ZESDE HOOFDSTUK.Jan Kompanjie.In Januari van 1661 zeilde De Ruyter met eene vloot naar de Middellandsche zee en voerde met goed gevolg krijg tegen al de zeeroovers, die deze streken onveilig maakten, want het waren niet enkel Algerijnen, die ter kaapvaart voeren, maar ook Franschen en Spanjaarden.Hij bleef daar met kleine tusschenpoozen tot 1664 indie wateren kruisen. Op den laatsten tocht had hij Engel, die nog niet ten volle vijftien jaar oud was, medegenomen, en hiermede den „Barren Bruinvisch” over en over gelukkig gemaakt. Als deze maar even tijd had, was hij bezig om den zoon van zijn vroeger zeekind, Michiel, alles te leeren, wat op de scheepvaart betrekking had. Ook zijn eigen zoon Jan was er bij, en deze twee knapen konden het bovenst goed met elkander vinden.Inmiddels was er in Engeland eene groote verandering gekomen. De zoon van Koning Karel I, die in 1649 onthoofd was geworden, had onder den naam van Karel II den troon weer beklommen. In zijne ballingschap hadden de Nederlanders hem zeer veel dienst bewezen, doch inplaats van hiervoor dankbaar te zijn en in vriendschap met dit Gemeenebest te leven, toonde hij weldra, dat hij alles deed wat hij kon om ons te benadeelen en te grieven. Zoo had hij ook in 1661 eenen zekeren Robert Holmes naar Afrika gezonden om daar al de sterkten der Nederlanders op de Kust van Kaap Verd aan te tasten. Hij ontkende die zaak wel en wist zich op alle mogelijke wijzen te verontschuldigen, doch in 1663 werd dezelfde Holmes er weer heen gezonden om de Nederlanders afbreuk te doen, en dat nog wel nu we pas een verbond met Engeland gesloten hadden.Zoodra dit alles hier te lande vernomen werd, beklaagde men zich andermaal bij Koning Karel, doch deze wist, even als twee jaren vroeger, opnieuw allerlei uitvluchten te verzinnen, zoodat Johan De Witt besloot in deze zaak te handelen zonder zich aan den Engelschen Koning, den vrede of het verbond te storen. Er werd eene vloot uitgerust, die, zoo het heette, naar Afrika zou gaan. Op deze vloot hield de Koning het oog en zoolang die nu maar niet uitzeilde, zei hij nu eens dit en dan eens dat om eigenlijk de heele zaak op de lange baan te schuiven en alles blauw, blauw te laten. Maar wie er van blauw, blauw laten hield, niet onze De Witt. Heel in het geheim zondhij De Ruyter, die nog altijd met twaalf oorlogsschepen in de Middellandsche zee kruiste, bevel naar Kaap Verd te stevenen en daar onze sterkten op de Engelschen te hernemen. De slimme, of liever de sluwe Koning vond dus zijnen meester in onzen Raadpensionaris, die hem veel te geslepen was.Zoodra De Ruyter dit geheime bevel ontvangen had, zocht hij zijnen ouden zeevader op om hem te zeggen, dat men naar een ander deel der wereld zou trekken.„Kijk Vader eens een betrokken gezicht zetten, Grootvader,” sprak Engel tot Lievensz., die juist bezig was zijnen twee zeekinderen te onderrichten, hoe men bij donkere nachten in onbekende wateren zeilen moest.Den naam van „Grootvader” gaf Engel hem uit aardigheid, omdat Lievensz. er zoo grootsch op was, dat Engels Vader ook zijn zeekind was geweest.„Houd eens op, Bootsman, ik heb wat te vertellen,” zeide Michiel tot den ijverigen onderwijzer, die te midden van het woelig zeeleven weer jong opnieuw scheen geworden te zijn en alweer dat kloeke, vierkante en onversaagde voorkomen verkregen had.„Ik twijfel er aan of het wat goeds is,” antwoordde Lievensz. „Uw gelaat is zoo betrokken!”„Nu ja, goede vriend, ik kan ook niet zeggen, dat ik in mijnen schik ben! Ik zal u wat vertellen, ga eens even met mij mede in de kajuit.”Zoodra De Ruyter met zijn ouden zeevader alleen was, zeide hij: „Ik heb een geheim bevel gekregen, Lievensz. We moeten hier weg!”„Mag ik eens raden, waarheen?” vroeg Lievensz.„Dat kunt gij toch niet! Het is een bevel, dat niemand raden kan, en dat ik ook voor ieder verzwijgen moet! En dat juist hindert me. Niet dat ik zoo gaarne babbel, maar men zendt mij naar eene streek waar ik minder goed thuis ben.”„Kaap Verd, soms?” vroeg de „Barre Bruinvisch” met een leuk lachje. „Is het niet den spijker op den kop geslagen?”„Naar Kaap Verd? Wie ter wereld kan u dat medegedeeld hebben? De Witt, onze Raadpensionaris en ik, wij beiden weten het slechts!” riep De Ruyter vol verwondering uit. „Hoe kunt gij het nu weten?”„Dat voel ik zoo aan het draaien van mijn hart, Admiraal! De „Barre Bruinvisch” hoort veel, ziet veel, denkt veel, maar zegt weinig. Ik heb me al sinds lang verwonderd, dat we die Engelsche Koningsmoorders nog geen lesje moesten gaan geven. Ze hebben het al lang en breed verdiend! Die Karel sult met ons als de kat met de muis.”„Stille wateren hebben diepe gronden, Lievensz. Het is zoo. Maar het gekste is, dat ik nooit in die streken geweest ben en dat ik nu ook niemand raadplegen kan, daar ik mijnen tocht geheim moet houden en alleen aan de verschillende Kapiteins mag mededeelen. Dezen zijn evenwel ook op de Afrikaansche kust zoo goed als vreemdelingen. Ik ken hen en weet waar ze gevaren hebben. Toch dien ik hun den weg te wijzen en niet om raad te vragen.”„Gij moogt van geluk spreken, Admiraal! Zijt gij vergeten, dat ik er reeds driemaal geweest was, eer ik uw zeevader werd, en dat ik er, als galeislaaf, onder de Spanjaarden, herhaalde malen geweest ben? Of, wilt ge liever mijnen raad niet inwinnen?” zeide Lievensz.„Dat is waar ook,” zeide De Ruyter. „Dat is uitkomst. En u niet om raad willen vragen? U liever dan eenen Schout-bij-nacht of Kapitein, dat weet ge wel. Maar zult gij nu niemand zeggen waarheen de tocht is?”„Het spijt me dat ge mij dat verzoekt, Admiraal! U kent me toch lang genoeg om te weten, dat de „Barre Bruinvisch” geen babbelaar is,” zeide Lievensz. eenigszins geraakt. „Of hebt gij soms bewijzen, dat ik het vroeger was?”„Vergeef me, oude vriend, zoo ik u leed deed met datte zeggen. Alleen de zorg, het bevel geheim te houden deed me zoo spreken,” antwoordde De Ruyter en verwijderde zich om den Kapitein bevel te geven al de andere Kapiteins aanboord van het Admiraalsschip te seinen teneinde krijgsraad te houden.„Laat de wereld eenen man noemen als hij, die zelfs zijnen Bootsman vergiffenis vraagt,” mompelde de „Barre Bruinvisch”, en eenen traan van dankbaarheid en genegenheid uit de oogen wisschende, fluisterde hij: „De Heere zegene Vlissinger Michiel. Hij verdient gezegend te worden als voor of na hem geen ander.”Nadat de verschillende Kapiteins vernomen hadden, dat men naar Afrika, en wel naar Kaap Verd ging om den Engelschen eens den pols te voelen, en zij het bevel mede gekregen hadden hiervan voorloopig niets aan het volk te laten blijken, was onze vloot weldra de Middellandsche zee uit en met behulp van Lievensz.terechtwijzingen had men weldra Kaap Cantin bereikt en hier eerst legde De Ruyter in eenen krijgsraad zijnen heelen last bloot en kregen de Kapiteins ook vergunning om hun volk op de hoogte der zaak te brengen. Alles ging voor den wind, vooral daar De Ruyter, op raad van Lievensz., sloepen vooruit zond om de diepte te peilen en blinde klippen aan te wijzen. Den zeventienden October liet De Ruyter de Statenvlag uitsteken, als een bewijs, dat men de plaats van bestemming naderde.Daar lag het eiland Goereê en in de onmiddellijke nabijheid er van bevond zich eene Engelsche vloot van negen schepen, waarvan een de Koningsvlag voerde.De Engelschen waren zoogenaamd zeer verrast, dat hier eene Nederlandsche oorlogsvloot kwam, en de Bevelhebber liet leukweg vragen wat men hier doen kwam.„Wij komen terughalen, wat gij ons ontnomen, hebt,” luidde het eenvoudige, doch naar den zin van den Engelschman wat al te openhartige antwoord.„Is de oorlog dan tusschen Engeland en de Vereenigde Nederlanden uitgebroken?” vroeg men weer.„Wel neen,” liet De Ruyter antwoorden, „maar wat gij in vollen vrede van ons geroofd hebt, dat komen wij in vollen vrede terughalen. Ieder zijne beurt, waarde heer!”De Engelschman verzekerde bij hoog en laag, dat dit al eene heel gemeene manier van handelen was, doch De Ruyter liet zich dat langs de koude kleeren afglijden en zeide bedaard: „Gemeen of niet gemeen, wij komen het onze terughalen. Wilt gij het willig geven, we zullen het in vriendschap aannemen, wilt ge dat niet, welnu, dan zullen onze jongens toonen, dat ze de kaas zich niet van de boterham laten halen. Doe nu, zooals ge meent te moeten doen.”De Engelschen, die de verantwoordelijkheid van eenen nieuwen oorlog niet op zich wilden nemen, lieten De Ruyter het onze terugnemen en zonder bijna één schot te doen. Het heele eiland met zijne sterkte werd door den Engelschen Bevelhebber bij verdrag overgegeven en den onzen viel een aanzienlijke buit in handen. De sterkten werden hierop met Hollandsch volk bezet en De Ruyter zijnen last hier volbracht hebbende, hield zich thans gereed om naar de kust van Guinea te gaan, doch gaf bevel, dat men, alvorens dezen tocht aan te vangen, de watervaten of leggers schoon maken en met frisch drinkwater, dat op het land in overvloed te vinden was, vullen zou.Schout-bij-nacht Van der Zaan ging daartoe naar den wal, doch pas was hij aangekomen of een neger met een aanzienlijk gevolg, dat hem in alles, als den meerdere behandelde, naderde onze matrozen en vroeg den Schout-bij-nacht: „Dat Hollandsche schippe is, ja?”Van den Zaan verrast eenen neger op deze kust Hollandsch te hooren spreken, zeide: „Ja wel, dat is eene Hollandsche vloot! Hebt ge wel eens Hollanders ontmoet?”„Ik, ja, gevaren in Holland. Ik in Vlissingen geweest ben. Ik daar gedoopt is van dat Dominé. Ja, ik!”„Onze Admiraal is ook een Vlissinger!” zeide Van der Zaan, zonder nog te denken dat de neger hem kennen zou.Pas had hij dat evenwel gezegd of Bootsman Lievensz., die ook mede gegaan was om water te halen, liep, den Schout-bij-nacht terloops vergiffenis vragende voor zijne onbeleefdheid, naar den neger.„Zijt gij te Vlissingen gedoopt?” vroeg hij den neger.„Ja, ikke!” was het antwoord. „Maar niet door eene baker gedoopt ben ik!”„En gevaren op de „Lijnbaan” soms?”Daar keek de neger eensklaps met groote oogen op en stak de armen in de hoogte.„Wat hapert er aan?” vroeg Lievensz.„Jij bent, jij bent de Barre-Barre....”„Ja, ja, ik ben de „Barre Bruinvisch,” en jij bent mijn zeekind Jan Kompanjie!”„Hoezee! Hoezee!” riep de neger, die werkelijk Jan Kompanjie was. „Hoezee! Hoezee! Blijdschap hoe ik ben vol, hoezee, dat vreugde! Ikke de wonderkind vinden mijn Vadertje van zee!”„Jan, Jan,” riep de Barre, en drukte den neger de hand, „dat is al eene heel vreemde ontmoeting! Ga mee aanboord, oude jongen, ga mee, dan kunt gij Michiel zien!”„Michiel, Michiel?” schreeuwde Jan en deed van blijdschap eenen luchtsprong.„Ja, uw vriend Michiel!” antwoordde Lievensz. „Hij is Bevelhebber over die vloot daar! Hij is onze Admiraal!”„O, hij is een wonderkind, een wonderkind ik ben! En waar is Geleyn de drie wonderkind?”„Die is al lang dood, Jan! Hij is in den oorlog gesneuveld! Gevallen als een onoverwonnen zeeheld!”