ZESDE HOOFDSTUK.

ZESDE HOOFDSTUK.Thuis van de eerste zeereis.Met rijke lading was de „Lijnbaan” ruim anderhalf jaar later uit de Oost-Indiën te Vlissingen binnen gekomen en Michiel dus weer terug.Dat gaf wat eene blijdschap, vooral daar Lievensz. dadelijk tegen Vader Adriaen gezegd had, toen deze aanboord kwam om zijnen zoon te verwelkomen, dat Michiel vanden dag af, dat hij aanboord was gekomen, zoo in zijn voordeel veranderd was, dat hij een voorbeeld voor iedereen kon genoemd worden.Den eersten avond den besten mocht hij voor eenen nacht naar huis.„Jongen, laat de kist hier aanboord! Als we gelost zijn en het schip is weer wat opgeknapt, dan gaan we dadelijk weg,” zeide de Kapitein. „Het is de moeite niet waard, ze aanwal te brengen.”„Het is mijne kleerkist niet, Kapitein! Er zitten aardigheidjes in voor thuis,” gaf Michiel ten antwoord.„Hebt gij dan de heele Molukken leeg gekocht?” vroeg de Kapitein lachend. „Nu, ga maar door, maar overdraag je niet!”Met groote moeite nam Michiel de kist op, droeg ze van het schip en bracht ze bij een pothuis waar „Oude Hein” schoenen zat te lappen, en als het noodig was, en hij kon er wat mee verdienen, op vrachtjes, die per kruiwagen konden vervoerd worden, zat te wachten.Hein en Michiel kenden elkander goed; maar die kennismaking was voor geen van de twee van de aangenaamste geweest, daar ontbrak heel wat aan.Het zou nu zoo wat twee jaren geleden zijn, dat Michiel op zekeren avond langs straat slenterende, en niet wetende wat hij doen moest, daar Geleyn en Pieter Evertsen niet te vinden waren en Jan Kompanjie nog ver te zoeken was, zich op de eene of andere streek bedacht.Daar viel hem het pothuis van den „Ouden Hein” in het oog.De man zat met den rug naar het deurtje en had de gewoonte, als iemand aan de klink rammelde, maar even met de hand een windhaak los te maken, en dan met den rug de deur open te duwen.„Wacht,” dacht Michiel, „die deur hangt in kleine hangetjes. Als ik daar de pennen uithaal en hij doet dan de deurmet den rug open, dan valt de deur op straat en hij er bij. Dat zal wat geven!”Voorzichtig was hij er heen geslopen, maar zóó stil kon hij de pennen er niet uithalen of „Oude Hein” hoorde wat, en juist toen Michiel aan de klink wou gaan rammelen, duwde de man al met den rug tegen de deur.Dat had de kwâjongen niet verwacht.Hij wilde nog tijdig wegloopen, maar, bom, daar viel de deur, door het gewicht van „Ouden Hein” nog verzwaard, boven op Michiel, die op den grond viel.Dàt deed zeer! Au! Au!Jawel, dat wil ik gelooven, maar de oude man bezeerde zich ook en schreeuwde luid: „Help!”Spoedig krabbelde hij op en toen hij zag wie daar onder de deur lag te spartelen, greep hij zijnen spanriem en gaf Michiel zoo even van het beste laken een pak.„Ik zal je leeren straatschenderij doen,” had de man geroepen terwijl hij er op insloeg.Eindelijk was Michiel van onder de deur gekomen en den man ontloopen, doch na dien tijd wist Michiel het altijd zóó aan te leggen, dat hij dat pothuis niet voorbij moest. Hij was bang voor hetgene hij nog te goed had; want toen hij wegliep, riep „Oude Hein” hem na: „Pas op, dat je hier niet meer in de buurt komt. Je hebt het achtste part nog maar beet!”En nu stond hij daar bij het pothuis ruim twee jaren later en rammelde aan de klink.„Oude Hein” deed open.„Wat?” riep hij, „wat, jij terug? Toch nog terug gekomen?”„Dat zie je, man!”„Niet overboord gesmeten?”„Neen, Hein!”„En niet voor de haaien gegaan?”„Ook al niet!”„Ja, onkruid vergaat niet; het groeit zelfs tegen de verdrukking in. Ik wilde dat gij maar heengingt!”„Ik kom het restje afkoopen,Oude Hein!”„Welk restje, kwâjongen?”„Wel, het achtste part van de klappen heb ik nog maar gehad! Daar blijven nog zeven achtste partjes over! Als ik je dezen zilveren duit geef, zijn we dan afgerekend?”„Wat! Hebt gij geld, en nog wel zilvergeld?”„Ja, Hein!”„Dat is zeker gestolen!”„Neen, vriend, eerlijk verdiend! Maar kom, ik sta hier mijnen tijd te verbabbelen, ik wil eens gauw naar huis. Vader is al aanboord geweest. Wilt ge voor dien zilveren duit die kist naar huis kruien?”„Top, dat doe ik, Michiel! En wel naar tien huizen, als gij wilt!”„Dankje, naar één huis is genoeg! Hier, steek maar gauw in den zak.”„Oude Hein” stak den zilveren duit in den zak, zette met behulp van Michiel de zware kist op den kruiwagen en reed er mee heen.„Wel, wel,” zei de man al kruiende, „wie had ooit gedacht dat ik voor jou nog een vrachtje wegbrengen zou? Maar het pak ransel, dat ik u gaf, is dat dan vergeten? Neen toch, want het was een pak van belang.”„Vergeten niet, Hein, maar vergeven wel.”„Dus zijt gij niet meer boos op me?”„Zijt ge wel mal?” antwoordde Michiel, die als een eerste bram naast den kruiwagen voortstapte. „Ik had het immers ruim verdiend, geloof ik!”„Dat hadt ge, maat!”Weer reed „Oude Hein” een eind voort zonder te spreken toen hij eensklaps den wagen neerzette. „Blijf eens staan,” zei hij.Michiel deed het.„Nu, gegroeid zijt gij niet veel, maar dikker geworden heel wat. Precies Vlissingens welvaren. De kost is dáár zeker goed,” sprak de kruier met het hoofd naar de „Lijnbaan” wijzend.„Ja, die is er bovenst!”„Nu, dan mocht uwe Moeder wel eens eene maand of drie daar kostgangster kunnen zijn. Ik heb haar gisteren nog gezien, en toen dacht ik: mensch, mensch, wat zijt ge mager! Als eene boonstaak. Gij zijt ook wat veranderd, Alida, sedert ik je te Middelburg heb leeren kennen! Wat was je toen eene wolk van eene meid!”„Ja, ja, Hein; maar zoudt ge nu niet verder gaan? Ik verlang zoo naar huis!”„Best gelooven, jongen, best gelooven! Maar loop vooruit! Ik zal met die kist niet aan den haal gaan. Eer ik aan een andermans kist denk, mag ik eerst wel aan de mijne denken! Ik zal zooveel vrachtjes niet meer bezorgen, als ik er in mijn leven al bezorgd heb!”„Hoe oud zijt gij dan al, Hein?”„Met Sint Maarten word ik eenentachtig. En hoe oud zijt gij?”„Ik ben met Sinte Krijn dertien jaar geworden.”1„Nu, dan moogt ge er toch wel zijn voor uwen ouderdom!”„Kijk, daar komt er een aanloopen! Is dat uwe oudste zuster?”„Dat is Alida” riep Michiel en snelde haar te gemoet.„Jonge beenen, jonge beenen!” bromde de oude, terwijl hij met zijnen kruiwagen voortsukkelde. „Maar, ik ben ook zoo geweest. Ik heb mijnen tijd gehad!”Toen Michiel zijne zuster verwelkomd had liep hij haar weer hard vooruit; want aan de deur van het oude huis zag hij zijne Moeder staan.„Dag, Moeder! Dag, lieve, beste, brave Moeder!” riep Michiel en viel haar om den hals.„Kind, wat zijt gij lang weg geweest,” zeide Moeder Alida, met tranen van blijdschap in de oogen. „Ik dacht dat we elkander nooit meer zien zouden. De Domine en Engels zijn, ik weet niet hoe dikwijls wezen vragen, of we nog niemendal van u gehoord hadden! Maar wat ziet gij er goed uit, kind!”„Ja, Moeder!”Daar vielen zijne oogen opeens op Moeder Alida’s gelaat, armen en handen. Hij schrikte er van zoo mager als de goede ziel was.„Zijt gij ziek geweest, Moeder?”„Neen, jongen, gelukkig niet! Waarom vraagt ge dat zoo?”„Wel, Moeder, ik vind dat ge zoo afgevallen zijt!”„Ja, kind, dat zeggen alle menschen! Ik denk, dat het van verlangen komt!”„Nu, Moeder, als dát waar is, dan zult ge weer wel opknappen. Maar we blijven niet lang aan den wal, hoor! Er is heel wat drukte in de vaart.”„Dat heb ik daar straks van uwen Vader gehoord. Hoe komt dat zoo?”„Wel, Moeder, er zijn zulke goede zaken te doen, want er gaan tegenwoordig ook veel schepen naar Amerika. We hebben zoo even een voordeelig reisje gehad! Maar, dat is waar, waarom zijt ge niet even aanboord wezen kijken?”„Ja, ik wist niet dat de „Lijnbaan” aan was. Ik had wel hooren schieten; maar er komen en gaan tegenwoordig zooveel schepen, en ik ben in den laatsten tijd zoo dikwijls voor niemendal naar het hoofd geweest, dat ik er nu niet op gelet heb. Uw Vader wist het ook niet, en als die niet aan de haven had moeten zijn, dan had hij het ook niet geweten! Toen hij vanmiddag kwam eten vertelde hij het ons, en nu stonden Alida en ik juist gereed eens te gaan kijken, toen we u zagen aankomen. Maar wat moet„Oude Hein” hier komen doen? Hij komt met zijnen kruiwagen naar ons toe!”„Dat is eene kist van mij, Moeder!”De goede vrouw zag aanstonds dat het niet dezelfde kist was, die Michiel had medegenomen.„Is uwe kist dan weg, jongen? Ge hebt eene andere gehad!”„Die is nog aanboord, Moeder!”„Oude Hein” zette den wagen neer enzuchtteervan.„Ik zal ze wel binnen dragen, Hein!” zeide Michiel.„Maar, jongen, dat kunt gij niet alleen doen!”„Ik heb ze toch vanboord af bij je gebracht ook! Kom, een-twee-drie!”