ZEVENDE HOOFDSTUK.

ZEVENDE HOOFDSTUK.Voor Engelands hoofdrivier.In Augustus van het jaar 1665 stak de vloot onder het opperbevel van De Ruyter in zee. Bij deze gelegenheid deed zich het zeldzame schouwspel voor, dat ze door den beroemdsten Staatsman van zijnen tijd in zee geloodst werd. De man, die dat deed, was onze groote Jan De Witt, die hierdoor bewees, dat hij ook een echt scheepsroer, en niet alleen het roer van Staat wist te sturen. Jammer genoeg werkten onderscheidene oorzaken mede om te maken, dat er het heele najaar weinig meer kon uitgevoerd worden. Alles scheen te wachten op de twee volgende jaren, die het kleine Nederland instaat zouden stellen, het machtige Engeland tot den vrede te dwingen, en Europa zouden doen weergalmen van het geschal der lof-trompet, gestoken ter eere van De Ruyter, die als een tweede Karel de Groote met zijne onverschrokken Paladijnen van de eene overwinning naar de andere snelde.Van den elfden tot den veertienden Juni 1666 werd bij North-Foreland de beroemde Vierdaagsche zeeslag geleverd. Misschien was de Driedaagsche zeeslag onder Tromp even bloedig, doch als dat zoo is, dan zijn deze twee zeeslagen toch de vreeselijkste, die in het boek der geschiedenis opgeteekend staan, en hoe de Engelschen ook gepoogd hebben om Europa diets te maken, dat de eer der overwinning hun ten deel viel, het hielp niet, en buiten Engeland wist iedereen, dat de onvergelijkelijk dappere en beleidvolle De Ruyter met de zijnen zegevierend, niet langs de Vlaamsche banken, maar door diepe zee naar het Vaderland mocht wederkeeren.Dat gaf wat een gejubel toen de nederige man, wiens naam over de heele aarde, zelfs door de Engelschen meteere genoemd werd, na die schoone overwinning te Vlissingen aanwal stapte! Men verdrong elkander om hem te zien, en iedere Vlissinger, van groot tot klein, had een gevoel van trotschheid, alsof hij De Ruyter zelf was. De geestdrift, die er heerschte toen van de „Zeven Provinciën”1zijn Admiraalsschip, het kanongebulder verkondigde, dat hij van den valreep stapte om zich aanwal te laten brengen, was onbeschrijfelijk. Bijna verstomde het gedonder van het geschut in het geroep van: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” uitgeschreeuwd tot de keel heesch werd door die wakkere zonen der Scheldestad, die al zoovelen van hare kinderen den Vaderlande had geschonken. Maar onder die allen was niet één, als hij, die daar kwam in alle nederigheid en eenvoud, met oogen die van vreugde straalden toen hij zijn geliefd Vlissingen weer zag; met oogen, die tranen druppelden, als hij dacht aan die lieve, beste, brave Moeder Alida, die al sinds lang onder de groene zoden van het kerkhof, bij de armsten der stad, voor goed te slapen was gegaan!„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”Wel, schreeuwt de kelen heesch, brave Zeeuwen! Wuift met doek en muts! Weent en lacht van blijdschap en trots! Ziet, daar komt hij! Daar komt hij, Neêrlands roem en vreugde, Engelands vrees en schrik! Daar stapt hij aanwal! Zijn voet drukt den geliefden grond! Hij is weer inuw midden! Op, op, nog duizenden en tienduizenden malen:„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”Zoo ontvangt Nederland zijnen grooten zoon na de schitterende overwinning, na eene bloedige zegepraal in eenen strijd, die vier dagen duurde, bevochten.Den vierden Augustus van hetzelfde jaar, is de held weer op zee en andermaal levert hij den vijand slag.Jan Evertsen, Tjerk Hiddes De Vries en Rudolf Coenders sneuvelen! Cornelis Tromp vecht als een leeuw, maar—op eigen hand en laat De Ruyter aan zijn lot over! Verscheidene schepen worden bijna vernield! Vele Kapiteins gaan op de vlucht en De Ruyter met zeven of acht schepen alleen gelaten, moet zich tegen de Engelsche hoofdmacht verweren.„Ik wilde, dat ik maar dood was!” roept De Ruyter.„Ik ook,” antwoordde de dappere Van Nes, „ik ook, Bestevaêr! Maar men sterft niet, als men wil!”Het is of de Engelschen het er op toeleggen „de Zeven Provinciën” te vernielen! Alles dreigt te bersten en te breken.„O, God,” roept De Ruyter, „o, God, hoe ben ik zoo ongelukkig! Is er nu onder zoovele duizenden kogels niet één, die mij wegneemt?”„Vader,” antwoordt De Witte, Michiels schoonzoon en Officier van de mariniers, „Vader, hoe spreekt gij zoo vertwijfeld? Wilt gij sterven, laten wij dan in het midden van den vijand loopen en ons dood vechten!”Dit antwoord brengt De Ruyter, die werkelijk een oogenblik wanhoopte, tot zichzelven en kalm zegt hij: „Gij weet niet, wat gij zegt! Als ik dàt deed, was alles verloren; maar als ik mij en deze schepen kan behouden en afbrengen, dan kan men het werk daarna hervatten!”En hij behoudt het leven en brengt de schepen af in zulk eenen meesterlijken aftocht, dat Lodewijk de XIV, Koning van Frankrijk, vol bewondering voor den grootenzeeheld, hem daarvoor de orde van Sint Michiel vereerde, waarbij nog gevoegd werd, des Konings beeltenis rijk met goud en edelgesteenten versierd.Maar hooger eer dan ridderorde en vorsten-portret, ontving hij door de pen van den Engelschen schrijver Hume, die schreef: „De Ruyter heeft dezen aftocht met zooveel bekwaamheid volvoerd, dat hij hem niet minder tot eer verstrekt dan eene luisterrijke overwinning!”En wie was de schuld van dien ongelukkigen uitslag? Tromp, die de achterhoede onder zijn bevel had?„Ja,” zeiden de vrienden van De Ruyter;—„neen,” zeiden de vrienden van Tromp.De twist tusschen deze twee Admiraals liep zoo ver, dat Tromp van zijne betrekking ontzet werd en wel tengevolge van eene aanklacht van De Ruyter, die gelijk had, waar hij zei, dat Tromp zich niet gedragen had naar het bevel: „Vereenigd blijven!”Het was te betreuren, dat het zóó ver ging; want al was Cornelis Tromp nu ook in dat opzicht schuldig, hij had dan toch in datzelfde gevecht met de Engelsche achterhoede eenen zwaren strijd gestreden en getoond, wat hij voor de belangen van het Vaderland over had.Maar Cornelis Tromp was een vriend van den Prins, die nog niets in den Staat was, en gaarne, en met recht, iets wilde zijn. Deze vriendschap was in die dagen van partijschap, reeds meer dan voldoende om iemand in ongenade bij de Regeering te doen vallen. Waar wij dit zeggen, doen we het met tegenzin, omdat de Raadpensionaris Jan De Witt, die de Republiek zóó machtig maakte, werkelijk zich, ten opzichte van Oranje, soms zeer kleingeestig betoonde. Diezelfde Jan De Witt, één van ziel en één van zin met Oranje, had de Nederlandsche Republiek kunnen verheffen tot eene hoogte waarop zij zich kon staande houden in lateren tijd. Het was evenwel niet zoo, en juist daardoor kreeg De Witt vijanden, die hij zichzelven bezorgde, en hetwas zijn tegenstrevende geest, die zelfs, meer dan honderd jaar later, Nederland ten val bracht.Van den voor Nederland zoo ongunstigen afloop van dien zeeslag hadden de Engelschen, lafhartig genoeg, gebruik gemaakt om honderdveertig onzer koopvaardij-schepen in het Vlie te verbranden, en het dorpje West-Terschelling af te loopen.Die lafhartige daad zou luisterrijk gewroken worden.Het is de tweeëntwintigste Juni van het jaar 1667, en we bevinden ons weer, in gedachten, aanboord van „De Zeven Provinciën,” aan den mond van den Theems.Engel De Ruyter en Jan Lievensz., beiden reeds Luitenant ter zee, en dus de leiding van den „Barren Bruinvisch” ontwassen, houden evenwel te veel van den krachtigen grijsaard om hem links te laten liggen. Zij zijn op het oogenblik met hem in gesprek en wel naar aanleiding van het betrokken gezicht des ouden mans.„Wel, Grootvadertje, wat hapert er toch aan, dat ge vandaag zoo leelijk kijkt?” vraagt Engel.