TWEEDE HOOFDSTUK.Het voorspel van een helden-leven.Hoewel wij weten, dat Adriaen hier iets schijnt te doen, dat zijn Vader niet graag heeft, vinden we toch ook de gelegenheid te schoon om een en ander van Schipper De Ruyter, die nu al vijfenveertig jaar oud geworden is, te weten te komen van al wat er met hem sinds den dood zijner lieve Moeder zoo al gebeurd is. De Schipper zelf vertelt dat aan niemand. Luisteren wij dus maar goed toe, wat Adriaenzoo alvertelt.„Op zijn vierentwintigste jaar,” zoo begint Adriaen te vertellen, „was Vader al Stuurman op „de Groene Leeuw”, die op Groenland voer, doch hoewel Vader nu niet zoo heel erg bang uitgevallen is, zoo vond hij de vaart tusschen het ijs toch niet naar zijnen zin en ging hij voor de Heeren Lampsens weer op Oost en West varen, dat wil zeggen: hij bleef uit het Noorden. Eens dat Vader nu met zijn schip van Ierland kwam, zag hij uit de verte eenen Duinkerker kaper op hem afkomen.„Schipper,” zei de Stuurman, „dat is, als ik het wel heb, om ons te doen.”„Dat is het ook, mijn jongen!” antwoordde Vader.„Willen we probeeren hem te ontzeilen?”„Onbegonnen werk, dat behoeft niet geprobeerd te worden,die Duinkerkers winnen het toch! Ze hebben het voordeel van den wind en zijn op snel zeilen gebouwd.”„Maar, Schipper, wat zal er dan van onze kostelijke lading boter worden?”Vader bedacht zich een oogenblik en zei: „Ik weet wat, jongen! We zullen het heele dek met oude boter besmeren! Als die luî ons dan enteren en aanboord springen, dan moeten ze vallen, en kunnen wij hun op ons gemak een tikje geven om hen welkom te heeten!”Dat werd gedaan, en niet alleen het dek, maar de verschansing en het want, alles werd met boter besmeerd.„Ja, maar, dat was toch zonde van die kostelijke boter,” zeide Alida, bij wie het zuinige huismoedertje boven kwam.„Ja, zonde, zonde,” hernam Adriaen, „maar het was toch beter drie of vier vaatjes te vermorsen dan een paar honderd vaatjes kwijt te wezen, omdat een kaper er mee aan den haal ging? Bovendien namen ze de slechtste boter van de lading. Maar nu zonde, of geene zonde, Vader liet de boter netjes uitsmeren en deed geene moeite om den kaper, die al nader en nader kwam te ontzeilen. Het werd zoo glad op het dek, dat de matrozen er niet op staan konden, en daarom trokken ze hunne schoenen uit en liepen op hunne kousen. Zoodra de kaper nu zoo dichtbij gekomen was, dat hij Vader ieder oogenblik enteren kon, zei Vader tot het volk: „Jongens, neemt nu handspaken, sabels, stukken ketting, bouten, zwabbers, luiwagens, en al wat ge maar vinden kunt, om er harde klappen of porren mee te kunnen geven. Gaat achter de verschansing staan, dat hij niet zien kan, wat ge in de handen hebt. Springt er nu één over, dan zal die zeker vallen, en dien geeft ge dan zóó zijne bekomst, dat hij zelfs geen, „dankje wel, maat,” kan zeggen. Begrepen?”„Ja, Schipper, opperbest,” zeiden de matrozen en kwamen ieder met eenig wapen aandragen.De matrozen hadden de grootste pret van de wereld enstonden geduldig te wachten tot er een kaper overspringen zou.Het schip draaide bij.„Springt over!” kommandeerde de Kaper-kapitein.Wip, daar ging er een! Maar daar de schepen wel wat ver van elkander lagen en de man misschien wel wat korte beenen had, zoo kwam hij met zijnen neus tegen den buitenkant der verschansing terecht en plofte in zee.Wip, daar ging nummer twee!Die maat bracht het tot op de verschansing, maar juist toen hij voelde, dat hij wel beet mocht pakken, omdat hij anders achterover zou slaan, gleed onze maat al uit en ging zijnen kameraad bij de bruinvisschen gezelschap houden.Wip, daar ging nummer drie!Dat was nog eens een springer! Hij sprong bijkans over Vaders schip aan den anderen kant in het water. Dat het dek zoo glad was had hij niet gezien; hij wilde gaan staan, maar, plof, daar lag oom Kool met de beenen in de lucht, en eer hij tijd had om op te staan, gaf de Stuurman hem met eenen versleten zwabber zulk eenen draai om den knikkerbol, dat de stumperd vergat, dat hij had willen opstaan en bleef liggen. Een vierde kreeg van Vader eenen slag met zijne sabel en een vijfde tuimelde weer van de verschansing in zee. Zoo sprongen er twaalf man over en niet één nog was terecht gekomen.„Dat zal ik eens beter doen,” riep één van de kapers, die voor zooveel als Onder-kapitein speelde, en, wip, daar was hij midden op het dek. Plof, daar lag hij en, pats, daar kreeg hij een hartversterkingetje met eene handspaak en toen was hij heelemaal vergeten, wat hij toch eigenlijk met zijne beenen doen moest, zoodat hij niemendal anders wist uit te voeren dan stilletjes te blijven liggen waar hij lag.Toen de Kapitein van het kaperschip zoo zijne matrozen zag verdwijnen en niet meer voor den dag komen, dacht hij zeker, dat Vaders schip betooverd was en ging aan den haal zoo hard hij kon.Gij kunt begrijpen hoe ze hier te Vlissingen stonden te kijken, toen Vader daar met zijn beboterd schip aankwam, maar zoodra de menschen hoorden waarom dat gedaan en hoe goed het afgeloopen was, kijk, toen scheen het volk wel dol geworden te zijn, en Vader werd door iedereen toegejuicht en geprezen.„Dat wil ik wel gelooven,” zei Cornelia, „want het was meer geluk dan wijsheid, dat er nog één vaatje boter terecht kwam. Zou hij geene belooning ervoor gehad hebben?”„Dat denk ik wel,” antwoordde Adriaen. „Maar laat ik verder vertellen. In dien tijd, het was in 1640, hadden de Portugeezen, die door Alva voor Koning Filips bij Spanje waren gebracht, zich van Spanje losgemaakt en eenen eigen Koning, Joao IV van Bragança, gekozen. Nu waren de Spanjaarden daarmee niemendal gediend, en deden al wat zij konden om de Portugeezen weer te onderwerpen. Maar de nieuwe Koning was slim.„Jongens,” dacht hij, „die Nederlanders zijn altijd nog in oorlog met Spanje, en daar die luiden er toch zooveel schepen op nahouden, konden ze me wel eens even een handje helpen. Het is in alle gevallen te vragen. Zeggen ze, neen, ik doe het niet, best, dan zijn we nog even na. Hij vroeg ons om hulp, en Prins Frederik Hendrik en de Heeren Staten waren hiertoe dadelijk bereid. Er zou eene vlootvantwintig schepen gezonden worden onder den Admiraal Aertus Gijsels en den Vice-admiraal Jacob Pieters Tolk. Nu was het sedert 1614 gewoonte geworden om bij eene vloot, die ten oorlog voer, eenen Kommandeur aan te stellen, die in de achterhoede bleef en te zorgen had, dat geene schepen van de vloot afdwaalden. Daar dit afdwalen meestal bij nacht geschiedde, zoo begon men zulk eenen Kommandeur langzamerhand ook wel Schout-bij-nacht te noemen, en toen nu Zijne Hoogheid Frederik Hendrik onder de Kapiteins eenen geschikten Schout-bij-nacht zocht, viel zijn oog op Vader, die deze benoeming gaarne aannam. Aldus voer Vader als Hoofdofficiervan de vloot uit1. Zijn schip heette „de Haze”. In het midden van Augustus 1641 kwam de vloot pas bijeen. Bij kaap Sint-Vincent geraakte het tot een treffen, en hoewel onze vloot veel zwakker was dan die van den vijand, en er nog al Kapiteins waren, die lafhartig zich uit het gevecht verwijderden, waren we toch zoo gelukkig, den vijand te noodzaken ons niet langer te bevechten. Het werd tijd ook; want bijna al onze schepen waren erg gehavend en konden amper de haven van Lissabon bereiken. De Koning was bijzonder in zijnen schik, dat wij hem zoo ferm geholpen hadden, en gaf daarom aan ieder van de Kapiteins eenen gouden ketting met gedenkpenning. Jammer genoeg maakte de goede man geen onderscheid tusschen lafaards en helden, zoodat Vader, wiens schip bijna stuk geschoten was, maar evenveel kreeg als zij, die eigenlijk uit de verte gekeken hadden, of een zeegevecht ook een mooi gezicht was.In December kwam Vader met roem en eere beladen te Vlissingen aan, en begon weer maar dadelijk als Koopvaardijkapitein te varen.Op eene van zijne reizen naar de West, kreeg hij een groot Spaansch oorlogsvaartuig in het gezicht. Het was duidelijk dat het jacht op hem maakte. Ontvluchten kon Vader niet, en daar hij eene rijke lading inhad, wilde hij die ook niet gaarne zoo maar overgeven. Gelukkig was zijn schip goed bewapend, zoodat hij besloot, den vijand, die veel grooter was dan wij waren, te woord te staan. Zoodra de Spanjaard zag, dat Vader zich maar niet zonder slag ofstoot overgaf, begon hij te schieten; maar daar zijne kanonnen veel hooger stonden dan de verschansing van Vaders schip, zoo deden de kogels hem volstrekt geen kwaad. Maar kon de vijand misschieten, Vader schoot raak, en wel zóó goed, dat het groote Spaansche schip begon te zinken. Nu haalde Vader met de booten zoovele vijanden af, als hij kon, en bracht die aan zijn eigen boord.Onder die gevangen vijanden behoorde ook de Spaansche Kapitein.„Zeg eens, vriendje,” vroeg Vader aan dien Kapitein, „als wij het nu eens verloren hadden en ons schip was gezonken, wat zoudt gij dan gedaan hebben?”„Ik zou u hebben laten verdrinken zonder eene hand tot redding uit te steken!” antwoordde de Spanjaard.„Wel, dat was een brutale kerel,” zeide Cornelia.„Maar Vader liet hem nu toch zeker ook eens verdrinken, nietwaar, Adriaen?” vroeg Alida.„Neen, weet ge wat Vader deed? Hij stelde zich zeer boos aan en gaf zijnen manschappen bevel die Spanjaarden eens gauw overboord te smijten.”„Vergeving! Vergeving!” riepen ze nu en vielen, met den Kapitein voorop, aan Vaders knieën. „Vergeving,Señor!”„Welnu,” sprak Vader, „ik zal geen kwaad met kwaad vergelden! Zoodra we land zien, zullen wij u allen aanwal brengen!”Dat deed Vader ook; en zoo kwamen die Spanjaarden, die gedacht hadden een aardig prijsje te behalen, al heel slecht weg, maar altijd toch nog beter dan ze verdiend hadden.Een poosje later ging Vader naar Salee, dat in het Moorenland ligt, en de bewoners van dat land zijn echte Mohammedaansche schelmen en gauwdieven. Ze stelen als de raven en zijn zoo valsch als eene kat. Gebeurt het, dat daar op de kust een vaartuig schipbreuk lijdt, dan stelen ze het wrak ledig en al wat er aanspoelt is: kip, ik heb-je.De schipbreukelingen helpen, wel ja, dat kunt ge zoo aan uw hart voelen. Neen, mensch, ze halen er nog een voordeeltje van, door ze naar het binnenland te zenden en daar als slaven te verkoopen.”„Hé”, riep Alida, „en ging Vader naar zulk een land? Hoe durfde hij dat doen?”„Wel,” vervolgde Adriaen, „ge weet niet, meid, wat Vader niet al durft. Hij durft alles, maar is er toch voorzichtig bij ook. Hij kwam dan met zijn schip, dat bovenst goed bewapend en bemand was, in het gezicht van Salee.”„Jongens,” dachten vijf Algerijnsche kapers, die daar op den loer lagen om schepen te vangen, „jongens, als we dien Hollandschen dikzak eens te pakken konden krijgen, dat zou een aardig voordeeltje geven! Vooruit, mannen, dat schip is gemakkelijk genomen!”En daar kwamen ze op Vader af.„Met vijf op één jacht maken, vriendjes, is wat al te erg!” dacht Vader en ging hierop naar den Stuurman.„Zeg eens, Stuur,” zeî Vader, „dat zijn daar vijf Algerijnsche roofschepen, ziet gij het wel?”„Ja, Schipper,” was het antwoord. „Maar ik zie ook dat het vijf geroofde schepen zijn. Er is een logge Spanjaard bij, een groote Napolitaan, een scherp gebouwde Franschman en twee zijn er, die ik niet thuis weet te brengen!”„Dat heb ik ook gezien,” zei Vader, „en weet ge wat we nu doen zullen? We kunnen er best twee, ja, zelfs wel drie staan; maar vijf is te veel. We moesten nu doen, alsof we aan den haal gaan, en dan vannacht in het donker terugkomen. We maken ons dan eens ferm slagvaardig, en zoodra de zon opkomt, vallen wij hen onverwachts een voor een aan, want er is dan geene sprake van dat ze nog dicht bij mekaêr zullen liggen. Ik wed dat wij dan die gemeene roovers een lesje zullen geven, dat ze hun leven lang zullen onthouden. Vooruit, doen alsof we vluchten!”Alles gebeurde zooals Vader dat bevolen had, en eer nog die Algerijnen den anderen morgen de slapers uit hunne oogen gewreven hadden, gaf Vader hunnen Admiraal van bakboord de volle laag, en die ging hard aan den haal. Nu stormde Vader op den Vice-admiraal los en gaf hem de laag van stuurboord. De stukken werden zoo gauw mogelijk opnieuw geladen en bom! bom! bom! naar alle kanten schietende, sloeg hij nog twee andere kapers op de vlucht en zeilde toen met vlag en wimpel de haven van Salee binnen.De Mooren, die van het schieten wakker waren geworden en naar de haven gesneld waren, hadden alles gezien! Daar ging me wat een gejuich op! Zulk eenen held hadden ze nog nooit ontmoet. Eer Vader er op bedacht was, hadden ze hem, toen hij aanwal stapte op een paard gezet, en brachten hem zoo, al juichende en schreeuwende van pleizier, in de stad. Van toen af was Vaders kostje daar gekocht. Toen al die eerbewijzen zoo wat afgeloopen waren, keerde hij aanboord terug om zijne waren uit te pakken, en pas had hij dat gedaan of het Opperhoofd van Salee kwam met groot gevolg op zijn schip om te zien, wat er zoo al te koop was. Zijn oog viel dadelijk op een mooi stuk laken en het Opperhoofd vroeg hoeveel dat kosten moest.Vader noemde den prijs, doch die was naar den zin van den man veel te hoog, zoodat hij braaf begon af te dingen.„Neen, Meneer,” zei Vader en schudde het hoofd, „u krijgt het geenen duit minder!”„Nu, ik betaal niet meer dan ik geboden heb, en voor dat geld moet ge het mij geven!” sprak de man op hoogen toon.„Ik mag het niet minder geven, Meneer!” antwoordde Vader. „De reeders van het schip hebben er den prijs van bepaald, en nu mag ik niet onder de markt verkoopen!”„Gij zult en moet het mij voor den prijs, dien ik u bied, afstaan,” sprak de Moor.„En ik geef het er u niet voor, Meneer,” zei Vader heel kalm. „Ik geef het u liever ten geschenke.”„Koppige christenhond,” riep nu de Moor, „weet gij dan niet, dat ik uw heele schip met lading en al nemen, en het volk als slaven verkoopen kan, als gij mij blijft weigeren dat laken voor den prijs, dien ik u bied, af te staan? Morgen ochtend kom ik terug en dan zult gij het mij geven, of ik doe waarmede ik nu bedreigd heb!”Het Opperhoofd vertrok, en af en toe kwamen er Mooren bij Vader aanboord om hem toch te bepraten, het laken voor den bedongen prijs af te staan; want hoeveel ze ook met hem op hadden, toch zouden zij hem morgen moeten straffen, als hij niet wilde toegeven.„Ik geef niet toe,” sprak Vader, „en straft de Sheyk me, welnu, dan zal meteen de heele wereld weten dat een vredelievend handelaar hier met zijn volk door eenen dwingeland als slaaf verkocht wordt. Zeg dat uwen Meester!”Maar ook het scheepsvolk, bevreesd voor de bedreiging van den wreeden Sheyk, zocht Vader over te halen, het laken toch maar voor den bedongen prijs te geven.