vrouw hadden te zamen een aardig kapitaaltje bij elkander gebracht, groot genoeg om er in Vlissingen deftig en ruim van te kunnen leven, en daar Anna Van Gelder bevreesd was, ook eenmaal haren Michiel op zee door den dood te verliezen, zoo had ze hem weten te bewegen aanwal te blijven, iets waarnaar Michiel, hoe vreemd het ons ook moge klinken, wel ooren had.Voor de vier kinderen van hare oude vriendin Cornelia was Anna, die we nu maar Mevrouw De Ruyter zullen noemen, eene beste Moeder, die alles deed om de liefde van hare stiefkinderen te winnen en die daarin dan ook wonderwel slaagde.Waar op het oogenblik de kinderen zouden zijn?Wel, boven op de kinderkamer.Wij gaan er heen en vinden daar den driejarigen Engel, een allerliefst knaapje, op zijn stoeltje zittend en met zijn kopje op de tafel in slaap gedommeld. Het is hier zoo even warm ook.Maar Adriaen, Cornelia en Alida dan?Stil, ik hoor zoo wat daar in die zijkamer. Is dat de studeerkamer niet van den voormaligen Schipper Michiel Adriaensz. De Ruyter?Loop heen, de Schipper zou eene studeerkamer er op nahouden? Dat gelijkt nergens naar!Of hij dan nooit boeken over zeevaartkunde bestudeerd heeft, vraagt ge? Nu ja, wel enkele; maar we zijn niet in de negentiende eeuw, waarin de heele wereld wel bedekt kan worden met eenen stapel boeken, en waarin men niet meer Scheepskapitein worden kan zonder een examen gedaan te hebben. Er waren nog heel weinig boeken, en leeren, wel, dat deed de zeeman op zee, nergens anders! Dat heeftSchipper De Ruyter ook zoo gedaan. Het is dan ook niet zijne studeer-, maar zijne rariteiten-kamer.Wij treden binnen en vinden daar Adriaen, die eene groote verzameling papier voor zich heeft, waaruit hij een en ander vertelt aan Cornelia en Alida.Als hij een blad omslaat kunnen we zoo terloops lezen, dat er boven staat: „Journael ofte Daghboeck van Michiel Adriaensz. De Ruyter, voerende de „Zeehond” ende kruysende teghens die Duinkercker caepers in den jare onzes Heeren J. C. 1637.Eer we luisteren wat die knaap daar aan zijne zusjes vertelt, nemen we de kamer even op.Oost en West, Zuid en Noord zijn hier bij elkander. Al wat hij als Stuurman, of als Schipper in die verre landen vreemds vond, en dat mede genomen kon worden, nam hij mede naar huis en gaf het hier een plaatsje.Geen wonder dat het er bont genoeg uitziet.We vinden maar een stuk of wat boeken.Een er van is de groote scheepsbijbel, in folio formaat, en daarnaast ligt een kleiner. Het is die, welken hij van Dominé mede kreeg, toen hij voor het eerst naar zee ging. Het boek is druk gelezen, en als Schipper De Ruyter bij ons kwam en verzekerde, dat hij dat boek uit zijn hoofd kan opzeggen, dan zou het ons niemendal verwonderen.Verder vinden we gedichten van den Raadpensionaris Cats, die, hoewel hij reeds vijfenzeventig jaar oud is, nog altijd voortgaat op zijne buitenplaats Zorgvliet, even buiten Den Haag gelegen, gedichten te maken, welke alom zeer geprezen, en buitendien ook veel gelezen worden. En daar, op een vergeten plaatsje tusschen krissen, klewangs, kokosnotenschillen en andere dingen, ligt nog een boekske, getiteld: „Comoedia Vetus of Bootsmanspraetje.” Als ik het wèl heb, zult ge Schipper De Ruyter niet boos zien worden, als ge dit boekje steelt, want de schrijver ervan, een zekere Willem Meerman, die leefde ten tijde der twistentusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten, is het met geene van de twee partijen eens en geeft, al naarmate ze het verdienen, nu eens de eene, dan de andere partij harde waarheden te slikken. En hiermede moet men bij Schipper De Ruyter, die een goed Contra-Remonstrant geworden is, niet aankomen. Hij houdt niet van dergelijke hatelijkheden, het allerminst op de partij der Contra-Remonstranten.Nu we de kleine bibliotheek van den Schipper in ruste, benevens de rariteiten opgenomen hebben, willen we eens gaan luisteren wat Adriaen, die wel goed uitgegroeid is, doch er niet heel stevig en gezond uitziet, aan zijne zusjes zooal vertelt.„Toen ik verledene week hier naar een oud zeemansmes zocht, lichtte ik dezen hoop papieren eens op om te zien, of er geen achter lag. Ik vond er geen en het pak papier weer opnemende zag ik, dat er op het bovenste blad stond: „Journael.” Ik maakte het open, en begon te lezen. Raadt eens wat?”„Och kom, Adriaen, geef ons geene raadseltjes op,” zeide Cornelia. „Zeg het ons maar dadelijk.”„Nu, ge kunt toch wel eens éénen keer raden?”„Dat kan ik ook wel; maar ik zou wel duizendmaal moeten raden en dan zou ik het nog niet weten. Och toe, zeg het ons immers nu maar!”„Wel, als ge dan niet éénen keer raden wilt, dan zal ik het u wel zeggen. Het waren aanteekeningen van Vaders zeereizen, als Schipper, Kapitein en Schout-bij-nacht!”„Dat is prettig! En staat daarin alles, wat hij ons nooit heeft willen vertellen?” vroeg Cornelia.„Ja, alles! O, meid, gij kunt niet begrijpen hoeveel Vader zoo al ondervonden heeft. Wil ik het eens vertellen?”„Dat is goed; maar als Vader of Moeder komt, wat dan?”„Vader zal niet hier komen, hij is naar het groote zeehoofd en hoewel daar tegenwoordig weinig te zien is, zoois Vader daar nog altijd te vinden. Ik geloof, dat als Moeder hem niet aan den wal hield, hij weer al lang het zeegat uit zou zijn. Vader zal dus niet komen en Moeder heeft met Aaltje en de werkster de groote wasch, die zoo pas thuis gekomen is, te beredderen, die zal dus ook niet komen. Het is eene goede gelegenheid.”
TWEEDE AFDEELING.Michiel Adriaensz. De Ruyter als man.EERSTE HOOFDSTUK.Bij den man in huis.We slaan nu maar ineens een groot aantal jaren over en doen, alsof het zoo maar ongemerkt Hooimaand van het jaar 1652 geworden is.Wij willen ons verbeelden te Vlissingen te zijn, te Vlissingen de geboorteplaats van zoovele Nederlandsche zeehelden, die Gewest en Vaderland zoo eerlijk en roemvol dienden.Sinds we hier het laatst waren is er nog al wat veranderd. Hier werd afgebroken, daar bijgebouwd. Vlissingen is sedert dien tijd grooter en bedrijviger geworden. Het is wel op verre na geen Middelburg, noch in schoonheid en regelmatigheid van aanleg, noch in rijkdom, maar toch wordt hier ook veel handel gedreven op Oost en West, en de meeste varensgezellen, die de koopvaarders der Middelburgsche reeders bemannen, wonen hier. Enkele Heeren, zooals Lampsens, vinden het zelfs verkieslijker hier dan in Middelburg te wonen. Hier vindt men ruime havens, die met kleine kosten op behoorlijke diepte kunnen gehouden worden, en hoewel de Middelburgsche haven, die bij het fort Rammekens in de Schelde loopt, Zeelands hoofdstadmet de zee verbindt, ondervinden de zwaar geladen schepen telkens, dat die haven, niettegenstaande de groote kosten, die er jaarlijks aan besteed worden, toch op den duur te veel verzandt en te weinig diepte heeft.Maar of men nu te Middelburg of te Vlissingen is, men vindt in geene van die twee plaatsen die woelige bedrijvigheid, die zoozeer het kenmerk is van handelssteden. Integendeel, de havens bevatten wel schepen, doch deze liggen, half afgetuigd aan den wal gemeerd, zoo rustig en stil, alsof ze wachten op iets, dat lang wegblijft en denkelijk vooreerst nog niet komen zal. Geen vroolijk zeemansliedje klinkt er aanboord, want er is geen volk op. De tamelijk breede en diepe kaden, waar men een paar jaren geleden de voeten niet zetten kon zonder gevaar te loopen tegen balen, kisten, pakken, zakken, manden, kabels, kettingen en duizenden dingen meer, te stooten, liggen nu geheel en al ledig. In de koopmanskantoren zitten boekhouders en klerken op hun stoeltje met den rug naar den lessenaar op hunne pennen te bijten.Alleen op de scheepstimmerwerven heerscht drukte. Men bouwt daar evenwel geene koopvaardij-schepen, maar oorlogsbodems en overal, waar men komt, hoort men van niets anders dan van zeegevechten, die door de onzen gevoerd worden, spreken. Die gesprekken houdt men met ernstig gelaat, en nergens wordt gejuich vernomen. Hieruit valt op te maken, dat het ons niet voor den wind gaat, en dat we den oorlog met nadeel en schade voeren.„Als schade maar niet met één lettertje meer ook schande wordt,” mompelt er een, en nauwelijks heeft hij dat gezegd, of van alle kanten hoort men op den Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp smalen.„Hij moet van zijn ambt ontzet worden!” roept er een.„Ra-vallen was stellig nog wel zoo goed!” schreeuwt een ander.„Wat heeft die kerel den oorlog te beginnen, als hij geenbeleid en dapperheid genoeg heeft dien te voeren?” laat een ander zich hooren.„Onze eigen schuld,” zegt een vierde, „waarom benoemen de Staten van Zeeland niet eenen eigen Bevelhebber der vloot? Hebben wij bij de zee niet evenveel belang als de Hollanders?”„Houd den mond, maat! Het ras der Vlissingsche Watergeuzen is uitgestorven. In heel Zeeland vindt men niets anders dan luie baliekluivers en onwijze landrotten, die van de zeevaart niets weten en geenen knip voor den neus waard zijn,” klinkt de stem van eenen matroos op schamperen toon, en als hij ziet, dat hij onder het volk een aandachtig gehoor vindt, vervolgt hij met nog veel meer bitters in zijne stem: „Holland alleen is knap voor zes, zoo meent het althans, en ringeloort daarom de zes andere gewesten zoo hard als het maar kan. Maar ik zeg, en wie spreekt het tegen: de Hollanders zijn koekbakkers en dukaten-tellers, die op éénen duit dood blijven.”Een algemeen gelach beantwoordt deze laatste woorden, doch één uit den hoop vindt dat toch te kras en zegt: „Hei, hei, dat is al te boud gesproken, kompeer! Ik geef toe, dat wij, Zeeuwen, heel weinig in de melk te brokken hebben, maar welk gewest zit niet onder de Hollandsche plak? Waar kraait de Hollandsche haan niet koning? Zoo was het lang geleden, zoo is het nu, zoo zal het blijven. Maar mannen, die dat kunnen en durven, zijn heel wat anders dan koekbakkers en dukaten-tellers; ze zijn mannen met haar op de tanden, dat zeg ik!”„Een gedeserteerde Zeeuw!” roept op dit oogenblik een der hoorders.De laatste spreker schudt het hoofd en vervolgt: „Neen, niet gedeserteerd, een Zeeuw van Ouder tot Ouder. Ik zeg de waarheid. De Hollanders zijn mannen, die durven, maar hun gevoel van overwicht en macht maakt hen onbillijk en onredelijk. Hun trots en hoogmoed gaan alle perkenen palen te buiten, en inplaats van ons als kinderen van één huis, als zonen van hetzelfde volk te beschouwen, doen ze met ons als met de Generaliteits-landen en zijn we in hun oog beweldadigden, door Holland beweldadigden, die dankbaar moeten zijn, dat dit machtige gewest ons wel als broeders wil erkennen. En ziet ge, dat is Hollands oneer, maar onze schande. Wij moeten ons niet laten ringelooren en toonen, dat wij niet onder, maar naast Holland staan. De Zeeuwen moeten over hunne eigen schepen van oorlog eenen eigen Admiraal hebben, die alweer niet staat onder, maar naast den Hollandschen Admiraal.”Dat was gesproken naar den mond der menigte, die deze woorden stormachtig toejuichte. Een echter, een man als een boom, een varensgezel, zeer gezien onder het volk, schudde het hoofd en zeide: „Geene twee groote masten op één schip of heel de boel gaat naar den kelder. Eén Hoofd moet er zijn, dat moet, of Engeland krijgt ons er heelemaal onder. Maar Holland moet zijne kleingeestigheid laten varen met steeds te willen, dat een Hollandsche Admiraal het opperbevel voert. Hadden we eenen Stadhouder dan was deze meteen Admiraal-Generaal. Nu hebben wij er geen en wil Holland in zijne plaats treden, dat is de heele zaak.”