VIJFDE HOOFDSTUK.De laatste avond thuis.Het was de avond voor Sint-Stevensdag,1den tweeden van Oogstmaand des jaren 1618.In het kleine woonvertrek van Adriaen Michielsz. was het doodstil.De kleine kinderen lagen reeds in bed en de anderen waren nog op straat bezig met spelen of wel aan hun werk.Moeder Alida was dus alleen.Zij zat op eenen stoel bij de tafel en aan hare voeten stond eene geopende kist halfvol jongensgoed.Het was Michiels armoedige uitrusting.Voor het eerst van zijn leven zou hij dan eens wat nieuws kunnen aantrekken. Wel was alles op een koopje gekocht, maar het was dan toch nieuw.„Vier linnen en twee wollen hemden, twee baaien broeken, een paar laarzen, twee dassen, eene muts, drie paar kousen, vier zakdoeken, ja, het is er alles. Weinig genoeg, jongen,” zei Moeder Alida tot zichzelve.De torenklok sloeg zeven uren.„Ik zou Michiel nog zoo graag eens alleen spreken,” zei ze weer. „Hij blijft lang weg. Hij zal nu toch geene streken meer uithalen? Stil, daar zal hij komen!”Er klonken driftige voetstappen.De bovendeur werd geopend en eene zware stem riep: „Hola!”„Komt er maar in,” antwoordde Moeder Alida en dacht meteen: „wie zou dat wezen?”Pas had ze evenwel geroepen: „Komt er maar in,” of de man met de zware stem trad binnen.„Daar, vrouw Michielsz., dat is van uw lieve zoontje! Dat heeft de straatbengel door mijn open raam juist in eenen schotel met pap gesmeten.”Het was Meester Van Gelder, en het voorwerp, dat hij zorgvuldig in een papier gewikkeld op tafel smeet, was eene doode kat.„Eene kat,” zuchtte Moeder Alida.„Ja, juist, eene kat, eene doode kat! Wie weet waar ergens opgeraapt! Verbeeld je de heele schotel, de heele schotel vol zoete pap met kippen-grutjes, die ik zoo graag eet, weg, heelemaal weg! Mijne vrouw was één pap, al pap. Hare muts vol pap. Hare haren vol pap. Haar gezicht vol pap. Haar jak vol pap....”Zonder dat Meester het in zijne woede bemerkte was Michiel binnen gekomen, en stond met groote oogen in het vertrek te kijken.— —„haar voorschoot vol pap, ja, toen ik goed keek, was er zelfs pap op haren rug!”Dat ging Michiel te mooi, hij barstte in een luid gelach uit.Woedend keerde Meester zich om. Hij wilde zien wie daar zoo lachte.„Wat, schaamtelooze jongen, durft gij mij hier in huis in mijn aangezicht te komen uitlachen?” riep Meester Van Gelder op zulk eenen woedenden toon, dat Moeder Alida van schrik verbleekte, daar ze meende dat de man opeens krankzinnig geworden was.Angstig naderde zij hem en zeide: „Maar, Meester, wees toch bedaard. Wat is er dan toch gebeurd?”„Dat heb ik al verteld en nu zal ik den bengel hier in zijn eigen huis en in het bijzijn van zijne Moeder voor immer en altijd afleeren om katten, doode katten, van de straat opgeraapte doode katten, in schotels met pap te smijten.”Moeder Alida keek Michiel en Meester Van Gelder beurtelings met de grootste verbazing aan en hetzelfde deed Michiel ten opzichte van Moeder en Meester. Geen der twee begreep er iets van naar het scheen, hoewel Moeder Alida niet zóó was of ze vreesde, dat haar jongen voor den laatsten dag dat hij aan den wal was, nog eens eene echte straatjongensstreek had uitgehaald.Eindelijk toen Meester Van Gelder zweeg en van onder zijnen mantel eene bullepees te voorschijn haalde, kwam ze wat tot zichzelve.Dat Vader Adriaen haren Michiel sloeg, dat liet ze toe, hoewel elke slag, dien hij kreeg, haar misschien nog meer pijn deed dan Michiel, die voor slagen tamelijk ongevoelig geworden was. Zij wist hoe haar man in zijn hart zielsveel van den jongen hield en dat juist de begeerte hem voor de gevangenis, of erger nog, voor galg en rad te sparen, hem er toe bracht, zelfs herhaalde malen toe bracht, om den jongen op zulk eene pijnlijke wijze te kastijden.O, het oog eener Moeder ziet zoo heel anders dan een gewoon menschenoog. Het mag de letters van een boek niet tot woorden kunnen maken, het leest diep in het hartvan allen, die zij lief heeft, wat daar geschreven staat in eene soort van schrift, niet als de hiëroglyphen en de steenen gedenkteekenen der oude Egyptenaren, te ontraadselen en ontcijferen met een scherpzinnig vernuft en een groot verstand, maar in kleine bewegingen, die zich voortplanten tot de blootliggende deelen van het menschelijk lichaam.De grootste geleerde, die er ooit geleefd heeft, zou dat raadselschrift niet kunnen ontcijferen, doch de eenvoudigste Moeder uit de armste achterbuurt leest het, als ze maar een hart bezit, dat lief heeft.En een hart, dat lief heeft, bezitten immers alle Moeders?Ze had dan ook wel gezien, wat er in het hart van Vader Adriaen omging toen de geruchten van Michiels waagstuk ook binnen hare woning kwamen. Ze had gezien hoe de tang hem ontviel; ze had begrepen waarom die viel.En daarom, al deed iedere slag, dien Vader Adriaen aan Michiel gaf, pijn, zij duldde dat hij kastijdde.Maar wat ze van Vader Adriaen wel dulden wilde, dat zou ze niet toestaan aan Meester Van Gelder, al had Michiel ook de lage streek met die doode kat uitgehaald.Zoodra Meester Van Gelder dan ook de bullepees voor den dag haalde, trad ze tusschen hem en haren jongen.Wel, eenvoudig, zachtzinnig Moedertje, waar is nu toch opeens dat goedige oog gebleven, dat zoo zacht en bijna droomerig rondkeek? Waar is de trek op uw bleek gelaat, die trek van onderwerping zoo op eenmaal gebleven?Zie, uwe oogen flikkeren en schitteren, en over heel uw aangezicht ligt eene uitdrukking van heldenmoed!Meester Van Gelder zag dat alles ook en—hij bleef staan waar hij stond.„Ga uit den weg, Moeder Alida! Gij zijt eene lieve, goede Moeder, en de hand, die u slaat, mag wel verlammen. Ga uit den weg, beste vrouw, dien straatjongen daar, dien moet ik hebben! Hij moet vandaag ondervinden, dat Meester Van Gelder de bullepees voeren kan.”„Gij blijft van Michiel af, Meester! Als Michiel hier in huis gekastijd moet worden, dan is er maar één, die dat doen mag en dat is zijn Vader. Elke vreemde blijft van zijn lijf af.”„Ga maar gerust op zijde, Moeder,” sprak thans Michiel. „Ik sta hem en ben niet bang voor hem.”Ja, voor zijnen leeftijd was Michiel buitengewoon kloek en sterk, maar opgewassen tegen Meester Van Gelder, die een man in de volle kracht van het leven was, neen, dat was hij niet. Maar Michiel had de ijzeren blaaspijp in de handen en één slag daarmede kon doodelijk zijn.„Doe weg die blaaspijp, Michiel! Ik zal u beschermen,” sprak Moeder.„Maar, Moeder, hij zal....”„Doe weg de blaaspijp, Michiel! Gij zult geenen moord begaan waar ik bij ben!”„Eenen moord begaan? Niet te hopen ook! Wat is hier te doen? Wie is die man met zijne bullepees? Wat moet hij hier?”Deze woorden op korten en afgebroken toon werden gesproken door den „Barren Bruinvisch”, die, zonder dat iemand er iets van gehoord had, binnengetreden was.Meester Van Gelder den zeeman ziende, meende in hem wel iemand te zullen vinden, die hem hielp, en nu vertelde hij, wijzende op de doode en bemorste kat, die nog altijd op den vloer lag, wat Michiel hiermede uitgevoerd had.De „Barre Bruinvisch” hoorde Meester oplettend aan en zeide eindelijk: „Gemeen, laag, werk van eenen liederlijken straatjongen.”.„Dat geloof ik ook, Bootsman! Maar die vrouw daar schijnt niet te willen begrijpen, dat het kwaad gestraft moet worden. Help mij haar dat aan het verstand brengen.”„Dat wil ik wel, Meester, maar we moeten verstandig te werk gaan. Zeg mij, wie heeft die doode kat in uwe pap gesmeten?”„Wie? Wie anders dan hij, de liederlijkste straatjongen van heel Vlissingen.”„Erg, heel erg, Meester! En wanneer heeft hij dat gedaan?”„Wanneer?”„Ja, wanneer, hoe laat?”„Ik ben een man van orde en regel, Bootsman! Zoo lang ik getrouwd ben, zet mijne vrouw met het voorslag van acht uren de tafel klaar; als de klok begint te spelen beginnen we ons gebed en met den eersten slag van achten beginnen we te eten. Dus, vanavond precies om acht uren.”„Steek die bullepees dan maar onder uwen mantel, Meester, en ga den liederlijken bedrijver van die straatschenderij vrij elders zoeken en—neem poesje mee.”„En die bengel dan?”„Die bengel is pas na het slaan van achten vanboord gegaan en kan het dus niet gedaan hebben. Daarom, zoek den bengel elders en—hier, poesje moet mee.”„Bootsman, ik zeg....”Meester Van Gelder nam eene dreigende houding aan, doch de „Barre Bruinvisch” werd er niemendal bang voor en zachtjes zeide hij: „Gooi uw fatsoen niet te grabbelen, Meester! Ga naar de „Lijnbaan” en vraag daar aan elken matroos hoe laat Michiel vanboord gegaan is. Hij kan het niet gedaan hebben, al is het ook juist een stukje voor hem.”De kalme toon waarop de Bootsman sprak, bracht Meester Van Gelder tot nadenken. Hij raapte poesje op, smeet het door de geopende deur in de gracht en zonder iets te zeggen, verdween hij.Zoodra hij weg was werd het tooneel daar binnen heel anders. De leeuwin was weer het zachte Moedertje geworden en de kussen, die ze haren Michiel nu gaf, vertelden aan Vader Adriaen en de andere kinderen, die ook binnen gekomen waren, hoe innig verheugd ze was, dat Michielwaarheid gesproken had toen hij tot zijnen Vader zeide: „Het kwaad is er uit.”„Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat, manneke,” zeide de „Barre Bruinvisch” nu tot Michiel. Misschien zou er nog eene heele zeemanspreek gevolgd zijn, als er niet een nieuw bezoeker gekomen was in den persoon van Engels, die, hoewel aan het andere einde der stad wonende, nog altijd „Buurman Engels” genoemd werd, omdat hij in vroegere jaren naast hunne deur had gewoond. Hij was in gezelschap van zijn dochtertje Cornelia.„Goeden avond, buurtjes,” zeide hij. „Hoe maken de menschen het zoo al?”„Goed, gelukkig goed, buurman,” sprak Vader Adriaen. „Ga zitten! Alida, geef buurman eenen stoel!”„Neen, dank-je, ik zal niet gaan zitten. Ik kom maar even om Michiel goeden dag te zeggen. Hij gaat immers morgen naar zee?”„Ja, buurman,” antwoordde Vader. „Er zat niets anders op. Het spijt mij erg, maar mijne vrouw nog veel meer.”„Kom, kom, de zee is goed, en wie oppast kan vooruit komen. De Compagnie verdient geld als water. Als ik jongens had, allemaal het zeegat uit, hoor, allemaal! Eerst op Spanje, op de Levant, op de Oostzee en dan naar de Groote Oost.”„Het is op zee zoo gevaarlijk buurman! Er gebeuren zooveel ongelukken,” sprak Moeder.„Ongelukken gebeuren niet enkel op zee. Twee neven van me waren verleden week te Middelburg bezig met eenen ouden muur te herstellen. De steiger brak en beide mannen zijn aan de gevolgen van den val gestorven. Eene oude vrouw, die juist voorbij kwam, bleef op de plaats dood, want ze kreeg den heelen bak met steenen op haar hoofd. En dan, is niet een veertien dagen geleden een boer van Koudekerke, die met vrouw en kinderen naar Domburg reed, op den hol gegaan en met paard en wagen te watergeraakt en verdronken? Is zijne vrouw en zijn zijne kinderen er ook niet bij omgekomen? Wat is verleden jaar met Geurt Davidse en zijnen zoon gebeurd? Gebeten door eenen dollen hond, en hoe gestorven? Ongelukken, buurvrouw, kan men overal bekomen al is men niet op zee. Ons leven is elken dag in gevaar, onverschillig waar men is.”„Jawel, buurman, maar het zeevolk is zoo ruw!”„Nu, schootkindekens zijn onze jongens niet, maar bij al hunne ruwheid zit er toch veel goeds bij hen ook. Maar ik kwam niet om de zee aan te preeken, doch wel om afscheid te nemen en u geluk te wenschen met Michiels besluit.”„Maar, buurman,” riep Moeder. „Ons gelukwenschen? Neen, dat meent gij niet!”„Stellig meen ik dat, buurvrouw! Gij behoeft het mij niet te vertellen dat Schraalhans hier wel eens keukenmeester is; ik weet wat een huishouden kost. En nu zal het u zeker niet ongevallig zijn, als Michiel na eenige maanden terugkeert, u eenen handvol blanke daalders in den schoot werpt en zegt: „Zie, Moedertje, ge hebt me zoo lang het beste uit uwen mond gegeven toen ik als straatjongen rondliep! Hier is geld, zuiver bespaard en overgewonnen geld! Koop nu eens wat goeds voor u, voor Vader en voor al de anderen.”„Ferm, flink! Verstandig gesproken! Ik ben het eens met u, man!” liet de „Barre” zich hooren. „Ik zeg maar:Een Hollandsch kind blijft niet aanwal:Hem is de zee het best van al!Zij brengt hem de eêlste gaven.Het goud drijft op den zilten vloed,Hij grijpt het, maar de landrot moetEr diep in de aard naar graven.En pakt de storm den zeeman beet,Een wapen heeft hij steeds gereed,En nooit is hij er zonder.Dat wapen is: geloof aan God,En hiermee gaat hij zelfs ten slot,Volmaakt gerust, kopje onder!”De eenvoudige zeeman had deze woorden met zooveel vuur uitgesproken, dat Moeder Alida hem de handen drukte en zeide: „Dank je, Lievensz., gij steekt mij een riem onder het hart, dat in de laatste dagen dreigde af te zakken, zooals de Profeet Ezechiël zeide.”„Van die blanke daalders heb ik anders niet zoo heel veel verwachting,” liet Vader Adriaen zich hooren. „Hij zal wel niet kunnen sparen.”Nu kwam Michiel geheel voor den dag en hij zeide: „Ja, Vader, zeker zal ik sparen. Aanboord heb ik eten voor niemendal en kleeren heb ik vooreerst genoeg; wat zou ik nu met geld doen? Als ik terugkom en de Heeren Lampsens betalen uit, dan is alles voor u, Moeder! Dan zullen we er nog eens eenen avond van nemen, wie weet of Vader dan ons niet eens vertelt, waarom hij toch uit Bergen op Zoom naar Vlissingen gekomen is. Dat heeft hij nog nooit willen doen!” riep Michiel vroolijk.„Ja, jongen, ik weet het wel, uw hart is goed, kind! Als het enkel van uwen wil afhing, dan zoudt gij mij wel met goud willen bestrooien, als eene wafel met suiker.”„Dat zou ik zeker, Moeder!”„Maar willen is niet altijd kunnen, ventje!”„Jawel, Moeder, willen is kunnen, dat zal ik toonen, als de Heere mij bij het leven en de gezondheid spaart!”„Juist zoo, Michiel, juist zoo!” zeide Engels, „ik zeg ook: willen is kunnen, maar.... het is gemakkelijk gezegd, moeielijk te doen.”„We varen in hetzelfde schuitje, vriend Engels,” zoo nam nu Lievensz. het woord, „Ik zelf ben er een voorbeeld van. Als een straat-arme jongen, die niet lezen of schrijven kon, ik kan het nog niet, ging ik naar zee, om een potje te maken voor mijne arme Moeder, die toen Vader gestorven was, achterbleef met drie kinderen. Ik was de oudste en gezond, doch maar tien jaar oud. Mijnezusters waren allebei jonger dan ik en eene ervan was blind en is het nog. De andere had een zwakte in den rug en mocht al niet veel anders doen dan rust houden en op bed liggen. En—ga naar Westersouburg, daar leven ze alle drie in mijn eigen huisje met een mooi lapje grond erbij, waarin ze wat knutselen kunnen. Iedere week brengt een van de schrijvers van de Heeren Lampsens, die ook te Westersouburg woont, er een ruim weekgeld uit mijnen spaarpot, die al aardig vet is en met den dag vetter wordt, want ik verdien meer dan Moeder en zusters noodig hebben. En dat heb ik ook met de hulp des Heeren zoo ver gekregen door tewillen. Als de wil maar goed is, kan men bergen verzetten. Het is de groote vraag maar: „Hebt gij ook zulk eenen wil, Michiel?”„Ja, Bootsman, ja, zeker! Ik wil het ver brengen, zoo ver als ik me eens verbeeld heb dat ik het brengen zou, als ik maar varen mocht.”„En tot hoever was dat?”„Tot Admiraal, Bootsman!”„Hei, hei, jongen wat zet gij me daar eenen mond open! Admiraal worden! Ha, ha, wees dankbaar als ge het tot Bootsman brengt,” sprak Vader.