VIJFDE HOOFDSTUK.

VIJFDE HOOFDSTUK.Alweer de „Barre Bruinvisch”.In 1654 had Koningin Christina van Zweden afstand van de regeering gedaan en was opgevolgd geworden door Karel Gustaaf, die weldra in oorlog geraakte met den Koning van Polen. In dien oorlog was Karel Gustaaf bijzonder gelukkig en de Algemeene Staten vreezende, dat onze handel daarbij lijden zou, namen het besluit, zich met de zaken in het Noorden te gaan bemoeien. Om aan die bemoeiingen meer kracht bij te zetten, vertrok er eene Hollandsche vloot onder bevel van Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam naar de Oostzee. De Ruyter, die juist uit de Middellandsche zee teruggekomen was, werd slechts een kort verblijf aanwal gegund, en met zijne vloot alvast vooruit gezonden. Van Wassenaar-Obdam volgde weldra, zoodat onze vloot uit tweeënveertig schepen bestond. Dantzig liep, door de komst van onze vloot, eene belegering der Zweden gelukkig mis. Daar we op dat oogenblik ook in oorlog met Portugal waren, kon de vloot niet werkeloos blijven, en nu we in het Noorden door een verdrag met Karel Gustaaf te sluiten ons doel bereikt hadden, werd de vloot terug geroepen om elders de belangen des vaderlands te behartigen. Het duurde evenwel niet lang of onze handelvorderde dringend, dat we ons opnieuw met de Noordsche zaken bemoeiden, daar de Koning van Denemarken in oorlog met Karel Gustaaf geraakt was. Van Wassenaar-Obdam werd weer met eene vloot naar de Oostzee gezonden en versloeg de Zweedsche scheepsmacht onder Wrangel op de Sond. In dezen zeeslag sneuvelde Witte Cornelisz. De With. Hij stierf zooals hij geleefd had, stervende, met den degen in de vuist op zijn bijna aan splinters geschoten schip. „Dat hy een lyck werd koste syn viandt duysent lycken,” zeide een zijner lofdichters. Karel Gustaaf, die den ondergang van zijne vloot van het slot Kroonenburg aanschouwde, liet het lijk van den held van het wrak halen. Hij ontving het met zijnen hofstoet in rouwgewaad, en zond het later gebalsemd naar Holland. Toen dit gevecht voorviel, was De Ruyter op de kusten van Portugal, en daar de Algemeene Staten de vloot niet in het Noorden wilden laten overwinteren, werd Obdam teruggeroepen met het bevel, slechts twaalf schepen voor Kopenhagen te laten liggen. De Ruyter zou men intusschen met 4000 man naar Denemarken laten vertrekken. Maar eer een en ander volbracht kon worden viel de winter in, die Obdam in de Deensche wateren deed invriezen en De Ruyter te Texel hield.Op eenen der winterdagen tusschen 1658 en ’59 langs den Buitenkant te Amsterdam gaande, zag De Ruyter dat een oude zeeman met een verbruind gelaat hem op eenigen afstand volgde.„Wie is die Vice-Admiraal, die daar gaat?” vroeg de oude zeeman aan een, dien hij tegenkwam.„Dat is onze eere-burger Michiel Adriaensz. De Ruyter!” antwoordde de Amsterdammer en ging verder.De Ruyter had die vraag gehoord en meenende, dat de man, die blijkbaar eenig belang in hem scheen te stellen, hem misschien het een of ander te verzoeken had, bleef hij staan en zei: „Verlangt gij mogelijk ook iets van mij, goede vriend?”De oude zeeman zag hem met oogen, die van aandoening vochtig werden, diep in het gelaat, doch antwoordde niets.„Eene vraag om eenige toelage van den Lande soms?” vroeg De Ruyter nu op den goedigen toon, dien hij wel meest altijd, maar tegenover minderen geregeld aannam.„Neen, neen, Mich... Heer Admiraal!” was het stotterend gegeven antwoord. „Ik heb geen verzoek te doen.”De Ruyter lachte en zei: „Hadt ge daar niet het plan om Michiel te zeggen?”De zeeman nam de wollen muts van het hoofd en sprak: „Ja, ja, dat wilde ik! Dat wilde ik!”„Kent ge mij dan van vroeger, hé?” klonk de vriendelijke vraag des Admiraals, die wat dichter bij den man kwam, die hoe langer hoe meer verlegen scheen te worden.„Ja, van vroeger!” was het antwoord.„Dan zeker toch al lang geleden, nietwaar?”„Ja, ja, heel lang, Heer Admiraal!”De Ruyter keek den man nog eens aan en zei eensklaps: „Kom eens vlak voor mij staan en laat mij u in de oogen zien. Ik geloof waarlijk ook, dat wij oude kennissen zijn.”De zeeman sloeg de oogen op, doch pas had hij dat gedaan, of De Ruyter riep: „Gij zijt de „Barre Bruinvisch.” Heb ik het geraden? Zeg, heb ik het geraden?”„Ja, Heer Admiraal, ik ben de „Barre Bruinvisch” en Bootsman aan den wal. Gij hebt het ver gebracht, Heer Admiraal, heel ver! Altijd gedacht, altijd gezegd, als ge met die dingen van Simon Stevin bezig waart: „Let op, die aap van eenen jongen brengt het ver!””„Aap van eenen jongen!” en dat tegen eenen Vice-Admiraal!Maar De Ruyter lachte er om en zei: „Ja, man, ik wilde toen wel. Maar laten we samen wat oploopen en vertel mij dan toch eens hoe gij hier in het land komt. Ik had u al lang onder de dooden gerekend en aan uw laatsteverzoek heb ik te Westersouburg voldaan. O, Lievensz., wat waren die zielen bitter bedroefd! Doch, wat hadt gij trouw voor haar gezorgd! Geen oogenblik hebben ze armoede geleden. De Heeren Lampsens hebben er trouw het hunne toe bijgebracht en verdubbelden uwen spaarpot. En toch zijt gij van uwe wonde genezen! Waar zijt gij dan zoo lang gebleven?”Zoo sprekende had De Ruyter zijne woning bereikt en trad met den ouden zeeman binnen om hem gul te onthalen, waarna Lievensz. het volgende vertelde, doch op zijn zeemans en dus vrij wijdloopiger dan ik het navertel.„Zevenentwintig jaren lang slaaf in Marokko geweest, Heer Admiraal! In het eerst had ik het er slecht, maar toen de mannen van de „Lijnbaan” langzamerhand stierven, en ik ten slotte alleen overbleef, had ik het geluk eenen Officier uit een brandend huis te redden. Toen kreeg ik het goed en mocht alleen maar niet weg. Ik werd huisknecht, bediende bij den Gouverneur en ik weet niet wat al meer, tot ik in ’50 met een Hollandsch schip, dat daar toevallig kwam, de plaat poetste. Ik kwam te Westersouburg, vond mijne Moeder en zusters gestorven en van het geld niemendal. Ik ging toen van baloorigheid naar Amsterdam, kocht daar voor mijne spaarduitjes, die ik in den slavendienst zelfs had weten te krijgen, eene turf- en houtnering, trouwde en kreeg eenen jongen en een meisje op mijnen ouden dag. Maar als ik nu wist, dat ik weer zeevader kon worden, dan....”„Wel, Lievensz., wat dán?”„Dan zou ik zeggen: Michiel, mag ik bij u aanboord komen en voor uwen jongen worden, wat ik voor u eenmaal geweest ben?”„Dat kan niet, oude vriend! Vier jaar geleden is mijn oudste zoon, hij heette naar Vader, als Luitenant ter zee gestorven. Hij beloofde veel, doch de Heere nam hem van mijne zijde weg. Hij was niet sterk mijn Adriaen, neen,dat was hij niet. Nu heb ik nog eenen zoon, een knaapje van tien jaar, een aardig ventje!”„Michiel, geef me dien jongen, o, geef me hem! Ge zult zien, dat ik er eenen tweeden Michiel van maken zal!” riep Lievensz. opgewonden.„Neen, oude vriend, dat gaat niet, man! Engel moet school gaan, en als hij van de zee blijft houden, zooals nu, dan mag hij met zijn vijftiende jaar met mij mede. Men wordt over dertig of veertig jaar geen Vlootvoogd meer met zoo weinig kennis als ik heb, Lievensz.! Maar, kom alevel bij mij aanboord, en als de Heere ons in het leven spaart, welnu, wees dan over vijf jaar zijn zeevader. Wilt ge dat?”„Of ik dat wil, vraagt ge? Michiel, of ik dat wil? God de Heere zegene u man, dat gij zulk eenen ouden, versleten zeerob, als ik ben, nog aanboord wilt nemen. Ja, ja, graag, heel graag! Wanneer aanboord?”