„Neen,” antwoordde Vader, „hij moet weten dat hij met eenen man te doen heeft.”Den volgenden morgen kwam de Sheyk weer aanboord en na op barschen toon gevraagd te hebben, of men hem nu het laken voor het geboden geld wilde geven, klonk Vaders antwoord: „Neen, Meneer! Gij krijgt het voor het bedongen geld niet! Gij betaalt mij, wat ik u gevraagd heb, of ge neemt het van mij ten geschenke aan, maar onder de markt verkoopen, dat doe ik niet!”Toen Vader dat gezegd had, stonden het scheepsvolk en de Mooren van angst te beven. Wat zou er gebeuren?De Sheyk naderde nu vriendelijk lachend Vader, legde hem de hand op den schouder en zei: „Hollander, gij hebt moed, en ge zijt eerlijk, ja, gij blijft uwen Meesters getrouw ook dan, als gij er verre van verwijderd zijt. Geef hier hetlaken! Ik betaal gaarne, wat gij gevraagd hebt, en wil met geen ander Christen dan met u handel drijven.” Hij drukte Vader de hand en zich hierop tot zijn gevolg keerende, sprak hij: „En gij allen, neemt een voorbeeld aan dezen christenhond en weest op uwe beurt mij ook zoo trouw!”Het gevolg hiervan was, dat er niet één Schipper zoo voordeelig op Salee handelde als Vader. Zij lieten hem zelfs ongehinderd het binnenland intrekken om daar handel te drijven en christen-slaven vrij te koopen. Ja, eens had Vader schipbreuk op de Marokkaansche kust geleden, en al wat er kwam aandrijven werd tot het laatste stuk bezorgd en zelfs hielpen ze hem aan een wrak van een schip om dat op te knappen, en er mee naar Nederland terug te keeren.Eens toen Vader alweer eene zeer voordeelige reis op Salee gedaan had, viel hij onderweg in handen van eenen Franschen kaper, De Lalande geheeten. Daar wij in dien tijd, evenmin als nu, oorlog met Frankrijk hadden, trachtte Vader, door te praten alsBrugman, den Kaper-kapitein te bewegen hem en zijn schip vrij te laten. De Lalande echter was doof aan dat oor en hij wilde van geene teruggave weten. Hij behandelde Vader evenwel goed en bood hem zelfs een glas wijn aan.„Ik dank u,” zei Vader beleefd.„Wat!?” riep De Lalande, „drinkt ge geenen wijn? Gij kunt er verzekerd van zijn, dat hij oud en goed is.”„Goed of niet goed, oud of jong, dat doet er niet toe,” sprak Vader. „Geef mij wat ge eenen gevangene geeft, geef mij water! Slechts vrijen menschen schenkt men wijn!”De Lalande vulde eenen roemer boordevol, bracht hem bij Vader en zeî: „Drink wijn, Meneer De Ruyter! Gij zijt vrij!”„Ik wist wel dat gij een eerlijk vijand waart, Monsieur De Lalande,” sprak Vader. „Mocht ik eenmaal in de gelegenheid zijn u eenen dienst te kunnen bewijzen, dan zult gij zien dat een Nederlander erkentelijk kan zijn.”Zoo kwam Vader gelukkig vrij, maar het was hier ook bijna geweest van den wal in de sloot. Vader sloot zich bij eene groote, terugkeerende koopvaardij-vloot aan, doch toen ze tegen den avond in de nabijheid van het Nauw van Calais kwamen, kregen ze bericht dat de Duinkerker kapers in groot aantal op den loer lagen. Dat bracht niet weinig schrik en ontsteltenis onder de schepelingen der koopvaardijvloot. Zij wisten het maar al te zeer, dat er met die Duinkerkers niet te gekken viel. Maar wat nu te doen? Verreweg de meeste Kapiteins besloten alle zeilen bij te zetten en alle lichten uit te dooven, om zoo in de duisternis van den nacht te ontsnappen. Maar de Duinkerkers schenen kattenoogen te hebben en velen liepen in de fuik. Maar wat denkt ge, dat Vader gedaan had om de kapers mis te loopen? Inplaats van alle zeilen bij te zetten, voer hij onder klein zeil bedaard door, en instede van alle lichten te dooven, zette hij vuurpannen uit, zooals enkel de Vice-admiraals doen. Nu dachten de kapers: „afblijven van „den dien” dat is er een met tanden en horens, die kan bijten en stooten. Dat is een oorlogsschip!”„Hadden ze geweten hoe zwak Vader stond, hij zou niet zoo ongehinderd schip en lading in de Wielingen gekregen hebben, dat is zeker.”Op dit oogenblik kwam de kleine Engel eens kijken waar Adriaen en zijne zusjes waren.„Hij komt ook luisteren,” zei Cornelia.„Wel, vent, zijt ge al uitgeslapen?” vroeg Alida. „Zijt ge wakker, ja? Goed onthouden wat Adriaen leest en vertelt, hoor!”Ze zeide dat eigenlijk spottend en dacht er niet aan, dat kleine potjes ook ooren hebben.„Vader is er dan toch wel altijd gelukkig afgekomen,” zeide nu Cornelia.„Ja, en eens is hij zelfs als door een wonder bewaard gebleven. Hij kwam goed geladen uit de West-Indiën terug en ontmoette onderweg een Engelsch oorlogsschip. We warentoen wel al jaloersch op mekaêr, maar we heetten toch nog altijd goede vrienden te zijn, en als wij op zee den Engelschman het eerst groetten, dan was dat alleen eene beleefdheid. Vader gaf dus bevel dat Engelsche schip met eenige losse kanonschoten te groeten of salueeren, zooals ze dat noemen. Maar wat gebeurt? Pas had hij een paar schoten gedaan of een kanon sprong. Eén man werd dadelijk gedood, een ander werden de beenen afgeslagen en nog vijf of zes anderen zwaar gekwetst. En Vader, die er dichter bij gestaan had dan die vijf of zes, bleef ongedeerd. Was dat niet wondervol behouden?„Van storm, onweder, orkanen en tempeesten weet Vader ook mee te praten; want het is gebeurd, dat hij eens van de zes- of achtentwintig en nog eens van de zeventien schepen waarmede men uitgezeild was, moederziel alleen in het Vaderland aankwam, en Oom Dirk heeft hij in eenen storm voor zijne oogen zien verdrinken!”„Nu maar, ik ben blij, hoor, dat Vader niet meer varen gaat,” zeide Alida. „Het is om voor heel zijn leven bang voor de zee te worden.”„Ja,” sprak Cornelia, „en wie weet wat hij nog meer beleefd en gedaan heeft! Ge hebt zeker nog veel meer gelezen, Adriaen?”„Neen, zusje, meer gelezen heb ik niet; maar kijk eens, van dien heelen stapel papieren heb ik dit weinigje nog maar gelezen. Ik zal dat nu morgen en overmorgen weer doen, en als ik dan weer veel gelezen heb, zal ik opnieuw vertellen! Laten we naar binnen gaan; want gij weet wel, dat Vader niet hebben wil, dat we in zijne papieren snuffelen, en hij kan zóó thuiskomen!”De „Journalen” werden weggelegd, zooals ze gelegen hadden, en nauwelijks waren ze beneden gekomen of Meneer De Ruyter stapte de gang in.„Vader, Vader,” riep de kleine Engel onderwijl hij zijn Vader tegemoet liep.De Ruyter dacht zeker dat het kind hem goeden dag zei, pakte Engel op, gaf hem eenen zoen en zei: „Dag, groote kerel!”„Dag, Vader,” sprak Engel en toen hij hem ook eenen zoen teruggegeven had, zei hij: „Vader, Adriaen mooi gelezen. Mooi uit zulke papieren. Adriaen weer van u vertellen, van vechten. Maar eerst lezen als u op het groote zeehoofd is. Mag wel, hè, Vader?”Daar had men nu het bewijs dat het kleine potje ook ooren had.„Adriaen,” riep De Ruyter.Adriaen, die alles verstaan had, wat de kleine Engel heel onschuldig en zonder opzet overgebriefd had, naderde zijnen Vader en zeide: „Wat belieft u, Vader?”„Dat zal ik u straks zeggen,” antwoordde De Ruyter. „Vertel eerst maar eens, wat gij gedaan hebt, toen ik op het hoofd was en uwe Moeder aan de wasch?”„Wij zijn in uwe kamer geweest, Vader!”„Zoo! En wat hebt gij daar uitgevoerd?”„Ik heb een deel van uwe Scheeps-journalen gelezen, Vader, en het merkwaardigste daaruit aan Cornelia en Alida oververteld! O, Vader, wat heeft u veel doorstaan, en wat is u slim en moedig geweest!”„Komt eens hier, Cornelia en Alida,” sprak De Ruyter. „Wat ik te zeggen heb, is noodig gehoord te worden door alle drie!”Alida en Cornelia kwamen nu ook nader bij.„Luistert, kinderen,” sprak De Ruyter. „Adriaen vroeg me daar zoo even, wat ik beliefde. Mijn antwoord is, dat ik belief, dat niemand uwer zonder oorlof van mij of van uwe Moeder in mijne kamer komt om daar in mijne papieren te snuffelen. Gij, Adriaen, Cornelia en Alida weet nu misschien al heel wat van uwen Vader, gij weet misschien dat hij dapper en moedig gevochten, en zichzelven meermalen door list uit een gevaar gered heeft. Welnu, ik kan u dat weten natuurlijk niet ontnemen. Doch, let wel, ik versta niet, dat gij er ooit ofte immer met iemandover spreekt. Dat ik nog ben, die ik ben, daartoe komt den Heere alle lof en eere toe. Ik was in Zijne hand alle dagen mijns levens, en wat ik hope is dit, dat mijn harte nooit tot hoogmoed neige en vergete Hem te loven, te prijzen en te danken voor al het goeds, dat ik mijn Vaderland en mijnen Meesters heb mogen doen. Hebt gij het gehoord, kinderen?”Hier eindigde De Ruyter zijne toespraak, doch wetende, dat alle menschen eenen trek naar het verbodene hebben, zoo zette hij zich een uurtje later in zijne kamer neer en begon al zijne „Scheeps-journalen” te vernietigen.2Terwijl hij hiermede evenwel bezig was, kwam Aaltje, de meid, hem storen met te zeggen: „Meneer, er zijn in de spreekkamer Heeren om u te spreken!”„Hebben ze niet gezegd wie ze zijn, Aaltje?” vroeg De Ruyter eenigszins verstoord opziende.„Jawel, Meneer, ik moest zeggen, dat ze Heeren Afgevaardigden waren van de Staten van Zeeland!”„Van de Staten van Zeeland?” zeide De Ruyter. „Ik kom!”Hij begaf zich naar zijne huiskamer en liet de Heeren daar binnenkomen.1Bij deze gelegenheid kwam het ook uit, dat onze nieuwe Schout-bij-nacht beter met het zwaard in de vuist wist te zeggen, hoe hij het meende dan met de pen in de hand. Hij schreef bij die gelegenheid toch eenen brief aan de Admiraliteit van Zeeland waarin o. a. voorkwam: „Ick sal mij als een heerlijck capiteyn in myn harte gedraghen, in de hoope dat Godt, het werck, waer wij om uyt syn gesonden, zal segenen tot heere van ons lieve Vaderlandt.” Gij ziet dat onze goede man nog altijd een Zeeuw was en met letter h al zeer slecht terecht kon, zoodat hij inplaats vaneerlijckeenvoudigheerlijcken inplaats vaneereookheereschreef.↑2Het is niet zeker wanneer M. A. De Ruyter zijne Scheeps-journalen vernietigd heeft. Misschien heeft hij dat later gedaan, zooals zijne levensbeschrijver Gerard Brandt meldt. Deze zegt van die jaren vóór 1652: „Gedurende de gemelde tochten, in negen jaren tijds gedaan, had De Ruyter verscheidene ontmoetingen, waarvan men den juisten tijd niet kan melden; dewijl hij, namaals Luitenant-Admiraal geworden, als zeker uitheemsch Heer, door den roem zijner daden bewogen, eenig schriftelijk bericht van zijn leven begeerde, om tot het schrijven eener Historie te dienen, dat verzoek door eene wonderbare zedigheid niet alleen afsloeg, maar meteen, om het beschrijven van zijn leven te verhinderen, verscheidene van zijne dag- en gedenkschriften verscheurde. Hierdoor zijn vele wetenswaardige zaken verduisterd, die men sedert moest halen uit het verhaal van anderen, die het weleer uit zijnen mond hadden, of zelfooggetuigenwaren.”↑
TWEEDE HOOFDSTUK.Het voorspel van een helden-leven.Hoewel wij weten, dat Adriaen hier iets schijnt te doen, dat zijn Vader niet graag heeft, vinden we toch ook de gelegenheid te schoon om een en ander van Schipper De Ruyter, die nu al vijfenveertig jaar oud geworden is, te weten te komen van al wat er met hem sinds den dood zijner lieve Moeder zoo al gebeurd is. De Schipper zelf vertelt dat aan niemand. Luisteren wij dus maar goed toe, wat Adriaenzoo alvertelt.„Op zijn vierentwintigste jaar,” zoo begint Adriaen te vertellen, „was Vader al Stuurman op „de Groene Leeuw”, die op Groenland voer, doch hoewel Vader nu niet zoo heel erg bang uitgevallen is, zoo vond hij de vaart tusschen het ijs toch niet naar zijnen zin en ging hij voor de Heeren Lampsens weer op Oost en West varen, dat wil zeggen: hij bleef uit het Noorden. Eens dat Vader nu met zijn schip van Ierland kwam, zag hij uit de verte eenen Duinkerker kaper op hem afkomen.„Schipper,” zei de Stuurman, „dat is, als ik het wel heb, om ons te doen.”„Dat is het ook, mijn jongen!” antwoordde Vader.„Willen we probeeren hem te ontzeilen?”„Onbegonnen werk, dat behoeft niet geprobeerd te worden,die Duinkerkers winnen het toch! Ze hebben het voordeel van den wind en zijn op snel zeilen gebouwd.”„Maar, Schipper, wat zal er dan van onze kostelijke lading boter worden?”Vader bedacht zich een oogenblik en zei: „Ik weet wat, jongen! We zullen het heele dek met oude boter besmeren! Als die luî ons dan enteren en aanboord springen, dan moeten ze vallen, en kunnen wij hun op ons gemak een tikje geven om hen welkom te heeten!”Dat werd gedaan, en niet alleen het dek, maar de verschansing en het want, alles werd met boter besmeerd.„Ja, maar, dat was toch zonde van die kostelijke boter,” zeide Alida, bij wie het zuinige huismoedertje boven kwam.„Ja, zonde, zonde,” hernam Adriaen, „maar het was toch beter drie of vier vaatjes te vermorsen dan een paar honderd vaatjes kwijt te wezen, omdat een kaper er mee aan den haal ging? Bovendien namen ze de slechtste boter van de lading. Maar nu zonde, of geene zonde, Vader liet de boter netjes uitsmeren en deed geene moeite om den kaper, die al nader en nader kwam te ontzeilen. Het werd zoo glad op het dek, dat de matrozen er niet op staan konden, en daarom trokken ze hunne schoenen uit en liepen op hunne kousen. Zoodra de kaper nu zoo dichtbij gekomen was, dat hij Vader ieder oogenblik enteren kon, zei Vader tot het volk: „Jongens, neemt nu handspaken, sabels, stukken ketting, bouten, zwabbers, luiwagens, en al wat ge maar vinden kunt, om er harde klappen of porren mee te kunnen geven. Gaat achter de verschansing staan, dat hij niet zien kan, wat ge in de handen hebt. Springt er nu één over, dan zal die zeker vallen, en dien geeft ge dan zóó zijne bekomst, dat hij zelfs geen, „dankje wel, maat,” kan zeggen. Begrepen?”„Ja, Schipper, opperbest,” zeiden de matrozen en kwamen ieder met eenig wapen aandragen.De matrozen hadden de grootste pret van de wereld enstonden geduldig te wachten tot er een kaper overspringen zou.Het schip draaide bij.„Springt over!” kommandeerde de Kaper-kapitein.Wip, daar ging er een! Maar daar de schepen wel wat ver van elkander lagen en de man misschien wel wat korte beenen had, zoo kwam hij met zijnen neus tegen den buitenkant der verschansing terecht en plofte in zee.Wip, daar ging nummer twee!Die maat bracht het tot op de verschansing, maar juist toen hij voelde, dat hij wel beet mocht pakken, omdat hij anders achterover zou slaan, gleed onze maat al uit en ging zijnen kameraad bij de bruinvisschen gezelschap houden.Wip, daar ging nummer drie!Dat was nog eens een springer! Hij sprong bijkans over Vaders schip aan den anderen kant in het water. Dat het dek zoo glad was had hij niet gezien; hij wilde gaan staan, maar, plof, daar lag oom Kool met de beenen in de lucht, en eer hij tijd had om op te staan, gaf de Stuurman hem met eenen versleten zwabber zulk eenen draai om den knikkerbol, dat de stumperd vergat, dat hij had willen opstaan en bleef liggen. Een vierde kreeg van Vader eenen slag met zijne sabel en een vijfde tuimelde weer van de verschansing in zee. Zoo sprongen er twaalf man over en niet één nog was terecht gekomen.„Dat zal ik eens beter doen,” riep één van de kapers, die voor zooveel als Onder-kapitein speelde, en, wip, daar was hij midden op het dek. Plof, daar lag hij en, pats, daar kreeg hij een hartversterkingetje met eene handspaak en toen was hij heelemaal vergeten, wat hij toch eigenlijk met zijne beenen doen moest, zoodat hij niemendal anders wist uit te voeren dan stilletjes te blijven liggen waar hij lag.Toen de Kapitein van het kaperschip zoo zijne matrozen zag verdwijnen en niet meer voor den dag komen, dacht hij zeker, dat Vaders schip betooverd was en ging aan den haal zoo hard hij kon.Gij kunt begrijpen hoe ze hier te Vlissingen stonden te kijken, toen Vader daar met zijn beboterd schip aankwam, maar zoodra de menschen hoorden waarom dat gedaan en hoe goed het afgeloopen was, kijk, toen scheen het volk wel dol geworden te zijn, en Vader werd door iedereen toegejuicht en geprezen.