ZEVENDE HOOFDSTUK.

ZEVENDE HOOFDSTUK.Het muist, wat van katten komt.„Mijn Vader Michiel Adriaensz. was een Brabanter van geboorte en reeds in het begin van den oorlog tegen Spanje, die, als het twaalfjarig bestand straks achter den rug is, alweer voortgezet zal worden, ging hij bij de Staatsche ruiters. Maar bij die ruiters was weinig te verdienen en daarom trok hij zich eindelijk van den dienst terug, en kocht van zijn spaargeld en zijn Vaders versterf een klein boeren-bedrijfje onder Bergen-op-Zoom. Daar kregen Vader en Moeder dikwijls bezoek van Vaders oude kameraads, die te Bergen lagen of in den omtrek rondzwierven. Dat was zeer tegen den zin van Moeder; want de verdiensten waren heel min, ende tijden waren er ook naar. Nu eens waren mijne Ouders overgeleverd aan den Spanjool, danaan de Staatschen, en Moeder heeft me dikwijls gezegd, dat beide partijen zoo al één pot nat en met hetzelfde sop overgoten waren. Als de wijnkan of de bierkroes rondging, dan was alles in de rozen! Danspeeldenze: o, aap wat hebt gij mooie jongen, dan dronken ze op het lang leven en het welzijn van den jong geborene, dat was ik, en waren Vader en Moeder de beste menschen van de wereld. Maar hing de broodzak hoog, bleef de spinde gesloten en kwam er geen wijn of bier, dan scholden ze Vader en Moeder uit voor al wat leelijk was, dan hoopten ze dat de pasgeborene in zijn leven slecht weg zou komen, en dan waren er geen akeliger menschen op heel de wereld dan de boer en de boerin van „de Goot”. Zoo heette Vaders hofstede moet ge weten. Weer eens na zulk eene weigering om het volk bier of wijn te schenken, waren de ruiters vertrokken, doch namen uit wraak voor Vaders zoogenaamde karigheid, zijne twee paarden uit de weide mede. Den volgenden morgen miste Vader ze terstond, en terwijl hij naar Bergen ging om zich bij zijnen ouden Overste te beklagen, zag hij zijne paarden bij die van de ruiters in eene weide grazen. De Overste, een bar man, hoorde Vader nauwelijks aan en zeide, toen hij uitgesproken had: „Met zulke dingen bemoei ik mij niet!”Vader ging heen, doch toen het donker was, haalde hij zijne paarden uit de ruiterweide weg en bracht ze bij eenen goeden vriend in den omtrek om ze voor hem een tijdlang te bewaren.Eens op eenen avond, dat Vader en Moeder juist met elkander zaten te bespreken, hoe ze doen moesten om niet al te veel te kort te komen, begon de werfhond te bassen en hoorden ze eenen troep ruiters de werf opkomen.„Hola! Is Vader Michiel thuis?” klonk eene ruwe stem, en zonder verlof te vragen trad een der ruiters binnen. Hij had aardig den prins gesproken, dat wil zeggen, hij was leelijk dronken. Na hem kwamen er nog een stuk ofzes anderen en altemaal in denzelfden toestand. Van zijne vrienden moet men het hebben. Het waren allen oude kameraden van Vader.„Zeg, ouwe potter, zet ereis een paar flesschen wijn op tafel. We komen je gezondheid drinken!” zeide de baas van het troepje, die nog het minst dronken was, „en dan meteen vragen, waarom gij die twee knollen weer teruggehaald en waar gij ze gebracht hebt.”„Wijn, Van der Meulen,” zei Vader, „wijn heb ik geen droppel in huis. De tijden zijn er niet naar dat een klein boertje er eenen wijnkelder op nahoudt! En mijne paarden zijn niet meer hier!”„Papperlepap, hoor me dien ouden duitendief daar eens rare noten kraken. Hij heeft geenen wijn, jongens!”„Wijn, wijn!” riepen de anderen, en stampten met hunne sabels zoo hard op den vloer, dat de plavuizen midden door braken. „Wijn, wijn! Wie zijne paarden terughaalt, moet ons wijn geven! Halloh, wijn, man!”„Maar, jongens, geloof me dan toch, ik heb geenen wijn!” sprak Vader, die de ruiters op de Mookerheide wenschte.„We zullen hem halen!” schreeuwden ze en ze gingen nu in de spinde, in den kelder, op zolder, ja, overal kijken of ze geenen wijn vonden; maar daar Vader waarheid gesproken had, konden ze geen droppeltje ontdekken.Dat kwam vloekende en tierende weer terug. Vader werd uitgescholden voor al wat leelijk was, en Moeder had bijna nog klappen kunnen oploopen. Zoo ver kwam het evenwel niet; want daar ze zagen, dat er toch niets te halen viel, gingen ze spoedig weg om ergens anders hun fortuin te zoeken.Maar buiten bleven ze nog een poosje met elkander kibbelen.„Ik vertrouw dat dronken volk niet; ik ga kijken wat ze uitvoeren,” zeide Vader.„Och, neen, laat dat, Michiel,” sprak Moeder, „Wie weet wat ze beginnen, als ge buiten komt. Het waait hard enze zullen wel gauw weggaan; want het is te koud om daar lang buiten te staan.”Vader liet zich bepraten en bleef in huis. Hij grendelde de deur en kwam weer zitten.Had hij zijn hoofd maar eens even, even buiten de deur gestoken, dan zou hij dadelijk gezien hebben, dat het baldadige, dronken volk niet weg gegaan was zonder dat ze eerst den rooden haan hadden laten kraaien. Ze hadden eenen stapel takkenbossen, die vlak tegen de schuur lagen, inbrand gestoken en de wind joeg de vlammen weldra tot het rieten dak op. Toch werden Vader, Moeder en de meid niets gewaar en ze gingen naar bed.„Er is weer hevig noorderlicht,” zeide Vader, toen hij de kaars uitblies. „Heel de lucht is vlammend rood.”„Dat geeft onheil, Michiel, dat geeft onheil voor ons land,” sprak Moeder. „Dat is nu al de vijfde avond, he, dat het zoo erg met dat noorderlicht is?”„Het is de zevende avond al, vrouw!” zei Vader. „We willen hopen, dat het alleen eene waarschuwing voor ons zijn zal om op den boozen weg niet voort te gaan. Wel te rusten, Moeder!”„Wel te rusten, Vader!” klonk het.Spoedig was alles in diepe rust.Maar midden in den eersten slaap komt de meid van de meidenkamer vliegen en roept: „Brand! Brand!”Het was hoog tijd. De voordeur stond al te rooken.Vader en Moeder schoten hun goed aan en snelden naar buiten om te zien waar ergens de brand was.