„Dat heeft al den tijd, Lievensz.! De winter houdt me aanwal en in het voorjaar moet ik naar het Noorden. Maar hoe heet uw jongen en wat zal hij worden?”„Hij heet Jan, Heer Admiraal, en hij gaat ter schole!”„Goed, heel goed, laat hem op mijne kosten schoolgaan tot mijn Engel aanboord komt, dan hebt ge er twee om zeevader over te wezen. Laat den knaap maar tot zoo lang aan de zorg der onderwijzers over en laat hem veel, heel veel leeren!”„Dat zal ik, Heer Admiraal! Maar mag ik nu nog zoo vrij zijn en u eene vraag doen?”„Of ge dat moogt doen? Wel zeker moogt ge dat! Zeg maar op, wat ge wilt weten!”„Hoe ik te Biscaye gekomen ben, weet ik niet, want ik was heelemaal buiten westen en in dien toestand tusschen levend en dood bleef ik wel acht dagen. Toen ik weer tot mijzelven kwam vernam ik van het volk dat de drie jongens Michiel De Ruyter, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie meteene boot van het kaperschip ontkomen waren. Is dat zoo, och, vertel me dan toch eens hoe ge weer in Vlissingen gekomen zijt.”„Komaan,” antwoordde Michiel, „dat wil ik. Het is wel een heel verhaal, maar ik heb er den tijd toe.”Beide mannen zetten zich op hun gemak en Michiel vertelde zijnen ouden vriend nu, wat wij reeds weten.Het was al laat toen Lievensz. het eenvoudige heerenhuis op het Nieuwe-Waalseiland verliet, en verrukt over de vriendelijkheid en hartelijkheid van zijnen ouden leerling, scheelde het weinig of de „Barre Bruinvisch” had van blijdschap diens handen gekust. Hij bedacht zich echter en ijlde naar huis om daar zijne vrouw te vertellen, dat hij weer varen ging „bij eenen baas, Grietje, bij eenen baas, den besten van de wereld, meid! Bij den Heere Vice-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter!”Den vijftienden Mei 1659 ging onze Vlootvoogd met eene vloot van veertig oorlogsschepen naar de Oostzee. Zoodra hij den Luitenant-Admiraal Van Wassenaar-Obdam zou ontmoeten, moest hij dezen het opperbevel overgeven, doch door eenen samenloop van omstandigheden kwam de Luitenant-Admiraal spoedig naar het Vaderland terug en bleef onze Michiel met het opperbevel belast.Het was inmiddels November geworden en gedurende dien geheelen tijd hadden de Nederlanders in het onzekere verkeerd van hetgeen er ten slotte zou moeten gedaan worden, en toen eindelijk de Algemeene Staten besloten hadden, te handelen, hadden de Zweden zich zoo versterkt, dat de kansen van welslagen voor ons en de Denen lang zoo voordeelig niet meer stonden, als in het begin.„Wel, Lievensz., hoe staat ge daar zoo tot de tanden gewapend?” vroeg Michiel des middags van den tienden November, toen de vloot voor Kartemunde, eene stad op het eiland Funen, lag.„Ik geloof dat ge wat met mij gekt en naar den bekendenweg vraagt, Admiraal! Moet die stad dan niet ingenomen worden?”„Als het kan, ja, en eigenlijk moet het. De Zweden, die op dat eiland ten getale van zeven duizend zijn, moeten er af. Het is de vraag maar, hoe we landen zullen, Bootsman! Het zal met booten moeten geschieden!”„Eene landing in de booten onder bescherming van het geschut der vloot, juist, Admiraal! En daarop is bij mij de wacht,” was het antwoord.„Welnu, nog zoo vol vuur, ja? Best, gij zult uwen zin hebben, Barre,” zeide De Ruyter en zich verwijderende gaf hij bevel het stadje te gaan beschieten, en gedurende twee uren gaf men zoo druk vuur, dat het volk daar binnen niet wist, hoe en waar zich te bergen. Thans achtte De Ruyter het oogenblik van landen gekomen. Het was eene gevaarlijke onderneming; want de Zweden bestreken met hunne batterijen de heele zee voor de kust waar men landen zou. De Ruyter zelf sprong in eene der booten en riep zijn volk toe: „Valt aan, mannen, valt aan, of gij wordt allen hier vermoord!”Het bootsvolk aarzelde.„Vooruit, mannen, dat gaat u voor! Volgt mij na!” riep Buat, een Franschman van geboorte, wiens Vader reeds onder Frederik Hendrik gestreden had. „Vooruit! Dat gaat u voor!”1Onverschrokken sprong hij uit de boot in het water.„Zulke mannen volg ik! Vooruit,” riep Lievensz. en was, na Buat, de eerste in de boot, waarna De Ruyter volgde met eenige matrozen.„Berg u, Heer Admiraal!” riep Buat onzen Michiel waarschuwend toe. „Men mikt op u.”„Ik behoor mijn volk den weg te wijzen,” sprak De Ruyter bedaard, niettegenstaande er op hetzelfde oogenblik twee mannen aan zijne zijde doodgeschoten werden.Het voorbeeld van den dapperen Buat vond algemeen navolging en zelfs was De Ruyter een der eersten, die aan den wal waren. Het ontschepen van krijgsvolk kon nu geregeld voortgang nemen, en nadat men duizend Deensche ruiters ontscheept had, begaf De Ruyter zich weder aanboord.Na nog eene belangrijke versterking ontvangen te hebben werd Nijborg, ook eene stad op Funen, waar de Zweden zich zeer versterkt hadden, van de landzijde aangevallen, en kort daarop van de zeezijde door onze vloot zoodanig beschoten, dat men daar binnen geene uitkomst meer ziende, de stad op genade of ongenade overgaf. De overwinning was volkomen. In vijftien dagen tijds had De Ruyter, trouw bijgestaan door zijne onderhoorigen en de Denen, het geheele eiland Funen op de Zweden veroverd, en de keurbenden van Karel Gustaaf met alles, wat zij bij zich hadden, gevangen genomen.Tweeduizend Zweden waren bij de verdediging van Nijborg gebleven, en hoe wakker de Denen zich ook gedragen hadden, bekenden de Zweden, dat de Nederlanders het gewicht in de schaal hadden gelegd.De Ruyter kreeg van de Algemeene Staten bevel om voor Kopenhagen te blijven overwinteren, en reeds kostte het hem veel moeite het met zijne schepen tot zoo ver te brengen. Weldra lag hij geheel ingevroren, doch daar hij Karel Gustaafs ondernemenden aard kende, liet hij om al de schepen zijner vloot gestadig het ijs op eene aanmerkelijke breedte weghakken. Dat hij hieraan verstandig deed, bewees de aanval, dien de Zweden den derden Februari van het volgende jaar op de Deensche hoofdstad waagden. Zij vonden evenwel de Hollanders en Denen zoo waakzaam en voorbereid, dat ze weer spoedig aftrokken, ja, menigmaalkeerden de Denen en de onzen de zaak om en waagden zelfs eenen uitval op het Zweedsche bezettings-leger.Den drieëntwintigsten Februari overleed Koning Karel Gustaaf. Dit bracht eene heele verandering teweeg, en hoewel de vrede door allerlei slinksche handelingen van Engeland en Frankrijk nog al op de lange baan geschoven werd, kon hij toch den zesden Mei op zeer voordeelige voorwaarden voor den Koning van Denemarken gesloten worden.Geen wonder dat de Koning onzen De Ruyter oprecht dankbaar was voor de uitnemende leiding van de hulp, hem door Nederland verleend. Nadat hij hem reeds in December van het vorige jaar met eenen prachtigen gouden ketting, waaraan door de Koningin eenen gedenkpenning met diamanten omzet, gehangen was, vereerd had, verhief hij nu onzen nederigen bierdragers-zoon tot den adelstand met een jaarlijksch inkomen van tweeduizend gulden. Zoo kwam de Vice-Admiraal, wiens naam reeds door heel Europa klonk, in Amsterdam terug om te midden der zijnen eenen korten tijd rust te nemen.Lang duurde die rust echter niet, hiervoor zorgden de Algerijnsche zeeroovers en later de Engelschen wel.1Henry Fleury de Culan, Heer van Buat, werd in 1666 te ’s-Gravenhage onthoofd, omdat hij eene geheime briefwisseling hield met de vijanden van de Regeering onzer Republiek, die zich in Engeland ophielden.↑