„Och, Jonker, zwijg! Laat den ouwen maar pruttelen! Hij heeft vandaag het land!”„Zwijgen? En waarom? Kom, zeg ons wat er aan hapert, Vader!” spreekt nu Jan.„Nu, als ge het dan weten wilt en weten moet, het is omdat onze Tromp niet bij de vloot is! Neen, Jonker De Ruyter, loop niet weg! Vraag het uwen Vader, en ik wed dat hij zeggen zal: „Ik wilde wel om heel wat, dat Tromp me kon vergezellen! Uw Vader zelf heeft berouw over zijne drift en de Heer Tromp zou graag willen bijleggen! Ge weet toch zeker wel, dat hij den Heeren van den Staat gesmeekt heeft om toch mede te mogen gaan, al was het maar, als gewoon Kapitein! Dat heeft hij gevraagd! En wat hebben de Heeren gezegd? „Neen, gij blijft hier, en als gij het hart hebt naar de vloot te gaan, of erzelfsmaar naar te schrijven, dan zullen we dat beschouwen en straffen als muiterij!”„Hei, hei, Grootvadertje, zouden de Heeren dat wel gezegd hebben? Weet ge dat zeker?” vroeg Engel.„Jonker De Ruyter, mijn neus mag veranderen in eenen loefbalk, en mijne horlebeenen mogen op staanden voet zoo stijf worden als penterhaken, zoo het niet waar is. Ze hebben dat gezegd, die pennelikkers, tegen eenen man, die zijn Vaderland misschien wel duizendmaal meer lief heeft dan zij! En wie durft zeggen dat Tromp zijn Vaderland niet bemint en er geen goed en bloed voor over heeft? Wie durft dat? Ik zal hem in zijn aangezicht zeggen: „Kerel, ga in het kluisgat zitten, en laat je leugenachtige tong door het ankertouw uittrekken. Is niet Frankrijk gekomen met de schoonste aanbiedingen? En heeft hij die „Fransozische mosjeus” niet met eenen zeemansknoop zoo netjes in lij gebracht, dat ze als afgetuigde zestigers niet wisten hoe weer in volle zee te komen? Laat Meester Jan komen als hij durft en....”„Sssst, Grootvader, en breng uzelven niet in lij. Ge weet toch dat Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten een broeder van Meester Jan is, en zich bij ons op de vloot bevindt!”„Dat weet ik, Jonker, dat weet ik! Maar wat doet zulk een gesuikerde sinjeur bij ons aanboord? Heeft hij verstand van zeezaken? Is het geene schande voor eenen man, als uw Vader is, dat hij zoo goed als onder eenen „winkelier ter zee” staat?” riep de „Barre Bruinvisch” driftig.„Hoor eens, Grootvader, ik beveel u te zwijgen! Ge wordt oproerig op uwen ouden dag! En wat Vader betreft, hij staat niet onder de Heeren Gecommitteerden. Hij wint alleen hun raad in en—is dan ook van de verantwoording af, onverschillig hoe de zaak een einde neemt.”„Larie, jonker, larie! Als deze stoute tocht goed afloopt, en ze zàl goed afloopen, dan gaan de comenijs-mannen, de zakjes plakkers, de grutten-tellers met de eer strijken. Wordt er verloren dan krijgt de Admiraal de schuld. Kijk, als ikbaas was, ik nam eenen zwabber, ik joeg ze den kabeljauwskelder in, en ik zou hen naroepen: „Gaat van mijne schuit, je bederft mijne vracht! Maar, daar komt uw Vader aan, Jonker! Misschien zal hij u wel komen zeggen dat de „Barre Bruinvisch” spijkers met koppen slaat! Adjuus!”„Hei, bootsman, blijf eens even,” riep De Ruyter, en toen hij dicht bij het groepje was, voegde hij den ouden man toe: „Hoe vandaag alweer zoo obstinaat, Vadertje?”„Ja, Admiraal! Ik kan wild worden als ik denk, dat....”„Dat ik daar zoo even eene heerlijke tijding ontvangen heb?”„Is er eenig voordeel behaald, Vader?” riep Engel.„Eenig voordeel, jongen, eenig voordeel, vraagt ge? Meer, Engel! De trotsche Engelschman heeft zulk eene gevoelige les gehad, dat hij den slag nog jaren lang voelen zal!” sprak De Ruyter met oogen, die van blijdschap straalden.Ook Engel en Jan legden hunne vreugde duidelijk aan den dag. Alleen de oude Bootsman bleef maar even knorrig zien, ja, als men goed keek, zag men zijn gelaat steeds donkerder worden.„En wat zegt gij er nu van, zeevadertje? Is dat geene tijding om van pure blijdschap al zijn kruit aan vreugdeschoten te verschieten?” vroeg De Ruyter, die misschien wel wist, dat Lievensz. nu juist geen kruit over had voor vreugdeschoten.„Als u zei van pure nijdigheid, Admiraal! Het gaat zooals ik voorspeld heb!” was het knorrige antwoord.„Wat voorspeld, Lievensz.?” vroeg De Ruyter.„Dat zulk een kruidenier met de eer gaat strijken! Kijk, ik zou liever mijne vuist van nijd opeten, eer ik onder landrotten wilde staan!”„Maar, man, bedaar toch wat! Wie is die kruidenier en wie zijn die landrotten?” vroeg De Ruyter op wat minder vriendelijken toon dan hij gewoon was.„Dat is die Gecommitteerde op onze vloot! Dat die kerelpakjes suiker afwege en vanboord blijve. Hij heeft net zooveel verstand van de zeevaart als eene koe van het kerkorgel,” riep Lievensz. op bitteren toon.„Lievensz., ik heet u te zwijgen, man! Ik weet dat ge eerlijk zijt, en het zegt, zooals ge dat meent. Maar als ik er geene oneer in zie met eenen man, als Cornelis De Witt, over de zaken te raadplegen, dan voegt het niemand, die minder is dan ik, hierover zich uit te laten, alsof de heele wereld in vier kanten in brand gestoken is. Straffen zal ik u ditmaal niet, doch als ge andermaal zoo spraakt, zou ik het niet mogen nalaten. Dat is rebellie, zeevadertje!”„Zou Michiel mij straffen kunnen?” vroeg Lievensz. eenigszins geraakt, „mij straffen, omdat ik woedend word, als ik zie, dat winkeliers Stadhouders wegpoetsen om zelf voor Prins en Stadhoudertje te kunnen spelen, en dan op hoogen toon bevelen geven aan mannen, die hen wel uit de mouw kunnen schudden? De Republiek heeft tegenwoordig eenen wonder-stadhouder, die wel tien of twintig lichamen heeft, maar het zijn, eilaci, lichaampjes van krenten en rozijnen.”De Ruyter fronste het voorhoofd. Misschien echter bedacht hij wel, dat hij toch ook wel wat pijnlijks gevoeld en getoond had, toen hij onder Cornelis De Witt moest staan, en ten aanzien van het scheepsvolk de minste zijn, waar hij verreweg de meeste was. Minder hard luidde dan ook zijn antwoord tot Lievensz.: „Het zou mij leed doen, zoo ik verplicht ware u straf te geven, oude vriend, maar doen, zeker en gewis! En als gij nu niet al mijne rechtmatige vreugde wilt bederven, denk dan wat ge wil, maar laat die gedachten niet over de lippen komen.”Lievensz. keek zijn voormalig zeekind diep in de oogen en zeide toen: „Het baat u niet, dat gij u in barre woorden uitlaat, Michiel! Ik ken u te goed. Gij denkt als ik, maar terwille van het Vaderland laat gij u vernederen. Dat is ook een heldenstuk, Admiraal, zooals door weinigen geleverd kan worden. Ik zal zwijgen en—ik zal trachten eenheld te zijn als Luitenant-Admiraal De Ruyter er een is.”„Ik wist wel, dat mijn zeevader kon gehoorzamen,” zeide De Ruyter en gaf hem de hand, die door den „Barren Bruinvisch” met eenen traan in het oog gedrukt werd.Wat die handdruk beduidde wisten die twee maar.Zoodra Lievensz. vertrokken was, vertelde De Ruyter aan Engel en zijnen vriend Jan welke daden er reeds door het vooruit gezonden smaldeel onder Van Ghent verricht waren.1Het Admiraalsschip van De Ruyter was een der schoonste schepen onzer vloot, telde tachtig stukken geschut en had eene lengte van ruim 51, eene breedte van 13,5 en een diepgang van bijna 5 Meters. Wilde men zeggen, dat het voor een zeegevecht behoorlijk van kruit voorzien was, dan had men daartoe niet minder dan 44 duizend pond noodig. Dit schip, dat door onzen grooten zeeheld eene eigene geschiedenis verkregen heeft, werd in 1694 voor sleet, dat is voor afbraak, verkocht en—zelfs in het rijks-museum is er geen splintertje te vinden van het beroemde vaartuig, dat Nederlands glorie ter zee op alle wateren ronddroeg. Het is wel jammer. In den beroemden tocht naar Chattam had De Ruyter aanboord van dit schip ruim 450 man.↑