„O, die Geleyn dan de doode wonderkind is. Ik zien wil Michiel, Michiel die mij leerde grappen, die me deed krijg troef, troef om die oor, die klom op die haantje van het toren! Ik zien wil Michiel!”„Wel, zeekind, ga dan maar mee!” zeide Lievensz.Dat behoefde niet tweemaal gezegd te worden. In een wip was hij in de boot, en toen hij het Admiraalsschip zag en Lievensz. zeide, dat daar Michiel aanboord was, ging hij als een kind van blijdschap in de handen klappen, en schreeuwen tot van het lachen hem de tranen langs de wangen liepen: „Jan Kompanjie blij is! Ja blij!”De boot legde aan. Lievensz. klauterde langs den valreep naar boven, doch nauwelijks was hij op het dek en had hij De Ruyter toegeroepen: „Admiraal, daar is uw zeebroeder,” of Jan was al op het dek en kwam onder het geschreeuw van: „Michiel, leelijke jongen van aap, jongen, jij daar? Ik blij zijn vreugde van vol zijn ik!” met geopende armen op zijnen ouden kameraad aanloopen.„Lieve hemel, Jan, Jan Kompanjie, ben jij dat?” riep De Ruyter, Jan te gemoet gaande.„Ja, ik Jan Kompanjie! Ik Onderkoning van mijn land, jij Admiraal, jij wonderkind, ik wonderkind, o, ik zoo blij, zoo blij wezen zijn!” was Jans antwoord.Jan en De Ruyter omhelsden elkander van blijdschap, en de nieuwe luchtsprongen, die Jan maakte en de vervaarlijk leelijke gezichten, die hij trok, lieten geenen twijfel over of die neger was Jan Kompanjie.Beide vrienden gingen bij elkander zitten en vertelden zoo een en ander uit hun leven, en Jan eindigde dien dag met eens heerlijk te smullen van den echten ouderwetschen scheepspot.Den volgenden dag bracht Michiel onzen Jan een bezoek en toen ze eindelijk voor goed afscheid van elkander genomen hadden, en ze nog eenen laatsten handdruk met elkander wisselden, sprak Lievensz. zacht in zichzelven: „De een Onderkoning in zijn land, de ander Vice-Admiraal op eene vloot! Zeekinderen, ge hebt het beiden ver gebracht, verder dan uw zeevader Lievensz., de Barre Bruinvisch.”Na dit gezegd te hebben, schudde hij de leeuwenmanenen na nog even gebromd te hebben: „Pruil niet, Barre, gedane zaken nemen geenen keer,” ging hij weer aan zijn werk, en een uur later was hij weer de oude.De terugtocht werd aanvaard en al had De Ruyter wel eens roemrijker daden verricht dan hier aan Kaap Verd, hij had toch volkomen het doel bereikt.„Ziezoo, Lievensz., dat werk is dan weder achter den rug,” zeide De Ruyter, toen ze den zesden Maart van 1665 de Linie passeerden en koerszettennaar de West-Indiën, om daar, even als op de Kust van Guinea, de Engelschen te gaan bestoken. „Ik heb daar zoo even brieven uit het Vaderland ontvangen, en daaruit blijkt dat Engeland ons den oorlog nog niet verklaard heeft, maar toch heel eenvoudig doet, alsof het oorlog is, terwijl hij moord en brand schreeuwt over hetgeen onlangs door ons op de Westkust van Afrika en op de Kust van Guinea verricht is.”„Old Rowley is valsch tot in zijne nieren,” bromde Lievensz., met „Old Rowley” Koning Karel bedoelende. „En er zal wel op ons geloerd worden ook!”„Ja, Lievensz., het heet hier: oppassen is de boodschap of we loopen in de fuik,” was het antwoord. „Maar mijn bevel luidt: „Alle Engelsche schepen en bezittingen zooveel afbreuk mogelijk doen,” dat is een andere last dan die, welken Tromp eenmaal mede kreeg. Nu weet een fatsoenlijk mensch waaraan hij zich houden kan. Ik voor mij heb goeden moed, dat we ditmaal voor de Engelschen niet zullen onder doen. We hebben eene prachtige vloot tegenwoordig, Lievensz.! Heel wat anders dan onder Tromp. Maar dat is achter den rug; we moeten nu maar doen, wat te doen is en ook doen, wat wij kunnen.”Dit geschiedde dan ook, hoewel niet altijd met evenveel voordeel, en toen De Ruyter meende genoeg gedaan te hebben, zette hij koers naar het Vaderland, doch gebruikte de voorzichtigheid, om het noorden vanGroot-Brittanniëte zeilen, daar hij niet wist hoe de stand van zaken was. Weldra evenwel vernam hij van een klein Hollandsch scheepje, dat er den dertienden Juni bij Lowestoff een zeeslag geleverd was, die allerongelukkigst voor de Nederlanders afgeloopen was. Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam had gevochten, als een getergde leeuw, en was met zijn schip in de lucht gevlogen. Kortenaer en Stellingwerf waren gesneuveld; de vloot was vreeselijk gehavend, en het volk over deze nederlaag zoo verbitterd, dat het den dapperen Jan Evertsen, toen deze te Brielle aanwal stapte, in het water drong, waarin hij verdronken zou zijn, zoo hij niet door den Kapitein van een Fransch vaartuig gered ware geworden. Zoodra De Ruyter dit alles vernomen had,begreep hij, dat hij met de meeste omzichtigheid met zijne vloot, die zestien maanden inzee was geweest en dus heel wat geleden had, alle aanraking met de Engelschen vermijden moest. Mist en storm, anders vijanden van den zeeman, kwamen zijn beleid te hulp, en den zesden Augustus kwam hij ongehinderd met zijne geheele vloot, en al de prijsgemaakte schepen binnen. Dat gaf eene vreugde toen dit in het Vaderland bekend werd. De Ruyter werd letterlijk met open armen ontvangen, en bijna terstond benoemd tot Luitenant-Admiraal en Opperbevelhebber der vloot, niettegenstaande men, het heette bij gebrek aan beter, Cornelis Tromp pas, als zoodanig, benoemd had. Dat deze manier van handelen onzen trotschen, doch dapperen Tromp niet aangenaam viel, spreekt vanzelf, en later bleek het duidelijk hoezeer men den trotschen man gegriefd had, en welk eene vijandschap hij tegen De Ruyter opgevat had.
ZESDE HOOFDSTUK.Jan Kompanjie.In Januari van 1661 zeilde De Ruyter met eene vloot naar de Middellandsche zee en voerde met goed gevolg krijg tegen al de zeeroovers, die deze streken onveilig maakten, want het waren niet enkel Algerijnen, die ter kaapvaart voeren, maar ook Franschen en Spanjaarden.Hij bleef daar met kleine tusschenpoozen tot 1664 indie wateren kruisen. Op den laatsten tocht had hij Engel, die nog niet ten volle vijftien jaar oud was, medegenomen, en hiermede den „Barren Bruinvisch” over en over gelukkig gemaakt. Als deze maar even tijd had, was hij bezig om den zoon van zijn vroeger zeekind, Michiel, alles te leeren, wat op de scheepvaart betrekking had. Ook zijn eigen zoon Jan was er bij, en deze twee knapen konden het bovenst goed met elkander vinden.Inmiddels was er in Engeland eene groote verandering gekomen. De zoon van Koning Karel I, die in 1649 onthoofd was geworden, had onder den naam van Karel II den troon weer beklommen. In zijne ballingschap hadden de Nederlanders hem zeer veel dienst bewezen, doch inplaats van hiervoor dankbaar te zijn en in vriendschap met dit Gemeenebest te leven, toonde hij weldra, dat hij alles deed wat hij kon om ons te benadeelen en te grieven. Zoo had hij ook in 1661 eenen zekeren Robert Holmes naar Afrika gezonden om daar al de sterkten der Nederlanders op de Kust van Kaap Verd aan te tasten. Hij ontkende die zaak wel en wist zich op alle mogelijke wijzen te verontschuldigen, doch in 1663 werd dezelfde Holmes er weer heen gezonden om de Nederlanders afbreuk te doen, en dat nog wel nu we pas een verbond met Engeland gesloten hadden.Zoodra dit alles hier te lande vernomen werd, beklaagde men zich andermaal bij Koning Karel, doch deze wist, even als twee jaren vroeger, opnieuw allerlei uitvluchten te verzinnen, zoodat Johan De Witt besloot in deze zaak te handelen zonder zich aan den Engelschen Koning, den vrede of het verbond te storen. Er werd eene vloot uitgerust, die, zoo het heette, naar Afrika zou gaan. Op deze vloot hield de Koning het oog en zoolang die nu maar niet uitzeilde, zei hij nu eens dit en dan eens dat om eigenlijk de heele zaak op de lange baan te schuiven en alles blauw, blauw te laten. Maar wie er van blauw, blauw laten hield, niet onze De Witt. Heel in het geheim zondhij De Ruyter, die nog altijd met twaalf oorlogsschepen in de Middellandsche zee kruiste, bevel naar Kaap Verd te stevenen en daar onze sterkten op de Engelschen te hernemen. De slimme, of liever de sluwe Koning vond dus zijnen meester in onzen Raadpensionaris, die hem veel te geslepen was.Zoodra De Ruyter dit geheime bevel ontvangen had, zocht hij zijnen ouden zeevader op om hem te zeggen, dat men naar een ander deel der wereld zou trekken.„Kijk Vader eens een betrokken gezicht zetten, Grootvader,” sprak Engel tot Lievensz., die juist bezig was zijnen twee zeekinderen te onderrichten, hoe men bij donkere nachten in onbekende wateren zeilen moest.Den naam van „Grootvader” gaf Engel hem uit aardigheid, omdat Lievensz. er zoo grootsch op was, dat Engels Vader ook zijn zeekind was geweest.„Houd eens op, Bootsman, ik heb wat te vertellen,” zeide Michiel tot den ijverigen onderwijzer, die te midden van het woelig zeeleven weer jong opnieuw scheen geworden te zijn en alweer dat kloeke, vierkante en onversaagde voorkomen verkregen had.„Ik twijfel er aan of het wat goeds is,” antwoordde Lievensz. „Uw gelaat is zoo betrokken!”„Nu ja, goede vriend, ik kan ook niet zeggen, dat ik in mijnen schik ben! Ik zal u wat vertellen, ga eens even met mij mede in de kajuit.”Zoodra De Ruyter met zijn ouden zeevader alleen was, zeide hij: „Ik heb een geheim bevel gekregen, Lievensz. We moeten hier weg!”„Mag ik eens raden, waarheen?” vroeg Lievensz.„Dat kunt gij toch niet! Het is een bevel, dat niemand raden kan, en dat ik ook voor ieder verzwijgen moet! En dat juist hindert me. Niet dat ik zoo gaarne babbel, maar men zendt mij naar eene streek waar ik minder goed thuis ben.”„Kaap Verd, soms?” vroeg de „Barre Bruinvisch” met een leuk lachje. „Is het niet den spijker op den kop geslagen?”„Naar Kaap Verd? Wie ter wereld kan u dat medegedeeld hebben? De Witt, onze Raadpensionaris en ik, wij beiden weten het slechts!” riep De Ruyter vol verwondering uit. „Hoe kunt gij het nu weten?”„Dat voel ik zoo aan het draaien van mijn hart, Admiraal! De „Barre Bruinvisch” hoort veel, ziet veel, denkt veel, maar zegt weinig. Ik heb me al sinds lang verwonderd, dat we die Engelsche Koningsmoorders nog geen lesje moesten gaan geven. Ze hebben het al lang en breed verdiend! Die Karel sult met ons als de kat met de muis.”„Stille wateren hebben diepe gronden, Lievensz. Het is zoo. Maar het gekste is, dat ik nooit in die streken geweest ben en dat ik nu ook niemand raadplegen kan, daar ik mijnen tocht geheim moet houden en alleen aan de verschillende Kapiteins mag mededeelen. Dezen zijn evenwel ook op de Afrikaansche kust zoo goed als vreemdelingen. Ik ken hen en weet waar ze gevaren hebben. Toch dien ik hun den weg te wijzen en niet om raad te vragen.”„Gij moogt van geluk spreken, Admiraal! Zijt gij vergeten, dat ik er reeds driemaal geweest was, eer ik uw zeevader werd, en dat ik er, als galeislaaf, onder de Spanjaarden, herhaalde malen geweest ben? Of, wilt ge liever mijnen raad niet inwinnen?” zeide Lievensz.„Dat is waar ook,” zeide De Ruyter. „Dat is uitkomst. En u niet om raad willen vragen? U liever dan eenen Schout-bij-nacht of Kapitein, dat weet ge wel. Maar zult gij nu niemand zeggen waarheen de tocht is?”