VIJFDE HOOFDSTUK.Alweer de „Barre Bruinvisch”.In 1654 had Koningin Christina van Zweden afstand van de regeering gedaan en was opgevolgd geworden door Karel Gustaaf, die weldra in oorlog geraakte met den Koning van Polen. In dien oorlog was Karel Gustaaf bijzonder gelukkig en de Algemeene Staten vreezende, dat onze handel daarbij lijden zou, namen het besluit, zich met de zaken in het Noorden te gaan bemoeien. Om aan die bemoeiingen meer kracht bij te zetten, vertrok er eene Hollandsche vloot onder bevel van Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam naar de Oostzee. De Ruyter, die juist uit de Middellandsche zee teruggekomen was, werd slechts een kort verblijf aanwal gegund, en met zijne vloot alvast vooruit gezonden. Van Wassenaar-Obdam volgde weldra, zoodat onze vloot uit tweeënveertig schepen bestond. Dantzig liep, door de komst van onze vloot, eene belegering der Zweden gelukkig mis. Daar we op dat oogenblik ook in oorlog met Portugal waren, kon de vloot niet werkeloos blijven, en nu we in het Noorden door een verdrag met Karel Gustaaf te sluiten ons doel bereikt hadden, werd de vloot terug geroepen om elders de belangen des vaderlands te behartigen. Het duurde evenwel niet lang of onze handelvorderde dringend, dat we ons opnieuw met de Noordsche zaken bemoeiden, daar de Koning van Denemarken in oorlog met Karel Gustaaf geraakt was. Van Wassenaar-Obdam werd weer met eene vloot naar de Oostzee gezonden en versloeg de Zweedsche scheepsmacht onder Wrangel op de Sond. In dezen zeeslag sneuvelde Witte Cornelisz. De With. Hij stierf zooals hij geleefd had, stervende, met den degen in de vuist op zijn bijna aan splinters geschoten schip. „Dat hy een lyck werd koste syn viandt duysent lycken,” zeide een zijner lofdichters. Karel Gustaaf, die den ondergang van zijne vloot van het slot Kroonenburg aanschouwde, liet het lijk van den held van het wrak halen. Hij ontving het met zijnen hofstoet in rouwgewaad, en zond het later gebalsemd naar Holland. Toen dit gevecht voorviel, was De Ruyter op de kusten van Portugal, en daar de Algemeene Staten de vloot niet in het Noorden wilden laten overwinteren, werd Obdam teruggeroepen met het bevel, slechts twaalf schepen voor Kopenhagen te laten liggen. De Ruyter zou men intusschen met 4000 man naar Denemarken laten vertrekken. Maar eer een en ander volbracht kon worden viel de winter in, die Obdam in de Deensche wateren deed invriezen en De Ruyter te Texel hield.Op eenen der winterdagen tusschen 1658 en ’59 langs den Buitenkant te Amsterdam gaande, zag De Ruyter dat een oude zeeman met een verbruind gelaat hem op eenigen afstand volgde.„Wie is die Vice-Admiraal, die daar gaat?” vroeg de oude zeeman aan een, dien hij tegenkwam.„Dat is onze eere-burger Michiel Adriaensz. De Ruyter!” antwoordde de Amsterdammer en ging verder.De Ruyter had die vraag gehoord en meenende, dat de man, die blijkbaar eenig belang in hem scheen te stellen, hem misschien het een of ander te verzoeken had, bleef hij staan en zei: „Verlangt gij mogelijk ook iets van mij, goede vriend?”De oude zeeman zag hem met oogen, die van aandoening vochtig werden, diep in het gelaat, doch antwoordde niets.„Eene vraag om eenige toelage van den Lande soms?” vroeg De Ruyter nu op den goedigen toon, dien hij wel meest altijd, maar tegenover minderen geregeld aannam.„Neen, neen, Mich... Heer Admiraal!” was het stotterend gegeven antwoord. „Ik heb geen verzoek te doen.”De Ruyter lachte en zei: „Hadt ge daar niet het plan om Michiel te zeggen?”De zeeman nam de wollen muts van het hoofd en sprak: „Ja, ja, dat wilde ik! Dat wilde ik!”„Kent ge mij dan van vroeger, hé?” klonk de vriendelijke vraag des Admiraals, die wat dichter bij den man kwam, die hoe langer hoe meer verlegen scheen te worden.„Ja, van vroeger!” was het antwoord.„Dan zeker toch al lang geleden, nietwaar?”„Ja, ja, heel lang, Heer Admiraal!”De Ruyter keek den man nog eens aan en zei eensklaps: „Kom eens vlak voor mij staan en laat mij u in de oogen zien. Ik geloof waarlijk ook, dat wij oude kennissen zijn.”De zeeman sloeg de oogen op, doch pas had hij dat gedaan, of De Ruyter riep: „Gij zijt de „Barre Bruinvisch.” Heb ik het geraden? Zeg, heb ik het geraden?”„Ja, Heer Admiraal, ik ben de „Barre Bruinvisch” en Bootsman aan den wal. Gij hebt het ver gebracht, Heer Admiraal, heel ver! Altijd gedacht, altijd gezegd, als ge met die dingen van Simon Stevin bezig waart: „Let op, die aap van eenen jongen brengt het ver!””„Aap van eenen jongen!” en dat tegen eenen Vice-Admiraal!Maar De Ruyter lachte er om en zei: „Ja, man, ik wilde toen wel. Maar laten we samen wat oploopen en vertel mij dan toch eens hoe gij hier in het land komt. Ik had u al lang onder de dooden gerekend en aan uw laatsteverzoek heb ik te Westersouburg voldaan. O, Lievensz., wat waren die zielen bitter bedroefd! Doch, wat hadt gij trouw voor haar gezorgd! Geen oogenblik hebben ze armoede geleden. De Heeren Lampsens hebben er trouw het hunne toe bijgebracht en verdubbelden uwen spaarpot. En toch zijt gij van uwe wonde genezen! Waar zijt gij dan zoo lang gebleven?”Zoo sprekende had De Ruyter zijne woning bereikt en trad met den ouden zeeman binnen om hem gul te onthalen, waarna Lievensz. het volgende vertelde, doch op zijn zeemans en dus vrij wijdloopiger dan ik het navertel.„Zevenentwintig jaren lang slaaf in Marokko geweest, Heer Admiraal! In het eerst had ik het er slecht, maar toen de mannen van de „Lijnbaan” langzamerhand stierven, en ik ten slotte alleen overbleef, had ik het geluk eenen Officier uit een brandend huis te redden. Toen kreeg ik het goed en mocht alleen maar niet weg. Ik werd huisknecht, bediende bij den Gouverneur en ik weet niet wat al meer, tot ik in ’50 met een Hollandsch schip, dat daar toevallig kwam, de plaat poetste. Ik kwam te Westersouburg, vond mijne Moeder en zusters gestorven en van het geld niemendal. Ik ging toen van baloorigheid naar Amsterdam, kocht daar voor mijne spaarduitjes, die ik in den slavendienst zelfs had weten te krijgen, eene turf- en houtnering, trouwde en kreeg eenen jongen en een meisje op mijnen ouden dag. Maar als ik nu wist, dat ik weer zeevader kon worden, dan....”„Wel, Lievensz., wat dán?”„Dan zou ik zeggen: Michiel, mag ik bij u aanboord komen en voor uwen jongen worden, wat ik voor u eenmaal geweest ben?”„Dat kan niet, oude vriend! Vier jaar geleden is mijn oudste zoon, hij heette naar Vader, als Luitenant ter zee gestorven. Hij beloofde veel, doch de Heere nam hem van mijne zijde weg. Hij was niet sterk mijn Adriaen, neen,dat was hij niet. Nu heb ik nog eenen zoon, een knaapje van tien jaar, een aardig ventje!”„Michiel, geef me dien jongen, o, geef me hem! Ge zult zien, dat ik er eenen tweeden Michiel van maken zal!” riep Lievensz. opgewonden.„Neen, oude vriend, dat gaat niet, man! Engel moet school gaan, en als hij van de zee blijft houden, zooals nu, dan mag hij met zijn vijftiende jaar met mij mede. Men wordt over dertig of veertig jaar geen Vlootvoogd meer met zoo weinig kennis als ik heb, Lievensz.! Maar, kom alevel bij mij aanboord, en als de Heere ons in het leven spaart, welnu, wees dan over vijf jaar zijn zeevader. Wilt ge dat?”„Of ik dat wil, vraagt ge? Michiel, of ik dat wil? God de Heere zegene u man, dat gij zulk eenen ouden, versleten zeerob, als ik ben, nog aanboord wilt nemen. Ja, ja, graag, heel graag! Wanneer aanboord?”„Dat heeft al den tijd, Lievensz.! De winter houdt me aanwal en in het voorjaar moet ik naar het Noorden. Maar hoe heet uw jongen en wat zal hij worden?”„Hij heet Jan, Heer Admiraal, en hij gaat ter schole!”„Goed, heel goed, laat hem op mijne kosten schoolgaan tot mijn Engel aanboord komt, dan hebt ge er twee om zeevader over te wezen. Laat den knaap maar tot zoo lang aan de zorg der onderwijzers over en laat hem veel, heel veel leeren!”„Dat zal ik, Heer Admiraal! Maar mag ik nu nog zoo vrij zijn en u eene vraag doen?”„Of ge dat moogt doen? Wel zeker moogt ge dat! Zeg maar op, wat ge wilt weten!”„Hoe ik te Biscaye gekomen ben, weet ik niet, want ik was heelemaal buiten westen en in dien toestand tusschen levend en dood bleef ik wel acht dagen. Toen ik weer tot mijzelven kwam vernam ik van het volk dat de drie jongens Michiel De Ruyter, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie meteene boot van het kaperschip ontkomen waren. Is dat zoo, och, vertel me dan toch eens hoe ge weer in Vlissingen gekomen zijt.”„Komaan,” antwoordde Michiel, „dat wil ik. Het is wel een heel verhaal, maar ik heb er den tijd toe.”Beide mannen zetten zich op hun gemak en Michiel vertelde zijnen ouden vriend nu, wat wij reeds weten.Het was al laat toen Lievensz. het eenvoudige heerenhuis op het Nieuwe-Waalseiland verliet, en verrukt over de vriendelijkheid en hartelijkheid van zijnen ouden leerling, scheelde het weinig of de „Barre Bruinvisch” had van blijdschap diens handen gekust. Hij bedacht zich echter en ijlde naar huis om daar zijne vrouw te vertellen, dat hij weer varen ging „bij eenen baas, Grietje, bij eenen baas, den besten van de wereld, meid! Bij den Heere Vice-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter!”Den vijftienden Mei 1659 ging onze Vlootvoogd met eene vloot van veertig oorlogsschepen naar de Oostzee. Zoodra hij den Luitenant-Admiraal Van Wassenaar-Obdam zou ontmoeten, moest hij dezen het opperbevel overgeven, doch door eenen samenloop van omstandigheden kwam de Luitenant-Admiraal spoedig naar het Vaderland terug en bleef onze Michiel met het opperbevel belast.Het was inmiddels November geworden en gedurende dien geheelen tijd hadden de Nederlanders in het onzekere verkeerd van hetgeen er ten slotte zou moeten gedaan worden, en toen eindelijk de Algemeene Staten besloten hadden, te handelen, hadden de Zweden zich zoo versterkt, dat de kansen van welslagen voor ons en de Denen lang zoo voordeelig niet meer stonden, als in het begin.„Wel, Lievensz., hoe staat ge daar zoo tot de tanden gewapend?” vroeg Michiel des middags van den tienden November, toen de vloot voor Kartemunde, eene stad op het eiland Funen, lag.„Ik geloof dat ge wat met mij gekt en naar den bekendenweg vraagt, Admiraal! Moet die stad dan niet ingenomen worden?”„Als het kan, ja, en eigenlijk moet het. De Zweden, die op dat eiland ten getale van zeven duizend zijn, moeten er af. Het is de vraag maar, hoe we landen zullen, Bootsman! Het zal met booten moeten geschieden!”„Eene landing in de booten onder bescherming van het geschut der vloot, juist, Admiraal! En daarop is bij mij de wacht,” was het antwoord.„Welnu, nog zoo vol vuur, ja? Best, gij zult uwen zin hebben, Barre,” zeide De Ruyter en zich verwijderende gaf hij bevel het stadje te gaan beschieten, en gedurende twee uren gaf men zoo druk vuur, dat het volk daar binnen niet wist, hoe en waar zich te bergen. Thans achtte De Ruyter het oogenblik van landen gekomen. Het was eene gevaarlijke onderneming; want de Zweden bestreken met hunne batterijen de heele zee voor de kust waar men landen zou. De Ruyter zelf sprong in eene der booten en riep zijn volk toe: „Valt aan, mannen, valt aan, of gij wordt allen hier vermoord!”Het bootsvolk aarzelde.„Vooruit, mannen, dat gaat u voor! Volgt mij na!” riep Buat, een Franschman van geboorte, wiens Vader reeds onder Frederik Hendrik gestreden had. „Vooruit! Dat gaat u voor!”1Onverschrokken sprong hij uit de boot in het water.„Zulke mannen volg ik! Vooruit,” riep Lievensz. en was, na Buat, de eerste in de boot, waarna De Ruyter volgde met eenige matrozen.„Berg u, Heer Admiraal!” riep Buat onzen Michiel waarschuwend toe. „Men mikt op u.”„Ik behoor mijn volk den weg te wijzen,” sprak De Ruyter bedaard, niettegenstaande er op hetzelfde oogenblik twee mannen aan zijne zijde doodgeschoten werden.Het voorbeeld van den dapperen Buat vond algemeen navolging en zelfs was De Ruyter een der eersten, die aan den wal waren. Het ontschepen van krijgsvolk kon nu geregeld voortgang nemen, en nadat men duizend Deensche ruiters ontscheept had, begaf De Ruyter zich weder aanboord.Na nog eene belangrijke versterking ontvangen te hebben werd Nijborg, ook eene stad op Funen, waar de Zweden zich zeer versterkt hadden, van de landzijde aangevallen, en kort daarop van de zeezijde door onze vloot zoodanig beschoten, dat men daar binnen geene uitkomst meer ziende, de stad op genade of ongenade overgaf. De overwinning was volkomen. In vijftien dagen tijds had De Ruyter, trouw bijgestaan door zijne onderhoorigen en de Denen, het geheele eiland Funen op de Zweden veroverd, en de keurbenden van Karel Gustaaf met alles, wat zij bij zich hadden, gevangen genomen.Tweeduizend Zweden waren bij de verdediging van Nijborg gebleven, en hoe wakker de Denen zich ook gedragen hadden, bekenden de Zweden, dat de Nederlanders het gewicht in de schaal hadden gelegd.De Ruyter kreeg van de Algemeene Staten bevel om voor Kopenhagen te blijven overwinteren, en reeds kostte het hem veel moeite het met zijne schepen tot zoo ver te brengen. Weldra lag hij geheel ingevroren, doch daar hij Karel Gustaafs ondernemenden aard kende, liet hij om al de schepen zijner vloot gestadig het ijs op eene aanmerkelijke breedte weghakken. Dat hij hieraan verstandig deed, bewees de aanval, dien de Zweden den derden Februari van het volgende jaar op de Deensche hoofdstad waagden. Zij vonden evenwel de Hollanders en Denen zoo waakzaam en voorbereid, dat ze weer spoedig aftrokken, ja, menigmaalkeerden de Denen en de onzen de zaak om en waagden zelfs eenen uitval op het Zweedsche bezettings-leger.Den drieëntwintigsten Februari overleed Koning Karel Gustaaf. Dit bracht eene heele verandering teweeg, en hoewel de vrede door allerlei slinksche handelingen van Engeland en Frankrijk nog al op de lange baan geschoven werd, kon hij toch den zesden Mei op zeer voordeelige voorwaarden voor den Koning van Denemarken gesloten worden.Geen wonder dat de Koning onzen De Ruyter oprecht dankbaar was voor de uitnemende leiding van de hulp, hem door Nederland verleend. Nadat hij hem reeds in December van het vorige jaar met eenen prachtigen gouden ketting, waaraan door de Koningin eenen gedenkpenning met diamanten omzet, gehangen was, vereerd had, verhief hij nu onzen nederigen bierdragers-zoon tot den adelstand met een jaarlijksch inkomen van tweeduizend gulden. Zoo kwam de Vice-Admiraal, wiens naam reeds door heel Europa klonk, in Amsterdam terug om te midden der zijnen eenen korten tijd rust te nemen.Lang duurde die rust echter niet, hiervoor zorgden de Algerijnsche zeeroovers en later de Engelschen wel.1Henry Fleury de Culan, Heer van Buat, werd in 1666 te ’s-Gravenhage onthoofd, omdat hij eene geheime briefwisseling hield met de vijanden van de Regeering onzer Republiek, die zich in Engeland ophielden.↑