„Zulk eene gedachte is zondig, Michiel,” liet Moeder zachtjes hooren, doch de oogen lieten weer lezen, dat er in haar hart toch ook zulk eene zondige gedachte omging en met innig welgevallen zag ze haren flinken jongen aan, die met zulk eenen moed gereed stond om den strijd voor het dagelijksch brood te beginnen.„Dat een mensch vooruit wil, goed! Het is een slecht matroos, die bij zijne eerste zeereis op den bodem van zijne kleerenkist in gedachten den kommando-staf niet neerlegt,” sprak Lievensz. „Maar—Admiraal worden, neen, ventje, dat gaat te ver. Als gij hoopt envertrouwtdat te worden, dan zal de zee u teleurstellen. Om Admiraal te worden moet er wat meer in den bol zitten dan wat ernu in zit, manneke! Ik vrees zoo dat het een pover beetje is, wat gij weet.”„Wat ik nog niet weet kan ik leeren weten, Bootsman,” antwoordde Michiel.„Als gij daarbij maar blijft, jongen,” zeide Engels, „dan zal de zaak wel terecht komen. Maar eer ik heenga, en het is al over onzen tijd, moet ik nog wat zeggen, Michiel! Ge hebt hier, mijn dochtertje Cornelia, eens uit het water gered, en ik gaf er u nooit iets anders voor dan mijn dankbaar hart. Nu ge het huis uit en de wereld ingaat, geef ik wat anders. Hier is een legpenning van mij in den spaarpot. Het is een Geldersche rijder, dien ik indertijd van Grootvader gekregen heb. Bewaar hem wel. Er is een gaatje in om hem aan een koordje om den hals te hangen. Geef hem niet uit voor dat het water tot over de lippen komt. Zulk een legpenning is een wonderding. Hij schijnt te groeien, te bloeien en vruchten te dragen en toch altijd even jong en even mooi te blijven. Hier is hij, en nu gij, Cornelia!”Cornelia, een meisje van Michiels leeftijd, kwam nu naar Michiel en zeide: „Hier, Michiel, drie paar wollen kousen, die ik zelf gebreid heb. Toen Vader hoorde dat gij naar zee zoudt gaan, zei hij: „Cornelia, nu moest gij eens voor Michiel kousen breien. Ik had nu wel geene maatkous, en Moeder, dat weet ge, kon me niet helpen, omdat ze altijd nog ziek is. Ik heb ze nu op mijn eigen houtje maar op den gis gebreid. Verslijt ze in gezondheid! Te klein zijn ze vast niet, als ze maar niet te groot zijn!”„Als ze te groot zijn, dan draag ik ze u ter gedachtenisse op mijne bruiloft, Cornelia! Ik dank u wel, hoor!” sprak Michiel.Engels en Cornelia namen hierop hartelijk afscheid en gingen naar huis, doch pas waren ze weg of een der Dominé’s trad binnen. Michiel keek hem even aan en zeide: „Ik zal nu meteen de kousen maar eens passen, die Cornelia voor me gebreid heeft.”„Dat is goed, kind,” antwoordde Moeder Alida, die er niemendal in zag dit te doen, terwijl er iemand bij was. Men lette in dien tijd niet op zulke dingen, en vooral niet onder den minderen stand.Michiel ging zitten, trok de kousen aan en—begon hard te lachen.De voeten veel te lang en te wijd, de beenen veel te groot,—het waren volslagen manskousen.„Hier, Moeder, bewaar ze maar tot over een jaar of vier; maar er niemendal van tegen Cornelia zeggen, hoor! Die zou het erg onpleizierig vinden!”Moeder rolde ze op en borg ze in het kabinet.„Michiel,” begon Dominé opeens, nadat hij een tijdlang met Vader over koetjes en kalfjes gepraat had, „Michiel, kom eens hier!”Michiel naderde langzaam en verlegen. Als het moest had hij zelfs Prins Maurits te woord durven staan, doch tegenover Dominé’s stond hij altijd met den mond vol tanden.„De muts af, jongen, ik heb wat ernstigs te zeggen.”Michiel nam de muts af en Lievensz. en Vader volgden dat voorbeeld.„Geef mij uwe hand, knaap!” sprak Dominé bedaard.Ook dit deed Michiel.„Jongen,” dus hervatte de ernstige man nu,—„jongen, met deze hand is al heel wat verricht, heel wat! Maar hoeveel goeds? Zoudt ge dat niet gemakkelijk kunnen opnoemen? Maar hoeveel kwaads? Kunt ge dat ook alles zoo opnoemen? Neen, jongen, dat ware te vergeefs beproefd. De Heer Burgemeester heeft onlangs van u gezegd, dat ge dag aan dag de goê gemeente tot last waart, en dat viel niet tegen te spreken. Hij heeft gezegd, dat gij uw grootste vermaak vondt in straatschenderij, en dat was ook waar, volkomen waar, heelemaal, heelemaal waar. Hij heeft gezegd, dat gij de stad in opschudding bracht, en dat kan niemandontkennen! Michiel, Michiel, wat moet er uit u groeien? Moeten de haren van uwe goede Ouders vóór den tijd vergrijzen uit verdriet over u? Zouden ze moeten wenschen: „Och, hadden we dat kind maar nooit gehad, of ware het gestorven eer het den naam van Vader en Moeder stamelen kon!” Er zijn Ouders, die dat wenschen! Maar wee, wee, het kind, dat den Vader tot verdriet en der Moeder tot smarte is! Zijn levensweg zal langs doornen en distelen loopen. Hij zal eindigen als Judas Iscarioth! Zoudt gij dat willen, Michiel? Neen, immers? En zoudt ge niet liever willen, dat Vader en Moeder eenmaal met oogen, die van blijdschap tintelen, zeggen kunnen: „Dat is ónze jongen! Dat is ónze Michiel! Goede God, wij danken U, wij danken U voor dat kind!””Moeder Alida verborg haar gelaat achter haar voorschoot; Vader liet de tranen vrij langs de wangen loopen en Lievensz. boende met de vuist de nattigheid uit zijne oogen, mompelend: „Sakkerloot, dat is anders preêken dan ik het kan! Dat wordt me te kras!”Michiel alleen weende niet; maar hij stond daar met bleeke wangen voor den man, die zulk een ernstig woord sprak. Wel trilden zijne lippen, wel kneep hij de oogen heel vreemd, maar weenen, neen, dát niet.„Laat mij in uwe oogen zien, Michiel,” sprak Dominé, en terstond keek de knaap hem open aan.Ja, toch, die oogen, al lag er jongensvuur in, waren toch wel zoo wat aan het natte kantje.„Jongen,” vervolgde de Predikant, „morgen zult ge de stad niet meer in opschudding brengen, uw grootste vermaak niet meer in straatschenderij kunnen vinden, en de goê gemeente niet meer tot last kunnen zijn. Morgen gaat gij het Ouderlijke huis uit, de wereld in en op zee. Dat hebt gij zelf zoo gewild. Maar ge hebt ook gezegd, dat ge van dat oogenblik af, een heel ander mensch zult worden. Straatjongen, dat geloof ik óók! Ik heb goede hoop op u;want ik heb u nog nooit op eene leugen betrapt. En als het u wèl gaat, Michiel, dan zal er hier vreugde in huis zijn, maar in mijn harte zal ik den Heere loven en danken, dat er iets goeds uit u gegroeid is, want Michiel, jongen, jongen,”—hier begon Dominé’s stem ook te haperen en trilden zijne lippen,—„jongen, al waart ge nog tienmaal grooter deugniet geweest, ik zou tóch veel van u gehouden hebben! Ik zou....”Daar brak de bom bij Michiel los.Hij vloog op zijne Ouders toe, sloeg zijne armen om hunnen hals en barstte in zulk een zenuwachtig snikken los, dat men dacht, dat hij er in blijven zou.Maar langzaam kwam hij tot bedaren, en zich uit de armen zijner Ouders losmakende, ging hij naar den Dominé, gaf hem de hand en zei: „Dominé, ik zal—ik zal—ik zal goed—goed oppassen! U zal—zal—den Heere—den Heere—dan—danken kunnen.” Hierop ging hij naar Lievensz. en sprak: „Bootsman, wilt gij me helpen om—om—wat goeds uit me—uit me—te doen—te doen groei—groeien?”„Wel, wis en drie, kwâjongen! Maar dat zeg ik je, je moet me de zeilen niet zoo nat maken, want dan bederft gij mij de vracht heelemaal!” antwoordde Lievensz., en boende met de vuisten zóó langs de natte zeilen, dat het wel scheen, alsof hij een blinde leeuw wilde worden.„En nu, menschen, de Heere zegene u,” zeide de Dominé, gaf Vader, Moeder en Lievensz. de hand, en stopte Michiel een kerkboekje toe, terwijl hij als het ware zegenend bad:„De Heere is uw bewaerder, de Heere is aen uwe rechterhant!Godt behoed’ u voortaen voor ’t quaet,Hy sal uw’ ziel voorwaerBehoeden voor gevaer:En als gy uyt of oock ingaet,Sal Hy u steets bevrijden,En met gaven verblijden.”De Dominé en Lievensz. gingen nu samen heen en het talrijke huisgezin bleef nog alleen over om den laatsten avond van Michiels thuis-zijn zoo gezellig mogelijk door te brengen.Men bleef laat op, en toen allen eindelijk slapen gingen, was het om te droomen van het kind en den broeder, die morgen op dezen tijd reeds op zee zou zijn.Alleen Moeder Alida droomde niet; zij waakte.Daar sloeg de torenklok vier uren.Om vijf uren moest Michiel weg.Zij stond op om hem te roepen, stil, heel stil, want allen sliepen.Ook Michiel sliep.Moeder Alida boog zich over hem heen, fluisterde: „God de Heere zegene U, lief, lief kind!” en kuste hem wakker.„Goede, beste Moeder,” zei Michiel zacht, en sloeg zijne armen om haren hals en weende nogmaals.„Nu, sta op, kind! Kleed u maar gauw aan. Ik zal uwe boterhammen snijden!”Moeder ging naar beneden en vond Vader, Jan, Dirk en Alida ook al op.„Wij eten samen, Moeder!” sprak Vader Adriaen. „Het zal in eenen heelen tijd niet meer gebeuren!”Jan, die anders het gebed deed, liet het nu Michiel doen.Men at de schraal gesmeerde boterhammetjes en dronk er eene kom melk bij.De klok sloeg half vijf.„Het is tijd, Michiel,” sprak Vader.Michiel stond op, drukte Moeder en Alida eenen vurigen kus op den mond, liep naar boven om de kleintjes goeden dag te zeggen, gaf Jan en Dirk de hand en ging met Vader, die het kistje droeg naar de haven waar aanboord van de „Lijnbaan” reeds alles in beweging was.Michiel werd door Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met heel veel drukte ontvangen.„Hier hebt gij onzen jongen, Bootsman! Zorg voor hem, alsof hij uw eigen kind is; wij zullen er u dankbaar voor zijn,” sprak Vader.„Zonder mankeeren, Adriaen!” was het antwoord.Vader en Michiel namen afscheid van elkander, de loopplank werd ingehaald, de kabels en kettingen losgemaakt, de paarden stonden aan de lijn en begonnen te trekken. Weldra was het schip de haven uit en op de Schelde.„De schoten, konstabel!” beval de Kapitein.Tien kanonschoten rolden langs het water, als een laatste groet aan allen, die men achterliet.Michiel boog zich over de verschansing, keek naar den hoogen Westdijk, groette met den zakdoek, die daar stonden en—gebruikte hem daarna om zijne tranen af te drogen.Het kwâjongenshart was gebroken.Maar uit de overblijfselen groeide een nieuw hart, een zeemanshart, zoo schoon, zoo edel, zoo moedig, als er ooit een hart onder het wollen zeemans-baadje geklopt heeft!„Goede reis! Goede reis!” stamelde eene vrouw op den Westdijk, toen ze het schip in de Wielingen verdwijnen zag.Het was Moeder Alida.Of haar wensch verhoord zou worden?1St. Stevensdag of St. Stephanus valt op den 3denAugustus.↑
VIJFDE HOOFDSTUK.De laatste avond thuis.Het was de avond voor Sint-Stevensdag,1den tweeden van Oogstmaand des jaren 1618.In het kleine woonvertrek van Adriaen Michielsz. was het doodstil.De kleine kinderen lagen reeds in bed en de anderen waren nog op straat bezig met spelen of wel aan hun werk.Moeder Alida was dus alleen.Zij zat op eenen stoel bij de tafel en aan hare voeten stond eene geopende kist halfvol jongensgoed.Het was Michiels armoedige uitrusting.Voor het eerst van zijn leven zou hij dan eens wat nieuws kunnen aantrekken. Wel was alles op een koopje gekocht, maar het was dan toch nieuw.„Vier linnen en twee wollen hemden, twee baaien broeken, een paar laarzen, twee dassen, eene muts, drie paar kousen, vier zakdoeken, ja, het is er alles. Weinig genoeg, jongen,” zei Moeder Alida tot zichzelve.De torenklok sloeg zeven uren.„Ik zou Michiel nog zoo graag eens alleen spreken,” zei ze weer. „Hij blijft lang weg. Hij zal nu toch geene streken meer uithalen? Stil, daar zal hij komen!”Er klonken driftige voetstappen.De bovendeur werd geopend en eene zware stem riep: „Hola!”„Komt er maar in,” antwoordde Moeder Alida en dacht meteen: „wie zou dat wezen?”Pas had ze evenwel geroepen: „Komt er maar in,” of de man met de zware stem trad binnen.„Daar, vrouw Michielsz., dat is van uw lieve zoontje! Dat heeft de straatbengel door mijn open raam juist in eenen schotel met pap gesmeten.”Het was Meester Van Gelder, en het voorwerp, dat hij zorgvuldig in een papier gewikkeld op tafel smeet, was eene doode kat.„Eene kat,” zuchtte Moeder Alida.„Ja, juist, eene kat, eene doode kat! Wie weet waar ergens opgeraapt! Verbeeld je de heele schotel, de heele schotel vol zoete pap met kippen-grutjes, die ik zoo graag eet, weg, heelemaal weg! Mijne vrouw was één pap, al pap. Hare muts vol pap. Hare haren vol pap. Haar gezicht vol pap. Haar jak vol pap....”Zonder dat Meester het in zijne woede bemerkte was Michiel binnen gekomen, en stond met groote oogen in het vertrek te kijken.— —„haar voorschoot vol pap, ja, toen ik goed keek, was er zelfs pap op haren rug!”Dat ging Michiel te mooi, hij barstte in een luid gelach uit.Woedend keerde Meester zich om. Hij wilde zien wie daar zoo lachte.„Wat, schaamtelooze jongen, durft gij mij hier in huis in mijn aangezicht te komen uitlachen?” riep Meester Van Gelder op zulk eenen woedenden toon, dat Moeder Alida van schrik verbleekte, daar ze meende dat de man opeens krankzinnig geworden was.Angstig naderde zij hem en zeide: „Maar, Meester, wees toch bedaard. Wat is er dan toch gebeurd?”„Dat heb ik al verteld en nu zal ik den bengel hier in zijn eigen huis en in het bijzijn van zijne Moeder voor immer en altijd afleeren om katten, doode katten, van de straat opgeraapte doode katten, in schotels met pap te smijten.”Moeder Alida keek Michiel en Meester Van Gelder beurtelings met de grootste verbazing aan en hetzelfde deed Michiel ten opzichte van Moeder en Meester. Geen der twee begreep er iets van naar het scheen, hoewel Moeder Alida niet zóó was of ze vreesde, dat haar jongen voor den laatsten dag dat hij aan den wal was, nog eens eene echte straatjongensstreek had uitgehaald.Eindelijk toen Meester Van Gelder zweeg en van onder zijnen mantel eene bullepees te voorschijn haalde, kwam ze wat tot zichzelve.Dat Vader Adriaen haren Michiel sloeg, dat liet ze toe, hoewel elke slag, dien hij kreeg, haar misschien nog meer pijn deed dan Michiel, die voor slagen tamelijk ongevoelig geworden was. Zij wist hoe haar man in zijn hart zielsveel van den jongen hield en dat juist de begeerte hem voor de gevangenis, of erger nog, voor galg en rad te sparen, hem er toe bracht, zelfs herhaalde malen toe bracht, om den jongen op zulk eene pijnlijke wijze te kastijden.O, het oog eener Moeder ziet zoo heel anders dan een gewoon menschenoog. Het mag de letters van een boek niet tot woorden kunnen maken, het leest diep in het hartvan allen, die zij lief heeft, wat daar geschreven staat in eene soort van schrift, niet als de hiëroglyphen en de steenen gedenkteekenen der oude Egyptenaren, te ontraadselen en ontcijferen met een scherpzinnig vernuft en een groot verstand, maar in kleine bewegingen, die zich voortplanten tot de blootliggende deelen van het menschelijk lichaam.De grootste geleerde, die er ooit geleefd heeft, zou dat raadselschrift niet kunnen ontcijferen, doch de eenvoudigste Moeder uit de armste achterbuurt leest het, als ze maar een hart bezit, dat lief heeft.En een hart, dat lief heeft, bezitten immers alle Moeders?Ze had dan ook wel gezien, wat er in het hart van Vader Adriaen omging toen de geruchten van Michiels waagstuk ook binnen hare woning kwamen. Ze had gezien hoe de tang hem ontviel; ze had begrepen waarom die viel.En daarom, al deed iedere slag, dien Vader Adriaen aan Michiel gaf, pijn, zij duldde dat hij kastijdde.Maar wat ze van Vader Adriaen wel dulden wilde, dat zou ze niet toestaan aan Meester Van Gelder, al had Michiel ook de lage streek met die doode kat uitgehaald.Zoodra Meester Van Gelder dan ook de bullepees voor den dag haalde, trad ze tusschen hem en haren jongen.Wel, eenvoudig, zachtzinnig Moedertje, waar is nu toch opeens dat goedige oog gebleven, dat zoo zacht en bijna droomerig rondkeek? Waar is de trek op uw bleek gelaat, die trek van onderwerping zoo op eenmaal gebleven?Zie, uwe oogen flikkeren en schitteren, en over heel uw aangezicht ligt eene uitdrukking van heldenmoed!Meester Van Gelder zag dat alles ook en—hij bleef staan waar hij stond.