„Het spijt me dat ge mij dat verzoekt, Admiraal! U kent me toch lang genoeg om te weten, dat de „Barre Bruinvisch” geen babbelaar is,” zeide Lievensz. eenigszins geraakt. „Of hebt gij soms bewijzen, dat ik het vroeger was?”„Vergeef me, oude vriend, zoo ik u leed deed met datte zeggen. Alleen de zorg, het bevel geheim te houden deed me zoo spreken,” antwoordde De Ruyter en verwijderde zich om den Kapitein bevel te geven al de andere Kapiteins aanboord van het Admiraalsschip te seinen teneinde krijgsraad te houden.„Laat de wereld eenen man noemen als hij, die zelfs zijnen Bootsman vergiffenis vraagt,” mompelde de „Barre Bruinvisch”, en eenen traan van dankbaarheid en genegenheid uit de oogen wisschende, fluisterde hij: „De Heere zegene Vlissinger Michiel. Hij verdient gezegend te worden als voor of na hem geen ander.”Nadat de verschillende Kapiteins vernomen hadden, dat men naar Afrika, en wel naar Kaap Verd ging om den Engelschen eens den pols te voelen, en zij het bevel mede gekregen hadden hiervan voorloopig niets aan het volk te laten blijken, was onze vloot weldra de Middellandsche zee uit en met behulp van Lievensz.terechtwijzingen had men weldra Kaap Cantin bereikt en hier eerst legde De Ruyter in eenen krijgsraad zijnen heelen last bloot en kregen de Kapiteins ook vergunning om hun volk op de hoogte der zaak te brengen. Alles ging voor den wind, vooral daar De Ruyter, op raad van Lievensz., sloepen vooruit zond om de diepte te peilen en blinde klippen aan te wijzen. Den zeventienden October liet De Ruyter de Statenvlag uitsteken, als een bewijs, dat men de plaats van bestemming naderde.Daar lag het eiland Goereê en in de onmiddellijke nabijheid er van bevond zich eene Engelsche vloot van negen schepen, waarvan een de Koningsvlag voerde.De Engelschen waren zoogenaamd zeer verrast, dat hier eene Nederlandsche oorlogsvloot kwam, en de Bevelhebber liet leukweg vragen wat men hier doen kwam.„Wij komen terughalen, wat gij ons ontnomen, hebt,” luidde het eenvoudige, doch naar den zin van den Engelschman wat al te openhartige antwoord.„Is de oorlog dan tusschen Engeland en de Vereenigde Nederlanden uitgebroken?” vroeg men weer.„Wel neen,” liet De Ruyter antwoorden, „maar wat gij in vollen vrede van ons geroofd hebt, dat komen wij in vollen vrede terughalen. Ieder zijne beurt, waarde heer!”De Engelschman verzekerde bij hoog en laag, dat dit al eene heel gemeene manier van handelen was, doch De Ruyter liet zich dat langs de koude kleeren afglijden en zeide bedaard: „Gemeen of niet gemeen, wij komen het onze terughalen. Wilt gij het willig geven, we zullen het in vriendschap aannemen, wilt ge dat niet, welnu, dan zullen onze jongens toonen, dat ze de kaas zich niet van de boterham laten halen. Doe nu, zooals ge meent te moeten doen.”De Engelschen, die de verantwoordelijkheid van eenen nieuwen oorlog niet op zich wilden nemen, lieten De Ruyter het onze terugnemen en zonder bijna één schot te doen. Het heele eiland met zijne sterkte werd door den Engelschen Bevelhebber bij verdrag overgegeven en den onzen viel een aanzienlijke buit in handen. De sterkten werden hierop met Hollandsch volk bezet en De Ruyter zijnen last hier volbracht hebbende, hield zich thans gereed om naar de kust van Guinea te gaan, doch gaf bevel, dat men, alvorens dezen tocht aan te vangen, de watervaten of leggers schoon maken en met frisch drinkwater, dat op het land in overvloed te vinden was, vullen zou.Schout-bij-nacht Van der Zaan ging daartoe naar den wal, doch pas was hij aangekomen of een neger met een aanzienlijk gevolg, dat hem in alles, als den meerdere behandelde, naderde onze matrozen en vroeg den Schout-bij-nacht: „Dat Hollandsche schippe is, ja?”Van den Zaan verrast eenen neger op deze kust Hollandsch te hooren spreken, zeide: „Ja wel, dat is eene Hollandsche vloot! Hebt ge wel eens Hollanders ontmoet?”„Ik, ja, gevaren in Holland. Ik in Vlissingen geweest ben. Ik daar gedoopt is van dat Dominé. Ja, ik!”„Onze Admiraal is ook een Vlissinger!” zeide Van der Zaan, zonder nog te denken dat de neger hem kennen zou.Pas had hij dat evenwel gezegd of Bootsman Lievensz., die ook mede gegaan was om water te halen, liep, den Schout-bij-nacht terloops vergiffenis vragende voor zijne onbeleefdheid, naar den neger.„Zijt gij te Vlissingen gedoopt?” vroeg hij den neger.„Ja, ikke!” was het antwoord. „Maar niet door eene baker gedoopt ben ik!”„En gevaren op de „Lijnbaan” soms?”Daar keek de neger eensklaps met groote oogen op en stak de armen in de hoogte.„Wat hapert er aan?” vroeg Lievensz.„Jij bent, jij bent de Barre-Barre....”„Ja, ja, ik ben de „Barre Bruinvisch,” en jij bent mijn zeekind Jan Kompanjie!”„Hoezee! Hoezee!” riep de neger, die werkelijk Jan Kompanjie was. „Hoezee! Hoezee! Blijdschap hoe ik ben vol, hoezee, dat vreugde! Ikke de wonderkind vinden mijn Vadertje van zee!”„Jan, Jan,” riep de Barre, en drukte den neger de hand, „dat is al eene heel vreemde ontmoeting! Ga mee aanboord, oude jongen, ga mee, dan kunt gij Michiel zien!”„Michiel, Michiel?” schreeuwde Jan en deed van blijdschap eenen luchtsprong.„Ja, uw vriend Michiel!” antwoordde Lievensz. „Hij is Bevelhebber over die vloot daar! Hij is onze Admiraal!”„O, hij is een wonderkind, een wonderkind ik ben! En waar is Geleyn de drie wonderkind?”„Die is al lang dood, Jan! Hij is in den oorlog gesneuveld! Gevallen als een onoverwonnen zeeheld!”„O, die Geleyn dan de doode wonderkind is. Ik zien wil Michiel, Michiel die mij leerde grappen, die me deed krijg troef, troef om die oor, die klom op die haantje van het toren! Ik zien wil Michiel!”„Wel, zeekind, ga dan maar mee!” zeide Lievensz.Dat behoefde niet tweemaal gezegd te worden. In een wip was hij in de boot, en toen hij het Admiraalsschip zag en Lievensz. zeide, dat daar Michiel aanboord was, ging hij als een kind van blijdschap in de handen klappen, en schreeuwen tot van het lachen hem de tranen langs de wangen liepen: „Jan Kompanjie blij is! Ja blij!”De boot legde aan. Lievensz. klauterde langs den valreep naar boven, doch nauwelijks was hij op het dek en had hij De Ruyter toegeroepen: „Admiraal, daar is uw zeebroeder,” of Jan was al op het dek en kwam onder het geschreeuw van: „Michiel, leelijke jongen van aap, jongen, jij daar? Ik blij zijn vreugde van vol zijn ik!” met geopende armen op zijnen ouden kameraad aanloopen.„Lieve hemel, Jan, Jan Kompanjie, ben jij dat?” riep De Ruyter, Jan te gemoet gaande.„Ja, ik Jan Kompanjie! Ik Onderkoning van mijn land, jij Admiraal, jij wonderkind, ik wonderkind, o, ik zoo blij, zoo blij wezen zijn!” was Jans antwoord.Jan en De Ruyter omhelsden elkander van blijdschap, en de nieuwe luchtsprongen, die Jan maakte en de vervaarlijk leelijke gezichten, die hij trok, lieten geenen twijfel over of die neger was Jan Kompanjie.Beide vrienden gingen bij elkander zitten en vertelden zoo een en ander uit hun leven, en Jan eindigde dien dag met eens heerlijk te smullen van den echten ouderwetschen scheepspot.Den volgenden dag bracht Michiel onzen Jan een bezoek en toen ze eindelijk voor goed afscheid van elkander genomen hadden, en ze nog eenen laatsten handdruk met elkander wisselden, sprak Lievensz. zacht in zichzelven: „De een Onderkoning in zijn land, de ander Vice-Admiraal op eene vloot! Zeekinderen, ge hebt het beiden ver gebracht, verder dan uw zeevader Lievensz., de Barre Bruinvisch.”Na dit gezegd te hebben, schudde hij de leeuwenmanenen na nog even gebromd te hebben: „Pruil niet, Barre, gedane zaken nemen geenen keer,” ging hij weer aan zijn werk, en een uur later was hij weer de oude.De terugtocht werd aanvaard en al had De Ruyter wel eens roemrijker daden verricht dan hier aan Kaap Verd, hij had toch volkomen het doel bereikt.„Ziezoo, Lievensz., dat werk is dan weder achter den rug,” zeide De Ruyter, toen ze den zesden Maart van 1665 de Linie passeerden en koerszettennaar de West-Indiën, om daar, even als op de Kust van Guinea, de Engelschen te gaan bestoken. „Ik heb daar zoo even brieven uit het Vaderland ontvangen, en daaruit blijkt dat Engeland ons den oorlog nog niet verklaard heeft, maar toch heel eenvoudig doet, alsof het oorlog is, terwijl hij moord en brand schreeuwt over hetgeen onlangs door ons op de Westkust van Afrika en op de Kust van Guinea verricht is.”„Old Rowley is valsch tot in zijne nieren,” bromde Lievensz., met „Old Rowley” Koning Karel bedoelende. „En er zal wel op ons geloerd worden ook!”„Ja, Lievensz., het heet hier: oppassen is de boodschap of we loopen in de fuik,” was het antwoord. „Maar mijn bevel luidt: „Alle Engelsche schepen en bezittingen zooveel afbreuk mogelijk doen,” dat is een andere last dan die, welken Tromp eenmaal mede kreeg. Nu weet een fatsoenlijk mensch waaraan hij zich houden kan. Ik voor mij heb goeden moed, dat we ditmaal voor de Engelschen niet zullen onder doen. We hebben eene prachtige vloot tegenwoordig, Lievensz.! Heel wat anders dan onder Tromp. Maar dat is achter den rug; we moeten nu maar doen, wat te doen is en ook doen, wat wij kunnen.”Dit geschiedde dan ook, hoewel niet altijd met evenveel voordeel, en toen De Ruyter meende genoeg gedaan te hebben, zette hij koers naar het Vaderland, doch gebruikte de voorzichtigheid, om het noorden vanGroot-Brittanniëte zeilen, daar hij niet wist hoe de stand van zaken was. Weldra evenwel vernam hij van een klein Hollandsch scheepje, dat er den dertienden Juni bij Lowestoff een zeeslag geleverd was, die allerongelukkigst voor de Nederlanders afgeloopen was. Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam had gevochten, als een getergde leeuw, en was met zijn schip in de lucht gevlogen. Kortenaer en Stellingwerf waren gesneuveld; de vloot was vreeselijk gehavend, en het volk over deze nederlaag zoo verbitterd, dat het den dapperen Jan Evertsen, toen deze te Brielle aanwal stapte, in het water drong, waarin hij verdronken zou zijn, zoo hij niet door den Kapitein van een Fransch vaartuig gered ware geworden. Zoodra De Ruyter dit alles vernomen had,begreep hij, dat hij met de meeste omzichtigheid met zijne vloot, die zestien maanden inzee was geweest en dus heel wat geleden had, alle aanraking met de Engelschen vermijden moest. Mist en storm, anders vijanden van den zeeman, kwamen zijn beleid te hulp, en den zesden Augustus kwam hij ongehinderd met zijne geheele vloot, en al de prijsgemaakte schepen binnen. Dat gaf eene vreugde toen dit in het Vaderland bekend werd. De Ruyter werd letterlijk met open armen ontvangen, en bijna terstond benoemd tot Luitenant-Admiraal en Opperbevelhebber der vloot, niettegenstaande men, het heette bij gebrek aan beter, Cornelis Tromp pas, als zoodanig, benoemd had. Dat deze manier van handelen onzen trotschen, doch dapperen Tromp niet aangenaam viel, spreekt vanzelf, en later bleek het duidelijk hoezeer men den trotschen man gegriefd had, en welk eene vijandschap hij tegen De Ruyter opgevat had.