„O, God, Michiel! Adriaen ligt boven nog in zijn bedje en de trap brandt al. Houd met Mina,” zoo heette de meid, „een deken op, dan zal ik hem uit het raam naar beneden gooien,” riep Moeder in den grootsten angst uit.Hierop vloog Moeder de brandende trap op en kwam op zolder waar ik vreeselijk tekeer ging.Moeder nam me op, keek naar de trap, maar—Krak—krik—krek, zeide de trap en stortte in.Moeder voelde dat de zolder onder hare voeten wiegelde.Er was geen tijd van nadenken.Ze snelde naar het venster, smeet het open en riep: „Ben je daar? Houd je de deken op?”„Ja!” riep Vader.„Heb je ze stevig vast?”„Ja, stevig, gauw maar wat!” riep Vader weer.Rrrt, daar ging ik.De menschen hebben later verteld, dat ze niet wisten dat een kind zulke leelijke geluiden kon voortbrengen, als ik er toen liet hooren! Het moet akelig geweest zijn.„De zolder stort achter me in! Ik kan niet meer naar beneden komen!” schreeuwde Moeder voor het raam, toen ze gezien had, dat ik zonder letsel te krijgen op de deken terecht was gekomen.„Spring dan ook maar door het raam op de deken, we zullen u ook opvangen!” riep Vader.Wat zou Moeder doen?Ze keek naar beneden en ijsde van de hoogte.Maar weer stortte er een stuk zolder achter haar in.„O, God, help me!” bad ze en onder het geroep van: „Houd goed vast!” sprong ze door het venster en—zonder zich zelfs bezeerd te hebben was ze bij Vader op den grond en buiten gevaar.Het geheele huis en de geheele schuur, met alles wat er in was, brandde tot den grond af, en beroofd van alles, stonden mijne Ouders daar midden in den nacht, half gekleed met een schreiend kind, dat niets aanhad dan zijn nachtgoed.„Komt voor vannacht bij ons, buurtjes,” zeide een herder, die dicht bij ons woonde.Wij gingen daar binnen en toen Vader zei: „Ik zou wel eens willen weten of het noorderlicht nu brand veroorzaakt heeft,” sprak de herder,„Wel neen, Michiel, dat kan het noorderlicht niet doen. Maar dat hebben zeker Staatscheruiters gedaan; want een groot uur geleden kwamen ze hier voorbij en ik hoorde duidelijk een zeggen: „Hebt gij nu den rooden haan wel goed laten kraaien, Joost?” waarop een ander antwoordde: „Zeker, niets vaster!”Toen ze voorbij waren ging ik eens buiten kijken, doch ik kon niets anders zien dan het noorderlicht, dat een uurtje geleden heel prachtig was. Ik ging naar bed, doch ik had geene rust, ik stond op, keek weer eens naar buiten en, jawel, daar zag ik „de Goot” in brand staan. Ik kleedde mij gauw aan om te kunnen helpen, maar, ik kwam te laat! Er viel niets meer te redden. Gij zijt er dan wel ongelukkig aan toe, beste menschen! En wat ik u raden zou is, dat ge wat gaat slapen. Met het daglicht komt misschien raad.”Vader en Moeder legden zich op eenige bossen stroo neder, dekten zich met hunne kleederen en eenen ouden mantel van den herder, namen mij in hun midden en—wachtten den dag af.Of ze dien nacht geslapen hebben, zie, dat hebben ze me nooit verteld.Den anderen dag gingen we treurig en moedeloos naar Bergen, en omdat veel menschen ons daar kenden, werd er gauw eenig geld bijmekaêrgebracht om wat meubels, kleeren en dek te koopen, teneinde ons in de eerste behoeften te voorzien.Vader en Moeder bleven te Bergen wonen en ik ging op. mijn tiende jaar naar zee....”„Hé, Vader, hebt gij dan ook gevaren?” riep Michiel uit.„Ja, jongen, ik heb gevaren! Ik heb schipbreuk geleden, ik ben met den Spanjool aan den slag geweest; ik heb op zee ons schip zien verbranden en toen drie weken lang met den Kapitein en de andere maats in eene kleine boot op zee rond gezwalkt! Ik ben toen thuis gekomen en weer gaan varen. Ik kwam in Vlissingen, leerde daar mijne eerste vrouw, die ook Alida Jans heette, kennen, en trouwdemet haar. Twee jaren later was ik weduwnaar. Ik voer toen van Middelburg voor rekening van de „Maatschappij van Verre landen” en leed weer schipbreuk. Toch zou ik weer zijn gaan varen; maar hier uwe Moeder, kinderen, ook eene Alida Jans, wilde niet met me trouwen, als ik niet aan den wal bleef. Ik deed haren zin en werd bierdrager. Maar, als ik de zee zie....”„Zijt gij dan ook in de Oost geweest, Vader?” liet Michiel zich weer hooren.„Ja, jongen, wel tweemaal zelfs, en, kijk, als ik de zee hoor bruisen, zie, dan gaat mijn hart in de hoogte als een kan schuimend bier. Ik ben aanwal met mijn lichaam, maar mijn hart is op zee. Ik heb uwe Moeder beloofd u mijne geschiedenis maar éénen keer te vertellen, omdat ze bang was, dat een van allen ook zou gaan varen. Ik heb ze ook niet verteld, en zonder dat te doen is er toch één het zeegat uitgegaan. Ik heb daarom aan uwe Moeder gevraagd of ik het vanavond doen mocht en toen heeft ze gezegd: „Och, Adriaen, doe het maar! Het zwijgen heeft toch niet geholpen!” Dat is nu uw Vaders geschiedenis, kinderen! Ik ben nu aanwal en ik zal aanwal blijven zoolang ik leef, maar—de glazen vol, vrienden, boordevol,—al ben ik de grootste landrot, die er leeft, toch stel ik van ganscher harte den dronk in: „Kielen, wielen, rand om ’t land.1Maar de kielen, het eerst genoemd, staan bij mij toch altijd bovenaan.”„Kielen, wielen, rand om het land!” riepen ze allemaal en dronken hunne glazen ledig.„Hoor eens, vriend Adriaen, nu ga ik aanboord, hoor,” zeide de „Barre Bruinvisch”, „het wordt mijn tijd! Maareer ik dat doe, wil ik u toch wel zeggen, dat ik nu begrijp waarom Michiel zoo’n ferm zeeman is!”„Waarom dan, Lievensz.?”„Waarom? Het muist wat van katten komt! Hei, Jantje, mee, jongen! Ik wensen je allemaal den vrede!”„Ikke meega, Bootsman! Hé, niet loopen kan van dat plank! Dat zeer doet!” zei Jan en volgde zijnen zeevader.Het overige gezelschap ging ook uiteen en toen Dominé zijne huisdeur opende, bromde hij in zichzelven: „Ja, ja, die Lievensz. heeft gelijk: Het muist wat van katten komt!”1„Kielen, wielen, rand om het land” is een oud vaderlandsche dronk.Kielen, beteekentzeevaart,wielen, beteekentlandbouw, enrand om ’t landbeteekentdijken. Het welzijn van die drie, voor ons land van zooveel beteekenis, werd dus op die manier gedronken.↑