„En Holland scheept ons op met eenen Tromp, die wel oorlog weet te maken, doch die, als het er op aankomt niets anders weet dan zeeslagen te verliezen. Wij willen Tromp niet,” riep een burger uit den hoop.„Houd den mond daar, gij, landrot, en zwijg over Tromp, want dat is een man, zooals er maar weinigen zijn. Ik was er bij toen wij in het Kanaal kruisten om onze koopvaarders te beschermen met den dubbelzinnigen last door Tromp medegekregen, te zorgen dat onze Republiek door de Roôrokken....”„Zeg Koningsmoorders”, riep er een.„Goed, om te zorgen dat onze Republiek door de Koningsmoorders geene kleinigheid zou komen te lijden. En hoetergend voor elken zeeman van de Republiek het ook ware, reeds stond Tromp, toen hij de Engelschen ontmoette, gereed om de vlag als een teeken van onderdanigheid te strijken, toen Blake den dans begon met ons eenen kogel toe te zenden. Neen, niet Tromp alleen was het, die deze vijandelijke kogels beantwoordde. Het bloed van groot en klein kookte bij het zien van die beleediging, en ik geloof zelfs dat het bevel van Tromp niet afgewacht werd om ons allen naar de kanonnen te doen snellen om te toonen, dat we nog jongens van Duins waren. En wie de oorlog begonnen is? De koopman, die achter zijnen lessenaar, de uitgaven van de inkomsten aftrekt en steeds winst begeert, onverschillig of het zeevolk voor die winst alle eergevoel moet afleggen, hij is er de naaste oorzaak van. Is me dat eene vloot, die ze aan Tromp geven om oorlog te voeren! Alles is op een koopje ingericht, en er is zooveel eenheid, als in eene kudde wilde varkens. Een Stadhouder alleen....”„Weg met de Stadhouders! We kunnen onze eigen vensterruiten zeemen,” klonk eene ruwe stem.Die woorden brachten verdeeldheid onder de menigte, die, zooals dat altijd gaat, de tegenpartij met de meest ondoordachte woorden en eene veel te geringe kennis van zaken, instaat van beschuldiging stelt. De verstandigen hadden heel wat werks om de orde te handhaven en een bloedig burgergevecht te voorkomen.Wij maken ons ook uit de voeten, doch vragen toch: „Wat is er gaande?”Om die vraag te beantwoorden willen we even het boek van onze geschiedenis openslaan, doch om spoedig tot den held van ons verhaal terug te kunnen keeren, zullen we zoo kort mogelijk zijn.De Republiek der Vereenigde Nederlanden voerde oorlog met Engeland, dat in dien tijd ook eene soort van Republiek was. Aan het hoofd dier republiek stond Cromwell, een man, die bij vele ondeugden, ook heel veel deugden bezat,iets dat Vorsten en gewone burgers, die boven duizenden uitsteken, meest allen met elkander gemeen hebben. Die Cromwell nu, had getracht met de zeven gewesten onzer Unie een zeer nauw verbond te sluiten, doch dit was niet gelukt. De Engelsche gezanten, die dit verbond hadden moeten tot stand helpen brengen, keerden onverrichter zake naar Engeland terug. Kort hierop vaardigde Engeland de zoogenaamde „Acte van navigatie” of „Scheepvaart-wet” uit. Die Acte was voor de Nederlanders zeer nadeelig; want door die wet toch werd bepaald, dat vreemde schepen in Engeland geene andere waren mochten brengen, dan die genoemd konden worden: voortbrengselen van het land waar ze vandaan kwamen. Nu hadden de Nederlanders tot dat oogenblik de rijke voortbrengselen uit Oost- en West-Indië vrij en ongestoord in Engeland mogen brengen, en hiermede, dat spreekt vanzelf, aardig wat verdiend. Die verdiensten hielden nu op, en maakten dat Engeland won, wat wij verloren. Door dezen maatregel bevorderde Cromwell dus de scheepvaart van zijn eigen volk, en het nadeel, dat wij daardoor leden, heeft ons wel wat partijdig tegenover Cromwell gemaakt, en ons veel onwaars doen vertellen. Een nader onderzoek, vooral van den laatsten tijd, is oorzaak geweest, dat men dien man thans van veel voordeeliger zijde heeft leeren kennen.Dat wij bij die voor ons zoo nadeelige „Scheepvaartwet” niet stil bleven zitten, spreekt vanzelf, doch al onze pogingen leden schipbreuk. Een gezantschap, aan welks hoofd Jacob Cats stond, kon bij de Britsche regeering niets gedaan krijgen, en wij moesten ons de vernedering getroosten, Engelands heerschappij ter zee te erkennen, door heel beleefd de Engelsche vlag te groeten. Er kwam evenwel nog veel meer bij. Onze koopvaarders moesten zich onderwerpen, in volle zee zelfs, gevisiteerd te worden, en toen eenige Engelsche schepen van dat „zichzelven aangematigd recht” gebruik gemaakt, ja, eenige vaartuigen genomen hadden,werd Marten Harpertsz. Tromp met eene oorlogsvloot in zee gezonden om dit te beletten. Hij kreeg evenwel een streng bevel mede, de vijandelijkheden zooveel mogelijk te voorkomen.Zijnlast luidde als die, welken de Staten-Generaal aan alle Bevelhebbers medegaven:„Bejegenende eenige oorlochschepen van eenige Coningen, Princen, Potentaten ofte Republycken, met dezen Staet in alliantie ofte neutraliteyt synde, sullen deselve betoonen alle courtoisie ende vruntschap, sonder nochtans yetwes van deselve te gedogen, dat tot cleynachtinge ofte schade van desen Staet soude connen strecken.”Bij Tromps last werd nog gevoegd zich zoo te gedragen dat de Staat „geene kleinigheid” zou komen te lijden.Nu had Tromp, die in het Kanaal kruiste om onze koopvaardij-schepen tegen de grievende en willekeurige handelingen der Engelschen te beschermen, de Engelsche vloot onder Blake ontmoet. Dat hij zich gehaast heeft om door het strijken der vlag „alle courtoisie” te betoonen, geloof ik niet. Hoe toch konden wij de Engelschen beschouwen als vrienden of bondgenooten waar ze ons tergend en minachtend behandelden? Het gemoed van elken eerlijken zeeman, hij mocht Admiraal of Matroos zijn, kwam hiertegen in verzet. Toch begon Tromp gevolg te geven aan den last der Staten en liet op de beide marszeilen na, alle zeilen en den wimpel, die onder de zoogenaamde Prinsen- of Staten-vlag woei, innemen. Maar temidden van dat alles werden Tromp en de zijnen met kanonskogels der Engelschen begroet en een der kogels schoot eenen arm van eenen matroos weg. Tromp stond reeds gereed eene boodschap naar Blake te sturen om te vragen, waarom hij schoot, toen een Engelsche kogel zijn schip doorboorde. Nu meende hij aan zijnen last te kort te doen zoo hij het vijandelijke vuur niet beantwoordde en—de Eerste Engelsche oorlog, die ons op zoovele verliezen te staan zou komen, was begonnen. Tromp zeî, dat het de schuld van Blake, en Blake zeî, dat het de schuld vanTromp was, en alle onderhandelingen, die er gevoerd werden om den oorlog te voorkomen, waren vergeefsch. Wij werden telkens geslagen, en kwam dat ook, omdat de Engelsche vloot beter dan de onze was, het volk wilde het niet gelooven, en Marten Harpertsz. Tromp, de dappere Bevelhebber, werd instaat van beschuldiging gesteld, en voor eenigen tijd van zijne betrekking zoo goed als ontzet.Zoo staan de zaken, waar we ons in de Julimaand van 1652 te Vlissingen bevinden.Zonder ons nu langer door de luid gevoerde gesprekken der ontevredenen te laten ophouden, wandelen wij bedaard verder voort, en komen zoodoende weldra in eene buurt waar eenige kooplieden en vele rustende schippers wonen.Die ruste is evenwel bij velen gedwongen, we weten het.Enkelen slechts zijn er, die na jaren zwalkens en zwervens, voor goed den wal gekozen hebben. Eene der woningen waarin zulk een Schipper in vrijwillige ruste woont, treden wij binnen.Het ziet er wel niet heel rijk, maar toch deftig uit, en het is terstond te zien, dat hier iemand verblijf houdt, die het zeer goed doen kan, of die, zooals men dat ook wel eens zegt, zijne schaapjes op het droge heeft.De bewoner van dat huis, die Schipper in ruste, heet Michiel Adriaensz. De Ruyter, die nu voor de derde maal gehuwd is met Anna Van Gelder. Zijne eerste vrouw was Maria Velders, doch met deze mocht hij slechts tien maanden gelukkig leven. De dood, die niemand nog ontzien heeft, was ook ongevraagd, ongeweigerd, de woning van De Ruyter binnen getreden, toen deze nog als Stuurman voer. Zijne tweede vrouw was Cornelia Engels, die later, als zijne vrouw, de voeten nog aanbreide van de veel te groote kousen, die zij haren man gegeven had, toen deze als bootsmansleerling naar zee ging. Uit dit huwelijk had De Ruyter vier kinderen, namelijk Adriaen, die nu vijftien,—Cornelia, die dertien,—Alida, die tien en Engel, die drie jaren oud was.Zijne derde vrouw, Anna Van Gelder, was, toen zij met onzen Michiel in het huwelijk trad, de weduwe van Jan Paulusz., die ook als Schipper voor de Heeren Lampsens gevaren had, doch op zee gestorven was. Michiel en zijne vrouw hadden te zamen een aardig kapitaaltje bij elkander gebracht, groot genoeg om er in Vlissingen deftig en ruim van te kunnen leven, en daar Anna Van Gelder bevreesd was, ook eenmaal haren Michiel op zee door den dood te verliezen, zoo had ze hem weten te bewegen aanwal te blijven, iets waarnaar Michiel, hoe vreemd het ons ook moge klinken, wel ooren had.Voor de vier kinderen van hare oude vriendin Cornelia was Anna, die we nu maar Mevrouw De Ruyter zullen noemen, eene beste Moeder, die alles deed om de liefde van hare stiefkinderen te winnen en die daarin dan ook wonderwel slaagde.Waar op het oogenblik de kinderen zouden zijn?Wel, boven op de kinderkamer.Wij gaan er heen en vinden daar den driejarigen Engel, een allerliefst knaapje, op zijn stoeltje zittend en met zijn kopje op de tafel in slaap gedommeld. Het is hier zoo even warm ook.Maar Adriaen, Cornelia en Alida dan?Stil, ik hoor zoo wat daar in die zijkamer. Is dat de studeerkamer niet van den voormaligen Schipper Michiel Adriaensz. De Ruyter?Loop heen, de Schipper zou eene studeerkamer er op nahouden? Dat gelijkt nergens naar!Of hij dan nooit boeken over zeevaartkunde bestudeerd heeft, vraagt ge? Nu ja, wel enkele; maar we zijn niet in de negentiende eeuw, waarin de heele wereld wel bedekt kan worden met eenen stapel boeken, en waarin men niet meer Scheepskapitein worden kan zonder een examen gedaan te hebben. Er waren nog heel weinig boeken, en leeren, wel, dat deed de zeeman op zee, nergens anders! Dat heeftSchipper De Ruyter ook zoo gedaan. Het is dan ook niet zijne studeer-, maar zijne rariteiten-kamer.Wij treden binnen en vinden daar Adriaen, die eene groote verzameling papier voor zich heeft, waaruit hij een en ander vertelt aan Cornelia en Alida.Als hij een blad omslaat kunnen we zoo terloops lezen, dat er boven staat: „Journael ofte Daghboeck van Michiel Adriaensz. De Ruyter, voerende de „Zeehond” ende kruysende teghens die Duinkercker caepers in den jare onzes Heeren J. C. 1637.Eer we luisteren wat die knaap daar aan zijne zusjes vertelt, nemen we de kamer even op.Oost en West, Zuid en Noord zijn hier bij elkander. Al wat hij als Stuurman, of als Schipper in die verre landen vreemds vond, en dat mede genomen kon worden, nam hij mede naar huis en gaf het hier een plaatsje.Geen wonder dat het er bont genoeg uitziet.We vinden maar een stuk of wat boeken.Een er van is de groote scheepsbijbel, in folio formaat, en daarnaast ligt een kleiner. Het is die, welken hij van Dominé mede kreeg, toen hij voor het eerst naar zee ging. Het boek is druk gelezen, en als Schipper De Ruyter bij ons kwam en verzekerde, dat hij dat boek uit zijn hoofd kan opzeggen, dan zou het ons niemendal verwonderen.Verder vinden we gedichten van den Raadpensionaris Cats, die, hoewel hij reeds vijfenzeventig jaar oud is, nog altijd voortgaat op zijne buitenplaats Zorgvliet, even buiten Den Haag gelegen, gedichten te maken, welke alom zeer geprezen, en buitendien ook veel gelezen worden. En daar, op een vergeten plaatsje tusschen krissen, klewangs, kokosnotenschillen en andere dingen, ligt nog een boekske, getiteld: „Comoedia Vetus of Bootsmanspraetje.” Als ik het wèl heb, zult ge Schipper De Ruyter niet boos zien worden, als ge dit boekje steelt, want de schrijver ervan, een zekere Willem Meerman, die leefde ten tijde der twistentusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten, is het met geene van de twee partijen eens en geeft, al naarmate ze het verdienen, nu eens de eene, dan de andere partij harde waarheden te slikken. En hiermede moet men bij Schipper De Ruyter, die een goed Contra-Remonstrant geworden is, niet aankomen. Hij houdt niet van dergelijke hatelijkheden, het allerminst op de partij der Contra-Remonstranten.Nu we de kleine bibliotheek van den Schipper in ruste, benevens de rariteiten opgenomen hebben, willen we eens gaan luisteren wat Adriaen, die wel goed uitgegroeid is, doch er niet heel stevig en gezond uitziet, aan zijne zusjes zooal vertelt.