—daar was de kist op Michiels schouder.„Ge zijt me wat mans, hoor!” zeide „Oude Hein”.„Ben ik?” vroeg Michiel leuk. „Dag, Hein! Als ik weer een vrachtje heb, hoor, dan neem ik je weer!”Na dit gezegd te hebben ging Michiel naar binnen, op den voet door Moeder en Alida gevolgd.„Hebben we gezelschap, Moeder?” vroeg Michiel, terwijl hij op een gezond boeren-meisje van zijnen leeftijd wees.„Ja, kent gij haar niet meer?”„Neen, Moeder, ik kan ze niet thuisbrengen!”„Kom, denk maar eens! Ge hebt haar wel eens bij buurman Engels gezien!”„O, ja,—ja,—nu weet ik het. Het is,—het is Maria, Maria Velders van Grijpskerke!”„Dat hebt gij geraden, Michiel!” antwoordde het meisje, terwijl zij lachend hem eene hand gaf. „Maar wat zijt gij groot en dik geworden!”„Zeg, de pot verwijt den ketel dat hij zwart is, hoor! Ik zou u stellig niet meer gekend hebben, als Moeder mij niet op dreef geholpen had. En hoe maken het uwe Ouders?”„Eilaci, Michiel, die zijn in het najaar van ’18 aan dekinderpokken gestorven! Die heerschten toen weer heel erg. Vooral bij ons!”„Ze waren er al toen ik wegging. En waar woont gij nu? Nog te Grijpskerke?”„Ik ben dadelijk bij Oom Engels gekomen, en zoo nu en dan kom ik uwe Moeder eens gezelschap houden. Vindt gij dat niet goed van me?”„Zeker, zeker! Maar nu de kist uitpakken! Geef me eens hamer, beitel en nijptang, Moeder!”Zijne zuster stond op en bracht ze hem.Daar ging Michiel aan het kloppen en breken van belang.„Wie heeft die kist toch zoo dicht gespijkerd, Michiel?” vroeg Alida lachend.„Wel, hij zelf, meid!” zeide Marie Velders. „Hij was zeker bang, dat ze het rommeltje stelen zouden!”„Rommeltje?” bromde Michiel zoogenaamd verontwaardigd, terwijl hij even van zijn werk opkeek.„Ja, zeker, rommeltje, wat zou het anders zijn?”„Als dat rommeltje is, dan weet ik het niet meer,” antwoordde Michiel, terwijl hij onverdroten voortwerkte en het eindelijk zoo ver kreeg dat hij het deksel met den beitel er aflichten kon.„Nu zullen we dan toch eens zien, wat moois Michiel meegebracht heeft,” riep Alida, en bukte zich uit nieuwsgierigheid zoo ver over de kist, dat Michiel zeggen moest: „Uit den weg, Alida! Anders krijgt ge nog eenen stomp tegen den neus, die raak is!”„Ik wed dat er een aap uit komt,” riep Maria plagend.„Gij kunt wedden, wat gij wilt!” zeide Michiel het deksel er afnemende, en begon de pakjes er uit te halen en aan Alida over te geven.Weldra stond de tafel heelemaal vol met allerlei aardigheden. Voor ieder was er wat. Voor Moeder het mooiste, dat spreekt. Verder was er wat voor Vader, voor al de broeders en zusters, voor buurman Engels, voor CorneliaEngels en zelfs voor den Dominé en baas Lorkens was er wat.„Ik zie het al, voor mij is er niemendal,” zeide Maria.„Ik wist ook niet dat ik u hier zou vinden, Maria!” zeide Michiel eenigszins verlegen.„Is het waar ook? Hinderde het of ik te Grijpskerke of hier, was? Ik ben er toch, niet? Maar het is niemendal, hoor! Ik zeide dat zoo maar voor de aardigheid!” sprak Maria. „Ge dacht toch niet, dat ik het meende, Michiel?”„Zeker dacht ik dat! Maar wacht, ik heb toch wat voor je!”„Het zal wat moois zijn als het voor de heeren komt,” spotte Maria.„Mooi? Nooit zoo mooi gezien! Ik zal u leeren, hoe de Chineezen elkander groeten,” zei Michiel, en met de handen Maria’s hoofd bij de wangen vasthoudende, wreef hij zijnen neus tegen haren neus.„Zoo groeten nu de Chineezen elkander!” zei Michiel.„Het is heel lief, dat moet ik zeggen!” antwoordde Maria.„Ja, en zóó groeten de Vlissingsche jongens de Zeeuwsche meiskens!” riep Michiel en gaf, eer Maria den driesten zeeman afweren kon, het plaagzieke meisje op elke wang eenen zoen.Moeder Alida klapte van pret in de handen en riep, terwijl Maria hare verfrommelde muts goed zette: „Ja, meisken, dat hebt ge verdiend met uw geplaag.”„En ik wil dien rauwen zeeman wel eens leeren, hoe de Zeeuwsche meiskens de brutale Vlissingsche jongens groeten,” zei Maria.„Top, de eene dienst is den anderen waard! Dat wil ik leeren,” riep Michiel.Pas had hij dat gezegd of het vinnige ding gaf hem met de volle hand eenen klap om de ooren, die zoo even raak was.„Hoe vindt gij nu onze manier van groeten?” vroeg Maria.„Wel, om de waarheid te zeggen, vind ik de manier van ons, Vlissingsche jongens, niet zoo hardhandig,” antwoordde Michiel terwijl hij zijn oor wreef.„Wat moet dat geven?” vroeg Vader, die met eenige kruiken beladen, binnen kwam. „Is het hier boelhuis?”„Hé, hé, kijk eens wat een hoop goed op tafel,” riep een zusje dat van school kwam.„Kijk, kijk, Ant, daar is Michiel!”„Dag, Michiel,” riep een jonger broer. „Ben je thuis? Heb je wat voor me mee gebracht?”„Kijk, kijk, een wiegel-poppeken! Is dat voor mij, Michiel?” vroeg Anna op een leelijk popje van Chineesch porselein wijzend.„Ja, meid, dat raad je nu eens net! Dat is voor u!”„En wat zit hierin, Michiel?” vroeg Vader.„Doe maar eens open, Vader! Dat is voor u!”Vader deed het pakje zoo voorzichtig open, alsof het breken zou, en vond een zakmes met mooi gesneden hecht.„Dat is goed staal, jongen!”„Ja, Vader, dat is het; maar geef me nu gauw eenen duit, anders snijdt dat mes de vriendschap af!”Vader tastte in den zak en gaf terstond eenen duit en wel eenen waarin een gaatje geboord was.„Dat treft ge,” zeide hij. „Een duit met een gat is altijd wat!”„Ik zal hem als bagijnenkoek bewaren, Vader!” was het antwoord van Michiel, die evenals alle menschen van dien tijd, enkelen misschien uitgezonderd, geloofden dat men niemand een snijdend voorwerp ten geschenke mocht geven, of men moest een klein geldstuk terug hebben. Het had dan den schijn, alsof het gekocht was, en zou dan de vriendschap niet meer afsnijden. Zoo ook geloofde men vrij algemeen dat hij, die een geldstuk met een gaatje erin ontving, zegen met dat geldstuk hebben zou.Voor Moeder, Alida, Cornelia en den Dominé had hijIndische kamermuilen medegebracht, en voor buurman Engels en baas Lorkens ieder een mes, als Vader had. Maar Vaders mes was mooier dan al de andere, evenals Moeders kamermuilen veel mooier waren dan de overige. Verder kwamen er uit de kist nog allerlei vreemde dingen, zooals groote kinkhorens, die de kinderen al voor de ooren hielden om de zee erin te hooren ruischen,—groote zeeschelpen, besneden doosjes van schildpad, waarvan Maria er een kreeg, kokosnoten, groote boombladeren, eenige mooie vogelvederen, een paar Chineesche scheepsbeschuiten waarvan ze allemaal proeven moesten, doch die ze geen van allen lekker vonden, daar ze zoo muf smaakten,—een paar uitgeblazen struisvogel-eieren, die hij aan Kaap de Goede Hoop van eenige wilden voor eenen knoop van zijn buis geruild had, toen ze water innamen, en eindelijk eene kris, dat is een Javaansche dolk, dien hij te Batavia, dat nog wel klein was, maar waar toch veel omging, gekocht had. Het beste evenwel kwam achteraan. Het was een lederen beursje met geld, zuiver overgespaard geld, dat hij zelf verdiend had. Hij gaf het Moeder Alida en zei: „Hier, Moeder, om vanavond eens spek-pannekoeken te eten!”„Alles opmaken vanavond, jongen?”„Er is zoo heel veel niet in, Moeder! Maar wat er overschiet is een appeltje voor den dorst.”Moeder Alida nam het geld dankbaar aan en—dien avond was er feest.Vader Adriaen had al den tijd dat Michiel weg was, iedere week eene kleinigheid van zijne buitenkansjes weggelegd om, als Michiel thuis kwam op bier te trakteeren.Michiel, van zijnen kant voor Vader niet willende onderdoen, onthaalde op spek-pannekoeken.Het kleine huiskamertje was propvol; men zat tot op de ijzeren vuurplaat, ja, tot op de bedstee-sponde; want daar waren er van Vader Adriaens huisgezin dertien zooklein als groot. Verder had men er den „Barren Bruinvisch”, Dominé, buurman Engels met zijne dochter Cornelia en zijn nichtje Maria, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie, welke twee laatsten bij Michiel op de bedstee-sponde zaten. Deze werd op den duur wel wat al te hard en dan gingen ze een poosje staan om wat te bekomen.Eindelijk, nadat het spek-pannekoekenmaal binnen was en men het bier een paar keeren geproefd had, zei Vader Adriaen: „En nu zal ik eens zeggen, hoe ik van Bergen-op-Zoom hier in Vlissingen geland ben. Ik heb dat mijnen kinderen nooit verteld, en Moeder Alida is het misschien al vergeten. Luistert nu maar goed, kinderen, want ik vertel het na dezen keer niet meer.”Alles werd stil; Michiel, Geleyn en Jan Kompanjie wipten weer op de sponde, Jan in het midden, en Vader Adriaen begon.1Sinte Krijn of St. Quirinus is een Heiligdag, die den 24stenMaart gevierd wordt.↑