ZEVENDE HOOFDSTUK.Voor Engelands hoofdrivier.In Augustus van het jaar 1665 stak de vloot onder het opperbevel van De Ruyter in zee. Bij deze gelegenheid deed zich het zeldzame schouwspel voor, dat ze door den beroemdsten Staatsman van zijnen tijd in zee geloodst werd. De man, die dat deed, was onze groote Jan De Witt, die hierdoor bewees, dat hij ook een echt scheepsroer, en niet alleen het roer van Staat wist te sturen. Jammer genoeg werkten onderscheidene oorzaken mede om te maken, dat er het heele najaar weinig meer kon uitgevoerd worden. Alles scheen te wachten op de twee volgende jaren, die het kleine Nederland instaat zouden stellen, het machtige Engeland tot den vrede te dwingen, en Europa zouden doen weergalmen van het geschal der lof-trompet, gestoken ter eere van De Ruyter, die als een tweede Karel de Groote met zijne onverschrokken Paladijnen van de eene overwinning naar de andere snelde.Van den elfden tot den veertienden Juni 1666 werd bij North-Foreland de beroemde Vierdaagsche zeeslag geleverd. Misschien was de Driedaagsche zeeslag onder Tromp even bloedig, doch als dat zoo is, dan zijn deze twee zeeslagen toch de vreeselijkste, die in het boek der geschiedenis opgeteekend staan, en hoe de Engelschen ook gepoogd hebben om Europa diets te maken, dat de eer der overwinning hun ten deel viel, het hielp niet, en buiten Engeland wist iedereen, dat de onvergelijkelijk dappere en beleidvolle De Ruyter met de zijnen zegevierend, niet langs de Vlaamsche banken, maar door diepe zee naar het Vaderland mocht wederkeeren.Dat gaf wat een gejubel toen de nederige man, wiens naam over de heele aarde, zelfs door de Engelschen meteere genoemd werd, na die schoone overwinning te Vlissingen aanwal stapte! Men verdrong elkander om hem te zien, en iedere Vlissinger, van groot tot klein, had een gevoel van trotschheid, alsof hij De Ruyter zelf was. De geestdrift, die er heerschte toen van de „Zeven Provinciën”1zijn Admiraalsschip, het kanongebulder verkondigde, dat hij van den valreep stapte om zich aanwal te laten brengen, was onbeschrijfelijk. Bijna verstomde het gedonder van het geschut in het geroep van: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” uitgeschreeuwd tot de keel heesch werd door die wakkere zonen der Scheldestad, die al zoovelen van hare kinderen den Vaderlande had geschonken. Maar onder die allen was niet één, als hij, die daar kwam in alle nederigheid en eenvoud, met oogen die van vreugde straalden toen hij zijn geliefd Vlissingen weer zag; met oogen, die tranen druppelden, als hij dacht aan die lieve, beste, brave Moeder Alida, die al sinds lang onder de groene zoden van het kerkhof, bij de armsten der stad, voor goed te slapen was gegaan!„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”Wel, schreeuwt de kelen heesch, brave Zeeuwen! Wuift met doek en muts! Weent en lacht van blijdschap en trots! Ziet, daar komt hij! Daar komt hij, Neêrlands roem en vreugde, Engelands vrees en schrik! Daar stapt hij aanwal! Zijn voet drukt den geliefden grond! Hij is weer inuw midden! Op, op, nog duizenden en tienduizenden malen:„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”Zoo ontvangt Nederland zijnen grooten zoon na de schitterende overwinning, na eene bloedige zegepraal in eenen strijd, die vier dagen duurde, bevochten.Den vierden Augustus van hetzelfde jaar, is de held weer op zee en andermaal levert hij den vijand slag.Jan Evertsen, Tjerk Hiddes De Vries en Rudolf Coenders sneuvelen! Cornelis Tromp vecht als een leeuw, maar—op eigen hand en laat De Ruyter aan zijn lot over! Verscheidene schepen worden bijna vernield! Vele Kapiteins gaan op de vlucht en De Ruyter met zeven of acht schepen alleen gelaten, moet zich tegen de Engelsche hoofdmacht verweren.„Ik wilde, dat ik maar dood was!” roept De Ruyter.„Ik ook,” antwoordde de dappere Van Nes, „ik ook, Bestevaêr! Maar men sterft niet, als men wil!”Het is of de Engelschen het er op toeleggen „de Zeven Provinciën” te vernielen! Alles dreigt te bersten en te breken.„O, God,” roept De Ruyter, „o, God, hoe ben ik zoo ongelukkig! Is er nu onder zoovele duizenden kogels niet één, die mij wegneemt?”„Vader,” antwoordt De Witte, Michiels schoonzoon en Officier van de mariniers, „Vader, hoe spreekt gij zoo vertwijfeld? Wilt gij sterven, laten wij dan in het midden van den vijand loopen en ons dood vechten!”Dit antwoord brengt De Ruyter, die werkelijk een oogenblik wanhoopte, tot zichzelven en kalm zegt hij: „Gij weet niet, wat gij zegt! Als ik dàt deed, was alles verloren; maar als ik mij en deze schepen kan behouden en afbrengen, dan kan men het werk daarna hervatten!”En hij behoudt het leven en brengt de schepen af in zulk eenen meesterlijken aftocht, dat Lodewijk de XIV, Koning van Frankrijk, vol bewondering voor den grootenzeeheld, hem daarvoor de orde van Sint Michiel vereerde, waarbij nog gevoegd werd, des Konings beeltenis rijk met goud en edelgesteenten versierd.Maar hooger eer dan ridderorde en vorsten-portret, ontving hij door de pen van den Engelschen schrijver Hume, die schreef: „De Ruyter heeft dezen aftocht met zooveel bekwaamheid volvoerd, dat hij hem niet minder tot eer verstrekt dan eene luisterrijke overwinning!”En wie was de schuld van dien ongelukkigen uitslag? Tromp, die de achterhoede onder zijn bevel had?„Ja,” zeiden de vrienden van De Ruyter;—„neen,” zeiden de vrienden van Tromp.De twist tusschen deze twee Admiraals liep zoo ver, dat Tromp van zijne betrekking ontzet werd en wel tengevolge van eene aanklacht van De Ruyter, die gelijk had, waar hij zei, dat Tromp zich niet gedragen had naar het bevel: „Vereenigd blijven!”Het was te betreuren, dat het zóó ver ging; want al was Cornelis Tromp nu ook in dat opzicht schuldig, hij had dan toch in datzelfde gevecht met de Engelsche achterhoede eenen zwaren strijd gestreden en getoond, wat hij voor de belangen van het Vaderland over had.Maar Cornelis Tromp was een vriend van den Prins, die nog niets in den Staat was, en gaarne, en met recht, iets wilde zijn. Deze vriendschap was in die dagen van partijschap, reeds meer dan voldoende om iemand in ongenade bij de Regeering te doen vallen. Waar wij dit zeggen, doen we het met tegenzin, omdat de Raadpensionaris Jan De Witt, die de Republiek zóó machtig maakte, werkelijk zich, ten opzichte van Oranje, soms zeer kleingeestig betoonde. Diezelfde Jan De Witt, één van ziel en één van zin met Oranje, had de Nederlandsche Republiek kunnen verheffen tot eene hoogte waarop zij zich kon staande houden in lateren tijd. Het was evenwel niet zoo, en juist daardoor kreeg De Witt vijanden, die hij zichzelven bezorgde, en hetwas zijn tegenstrevende geest, die zelfs, meer dan honderd jaar later, Nederland ten val bracht.Van den voor Nederland zoo ongunstigen afloop van dien zeeslag hadden de Engelschen, lafhartig genoeg, gebruik gemaakt om honderdveertig onzer koopvaardij-schepen in het Vlie te verbranden, en het dorpje West-Terschelling af te loopen.Die lafhartige daad zou luisterrijk gewroken worden.Het is de tweeëntwintigste Juni van het jaar 1667, en we bevinden ons weer, in gedachten, aanboord van „De Zeven Provinciën,” aan den mond van den Theems.Engel De Ruyter en Jan Lievensz., beiden reeds Luitenant ter zee, en dus de leiding van den „Barren Bruinvisch” ontwassen, houden evenwel te veel van den krachtigen grijsaard om hem links te laten liggen. Zij zijn op het oogenblik met hem in gesprek en wel naar aanleiding van het betrokken gezicht des ouden mans.„Wel, Grootvadertje, wat hapert er toch aan, dat ge vandaag zoo leelijk kijkt?” vraagt Engel.