„Toen ik verledene week hier naar een oud zeemansmes zocht, lichtte ik dezen hoop papieren eens op om te zien, of er geen achter lag. Ik vond er geen en het pak papier weer opnemende zag ik, dat er op het bovenste blad stond: „Journael.” Ik maakte het open, en begon te lezen. Raadt eens wat?”„Och kom, Adriaen, geef ons geene raadseltjes op,” zeide Cornelia. „Zeg het ons maar dadelijk.”„Nu, ge kunt toch wel eens éénen keer raden?”„Dat kan ik ook wel; maar ik zou wel duizendmaal moeten raden en dan zou ik het nog niet weten. Och toe, zeg het ons immers nu maar!”„Wel, als ge dan niet éénen keer raden wilt, dan zal ik het u wel zeggen. Het waren aanteekeningen van Vaders zeereizen, als Schipper, Kapitein en Schout-bij-nacht!”„Dat is prettig! En staat daarin alles, wat hij ons nooit heeft willen vertellen?” vroeg Cornelia.„Ja, alles! O, meid, gij kunt niet begrijpen hoeveel Vader zoo al ondervonden heeft. Wil ik het eens vertellen?”„Dat is goed; maar als Vader of Moeder komt, wat dan?”„Vader zal niet hier komen, hij is naar het groote zeehoofd en hoewel daar tegenwoordig weinig te zien is, zoois Vader daar nog altijd te vinden. Ik geloof, dat als Moeder hem niet aan den wal hield, hij weer al lang het zeegat uit zou zijn. Vader zal dus niet komen en Moeder heeft met Aaltje en de werkster de groote wasch, die zoo pas thuis gekomen is, te beredderen, die zal dus ook niet komen. Het is eene goede gelegenheid.”
EERSTE HOOFDSTUK.Bij den man in huis.We slaan nu maar ineens een groot aantal jaren over en doen, alsof het zoo maar ongemerkt Hooimaand van het jaar 1652 geworden is.Wij willen ons verbeelden te Vlissingen te zijn, te Vlissingen de geboorteplaats van zoovele Nederlandsche zeehelden, die Gewest en Vaderland zoo eerlijk en roemvol dienden.Sinds we hier het laatst waren is er nog al wat veranderd. Hier werd afgebroken, daar bijgebouwd. Vlissingen is sedert dien tijd grooter en bedrijviger geworden. Het is wel op verre na geen Middelburg, noch in schoonheid en regelmatigheid van aanleg, noch in rijkdom, maar toch wordt hier ook veel handel gedreven op Oost en West, en de meeste varensgezellen, die de koopvaarders der Middelburgsche reeders bemannen, wonen hier. Enkele Heeren, zooals Lampsens, vinden het zelfs verkieslijker hier dan in Middelburg te wonen. Hier vindt men ruime havens, die met kleine kosten op behoorlijke diepte kunnen gehouden worden, en hoewel de Middelburgsche haven, die bij het fort Rammekens in de Schelde loopt, Zeelands hoofdstadmet de zee verbindt, ondervinden de zwaar geladen schepen telkens, dat die haven, niettegenstaande de groote kosten, die er jaarlijks aan besteed worden, toch op den duur te veel verzandt en te weinig diepte heeft.Maar of men nu te Middelburg of te Vlissingen is, men vindt in geene van die twee plaatsen die woelige bedrijvigheid, die zoozeer het kenmerk is van handelssteden. Integendeel, de havens bevatten wel schepen, doch deze liggen, half afgetuigd aan den wal gemeerd, zoo rustig en stil, alsof ze wachten op iets, dat lang wegblijft en denkelijk vooreerst nog niet komen zal. Geen vroolijk zeemansliedje klinkt er aanboord, want er is geen volk op. De tamelijk breede en diepe kaden, waar men een paar jaren geleden de voeten niet zetten kon zonder gevaar te loopen tegen balen, kisten, pakken, zakken, manden, kabels, kettingen en duizenden dingen meer, te stooten, liggen nu geheel en al ledig. In de koopmanskantoren zitten boekhouders en klerken op hun stoeltje met den rug naar den lessenaar op hunne pennen te bijten.Alleen op de scheepstimmerwerven heerscht drukte. Men bouwt daar evenwel geene koopvaardij-schepen, maar oorlogsbodems en overal, waar men komt, hoort men van niets anders dan van zeegevechten, die door de onzen gevoerd worden, spreken. Die gesprekken houdt men met ernstig gelaat, en nergens wordt gejuich vernomen. Hieruit valt op te maken, dat het ons niet voor den wind gaat, en dat we den oorlog met nadeel en schade voeren.„Als schade maar niet met één lettertje meer ook schande wordt,” mompelt er een, en nauwelijks heeft hij dat gezegd, of van alle kanten hoort men op den Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp smalen.„Hij moet van zijn ambt ontzet worden!” roept er een.„Ra-vallen was stellig nog wel zoo goed!” schreeuwt een ander.„Wat heeft die kerel den oorlog te beginnen, als hij geenbeleid en dapperheid genoeg heeft dien te voeren?” laat een ander zich hooren.„Onze eigen schuld,” zegt een vierde, „waarom benoemen de Staten van Zeeland niet eenen eigen Bevelhebber der vloot? Hebben wij bij de zee niet evenveel belang als de Hollanders?”„Houd den mond, maat! Het ras der Vlissingsche Watergeuzen is uitgestorven. In heel Zeeland vindt men niets anders dan luie baliekluivers en onwijze landrotten, die van de zeevaart niets weten en geenen knip voor den neus waard zijn,” klinkt de stem van eenen matroos op schamperen toon, en als hij ziet, dat hij onder het volk een aandachtig gehoor vindt, vervolgt hij met nog veel meer bitters in zijne stem: „Holland alleen is knap voor zes, zoo meent het althans, en ringeloort daarom de zes andere gewesten zoo hard als het maar kan. Maar ik zeg, en wie spreekt het tegen: de Hollanders zijn koekbakkers en dukaten-tellers, die op éénen duit dood blijven.”Een algemeen gelach beantwoordt deze laatste woorden, doch één uit den hoop vindt dat toch te kras en zegt: „Hei, hei, dat is al te boud gesproken, kompeer! Ik geef toe, dat wij, Zeeuwen, heel weinig in de melk te brokken hebben, maar welk gewest zit niet onder de Hollandsche plak? Waar kraait de Hollandsche haan niet koning? Zoo was het lang geleden, zoo is het nu, zoo zal het blijven. Maar mannen, die dat kunnen en durven, zijn heel wat anders dan koekbakkers en dukaten-tellers; ze zijn mannen met haar op de tanden, dat zeg ik!”„Een gedeserteerde Zeeuw!” roept op dit oogenblik een der hoorders.De laatste spreker schudt het hoofd en vervolgt: „Neen, niet gedeserteerd, een Zeeuw van Ouder tot Ouder. Ik zeg de waarheid. De Hollanders zijn mannen, die durven, maar hun gevoel van overwicht en macht maakt hen onbillijk en onredelijk. Hun trots en hoogmoed gaan alle perkenen palen te buiten, en inplaats van ons als kinderen van één huis, als zonen van hetzelfde volk te beschouwen, doen ze met ons als met de Generaliteits-landen en zijn we in hun oog beweldadigden, door Holland beweldadigden, die dankbaar moeten zijn, dat dit machtige gewest ons wel als broeders wil erkennen. En ziet ge, dat is Hollands oneer, maar onze schande. Wij moeten ons niet laten ringelooren en toonen, dat wij niet onder, maar naast Holland staan. De Zeeuwen moeten over hunne eigen schepen van oorlog eenen eigen Admiraal hebben, die alweer niet staat onder, maar naast den Hollandschen Admiraal.”Dat was gesproken naar den mond der menigte, die deze woorden stormachtig toejuichte. Een echter, een man als een boom, een varensgezel, zeer gezien onder het volk, schudde het hoofd en zeide: „Geene twee groote masten op één schip of heel de boel gaat naar den kelder. Eén Hoofd moet er zijn, dat moet, of Engeland krijgt ons er heelemaal onder. Maar Holland moet zijne kleingeestigheid laten varen met steeds te willen, dat een Hollandsche Admiraal het opperbevel voert. Hadden we eenen Stadhouder dan was deze meteen Admiraal-Generaal. Nu hebben wij er geen en wil Holland in zijne plaats treden, dat is de heele zaak.”„En Holland scheept ons op met eenen Tromp, die wel oorlog weet te maken, doch die, als het er op aankomt niets anders weet dan zeeslagen te verliezen. Wij willen Tromp niet,” riep een burger uit den hoop.„Houd den mond daar, gij, landrot, en zwijg over Tromp, want dat is een man, zooals er maar weinigen zijn. Ik was er bij toen wij in het Kanaal kruisten om onze koopvaarders te beschermen met den dubbelzinnigen last door Tromp medegekregen, te zorgen dat onze Republiek door de Roôrokken....”„Zeg Koningsmoorders”, riep er een.„Goed, om te zorgen dat onze Republiek door de Koningsmoorders geene kleinigheid zou komen te lijden. En hoetergend voor elken zeeman van de Republiek het ook ware, reeds stond Tromp, toen hij de Engelschen ontmoette, gereed om de vlag als een teeken van onderdanigheid te strijken, toen Blake den dans begon met ons eenen kogel toe te zenden. Neen, niet Tromp alleen was het, die deze vijandelijke kogels beantwoordde. Het bloed van groot en klein kookte bij het zien van die beleediging, en ik geloof zelfs dat het bevel van Tromp niet afgewacht werd om ons allen naar de kanonnen te doen snellen om te toonen, dat we nog jongens van Duins waren. En wie de oorlog begonnen is? De koopman, die achter zijnen lessenaar, de uitgaven van de inkomsten aftrekt en steeds winst begeert, onverschillig of het zeevolk voor die winst alle eergevoel moet afleggen, hij is er de naaste oorzaak van. Is me dat eene vloot, die ze aan Tromp geven om oorlog te voeren! Alles is op een koopje ingericht, en er is zooveel eenheid, als in eene kudde wilde varkens. Een Stadhouder alleen....”