„Dat wil ik wel gelooven,” zei Cornelia, „want het was meer geluk dan wijsheid, dat er nog één vaatje boter terecht kwam. Zou hij geene belooning ervoor gehad hebben?”„Dat denk ik wel,” antwoordde Adriaen. „Maar laat ik verder vertellen. In dien tijd, het was in 1640, hadden de Portugeezen, die door Alva voor Koning Filips bij Spanje waren gebracht, zich van Spanje losgemaakt en eenen eigen Koning, Joao IV van Bragança, gekozen. Nu waren de Spanjaarden daarmee niemendal gediend, en deden al wat zij konden om de Portugeezen weer te onderwerpen. Maar de nieuwe Koning was slim.„Jongens,” dacht hij, „die Nederlanders zijn altijd nog in oorlog met Spanje, en daar die luiden er toch zooveel schepen op nahouden, konden ze me wel eens even een handje helpen. Het is in alle gevallen te vragen. Zeggen ze, neen, ik doe het niet, best, dan zijn we nog even na. Hij vroeg ons om hulp, en Prins Frederik Hendrik en de Heeren Staten waren hiertoe dadelijk bereid. Er zou eene vlootvantwintig schepen gezonden worden onder den Admiraal Aertus Gijsels en den Vice-admiraal Jacob Pieters Tolk. Nu was het sedert 1614 gewoonte geworden om bij eene vloot, die ten oorlog voer, eenen Kommandeur aan te stellen, die in de achterhoede bleef en te zorgen had, dat geene schepen van de vloot afdwaalden. Daar dit afdwalen meestal bij nacht geschiedde, zoo begon men zulk eenen Kommandeur langzamerhand ook wel Schout-bij-nacht te noemen, en toen nu Zijne Hoogheid Frederik Hendrik onder de Kapiteins eenen geschikten Schout-bij-nacht zocht, viel zijn oog op Vader, die deze benoeming gaarne aannam. Aldus voer Vader als Hoofdofficiervan de vloot uit1. Zijn schip heette „de Haze”. In het midden van Augustus 1641 kwam de vloot pas bijeen. Bij kaap Sint-Vincent geraakte het tot een treffen, en hoewel onze vloot veel zwakker was dan die van den vijand, en er nog al Kapiteins waren, die lafhartig zich uit het gevecht verwijderden, waren we toch zoo gelukkig, den vijand te noodzaken ons niet langer te bevechten. Het werd tijd ook; want bijna al onze schepen waren erg gehavend en konden amper de haven van Lissabon bereiken. De Koning was bijzonder in zijnen schik, dat wij hem zoo ferm geholpen hadden, en gaf daarom aan ieder van de Kapiteins eenen gouden ketting met gedenkpenning. Jammer genoeg maakte de goede man geen onderscheid tusschen lafaards en helden, zoodat Vader, wiens schip bijna stuk geschoten was, maar evenveel kreeg als zij, die eigenlijk uit de verte gekeken hadden, of een zeegevecht ook een mooi gezicht was.In December kwam Vader met roem en eere beladen te Vlissingen aan, en begon weer maar dadelijk als Koopvaardijkapitein te varen.Op eene van zijne reizen naar de West, kreeg hij een groot Spaansch oorlogsvaartuig in het gezicht. Het was duidelijk dat het jacht op hem maakte. Ontvluchten kon Vader niet, en daar hij eene rijke lading inhad, wilde hij die ook niet gaarne zoo maar overgeven. Gelukkig was zijn schip goed bewapend, zoodat hij besloot, den vijand, die veel grooter was dan wij waren, te woord te staan. Zoodra de Spanjaard zag, dat Vader zich maar niet zonder slag ofstoot overgaf, begon hij te schieten; maar daar zijne kanonnen veel hooger stonden dan de verschansing van Vaders schip, zoo deden de kogels hem volstrekt geen kwaad. Maar kon de vijand misschieten, Vader schoot raak, en wel zóó goed, dat het groote Spaansche schip begon te zinken. Nu haalde Vader met de booten zoovele vijanden af, als hij kon, en bracht die aan zijn eigen boord.Onder die gevangen vijanden behoorde ook de Spaansche Kapitein.„Zeg eens, vriendje,” vroeg Vader aan dien Kapitein, „als wij het nu eens verloren hadden en ons schip was gezonken, wat zoudt gij dan gedaan hebben?”„Ik zou u hebben laten verdrinken zonder eene hand tot redding uit te steken!” antwoordde de Spanjaard.„Wel, dat was een brutale kerel,” zeide Cornelia.„Maar Vader liet hem nu toch zeker ook eens verdrinken, nietwaar, Adriaen?” vroeg Alida.„Neen, weet ge wat Vader deed? Hij stelde zich zeer boos aan en gaf zijnen manschappen bevel die Spanjaarden eens gauw overboord te smijten.”„Vergeving! Vergeving!” riepen ze nu en vielen, met den Kapitein voorop, aan Vaders knieën. „Vergeving,Señor!”„Welnu,” sprak Vader, „ik zal geen kwaad met kwaad vergelden! Zoodra we land zien, zullen wij u allen aanwal brengen!”Dat deed Vader ook; en zoo kwamen die Spanjaarden, die gedacht hadden een aardig prijsje te behalen, al heel slecht weg, maar altijd toch nog beter dan ze verdiend hadden.Een poosje later ging Vader naar Salee, dat in het Moorenland ligt, en de bewoners van dat land zijn echte Mohammedaansche schelmen en gauwdieven. Ze stelen als de raven en zijn zoo valsch als eene kat. Gebeurt het, dat daar op de kust een vaartuig schipbreuk lijdt, dan stelen ze het wrak ledig en al wat er aanspoelt is: kip, ik heb-je.De schipbreukelingen helpen, wel ja, dat kunt ge zoo aan uw hart voelen. Neen, mensch, ze halen er nog een voordeeltje van, door ze naar het binnenland te zenden en daar als slaven te verkoopen.”„Hé”, riep Alida, „en ging Vader naar zulk een land? Hoe durfde hij dat doen?”„Wel,” vervolgde Adriaen, „ge weet niet, meid, wat Vader niet al durft. Hij durft alles, maar is er toch voorzichtig bij ook. Hij kwam dan met zijn schip, dat bovenst goed bewapend en bemand was, in het gezicht van Salee.”„Jongens,” dachten vijf Algerijnsche kapers, die daar op den loer lagen om schepen te vangen, „jongens, als we dien Hollandschen dikzak eens te pakken konden krijgen, dat zou een aardig voordeeltje geven! Vooruit, mannen, dat schip is gemakkelijk genomen!”En daar kwamen ze op Vader af.„Met vijf op één jacht maken, vriendjes, is wat al te erg!” dacht Vader en ging hierop naar den Stuurman.„Zeg eens, Stuur,” zeî Vader, „dat zijn daar vijf Algerijnsche roofschepen, ziet gij het wel?”„Ja, Schipper,” was het antwoord. „Maar ik zie ook dat het vijf geroofde schepen zijn. Er is een logge Spanjaard bij, een groote Napolitaan, een scherp gebouwde Franschman en twee zijn er, die ik niet thuis weet te brengen!”„Dat heb ik ook gezien,” zei Vader, „en weet ge wat we nu doen zullen? We kunnen er best twee, ja, zelfs wel drie staan; maar vijf is te veel. We moesten nu doen, alsof we aan den haal gaan, en dan vannacht in het donker terugkomen. We maken ons dan eens ferm slagvaardig, en zoodra de zon opkomt, vallen wij hen onverwachts een voor een aan, want er is dan geene sprake van dat ze nog dicht bij mekaêr zullen liggen. Ik wed dat wij dan die gemeene roovers een lesje zullen geven, dat ze hun leven lang zullen onthouden. Vooruit, doen alsof we vluchten!”Alles gebeurde zooals Vader dat bevolen had, en eer nog die Algerijnen den anderen morgen de slapers uit hunne oogen gewreven hadden, gaf Vader hunnen Admiraal van bakboord de volle laag, en die ging hard aan den haal. Nu stormde Vader op den Vice-admiraal los en gaf hem de laag van stuurboord. De stukken werden zoo gauw mogelijk opnieuw geladen en bom! bom! bom! naar alle kanten schietende, sloeg hij nog twee andere kapers op de vlucht en zeilde toen met vlag en wimpel de haven van Salee binnen.De Mooren, die van het schieten wakker waren geworden en naar de haven gesneld waren, hadden alles gezien! Daar ging me wat een gejuich op! Zulk eenen held hadden ze nog nooit ontmoet. Eer Vader er op bedacht was, hadden ze hem, toen hij aanwal stapte op een paard gezet, en brachten hem zoo, al juichende en schreeuwende van pleizier, in de stad. Van toen af was Vaders kostje daar gekocht. Toen al die eerbewijzen zoo wat afgeloopen waren, keerde hij aanboord terug om zijne waren uit te pakken, en pas had hij dat gedaan of het Opperhoofd van Salee kwam met groot gevolg op zijn schip om te zien, wat er zoo al te koop was. Zijn oog viel dadelijk op een mooi stuk laken en het Opperhoofd vroeg hoeveel dat kosten moest.Vader noemde den prijs, doch die was naar den zin van den man veel te hoog, zoodat hij braaf begon af te dingen.„Neen, Meneer,” zei Vader en schudde het hoofd, „u krijgt het geenen duit minder!”„Nu, ik betaal niet meer dan ik geboden heb, en voor dat geld moet ge het mij geven!” sprak de man op hoogen toon.„Ik mag het niet minder geven, Meneer!” antwoordde Vader. „De reeders van het schip hebben er den prijs van bepaald, en nu mag ik niet onder de markt verkoopen!”„Gij zult en moet het mij voor den prijs, dien ik u bied, afstaan,” sprak de Moor.„En ik geef het er u niet voor, Meneer,” zei Vader heel kalm. „Ik geef het u liever ten geschenke.”„Koppige christenhond,” riep nu de Moor, „weet gij dan niet, dat ik uw heele schip met lading en al nemen, en het volk als slaven verkoopen kan, als gij mij blijft weigeren dat laken voor den prijs, dien ik u bied, af te staan? Morgen ochtend kom ik terug en dan zult gij het mij geven, of ik doe waarmede ik nu bedreigd heb!”Het Opperhoofd vertrok, en af en toe kwamen er Mooren bij Vader aanboord om hem toch te bepraten, het laken voor den bedongen prijs af te staan; want hoeveel ze ook met hem op hadden, toch zouden zij hem morgen moeten straffen, als hij niet wilde toegeven.„Ik geef niet toe,” sprak Vader, „en straft de Sheyk me, welnu, dan zal meteen de heele wereld weten dat een vredelievend handelaar hier met zijn volk door eenen dwingeland als slaaf verkocht wordt. Zeg dat uwen Meester!”Maar ook het scheepsvolk, bevreesd voor de bedreiging van den wreeden Sheyk, zocht Vader over te halen, het laken toch maar voor den bedongen prijs te geven.„Neen,” antwoordde Vader, „hij moet weten dat hij met eenen man te doen heeft.”Den volgenden morgen kwam de Sheyk weer aanboord en na op barschen toon gevraagd te hebben, of men hem nu het laken voor het geboden geld wilde geven, klonk Vaders antwoord: „Neen, Meneer! Gij krijgt het voor het bedongen geld niet! Gij betaalt mij, wat ik u gevraagd heb, of ge neemt het van mij ten geschenke aan, maar onder de markt verkoopen, dat doe ik niet!”Toen Vader dat gezegd had, stonden het scheepsvolk en de Mooren van angst te beven. Wat zou er gebeuren?De Sheyk naderde nu vriendelijk lachend Vader, legde hem de hand op den schouder en zei: „Hollander, gij hebt moed, en ge zijt eerlijk, ja, gij blijft uwen Meesters getrouw ook dan, als gij er verre van verwijderd zijt. Geef hier hetlaken! Ik betaal gaarne, wat gij gevraagd hebt, en wil met geen ander Christen dan met u handel drijven.” Hij drukte Vader de hand en zich hierop tot zijn gevolg keerende, sprak hij: „En gij allen, neemt een voorbeeld aan dezen christenhond en weest op uwe beurt mij ook zoo trouw!”Het gevolg hiervan was, dat er niet één Schipper zoo voordeelig op Salee handelde als Vader. Zij lieten hem zelfs ongehinderd het binnenland intrekken om daar handel te drijven en christen-slaven vrij te koopen. Ja, eens had Vader schipbreuk op de Marokkaansche kust geleden, en al wat er kwam aandrijven werd tot het laatste stuk bezorgd en zelfs hielpen ze hem aan een wrak van een schip om dat op te knappen, en er mee naar Nederland terug te keeren.Eens toen Vader alweer eene zeer voordeelige reis op Salee gedaan had, viel hij onderweg in handen van eenen Franschen kaper, De Lalande geheeten. Daar wij in dien tijd, evenmin als nu, oorlog met Frankrijk hadden, trachtte Vader, door te praten alsBrugman, den Kaper-kapitein te bewegen hem en zijn schip vrij te laten. De Lalande echter was doof aan dat oor en hij wilde van geene teruggave weten. Hij behandelde Vader evenwel goed en bood hem zelfs een glas wijn aan.„Ik dank u,” zei Vader beleefd.„Wat!?” riep De Lalande, „drinkt ge geenen wijn? Gij kunt er verzekerd van zijn, dat hij oud en goed is.”„Goed of niet goed, oud of jong, dat doet er niet toe,” sprak Vader. „Geef mij wat ge eenen gevangene geeft, geef mij water! Slechts vrijen menschen schenkt men wijn!”De Lalande vulde eenen roemer boordevol, bracht hem bij Vader en zeî: „Drink wijn, Meneer De Ruyter! Gij zijt vrij!”„Ik wist wel dat gij een eerlijk vijand waart, Monsieur De Lalande,” sprak Vader. „Mocht ik eenmaal in de gelegenheid zijn u eenen dienst te kunnen bewijzen, dan zult gij zien dat een Nederlander erkentelijk kan zijn.”Zoo kwam Vader gelukkig vrij, maar het was hier ook bijna geweest van den wal in de sloot. Vader sloot zich bij eene groote, terugkeerende koopvaardij-vloot aan, doch toen ze tegen den avond in de nabijheid van het Nauw van Calais kwamen, kregen ze bericht dat de Duinkerker kapers in groot aantal op den loer lagen. Dat bracht niet weinig schrik en ontsteltenis onder de schepelingen der koopvaardijvloot. Zij wisten het maar al te zeer, dat er met die Duinkerkers niet te gekken viel. Maar wat nu te doen? Verreweg de meeste Kapiteins besloten alle zeilen bij te zetten en alle lichten uit te dooven, om zoo in de duisternis van den nacht te ontsnappen. Maar de Duinkerkers schenen kattenoogen te hebben en velen liepen in de fuik. Maar wat denkt ge, dat Vader gedaan had om de kapers mis te loopen? Inplaats van alle zeilen bij te zetten, voer hij onder klein zeil bedaard door, en instede van alle lichten te dooven, zette hij vuurpannen uit, zooals enkel de Vice-admiraals doen. Nu dachten de kapers: „afblijven van „den dien” dat is er een met tanden en horens, die kan bijten en stooten. Dat is een oorlogsschip!”„Hadden ze geweten hoe zwak Vader stond, hij zou niet zoo ongehinderd schip en lading in de Wielingen gekregen hebben, dat is zeker.”Op dit oogenblik kwam de kleine Engel eens kijken waar Adriaen en zijne zusjes waren.„Hij komt ook luisteren,” zei Cornelia.„Wel, vent, zijt ge al uitgeslapen?” vroeg Alida. „Zijt ge wakker, ja? Goed onthouden wat Adriaen leest en vertelt, hoor!”Ze zeide dat eigenlijk spottend en dacht er niet aan, dat kleine potjes ook ooren hebben.„Vader is er dan toch wel altijd gelukkig afgekomen,” zeide nu Cornelia.„Ja, en eens is hij zelfs als door een wonder bewaard gebleven. Hij kwam goed geladen uit de West-Indiën terug en ontmoette onderweg een Engelsch oorlogsschip. We warentoen wel al jaloersch op mekaêr, maar we heetten toch nog altijd goede vrienden te zijn, en als wij op zee den Engelschman het eerst groetten, dan was dat alleen eene beleefdheid. Vader gaf dus bevel dat Engelsche schip met eenige losse kanonschoten te groeten of salueeren, zooals ze dat noemen. Maar wat gebeurt? Pas had hij een paar schoten gedaan of een kanon sprong. Eén man werd dadelijk gedood, een ander werden de beenen afgeslagen en nog vijf of zes anderen zwaar gekwetst. En Vader, die er dichter bij gestaan had dan die vijf of zes, bleef ongedeerd. Was dat niet wondervol behouden?„Van storm, onweder, orkanen en tempeesten weet Vader ook mee te praten; want het is gebeurd, dat hij eens van de zes- of achtentwintig en nog eens van de zeventien schepen waarmede men uitgezeild was, moederziel alleen in het Vaderland aankwam, en Oom Dirk heeft hij in eenen storm voor zijne oogen zien verdrinken!”„Nu maar, ik ben blij, hoor, dat Vader niet meer varen gaat,” zeide Alida. „Het is om voor heel zijn leven bang voor de zee te worden.”„Ja,” sprak Cornelia, „en wie weet wat hij nog meer beleefd en gedaan heeft! Ge hebt zeker nog veel meer gelezen, Adriaen?”