ZEVENDE HOOFDSTUK.Het muist, wat van katten komt.„Mijn Vader Michiel Adriaensz. was een Brabanter van geboorte en reeds in het begin van den oorlog tegen Spanje, die, als het twaalfjarig bestand straks achter den rug is, alweer voortgezet zal worden, ging hij bij de Staatsche ruiters. Maar bij die ruiters was weinig te verdienen en daarom trok hij zich eindelijk van den dienst terug, en kocht van zijn spaargeld en zijn Vaders versterf een klein boeren-bedrijfje onder Bergen-op-Zoom. Daar kregen Vader en Moeder dikwijls bezoek van Vaders oude kameraads, die te Bergen lagen of in den omtrek rondzwierven. Dat was zeer tegen den zin van Moeder; want de verdiensten waren heel min, ende tijden waren er ook naar. Nu eens waren mijne Ouders overgeleverd aan den Spanjool, danaan de Staatschen, en Moeder heeft me dikwijls gezegd, dat beide partijen zoo al één pot nat en met hetzelfde sop overgoten waren. Als de wijnkan of de bierkroes rondging, dan was alles in de rozen! Danspeeldenze: o, aap wat hebt gij mooie jongen, dan dronken ze op het lang leven en het welzijn van den jong geborene, dat was ik, en waren Vader en Moeder de beste menschen van de wereld. Maar hing de broodzak hoog, bleef de spinde gesloten en kwam er geen wijn of bier, dan scholden ze Vader en Moeder uit voor al wat leelijk was, dan hoopten ze dat de pasgeborene in zijn leven slecht weg zou komen, en dan waren er geen akeliger menschen op heel de wereld dan de boer en de boerin van „de Goot”. Zoo heette Vaders hofstede moet ge weten. Weer eens na zulk eene weigering om het volk bier of wijn te schenken, waren de ruiters vertrokken, doch namen uit wraak voor Vaders zoogenaamde karigheid, zijne twee paarden uit de weide mede. Den volgenden morgen miste Vader ze terstond, en terwijl hij naar Bergen ging om zich bij zijnen ouden Overste te beklagen, zag hij zijne paarden bij die van de ruiters in eene weide grazen. De Overste, een bar man, hoorde Vader nauwelijks aan en zeide, toen hij uitgesproken had: „Met zulke dingen bemoei ik mij niet!”Vader ging heen, doch toen het donker was, haalde hij zijne paarden uit de ruiterweide weg en bracht ze bij eenen goeden vriend in den omtrek om ze voor hem een tijdlang te bewaren.Eens op eenen avond, dat Vader en Moeder juist met elkander zaten te bespreken, hoe ze doen moesten om niet al te veel te kort te komen, begon de werfhond te bassen en hoorden ze eenen troep ruiters de werf opkomen.„Hola! Is Vader Michiel thuis?” klonk eene ruwe stem, en zonder verlof te vragen trad een der ruiters binnen. Hij had aardig den prins gesproken, dat wil zeggen, hij was leelijk dronken. Na hem kwamen er nog een stuk ofzes anderen en altemaal in denzelfden toestand. Van zijne vrienden moet men het hebben. Het waren allen oude kameraden van Vader.„Zeg, ouwe potter, zet ereis een paar flesschen wijn op tafel. We komen je gezondheid drinken!” zeide de baas van het troepje, die nog het minst dronken was, „en dan meteen vragen, waarom gij die twee knollen weer teruggehaald en waar gij ze gebracht hebt.”„Wijn, Van der Meulen,” zei Vader, „wijn heb ik geen droppel in huis. De tijden zijn er niet naar dat een klein boertje er eenen wijnkelder op nahoudt! En mijne paarden zijn niet meer hier!”„Papperlepap, hoor me dien ouden duitendief daar eens rare noten kraken. Hij heeft geenen wijn, jongens!”„Wijn, wijn!” riepen de anderen, en stampten met hunne sabels zoo hard op den vloer, dat de plavuizen midden door braken. „Wijn, wijn! Wie zijne paarden terughaalt, moet ons wijn geven! Halloh, wijn, man!”„Maar, jongens, geloof me dan toch, ik heb geenen wijn!” sprak Vader, die de ruiters op de Mookerheide wenschte.„We zullen hem halen!” schreeuwden ze en ze gingen nu in de spinde, in den kelder, op zolder, ja, overal kijken of ze geenen wijn vonden; maar daar Vader waarheid gesproken had, konden ze geen droppeltje ontdekken.Dat kwam vloekende en tierende weer terug. Vader werd uitgescholden voor al wat leelijk was, en Moeder had bijna nog klappen kunnen oploopen. Zoo ver kwam het evenwel niet; want daar ze zagen, dat er toch niets te halen viel, gingen ze spoedig weg om ergens anders hun fortuin te zoeken.Maar buiten bleven ze nog een poosje met elkander kibbelen.„Ik vertrouw dat dronken volk niet; ik ga kijken wat ze uitvoeren,” zeide Vader.„Och, neen, laat dat, Michiel,” sprak Moeder, „Wie weet wat ze beginnen, als ge buiten komt. Het waait hard enze zullen wel gauw weggaan; want het is te koud om daar lang buiten te staan.”Vader liet zich bepraten en bleef in huis. Hij grendelde de deur en kwam weer zitten.Had hij zijn hoofd maar eens even, even buiten de deur gestoken, dan zou hij dadelijk gezien hebben, dat het baldadige, dronken volk niet weg gegaan was zonder dat ze eerst den rooden haan hadden laten kraaien. Ze hadden eenen stapel takkenbossen, die vlak tegen de schuur lagen, inbrand gestoken en de wind joeg de vlammen weldra tot het rieten dak op. Toch werden Vader, Moeder en de meid niets gewaar en ze gingen naar bed.„Er is weer hevig noorderlicht,” zeide Vader, toen hij de kaars uitblies. „Heel de lucht is vlammend rood.”„Dat geeft onheil, Michiel, dat geeft onheil voor ons land,” sprak Moeder. „Dat is nu al de vijfde avond, he, dat het zoo erg met dat noorderlicht is?”„Het is de zevende avond al, vrouw!” zei Vader. „We willen hopen, dat het alleen eene waarschuwing voor ons zijn zal om op den boozen weg niet voort te gaan. Wel te rusten, Moeder!”„Wel te rusten, Vader!” klonk het.Spoedig was alles in diepe rust.Maar midden in den eersten slaap komt de meid van de meidenkamer vliegen en roept: „Brand! Brand!”Het was hoog tijd. De voordeur stond al te rooken.Vader en Moeder schoten hun goed aan en snelden naar buiten om te zien waar ergens de brand was.„O, God, Michiel! Adriaen ligt boven nog in zijn bedje en de trap brandt al. Houd met Mina,” zoo heette de meid, „een deken op, dan zal ik hem uit het raam naar beneden gooien,” riep Moeder in den grootsten angst uit.Hierop vloog Moeder de brandende trap op en kwam op zolder waar ik vreeselijk tekeer ging.Moeder nam me op, keek naar de trap, maar—Krak—krik—krek, zeide de trap en stortte in.Moeder voelde dat de zolder onder hare voeten wiegelde.Er was geen tijd van nadenken.Ze snelde naar het venster, smeet het open en riep: „Ben je daar? Houd je de deken op?”„Ja!” riep Vader.„Heb je ze stevig vast?”„Ja, stevig, gauw maar wat!” riep Vader weer.Rrrt, daar ging ik.De menschen hebben later verteld, dat ze niet wisten dat een kind zulke leelijke geluiden kon voortbrengen, als ik er toen liet hooren! Het moet akelig geweest zijn.„De zolder stort achter me in! Ik kan niet meer naar beneden komen!” schreeuwde Moeder voor het raam, toen ze gezien had, dat ik zonder letsel te krijgen op de deken terecht was gekomen.„Spring dan ook maar door het raam op de deken, we zullen u ook opvangen!” riep Vader.Wat zou Moeder doen?Ze keek naar beneden en ijsde van de hoogte.Maar weer stortte er een stuk zolder achter haar in.„O, God, help me!” bad ze en onder het geroep van: „Houd goed vast!” sprong ze door het venster en—zonder zich zelfs bezeerd te hebben was ze bij Vader op den grond en buiten gevaar.Het geheele huis en de geheele schuur, met alles wat er in was, brandde tot den grond af, en beroofd van alles, stonden mijne Ouders daar midden in den nacht, half gekleed met een schreiend kind, dat niets aanhad dan zijn nachtgoed.„Komt voor vannacht bij ons, buurtjes,” zeide een herder, die dicht bij ons woonde.Wij gingen daar binnen en toen Vader zei: „Ik zou wel eens willen weten of het noorderlicht nu brand veroorzaakt heeft,” sprak de herder,„Wel neen, Michiel, dat kan het noorderlicht niet doen. Maar dat hebben zeker Staatscheruiters gedaan; want een groot uur geleden kwamen ze hier voorbij en ik hoorde duidelijk een zeggen: „Hebt gij nu den rooden haan wel goed laten kraaien, Joost?” waarop een ander antwoordde: „Zeker, niets vaster!”Toen ze voorbij waren ging ik eens buiten kijken, doch ik kon niets anders zien dan het noorderlicht, dat een uurtje geleden heel prachtig was. Ik ging naar bed, doch ik had geene rust, ik stond op, keek weer eens naar buiten en, jawel, daar zag ik „de Goot” in brand staan. Ik kleedde mij gauw aan om te kunnen helpen, maar, ik kwam te laat! Er viel niets meer te redden. Gij zijt er dan wel ongelukkig aan toe, beste menschen! En wat ik u raden zou is, dat ge wat gaat slapen. Met het daglicht komt misschien raad.”Vader en Moeder legden zich op eenige bossen stroo neder, dekten zich met hunne kleederen en eenen ouden mantel van den herder, namen mij in hun midden en—wachtten den dag af.Of ze dien nacht geslapen hebben, zie, dat hebben ze me nooit verteld.Den anderen dag gingen we treurig en moedeloos naar Bergen, en omdat veel menschen ons daar kenden, werd er gauw eenig geld bijmekaêrgebracht om wat meubels, kleeren en dek te koopen, teneinde ons in de eerste behoeften te voorzien.Vader en Moeder bleven te Bergen wonen en ik ging op. mijn tiende jaar naar zee....”„Hé, Vader, hebt gij dan ook gevaren?” riep Michiel uit.„Ja, jongen, ik heb gevaren! Ik heb schipbreuk geleden, ik ben met den Spanjool aan den slag geweest; ik heb op zee ons schip zien verbranden en toen drie weken lang met den Kapitein en de andere maats in eene kleine boot op zee rond gezwalkt! Ik ben toen thuis gekomen en weer gaan varen. Ik kwam in Vlissingen, leerde daar mijne eerste vrouw, die ook Alida Jans heette, kennen, en trouwdemet haar. Twee jaren later was ik weduwnaar. Ik voer toen van Middelburg voor rekening van de „Maatschappij van Verre landen” en leed weer schipbreuk. Toch zou ik weer zijn gaan varen; maar hier uwe Moeder, kinderen, ook eene Alida Jans, wilde niet met me trouwen, als ik niet aan den wal bleef. Ik deed haren zin en werd bierdrager. Maar, als ik de zee zie....”„Zijt gij dan ook in de Oost geweest, Vader?” liet Michiel zich weer hooren.„Ja, jongen, wel tweemaal zelfs, en, kijk, als ik de zee hoor bruisen, zie, dan gaat mijn hart in de hoogte als een kan schuimend bier. Ik ben aanwal met mijn lichaam, maar mijn hart is op zee. Ik heb uwe Moeder beloofd u mijne geschiedenis maar éénen keer te vertellen, omdat ze bang was, dat een van allen ook zou gaan varen. Ik heb ze ook niet verteld, en zonder dat te doen is er toch één het zeegat uitgegaan. Ik heb daarom aan uwe Moeder gevraagd of ik het vanavond doen mocht en toen heeft ze gezegd: „Och, Adriaen, doe het maar! Het zwijgen heeft toch niet geholpen!” Dat is nu uw Vaders geschiedenis, kinderen! Ik ben nu aanwal en ik zal aanwal blijven zoolang ik leef, maar—de glazen vol, vrienden, boordevol,—al ben ik de grootste landrot, die er leeft, toch stel ik van ganscher harte den dronk in: „Kielen, wielen, rand om ’t land.1Maar de kielen, het eerst genoemd, staan bij mij toch altijd bovenaan.”„Kielen, wielen, rand om het land!” riepen ze allemaal en dronken hunne glazen ledig.„Hoor eens, vriend Adriaen, nu ga ik aanboord, hoor,” zeide de „Barre Bruinvisch”, „het wordt mijn tijd! Maareer ik dat doe, wil ik u toch wel zeggen, dat ik nu begrijp waarom Michiel zoo’n ferm zeeman is!”„Waarom dan, Lievensz.?”„Waarom? Het muist wat van katten komt! Hei, Jantje, mee, jongen! Ik wensen je allemaal den vrede!”„Ikke meega, Bootsman! Hé, niet loopen kan van dat plank! Dat zeer doet!” zei Jan en volgde zijnen zeevader.Het overige gezelschap ging ook uiteen en toen Dominé zijne huisdeur opende, bromde hij in zichzelven: „Ja, ja, die Lievensz. heeft gelijk: Het muist wat van katten komt!”1„Kielen, wielen, rand om het land” is een oud vaderlandsche dronk.Kielen, beteekentzeevaart,wielen, beteekentlandbouw, enrand om ’t landbeteekentdijken. Het welzijn van die drie, voor ons land van zooveel beteekenis, werd dus op die manier gedronken.↑