„Och, Jonker, zwijg! Laat den ouwen maar pruttelen! Hij heeft vandaag het land!”„Zwijgen? En waarom? Kom, zeg ons wat er aan hapert, Vader!” spreekt nu Jan.„Nu, als ge het dan weten wilt en weten moet, het is omdat onze Tromp niet bij de vloot is! Neen, Jonker De Ruyter, loop niet weg! Vraag het uwen Vader, en ik wed dat hij zeggen zal: „Ik wilde wel om heel wat, dat Tromp me kon vergezellen! Uw Vader zelf heeft berouw over zijne drift en de Heer Tromp zou graag willen bijleggen! Ge weet toch zeker wel, dat hij den Heeren van den Staat gesmeekt heeft om toch mede te mogen gaan, al was het maar, als gewoon Kapitein! Dat heeft hij gevraagd! En wat hebben de Heeren gezegd? „Neen, gij blijft hier, en als gij het hart hebt naar de vloot te gaan, of erzelfsmaar naar te schrijven, dan zullen we dat beschouwen en straffen als muiterij!”„Hei, hei, Grootvadertje, zouden de Heeren dat wel gezegd hebben? Weet ge dat zeker?” vroeg Engel.„Jonker De Ruyter, mijn neus mag veranderen in eenen loefbalk, en mijne horlebeenen mogen op staanden voet zoo stijf worden als penterhaken, zoo het niet waar is. Ze hebben dat gezegd, die pennelikkers, tegen eenen man, die zijn Vaderland misschien wel duizendmaal meer lief heeft dan zij! En wie durft zeggen dat Tromp zijn Vaderland niet bemint en er geen goed en bloed voor over heeft? Wie durft dat? Ik zal hem in zijn aangezicht zeggen: „Kerel, ga in het kluisgat zitten, en laat je leugenachtige tong door het ankertouw uittrekken. Is niet Frankrijk gekomen met de schoonste aanbiedingen? En heeft hij die „Fransozische mosjeus” niet met eenen zeemansknoop zoo netjes in lij gebracht, dat ze als afgetuigde zestigers niet wisten hoe weer in volle zee te komen? Laat Meester Jan komen als hij durft en....”„Sssst, Grootvader, en breng uzelven niet in lij. Ge weet toch dat Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten een broeder van Meester Jan is, en zich bij ons op de vloot bevindt!”„Dat weet ik, Jonker, dat weet ik! Maar wat doet zulk een gesuikerde sinjeur bij ons aanboord? Heeft hij verstand van zeezaken? Is het geene schande voor eenen man, als uw Vader is, dat hij zoo goed als onder eenen „winkelier ter zee” staat?” riep de „Barre Bruinvisch” driftig.„Hoor eens, Grootvader, ik beveel u te zwijgen! Ge wordt oproerig op uwen ouden dag! En wat Vader betreft, hij staat niet onder de Heeren Gecommitteerden. Hij wint alleen hun raad in en—is dan ook van de verantwoording af, onverschillig hoe de zaak een einde neemt.”„Larie, jonker, larie! Als deze stoute tocht goed afloopt, en ze zàl goed afloopen, dan gaan de comenijs-mannen, de zakjes plakkers, de grutten-tellers met de eer strijken. Wordt er verloren dan krijgt de Admiraal de schuld. Kijk, als ikbaas was, ik nam eenen zwabber, ik joeg ze den kabeljauwskelder in, en ik zou hen naroepen: „Gaat van mijne schuit, je bederft mijne vracht! Maar, daar komt uw Vader aan, Jonker! Misschien zal hij u wel komen zeggen dat de „Barre Bruinvisch” spijkers met koppen slaat! Adjuus!”„Hei, bootsman, blijf eens even,” riep De Ruyter, en toen hij dicht bij het groepje was, voegde hij den ouden man toe: „Hoe vandaag alweer zoo obstinaat, Vadertje?”„Ja, Admiraal! Ik kan wild worden als ik denk, dat....”„Dat ik daar zoo even eene heerlijke tijding ontvangen heb?”„Is er eenig voordeel behaald, Vader?” riep Engel.„Eenig voordeel, jongen, eenig voordeel, vraagt ge? Meer, Engel! De trotsche Engelschman heeft zulk eene gevoelige les gehad, dat hij den slag nog jaren lang voelen zal!” sprak De Ruyter met oogen, die van blijdschap straalden.Ook Engel en Jan legden hunne vreugde duidelijk aan den dag. Alleen de oude Bootsman bleef maar even knorrig zien, ja, als men goed keek, zag men zijn gelaat steeds donkerder worden.„En wat zegt gij er nu van, zeevadertje? Is dat geene tijding om van pure blijdschap al zijn kruit aan vreugdeschoten te verschieten?” vroeg De Ruyter, die misschien wel wist, dat Lievensz. nu juist geen kruit over had voor vreugdeschoten.„Als u zei van pure nijdigheid, Admiraal! Het gaat zooals ik voorspeld heb!” was het knorrige antwoord.„Wat voorspeld, Lievensz.?” vroeg De Ruyter.„Dat zulk een kruidenier met de eer gaat strijken! Kijk, ik zou liever mijne vuist van nijd opeten, eer ik onder landrotten wilde staan!”„Maar, man, bedaar toch wat! Wie is die kruidenier en wie zijn die landrotten?” vroeg De Ruyter op wat minder vriendelijken toon dan hij gewoon was.„Dat is die Gecommitteerde op onze vloot! Dat die kerelpakjes suiker afwege en vanboord blijve. Hij heeft net zooveel verstand van de zeevaart als eene koe van het kerkorgel,” riep Lievensz. op bitteren toon.„Lievensz., ik heet u te zwijgen, man! Ik weet dat ge eerlijk zijt, en het zegt, zooals ge dat meent. Maar als ik er geene oneer in zie met eenen man, als Cornelis De Witt, over de zaken te raadplegen, dan voegt het niemand, die minder is dan ik, hierover zich uit te laten, alsof de heele wereld in vier kanten in brand gestoken is. Straffen zal ik u ditmaal niet, doch als ge andermaal zoo spraakt, zou ik het niet mogen nalaten. Dat is rebellie, zeevadertje!”„Zou Michiel mij straffen kunnen?” vroeg Lievensz. eenigszins geraakt, „mij straffen, omdat ik woedend word, als ik zie, dat winkeliers Stadhouders wegpoetsen om zelf voor Prins en Stadhoudertje te kunnen spelen, en dan op hoogen toon bevelen geven aan mannen, die hen wel uit de mouw kunnen schudden? De Republiek heeft tegenwoordig eenen wonder-stadhouder, die wel tien of twintig lichamen heeft, maar het zijn, eilaci, lichaampjes van krenten en rozijnen.”De Ruyter fronste het voorhoofd. Misschien echter bedacht hij wel, dat hij toch ook wel wat pijnlijks gevoeld en getoond had, toen hij onder Cornelis De Witt moest staan, en ten aanzien van het scheepsvolk de minste zijn, waar hij verreweg de meeste was. Minder hard luidde dan ook zijn antwoord tot Lievensz.: „Het zou mij leed doen, zoo ik verplicht ware u straf te geven, oude vriend, maar doen, zeker en gewis! En als gij nu niet al mijne rechtmatige vreugde wilt bederven, denk dan wat ge wil, maar laat die gedachten niet over de lippen komen.”Lievensz. keek zijn voormalig zeekind diep in de oogen en zeide toen: „Het baat u niet, dat gij u in barre woorden uitlaat, Michiel! Ik ken u te goed. Gij denkt als ik, maar terwille van het Vaderland laat gij u vernederen. Dat is ook een heldenstuk, Admiraal, zooals door weinigen geleverd kan worden. Ik zal zwijgen en—ik zal trachten eenheld te zijn als Luitenant-Admiraal De Ruyter er een is.”„Ik wist wel, dat mijn zeevader kon gehoorzamen,” zeide De Ruyter en gaf hem de hand, die door den „Barren Bruinvisch” met eenen traan in het oog gedrukt werd.Wat die handdruk beduidde wisten die twee maar.Zoodra Lievensz. vertrokken was, vertelde De Ruyter aan Engel en zijnen vriend Jan welke daden er reeds door het vooruit gezonden smaldeel onder Van Ghent verricht waren.1Het Admiraalsschip van De Ruyter was een der schoonste schepen onzer vloot, telde tachtig stukken geschut en had eene lengte van ruim 51, eene breedte van 13,5 en een diepgang van bijna 5 Meters. Wilde men zeggen, dat het voor een zeegevecht behoorlijk van kruit voorzien was, dan had men daartoe niet minder dan 44 duizend pond noodig. Dit schip, dat door onzen grooten zeeheld eene eigene geschiedenis verkregen heeft, werd in 1694 voor sleet, dat is voor afbraak, verkocht en—zelfs in het rijks-museum is er geen splintertje te vinden van het beroemde vaartuig, dat Nederlands glorie ter zee op alle wateren ronddroeg. Het is wel jammer. In den beroemden tocht naar Chattam had De Ruyter aanboord van dit schip ruim 450 man.↑