„Ga uit den weg, Moeder Alida! Gij zijt eene lieve, goede Moeder, en de hand, die u slaat, mag wel verlammen. Ga uit den weg, beste vrouw, dien straatjongen daar, dien moet ik hebben! Hij moet vandaag ondervinden, dat Meester Van Gelder de bullepees voeren kan.”„Gij blijft van Michiel af, Meester! Als Michiel hier in huis gekastijd moet worden, dan is er maar één, die dat doen mag en dat is zijn Vader. Elke vreemde blijft van zijn lijf af.”„Ga maar gerust op zijde, Moeder,” sprak thans Michiel. „Ik sta hem en ben niet bang voor hem.”Ja, voor zijnen leeftijd was Michiel buitengewoon kloek en sterk, maar opgewassen tegen Meester Van Gelder, die een man in de volle kracht van het leven was, neen, dat was hij niet. Maar Michiel had de ijzeren blaaspijp in de handen en één slag daarmede kon doodelijk zijn.„Doe weg die blaaspijp, Michiel! Ik zal u beschermen,” sprak Moeder.„Maar, Moeder, hij zal....”„Doe weg de blaaspijp, Michiel! Gij zult geenen moord begaan waar ik bij ben!”„Eenen moord begaan? Niet te hopen ook! Wat is hier te doen? Wie is die man met zijne bullepees? Wat moet hij hier?”Deze woorden op korten en afgebroken toon werden gesproken door den „Barren Bruinvisch”, die, zonder dat iemand er iets van gehoord had, binnengetreden was.Meester Van Gelder den zeeman ziende, meende in hem wel iemand te zullen vinden, die hem hielp, en nu vertelde hij, wijzende op de doode en bemorste kat, die nog altijd op den vloer lag, wat Michiel hiermede uitgevoerd had.De „Barre Bruinvisch” hoorde Meester oplettend aan en zeide eindelijk: „Gemeen, laag, werk van eenen liederlijken straatjongen.”.„Dat geloof ik ook, Bootsman! Maar die vrouw daar schijnt niet te willen begrijpen, dat het kwaad gestraft moet worden. Help mij haar dat aan het verstand brengen.”„Dat wil ik wel, Meester, maar we moeten verstandig te werk gaan. Zeg mij, wie heeft die doode kat in uwe pap gesmeten?”„Wie? Wie anders dan hij, de liederlijkste straatjongen van heel Vlissingen.”„Erg, heel erg, Meester! En wanneer heeft hij dat gedaan?”„Wanneer?”„Ja, wanneer, hoe laat?”„Ik ben een man van orde en regel, Bootsman! Zoo lang ik getrouwd ben, zet mijne vrouw met het voorslag van acht uren de tafel klaar; als de klok begint te spelen beginnen we ons gebed en met den eersten slag van achten beginnen we te eten. Dus, vanavond precies om acht uren.”„Steek die bullepees dan maar onder uwen mantel, Meester, en ga den liederlijken bedrijver van die straatschenderij vrij elders zoeken en—neem poesje mee.”„En die bengel dan?”„Die bengel is pas na het slaan van achten vanboord gegaan en kan het dus niet gedaan hebben. Daarom, zoek den bengel elders en—hier, poesje moet mee.”„Bootsman, ik zeg....”Meester Van Gelder nam eene dreigende houding aan, doch de „Barre Bruinvisch” werd er niemendal bang voor en zachtjes zeide hij: „Gooi uw fatsoen niet te grabbelen, Meester! Ga naar de „Lijnbaan” en vraag daar aan elken matroos hoe laat Michiel vanboord gegaan is. Hij kan het niet gedaan hebben, al is het ook juist een stukje voor hem.”De kalme toon waarop de Bootsman sprak, bracht Meester Van Gelder tot nadenken. Hij raapte poesje op, smeet het door de geopende deur in de gracht en zonder iets te zeggen, verdween hij.Zoodra hij weg was werd het tooneel daar binnen heel anders. De leeuwin was weer het zachte Moedertje geworden en de kussen, die ze haren Michiel nu gaf, vertelden aan Vader Adriaen en de andere kinderen, die ook binnen gekomen waren, hoe innig verheugd ze was, dat Michielwaarheid gesproken had toen hij tot zijnen Vader zeide: „Het kwaad is er uit.”„Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat, manneke,” zeide de „Barre Bruinvisch” nu tot Michiel. Misschien zou er nog eene heele zeemanspreek gevolgd zijn, als er niet een nieuw bezoeker gekomen was in den persoon van Engels, die, hoewel aan het andere einde der stad wonende, nog altijd „Buurman Engels” genoemd werd, omdat hij in vroegere jaren naast hunne deur had gewoond. Hij was in gezelschap van zijn dochtertje Cornelia.„Goeden avond, buurtjes,” zeide hij. „Hoe maken de menschen het zoo al?”„Goed, gelukkig goed, buurman,” sprak Vader Adriaen. „Ga zitten! Alida, geef buurman eenen stoel!”„Neen, dank-je, ik zal niet gaan zitten. Ik kom maar even om Michiel goeden dag te zeggen. Hij gaat immers morgen naar zee?”„Ja, buurman,” antwoordde Vader. „Er zat niets anders op. Het spijt mij erg, maar mijne vrouw nog veel meer.”„Kom, kom, de zee is goed, en wie oppast kan vooruit komen. De Compagnie verdient geld als water. Als ik jongens had, allemaal het zeegat uit, hoor, allemaal! Eerst op Spanje, op de Levant, op de Oostzee en dan naar de Groote Oost.”„Het is op zee zoo gevaarlijk buurman! Er gebeuren zooveel ongelukken,” sprak Moeder.„Ongelukken gebeuren niet enkel op zee. Twee neven van me waren verleden week te Middelburg bezig met eenen ouden muur te herstellen. De steiger brak en beide mannen zijn aan de gevolgen van den val gestorven. Eene oude vrouw, die juist voorbij kwam, bleef op de plaats dood, want ze kreeg den heelen bak met steenen op haar hoofd. En dan, is niet een veertien dagen geleden een boer van Koudekerke, die met vrouw en kinderen naar Domburg reed, op den hol gegaan en met paard en wagen te watergeraakt en verdronken? Is zijne vrouw en zijn zijne kinderen er ook niet bij omgekomen? Wat is verleden jaar met Geurt Davidse en zijnen zoon gebeurd? Gebeten door eenen dollen hond, en hoe gestorven? Ongelukken, buurvrouw, kan men overal bekomen al is men niet op zee. Ons leven is elken dag in gevaar, onverschillig waar men is.”„Jawel, buurman, maar het zeevolk is zoo ruw!”„Nu, schootkindekens zijn onze jongens niet, maar bij al hunne ruwheid zit er toch veel goeds bij hen ook. Maar ik kwam niet om de zee aan te preeken, doch wel om afscheid te nemen en u geluk te wenschen met Michiels besluit.”„Maar, buurman,” riep Moeder. „Ons gelukwenschen? Neen, dat meent gij niet!”„Stellig meen ik dat, buurvrouw! Gij behoeft het mij niet te vertellen dat Schraalhans hier wel eens keukenmeester is; ik weet wat een huishouden kost. En nu zal het u zeker niet ongevallig zijn, als Michiel na eenige maanden terugkeert, u eenen handvol blanke daalders in den schoot werpt en zegt: „Zie, Moedertje, ge hebt me zoo lang het beste uit uwen mond gegeven toen ik als straatjongen rondliep! Hier is geld, zuiver bespaard en overgewonnen geld! Koop nu eens wat goeds voor u, voor Vader en voor al de anderen.”„Ferm, flink! Verstandig gesproken! Ik ben het eens met u, man!” liet de „Barre” zich hooren. „Ik zeg maar:Een Hollandsch kind blijft niet aanwal:Hem is de zee het best van al!Zij brengt hem de eêlste gaven.Het goud drijft op den zilten vloed,Hij grijpt het, maar de landrot moetEr diep in de aard naar graven.En pakt de storm den zeeman beet,Een wapen heeft hij steeds gereed,En nooit is hij er zonder.Dat wapen is: geloof aan God,En hiermee gaat hij zelfs ten slot,Volmaakt gerust, kopje onder!”De eenvoudige zeeman had deze woorden met zooveel vuur uitgesproken, dat Moeder Alida hem de handen drukte en zeide: „Dank je, Lievensz., gij steekt mij een riem onder het hart, dat in de laatste dagen dreigde af te zakken, zooals de Profeet Ezechiël zeide.”„Van die blanke daalders heb ik anders niet zoo heel veel verwachting,” liet Vader Adriaen zich hooren. „Hij zal wel niet kunnen sparen.”Nu kwam Michiel geheel voor den dag en hij zeide: „Ja, Vader, zeker zal ik sparen. Aanboord heb ik eten voor niemendal en kleeren heb ik vooreerst genoeg; wat zou ik nu met geld doen? Als ik terugkom en de Heeren Lampsens betalen uit, dan is alles voor u, Moeder! Dan zullen we er nog eens eenen avond van nemen, wie weet of Vader dan ons niet eens vertelt, waarom hij toch uit Bergen op Zoom naar Vlissingen gekomen is. Dat heeft hij nog nooit willen doen!” riep Michiel vroolijk.„Ja, jongen, ik weet het wel, uw hart is goed, kind! Als het enkel van uwen wil afhing, dan zoudt gij mij wel met goud willen bestrooien, als eene wafel met suiker.”„Dat zou ik zeker, Moeder!”„Maar willen is niet altijd kunnen, ventje!”„Jawel, Moeder, willen is kunnen, dat zal ik toonen, als de Heere mij bij het leven en de gezondheid spaart!”„Juist zoo, Michiel, juist zoo!” zeide Engels, „ik zeg ook: willen is kunnen, maar.... het is gemakkelijk gezegd, moeielijk te doen.”„We varen in hetzelfde schuitje, vriend Engels,” zoo nam nu Lievensz. het woord, „Ik zelf ben er een voorbeeld van. Als een straat-arme jongen, die niet lezen of schrijven kon, ik kan het nog niet, ging ik naar zee, om een potje te maken voor mijne arme Moeder, die toen Vader gestorven was, achterbleef met drie kinderen. Ik was de oudste en gezond, doch maar tien jaar oud. Mijnezusters waren allebei jonger dan ik en eene ervan was blind en is het nog. De andere had een zwakte in den rug en mocht al niet veel anders doen dan rust houden en op bed liggen. En—ga naar Westersouburg, daar leven ze alle drie in mijn eigen huisje met een mooi lapje grond erbij, waarin ze wat knutselen kunnen. Iedere week brengt een van de schrijvers van de Heeren Lampsens, die ook te Westersouburg woont, er een ruim weekgeld uit mijnen spaarpot, die al aardig vet is en met den dag vetter wordt, want ik verdien meer dan Moeder en zusters noodig hebben. En dat heb ik ook met de hulp des Heeren zoo ver gekregen door tewillen. Als de wil maar goed is, kan men bergen verzetten. Het is de groote vraag maar: „Hebt gij ook zulk eenen wil, Michiel?”„Ja, Bootsman, ja, zeker! Ik wil het ver brengen, zoo ver als ik me eens verbeeld heb dat ik het brengen zou, als ik maar varen mocht.”„En tot hoever was dat?”„Tot Admiraal, Bootsman!”„Hei, hei, jongen wat zet gij me daar eenen mond open! Admiraal worden! Ha, ha, wees dankbaar als ge het tot Bootsman brengt,” sprak Vader.„Zulk eene gedachte is zondig, Michiel,” liet Moeder zachtjes hooren, doch de oogen lieten weer lezen, dat er in haar hart toch ook zulk eene zondige gedachte omging en met innig welgevallen zag ze haren flinken jongen aan, die met zulk eenen moed gereed stond om den strijd voor het dagelijksch brood te beginnen.„Dat een mensch vooruit wil, goed! Het is een slecht matroos, die bij zijne eerste zeereis op den bodem van zijne kleerenkist in gedachten den kommando-staf niet neerlegt,” sprak Lievensz. „Maar—Admiraal worden, neen, ventje, dat gaat te ver. Als gij hoopt envertrouwtdat te worden, dan zal de zee u teleurstellen. Om Admiraal te worden moet er wat meer in den bol zitten dan wat ernu in zit, manneke! Ik vrees zoo dat het een pover beetje is, wat gij weet.”„Wat ik nog niet weet kan ik leeren weten, Bootsman,” antwoordde Michiel.„Als gij daarbij maar blijft, jongen,” zeide Engels, „dan zal de zaak wel terecht komen. Maar eer ik heenga, en het is al over onzen tijd, moet ik nog wat zeggen, Michiel! Ge hebt hier, mijn dochtertje Cornelia, eens uit het water gered, en ik gaf er u nooit iets anders voor dan mijn dankbaar hart. Nu ge het huis uit en de wereld ingaat, geef ik wat anders. Hier is een legpenning van mij in den spaarpot. Het is een Geldersche rijder, dien ik indertijd van Grootvader gekregen heb. Bewaar hem wel. Er is een gaatje in om hem aan een koordje om den hals te hangen. Geef hem niet uit voor dat het water tot over de lippen komt. Zulk een legpenning is een wonderding. Hij schijnt te groeien, te bloeien en vruchten te dragen en toch altijd even jong en even mooi te blijven. Hier is hij, en nu gij, Cornelia!”Cornelia, een meisje van Michiels leeftijd, kwam nu naar Michiel en zeide: „Hier, Michiel, drie paar wollen kousen, die ik zelf gebreid heb. Toen Vader hoorde dat gij naar zee zoudt gaan, zei hij: „Cornelia, nu moest gij eens voor Michiel kousen breien. Ik had nu wel geene maatkous, en Moeder, dat weet ge, kon me niet helpen, omdat ze altijd nog ziek is. Ik heb ze nu op mijn eigen houtje maar op den gis gebreid. Verslijt ze in gezondheid! Te klein zijn ze vast niet, als ze maar niet te groot zijn!”„Als ze te groot zijn, dan draag ik ze u ter gedachtenisse op mijne bruiloft, Cornelia! Ik dank u wel, hoor!” sprak Michiel.Engels en Cornelia namen hierop hartelijk afscheid en gingen naar huis, doch pas waren ze weg of een der Dominé’s trad binnen. Michiel keek hem even aan en zeide: „Ik zal nu meteen de kousen maar eens passen, die Cornelia voor me gebreid heeft.”„Dat is goed, kind,” antwoordde Moeder Alida, die er niemendal in zag dit te doen, terwijl er iemand bij was. Men lette in dien tijd niet op zulke dingen, en vooral niet onder den minderen stand.Michiel ging zitten, trok de kousen aan en—begon hard te lachen.De voeten veel te lang en te wijd, de beenen veel te groot,—het waren volslagen manskousen.„Hier, Moeder, bewaar ze maar tot over een jaar of vier; maar er niemendal van tegen Cornelia zeggen, hoor! Die zou het erg onpleizierig vinden!”Moeder rolde ze op en borg ze in het kabinet.„Michiel,” begon Dominé opeens, nadat hij een tijdlang met Vader over koetjes en kalfjes gepraat had, „Michiel, kom eens hier!”Michiel naderde langzaam en verlegen. Als het moest had hij zelfs Prins Maurits te woord durven staan, doch tegenover Dominé’s stond hij altijd met den mond vol tanden.„De muts af, jongen, ik heb wat ernstigs te zeggen.”Michiel nam de muts af en Lievensz. en Vader volgden dat voorbeeld.„Geef mij uwe hand, knaap!” sprak Dominé bedaard.Ook dit deed Michiel.„Jongen,” dus hervatte de ernstige man nu,—„jongen, met deze hand is al heel wat verricht, heel wat! Maar hoeveel goeds? Zoudt ge dat niet gemakkelijk kunnen opnoemen? Maar hoeveel kwaads? Kunt ge dat ook alles zoo opnoemen? Neen, jongen, dat ware te vergeefs beproefd. De Heer Burgemeester heeft onlangs van u gezegd, dat ge dag aan dag de goê gemeente tot last waart, en dat viel niet tegen te spreken. Hij heeft gezegd, dat gij uw grootste vermaak vondt in straatschenderij, en dat was ook waar, volkomen waar, heelemaal, heelemaal waar. Hij heeft gezegd, dat gij de stad in opschudding bracht, en dat kan niemandontkennen! Michiel, Michiel, wat moet er uit u groeien? Moeten de haren van uwe goede Ouders vóór den tijd vergrijzen uit verdriet over u? Zouden ze moeten wenschen: „Och, hadden we dat kind maar nooit gehad, of ware het gestorven eer het den naam van Vader en Moeder stamelen kon!” Er zijn Ouders, die dat wenschen! Maar wee, wee, het kind, dat den Vader tot verdriet en der Moeder tot smarte is! Zijn levensweg zal langs doornen en distelen loopen. Hij zal eindigen als Judas Iscarioth! Zoudt gij dat willen, Michiel? Neen, immers? En zoudt ge niet liever willen, dat Vader en Moeder eenmaal met oogen, die van blijdschap tintelen, zeggen kunnen: „Dat is ónze jongen! Dat is ónze Michiel! Goede God, wij danken U, wij danken U voor dat kind!””Moeder Alida verborg haar gelaat achter haar voorschoot; Vader liet de tranen vrij langs de wangen loopen en Lievensz. boende met de vuist de nattigheid uit zijne oogen, mompelend: „Sakkerloot, dat is anders preêken dan ik het kan! Dat wordt me te kras!”Michiel alleen weende niet; maar hij stond daar met bleeke wangen voor den man, die zulk een ernstig woord sprak. Wel trilden zijne lippen, wel kneep hij de oogen heel vreemd, maar weenen, neen, dát niet.