„Neen, zusje, meer gelezen heb ik niet; maar kijk eens, van dien heelen stapel papieren heb ik dit weinigje nog maar gelezen. Ik zal dat nu morgen en overmorgen weer doen, en als ik dan weer veel gelezen heb, zal ik opnieuw vertellen! Laten we naar binnen gaan; want gij weet wel, dat Vader niet hebben wil, dat we in zijne papieren snuffelen, en hij kan zóó thuiskomen!”De „Journalen” werden weggelegd, zooals ze gelegen hadden, en nauwelijks waren ze beneden gekomen of Meneer De Ruyter stapte de gang in.„Vader, Vader,” riep de kleine Engel onderwijl hij zijn Vader tegemoet liep.De Ruyter dacht zeker dat het kind hem goeden dag zei, pakte Engel op, gaf hem eenen zoen en zei: „Dag, groote kerel!”„Dag, Vader,” sprak Engel en toen hij hem ook eenen zoen teruggegeven had, zei hij: „Vader, Adriaen mooi gelezen. Mooi uit zulke papieren. Adriaen weer van u vertellen, van vechten. Maar eerst lezen als u op het groote zeehoofd is. Mag wel, hè, Vader?”Daar had men nu het bewijs dat het kleine potje ook ooren had.„Adriaen,” riep De Ruyter.Adriaen, die alles verstaan had, wat de kleine Engel heel onschuldig en zonder opzet overgebriefd had, naderde zijnen Vader en zeide: „Wat belieft u, Vader?”„Dat zal ik u straks zeggen,” antwoordde De Ruyter. „Vertel eerst maar eens, wat gij gedaan hebt, toen ik op het hoofd was en uwe Moeder aan de wasch?”„Wij zijn in uwe kamer geweest, Vader!”„Zoo! En wat hebt gij daar uitgevoerd?”„Ik heb een deel van uwe Scheeps-journalen gelezen, Vader, en het merkwaardigste daaruit aan Cornelia en Alida oververteld! O, Vader, wat heeft u veel doorstaan, en wat is u slim en moedig geweest!”„Komt eens hier, Cornelia en Alida,” sprak De Ruyter. „Wat ik te zeggen heb, is noodig gehoord te worden door alle drie!”Alida en Cornelia kwamen nu ook nader bij.„Luistert, kinderen,” sprak De Ruyter. „Adriaen vroeg me daar zoo even, wat ik beliefde. Mijn antwoord is, dat ik belief, dat niemand uwer zonder oorlof van mij of van uwe Moeder in mijne kamer komt om daar in mijne papieren te snuffelen. Gij, Adriaen, Cornelia en Alida weet nu misschien al heel wat van uwen Vader, gij weet misschien dat hij dapper en moedig gevochten, en zichzelven meermalen door list uit een gevaar gered heeft. Welnu, ik kan u dat weten natuurlijk niet ontnemen. Doch, let wel, ik versta niet, dat gij er ooit ofte immer met iemandover spreekt. Dat ik nog ben, die ik ben, daartoe komt den Heere alle lof en eere toe. Ik was in Zijne hand alle dagen mijns levens, en wat ik hope is dit, dat mijn harte nooit tot hoogmoed neige en vergete Hem te loven, te prijzen en te danken voor al het goeds, dat ik mijn Vaderland en mijnen Meesters heb mogen doen. Hebt gij het gehoord, kinderen?”Hier eindigde De Ruyter zijne toespraak, doch wetende, dat alle menschen eenen trek naar het verbodene hebben, zoo zette hij zich een uurtje later in zijne kamer neer en begon al zijne „Scheeps-journalen” te vernietigen.2Terwijl hij hiermede evenwel bezig was, kwam Aaltje, de meid, hem storen met te zeggen: „Meneer, er zijn in de spreekkamer Heeren om u te spreken!”„Hebben ze niet gezegd wie ze zijn, Aaltje?” vroeg De Ruyter eenigszins verstoord opziende.„Jawel, Meneer, ik moest zeggen, dat ze Heeren Afgevaardigden waren van de Staten van Zeeland!”„Van de Staten van Zeeland?” zeide De Ruyter. „Ik kom!”Hij begaf zich naar zijne huiskamer en liet de Heeren daar binnenkomen.1Bij deze gelegenheid kwam het ook uit, dat onze nieuwe Schout-bij-nacht beter met het zwaard in de vuist wist te zeggen, hoe hij het meende dan met de pen in de hand. Hij schreef bij die gelegenheid toch eenen brief aan de Admiraliteit van Zeeland waarin o. a. voorkwam: „Ick sal mij als een heerlijck capiteyn in myn harte gedraghen, in de hoope dat Godt, het werck, waer wij om uyt syn gesonden, zal segenen tot heere van ons lieve Vaderlandt.” Gij ziet dat onze goede man nog altijd een Zeeuw was en met letter h al zeer slecht terecht kon, zoodat hij inplaats vaneerlijckeenvoudigheerlijcken inplaats vaneereookheereschreef.↑2Het is niet zeker wanneer M. A. De Ruyter zijne Scheeps-journalen vernietigd heeft. Misschien heeft hij dat later gedaan, zooals zijne levensbeschrijver Gerard Brandt meldt. Deze zegt van die jaren vóór 1652: „Gedurende de gemelde tochten, in negen jaren tijds gedaan, had De Ruyter verscheidene ontmoetingen, waarvan men den juisten tijd niet kan melden; dewijl hij, namaals Luitenant-Admiraal geworden, als zeker uitheemsch Heer, door den roem zijner daden bewogen, eenig schriftelijk bericht van zijn leven begeerde, om tot het schrijven eener Historie te dienen, dat verzoek door eene wonderbare zedigheid niet alleen afsloeg, maar meteen, om het beschrijven van zijn leven te verhinderen, verscheidene van zijne dag- en gedenkschriften verscheurde. Hierdoor zijn vele wetenswaardige zaken verduisterd, die men sedert moest halen uit het verhaal van anderen, die het weleer uit zijnen mond hadden, of zelfooggetuigenwaren.”↑
TWEEDE HOOFDSTUK.Het voorspel van een helden-leven.Hoewel wij weten, dat Adriaen hier iets schijnt te doen, dat zijn Vader niet graag heeft, vinden we toch ook de gelegenheid te schoon om een en ander van Schipper De Ruyter, die nu al vijfenveertig jaar oud geworden is, te weten te komen van al wat er met hem sinds den dood zijner lieve Moeder zoo al gebeurd is. De Schipper zelf vertelt dat aan niemand. Luisteren wij dus maar goed toe, wat Adriaenzoo alvertelt.„Op zijn vierentwintigste jaar,” zoo begint Adriaen te vertellen, „was Vader al Stuurman op „de Groene Leeuw”, die op Groenland voer, doch hoewel Vader nu niet zoo heel erg bang uitgevallen is, zoo vond hij de vaart tusschen het ijs toch niet naar zijnen zin en ging hij voor de Heeren Lampsens weer op Oost en West varen, dat wil zeggen: hij bleef uit het Noorden. Eens dat Vader nu met zijn schip van Ierland kwam, zag hij uit de verte eenen Duinkerker kaper op hem afkomen.„Schipper,” zei de Stuurman, „dat is, als ik het wel heb, om ons te doen.”„Dat is het ook, mijn jongen!” antwoordde Vader.„Willen we probeeren hem te ontzeilen?”„Onbegonnen werk, dat behoeft niet geprobeerd te worden,die Duinkerkers winnen het toch! Ze hebben het voordeel van den wind en zijn op snel zeilen gebouwd.”„Maar, Schipper, wat zal er dan van onze kostelijke lading boter worden?”Vader bedacht zich een oogenblik en zei: „Ik weet wat, jongen! We zullen het heele dek met oude boter besmeren! Als die luî ons dan enteren en aanboord springen, dan moeten ze vallen, en kunnen wij hun op ons gemak een tikje geven om hen welkom te heeten!”Dat werd gedaan, en niet alleen het dek, maar de verschansing en het want, alles werd met boter besmeerd.„Ja, maar, dat was toch zonde van die kostelijke boter,” zeide Alida, bij wie het zuinige huismoedertje boven kwam.„Ja, zonde, zonde,” hernam Adriaen, „maar het was toch beter drie of vier vaatjes te vermorsen dan een paar honderd vaatjes kwijt te wezen, omdat een kaper er mee aan den haal ging? Bovendien namen ze de slechtste boter van de lading. Maar nu zonde, of geene zonde, Vader liet de boter netjes uitsmeren en deed geene moeite om den kaper, die al nader en nader kwam te ontzeilen. Het werd zoo glad op het dek, dat de matrozen er niet op staan konden, en daarom trokken ze hunne schoenen uit en liepen op hunne kousen. Zoodra de kaper nu zoo dichtbij gekomen was, dat hij Vader ieder oogenblik enteren kon, zei Vader tot het volk: „Jongens, neemt nu handspaken, sabels, stukken ketting, bouten, zwabbers, luiwagens, en al wat ge maar vinden kunt, om er harde klappen of porren mee te kunnen geven. Gaat achter de verschansing staan, dat hij niet zien kan, wat ge in de handen hebt. Springt er nu één over, dan zal die zeker vallen, en dien geeft ge dan zóó zijne bekomst, dat hij zelfs geen, „dankje wel, maat,” kan zeggen. Begrepen?”„Ja, Schipper, opperbest,” zeiden de matrozen en kwamen ieder met eenig wapen aandragen.De matrozen hadden de grootste pret van de wereld enstonden geduldig te wachten tot er een kaper overspringen zou.Het schip draaide bij.„Springt over!” kommandeerde de Kaper-kapitein.Wip, daar ging er een! Maar daar de schepen wel wat ver van elkander lagen en de man misschien wel wat korte beenen had, zoo kwam hij met zijnen neus tegen den buitenkant der verschansing terecht en plofte in zee.Wip, daar ging nummer twee!Die maat bracht het tot op de verschansing, maar juist toen hij voelde, dat hij wel beet mocht pakken, omdat hij anders achterover zou slaan, gleed onze maat al uit en ging zijnen kameraad bij de bruinvisschen gezelschap houden.Wip, daar ging nummer drie!Dat was nog eens een springer! Hij sprong bijkans over Vaders schip aan den anderen kant in het water. Dat het dek zoo glad was had hij niet gezien; hij wilde gaan staan, maar, plof, daar lag oom Kool met de beenen in de lucht, en eer hij tijd had om op te staan, gaf de Stuurman hem met eenen versleten zwabber zulk eenen draai om den knikkerbol, dat de stumperd vergat, dat hij had willen opstaan en bleef liggen. Een vierde kreeg van Vader eenen slag met zijne sabel en een vijfde tuimelde weer van de verschansing in zee. Zoo sprongen er twaalf man over en niet één nog was terecht gekomen.„Dat zal ik eens beter doen,” riep één van de kapers, die voor zooveel als Onder-kapitein speelde, en, wip, daar was hij midden op het dek. Plof, daar lag hij en, pats, daar kreeg hij een hartversterkingetje met eene handspaak en toen was hij heelemaal vergeten, wat hij toch eigenlijk met zijne beenen doen moest, zoodat hij niemendal anders wist uit te voeren dan stilletjes te blijven liggen waar hij lag.Toen de Kapitein van het kaperschip zoo zijne matrozen zag verdwijnen en niet meer voor den dag komen, dacht hij zeker, dat Vaders schip betooverd was en ging aan den haal zoo hard hij kon.Gij kunt begrijpen hoe ze hier te Vlissingen stonden te kijken, toen Vader daar met zijn beboterd schip aankwam, maar zoodra de menschen hoorden waarom dat gedaan en hoe goed het afgeloopen was, kijk, toen scheen het volk wel dol geworden te zijn, en Vader werd door iedereen toegejuicht en geprezen.„Dat wil ik wel gelooven,” zei Cornelia, „want het was meer geluk dan wijsheid, dat er nog één vaatje boter terecht kwam. Zou hij geene belooning ervoor gehad hebben?”„Dat denk ik wel,” antwoordde Adriaen. „Maar laat ik verder vertellen. In dien tijd, het was in 1640, hadden de Portugeezen, die door Alva voor Koning Filips bij Spanje waren gebracht, zich van Spanje losgemaakt en eenen eigen Koning, Joao IV van Bragança, gekozen. Nu waren de Spanjaarden daarmee niemendal gediend, en deden al wat zij konden om de Portugeezen weer te onderwerpen. Maar de nieuwe Koning was slim.„Jongens,” dacht hij, „die Nederlanders zijn altijd nog in oorlog met Spanje, en daar die luiden er toch zooveel schepen op nahouden, konden ze me wel eens even een handje helpen. Het is in alle gevallen te vragen. Zeggen ze, neen, ik doe het niet, best, dan zijn we nog even na. Hij vroeg ons om hulp, en Prins Frederik Hendrik en de Heeren Staten waren hiertoe dadelijk bereid. Er zou eene vlootvantwintig schepen gezonden worden onder den Admiraal Aertus Gijsels en den Vice-admiraal Jacob Pieters Tolk. Nu was het sedert 1614 gewoonte geworden om bij eene vloot, die ten oorlog voer, eenen Kommandeur aan te stellen, die in de achterhoede bleef en te zorgen had, dat geene schepen van de vloot afdwaalden. Daar dit afdwalen meestal bij nacht geschiedde, zoo begon men zulk eenen Kommandeur langzamerhand ook wel Schout-bij-nacht te noemen, en toen nu Zijne Hoogheid Frederik Hendrik onder de Kapiteins eenen geschikten Schout-bij-nacht zocht, viel zijn oog op Vader, die deze benoeming gaarne aannam. Aldus voer Vader als Hoofdofficiervan de vloot uit1. Zijn schip heette „de Haze”. In het midden van Augustus 1641 kwam de vloot pas bijeen. Bij kaap Sint-Vincent geraakte het tot een treffen, en hoewel onze vloot veel zwakker was dan die van den vijand, en er nog al Kapiteins waren, die lafhartig zich uit het gevecht verwijderden, waren we toch zoo gelukkig, den vijand te noodzaken ons niet langer te bevechten. Het werd tijd ook; want bijna al onze schepen waren erg gehavend en konden amper de haven van Lissabon bereiken. De Koning was bijzonder in zijnen schik, dat wij hem zoo ferm geholpen hadden, en gaf daarom aan ieder van de Kapiteins eenen gouden ketting met gedenkpenning. Jammer genoeg maakte de goede man geen onderscheid tusschen lafaards en helden, zoodat Vader, wiens schip bijna stuk geschoten was, maar evenveel kreeg als zij, die eigenlijk uit de verte gekeken hadden, of een zeegevecht ook een mooi gezicht was.In December kwam Vader met roem en eere beladen te Vlissingen aan, en begon weer maar dadelijk als Koopvaardijkapitein te varen.Op eene van zijne reizen naar de West, kreeg hij een groot Spaansch oorlogsvaartuig in het gezicht. Het was duidelijk dat het jacht op hem maakte. Ontvluchten kon Vader niet, en daar hij eene rijke lading inhad, wilde hij die ook niet gaarne zoo maar overgeven. Gelukkig was zijn schip goed bewapend, zoodat hij besloot, den vijand, die veel grooter was dan wij waren, te woord te staan. Zoodra de Spanjaard zag, dat Vader zich maar niet zonder slag ofstoot overgaf, begon hij te schieten; maar daar zijne kanonnen veel hooger stonden dan de verschansing van Vaders schip, zoo deden de kogels hem volstrekt geen kwaad. Maar kon de vijand misschieten, Vader schoot raak, en wel zóó goed, dat het groote Spaansche schip begon te zinken. Nu haalde Vader met de booten zoovele vijanden af, als hij kon, en bracht die aan zijn eigen boord.Onder die gevangen vijanden behoorde ook de Spaansche Kapitein.„Zeg eens, vriendje,” vroeg Vader aan dien Kapitein, „als wij het nu eens verloren hadden en ons schip was gezonken, wat zoudt gij dan gedaan hebben?”„Ik zou u hebben laten verdrinken zonder eene hand tot redding uit te steken!” antwoordde de Spanjaard.„Wel, dat was een brutale kerel,” zeide Cornelia.„Maar Vader liet hem nu toch zeker ook eens verdrinken, nietwaar, Adriaen?” vroeg Alida.„Neen, weet ge wat Vader deed? Hij stelde zich zeer boos aan en gaf zijnen manschappen bevel die Spanjaarden eens gauw overboord te smijten.”„Vergeving! Vergeving!” riepen ze nu en vielen, met den Kapitein voorop, aan Vaders knieën. „Vergeving,Señor!”„Welnu,” sprak Vader, „ik zal geen kwaad met kwaad vergelden! Zoodra we land zien, zullen wij u allen aanwal brengen!”Dat deed Vader ook; en zoo kwamen die Spanjaarden, die gedacht hadden een aardig prijsje te behalen, al heel slecht weg, maar altijd toch nog beter dan ze verdiend hadden.Een poosje later ging Vader naar Salee, dat in het Moorenland ligt, en de bewoners van dat land zijn echte Mohammedaansche schelmen en gauwdieven. Ze stelen als de raven en zijn zoo valsch als eene kat. Gebeurt het, dat daar op de kust een vaartuig schipbreuk lijdt, dan stelen ze het wrak ledig en al wat er aanspoelt is: kip, ik heb-je.De schipbreukelingen helpen, wel ja, dat kunt ge zoo aan uw hart voelen. Neen, mensch, ze halen er nog een voordeeltje van, door ze naar het binnenland te zenden en daar als slaven te verkoopen.”