ZEVENDE HOOFDSTUK.Voor Engelands hoofdrivier.In Augustus van het jaar 1665 stak de vloot onder het opperbevel van De Ruyter in zee. Bij deze gelegenheid deed zich het zeldzame schouwspel voor, dat ze door den beroemdsten Staatsman van zijnen tijd in zee geloodst werd. De man, die dat deed, was onze groote Jan De Witt, die hierdoor bewees, dat hij ook een echt scheepsroer, en niet alleen het roer van Staat wist te sturen. Jammer genoeg werkten onderscheidene oorzaken mede om te maken, dat er het heele najaar weinig meer kon uitgevoerd worden. Alles scheen te wachten op de twee volgende jaren, die het kleine Nederland instaat zouden stellen, het machtige Engeland tot den vrede te dwingen, en Europa zouden doen weergalmen van het geschal der lof-trompet, gestoken ter eere van De Ruyter, die als een tweede Karel de Groote met zijne onverschrokken Paladijnen van de eene overwinning naar de andere snelde.Van den elfden tot den veertienden Juni 1666 werd bij North-Foreland de beroemde Vierdaagsche zeeslag geleverd. Misschien was de Driedaagsche zeeslag onder Tromp even bloedig, doch als dat zoo is, dan zijn deze twee zeeslagen toch de vreeselijkste, die in het boek der geschiedenis opgeteekend staan, en hoe de Engelschen ook gepoogd hebben om Europa diets te maken, dat de eer der overwinning hun ten deel viel, het hielp niet, en buiten Engeland wist iedereen, dat de onvergelijkelijk dappere en beleidvolle De Ruyter met de zijnen zegevierend, niet langs de Vlaamsche banken, maar door diepe zee naar het Vaderland mocht wederkeeren.Dat gaf wat een gejubel toen de nederige man, wiens naam over de heele aarde, zelfs door de Engelschen meteere genoemd werd, na die schoone overwinning te Vlissingen aanwal stapte! Men verdrong elkander om hem te zien, en iedere Vlissinger, van groot tot klein, had een gevoel van trotschheid, alsof hij De Ruyter zelf was. De geestdrift, die er heerschte toen van de „Zeven Provinciën”1zijn Admiraalsschip, het kanongebulder verkondigde, dat hij van den valreep stapte om zich aanwal te laten brengen, was onbeschrijfelijk. Bijna verstomde het gedonder van het geschut in het geroep van: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” uitgeschreeuwd tot de keel heesch werd door die wakkere zonen der Scheldestad, die al zoovelen van hare kinderen den Vaderlande had geschonken. Maar onder die allen was niet één, als hij, die daar kwam in alle nederigheid en eenvoud, met oogen die van vreugde straalden toen hij zijn geliefd Vlissingen weer zag; met oogen, die tranen druppelden, als hij dacht aan die lieve, beste, brave Moeder Alida, die al sinds lang onder de groene zoden van het kerkhof, bij de armsten der stad, voor goed te slapen was gegaan!„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”Wel, schreeuwt de kelen heesch, brave Zeeuwen! Wuift met doek en muts! Weent en lacht van blijdschap en trots! Ziet, daar komt hij! Daar komt hij, Neêrlands roem en vreugde, Engelands vrees en schrik! Daar stapt hij aanwal! Zijn voet drukt den geliefden grond! Hij is weer inuw midden! Op, op, nog duizenden en tienduizenden malen:„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”Zoo ontvangt Nederland zijnen grooten zoon na de schitterende overwinning, na eene bloedige zegepraal in eenen strijd, die vier dagen duurde, bevochten.Den vierden Augustus van hetzelfde jaar, is de held weer op zee en andermaal levert hij den vijand slag.Jan Evertsen, Tjerk Hiddes De Vries en Rudolf Coenders sneuvelen! Cornelis Tromp vecht als een leeuw, maar—op eigen hand en laat De Ruyter aan zijn lot over! Verscheidene schepen worden bijna vernield! Vele Kapiteins gaan op de vlucht en De Ruyter met zeven of acht schepen alleen gelaten, moet zich tegen de Engelsche hoofdmacht verweren.„Ik wilde, dat ik maar dood was!” roept De Ruyter.„Ik ook,” antwoordde de dappere Van Nes, „ik ook, Bestevaêr! Maar men sterft niet, als men wil!”Het is of de Engelschen het er op toeleggen „de Zeven Provinciën” te vernielen! Alles dreigt te bersten en te breken.„O, God,” roept De Ruyter, „o, God, hoe ben ik zoo ongelukkig! Is er nu onder zoovele duizenden kogels niet één, die mij wegneemt?”„Vader,” antwoordt De Witte, Michiels schoonzoon en Officier van de mariniers, „Vader, hoe spreekt gij zoo vertwijfeld? Wilt gij sterven, laten wij dan in het midden van den vijand loopen en ons dood vechten!”Dit antwoord brengt De Ruyter, die werkelijk een oogenblik wanhoopte, tot zichzelven en kalm zegt hij: „Gij weet niet, wat gij zegt! Als ik dàt deed, was alles verloren; maar als ik mij en deze schepen kan behouden en afbrengen, dan kan men het werk daarna hervatten!”En hij behoudt het leven en brengt de schepen af in zulk eenen meesterlijken aftocht, dat Lodewijk de XIV, Koning van Frankrijk, vol bewondering voor den grootenzeeheld, hem daarvoor de orde van Sint Michiel vereerde, waarbij nog gevoegd werd, des Konings beeltenis rijk met goud en edelgesteenten versierd.Maar hooger eer dan ridderorde en vorsten-portret, ontving hij door de pen van den Engelschen schrijver Hume, die schreef: „De Ruyter heeft dezen aftocht met zooveel bekwaamheid volvoerd, dat hij hem niet minder tot eer verstrekt dan eene luisterrijke overwinning!”En wie was de schuld van dien ongelukkigen uitslag? Tromp, die de achterhoede onder zijn bevel had?„Ja,” zeiden de vrienden van De Ruyter;—„neen,” zeiden de vrienden van Tromp.De twist tusschen deze twee Admiraals liep zoo ver, dat Tromp van zijne betrekking ontzet werd en wel tengevolge van eene aanklacht van De Ruyter, die gelijk had, waar hij zei, dat Tromp zich niet gedragen had naar het bevel: „Vereenigd blijven!”Het was te betreuren, dat het zóó ver ging; want al was Cornelis Tromp nu ook in dat opzicht schuldig, hij had dan toch in datzelfde gevecht met de Engelsche achterhoede eenen zwaren strijd gestreden en getoond, wat hij voor de belangen van het Vaderland over had.Maar Cornelis Tromp was een vriend van den Prins, die nog niets in den Staat was, en gaarne, en met recht, iets wilde zijn. Deze vriendschap was in die dagen van partijschap, reeds meer dan voldoende om iemand in ongenade bij de Regeering te doen vallen. Waar wij dit zeggen, doen we het met tegenzin, omdat de Raadpensionaris Jan De Witt, die de Republiek zóó machtig maakte, werkelijk zich, ten opzichte van Oranje, soms zeer kleingeestig betoonde. Diezelfde Jan De Witt, één van ziel en één van zin met Oranje, had de Nederlandsche Republiek kunnen verheffen tot eene hoogte waarop zij zich kon staande houden in lateren tijd. Het was evenwel niet zoo, en juist daardoor kreeg De Witt vijanden, die hij zichzelven bezorgde, en hetwas zijn tegenstrevende geest, die zelfs, meer dan honderd jaar later, Nederland ten val bracht.Van den voor Nederland zoo ongunstigen afloop van dien zeeslag hadden de Engelschen, lafhartig genoeg, gebruik gemaakt om honderdveertig onzer koopvaardij-schepen in het Vlie te verbranden, en het dorpje West-Terschelling af te loopen.Die lafhartige daad zou luisterrijk gewroken worden.Het is de tweeëntwintigste Juni van het jaar 1667, en we bevinden ons weer, in gedachten, aanboord van „De Zeven Provinciën,” aan den mond van den Theems.Engel De Ruyter en Jan Lievensz., beiden reeds Luitenant ter zee, en dus de leiding van den „Barren Bruinvisch” ontwassen, houden evenwel te veel van den krachtigen grijsaard om hem links te laten liggen. Zij zijn op het oogenblik met hem in gesprek en wel naar aanleiding van het betrokken gezicht des ouden mans.„Wel, Grootvadertje, wat hapert er toch aan, dat ge vandaag zoo leelijk kijkt?” vraagt Engel.„Och, Jonker, zwijg! Laat den ouwen maar pruttelen! Hij heeft vandaag het land!”