„Laat mij in uwe oogen zien, Michiel,” sprak Dominé, en terstond keek de knaap hem open aan.Ja, toch, die oogen, al lag er jongensvuur in, waren toch wel zoo wat aan het natte kantje.„Jongen,” vervolgde de Predikant, „morgen zult ge de stad niet meer in opschudding brengen, uw grootste vermaak niet meer in straatschenderij kunnen vinden, en de goê gemeente niet meer tot last kunnen zijn. Morgen gaat gij het Ouderlijke huis uit, de wereld in en op zee. Dat hebt gij zelf zoo gewild. Maar ge hebt ook gezegd, dat ge van dat oogenblik af, een heel ander mensch zult worden. Straatjongen, dat geloof ik óók! Ik heb goede hoop op u;want ik heb u nog nooit op eene leugen betrapt. En als het u wèl gaat, Michiel, dan zal er hier vreugde in huis zijn, maar in mijn harte zal ik den Heere loven en danken, dat er iets goeds uit u gegroeid is, want Michiel, jongen, jongen,”—hier begon Dominé’s stem ook te haperen en trilden zijne lippen,—„jongen, al waart ge nog tienmaal grooter deugniet geweest, ik zou tóch veel van u gehouden hebben! Ik zou....”Daar brak de bom bij Michiel los.Hij vloog op zijne Ouders toe, sloeg zijne armen om hunnen hals en barstte in zulk een zenuwachtig snikken los, dat men dacht, dat hij er in blijven zou.Maar langzaam kwam hij tot bedaren, en zich uit de armen zijner Ouders losmakende, ging hij naar den Dominé, gaf hem de hand en zei: „Dominé, ik zal—ik zal—ik zal goed—goed oppassen! U zal—zal—den Heere—den Heere—dan—danken kunnen.” Hierop ging hij naar Lievensz. en sprak: „Bootsman, wilt gij me helpen om—om—wat goeds uit me—uit me—te doen—te doen groei—groeien?”„Wel, wis en drie, kwâjongen! Maar dat zeg ik je, je moet me de zeilen niet zoo nat maken, want dan bederft gij mij de vracht heelemaal!” antwoordde Lievensz., en boende met de vuisten zóó langs de natte zeilen, dat het wel scheen, alsof hij een blinde leeuw wilde worden.„En nu, menschen, de Heere zegene u,” zeide de Dominé, gaf Vader, Moeder en Lievensz. de hand, en stopte Michiel een kerkboekje toe, terwijl hij als het ware zegenend bad:„De Heere is uw bewaerder, de Heere is aen uwe rechterhant!Godt behoed’ u voortaen voor ’t quaet,Hy sal uw’ ziel voorwaerBehoeden voor gevaer:En als gy uyt of oock ingaet,Sal Hy u steets bevrijden,En met gaven verblijden.”De Dominé en Lievensz. gingen nu samen heen en het talrijke huisgezin bleef nog alleen over om den laatsten avond van Michiels thuis-zijn zoo gezellig mogelijk door te brengen.Men bleef laat op, en toen allen eindelijk slapen gingen, was het om te droomen van het kind en den broeder, die morgen op dezen tijd reeds op zee zou zijn.Alleen Moeder Alida droomde niet; zij waakte.Daar sloeg de torenklok vier uren.Om vijf uren moest Michiel weg.Zij stond op om hem te roepen, stil, heel stil, want allen sliepen.Ook Michiel sliep.Moeder Alida boog zich over hem heen, fluisterde: „God de Heere zegene U, lief, lief kind!” en kuste hem wakker.„Goede, beste Moeder,” zei Michiel zacht, en sloeg zijne armen om haren hals en weende nogmaals.„Nu, sta op, kind! Kleed u maar gauw aan. Ik zal uwe boterhammen snijden!”Moeder ging naar beneden en vond Vader, Jan, Dirk en Alida ook al op.„Wij eten samen, Moeder!” sprak Vader Adriaen. „Het zal in eenen heelen tijd niet meer gebeuren!”Jan, die anders het gebed deed, liet het nu Michiel doen.Men at de schraal gesmeerde boterhammetjes en dronk er eene kom melk bij.De klok sloeg half vijf.„Het is tijd, Michiel,” sprak Vader.Michiel stond op, drukte Moeder en Alida eenen vurigen kus op den mond, liep naar boven om de kleintjes goeden dag te zeggen, gaf Jan en Dirk de hand en ging met Vader, die het kistje droeg naar de haven waar aanboord van de „Lijnbaan” reeds alles in beweging was.Michiel werd door Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met heel veel drukte ontvangen.„Hier hebt gij onzen jongen, Bootsman! Zorg voor hem, alsof hij uw eigen kind is; wij zullen er u dankbaar voor zijn,” sprak Vader.„Zonder mankeeren, Adriaen!” was het antwoord.Vader en Michiel namen afscheid van elkander, de loopplank werd ingehaald, de kabels en kettingen losgemaakt, de paarden stonden aan de lijn en begonnen te trekken. Weldra was het schip de haven uit en op de Schelde.„De schoten, konstabel!” beval de Kapitein.Tien kanonschoten rolden langs het water, als een laatste groet aan allen, die men achterliet.Michiel boog zich over de verschansing, keek naar den hoogen Westdijk, groette met den zakdoek, die daar stonden en—gebruikte hem daarna om zijne tranen af te drogen.Het kwâjongenshart was gebroken.Maar uit de overblijfselen groeide een nieuw hart, een zeemanshart, zoo schoon, zoo edel, zoo moedig, als er ooit een hart onder het wollen zeemans-baadje geklopt heeft!„Goede reis! Goede reis!” stamelde eene vrouw op den Westdijk, toen ze het schip in de Wielingen verdwijnen zag.Het was Moeder Alida.Of haar wensch verhoord zou worden?1St. Stevensdag of St. Stephanus valt op den 3denAugustus.↑
VIJFDE HOOFDSTUK.De laatste avond thuis.Het was de avond voor Sint-Stevensdag,1den tweeden van Oogstmaand des jaren 1618.In het kleine woonvertrek van Adriaen Michielsz. was het doodstil.De kleine kinderen lagen reeds in bed en de anderen waren nog op straat bezig met spelen of wel aan hun werk.Moeder Alida was dus alleen.Zij zat op eenen stoel bij de tafel en aan hare voeten stond eene geopende kist halfvol jongensgoed.Het was Michiels armoedige uitrusting.Voor het eerst van zijn leven zou hij dan eens wat nieuws kunnen aantrekken. Wel was alles op een koopje gekocht, maar het was dan toch nieuw.„Vier linnen en twee wollen hemden, twee baaien broeken, een paar laarzen, twee dassen, eene muts, drie paar kousen, vier zakdoeken, ja, het is er alles. Weinig genoeg, jongen,” zei Moeder Alida tot zichzelve.De torenklok sloeg zeven uren.„Ik zou Michiel nog zoo graag eens alleen spreken,” zei ze weer. „Hij blijft lang weg. Hij zal nu toch geene streken meer uithalen? Stil, daar zal hij komen!”Er klonken driftige voetstappen.De bovendeur werd geopend en eene zware stem riep: „Hola!”„Komt er maar in,” antwoordde Moeder Alida en dacht meteen: „wie zou dat wezen?”Pas had ze evenwel geroepen: „Komt er maar in,” of de man met de zware stem trad binnen.„Daar, vrouw Michielsz., dat is van uw lieve zoontje! Dat heeft de straatbengel door mijn open raam juist in eenen schotel met pap gesmeten.”Het was Meester Van Gelder, en het voorwerp, dat hij zorgvuldig in een papier gewikkeld op tafel smeet, was eene doode kat.„Eene kat,” zuchtte Moeder Alida.„Ja, juist, eene kat, eene doode kat! Wie weet waar ergens opgeraapt! Verbeeld je de heele schotel, de heele schotel vol zoete pap met kippen-grutjes, die ik zoo graag eet, weg, heelemaal weg! Mijne vrouw was één pap, al pap. Hare muts vol pap. Hare haren vol pap. Haar gezicht vol pap. Haar jak vol pap....”Zonder dat Meester het in zijne woede bemerkte was Michiel binnen gekomen, en stond met groote oogen in het vertrek te kijken.— —„haar voorschoot vol pap, ja, toen ik goed keek, was er zelfs pap op haren rug!”Dat ging Michiel te mooi, hij barstte in een luid gelach uit.Woedend keerde Meester zich om. Hij wilde zien wie daar zoo lachte.„Wat, schaamtelooze jongen, durft gij mij hier in huis in mijn aangezicht te komen uitlachen?” riep Meester Van Gelder op zulk eenen woedenden toon, dat Moeder Alida van schrik verbleekte, daar ze meende dat de man opeens krankzinnig geworden was.Angstig naderde zij hem en zeide: „Maar, Meester, wees toch bedaard. Wat is er dan toch gebeurd?”„Dat heb ik al verteld en nu zal ik den bengel hier in zijn eigen huis en in het bijzijn van zijne Moeder voor immer en altijd afleeren om katten, doode katten, van de straat opgeraapte doode katten, in schotels met pap te smijten.”Moeder Alida keek Michiel en Meester Van Gelder beurtelings met de grootste verbazing aan en hetzelfde deed Michiel ten opzichte van Moeder en Meester. Geen der twee begreep er iets van naar het scheen, hoewel Moeder Alida niet zóó was of ze vreesde, dat haar jongen voor den laatsten dag dat hij aan den wal was, nog eens eene echte straatjongensstreek had uitgehaald.Eindelijk toen Meester Van Gelder zweeg en van onder zijnen mantel eene bullepees te voorschijn haalde, kwam ze wat tot zichzelve.Dat Vader Adriaen haren Michiel sloeg, dat liet ze toe, hoewel elke slag, dien hij kreeg, haar misschien nog meer pijn deed dan Michiel, die voor slagen tamelijk ongevoelig geworden was. Zij wist hoe haar man in zijn hart zielsveel van den jongen hield en dat juist de begeerte hem voor de gevangenis, of erger nog, voor galg en rad te sparen, hem er toe bracht, zelfs herhaalde malen toe bracht, om den jongen op zulk eene pijnlijke wijze te kastijden.O, het oog eener Moeder ziet zoo heel anders dan een gewoon menschenoog. Het mag de letters van een boek niet tot woorden kunnen maken, het leest diep in het hartvan allen, die zij lief heeft, wat daar geschreven staat in eene soort van schrift, niet als de hiëroglyphen en de steenen gedenkteekenen der oude Egyptenaren, te ontraadselen en ontcijferen met een scherpzinnig vernuft en een groot verstand, maar in kleine bewegingen, die zich voortplanten tot de blootliggende deelen van het menschelijk lichaam.De grootste geleerde, die er ooit geleefd heeft, zou dat raadselschrift niet kunnen ontcijferen, doch de eenvoudigste Moeder uit de armste achterbuurt leest het, als ze maar een hart bezit, dat lief heeft.En een hart, dat lief heeft, bezitten immers alle Moeders?Ze had dan ook wel gezien, wat er in het hart van Vader Adriaen omging toen de geruchten van Michiels waagstuk ook binnen hare woning kwamen. Ze had gezien hoe de tang hem ontviel; ze had begrepen waarom die viel.En daarom, al deed iedere slag, dien Vader Adriaen aan Michiel gaf, pijn, zij duldde dat hij kastijdde.Maar wat ze van Vader Adriaen wel dulden wilde, dat zou ze niet toestaan aan Meester Van Gelder, al had Michiel ook de lage streek met die doode kat uitgehaald.Zoodra Meester Van Gelder dan ook de bullepees voor den dag haalde, trad ze tusschen hem en haren jongen.Wel, eenvoudig, zachtzinnig Moedertje, waar is nu toch opeens dat goedige oog gebleven, dat zoo zacht en bijna droomerig rondkeek? Waar is de trek op uw bleek gelaat, die trek van onderwerping zoo op eenmaal gebleven?Zie, uwe oogen flikkeren en schitteren, en over heel uw aangezicht ligt eene uitdrukking van heldenmoed!Meester Van Gelder zag dat alles ook en—hij bleef staan waar hij stond.„Ga uit den weg, Moeder Alida! Gij zijt eene lieve, goede Moeder, en de hand, die u slaat, mag wel verlammen. Ga uit den weg, beste vrouw, dien straatjongen daar, dien moet ik hebben! Hij moet vandaag ondervinden, dat Meester Van Gelder de bullepees voeren kan.”„Gij blijft van Michiel af, Meester! Als Michiel hier in huis gekastijd moet worden, dan is er maar één, die dat doen mag en dat is zijn Vader. Elke vreemde blijft van zijn lijf af.”„Ga maar gerust op zijde, Moeder,” sprak thans Michiel. „Ik sta hem en ben niet bang voor hem.”Ja, voor zijnen leeftijd was Michiel buitengewoon kloek en sterk, maar opgewassen tegen Meester Van Gelder, die een man in de volle kracht van het leven was, neen, dat was hij niet. Maar Michiel had de ijzeren blaaspijp in de handen en één slag daarmede kon doodelijk zijn.„Doe weg die blaaspijp, Michiel! Ik zal u beschermen,” sprak Moeder.„Maar, Moeder, hij zal....”„Doe weg de blaaspijp, Michiel! Gij zult geenen moord begaan waar ik bij ben!”„Eenen moord begaan? Niet te hopen ook! Wat is hier te doen? Wie is die man met zijne bullepees? Wat moet hij hier?”Deze woorden op korten en afgebroken toon werden gesproken door den „Barren Bruinvisch”, die, zonder dat iemand er iets van gehoord had, binnengetreden was.Meester Van Gelder den zeeman ziende, meende in hem wel iemand te zullen vinden, die hem hielp, en nu vertelde hij, wijzende op de doode en bemorste kat, die nog altijd op den vloer lag, wat Michiel hiermede uitgevoerd had.De „Barre Bruinvisch” hoorde Meester oplettend aan en zeide eindelijk: „Gemeen, laag, werk van eenen liederlijken straatjongen.”.„Dat geloof ik ook, Bootsman! Maar die vrouw daar schijnt niet te willen begrijpen, dat het kwaad gestraft moet worden. Help mij haar dat aan het verstand brengen.”„Dat wil ik wel, Meester, maar we moeten verstandig te werk gaan. Zeg mij, wie heeft die doode kat in uwe pap gesmeten?”„Wie? Wie anders dan hij, de liederlijkste straatjongen van heel Vlissingen.”„Erg, heel erg, Meester! En wanneer heeft hij dat gedaan?”„Wanneer?”„Ja, wanneer, hoe laat?”„Ik ben een man van orde en regel, Bootsman! Zoo lang ik getrouwd ben, zet mijne vrouw met het voorslag van acht uren de tafel klaar; als de klok begint te spelen beginnen we ons gebed en met den eersten slag van achten beginnen we te eten. Dus, vanavond precies om acht uren.”„Steek die bullepees dan maar onder uwen mantel, Meester, en ga den liederlijken bedrijver van die straatschenderij vrij elders zoeken en—neem poesje mee.”„En die bengel dan?”„Die bengel is pas na het slaan van achten vanboord gegaan en kan het dus niet gedaan hebben. Daarom, zoek den bengel elders en—hier, poesje moet mee.”„Bootsman, ik zeg....”Meester Van Gelder nam eene dreigende houding aan, doch de „Barre Bruinvisch” werd er niemendal bang voor en zachtjes zeide hij: „Gooi uw fatsoen niet te grabbelen, Meester! Ga naar de „Lijnbaan” en vraag daar aan elken matroos hoe laat Michiel vanboord gegaan is. Hij kan het niet gedaan hebben, al is het ook juist een stukje voor hem.”De kalme toon waarop de Bootsman sprak, bracht Meester Van Gelder tot nadenken. Hij raapte poesje op, smeet het door de geopende deur in de gracht en zonder iets te zeggen, verdween hij.Zoodra hij weg was werd het tooneel daar binnen heel anders. De leeuwin was weer het zachte Moedertje geworden en de kussen, die ze haren Michiel nu gaf, vertelden aan Vader Adriaen en de andere kinderen, die ook binnen gekomen waren, hoe innig verheugd ze was, dat Michielwaarheid gesproken had toen hij tot zijnen Vader zeide: „Het kwaad is er uit.”„Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat, manneke,” zeide de „Barre Bruinvisch” nu tot Michiel. Misschien zou er nog eene heele zeemanspreek gevolgd zijn, als er niet een nieuw bezoeker gekomen was in den persoon van Engels, die, hoewel aan het andere einde der stad wonende, nog altijd „Buurman Engels” genoemd werd, omdat hij in vroegere jaren naast hunne deur had gewoond. Hij was in gezelschap van zijn dochtertje Cornelia.„Goeden avond, buurtjes,” zeide hij. „Hoe maken de menschen het zoo al?”„Goed, gelukkig goed, buurman,” sprak Vader Adriaen. „Ga zitten! Alida, geef buurman eenen stoel!”„Neen, dank-je, ik zal niet gaan zitten. Ik kom maar even om Michiel goeden dag te zeggen. Hij gaat immers morgen naar zee?”„Ja, buurman,” antwoordde Vader. „Er zat niets anders op. Het spijt mij erg, maar mijne vrouw nog veel meer.”„Kom, kom, de zee is goed, en wie oppast kan vooruit komen. De Compagnie verdient geld als water. Als ik jongens had, allemaal het zeegat uit, hoor, allemaal! Eerst op Spanje, op de Levant, op de Oostzee en dan naar de Groote Oost.”„Het is op zee zoo gevaarlijk buurman! Er gebeuren zooveel ongelukken,” sprak Moeder.