„Weg met de Stadhouders! We kunnen onze eigen vensterruiten zeemen,” klonk eene ruwe stem.Die woorden brachten verdeeldheid onder de menigte, die, zooals dat altijd gaat, de tegenpartij met de meest ondoordachte woorden en eene veel te geringe kennis van zaken, instaat van beschuldiging stelt. De verstandigen hadden heel wat werks om de orde te handhaven en een bloedig burgergevecht te voorkomen.Wij maken ons ook uit de voeten, doch vragen toch: „Wat is er gaande?”Om die vraag te beantwoorden willen we even het boek van onze geschiedenis openslaan, doch om spoedig tot den held van ons verhaal terug te kunnen keeren, zullen we zoo kort mogelijk zijn.De Republiek der Vereenigde Nederlanden voerde oorlog met Engeland, dat in dien tijd ook eene soort van Republiek was. Aan het hoofd dier republiek stond Cromwell, een man, die bij vele ondeugden, ook heel veel deugden bezat,iets dat Vorsten en gewone burgers, die boven duizenden uitsteken, meest allen met elkander gemeen hebben. Die Cromwell nu, had getracht met de zeven gewesten onzer Unie een zeer nauw verbond te sluiten, doch dit was niet gelukt. De Engelsche gezanten, die dit verbond hadden moeten tot stand helpen brengen, keerden onverrichter zake naar Engeland terug. Kort hierop vaardigde Engeland de zoogenaamde „Acte van navigatie” of „Scheepvaart-wet” uit. Die Acte was voor de Nederlanders zeer nadeelig; want door die wet toch werd bepaald, dat vreemde schepen in Engeland geene andere waren mochten brengen, dan die genoemd konden worden: voortbrengselen van het land waar ze vandaan kwamen. Nu hadden de Nederlanders tot dat oogenblik de rijke voortbrengselen uit Oost- en West-Indië vrij en ongestoord in Engeland mogen brengen, en hiermede, dat spreekt vanzelf, aardig wat verdiend. Die verdiensten hielden nu op, en maakten dat Engeland won, wat wij verloren. Door dezen maatregel bevorderde Cromwell dus de scheepvaart van zijn eigen volk, en het nadeel, dat wij daardoor leden, heeft ons wel wat partijdig tegenover Cromwell gemaakt, en ons veel onwaars doen vertellen. Een nader onderzoek, vooral van den laatsten tijd, is oorzaak geweest, dat men dien man thans van veel voordeeliger zijde heeft leeren kennen.Dat wij bij die voor ons zoo nadeelige „Scheepvaartwet” niet stil bleven zitten, spreekt vanzelf, doch al onze pogingen leden schipbreuk. Een gezantschap, aan welks hoofd Jacob Cats stond, kon bij de Britsche regeering niets gedaan krijgen, en wij moesten ons de vernedering getroosten, Engelands heerschappij ter zee te erkennen, door heel beleefd de Engelsche vlag te groeten. Er kwam evenwel nog veel meer bij. Onze koopvaarders moesten zich onderwerpen, in volle zee zelfs, gevisiteerd te worden, en toen eenige Engelsche schepen van dat „zichzelven aangematigd recht” gebruik gemaakt, ja, eenige vaartuigen genomen hadden,werd Marten Harpertsz. Tromp met eene oorlogsvloot in zee gezonden om dit te beletten. Hij kreeg evenwel een streng bevel mede, de vijandelijkheden zooveel mogelijk te voorkomen.Zijnlast luidde als die, welken de Staten-Generaal aan alle Bevelhebbers medegaven:„Bejegenende eenige oorlochschepen van eenige Coningen, Princen, Potentaten ofte Republycken, met dezen Staet in alliantie ofte neutraliteyt synde, sullen deselve betoonen alle courtoisie ende vruntschap, sonder nochtans yetwes van deselve te gedogen, dat tot cleynachtinge ofte schade van desen Staet soude connen strecken.”Bij Tromps last werd nog gevoegd zich zoo te gedragen dat de Staat „geene kleinigheid” zou komen te lijden.Nu had Tromp, die in het Kanaal kruiste om onze koopvaardij-schepen tegen de grievende en willekeurige handelingen der Engelschen te beschermen, de Engelsche vloot onder Blake ontmoet. Dat hij zich gehaast heeft om door het strijken der vlag „alle courtoisie” te betoonen, geloof ik niet. Hoe toch konden wij de Engelschen beschouwen als vrienden of bondgenooten waar ze ons tergend en minachtend behandelden? Het gemoed van elken eerlijken zeeman, hij mocht Admiraal of Matroos zijn, kwam hiertegen in verzet. Toch begon Tromp gevolg te geven aan den last der Staten en liet op de beide marszeilen na, alle zeilen en den wimpel, die onder de zoogenaamde Prinsen- of Staten-vlag woei, innemen. Maar temidden van dat alles werden Tromp en de zijnen met kanonskogels der Engelschen begroet en een der kogels schoot eenen arm van eenen matroos weg. Tromp stond reeds gereed eene boodschap naar Blake te sturen om te vragen, waarom hij schoot, toen een Engelsche kogel zijn schip doorboorde. Nu meende hij aan zijnen last te kort te doen zoo hij het vijandelijke vuur niet beantwoordde en—de Eerste Engelsche oorlog, die ons op zoovele verliezen te staan zou komen, was begonnen. Tromp zeî, dat het de schuld van Blake, en Blake zeî, dat het de schuld vanTromp was, en alle onderhandelingen, die er gevoerd werden om den oorlog te voorkomen, waren vergeefsch. Wij werden telkens geslagen, en kwam dat ook, omdat de Engelsche vloot beter dan de onze was, het volk wilde het niet gelooven, en Marten Harpertsz. Tromp, de dappere Bevelhebber, werd instaat van beschuldiging gesteld, en voor eenigen tijd van zijne betrekking zoo goed als ontzet.Zoo staan de zaken, waar we ons in de Julimaand van 1652 te Vlissingen bevinden.Zonder ons nu langer door de luid gevoerde gesprekken der ontevredenen te laten ophouden, wandelen wij bedaard verder voort, en komen zoodoende weldra in eene buurt waar eenige kooplieden en vele rustende schippers wonen.Die ruste is evenwel bij velen gedwongen, we weten het.Enkelen slechts zijn er, die na jaren zwalkens en zwervens, voor goed den wal gekozen hebben. Eene der woningen waarin zulk een Schipper in vrijwillige ruste woont, treden wij binnen.Het ziet er wel niet heel rijk, maar toch deftig uit, en het is terstond te zien, dat hier iemand verblijf houdt, die het zeer goed doen kan, of die, zooals men dat ook wel eens zegt, zijne schaapjes op het droge heeft.De bewoner van dat huis, die Schipper in ruste, heet Michiel Adriaensz. De Ruyter, die nu voor de derde maal gehuwd is met Anna Van Gelder. Zijne eerste vrouw was Maria Velders, doch met deze mocht hij slechts tien maanden gelukkig leven. De dood, die niemand nog ontzien heeft, was ook ongevraagd, ongeweigerd, de woning van De Ruyter binnen getreden, toen deze nog als Stuurman voer. Zijne tweede vrouw was Cornelia Engels, die later, als zijne vrouw, de voeten nog aanbreide van de veel te groote kousen, die zij haren man gegeven had, toen deze als bootsmansleerling naar zee ging. Uit dit huwelijk had De Ruyter vier kinderen, namelijk Adriaen, die nu vijftien,—Cornelia, die dertien,—Alida, die tien en Engel, die drie jaren oud was.Zijne derde vrouw, Anna Van Gelder, was, toen zij met onzen Michiel in het huwelijk trad, de weduwe van Jan Paulusz., die ook als Schipper voor de Heeren Lampsens gevaren had, doch op zee gestorven was. Michiel en zijne vrouw hadden te zamen een aardig kapitaaltje bij elkander gebracht, groot genoeg om er in Vlissingen deftig en ruim van te kunnen leven, en daar Anna Van Gelder bevreesd was, ook eenmaal haren Michiel op zee door den dood te verliezen, zoo had ze hem weten te bewegen aanwal te blijven, iets waarnaar Michiel, hoe vreemd het ons ook moge klinken, wel ooren had.Voor de vier kinderen van hare oude vriendin Cornelia was Anna, die we nu maar Mevrouw De Ruyter zullen noemen, eene beste Moeder, die alles deed om de liefde van hare stiefkinderen te winnen en die daarin dan ook wonderwel slaagde.Waar op het oogenblik de kinderen zouden zijn?Wel, boven op de kinderkamer.Wij gaan er heen en vinden daar den driejarigen Engel, een allerliefst knaapje, op zijn stoeltje zittend en met zijn kopje op de tafel in slaap gedommeld. Het is hier zoo even warm ook.Maar Adriaen, Cornelia en Alida dan?Stil, ik hoor zoo wat daar in die zijkamer. Is dat de studeerkamer niet van den voormaligen Schipper Michiel Adriaensz. De Ruyter?Loop heen, de Schipper zou eene studeerkamer er op nahouden? Dat gelijkt nergens naar!Of hij dan nooit boeken over zeevaartkunde bestudeerd heeft, vraagt ge? Nu ja, wel enkele; maar we zijn niet in de negentiende eeuw, waarin de heele wereld wel bedekt kan worden met eenen stapel boeken, en waarin men niet meer Scheepskapitein worden kan zonder een examen gedaan te hebben. Er waren nog heel weinig boeken, en leeren, wel, dat deed de zeeman op zee, nergens anders! Dat heeftSchipper De Ruyter ook zoo gedaan. Het is dan ook niet zijne studeer-, maar zijne rariteiten-kamer.Wij treden binnen en vinden daar Adriaen, die eene groote verzameling papier voor zich heeft, waaruit hij een en ander vertelt aan Cornelia en Alida.Als hij een blad omslaat kunnen we zoo terloops lezen, dat er boven staat: „Journael ofte Daghboeck van Michiel Adriaensz. De Ruyter, voerende de „Zeehond” ende kruysende teghens die Duinkercker caepers in den jare onzes Heeren J. C. 1637.Eer we luisteren wat die knaap daar aan zijne zusjes vertelt, nemen we de kamer even op.Oost en West, Zuid en Noord zijn hier bij elkander. Al wat hij als Stuurman, of als Schipper in die verre landen vreemds vond, en dat mede genomen kon worden, nam hij mede naar huis en gaf het hier een plaatsje.Geen wonder dat het er bont genoeg uitziet.We vinden maar een stuk of wat boeken.Een er van is de groote scheepsbijbel, in folio formaat, en daarnaast ligt een kleiner. Het is die, welken hij van Dominé mede kreeg, toen hij voor het eerst naar zee ging. Het boek is druk gelezen, en als Schipper De Ruyter bij ons kwam en verzekerde, dat hij dat boek uit zijn hoofd kan opzeggen, dan zou het ons niemendal verwonderen.Verder vinden we gedichten van den Raadpensionaris Cats, die, hoewel hij reeds vijfenzeventig jaar oud is, nog altijd voortgaat op zijne buitenplaats Zorgvliet, even buiten Den Haag gelegen, gedichten te maken, welke alom zeer geprezen, en buitendien ook veel gelezen worden. En daar, op een vergeten plaatsje tusschen krissen, klewangs, kokosnotenschillen en andere dingen, ligt nog een boekske, getiteld: „Comoedia Vetus of Bootsmanspraetje.” Als ik het wèl heb, zult ge Schipper De Ruyter niet boos zien worden, als ge dit boekje steelt, want de schrijver ervan, een zekere Willem Meerman, die leefde ten tijde der twistentusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten, is het met geene van de twee partijen eens en geeft, al naarmate ze het verdienen, nu eens de eene, dan de andere partij harde waarheden te slikken. En hiermede moet men bij Schipper De Ruyter, die een goed Contra-Remonstrant geworden is, niet aankomen. Hij houdt niet van dergelijke hatelijkheden, het allerminst op de partij der Contra-Remonstranten.Nu we de kleine bibliotheek van den Schipper in ruste, benevens de rariteiten opgenomen hebben, willen we eens gaan luisteren wat Adriaen, die wel goed uitgegroeid is, doch er niet heel stevig en gezond uitziet, aan zijne zusjes zooal vertelt.„Toen ik verledene week hier naar een oud zeemansmes zocht, lichtte ik dezen hoop papieren eens op om te zien, of er geen achter lag. Ik vond er geen en het pak papier weer opnemende zag ik, dat er op het bovenste blad stond: „Journael.” Ik maakte het open, en begon te lezen. Raadt eens wat?”„Och kom, Adriaen, geef ons geene raadseltjes op,” zeide Cornelia. „Zeg het ons maar dadelijk.”„Nu, ge kunt toch wel eens éénen keer raden?”„Dat kan ik ook wel; maar ik zou wel duizendmaal moeten raden en dan zou ik het nog niet weten. Och toe, zeg het ons immers nu maar!”„Wel, als ge dan niet éénen keer raden wilt, dan zal ik het u wel zeggen. Het waren aanteekeningen van Vaders zeereizen, als Schipper, Kapitein en Schout-bij-nacht!”„Dat is prettig! En staat daarin alles, wat hij ons nooit heeft willen vertellen?” vroeg Cornelia.„Ja, alles! O, meid, gij kunt niet begrijpen hoeveel Vader zoo al ondervonden heeft. Wil ik het eens vertellen?”„Dat is goed; maar als Vader of Moeder komt, wat dan?”„Vader zal niet hier komen, hij is naar het groote zeehoofd en hoewel daar tegenwoordig weinig te zien is, zoois Vader daar nog altijd te vinden. Ik geloof, dat als Moeder hem niet aan den wal hield, hij weer al lang het zeegat uit zou zijn. Vader zal dus niet komen en Moeder heeft met Aaltje en de werkster de groote wasch, die zoo pas thuis gekomen is, te beredderen, die zal dus ook niet komen. Het is eene goede gelegenheid.”