„Zwijgen? En waarom? Kom, zeg ons wat er aan hapert, Vader!” spreekt nu Jan.„Nu, als ge het dan weten wilt en weten moet, het is omdat onze Tromp niet bij de vloot is! Neen, Jonker De Ruyter, loop niet weg! Vraag het uwen Vader, en ik wed dat hij zeggen zal: „Ik wilde wel om heel wat, dat Tromp me kon vergezellen! Uw Vader zelf heeft berouw over zijne drift en de Heer Tromp zou graag willen bijleggen! Ge weet toch zeker wel, dat hij den Heeren van den Staat gesmeekt heeft om toch mede te mogen gaan, al was het maar, als gewoon Kapitein! Dat heeft hij gevraagd! En wat hebben de Heeren gezegd? „Neen, gij blijft hier, en als gij het hart hebt naar de vloot te gaan, of erzelfsmaar naar te schrijven, dan zullen we dat beschouwen en straffen als muiterij!”„Hei, hei, Grootvadertje, zouden de Heeren dat wel gezegd hebben? Weet ge dat zeker?” vroeg Engel.„Jonker De Ruyter, mijn neus mag veranderen in eenen loefbalk, en mijne horlebeenen mogen op staanden voet zoo stijf worden als penterhaken, zoo het niet waar is. Ze hebben dat gezegd, die pennelikkers, tegen eenen man, die zijn Vaderland misschien wel duizendmaal meer lief heeft dan zij! En wie durft zeggen dat Tromp zijn Vaderland niet bemint en er geen goed en bloed voor over heeft? Wie durft dat? Ik zal hem in zijn aangezicht zeggen: „Kerel, ga in het kluisgat zitten, en laat je leugenachtige tong door het ankertouw uittrekken. Is niet Frankrijk gekomen met de schoonste aanbiedingen? En heeft hij die „Fransozische mosjeus” niet met eenen zeemansknoop zoo netjes in lij gebracht, dat ze als afgetuigde zestigers niet wisten hoe weer in volle zee te komen? Laat Meester Jan komen als hij durft en....”„Sssst, Grootvader, en breng uzelven niet in lij. Ge weet toch dat Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten een broeder van Meester Jan is, en zich bij ons op de vloot bevindt!”„Dat weet ik, Jonker, dat weet ik! Maar wat doet zulk een gesuikerde sinjeur bij ons aanboord? Heeft hij verstand van zeezaken? Is het geene schande voor eenen man, als uw Vader is, dat hij zoo goed als onder eenen „winkelier ter zee” staat?” riep de „Barre Bruinvisch” driftig.„Hoor eens, Grootvader, ik beveel u te zwijgen! Ge wordt oproerig op uwen ouden dag! En wat Vader betreft, hij staat niet onder de Heeren Gecommitteerden. Hij wint alleen hun raad in en—is dan ook van de verantwoording af, onverschillig hoe de zaak een einde neemt.”„Larie, jonker, larie! Als deze stoute tocht goed afloopt, en ze zàl goed afloopen, dan gaan de comenijs-mannen, de zakjes plakkers, de grutten-tellers met de eer strijken. Wordt er verloren dan krijgt de Admiraal de schuld. Kijk, als ikbaas was, ik nam eenen zwabber, ik joeg ze den kabeljauwskelder in, en ik zou hen naroepen: „Gaat van mijne schuit, je bederft mijne vracht! Maar, daar komt uw Vader aan, Jonker! Misschien zal hij u wel komen zeggen dat de „Barre Bruinvisch” spijkers met koppen slaat! Adjuus!”„Hei, bootsman, blijf eens even,” riep De Ruyter, en toen hij dicht bij het groepje was, voegde hij den ouden man toe: „Hoe vandaag alweer zoo obstinaat, Vadertje?”„Ja, Admiraal! Ik kan wild worden als ik denk, dat....”„Dat ik daar zoo even eene heerlijke tijding ontvangen heb?”„Is er eenig voordeel behaald, Vader?” riep Engel.„Eenig voordeel, jongen, eenig voordeel, vraagt ge? Meer, Engel! De trotsche Engelschman heeft zulk eene gevoelige les gehad, dat hij den slag nog jaren lang voelen zal!” sprak De Ruyter met oogen, die van blijdschap straalden.Ook Engel en Jan legden hunne vreugde duidelijk aan den dag. Alleen de oude Bootsman bleef maar even knorrig zien, ja, als men goed keek, zag men zijn gelaat steeds donkerder worden.„En wat zegt gij er nu van, zeevadertje? Is dat geene tijding om van pure blijdschap al zijn kruit aan vreugdeschoten te verschieten?” vroeg De Ruyter, die misschien wel wist, dat Lievensz. nu juist geen kruit over had voor vreugdeschoten.„Als u zei van pure nijdigheid, Admiraal! Het gaat zooals ik voorspeld heb!” was het knorrige antwoord.„Wat voorspeld, Lievensz.?” vroeg De Ruyter.„Dat zulk een kruidenier met de eer gaat strijken! Kijk, ik zou liever mijne vuist van nijd opeten, eer ik onder landrotten wilde staan!”„Maar, man, bedaar toch wat! Wie is die kruidenier en wie zijn die landrotten?” vroeg De Ruyter op wat minder vriendelijken toon dan hij gewoon was.„Dat is die Gecommitteerde op onze vloot! Dat die kerelpakjes suiker afwege en vanboord blijve. Hij heeft net zooveel verstand van de zeevaart als eene koe van het kerkorgel,” riep Lievensz. op bitteren toon.„Lievensz., ik heet u te zwijgen, man! Ik weet dat ge eerlijk zijt, en het zegt, zooals ge dat meent. Maar als ik er geene oneer in zie met eenen man, als Cornelis De Witt, over de zaken te raadplegen, dan voegt het niemand, die minder is dan ik, hierover zich uit te laten, alsof de heele wereld in vier kanten in brand gestoken is. Straffen zal ik u ditmaal niet, doch als ge andermaal zoo spraakt, zou ik het niet mogen nalaten. Dat is rebellie, zeevadertje!”„Zou Michiel mij straffen kunnen?” vroeg Lievensz. eenigszins geraakt, „mij straffen, omdat ik woedend word, als ik zie, dat winkeliers Stadhouders wegpoetsen om zelf voor Prins en Stadhoudertje te kunnen spelen, en dan op hoogen toon bevelen geven aan mannen, die hen wel uit de mouw kunnen schudden? De Republiek heeft tegenwoordig eenen wonder-stadhouder, die wel tien of twintig lichamen heeft, maar het zijn, eilaci, lichaampjes van krenten en rozijnen.”De Ruyter fronste het voorhoofd. Misschien echter bedacht hij wel, dat hij toch ook wel wat pijnlijks gevoeld en getoond had, toen hij onder Cornelis De Witt moest staan, en ten aanzien van het scheepsvolk de minste zijn, waar hij verreweg de meeste was. Minder hard luidde dan ook zijn antwoord tot Lievensz.: „Het zou mij leed doen, zoo ik verplicht ware u straf te geven, oude vriend, maar doen, zeker en gewis! En als gij nu niet al mijne rechtmatige vreugde wilt bederven, denk dan wat ge wil, maar laat die gedachten niet over de lippen komen.”Lievensz. keek zijn voormalig zeekind diep in de oogen en zeide toen: „Het baat u niet, dat gij u in barre woorden uitlaat, Michiel! Ik ken u te goed. Gij denkt als ik, maar terwille van het Vaderland laat gij u vernederen. Dat is ook een heldenstuk, Admiraal, zooals door weinigen geleverd kan worden. Ik zal zwijgen en—ik zal trachten eenheld te zijn als Luitenant-Admiraal De Ruyter er een is.”„Ik wist wel, dat mijn zeevader kon gehoorzamen,” zeide De Ruyter en gaf hem de hand, die door den „Barren Bruinvisch” met eenen traan in het oog gedrukt werd.Wat die handdruk beduidde wisten die twee maar.Zoodra Lievensz. vertrokken was, vertelde De Ruyter aan Engel en zijnen vriend Jan welke daden er reeds door het vooruit gezonden smaldeel onder Van Ghent verricht waren.1Het Admiraalsschip van De Ruyter was een der schoonste schepen onzer vloot, telde tachtig stukken geschut en had eene lengte van ruim 51, eene breedte van 13,5 en een diepgang van bijna 5 Meters. Wilde men zeggen, dat het voor een zeegevecht behoorlijk van kruit voorzien was, dan had men daartoe niet minder dan 44 duizend pond noodig. Dit schip, dat door onzen grooten zeeheld eene eigene geschiedenis verkregen heeft, werd in 1694 voor sleet, dat is voor afbraak, verkocht en—zelfs in het rijks-museum is er geen splintertje te vinden van het beroemde vaartuig, dat Nederlands glorie ter zee op alle wateren ronddroeg. Het is wel jammer. In den beroemden tocht naar Chattam had De Ruyter aanboord van dit schip ruim 450 man.↑

ZEVENDE HOOFDSTUK.Voor Engelands hoofdrivier.