„Ongelukken gebeuren niet enkel op zee. Twee neven van me waren verleden week te Middelburg bezig met eenen ouden muur te herstellen. De steiger brak en beide mannen zijn aan de gevolgen van den val gestorven. Eene oude vrouw, die juist voorbij kwam, bleef op de plaats dood, want ze kreeg den heelen bak met steenen op haar hoofd. En dan, is niet een veertien dagen geleden een boer van Koudekerke, die met vrouw en kinderen naar Domburg reed, op den hol gegaan en met paard en wagen te watergeraakt en verdronken? Is zijne vrouw en zijn zijne kinderen er ook niet bij omgekomen? Wat is verleden jaar met Geurt Davidse en zijnen zoon gebeurd? Gebeten door eenen dollen hond, en hoe gestorven? Ongelukken, buurvrouw, kan men overal bekomen al is men niet op zee. Ons leven is elken dag in gevaar, onverschillig waar men is.”„Jawel, buurman, maar het zeevolk is zoo ruw!”„Nu, schootkindekens zijn onze jongens niet, maar bij al hunne ruwheid zit er toch veel goeds bij hen ook. Maar ik kwam niet om de zee aan te preeken, doch wel om afscheid te nemen en u geluk te wenschen met Michiels besluit.”„Maar, buurman,” riep Moeder. „Ons gelukwenschen? Neen, dat meent gij niet!”„Stellig meen ik dat, buurvrouw! Gij behoeft het mij niet te vertellen dat Schraalhans hier wel eens keukenmeester is; ik weet wat een huishouden kost. En nu zal het u zeker niet ongevallig zijn, als Michiel na eenige maanden terugkeert, u eenen handvol blanke daalders in den schoot werpt en zegt: „Zie, Moedertje, ge hebt me zoo lang het beste uit uwen mond gegeven toen ik als straatjongen rondliep! Hier is geld, zuiver bespaard en overgewonnen geld! Koop nu eens wat goeds voor u, voor Vader en voor al de anderen.”„Ferm, flink! Verstandig gesproken! Ik ben het eens met u, man!” liet de „Barre” zich hooren. „Ik zeg maar:Een Hollandsch kind blijft niet aanwal:Hem is de zee het best van al!Zij brengt hem de eêlste gaven.Het goud drijft op den zilten vloed,Hij grijpt het, maar de landrot moetEr diep in de aard naar graven.En pakt de storm den zeeman beet,Een wapen heeft hij steeds gereed,En nooit is hij er zonder.Dat wapen is: geloof aan God,En hiermee gaat hij zelfs ten slot,Volmaakt gerust, kopje onder!”De eenvoudige zeeman had deze woorden met zooveel vuur uitgesproken, dat Moeder Alida hem de handen drukte en zeide: „Dank je, Lievensz., gij steekt mij een riem onder het hart, dat in de laatste dagen dreigde af te zakken, zooals de Profeet Ezechiël zeide.”„Van die blanke daalders heb ik anders niet zoo heel veel verwachting,” liet Vader Adriaen zich hooren. „Hij zal wel niet kunnen sparen.”Nu kwam Michiel geheel voor den dag en hij zeide: „Ja, Vader, zeker zal ik sparen. Aanboord heb ik eten voor niemendal en kleeren heb ik vooreerst genoeg; wat zou ik nu met geld doen? Als ik terugkom en de Heeren Lampsens betalen uit, dan is alles voor u, Moeder! Dan zullen we er nog eens eenen avond van nemen, wie weet of Vader dan ons niet eens vertelt, waarom hij toch uit Bergen op Zoom naar Vlissingen gekomen is. Dat heeft hij nog nooit willen doen!” riep Michiel vroolijk.„Ja, jongen, ik weet het wel, uw hart is goed, kind! Als het enkel van uwen wil afhing, dan zoudt gij mij wel met goud willen bestrooien, als eene wafel met suiker.”„Dat zou ik zeker, Moeder!”„Maar willen is niet altijd kunnen, ventje!”„Jawel, Moeder, willen is kunnen, dat zal ik toonen, als de Heere mij bij het leven en de gezondheid spaart!”„Juist zoo, Michiel, juist zoo!” zeide Engels, „ik zeg ook: willen is kunnen, maar.... het is gemakkelijk gezegd, moeielijk te doen.”„We varen in hetzelfde schuitje, vriend Engels,” zoo nam nu Lievensz. het woord, „Ik zelf ben er een voorbeeld van. Als een straat-arme jongen, die niet lezen of schrijven kon, ik kan het nog niet, ging ik naar zee, om een potje te maken voor mijne arme Moeder, die toen Vader gestorven was, achterbleef met drie kinderen. Ik was de oudste en gezond, doch maar tien jaar oud. Mijnezusters waren allebei jonger dan ik en eene ervan was blind en is het nog. De andere had een zwakte in den rug en mocht al niet veel anders doen dan rust houden en op bed liggen. En—ga naar Westersouburg, daar leven ze alle drie in mijn eigen huisje met een mooi lapje grond erbij, waarin ze wat knutselen kunnen. Iedere week brengt een van de schrijvers van de Heeren Lampsens, die ook te Westersouburg woont, er een ruim weekgeld uit mijnen spaarpot, die al aardig vet is en met den dag vetter wordt, want ik verdien meer dan Moeder en zusters noodig hebben. En dat heb ik ook met de hulp des Heeren zoo ver gekregen door tewillen. Als de wil maar goed is, kan men bergen verzetten. Het is de groote vraag maar: „Hebt gij ook zulk eenen wil, Michiel?”„Ja, Bootsman, ja, zeker! Ik wil het ver brengen, zoo ver als ik me eens verbeeld heb dat ik het brengen zou, als ik maar varen mocht.”„En tot hoever was dat?”„Tot Admiraal, Bootsman!”„Hei, hei, jongen wat zet gij me daar eenen mond open! Admiraal worden! Ha, ha, wees dankbaar als ge het tot Bootsman brengt,” sprak Vader.„Zulk eene gedachte is zondig, Michiel,” liet Moeder zachtjes hooren, doch de oogen lieten weer lezen, dat er in haar hart toch ook zulk eene zondige gedachte omging en met innig welgevallen zag ze haren flinken jongen aan, die met zulk eenen moed gereed stond om den strijd voor het dagelijksch brood te beginnen.„Dat een mensch vooruit wil, goed! Het is een slecht matroos, die bij zijne eerste zeereis op den bodem van zijne kleerenkist in gedachten den kommando-staf niet neerlegt,” sprak Lievensz. „Maar—Admiraal worden, neen, ventje, dat gaat te ver. Als gij hoopt envertrouwtdat te worden, dan zal de zee u teleurstellen. Om Admiraal te worden moet er wat meer in den bol zitten dan wat ernu in zit, manneke! Ik vrees zoo dat het een pover beetje is, wat gij weet.”„Wat ik nog niet weet kan ik leeren weten, Bootsman,” antwoordde Michiel.„Als gij daarbij maar blijft, jongen,” zeide Engels, „dan zal de zaak wel terecht komen. Maar eer ik heenga, en het is al over onzen tijd, moet ik nog wat zeggen, Michiel! Ge hebt hier, mijn dochtertje Cornelia, eens uit het water gered, en ik gaf er u nooit iets anders voor dan mijn dankbaar hart. Nu ge het huis uit en de wereld ingaat, geef ik wat anders. Hier is een legpenning van mij in den spaarpot. Het is een Geldersche rijder, dien ik indertijd van Grootvader gekregen heb. Bewaar hem wel. Er is een gaatje in om hem aan een koordje om den hals te hangen. Geef hem niet uit voor dat het water tot over de lippen komt. Zulk een legpenning is een wonderding. Hij schijnt te groeien, te bloeien en vruchten te dragen en toch altijd even jong en even mooi te blijven. Hier is hij, en nu gij, Cornelia!”Cornelia, een meisje van Michiels leeftijd, kwam nu naar Michiel en zeide: „Hier, Michiel, drie paar wollen kousen, die ik zelf gebreid heb. Toen Vader hoorde dat gij naar zee zoudt gaan, zei hij: „Cornelia, nu moest gij eens voor Michiel kousen breien. Ik had nu wel geene maatkous, en Moeder, dat weet ge, kon me niet helpen, omdat ze altijd nog ziek is. Ik heb ze nu op mijn eigen houtje maar op den gis gebreid. Verslijt ze in gezondheid! Te klein zijn ze vast niet, als ze maar niet te groot zijn!”„Als ze te groot zijn, dan draag ik ze u ter gedachtenisse op mijne bruiloft, Cornelia! Ik dank u wel, hoor!” sprak Michiel.Engels en Cornelia namen hierop hartelijk afscheid en gingen naar huis, doch pas waren ze weg of een der Dominé’s trad binnen. Michiel keek hem even aan en zeide: „Ik zal nu meteen de kousen maar eens passen, die Cornelia voor me gebreid heeft.”„Dat is goed, kind,” antwoordde Moeder Alida, die er niemendal in zag dit te doen, terwijl er iemand bij was. Men lette in dien tijd niet op zulke dingen, en vooral niet onder den minderen stand.Michiel ging zitten, trok de kousen aan en—begon hard te lachen.De voeten veel te lang en te wijd, de beenen veel te groot,—het waren volslagen manskousen.„Hier, Moeder, bewaar ze maar tot over een jaar of vier; maar er niemendal van tegen Cornelia zeggen, hoor! Die zou het erg onpleizierig vinden!”Moeder rolde ze op en borg ze in het kabinet.„Michiel,” begon Dominé opeens, nadat hij een tijdlang met Vader over koetjes en kalfjes gepraat had, „Michiel, kom eens hier!”Michiel naderde langzaam en verlegen. Als het moest had hij zelfs Prins Maurits te woord durven staan, doch tegenover Dominé’s stond hij altijd met den mond vol tanden.„De muts af, jongen, ik heb wat ernstigs te zeggen.”Michiel nam de muts af en Lievensz. en Vader volgden dat voorbeeld.„Geef mij uwe hand, knaap!” sprak Dominé bedaard.Ook dit deed Michiel.„Jongen,” dus hervatte de ernstige man nu,—„jongen, met deze hand is al heel wat verricht, heel wat! Maar hoeveel goeds? Zoudt ge dat niet gemakkelijk kunnen opnoemen? Maar hoeveel kwaads? Kunt ge dat ook alles zoo opnoemen? Neen, jongen, dat ware te vergeefs beproefd. De Heer Burgemeester heeft onlangs van u gezegd, dat ge dag aan dag de goê gemeente tot last waart, en dat viel niet tegen te spreken. Hij heeft gezegd, dat gij uw grootste vermaak vondt in straatschenderij, en dat was ook waar, volkomen waar, heelemaal, heelemaal waar. Hij heeft gezegd, dat gij de stad in opschudding bracht, en dat kan niemandontkennen! Michiel, Michiel, wat moet er uit u groeien? Moeten de haren van uwe goede Ouders vóór den tijd vergrijzen uit verdriet over u? Zouden ze moeten wenschen: „Och, hadden we dat kind maar nooit gehad, of ware het gestorven eer het den naam van Vader en Moeder stamelen kon!” Er zijn Ouders, die dat wenschen! Maar wee, wee, het kind, dat den Vader tot verdriet en der Moeder tot smarte is! Zijn levensweg zal langs doornen en distelen loopen. Hij zal eindigen als Judas Iscarioth! Zoudt gij dat willen, Michiel? Neen, immers? En zoudt ge niet liever willen, dat Vader en Moeder eenmaal met oogen, die van blijdschap tintelen, zeggen kunnen: „Dat is ónze jongen! Dat is ónze Michiel! Goede God, wij danken U, wij danken U voor dat kind!””Moeder Alida verborg haar gelaat achter haar voorschoot; Vader liet de tranen vrij langs de wangen loopen en Lievensz. boende met de vuist de nattigheid uit zijne oogen, mompelend: „Sakkerloot, dat is anders preêken dan ik het kan! Dat wordt me te kras!”Michiel alleen weende niet; maar hij stond daar met bleeke wangen voor den man, die zulk een ernstig woord sprak. Wel trilden zijne lippen, wel kneep hij de oogen heel vreemd, maar weenen, neen, dát niet.„Laat mij in uwe oogen zien, Michiel,” sprak Dominé, en terstond keek de knaap hem open aan.Ja, toch, die oogen, al lag er jongensvuur in, waren toch wel zoo wat aan het natte kantje.„Jongen,” vervolgde de Predikant, „morgen zult ge de stad niet meer in opschudding brengen, uw grootste vermaak niet meer in straatschenderij kunnen vinden, en de goê gemeente niet meer tot last kunnen zijn. Morgen gaat gij het Ouderlijke huis uit, de wereld in en op zee. Dat hebt gij zelf zoo gewild. Maar ge hebt ook gezegd, dat ge van dat oogenblik af, een heel ander mensch zult worden. Straatjongen, dat geloof ik óók! Ik heb goede hoop op u;want ik heb u nog nooit op eene leugen betrapt. En als het u wèl gaat, Michiel, dan zal er hier vreugde in huis zijn, maar in mijn harte zal ik den Heere loven en danken, dat er iets goeds uit u gegroeid is, want Michiel, jongen, jongen,”—hier begon Dominé’s stem ook te haperen en trilden zijne lippen,—„jongen, al waart ge nog tienmaal grooter deugniet geweest, ik zou tóch veel van u gehouden hebben! Ik zou....”Daar brak de bom bij Michiel los.Hij vloog op zijne Ouders toe, sloeg zijne armen om hunnen hals en barstte in zulk een zenuwachtig snikken los, dat men dacht, dat hij er in blijven zou.Maar langzaam kwam hij tot bedaren, en zich uit de armen zijner Ouders losmakende, ging hij naar den Dominé, gaf hem de hand en zei: „Dominé, ik zal—ik zal—ik zal goed—goed oppassen! U zal—zal—den Heere—den Heere—dan—danken kunnen.” Hierop ging hij naar Lievensz. en sprak: „Bootsman, wilt gij me helpen om—om—wat goeds uit me—uit me—te doen—te doen groei—groeien?”„Wel, wis en drie, kwâjongen! Maar dat zeg ik je, je moet me de zeilen niet zoo nat maken, want dan bederft gij mij de vracht heelemaal!” antwoordde Lievensz., en boende met de vuisten zóó langs de natte zeilen, dat het wel scheen, alsof hij een blinde leeuw wilde worden.„En nu, menschen, de Heere zegene u,” zeide de Dominé, gaf Vader, Moeder en Lievensz. de hand, en stopte Michiel een kerkboekje toe, terwijl hij als het ware zegenend bad:„De Heere is uw bewaerder, de Heere is aen uwe rechterhant!Godt behoed’ u voortaen voor ’t quaet,Hy sal uw’ ziel voorwaerBehoeden voor gevaer:En als gy uyt of oock ingaet,Sal Hy u steets bevrijden,En met gaven verblijden.”De Dominé en Lievensz. gingen nu samen heen en het talrijke huisgezin bleef nog alleen over om den laatsten avond van Michiels thuis-zijn zoo gezellig mogelijk door te brengen.Men bleef laat op, en toen allen eindelijk slapen gingen, was het om te droomen van het kind en den broeder, die morgen op dezen tijd reeds op zee zou zijn.Alleen Moeder Alida droomde niet; zij waakte.Daar sloeg de torenklok vier uren.Om vijf uren moest Michiel weg.Zij stond op om hem te roepen, stil, heel stil, want allen sliepen.Ook Michiel sliep.Moeder Alida boog zich over hem heen, fluisterde: „God de Heere zegene U, lief, lief kind!” en kuste hem wakker.„Goede, beste Moeder,” zei Michiel zacht, en sloeg zijne armen om haren hals en weende nogmaals.„Nu, sta op, kind! Kleed u maar gauw aan. Ik zal uwe boterhammen snijden!”Moeder ging naar beneden en vond Vader, Jan, Dirk en Alida ook al op.„Wij eten samen, Moeder!” sprak Vader Adriaen. „Het zal in eenen heelen tijd niet meer gebeuren!”Jan, die anders het gebed deed, liet het nu Michiel doen.Men at de schraal gesmeerde boterhammetjes en dronk er eene kom melk bij.De klok sloeg half vijf.„Het is tijd, Michiel,” sprak Vader.Michiel stond op, drukte Moeder en Alida eenen vurigen kus op den mond, liep naar boven om de kleintjes goeden dag te zeggen, gaf Jan en Dirk de hand en ging met Vader, die het kistje droeg naar de haven waar aanboord van de „Lijnbaan” reeds alles in beweging was.Michiel werd door Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met heel veel drukte ontvangen.„Hier hebt gij onzen jongen, Bootsman! Zorg voor hem, alsof hij uw eigen kind is; wij zullen er u dankbaar voor zijn,” sprak Vader.„Zonder mankeeren, Adriaen!” was het antwoord.Vader en Michiel namen afscheid van elkander, de loopplank werd ingehaald, de kabels en kettingen losgemaakt, de paarden stonden aan de lijn en begonnen te trekken. Weldra was het schip de haven uit en op de Schelde.„De schoten, konstabel!” beval de Kapitein.Tien kanonschoten rolden langs het water, als een laatste groet aan allen, die men achterliet.Michiel boog zich over de verschansing, keek naar den hoogen Westdijk, groette met den zakdoek, die daar stonden en—gebruikte hem daarna om zijne tranen af te drogen.Het kwâjongenshart was gebroken.Maar uit de overblijfselen groeide een nieuw hart, een zeemanshart, zoo schoon, zoo edel, zoo moedig, als er ooit een hart onder het wollen zeemans-baadje geklopt heeft!„Goede reis! Goede reis!” stamelde eene vrouw op den Westdijk, toen ze het schip in de Wielingen verdwijnen zag.Het was Moeder Alida.Of haar wensch verhoord zou worden?1St. Stevensdag of St. Stephanus valt op den 3denAugustus.↑
VIJFDE HOOFDSTUK.De laatste avond thuis.