ZESDE HOOFDSTUK.Jan Kompanjie.In Januari van 1661 zeilde De Ruyter met eene vloot naar de Middellandsche zee en voerde met goed gevolg krijg tegen al de zeeroovers, die deze streken onveilig maakten, want het waren niet enkel Algerijnen, die ter kaapvaart voeren, maar ook Franschen en Spanjaarden.Hij bleef daar met kleine tusschenpoozen tot 1664 indie wateren kruisen. Op den laatsten tocht had hij Engel, die nog niet ten volle vijftien jaar oud was, medegenomen, en hiermede den „Barren Bruinvisch” over en over gelukkig gemaakt. Als deze maar even tijd had, was hij bezig om den zoon van zijn vroeger zeekind, Michiel, alles te leeren, wat op de scheepvaart betrekking had. Ook zijn eigen zoon Jan was er bij, en deze twee knapen konden het bovenst goed met elkander vinden.Inmiddels was er in Engeland eene groote verandering gekomen. De zoon van Koning Karel I, die in 1649 onthoofd was geworden, had onder den naam van Karel II den troon weer beklommen. In zijne ballingschap hadden de Nederlanders hem zeer veel dienst bewezen, doch inplaats van hiervoor dankbaar te zijn en in vriendschap met dit Gemeenebest te leven, toonde hij weldra, dat hij alles deed wat hij kon om ons te benadeelen en te grieven. Zoo had hij ook in 1661 eenen zekeren Robert Holmes naar Afrika gezonden om daar al de sterkten der Nederlanders op de Kust van Kaap Verd aan te tasten. Hij ontkende die zaak wel en wist zich op alle mogelijke wijzen te verontschuldigen, doch in 1663 werd dezelfde Holmes er weer heen gezonden om de Nederlanders afbreuk te doen, en dat nog wel nu we pas een verbond met Engeland gesloten hadden.Zoodra dit alles hier te lande vernomen werd, beklaagde men zich andermaal bij Koning Karel, doch deze wist, even als twee jaren vroeger, opnieuw allerlei uitvluchten te verzinnen, zoodat Johan De Witt besloot in deze zaak te handelen zonder zich aan den Engelschen Koning, den vrede of het verbond te storen. Er werd eene vloot uitgerust, die, zoo het heette, naar Afrika zou gaan. Op deze vloot hield de Koning het oog en zoolang die nu maar niet uitzeilde, zei hij nu eens dit en dan eens dat om eigenlijk de heele zaak op de lange baan te schuiven en alles blauw, blauw te laten. Maar wie er van blauw, blauw laten hield, niet onze De Witt. Heel in het geheim zondhij De Ruyter, die nog altijd met twaalf oorlogsschepen in de Middellandsche zee kruiste, bevel naar Kaap Verd te stevenen en daar onze sterkten op de Engelschen te hernemen. De slimme, of liever de sluwe Koning vond dus zijnen meester in onzen Raadpensionaris, die hem veel te geslepen was.Zoodra De Ruyter dit geheime bevel ontvangen had, zocht hij zijnen ouden zeevader op om hem te zeggen, dat men naar een ander deel der wereld zou trekken.„Kijk Vader eens een betrokken gezicht zetten, Grootvader,” sprak Engel tot Lievensz., die juist bezig was zijnen twee zeekinderen te onderrichten, hoe men bij donkere nachten in onbekende wateren zeilen moest.Den naam van „Grootvader” gaf Engel hem uit aardigheid, omdat Lievensz. er zoo grootsch op was, dat Engels Vader ook zijn zeekind was geweest.„Houd eens op, Bootsman, ik heb wat te vertellen,” zeide Michiel tot den ijverigen onderwijzer, die te midden van het woelig zeeleven weer jong opnieuw scheen geworden te zijn en alweer dat kloeke, vierkante en onversaagde voorkomen verkregen had.„Ik twijfel er aan of het wat goeds is,” antwoordde Lievensz. „Uw gelaat is zoo betrokken!”„Nu ja, goede vriend, ik kan ook niet zeggen, dat ik in mijnen schik ben! Ik zal u wat vertellen, ga eens even met mij mede in de kajuit.”Zoodra De Ruyter met zijn ouden zeevader alleen was, zeide hij: „Ik heb een geheim bevel gekregen, Lievensz. We moeten hier weg!”„Mag ik eens raden, waarheen?” vroeg Lievensz.„Dat kunt gij toch niet! Het is een bevel, dat niemand raden kan, en dat ik ook voor ieder verzwijgen moet! En dat juist hindert me. Niet dat ik zoo gaarne babbel, maar men zendt mij naar eene streek waar ik minder goed thuis ben.”„Kaap Verd, soms?” vroeg de „Barre Bruinvisch” met een leuk lachje. „Is het niet den spijker op den kop geslagen?”„Naar Kaap Verd? Wie ter wereld kan u dat medegedeeld hebben? De Witt, onze Raadpensionaris en ik, wij beiden weten het slechts!” riep De Ruyter vol verwondering uit. „Hoe kunt gij het nu weten?”„Dat voel ik zoo aan het draaien van mijn hart, Admiraal! De „Barre Bruinvisch” hoort veel, ziet veel, denkt veel, maar zegt weinig. Ik heb me al sinds lang verwonderd, dat we die Engelsche Koningsmoorders nog geen lesje moesten gaan geven. Ze hebben het al lang en breed verdiend! Die Karel sult met ons als de kat met de muis.”„Stille wateren hebben diepe gronden, Lievensz. Het is zoo. Maar het gekste is, dat ik nooit in die streken geweest ben en dat ik nu ook niemand raadplegen kan, daar ik mijnen tocht geheim moet houden en alleen aan de verschillende Kapiteins mag mededeelen. Dezen zijn evenwel ook op de Afrikaansche kust zoo goed als vreemdelingen. Ik ken hen en weet waar ze gevaren hebben. Toch dien ik hun den weg te wijzen en niet om raad te vragen.”„Gij moogt van geluk spreken, Admiraal! Zijt gij vergeten, dat ik er reeds driemaal geweest was, eer ik uw zeevader werd, en dat ik er, als galeislaaf, onder de Spanjaarden, herhaalde malen geweest ben? Of, wilt ge liever mijnen raad niet inwinnen?” zeide Lievensz.„Dat is waar ook,” zeide De Ruyter. „Dat is uitkomst. En u niet om raad willen vragen? U liever dan eenen Schout-bij-nacht of Kapitein, dat weet ge wel. Maar zult gij nu niemand zeggen waarheen de tocht is?”„Het spijt me dat ge mij dat verzoekt, Admiraal! U kent me toch lang genoeg om te weten, dat de „Barre Bruinvisch” geen babbelaar is,” zeide Lievensz. eenigszins geraakt. „Of hebt gij soms bewijzen, dat ik het vroeger was?”„Vergeef me, oude vriend, zoo ik u leed deed met datte zeggen. Alleen de zorg, het bevel geheim te houden deed me zoo spreken,” antwoordde De Ruyter en verwijderde zich om den Kapitein bevel te geven al de andere Kapiteins aanboord van het Admiraalsschip te seinen teneinde krijgsraad te houden.„Laat de wereld eenen man noemen als hij, die zelfs zijnen Bootsman vergiffenis vraagt,” mompelde de „Barre Bruinvisch”, en eenen traan van dankbaarheid en genegenheid uit de oogen wisschende, fluisterde hij: „De Heere zegene Vlissinger Michiel. Hij verdient gezegend te worden als voor of na hem geen ander.”Nadat de verschillende Kapiteins vernomen hadden, dat men naar Afrika, en wel naar Kaap Verd ging om den Engelschen eens den pols te voelen, en zij het bevel mede gekregen hadden hiervan voorloopig niets aan het volk te laten blijken, was onze vloot weldra de Middellandsche zee uit en met behulp van Lievensz.terechtwijzingen had men weldra Kaap Cantin bereikt en hier eerst legde De Ruyter in eenen krijgsraad zijnen heelen last bloot en kregen de Kapiteins ook vergunning om hun volk op de hoogte der zaak te brengen. Alles ging voor den wind, vooral daar De Ruyter, op raad van Lievensz., sloepen vooruit zond om de diepte te peilen en blinde klippen aan te wijzen. Den zeventienden October liet De Ruyter de Statenvlag uitsteken, als een bewijs, dat men de plaats van bestemming naderde.Daar lag het eiland Goereê en in de onmiddellijke nabijheid er van bevond zich eene Engelsche vloot van negen schepen, waarvan een de Koningsvlag voerde.De Engelschen waren zoogenaamd zeer verrast, dat hier eene Nederlandsche oorlogsvloot kwam, en de Bevelhebber liet leukweg vragen wat men hier doen kwam.„Wij komen terughalen, wat gij ons ontnomen, hebt,” luidde het eenvoudige, doch naar den zin van den Engelschman wat al te openhartige antwoord.„Is de oorlog dan tusschen Engeland en de Vereenigde Nederlanden uitgebroken?” vroeg men weer.