ZEVENDE HOOFDSTUK.Het muist, wat van katten komt.„Mijn Vader Michiel Adriaensz. was een Brabanter van geboorte en reeds in het begin van den oorlog tegen Spanje, die, als het twaalfjarig bestand straks achter den rug is, alweer voortgezet zal worden, ging hij bij de Staatsche ruiters. Maar bij die ruiters was weinig te verdienen en daarom trok hij zich eindelijk van den dienst terug, en kocht van zijn spaargeld en zijn Vaders versterf een klein boeren-bedrijfje onder Bergen-op-Zoom. Daar kregen Vader en Moeder dikwijls bezoek van Vaders oude kameraads, die te Bergen lagen of in den omtrek rondzwierven. Dat was zeer tegen den zin van Moeder; want de verdiensten waren heel min, ende tijden waren er ook naar. Nu eens waren mijne Ouders overgeleverd aan den Spanjool, danaan de Staatschen, en Moeder heeft me dikwijls gezegd, dat beide partijen zoo al één pot nat en met hetzelfde sop overgoten waren. Als de wijnkan of de bierkroes rondging, dan was alles in de rozen! Danspeeldenze: o, aap wat hebt gij mooie jongen, dan dronken ze op het lang leven en het welzijn van den jong geborene, dat was ik, en waren Vader en Moeder de beste menschen van de wereld. Maar hing de broodzak hoog, bleef de spinde gesloten en kwam er geen wijn of bier, dan scholden ze Vader en Moeder uit voor al wat leelijk was, dan hoopten ze dat de pasgeborene in zijn leven slecht weg zou komen, en dan waren er geen akeliger menschen op heel de wereld dan de boer en de boerin van „de Goot”. Zoo heette Vaders hofstede moet ge weten. Weer eens na zulk eene weigering om het volk bier of wijn te schenken, waren de ruiters vertrokken, doch namen uit wraak voor Vaders zoogenaamde karigheid, zijne twee paarden uit de weide mede. Den volgenden morgen miste Vader ze terstond, en terwijl hij naar Bergen ging om zich bij zijnen ouden Overste te beklagen, zag hij zijne paarden bij die van de ruiters in eene weide grazen. De Overste, een bar man, hoorde Vader nauwelijks aan en zeide, toen hij uitgesproken had: „Met zulke dingen bemoei ik mij niet!”Vader ging heen, doch toen het donker was, haalde hij zijne paarden uit de ruiterweide weg en bracht ze bij eenen goeden vriend in den omtrek om ze voor hem een tijdlang te bewaren.Eens op eenen avond, dat Vader en Moeder juist met elkander zaten te bespreken, hoe ze doen moesten om niet al te veel te kort te komen, begon de werfhond te bassen en hoorden ze eenen troep ruiters de werf opkomen.„Hola! Is Vader Michiel thuis?” klonk eene ruwe stem, en zonder verlof te vragen trad een der ruiters binnen. Hij had aardig den prins gesproken, dat wil zeggen, hij was leelijk dronken. Na hem kwamen er nog een stuk ofzes anderen en altemaal in denzelfden toestand. Van zijne vrienden moet men het hebben. Het waren allen oude kameraden van Vader.„Zeg, ouwe potter, zet ereis een paar flesschen wijn op tafel. We komen je gezondheid drinken!” zeide de baas van het troepje, die nog het minst dronken was, „en dan meteen vragen, waarom gij die twee knollen weer teruggehaald en waar gij ze gebracht hebt.”„Wijn, Van der Meulen,” zei Vader, „wijn heb ik geen droppel in huis. De tijden zijn er niet naar dat een klein boertje er eenen wijnkelder op nahoudt! En mijne paarden zijn niet meer hier!”„Papperlepap, hoor me dien ouden duitendief daar eens rare noten kraken. Hij heeft geenen wijn, jongens!”„Wijn, wijn!” riepen de anderen, en stampten met hunne sabels zoo hard op den vloer, dat de plavuizen midden door braken. „Wijn, wijn! Wie zijne paarden terughaalt, moet ons wijn geven! Halloh, wijn, man!”„Maar, jongens, geloof me dan toch, ik heb geenen wijn!” sprak Vader, die de ruiters op de Mookerheide wenschte.„We zullen hem halen!” schreeuwden ze en ze gingen nu in de spinde, in den kelder, op zolder, ja, overal kijken of ze geenen wijn vonden; maar daar Vader waarheid gesproken had, konden ze geen droppeltje ontdekken.Dat kwam vloekende en tierende weer terug. Vader werd uitgescholden voor al wat leelijk was, en Moeder had bijna nog klappen kunnen oploopen. Zoo ver kwam het evenwel niet; want daar ze zagen, dat er toch niets te halen viel, gingen ze spoedig weg om ergens anders hun fortuin te zoeken.Maar buiten bleven ze nog een poosje met elkander kibbelen.„Ik vertrouw dat dronken volk niet; ik ga kijken wat ze uitvoeren,” zeide Vader.„Och, neen, laat dat, Michiel,” sprak Moeder, „Wie weet wat ze beginnen, als ge buiten komt. Het waait hard enze zullen wel gauw weggaan; want het is te koud om daar lang buiten te staan.”Vader liet zich bepraten en bleef in huis. Hij grendelde de deur en kwam weer zitten.Had hij zijn hoofd maar eens even, even buiten de deur gestoken, dan zou hij dadelijk gezien hebben, dat het baldadige, dronken volk niet weg gegaan was zonder dat ze eerst den rooden haan hadden laten kraaien. Ze hadden eenen stapel takkenbossen, die vlak tegen de schuur lagen, inbrand gestoken en de wind joeg de vlammen weldra tot het rieten dak op. Toch werden Vader, Moeder en de meid niets gewaar en ze gingen naar bed.„Er is weer hevig noorderlicht,” zeide Vader, toen hij de kaars uitblies. „Heel de lucht is vlammend rood.”„Dat geeft onheil, Michiel, dat geeft onheil voor ons land,” sprak Moeder. „Dat is nu al de vijfde avond, he, dat het zoo erg met dat noorderlicht is?”„Het is de zevende avond al, vrouw!” zei Vader. „We willen hopen, dat het alleen eene waarschuwing voor ons zijn zal om op den boozen weg niet voort te gaan. Wel te rusten, Moeder!”„Wel te rusten, Vader!” klonk het.Spoedig was alles in diepe rust.Maar midden in den eersten slaap komt de meid van de meidenkamer vliegen en roept: „Brand! Brand!”Het was hoog tijd. De voordeur stond al te rooken.Vader en Moeder schoten hun goed aan en snelden naar buiten om te zien waar ergens de brand was.„O, God, Michiel! Adriaen ligt boven nog in zijn bedje en de trap brandt al. Houd met Mina,” zoo heette de meid, „een deken op, dan zal ik hem uit het raam naar beneden gooien,” riep Moeder in den grootsten angst uit.Hierop vloog Moeder de brandende trap op en kwam op zolder waar ik vreeselijk tekeer ging.Moeder nam me op, keek naar de trap, maar—Krak—krik—krek, zeide de trap en stortte in.Moeder voelde dat de zolder onder hare voeten wiegelde.Er was geen tijd van nadenken.Ze snelde naar het venster, smeet het open en riep: „Ben je daar? Houd je de deken op?”„Ja!” riep Vader.„Heb je ze stevig vast?”„Ja, stevig, gauw maar wat!” riep Vader weer.Rrrt, daar ging ik.De menschen hebben later verteld, dat ze niet wisten dat een kind zulke leelijke geluiden kon voortbrengen, als ik er toen liet hooren! Het moet akelig geweest zijn.„De zolder stort achter me in! Ik kan niet meer naar beneden komen!” schreeuwde Moeder voor het raam, toen ze gezien had, dat ik zonder letsel te krijgen op de deken terecht was gekomen.„Spring dan ook maar door het raam op de deken, we zullen u ook opvangen!” riep Vader.Wat zou Moeder doen?Ze keek naar beneden en ijsde van de hoogte.Maar weer stortte er een stuk zolder achter haar in.„O, God, help me!” bad ze en onder het geroep van: „Houd goed vast!” sprong ze door het venster en—zonder zich zelfs bezeerd te hebben was ze bij Vader op den grond en buiten gevaar.Het geheele huis en de geheele schuur, met alles wat er in was, brandde tot den grond af, en beroofd van alles, stonden mijne Ouders daar midden in den nacht, half gekleed met een schreiend kind, dat niets aanhad dan zijn nachtgoed.„Komt voor vannacht bij ons, buurtjes,” zeide een herder, die dicht bij ons woonde.Wij gingen daar binnen en toen Vader zei: „Ik zou wel eens willen weten of het noorderlicht nu brand veroorzaakt heeft,” sprak de herder,„Wel neen, Michiel, dat kan het noorderlicht niet doen. Maar dat hebben zeker Staatscheruiters gedaan; want een groot uur geleden kwamen ze hier voorbij en ik hoorde duidelijk een zeggen: „Hebt gij nu den rooden haan wel goed laten kraaien, Joost?” waarop een ander antwoordde: „Zeker, niets vaster!”Toen ze voorbij waren ging ik eens buiten kijken, doch ik kon niets anders zien dan het noorderlicht, dat een uurtje geleden heel prachtig was. Ik ging naar bed, doch ik had geene rust, ik stond op, keek weer eens naar buiten en, jawel, daar zag ik „de Goot” in brand staan. Ik kleedde mij gauw aan om te kunnen helpen, maar, ik kwam te laat! Er viel niets meer te redden. Gij zijt er dan wel ongelukkig aan toe, beste menschen! En wat ik u raden zou is, dat ge wat gaat slapen. Met het daglicht komt misschien raad.”Vader en Moeder legden zich op eenige bossen stroo neder, dekten zich met hunne kleederen en eenen ouden mantel van den herder, namen mij in hun midden en—wachtten den dag af.Of ze dien nacht geslapen hebben, zie, dat hebben ze me nooit verteld.Den anderen dag gingen we treurig en moedeloos naar Bergen, en omdat veel menschen ons daar kenden, werd er gauw eenig geld bijmekaêrgebracht om wat meubels, kleeren en dek te koopen, teneinde ons in de eerste behoeften te voorzien.Vader en Moeder bleven te Bergen wonen en ik ging op. mijn tiende jaar naar zee....”„Hé, Vader, hebt gij dan ook gevaren?” riep Michiel uit.„Ja, jongen, ik heb gevaren! Ik heb schipbreuk geleden, ik ben met den Spanjool aan den slag geweest; ik heb op zee ons schip zien verbranden en toen drie weken lang met den Kapitein en de andere maats in eene kleine boot op zee rond gezwalkt! Ik ben toen thuis gekomen en weer gaan varen. Ik kwam in Vlissingen, leerde daar mijne eerste vrouw, die ook Alida Jans heette, kennen, en trouwdemet haar. Twee jaren later was ik weduwnaar. Ik voer toen van Middelburg voor rekening van de „Maatschappij van Verre landen” en leed weer schipbreuk. Toch zou ik weer zijn gaan varen; maar hier uwe Moeder, kinderen, ook eene Alida Jans, wilde niet met me trouwen, als ik niet aan den wal bleef. Ik deed haren zin en werd bierdrager. Maar, als ik de zee zie....”„Zijt gij dan ook in de Oost geweest, Vader?” liet Michiel zich weer hooren.„Ja, jongen, wel tweemaal zelfs, en, kijk, als ik de zee hoor bruisen, zie, dan gaat mijn hart in de hoogte als een kan schuimend bier. Ik ben aanwal met mijn lichaam, maar mijn hart is op zee. Ik heb uwe Moeder beloofd u mijne geschiedenis maar éénen keer te vertellen, omdat ze bang was, dat een van allen ook zou gaan varen. Ik heb ze ook niet verteld, en zonder dat te doen is er toch één het zeegat uitgegaan. Ik heb daarom aan uwe Moeder gevraagd of ik het vanavond doen mocht en toen heeft ze gezegd: „Och, Adriaen, doe het maar! Het zwijgen heeft toch niet geholpen!” Dat is nu uw Vaders geschiedenis, kinderen! Ik ben nu aanwal en ik zal aanwal blijven zoolang ik leef, maar—de glazen vol, vrienden, boordevol,—al ben ik de grootste landrot, die er leeft, toch stel ik van ganscher harte den dronk in: „Kielen, wielen, rand om ’t land.1Maar de kielen, het eerst genoemd, staan bij mij toch altijd bovenaan.”„Kielen, wielen, rand om het land!” riepen ze allemaal en dronken hunne glazen ledig.„Hoor eens, vriend Adriaen, nu ga ik aanboord, hoor,” zeide de „Barre Bruinvisch”, „het wordt mijn tijd! Maareer ik dat doe, wil ik u toch wel zeggen, dat ik nu begrijp waarom Michiel zoo’n ferm zeeman is!”„Waarom dan, Lievensz.?”„Waarom? Het muist wat van katten komt! Hei, Jantje, mee, jongen! Ik wensen je allemaal den vrede!”„Ikke meega, Bootsman! Hé, niet loopen kan van dat plank! Dat zeer doet!” zei Jan en volgde zijnen zeevader.Het overige gezelschap ging ook uiteen en toen Dominé zijne huisdeur opende, bromde hij in zichzelven: „Ja, ja, die Lievensz. heeft gelijk: Het muist wat van katten komt!”1„Kielen, wielen, rand om het land” is een oud vaderlandsche dronk.Kielen, beteekentzeevaart,wielen, beteekentlandbouw, enrand om ’t landbeteekentdijken. Het welzijn van die drie, voor ons land van zooveel beteekenis, werd dus op die manier gedronken.↑