Het was de avond voor Sint-Stevensdag,1den tweeden van Oogstmaand des jaren 1618.In het kleine woonvertrek van Adriaen Michielsz. was het doodstil.De kleine kinderen lagen reeds in bed en de anderen waren nog op straat bezig met spelen of wel aan hun werk.Moeder Alida was dus alleen.Zij zat op eenen stoel bij de tafel en aan hare voeten stond eene geopende kist halfvol jongensgoed.Het was Michiels armoedige uitrusting.Voor het eerst van zijn leven zou hij dan eens wat nieuws kunnen aantrekken. Wel was alles op een koopje gekocht, maar het was dan toch nieuw.„Vier linnen en twee wollen hemden, twee baaien broeken, een paar laarzen, twee dassen, eene muts, drie paar kousen, vier zakdoeken, ja, het is er alles. Weinig genoeg, jongen,” zei Moeder Alida tot zichzelve.De torenklok sloeg zeven uren.„Ik zou Michiel nog zoo graag eens alleen spreken,” zei ze weer. „Hij blijft lang weg. Hij zal nu toch geene streken meer uithalen? Stil, daar zal hij komen!”Er klonken driftige voetstappen.De bovendeur werd geopend en eene zware stem riep: „Hola!”„Komt er maar in,” antwoordde Moeder Alida en dacht meteen: „wie zou dat wezen?”Pas had ze evenwel geroepen: „Komt er maar in,” of de man met de zware stem trad binnen.„Daar, vrouw Michielsz., dat is van uw lieve zoontje! Dat heeft de straatbengel door mijn open raam juist in eenen schotel met pap gesmeten.”Het was Meester Van Gelder, en het voorwerp, dat hij zorgvuldig in een papier gewikkeld op tafel smeet, was eene doode kat.„Eene kat,” zuchtte Moeder Alida.„Ja, juist, eene kat, eene doode kat! Wie weet waar ergens opgeraapt! Verbeeld je de heele schotel, de heele schotel vol zoete pap met kippen-grutjes, die ik zoo graag eet, weg, heelemaal weg! Mijne vrouw was één pap, al pap. Hare muts vol pap. Hare haren vol pap. Haar gezicht vol pap. Haar jak vol pap....”Zonder dat Meester het in zijne woede bemerkte was Michiel binnen gekomen, en stond met groote oogen in het vertrek te kijken.— —„haar voorschoot vol pap, ja, toen ik goed keek, was er zelfs pap op haren rug!”Dat ging Michiel te mooi, hij barstte in een luid gelach uit.Woedend keerde Meester zich om. Hij wilde zien wie daar zoo lachte.„Wat, schaamtelooze jongen, durft gij mij hier in huis in mijn aangezicht te komen uitlachen?” riep Meester Van Gelder op zulk eenen woedenden toon, dat Moeder Alida van schrik verbleekte, daar ze meende dat de man opeens krankzinnig geworden was.Angstig naderde zij hem en zeide: „Maar, Meester, wees toch bedaard. Wat is er dan toch gebeurd?”„Dat heb ik al verteld en nu zal ik den bengel hier in zijn eigen huis en in het bijzijn van zijne Moeder voor immer en altijd afleeren om katten, doode katten, van de straat opgeraapte doode katten, in schotels met pap te smijten.”Moeder Alida keek Michiel en Meester Van Gelder beurtelings met de grootste verbazing aan en hetzelfde deed Michiel ten opzichte van Moeder en Meester. Geen der twee begreep er iets van naar het scheen, hoewel Moeder Alida niet zóó was of ze vreesde, dat haar jongen voor den laatsten dag dat hij aan den wal was, nog eens eene echte straatjongensstreek had uitgehaald.Eindelijk toen Meester Van Gelder zweeg en van onder zijnen mantel eene bullepees te voorschijn haalde, kwam ze wat tot zichzelve.Dat Vader Adriaen haren Michiel sloeg, dat liet ze toe, hoewel elke slag, dien hij kreeg, haar misschien nog meer pijn deed dan Michiel, die voor slagen tamelijk ongevoelig geworden was. Zij wist hoe haar man in zijn hart zielsveel van den jongen hield en dat juist de begeerte hem voor de gevangenis, of erger nog, voor galg en rad te sparen, hem er toe bracht, zelfs herhaalde malen toe bracht, om den jongen op zulk eene pijnlijke wijze te kastijden.O, het oog eener Moeder ziet zoo heel anders dan een gewoon menschenoog. Het mag de letters van een boek niet tot woorden kunnen maken, het leest diep in het hartvan allen, die zij lief heeft, wat daar geschreven staat in eene soort van schrift, niet als de hiëroglyphen en de steenen gedenkteekenen der oude Egyptenaren, te ontraadselen en ontcijferen met een scherpzinnig vernuft en een groot verstand, maar in kleine bewegingen, die zich voortplanten tot de blootliggende deelen van het menschelijk lichaam.De grootste geleerde, die er ooit geleefd heeft, zou dat raadselschrift niet kunnen ontcijferen, doch de eenvoudigste Moeder uit de armste achterbuurt leest het, als ze maar een hart bezit, dat lief heeft.En een hart, dat lief heeft, bezitten immers alle Moeders?Ze had dan ook wel gezien, wat er in het hart van Vader Adriaen omging toen de geruchten van Michiels waagstuk ook binnen hare woning kwamen. Ze had gezien hoe de tang hem ontviel; ze had begrepen waarom die viel.En daarom, al deed iedere slag, dien Vader Adriaen aan Michiel gaf, pijn, zij duldde dat hij kastijdde.Maar wat ze van Vader Adriaen wel dulden wilde, dat zou ze niet toestaan aan Meester Van Gelder, al had Michiel ook de lage streek met die doode kat uitgehaald.Zoodra Meester Van Gelder dan ook de bullepees voor den dag haalde, trad ze tusschen hem en haren jongen.Wel, eenvoudig, zachtzinnig Moedertje, waar is nu toch opeens dat goedige oog gebleven, dat zoo zacht en bijna droomerig rondkeek? Waar is de trek op uw bleek gelaat, die trek van onderwerping zoo op eenmaal gebleven?Zie, uwe oogen flikkeren en schitteren, en over heel uw aangezicht ligt eene uitdrukking van heldenmoed!Meester Van Gelder zag dat alles ook en—hij bleef staan waar hij stond.„Ga uit den weg, Moeder Alida! Gij zijt eene lieve, goede Moeder, en de hand, die u slaat, mag wel verlammen. Ga uit den weg, beste vrouw, dien straatjongen daar, dien moet ik hebben! Hij moet vandaag ondervinden, dat Meester Van Gelder de bullepees voeren kan.”„Gij blijft van Michiel af, Meester! Als Michiel hier in huis gekastijd moet worden, dan is er maar één, die dat doen mag en dat is zijn Vader. Elke vreemde blijft van zijn lijf af.”„Ga maar gerust op zijde, Moeder,” sprak thans Michiel. „Ik sta hem en ben niet bang voor hem.”Ja, voor zijnen leeftijd was Michiel buitengewoon kloek en sterk, maar opgewassen tegen Meester Van Gelder, die een man in de volle kracht van het leven was, neen, dat was hij niet. Maar Michiel had de ijzeren blaaspijp in de handen en één slag daarmede kon doodelijk zijn.„Doe weg die blaaspijp, Michiel! Ik zal u beschermen,” sprak Moeder.„Maar, Moeder, hij zal....”„Doe weg de blaaspijp, Michiel! Gij zult geenen moord begaan waar ik bij ben!”„Eenen moord begaan? Niet te hopen ook! Wat is hier te doen? Wie is die man met zijne bullepees? Wat moet hij hier?”Deze woorden op korten en afgebroken toon werden gesproken door den „Barren Bruinvisch”, die, zonder dat iemand er iets van gehoord had, binnengetreden was.Meester Van Gelder den zeeman ziende, meende in hem wel iemand te zullen vinden, die hem hielp, en nu vertelde hij, wijzende op de doode en bemorste kat, die nog altijd op den vloer lag, wat Michiel hiermede uitgevoerd had.De „Barre Bruinvisch” hoorde Meester oplettend aan en zeide eindelijk: „Gemeen, laag, werk van eenen liederlijken straatjongen.”.„Dat geloof ik ook, Bootsman! Maar die vrouw daar schijnt niet te willen begrijpen, dat het kwaad gestraft moet worden. Help mij haar dat aan het verstand brengen.”„Dat wil ik wel, Meester, maar we moeten verstandig te werk gaan. Zeg mij, wie heeft die doode kat in uwe pap gesmeten?”„Wie? Wie anders dan hij, de liederlijkste straatjongen van heel Vlissingen.”„Erg, heel erg, Meester! En wanneer heeft hij dat gedaan?”„Wanneer?”„Ja, wanneer, hoe laat?”„Ik ben een man van orde en regel, Bootsman! Zoo lang ik getrouwd ben, zet mijne vrouw met het voorslag van acht uren de tafel klaar; als de klok begint te spelen beginnen we ons gebed en met den eersten slag van achten beginnen we te eten. Dus, vanavond precies om acht uren.”„Steek die bullepees dan maar onder uwen mantel, Meester, en ga den liederlijken bedrijver van die straatschenderij vrij elders zoeken en—neem poesje mee.”„En die bengel dan?”„Die bengel is pas na het slaan van achten vanboord gegaan en kan het dus niet gedaan hebben. Daarom, zoek den bengel elders en—hier, poesje moet mee.”„Bootsman, ik zeg....”Meester Van Gelder nam eene dreigende houding aan, doch de „Barre Bruinvisch” werd er niemendal bang voor en zachtjes zeide hij: „Gooi uw fatsoen niet te grabbelen, Meester! Ga naar de „Lijnbaan” en vraag daar aan elken matroos hoe laat Michiel vanboord gegaan is. Hij kan het niet gedaan hebben, al is het ook juist een stukje voor hem.”De kalme toon waarop de Bootsman sprak, bracht Meester Van Gelder tot nadenken. Hij raapte poesje op, smeet het door de geopende deur in de gracht en zonder iets te zeggen, verdween hij.Zoodra hij weg was werd het tooneel daar binnen heel anders. De leeuwin was weer het zachte Moedertje geworden en de kussen, die ze haren Michiel nu gaf, vertelden aan Vader Adriaen en de andere kinderen, die ook binnen gekomen waren, hoe innig verheugd ze was, dat Michielwaarheid gesproken had toen hij tot zijnen Vader zeide: „Het kwaad is er uit.”„Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat, manneke,” zeide de „Barre Bruinvisch” nu tot Michiel. Misschien zou er nog eene heele zeemanspreek gevolgd zijn, als er niet een nieuw bezoeker gekomen was in den persoon van Engels, die, hoewel aan het andere einde der stad wonende, nog altijd „Buurman Engels” genoemd werd, omdat hij in vroegere jaren naast hunne deur had gewoond. Hij was in gezelschap van zijn dochtertje Cornelia.„Goeden avond, buurtjes,” zeide hij. „Hoe maken de menschen het zoo al?”„Goed, gelukkig goed, buurman,” sprak Vader Adriaen. „Ga zitten! Alida, geef buurman eenen stoel!”„Neen, dank-je, ik zal niet gaan zitten. Ik kom maar even om Michiel goeden dag te zeggen. Hij gaat immers morgen naar zee?”„Ja, buurman,” antwoordde Vader. „Er zat niets anders op. Het spijt mij erg, maar mijne vrouw nog veel meer.”„Kom, kom, de zee is goed, en wie oppast kan vooruit komen. De Compagnie verdient geld als water. Als ik jongens had, allemaal het zeegat uit, hoor, allemaal! Eerst op Spanje, op de Levant, op de Oostzee en dan naar de Groote Oost.”„Het is op zee zoo gevaarlijk buurman! Er gebeuren zooveel ongelukken,” sprak Moeder.„Ongelukken gebeuren niet enkel op zee. Twee neven van me waren verleden week te Middelburg bezig met eenen ouden muur te herstellen. De steiger brak en beide mannen zijn aan de gevolgen van den val gestorven. Eene oude vrouw, die juist voorbij kwam, bleef op de plaats dood, want ze kreeg den heelen bak met steenen op haar hoofd. En dan, is niet een veertien dagen geleden een boer van Koudekerke, die met vrouw en kinderen naar Domburg reed, op den hol gegaan en met paard en wagen te watergeraakt en verdronken? Is zijne vrouw en zijn zijne kinderen er ook niet bij omgekomen? Wat is verleden jaar met Geurt Davidse en zijnen zoon gebeurd? Gebeten door eenen dollen hond, en hoe gestorven? Ongelukken, buurvrouw, kan men overal bekomen al is men niet op zee. Ons leven is elken dag in gevaar, onverschillig waar men is.”„Jawel, buurman, maar het zeevolk is zoo ruw!”„Nu, schootkindekens zijn onze jongens niet, maar bij al hunne ruwheid zit er toch veel goeds bij hen ook. Maar ik kwam niet om de zee aan te preeken, doch wel om afscheid te nemen en u geluk te wenschen met Michiels besluit.”„Maar, buurman,” riep Moeder. „Ons gelukwenschen? Neen, dat meent gij niet!”„Stellig meen ik dat, buurvrouw! Gij behoeft het mij niet te vertellen dat Schraalhans hier wel eens keukenmeester is; ik weet wat een huishouden kost. En nu zal het u zeker niet ongevallig zijn, als Michiel na eenige maanden terugkeert, u eenen handvol blanke daalders in den schoot werpt en zegt: „Zie, Moedertje, ge hebt me zoo lang het beste uit uwen mond gegeven toen ik als straatjongen rondliep! Hier is geld, zuiver bespaard en overgewonnen geld! Koop nu eens wat goeds voor u, voor Vader en voor al de anderen.”„Ferm, flink! Verstandig gesproken! Ik ben het eens met u, man!” liet de „Barre” zich hooren. „Ik zeg maar:Een Hollandsch kind blijft niet aanwal:Hem is de zee het best van al!Zij brengt hem de eêlste gaven.Het goud drijft op den zilten vloed,Hij grijpt het, maar de landrot moetEr diep in de aard naar graven.En pakt de storm den zeeman beet,Een wapen heeft hij steeds gereed,En nooit is hij er zonder.Dat wapen is: geloof aan God,En hiermee gaat hij zelfs ten slot,Volmaakt gerust, kopje onder!”De eenvoudige zeeman had deze woorden met zooveel vuur uitgesproken, dat Moeder Alida hem de handen drukte en zeide: „Dank je, Lievensz., gij steekt mij een riem onder het hart, dat in de laatste dagen dreigde af te zakken, zooals de Profeet Ezechiël zeide.”„Van die blanke daalders heb ik anders niet zoo heel veel verwachting,” liet Vader Adriaen zich hooren. „Hij zal wel niet kunnen sparen.”Nu kwam Michiel geheel voor den dag en hij zeide: „Ja, Vader, zeker zal ik sparen. Aanboord heb ik eten voor niemendal en kleeren heb ik vooreerst genoeg; wat zou ik nu met geld doen? Als ik terugkom en de Heeren Lampsens betalen uit, dan is alles voor u, Moeder! Dan zullen we er nog eens eenen avond van nemen, wie weet of Vader dan ons niet eens vertelt, waarom hij toch uit Bergen op Zoom naar Vlissingen gekomen is. Dat heeft hij nog nooit willen doen!” riep Michiel vroolijk.„Ja, jongen, ik weet het wel, uw hart is goed, kind! Als het enkel van uwen wil afhing, dan zoudt gij mij wel met goud willen bestrooien, als eene wafel met suiker.”„Dat zou ik zeker, Moeder!”„Maar willen is niet altijd kunnen, ventje!”„Jawel, Moeder, willen is kunnen, dat zal ik toonen, als de Heere mij bij het leven en de gezondheid spaart!”„Juist zoo, Michiel, juist zoo!” zeide Engels, „ik zeg ook: willen is kunnen, maar.... het is gemakkelijk gezegd, moeielijk te doen.”„We varen in hetzelfde schuitje, vriend Engels,” zoo nam nu Lievensz. het woord, „Ik zelf ben er een voorbeeld van. Als een straat-arme jongen, die niet lezen of schrijven kon, ik kan het nog niet, ging ik naar zee, om een potje te maken voor mijne arme Moeder, die toen Vader gestorven was, achterbleef met drie kinderen. Ik was de oudste en gezond, doch maar tien jaar oud. Mijnezusters waren allebei jonger dan ik en eene ervan was blind en is het nog. De andere had een zwakte in den rug en mocht al niet veel anders doen dan rust houden en op bed liggen. En—ga naar Westersouburg, daar leven ze alle drie in mijn eigen huisje met een mooi lapje grond erbij, waarin ze wat knutselen kunnen. Iedere week brengt een van de schrijvers van de Heeren Lampsens, die ook te Westersouburg woont, er een ruim weekgeld uit mijnen spaarpot, die al aardig vet is en met den dag vetter wordt, want ik verdien meer dan Moeder en zusters noodig hebben. En dat heb ik ook met de hulp des Heeren zoo ver gekregen door tewillen. Als de wil maar goed is, kan men bergen verzetten. Het is de groote vraag maar: „Hebt gij ook zulk eenen wil, Michiel?”„Ja, Bootsman, ja, zeker! Ik wil het ver brengen, zoo ver als ik me eens verbeeld heb dat ik het brengen zou, als ik maar varen mocht.”„En tot hoever was dat?”„Tot Admiraal, Bootsman!”„Hei, hei, jongen wat zet gij me daar eenen mond open! Admiraal worden! Ha, ha, wees dankbaar als ge het tot Bootsman brengt,” sprak Vader.„Zulk eene gedachte is zondig, Michiel,” liet Moeder zachtjes hooren, doch de oogen lieten weer lezen, dat er in haar hart toch ook zulk eene zondige gedachte omging en met innig welgevallen zag ze haren flinken jongen aan, die met zulk eenen moed gereed stond om den strijd voor het dagelijksch brood te beginnen.„Dat een mensch vooruit wil, goed! Het is een slecht matroos, die bij zijne eerste zeereis op den bodem van zijne kleerenkist in gedachten den kommando-staf niet neerlegt,” sprak Lievensz. „Maar—Admiraal worden, neen, ventje, dat gaat te ver. Als gij hoopt envertrouwtdat te worden, dan zal de zee u teleurstellen. Om Admiraal te worden moet er wat meer in den bol zitten dan wat ernu in zit, manneke! Ik vrees zoo dat het een pover beetje is, wat gij weet.”„Wat ik nog niet weet kan ik leeren weten, Bootsman,” antwoordde Michiel.„Als gij daarbij maar blijft, jongen,” zeide Engels, „dan zal de zaak wel terecht komen. Maar eer ik heenga, en het is al over onzen tijd, moet ik nog wat zeggen, Michiel! Ge hebt hier, mijn dochtertje Cornelia, eens uit het water gered, en ik gaf er u nooit iets anders voor dan mijn dankbaar hart. Nu ge het huis uit en de wereld ingaat, geef ik wat anders. Hier is een legpenning van mij in den spaarpot. Het is een Geldersche rijder, dien ik indertijd van Grootvader gekregen heb. Bewaar hem wel. Er is een gaatje in om hem aan een koordje om den hals te hangen. Geef hem niet uit voor dat het water tot over de lippen komt. Zulk een legpenning is een wonderding. Hij schijnt te groeien, te bloeien en vruchten te dragen en toch altijd even jong en even mooi te blijven. Hier is hij, en nu gij, Cornelia!”Cornelia, een meisje van Michiels leeftijd, kwam nu naar Michiel en zeide: „Hier, Michiel, drie paar wollen kousen, die ik zelf gebreid heb. Toen Vader hoorde dat gij naar zee zoudt gaan, zei hij: „Cornelia, nu moest gij eens voor Michiel kousen breien. Ik had nu wel geene maatkous, en Moeder, dat weet ge, kon me niet helpen, omdat ze altijd nog ziek is. Ik heb ze nu op mijn eigen houtje maar op den gis gebreid. Verslijt ze in gezondheid! Te klein zijn ze vast niet, als ze maar niet te groot zijn!”„Als ze te groot zijn, dan draag ik ze u ter gedachtenisse op mijne bruiloft, Cornelia! Ik dank u wel, hoor!” sprak Michiel.Engels en Cornelia namen hierop hartelijk afscheid en gingen naar huis, doch pas waren ze weg of een der Dominé’s trad binnen. Michiel keek hem even aan en zeide: „Ik zal nu meteen de kousen maar eens passen, die Cornelia voor me gebreid heeft.”