ZESDE HOOFDSTUK.Thuis van de eerste zeereis.Met rijke lading was de „Lijnbaan” ruim anderhalf jaar later uit de Oost-Indiën te Vlissingen binnen gekomen en Michiel dus weer terug.Dat gaf wat eene blijdschap, vooral daar Lievensz. dadelijk tegen Vader Adriaen gezegd had, toen deze aanboord kwam om zijnen zoon te verwelkomen, dat Michiel vanden dag af, dat hij aanboord was gekomen, zoo in zijn voordeel veranderd was, dat hij een voorbeeld voor iedereen kon genoemd worden.Den eersten avond den besten mocht hij voor eenen nacht naar huis.„Jongen, laat de kist hier aanboord! Als we gelost zijn en het schip is weer wat opgeknapt, dan gaan we dadelijk weg,” zeide de Kapitein. „Het is de moeite niet waard, ze aanwal te brengen.”„Het is mijne kleerkist niet, Kapitein! Er zitten aardigheidjes in voor thuis,” gaf Michiel ten antwoord.„Hebt gij dan de heele Molukken leeg gekocht?” vroeg de Kapitein lachend. „Nu, ga maar door, maar overdraag je niet!”Met groote moeite nam Michiel de kist op, droeg ze van het schip en bracht ze bij een pothuis waar „Oude Hein” schoenen zat te lappen, en als het noodig was, en hij kon er wat mee verdienen, op vrachtjes, die per kruiwagen konden vervoerd worden, zat te wachten.Hein en Michiel kenden elkander goed; maar die kennismaking was voor geen van de twee van de aangenaamste geweest, daar ontbrak heel wat aan.Het zou nu zoo wat twee jaren geleden zijn, dat Michiel op zekeren avond langs straat slenterende, en niet wetende wat hij doen moest, daar Geleyn en Pieter Evertsen niet te vinden waren en Jan Kompanjie nog ver te zoeken was, zich op de eene of andere streek bedacht.Daar viel hem het pothuis van den „Ouden Hein” in het oog.De man zat met den rug naar het deurtje en had de gewoonte, als iemand aan de klink rammelde, maar even met de hand een windhaak los te maken, en dan met den rug de deur open te duwen.„Wacht,” dacht Michiel, „die deur hangt in kleine hangetjes. Als ik daar de pennen uithaal en hij doet dan de deurmet den rug open, dan valt de deur op straat en hij er bij. Dat zal wat geven!”Voorzichtig was hij er heen geslopen, maar zóó stil kon hij de pennen er niet uithalen of „Oude Hein” hoorde wat, en juist toen Michiel aan de klink wou gaan rammelen, duwde de man al met den rug tegen de deur.Dat had de kwâjongen niet verwacht.Hij wilde nog tijdig wegloopen, maar, bom, daar viel de deur, door het gewicht van „Ouden Hein” nog verzwaard, boven op Michiel, die op den grond viel.Dàt deed zeer! Au! Au!Jawel, dat wil ik gelooven, maar de oude man bezeerde zich ook en schreeuwde luid: „Help!”Spoedig krabbelde hij op en toen hij zag wie daar onder de deur lag te spartelen, greep hij zijnen spanriem en gaf Michiel zoo even van het beste laken een pak.„Ik zal je leeren straatschenderij doen,” had de man geroepen terwijl hij er op insloeg.Eindelijk was Michiel van onder de deur gekomen en den man ontloopen, doch na dien tijd wist Michiel het altijd zóó aan te leggen, dat hij dat pothuis niet voorbij moest. Hij was bang voor hetgene hij nog te goed had; want toen hij wegliep, riep „Oude Hein” hem na: „Pas op, dat je hier niet meer in de buurt komt. Je hebt het achtste part nog maar beet!”En nu stond hij daar bij het pothuis ruim twee jaren later en rammelde aan de klink.„Oude Hein” deed open.„Wat?” riep hij, „wat, jij terug? Toch nog terug gekomen?”„Dat zie je, man!”„Niet overboord gesmeten?”„Neen, Hein!”„En niet voor de haaien gegaan?”„Ook al niet!”„Ja, onkruid vergaat niet; het groeit zelfs tegen de verdrukking in. Ik wilde dat gij maar heengingt!”„Ik kom het restje afkoopen,Oude Hein!”„Welk restje, kwâjongen?”„Wel, het achtste part van de klappen heb ik nog maar gehad! Daar blijven nog zeven achtste partjes over! Als ik je dezen zilveren duit geef, zijn we dan afgerekend?”„Wat! Hebt gij geld, en nog wel zilvergeld?”„Ja, Hein!”„Dat is zeker gestolen!”„Neen, vriend, eerlijk verdiend! Maar kom, ik sta hier mijnen tijd te verbabbelen, ik wil eens gauw naar huis. Vader is al aanboord geweest. Wilt ge voor dien zilveren duit die kist naar huis kruien?”„Top, dat doe ik, Michiel! En wel naar tien huizen, als gij wilt!”„Dankje, naar één huis is genoeg! Hier, steek maar gauw in den zak.”„Oude Hein” stak den zilveren duit in den zak, zette met behulp van Michiel de zware kist op den kruiwagen en reed er mee heen.„Wel, wel,” zei de man al kruiende, „wie had ooit gedacht dat ik voor jou nog een vrachtje wegbrengen zou? Maar het pak ransel, dat ik u gaf, is dat dan vergeten? Neen toch, want het was een pak van belang.”„Vergeten niet, Hein, maar vergeven wel.”„Dus zijt gij niet meer boos op me?”„Zijt ge wel mal?” antwoordde Michiel, die als een eerste bram naast den kruiwagen voortstapte. „Ik had het immers ruim verdiend, geloof ik!”„Dat hadt ge, maat!”Weer reed „Oude Hein” een eind voort zonder te spreken toen hij eensklaps den wagen neerzette. „Blijf eens staan,” zei hij.Michiel deed het.„Nu, gegroeid zijt gij niet veel, maar dikker geworden heel wat. Precies Vlissingens welvaren. De kost is dáár zeker goed,” sprak de kruier met het hoofd naar de „Lijnbaan” wijzend.„Ja, die is er bovenst!”„Nu, dan mocht uwe Moeder wel eens eene maand of drie daar kostgangster kunnen zijn. Ik heb haar gisteren nog gezien, en toen dacht ik: mensch, mensch, wat zijt ge mager! Als eene boonstaak. Gij zijt ook wat veranderd, Alida, sedert ik je te Middelburg heb leeren kennen! Wat was je toen eene wolk van eene meid!”„Ja, ja, Hein; maar zoudt ge nu niet verder gaan? Ik verlang zoo naar huis!”„Best gelooven, jongen, best gelooven! Maar loop vooruit! Ik zal met die kist niet aan den haal gaan. Eer ik aan een andermans kist denk, mag ik eerst wel aan de mijne denken! Ik zal zooveel vrachtjes niet meer bezorgen, als ik er in mijn leven al bezorgd heb!”„Hoe oud zijt gij dan al, Hein?”„Met Sint Maarten word ik eenentachtig. En hoe oud zijt gij?”„Ik ben met Sinte Krijn dertien jaar geworden.”1„Nu, dan moogt ge er toch wel zijn voor uwen ouderdom!”„Kijk, daar komt er een aanloopen! Is dat uwe oudste zuster?”„Dat is Alida” riep Michiel en snelde haar te gemoet.„Jonge beenen, jonge beenen!” bromde de oude, terwijl hij met zijnen kruiwagen voortsukkelde. „Maar, ik ben ook zoo geweest. Ik heb mijnen tijd gehad!”Toen Michiel zijne zuster verwelkomd had liep hij haar weer hard vooruit; want aan de deur van het oude huis zag hij zijne Moeder staan.„Dag, Moeder! Dag, lieve, beste, brave Moeder!” riep Michiel en viel haar om den hals.„Kind, wat zijt gij lang weg geweest,” zeide Moeder Alida, met tranen van blijdschap in de oogen. „Ik dacht dat we elkander nooit meer zien zouden. De Domine en Engels zijn, ik weet niet hoe dikwijls wezen vragen, of we nog niemendal van u gehoord hadden! Maar wat ziet gij er goed uit, kind!”„Ja, Moeder!”Daar vielen zijne oogen opeens op Moeder Alida’s gelaat, armen en handen. Hij schrikte er van zoo mager als de goede ziel was.„Zijt gij ziek geweest, Moeder?”„Neen, jongen, gelukkig niet! Waarom vraagt ge dat zoo?”„Wel, Moeder, ik vind dat ge zoo afgevallen zijt!”„Ja, kind, dat zeggen alle menschen! Ik denk, dat het van verlangen komt!”„Nu, Moeder, als dát waar is, dan zult ge weer wel opknappen. Maar we blijven niet lang aan den wal, hoor! Er is heel wat drukte in de vaart.”„Dat heb ik daar straks van uwen Vader gehoord. Hoe komt dat zoo?”„Wel, Moeder, er zijn zulke goede zaken te doen, want er gaan tegenwoordig ook veel schepen naar Amerika. We hebben zoo even een voordeelig reisje gehad! Maar, dat is waar, waarom zijt ge niet even aanboord wezen kijken?”„Ja, ik wist niet dat de „Lijnbaan” aan was. Ik had wel hooren schieten; maar er komen en gaan tegenwoordig zooveel schepen, en ik ben in den laatsten tijd zoo dikwijls voor niemendal naar het hoofd geweest, dat ik er nu niet op gelet heb. Uw Vader wist het ook niet, en als die niet aan de haven had moeten zijn, dan had hij het ook niet geweten! Toen hij vanmiddag kwam eten vertelde hij het ons, en nu stonden Alida en ik juist gereed eens te gaan kijken, toen we u zagen aankomen. Maar wat moet„Oude Hein” hier komen doen? Hij komt met zijnen kruiwagen naar ons toe!”„Dat is eene kist van mij, Moeder!”De goede vrouw zag aanstonds dat het niet dezelfde kist was, die Michiel had medegenomen.„Is uwe kist dan weg, jongen? Ge hebt eene andere gehad!”„Die is nog aanboord, Moeder!”„Oude Hein” zette den wagen neer enzuchtteervan.„Ik zal ze wel binnen dragen, Hein!” zeide Michiel.„Maar, jongen, dat kunt gij niet alleen doen!”„Ik heb ze toch vanboord af bij je gebracht ook! Kom, een-twee-drie!”—daar was de kist op Michiels schouder.„Ge zijt me wat mans, hoor!” zeide „Oude Hein”.„Ben ik?” vroeg Michiel leuk. „Dag, Hein! Als ik weer een vrachtje heb, hoor, dan neem ik je weer!”Na dit gezegd te hebben ging Michiel naar binnen, op den voet door Moeder en Alida gevolgd.„Hebben we gezelschap, Moeder?” vroeg Michiel, terwijl hij op een gezond boeren-meisje van zijnen leeftijd wees.„Ja, kent gij haar niet meer?”„Neen, Moeder, ik kan ze niet thuisbrengen!”„Kom, denk maar eens! Ge hebt haar wel eens bij buurman Engels gezien!”„O, ja,—ja,—nu weet ik het. Het is,—het is Maria, Maria Velders van Grijpskerke!”„Dat hebt gij geraden, Michiel!” antwoordde het meisje, terwijl zij lachend hem eene hand gaf. „Maar wat zijt gij groot en dik geworden!”„Zeg, de pot verwijt den ketel dat hij zwart is, hoor! Ik zou u stellig niet meer gekend hebben, als Moeder mij niet op dreef geholpen had. En hoe maken het uwe Ouders?”„Eilaci, Michiel, die zijn in het najaar van ’18 aan dekinderpokken gestorven! Die heerschten toen weer heel erg. Vooral bij ons!”„Ze waren er al toen ik wegging. En waar woont gij nu? Nog te Grijpskerke?”„Ik ben dadelijk bij Oom Engels gekomen, en zoo nu en dan kom ik uwe Moeder eens gezelschap houden. Vindt gij dat niet goed van me?”„Zeker, zeker! Maar nu de kist uitpakken! Geef me eens hamer, beitel en nijptang, Moeder!”Zijne zuster stond op en bracht ze hem.Daar ging Michiel aan het kloppen en breken van belang.„Wie heeft die kist toch zoo dicht gespijkerd, Michiel?” vroeg Alida lachend.„Wel, hij zelf, meid!” zeide Marie Velders. „Hij was zeker bang, dat ze het rommeltje stelen zouden!”„Rommeltje?” bromde Michiel zoogenaamd verontwaardigd, terwijl hij even van zijn werk opkeek.„Ja, zeker, rommeltje, wat zou het anders zijn?”„Als dat rommeltje is, dan weet ik het niet meer,” antwoordde Michiel, terwijl hij onverdroten voortwerkte en het eindelijk zoo ver kreeg dat hij het deksel met den beitel er aflichten kon.„Nu zullen we dan toch eens zien, wat moois Michiel meegebracht heeft,” riep Alida, en bukte zich uit nieuwsgierigheid zoo ver over de kist, dat Michiel zeggen moest: „Uit den weg, Alida! Anders krijgt ge nog eenen stomp tegen den neus, die raak is!”„Ik wed dat er een aap uit komt,” riep Maria plagend.„Gij kunt wedden, wat gij wilt!” zeide Michiel het deksel er afnemende, en begon de pakjes er uit te halen en aan Alida over te geven.Weldra stond de tafel heelemaal vol met allerlei aardigheden. Voor ieder was er wat. Voor Moeder het mooiste, dat spreekt. Verder was er wat voor Vader, voor al de broeders en zusters, voor buurman Engels, voor CorneliaEngels en zelfs voor den Dominé en baas Lorkens was er wat.„Ik zie het al, voor mij is er niemendal,” zeide Maria.„Ik wist ook niet dat ik u hier zou vinden, Maria!” zeide Michiel eenigszins verlegen.„Is het waar ook? Hinderde het of ik te Grijpskerke of hier, was? Ik ben er toch, niet? Maar het is niemendal, hoor! Ik zeide dat zoo maar voor de aardigheid!” sprak Maria. „Ge dacht toch niet, dat ik het meende, Michiel?”„Zeker dacht ik dat! Maar wacht, ik heb toch wat voor je!”„Het zal wat moois zijn als het voor de heeren komt,” spotte Maria.„Mooi? Nooit zoo mooi gezien! Ik zal u leeren, hoe de Chineezen elkander groeten,” zei Michiel, en met de handen Maria’s hoofd bij de wangen vasthoudende, wreef hij zijnen neus tegen haren neus.„Zoo groeten nu de Chineezen elkander!” zei Michiel.„Het is heel lief, dat moet ik zeggen!” antwoordde Maria.„Ja, en zóó groeten de Vlissingsche jongens de Zeeuwsche meiskens!” riep Michiel en gaf, eer Maria den driesten zeeman afweren kon, het plaagzieke meisje op elke wang eenen zoen.Moeder Alida klapte van pret in de handen en riep, terwijl Maria hare verfrommelde muts goed zette: „Ja, meisken, dat hebt ge verdiend met uw geplaag.”„En ik wil dien rauwen zeeman wel eens leeren, hoe de Zeeuwsche meiskens de brutale Vlissingsche jongens groeten,” zei Maria.„Top, de eene dienst is den anderen waard! Dat wil ik leeren,” riep Michiel.Pas had hij dat gezegd of het vinnige ding gaf hem met de volle hand eenen klap om de ooren, die zoo even raak was.„Hoe vindt gij nu onze manier van groeten?” vroeg Maria.„Wel, om de waarheid te zeggen, vind ik de manier van ons, Vlissingsche jongens, niet zoo hardhandig,” antwoordde Michiel terwijl hij zijn oor wreef.„Wat moet dat geven?” vroeg Vader, die met eenige kruiken beladen, binnen kwam. „Is het hier boelhuis?”„Hé, hé, kijk eens wat een hoop goed op tafel,” riep een zusje dat van school kwam.„Kijk, kijk, Ant, daar is Michiel!”„Dag, Michiel,” riep een jonger broer. „Ben je thuis? Heb je wat voor me mee gebracht?”„Kijk, kijk, een wiegel-poppeken! Is dat voor mij, Michiel?” vroeg Anna op een leelijk popje van Chineesch porselein wijzend.„Ja, meid, dat raad je nu eens net! Dat is voor u!”„En wat zit hierin, Michiel?” vroeg Vader.„Doe maar eens open, Vader! Dat is voor u!”Vader deed het pakje zoo voorzichtig open, alsof het breken zou, en vond een zakmes met mooi gesneden hecht.„Dat is goed staal, jongen!”„Ja, Vader, dat is het; maar geef me nu gauw eenen duit, anders snijdt dat mes de vriendschap af!”Vader tastte in den zak en gaf terstond eenen duit en wel eenen waarin een gaatje geboord was.„Dat treft ge,” zeide hij. „Een duit met een gat is altijd wat!”„Ik zal hem als bagijnenkoek bewaren, Vader!” was het antwoord van Michiel, die evenals alle menschen van dien tijd, enkelen misschien uitgezonderd, geloofden dat men niemand een snijdend voorwerp ten geschenke mocht geven, of men moest een klein geldstuk terug hebben. Het had dan den schijn, alsof het gekocht was, en zou dan de vriendschap niet meer afsnijden. Zoo ook geloofde men vrij algemeen dat hij, die een geldstuk met een gaatje erin ontving, zegen met dat geldstuk hebben zou.Voor Moeder, Alida, Cornelia en den Dominé had hijIndische kamermuilen medegebracht, en voor buurman Engels en baas Lorkens ieder een mes, als Vader had. Maar Vaders mes was mooier dan al de andere, evenals Moeders kamermuilen veel mooier waren dan de overige. Verder kwamen er uit de kist nog allerlei vreemde dingen, zooals groote kinkhorens, die de kinderen al voor de ooren hielden om de zee erin te hooren ruischen,—groote zeeschelpen, besneden doosjes van schildpad, waarvan Maria er een kreeg, kokosnoten, groote boombladeren, eenige mooie vogelvederen, een paar Chineesche scheepsbeschuiten waarvan ze allemaal proeven moesten, doch die ze geen van allen lekker vonden, daar ze zoo muf smaakten,—een paar uitgeblazen struisvogel-eieren, die hij aan Kaap de Goede Hoop van eenige wilden voor eenen knoop van zijn buis geruild had, toen ze water innamen, en eindelijk eene kris, dat is een Javaansche dolk, dien hij te Batavia, dat nog wel klein was, maar waar toch veel omging, gekocht had. Het beste evenwel kwam achteraan. Het was een lederen beursje met geld, zuiver overgespaard geld, dat hij zelf verdiend had. Hij gaf het Moeder Alida en zei: „Hier, Moeder, om vanavond eens spek-pannekoeken te eten!”„Alles opmaken vanavond, jongen?”„Er is zoo heel veel niet in, Moeder! Maar wat er overschiet is een appeltje voor den dorst.”Moeder Alida nam het geld dankbaar aan en—dien avond was er feest.Vader Adriaen had al den tijd dat Michiel weg was, iedere week eene kleinigheid van zijne buitenkansjes weggelegd om, als Michiel thuis kwam op bier te trakteeren.Michiel, van zijnen kant voor Vader niet willende onderdoen, onthaalde op spek-pannekoeken.Het kleine huiskamertje was propvol; men zat tot op de ijzeren vuurplaat, ja, tot op de bedstee-sponde; want daar waren er van Vader Adriaens huisgezin dertien zooklein als groot. Verder had men er den „Barren Bruinvisch”, Dominé, buurman Engels met zijne dochter Cornelia en zijn nichtje Maria, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie, welke twee laatsten bij Michiel op de bedstee-sponde zaten. Deze werd op den duur wel wat al te hard en dan gingen ze een poosje staan om wat te bekomen.Eindelijk, nadat het spek-pannekoekenmaal binnen was en men het bier een paar keeren geproefd had, zei Vader Adriaen: „En nu zal ik eens zeggen, hoe ik van Bergen-op-Zoom hier in Vlissingen geland ben. Ik heb dat mijnen kinderen nooit verteld, en Moeder Alida is het misschien al vergeten. Luistert nu maar goed, kinderen, want ik vertel het na dezen keer niet meer.”Alles werd stil; Michiel, Geleyn en Jan Kompanjie wipten weer op de sponde, Jan in het midden, en Vader Adriaen begon.1Sinte Krijn of St. Quirinus is een Heiligdag, die den 24stenMaart gevierd wordt.↑