ZEVENDE HOOFDSTUK.Het muist, wat van katten komt.

„Mijn Vader Michiel Adriaensz. was een Brabanter van geboorte en reeds in het begin van den oorlog tegen Spanje, die, als het twaalfjarig bestand straks achter den rug is, alweer voortgezet zal worden, ging hij bij de Staatsche ruiters. Maar bij die ruiters was weinig te verdienen en daarom trok hij zich eindelijk van den dienst terug, en kocht van zijn spaargeld en zijn Vaders versterf een klein boeren-bedrijfje onder Bergen-op-Zoom. Daar kregen Vader en Moeder dikwijls bezoek van Vaders oude kameraads, die te Bergen lagen of in den omtrek rondzwierven. Dat was zeer tegen den zin van Moeder; want de verdiensten waren heel min, ende tijden waren er ook naar. Nu eens waren mijne Ouders overgeleverd aan den Spanjool, danaan de Staatschen, en Moeder heeft me dikwijls gezegd, dat beide partijen zoo al één pot nat en met hetzelfde sop overgoten waren. Als de wijnkan of de bierkroes rondging, dan was alles in de rozen! Danspeeldenze: o, aap wat hebt gij mooie jongen, dan dronken ze op het lang leven en het welzijn van den jong geborene, dat was ik, en waren Vader en Moeder de beste menschen van de wereld. Maar hing de broodzak hoog, bleef de spinde gesloten en kwam er geen wijn of bier, dan scholden ze Vader en Moeder uit voor al wat leelijk was, dan hoopten ze dat de pasgeborene in zijn leven slecht weg zou komen, en dan waren er geen akeliger menschen op heel de wereld dan de boer en de boerin van „de Goot”. Zoo heette Vaders hofstede moet ge weten. Weer eens na zulk eene weigering om het volk bier of wijn te schenken, waren de ruiters vertrokken, doch namen uit wraak voor Vaders zoogenaamde karigheid, zijne twee paarden uit de weide mede. Den volgenden morgen miste Vader ze terstond, en terwijl hij naar Bergen ging om zich bij zijnen ouden Overste te beklagen, zag hij zijne paarden bij die van de ruiters in eene weide grazen. De Overste, een bar man, hoorde Vader nauwelijks aan en zeide, toen hij uitgesproken had: „Met zulke dingen bemoei ik mij niet!”Vader ging heen, doch toen het donker was, haalde hij zijne paarden uit de ruiterweide weg en bracht ze bij eenen goeden vriend in den omtrek om ze voor hem een tijdlang te bewaren.Eens op eenen avond, dat Vader en Moeder juist met elkander zaten te bespreken, hoe ze doen moesten om niet al te veel te kort te komen, begon de werfhond te bassen en hoorden ze eenen troep ruiters de werf opkomen.„Hola! Is Vader Michiel thuis?” klonk eene ruwe stem, en zonder verlof te vragen trad een der ruiters binnen. Hij had aardig den prins gesproken, dat wil zeggen, hij was leelijk dronken. Na hem kwamen er nog een stuk ofzes anderen en altemaal in denzelfden toestand. Van zijne vrienden moet men het hebben. Het waren allen oude kameraden van Vader.„Zeg, ouwe potter, zet ereis een paar flesschen wijn op tafel. We komen je gezondheid drinken!” zeide de baas van het troepje, die nog het minst dronken was, „en dan meteen vragen, waarom gij die twee knollen weer teruggehaald en waar gij ze gebracht hebt.”„Wijn, Van der Meulen,” zei Vader, „wijn heb ik geen droppel in huis. De tijden zijn er niet naar dat een klein boertje er eenen wijnkelder op nahoudt! En mijne paarden zijn niet meer hier!”„Papperlepap, hoor me dien ouden duitendief daar eens rare noten kraken. Hij heeft geenen wijn, jongens!”„Wijn, wijn!” riepen de anderen, en stampten met hunne sabels zoo hard op den vloer, dat de plavuizen midden door braken. „Wijn, wijn! Wie zijne paarden terughaalt, moet ons wijn geven! Halloh, wijn, man!”„Maar, jongens, geloof me dan toch, ik heb geenen wijn!” sprak Vader, die de ruiters op de Mookerheide wenschte.„We zullen hem halen!” schreeuwden ze en ze gingen nu in de spinde, in den kelder, op zolder, ja, overal kijken of ze geenen wijn vonden; maar daar Vader waarheid gesproken had, konden ze geen droppeltje ontdekken.Dat kwam vloekende en tierende weer terug. Vader werd uitgescholden voor al wat leelijk was, en Moeder had bijna nog klappen kunnen oploopen. Zoo ver kwam het evenwel niet; want daar ze zagen, dat er toch niets te halen viel, gingen ze spoedig weg om ergens anders hun fortuin te zoeken.Maar buiten bleven ze nog een poosje met elkander kibbelen.„Ik vertrouw dat dronken volk niet; ik ga kijken wat ze uitvoeren,” zeide Vader.„Och, neen, laat dat, Michiel,” sprak Moeder, „Wie weet wat ze beginnen, als ge buiten komt. Het waait hard enze zullen wel gauw weggaan; want het is te koud om daar lang buiten te staan.”Vader liet zich bepraten en bleef in huis. Hij grendelde de deur en kwam weer zitten.Had hij zijn hoofd maar eens even, even buiten de deur gestoken, dan zou hij dadelijk gezien hebben, dat het baldadige, dronken volk niet weg gegaan was zonder dat ze eerst den rooden haan hadden laten kraaien. Ze hadden eenen stapel takkenbossen, die vlak tegen de schuur lagen, inbrand gestoken en de wind joeg de vlammen weldra tot het rieten dak op. Toch werden Vader, Moeder en de meid niets gewaar en ze gingen naar bed.„Er is weer hevig noorderlicht,” zeide Vader, toen hij de kaars uitblies. „Heel de lucht is vlammend rood.”„Dat geeft onheil, Michiel, dat geeft onheil voor ons land,” sprak Moeder. „Dat is nu al de vijfde avond, he, dat het zoo erg met dat noorderlicht is?”„Het is de zevende avond al, vrouw!” zei Vader. „We willen hopen, dat het alleen eene waarschuwing voor ons zijn zal om op den boozen weg niet voort te gaan. Wel te rusten, Moeder!”„Wel te rusten, Vader!” klonk het.Spoedig was alles in diepe rust.Maar midden in den eersten slaap komt de meid van de meidenkamer vliegen en roept: „Brand! Brand!”Het was hoog tijd. De voordeur stond al te rooken.Vader en Moeder schoten hun goed aan en snelden naar buiten om te zien waar ergens de brand was.„O, God, Michiel! Adriaen ligt boven nog in zijn bedje en de trap brandt al. Houd met Mina,” zoo heette de meid, „een deken op, dan zal ik hem uit het raam naar beneden gooien,” riep Moeder in den grootsten angst uit.Hierop vloog Moeder de brandende trap op en kwam op zolder waar ik vreeselijk tekeer ging.Moeder nam me op, keek naar de trap, maar—Krak—krik—krek, zeide de trap en stortte in.Moeder voelde dat de zolder onder hare voeten wiegelde.Er was geen tijd van nadenken.Ze snelde naar het venster, smeet het open en riep: „Ben je daar? Houd je de deken op?”„Ja!” riep Vader.„Heb je ze stevig vast?”„Ja, stevig, gauw maar wat!” riep Vader weer.Rrrt, daar ging ik.De menschen hebben later verteld, dat ze niet wisten dat een kind zulke leelijke geluiden kon voortbrengen, als ik er toen liet hooren! Het moet akelig geweest zijn.„De zolder stort achter me in! Ik kan niet meer naar beneden komen!” schreeuwde Moeder voor het raam, toen ze gezien had, dat ik zonder letsel te krijgen op de deken terecht was gekomen.„Spring dan ook maar door het raam op de deken, we zullen u ook opvangen!” riep Vader.Wat zou Moeder doen?Ze keek naar beneden en ijsde van de hoogte.Maar weer stortte er een stuk zolder achter haar in.„O, God, help me!” bad ze en onder het geroep van: „Houd goed vast!” sprong ze door het venster en—zonder zich zelfs bezeerd te hebben was ze bij Vader op den grond en buiten gevaar.Het geheele huis en de geheele schuur, met alles wat er in was, brandde tot den grond af, en beroofd van alles, stonden mijne Ouders daar midden in den nacht, half gekleed met een schreiend kind, dat niets aanhad dan zijn nachtgoed.„Komt voor vannacht bij ons, buurtjes,” zeide een herder, die dicht bij ons woonde.Wij gingen daar binnen en toen Vader zei: „Ik zou wel eens willen weten of het noorderlicht nu brand veroorzaakt heeft,” sprak de herder,„Wel neen, Michiel, dat kan het noorderlicht niet doen. Maar dat hebben zeker Staatscheruiters gedaan; want een groot uur geleden kwamen ze hier voorbij en ik hoorde duidelijk een zeggen: „Hebt gij nu den rooden haan wel goed laten kraaien, Joost?” waarop een ander antwoordde: „Zeker, niets vaster!”Toen ze voorbij waren ging ik eens buiten kijken, doch ik kon niets anders zien dan het noorderlicht, dat een uurtje geleden heel prachtig was. Ik ging naar bed, doch ik had geene rust, ik stond op, keek weer eens naar buiten en, jawel, daar zag ik „de Goot” in brand staan. Ik kleedde mij gauw aan om te kunnen helpen, maar, ik kwam te laat! Er viel niets meer te redden. Gij zijt er dan wel ongelukkig aan toe, beste menschen! En wat ik u raden zou is, dat ge wat gaat slapen. Met het daglicht komt misschien raad.”Vader en Moeder legden zich op eenige bossen stroo neder, dekten zich met hunne kleederen en eenen ouden mantel van den herder, namen mij in hun midden en—wachtten den dag af.Of ze dien nacht geslapen hebben, zie, dat hebben ze me nooit verteld.Den anderen dag gingen we treurig en moedeloos naar Bergen, en omdat veel menschen ons daar kenden, werd er gauw eenig geld bijmekaêrgebracht om wat meubels, kleeren en dek te koopen, teneinde ons in de eerste behoeften te voorzien.Vader en Moeder bleven te Bergen wonen en ik ging op. mijn tiende jaar naar zee....”„Hé, Vader, hebt gij dan ook gevaren?” riep Michiel uit.„Ja, jongen, ik heb gevaren! Ik heb schipbreuk geleden, ik ben met den Spanjool aan den slag geweest; ik heb op zee ons schip zien verbranden en toen drie weken lang met den Kapitein en de andere maats in eene kleine boot op zee rond gezwalkt! Ik ben toen thuis gekomen en weer gaan varen. Ik kwam in Vlissingen, leerde daar mijne eerste vrouw, die ook Alida Jans heette, kennen, en trouwdemet haar. Twee jaren later was ik weduwnaar. Ik voer toen van Middelburg voor rekening van de „Maatschappij van Verre landen” en leed weer schipbreuk. Toch zou ik weer zijn gaan varen; maar hier uwe Moeder, kinderen, ook eene Alida Jans, wilde niet met me trouwen, als ik niet aan den wal bleef. Ik deed haren zin en werd bierdrager. Maar, als ik de zee zie....”„Zijt gij dan ook in de Oost geweest, Vader?” liet Michiel zich weer hooren.„Ja, jongen, wel tweemaal zelfs, en, kijk, als ik de zee hoor bruisen, zie, dan gaat mijn hart in de hoogte als een kan schuimend bier. Ik ben aanwal met mijn lichaam, maar mijn hart is op zee. Ik heb uwe Moeder beloofd u mijne geschiedenis maar éénen keer te vertellen, omdat ze bang was, dat een van allen ook zou gaan varen. Ik heb ze ook niet verteld, en zonder dat te doen is er toch één het zeegat uitgegaan. Ik heb daarom aan uwe Moeder gevraagd of ik het vanavond doen mocht en toen heeft ze gezegd: „Och, Adriaen, doe het maar! Het zwijgen heeft toch niet geholpen!” Dat is nu uw Vaders geschiedenis, kinderen! Ik ben nu aanwal en ik zal aanwal blijven zoolang ik leef, maar—de glazen vol, vrienden, boordevol,—al ben ik de grootste landrot, die er leeft, toch stel ik van ganscher harte den dronk in: „Kielen, wielen, rand om ’t land.1Maar de kielen, het eerst genoemd, staan bij mij toch altijd bovenaan.”„Kielen, wielen, rand om het land!” riepen ze allemaal en dronken hunne glazen ledig.„Hoor eens, vriend Adriaen, nu ga ik aanboord, hoor,” zeide de „Barre Bruinvisch”, „het wordt mijn tijd! Maareer ik dat doe, wil ik u toch wel zeggen, dat ik nu begrijp waarom Michiel zoo’n ferm zeeman is!”„Waarom dan, Lievensz.?”„Waarom? Het muist wat van katten komt! Hei, Jantje, mee, jongen! Ik wensen je allemaal den vrede!”„Ikke meega, Bootsman! Hé, niet loopen kan van dat plank! Dat zeer doet!” zei Jan en volgde zijnen zeevader.Het overige gezelschap ging ook uiteen en toen Dominé zijne huisdeur opende, bromde hij in zichzelven: „Ja, ja, die Lievensz. heeft gelijk: Het muist wat van katten komt!”