VIJFDE HOOFDSTUK.Alweer de „Barre Bruinvisch”.In 1654 had Koningin Christina van Zweden afstand van de regeering gedaan en was opgevolgd geworden door Karel Gustaaf, die weldra in oorlog geraakte met den Koning van Polen. In dien oorlog was Karel Gustaaf bijzonder gelukkig en de Algemeene Staten vreezende, dat onze handel daarbij lijden zou, namen het besluit, zich met de zaken in het Noorden te gaan bemoeien. Om aan die bemoeiingen meer kracht bij te zetten, vertrok er eene Hollandsche vloot onder bevel van Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam naar de Oostzee. De Ruyter, die juist uit de Middellandsche zee teruggekomen was, werd slechts een kort verblijf aanwal gegund, en met zijne vloot alvast vooruit gezonden. Van Wassenaar-Obdam volgde weldra, zoodat onze vloot uit tweeënveertig schepen bestond. Dantzig liep, door de komst van onze vloot, eene belegering der Zweden gelukkig mis. Daar we op dat oogenblik ook in oorlog met Portugal waren, kon de vloot niet werkeloos blijven, en nu we in het Noorden door een verdrag met Karel Gustaaf te sluiten ons doel bereikt hadden, werd de vloot terug geroepen om elders de belangen des vaderlands te behartigen. Het duurde evenwel niet lang of onze handelvorderde dringend, dat we ons opnieuw met de Noordsche zaken bemoeiden, daar de Koning van Denemarken in oorlog met Karel Gustaaf geraakt was. Van Wassenaar-Obdam werd weer met eene vloot naar de Oostzee gezonden en versloeg de Zweedsche scheepsmacht onder Wrangel op de Sond. In dezen zeeslag sneuvelde Witte Cornelisz. De With. Hij stierf zooals hij geleefd had, stervende, met den degen in de vuist op zijn bijna aan splinters geschoten schip. „Dat hy een lyck werd koste syn viandt duysent lycken,” zeide een zijner lofdichters. Karel Gustaaf, die den ondergang van zijne vloot van het slot Kroonenburg aanschouwde, liet het lijk van den held van het wrak halen. Hij ontving het met zijnen hofstoet in rouwgewaad, en zond het later gebalsemd naar Holland. Toen dit gevecht voorviel, was De Ruyter op de kusten van Portugal, en daar de Algemeene Staten de vloot niet in het Noorden wilden laten overwinteren, werd Obdam teruggeroepen met het bevel, slechts twaalf schepen voor Kopenhagen te laten liggen. De Ruyter zou men intusschen met 4000 man naar Denemarken laten vertrekken. Maar eer een en ander volbracht kon worden viel de winter in, die Obdam in de Deensche wateren deed invriezen en De Ruyter te Texel hield.Op eenen der winterdagen tusschen 1658 en ’59 langs den Buitenkant te Amsterdam gaande, zag De Ruyter dat een oude zeeman met een verbruind gelaat hem op eenigen afstand volgde.„Wie is die Vice-Admiraal, die daar gaat?” vroeg de oude zeeman aan een, dien hij tegenkwam.„Dat is onze eere-burger Michiel Adriaensz. De Ruyter!” antwoordde de Amsterdammer en ging verder.De Ruyter had die vraag gehoord en meenende, dat de man, die blijkbaar eenig belang in hem scheen te stellen, hem misschien het een of ander te verzoeken had, bleef hij staan en zei: „Verlangt gij mogelijk ook iets van mij, goede vriend?”De oude zeeman zag hem met oogen, die van aandoening vochtig werden, diep in het gelaat, doch antwoordde niets.„Eene vraag om eenige toelage van den Lande soms?” vroeg De Ruyter nu op den goedigen toon, dien hij wel meest altijd, maar tegenover minderen geregeld aannam.„Neen, neen, Mich... Heer Admiraal!” was het stotterend gegeven antwoord. „Ik heb geen verzoek te doen.”De Ruyter lachte en zei: „Hadt ge daar niet het plan om Michiel te zeggen?”De zeeman nam de wollen muts van het hoofd en sprak: „Ja, ja, dat wilde ik! Dat wilde ik!”„Kent ge mij dan van vroeger, hé?” klonk de vriendelijke vraag des Admiraals, die wat dichter bij den man kwam, die hoe langer hoe meer verlegen scheen te worden.„Ja, van vroeger!” was het antwoord.„Dan zeker toch al lang geleden, nietwaar?”„Ja, ja, heel lang, Heer Admiraal!”De Ruyter keek den man nog eens aan en zei eensklaps: „Kom eens vlak voor mij staan en laat mij u in de oogen zien. Ik geloof waarlijk ook, dat wij oude kennissen zijn.”De zeeman sloeg de oogen op, doch pas had hij dat gedaan, of De Ruyter riep: „Gij zijt de „Barre Bruinvisch.” Heb ik het geraden? Zeg, heb ik het geraden?”„Ja, Heer Admiraal, ik ben de „Barre Bruinvisch” en Bootsman aan den wal. Gij hebt het ver gebracht, Heer Admiraal, heel ver! Altijd gedacht, altijd gezegd, als ge met die dingen van Simon Stevin bezig waart: „Let op, die aap van eenen jongen brengt het ver!””„Aap van eenen jongen!” en dat tegen eenen Vice-Admiraal!Maar De Ruyter lachte er om en zei: „Ja, man, ik wilde toen wel. Maar laten we samen wat oploopen en vertel mij dan toch eens hoe gij hier in het land komt. Ik had u al lang onder de dooden gerekend en aan uw laatsteverzoek heb ik te Westersouburg voldaan. O, Lievensz., wat waren die zielen bitter bedroefd! Doch, wat hadt gij trouw voor haar gezorgd! Geen oogenblik hebben ze armoede geleden. De Heeren Lampsens hebben er trouw het hunne toe bijgebracht en verdubbelden uwen spaarpot. En toch zijt gij van uwe wonde genezen! Waar zijt gij dan zoo lang gebleven?”Zoo sprekende had De Ruyter zijne woning bereikt en trad met den ouden zeeman binnen om hem gul te onthalen, waarna Lievensz. het volgende vertelde, doch op zijn zeemans en dus vrij wijdloopiger dan ik het navertel.„Zevenentwintig jaren lang slaaf in Marokko geweest, Heer Admiraal! In het eerst had ik het er slecht, maar toen de mannen van de „Lijnbaan” langzamerhand stierven, en ik ten slotte alleen overbleef, had ik het geluk eenen Officier uit een brandend huis te redden. Toen kreeg ik het goed en mocht alleen maar niet weg. Ik werd huisknecht, bediende bij den Gouverneur en ik weet niet wat al meer, tot ik in ’50 met een Hollandsch schip, dat daar toevallig kwam, de plaat poetste. Ik kwam te Westersouburg, vond mijne Moeder en zusters gestorven en van het geld niemendal. Ik ging toen van baloorigheid naar Amsterdam, kocht daar voor mijne spaarduitjes, die ik in den slavendienst zelfs had weten te krijgen, eene turf- en houtnering, trouwde en kreeg eenen jongen en een meisje op mijnen ouden dag. Maar als ik nu wist, dat ik weer zeevader kon worden, dan....”„Wel, Lievensz., wat dán?”„Dan zou ik zeggen: Michiel, mag ik bij u aanboord komen en voor uwen jongen worden, wat ik voor u eenmaal geweest ben?”„Dat kan niet, oude vriend! Vier jaar geleden is mijn oudste zoon, hij heette naar Vader, als Luitenant ter zee gestorven. Hij beloofde veel, doch de Heere nam hem van mijne zijde weg. Hij was niet sterk mijn Adriaen, neen,dat was hij niet. Nu heb ik nog eenen zoon, een knaapje van tien jaar, een aardig ventje!”„Michiel, geef me dien jongen, o, geef me hem! Ge zult zien, dat ik er eenen tweeden Michiel van maken zal!” riep Lievensz. opgewonden.„Neen, oude vriend, dat gaat niet, man! Engel moet school gaan, en als hij van de zee blijft houden, zooals nu, dan mag hij met zijn vijftiende jaar met mij mede. Men wordt over dertig of veertig jaar geen Vlootvoogd meer met zoo weinig kennis als ik heb, Lievensz.! Maar, kom alevel bij mij aanboord, en als de Heere ons in het leven spaart, welnu, wees dan over vijf jaar zijn zeevader. Wilt ge dat?”„Of ik dat wil, vraagt ge? Michiel, of ik dat wil? God de Heere zegene u man, dat gij zulk eenen ouden, versleten zeerob, als ik ben, nog aanboord wilt nemen. Ja, ja, graag, heel graag! Wanneer aanboord?”„Dat heeft al den tijd, Lievensz.! De winter houdt me aanwal en in het voorjaar moet ik naar het Noorden. Maar hoe heet uw jongen en wat zal hij worden?”„Hij heet Jan, Heer Admiraal, en hij gaat ter schole!”„Goed, heel goed, laat hem op mijne kosten schoolgaan tot mijn Engel aanboord komt, dan hebt ge er twee om zeevader over te wezen. Laat den knaap maar tot zoo lang aan de zorg der onderwijzers over en laat hem veel, heel veel leeren!”„Dat zal ik, Heer Admiraal! Maar mag ik nu nog zoo vrij zijn en u eene vraag doen?”„Of ge dat moogt doen? Wel zeker moogt ge dat! Zeg maar op, wat ge wilt weten!”„Hoe ik te Biscaye gekomen ben, weet ik niet, want ik was heelemaal buiten westen en in dien toestand tusschen levend en dood bleef ik wel acht dagen. Toen ik weer tot mijzelven kwam vernam ik van het volk dat de drie jongens Michiel De Ruyter, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie meteene boot van het kaperschip ontkomen waren. Is dat zoo, och, vertel me dan toch eens hoe ge weer in Vlissingen gekomen zijt.”„Komaan,” antwoordde Michiel, „dat wil ik. Het is wel een heel verhaal, maar ik heb er den tijd toe.”Beide mannen zetten zich op hun gemak en Michiel vertelde zijnen ouden vriend nu, wat wij reeds weten.Het was al laat toen Lievensz. het eenvoudige heerenhuis op het Nieuwe-Waalseiland verliet, en verrukt over de vriendelijkheid en hartelijkheid van zijnen ouden leerling, scheelde het weinig of de „Barre Bruinvisch” had van blijdschap diens handen gekust. Hij bedacht zich echter en ijlde naar huis om daar zijne vrouw te vertellen, dat hij weer varen ging „bij eenen baas, Grietje, bij eenen baas, den besten van de wereld, meid! Bij den Heere Vice-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter!”Den vijftienden Mei 1659 ging onze Vlootvoogd met eene vloot van veertig oorlogsschepen naar de Oostzee. Zoodra hij den Luitenant-Admiraal Van Wassenaar-Obdam zou ontmoeten, moest hij dezen het opperbevel overgeven, doch door eenen samenloop van omstandigheden kwam de Luitenant-Admiraal spoedig naar het Vaderland terug en bleef onze Michiel met het opperbevel belast.Het was inmiddels November geworden en gedurende dien geheelen tijd hadden de Nederlanders in het onzekere verkeerd van hetgeen er ten slotte zou moeten gedaan worden, en toen eindelijk de Algemeene Staten besloten hadden, te handelen, hadden de Zweden zich zoo versterkt, dat de kansen van welslagen voor ons en de Denen lang zoo voordeelig niet meer stonden, als in het begin.„Wel, Lievensz., hoe staat ge daar zoo tot de tanden gewapend?” vroeg Michiel des middags van den tienden November, toen de vloot voor Kartemunde, eene stad op het eiland Funen, lag.„Ik geloof dat ge wat met mij gekt en naar den bekendenweg vraagt, Admiraal! Moet die stad dan niet ingenomen worden?”„Als het kan, ja, en eigenlijk moet het. De Zweden, die op dat eiland ten getale van zeven duizend zijn, moeten er af. Het is de vraag maar, hoe we landen zullen, Bootsman! Het zal met booten moeten geschieden!”„Eene landing in de booten onder bescherming van het geschut der vloot, juist, Admiraal! En daarop is bij mij de wacht,” was het antwoord.„Welnu, nog zoo vol vuur, ja? Best, gij zult uwen zin hebben, Barre,” zeide De Ruyter en zich verwijderende gaf hij bevel het stadje te gaan beschieten, en gedurende twee uren gaf men zoo druk vuur, dat het volk daar binnen niet wist, hoe en waar zich te bergen. Thans achtte De Ruyter het oogenblik van landen gekomen. Het was eene gevaarlijke onderneming; want de Zweden bestreken met hunne batterijen de heele zee voor de kust waar men landen zou. De Ruyter zelf sprong in eene der booten en riep zijn volk toe: „Valt aan, mannen, valt aan, of gij wordt allen hier vermoord!”Het bootsvolk aarzelde.„Vooruit, mannen, dat gaat u voor! Volgt mij na!” riep Buat, een Franschman van geboorte, wiens Vader reeds onder Frederik Hendrik gestreden had. „Vooruit! Dat gaat u voor!”1Onverschrokken sprong hij uit de boot in het water.„Zulke mannen volg ik! Vooruit,” riep Lievensz. en was, na Buat, de eerste in de boot, waarna De Ruyter volgde met eenige matrozen.„Berg u, Heer Admiraal!” riep Buat onzen Michiel waarschuwend toe. „Men mikt op u.”„Ik behoor mijn volk den weg te wijzen,” sprak De Ruyter bedaard, niettegenstaande er op hetzelfde oogenblik twee mannen aan zijne zijde doodgeschoten werden.Het voorbeeld van den dapperen Buat vond algemeen navolging en zelfs was De Ruyter een der eersten, die aan den wal waren. Het ontschepen van krijgsvolk kon nu geregeld voortgang nemen, en nadat men duizend Deensche ruiters ontscheept had, begaf De Ruyter zich weder aanboord.Na nog eene belangrijke versterking ontvangen te hebben werd Nijborg, ook eene stad op Funen, waar de Zweden zich zeer versterkt hadden, van de landzijde aangevallen, en kort daarop van de zeezijde door onze vloot zoodanig beschoten, dat men daar binnen geene uitkomst meer ziende, de stad op genade of ongenade overgaf. De overwinning was volkomen. In vijftien dagen tijds had De Ruyter, trouw bijgestaan door zijne onderhoorigen en de Denen, het geheele eiland Funen op de Zweden veroverd, en de keurbenden van Karel Gustaaf met alles, wat zij bij zich hadden, gevangen genomen.Tweeduizend Zweden waren bij de verdediging van Nijborg gebleven, en hoe wakker de Denen zich ook gedragen hadden, bekenden de Zweden, dat de Nederlanders het gewicht in de schaal hadden gelegd.De Ruyter kreeg van de Algemeene Staten bevel om voor Kopenhagen te blijven overwinteren, en reeds kostte het hem veel moeite het met zijne schepen tot zoo ver te brengen. Weldra lag hij geheel ingevroren, doch daar hij Karel Gustaafs ondernemenden aard kende, liet hij om al de schepen zijner vloot gestadig het ijs op eene aanmerkelijke breedte weghakken. Dat hij hieraan verstandig deed, bewees de aanval, dien de Zweden den derden Februari van het volgende jaar op de Deensche hoofdstad waagden. Zij vonden evenwel de Hollanders en Denen zoo waakzaam en voorbereid, dat ze weer spoedig aftrokken, ja, menigmaalkeerden de Denen en de onzen de zaak om en waagden zelfs eenen uitval op het Zweedsche bezettings-leger.Den drieëntwintigsten Februari overleed Koning Karel Gustaaf. Dit bracht eene heele verandering teweeg, en hoewel de vrede door allerlei slinksche handelingen van Engeland en Frankrijk nog al op de lange baan geschoven werd, kon hij toch den zesden Mei op zeer voordeelige voorwaarden voor den Koning van Denemarken gesloten worden.Geen wonder dat de Koning onzen De Ruyter oprecht dankbaar was voor de uitnemende leiding van de hulp, hem door Nederland verleend. Nadat hij hem reeds in December van het vorige jaar met eenen prachtigen gouden ketting, waaraan door de Koningin eenen gedenkpenning met diamanten omzet, gehangen was, vereerd had, verhief hij nu onzen nederigen bierdragers-zoon tot den adelstand met een jaarlijksch inkomen van tweeduizend gulden. Zoo kwam de Vice-Admiraal, wiens naam reeds door heel Europa klonk, in Amsterdam terug om te midden der zijnen eenen korten tijd rust te nemen.Lang duurde die rust echter niet, hiervoor zorgden de Algerijnsche zeeroovers en later de Engelschen wel.1Henry Fleury de Culan, Heer van Buat, werd in 1666 te ’s-Gravenhage onthoofd, omdat hij eene geheime briefwisseling hield met de vijanden van de Regeering onzer Republiek, die zich in Engeland ophielden.↑