„Dat is goed, kind,” antwoordde Moeder Alida, die er niemendal in zag dit te doen, terwijl er iemand bij was. Men lette in dien tijd niet op zulke dingen, en vooral niet onder den minderen stand.Michiel ging zitten, trok de kousen aan en—begon hard te lachen.De voeten veel te lang en te wijd, de beenen veel te groot,—het waren volslagen manskousen.„Hier, Moeder, bewaar ze maar tot over een jaar of vier; maar er niemendal van tegen Cornelia zeggen, hoor! Die zou het erg onpleizierig vinden!”Moeder rolde ze op en borg ze in het kabinet.„Michiel,” begon Dominé opeens, nadat hij een tijdlang met Vader over koetjes en kalfjes gepraat had, „Michiel, kom eens hier!”Michiel naderde langzaam en verlegen. Als het moest had hij zelfs Prins Maurits te woord durven staan, doch tegenover Dominé’s stond hij altijd met den mond vol tanden.„De muts af, jongen, ik heb wat ernstigs te zeggen.”Michiel nam de muts af en Lievensz. en Vader volgden dat voorbeeld.„Geef mij uwe hand, knaap!” sprak Dominé bedaard.Ook dit deed Michiel.„Jongen,” dus hervatte de ernstige man nu,—„jongen, met deze hand is al heel wat verricht, heel wat! Maar hoeveel goeds? Zoudt ge dat niet gemakkelijk kunnen opnoemen? Maar hoeveel kwaads? Kunt ge dat ook alles zoo opnoemen? Neen, jongen, dat ware te vergeefs beproefd. De Heer Burgemeester heeft onlangs van u gezegd, dat ge dag aan dag de goê gemeente tot last waart, en dat viel niet tegen te spreken. Hij heeft gezegd, dat gij uw grootste vermaak vondt in straatschenderij, en dat was ook waar, volkomen waar, heelemaal, heelemaal waar. Hij heeft gezegd, dat gij de stad in opschudding bracht, en dat kan niemandontkennen! Michiel, Michiel, wat moet er uit u groeien? Moeten de haren van uwe goede Ouders vóór den tijd vergrijzen uit verdriet over u? Zouden ze moeten wenschen: „Och, hadden we dat kind maar nooit gehad, of ware het gestorven eer het den naam van Vader en Moeder stamelen kon!” Er zijn Ouders, die dat wenschen! Maar wee, wee, het kind, dat den Vader tot verdriet en der Moeder tot smarte is! Zijn levensweg zal langs doornen en distelen loopen. Hij zal eindigen als Judas Iscarioth! Zoudt gij dat willen, Michiel? Neen, immers? En zoudt ge niet liever willen, dat Vader en Moeder eenmaal met oogen, die van blijdschap tintelen, zeggen kunnen: „Dat is ónze jongen! Dat is ónze Michiel! Goede God, wij danken U, wij danken U voor dat kind!””Moeder Alida verborg haar gelaat achter haar voorschoot; Vader liet de tranen vrij langs de wangen loopen en Lievensz. boende met de vuist de nattigheid uit zijne oogen, mompelend: „Sakkerloot, dat is anders preêken dan ik het kan! Dat wordt me te kras!”Michiel alleen weende niet; maar hij stond daar met bleeke wangen voor den man, die zulk een ernstig woord sprak. Wel trilden zijne lippen, wel kneep hij de oogen heel vreemd, maar weenen, neen, dát niet.„Laat mij in uwe oogen zien, Michiel,” sprak Dominé, en terstond keek de knaap hem open aan.Ja, toch, die oogen, al lag er jongensvuur in, waren toch wel zoo wat aan het natte kantje.„Jongen,” vervolgde de Predikant, „morgen zult ge de stad niet meer in opschudding brengen, uw grootste vermaak niet meer in straatschenderij kunnen vinden, en de goê gemeente niet meer tot last kunnen zijn. Morgen gaat gij het Ouderlijke huis uit, de wereld in en op zee. Dat hebt gij zelf zoo gewild. Maar ge hebt ook gezegd, dat ge van dat oogenblik af, een heel ander mensch zult worden. Straatjongen, dat geloof ik óók! Ik heb goede hoop op u;want ik heb u nog nooit op eene leugen betrapt. En als het u wèl gaat, Michiel, dan zal er hier vreugde in huis zijn, maar in mijn harte zal ik den Heere loven en danken, dat er iets goeds uit u gegroeid is, want Michiel, jongen, jongen,”—hier begon Dominé’s stem ook te haperen en trilden zijne lippen,—„jongen, al waart ge nog tienmaal grooter deugniet geweest, ik zou tóch veel van u gehouden hebben! Ik zou....”Daar brak de bom bij Michiel los.Hij vloog op zijne Ouders toe, sloeg zijne armen om hunnen hals en barstte in zulk een zenuwachtig snikken los, dat men dacht, dat hij er in blijven zou.Maar langzaam kwam hij tot bedaren, en zich uit de armen zijner Ouders losmakende, ging hij naar den Dominé, gaf hem de hand en zei: „Dominé, ik zal—ik zal—ik zal goed—goed oppassen! U zal—zal—den Heere—den Heere—dan—danken kunnen.” Hierop ging hij naar Lievensz. en sprak: „Bootsman, wilt gij me helpen om—om—wat goeds uit me—uit me—te doen—te doen groei—groeien?”„Wel, wis en drie, kwâjongen! Maar dat zeg ik je, je moet me de zeilen niet zoo nat maken, want dan bederft gij mij de vracht heelemaal!” antwoordde Lievensz., en boende met de vuisten zóó langs de natte zeilen, dat het wel scheen, alsof hij een blinde leeuw wilde worden.„En nu, menschen, de Heere zegene u,” zeide de Dominé, gaf Vader, Moeder en Lievensz. de hand, en stopte Michiel een kerkboekje toe, terwijl hij als het ware zegenend bad:„De Heere is uw bewaerder, de Heere is aen uwe rechterhant!Godt behoed’ u voortaen voor ’t quaet,Hy sal uw’ ziel voorwaerBehoeden voor gevaer:En als gy uyt of oock ingaet,Sal Hy u steets bevrijden,En met gaven verblijden.”De Dominé en Lievensz. gingen nu samen heen en het talrijke huisgezin bleef nog alleen over om den laatsten avond van Michiels thuis-zijn zoo gezellig mogelijk door te brengen.Men bleef laat op, en toen allen eindelijk slapen gingen, was het om te droomen van het kind en den broeder, die morgen op dezen tijd reeds op zee zou zijn.Alleen Moeder Alida droomde niet; zij waakte.Daar sloeg de torenklok vier uren.Om vijf uren moest Michiel weg.Zij stond op om hem te roepen, stil, heel stil, want allen sliepen.Ook Michiel sliep.Moeder Alida boog zich over hem heen, fluisterde: „God de Heere zegene U, lief, lief kind!” en kuste hem wakker.„Goede, beste Moeder,” zei Michiel zacht, en sloeg zijne armen om haren hals en weende nogmaals.„Nu, sta op, kind! Kleed u maar gauw aan. Ik zal uwe boterhammen snijden!”Moeder ging naar beneden en vond Vader, Jan, Dirk en Alida ook al op.„Wij eten samen, Moeder!” sprak Vader Adriaen. „Het zal in eenen heelen tijd niet meer gebeuren!”Jan, die anders het gebed deed, liet het nu Michiel doen.Men at de schraal gesmeerde boterhammetjes en dronk er eene kom melk bij.De klok sloeg half vijf.„Het is tijd, Michiel,” sprak Vader.Michiel stond op, drukte Moeder en Alida eenen vurigen kus op den mond, liep naar boven om de kleintjes goeden dag te zeggen, gaf Jan en Dirk de hand en ging met Vader, die het kistje droeg naar de haven waar aanboord van de „Lijnbaan” reeds alles in beweging was.Michiel werd door Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met heel veel drukte ontvangen.„Hier hebt gij onzen jongen, Bootsman! Zorg voor hem, alsof hij uw eigen kind is; wij zullen er u dankbaar voor zijn,” sprak Vader.„Zonder mankeeren, Adriaen!” was het antwoord.Vader en Michiel namen afscheid van elkander, de loopplank werd ingehaald, de kabels en kettingen losgemaakt, de paarden stonden aan de lijn en begonnen te trekken. Weldra was het schip de haven uit en op de Schelde.„De schoten, konstabel!” beval de Kapitein.Tien kanonschoten rolden langs het water, als een laatste groet aan allen, die men achterliet.Michiel boog zich over de verschansing, keek naar den hoogen Westdijk, groette met den zakdoek, die daar stonden en—gebruikte hem daarna om zijne tranen af te drogen.Het kwâjongenshart was gebroken.Maar uit de overblijfselen groeide een nieuw hart, een zeemanshart, zoo schoon, zoo edel, zoo moedig, als er ooit een hart onder het wollen zeemans-baadje geklopt heeft!„Goede reis! Goede reis!” stamelde eene vrouw op den Westdijk, toen ze het schip in de Wielingen verdwijnen zag.Het was Moeder Alida.Of haar wensch verhoord zou worden?
Het was de avond voor Sint-Stevensdag,1den tweeden van Oogstmaand des jaren 1618.
In het kleine woonvertrek van Adriaen Michielsz. was het doodstil.
De kleine kinderen lagen reeds in bed en de anderen waren nog op straat bezig met spelen of wel aan hun werk.
Moeder Alida was dus alleen.
Zij zat op eenen stoel bij de tafel en aan hare voeten stond eene geopende kist halfvol jongensgoed.
Het was Michiels armoedige uitrusting.
Voor het eerst van zijn leven zou hij dan eens wat nieuws kunnen aantrekken. Wel was alles op een koopje gekocht, maar het was dan toch nieuw.
„Vier linnen en twee wollen hemden, twee baaien broeken, een paar laarzen, twee dassen, eene muts, drie paar kousen, vier zakdoeken, ja, het is er alles. Weinig genoeg, jongen,” zei Moeder Alida tot zichzelve.
De torenklok sloeg zeven uren.
„Ik zou Michiel nog zoo graag eens alleen spreken,” zei ze weer. „Hij blijft lang weg. Hij zal nu toch geene streken meer uithalen? Stil, daar zal hij komen!”
Er klonken driftige voetstappen.
De bovendeur werd geopend en eene zware stem riep: „Hola!”
„Komt er maar in,” antwoordde Moeder Alida en dacht meteen: „wie zou dat wezen?”
Pas had ze evenwel geroepen: „Komt er maar in,” of de man met de zware stem trad binnen.
„Daar, vrouw Michielsz., dat is van uw lieve zoontje! Dat heeft de straatbengel door mijn open raam juist in eenen schotel met pap gesmeten.”
Het was Meester Van Gelder, en het voorwerp, dat hij zorgvuldig in een papier gewikkeld op tafel smeet, was eene doode kat.
„Eene kat,” zuchtte Moeder Alida.
„Ja, juist, eene kat, eene doode kat! Wie weet waar ergens opgeraapt! Verbeeld je de heele schotel, de heele schotel vol zoete pap met kippen-grutjes, die ik zoo graag eet, weg, heelemaal weg! Mijne vrouw was één pap, al pap. Hare muts vol pap. Hare haren vol pap. Haar gezicht vol pap. Haar jak vol pap....”
Zonder dat Meester het in zijne woede bemerkte was Michiel binnen gekomen, en stond met groote oogen in het vertrek te kijken.
— —„haar voorschoot vol pap, ja, toen ik goed keek, was er zelfs pap op haren rug!”
Dat ging Michiel te mooi, hij barstte in een luid gelach uit.
Woedend keerde Meester zich om. Hij wilde zien wie daar zoo lachte.
„Wat, schaamtelooze jongen, durft gij mij hier in huis in mijn aangezicht te komen uitlachen?” riep Meester Van Gelder op zulk eenen woedenden toon, dat Moeder Alida van schrik verbleekte, daar ze meende dat de man opeens krankzinnig geworden was.
Angstig naderde zij hem en zeide: „Maar, Meester, wees toch bedaard. Wat is er dan toch gebeurd?”
„Dat heb ik al verteld en nu zal ik den bengel hier in zijn eigen huis en in het bijzijn van zijne Moeder voor immer en altijd afleeren om katten, doode katten, van de straat opgeraapte doode katten, in schotels met pap te smijten.”
Moeder Alida keek Michiel en Meester Van Gelder beurtelings met de grootste verbazing aan en hetzelfde deed Michiel ten opzichte van Moeder en Meester. Geen der twee begreep er iets van naar het scheen, hoewel Moeder Alida niet zóó was of ze vreesde, dat haar jongen voor den laatsten dag dat hij aan den wal was, nog eens eene echte straatjongensstreek had uitgehaald.
Eindelijk toen Meester Van Gelder zweeg en van onder zijnen mantel eene bullepees te voorschijn haalde, kwam ze wat tot zichzelve.
Dat Vader Adriaen haren Michiel sloeg, dat liet ze toe, hoewel elke slag, dien hij kreeg, haar misschien nog meer pijn deed dan Michiel, die voor slagen tamelijk ongevoelig geworden was. Zij wist hoe haar man in zijn hart zielsveel van den jongen hield en dat juist de begeerte hem voor de gevangenis, of erger nog, voor galg en rad te sparen, hem er toe bracht, zelfs herhaalde malen toe bracht, om den jongen op zulk eene pijnlijke wijze te kastijden.
O, het oog eener Moeder ziet zoo heel anders dan een gewoon menschenoog. Het mag de letters van een boek niet tot woorden kunnen maken, het leest diep in het hartvan allen, die zij lief heeft, wat daar geschreven staat in eene soort van schrift, niet als de hiëroglyphen en de steenen gedenkteekenen der oude Egyptenaren, te ontraadselen en ontcijferen met een scherpzinnig vernuft en een groot verstand, maar in kleine bewegingen, die zich voortplanten tot de blootliggende deelen van het menschelijk lichaam.
De grootste geleerde, die er ooit geleefd heeft, zou dat raadselschrift niet kunnen ontcijferen, doch de eenvoudigste Moeder uit de armste achterbuurt leest het, als ze maar een hart bezit, dat lief heeft.
En een hart, dat lief heeft, bezitten immers alle Moeders?
Ze had dan ook wel gezien, wat er in het hart van Vader Adriaen omging toen de geruchten van Michiels waagstuk ook binnen hare woning kwamen. Ze had gezien hoe de tang hem ontviel; ze had begrepen waarom die viel.
En daarom, al deed iedere slag, dien Vader Adriaen aan Michiel gaf, pijn, zij duldde dat hij kastijdde.
Maar wat ze van Vader Adriaen wel dulden wilde, dat zou ze niet toestaan aan Meester Van Gelder, al had Michiel ook de lage streek met die doode kat uitgehaald.
Zoodra Meester Van Gelder dan ook de bullepees voor den dag haalde, trad ze tusschen hem en haren jongen.
Wel, eenvoudig, zachtzinnig Moedertje, waar is nu toch opeens dat goedige oog gebleven, dat zoo zacht en bijna droomerig rondkeek? Waar is de trek op uw bleek gelaat, die trek van onderwerping zoo op eenmaal gebleven?
Zie, uwe oogen flikkeren en schitteren, en over heel uw aangezicht ligt eene uitdrukking van heldenmoed!
Meester Van Gelder zag dat alles ook en—hij bleef staan waar hij stond.
„Ga uit den weg, Moeder Alida! Gij zijt eene lieve, goede Moeder, en de hand, die u slaat, mag wel verlammen. Ga uit den weg, beste vrouw, dien straatjongen daar, dien moet ik hebben! Hij moet vandaag ondervinden, dat Meester Van Gelder de bullepees voeren kan.”
„Gij blijft van Michiel af, Meester! Als Michiel hier in huis gekastijd moet worden, dan is er maar één, die dat doen mag en dat is zijn Vader. Elke vreemde blijft van zijn lijf af.”
„Ga maar gerust op zijde, Moeder,” sprak thans Michiel. „Ik sta hem en ben niet bang voor hem.”
Ja, voor zijnen leeftijd was Michiel buitengewoon kloek en sterk, maar opgewassen tegen Meester Van Gelder, die een man in de volle kracht van het leven was, neen, dat was hij niet. Maar Michiel had de ijzeren blaaspijp in de handen en één slag daarmede kon doodelijk zijn.
„Doe weg die blaaspijp, Michiel! Ik zal u beschermen,” sprak Moeder.
„Maar, Moeder, hij zal....”
„Doe weg de blaaspijp, Michiel! Gij zult geenen moord begaan waar ik bij ben!”
„Eenen moord begaan? Niet te hopen ook! Wat is hier te doen? Wie is die man met zijne bullepees? Wat moet hij hier?”
Deze woorden op korten en afgebroken toon werden gesproken door den „Barren Bruinvisch”, die, zonder dat iemand er iets van gehoord had, binnengetreden was.
Meester Van Gelder den zeeman ziende, meende in hem wel iemand te zullen vinden, die hem hielp, en nu vertelde hij, wijzende op de doode en bemorste kat, die nog altijd op den vloer lag, wat Michiel hiermede uitgevoerd had.
De „Barre Bruinvisch” hoorde Meester oplettend aan en zeide eindelijk: „Gemeen, laag, werk van eenen liederlijken straatjongen.”.
„Dat geloof ik ook, Bootsman! Maar die vrouw daar schijnt niet te willen begrijpen, dat het kwaad gestraft moet worden. Help mij haar dat aan het verstand brengen.”
„Dat wil ik wel, Meester, maar we moeten verstandig te werk gaan. Zeg mij, wie heeft die doode kat in uwe pap gesmeten?”
„Wie? Wie anders dan hij, de liederlijkste straatjongen van heel Vlissingen.”
„Erg, heel erg, Meester! En wanneer heeft hij dat gedaan?”
„Wanneer?”
„Ja, wanneer, hoe laat?”
„Ik ben een man van orde en regel, Bootsman! Zoo lang ik getrouwd ben, zet mijne vrouw met het voorslag van acht uren de tafel klaar; als de klok begint te spelen beginnen we ons gebed en met den eersten slag van achten beginnen we te eten. Dus, vanavond precies om acht uren.”
„Steek die bullepees dan maar onder uwen mantel, Meester, en ga den liederlijken bedrijver van die straatschenderij vrij elders zoeken en—neem poesje mee.”
„En die bengel dan?”
„Die bengel is pas na het slaan van achten vanboord gegaan en kan het dus niet gedaan hebben. Daarom, zoek den bengel elders en—hier, poesje moet mee.”
„Bootsman, ik zeg....”
Meester Van Gelder nam eene dreigende houding aan, doch de „Barre Bruinvisch” werd er niemendal bang voor en zachtjes zeide hij: „Gooi uw fatsoen niet te grabbelen, Meester! Ga naar de „Lijnbaan” en vraag daar aan elken matroos hoe laat Michiel vanboord gegaan is. Hij kan het niet gedaan hebben, al is het ook juist een stukje voor hem.”
De kalme toon waarop de Bootsman sprak, bracht Meester Van Gelder tot nadenken. Hij raapte poesje op, smeet het door de geopende deur in de gracht en zonder iets te zeggen, verdween hij.
Zoodra hij weg was werd het tooneel daar binnen heel anders. De leeuwin was weer het zachte Moedertje geworden en de kussen, die ze haren Michiel nu gaf, vertelden aan Vader Adriaen en de andere kinderen, die ook binnen gekomen waren, hoe innig verheugd ze was, dat Michielwaarheid gesproken had toen hij tot zijnen Vader zeide: „Het kwaad is er uit.”
„Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat, manneke,” zeide de „Barre Bruinvisch” nu tot Michiel. Misschien zou er nog eene heele zeemanspreek gevolgd zijn, als er niet een nieuw bezoeker gekomen was in den persoon van Engels, die, hoewel aan het andere einde der stad wonende, nog altijd „Buurman Engels” genoemd werd, omdat hij in vroegere jaren naast hunne deur had gewoond. Hij was in gezelschap van zijn dochtertje Cornelia.
„Goeden avond, buurtjes,” zeide hij. „Hoe maken de menschen het zoo al?”
„Goed, gelukkig goed, buurman,” sprak Vader Adriaen. „Ga zitten! Alida, geef buurman eenen stoel!”
„Neen, dank-je, ik zal niet gaan zitten. Ik kom maar even om Michiel goeden dag te zeggen. Hij gaat immers morgen naar zee?”
„Ja, buurman,” antwoordde Vader. „Er zat niets anders op. Het spijt mij erg, maar mijne vrouw nog veel meer.”
„Kom, kom, de zee is goed, en wie oppast kan vooruit komen. De Compagnie verdient geld als water. Als ik jongens had, allemaal het zeegat uit, hoor, allemaal! Eerst op Spanje, op de Levant, op de Oostzee en dan naar de Groote Oost.”
„Het is op zee zoo gevaarlijk buurman! Er gebeuren zooveel ongelukken,” sprak Moeder.