„Mijn Vader Michiel Adriaensz. was een Brabanter van geboorte en reeds in het begin van den oorlog tegen Spanje, die, als het twaalfjarig bestand straks achter den rug is, alweer voortgezet zal worden, ging hij bij de Staatsche ruiters. Maar bij die ruiters was weinig te verdienen en daarom trok hij zich eindelijk van den dienst terug, en kocht van zijn spaargeld en zijn Vaders versterf een klein boeren-bedrijfje onder Bergen-op-Zoom. Daar kregen Vader en Moeder dikwijls bezoek van Vaders oude kameraads, die te Bergen lagen of in den omtrek rondzwierven. Dat was zeer tegen den zin van Moeder; want de verdiensten waren heel min, ende tijden waren er ook naar. Nu eens waren mijne Ouders overgeleverd aan den Spanjool, danaan de Staatschen, en Moeder heeft me dikwijls gezegd, dat beide partijen zoo al één pot nat en met hetzelfde sop overgoten waren. Als de wijnkan of de bierkroes rondging, dan was alles in de rozen! Danspeeldenze: o, aap wat hebt gij mooie jongen, dan dronken ze op het lang leven en het welzijn van den jong geborene, dat was ik, en waren Vader en Moeder de beste menschen van de wereld. Maar hing de broodzak hoog, bleef de spinde gesloten en kwam er geen wijn of bier, dan scholden ze Vader en Moeder uit voor al wat leelijk was, dan hoopten ze dat de pasgeborene in zijn leven slecht weg zou komen, en dan waren er geen akeliger menschen op heel de wereld dan de boer en de boerin van „de Goot”. Zoo heette Vaders hofstede moet ge weten. Weer eens na zulk eene weigering om het volk bier of wijn te schenken, waren de ruiters vertrokken, doch namen uit wraak voor Vaders zoogenaamde karigheid, zijne twee paarden uit de weide mede. Den volgenden morgen miste Vader ze terstond, en terwijl hij naar Bergen ging om zich bij zijnen ouden Overste te beklagen, zag hij zijne paarden bij die van de ruiters in eene weide grazen. De Overste, een bar man, hoorde Vader nauwelijks aan en zeide, toen hij uitgesproken had: „Met zulke dingen bemoei ik mij niet!”