„Hé”, riep Alida, „en ging Vader naar zulk een land? Hoe durfde hij dat doen?”„Wel,” vervolgde Adriaen, „ge weet niet, meid, wat Vader niet al durft. Hij durft alles, maar is er toch voorzichtig bij ook. Hij kwam dan met zijn schip, dat bovenst goed bewapend en bemand was, in het gezicht van Salee.”„Jongens,” dachten vijf Algerijnsche kapers, die daar op den loer lagen om schepen te vangen, „jongens, als we dien Hollandschen dikzak eens te pakken konden krijgen, dat zou een aardig voordeeltje geven! Vooruit, mannen, dat schip is gemakkelijk genomen!”En daar kwamen ze op Vader af.„Met vijf op één jacht maken, vriendjes, is wat al te erg!” dacht Vader en ging hierop naar den Stuurman.„Zeg eens, Stuur,” zeî Vader, „dat zijn daar vijf Algerijnsche roofschepen, ziet gij het wel?”„Ja, Schipper,” was het antwoord. „Maar ik zie ook dat het vijf geroofde schepen zijn. Er is een logge Spanjaard bij, een groote Napolitaan, een scherp gebouwde Franschman en twee zijn er, die ik niet thuis weet te brengen!”„Dat heb ik ook gezien,” zei Vader, „en weet ge wat we nu doen zullen? We kunnen er best twee, ja, zelfs wel drie staan; maar vijf is te veel. We moesten nu doen, alsof we aan den haal gaan, en dan vannacht in het donker terugkomen. We maken ons dan eens ferm slagvaardig, en zoodra de zon opkomt, vallen wij hen onverwachts een voor een aan, want er is dan geene sprake van dat ze nog dicht bij mekaêr zullen liggen. Ik wed dat wij dan die gemeene roovers een lesje zullen geven, dat ze hun leven lang zullen onthouden. Vooruit, doen alsof we vluchten!”Alles gebeurde zooals Vader dat bevolen had, en eer nog die Algerijnen den anderen morgen de slapers uit hunne oogen gewreven hadden, gaf Vader hunnen Admiraal van bakboord de volle laag, en die ging hard aan den haal. Nu stormde Vader op den Vice-admiraal los en gaf hem de laag van stuurboord. De stukken werden zoo gauw mogelijk opnieuw geladen en bom! bom! bom! naar alle kanten schietende, sloeg hij nog twee andere kapers op de vlucht en zeilde toen met vlag en wimpel de haven van Salee binnen.De Mooren, die van het schieten wakker waren geworden en naar de haven gesneld waren, hadden alles gezien! Daar ging me wat een gejuich op! Zulk eenen held hadden ze nog nooit ontmoet. Eer Vader er op bedacht was, hadden ze hem, toen hij aanwal stapte op een paard gezet, en brachten hem zoo, al juichende en schreeuwende van pleizier, in de stad. Van toen af was Vaders kostje daar gekocht. Toen al die eerbewijzen zoo wat afgeloopen waren, keerde hij aanboord terug om zijne waren uit te pakken, en pas had hij dat gedaan of het Opperhoofd van Salee kwam met groot gevolg op zijn schip om te zien, wat er zoo al te koop was. Zijn oog viel dadelijk op een mooi stuk laken en het Opperhoofd vroeg hoeveel dat kosten moest.Vader noemde den prijs, doch die was naar den zin van den man veel te hoog, zoodat hij braaf begon af te dingen.„Neen, Meneer,” zei Vader en schudde het hoofd, „u krijgt het geenen duit minder!”„Nu, ik betaal niet meer dan ik geboden heb, en voor dat geld moet ge het mij geven!” sprak de man op hoogen toon.„Ik mag het niet minder geven, Meneer!” antwoordde Vader. „De reeders van het schip hebben er den prijs van bepaald, en nu mag ik niet onder de markt verkoopen!”„Gij zult en moet het mij voor den prijs, dien ik u bied, afstaan,” sprak de Moor.„En ik geef het er u niet voor, Meneer,” zei Vader heel kalm. „Ik geef het u liever ten geschenke.”„Koppige christenhond,” riep nu de Moor, „weet gij dan niet, dat ik uw heele schip met lading en al nemen, en het volk als slaven verkoopen kan, als gij mij blijft weigeren dat laken voor den prijs, dien ik u bied, af te staan? Morgen ochtend kom ik terug en dan zult gij het mij geven, of ik doe waarmede ik nu bedreigd heb!”Het Opperhoofd vertrok, en af en toe kwamen er Mooren bij Vader aanboord om hem toch te bepraten, het laken voor den bedongen prijs af te staan; want hoeveel ze ook met hem op hadden, toch zouden zij hem morgen moeten straffen, als hij niet wilde toegeven.„Ik geef niet toe,” sprak Vader, „en straft de Sheyk me, welnu, dan zal meteen de heele wereld weten dat een vredelievend handelaar hier met zijn volk door eenen dwingeland als slaaf verkocht wordt. Zeg dat uwen Meester!”Maar ook het scheepsvolk, bevreesd voor de bedreiging van den wreeden Sheyk, zocht Vader over te halen, het laken toch maar voor den bedongen prijs te geven.„Neen,” antwoordde Vader, „hij moet weten dat hij met eenen man te doen heeft.”Den volgenden morgen kwam de Sheyk weer aanboord en na op barschen toon gevraagd te hebben, of men hem nu het laken voor het geboden geld wilde geven, klonk Vaders antwoord: „Neen, Meneer! Gij krijgt het voor het bedongen geld niet! Gij betaalt mij, wat ik u gevraagd heb, of ge neemt het van mij ten geschenke aan, maar onder de markt verkoopen, dat doe ik niet!”Toen Vader dat gezegd had, stonden het scheepsvolk en de Mooren van angst te beven. Wat zou er gebeuren?De Sheyk naderde nu vriendelijk lachend Vader, legde hem de hand op den schouder en zei: „Hollander, gij hebt moed, en ge zijt eerlijk, ja, gij blijft uwen Meesters getrouw ook dan, als gij er verre van verwijderd zijt. Geef hier hetlaken! Ik betaal gaarne, wat gij gevraagd hebt, en wil met geen ander Christen dan met u handel drijven.” Hij drukte Vader de hand en zich hierop tot zijn gevolg keerende, sprak hij: „En gij allen, neemt een voorbeeld aan dezen christenhond en weest op uwe beurt mij ook zoo trouw!”Het gevolg hiervan was, dat er niet één Schipper zoo voordeelig op Salee handelde als Vader. Zij lieten hem zelfs ongehinderd het binnenland intrekken om daar handel te drijven en christen-slaven vrij te koopen. Ja, eens had Vader schipbreuk op de Marokkaansche kust geleden, en al wat er kwam aandrijven werd tot het laatste stuk bezorgd en zelfs hielpen ze hem aan een wrak van een schip om dat op te knappen, en er mee naar Nederland terug te keeren.Eens toen Vader alweer eene zeer voordeelige reis op Salee gedaan had, viel hij onderweg in handen van eenen Franschen kaper, De Lalande geheeten. Daar wij in dien tijd, evenmin als nu, oorlog met Frankrijk hadden, trachtte Vader, door te praten alsBrugman, den Kaper-kapitein te bewegen hem en zijn schip vrij te laten. De Lalande echter was doof aan dat oor en hij wilde van geene teruggave weten. Hij behandelde Vader evenwel goed en bood hem zelfs een glas wijn aan.„Ik dank u,” zei Vader beleefd.„Wat!?” riep De Lalande, „drinkt ge geenen wijn? Gij kunt er verzekerd van zijn, dat hij oud en goed is.”„Goed of niet goed, oud of jong, dat doet er niet toe,” sprak Vader. „Geef mij wat ge eenen gevangene geeft, geef mij water! Slechts vrijen menschen schenkt men wijn!”De Lalande vulde eenen roemer boordevol, bracht hem bij Vader en zeî: „Drink wijn, Meneer De Ruyter! Gij zijt vrij!”„Ik wist wel dat gij een eerlijk vijand waart, Monsieur De Lalande,” sprak Vader. „Mocht ik eenmaal in de gelegenheid zijn u eenen dienst te kunnen bewijzen, dan zult gij zien dat een Nederlander erkentelijk kan zijn.”Zoo kwam Vader gelukkig vrij, maar het was hier ook bijna geweest van den wal in de sloot. Vader sloot zich bij eene groote, terugkeerende koopvaardij-vloot aan, doch toen ze tegen den avond in de nabijheid van het Nauw van Calais kwamen, kregen ze bericht dat de Duinkerker kapers in groot aantal op den loer lagen. Dat bracht niet weinig schrik en ontsteltenis onder de schepelingen der koopvaardijvloot. Zij wisten het maar al te zeer, dat er met die Duinkerkers niet te gekken viel. Maar wat nu te doen? Verreweg de meeste Kapiteins besloten alle zeilen bij te zetten en alle lichten uit te dooven, om zoo in de duisternis van den nacht te ontsnappen. Maar de Duinkerkers schenen kattenoogen te hebben en velen liepen in de fuik. Maar wat denkt ge, dat Vader gedaan had om de kapers mis te loopen? Inplaats van alle zeilen bij te zetten, voer hij onder klein zeil bedaard door, en instede van alle lichten te dooven, zette hij vuurpannen uit, zooals enkel de Vice-admiraals doen. Nu dachten de kapers: „afblijven van „den dien” dat is er een met tanden en horens, die kan bijten en stooten. Dat is een oorlogsschip!”„Hadden ze geweten hoe zwak Vader stond, hij zou niet zoo ongehinderd schip en lading in de Wielingen gekregen hebben, dat is zeker.”Op dit oogenblik kwam de kleine Engel eens kijken waar Adriaen en zijne zusjes waren.„Hij komt ook luisteren,” zei Cornelia.„Wel, vent, zijt ge al uitgeslapen?” vroeg Alida. „Zijt ge wakker, ja? Goed onthouden wat Adriaen leest en vertelt, hoor!”Ze zeide dat eigenlijk spottend en dacht er niet aan, dat kleine potjes ook ooren hebben.„Vader is er dan toch wel altijd gelukkig afgekomen,” zeide nu Cornelia.„Ja, en eens is hij zelfs als door een wonder bewaard gebleven. Hij kwam goed geladen uit de West-Indiën terug en ontmoette onderweg een Engelsch oorlogsschip. We warentoen wel al jaloersch op mekaêr, maar we heetten toch nog altijd goede vrienden te zijn, en als wij op zee den Engelschman het eerst groetten, dan was dat alleen eene beleefdheid. Vader gaf dus bevel dat Engelsche schip met eenige losse kanonschoten te groeten of salueeren, zooals ze dat noemen. Maar wat gebeurt? Pas had hij een paar schoten gedaan of een kanon sprong. Eén man werd dadelijk gedood, een ander werden de beenen afgeslagen en nog vijf of zes anderen zwaar gekwetst. En Vader, die er dichter bij gestaan had dan die vijf of zes, bleef ongedeerd. Was dat niet wondervol behouden?„Van storm, onweder, orkanen en tempeesten weet Vader ook mee te praten; want het is gebeurd, dat hij eens van de zes- of achtentwintig en nog eens van de zeventien schepen waarmede men uitgezeild was, moederziel alleen in het Vaderland aankwam, en Oom Dirk heeft hij in eenen storm voor zijne oogen zien verdrinken!”„Nu maar, ik ben blij, hoor, dat Vader niet meer varen gaat,” zeide Alida. „Het is om voor heel zijn leven bang voor de zee te worden.”„Ja,” sprak Cornelia, „en wie weet wat hij nog meer beleefd en gedaan heeft! Ge hebt zeker nog veel meer gelezen, Adriaen?”„Neen, zusje, meer gelezen heb ik niet; maar kijk eens, van dien heelen stapel papieren heb ik dit weinigje nog maar gelezen. Ik zal dat nu morgen en overmorgen weer doen, en als ik dan weer veel gelezen heb, zal ik opnieuw vertellen! Laten we naar binnen gaan; want gij weet wel, dat Vader niet hebben wil, dat we in zijne papieren snuffelen, en hij kan zóó thuiskomen!”De „Journalen” werden weggelegd, zooals ze gelegen hadden, en nauwelijks waren ze beneden gekomen of Meneer De Ruyter stapte de gang in.„Vader, Vader,” riep de kleine Engel onderwijl hij zijn Vader tegemoet liep.De Ruyter dacht zeker dat het kind hem goeden dag zei, pakte Engel op, gaf hem eenen zoen en zei: „Dag, groote kerel!”„Dag, Vader,” sprak Engel en toen hij hem ook eenen zoen teruggegeven had, zei hij: „Vader, Adriaen mooi gelezen. Mooi uit zulke papieren. Adriaen weer van u vertellen, van vechten. Maar eerst lezen als u op het groote zeehoofd is. Mag wel, hè, Vader?”Daar had men nu het bewijs dat het kleine potje ook ooren had.„Adriaen,” riep De Ruyter.Adriaen, die alles verstaan had, wat de kleine Engel heel onschuldig en zonder opzet overgebriefd had, naderde zijnen Vader en zeide: „Wat belieft u, Vader?”„Dat zal ik u straks zeggen,” antwoordde De Ruyter. „Vertel eerst maar eens, wat gij gedaan hebt, toen ik op het hoofd was en uwe Moeder aan de wasch?”„Wij zijn in uwe kamer geweest, Vader!”„Zoo! En wat hebt gij daar uitgevoerd?”„Ik heb een deel van uwe Scheeps-journalen gelezen, Vader, en het merkwaardigste daaruit aan Cornelia en Alida oververteld! O, Vader, wat heeft u veel doorstaan, en wat is u slim en moedig geweest!”„Komt eens hier, Cornelia en Alida,” sprak De Ruyter. „Wat ik te zeggen heb, is noodig gehoord te worden door alle drie!”Alida en Cornelia kwamen nu ook nader bij.„Luistert, kinderen,” sprak De Ruyter. „Adriaen vroeg me daar zoo even, wat ik beliefde. Mijn antwoord is, dat ik belief, dat niemand uwer zonder oorlof van mij of van uwe Moeder in mijne kamer komt om daar in mijne papieren te snuffelen. Gij, Adriaen, Cornelia en Alida weet nu misschien al heel wat van uwen Vader, gij weet misschien dat hij dapper en moedig gevochten, en zichzelven meermalen door list uit een gevaar gered heeft. Welnu, ik kan u dat weten natuurlijk niet ontnemen. Doch, let wel, ik versta niet, dat gij er ooit ofte immer met iemandover spreekt. Dat ik nog ben, die ik ben, daartoe komt den Heere alle lof en eere toe. Ik was in Zijne hand alle dagen mijns levens, en wat ik hope is dit, dat mijn harte nooit tot hoogmoed neige en vergete Hem te loven, te prijzen en te danken voor al het goeds, dat ik mijn Vaderland en mijnen Meesters heb mogen doen. Hebt gij het gehoord, kinderen?”Hier eindigde De Ruyter zijne toespraak, doch wetende, dat alle menschen eenen trek naar het verbodene hebben, zoo zette hij zich een uurtje later in zijne kamer neer en begon al zijne „Scheeps-journalen” te vernietigen.2Terwijl hij hiermede evenwel bezig was, kwam Aaltje, de meid, hem storen met te zeggen: „Meneer, er zijn in de spreekkamer Heeren om u te spreken!”„Hebben ze niet gezegd wie ze zijn, Aaltje?” vroeg De Ruyter eenigszins verstoord opziende.„Jawel, Meneer, ik moest zeggen, dat ze Heeren Afgevaardigden waren van de Staten van Zeeland!”„Van de Staten van Zeeland?” zeide De Ruyter. „Ik kom!”Hij begaf zich naar zijne huiskamer en liet de Heeren daar binnenkomen.1Bij deze gelegenheid kwam het ook uit, dat onze nieuwe Schout-bij-nacht beter met het zwaard in de vuist wist te zeggen, hoe hij het meende dan met de pen in de hand. Hij schreef bij die gelegenheid toch eenen brief aan de Admiraliteit van Zeeland waarin o. a. voorkwam: „Ick sal mij als een heerlijck capiteyn in myn harte gedraghen, in de hoope dat Godt, het werck, waer wij om uyt syn gesonden, zal segenen tot heere van ons lieve Vaderlandt.” Gij ziet dat onze goede man nog altijd een Zeeuw was en met letter h al zeer slecht terecht kon, zoodat hij inplaats vaneerlijckeenvoudigheerlijcken inplaats vaneereookheereschreef.↑2Het is niet zeker wanneer M. A. De Ruyter zijne Scheeps-journalen vernietigd heeft. Misschien heeft hij dat later gedaan, zooals zijne levensbeschrijver Gerard Brandt meldt. Deze zegt van die jaren vóór 1652: „Gedurende de gemelde tochten, in negen jaren tijds gedaan, had De Ruyter verscheidene ontmoetingen, waarvan men den juisten tijd niet kan melden; dewijl hij, namaals Luitenant-Admiraal geworden, als zeker uitheemsch Heer, door den roem zijner daden bewogen, eenig schriftelijk bericht van zijn leven begeerde, om tot het schrijven eener Historie te dienen, dat verzoek door eene wonderbare zedigheid niet alleen afsloeg, maar meteen, om het beschrijven van zijn leven te verhinderen, verscheidene van zijne dag- en gedenkschriften verscheurde. Hierdoor zijn vele wetenswaardige zaken verduisterd, die men sedert moest halen uit het verhaal van anderen, die het weleer uit zijnen mond hadden, of zelfooggetuigenwaren.”↑
TWEEDE HOOFDSTUK.Het voorspel van een helden-leven.