ZESDE HOOFDSTUK.Thuis van de eerste zeereis.Met rijke lading was de „Lijnbaan” ruim anderhalf jaar later uit de Oost-Indiën te Vlissingen binnen gekomen en Michiel dus weer terug.Dat gaf wat eene blijdschap, vooral daar Lievensz. dadelijk tegen Vader Adriaen gezegd had, toen deze aanboord kwam om zijnen zoon te verwelkomen, dat Michiel vanden dag af, dat hij aanboord was gekomen, zoo in zijn voordeel veranderd was, dat hij een voorbeeld voor iedereen kon genoemd worden.Den eersten avond den besten mocht hij voor eenen nacht naar huis.„Jongen, laat de kist hier aanboord! Als we gelost zijn en het schip is weer wat opgeknapt, dan gaan we dadelijk weg,” zeide de Kapitein. „Het is de moeite niet waard, ze aanwal te brengen.”„Het is mijne kleerkist niet, Kapitein! Er zitten aardigheidjes in voor thuis,” gaf Michiel ten antwoord.„Hebt gij dan de heele Molukken leeg gekocht?” vroeg de Kapitein lachend. „Nu, ga maar door, maar overdraag je niet!”Met groote moeite nam Michiel de kist op, droeg ze van het schip en bracht ze bij een pothuis waar „Oude Hein” schoenen zat te lappen, en als het noodig was, en hij kon er wat mee verdienen, op vrachtjes, die per kruiwagen konden vervoerd worden, zat te wachten.Hein en Michiel kenden elkander goed; maar die kennismaking was voor geen van de twee van de aangenaamste geweest, daar ontbrak heel wat aan.Het zou nu zoo wat twee jaren geleden zijn, dat Michiel op zekeren avond langs straat slenterende, en niet wetende wat hij doen moest, daar Geleyn en Pieter Evertsen niet te vinden waren en Jan Kompanjie nog ver te zoeken was, zich op de eene of andere streek bedacht.Daar viel hem het pothuis van den „Ouden Hein” in het oog.De man zat met den rug naar het deurtje en had de gewoonte, als iemand aan de klink rammelde, maar even met de hand een windhaak los te maken, en dan met den rug de deur open te duwen.„Wacht,” dacht Michiel, „die deur hangt in kleine hangetjes. Als ik daar de pennen uithaal en hij doet dan de deurmet den rug open, dan valt de deur op straat en hij er bij. Dat zal wat geven!”Voorzichtig was hij er heen geslopen, maar zóó stil kon hij de pennen er niet uithalen of „Oude Hein” hoorde wat, en juist toen Michiel aan de klink wou gaan rammelen, duwde de man al met den rug tegen de deur.Dat had de kwâjongen niet verwacht.Hij wilde nog tijdig wegloopen, maar, bom, daar viel de deur, door het gewicht van „Ouden Hein” nog verzwaard, boven op Michiel, die op den grond viel.Dàt deed zeer! Au! Au!Jawel, dat wil ik gelooven, maar de oude man bezeerde zich ook en schreeuwde luid: „Help!”Spoedig krabbelde hij op en toen hij zag wie daar onder de deur lag te spartelen, greep hij zijnen spanriem en gaf Michiel zoo even van het beste laken een pak.„Ik zal je leeren straatschenderij doen,” had de man geroepen terwijl hij er op insloeg.Eindelijk was Michiel van onder de deur gekomen en den man ontloopen, doch na dien tijd wist Michiel het altijd zóó aan te leggen, dat hij dat pothuis niet voorbij moest. Hij was bang voor hetgene hij nog te goed had; want toen hij wegliep, riep „Oude Hein” hem na: „Pas op, dat je hier niet meer in de buurt komt. Je hebt het achtste part nog maar beet!”En nu stond hij daar bij het pothuis ruim twee jaren later en rammelde aan de klink.„Oude Hein” deed open.„Wat?” riep hij, „wat, jij terug? Toch nog terug gekomen?”„Dat zie je, man!”„Niet overboord gesmeten?”„Neen, Hein!”„En niet voor de haaien gegaan?”„Ook al niet!”„Ja, onkruid vergaat niet; het groeit zelfs tegen de verdrukking in. Ik wilde dat gij maar heengingt!”„Ik kom het restje afkoopen,Oude Hein!”„Welk restje, kwâjongen?”„Wel, het achtste part van de klappen heb ik nog maar gehad! Daar blijven nog zeven achtste partjes over! Als ik je dezen zilveren duit geef, zijn we dan afgerekend?”„Wat! Hebt gij geld, en nog wel zilvergeld?”„Ja, Hein!”„Dat is zeker gestolen!”„Neen, vriend, eerlijk verdiend! Maar kom, ik sta hier mijnen tijd te verbabbelen, ik wil eens gauw naar huis. Vader is al aanboord geweest. Wilt ge voor dien zilveren duit die kist naar huis kruien?”„Top, dat doe ik, Michiel! En wel naar tien huizen, als gij wilt!”„Dankje, naar één huis is genoeg! Hier, steek maar gauw in den zak.”„Oude Hein” stak den zilveren duit in den zak, zette met behulp van Michiel de zware kist op den kruiwagen en reed er mee heen.„Wel, wel,” zei de man al kruiende, „wie had ooit gedacht dat ik voor jou nog een vrachtje wegbrengen zou? Maar het pak ransel, dat ik u gaf, is dat dan vergeten? Neen toch, want het was een pak van belang.”„Vergeten niet, Hein, maar vergeven wel.”„Dus zijt gij niet meer boos op me?”„Zijt ge wel mal?” antwoordde Michiel, die als een eerste bram naast den kruiwagen voortstapte. „Ik had het immers ruim verdiend, geloof ik!”„Dat hadt ge, maat!”Weer reed „Oude Hein” een eind voort zonder te spreken toen hij eensklaps den wagen neerzette. „Blijf eens staan,” zei hij.Michiel deed het.„Nu, gegroeid zijt gij niet veel, maar dikker geworden heel wat. Precies Vlissingens welvaren. De kost is dáár zeker goed,” sprak de kruier met het hoofd naar de „Lijnbaan” wijzend.„Ja, die is er bovenst!”„Nu, dan mocht uwe Moeder wel eens eene maand of drie daar kostgangster kunnen zijn. Ik heb haar gisteren nog gezien, en toen dacht ik: mensch, mensch, wat zijt ge mager! Als eene boonstaak. Gij zijt ook wat veranderd, Alida, sedert ik je te Middelburg heb leeren kennen! Wat was je toen eene wolk van eene meid!”„Ja, ja, Hein; maar zoudt ge nu niet verder gaan? Ik verlang zoo naar huis!”„Best gelooven, jongen, best gelooven! Maar loop vooruit! Ik zal met die kist niet aan den haal gaan. Eer ik aan een andermans kist denk, mag ik eerst wel aan de mijne denken! Ik zal zooveel vrachtjes niet meer bezorgen, als ik er in mijn leven al bezorgd heb!”„Hoe oud zijt gij dan al, Hein?”„Met Sint Maarten word ik eenentachtig. En hoe oud zijt gij?”„Ik ben met Sinte Krijn dertien jaar geworden.”1„Nu, dan moogt ge er toch wel zijn voor uwen ouderdom!”„Kijk, daar komt er een aanloopen! Is dat uwe oudste zuster?”„Dat is Alida” riep Michiel en snelde haar te gemoet.„Jonge beenen, jonge beenen!” bromde de oude, terwijl hij met zijnen kruiwagen voortsukkelde. „Maar, ik ben ook zoo geweest. Ik heb mijnen tijd gehad!”Toen Michiel zijne zuster verwelkomd had liep hij haar weer hard vooruit; want aan de deur van het oude huis zag hij zijne Moeder staan.„Dag, Moeder! Dag, lieve, beste, brave Moeder!” riep Michiel en viel haar om den hals.„Kind, wat zijt gij lang weg geweest,” zeide Moeder Alida, met tranen van blijdschap in de oogen. „Ik dacht dat we elkander nooit meer zien zouden. De Domine en Engels zijn, ik weet niet hoe dikwijls wezen vragen, of we nog niemendal van u gehoord hadden! Maar wat ziet gij er goed uit, kind!”„Ja, Moeder!”Daar vielen zijne oogen opeens op Moeder Alida’s gelaat, armen en handen. Hij schrikte er van zoo mager als de goede ziel was.„Zijt gij ziek geweest, Moeder?”„Neen, jongen, gelukkig niet! Waarom vraagt ge dat zoo?”„Wel, Moeder, ik vind dat ge zoo afgevallen zijt!”„Ja, kind, dat zeggen alle menschen! Ik denk, dat het van verlangen komt!”„Nu, Moeder, als dát waar is, dan zult ge weer wel opknappen. Maar we blijven niet lang aan den wal, hoor! Er is heel wat drukte in de vaart.”„Dat heb ik daar straks van uwen Vader gehoord. Hoe komt dat zoo?”„Wel, Moeder, er zijn zulke goede zaken te doen, want er gaan tegenwoordig ook veel schepen naar Amerika. We hebben zoo even een voordeelig reisje gehad! Maar, dat is waar, waarom zijt ge niet even aanboord wezen kijken?”„Ja, ik wist niet dat de „Lijnbaan” aan was. Ik had wel hooren schieten; maar er komen en gaan tegenwoordig zooveel schepen, en ik ben in den laatsten tijd zoo dikwijls voor niemendal naar het hoofd geweest, dat ik er nu niet op gelet heb. Uw Vader wist het ook niet, en als die niet aan de haven had moeten zijn, dan had hij het ook niet geweten! Toen hij vanmiddag kwam eten vertelde hij het ons, en nu stonden Alida en ik juist gereed eens te gaan kijken, toen we u zagen aankomen. Maar wat moet„Oude Hein” hier komen doen? Hij komt met zijnen kruiwagen naar ons toe!”„Dat is eene kist van mij, Moeder!”De goede vrouw zag aanstonds dat het niet dezelfde kist was, die Michiel had medegenomen.„Is uwe kist dan weg, jongen? Ge hebt eene andere gehad!”„Die is nog aanboord, Moeder!”„Oude Hein” zette den wagen neer enzuchtteervan.„Ik zal ze wel binnen dragen, Hein!” zeide Michiel.„Maar, jongen, dat kunt gij niet alleen doen!”„Ik heb ze toch vanboord af bij je gebracht ook! Kom, een-twee-drie!”