„Ongelukken gebeuren niet enkel op zee. Twee neven van me waren verleden week te Middelburg bezig met eenen ouden muur te herstellen. De steiger brak en beide mannen zijn aan de gevolgen van den val gestorven. Eene oude vrouw, die juist voorbij kwam, bleef op de plaats dood, want ze kreeg den heelen bak met steenen op haar hoofd. En dan, is niet een veertien dagen geleden een boer van Koudekerke, die met vrouw en kinderen naar Domburg reed, op den hol gegaan en met paard en wagen te watergeraakt en verdronken? Is zijne vrouw en zijn zijne kinderen er ook niet bij omgekomen? Wat is verleden jaar met Geurt Davidse en zijnen zoon gebeurd? Gebeten door eenen dollen hond, en hoe gestorven? Ongelukken, buurvrouw, kan men overal bekomen al is men niet op zee. Ons leven is elken dag in gevaar, onverschillig waar men is.”
„Jawel, buurman, maar het zeevolk is zoo ruw!”
„Nu, schootkindekens zijn onze jongens niet, maar bij al hunne ruwheid zit er toch veel goeds bij hen ook. Maar ik kwam niet om de zee aan te preeken, doch wel om afscheid te nemen en u geluk te wenschen met Michiels besluit.”
„Maar, buurman,” riep Moeder. „Ons gelukwenschen? Neen, dat meent gij niet!”
„Stellig meen ik dat, buurvrouw! Gij behoeft het mij niet te vertellen dat Schraalhans hier wel eens keukenmeester is; ik weet wat een huishouden kost. En nu zal het u zeker niet ongevallig zijn, als Michiel na eenige maanden terugkeert, u eenen handvol blanke daalders in den schoot werpt en zegt: „Zie, Moedertje, ge hebt me zoo lang het beste uit uwen mond gegeven toen ik als straatjongen rondliep! Hier is geld, zuiver bespaard en overgewonnen geld! Koop nu eens wat goeds voor u, voor Vader en voor al de anderen.”
„Ferm, flink! Verstandig gesproken! Ik ben het eens met u, man!” liet de „Barre” zich hooren. „Ik zeg maar:
Een Hollandsch kind blijft niet aanwal:Hem is de zee het best van al!Zij brengt hem de eêlste gaven.Het goud drijft op den zilten vloed,Hij grijpt het, maar de landrot moetEr diep in de aard naar graven.En pakt de storm den zeeman beet,Een wapen heeft hij steeds gereed,En nooit is hij er zonder.Dat wapen is: geloof aan God,En hiermee gaat hij zelfs ten slot,Volmaakt gerust, kopje onder!”
Een Hollandsch kind blijft niet aanwal:
Hem is de zee het best van al!
Zij brengt hem de eêlste gaven.
Het goud drijft op den zilten vloed,
Hij grijpt het, maar de landrot moet
Er diep in de aard naar graven.
En pakt de storm den zeeman beet,
Een wapen heeft hij steeds gereed,
En nooit is hij er zonder.
Dat wapen is: geloof aan God,
En hiermee gaat hij zelfs ten slot,
Volmaakt gerust, kopje onder!”
De eenvoudige zeeman had deze woorden met zooveel vuur uitgesproken, dat Moeder Alida hem de handen drukte en zeide: „Dank je, Lievensz., gij steekt mij een riem onder het hart, dat in de laatste dagen dreigde af te zakken, zooals de Profeet Ezechiël zeide.”
„Van die blanke daalders heb ik anders niet zoo heel veel verwachting,” liet Vader Adriaen zich hooren. „Hij zal wel niet kunnen sparen.”
Nu kwam Michiel geheel voor den dag en hij zeide: „Ja, Vader, zeker zal ik sparen. Aanboord heb ik eten voor niemendal en kleeren heb ik vooreerst genoeg; wat zou ik nu met geld doen? Als ik terugkom en de Heeren Lampsens betalen uit, dan is alles voor u, Moeder! Dan zullen we er nog eens eenen avond van nemen, wie weet of Vader dan ons niet eens vertelt, waarom hij toch uit Bergen op Zoom naar Vlissingen gekomen is. Dat heeft hij nog nooit willen doen!” riep Michiel vroolijk.
„Ja, jongen, ik weet het wel, uw hart is goed, kind! Als het enkel van uwen wil afhing, dan zoudt gij mij wel met goud willen bestrooien, als eene wafel met suiker.”
„Dat zou ik zeker, Moeder!”
„Maar willen is niet altijd kunnen, ventje!”
„Jawel, Moeder, willen is kunnen, dat zal ik toonen, als de Heere mij bij het leven en de gezondheid spaart!”
„Juist zoo, Michiel, juist zoo!” zeide Engels, „ik zeg ook: willen is kunnen, maar.... het is gemakkelijk gezegd, moeielijk te doen.”
„We varen in hetzelfde schuitje, vriend Engels,” zoo nam nu Lievensz. het woord, „Ik zelf ben er een voorbeeld van. Als een straat-arme jongen, die niet lezen of schrijven kon, ik kan het nog niet, ging ik naar zee, om een potje te maken voor mijne arme Moeder, die toen Vader gestorven was, achterbleef met drie kinderen. Ik was de oudste en gezond, doch maar tien jaar oud. Mijnezusters waren allebei jonger dan ik en eene ervan was blind en is het nog. De andere had een zwakte in den rug en mocht al niet veel anders doen dan rust houden en op bed liggen. En—ga naar Westersouburg, daar leven ze alle drie in mijn eigen huisje met een mooi lapje grond erbij, waarin ze wat knutselen kunnen. Iedere week brengt een van de schrijvers van de Heeren Lampsens, die ook te Westersouburg woont, er een ruim weekgeld uit mijnen spaarpot, die al aardig vet is en met den dag vetter wordt, want ik verdien meer dan Moeder en zusters noodig hebben. En dat heb ik ook met de hulp des Heeren zoo ver gekregen door tewillen. Als de wil maar goed is, kan men bergen verzetten. Het is de groote vraag maar: „Hebt gij ook zulk eenen wil, Michiel?”
„Ja, Bootsman, ja, zeker! Ik wil het ver brengen, zoo ver als ik me eens verbeeld heb dat ik het brengen zou, als ik maar varen mocht.”
„En tot hoever was dat?”
„Tot Admiraal, Bootsman!”
„Hei, hei, jongen wat zet gij me daar eenen mond open! Admiraal worden! Ha, ha, wees dankbaar als ge het tot Bootsman brengt,” sprak Vader.
„Zulk eene gedachte is zondig, Michiel,” liet Moeder zachtjes hooren, doch de oogen lieten weer lezen, dat er in haar hart toch ook zulk eene zondige gedachte omging en met innig welgevallen zag ze haren flinken jongen aan, die met zulk eenen moed gereed stond om den strijd voor het dagelijksch brood te beginnen.
„Dat een mensch vooruit wil, goed! Het is een slecht matroos, die bij zijne eerste zeereis op den bodem van zijne kleerenkist in gedachten den kommando-staf niet neerlegt,” sprak Lievensz. „Maar—Admiraal worden, neen, ventje, dat gaat te ver. Als gij hoopt envertrouwtdat te worden, dan zal de zee u teleurstellen. Om Admiraal te worden moet er wat meer in den bol zitten dan wat ernu in zit, manneke! Ik vrees zoo dat het een pover beetje is, wat gij weet.”
„Wat ik nog niet weet kan ik leeren weten, Bootsman,” antwoordde Michiel.
„Als gij daarbij maar blijft, jongen,” zeide Engels, „dan zal de zaak wel terecht komen. Maar eer ik heenga, en het is al over onzen tijd, moet ik nog wat zeggen, Michiel! Ge hebt hier, mijn dochtertje Cornelia, eens uit het water gered, en ik gaf er u nooit iets anders voor dan mijn dankbaar hart. Nu ge het huis uit en de wereld ingaat, geef ik wat anders. Hier is een legpenning van mij in den spaarpot. Het is een Geldersche rijder, dien ik indertijd van Grootvader gekregen heb. Bewaar hem wel. Er is een gaatje in om hem aan een koordje om den hals te hangen. Geef hem niet uit voor dat het water tot over de lippen komt. Zulk een legpenning is een wonderding. Hij schijnt te groeien, te bloeien en vruchten te dragen en toch altijd even jong en even mooi te blijven. Hier is hij, en nu gij, Cornelia!”
Cornelia, een meisje van Michiels leeftijd, kwam nu naar Michiel en zeide: „Hier, Michiel, drie paar wollen kousen, die ik zelf gebreid heb. Toen Vader hoorde dat gij naar zee zoudt gaan, zei hij: „Cornelia, nu moest gij eens voor Michiel kousen breien. Ik had nu wel geene maatkous, en Moeder, dat weet ge, kon me niet helpen, omdat ze altijd nog ziek is. Ik heb ze nu op mijn eigen houtje maar op den gis gebreid. Verslijt ze in gezondheid! Te klein zijn ze vast niet, als ze maar niet te groot zijn!”
„Als ze te groot zijn, dan draag ik ze u ter gedachtenisse op mijne bruiloft, Cornelia! Ik dank u wel, hoor!” sprak Michiel.
Engels en Cornelia namen hierop hartelijk afscheid en gingen naar huis, doch pas waren ze weg of een der Dominé’s trad binnen. Michiel keek hem even aan en zeide: „Ik zal nu meteen de kousen maar eens passen, die Cornelia voor me gebreid heeft.”
„Dat is goed, kind,” antwoordde Moeder Alida, die er niemendal in zag dit te doen, terwijl er iemand bij was. Men lette in dien tijd niet op zulke dingen, en vooral niet onder den minderen stand.
Michiel ging zitten, trok de kousen aan en—begon hard te lachen.
De voeten veel te lang en te wijd, de beenen veel te groot,—het waren volslagen manskousen.
„Hier, Moeder, bewaar ze maar tot over een jaar of vier; maar er niemendal van tegen Cornelia zeggen, hoor! Die zou het erg onpleizierig vinden!”
Moeder rolde ze op en borg ze in het kabinet.
„Michiel,” begon Dominé opeens, nadat hij een tijdlang met Vader over koetjes en kalfjes gepraat had, „Michiel, kom eens hier!”
Michiel naderde langzaam en verlegen. Als het moest had hij zelfs Prins Maurits te woord durven staan, doch tegenover Dominé’s stond hij altijd met den mond vol tanden.
„De muts af, jongen, ik heb wat ernstigs te zeggen.”
Michiel nam de muts af en Lievensz. en Vader volgden dat voorbeeld.
„Geef mij uwe hand, knaap!” sprak Dominé bedaard.
Ook dit deed Michiel.
„Jongen,” dus hervatte de ernstige man nu,—„jongen, met deze hand is al heel wat verricht, heel wat! Maar hoeveel goeds? Zoudt ge dat niet gemakkelijk kunnen opnoemen? Maar hoeveel kwaads? Kunt ge dat ook alles zoo opnoemen? Neen, jongen, dat ware te vergeefs beproefd. De Heer Burgemeester heeft onlangs van u gezegd, dat ge dag aan dag de goê gemeente tot last waart, en dat viel niet tegen te spreken. Hij heeft gezegd, dat gij uw grootste vermaak vondt in straatschenderij, en dat was ook waar, volkomen waar, heelemaal, heelemaal waar. Hij heeft gezegd, dat gij de stad in opschudding bracht, en dat kan niemandontkennen! Michiel, Michiel, wat moet er uit u groeien? Moeten de haren van uwe goede Ouders vóór den tijd vergrijzen uit verdriet over u? Zouden ze moeten wenschen: „Och, hadden we dat kind maar nooit gehad, of ware het gestorven eer het den naam van Vader en Moeder stamelen kon!” Er zijn Ouders, die dat wenschen! Maar wee, wee, het kind, dat den Vader tot verdriet en der Moeder tot smarte is! Zijn levensweg zal langs doornen en distelen loopen. Hij zal eindigen als Judas Iscarioth! Zoudt gij dat willen, Michiel? Neen, immers? En zoudt ge niet liever willen, dat Vader en Moeder eenmaal met oogen, die van blijdschap tintelen, zeggen kunnen: „Dat is ónze jongen! Dat is ónze Michiel! Goede God, wij danken U, wij danken U voor dat kind!””
Moeder Alida verborg haar gelaat achter haar voorschoot; Vader liet de tranen vrij langs de wangen loopen en Lievensz. boende met de vuist de nattigheid uit zijne oogen, mompelend: „Sakkerloot, dat is anders preêken dan ik het kan! Dat wordt me te kras!”
Michiel alleen weende niet; maar hij stond daar met bleeke wangen voor den man, die zulk een ernstig woord sprak. Wel trilden zijne lippen, wel kneep hij de oogen heel vreemd, maar weenen, neen, dát niet.
„Laat mij in uwe oogen zien, Michiel,” sprak Dominé, en terstond keek de knaap hem open aan.
Ja, toch, die oogen, al lag er jongensvuur in, waren toch wel zoo wat aan het natte kantje.
„Jongen,” vervolgde de Predikant, „morgen zult ge de stad niet meer in opschudding brengen, uw grootste vermaak niet meer in straatschenderij kunnen vinden, en de goê gemeente niet meer tot last kunnen zijn. Morgen gaat gij het Ouderlijke huis uit, de wereld in en op zee. Dat hebt gij zelf zoo gewild. Maar ge hebt ook gezegd, dat ge van dat oogenblik af, een heel ander mensch zult worden. Straatjongen, dat geloof ik óók! Ik heb goede hoop op u;want ik heb u nog nooit op eene leugen betrapt. En als het u wèl gaat, Michiel, dan zal er hier vreugde in huis zijn, maar in mijn harte zal ik den Heere loven en danken, dat er iets goeds uit u gegroeid is, want Michiel, jongen, jongen,”—hier begon Dominé’s stem ook te haperen en trilden zijne lippen,—„jongen, al waart ge nog tienmaal grooter deugniet geweest, ik zou tóch veel van u gehouden hebben! Ik zou....”
Daar brak de bom bij Michiel los.
Hij vloog op zijne Ouders toe, sloeg zijne armen om hunnen hals en barstte in zulk een zenuwachtig snikken los, dat men dacht, dat hij er in blijven zou.
Maar langzaam kwam hij tot bedaren, en zich uit de armen zijner Ouders losmakende, ging hij naar den Dominé, gaf hem de hand en zei: „Dominé, ik zal—ik zal—ik zal goed—goed oppassen! U zal—zal—den Heere—den Heere—dan—danken kunnen.” Hierop ging hij naar Lievensz. en sprak: „Bootsman, wilt gij me helpen om—om—wat goeds uit me—uit me—te doen—te doen groei—groeien?”
„Wel, wis en drie, kwâjongen! Maar dat zeg ik je, je moet me de zeilen niet zoo nat maken, want dan bederft gij mij de vracht heelemaal!” antwoordde Lievensz., en boende met de vuisten zóó langs de natte zeilen, dat het wel scheen, alsof hij een blinde leeuw wilde worden.
„En nu, menschen, de Heere zegene u,” zeide de Dominé, gaf Vader, Moeder en Lievensz. de hand, en stopte Michiel een kerkboekje toe, terwijl hij als het ware zegenend bad:
„De Heere is uw bewaerder, de Heere is aen uwe rechterhant!
Godt behoed’ u voortaen voor ’t quaet,Hy sal uw’ ziel voorwaerBehoeden voor gevaer:En als gy uyt of oock ingaet,Sal Hy u steets bevrijden,En met gaven verblijden.”
Godt behoed’ u voortaen voor ’t quaet,
Hy sal uw’ ziel voorwaer
Behoeden voor gevaer:
En als gy uyt of oock ingaet,
Sal Hy u steets bevrijden,
En met gaven verblijden.”
De Dominé en Lievensz. gingen nu samen heen en het talrijke huisgezin bleef nog alleen over om den laatsten avond van Michiels thuis-zijn zoo gezellig mogelijk door te brengen.
Men bleef laat op, en toen allen eindelijk slapen gingen, was het om te droomen van het kind en den broeder, die morgen op dezen tijd reeds op zee zou zijn.
Alleen Moeder Alida droomde niet; zij waakte.
Daar sloeg de torenklok vier uren.
Om vijf uren moest Michiel weg.
Zij stond op om hem te roepen, stil, heel stil, want allen sliepen.
Ook Michiel sliep.
Moeder Alida boog zich over hem heen, fluisterde: „God de Heere zegene U, lief, lief kind!” en kuste hem wakker.
„Goede, beste Moeder,” zei Michiel zacht, en sloeg zijne armen om haren hals en weende nogmaals.
„Nu, sta op, kind! Kleed u maar gauw aan. Ik zal uwe boterhammen snijden!”
Moeder ging naar beneden en vond Vader, Jan, Dirk en Alida ook al op.
„Wij eten samen, Moeder!” sprak Vader Adriaen. „Het zal in eenen heelen tijd niet meer gebeuren!”
Jan, die anders het gebed deed, liet het nu Michiel doen.
Men at de schraal gesmeerde boterhammetjes en dronk er eene kom melk bij.
De klok sloeg half vijf.
„Het is tijd, Michiel,” sprak Vader.
Michiel stond op, drukte Moeder en Alida eenen vurigen kus op den mond, liep naar boven om de kleintjes goeden dag te zeggen, gaf Jan en Dirk de hand en ging met Vader, die het kistje droeg naar de haven waar aanboord van de „Lijnbaan” reeds alles in beweging was.
Michiel werd door Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met heel veel drukte ontvangen.
„Hier hebt gij onzen jongen, Bootsman! Zorg voor hem, alsof hij uw eigen kind is; wij zullen er u dankbaar voor zijn,” sprak Vader.
„Zonder mankeeren, Adriaen!” was het antwoord.
Vader en Michiel namen afscheid van elkander, de loopplank werd ingehaald, de kabels en kettingen losgemaakt, de paarden stonden aan de lijn en begonnen te trekken. Weldra was het schip de haven uit en op de Schelde.
„De schoten, konstabel!” beval de Kapitein.
Tien kanonschoten rolden langs het water, als een laatste groet aan allen, die men achterliet.
Michiel boog zich over de verschansing, keek naar den hoogen Westdijk, groette met den zakdoek, die daar stonden en—gebruikte hem daarna om zijne tranen af te drogen.
Het kwâjongenshart was gebroken.
Maar uit de overblijfselen groeide een nieuw hart, een zeemanshart, zoo schoon, zoo edel, zoo moedig, als er ooit een hart onder het wollen zeemans-baadje geklopt heeft!
„Goede reis! Goede reis!” stamelde eene vrouw op den Westdijk, toen ze het schip in de Wielingen verdwijnen zag.
Het was Moeder Alida.
Of haar wensch verhoord zou worden?
1St. Stevensdag of St. Stephanus valt op den 3denAugustus.↑
1St. Stevensdag of St. Stephanus valt op den 3denAugustus.↑
1St. Stevensdag of St. Stephanus valt op den 3denAugustus.↑