Hoewel wij weten, dat Adriaen hier iets schijnt te doen, dat zijn Vader niet graag heeft, vinden we toch ook de gelegenheid te schoon om een en ander van Schipper De Ruyter, die nu al vijfenveertig jaar oud geworden is, te weten te komen van al wat er met hem sinds den dood zijner lieve Moeder zoo al gebeurd is. De Schipper zelf vertelt dat aan niemand. Luisteren wij dus maar goed toe, wat Adriaenzoo alvertelt.„Op zijn vierentwintigste jaar,” zoo begint Adriaen te vertellen, „was Vader al Stuurman op „de Groene Leeuw”, die op Groenland voer, doch hoewel Vader nu niet zoo heel erg bang uitgevallen is, zoo vond hij de vaart tusschen het ijs toch niet naar zijnen zin en ging hij voor de Heeren Lampsens weer op Oost en West varen, dat wil zeggen: hij bleef uit het Noorden. Eens dat Vader nu met zijn schip van Ierland kwam, zag hij uit de verte eenen Duinkerker kaper op hem afkomen.„Schipper,” zei de Stuurman, „dat is, als ik het wel heb, om ons te doen.”„Dat is het ook, mijn jongen!” antwoordde Vader.„Willen we probeeren hem te ontzeilen?”„Onbegonnen werk, dat behoeft niet geprobeerd te worden,die Duinkerkers winnen het toch! Ze hebben het voordeel van den wind en zijn op snel zeilen gebouwd.”„Maar, Schipper, wat zal er dan van onze kostelijke lading boter worden?”Vader bedacht zich een oogenblik en zei: „Ik weet wat, jongen! We zullen het heele dek met oude boter besmeren! Als die luî ons dan enteren en aanboord springen, dan moeten ze vallen, en kunnen wij hun op ons gemak een tikje geven om hen welkom te heeten!”Dat werd gedaan, en niet alleen het dek, maar de verschansing en het want, alles werd met boter besmeerd.„Ja, maar, dat was toch zonde van die kostelijke boter,” zeide Alida, bij wie het zuinige huismoedertje boven kwam.„Ja, zonde, zonde,” hernam Adriaen, „maar het was toch beter drie of vier vaatjes te vermorsen dan een paar honderd vaatjes kwijt te wezen, omdat een kaper er mee aan den haal ging? Bovendien namen ze de slechtste boter van de lading. Maar nu zonde, of geene zonde, Vader liet de boter netjes uitsmeren en deed geene moeite om den kaper, die al nader en nader kwam te ontzeilen. Het werd zoo glad op het dek, dat de matrozen er niet op staan konden, en daarom trokken ze hunne schoenen uit en liepen op hunne kousen. Zoodra de kaper nu zoo dichtbij gekomen was, dat hij Vader ieder oogenblik enteren kon, zei Vader tot het volk: „Jongens, neemt nu handspaken, sabels, stukken ketting, bouten, zwabbers, luiwagens, en al wat ge maar vinden kunt, om er harde klappen of porren mee te kunnen geven. Gaat achter de verschansing staan, dat hij niet zien kan, wat ge in de handen hebt. Springt er nu één over, dan zal die zeker vallen, en dien geeft ge dan zóó zijne bekomst, dat hij zelfs geen, „dankje wel, maat,” kan zeggen. Begrepen?”„Ja, Schipper, opperbest,” zeiden de matrozen en kwamen ieder met eenig wapen aandragen.De matrozen hadden de grootste pret van de wereld enstonden geduldig te wachten tot er een kaper overspringen zou.Het schip draaide bij.„Springt over!” kommandeerde de Kaper-kapitein.Wip, daar ging er een! Maar daar de schepen wel wat ver van elkander lagen en de man misschien wel wat korte beenen had, zoo kwam hij met zijnen neus tegen den buitenkant der verschansing terecht en plofte in zee.Wip, daar ging nummer twee!Die maat bracht het tot op de verschansing, maar juist toen hij voelde, dat hij wel beet mocht pakken, omdat hij anders achterover zou slaan, gleed onze maat al uit en ging zijnen kameraad bij de bruinvisschen gezelschap houden.Wip, daar ging nummer drie!Dat was nog eens een springer! Hij sprong bijkans over Vaders schip aan den anderen kant in het water. Dat het dek zoo glad was had hij niet gezien; hij wilde gaan staan, maar, plof, daar lag oom Kool met de beenen in de lucht, en eer hij tijd had om op te staan, gaf de Stuurman hem met eenen versleten zwabber zulk eenen draai om den knikkerbol, dat de stumperd vergat, dat hij had willen opstaan en bleef liggen. Een vierde kreeg van Vader eenen slag met zijne sabel en een vijfde tuimelde weer van de verschansing in zee. Zoo sprongen er twaalf man over en niet één nog was terecht gekomen.„Dat zal ik eens beter doen,” riep één van de kapers, die voor zooveel als Onder-kapitein speelde, en, wip, daar was hij midden op het dek. Plof, daar lag hij en, pats, daar kreeg hij een hartversterkingetje met eene handspaak en toen was hij heelemaal vergeten, wat hij toch eigenlijk met zijne beenen doen moest, zoodat hij niemendal anders wist uit te voeren dan stilletjes te blijven liggen waar hij lag.Toen de Kapitein van het kaperschip zoo zijne matrozen zag verdwijnen en niet meer voor den dag komen, dacht hij zeker, dat Vaders schip betooverd was en ging aan den haal zoo hard hij kon.Gij kunt begrijpen hoe ze hier te Vlissingen stonden te kijken, toen Vader daar met zijn beboterd schip aankwam, maar zoodra de menschen hoorden waarom dat gedaan en hoe goed het afgeloopen was, kijk, toen scheen het volk wel dol geworden te zijn, en Vader werd door iedereen toegejuicht en geprezen.„Dat wil ik wel gelooven,” zei Cornelia, „want het was meer geluk dan wijsheid, dat er nog één vaatje boter terecht kwam. Zou hij geene belooning ervoor gehad hebben?”„Dat denk ik wel,” antwoordde Adriaen. „Maar laat ik verder vertellen. In dien tijd, het was in 1640, hadden de Portugeezen, die door Alva voor Koning Filips bij Spanje waren gebracht, zich van Spanje losgemaakt en eenen eigen Koning, Joao IV van Bragança, gekozen. Nu waren de Spanjaarden daarmee niemendal gediend, en deden al wat zij konden om de Portugeezen weer te onderwerpen. Maar de nieuwe Koning was slim.„Jongens,” dacht hij, „die Nederlanders zijn altijd nog in oorlog met Spanje, en daar die luiden er toch zooveel schepen op nahouden, konden ze me wel eens even een handje helpen. Het is in alle gevallen te vragen. Zeggen ze, neen, ik doe het niet, best, dan zijn we nog even na. Hij vroeg ons om hulp, en Prins Frederik Hendrik en de Heeren Staten waren hiertoe dadelijk bereid. Er zou eene vlootvantwintig schepen gezonden worden onder den Admiraal Aertus Gijsels en den Vice-admiraal Jacob Pieters Tolk. Nu was het sedert 1614 gewoonte geworden om bij eene vloot, die ten oorlog voer, eenen Kommandeur aan te stellen, die in de achterhoede bleef en te zorgen had, dat geene schepen van de vloot afdwaalden. Daar dit afdwalen meestal bij nacht geschiedde, zoo begon men zulk eenen Kommandeur langzamerhand ook wel Schout-bij-nacht te noemen, en toen nu Zijne Hoogheid Frederik Hendrik onder de Kapiteins eenen geschikten Schout-bij-nacht zocht, viel zijn oog op Vader, die deze benoeming gaarne aannam. Aldus voer Vader als Hoofdofficiervan de vloot uit1. Zijn schip heette „de Haze”. In het midden van Augustus 1641 kwam de vloot pas bijeen. Bij kaap Sint-Vincent geraakte het tot een treffen, en hoewel onze vloot veel zwakker was dan die van den vijand, en er nog al Kapiteins waren, die lafhartig zich uit het gevecht verwijderden, waren we toch zoo gelukkig, den vijand te noodzaken ons niet langer te bevechten. Het werd tijd ook; want bijna al onze schepen waren erg gehavend en konden amper de haven van Lissabon bereiken. De Koning was bijzonder in zijnen schik, dat wij hem zoo ferm geholpen hadden, en gaf daarom aan ieder van de Kapiteins eenen gouden ketting met gedenkpenning. Jammer genoeg maakte de goede man geen onderscheid tusschen lafaards en helden, zoodat Vader, wiens schip bijna stuk geschoten was, maar evenveel kreeg als zij, die eigenlijk uit de verte gekeken hadden, of een zeegevecht ook een mooi gezicht was.In December kwam Vader met roem en eere beladen te Vlissingen aan, en begon weer maar dadelijk als Koopvaardijkapitein te varen.Op eene van zijne reizen naar de West, kreeg hij een groot Spaansch oorlogsvaartuig in het gezicht. Het was duidelijk dat het jacht op hem maakte. Ontvluchten kon Vader niet, en daar hij eene rijke lading inhad, wilde hij die ook niet gaarne zoo maar overgeven. Gelukkig was zijn schip goed bewapend, zoodat hij besloot, den vijand, die veel grooter was dan wij waren, te woord te staan. Zoodra de Spanjaard zag, dat Vader zich maar niet zonder slag ofstoot overgaf, begon hij te schieten; maar daar zijne kanonnen veel hooger stonden dan de verschansing van Vaders schip, zoo deden de kogels hem volstrekt geen kwaad. Maar kon de vijand misschieten, Vader schoot raak, en wel zóó goed, dat het groote Spaansche schip begon te zinken. Nu haalde Vader met de booten zoovele vijanden af, als hij kon, en bracht die aan zijn eigen boord.Onder die gevangen vijanden behoorde ook de Spaansche Kapitein.„Zeg eens, vriendje,” vroeg Vader aan dien Kapitein, „als wij het nu eens verloren hadden en ons schip was gezonken, wat zoudt gij dan gedaan hebben?”„Ik zou u hebben laten verdrinken zonder eene hand tot redding uit te steken!” antwoordde de Spanjaard.„Wel, dat was een brutale kerel,” zeide Cornelia.„Maar Vader liet hem nu toch zeker ook eens verdrinken, nietwaar, Adriaen?” vroeg Alida.„Neen, weet ge wat Vader deed? Hij stelde zich zeer boos aan en gaf zijnen manschappen bevel die Spanjaarden eens gauw overboord te smijten.”„Vergeving! Vergeving!” riepen ze nu en vielen, met den Kapitein voorop, aan Vaders knieën. „Vergeving,Señor!”„Welnu,” sprak Vader, „ik zal geen kwaad met kwaad vergelden! Zoodra we land zien, zullen wij u allen aanwal brengen!”Dat deed Vader ook; en zoo kwamen die Spanjaarden, die gedacht hadden een aardig prijsje te behalen, al heel slecht weg, maar altijd toch nog beter dan ze verdiend hadden.Een poosje later ging Vader naar Salee, dat in het Moorenland ligt, en de bewoners van dat land zijn echte Mohammedaansche schelmen en gauwdieven. Ze stelen als de raven en zijn zoo valsch als eene kat. Gebeurt het, dat daar op de kust een vaartuig schipbreuk lijdt, dan stelen ze het wrak ledig en al wat er aanspoelt is: kip, ik heb-je.De schipbreukelingen helpen, wel ja, dat kunt ge zoo aan uw hart voelen. Neen, mensch, ze halen er nog een voordeeltje van, door ze naar het binnenland te zenden en daar als slaven te verkoopen.”„Hé”, riep Alida, „en ging Vader naar zulk een land? Hoe durfde hij dat doen?”„Wel,” vervolgde Adriaen, „ge weet niet, meid, wat Vader niet al durft. Hij durft alles, maar is er toch voorzichtig bij ook. Hij kwam dan met zijn schip, dat bovenst goed bewapend en bemand was, in het gezicht van Salee.”„Jongens,” dachten vijf Algerijnsche kapers, die daar op den loer lagen om schepen te vangen, „jongens, als we dien Hollandschen dikzak eens te pakken konden krijgen, dat zou een aardig voordeeltje geven! Vooruit, mannen, dat schip is gemakkelijk genomen!”En daar kwamen ze op Vader af.„Met vijf op één jacht maken, vriendjes, is wat al te erg!” dacht Vader en ging hierop naar den Stuurman.„Zeg eens, Stuur,” zeî Vader, „dat zijn daar vijf Algerijnsche roofschepen, ziet gij het wel?”„Ja, Schipper,” was het antwoord. „Maar ik zie ook dat het vijf geroofde schepen zijn. Er is een logge Spanjaard bij, een groote Napolitaan, een scherp gebouwde Franschman en twee zijn er, die ik niet thuis weet te brengen!”„Dat heb ik ook gezien,” zei Vader, „en weet ge wat we nu doen zullen? We kunnen er best twee, ja, zelfs wel drie staan; maar vijf is te veel. We moesten nu doen, alsof we aan den haal gaan, en dan vannacht in het donker terugkomen. We maken ons dan eens ferm slagvaardig, en zoodra de zon opkomt, vallen wij hen onverwachts een voor een aan, want er is dan geene sprake van dat ze nog dicht bij mekaêr zullen liggen. Ik wed dat wij dan die gemeene roovers een lesje zullen geven, dat ze hun leven lang zullen onthouden. Vooruit, doen alsof we vluchten!”Alles gebeurde zooals Vader dat bevolen had, en eer nog die Algerijnen den anderen morgen de slapers uit hunne oogen gewreven hadden, gaf Vader hunnen Admiraal van bakboord de volle laag, en die ging hard aan den haal. Nu stormde Vader op den Vice-admiraal los en gaf hem de laag van stuurboord. De stukken werden zoo gauw mogelijk opnieuw geladen en bom! bom! bom! naar alle kanten schietende, sloeg hij nog twee andere kapers op de vlucht en zeilde toen met vlag en wimpel de haven van Salee binnen.De Mooren, die van het schieten wakker waren geworden en naar de haven gesneld waren, hadden alles gezien! Daar ging me wat een gejuich op! Zulk eenen held hadden ze nog nooit ontmoet. Eer Vader er op bedacht was, hadden ze hem, toen hij aanwal stapte op een paard gezet, en brachten hem zoo, al juichende en schreeuwende van pleizier, in de stad. Van toen af was Vaders kostje daar gekocht. Toen al die eerbewijzen zoo wat afgeloopen waren, keerde hij aanboord terug om zijne waren uit te pakken, en pas had hij dat gedaan of het Opperhoofd van Salee kwam met groot gevolg op zijn schip om te zien, wat er zoo al te koop was. Zijn oog viel dadelijk op een mooi stuk laken en het Opperhoofd vroeg hoeveel dat kosten moest.Vader noemde den prijs, doch die was naar den zin van den man veel te hoog, zoodat hij braaf begon af te dingen.„Neen, Meneer,” zei Vader en schudde het hoofd, „u krijgt het geenen duit minder!”„Nu, ik betaal niet meer dan ik geboden heb, en voor dat geld moet ge het mij geven!” sprak de man op hoogen toon.„Ik mag het niet minder geven, Meneer!” antwoordde Vader. „De reeders van het schip hebben er den prijs van bepaald, en nu mag ik niet onder de markt verkoopen!”„Gij zult en moet het mij voor den prijs, dien ik u bied, afstaan,” sprak de Moor.„En ik geef het er u niet voor, Meneer,” zei Vader heel kalm. „Ik geef het u liever ten geschenke.”„Koppige christenhond,” riep nu de Moor, „weet gij dan niet, dat ik uw heele schip met lading en al nemen, en het volk als slaven verkoopen kan, als gij mij blijft weigeren dat laken voor den prijs, dien ik u bied, af te staan? Morgen ochtend kom ik terug en dan zult gij het mij geven, of ik doe waarmede ik nu bedreigd heb!”Het Opperhoofd vertrok, en af en toe kwamen er Mooren bij Vader aanboord om hem toch te bepraten, het laken voor den bedongen prijs af te staan; want hoeveel ze ook met hem op hadden, toch zouden zij hem morgen moeten straffen, als hij niet wilde toegeven.„Ik geef niet toe,” sprak Vader, „en straft de Sheyk me, welnu, dan zal meteen de heele wereld weten dat een vredelievend handelaar hier met zijn volk door eenen dwingeland als slaaf verkocht wordt. Zeg dat uwen Meester!”Maar ook het scheepsvolk, bevreesd voor de bedreiging van den wreeden Sheyk, zocht Vader over te halen, het laken toch maar voor den bedongen prijs te geven.„Neen,” antwoordde Vader, „hij moet weten dat hij met eenen man te doen heeft.”Den volgenden morgen kwam de Sheyk weer aanboord en na op barschen toon gevraagd te hebben, of men hem nu het laken voor het geboden geld wilde geven, klonk Vaders antwoord: „Neen, Meneer! Gij krijgt het voor het bedongen geld niet! Gij betaalt mij, wat ik u gevraagd heb, of ge neemt het van mij ten geschenke aan, maar onder de markt verkoopen, dat doe ik niet!”Toen Vader dat gezegd had, stonden het scheepsvolk en de Mooren van angst te beven. Wat zou er gebeuren?De Sheyk naderde nu vriendelijk lachend Vader, legde hem de hand op den schouder en zei: „Hollander, gij hebt moed, en ge zijt eerlijk, ja, gij blijft uwen Meesters getrouw ook dan, als gij er verre van verwijderd zijt. Geef hier hetlaken! Ik betaal gaarne, wat gij gevraagd hebt, en wil met geen ander Christen dan met u handel drijven.” Hij drukte Vader de hand en zich hierop tot zijn gevolg keerende, sprak hij: „En gij allen, neemt een voorbeeld aan dezen christenhond en weest op uwe beurt mij ook zoo trouw!”Het gevolg hiervan was, dat er niet één Schipper zoo voordeelig op Salee handelde als Vader. Zij lieten hem zelfs ongehinderd het binnenland intrekken om daar handel te drijven en christen-slaven vrij te koopen. Ja, eens had Vader schipbreuk op de Marokkaansche kust geleden, en al wat er kwam aandrijven werd tot het laatste stuk bezorgd en zelfs hielpen ze hem aan een wrak van een schip om dat op te knappen, en er mee naar Nederland terug te keeren.Eens toen Vader alweer eene zeer voordeelige reis op Salee gedaan had, viel hij onderweg in handen van eenen Franschen kaper, De Lalande geheeten. Daar wij in dien tijd, evenmin als nu, oorlog met Frankrijk hadden, trachtte Vader, door te praten alsBrugman, den Kaper-kapitein te bewegen hem en zijn schip vrij te laten. De Lalande echter was doof aan dat oor en hij wilde van geene teruggave weten. Hij behandelde Vader evenwel goed en bood hem zelfs een glas wijn aan.„Ik dank u,” zei Vader beleefd.„Wat!?” riep De Lalande, „drinkt ge geenen wijn? Gij kunt er verzekerd van zijn, dat hij oud en goed is.”„Goed of niet goed, oud of jong, dat doet er niet toe,” sprak Vader. „Geef mij wat ge eenen gevangene geeft, geef mij water! Slechts vrijen menschen schenkt men wijn!”De Lalande vulde eenen roemer boordevol, bracht hem bij Vader en zeî: „Drink wijn, Meneer De Ruyter! Gij zijt vrij!”„Ik wist wel dat gij een eerlijk vijand waart, Monsieur De Lalande,” sprak Vader. „Mocht ik eenmaal in de gelegenheid zijn u eenen dienst te kunnen bewijzen, dan zult gij zien dat een Nederlander erkentelijk kan zijn.”Zoo kwam Vader gelukkig vrij, maar het was hier ook bijna geweest van den wal in de sloot. Vader sloot zich bij eene groote, terugkeerende koopvaardij-vloot aan, doch toen ze tegen den avond in de nabijheid van het Nauw van Calais kwamen, kregen ze bericht dat de Duinkerker kapers in groot aantal op den loer lagen. Dat bracht niet weinig schrik en ontsteltenis onder de schepelingen der koopvaardijvloot. Zij wisten het maar al te zeer, dat er met die Duinkerkers niet te gekken viel. Maar wat nu te doen? Verreweg de meeste Kapiteins besloten alle zeilen bij te zetten en alle lichten uit te dooven, om zoo in de duisternis van den nacht te ontsnappen. Maar de Duinkerkers schenen kattenoogen te hebben en velen liepen in de fuik. Maar wat denkt ge, dat Vader gedaan had om de kapers mis te loopen? Inplaats van alle zeilen bij te zetten, voer hij onder klein zeil bedaard door, en instede van alle lichten te dooven, zette hij vuurpannen uit, zooals enkel de Vice-admiraals doen. Nu dachten de kapers: „afblijven van „den dien” dat is er een met tanden en horens, die kan bijten en stooten. Dat is een oorlogsschip!”„Hadden ze geweten hoe zwak Vader stond, hij zou niet zoo ongehinderd schip en lading in de Wielingen gekregen hebben, dat is zeker.”Op dit oogenblik kwam de kleine Engel eens kijken waar Adriaen en zijne zusjes waren.„Hij komt ook luisteren,” zei Cornelia.„Wel, vent, zijt ge al uitgeslapen?” vroeg Alida. „Zijt ge wakker, ja? Goed onthouden wat Adriaen leest en vertelt, hoor!”Ze zeide dat eigenlijk spottend en dacht er niet aan, dat kleine potjes ook ooren hebben.„Vader is er dan toch wel altijd gelukkig afgekomen,” zeide nu Cornelia.„Ja, en eens is hij zelfs als door een wonder bewaard gebleven. Hij kwam goed geladen uit de West-Indiën terug en ontmoette onderweg een Engelsch oorlogsschip. We warentoen wel al jaloersch op mekaêr, maar we heetten toch nog altijd goede vrienden te zijn, en als wij op zee den Engelschman het eerst groetten, dan was dat alleen eene beleefdheid. Vader gaf dus bevel dat Engelsche schip met eenige losse kanonschoten te groeten of salueeren, zooals ze dat noemen. Maar wat gebeurt? Pas had hij een paar schoten gedaan of een kanon sprong. Eén man werd dadelijk gedood, een ander werden de beenen afgeslagen en nog vijf of zes anderen zwaar gekwetst. En Vader, die er dichter bij gestaan had dan die vijf of zes, bleef ongedeerd. Was dat niet wondervol behouden?„Van storm, onweder, orkanen en tempeesten weet Vader ook mee te praten; want het is gebeurd, dat hij eens van de zes- of achtentwintig en nog eens van de zeventien schepen waarmede men uitgezeild was, moederziel alleen in het Vaderland aankwam, en Oom Dirk heeft hij in eenen storm voor zijne oogen zien verdrinken!”„Nu maar, ik ben blij, hoor, dat Vader niet meer varen gaat,” zeide Alida. „Het is om voor heel zijn leven bang voor de zee te worden.”„Ja,” sprak Cornelia, „en wie weet wat hij nog meer beleefd en gedaan heeft! Ge hebt zeker nog veel meer gelezen, Adriaen?”„Neen, zusje, meer gelezen heb ik niet; maar kijk eens, van dien heelen stapel papieren heb ik dit weinigje nog maar gelezen. Ik zal dat nu morgen en overmorgen weer doen, en als ik dan weer veel gelezen heb, zal ik opnieuw vertellen! Laten we naar binnen gaan; want gij weet wel, dat Vader niet hebben wil, dat we in zijne papieren snuffelen, en hij kan zóó thuiskomen!”De „Journalen” werden weggelegd, zooals ze gelegen hadden, en nauwelijks waren ze beneden gekomen of Meneer De Ruyter stapte de gang in.„Vader, Vader,” riep de kleine Engel onderwijl hij zijn Vader tegemoet liep.De Ruyter dacht zeker dat het kind hem goeden dag zei, pakte Engel op, gaf hem eenen zoen en zei: „Dag, groote kerel!”„Dag, Vader,” sprak Engel en toen hij hem ook eenen zoen teruggegeven had, zei hij: „Vader, Adriaen mooi gelezen. Mooi uit zulke papieren. Adriaen weer van u vertellen, van vechten. Maar eerst lezen als u op het groote zeehoofd is. Mag wel, hè, Vader?”Daar had men nu het bewijs dat het kleine potje ook ooren had.„Adriaen,” riep De Ruyter.Adriaen, die alles verstaan had, wat de kleine Engel heel onschuldig en zonder opzet overgebriefd had, naderde zijnen Vader en zeide: „Wat belieft u, Vader?”„Dat zal ik u straks zeggen,” antwoordde De Ruyter. „Vertel eerst maar eens, wat gij gedaan hebt, toen ik op het hoofd was en uwe Moeder aan de wasch?”„Wij zijn in uwe kamer geweest, Vader!”„Zoo! En wat hebt gij daar uitgevoerd?”„Ik heb een deel van uwe Scheeps-journalen gelezen, Vader, en het merkwaardigste daaruit aan Cornelia en Alida oververteld! O, Vader, wat heeft u veel doorstaan, en wat is u slim en moedig geweest!”„Komt eens hier, Cornelia en Alida,” sprak De Ruyter. „Wat ik te zeggen heb, is noodig gehoord te worden door alle drie!”Alida en Cornelia kwamen nu ook nader bij.„Luistert, kinderen,” sprak De Ruyter. „Adriaen vroeg me daar zoo even, wat ik beliefde. Mijn antwoord is, dat ik belief, dat niemand uwer zonder oorlof van mij of van uwe Moeder in mijne kamer komt om daar in mijne papieren te snuffelen. Gij, Adriaen, Cornelia en Alida weet nu misschien al heel wat van uwen Vader, gij weet misschien dat hij dapper en moedig gevochten, en zichzelven meermalen door list uit een gevaar gered heeft. Welnu, ik kan u dat weten natuurlijk niet ontnemen. Doch, let wel, ik versta niet, dat gij er ooit ofte immer met iemandover spreekt. Dat ik nog ben, die ik ben, daartoe komt den Heere alle lof en eere toe. Ik was in Zijne hand alle dagen mijns levens, en wat ik hope is dit, dat mijn harte nooit tot hoogmoed neige en vergete Hem te loven, te prijzen en te danken voor al het goeds, dat ik mijn Vaderland en mijnen Meesters heb mogen doen. Hebt gij het gehoord, kinderen?”Hier eindigde De Ruyter zijne toespraak, doch wetende, dat alle menschen eenen trek naar het verbodene hebben, zoo zette hij zich een uurtje later in zijne kamer neer en begon al zijne „Scheeps-journalen” te vernietigen.2Terwijl hij hiermede evenwel bezig was, kwam Aaltje, de meid, hem storen met te zeggen: „Meneer, er zijn in de spreekkamer Heeren om u te spreken!”„Hebben ze niet gezegd wie ze zijn, Aaltje?” vroeg De Ruyter eenigszins verstoord opziende.„Jawel, Meneer, ik moest zeggen, dat ze Heeren Afgevaardigden waren van de Staten van Zeeland!”„Van de Staten van Zeeland?” zeide De Ruyter. „Ik kom!”Hij begaf zich naar zijne huiskamer en liet de Heeren daar binnenkomen.