VIJFDE HOOFDSTUK.Alweer de „Barre Bruinvisch”.

In 1654 had Koningin Christina van Zweden afstand van de regeering gedaan en was opgevolgd geworden door Karel Gustaaf, die weldra in oorlog geraakte met den Koning van Polen. In dien oorlog was Karel Gustaaf bijzonder gelukkig en de Algemeene Staten vreezende, dat onze handel daarbij lijden zou, namen het besluit, zich met de zaken in het Noorden te gaan bemoeien. Om aan die bemoeiingen meer kracht bij te zetten, vertrok er eene Hollandsche vloot onder bevel van Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam naar de Oostzee. De Ruyter, die juist uit de Middellandsche zee teruggekomen was, werd slechts een kort verblijf aanwal gegund, en met zijne vloot alvast vooruit gezonden. Van Wassenaar-Obdam volgde weldra, zoodat onze vloot uit tweeënveertig schepen bestond. Dantzig liep, door de komst van onze vloot, eene belegering der Zweden gelukkig mis. Daar we op dat oogenblik ook in oorlog met Portugal waren, kon de vloot niet werkeloos blijven, en nu we in het Noorden door een verdrag met Karel Gustaaf te sluiten ons doel bereikt hadden, werd de vloot terug geroepen om elders de belangen des vaderlands te behartigen. Het duurde evenwel niet lang of onze handelvorderde dringend, dat we ons opnieuw met de Noordsche zaken bemoeiden, daar de Koning van Denemarken in oorlog met Karel Gustaaf geraakt was. Van Wassenaar-Obdam werd weer met eene vloot naar de Oostzee gezonden en versloeg de Zweedsche scheepsmacht onder Wrangel op de Sond. In dezen zeeslag sneuvelde Witte Cornelisz. De With. Hij stierf zooals hij geleefd had, stervende, met den degen in de vuist op zijn bijna aan splinters geschoten schip. „Dat hy een lyck werd koste syn viandt duysent lycken,” zeide een zijner lofdichters. Karel Gustaaf, die den ondergang van zijne vloot van het slot Kroonenburg aanschouwde, liet het lijk van den held van het wrak halen. Hij ontving het met zijnen hofstoet in rouwgewaad, en zond het later gebalsemd naar Holland. Toen dit gevecht voorviel, was De Ruyter op de kusten van Portugal, en daar de Algemeene Staten de vloot niet in het Noorden wilden laten overwinteren, werd Obdam teruggeroepen met het bevel, slechts twaalf schepen voor Kopenhagen te laten liggen. De Ruyter zou men intusschen met 4000 man naar Denemarken laten vertrekken. Maar eer een en ander volbracht kon worden viel de winter in, die Obdam in de Deensche wateren deed invriezen en De Ruyter te Texel hield.Op eenen der winterdagen tusschen 1658 en ’59 langs den Buitenkant te Amsterdam gaande, zag De Ruyter dat een oude zeeman met een verbruind gelaat hem op eenigen afstand volgde.„Wie is die Vice-Admiraal, die daar gaat?” vroeg de oude zeeman aan een, dien hij tegenkwam.„Dat is onze eere-burger Michiel Adriaensz. De Ruyter!” antwoordde de Amsterdammer en ging verder.De Ruyter had die vraag gehoord en meenende, dat de man, die blijkbaar eenig belang in hem scheen te stellen, hem misschien het een of ander te verzoeken had, bleef hij staan en zei: „Verlangt gij mogelijk ook iets van mij, goede vriend?”De oude zeeman zag hem met oogen, die van aandoening vochtig werden, diep in het gelaat, doch antwoordde niets.„Eene vraag om eenige toelage van den Lande soms?” vroeg De Ruyter nu op den goedigen toon, dien hij wel meest altijd, maar tegenover minderen geregeld aannam.„Neen, neen, Mich... Heer Admiraal!” was het stotterend gegeven antwoord. „Ik heb geen verzoek te doen.”De Ruyter lachte en zei: „Hadt ge daar niet het plan om Michiel te zeggen?”De zeeman nam de wollen muts van het hoofd en sprak: „Ja, ja, dat wilde ik! Dat wilde ik!”„Kent ge mij dan van vroeger, hé?” klonk de vriendelijke vraag des Admiraals, die wat dichter bij den man kwam, die hoe langer hoe meer verlegen scheen te worden.„Ja, van vroeger!” was het antwoord.„Dan zeker toch al lang geleden, nietwaar?”„Ja, ja, heel lang, Heer Admiraal!”De Ruyter keek den man nog eens aan en zei eensklaps: „Kom eens vlak voor mij staan en laat mij u in de oogen zien. Ik geloof waarlijk ook, dat wij oude kennissen zijn.”De zeeman sloeg de oogen op, doch pas had hij dat gedaan, of De Ruyter riep: „Gij zijt de „Barre Bruinvisch.” Heb ik het geraden? Zeg, heb ik het geraden?”„Ja, Heer Admiraal, ik ben de „Barre Bruinvisch” en Bootsman aan den wal. Gij hebt het ver gebracht, Heer Admiraal, heel ver! Altijd gedacht, altijd gezegd, als ge met die dingen van Simon Stevin bezig waart: „Let op, die aap van eenen jongen brengt het ver!””„Aap van eenen jongen!” en dat tegen eenen Vice-Admiraal!Maar De Ruyter lachte er om en zei: „Ja, man, ik wilde toen wel. Maar laten we samen wat oploopen en vertel mij dan toch eens hoe gij hier in het land komt. Ik had u al lang onder de dooden gerekend en aan uw laatsteverzoek heb ik te Westersouburg voldaan. O, Lievensz., wat waren die zielen bitter bedroefd! Doch, wat hadt gij trouw voor haar gezorgd! Geen oogenblik hebben ze armoede geleden. De Heeren Lampsens hebben er trouw het hunne toe bijgebracht en verdubbelden uwen spaarpot. En toch zijt gij van uwe wonde genezen! Waar zijt gij dan zoo lang gebleven?”Zoo sprekende had De Ruyter zijne woning bereikt en trad met den ouden zeeman binnen om hem gul te onthalen, waarna Lievensz. het volgende vertelde, doch op zijn zeemans en dus vrij wijdloopiger dan ik het navertel.„Zevenentwintig jaren lang slaaf in Marokko geweest, Heer Admiraal! In het eerst had ik het er slecht, maar toen de mannen van de „Lijnbaan” langzamerhand stierven, en ik ten slotte alleen overbleef, had ik het geluk eenen Officier uit een brandend huis te redden. Toen kreeg ik het goed en mocht alleen maar niet weg. Ik werd huisknecht, bediende bij den Gouverneur en ik weet niet wat al meer, tot ik in ’50 met een Hollandsch schip, dat daar toevallig kwam, de plaat poetste. Ik kwam te Westersouburg, vond mijne Moeder en zusters gestorven en van het geld niemendal. Ik ging toen van baloorigheid naar Amsterdam, kocht daar voor mijne spaarduitjes, die ik in den slavendienst zelfs had weten te krijgen, eene turf- en houtnering, trouwde en kreeg eenen jongen en een meisje op mijnen ouden dag. Maar als ik nu wist, dat ik weer zeevader kon worden, dan....”„Wel, Lievensz., wat dán?”„Dan zou ik zeggen: Michiel, mag ik bij u aanboord komen en voor uwen jongen worden, wat ik voor u eenmaal geweest ben?”„Dat kan niet, oude vriend! Vier jaar geleden is mijn oudste zoon, hij heette naar Vader, als Luitenant ter zee gestorven. Hij beloofde veel, doch de Heere nam hem van mijne zijde weg. Hij was niet sterk mijn Adriaen, neen,dat was hij niet. Nu heb ik nog eenen zoon, een knaapje van tien jaar, een aardig ventje!”„Michiel, geef me dien jongen, o, geef me hem! Ge zult zien, dat ik er eenen tweeden Michiel van maken zal!” riep Lievensz. opgewonden.„Neen, oude vriend, dat gaat niet, man! Engel moet school gaan, en als hij van de zee blijft houden, zooals nu, dan mag hij met zijn vijftiende jaar met mij mede. Men wordt over dertig of veertig jaar geen Vlootvoogd meer met zoo weinig kennis als ik heb, Lievensz.! Maar, kom alevel bij mij aanboord, en als de Heere ons in het leven spaart, welnu, wees dan over vijf jaar zijn zeevader. Wilt ge dat?”„Of ik dat wil, vraagt ge? Michiel, of ik dat wil? God de Heere zegene u man, dat gij zulk eenen ouden, versleten zeerob, als ik ben, nog aanboord wilt nemen. Ja, ja, graag, heel graag! Wanneer aanboord?”„Dat heeft al den tijd, Lievensz.! De winter houdt me aanwal en in het voorjaar moet ik naar het Noorden. Maar hoe heet uw jongen en wat zal hij worden?”„Hij heet Jan, Heer Admiraal, en hij gaat ter schole!”„Goed, heel goed, laat hem op mijne kosten schoolgaan tot mijn Engel aanboord komt, dan hebt ge er twee om zeevader over te wezen. Laat den knaap maar tot zoo lang aan de zorg der onderwijzers over en laat hem veel, heel veel leeren!”„Dat zal ik, Heer Admiraal! Maar mag ik nu nog zoo vrij zijn en u eene vraag doen?”„Of ge dat moogt doen? Wel zeker moogt ge dat! Zeg maar op, wat ge wilt weten!”„Hoe ik te Biscaye gekomen ben, weet ik niet, want ik was heelemaal buiten westen en in dien toestand tusschen levend en dood bleef ik wel acht dagen. Toen ik weer tot mijzelven kwam vernam ik van het volk dat de drie jongens Michiel De Ruyter, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie meteene boot van het kaperschip ontkomen waren. Is dat zoo, och, vertel me dan toch eens hoe ge weer in Vlissingen gekomen zijt.”„Komaan,” antwoordde Michiel, „dat wil ik. Het is wel een heel verhaal, maar ik heb er den tijd toe.”Beide mannen zetten zich op hun gemak en Michiel vertelde zijnen ouden vriend nu, wat wij reeds weten.Het was al laat toen Lievensz. het eenvoudige heerenhuis op het Nieuwe-Waalseiland verliet, en verrukt over de vriendelijkheid en hartelijkheid van zijnen ouden leerling, scheelde het weinig of de „Barre Bruinvisch” had van blijdschap diens handen gekust. Hij bedacht zich echter en ijlde naar huis om daar zijne vrouw te vertellen, dat hij weer varen ging „bij eenen baas, Grietje, bij eenen baas, den besten van de wereld, meid! Bij den Heere Vice-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter!”Den vijftienden Mei 1659 ging onze Vlootvoogd met eene vloot van veertig oorlogsschepen naar de Oostzee. Zoodra hij den Luitenant-Admiraal Van Wassenaar-Obdam zou ontmoeten, moest hij dezen het opperbevel overgeven, doch door eenen samenloop van omstandigheden kwam de Luitenant-Admiraal spoedig naar het Vaderland terug en bleef onze Michiel met het opperbevel belast.Het was inmiddels November geworden en gedurende dien geheelen tijd hadden de Nederlanders in het onzekere verkeerd van hetgeen er ten slotte zou moeten gedaan worden, en toen eindelijk de Algemeene Staten besloten hadden, te handelen, hadden de Zweden zich zoo versterkt, dat de kansen van welslagen voor ons en de Denen lang zoo voordeelig niet meer stonden, als in het begin.„Wel, Lievensz., hoe staat ge daar zoo tot de tanden gewapend?” vroeg Michiel des middags van den tienden November, toen de vloot voor Kartemunde, eene stad op het eiland Funen, lag.„Ik geloof dat ge wat met mij gekt en naar den bekendenweg vraagt, Admiraal! Moet die stad dan niet ingenomen worden?”„Als het kan, ja, en eigenlijk moet het. De Zweden, die op dat eiland ten getale van zeven duizend zijn, moeten er af. Het is de vraag maar, hoe we landen zullen, Bootsman! Het zal met booten moeten geschieden!”„Eene landing in de booten onder bescherming van het geschut der vloot, juist, Admiraal! En daarop is bij mij de wacht,” was het antwoord.„Welnu, nog zoo vol vuur, ja? Best, gij zult uwen zin hebben, Barre,” zeide De Ruyter en zich verwijderende gaf hij bevel het stadje te gaan beschieten, en gedurende twee uren gaf men zoo druk vuur, dat het volk daar binnen niet wist, hoe en waar zich te bergen. Thans achtte De Ruyter het oogenblik van landen gekomen. Het was eene gevaarlijke onderneming; want de Zweden bestreken met hunne batterijen de heele zee voor de kust waar men landen zou. De Ruyter zelf sprong in eene der booten en riep zijn volk toe: „Valt aan, mannen, valt aan, of gij wordt allen hier vermoord!”Het bootsvolk aarzelde.„Vooruit, mannen, dat gaat u voor! Volgt mij na!” riep Buat, een Franschman van geboorte, wiens Vader reeds onder Frederik Hendrik gestreden had. „Vooruit! Dat gaat u voor!”1Onverschrokken sprong hij uit de boot in het water.„Zulke mannen volg ik! Vooruit,” riep Lievensz. en was, na Buat, de eerste in de boot, waarna De Ruyter volgde met eenige matrozen.„Berg u, Heer Admiraal!” riep Buat onzen Michiel waarschuwend toe. „Men mikt op u.”„Ik behoor mijn volk den weg te wijzen,” sprak De Ruyter bedaard, niettegenstaande er op hetzelfde oogenblik twee mannen aan zijne zijde doodgeschoten werden.Het voorbeeld van den dapperen Buat vond algemeen navolging en zelfs was De Ruyter een der eersten, die aan den wal waren. Het ontschepen van krijgsvolk kon nu geregeld voortgang nemen, en nadat men duizend Deensche ruiters ontscheept had, begaf De Ruyter zich weder aanboord.Na nog eene belangrijke versterking ontvangen te hebben werd Nijborg, ook eene stad op Funen, waar de Zweden zich zeer versterkt hadden, van de landzijde aangevallen, en kort daarop van de zeezijde door onze vloot zoodanig beschoten, dat men daar binnen geene uitkomst meer ziende, de stad op genade of ongenade overgaf. De overwinning was volkomen. In vijftien dagen tijds had De Ruyter, trouw bijgestaan door zijne onderhoorigen en de Denen, het geheele eiland Funen op de Zweden veroverd, en de keurbenden van Karel Gustaaf met alles, wat zij bij zich hadden, gevangen genomen.Tweeduizend Zweden waren bij de verdediging van Nijborg gebleven, en hoe wakker de Denen zich ook gedragen hadden, bekenden de Zweden, dat de Nederlanders het gewicht in de schaal hadden gelegd.De Ruyter kreeg van de Algemeene Staten bevel om voor Kopenhagen te blijven overwinteren, en reeds kostte het hem veel moeite het met zijne schepen tot zoo ver te brengen. Weldra lag hij geheel ingevroren, doch daar hij Karel Gustaafs ondernemenden aard kende, liet hij om al de schepen zijner vloot gestadig het ijs op eene aanmerkelijke breedte weghakken. Dat hij hieraan verstandig deed, bewees de aanval, dien de Zweden den derden Februari van het volgende jaar op de Deensche hoofdstad waagden. Zij vonden evenwel de Hollanders en Denen zoo waakzaam en voorbereid, dat ze weer spoedig aftrokken, ja, menigmaalkeerden de Denen en de onzen de zaak om en waagden zelfs eenen uitval op het Zweedsche bezettings-leger.Den drieëntwintigsten Februari overleed Koning Karel Gustaaf. Dit bracht eene heele verandering teweeg, en hoewel de vrede door allerlei slinksche handelingen van Engeland en Frankrijk nog al op de lange baan geschoven werd, kon hij toch den zesden Mei op zeer voordeelige voorwaarden voor den Koning van Denemarken gesloten worden.Geen wonder dat de Koning onzen De Ruyter oprecht dankbaar was voor de uitnemende leiding van de hulp, hem door Nederland verleend. Nadat hij hem reeds in December van het vorige jaar met eenen prachtigen gouden ketting, waaraan door de Koningin eenen gedenkpenning met diamanten omzet, gehangen was, vereerd had, verhief hij nu onzen nederigen bierdragers-zoon tot den adelstand met een jaarlijksch inkomen van tweeduizend gulden. Zoo kwam de Vice-Admiraal, wiens naam reeds door heel Europa klonk, in Amsterdam terug om te midden der zijnen eenen korten tijd rust te nemen.Lang duurde die rust echter niet, hiervoor zorgden de Algerijnsche zeeroovers en later de Engelschen wel.