EERSTE HOOFDSTUK.Bij den man in huis.
We slaan nu maar ineens een groot aantal jaren over en doen, alsof het zoo maar ongemerkt Hooimaand van het jaar 1652 geworden is.Wij willen ons verbeelden te Vlissingen te zijn, te Vlissingen de geboorteplaats van zoovele Nederlandsche zeehelden, die Gewest en Vaderland zoo eerlijk en roemvol dienden.Sinds we hier het laatst waren is er nog al wat veranderd. Hier werd afgebroken, daar bijgebouwd. Vlissingen is sedert dien tijd grooter en bedrijviger geworden. Het is wel op verre na geen Middelburg, noch in schoonheid en regelmatigheid van aanleg, noch in rijkdom, maar toch wordt hier ook veel handel gedreven op Oost en West, en de meeste varensgezellen, die de koopvaarders der Middelburgsche reeders bemannen, wonen hier. Enkele Heeren, zooals Lampsens, vinden het zelfs verkieslijker hier dan in Middelburg te wonen. Hier vindt men ruime havens, die met kleine kosten op behoorlijke diepte kunnen gehouden worden, en hoewel de Middelburgsche haven, die bij het fort Rammekens in de Schelde loopt, Zeelands hoofdstadmet de zee verbindt, ondervinden de zwaar geladen schepen telkens, dat die haven, niettegenstaande de groote kosten, die er jaarlijks aan besteed worden, toch op den duur te veel verzandt en te weinig diepte heeft.Maar of men nu te Middelburg of te Vlissingen is, men vindt in geene van die twee plaatsen die woelige bedrijvigheid, die zoozeer het kenmerk is van handelssteden. Integendeel, de havens bevatten wel schepen, doch deze liggen, half afgetuigd aan den wal gemeerd, zoo rustig en stil, alsof ze wachten op iets, dat lang wegblijft en denkelijk vooreerst nog niet komen zal. Geen vroolijk zeemansliedje klinkt er aanboord, want er is geen volk op. De tamelijk breede en diepe kaden, waar men een paar jaren geleden de voeten niet zetten kon zonder gevaar te loopen tegen balen, kisten, pakken, zakken, manden, kabels, kettingen en duizenden dingen meer, te stooten, liggen nu geheel en al ledig. In de koopmanskantoren zitten boekhouders en klerken op hun stoeltje met den rug naar den lessenaar op hunne pennen te bijten.Alleen op de scheepstimmerwerven heerscht drukte. Men bouwt daar evenwel geene koopvaardij-schepen, maar oorlogsbodems en overal, waar men komt, hoort men van niets anders dan van zeegevechten, die door de onzen gevoerd worden, spreken. Die gesprekken houdt men met ernstig gelaat, en nergens wordt gejuich vernomen. Hieruit valt op te maken, dat het ons niet voor den wind gaat, en dat we den oorlog met nadeel en schade voeren.„Als schade maar niet met één lettertje meer ook schande wordt,” mompelt er een, en nauwelijks heeft hij dat gezegd, of van alle kanten hoort men op den Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp smalen.„Hij moet van zijn ambt ontzet worden!” roept er een.„Ra-vallen was stellig nog wel zoo goed!” schreeuwt een ander.„Wat heeft die kerel den oorlog te beginnen, als hij geenbeleid en dapperheid genoeg heeft dien te voeren?” laat een ander zich hooren.„Onze eigen schuld,” zegt een vierde, „waarom benoemen de Staten van Zeeland niet eenen eigen Bevelhebber der vloot? Hebben wij bij de zee niet evenveel belang als de Hollanders?”„Houd den mond, maat! Het ras der Vlissingsche Watergeuzen is uitgestorven. In heel Zeeland vindt men niets anders dan luie baliekluivers en onwijze landrotten, die van de zeevaart niets weten en geenen knip voor den neus waard zijn,” klinkt de stem van eenen matroos op schamperen toon, en als hij ziet, dat hij onder het volk een aandachtig gehoor vindt, vervolgt hij met nog veel meer bitters in zijne stem: „Holland alleen is knap voor zes, zoo meent het althans, en ringeloort daarom de zes andere gewesten zoo hard als het maar kan. Maar ik zeg, en wie spreekt het tegen: de Hollanders zijn koekbakkers en dukaten-tellers, die op éénen duit dood blijven.”Een algemeen gelach beantwoordt deze laatste woorden, doch één uit den hoop vindt dat toch te kras en zegt: „Hei, hei, dat is al te boud gesproken, kompeer! Ik geef toe, dat wij, Zeeuwen, heel weinig in de melk te brokken hebben, maar welk gewest zit niet onder de Hollandsche plak? Waar kraait de Hollandsche haan niet koning? Zoo was het lang geleden, zoo is het nu, zoo zal het blijven. Maar mannen, die dat kunnen en durven, zijn heel wat anders dan koekbakkers en dukaten-tellers; ze zijn mannen met haar op de tanden, dat zeg ik!”„Een gedeserteerde Zeeuw!” roept op dit oogenblik een der hoorders.De laatste spreker schudt het hoofd en vervolgt: „Neen, niet gedeserteerd, een Zeeuw van Ouder tot Ouder. Ik zeg de waarheid. De Hollanders zijn mannen, die durven, maar hun gevoel van overwicht en macht maakt hen onbillijk en onredelijk. Hun trots en hoogmoed gaan alle perkenen palen te buiten, en inplaats van ons als kinderen van één huis, als zonen van hetzelfde volk te beschouwen, doen ze met ons als met de Generaliteits-landen en zijn we in hun oog beweldadigden, door Holland beweldadigden, die dankbaar moeten zijn, dat dit machtige gewest ons wel als broeders wil erkennen. En ziet ge, dat is Hollands oneer, maar onze schande. Wij moeten ons niet laten ringelooren en toonen, dat wij niet onder, maar naast Holland staan. De Zeeuwen moeten over hunne eigen schepen van oorlog eenen eigen Admiraal hebben, die alweer niet staat onder, maar naast den Hollandschen Admiraal.”Dat was gesproken naar den mond der menigte, die deze woorden stormachtig toejuichte. Een echter, een man als een boom, een varensgezel, zeer gezien onder het volk, schudde het hoofd en zeide: „Geene twee groote masten op één schip of heel de boel gaat naar den kelder. Eén Hoofd moet er zijn, dat moet, of Engeland krijgt ons er heelemaal onder. Maar Holland moet zijne kleingeestigheid laten varen met steeds te willen, dat een Hollandsche Admiraal het opperbevel voert. Hadden we eenen Stadhouder dan was deze meteen Admiraal-Generaal. Nu hebben wij er geen en wil Holland in zijne plaats treden, dat is de heele zaak.”„En Holland scheept ons op met eenen Tromp, die wel oorlog weet te maken, doch die, als het er op aankomt niets anders weet dan zeeslagen te verliezen. Wij willen Tromp niet,” riep een burger uit den hoop.„Houd den mond daar, gij, landrot, en zwijg over Tromp, want dat is een man, zooals er maar weinigen zijn. Ik was er bij toen wij in het Kanaal kruisten om onze koopvaarders te beschermen met den dubbelzinnigen last door Tromp medegekregen, te zorgen dat onze Republiek door de Roôrokken....”„Zeg Koningsmoorders”, riep er een.„Goed, om te zorgen dat onze Republiek door de Koningsmoorders geene kleinigheid zou komen te lijden. En hoetergend voor elken zeeman van de Republiek het ook ware, reeds stond Tromp, toen hij de Engelschen ontmoette, gereed om de vlag als een teeken van onderdanigheid te strijken, toen Blake den dans begon met ons eenen kogel toe te zenden. Neen, niet Tromp alleen was het, die deze vijandelijke kogels beantwoordde. Het bloed van groot en klein kookte bij het zien van die beleediging, en ik geloof zelfs dat het bevel van Tromp niet afgewacht werd om ons allen naar de kanonnen te doen snellen om te toonen, dat we nog jongens van Duins waren. En wie de oorlog begonnen is? De koopman, die achter zijnen lessenaar, de uitgaven van de inkomsten aftrekt en steeds winst begeert, onverschillig of het zeevolk voor die winst alle eergevoel moet afleggen, hij is er de naaste oorzaak van. Is me dat eene vloot, die ze aan Tromp geven om oorlog te voeren! Alles is op een koopje ingericht, en er is zooveel eenheid, als in eene kudde wilde varkens. Een Stadhouder alleen....”„Weg met de Stadhouders! We kunnen onze eigen vensterruiten zeemen,” klonk eene ruwe stem.Die woorden brachten verdeeldheid onder de menigte, die, zooals dat altijd gaat, de tegenpartij met de meest ondoordachte woorden en eene veel te geringe kennis van zaken, instaat van beschuldiging stelt. De verstandigen hadden heel wat werks om de orde te handhaven en een bloedig burgergevecht te voorkomen.Wij maken ons ook uit de voeten, doch vragen toch: „Wat is er gaande?”Om die vraag te beantwoorden willen we even het boek van onze geschiedenis openslaan, doch om spoedig tot den held van ons verhaal terug te kunnen keeren, zullen we zoo kort mogelijk zijn.De Republiek der Vereenigde Nederlanden voerde oorlog met Engeland, dat in dien tijd ook eene soort van Republiek was. Aan het hoofd dier republiek stond Cromwell, een man, die bij vele ondeugden, ook heel veel deugden bezat,iets dat Vorsten en gewone burgers, die boven duizenden uitsteken, meest allen met elkander gemeen hebben. Die Cromwell nu, had getracht met de zeven gewesten onzer Unie een zeer nauw verbond te sluiten, doch dit was niet gelukt. De Engelsche gezanten, die dit verbond hadden moeten tot stand helpen brengen, keerden onverrichter zake naar Engeland terug. Kort hierop vaardigde Engeland de zoogenaamde „Acte van navigatie” of „Scheepvaart-wet” uit. Die Acte was voor de Nederlanders zeer nadeelig; want door die wet toch werd bepaald, dat vreemde schepen in Engeland geene andere waren mochten brengen, dan die genoemd konden worden: voortbrengselen van het land waar ze vandaan kwamen. Nu hadden de Nederlanders tot dat oogenblik de rijke voortbrengselen uit Oost- en West-Indië vrij en ongestoord in Engeland mogen brengen, en hiermede, dat spreekt vanzelf, aardig wat verdiend. Die verdiensten hielden nu op, en maakten dat Engeland won, wat wij verloren. Door dezen maatregel bevorderde Cromwell dus de scheepvaart van zijn eigen volk, en het nadeel, dat wij daardoor leden, heeft ons wel wat partijdig tegenover Cromwell gemaakt, en ons veel onwaars doen vertellen. Een nader onderzoek, vooral van den laatsten tijd, is oorzaak geweest, dat men dien man thans van veel voordeeliger zijde heeft leeren kennen.Dat wij bij die voor ons zoo nadeelige „Scheepvaartwet” niet stil bleven zitten, spreekt vanzelf, doch al onze pogingen leden schipbreuk. Een gezantschap, aan welks hoofd