—daar was de kist op Michiels schouder.„Ge zijt me wat mans, hoor!” zeide „Oude Hein”.„Ben ik?” vroeg Michiel leuk. „Dag, Hein! Als ik weer een vrachtje heb, hoor, dan neem ik je weer!”Na dit gezegd te hebben ging Michiel naar binnen, op den voet door Moeder en Alida gevolgd.„Hebben we gezelschap, Moeder?” vroeg Michiel, terwijl hij op een gezond boeren-meisje van zijnen leeftijd wees.„Ja, kent gij haar niet meer?”„Neen, Moeder, ik kan ze niet thuisbrengen!”„Kom, denk maar eens! Ge hebt haar wel eens bij buurman Engels gezien!”„O, ja,—ja,—nu weet ik het. Het is,—het is Maria, Maria Velders van Grijpskerke!”„Dat hebt gij geraden, Michiel!” antwoordde het meisje, terwijl zij lachend hem eene hand gaf. „Maar wat zijt gij groot en dik geworden!”„Zeg, de pot verwijt den ketel dat hij zwart is, hoor! Ik zou u stellig niet meer gekend hebben, als Moeder mij niet op dreef geholpen had. En hoe maken het uwe Ouders?”„Eilaci, Michiel, die zijn in het najaar van ’18 aan dekinderpokken gestorven! Die heerschten toen weer heel erg. Vooral bij ons!”„Ze waren er al toen ik wegging. En waar woont gij nu? Nog te Grijpskerke?”„Ik ben dadelijk bij Oom Engels gekomen, en zoo nu en dan kom ik uwe Moeder eens gezelschap houden. Vindt gij dat niet goed van me?”„Zeker, zeker! Maar nu de kist uitpakken! Geef me eens hamer, beitel en nijptang, Moeder!”Zijne zuster stond op en bracht ze hem.Daar ging Michiel aan het kloppen en breken van belang.„Wie heeft die kist toch zoo dicht gespijkerd, Michiel?” vroeg Alida lachend.„Wel, hij zelf, meid!” zeide Marie Velders. „Hij was zeker bang, dat ze het rommeltje stelen zouden!”„Rommeltje?” bromde Michiel zoogenaamd verontwaardigd, terwijl hij even van zijn werk opkeek.„Ja, zeker, rommeltje, wat zou het anders zijn?”„Als dat rommeltje is, dan weet ik het niet meer,” antwoordde Michiel, terwijl hij onverdroten voortwerkte en het eindelijk zoo ver kreeg dat hij het deksel met den beitel er aflichten kon.„Nu zullen we dan toch eens zien, wat moois Michiel meegebracht heeft,” riep Alida, en bukte zich uit nieuwsgierigheid zoo ver over de kist, dat Michiel zeggen moest: „Uit den weg, Alida! Anders krijgt ge nog eenen stomp tegen den neus, die raak is!”„Ik wed dat er een aap uit komt,” riep Maria plagend.„Gij kunt wedden, wat gij wilt!” zeide Michiel het deksel er afnemende, en begon de pakjes er uit te halen en aan Alida over te geven.Weldra stond de tafel heelemaal vol met allerlei aardigheden. Voor ieder was er wat. Voor Moeder het mooiste, dat spreekt. Verder was er wat voor Vader, voor al de broeders en zusters, voor buurman Engels, voor CorneliaEngels en zelfs voor den Dominé en baas Lorkens was er wat.„Ik zie het al, voor mij is er niemendal,” zeide Maria.„Ik wist ook niet dat ik u hier zou vinden, Maria!” zeide Michiel eenigszins verlegen.„Is het waar ook? Hinderde het of ik te Grijpskerke of hier, was? Ik ben er toch, niet? Maar het is niemendal, hoor! Ik zeide dat zoo maar voor de aardigheid!” sprak Maria. „Ge dacht toch niet, dat ik het meende, Michiel?”„Zeker dacht ik dat! Maar wacht, ik heb toch wat voor je!”„Het zal wat moois zijn als het voor de heeren komt,” spotte Maria.„Mooi? Nooit zoo mooi gezien! Ik zal u leeren, hoe de Chineezen elkander groeten,” zei Michiel, en met de handen Maria’s hoofd bij de wangen vasthoudende, wreef hij zijnen neus tegen haren neus.„Zoo groeten nu de Chineezen elkander!” zei Michiel.„Het is heel lief, dat moet ik zeggen!” antwoordde Maria.„Ja, en zóó groeten de Vlissingsche jongens de Zeeuwsche meiskens!” riep Michiel en gaf, eer Maria den driesten zeeman afweren kon, het plaagzieke meisje op elke wang eenen zoen.Moeder Alida klapte van pret in de handen en riep, terwijl Maria hare verfrommelde muts goed zette: „Ja, meisken, dat hebt ge verdiend met uw geplaag.”„En ik wil dien rauwen zeeman wel eens leeren, hoe de Zeeuwsche meiskens de brutale Vlissingsche jongens groeten,” zei Maria.„Top, de eene dienst is den anderen waard! Dat wil ik leeren,” riep Michiel.Pas had hij dat gezegd of het vinnige ding gaf hem met de volle hand eenen klap om de ooren, die zoo even raak was.„Hoe vindt gij nu onze manier van groeten?” vroeg Maria.„Wel, om de waarheid te zeggen, vind ik de manier van ons, Vlissingsche jongens, niet zoo hardhandig,” antwoordde Michiel terwijl hij zijn oor wreef.„Wat moet dat geven?” vroeg Vader, die met eenige kruiken beladen, binnen kwam. „Is het hier boelhuis?”„Hé, hé, kijk eens wat een hoop goed op tafel,” riep een zusje dat van school kwam.„Kijk, kijk, Ant, daar is Michiel!”„Dag, Michiel,” riep een jonger broer. „Ben je thuis? Heb je wat voor me mee gebracht?”„Kijk, kijk, een wiegel-poppeken! Is dat voor mij, Michiel?” vroeg Anna op een leelijk popje van Chineesch porselein wijzend.„Ja, meid, dat raad je nu eens net! Dat is voor u!”„En wat zit hierin, Michiel?” vroeg Vader.„Doe maar eens open, Vader! Dat is voor u!”Vader deed het pakje zoo voorzichtig open, alsof het breken zou, en vond een zakmes met mooi gesneden hecht.„Dat is goed staal, jongen!”„Ja, Vader, dat is het; maar geef me nu gauw eenen duit, anders snijdt dat mes de vriendschap af!”Vader tastte in den zak en gaf terstond eenen duit en wel eenen waarin een gaatje geboord was.„Dat treft ge,” zeide hij. „Een duit met een gat is altijd wat!”„Ik zal hem als bagijnenkoek bewaren, Vader!” was het antwoord van Michiel, die evenals alle menschen van dien tijd, enkelen misschien uitgezonderd, geloofden dat men niemand een snijdend voorwerp ten geschenke mocht geven, of men moest een klein geldstuk terug hebben. Het had dan den schijn, alsof het gekocht was, en zou dan de vriendschap niet meer afsnijden. Zoo ook geloofde men vrij algemeen dat hij, die een geldstuk met een gaatje erin ontving, zegen met dat geldstuk hebben zou.Voor Moeder, Alida, Cornelia en den Dominé had hijIndische kamermuilen medegebracht, en voor buurman Engels en baas Lorkens ieder een mes, als Vader had. Maar Vaders mes was mooier dan al de andere, evenals Moeders kamermuilen veel mooier waren dan de overige. Verder kwamen er uit de kist nog allerlei vreemde dingen, zooals groote kinkhorens, die de kinderen al voor de ooren hielden om de zee erin te hooren ruischen,—groote zeeschelpen, besneden doosjes van schildpad, waarvan Maria er een kreeg, kokosnoten, groote boombladeren, eenige mooie vogelvederen, een paar Chineesche scheepsbeschuiten waarvan ze allemaal proeven moesten, doch die ze geen van allen lekker vonden, daar ze zoo muf smaakten,—een paar uitgeblazen struisvogel-eieren, die hij aan Kaap de Goede Hoop van eenige wilden voor eenen knoop van zijn buis geruild had, toen ze water innamen, en eindelijk eene kris, dat is een Javaansche dolk, dien hij te Batavia, dat nog wel klein was, maar waar toch veel omging, gekocht had. Het beste evenwel kwam achteraan. Het was een lederen beursje met geld, zuiver overgespaard geld, dat hij zelf verdiend had. Hij gaf het Moeder Alida en zei: „Hier, Moeder, om vanavond eens spek-pannekoeken te eten!”„Alles opmaken vanavond, jongen?”„Er is zoo heel veel niet in, Moeder! Maar wat er overschiet is een appeltje voor den dorst.”Moeder Alida nam het geld dankbaar aan en—dien avond was er feest.Vader Adriaen had al den tijd dat Michiel weg was, iedere week eene kleinigheid van zijne buitenkansjes weggelegd om, als Michiel thuis kwam op bier te trakteeren.Michiel, van zijnen kant voor Vader niet willende onderdoen, onthaalde op spek-pannekoeken.Het kleine huiskamertje was propvol; men zat tot op de ijzeren vuurplaat, ja, tot op de bedstee-sponde; want daar waren er van Vader Adriaens huisgezin dertien zooklein als groot. Verder had men er den „Barren Bruinvisch”, Dominé, buurman Engels met zijne dochter Cornelia en zijn nichtje Maria, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie, welke twee laatsten bij Michiel op de bedstee-sponde zaten. Deze werd op den duur wel wat al te hard en dan gingen ze een poosje staan om wat te bekomen.Eindelijk, nadat het spek-pannekoekenmaal binnen was en men het bier een paar keeren geproefd had, zei Vader Adriaen: „En nu zal ik eens zeggen, hoe ik van Bergen-op-Zoom hier in Vlissingen geland ben. Ik heb dat mijnen kinderen nooit verteld, en Moeder Alida is het misschien al vergeten. Luistert nu maar goed, kinderen, want ik vertel het na dezen keer niet meer.”Alles werd stil; Michiel, Geleyn en Jan Kompanjie wipten weer op de sponde, Jan in het midden, en Vader Adriaen begon.1Sinte Krijn of St. Quirinus is een Heiligdag, die den 24stenMaart gevierd wordt.↑