Hoewel wij weten, dat Adriaen hier iets schijnt te doen, dat zijn Vader niet graag heeft, vinden we toch ook de gelegenheid te schoon om een en ander van Schipper De Ruyter, die nu al vijfenveertig jaar oud geworden is, te weten te komen van al wat er met hem sinds den dood zijner lieve Moeder zoo al gebeurd is. De Schipper zelf vertelt dat aan niemand. Luisteren wij dus maar goed toe, wat Adriaenzoo alvertelt.
„Op zijn vierentwintigste jaar,” zoo begint Adriaen te vertellen, „was Vader al Stuurman op „de Groene Leeuw”, die op Groenland voer, doch hoewel Vader nu niet zoo heel erg bang uitgevallen is, zoo vond hij de vaart tusschen het ijs toch niet naar zijnen zin en ging hij voor de Heeren Lampsens weer op Oost en West varen, dat wil zeggen: hij bleef uit het Noorden. Eens dat Vader nu met zijn schip van Ierland kwam, zag hij uit de verte eenen Duinkerker kaper op hem afkomen.
„Schipper,” zei de Stuurman, „dat is, als ik het wel heb, om ons te doen.”
„Dat is het ook, mijn jongen!” antwoordde Vader.
„Willen we probeeren hem te ontzeilen?”
„Onbegonnen werk, dat behoeft niet geprobeerd te worden,die Duinkerkers winnen het toch! Ze hebben het voordeel van den wind en zijn op snel zeilen gebouwd.”
„Maar, Schipper, wat zal er dan van onze kostelijke lading boter worden?”
Vader bedacht zich een oogenblik en zei: „Ik weet wat, jongen! We zullen het heele dek met oude boter besmeren! Als die luî ons dan enteren en aanboord springen, dan moeten ze vallen, en kunnen wij hun op ons gemak een tikje geven om hen welkom te heeten!”
Dat werd gedaan, en niet alleen het dek, maar de verschansing en het want, alles werd met boter besmeerd.
„Ja, maar, dat was toch zonde van die kostelijke boter,” zeide Alida, bij wie het zuinige huismoedertje boven kwam.
„Ja, zonde, zonde,” hernam Adriaen, „maar het was toch beter drie of vier vaatjes te vermorsen dan een paar honderd vaatjes kwijt te wezen, omdat een kaper er mee aan den haal ging? Bovendien namen ze de slechtste boter van de lading. Maar nu zonde, of geene zonde, Vader liet de boter netjes uitsmeren en deed geene moeite om den kaper, die al nader en nader kwam te ontzeilen. Het werd zoo glad op het dek, dat de matrozen er niet op staan konden, en daarom trokken ze hunne schoenen uit en liepen op hunne kousen. Zoodra de kaper nu zoo dichtbij gekomen was, dat hij Vader ieder oogenblik enteren kon, zei Vader tot het volk: „Jongens, neemt nu handspaken, sabels, stukken ketting, bouten, zwabbers, luiwagens, en al wat ge maar vinden kunt, om er harde klappen of porren mee te kunnen geven. Gaat achter de verschansing staan, dat hij niet zien kan, wat ge in de handen hebt. Springt er nu één over, dan zal die zeker vallen, en dien geeft ge dan zóó zijne bekomst, dat hij zelfs geen, „dankje wel, maat,” kan zeggen. Begrepen?”
„Ja, Schipper, opperbest,” zeiden de matrozen en kwamen ieder met eenig wapen aandragen.
De matrozen hadden de grootste pret van de wereld enstonden geduldig te wachten tot er een kaper overspringen zou.
Het schip draaide bij.
„Springt over!” kommandeerde de Kaper-kapitein.
Wip, daar ging er een! Maar daar de schepen wel wat ver van elkander lagen en de man misschien wel wat korte beenen had, zoo kwam hij met zijnen neus tegen den buitenkant der verschansing terecht en plofte in zee.
Wip, daar ging nummer twee!
Die maat bracht het tot op de verschansing, maar juist toen hij voelde, dat hij wel beet mocht pakken, omdat hij anders achterover zou slaan, gleed onze maat al uit en ging zijnen kameraad bij de bruinvisschen gezelschap houden.
Wip, daar ging nummer drie!
Dat was nog eens een springer! Hij sprong bijkans over Vaders schip aan den anderen kant in het water. Dat het dek zoo glad was had hij niet gezien; hij wilde gaan staan, maar, plof, daar lag oom Kool met de beenen in de lucht, en eer hij tijd had om op te staan, gaf de Stuurman hem met eenen versleten zwabber zulk eenen draai om den knikkerbol, dat de stumperd vergat, dat hij had willen opstaan en bleef liggen. Een vierde kreeg van Vader eenen slag met zijne sabel en een vijfde tuimelde weer van de verschansing in zee. Zoo sprongen er twaalf man over en niet één nog was terecht gekomen.
„Dat zal ik eens beter doen,” riep één van de kapers, die voor zooveel als Onder-kapitein speelde, en, wip, daar was hij midden op het dek. Plof, daar lag hij en, pats, daar kreeg hij een hartversterkingetje met eene handspaak en toen was hij heelemaal vergeten, wat hij toch eigenlijk met zijne beenen doen moest, zoodat hij niemendal anders wist uit te voeren dan stilletjes te blijven liggen waar hij lag.
Toen de Kapitein van het kaperschip zoo zijne matrozen zag verdwijnen en niet meer voor den dag komen, dacht hij zeker, dat Vaders schip betooverd was en ging aan den haal zoo hard hij kon.
Gij kunt begrijpen hoe ze hier te Vlissingen stonden te kijken, toen Vader daar met zijn beboterd schip aankwam, maar zoodra de menschen hoorden waarom dat gedaan en hoe goed het afgeloopen was, kijk, toen scheen het volk wel dol geworden te zijn, en Vader werd door iedereen toegejuicht en geprezen.
„Dat wil ik wel gelooven,” zei Cornelia, „want het was meer geluk dan wijsheid, dat er nog één vaatje boter terecht kwam. Zou hij geene belooning ervoor gehad hebben?”
„Dat denk ik wel,” antwoordde Adriaen. „Maar laat ik verder vertellen. In dien tijd, het was in 1640, hadden de Portugeezen, die door Alva voor Koning Filips bij Spanje waren gebracht, zich van Spanje losgemaakt en eenen eigen Koning, Joao IV van Bragança, gekozen. Nu waren de Spanjaarden daarmee niemendal gediend, en deden al wat zij konden om de Portugeezen weer te onderwerpen. Maar de nieuwe Koning was slim.
„Jongens,” dacht hij, „die Nederlanders zijn altijd nog in oorlog met Spanje, en daar die luiden er toch zooveel schepen op nahouden, konden ze me wel eens even een handje helpen. Het is in alle gevallen te vragen. Zeggen ze, neen, ik doe het niet, best, dan zijn we nog even na. Hij vroeg ons om hulp, en Prins Frederik Hendrik en de Heeren Staten waren hiertoe dadelijk bereid. Er zou eene vlootvantwintig schepen gezonden worden onder den Admiraal Aertus Gijsels en den Vice-admiraal Jacob Pieters Tolk. Nu was het sedert 1614 gewoonte geworden om bij eene vloot, die ten oorlog voer, eenen Kommandeur aan te stellen, die in de achterhoede bleef en te zorgen had, dat geene schepen van de vloot afdwaalden. Daar dit afdwalen meestal bij nacht geschiedde, zoo begon men zulk eenen Kommandeur langzamerhand ook wel Schout-bij-nacht te noemen, en toen nu Zijne Hoogheid Frederik Hendrik onder de Kapiteins eenen geschikten Schout-bij-nacht zocht, viel zijn oog op Vader, die deze benoeming gaarne aannam. Aldus voer Vader als Hoofdofficiervan de vloot uit1. Zijn schip heette „de Haze”. In het midden van Augustus 1641 kwam de vloot pas bijeen. Bij kaap Sint-Vincent geraakte het tot een treffen, en hoewel onze vloot veel zwakker was dan die van den vijand, en er nog al Kapiteins waren, die lafhartig zich uit het gevecht verwijderden, waren we toch zoo gelukkig, den vijand te noodzaken ons niet langer te bevechten. Het werd tijd ook; want bijna al onze schepen waren erg gehavend en konden amper de haven van Lissabon bereiken. De Koning was bijzonder in zijnen schik, dat wij hem zoo ferm geholpen hadden, en gaf daarom aan ieder van de Kapiteins eenen gouden ketting met gedenkpenning. Jammer genoeg maakte de goede man geen onderscheid tusschen lafaards en helden, zoodat Vader, wiens schip bijna stuk geschoten was, maar evenveel kreeg als zij, die eigenlijk uit de verte gekeken hadden, of een zeegevecht ook een mooi gezicht was.
In December kwam Vader met roem en eere beladen te Vlissingen aan, en begon weer maar dadelijk als Koopvaardijkapitein te varen.
Op eene van zijne reizen naar de West, kreeg hij een groot Spaansch oorlogsvaartuig in het gezicht. Het was duidelijk dat het jacht op hem maakte. Ontvluchten kon Vader niet, en daar hij eene rijke lading inhad, wilde hij die ook niet gaarne zoo maar overgeven. Gelukkig was zijn schip goed bewapend, zoodat hij besloot, den vijand, die veel grooter was dan wij waren, te woord te staan. Zoodra de Spanjaard zag, dat Vader zich maar niet zonder slag ofstoot overgaf, begon hij te schieten; maar daar zijne kanonnen veel hooger stonden dan de verschansing van Vaders schip, zoo deden de kogels hem volstrekt geen kwaad. Maar kon de vijand misschieten, Vader schoot raak, en wel zóó goed, dat het groote Spaansche schip begon te zinken. Nu haalde Vader met de booten zoovele vijanden af, als hij kon, en bracht die aan zijn eigen boord.
Onder die gevangen vijanden behoorde ook de Spaansche Kapitein.
„Zeg eens, vriendje,” vroeg Vader aan dien Kapitein, „als wij het nu eens verloren hadden en ons schip was gezonken, wat zoudt gij dan gedaan hebben?”
„Ik zou u hebben laten verdrinken zonder eene hand tot redding uit te steken!” antwoordde de Spanjaard.
„Wel, dat was een brutale kerel,” zeide Cornelia.
„Maar Vader liet hem nu toch zeker ook eens verdrinken, nietwaar, Adriaen?” vroeg Alida.
„Neen, weet ge wat Vader deed? Hij stelde zich zeer boos aan en gaf zijnen manschappen bevel die Spanjaarden eens gauw overboord te smijten.”
„Vergeving! Vergeving!” riepen ze nu en vielen, met den Kapitein voorop, aan Vaders knieën. „Vergeving,Señor!”
„Welnu,” sprak Vader, „ik zal geen kwaad met kwaad vergelden! Zoodra we land zien, zullen wij u allen aanwal brengen!”
Dat deed Vader ook; en zoo kwamen die Spanjaarden, die gedacht hadden een aardig prijsje te behalen, al heel slecht weg, maar altijd toch nog beter dan ze verdiend hadden.
Een poosje later ging Vader naar Salee, dat in het Moorenland ligt, en de bewoners van dat land zijn echte Mohammedaansche schelmen en gauwdieven. Ze stelen als de raven en zijn zoo valsch als eene kat. Gebeurt het, dat daar op de kust een vaartuig schipbreuk lijdt, dan stelen ze het wrak ledig en al wat er aanspoelt is: kip, ik heb-je.De schipbreukelingen helpen, wel ja, dat kunt ge zoo aan uw hart voelen. Neen, mensch, ze halen er nog een voordeeltje van, door ze naar het binnenland te zenden en daar als slaven te verkoopen.”
„Hé”, riep Alida, „en ging Vader naar zulk een land? Hoe durfde hij dat doen?”
„Wel,” vervolgde Adriaen, „ge weet niet, meid, wat Vader niet al durft. Hij durft alles, maar is er toch voorzichtig bij ook. Hij kwam dan met zijn schip, dat bovenst goed bewapend en bemand was, in het gezicht van Salee.”
„Jongens,” dachten vijf Algerijnsche kapers, die daar op den loer lagen om schepen te vangen, „jongens, als we dien Hollandschen dikzak eens te pakken konden krijgen, dat zou een aardig voordeeltje geven! Vooruit, mannen, dat schip is gemakkelijk genomen!”
En daar kwamen ze op Vader af.
„Met vijf op één jacht maken, vriendjes, is wat al te erg!” dacht Vader en ging hierop naar den Stuurman.
„Zeg eens, Stuur,” zeî Vader, „dat zijn daar vijf Algerijnsche roofschepen, ziet gij het wel?”
„Ja, Schipper,” was het antwoord. „Maar ik zie ook dat het vijf geroofde schepen zijn. Er is een logge Spanjaard bij, een groote Napolitaan, een scherp gebouwde Franschman en twee zijn er, die ik niet thuis weet te brengen!”
„Dat heb ik ook gezien,” zei Vader, „en weet ge wat we nu doen zullen? We kunnen er best twee, ja, zelfs wel drie staan; maar vijf is te veel. We moesten nu doen, alsof we aan den haal gaan, en dan vannacht in het donker terugkomen. We maken ons dan eens ferm slagvaardig, en zoodra de zon opkomt, vallen wij hen onverwachts een voor een aan, want er is dan geene sprake van dat ze nog dicht bij mekaêr zullen liggen. Ik wed dat wij dan die gemeene roovers een lesje zullen geven, dat ze hun leven lang zullen onthouden. Vooruit, doen alsof we vluchten!”
Alles gebeurde zooals Vader dat bevolen had, en eer nog die Algerijnen den anderen morgen de slapers uit hunne oogen gewreven hadden, gaf Vader hunnen Admiraal van bakboord de volle laag, en die ging hard aan den haal. Nu stormde Vader op den Vice-admiraal los en gaf hem de laag van stuurboord. De stukken werden zoo gauw mogelijk opnieuw geladen en bom! bom! bom! naar alle kanten schietende, sloeg hij nog twee andere kapers op de vlucht en zeilde toen met vlag en wimpel de haven van Salee binnen.
De Mooren, die van het schieten wakker waren geworden en naar de haven gesneld waren, hadden alles gezien! Daar ging me wat een gejuich op! Zulk eenen held hadden ze nog nooit ontmoet. Eer Vader er op bedacht was, hadden ze hem, toen hij aanwal stapte op een paard gezet, en brachten hem zoo, al juichende en schreeuwende van pleizier, in de stad. Van toen af was Vaders kostje daar gekocht. Toen al die eerbewijzen zoo wat afgeloopen waren, keerde hij aanboord terug om zijne waren uit te pakken, en pas had hij dat gedaan of het Opperhoofd van Salee kwam met groot gevolg op zijn schip om te zien, wat er zoo al te koop was. Zijn oog viel dadelijk op een mooi stuk laken en het Opperhoofd vroeg hoeveel dat kosten moest.