„Wel neen,” liet De Ruyter antwoorden, „maar wat gij in vollen vrede van ons geroofd hebt, dat komen wij in vollen vrede terughalen. Ieder zijne beurt, waarde heer!”De Engelschman verzekerde bij hoog en laag, dat dit al eene heel gemeene manier van handelen was, doch De Ruyter liet zich dat langs de koude kleeren afglijden en zeide bedaard: „Gemeen of niet gemeen, wij komen het onze terughalen. Wilt gij het willig geven, we zullen het in vriendschap aannemen, wilt ge dat niet, welnu, dan zullen onze jongens toonen, dat ze de kaas zich niet van de boterham laten halen. Doe nu, zooals ge meent te moeten doen.”De Engelschen, die de verantwoordelijkheid van eenen nieuwen oorlog niet op zich wilden nemen, lieten De Ruyter het onze terugnemen en zonder bijna één schot te doen. Het heele eiland met zijne sterkte werd door den Engelschen Bevelhebber bij verdrag overgegeven en den onzen viel een aanzienlijke buit in handen. De sterkten werden hierop met Hollandsch volk bezet en De Ruyter zijnen last hier volbracht hebbende, hield zich thans gereed om naar de kust van Guinea te gaan, doch gaf bevel, dat men, alvorens dezen tocht aan te vangen, de watervaten of leggers schoon maken en met frisch drinkwater, dat op het land in overvloed te vinden was, vullen zou.Schout-bij-nacht Van der Zaan ging daartoe naar den wal, doch pas was hij aangekomen of een neger met een aanzienlijk gevolg, dat hem in alles, als den meerdere behandelde, naderde onze matrozen en vroeg den Schout-bij-nacht: „Dat Hollandsche schippe is, ja?”Van den Zaan verrast eenen neger op deze kust Hollandsch te hooren spreken, zeide: „Ja wel, dat is eene Hollandsche vloot! Hebt ge wel eens Hollanders ontmoet?”„Ik, ja, gevaren in Holland. Ik in Vlissingen geweest ben. Ik daar gedoopt is van dat Dominé. Ja, ik!”„Onze Admiraal is ook een Vlissinger!” zeide Van der Zaan, zonder nog te denken dat de neger hem kennen zou.Pas had hij dat evenwel gezegd of Bootsman Lievensz., die ook mede gegaan was om water te halen, liep, den Schout-bij-nacht terloops vergiffenis vragende voor zijne onbeleefdheid, naar den neger.„Zijt gij te Vlissingen gedoopt?” vroeg hij den neger.„Ja, ikke!” was het antwoord. „Maar niet door eene baker gedoopt ben ik!”„En gevaren op de „Lijnbaan” soms?”Daar keek de neger eensklaps met groote oogen op en stak de armen in de hoogte.„Wat hapert er aan?” vroeg Lievensz.„Jij bent, jij bent de Barre-Barre....”„Ja, ja, ik ben de „Barre Bruinvisch,” en jij bent mijn zeekind Jan Kompanjie!”„Hoezee! Hoezee!” riep de neger, die werkelijk Jan Kompanjie was. „Hoezee! Hoezee! Blijdschap hoe ik ben vol, hoezee, dat vreugde! Ikke de wonderkind vinden mijn Vadertje van zee!”„Jan, Jan,” riep de Barre, en drukte den neger de hand, „dat is al eene heel vreemde ontmoeting! Ga mee aanboord, oude jongen, ga mee, dan kunt gij Michiel zien!”„Michiel, Michiel?” schreeuwde Jan en deed van blijdschap eenen luchtsprong.„Ja, uw vriend Michiel!” antwoordde Lievensz. „Hij is Bevelhebber over die vloot daar! Hij is onze Admiraal!”„O, hij is een wonderkind, een wonderkind ik ben! En waar is Geleyn de drie wonderkind?”„Die is al lang dood, Jan! Hij is in den oorlog gesneuveld! Gevallen als een onoverwonnen zeeheld!”„O, die Geleyn dan de doode wonderkind is. Ik zien wil Michiel, Michiel die mij leerde grappen, die me deed krijg troef, troef om die oor, die klom op die haantje van het toren! Ik zien wil Michiel!”„Wel, zeekind, ga dan maar mee!” zeide Lievensz.Dat behoefde niet tweemaal gezegd te worden. In een wip was hij in de boot, en toen hij het Admiraalsschip zag en Lievensz. zeide, dat daar Michiel aanboord was, ging hij als een kind van blijdschap in de handen klappen, en schreeuwen tot van het lachen hem de tranen langs de wangen liepen: „Jan Kompanjie blij is! Ja blij!”De boot legde aan. Lievensz. klauterde langs den valreep naar boven, doch nauwelijks was hij op het dek en had hij De Ruyter toegeroepen: „Admiraal, daar is uw zeebroeder,” of Jan was al op het dek en kwam onder het geschreeuw van: „Michiel, leelijke jongen van aap, jongen, jij daar? Ik blij zijn vreugde van vol zijn ik!” met geopende armen op zijnen ouden kameraad aanloopen.„Lieve hemel, Jan, Jan Kompanjie, ben jij dat?” riep De Ruyter, Jan te gemoet gaande.„Ja, ik Jan Kompanjie! Ik Onderkoning van mijn land, jij Admiraal, jij wonderkind, ik wonderkind, o, ik zoo blij, zoo blij wezen zijn!” was Jans antwoord.Jan en De Ruyter omhelsden elkander van blijdschap, en de nieuwe luchtsprongen, die Jan maakte en de vervaarlijk leelijke gezichten, die hij trok, lieten geenen twijfel over of die neger was Jan Kompanjie.Beide vrienden gingen bij elkander zitten en vertelden zoo een en ander uit hun leven, en Jan eindigde dien dag met eens heerlijk te smullen van den echten ouderwetschen scheepspot.Den volgenden dag bracht Michiel onzen Jan een bezoek en toen ze eindelijk voor goed afscheid van elkander genomen hadden, en ze nog eenen laatsten handdruk met elkander wisselden, sprak Lievensz. zacht in zichzelven: „De een Onderkoning in zijn land, de ander Vice-Admiraal op eene vloot! Zeekinderen, ge hebt het beiden ver gebracht, verder dan uw zeevader Lievensz., de Barre Bruinvisch.”Na dit gezegd te hebben, schudde hij de leeuwenmanenen na nog even gebromd te hebben: „Pruil niet, Barre, gedane zaken nemen geenen keer,” ging hij weer aan zijn werk, en een uur later was hij weer de oude.De terugtocht werd aanvaard en al had De Ruyter wel eens roemrijker daden verricht dan hier aan Kaap Verd, hij had toch volkomen het doel bereikt.„Ziezoo, Lievensz., dat werk is dan weder achter den rug,” zeide De Ruyter, toen ze den zesden Maart van 1665 de Linie passeerden en koerszettennaar de West-Indiën, om daar, even als op de Kust van Guinea, de Engelschen te gaan bestoken. „Ik heb daar zoo even brieven uit het Vaderland ontvangen, en daaruit blijkt dat Engeland ons den oorlog nog niet verklaard heeft, maar toch heel eenvoudig doet, alsof het oorlog is, terwijl hij moord en brand schreeuwt over hetgeen onlangs door ons op de Westkust van Afrika en op de Kust van Guinea verricht is.”„Old Rowley is valsch tot in zijne nieren,” bromde Lievensz., met „Old Rowley” Koning Karel bedoelende. „En er zal wel op ons geloerd worden ook!”„Ja, Lievensz., het heet hier: oppassen is de boodschap of we loopen in de fuik,” was het antwoord. „Maar mijn bevel luidt: „Alle Engelsche schepen en bezittingen zooveel afbreuk mogelijk doen,” dat is een andere last dan die, welken Tromp eenmaal mede kreeg. Nu weet een fatsoenlijk mensch waaraan hij zich houden kan. Ik voor mij heb goeden moed, dat we ditmaal voor de Engelschen niet zullen onder doen. We hebben eene prachtige vloot tegenwoordig, Lievensz.! Heel wat anders dan onder Tromp. Maar dat is achter den rug; we moeten nu maar doen, wat te doen is en ook doen, wat wij kunnen.”Dit geschiedde dan ook, hoewel niet altijd met evenveel voordeel, en toen De Ruyter meende genoeg gedaan te hebben, zette hij koers naar het Vaderland, doch gebruikte de voorzichtigheid, om het noorden vanGroot-Brittanniëte zeilen, daar hij niet wist hoe de stand van zaken was. Weldra evenwel vernam hij van een klein Hollandsch scheepje, dat er den dertienden Juni bij Lowestoff een zeeslag geleverd was, die allerongelukkigst voor de Nederlanders afgeloopen was. Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam had gevochten, als een getergde leeuw, en was met zijn schip in de lucht gevlogen. Kortenaer en Stellingwerf waren gesneuveld; de vloot was vreeselijk gehavend, en het volk over deze nederlaag zoo verbitterd, dat het den dapperen Jan Evertsen, toen deze te Brielle aanwal stapte, in het water drong, waarin hij verdronken zou zijn, zoo hij niet door den Kapitein van een Fransch vaartuig gered ware geworden. Zoodra De Ruyter dit alles vernomen had,begreep hij, dat hij met de meeste omzichtigheid met zijne vloot, die zestien maanden inzee was geweest en dus heel wat geleden had, alle aanraking met de Engelschen vermijden moest. Mist en storm, anders vijanden van den zeeman, kwamen zijn beleid te hulp, en den zesden Augustus kwam hij ongehinderd met zijne geheele vloot, en al de prijsgemaakte schepen binnen. Dat gaf eene vreugde toen dit in het Vaderland bekend werd. De Ruyter werd letterlijk met open armen ontvangen, en bijna terstond benoemd tot Luitenant-Admiraal en Opperbevelhebber der vloot, niettegenstaande men, het heette bij gebrek aan beter, Cornelis Tromp pas, als zoodanig, benoemd had. Dat deze manier van handelen onzen trotschen, doch dapperen Tromp niet aangenaam viel, spreekt vanzelf, en later bleek het duidelijk hoezeer men den trotschen man gegriefd had, en welk eene vijandschap hij tegen De Ruyter opgevat had.
ZESDE HOOFDSTUK.Jan Kompanjie.