ZESDE HOOFDSTUK.Thuis van de eerste zeereis.

Met rijke lading was de „Lijnbaan” ruim anderhalf jaar later uit de Oost-Indiën te Vlissingen binnen gekomen en Michiel dus weer terug.Dat gaf wat eene blijdschap, vooral daar Lievensz. dadelijk tegen Vader Adriaen gezegd had, toen deze aanboord kwam om zijnen zoon te verwelkomen, dat Michiel vanden dag af, dat hij aanboord was gekomen, zoo in zijn voordeel veranderd was, dat hij een voorbeeld voor iedereen kon genoemd worden.Den eersten avond den besten mocht hij voor eenen nacht naar huis.„Jongen, laat de kist hier aanboord! Als we gelost zijn en het schip is weer wat opgeknapt, dan gaan we dadelijk weg,” zeide de Kapitein. „Het is de moeite niet waard, ze aanwal te brengen.”„Het is mijne kleerkist niet, Kapitein! Er zitten aardigheidjes in voor thuis,” gaf Michiel ten antwoord.„Hebt gij dan de heele Molukken leeg gekocht?” vroeg de Kapitein lachend. „Nu, ga maar door, maar overdraag je niet!”Met groote moeite nam Michiel de kist op, droeg ze van het schip en bracht ze bij een pothuis waar „Oude Hein” schoenen zat te lappen, en als het noodig was, en hij kon er wat mee verdienen, op vrachtjes, die per kruiwagen konden vervoerd worden, zat te wachten.Hein en Michiel kenden elkander goed; maar die kennismaking was voor geen van de twee van de aangenaamste geweest, daar ontbrak heel wat aan.Het zou nu zoo wat twee jaren geleden zijn, dat Michiel op zekeren avond langs straat slenterende, en niet wetende wat hij doen moest, daar Geleyn en Pieter Evertsen niet te vinden waren en Jan Kompanjie nog ver te zoeken was, zich op de eene of andere streek bedacht.Daar viel hem het pothuis van den „Ouden Hein” in het oog.De man zat met den rug naar het deurtje en had de gewoonte, als iemand aan de klink rammelde, maar even met de hand een windhaak los te maken, en dan met den rug de deur open te duwen.„Wacht,” dacht Michiel, „die deur hangt in kleine hangetjes. Als ik daar de pennen uithaal en hij doet dan de deurmet den rug open, dan valt de deur op straat en hij er bij. Dat zal wat geven!”Voorzichtig was hij er heen geslopen, maar zóó stil kon hij de pennen er niet uithalen of „Oude Hein” hoorde wat, en juist toen Michiel aan de klink wou gaan rammelen, duwde de man al met den rug tegen de deur.Dat had de kwâjongen niet verwacht.Hij wilde nog tijdig wegloopen, maar, bom, daar viel de deur, door het gewicht van „Ouden Hein” nog verzwaard, boven op Michiel, die op den grond viel.Dàt deed zeer! Au! Au!Jawel, dat wil ik gelooven, maar de oude man bezeerde zich ook en schreeuwde luid: „Help!”Spoedig krabbelde hij op en toen hij zag wie daar onder de deur lag te spartelen, greep hij zijnen spanriem en gaf Michiel zoo even van het beste laken een pak.„Ik zal je leeren straatschenderij doen,” had de man geroepen terwijl hij er op insloeg.Eindelijk was Michiel van onder de deur gekomen en den man ontloopen, doch na dien tijd wist Michiel het altijd zóó aan te leggen, dat hij dat pothuis niet voorbij moest. Hij was bang voor hetgene hij nog te goed had; want toen hij wegliep, riep „Oude Hein” hem na: „Pas op, dat je hier niet meer in de buurt komt. Je hebt het achtste part nog maar beet!”En nu stond hij daar bij het pothuis ruim twee jaren later en rammelde aan de klink.„Oude Hein” deed open.„Wat?” riep hij, „wat, jij terug? Toch nog terug gekomen?”„Dat zie je, man!”„Niet overboord gesmeten?”„Neen, Hein!”„En niet voor de haaien gegaan?”„Ook al niet!”„Ja, onkruid vergaat niet; het groeit zelfs tegen de verdrukking in. Ik wilde dat gij maar heengingt!”„Ik kom het restje afkoopen,Oude Hein!”„Welk restje, kwâjongen?”„Wel, het achtste part van de klappen heb ik nog maar gehad! Daar blijven nog zeven achtste partjes over! Als ik je dezen zilveren duit geef, zijn we dan afgerekend?”„Wat! Hebt gij geld, en nog wel zilvergeld?”„Ja, Hein!”„Dat is zeker gestolen!”„Neen, vriend, eerlijk verdiend! Maar kom, ik sta hier mijnen tijd te verbabbelen, ik wil eens gauw naar huis. Vader is al aanboord geweest. Wilt ge voor dien zilveren duit die kist naar huis kruien?”„Top, dat doe ik, Michiel! En wel naar tien huizen, als gij wilt!”„Dankje, naar één huis is genoeg! Hier, steek maar gauw in den zak.”„Oude Hein” stak den zilveren duit in den zak, zette met behulp van Michiel de zware kist op den kruiwagen en reed er mee heen.„Wel, wel,” zei de man al kruiende, „wie had ooit gedacht dat ik voor jou nog een vrachtje wegbrengen zou? Maar het pak ransel, dat ik u gaf, is dat dan vergeten? Neen toch, want het was een pak van belang.”„Vergeten niet, Hein, maar vergeven wel.”„Dus zijt gij niet meer boos op me?”„Zijt ge wel mal?” antwoordde Michiel, die als een eerste bram naast den kruiwagen voortstapte. „Ik had het immers ruim verdiend, geloof ik!”„Dat hadt ge, maat!”Weer reed „Oude Hein” een eind voort zonder te spreken toen hij eensklaps den wagen neerzette. „Blijf eens staan,” zei hij.Michiel deed het.„Nu, gegroeid zijt gij niet veel, maar dikker geworden heel wat. Precies Vlissingens welvaren. De kost is dáár zeker goed,” sprak de kruier met het hoofd naar de „Lijnbaan” wijzend.„Ja, die is er bovenst!”„Nu, dan mocht uwe Moeder wel eens eene maand of drie daar kostgangster kunnen zijn. Ik heb haar gisteren nog gezien, en toen dacht ik: mensch, mensch, wat zijt ge mager! Als eene boonstaak. Gij zijt ook wat veranderd, Alida, sedert ik je te Middelburg heb leeren kennen! Wat was je toen eene wolk van eene meid!”„Ja, ja, Hein; maar zoudt ge nu niet verder gaan? Ik verlang zoo naar huis!”„Best gelooven, jongen, best gelooven! Maar loop vooruit! Ik zal met die kist niet aan den haal gaan. Eer ik aan een andermans kist denk, mag ik eerst wel aan de mijne denken! Ik zal zooveel vrachtjes niet meer bezorgen, als ik er in mijn leven al bezorgd heb!”„Hoe oud zijt gij dan al, Hein?”„Met Sint Maarten word ik eenentachtig. En hoe oud zijt gij?”„Ik ben met Sinte Krijn dertien jaar geworden.”1„Nu, dan moogt ge er toch wel zijn voor uwen ouderdom!”„Kijk, daar komt er een aanloopen! Is dat uwe oudste zuster?”„Dat is Alida” riep Michiel en snelde haar te gemoet.„Jonge beenen, jonge beenen!” bromde de oude, terwijl hij met zijnen kruiwagen voortsukkelde. „Maar, ik ben ook zoo geweest. Ik heb mijnen tijd gehad!”Toen Michiel zijne zuster verwelkomd had liep hij haar weer hard vooruit; want aan de deur van het oude huis zag hij zijne Moeder staan.„Dag, Moeder! Dag, lieve, beste, brave Moeder!” riep Michiel en viel haar om den hals.„Kind, wat zijt gij lang weg geweest,” zeide Moeder Alida, met tranen van blijdschap in de oogen. „Ik dacht dat we elkander nooit meer zien zouden. De Domine en Engels zijn, ik weet niet hoe dikwijls wezen vragen, of we nog niemendal van u gehoord hadden! Maar wat ziet gij er goed uit, kind!”„Ja, Moeder!”Daar vielen zijne oogen opeens op Moeder Alida’s gelaat, armen en handen. Hij schrikte er van zoo mager als de goede ziel was.„Zijt gij ziek geweest, Moeder?”„Neen, jongen, gelukkig niet! Waarom vraagt ge dat zoo?”„Wel, Moeder, ik vind dat ge zoo afgevallen zijt!”„Ja, kind, dat zeggen alle menschen! Ik denk, dat het van verlangen komt!”„Nu, Moeder, als dát waar is, dan zult ge weer wel opknappen. Maar we blijven niet lang aan den wal, hoor! Er is heel wat drukte in de vaart.”„Dat heb ik daar straks van uwen Vader gehoord. Hoe komt dat zoo?”„Wel, Moeder, er zijn zulke goede zaken te doen, want er gaan tegenwoordig ook veel schepen naar Amerika. We hebben zoo even een voordeelig reisje gehad! Maar, dat is waar, waarom zijt ge niet even aanboord wezen kijken?”„Ja, ik wist niet dat de „Lijnbaan” aan was. Ik had wel hooren schieten; maar er komen en gaan tegenwoordig zooveel schepen, en ik ben in den laatsten tijd zoo dikwijls voor niemendal naar het hoofd geweest, dat ik er nu niet op gelet heb. Uw Vader wist het ook niet, en als die niet aan de haven had moeten zijn, dan had hij het ook niet geweten! Toen hij vanmiddag kwam eten vertelde hij het ons, en nu stonden Alida en ik juist gereed eens te gaan kijken, toen we u zagen aankomen. Maar wat moet„Oude Hein” hier komen doen? Hij komt met zijnen kruiwagen naar ons toe!”„Dat is eene kist van mij, Moeder!”De goede vrouw zag aanstonds dat het niet dezelfde kist was, die Michiel had medegenomen.„Is uwe kist dan weg, jongen? Ge hebt eene andere gehad!”„Die is nog aanboord, Moeder!”„Oude Hein” zette den wagen neer enzuchtteervan.„Ik zal ze wel binnen dragen, Hein!” zeide Michiel.„Maar, jongen, dat kunt gij niet alleen doen!”„Ik heb ze toch vanboord af bij je gebracht ook! Kom, een-twee-drie!”—daar was de kist op Michiels schouder.„Ge zijt me wat mans, hoor!” zeide „Oude Hein”.„Ben ik?” vroeg Michiel leuk. „Dag, Hein! Als ik weer een vrachtje heb, hoor, dan neem ik je weer!”Na dit gezegd te hebben ging Michiel naar binnen, op den voet door Moeder en Alida gevolgd.„Hebben we gezelschap, Moeder?” vroeg Michiel, terwijl hij op een gezond boeren-meisje van zijnen leeftijd wees.„Ja, kent gij haar niet meer?”„Neen, Moeder, ik kan ze niet thuisbrengen!”„Kom, denk maar eens! Ge hebt haar wel eens bij buurman Engels gezien!”„O, ja,—ja,—nu weet ik het. Het is,—het is Maria, Maria Velders van Grijpskerke!”„Dat hebt gij geraden, Michiel!” antwoordde het meisje, terwijl zij lachend hem eene hand gaf. „Maar wat zijt gij groot en dik geworden!”„Zeg, de pot verwijt den ketel dat hij zwart is, hoor! Ik zou u stellig niet meer gekend hebben, als Moeder mij niet op dreef geholpen had. En hoe maken het uwe Ouders?”„Eilaci, Michiel, die zijn in het najaar van ’18 aan dekinderpokken gestorven! Die heerschten toen weer heel erg. Vooral bij ons!”„Ze waren er al toen ik wegging. En waar woont gij nu? Nog te Grijpskerke?”„Ik ben dadelijk bij Oom Engels gekomen, en zoo nu en dan kom ik uwe Moeder eens gezelschap houden. Vindt gij dat niet goed van me?”„Zeker, zeker! Maar nu de kist uitpakken! Geef me eens hamer, beitel en nijptang, Moeder!”Zijne zuster stond op en bracht ze hem.Daar ging Michiel aan het kloppen en breken van belang.„Wie heeft die kist toch zoo dicht gespijkerd, Michiel?” vroeg Alida lachend.„Wel, hij zelf, meid!” zeide Marie Velders. „Hij was zeker bang, dat ze het rommeltje stelen zouden!”„Rommeltje?” bromde Michiel zoogenaamd verontwaardigd, terwijl hij even van zijn werk opkeek.„Ja, zeker, rommeltje, wat zou het anders zijn?”„Als dat rommeltje is, dan weet ik het niet meer,” antwoordde Michiel, terwijl hij onverdroten voortwerkte en het eindelijk zoo ver kreeg dat hij het deksel met den beitel er aflichten kon.„Nu zullen we dan toch eens zien, wat moois Michiel meegebracht heeft,” riep Alida, en bukte zich uit nieuwsgierigheid zoo ver over de kist, dat Michiel zeggen moest: „Uit den weg, Alida! Anders krijgt ge nog eenen stomp tegen den neus, die raak is!”„Ik wed dat er een aap uit komt,” riep Maria plagend.„Gij kunt wedden, wat gij wilt!” zeide Michiel het deksel er afnemende, en begon de pakjes er uit te halen en aan Alida over te geven.Weldra stond de tafel heelemaal vol met allerlei aardigheden. Voor ieder was er wat. Voor Moeder het mooiste, dat spreekt. Verder was er wat voor Vader, voor al de broeders en zusters, voor buurman Engels, voor CorneliaEngels en zelfs voor den Dominé en baas Lorkens was er wat.„Ik zie het al, voor mij is er niemendal,” zeide Maria.„Ik wist ook niet dat ik u hier zou vinden, Maria!” zeide Michiel eenigszins verlegen.„Is het waar ook? Hinderde het of ik te Grijpskerke of hier, was? Ik ben er toch, niet? Maar het is niemendal, hoor! Ik zeide dat zoo maar voor de aardigheid!” sprak Maria. „Ge dacht toch niet, dat ik het meende, Michiel?”„Zeker dacht ik dat! Maar wacht, ik heb toch wat voor je!”„Het zal wat moois zijn als het voor de heeren komt,” spotte Maria.„Mooi? Nooit zoo mooi gezien! Ik zal u leeren, hoe de Chineezen elkander groeten,” zei Michiel, en met de handen Maria’s hoofd bij de wangen vasthoudende, wreef hij zijnen neus tegen haren neus.„Zoo groeten nu de Chineezen elkander!” zei Michiel.„Het is heel lief, dat moet ik zeggen!” antwoordde Maria.„Ja, en zóó groeten de Vlissingsche jongens de Zeeuwsche meiskens!” riep Michiel en gaf, eer Maria den driesten zeeman afweren kon, het plaagzieke meisje op elke wang eenen zoen.Moeder Alida klapte van pret in de handen en riep, terwijl Maria hare verfrommelde muts goed zette: „Ja, meisken, dat hebt ge verdiend met uw geplaag.”„En ik wil dien rauwen zeeman wel eens leeren, hoe de Zeeuwsche meiskens de brutale Vlissingsche jongens groeten,” zei Maria.„Top, de eene dienst is den anderen waard! Dat wil ik leeren,” riep Michiel.Pas had hij dat gezegd of het vinnige ding gaf hem met de volle hand eenen klap om de ooren, die zoo even raak was.„Hoe vindt gij nu onze manier van groeten?” vroeg Maria.„Wel, om de waarheid te zeggen, vind ik de manier van ons, Vlissingsche jongens, niet zoo hardhandig,” antwoordde Michiel terwijl hij zijn oor wreef.„Wat moet dat geven?” vroeg Vader, die met eenige kruiken beladen, binnen kwam. „Is het hier boelhuis?”„Hé, hé, kijk eens wat een hoop goed op tafel,” riep een zusje dat van school kwam.„Kijk, kijk, Ant, daar is Michiel!”„Dag, Michiel,” riep een jonger broer. „Ben je thuis? Heb je wat voor me mee gebracht?”„Kijk, kijk, een wiegel-poppeken! Is dat voor mij, Michiel?” vroeg Anna op een leelijk popje van Chineesch porselein wijzend.„Ja, meid, dat raad je nu eens net! Dat is voor u!”„En wat zit hierin, Michiel?” vroeg Vader.„Doe maar eens open, Vader! Dat is voor u!”Vader deed het pakje zoo voorzichtig open, alsof het breken zou, en vond een zakmes met mooi gesneden hecht.„Dat is goed staal, jongen!”„Ja, Vader, dat is het; maar geef me nu gauw eenen duit, anders snijdt dat mes de vriendschap af!”Vader tastte in den zak en gaf terstond eenen duit en wel eenen waarin een gaatje geboord was.„Dat treft ge,” zeide hij. „Een duit met een gat is altijd wat!”„Ik zal hem als bagijnenkoek bewaren, Vader!” was het antwoord van Michiel, die evenals alle menschen van dien tijd, enkelen misschien uitgezonderd, geloofden dat men niemand een snijdend voorwerp ten geschenke mocht geven, of men moest een klein geldstuk terug hebben. Het had dan den schijn, alsof het gekocht was, en zou dan de vriendschap niet meer afsnijden. Zoo ook geloofde men vrij algemeen dat hij, die een geldstuk met een gaatje erin ontving, zegen met dat geldstuk hebben zou.Voor Moeder, Alida, Cornelia en den Dominé had hijIndische kamermuilen medegebracht, en voor buurman Engels en baas Lorkens ieder een mes, als Vader had. Maar Vaders mes was mooier dan al de andere, evenals Moeders kamermuilen veel mooier waren dan de overige. Verder kwamen er uit de kist nog allerlei vreemde dingen, zooals groote kinkhorens, die de kinderen al voor de ooren hielden om de zee erin te hooren ruischen,—groote zeeschelpen, besneden doosjes van schildpad, waarvan Maria er een kreeg, kokosnoten, groote boombladeren, eenige mooie vogelvederen, een paar Chineesche scheepsbeschuiten waarvan ze allemaal proeven moesten, doch die ze geen van allen lekker vonden, daar ze zoo muf smaakten,—een paar uitgeblazen struisvogel-eieren, die hij aan Kaap de Goede Hoop van eenige wilden voor eenen knoop van zijn buis geruild had, toen ze water innamen, en eindelijk eene kris, dat is een Javaansche dolk, dien hij te Batavia, dat nog wel klein was, maar waar toch veel omging, gekocht had. Het beste evenwel kwam achteraan. Het was een lederen beursje met geld, zuiver overgespaard geld, dat hij zelf verdiend had. Hij gaf het Moeder Alida en zei: „Hier, Moeder, om vanavond eens spek-pannekoeken te eten!”„Alles opmaken vanavond, jongen?”„Er is zoo heel veel niet in, Moeder! Maar wat er overschiet is een appeltje voor den dorst.”Moeder Alida nam het geld dankbaar aan en—dien avond was er feest.Vader Adriaen had al den tijd dat Michiel weg was, iedere week eene kleinigheid van zijne buitenkansjes weggelegd om, als Michiel thuis kwam op bier te trakteeren.Michiel, van zijnen kant voor Vader niet willende onderdoen, onthaalde op spek-pannekoeken.Het kleine huiskamertje was propvol; men zat tot op de ijzeren vuurplaat, ja, tot op de bedstee-sponde; want daar waren er van Vader Adriaens huisgezin dertien zooklein als groot. Verder had men er den „Barren Bruinvisch”, Dominé, buurman Engels met zijne dochter Cornelia en zijn nichtje Maria, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie, welke twee laatsten bij Michiel op de bedstee-sponde zaten. Deze werd op den duur wel wat al te hard en dan gingen ze een poosje staan om wat te bekomen.Eindelijk, nadat het spek-pannekoekenmaal binnen was en men het bier een paar keeren geproefd had, zei Vader Adriaen: „En nu zal ik eens zeggen, hoe ik van Bergen-op-Zoom hier in Vlissingen geland ben. Ik heb dat mijnen kinderen nooit verteld, en Moeder Alida is het misschien al vergeten. Luistert nu maar goed, kinderen, want ik vertel het na dezen keer niet meer.”Alles werd stil; Michiel, Geleyn en Jan Kompanjie wipten weer op de sponde, Jan in het midden, en Vader Adriaen begon.