Vader noemde den prijs, doch die was naar den zin van den man veel te hoog, zoodat hij braaf begon af te dingen.
„Neen, Meneer,” zei Vader en schudde het hoofd, „u krijgt het geenen duit minder!”
„Nu, ik betaal niet meer dan ik geboden heb, en voor dat geld moet ge het mij geven!” sprak de man op hoogen toon.
„Ik mag het niet minder geven, Meneer!” antwoordde Vader. „De reeders van het schip hebben er den prijs van bepaald, en nu mag ik niet onder de markt verkoopen!”
„Gij zult en moet het mij voor den prijs, dien ik u bied, afstaan,” sprak de Moor.
„En ik geef het er u niet voor, Meneer,” zei Vader heel kalm. „Ik geef het u liever ten geschenke.”
„Koppige christenhond,” riep nu de Moor, „weet gij dan niet, dat ik uw heele schip met lading en al nemen, en het volk als slaven verkoopen kan, als gij mij blijft weigeren dat laken voor den prijs, dien ik u bied, af te staan? Morgen ochtend kom ik terug en dan zult gij het mij geven, of ik doe waarmede ik nu bedreigd heb!”
Het Opperhoofd vertrok, en af en toe kwamen er Mooren bij Vader aanboord om hem toch te bepraten, het laken voor den bedongen prijs af te staan; want hoeveel ze ook met hem op hadden, toch zouden zij hem morgen moeten straffen, als hij niet wilde toegeven.
„Ik geef niet toe,” sprak Vader, „en straft de Sheyk me, welnu, dan zal meteen de heele wereld weten dat een vredelievend handelaar hier met zijn volk door eenen dwingeland als slaaf verkocht wordt. Zeg dat uwen Meester!”
Maar ook het scheepsvolk, bevreesd voor de bedreiging van den wreeden Sheyk, zocht Vader over te halen, het laken toch maar voor den bedongen prijs te geven.
„Neen,” antwoordde Vader, „hij moet weten dat hij met eenen man te doen heeft.”
Den volgenden morgen kwam de Sheyk weer aanboord en na op barschen toon gevraagd te hebben, of men hem nu het laken voor het geboden geld wilde geven, klonk Vaders antwoord: „Neen, Meneer! Gij krijgt het voor het bedongen geld niet! Gij betaalt mij, wat ik u gevraagd heb, of ge neemt het van mij ten geschenke aan, maar onder de markt verkoopen, dat doe ik niet!”
Toen Vader dat gezegd had, stonden het scheepsvolk en de Mooren van angst te beven. Wat zou er gebeuren?
De Sheyk naderde nu vriendelijk lachend Vader, legde hem de hand op den schouder en zei: „Hollander, gij hebt moed, en ge zijt eerlijk, ja, gij blijft uwen Meesters getrouw ook dan, als gij er verre van verwijderd zijt. Geef hier hetlaken! Ik betaal gaarne, wat gij gevraagd hebt, en wil met geen ander Christen dan met u handel drijven.” Hij drukte Vader de hand en zich hierop tot zijn gevolg keerende, sprak hij: „En gij allen, neemt een voorbeeld aan dezen christenhond en weest op uwe beurt mij ook zoo trouw!”
Het gevolg hiervan was, dat er niet één Schipper zoo voordeelig op Salee handelde als Vader. Zij lieten hem zelfs ongehinderd het binnenland intrekken om daar handel te drijven en christen-slaven vrij te koopen. Ja, eens had Vader schipbreuk op de Marokkaansche kust geleden, en al wat er kwam aandrijven werd tot het laatste stuk bezorgd en zelfs hielpen ze hem aan een wrak van een schip om dat op te knappen, en er mee naar Nederland terug te keeren.
Eens toen Vader alweer eene zeer voordeelige reis op Salee gedaan had, viel hij onderweg in handen van eenen Franschen kaper, De Lalande geheeten. Daar wij in dien tijd, evenmin als nu, oorlog met Frankrijk hadden, trachtte Vader, door te praten alsBrugman, den Kaper-kapitein te bewegen hem en zijn schip vrij te laten. De Lalande echter was doof aan dat oor en hij wilde van geene teruggave weten. Hij behandelde Vader evenwel goed en bood hem zelfs een glas wijn aan.
„Ik dank u,” zei Vader beleefd.
„Wat!?” riep De Lalande, „drinkt ge geenen wijn? Gij kunt er verzekerd van zijn, dat hij oud en goed is.”
„Goed of niet goed, oud of jong, dat doet er niet toe,” sprak Vader. „Geef mij wat ge eenen gevangene geeft, geef mij water! Slechts vrijen menschen schenkt men wijn!”
De Lalande vulde eenen roemer boordevol, bracht hem bij Vader en zeî: „Drink wijn, Meneer De Ruyter! Gij zijt vrij!”
„Ik wist wel dat gij een eerlijk vijand waart, Monsieur De Lalande,” sprak Vader. „Mocht ik eenmaal in de gelegenheid zijn u eenen dienst te kunnen bewijzen, dan zult gij zien dat een Nederlander erkentelijk kan zijn.”
Zoo kwam Vader gelukkig vrij, maar het was hier ook bijna geweest van den wal in de sloot. Vader sloot zich bij eene groote, terugkeerende koopvaardij-vloot aan, doch toen ze tegen den avond in de nabijheid van het Nauw van Calais kwamen, kregen ze bericht dat de Duinkerker kapers in groot aantal op den loer lagen. Dat bracht niet weinig schrik en ontsteltenis onder de schepelingen der koopvaardijvloot. Zij wisten het maar al te zeer, dat er met die Duinkerkers niet te gekken viel. Maar wat nu te doen? Verreweg de meeste Kapiteins besloten alle zeilen bij te zetten en alle lichten uit te dooven, om zoo in de duisternis van den nacht te ontsnappen. Maar de Duinkerkers schenen kattenoogen te hebben en velen liepen in de fuik. Maar wat denkt ge, dat Vader gedaan had om de kapers mis te loopen? Inplaats van alle zeilen bij te zetten, voer hij onder klein zeil bedaard door, en instede van alle lichten te dooven, zette hij vuurpannen uit, zooals enkel de Vice-admiraals doen. Nu dachten de kapers: „afblijven van „den dien” dat is er een met tanden en horens, die kan bijten en stooten. Dat is een oorlogsschip!”
„Hadden ze geweten hoe zwak Vader stond, hij zou niet zoo ongehinderd schip en lading in de Wielingen gekregen hebben, dat is zeker.”
Op dit oogenblik kwam de kleine Engel eens kijken waar Adriaen en zijne zusjes waren.
„Hij komt ook luisteren,” zei Cornelia.
„Wel, vent, zijt ge al uitgeslapen?” vroeg Alida. „Zijt ge wakker, ja? Goed onthouden wat Adriaen leest en vertelt, hoor!”
Ze zeide dat eigenlijk spottend en dacht er niet aan, dat kleine potjes ook ooren hebben.
„Vader is er dan toch wel altijd gelukkig afgekomen,” zeide nu Cornelia.
„Ja, en eens is hij zelfs als door een wonder bewaard gebleven. Hij kwam goed geladen uit de West-Indiën terug en ontmoette onderweg een Engelsch oorlogsschip. We warentoen wel al jaloersch op mekaêr, maar we heetten toch nog altijd goede vrienden te zijn, en als wij op zee den Engelschman het eerst groetten, dan was dat alleen eene beleefdheid. Vader gaf dus bevel dat Engelsche schip met eenige losse kanonschoten te groeten of salueeren, zooals ze dat noemen. Maar wat gebeurt? Pas had hij een paar schoten gedaan of een kanon sprong. Eén man werd dadelijk gedood, een ander werden de beenen afgeslagen en nog vijf of zes anderen zwaar gekwetst. En Vader, die er dichter bij gestaan had dan die vijf of zes, bleef ongedeerd. Was dat niet wondervol behouden?
„Van storm, onweder, orkanen en tempeesten weet Vader ook mee te praten; want het is gebeurd, dat hij eens van de zes- of achtentwintig en nog eens van de zeventien schepen waarmede men uitgezeild was, moederziel alleen in het Vaderland aankwam, en Oom Dirk heeft hij in eenen storm voor zijne oogen zien verdrinken!”
„Nu maar, ik ben blij, hoor, dat Vader niet meer varen gaat,” zeide Alida. „Het is om voor heel zijn leven bang voor de zee te worden.”
„Ja,” sprak Cornelia, „en wie weet wat hij nog meer beleefd en gedaan heeft! Ge hebt zeker nog veel meer gelezen, Adriaen?”
„Neen, zusje, meer gelezen heb ik niet; maar kijk eens, van dien heelen stapel papieren heb ik dit weinigje nog maar gelezen. Ik zal dat nu morgen en overmorgen weer doen, en als ik dan weer veel gelezen heb, zal ik opnieuw vertellen! Laten we naar binnen gaan; want gij weet wel, dat Vader niet hebben wil, dat we in zijne papieren snuffelen, en hij kan zóó thuiskomen!”
De „Journalen” werden weggelegd, zooals ze gelegen hadden, en nauwelijks waren ze beneden gekomen of Meneer De Ruyter stapte de gang in.
„Vader, Vader,” riep de kleine Engel onderwijl hij zijn Vader tegemoet liep.
De Ruyter dacht zeker dat het kind hem goeden dag zei, pakte Engel op, gaf hem eenen zoen en zei: „Dag, groote kerel!”
„Dag, Vader,” sprak Engel en toen hij hem ook eenen zoen teruggegeven had, zei hij: „Vader, Adriaen mooi gelezen. Mooi uit zulke papieren. Adriaen weer van u vertellen, van vechten. Maar eerst lezen als u op het groote zeehoofd is. Mag wel, hè, Vader?”
Daar had men nu het bewijs dat het kleine potje ook ooren had.
„Adriaen,” riep De Ruyter.
Adriaen, die alles verstaan had, wat de kleine Engel heel onschuldig en zonder opzet overgebriefd had, naderde zijnen Vader en zeide: „Wat belieft u, Vader?”
„Dat zal ik u straks zeggen,” antwoordde De Ruyter. „Vertel eerst maar eens, wat gij gedaan hebt, toen ik op het hoofd was en uwe Moeder aan de wasch?”
„Wij zijn in uwe kamer geweest, Vader!”
„Zoo! En wat hebt gij daar uitgevoerd?”
„Ik heb een deel van uwe Scheeps-journalen gelezen, Vader, en het merkwaardigste daaruit aan Cornelia en Alida oververteld! O, Vader, wat heeft u veel doorstaan, en wat is u slim en moedig geweest!”
„Komt eens hier, Cornelia en Alida,” sprak De Ruyter. „Wat ik te zeggen heb, is noodig gehoord te worden door alle drie!”
Alida en Cornelia kwamen nu ook nader bij.
„Luistert, kinderen,” sprak De Ruyter. „Adriaen vroeg me daar zoo even, wat ik beliefde. Mijn antwoord is, dat ik belief, dat niemand uwer zonder oorlof van mij of van uwe Moeder in mijne kamer komt om daar in mijne papieren te snuffelen. Gij, Adriaen, Cornelia en Alida weet nu misschien al heel wat van uwen Vader, gij weet misschien dat hij dapper en moedig gevochten, en zichzelven meermalen door list uit een gevaar gered heeft. Welnu, ik kan u dat weten natuurlijk niet ontnemen. Doch, let wel, ik versta niet, dat gij er ooit ofte immer met iemandover spreekt. Dat ik nog ben, die ik ben, daartoe komt den Heere alle lof en eere toe. Ik was in Zijne hand alle dagen mijns levens, en wat ik hope is dit, dat mijn harte nooit tot hoogmoed neige en vergete Hem te loven, te prijzen en te danken voor al het goeds, dat ik mijn Vaderland en mijnen Meesters heb mogen doen. Hebt gij het gehoord, kinderen?”
Hier eindigde De Ruyter zijne toespraak, doch wetende, dat alle menschen eenen trek naar het verbodene hebben, zoo zette hij zich een uurtje later in zijne kamer neer en begon al zijne „Scheeps-journalen” te vernietigen.2
Terwijl hij hiermede evenwel bezig was, kwam Aaltje, de meid, hem storen met te zeggen: „Meneer, er zijn in de spreekkamer Heeren om u te spreken!”
„Hebben ze niet gezegd wie ze zijn, Aaltje?” vroeg De Ruyter eenigszins verstoord opziende.
„Jawel, Meneer, ik moest zeggen, dat ze Heeren Afgevaardigden waren van de Staten van Zeeland!”
„Van de Staten van Zeeland?” zeide De Ruyter. „Ik kom!”
Hij begaf zich naar zijne huiskamer en liet de Heeren daar binnenkomen.
1Bij deze gelegenheid kwam het ook uit, dat onze nieuwe Schout-bij-nacht beter met het zwaard in de vuist wist te zeggen, hoe hij het meende dan met de pen in de hand. Hij schreef bij die gelegenheid toch eenen brief aan de Admiraliteit van Zeeland waarin o. a. voorkwam: „Ick sal mij als een heerlijck capiteyn in myn harte gedraghen, in de hoope dat Godt, het werck, waer wij om uyt syn gesonden, zal segenen tot heere van ons lieve Vaderlandt.” Gij ziet dat onze goede man nog altijd een Zeeuw was en met letter h al zeer slecht terecht kon, zoodat hij inplaats vaneerlijckeenvoudigheerlijcken inplaats vaneereookheereschreef.↑2Het is niet zeker wanneer M. A. De Ruyter zijne Scheeps-journalen vernietigd heeft. Misschien heeft hij dat later gedaan, zooals zijne levensbeschrijver Gerard Brandt meldt. Deze zegt van die jaren vóór 1652: „Gedurende de gemelde tochten, in negen jaren tijds gedaan, had De Ruyter verscheidene ontmoetingen, waarvan men den juisten tijd niet kan melden; dewijl hij, namaals Luitenant-Admiraal geworden, als zeker uitheemsch Heer, door den roem zijner daden bewogen, eenig schriftelijk bericht van zijn leven begeerde, om tot het schrijven eener Historie te dienen, dat verzoek door eene wonderbare zedigheid niet alleen afsloeg, maar meteen, om het beschrijven van zijn leven te verhinderen, verscheidene van zijne dag- en gedenkschriften verscheurde. Hierdoor zijn vele wetenswaardige zaken verduisterd, die men sedert moest halen uit het verhaal van anderen, die het weleer uit zijnen mond hadden, of zelfooggetuigenwaren.”↑
1Bij deze gelegenheid kwam het ook uit, dat onze nieuwe Schout-bij-nacht beter met het zwaard in de vuist wist te zeggen, hoe hij het meende dan met de pen in de hand. Hij schreef bij die gelegenheid toch eenen brief aan de Admiraliteit van Zeeland waarin o. a. voorkwam: „Ick sal mij als een heerlijck capiteyn in myn harte gedraghen, in de hoope dat Godt, het werck, waer wij om uyt syn gesonden, zal segenen tot heere van ons lieve Vaderlandt.” Gij ziet dat onze goede man nog altijd een Zeeuw was en met letter h al zeer slecht terecht kon, zoodat hij inplaats vaneerlijckeenvoudigheerlijcken inplaats vaneereookheereschreef.↑2Het is niet zeker wanneer M. A. De Ruyter zijne Scheeps-journalen vernietigd heeft. Misschien heeft hij dat later gedaan, zooals zijne levensbeschrijver Gerard Brandt meldt. Deze zegt van die jaren vóór 1652: „Gedurende de gemelde tochten, in negen jaren tijds gedaan, had De Ruyter verscheidene ontmoetingen, waarvan men den juisten tijd niet kan melden; dewijl hij, namaals Luitenant-Admiraal geworden, als zeker uitheemsch Heer, door den roem zijner daden bewogen, eenig schriftelijk bericht van zijn leven begeerde, om tot het schrijven eener Historie te dienen, dat verzoek door eene wonderbare zedigheid niet alleen afsloeg, maar meteen, om het beschrijven van zijn leven te verhinderen, verscheidene van zijne dag- en gedenkschriften verscheurde. Hierdoor zijn vele wetenswaardige zaken verduisterd, die men sedert moest halen uit het verhaal van anderen, die het weleer uit zijnen mond hadden, of zelfooggetuigenwaren.”↑
1Bij deze gelegenheid kwam het ook uit, dat onze nieuwe Schout-bij-nacht beter met het zwaard in de vuist wist te zeggen, hoe hij het meende dan met de pen in de hand. Hij schreef bij die gelegenheid toch eenen brief aan de Admiraliteit van Zeeland waarin o. a. voorkwam: „Ick sal mij als een heerlijck capiteyn in myn harte gedraghen, in de hoope dat Godt, het werck, waer wij om uyt syn gesonden, zal segenen tot heere van ons lieve Vaderlandt.” Gij ziet dat onze goede man nog altijd een Zeeuw was en met letter h al zeer slecht terecht kon, zoodat hij inplaats vaneerlijckeenvoudigheerlijcken inplaats vaneereookheereschreef.↑
2Het is niet zeker wanneer M. A. De Ruyter zijne Scheeps-journalen vernietigd heeft. Misschien heeft hij dat later gedaan, zooals zijne levensbeschrijver Gerard Brandt meldt. Deze zegt van die jaren vóór 1652: „Gedurende de gemelde tochten, in negen jaren tijds gedaan, had De Ruyter verscheidene ontmoetingen, waarvan men den juisten tijd niet kan melden; dewijl hij, namaals Luitenant-Admiraal geworden, als zeker uitheemsch Heer, door den roem zijner daden bewogen, eenig schriftelijk bericht van zijn leven begeerde, om tot het schrijven eener Historie te dienen, dat verzoek door eene wonderbare zedigheid niet alleen afsloeg, maar meteen, om het beschrijven van zijn leven te verhinderen, verscheidene van zijne dag- en gedenkschriften verscheurde. Hierdoor zijn vele wetenswaardige zaken verduisterd, die men sedert moest halen uit het verhaal van anderen, die het weleer uit zijnen mond hadden, of zelfooggetuigenwaren.”↑