Vader ging heen, doch toen het donker was, haalde hij zijne paarden uit de ruiterweide weg en bracht ze bij eenen goeden vriend in den omtrek om ze voor hem een tijdlang te bewaren.

Eens op eenen avond, dat Vader en Moeder juist met elkander zaten te bespreken, hoe ze doen moesten om niet al te veel te kort te komen, begon de werfhond te bassen en hoorden ze eenen troep ruiters de werf opkomen.

„Hola! Is Vader Michiel thuis?” klonk eene ruwe stem, en zonder verlof te vragen trad een der ruiters binnen. Hij had aardig den prins gesproken, dat wil zeggen, hij was leelijk dronken. Na hem kwamen er nog een stuk ofzes anderen en altemaal in denzelfden toestand. Van zijne vrienden moet men het hebben. Het waren allen oude kameraden van Vader.

„Zeg, ouwe potter, zet ereis een paar flesschen wijn op tafel. We komen je gezondheid drinken!” zeide de baas van het troepje, die nog het minst dronken was, „en dan meteen vragen, waarom gij die twee knollen weer teruggehaald en waar gij ze gebracht hebt.”

„Wijn, Van der Meulen,” zei Vader, „wijn heb ik geen droppel in huis. De tijden zijn er niet naar dat een klein boertje er eenen wijnkelder op nahoudt! En mijne paarden zijn niet meer hier!”

„Papperlepap, hoor me dien ouden duitendief daar eens rare noten kraken. Hij heeft geenen wijn, jongens!”

„Wijn, wijn!” riepen de anderen, en stampten met hunne sabels zoo hard op den vloer, dat de plavuizen midden door braken. „Wijn, wijn! Wie zijne paarden terughaalt, moet ons wijn geven! Halloh, wijn, man!”

„Maar, jongens, geloof me dan toch, ik heb geenen wijn!” sprak Vader, die de ruiters op de Mookerheide wenschte.

„We zullen hem halen!” schreeuwden ze en ze gingen nu in de spinde, in den kelder, op zolder, ja, overal kijken of ze geenen wijn vonden; maar daar Vader waarheid gesproken had, konden ze geen droppeltje ontdekken.

Dat kwam vloekende en tierende weer terug. Vader werd uitgescholden voor al wat leelijk was, en Moeder had bijna nog klappen kunnen oploopen. Zoo ver kwam het evenwel niet; want daar ze zagen, dat er toch niets te halen viel, gingen ze spoedig weg om ergens anders hun fortuin te zoeken.

Maar buiten bleven ze nog een poosje met elkander kibbelen.

„Ik vertrouw dat dronken volk niet; ik ga kijken wat ze uitvoeren,” zeide Vader.

„Och, neen, laat dat, Michiel,” sprak Moeder, „Wie weet wat ze beginnen, als ge buiten komt. Het waait hard enze zullen wel gauw weggaan; want het is te koud om daar lang buiten te staan.”

Vader liet zich bepraten en bleef in huis. Hij grendelde de deur en kwam weer zitten.

Had hij zijn hoofd maar eens even, even buiten de deur gestoken, dan zou hij dadelijk gezien hebben, dat het baldadige, dronken volk niet weg gegaan was zonder dat ze eerst den rooden haan hadden laten kraaien. Ze hadden eenen stapel takkenbossen, die vlak tegen de schuur lagen, inbrand gestoken en de wind joeg de vlammen weldra tot het rieten dak op. Toch werden Vader, Moeder en de meid niets gewaar en ze gingen naar bed.

„Er is weer hevig noorderlicht,” zeide Vader, toen hij de kaars uitblies. „Heel de lucht is vlammend rood.”