Met rijke lading was de „Lijnbaan” ruim anderhalf jaar later uit de Oost-Indiën te Vlissingen binnen gekomen en Michiel dus weer terug.

Dat gaf wat eene blijdschap, vooral daar Lievensz. dadelijk tegen Vader Adriaen gezegd had, toen deze aanboord kwam om zijnen zoon te verwelkomen, dat Michiel vanden dag af, dat hij aanboord was gekomen, zoo in zijn voordeel veranderd was, dat hij een voorbeeld voor iedereen kon genoemd worden.

Den eersten avond den besten mocht hij voor eenen nacht naar huis.

„Jongen, laat de kist hier aanboord! Als we gelost zijn en het schip is weer wat opgeknapt, dan gaan we dadelijk weg,” zeide de Kapitein. „Het is de moeite niet waard, ze aanwal te brengen.”

„Het is mijne kleerkist niet, Kapitein! Er zitten aardigheidjes in voor thuis,” gaf Michiel ten antwoord.

„Hebt gij dan de heele Molukken leeg gekocht?” vroeg de Kapitein lachend. „Nu, ga maar door, maar overdraag je niet!”

Met groote moeite nam Michiel de kist op, droeg ze van het schip en bracht ze bij een pothuis waar „Oude Hein” schoenen zat te lappen, en als het noodig was, en hij kon er wat mee verdienen, op vrachtjes, die per kruiwagen konden vervoerd worden, zat te wachten.

Hein en Michiel kenden elkander goed; maar die kennismaking was voor geen van de twee van de aangenaamste geweest, daar ontbrak heel wat aan.

Het zou nu zoo wat twee jaren geleden zijn, dat Michiel op zekeren avond langs straat slenterende, en niet wetende wat hij doen moest, daar Geleyn en Pieter Evertsen niet te vinden waren en Jan Kompanjie nog ver te zoeken was, zich op de eene of andere streek bedacht.

Daar viel hem het pothuis van den „Ouden Hein” in het oog.

De man zat met den rug naar het deurtje en had de gewoonte, als iemand aan de klink rammelde, maar even met de hand een windhaak los te maken, en dan met den rug de deur open te duwen.

„Wacht,” dacht Michiel, „die deur hangt in kleine hangetjes. Als ik daar de pennen uithaal en hij doet dan de deurmet den rug open, dan valt de deur op straat en hij er bij. Dat zal wat geven!”

Voorzichtig was hij er heen geslopen, maar zóó stil kon hij de pennen er niet uithalen of „Oude Hein” hoorde wat, en juist toen Michiel aan de klink wou gaan rammelen, duwde de man al met den rug tegen de deur.

Dat had de kwâjongen niet verwacht.

Hij wilde nog tijdig wegloopen, maar, bom, daar viel de deur, door het gewicht van „Ouden Hein” nog verzwaard, boven op Michiel, die op den grond viel.

Dàt deed zeer! Au! Au!

Jawel, dat wil ik gelooven, maar de oude man bezeerde zich ook en schreeuwde luid: „Help!”

Spoedig krabbelde hij op en toen hij zag wie daar onder de deur lag te spartelen, greep hij zijnen spanriem en gaf Michiel zoo even van het beste laken een pak.

„Ik zal je leeren straatschenderij doen,” had de man geroepen terwijl hij er op insloeg.

Eindelijk was Michiel van onder de deur gekomen en den man ontloopen, doch na dien tijd wist Michiel het altijd zóó aan te leggen, dat hij dat pothuis niet voorbij moest. Hij was bang voor hetgene hij nog te goed had; want toen hij wegliep, riep „Oude Hein” hem na: „Pas op, dat je hier niet meer in de buurt komt. Je hebt het achtste part nog maar beet!”

En nu stond hij daar bij het pothuis ruim twee jaren later en rammelde aan de klink.

„Oude Hein” deed open.

„Wat?” riep hij, „wat, jij terug? Toch nog terug gekomen?”

„Dat zie je, man!”

„Niet overboord gesmeten?”

„Neen, Hein!”

„En niet voor de haaien gegaan?”

„Ook al niet!”

„Ja, onkruid vergaat niet; het groeit zelfs tegen de verdrukking in. Ik wilde dat gij maar heengingt!”

„Ik kom het restje afkoopen,Oude Hein!”

„Welk restje, kwâjongen?”

„Wel, het achtste part van de klappen heb ik nog maar gehad! Daar blijven nog zeven achtste partjes over! Als ik je dezen zilveren duit geef, zijn we dan afgerekend?”

„Wat! Hebt gij geld, en nog wel zilvergeld?”

„Ja, Hein!”

„Dat is zeker gestolen!”

„Neen, vriend, eerlijk verdiend! Maar kom, ik sta hier mijnen tijd te verbabbelen, ik wil eens gauw naar huis. Vader is al aanboord geweest. Wilt ge voor dien zilveren duit die kist naar huis kruien?”

„Top, dat doe ik, Michiel! En wel naar tien huizen, als gij wilt!”

„Dankje, naar één huis is genoeg! Hier, steek maar gauw in den zak.”

„Oude Hein” stak den zilveren duit in den zak, zette met behulp van Michiel de zware kist op den kruiwagen en reed er mee heen.

„Wel, wel,” zei de man al kruiende, „wie had ooit gedacht dat ik voor jou nog een vrachtje wegbrengen zou? Maar het pak ransel, dat ik u gaf, is dat dan vergeten? Neen toch, want het was een pak van belang.”

„Vergeten niet, Hein, maar vergeven wel.”

„Dus zijt gij niet meer boos op me?”

„Zijt ge wel mal?” antwoordde Michiel, die als een eerste bram naast den kruiwagen voortstapte. „Ik had het immers ruim verdiend, geloof ik!”

„Dat hadt ge, maat!”

Weer reed „Oude Hein” een eind voort zonder te spreken toen hij eensklaps den wagen neerzette. „Blijf eens staan,” zei hij.

Michiel deed het.

„Nu, gegroeid zijt gij niet veel, maar dikker geworden heel wat. Precies Vlissingens welvaren. De kost is dáár zeker goed,” sprak de kruier met het hoofd naar de „Lijnbaan” wijzend.

„Ja, die is er bovenst!”

„Nu, dan mocht uwe Moeder wel eens eene maand of drie daar kostgangster kunnen zijn. Ik heb haar gisteren nog gezien, en toen dacht ik: mensch, mensch, wat zijt ge mager! Als eene boonstaak. Gij zijt ook wat veranderd, Alida, sedert ik je te Middelburg heb leeren kennen! Wat was je toen eene wolk van eene meid!”

„Ja, ja, Hein; maar zoudt ge nu niet verder gaan? Ik verlang zoo naar huis!”

„Best gelooven, jongen, best gelooven! Maar loop vooruit! Ik zal met die kist niet aan den haal gaan. Eer ik aan een andermans kist denk, mag ik eerst wel aan de mijne denken! Ik zal zooveel vrachtjes niet meer bezorgen, als ik er in mijn leven al bezorgd heb!”

„Hoe oud zijt gij dan al, Hein?”

„Met Sint Maarten word ik eenentachtig. En hoe oud zijt gij?”

„Ik ben met Sinte Krijn dertien jaar geworden.”1

„Nu, dan moogt ge er toch wel zijn voor uwen ouderdom!”

„Kijk, daar komt er een aanloopen! Is dat uwe oudste zuster?”

„Dat is Alida” riep Michiel en snelde haar te gemoet.

„Jonge beenen, jonge beenen!” bromde de oude, terwijl hij met zijnen kruiwagen voortsukkelde. „Maar, ik ben ook zoo geweest. Ik heb mijnen tijd gehad!”

Toen Michiel zijne zuster verwelkomd had liep hij haar weer hard vooruit; want aan de deur van het oude huis zag hij zijne Moeder staan.

„Dag, Moeder! Dag, lieve, beste, brave Moeder!” riep Michiel en viel haar om den hals.

„Kind, wat zijt gij lang weg geweest,” zeide Moeder Alida, met tranen van blijdschap in de oogen. „Ik dacht dat we elkander nooit meer zien zouden. De Domine en Engels zijn, ik weet niet hoe dikwijls wezen vragen, of we nog niemendal van u gehoord hadden! Maar wat ziet gij er goed uit, kind!”