In Januari van 1661 zeilde De Ruyter met eene vloot naar de Middellandsche zee en voerde met goed gevolg krijg tegen al de zeeroovers, die deze streken onveilig maakten, want het waren niet enkel Algerijnen, die ter kaapvaart voeren, maar ook Franschen en Spanjaarden.Hij bleef daar met kleine tusschenpoozen tot 1664 indie wateren kruisen. Op den laatsten tocht had hij Engel, die nog niet ten volle vijftien jaar oud was, medegenomen, en hiermede den „Barren Bruinvisch” over en over gelukkig gemaakt. Als deze maar even tijd had, was hij bezig om den zoon van zijn vroeger zeekind, Michiel, alles te leeren, wat op de scheepvaart betrekking had. Ook zijn eigen zoon Jan was er bij, en deze twee knapen konden het bovenst goed met elkander vinden.Inmiddels was er in Engeland eene groote verandering gekomen. De zoon van Koning Karel I, die in 1649 onthoofd was geworden, had onder den naam van Karel II den troon weer beklommen. In zijne ballingschap hadden de Nederlanders hem zeer veel dienst bewezen, doch inplaats van hiervoor dankbaar te zijn en in vriendschap met dit Gemeenebest te leven, toonde hij weldra, dat hij alles deed wat hij kon om ons te benadeelen en te grieven. Zoo had hij ook in 1661 eenen zekeren Robert Holmes naar Afrika gezonden om daar al de sterkten der Nederlanders op de Kust van Kaap Verd aan te tasten. Hij ontkende die zaak wel en wist zich op alle mogelijke wijzen te verontschuldigen, doch in 1663 werd dezelfde Holmes er weer heen gezonden om de Nederlanders afbreuk te doen, en dat nog wel nu we pas een verbond met Engeland gesloten hadden.Zoodra dit alles hier te lande vernomen werd, beklaagde men zich andermaal bij Koning Karel, doch deze wist, even als twee jaren vroeger, opnieuw allerlei uitvluchten te verzinnen, zoodat Johan De Witt besloot in deze zaak te handelen zonder zich aan den Engelschen Koning, den vrede of het verbond te storen. Er werd eene vloot uitgerust, die, zoo het heette, naar Afrika zou gaan. Op deze vloot hield de Koning het oog en zoolang die nu maar niet uitzeilde, zei hij nu eens dit en dan eens dat om eigenlijk de heele zaak op de lange baan te schuiven en alles blauw, blauw te laten. Maar wie er van blauw, blauw laten hield, niet onze De Witt. Heel in het geheim zondhij De Ruyter, die nog altijd met twaalf oorlogsschepen in de Middellandsche zee kruiste, bevel naar Kaap Verd te stevenen en daar onze sterkten op de Engelschen te hernemen. De slimme, of liever de sluwe Koning vond dus zijnen meester in onzen Raadpensionaris, die hem veel te geslepen was.Zoodra De Ruyter dit geheime bevel ontvangen had, zocht hij zijnen ouden zeevader op om hem te zeggen, dat men naar een ander deel der wereld zou trekken.„Kijk Vader eens een betrokken gezicht zetten, Grootvader,” sprak Engel tot Lievensz., die juist bezig was zijnen twee zeekinderen te onderrichten, hoe men bij donkere nachten in onbekende wateren zeilen moest.Den naam van „Grootvader” gaf Engel hem uit aardigheid, omdat Lievensz. er zoo grootsch op was, dat Engels Vader ook zijn zeekind was geweest.„Houd eens op, Bootsman, ik heb wat te vertellen,” zeide Michiel tot den ijverigen onderwijzer, die te midden van het woelig zeeleven weer jong opnieuw scheen geworden te zijn en alweer dat kloeke, vierkante en onversaagde voorkomen verkregen had.„Ik twijfel er aan of het wat goeds is,” antwoordde Lievensz. „Uw gelaat is zoo betrokken!”„Nu ja, goede vriend, ik kan ook niet zeggen, dat ik in mijnen schik ben! Ik zal u wat vertellen, ga eens even met mij mede in de kajuit.”Zoodra De Ruyter met zijn ouden zeevader alleen was, zeide hij: „Ik heb een geheim bevel gekregen, Lievensz. We moeten hier weg!”„Mag ik eens raden, waarheen?” vroeg Lievensz.„Dat kunt gij toch niet! Het is een bevel, dat niemand raden kan, en dat ik ook voor ieder verzwijgen moet! En dat juist hindert me. Niet dat ik zoo gaarne babbel, maar men zendt mij naar eene streek waar ik minder goed thuis ben.”„Kaap Verd, soms?” vroeg de „Barre Bruinvisch” met een leuk lachje. „Is het niet den spijker op den kop geslagen?”„Naar Kaap Verd? Wie ter wereld kan u dat medegedeeld hebben? De Witt, onze Raadpensionaris en ik, wij beiden weten het slechts!” riep De Ruyter vol verwondering uit. „Hoe kunt gij het nu weten?”„Dat voel ik zoo aan het draaien van mijn hart, Admiraal! De „Barre Bruinvisch” hoort veel, ziet veel, denkt veel, maar zegt weinig. Ik heb me al sinds lang verwonderd, dat we die Engelsche Koningsmoorders nog geen lesje moesten gaan geven. Ze hebben het al lang en breed verdiend! Die Karel sult met ons als de kat met de muis.”„Stille wateren hebben diepe gronden, Lievensz. Het is zoo. Maar het gekste is, dat ik nooit in die streken geweest ben en dat ik nu ook niemand raadplegen kan, daar ik mijnen tocht geheim moet houden en alleen aan de verschillende Kapiteins mag mededeelen. Dezen zijn evenwel ook op de Afrikaansche kust zoo goed als vreemdelingen. Ik ken hen en weet waar ze gevaren hebben. Toch dien ik hun den weg te wijzen en niet om raad te vragen.”„Gij moogt van geluk spreken, Admiraal! Zijt gij vergeten, dat ik er reeds driemaal geweest was, eer ik uw zeevader werd, en dat ik er, als galeislaaf, onder de Spanjaarden, herhaalde malen geweest ben? Of, wilt ge liever mijnen raad niet inwinnen?” zeide Lievensz.„Dat is waar ook,” zeide De Ruyter. „Dat is uitkomst. En u niet om raad willen vragen? U liever dan eenen Schout-bij-nacht of Kapitein, dat weet ge wel. Maar zult gij nu niemand zeggen waarheen de tocht is?”„Het spijt me dat ge mij dat verzoekt, Admiraal! U kent me toch lang genoeg om te weten, dat de „Barre Bruinvisch” geen babbelaar is,” zeide Lievensz. eenigszins geraakt. „Of hebt gij soms bewijzen, dat ik het vroeger was?”„Vergeef me, oude vriend, zoo ik u leed deed met datte zeggen. Alleen de zorg, het bevel geheim te houden deed me zoo spreken,” antwoordde De Ruyter en verwijderde zich om den Kapitein bevel te geven al de andere Kapiteins aanboord van het Admiraalsschip te seinen teneinde krijgsraad te houden.„Laat de wereld eenen man noemen als hij, die zelfs zijnen Bootsman vergiffenis vraagt,” mompelde de „Barre Bruinvisch”, en eenen traan van dankbaarheid en genegenheid uit de oogen wisschende, fluisterde hij: „De Heere zegene Vlissinger Michiel. Hij verdient gezegend te worden als voor of na hem geen ander.”Nadat de verschillende Kapiteins vernomen hadden, dat men naar Afrika, en wel naar Kaap Verd ging om den Engelschen eens den pols te voelen, en zij het bevel mede gekregen hadden hiervan voorloopig niets aan het volk te laten blijken, was onze vloot weldra de Middellandsche zee uit en met behulp van Lievensz.terechtwijzingen had men weldra Kaap Cantin bereikt en hier eerst legde De Ruyter in eenen krijgsraad zijnen heelen last bloot en kregen de Kapiteins ook vergunning om hun volk op de hoogte der zaak te brengen. Alles ging voor den wind, vooral daar De Ruyter, op raad van Lievensz., sloepen vooruit zond om de diepte te peilen en blinde klippen aan te wijzen. Den zeventienden October liet De Ruyter de Statenvlag uitsteken, als een bewijs, dat men de plaats van bestemming naderde.Daar lag het eiland Goereê en in de onmiddellijke nabijheid er van bevond zich eene Engelsche vloot van negen schepen, waarvan een de Koningsvlag voerde.De Engelschen waren zoogenaamd zeer verrast, dat hier eene Nederlandsche oorlogsvloot kwam, en de Bevelhebber liet leukweg vragen wat men hier doen kwam.„Wij komen terughalen, wat gij ons ontnomen, hebt,” luidde het eenvoudige, doch naar den zin van den Engelschman wat al te openhartige antwoord.„Is de oorlog dan tusschen Engeland en de Vereenigde Nederlanden uitgebroken?” vroeg men weer.„Wel neen,” liet De Ruyter antwoorden, „maar wat gij in vollen vrede van ons geroofd hebt, dat komen wij in vollen vrede terughalen. Ieder zijne beurt, waarde heer!”De Engelschman verzekerde bij hoog en laag, dat dit al eene heel gemeene manier van handelen was, doch De Ruyter liet zich dat langs de koude kleeren afglijden en zeide bedaard: „Gemeen of niet gemeen, wij komen het onze terughalen. Wilt gij het willig geven, we zullen het in vriendschap aannemen, wilt ge dat niet, welnu, dan zullen onze jongens toonen, dat ze de kaas zich niet van de boterham laten halen. Doe nu, zooals ge meent te moeten doen.”De Engelschen, die de verantwoordelijkheid van eenen nieuwen oorlog niet op zich wilden nemen, lieten De Ruyter het onze terugnemen en zonder bijna één schot te doen. Het heele eiland met zijne sterkte werd door den Engelschen Bevelhebber bij verdrag overgegeven en den onzen viel een aanzienlijke buit in handen. De sterkten werden hierop met Hollandsch volk bezet en De Ruyter zijnen last hier volbracht hebbende, hield zich thans gereed om naar de kust van Guinea te gaan, doch gaf bevel, dat men, alvorens dezen tocht aan te vangen, de watervaten of leggers schoon maken en met frisch drinkwater, dat op het land in overvloed te vinden was, vullen zou.Schout-bij-nacht Van der Zaan ging daartoe naar den wal, doch pas was hij aangekomen of een neger met een aanzienlijk gevolg, dat hem in alles, als den meerdere behandelde, naderde onze matrozen en vroeg den Schout-bij-nacht: „Dat Hollandsche schippe is, ja?”Van den Zaan verrast eenen neger op deze kust Hollandsch te hooren spreken, zeide: „Ja wel, dat is eene Hollandsche vloot! Hebt ge wel eens Hollanders ontmoet?”„Ik, ja, gevaren in Holland. Ik in Vlissingen geweest ben. Ik daar gedoopt is van dat Dominé. Ja, ik!”„Onze Admiraal is ook een Vlissinger!” zeide Van der Zaan, zonder nog te denken dat de neger hem kennen zou.Pas had hij dat evenwel gezegd of Bootsman Lievensz., die ook mede gegaan was om water te halen, liep, den Schout-bij-nacht terloops vergiffenis vragende voor zijne onbeleefdheid, naar den neger.„Zijt gij te Vlissingen gedoopt?” vroeg hij den neger.„Ja, ikke!” was het antwoord. „Maar niet door eene baker gedoopt ben ik!”„En gevaren op de „Lijnbaan” soms?”Daar keek de neger eensklaps met groote oogen op en stak de armen in de hoogte.„Wat hapert er aan?” vroeg Lievensz.„Jij bent, jij bent de Barre-Barre....”„Ja, ja, ik ben de „Barre Bruinvisch,” en jij bent mijn zeekind Jan Kompanjie!”„Hoezee! Hoezee!” riep de neger, die werkelijk Jan Kompanjie was. „Hoezee! Hoezee! Blijdschap hoe ik ben vol, hoezee, dat vreugde! Ikke de wonderkind vinden mijn Vadertje van zee!”„Jan, Jan,” riep de Barre, en drukte den neger de hand, „dat is al eene heel vreemde ontmoeting! Ga mee aanboord, oude jongen, ga mee, dan kunt gij Michiel zien!”„Michiel, Michiel?” schreeuwde Jan en deed van blijdschap eenen luchtsprong.„Ja, uw vriend Michiel!” antwoordde Lievensz. „Hij is Bevelhebber over die vloot daar! Hij is onze Admiraal!”„O, hij is een wonderkind, een wonderkind ik ben! En waar is Geleyn de drie wonderkind?”„Die is al lang dood, Jan! Hij is in den oorlog gesneuveld! Gevallen als een onoverwonnen zeeheld!”„O, die Geleyn dan de doode wonderkind is. Ik zien wil Michiel, Michiel die mij leerde grappen, die me deed krijg troef, troef om die oor, die klom op die haantje van het toren! Ik zien wil Michiel!”