In 1654 had Koningin Christina van Zweden afstand van de regeering gedaan en was opgevolgd geworden door Karel Gustaaf, die weldra in oorlog geraakte met den Koning van Polen. In dien oorlog was Karel Gustaaf bijzonder gelukkig en de Algemeene Staten vreezende, dat onze handel daarbij lijden zou, namen het besluit, zich met de zaken in het Noorden te gaan bemoeien. Om aan die bemoeiingen meer kracht bij te zetten, vertrok er eene Hollandsche vloot onder bevel van Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam naar de Oostzee. De Ruyter, die juist uit de Middellandsche zee teruggekomen was, werd slechts een kort verblijf aanwal gegund, en met zijne vloot alvast vooruit gezonden. Van Wassenaar-Obdam volgde weldra, zoodat onze vloot uit tweeënveertig schepen bestond. Dantzig liep, door de komst van onze vloot, eene belegering der Zweden gelukkig mis. Daar we op dat oogenblik ook in oorlog met Portugal waren, kon de vloot niet werkeloos blijven, en nu we in het Noorden door een verdrag met Karel Gustaaf te sluiten ons doel bereikt hadden, werd de vloot terug geroepen om elders de belangen des vaderlands te behartigen. Het duurde evenwel niet lang of onze handelvorderde dringend, dat we ons opnieuw met de Noordsche zaken bemoeiden, daar de Koning van Denemarken in oorlog met Karel Gustaaf geraakt was. Van Wassenaar-Obdam werd weer met eene vloot naar de Oostzee gezonden en versloeg de Zweedsche scheepsmacht onder Wrangel op de Sond. In dezen zeeslag sneuvelde Witte Cornelisz. De With. Hij stierf zooals hij geleefd had, stervende, met den degen in de vuist op zijn bijna aan splinters geschoten schip. „Dat hy een lyck werd koste syn viandt duysent lycken,” zeide een zijner lofdichters. Karel Gustaaf, die den ondergang van zijne vloot van het slot Kroonenburg aanschouwde, liet het lijk van den held van het wrak halen. Hij ontving het met zijnen hofstoet in rouwgewaad, en zond het later gebalsemd naar Holland. Toen dit gevecht voorviel, was De Ruyter op de kusten van Portugal, en daar de Algemeene Staten de vloot niet in het Noorden wilden laten overwinteren, werd Obdam teruggeroepen met het bevel, slechts twaalf schepen voor Kopenhagen te laten liggen. De Ruyter zou men intusschen met 4000 man naar Denemarken laten vertrekken. Maar eer een en ander volbracht kon worden viel de winter in, die Obdam in de Deensche wateren deed invriezen en De Ruyter te Texel hield.