Jacob Cats stond, kon bij de Britsche regeering niets gedaan krijgen, en wij moesten ons de vernedering getroosten, Engelands heerschappij ter zee te erkennen, door heel beleefd de Engelsche vlag te groeten. Er kwam evenwel nog veel meer bij. Onze koopvaarders moesten zich onderwerpen, in volle zee zelfs, gevisiteerd te worden, en toen eenige Engelsche schepen van dat „zichzelven aangematigd recht” gebruik gemaakt, ja, eenige vaartuigen genomen hadden,werd Marten Harpertsz. Tromp met eene oorlogsvloot in zee gezonden om dit te beletten. Hij kreeg evenwel een streng bevel mede, de vijandelijkheden zooveel mogelijk te voorkomen.Zijnlast luidde als die, welken de Staten-Generaal aan alle Bevelhebbers medegaven:„Bejegenende eenige oorlochschepen van eenige Coningen, Princen, Potentaten ofte Republycken, met dezen Staet in alliantie ofte neutraliteyt synde, sullen deselve betoonen alle courtoisie ende vruntschap, sonder nochtans yetwes van deselve te gedogen, dat tot cleynachtinge ofte schade van desen Staet soude connen strecken.”Bij Tromps last werd nog gevoegd zich zoo te gedragen dat de Staat „geene kleinigheid” zou komen te lijden.Nu had Tromp, die in het Kanaal kruiste om onze koopvaardij-schepen tegen de grievende en willekeurige handelingen der Engelschen te beschermen, de Engelsche vloot onder Blake ontmoet. Dat hij zich gehaast heeft om door het strijken der vlag „alle courtoisie” te betoonen, geloof ik niet. Hoe toch konden wij de Engelschen beschouwen als vrienden of bondgenooten waar ze ons tergend en minachtend behandelden? Het gemoed van elken eerlijken zeeman, hij mocht Admiraal of Matroos zijn, kwam hiertegen in verzet. Toch begon Tromp gevolg te geven aan den last der Staten en liet op de beide marszeilen na, alle zeilen en den wimpel, die onder de zoogenaamde Prinsen- of Staten-vlag woei, innemen. Maar temidden van dat alles werden Tromp en de zijnen met kanonskogels der Engelschen begroet en een der kogels schoot eenen arm van eenen matroos weg. Tromp stond reeds gereed eene boodschap naar Blake te sturen om te vragen, waarom hij schoot, toen een Engelsche kogel zijn schip doorboorde. Nu meende hij aan zijnen last te kort te doen zoo hij het vijandelijke vuur niet beantwoordde en—de Eerste Engelsche oorlog, die ons op zoovele verliezen te staan zou komen, was begonnen. Tromp zeî, dat het de schuld van Blake, en Blake zeî, dat het de schuld vanTromp was, en alle onderhandelingen, die er gevoerd werden om den oorlog te voorkomen, waren vergeefsch. Wij werden telkens geslagen, en kwam dat ook, omdat de Engelsche vloot beter dan de onze was, het volk wilde het niet gelooven, en Marten Harpertsz. Tromp, de dappere Bevelhebber, werd instaat van beschuldiging gesteld, en voor eenigen tijd van zijne betrekking zoo goed als ontzet.Zoo staan de zaken, waar we ons in de Julimaand van 1652 te Vlissingen bevinden.Zonder ons nu langer door de luid gevoerde gesprekken der ontevredenen te laten ophouden, wandelen wij bedaard verder voort, en komen zoodoende weldra in eene buurt waar eenige kooplieden en vele rustende schippers wonen.Die ruste is evenwel bij velen gedwongen, we weten het.Enkelen slechts zijn er, die na jaren zwalkens en zwervens, voor goed den wal gekozen hebben. Eene der woningen waarin zulk een Schipper in vrijwillige ruste woont, treden wij binnen.Het ziet er wel niet heel rijk, maar toch deftig uit, en het is terstond te zien, dat hier iemand verblijf houdt, die het zeer goed doen kan, of die, zooals men dat ook wel eens zegt, zijne schaapjes op het droge heeft.De bewoner van dat huis, die Schipper in ruste, heet Michiel Adriaensz. De Ruyter, die nu voor de derde maal gehuwd is met Anna Van Gelder. Zijne eerste vrouw was Maria Velders, doch met deze mocht hij slechts tien maanden gelukkig leven. De dood, die niemand nog ontzien heeft, was ook ongevraagd, ongeweigerd, de woning van De Ruyter binnen getreden, toen deze nog als Stuurman voer. Zijne tweede vrouw was Cornelia Engels, die later, als zijne vrouw, de voeten nog aanbreide van de veel te groote kousen, die zij haren man gegeven had, toen deze als bootsmansleerling naar zee ging. Uit dit huwelijk had De Ruyter vier kinderen, namelijk Adriaen, die nu vijftien,—Cornelia, die dertien,—Alida, die tien en Engel, die drie jaren oud was.Zijne derde vrouw, Anna Van Gelder, was, toen zij met onzen Michiel in het huwelijk trad, de weduwe van Jan Paulusz., die ook als Schipper voor de Heeren Lampsens gevaren had, doch op zee gestorven was. Michiel en zijne vrouw hadden te zamen een aardig kapitaaltje bij elkander gebracht, groot genoeg om er in Vlissingen deftig en ruim van te kunnen leven, en daar Anna Van Gelder bevreesd was, ook eenmaal haren Michiel op zee door den dood te verliezen, zoo had ze hem weten te bewegen aanwal te blijven, iets waarnaar Michiel, hoe vreemd het ons ook moge klinken, wel ooren had.Voor de vier kinderen van hare oude vriendin Cornelia was Anna, die we nu maar Mevrouw De Ruyter zullen noemen, eene beste Moeder, die alles deed om de liefde van hare stiefkinderen te winnen en die daarin dan ook wonderwel slaagde.Waar op het oogenblik de kinderen zouden zijn?Wel, boven op de kinderkamer.Wij gaan er heen en vinden daar den driejarigen Engel, een allerliefst knaapje, op zijn stoeltje zittend en met zijn kopje op de tafel in slaap gedommeld. Het is hier zoo even warm ook.Maar Adriaen, Cornelia en Alida dan?Stil, ik hoor zoo wat daar in die zijkamer. Is dat de studeerkamer niet van den voormaligen Schipper Michiel Adriaensz. De Ruyter?Loop heen, de Schipper zou eene studeerkamer er op nahouden? Dat gelijkt nergens naar!Of hij dan nooit boeken over zeevaartkunde bestudeerd heeft, vraagt ge? Nu ja, wel enkele; maar we zijn niet in de negentiende eeuw, waarin de heele wereld wel bedekt kan worden met eenen stapel boeken, en waarin men niet meer Scheepskapitein worden kan zonder een examen gedaan te hebben. Er waren nog heel weinig boeken, en leeren, wel, dat deed de zeeman op zee, nergens anders! Dat heeftSchipper De Ruyter ook zoo gedaan. Het is dan ook niet zijne studeer-, maar zijne rariteiten-kamer.Wij treden binnen en vinden daar Adriaen, die eene groote verzameling papier voor zich heeft, waaruit hij een en ander vertelt aan Cornelia en Alida.Als hij een blad omslaat kunnen we zoo terloops lezen, dat er boven staat: „Journael ofte Daghboeck van Michiel Adriaensz. De Ruyter, voerende de „Zeehond” ende kruysende teghens die Duinkercker caepers in den jare onzes Heeren J. C. 1637.Eer we luisteren wat die knaap daar aan zijne zusjes vertelt, nemen we de kamer even op.Oost en West, Zuid en Noord zijn hier bij elkander. Al wat hij als Stuurman, of als Schipper in die verre landen vreemds vond, en dat mede genomen kon worden, nam hij mede naar huis en gaf het hier een plaatsje.Geen wonder dat het er bont genoeg uitziet.We vinden maar een stuk of wat boeken.Een er van is de groote scheepsbijbel, in folio formaat, en daarnaast ligt een kleiner. Het is die, welken hij van Dominé mede kreeg, toen hij voor het eerst naar zee ging. Het boek is druk gelezen, en als Schipper De Ruyter bij ons kwam en verzekerde, dat hij dat boek uit zijn hoofd kan opzeggen, dan zou het ons niemendal verwonderen.Verder vinden we gedichten van den Raadpensionaris Cats, die, hoewel hij reeds vijfenzeventig jaar oud is, nog altijd voortgaat op zijne buitenplaats Zorgvliet, even buiten Den Haag gelegen, gedichten te maken, welke alom zeer geprezen, en buitendien ook veel gelezen worden. En daar, op een vergeten plaatsje tusschen krissen, klewangs, kokosnotenschillen en andere dingen, ligt nog een boekske, getiteld: „Comoedia Vetus of Bootsmanspraetje.” Als ik het wèl heb, zult ge Schipper De Ruyter niet boos zien worden, als ge dit boekje steelt, want de schrijver ervan, een zekere Willem Meerman, die leefde ten tijde der twistentusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten, is het met geene van de twee partijen eens en geeft, al naarmate ze het verdienen, nu eens de eene, dan de andere partij harde waarheden te slikken. En hiermede moet men bij Schipper De Ruyter, die een goed Contra-Remonstrant geworden is, niet aankomen. Hij houdt niet van dergelijke hatelijkheden, het allerminst op de partij der Contra-Remonstranten.Nu we de kleine bibliotheek van den Schipper in ruste, benevens de rariteiten opgenomen hebben, willen we eens gaan luisteren wat Adriaen, die wel goed uitgegroeid is, doch er niet heel stevig en gezond uitziet, aan zijne zusjes zooal vertelt.„Toen ik verledene week hier naar een oud zeemansmes zocht, lichtte ik dezen hoop papieren eens op om te zien, of er geen achter lag. Ik vond er geen en het pak papier weer opnemende zag ik, dat er op het bovenste blad stond: „Journael.” Ik maakte het open, en begon te lezen. Raadt eens wat?”„Och kom, Adriaen, geef ons geene raadseltjes op,” zeide Cornelia. „Zeg het ons maar dadelijk.”„Nu, ge kunt toch wel eens éénen keer raden?”„Dat kan ik ook wel; maar ik zou wel duizendmaal moeten raden en dan zou ik het nog niet weten. Och toe, zeg het ons immers nu maar!”„Wel, als ge dan niet éénen keer raden wilt, dan zal ik het u wel zeggen. Het waren aanteekeningen van Vaders zeereizen, als Schipper, Kapitein en Schout-bij-nacht!”„Dat is prettig! En staat daarin alles, wat hij ons nooit heeft willen vertellen?” vroeg Cornelia.„Ja, alles! O, meid, gij kunt niet begrijpen hoeveel Vader zoo al ondervonden heeft. Wil ik het eens vertellen?”„Dat is goed; maar als Vader of Moeder komt, wat dan?”„Vader zal niet hier komen, hij is naar het groote zeehoofd en hoewel daar tegenwoordig weinig te zien is, zoois Vader daar nog altijd te vinden. Ik geloof, dat als Moeder hem niet aan den wal hield, hij weer al lang het zeegat uit zou zijn. Vader zal dus niet komen en Moeder heeft met Aaltje en de werkster de groote wasch, die zoo pas thuis gekomen is, te beredderen, die zal dus ook niet komen. Het is eene goede gelegenheid.”