In Augustus van het jaar 1665 stak de vloot onder het opperbevel van De Ruyter in zee. Bij deze gelegenheid deed zich het zeldzame schouwspel voor, dat ze door den beroemdsten Staatsman van zijnen tijd in zee geloodst werd. De man, die dat deed, was onze groote Jan De Witt, die hierdoor bewees, dat hij ook een echt scheepsroer, en niet alleen het roer van Staat wist te sturen. Jammer genoeg werkten onderscheidene oorzaken mede om te maken, dat er het heele najaar weinig meer kon uitgevoerd worden. Alles scheen te wachten op de twee volgende jaren, die het kleine Nederland instaat zouden stellen, het machtige Engeland tot den vrede te dwingen, en Europa zouden doen weergalmen van het geschal der lof-trompet, gestoken ter eere van De Ruyter, die als een tweede Karel de Groote met zijne onverschrokken Paladijnen van de eene overwinning naar de andere snelde.Van den elfden tot den veertienden Juni 1666 werd bij North-Foreland de beroemde Vierdaagsche zeeslag geleverd. Misschien was de Driedaagsche zeeslag onder Tromp even bloedig, doch als dat zoo is, dan zijn deze twee zeeslagen toch de vreeselijkste, die in het boek der geschiedenis opgeteekend staan, en hoe de Engelschen ook gepoogd hebben om Europa diets te maken, dat de eer der overwinning hun ten deel viel, het hielp niet, en buiten Engeland wist iedereen, dat de onvergelijkelijk dappere en beleidvolle De Ruyter met de zijnen zegevierend, niet langs de Vlaamsche banken, maar door diepe zee naar het Vaderland mocht wederkeeren.Dat gaf wat een gejubel toen de nederige man, wiens naam over de heele aarde, zelfs door de Engelschen meteere genoemd werd, na die schoone overwinning te Vlissingen aanwal stapte! Men verdrong elkander om hem te zien, en iedere Vlissinger, van groot tot klein, had een gevoel van trotschheid, alsof hij De Ruyter zelf was. De geestdrift, die er heerschte toen van de „Zeven Provinciën”1zijn Admiraalsschip, het kanongebulder verkondigde, dat hij van den valreep stapte om zich aanwal te laten brengen, was onbeschrijfelijk. Bijna verstomde het gedonder van het geschut in het geroep van: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” uitgeschreeuwd tot de keel heesch werd door die wakkere zonen der Scheldestad, die al zoovelen van hare kinderen den Vaderlande had geschonken. Maar onder die allen was niet één, als hij, die daar kwam in alle nederigheid en eenvoud, met oogen die van vreugde straalden toen hij zijn geliefd Vlissingen weer zag; met oogen, die tranen druppelden, als hij dacht aan die lieve, beste, brave Moeder Alida, die al sinds lang onder de groene zoden van het kerkhof, bij de armsten der stad, voor goed te slapen was gegaan!„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”Wel, schreeuwt de kelen heesch, brave Zeeuwen! Wuift met doek en muts! Weent en lacht van blijdschap en trots! Ziet, daar komt hij! Daar komt hij, Neêrlands roem en vreugde, Engelands vrees en schrik! Daar stapt hij aanwal! Zijn voet drukt den geliefden grond! Hij is weer inuw midden! Op, op, nog duizenden en tienduizenden malen:„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”Zoo ontvangt Nederland zijnen grooten zoon na de schitterende overwinning, na eene bloedige zegepraal in eenen strijd, die vier dagen duurde, bevochten.Den vierden Augustus van hetzelfde jaar, is de held weer op zee en andermaal levert hij den vijand slag.Jan Evertsen, Tjerk Hiddes De Vries en Rudolf Coenders sneuvelen! Cornelis Tromp vecht als een leeuw, maar—op eigen hand en laat De Ruyter aan zijn lot over! Verscheidene schepen worden bijna vernield! Vele Kapiteins gaan op de vlucht en De Ruyter met zeven of acht schepen alleen gelaten, moet zich tegen de Engelsche hoofdmacht verweren.„Ik wilde, dat ik maar dood was!” roept De Ruyter.„Ik ook,” antwoordde de dappere Van Nes, „ik ook, Bestevaêr! Maar men sterft niet, als men wil!”Het is of de Engelschen het er op toeleggen „de Zeven Provinciën” te vernielen! Alles dreigt te bersten en te breken.„O, God,” roept De Ruyter, „o, God, hoe ben ik zoo ongelukkig! Is er nu onder zoovele duizenden kogels niet één, die mij wegneemt?”„Vader,” antwoordt De Witte, Michiels schoonzoon en Officier van de mariniers, „Vader, hoe spreekt gij zoo vertwijfeld? Wilt gij sterven, laten wij dan in het midden van den vijand loopen en ons dood vechten!”Dit antwoord brengt De Ruyter, die werkelijk een oogenblik wanhoopte, tot zichzelven en kalm zegt hij: „Gij weet niet, wat gij zegt! Als ik dàt deed, was alles verloren; maar als ik mij en deze schepen kan behouden en afbrengen, dan kan men het werk daarna hervatten!”En hij behoudt het leven en brengt de schepen af in zulk eenen meesterlijken aftocht, dat Lodewijk de XIV, Koning van Frankrijk, vol bewondering voor den grootenzeeheld, hem daarvoor de orde van Sint Michiel vereerde, waarbij nog gevoegd werd, des Konings beeltenis rijk met goud en edelgesteenten versierd.Maar hooger eer dan ridderorde en vorsten-portret, ontving hij door de pen van den Engelschen schrijver Hume, die schreef: „De Ruyter heeft dezen aftocht met zooveel bekwaamheid volvoerd, dat hij hem niet minder tot eer verstrekt dan eene luisterrijke overwinning!”En wie was de schuld van dien ongelukkigen uitslag? Tromp, die de achterhoede onder zijn bevel had?„Ja,” zeiden de vrienden van De Ruyter;—„neen,” zeiden de vrienden van Tromp.De twist tusschen deze twee Admiraals liep zoo ver, dat Tromp van zijne betrekking ontzet werd en wel tengevolge van eene aanklacht van De Ruyter, die gelijk had, waar hij zei, dat Tromp zich niet gedragen had naar het bevel: „Vereenigd blijven!”Het was te betreuren, dat het zóó ver ging; want al was Cornelis Tromp nu ook in dat opzicht schuldig, hij had dan toch in datzelfde gevecht met de Engelsche achterhoede eenen zwaren strijd gestreden en getoond, wat hij voor de belangen van het Vaderland over had.Maar Cornelis Tromp was een vriend van den Prins, die nog niets in den Staat was, en gaarne, en met recht, iets wilde zijn. Deze vriendschap was in die dagen van partijschap, reeds meer dan voldoende om iemand in ongenade bij de Regeering te doen vallen. Waar wij dit zeggen, doen we het met tegenzin, omdat de Raadpensionaris Jan De Witt, die de Republiek zóó machtig maakte, werkelijk zich, ten opzichte van Oranje, soms zeer kleingeestig betoonde. Diezelfde Jan De Witt, één van ziel en één van zin met Oranje, had de Nederlandsche Republiek kunnen verheffen tot eene hoogte waarop zij zich kon staande houden in lateren tijd. Het was evenwel niet zoo, en juist daardoor kreeg De Witt vijanden, die hij zichzelven bezorgde, en hetwas zijn tegenstrevende geest, die zelfs, meer dan honderd jaar later, Nederland ten val bracht.Van den voor Nederland zoo ongunstigen afloop van dien zeeslag hadden de Engelschen, lafhartig genoeg, gebruik gemaakt om honderdveertig onzer koopvaardij-schepen in het Vlie te verbranden, en het dorpje West-Terschelling af te loopen.Die lafhartige daad zou luisterrijk gewroken worden.Het is de tweeëntwintigste Juni van het jaar 1667, en we bevinden ons weer, in gedachten, aanboord van „De Zeven Provinciën,” aan den mond van den Theems.Engel De Ruyter en Jan Lievensz., beiden reeds Luitenant ter zee, en dus de leiding van den „Barren Bruinvisch” ontwassen, houden evenwel te veel van den krachtigen grijsaard om hem links te laten liggen. Zij zijn op het oogenblik met hem in gesprek en wel naar aanleiding van het betrokken gezicht des ouden mans.