Op eenen der winterdagen tusschen 1658 en ’59 langs den Buitenkant te Amsterdam gaande, zag De Ruyter dat een oude zeeman met een verbruind gelaat hem op eenigen afstand volgde.

„Wie is die Vice-Admiraal, die daar gaat?” vroeg de oude zeeman aan een, dien hij tegenkwam.

„Dat is onze eere-burger Michiel Adriaensz. De Ruyter!” antwoordde de Amsterdammer en ging verder.

De Ruyter had die vraag gehoord en meenende, dat de man, die blijkbaar eenig belang in hem scheen te stellen, hem misschien het een of ander te verzoeken had, bleef hij staan en zei: „Verlangt gij mogelijk ook iets van mij, goede vriend?”

De oude zeeman zag hem met oogen, die van aandoening vochtig werden, diep in het gelaat, doch antwoordde niets.

„Eene vraag om eenige toelage van den Lande soms?” vroeg De Ruyter nu op den goedigen toon, dien hij wel meest altijd, maar tegenover minderen geregeld aannam.

„Neen, neen, Mich... Heer Admiraal!” was het stotterend gegeven antwoord. „Ik heb geen verzoek te doen.”

De Ruyter lachte en zei: „Hadt ge daar niet het plan om Michiel te zeggen?”

De zeeman nam de wollen muts van het hoofd en sprak: „Ja, ja, dat wilde ik! Dat wilde ik!”

„Kent ge mij dan van vroeger, hé?” klonk de vriendelijke vraag des Admiraals, die wat dichter bij den man kwam, die hoe langer hoe meer verlegen scheen te worden.

„Ja, van vroeger!” was het antwoord.

„Dan zeker toch al lang geleden, nietwaar?”

„Ja, ja, heel lang, Heer Admiraal!”

De Ruyter keek den man nog eens aan en zei eensklaps: „Kom eens vlak voor mij staan en laat mij u in de oogen zien. Ik geloof waarlijk ook, dat wij oude kennissen zijn.”

De zeeman sloeg de oogen op, doch pas had hij dat gedaan, of De Ruyter riep: „Gij zijt de „Barre Bruinvisch.” Heb ik het geraden? Zeg, heb ik het geraden?”

„Ja, Heer Admiraal, ik ben de „Barre Bruinvisch” en Bootsman aan den wal. Gij hebt het ver gebracht, Heer Admiraal, heel ver! Altijd gedacht, altijd gezegd, als ge met die dingen van Simon Stevin bezig waart: „Let op, die aap van eenen jongen brengt het ver!””

„Aap van eenen jongen!” en dat tegen eenen Vice-Admiraal!

Maar De Ruyter lachte er om en zei: „Ja, man, ik wilde toen wel. Maar laten we samen wat oploopen en vertel mij dan toch eens hoe gij hier in het land komt. Ik had u al lang onder de dooden gerekend en aan uw laatsteverzoek heb ik te Westersouburg voldaan. O, Lievensz., wat waren die zielen bitter bedroefd! Doch, wat hadt gij trouw voor haar gezorgd! Geen oogenblik hebben ze armoede geleden. De Heeren Lampsens hebben er trouw het hunne toe bijgebracht en verdubbelden uwen spaarpot. En toch zijt gij van uwe wonde genezen! Waar zijt gij dan zoo lang gebleven?”

Zoo sprekende had De Ruyter zijne woning bereikt en trad met den ouden zeeman binnen om hem gul te onthalen, waarna Lievensz. het volgende vertelde, doch op zijn zeemans en dus vrij wijdloopiger dan ik het navertel.

„Zevenentwintig jaren lang slaaf in Marokko geweest, Heer Admiraal! In het eerst had ik het er slecht, maar toen de mannen van de „Lijnbaan” langzamerhand stierven, en ik ten slotte alleen overbleef, had ik het geluk eenen Officier uit een brandend huis te redden. Toen kreeg ik het goed en mocht alleen maar niet weg. Ik werd huisknecht, bediende bij den Gouverneur en ik weet niet wat al meer, tot ik in ’50 met een Hollandsch schip, dat daar toevallig kwam, de plaat poetste. Ik kwam te Westersouburg, vond mijne Moeder en zusters gestorven en van het geld niemendal. Ik ging toen van baloorigheid naar Amsterdam, kocht daar voor mijne spaarduitjes, die ik in den slavendienst zelfs had weten te krijgen, eene turf- en houtnering, trouwde en kreeg eenen jongen en een meisje op mijnen ouden dag. Maar als ik nu wist, dat ik weer zeevader kon worden, dan....”