We slaan nu maar ineens een groot aantal jaren over en doen, alsof het zoo maar ongemerkt Hooimaand van het jaar 1652 geworden is.
Wij willen ons verbeelden te Vlissingen te zijn, te Vlissingen de geboorteplaats van zoovele Nederlandsche zeehelden, die Gewest en Vaderland zoo eerlijk en roemvol dienden.
Sinds we hier het laatst waren is er nog al wat veranderd. Hier werd afgebroken, daar bijgebouwd. Vlissingen is sedert dien tijd grooter en bedrijviger geworden. Het is wel op verre na geen Middelburg, noch in schoonheid en regelmatigheid van aanleg, noch in rijkdom, maar toch wordt hier ook veel handel gedreven op Oost en West, en de meeste varensgezellen, die de koopvaarders der Middelburgsche reeders bemannen, wonen hier. Enkele Heeren, zooals Lampsens, vinden het zelfs verkieslijker hier dan in Middelburg te wonen. Hier vindt men ruime havens, die met kleine kosten op behoorlijke diepte kunnen gehouden worden, en hoewel de Middelburgsche haven, die bij het fort Rammekens in de Schelde loopt, Zeelands hoofdstadmet de zee verbindt, ondervinden de zwaar geladen schepen telkens, dat die haven, niettegenstaande de groote kosten, die er jaarlijks aan besteed worden, toch op den duur te veel verzandt en te weinig diepte heeft.
Maar of men nu te Middelburg of te Vlissingen is, men vindt in geene van die twee plaatsen die woelige bedrijvigheid, die zoozeer het kenmerk is van handelssteden. Integendeel, de havens bevatten wel schepen, doch deze liggen, half afgetuigd aan den wal gemeerd, zoo rustig en stil, alsof ze wachten op iets, dat lang wegblijft en denkelijk vooreerst nog niet komen zal. Geen vroolijk zeemansliedje klinkt er aanboord, want er is geen volk op. De tamelijk breede en diepe kaden, waar men een paar jaren geleden de voeten niet zetten kon zonder gevaar te loopen tegen balen, kisten, pakken, zakken, manden, kabels, kettingen en duizenden dingen meer, te stooten, liggen nu geheel en al ledig. In de koopmanskantoren zitten boekhouders en klerken op hun stoeltje met den rug naar den lessenaar op hunne pennen te bijten.
Alleen op de scheepstimmerwerven heerscht drukte. Men bouwt daar evenwel geene koopvaardij-schepen, maar oorlogsbodems en overal, waar men komt, hoort men van niets anders dan van zeegevechten, die door de onzen gevoerd worden, spreken. Die gesprekken houdt men met ernstig gelaat, en nergens wordt gejuich vernomen. Hieruit valt op te maken, dat het ons niet voor den wind gaat, en dat we den oorlog met nadeel en schade voeren.
„Als schade maar niet met één lettertje meer ook schande wordt,” mompelt er een, en nauwelijks heeft hij dat gezegd, of van alle kanten hoort men op den Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp smalen.
„Hij moet van zijn ambt ontzet worden!” roept er een.
„Ra-vallen was stellig nog wel zoo goed!” schreeuwt een ander.
„Wat heeft die kerel den oorlog te beginnen, als hij geenbeleid en dapperheid genoeg heeft dien te voeren?” laat een ander zich hooren.
„Onze eigen schuld,” zegt een vierde, „waarom benoemen de Staten van Zeeland niet eenen eigen Bevelhebber der vloot? Hebben wij bij de zee niet evenveel belang als de Hollanders?”
„Houd den mond, maat! Het ras der Vlissingsche Watergeuzen is uitgestorven. In heel Zeeland vindt men niets anders dan luie baliekluivers en onwijze landrotten, die van de zeevaart niets weten en geenen knip voor den neus waard zijn,” klinkt de stem van eenen matroos op schamperen toon, en als hij ziet, dat hij onder het volk een aandachtig gehoor vindt, vervolgt hij met nog veel meer bitters in zijne stem: „Holland alleen is knap voor zes, zoo meent het althans, en ringeloort daarom de zes andere gewesten zoo hard als het maar kan. Maar ik zeg, en wie spreekt het tegen: de Hollanders zijn koekbakkers en dukaten-tellers, die op éénen duit dood blijven.”
Een algemeen gelach beantwoordt deze laatste woorden, doch één uit den hoop vindt dat toch te kras en zegt: „Hei, hei, dat is al te boud gesproken, kompeer! Ik geef toe, dat wij, Zeeuwen, heel weinig in de melk te brokken hebben, maar welk gewest zit niet onder de Hollandsche plak? Waar kraait de Hollandsche haan niet koning? Zoo was het lang geleden, zoo is het nu, zoo zal het blijven. Maar mannen, die dat kunnen en durven, zijn heel wat anders dan koekbakkers en dukaten-tellers; ze zijn mannen met haar op de tanden, dat zeg ik!”
„Een gedeserteerde Zeeuw!” roept op dit oogenblik een der hoorders.
De laatste spreker schudt het hoofd en vervolgt: „Neen, niet gedeserteerd, een Zeeuw van Ouder tot Ouder. Ik zeg de waarheid. De Hollanders zijn mannen, die durven, maar hun gevoel van overwicht en macht maakt hen onbillijk en onredelijk. Hun trots en hoogmoed gaan alle perkenen palen te buiten, en inplaats van ons als kinderen van één huis, als zonen van hetzelfde volk te beschouwen, doen ze met ons als met de Generaliteits-landen en zijn we in hun oog beweldadigden, door Holland beweldadigden, die dankbaar moeten zijn, dat dit machtige gewest ons wel als broeders wil erkennen. En ziet ge, dat is Hollands oneer, maar onze schande. Wij moeten ons niet laten ringelooren en toonen, dat wij niet onder, maar naast Holland staan. De Zeeuwen moeten over hunne eigen schepen van oorlog eenen eigen Admiraal hebben, die alweer niet staat onder, maar naast den Hollandschen Admiraal.”
Dat was gesproken naar den mond der menigte, die deze woorden stormachtig toejuichte. Een echter, een man als een boom, een varensgezel, zeer gezien onder het volk, schudde het hoofd en zeide: „Geene twee groote masten op één schip of heel de boel gaat naar den kelder. Eén Hoofd moet er zijn, dat moet, of Engeland krijgt ons er heelemaal onder. Maar Holland moet zijne kleingeestigheid laten varen met steeds te willen, dat een Hollandsche Admiraal het opperbevel voert. Hadden we eenen Stadhouder dan was deze meteen Admiraal-Generaal. Nu hebben wij er geen en wil Holland in zijne plaats treden, dat is de heele zaak.”
„En Holland scheept ons op met eenen Tromp, die wel oorlog weet te maken, doch die, als het er op aankomt niets anders weet dan zeeslagen te verliezen. Wij willen Tromp niet,” riep een burger uit den hoop.
„Houd den mond daar, gij, landrot, en zwijg over Tromp, want dat is een man, zooals er maar weinigen zijn. Ik was er bij toen wij in het Kanaal kruisten om onze koopvaarders te beschermen met den dubbelzinnigen last door Tromp medegekregen, te zorgen dat onze Republiek door de Roôrokken....”
„Zeg Koningsmoorders”, riep er een.
„Goed, om te zorgen dat onze Republiek door de Koningsmoorders geene kleinigheid zou komen te lijden. En hoetergend voor elken zeeman van de Republiek het ook ware, reeds stond Tromp, toen hij de Engelschen ontmoette, gereed om de vlag als een teeken van onderdanigheid te strijken, toen Blake den dans begon met ons eenen kogel toe te zenden. Neen, niet Tromp alleen was het, die deze vijandelijke kogels beantwoordde. Het bloed van groot en klein kookte bij het zien van die beleediging, en ik geloof zelfs dat het bevel van Tromp niet afgewacht werd om ons allen naar de kanonnen te doen snellen om te toonen, dat we nog jongens van Duins waren. En wie de oorlog begonnen is? De koopman, die achter zijnen lessenaar, de uitgaven van de inkomsten aftrekt en steeds winst begeert, onverschillig of het zeevolk voor die winst alle eergevoel moet afleggen, hij is er de naaste oorzaak van. Is me dat eene vloot, die ze aan Tromp geven om oorlog te voeren! Alles is op een koopje ingericht, en er is zooveel eenheid, als in eene kudde wilde varkens. Een Stadhouder alleen....”
„Weg met de Stadhouders! We kunnen onze eigen vensterruiten zeemen,” klonk eene ruwe stem.
Die woorden brachten verdeeldheid onder de menigte, die, zooals dat altijd gaat, de tegenpartij met de meest ondoordachte woorden en eene veel te geringe kennis van zaken, instaat van beschuldiging stelt. De verstandigen hadden heel wat werks om de orde te handhaven en een bloedig burgergevecht te voorkomen.
Wij maken ons ook uit de voeten, doch vragen toch: „Wat is er gaande?”
Om die vraag te beantwoorden willen we even het boek van onze geschiedenis openslaan, doch om spoedig tot den held van ons verhaal terug te kunnen keeren, zullen we zoo kort mogelijk zijn.
De Republiek der Vereenigde Nederlanden voerde oorlog met Engeland, dat in dien tijd ook eene soort van Republiek was. Aan het hoofd dier republiek stond Cromwell, een man, die bij vele ondeugden, ook heel veel deugden bezat,iets dat Vorsten en gewone burgers, die boven duizenden uitsteken, meest allen met elkander gemeen hebben. Die Cromwell nu, had getracht met de zeven gewesten onzer Unie een zeer nauw verbond te sluiten, doch dit was niet gelukt. De Engelsche gezanten, die dit verbond hadden moeten tot stand helpen brengen, keerden onverrichter zake naar Engeland terug. Kort hierop vaardigde Engeland de zoogenaamde „Acte van navigatie” of „Scheepvaart-wet” uit. Die Acte was voor de Nederlanders zeer nadeelig; want door die wet toch werd bepaald, dat vreemde schepen in Engeland geene andere waren mochten brengen, dan die genoemd konden worden: voortbrengselen van het land waar ze vandaan kwamen. Nu hadden de Nederlanders tot dat oogenblik de rijke voortbrengselen uit Oost- en West-Indië vrij en ongestoord in Engeland mogen brengen, en hiermede, dat spreekt vanzelf, aardig wat verdiend. Die verdiensten hielden nu op, en maakten dat Engeland won, wat wij verloren. Door dezen maatregel bevorderde Cromwell dus de scheepvaart van zijn eigen volk, en het nadeel, dat wij daardoor leden, heeft ons wel wat partijdig tegenover Cromwell gemaakt, en ons veel onwaars doen vertellen. Een nader onderzoek, vooral van den laatsten tijd, is oorzaak geweest, dat men dien man thans van veel voordeeliger zijde heeft leeren kennen.