„Wel, zeekind, ga dan maar mee!” zeide Lievensz.Dat behoefde niet tweemaal gezegd te worden. In een wip was hij in de boot, en toen hij het Admiraalsschip zag en Lievensz. zeide, dat daar Michiel aanboord was, ging hij als een kind van blijdschap in de handen klappen, en schreeuwen tot van het lachen hem de tranen langs de wangen liepen: „Jan Kompanjie blij is! Ja blij!”De boot legde aan. Lievensz. klauterde langs den valreep naar boven, doch nauwelijks was hij op het dek en had hij De Ruyter toegeroepen: „Admiraal, daar is uw zeebroeder,” of Jan was al op het dek en kwam onder het geschreeuw van: „Michiel, leelijke jongen van aap, jongen, jij daar? Ik blij zijn vreugde van vol zijn ik!” met geopende armen op zijnen ouden kameraad aanloopen.„Lieve hemel, Jan, Jan Kompanjie, ben jij dat?” riep De Ruyter, Jan te gemoet gaande.„Ja, ik Jan Kompanjie! Ik Onderkoning van mijn land, jij Admiraal, jij wonderkind, ik wonderkind, o, ik zoo blij, zoo blij wezen zijn!” was Jans antwoord.Jan en De Ruyter omhelsden elkander van blijdschap, en de nieuwe luchtsprongen, die Jan maakte en de vervaarlijk leelijke gezichten, die hij trok, lieten geenen twijfel over of die neger was Jan Kompanjie.Beide vrienden gingen bij elkander zitten en vertelden zoo een en ander uit hun leven, en Jan eindigde dien dag met eens heerlijk te smullen van den echten ouderwetschen scheepspot.Den volgenden dag bracht Michiel onzen Jan een bezoek en toen ze eindelijk voor goed afscheid van elkander genomen hadden, en ze nog eenen laatsten handdruk met elkander wisselden, sprak Lievensz. zacht in zichzelven: „De een Onderkoning in zijn land, de ander Vice-Admiraal op eene vloot! Zeekinderen, ge hebt het beiden ver gebracht, verder dan uw zeevader Lievensz., de Barre Bruinvisch.”Na dit gezegd te hebben, schudde hij de leeuwenmanenen na nog even gebromd te hebben: „Pruil niet, Barre, gedane zaken nemen geenen keer,” ging hij weer aan zijn werk, en een uur later was hij weer de oude.De terugtocht werd aanvaard en al had De Ruyter wel eens roemrijker daden verricht dan hier aan Kaap Verd, hij had toch volkomen het doel bereikt.„Ziezoo, Lievensz., dat werk is dan weder achter den rug,” zeide De Ruyter, toen ze den zesden Maart van 1665 de Linie passeerden en koerszettennaar de West-Indiën, om daar, even als op de Kust van Guinea, de Engelschen te gaan bestoken. „Ik heb daar zoo even brieven uit het Vaderland ontvangen, en daaruit blijkt dat Engeland ons den oorlog nog niet verklaard heeft, maar toch heel eenvoudig doet, alsof het oorlog is, terwijl hij moord en brand schreeuwt over hetgeen onlangs door ons op de Westkust van Afrika en op de Kust van Guinea verricht is.”„Old Rowley is valsch tot in zijne nieren,” bromde Lievensz., met „Old Rowley” Koning Karel bedoelende. „En er zal wel op ons geloerd worden ook!”„Ja, Lievensz., het heet hier: oppassen is de boodschap of we loopen in de fuik,” was het antwoord. „Maar mijn bevel luidt: „Alle Engelsche schepen en bezittingen zooveel afbreuk mogelijk doen,” dat is een andere last dan die, welken Tromp eenmaal mede kreeg. Nu weet een fatsoenlijk mensch waaraan hij zich houden kan. Ik voor mij heb goeden moed, dat we ditmaal voor de Engelschen niet zullen onder doen. We hebben eene prachtige vloot tegenwoordig, Lievensz.! Heel wat anders dan onder Tromp. Maar dat is achter den rug; we moeten nu maar doen, wat te doen is en ook doen, wat wij kunnen.”Dit geschiedde dan ook, hoewel niet altijd met evenveel voordeel, en toen De Ruyter meende genoeg gedaan te hebben, zette hij koers naar het Vaderland, doch gebruikte de voorzichtigheid, om het noorden vanGroot-Brittanniëte zeilen, daar hij niet wist hoe de stand van zaken was. Weldra evenwel vernam hij van een klein Hollandsch scheepje, dat er den dertienden Juni bij Lowestoff een zeeslag geleverd was, die allerongelukkigst voor de Nederlanders afgeloopen was. Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam had gevochten, als een getergde leeuw, en was met zijn schip in de lucht gevlogen. Kortenaer en Stellingwerf waren gesneuveld; de vloot was vreeselijk gehavend, en het volk over deze nederlaag zoo verbitterd, dat het den dapperen Jan Evertsen, toen deze te Brielle aanwal stapte, in het water drong, waarin hij verdronken zou zijn, zoo hij niet door den Kapitein van een Fransch vaartuig gered ware geworden. Zoodra De Ruyter dit alles vernomen had,begreep hij, dat hij met de meeste omzichtigheid met zijne vloot, die zestien maanden inzee was geweest en dus heel wat geleden had, alle aanraking met de Engelschen vermijden moest. Mist en storm, anders vijanden van den zeeman, kwamen zijn beleid te hulp, en den zesden Augustus kwam hij ongehinderd met zijne geheele vloot, en al de prijsgemaakte schepen binnen. Dat gaf eene vreugde toen dit in het Vaderland bekend werd. De Ruyter werd letterlijk met open armen ontvangen, en bijna terstond benoemd tot Luitenant-Admiraal en Opperbevelhebber der vloot, niettegenstaande men, het heette bij gebrek aan beter, Cornelis Tromp pas, als zoodanig, benoemd had. Dat deze manier van handelen onzen trotschen, doch dapperen Tromp niet aangenaam viel, spreekt vanzelf, en later bleek het duidelijk hoezeer men den trotschen man gegriefd had, en welk eene vijandschap hij tegen De Ruyter opgevat had.
In Januari van 1661 zeilde De Ruyter met eene vloot naar de Middellandsche zee en voerde met goed gevolg krijg tegen al de zeeroovers, die deze streken onveilig maakten, want het waren niet enkel Algerijnen, die ter kaapvaart voeren, maar ook Franschen en Spanjaarden.
Hij bleef daar met kleine tusschenpoozen tot 1664 indie wateren kruisen. Op den laatsten tocht had hij Engel, die nog niet ten volle vijftien jaar oud was, medegenomen, en hiermede den „Barren Bruinvisch” over en over gelukkig gemaakt. Als deze maar even tijd had, was hij bezig om den zoon van zijn vroeger zeekind, Michiel, alles te leeren, wat op de scheepvaart betrekking had. Ook zijn eigen zoon Jan was er bij, en deze twee knapen konden het bovenst goed met elkander vinden.
Inmiddels was er in Engeland eene groote verandering gekomen. De zoon van Koning Karel I, die in 1649 onthoofd was geworden, had onder den naam van Karel II den troon weer beklommen. In zijne ballingschap hadden de Nederlanders hem zeer veel dienst bewezen, doch inplaats van hiervoor dankbaar te zijn en in vriendschap met dit Gemeenebest te leven, toonde hij weldra, dat hij alles deed wat hij kon om ons te benadeelen en te grieven. Zoo had hij ook in 1661 eenen zekeren Robert Holmes naar Afrika gezonden om daar al de sterkten der Nederlanders op de Kust van Kaap Verd aan te tasten. Hij ontkende die zaak wel en wist zich op alle mogelijke wijzen te verontschuldigen, doch in 1663 werd dezelfde Holmes er weer heen gezonden om de Nederlanders afbreuk te doen, en dat nog wel nu we pas een verbond met Engeland gesloten hadden.
Zoodra dit alles hier te lande vernomen werd, beklaagde men zich andermaal bij Koning Karel, doch deze wist, even als twee jaren vroeger, opnieuw allerlei uitvluchten te verzinnen, zoodat Johan De Witt besloot in deze zaak te handelen zonder zich aan den Engelschen Koning, den vrede of het verbond te storen. Er werd eene vloot uitgerust, die, zoo het heette, naar Afrika zou gaan. Op deze vloot hield de Koning het oog en zoolang die nu maar niet uitzeilde, zei hij nu eens dit en dan eens dat om eigenlijk de heele zaak op de lange baan te schuiven en alles blauw, blauw te laten. Maar wie er van blauw, blauw laten hield, niet onze De Witt. Heel in het geheim zondhij De Ruyter, die nog altijd met twaalf oorlogsschepen in de Middellandsche zee kruiste, bevel naar Kaap Verd te stevenen en daar onze sterkten op de Engelschen te hernemen. De slimme, of liever de sluwe Koning vond dus zijnen meester in onzen Raadpensionaris, die hem veel te geslepen was.
Zoodra De Ruyter dit geheime bevel ontvangen had, zocht hij zijnen ouden zeevader op om hem te zeggen, dat men naar een ander deel der wereld zou trekken.
„Kijk Vader eens een betrokken gezicht zetten, Grootvader,” sprak Engel tot Lievensz., die juist bezig was zijnen twee zeekinderen te onderrichten, hoe men bij donkere nachten in onbekende wateren zeilen moest.
Den naam van „Grootvader” gaf Engel hem uit aardigheid, omdat Lievensz. er zoo grootsch op was, dat Engels Vader ook zijn zeekind was geweest.
„Houd eens op, Bootsman, ik heb wat te vertellen,” zeide Michiel tot den ijverigen onderwijzer, die te midden van het woelig zeeleven weer jong opnieuw scheen geworden te zijn en alweer dat kloeke, vierkante en onversaagde voorkomen verkregen had.
„Ik twijfel er aan of het wat goeds is,” antwoordde Lievensz. „Uw gelaat is zoo betrokken!”
„Nu ja, goede vriend, ik kan ook niet zeggen, dat ik in mijnen schik ben! Ik zal u wat vertellen, ga eens even met mij mede in de kajuit.”
Zoodra De Ruyter met zijn ouden zeevader alleen was, zeide hij: „Ik heb een geheim bevel gekregen, Lievensz. We moeten hier weg!”
„Mag ik eens raden, waarheen?” vroeg Lievensz.
„Dat kunt gij toch niet! Het is een bevel, dat niemand raden kan, en dat ik ook voor ieder verzwijgen moet! En dat juist hindert me. Niet dat ik zoo gaarne babbel, maar men zendt mij naar eene streek waar ik minder goed thuis ben.”
„Kaap Verd, soms?” vroeg de „Barre Bruinvisch” met een leuk lachje. „Is het niet den spijker op den kop geslagen?”
„Naar Kaap Verd? Wie ter wereld kan u dat medegedeeld hebben? De Witt, onze Raadpensionaris en ik, wij beiden weten het slechts!” riep De Ruyter vol verwondering uit. „Hoe kunt gij het nu weten?”
„Dat voel ik zoo aan het draaien van mijn hart, Admiraal! De „Barre Bruinvisch” hoort veel, ziet veel, denkt veel, maar zegt weinig. Ik heb me al sinds lang verwonderd, dat we die Engelsche Koningsmoorders nog geen lesje moesten gaan geven. Ze hebben het al lang en breed verdiend! Die Karel sult met ons als de kat met de muis.”
„Stille wateren hebben diepe gronden, Lievensz. Het is zoo. Maar het gekste is, dat ik nooit in die streken geweest ben en dat ik nu ook niemand raadplegen kan, daar ik mijnen tocht geheim moet houden en alleen aan de verschillende Kapiteins mag mededeelen. Dezen zijn evenwel ook op de Afrikaansche kust zoo goed als vreemdelingen. Ik ken hen en weet waar ze gevaren hebben. Toch dien ik hun den weg te wijzen en niet om raad te vragen.”
„Gij moogt van geluk spreken, Admiraal! Zijt gij vergeten, dat ik er reeds driemaal geweest was, eer ik uw zeevader werd, en dat ik er, als galeislaaf, onder de Spanjaarden, herhaalde malen geweest ben? Of, wilt ge liever mijnen raad niet inwinnen?” zeide Lievensz.
„Dat is waar ook,” zeide De Ruyter. „Dat is uitkomst. En u niet om raad willen vragen? U liever dan eenen Schout-bij-nacht of Kapitein, dat weet ge wel. Maar zult gij nu niemand zeggen waarheen de tocht is?”
„Het spijt me dat ge mij dat verzoekt, Admiraal! U kent me toch lang genoeg om te weten, dat de „Barre Bruinvisch” geen babbelaar is,” zeide Lievensz. eenigszins geraakt. „Of hebt gij soms bewijzen, dat ik het vroeger was?”
„Vergeef me, oude vriend, zoo ik u leed deed met datte zeggen. Alleen de zorg, het bevel geheim te houden deed me zoo spreken,” antwoordde De Ruyter en verwijderde zich om den Kapitein bevel te geven al de andere Kapiteins aanboord van het Admiraalsschip te seinen teneinde krijgsraad te houden.