„Wel, Lievensz., wat dán?”

„Dan zou ik zeggen: Michiel, mag ik bij u aanboord komen en voor uwen jongen worden, wat ik voor u eenmaal geweest ben?”

„Dat kan niet, oude vriend! Vier jaar geleden is mijn oudste zoon, hij heette naar Vader, als Luitenant ter zee gestorven. Hij beloofde veel, doch de Heere nam hem van mijne zijde weg. Hij was niet sterk mijn Adriaen, neen,dat was hij niet. Nu heb ik nog eenen zoon, een knaapje van tien jaar, een aardig ventje!”

„Michiel, geef me dien jongen, o, geef me hem! Ge zult zien, dat ik er eenen tweeden Michiel van maken zal!” riep Lievensz. opgewonden.

„Neen, oude vriend, dat gaat niet, man! Engel moet school gaan, en als hij van de zee blijft houden, zooals nu, dan mag hij met zijn vijftiende jaar met mij mede. Men wordt over dertig of veertig jaar geen Vlootvoogd meer met zoo weinig kennis als ik heb, Lievensz.! Maar, kom alevel bij mij aanboord, en als de Heere ons in het leven spaart, welnu, wees dan over vijf jaar zijn zeevader. Wilt ge dat?”

„Of ik dat wil, vraagt ge? Michiel, of ik dat wil? God de Heere zegene u man, dat gij zulk eenen ouden, versleten zeerob, als ik ben, nog aanboord wilt nemen. Ja, ja, graag, heel graag! Wanneer aanboord?”

„Dat heeft al den tijd, Lievensz.! De winter houdt me aanwal en in het voorjaar moet ik naar het Noorden. Maar hoe heet uw jongen en wat zal hij worden?”

„Hij heet Jan, Heer Admiraal, en hij gaat ter schole!”

„Goed, heel goed, laat hem op mijne kosten schoolgaan tot mijn Engel aanboord komt, dan hebt ge er twee om zeevader over te wezen. Laat den knaap maar tot zoo lang aan de zorg der onderwijzers over en laat hem veel, heel veel leeren!”

„Dat zal ik, Heer Admiraal! Maar mag ik nu nog zoo vrij zijn en u eene vraag doen?”

„Of ge dat moogt doen? Wel zeker moogt ge dat! Zeg maar op, wat ge wilt weten!”

„Hoe ik te Biscaye gekomen ben, weet ik niet, want ik was heelemaal buiten westen en in dien toestand tusschen levend en dood bleef ik wel acht dagen. Toen ik weer tot mijzelven kwam vernam ik van het volk dat de drie jongens Michiel De Ruyter, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie meteene boot van het kaperschip ontkomen waren. Is dat zoo, och, vertel me dan toch eens hoe ge weer in Vlissingen gekomen zijt.”

„Komaan,” antwoordde Michiel, „dat wil ik. Het is wel een heel verhaal, maar ik heb er den tijd toe.”

Beide mannen zetten zich op hun gemak en Michiel vertelde zijnen ouden vriend nu, wat wij reeds weten.

Het was al laat toen Lievensz. het eenvoudige heerenhuis op het Nieuwe-Waalseiland verliet, en verrukt over de vriendelijkheid en hartelijkheid van zijnen ouden leerling, scheelde het weinig of de „Barre Bruinvisch” had van blijdschap diens handen gekust. Hij bedacht zich echter en ijlde naar huis om daar zijne vrouw te vertellen, dat hij weer varen ging „bij eenen baas, Grietje, bij eenen baas, den besten van de wereld, meid! Bij den Heere Vice-Admiraal Michiel Adriaensz. De Ruyter!”

Den vijftienden Mei 1659 ging onze Vlootvoogd met eene vloot van veertig oorlogsschepen naar de Oostzee. Zoodra hij den Luitenant-Admiraal Van Wassenaar-Obdam zou ontmoeten, moest hij dezen het opperbevel overgeven, doch door eenen samenloop van omstandigheden kwam de Luitenant-Admiraal spoedig naar het Vaderland terug en bleef onze Michiel met het opperbevel belast.

Het was inmiddels November geworden en gedurende dien geheelen tijd hadden de Nederlanders in het onzekere verkeerd van hetgeen er ten slotte zou moeten gedaan worden, en toen eindelijk de Algemeene Staten besloten hadden, te handelen, hadden de Zweden zich zoo versterkt, dat de kansen van welslagen voor ons en de Denen lang zoo voordeelig niet meer stonden, als in het begin.

„Wel, Lievensz., hoe staat ge daar zoo tot de tanden gewapend?” vroeg Michiel des middags van den tienden November, toen de vloot voor Kartemunde, eene stad op het eiland Funen, lag.

„Ik geloof dat ge wat met mij gekt en naar den bekendenweg vraagt, Admiraal! Moet die stad dan niet ingenomen worden?”

„Als het kan, ja, en eigenlijk moet het. De Zweden, die op dat eiland ten getale van zeven duizend zijn, moeten er af. Het is de vraag maar, hoe we landen zullen, Bootsman! Het zal met booten moeten geschieden!”

„Eene landing in de booten onder bescherming van het geschut der vloot, juist, Admiraal! En daarop is bij mij de wacht,” was het antwoord.

„Welnu, nog zoo vol vuur, ja? Best, gij zult uwen zin hebben, Barre,” zeide De Ruyter en zich verwijderende gaf hij bevel het stadje te gaan beschieten, en gedurende twee uren gaf men zoo druk vuur, dat het volk daar binnen niet wist, hoe en waar zich te bergen. Thans achtte De Ruyter het oogenblik van landen gekomen. Het was eene gevaarlijke onderneming; want de Zweden bestreken met hunne batterijen de heele zee voor de kust waar men landen zou. De Ruyter zelf sprong in eene der booten en riep zijn volk toe: „Valt aan, mannen, valt aan, of gij wordt allen hier vermoord!”

Het bootsvolk aarzelde.

„Vooruit, mannen, dat gaat u voor! Volgt mij na!” riep Buat, een Franschman van geboorte, wiens Vader reeds onder Frederik Hendrik gestreden had. „Vooruit! Dat gaat u voor!”1

Onverschrokken sprong hij uit de boot in het water.

„Zulke mannen volg ik! Vooruit,” riep Lievensz. en was, na Buat, de eerste in de boot, waarna De Ruyter volgde met eenige matrozen.

„Berg u, Heer Admiraal!” riep Buat onzen Michiel waarschuwend toe. „Men mikt op u.”

„Ik behoor mijn volk den weg te wijzen,” sprak De Ruyter bedaard, niettegenstaande er op hetzelfde oogenblik twee mannen aan zijne zijde doodgeschoten werden.

Het voorbeeld van den dapperen Buat vond algemeen navolging en zelfs was De Ruyter een der eersten, die aan den wal waren. Het ontschepen van krijgsvolk kon nu geregeld voortgang nemen, en nadat men duizend Deensche ruiters ontscheept had, begaf De Ruyter zich weder aanboord.

Na nog eene belangrijke versterking ontvangen te hebben werd Nijborg, ook eene stad op Funen, waar de Zweden zich zeer versterkt hadden, van de landzijde aangevallen, en kort daarop van de zeezijde door onze vloot zoodanig beschoten, dat men daar binnen geene uitkomst meer ziende, de stad op genade of ongenade overgaf. De overwinning was volkomen. In vijftien dagen tijds had De Ruyter, trouw bijgestaan door zijne onderhoorigen en de Denen, het geheele eiland Funen op de Zweden veroverd, en de keurbenden van Karel Gustaaf met alles, wat zij bij zich hadden, gevangen genomen.

Tweeduizend Zweden waren bij de verdediging van Nijborg gebleven, en hoe wakker de Denen zich ook gedragen hadden, bekenden de Zweden, dat de Nederlanders het gewicht in de schaal hadden gelegd.

De Ruyter kreeg van de Algemeene Staten bevel om voor Kopenhagen te blijven overwinteren, en reeds kostte het hem veel moeite het met zijne schepen tot zoo ver te brengen. Weldra lag hij geheel ingevroren, doch daar hij Karel Gustaafs ondernemenden aard kende, liet hij om al de schepen zijner vloot gestadig het ijs op eene aanmerkelijke breedte weghakken. Dat hij hieraan verstandig deed, bewees de aanval, dien de Zweden den derden Februari van het volgende jaar op de Deensche hoofdstad waagden. Zij vonden evenwel de Hollanders en Denen zoo waakzaam en voorbereid, dat ze weer spoedig aftrokken, ja, menigmaalkeerden de Denen en de onzen de zaak om en waagden zelfs eenen uitval op het Zweedsche bezettings-leger.

Den drieëntwintigsten Februari overleed Koning Karel Gustaaf. Dit bracht eene heele verandering teweeg, en hoewel de vrede door allerlei slinksche handelingen van Engeland en Frankrijk nog al op de lange baan geschoven werd, kon hij toch den zesden Mei op zeer voordeelige voorwaarden voor den Koning van Denemarken gesloten worden.

Geen wonder dat de Koning onzen De Ruyter oprecht dankbaar was voor de uitnemende leiding van de hulp, hem door Nederland verleend. Nadat hij hem reeds in December van het vorige jaar met eenen prachtigen gouden ketting, waaraan door de Koningin eenen gedenkpenning met diamanten omzet, gehangen was, vereerd had, verhief hij nu onzen nederigen bierdragers-zoon tot den adelstand met een jaarlijksch inkomen van tweeduizend gulden. Zoo kwam de Vice-Admiraal, wiens naam reeds door heel Europa klonk, in Amsterdam terug om te midden der zijnen eenen korten tijd rust te nemen.

Lang duurde die rust echter niet, hiervoor zorgden de Algerijnsche zeeroovers en later de Engelschen wel.

1Henry Fleury de Culan, Heer van Buat, werd in 1666 te ’s-Gravenhage onthoofd, omdat hij eene geheime briefwisseling hield met de vijanden van de Regeering onzer Republiek, die zich in Engeland ophielden.↑

1Henry Fleury de Culan, Heer van Buat, werd in 1666 te ’s-Gravenhage onthoofd, omdat hij eene geheime briefwisseling hield met de vijanden van de Regeering onzer Republiek, die zich in Engeland ophielden.↑

1Henry Fleury de Culan, Heer van Buat, werd in 1666 te ’s-Gravenhage onthoofd, omdat hij eene geheime briefwisseling hield met de vijanden van de Regeering onzer Republiek, die zich in Engeland ophielden.↑


Back to IndexNext