Dat wij bij die voor ons zoo nadeelige „Scheepvaartwet” niet stil bleven zitten, spreekt vanzelf, doch al onze pogingen leden schipbreuk. Een gezantschap, aan welks hoofd Jacob Cats stond, kon bij de Britsche regeering niets gedaan krijgen, en wij moesten ons de vernedering getroosten, Engelands heerschappij ter zee te erkennen, door heel beleefd de Engelsche vlag te groeten. Er kwam evenwel nog veel meer bij. Onze koopvaarders moesten zich onderwerpen, in volle zee zelfs, gevisiteerd te worden, en toen eenige Engelsche schepen van dat „zichzelven aangematigd recht” gebruik gemaakt, ja, eenige vaartuigen genomen hadden,werd Marten Harpertsz. Tromp met eene oorlogsvloot in zee gezonden om dit te beletten. Hij kreeg evenwel een streng bevel mede, de vijandelijkheden zooveel mogelijk te voorkomen.Zijnlast luidde als die, welken de Staten-Generaal aan alle Bevelhebbers medegaven:
„Bejegenende eenige oorlochschepen van eenige Coningen, Princen, Potentaten ofte Republycken, met dezen Staet in alliantie ofte neutraliteyt synde, sullen deselve betoonen alle courtoisie ende vruntschap, sonder nochtans yetwes van deselve te gedogen, dat tot cleynachtinge ofte schade van desen Staet soude connen strecken.”
Bij Tromps last werd nog gevoegd zich zoo te gedragen dat de Staat „geene kleinigheid” zou komen te lijden.
Nu had Tromp, die in het Kanaal kruiste om onze koopvaardij-schepen tegen de grievende en willekeurige handelingen der Engelschen te beschermen, de Engelsche vloot onder Blake ontmoet. Dat hij zich gehaast heeft om door het strijken der vlag „alle courtoisie” te betoonen, geloof ik niet. Hoe toch konden wij de Engelschen beschouwen als vrienden of bondgenooten waar ze ons tergend en minachtend behandelden? Het gemoed van elken eerlijken zeeman, hij mocht Admiraal of Matroos zijn, kwam hiertegen in verzet. Toch begon Tromp gevolg te geven aan den last der Staten en liet op de beide marszeilen na, alle zeilen en den wimpel, die onder de zoogenaamde Prinsen- of Staten-vlag woei, innemen. Maar temidden van dat alles werden Tromp en de zijnen met kanonskogels der Engelschen begroet en een der kogels schoot eenen arm van eenen matroos weg. Tromp stond reeds gereed eene boodschap naar Blake te sturen om te vragen, waarom hij schoot, toen een Engelsche kogel zijn schip doorboorde. Nu meende hij aan zijnen last te kort te doen zoo hij het vijandelijke vuur niet beantwoordde en—de Eerste Engelsche oorlog, die ons op zoovele verliezen te staan zou komen, was begonnen. Tromp zeî, dat het de schuld van Blake, en Blake zeî, dat het de schuld vanTromp was, en alle onderhandelingen, die er gevoerd werden om den oorlog te voorkomen, waren vergeefsch. Wij werden telkens geslagen, en kwam dat ook, omdat de Engelsche vloot beter dan de onze was, het volk wilde het niet gelooven, en Marten Harpertsz. Tromp, de dappere Bevelhebber, werd instaat van beschuldiging gesteld, en voor eenigen tijd van zijne betrekking zoo goed als ontzet.
Zoo staan de zaken, waar we ons in de Julimaand van 1652 te Vlissingen bevinden.
Zonder ons nu langer door de luid gevoerde gesprekken der ontevredenen te laten ophouden, wandelen wij bedaard verder voort, en komen zoodoende weldra in eene buurt waar eenige kooplieden en vele rustende schippers wonen.
Die ruste is evenwel bij velen gedwongen, we weten het.
Enkelen slechts zijn er, die na jaren zwalkens en zwervens, voor goed den wal gekozen hebben. Eene der woningen waarin zulk een Schipper in vrijwillige ruste woont, treden wij binnen.
Het ziet er wel niet heel rijk, maar toch deftig uit, en het is terstond te zien, dat hier iemand verblijf houdt, die het zeer goed doen kan, of die, zooals men dat ook wel eens zegt, zijne schaapjes op het droge heeft.
De bewoner van dat huis, die Schipper in ruste, heet Michiel Adriaensz. De Ruyter, die nu voor de derde maal gehuwd is met Anna Van Gelder. Zijne eerste vrouw was Maria Velders, doch met deze mocht hij slechts tien maanden gelukkig leven. De dood, die niemand nog ontzien heeft, was ook ongevraagd, ongeweigerd, de woning van De Ruyter binnen getreden, toen deze nog als Stuurman voer. Zijne tweede vrouw was Cornelia Engels, die later, als zijne vrouw, de voeten nog aanbreide van de veel te groote kousen, die zij haren man gegeven had, toen deze als bootsmansleerling naar zee ging. Uit dit huwelijk had De Ruyter vier kinderen, namelijk Adriaen, die nu vijftien,—Cornelia, die dertien,—Alida, die tien en Engel, die drie jaren oud was.
Zijne derde vrouw, Anna Van Gelder, was, toen zij met onzen Michiel in het huwelijk trad, de weduwe van Jan Paulusz., die ook als Schipper voor de Heeren Lampsens gevaren had, doch op zee gestorven was. Michiel en zijne vrouw hadden te zamen een aardig kapitaaltje bij elkander gebracht, groot genoeg om er in Vlissingen deftig en ruim van te kunnen leven, en daar Anna Van Gelder bevreesd was, ook eenmaal haren Michiel op zee door den dood te verliezen, zoo had ze hem weten te bewegen aanwal te blijven, iets waarnaar Michiel, hoe vreemd het ons ook moge klinken, wel ooren had.
Voor de vier kinderen van hare oude vriendin Cornelia was Anna, die we nu maar Mevrouw De Ruyter zullen noemen, eene beste Moeder, die alles deed om de liefde van hare stiefkinderen te winnen en die daarin dan ook wonderwel slaagde.
Waar op het oogenblik de kinderen zouden zijn?
Wel, boven op de kinderkamer.
Wij gaan er heen en vinden daar den driejarigen Engel, een allerliefst knaapje, op zijn stoeltje zittend en met zijn kopje op de tafel in slaap gedommeld. Het is hier zoo even warm ook.
Maar Adriaen, Cornelia en Alida dan?
Stil, ik hoor zoo wat daar in die zijkamer. Is dat de studeerkamer niet van den voormaligen Schipper Michiel Adriaensz. De Ruyter?
Loop heen, de Schipper zou eene studeerkamer er op nahouden? Dat gelijkt nergens naar!
Of hij dan nooit boeken over zeevaartkunde bestudeerd heeft, vraagt ge? Nu ja, wel enkele; maar we zijn niet in de negentiende eeuw, waarin de heele wereld wel bedekt kan worden met eenen stapel boeken, en waarin men niet meer Scheepskapitein worden kan zonder een examen gedaan te hebben. Er waren nog heel weinig boeken, en leeren, wel, dat deed de zeeman op zee, nergens anders! Dat heeftSchipper De Ruyter ook zoo gedaan. Het is dan ook niet zijne studeer-, maar zijne rariteiten-kamer.
Wij treden binnen en vinden daar Adriaen, die eene groote verzameling papier voor zich heeft, waaruit hij een en ander vertelt aan Cornelia en Alida.
Als hij een blad omslaat kunnen we zoo terloops lezen, dat er boven staat: „Journael ofte Daghboeck van Michiel Adriaensz. De Ruyter, voerende de „Zeehond” ende kruysende teghens die Duinkercker caepers in den jare onzes Heeren J. C. 1637.
Eer we luisteren wat die knaap daar aan zijne zusjes vertelt, nemen we de kamer even op.
Oost en West, Zuid en Noord zijn hier bij elkander. Al wat hij als Stuurman, of als Schipper in die verre landen vreemds vond, en dat mede genomen kon worden, nam hij mede naar huis en gaf het hier een plaatsje.
Geen wonder dat het er bont genoeg uitziet.
We vinden maar een stuk of wat boeken.
Een er van is de groote scheepsbijbel, in folio formaat, en daarnaast ligt een kleiner. Het is die, welken hij van Dominé mede kreeg, toen hij voor het eerst naar zee ging. Het boek is druk gelezen, en als Schipper De Ruyter bij ons kwam en verzekerde, dat hij dat boek uit zijn hoofd kan opzeggen, dan zou het ons niemendal verwonderen.
Verder vinden we gedichten van den Raadpensionaris Cats, die, hoewel hij reeds vijfenzeventig jaar oud is, nog altijd voortgaat op zijne buitenplaats Zorgvliet, even buiten Den Haag gelegen, gedichten te maken, welke alom zeer geprezen, en buitendien ook veel gelezen worden. En daar, op een vergeten plaatsje tusschen krissen, klewangs, kokosnotenschillen en andere dingen, ligt nog een boekske, getiteld: „Comoedia Vetus of Bootsmanspraetje.” Als ik het wèl heb, zult ge Schipper De Ruyter niet boos zien worden, als ge dit boekje steelt, want de schrijver ervan, een zekere Willem Meerman, die leefde ten tijde der twistentusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten, is het met geene van de twee partijen eens en geeft, al naarmate ze het verdienen, nu eens de eene, dan de andere partij harde waarheden te slikken. En hiermede moet men bij Schipper De Ruyter, die een goed Contra-Remonstrant geworden is, niet aankomen. Hij houdt niet van dergelijke hatelijkheden, het allerminst op de partij der Contra-Remonstranten.
Nu we de kleine bibliotheek van den Schipper in ruste, benevens de rariteiten opgenomen hebben, willen we eens gaan luisteren wat Adriaen, die wel goed uitgegroeid is, doch er niet heel stevig en gezond uitziet, aan zijne zusjes zooal vertelt.
„Toen ik verledene week hier naar een oud zeemansmes zocht, lichtte ik dezen hoop papieren eens op om te zien, of er geen achter lag. Ik vond er geen en het pak papier weer opnemende zag ik, dat er op het bovenste blad stond: „Journael.” Ik maakte het open, en begon te lezen. Raadt eens wat?”
„Och kom, Adriaen, geef ons geene raadseltjes op,” zeide Cornelia. „Zeg het ons maar dadelijk.”
„Nu, ge kunt toch wel eens éénen keer raden?”
„Dat kan ik ook wel; maar ik zou wel duizendmaal moeten raden en dan zou ik het nog niet weten. Och toe, zeg het ons immers nu maar!”
„Wel, als ge dan niet éénen keer raden wilt, dan zal ik het u wel zeggen. Het waren aanteekeningen van Vaders zeereizen, als Schipper, Kapitein en Schout-bij-nacht!”
„Dat is prettig! En staat daarin alles, wat hij ons nooit heeft willen vertellen?” vroeg Cornelia.
„Ja, alles! O, meid, gij kunt niet begrijpen hoeveel Vader zoo al ondervonden heeft. Wil ik het eens vertellen?”
„Dat is goed; maar als Vader of Moeder komt, wat dan?”
„Vader zal niet hier komen, hij is naar het groote zeehoofd en hoewel daar tegenwoordig weinig te zien is, zoois Vader daar nog altijd te vinden. Ik geloof, dat als Moeder hem niet aan den wal hield, hij weer al lang het zeegat uit zou zijn. Vader zal dus niet komen en Moeder heeft met Aaltje en de werkster de groote wasch, die zoo pas thuis gekomen is, te beredderen, die zal dus ook niet komen. Het is eene goede gelegenheid.”