„Laat de wereld eenen man noemen als hij, die zelfs zijnen Bootsman vergiffenis vraagt,” mompelde de „Barre Bruinvisch”, en eenen traan van dankbaarheid en genegenheid uit de oogen wisschende, fluisterde hij: „De Heere zegene Vlissinger Michiel. Hij verdient gezegend te worden als voor of na hem geen ander.”
Nadat de verschillende Kapiteins vernomen hadden, dat men naar Afrika, en wel naar Kaap Verd ging om den Engelschen eens den pols te voelen, en zij het bevel mede gekregen hadden hiervan voorloopig niets aan het volk te laten blijken, was onze vloot weldra de Middellandsche zee uit en met behulp van Lievensz.terechtwijzingen had men weldra Kaap Cantin bereikt en hier eerst legde De Ruyter in eenen krijgsraad zijnen heelen last bloot en kregen de Kapiteins ook vergunning om hun volk op de hoogte der zaak te brengen. Alles ging voor den wind, vooral daar De Ruyter, op raad van Lievensz., sloepen vooruit zond om de diepte te peilen en blinde klippen aan te wijzen. Den zeventienden October liet De Ruyter de Statenvlag uitsteken, als een bewijs, dat men de plaats van bestemming naderde.
Daar lag het eiland Goereê en in de onmiddellijke nabijheid er van bevond zich eene Engelsche vloot van negen schepen, waarvan een de Koningsvlag voerde.
De Engelschen waren zoogenaamd zeer verrast, dat hier eene Nederlandsche oorlogsvloot kwam, en de Bevelhebber liet leukweg vragen wat men hier doen kwam.
„Wij komen terughalen, wat gij ons ontnomen, hebt,” luidde het eenvoudige, doch naar den zin van den Engelschman wat al te openhartige antwoord.
„Is de oorlog dan tusschen Engeland en de Vereenigde Nederlanden uitgebroken?” vroeg men weer.
„Wel neen,” liet De Ruyter antwoorden, „maar wat gij in vollen vrede van ons geroofd hebt, dat komen wij in vollen vrede terughalen. Ieder zijne beurt, waarde heer!”
De Engelschman verzekerde bij hoog en laag, dat dit al eene heel gemeene manier van handelen was, doch De Ruyter liet zich dat langs de koude kleeren afglijden en zeide bedaard: „Gemeen of niet gemeen, wij komen het onze terughalen. Wilt gij het willig geven, we zullen het in vriendschap aannemen, wilt ge dat niet, welnu, dan zullen onze jongens toonen, dat ze de kaas zich niet van de boterham laten halen. Doe nu, zooals ge meent te moeten doen.”
De Engelschen, die de verantwoordelijkheid van eenen nieuwen oorlog niet op zich wilden nemen, lieten De Ruyter het onze terugnemen en zonder bijna één schot te doen. Het heele eiland met zijne sterkte werd door den Engelschen Bevelhebber bij verdrag overgegeven en den onzen viel een aanzienlijke buit in handen. De sterkten werden hierop met Hollandsch volk bezet en De Ruyter zijnen last hier volbracht hebbende, hield zich thans gereed om naar de kust van Guinea te gaan, doch gaf bevel, dat men, alvorens dezen tocht aan te vangen, de watervaten of leggers schoon maken en met frisch drinkwater, dat op het land in overvloed te vinden was, vullen zou.
Schout-bij-nacht Van der Zaan ging daartoe naar den wal, doch pas was hij aangekomen of een neger met een aanzienlijk gevolg, dat hem in alles, als den meerdere behandelde, naderde onze matrozen en vroeg den Schout-bij-nacht: „Dat Hollandsche schippe is, ja?”
Van den Zaan verrast eenen neger op deze kust Hollandsch te hooren spreken, zeide: „Ja wel, dat is eene Hollandsche vloot! Hebt ge wel eens Hollanders ontmoet?”
„Ik, ja, gevaren in Holland. Ik in Vlissingen geweest ben. Ik daar gedoopt is van dat Dominé. Ja, ik!”
„Onze Admiraal is ook een Vlissinger!” zeide Van der Zaan, zonder nog te denken dat de neger hem kennen zou.
Pas had hij dat evenwel gezegd of Bootsman Lievensz., die ook mede gegaan was om water te halen, liep, den Schout-bij-nacht terloops vergiffenis vragende voor zijne onbeleefdheid, naar den neger.
„Zijt gij te Vlissingen gedoopt?” vroeg hij den neger.
„Ja, ikke!” was het antwoord. „Maar niet door eene baker gedoopt ben ik!”
„En gevaren op de „Lijnbaan” soms?”
Daar keek de neger eensklaps met groote oogen op en stak de armen in de hoogte.
„Wat hapert er aan?” vroeg Lievensz.
„Jij bent, jij bent de Barre-Barre....”
„Ja, ja, ik ben de „Barre Bruinvisch,” en jij bent mijn zeekind Jan Kompanjie!”
„Hoezee! Hoezee!” riep de neger, die werkelijk Jan Kompanjie was. „Hoezee! Hoezee! Blijdschap hoe ik ben vol, hoezee, dat vreugde! Ikke de wonderkind vinden mijn Vadertje van zee!”
„Jan, Jan,” riep de Barre, en drukte den neger de hand, „dat is al eene heel vreemde ontmoeting! Ga mee aanboord, oude jongen, ga mee, dan kunt gij Michiel zien!”
„Michiel, Michiel?” schreeuwde Jan en deed van blijdschap eenen luchtsprong.
„Ja, uw vriend Michiel!” antwoordde Lievensz. „Hij is Bevelhebber over die vloot daar! Hij is onze Admiraal!”
„O, hij is een wonderkind, een wonderkind ik ben! En waar is Geleyn de drie wonderkind?”
„Die is al lang dood, Jan! Hij is in den oorlog gesneuveld! Gevallen als een onoverwonnen zeeheld!”
„O, die Geleyn dan de doode wonderkind is. Ik zien wil Michiel, Michiel die mij leerde grappen, die me deed krijg troef, troef om die oor, die klom op die haantje van het toren! Ik zien wil Michiel!”
„Wel, zeekind, ga dan maar mee!” zeide Lievensz.
Dat behoefde niet tweemaal gezegd te worden. In een wip was hij in de boot, en toen hij het Admiraalsschip zag en Lievensz. zeide, dat daar Michiel aanboord was, ging hij als een kind van blijdschap in de handen klappen, en schreeuwen tot van het lachen hem de tranen langs de wangen liepen: „Jan Kompanjie blij is! Ja blij!”
De boot legde aan. Lievensz. klauterde langs den valreep naar boven, doch nauwelijks was hij op het dek en had hij De Ruyter toegeroepen: „Admiraal, daar is uw zeebroeder,” of Jan was al op het dek en kwam onder het geschreeuw van: „Michiel, leelijke jongen van aap, jongen, jij daar? Ik blij zijn vreugde van vol zijn ik!” met geopende armen op zijnen ouden kameraad aanloopen.
„Lieve hemel, Jan, Jan Kompanjie, ben jij dat?” riep De Ruyter, Jan te gemoet gaande.
„Ja, ik Jan Kompanjie! Ik Onderkoning van mijn land, jij Admiraal, jij wonderkind, ik wonderkind, o, ik zoo blij, zoo blij wezen zijn!” was Jans antwoord.
Jan en De Ruyter omhelsden elkander van blijdschap, en de nieuwe luchtsprongen, die Jan maakte en de vervaarlijk leelijke gezichten, die hij trok, lieten geenen twijfel over of die neger was Jan Kompanjie.
Beide vrienden gingen bij elkander zitten en vertelden zoo een en ander uit hun leven, en Jan eindigde dien dag met eens heerlijk te smullen van den echten ouderwetschen scheepspot.
Den volgenden dag bracht Michiel onzen Jan een bezoek en toen ze eindelijk voor goed afscheid van elkander genomen hadden, en ze nog eenen laatsten handdruk met elkander wisselden, sprak Lievensz. zacht in zichzelven: „De een Onderkoning in zijn land, de ander Vice-Admiraal op eene vloot! Zeekinderen, ge hebt het beiden ver gebracht, verder dan uw zeevader Lievensz., de Barre Bruinvisch.”
Na dit gezegd te hebben, schudde hij de leeuwenmanenen na nog even gebromd te hebben: „Pruil niet, Barre, gedane zaken nemen geenen keer,” ging hij weer aan zijn werk, en een uur later was hij weer de oude.
De terugtocht werd aanvaard en al had De Ruyter wel eens roemrijker daden verricht dan hier aan Kaap Verd, hij had toch volkomen het doel bereikt.
„Ziezoo, Lievensz., dat werk is dan weder achter den rug,” zeide De Ruyter, toen ze den zesden Maart van 1665 de Linie passeerden en koerszettennaar de West-Indiën, om daar, even als op de Kust van Guinea, de Engelschen te gaan bestoken. „Ik heb daar zoo even brieven uit het Vaderland ontvangen, en daaruit blijkt dat Engeland ons den oorlog nog niet verklaard heeft, maar toch heel eenvoudig doet, alsof het oorlog is, terwijl hij moord en brand schreeuwt over hetgeen onlangs door ons op de Westkust van Afrika en op de Kust van Guinea verricht is.”
„Old Rowley is valsch tot in zijne nieren,” bromde Lievensz., met „Old Rowley” Koning Karel bedoelende. „En er zal wel op ons geloerd worden ook!”
„Ja, Lievensz., het heet hier: oppassen is de boodschap of we loopen in de fuik,” was het antwoord. „Maar mijn bevel luidt: „Alle Engelsche schepen en bezittingen zooveel afbreuk mogelijk doen,” dat is een andere last dan die, welken Tromp eenmaal mede kreeg. Nu weet een fatsoenlijk mensch waaraan hij zich houden kan. Ik voor mij heb goeden moed, dat we ditmaal voor de Engelschen niet zullen onder doen. We hebben eene prachtige vloot tegenwoordig, Lievensz.! Heel wat anders dan onder Tromp. Maar dat is achter den rug; we moeten nu maar doen, wat te doen is en ook doen, wat wij kunnen.”
Dit geschiedde dan ook, hoewel niet altijd met evenveel voordeel, en toen De Ruyter meende genoeg gedaan te hebben, zette hij koers naar het Vaderland, doch gebruikte de voorzichtigheid, om het noorden vanGroot-Brittanniëte zeilen, daar hij niet wist hoe de stand van zaken was. Weldra evenwel vernam hij van een klein Hollandsch scheepje, dat er den dertienden Juni bij Lowestoff een zeeslag geleverd was, die allerongelukkigst voor de Nederlanders afgeloopen was. Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam had gevochten, als een getergde leeuw, en was met zijn schip in de lucht gevlogen. Kortenaer en Stellingwerf waren gesneuveld; de vloot was vreeselijk gehavend, en het volk over deze nederlaag zoo verbitterd, dat het den dapperen Jan Evertsen, toen deze te Brielle aanwal stapte, in het water drong, waarin hij verdronken zou zijn, zoo hij niet door den Kapitein van een Fransch vaartuig gered ware geworden. Zoodra De Ruyter dit alles vernomen had,begreep hij, dat hij met de meeste omzichtigheid met zijne vloot, die zestien maanden inzee was geweest en dus heel wat geleden had, alle aanraking met de Engelschen vermijden moest. Mist en storm, anders vijanden van den zeeman, kwamen zijn beleid te hulp, en den zesden Augustus kwam hij ongehinderd met zijne geheele vloot, en al de prijsgemaakte schepen binnen. Dat gaf eene vreugde toen dit in het Vaderland bekend werd. De Ruyter werd letterlijk met open armen ontvangen, en bijna terstond benoemd tot Luitenant-Admiraal en Opperbevelhebber der vloot, niettegenstaande men, het heette bij gebrek aan beter, Cornelis Tromp pas, als zoodanig, benoemd had. Dat deze manier van handelen onzen trotschen, doch dapperen Tromp niet aangenaam viel, spreekt vanzelf, en later bleek het duidelijk hoezeer men den trotschen man gegriefd had, en welk eene vijandschap hij tegen De Ruyter opgevat had.