„Ja, Moeder!”

Daar vielen zijne oogen opeens op Moeder Alida’s gelaat, armen en handen. Hij schrikte er van zoo mager als de goede ziel was.

„Zijt gij ziek geweest, Moeder?”

„Neen, jongen, gelukkig niet! Waarom vraagt ge dat zoo?”

„Wel, Moeder, ik vind dat ge zoo afgevallen zijt!”

„Ja, kind, dat zeggen alle menschen! Ik denk, dat het van verlangen komt!”

„Nu, Moeder, als dát waar is, dan zult ge weer wel opknappen. Maar we blijven niet lang aan den wal, hoor! Er is heel wat drukte in de vaart.”

„Dat heb ik daar straks van uwen Vader gehoord. Hoe komt dat zoo?”

„Wel, Moeder, er zijn zulke goede zaken te doen, want er gaan tegenwoordig ook veel schepen naar Amerika. We hebben zoo even een voordeelig reisje gehad! Maar, dat is waar, waarom zijt ge niet even aanboord wezen kijken?”

„Ja, ik wist niet dat de „Lijnbaan” aan was. Ik had wel hooren schieten; maar er komen en gaan tegenwoordig zooveel schepen, en ik ben in den laatsten tijd zoo dikwijls voor niemendal naar het hoofd geweest, dat ik er nu niet op gelet heb. Uw Vader wist het ook niet, en als die niet aan de haven had moeten zijn, dan had hij het ook niet geweten! Toen hij vanmiddag kwam eten vertelde hij het ons, en nu stonden Alida en ik juist gereed eens te gaan kijken, toen we u zagen aankomen. Maar wat moet„Oude Hein” hier komen doen? Hij komt met zijnen kruiwagen naar ons toe!”

„Dat is eene kist van mij, Moeder!”

De goede vrouw zag aanstonds dat het niet dezelfde kist was, die Michiel had medegenomen.

„Is uwe kist dan weg, jongen? Ge hebt eene andere gehad!”

„Die is nog aanboord, Moeder!”

„Oude Hein” zette den wagen neer enzuchtteervan.

„Ik zal ze wel binnen dragen, Hein!” zeide Michiel.

„Maar, jongen, dat kunt gij niet alleen doen!”

„Ik heb ze toch vanboord af bij je gebracht ook! Kom, een-twee-drie!”—daar was de kist op Michiels schouder.

„Ge zijt me wat mans, hoor!” zeide „Oude Hein”.

„Ben ik?” vroeg Michiel leuk. „Dag, Hein! Als ik weer een vrachtje heb, hoor, dan neem ik je weer!”

Na dit gezegd te hebben ging Michiel naar binnen, op den voet door Moeder en Alida gevolgd.

„Hebben we gezelschap, Moeder?” vroeg Michiel, terwijl hij op een gezond boeren-meisje van zijnen leeftijd wees.

„Ja, kent gij haar niet meer?”

„Neen, Moeder, ik kan ze niet thuisbrengen!”

„Kom, denk maar eens! Ge hebt haar wel eens bij buurman Engels gezien!”

„O, ja,—ja,—nu weet ik het. Het is,—het is Maria, Maria Velders van Grijpskerke!”

„Dat hebt gij geraden, Michiel!” antwoordde het meisje, terwijl zij lachend hem eene hand gaf. „Maar wat zijt gij groot en dik geworden!”

„Zeg, de pot verwijt den ketel dat hij zwart is, hoor! Ik zou u stellig niet meer gekend hebben, als Moeder mij niet op dreef geholpen had. En hoe maken het uwe Ouders?”

„Eilaci, Michiel, die zijn in het najaar van ’18 aan dekinderpokken gestorven! Die heerschten toen weer heel erg. Vooral bij ons!”

„Ze waren er al toen ik wegging. En waar woont gij nu? Nog te Grijpskerke?”

„Ik ben dadelijk bij Oom Engels gekomen, en zoo nu en dan kom ik uwe Moeder eens gezelschap houden. Vindt gij dat niet goed van me?”

„Zeker, zeker! Maar nu de kist uitpakken! Geef me eens hamer, beitel en nijptang, Moeder!”

Zijne zuster stond op en bracht ze hem.

Daar ging Michiel aan het kloppen en breken van belang.

„Wie heeft die kist toch zoo dicht gespijkerd, Michiel?” vroeg Alida lachend.

„Wel, hij zelf, meid!” zeide Marie Velders. „Hij was zeker bang, dat ze het rommeltje stelen zouden!”

„Rommeltje?” bromde Michiel zoogenaamd verontwaardigd, terwijl hij even van zijn werk opkeek.

„Ja, zeker, rommeltje, wat zou het anders zijn?”

„Als dat rommeltje is, dan weet ik het niet meer,” antwoordde Michiel, terwijl hij onverdroten voortwerkte en het eindelijk zoo ver kreeg dat hij het deksel met den beitel er aflichten kon.

„Nu zullen we dan toch eens zien, wat moois Michiel meegebracht heeft,” riep Alida, en bukte zich uit nieuwsgierigheid zoo ver over de kist, dat Michiel zeggen moest: „Uit den weg, Alida! Anders krijgt ge nog eenen stomp tegen den neus, die raak is!”

„Ik wed dat er een aap uit komt,” riep Maria plagend.

„Gij kunt wedden, wat gij wilt!” zeide Michiel het deksel er afnemende, en begon de pakjes er uit te halen en aan Alida over te geven.

Weldra stond de tafel heelemaal vol met allerlei aardigheden. Voor ieder was er wat. Voor Moeder het mooiste, dat spreekt. Verder was er wat voor Vader, voor al de broeders en zusters, voor buurman Engels, voor CorneliaEngels en zelfs voor den Dominé en baas Lorkens was er wat.

„Ik zie het al, voor mij is er niemendal,” zeide Maria.

„Ik wist ook niet dat ik u hier zou vinden, Maria!” zeide Michiel eenigszins verlegen.

„Is het waar ook? Hinderde het of ik te Grijpskerke of hier, was? Ik ben er toch, niet? Maar het is niemendal, hoor! Ik zeide dat zoo maar voor de aardigheid!” sprak Maria. „Ge dacht toch niet, dat ik het meende, Michiel?”

„Zeker dacht ik dat! Maar wacht, ik heb toch wat voor je!”

„Het zal wat moois zijn als het voor de heeren komt,” spotte Maria.

„Mooi? Nooit zoo mooi gezien! Ik zal u leeren, hoe de Chineezen elkander groeten,” zei Michiel, en met de handen Maria’s hoofd bij de wangen vasthoudende, wreef hij zijnen neus tegen haren neus.

„Zoo groeten nu de Chineezen elkander!” zei Michiel.

„Het is heel lief, dat moet ik zeggen!” antwoordde Maria.

„Ja, en zóó groeten de Vlissingsche jongens de Zeeuwsche meiskens!” riep Michiel en gaf, eer Maria den driesten zeeman afweren kon, het plaagzieke meisje op elke wang eenen zoen.

Moeder Alida klapte van pret in de handen en riep, terwijl Maria hare verfrommelde muts goed zette: „Ja, meisken, dat hebt ge verdiend met uw geplaag.”

„En ik wil dien rauwen zeeman wel eens leeren, hoe de Zeeuwsche meiskens de brutale Vlissingsche jongens groeten,” zei Maria.

„Top, de eene dienst is den anderen waard! Dat wil ik leeren,” riep Michiel.

Pas had hij dat gezegd of het vinnige ding gaf hem met de volle hand eenen klap om de ooren, die zoo even raak was.

„Hoe vindt gij nu onze manier van groeten?” vroeg Maria.

„Wel, om de waarheid te zeggen, vind ik de manier van ons, Vlissingsche jongens, niet zoo hardhandig,” antwoordde Michiel terwijl hij zijn oor wreef.

„Wat moet dat geven?” vroeg Vader, die met eenige kruiken beladen, binnen kwam. „Is het hier boelhuis?”

„Hé, hé, kijk eens wat een hoop goed op tafel,” riep een zusje dat van school kwam.

„Kijk, kijk, Ant, daar is Michiel!”

„Dag, Michiel,” riep een jonger broer. „Ben je thuis? Heb je wat voor me mee gebracht?”

„Kijk, kijk, een wiegel-poppeken! Is dat voor mij, Michiel?” vroeg Anna op een leelijk popje van Chineesch porselein wijzend.

„Ja, meid, dat raad je nu eens net! Dat is voor u!”

„En wat zit hierin, Michiel?” vroeg Vader.

„Doe maar eens open, Vader! Dat is voor u!”

Vader deed het pakje zoo voorzichtig open, alsof het breken zou, en vond een zakmes met mooi gesneden hecht.

„Dat is goed staal, jongen!”

„Ja, Vader, dat is het; maar geef me nu gauw eenen duit, anders snijdt dat mes de vriendschap af!”

Vader tastte in den zak en gaf terstond eenen duit en wel eenen waarin een gaatje geboord was.

„Dat treft ge,” zeide hij. „Een duit met een gat is altijd wat!”

„Ik zal hem als bagijnenkoek bewaren, Vader!” was het antwoord van Michiel, die evenals alle menschen van dien tijd, enkelen misschien uitgezonderd, geloofden dat men niemand een snijdend voorwerp ten geschenke mocht geven, of men moest een klein geldstuk terug hebben. Het had dan den schijn, alsof het gekocht was, en zou dan de vriendschap niet meer afsnijden. Zoo ook geloofde men vrij algemeen dat hij, die een geldstuk met een gaatje erin ontving, zegen met dat geldstuk hebben zou.

Voor Moeder, Alida, Cornelia en den Dominé had hijIndische kamermuilen medegebracht, en voor buurman Engels en baas Lorkens ieder een mes, als Vader had. Maar Vaders mes was mooier dan al de andere, evenals Moeders kamermuilen veel mooier waren dan de overige. Verder kwamen er uit de kist nog allerlei vreemde dingen, zooals groote kinkhorens, die de kinderen al voor de ooren hielden om de zee erin te hooren ruischen,—groote zeeschelpen, besneden doosjes van schildpad, waarvan Maria er een kreeg, kokosnoten, groote boombladeren, eenige mooie vogelvederen, een paar Chineesche scheepsbeschuiten waarvan ze allemaal proeven moesten, doch die ze geen van allen lekker vonden, daar ze zoo muf smaakten,—een paar uitgeblazen struisvogel-eieren, die hij aan Kaap de Goede Hoop van eenige wilden voor eenen knoop van zijn buis geruild had, toen ze water innamen, en eindelijk eene kris, dat is een Javaansche dolk, dien hij te Batavia, dat nog wel klein was, maar waar toch veel omging, gekocht had. Het beste evenwel kwam achteraan. Het was een lederen beursje met geld, zuiver overgespaard geld, dat hij zelf verdiend had. Hij gaf het Moeder Alida en zei: „Hier, Moeder, om vanavond eens spek-pannekoeken te eten!”

„Alles opmaken vanavond, jongen?”

„Er is zoo heel veel niet in, Moeder! Maar wat er overschiet is een appeltje voor den dorst.”

Moeder Alida nam het geld dankbaar aan en—dien avond was er feest.

Vader Adriaen had al den tijd dat Michiel weg was, iedere week eene kleinigheid van zijne buitenkansjes weggelegd om, als Michiel thuis kwam op bier te trakteeren.

Michiel, van zijnen kant voor Vader niet willende onderdoen, onthaalde op spek-pannekoeken.

Het kleine huiskamertje was propvol; men zat tot op de ijzeren vuurplaat, ja, tot op de bedstee-sponde; want daar waren er van Vader Adriaens huisgezin dertien zooklein als groot. Verder had men er den „Barren Bruinvisch”, Dominé, buurman Engels met zijne dochter Cornelia en zijn nichtje Maria, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie, welke twee laatsten bij Michiel op de bedstee-sponde zaten. Deze werd op den duur wel wat al te hard en dan gingen ze een poosje staan om wat te bekomen.

Eindelijk, nadat het spek-pannekoekenmaal binnen was en men het bier een paar keeren geproefd had, zei Vader Adriaen: „En nu zal ik eens zeggen, hoe ik van Bergen-op-Zoom hier in Vlissingen geland ben. Ik heb dat mijnen kinderen nooit verteld, en Moeder Alida is het misschien al vergeten. Luistert nu maar goed, kinderen, want ik vertel het na dezen keer niet meer.”

Alles werd stil; Michiel, Geleyn en Jan Kompanjie wipten weer op de sponde, Jan in het midden, en Vader Adriaen begon.

1Sinte Krijn of St. Quirinus is een Heiligdag, die den 24stenMaart gevierd wordt.↑

1Sinte Krijn of St. Quirinus is een Heiligdag, die den 24stenMaart gevierd wordt.↑

1Sinte Krijn of St. Quirinus is een Heiligdag, die den 24stenMaart gevierd wordt.↑


Back to IndexNext