„Dat geeft onheil, Michiel, dat geeft onheil voor ons land,” sprak Moeder. „Dat is nu al de vijfde avond, he, dat het zoo erg met dat noorderlicht is?”

„Het is de zevende avond al, vrouw!” zei Vader. „We willen hopen, dat het alleen eene waarschuwing voor ons zijn zal om op den boozen weg niet voort te gaan. Wel te rusten, Moeder!”

„Wel te rusten, Vader!” klonk het.

Spoedig was alles in diepe rust.

Maar midden in den eersten slaap komt de meid van de meidenkamer vliegen en roept: „Brand! Brand!”

Het was hoog tijd. De voordeur stond al te rooken.

Vader en Moeder schoten hun goed aan en snelden naar buiten om te zien waar ergens de brand was.

„O, God, Michiel! Adriaen ligt boven nog in zijn bedje en de trap brandt al. Houd met Mina,” zoo heette de meid, „een deken op, dan zal ik hem uit het raam naar beneden gooien,” riep Moeder in den grootsten angst uit.

Hierop vloog Moeder de brandende trap op en kwam op zolder waar ik vreeselijk tekeer ging.

Moeder nam me op, keek naar de trap, maar—

Krak—krik—krek, zeide de trap en stortte in.

Moeder voelde dat de zolder onder hare voeten wiegelde.

Er was geen tijd van nadenken.

Ze snelde naar het venster, smeet het open en riep: „Ben je daar? Houd je de deken op?”

„Ja!” riep Vader.

„Heb je ze stevig vast?”

„Ja, stevig, gauw maar wat!” riep Vader weer.

Rrrt, daar ging ik.

De menschen hebben later verteld, dat ze niet wisten dat een kind zulke leelijke geluiden kon voortbrengen, als ik er toen liet hooren! Het moet akelig geweest zijn.

„De zolder stort achter me in! Ik kan niet meer naar beneden komen!” schreeuwde Moeder voor het raam, toen ze gezien had, dat ik zonder letsel te krijgen op de deken terecht was gekomen.

„Spring dan ook maar door het raam op de deken, we zullen u ook opvangen!” riep Vader.

Wat zou Moeder doen?

Ze keek naar beneden en ijsde van de hoogte.

Maar weer stortte er een stuk zolder achter haar in.

„O, God, help me!” bad ze en onder het geroep van: „Houd goed vast!” sprong ze door het venster en—zonder zich zelfs bezeerd te hebben was ze bij Vader op den grond en buiten gevaar.

Het geheele huis en de geheele schuur, met alles wat er in was, brandde tot den grond af, en beroofd van alles, stonden mijne Ouders daar midden in den nacht, half gekleed met een schreiend kind, dat niets aanhad dan zijn nachtgoed.

„Komt voor vannacht bij ons, buurtjes,” zeide een herder, die dicht bij ons woonde.

Wij gingen daar binnen en toen Vader zei: „Ik zou wel eens willen weten of het noorderlicht nu brand veroorzaakt heeft,” sprak de herder,„Wel neen, Michiel, dat kan het noorderlicht niet doen. Maar dat hebben zeker Staatscheruiters gedaan; want een groot uur geleden kwamen ze hier voorbij en ik hoorde duidelijk een zeggen: „Hebt gij nu den rooden haan wel goed laten kraaien, Joost?” waarop een ander antwoordde: „Zeker, niets vaster!”

Toen ze voorbij waren ging ik eens buiten kijken, doch ik kon niets anders zien dan het noorderlicht, dat een uurtje geleden heel prachtig was. Ik ging naar bed, doch ik had geene rust, ik stond op, keek weer eens naar buiten en, jawel, daar zag ik „de Goot” in brand staan. Ik kleedde mij gauw aan om te kunnen helpen, maar, ik kwam te laat! Er viel niets meer te redden. Gij zijt er dan wel ongelukkig aan toe, beste menschen! En wat ik u raden zou is, dat ge wat gaat slapen. Met het daglicht komt misschien raad.”

Vader en Moeder legden zich op eenige bossen stroo neder, dekten zich met hunne kleederen en eenen ouden mantel van den herder, namen mij in hun midden en—wachtten den dag af.

Of ze dien nacht geslapen hebben, zie, dat hebben ze me nooit verteld.

Den anderen dag gingen we treurig en moedeloos naar Bergen, en omdat veel menschen ons daar kenden, werd er gauw eenig geld bijmekaêrgebracht om wat meubels, kleeren en dek te koopen, teneinde ons in de eerste behoeften te voorzien.

Vader en Moeder bleven te Bergen wonen en ik ging op. mijn tiende jaar naar zee....”

„Hé, Vader, hebt gij dan ook gevaren?” riep Michiel uit.

„Ja, jongen, ik heb gevaren! Ik heb schipbreuk geleden, ik ben met den Spanjool aan den slag geweest; ik heb op zee ons schip zien verbranden en toen drie weken lang met den Kapitein en de andere maats in eene kleine boot op zee rond gezwalkt! Ik ben toen thuis gekomen en weer gaan varen. Ik kwam in Vlissingen, leerde daar mijne eerste vrouw, die ook Alida Jans heette, kennen, en trouwdemet haar. Twee jaren later was ik weduwnaar. Ik voer toen van Middelburg voor rekening van de „Maatschappij van Verre landen” en leed weer schipbreuk. Toch zou ik weer zijn gaan varen; maar hier uwe Moeder, kinderen, ook eene Alida Jans, wilde niet met me trouwen, als ik niet aan den wal bleef. Ik deed haren zin en werd bierdrager. Maar, als ik de zee zie....”

„Zijt gij dan ook in de Oost geweest, Vader?” liet Michiel zich weer hooren.

„Ja, jongen, wel tweemaal zelfs, en, kijk, als ik de zee hoor bruisen, zie, dan gaat mijn hart in de hoogte als een kan schuimend bier. Ik ben aanwal met mijn lichaam, maar mijn hart is op zee. Ik heb uwe Moeder beloofd u mijne geschiedenis maar éénen keer te vertellen, omdat ze bang was, dat een van allen ook zou gaan varen. Ik heb ze ook niet verteld, en zonder dat te doen is er toch één het zeegat uitgegaan. Ik heb daarom aan uwe Moeder gevraagd of ik het vanavond doen mocht en toen heeft ze gezegd: „Och, Adriaen, doe het maar! Het zwijgen heeft toch niet geholpen!” Dat is nu uw Vaders geschiedenis, kinderen! Ik ben nu aanwal en ik zal aanwal blijven zoolang ik leef, maar—de glazen vol, vrienden, boordevol,—al ben ik de grootste landrot, die er leeft, toch stel ik van ganscher harte den dronk in: „Kielen, wielen, rand om ’t land.1Maar de kielen, het eerst genoemd, staan bij mij toch altijd bovenaan.”

„Kielen, wielen, rand om het land!” riepen ze allemaal en dronken hunne glazen ledig.

„Hoor eens, vriend Adriaen, nu ga ik aanboord, hoor,” zeide de „Barre Bruinvisch”, „het wordt mijn tijd! Maareer ik dat doe, wil ik u toch wel zeggen, dat ik nu begrijp waarom Michiel zoo’n ferm zeeman is!”

„Waarom dan, Lievensz.?”

„Waarom? Het muist wat van katten komt! Hei, Jantje, mee, jongen! Ik wensen je allemaal den vrede!”

„Ikke meega, Bootsman! Hé, niet loopen kan van dat plank! Dat zeer doet!” zei Jan en volgde zijnen zeevader.

Het overige gezelschap ging ook uiteen en toen Dominé zijne huisdeur opende, bromde hij in zichzelven: „Ja, ja, die Lievensz. heeft gelijk: Het muist wat van katten komt!”

1„Kielen, wielen, rand om het land” is een oud vaderlandsche dronk.Kielen, beteekentzeevaart,wielen, beteekentlandbouw, enrand om ’t landbeteekentdijken. Het welzijn van die drie, voor ons land van zooveel beteekenis, werd dus op die manier gedronken.↑

1„Kielen, wielen, rand om het land” is een oud vaderlandsche dronk.Kielen, beteekentzeevaart,wielen, beteekentlandbouw, enrand om ’t landbeteekentdijken. Het welzijn van die drie, voor ons land van zooveel beteekenis, werd dus op die manier gedronken.↑

1„Kielen, wielen, rand om het land” is een oud vaderlandsche dronk.Kielen, beteekentzeevaart,wielen, beteekentlandbouw, enrand om ’t landbeteekentdijken. Het welzijn van die drie, voor ons land van zooveel beteekenis, werd dus op die manier gedronken.↑


Back to IndexNext