„Wel, Grootvadertje, wat hapert er toch aan, dat ge vandaag zoo leelijk kijkt?” vraagt Engel.„Och, Jonker, zwijg! Laat den ouwen maar pruttelen! Hij heeft vandaag het land!”„Zwijgen? En waarom? Kom, zeg ons wat er aan hapert, Vader!” spreekt nu Jan.„Nu, als ge het dan weten wilt en weten moet, het is omdat onze Tromp niet bij de vloot is! Neen, Jonker De Ruyter, loop niet weg! Vraag het uwen Vader, en ik wed dat hij zeggen zal: „Ik wilde wel om heel wat, dat Tromp me kon vergezellen! Uw Vader zelf heeft berouw over zijne drift en de Heer Tromp zou graag willen bijleggen! Ge weet toch zeker wel, dat hij den Heeren van den Staat gesmeekt heeft om toch mede te mogen gaan, al was het maar, als gewoon Kapitein! Dat heeft hij gevraagd! En wat hebben de Heeren gezegd? „Neen, gij blijft hier, en als gij het hart hebt naar de vloot te gaan, of erzelfsmaar naar te schrijven, dan zullen we dat beschouwen en straffen als muiterij!”„Hei, hei, Grootvadertje, zouden de Heeren dat wel gezegd hebben? Weet ge dat zeker?” vroeg Engel.„Jonker De Ruyter, mijn neus mag veranderen in eenen loefbalk, en mijne horlebeenen mogen op staanden voet zoo stijf worden als penterhaken, zoo het niet waar is. Ze hebben dat gezegd, die pennelikkers, tegen eenen man, die zijn Vaderland misschien wel duizendmaal meer lief heeft dan zij! En wie durft zeggen dat Tromp zijn Vaderland niet bemint en er geen goed en bloed voor over heeft? Wie durft dat? Ik zal hem in zijn aangezicht zeggen: „Kerel, ga in het kluisgat zitten, en laat je leugenachtige tong door het ankertouw uittrekken. Is niet Frankrijk gekomen met de schoonste aanbiedingen? En heeft hij die „Fransozische mosjeus” niet met eenen zeemansknoop zoo netjes in lij gebracht, dat ze als afgetuigde zestigers niet wisten hoe weer in volle zee te komen? Laat Meester Jan komen als hij durft en....”„Sssst, Grootvader, en breng uzelven niet in lij. Ge weet toch dat Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten een broeder van Meester Jan is, en zich bij ons op de vloot bevindt!”„Dat weet ik, Jonker, dat weet ik! Maar wat doet zulk een gesuikerde sinjeur bij ons aanboord? Heeft hij verstand van zeezaken? Is het geene schande voor eenen man, als uw Vader is, dat hij zoo goed als onder eenen „winkelier ter zee” staat?” riep de „Barre Bruinvisch” driftig.„Hoor eens, Grootvader, ik beveel u te zwijgen! Ge wordt oproerig op uwen ouden dag! En wat Vader betreft, hij staat niet onder de Heeren Gecommitteerden. Hij wint alleen hun raad in en—is dan ook van de verantwoording af, onverschillig hoe de zaak een einde neemt.”„Larie, jonker, larie! Als deze stoute tocht goed afloopt, en ze zàl goed afloopen, dan gaan de comenijs-mannen, de zakjes plakkers, de grutten-tellers met de eer strijken. Wordt er verloren dan krijgt de Admiraal de schuld. Kijk, als ikbaas was, ik nam eenen zwabber, ik joeg ze den kabeljauwskelder in, en ik zou hen naroepen: „Gaat van mijne schuit, je bederft mijne vracht! Maar, daar komt uw Vader aan, Jonker! Misschien zal hij u wel komen zeggen dat de „Barre Bruinvisch” spijkers met koppen slaat! Adjuus!”„Hei, bootsman, blijf eens even,” riep De Ruyter, en toen hij dicht bij het groepje was, voegde hij den ouden man toe: „Hoe vandaag alweer zoo obstinaat, Vadertje?”„Ja, Admiraal! Ik kan wild worden als ik denk, dat....”„Dat ik daar zoo even eene heerlijke tijding ontvangen heb?”„Is er eenig voordeel behaald, Vader?” riep Engel.„Eenig voordeel, jongen, eenig voordeel, vraagt ge? Meer, Engel! De trotsche Engelschman heeft zulk eene gevoelige les gehad, dat hij den slag nog jaren lang voelen zal!” sprak De Ruyter met oogen, die van blijdschap straalden.Ook Engel en Jan legden hunne vreugde duidelijk aan den dag. Alleen de oude Bootsman bleef maar even knorrig zien, ja, als men goed keek, zag men zijn gelaat steeds donkerder worden.„En wat zegt gij er nu van, zeevadertje? Is dat geene tijding om van pure blijdschap al zijn kruit aan vreugdeschoten te verschieten?” vroeg De Ruyter, die misschien wel wist, dat Lievensz. nu juist geen kruit over had voor vreugdeschoten.„Als u zei van pure nijdigheid, Admiraal! Het gaat zooals ik voorspeld heb!” was het knorrige antwoord.„Wat voorspeld, Lievensz.?” vroeg De Ruyter.„Dat zulk een kruidenier met de eer gaat strijken! Kijk, ik zou liever mijne vuist van nijd opeten, eer ik onder landrotten wilde staan!”„Maar, man, bedaar toch wat! Wie is die kruidenier en wie zijn die landrotten?” vroeg De Ruyter op wat minder vriendelijken toon dan hij gewoon was.„Dat is die Gecommitteerde op onze vloot! Dat die kerelpakjes suiker afwege en vanboord blijve. Hij heeft net zooveel verstand van de zeevaart als eene koe van het kerkorgel,” riep Lievensz. op bitteren toon.„Lievensz., ik heet u te zwijgen, man! Ik weet dat ge eerlijk zijt, en het zegt, zooals ge dat meent. Maar als ik er geene oneer in zie met eenen man, als Cornelis De Witt, over de zaken te raadplegen, dan voegt het niemand, die minder is dan ik, hierover zich uit te laten, alsof de heele wereld in vier kanten in brand gestoken is. Straffen zal ik u ditmaal niet, doch als ge andermaal zoo spraakt, zou ik het niet mogen nalaten. Dat is rebellie, zeevadertje!”„Zou Michiel mij straffen kunnen?” vroeg Lievensz. eenigszins geraakt, „mij straffen, omdat ik woedend word, als ik zie, dat winkeliers Stadhouders wegpoetsen om zelf voor Prins en Stadhoudertje te kunnen spelen, en dan op hoogen toon bevelen geven aan mannen, die hen wel uit de mouw kunnen schudden? De Republiek heeft tegenwoordig eenen wonder-stadhouder, die wel tien of twintig lichamen heeft, maar het zijn, eilaci, lichaampjes van krenten en rozijnen.”De Ruyter fronste het voorhoofd. Misschien echter bedacht hij wel, dat hij toch ook wel wat pijnlijks gevoeld en getoond had, toen hij onder Cornelis De Witt moest staan, en ten aanzien van het scheepsvolk de minste zijn, waar hij verreweg de meeste was. Minder hard luidde dan ook zijn antwoord tot Lievensz.: „Het zou mij leed doen, zoo ik verplicht ware u straf te geven, oude vriend, maar doen, zeker en gewis! En als gij nu niet al mijne rechtmatige vreugde wilt bederven, denk dan wat ge wil, maar laat die gedachten niet over de lippen komen.”Lievensz. keek zijn voormalig zeekind diep in de oogen en zeide toen: „Het baat u niet, dat gij u in barre woorden uitlaat, Michiel! Ik ken u te goed. Gij denkt als ik, maar terwille van het Vaderland laat gij u vernederen. Dat is ook een heldenstuk, Admiraal, zooals door weinigen geleverd kan worden. Ik zal zwijgen en—ik zal trachten eenheld te zijn als Luitenant-Admiraal De Ruyter er een is.”„Ik wist wel, dat mijn zeevader kon gehoorzamen,” zeide De Ruyter en gaf hem de hand, die door den „Barren Bruinvisch” met eenen traan in het oog gedrukt werd.Wat die handdruk beduidde wisten die twee maar.Zoodra Lievensz. vertrokken was, vertelde De Ruyter aan Engel en zijnen vriend Jan welke daden er reeds door het vooruit gezonden smaldeel onder Van Ghent verricht waren.

In Augustus van het jaar 1665 stak de vloot onder het opperbevel van De Ruyter in zee. Bij deze gelegenheid deed zich het zeldzame schouwspel voor, dat ze door den beroemdsten Staatsman van zijnen tijd in zee geloodst werd. De man, die dat deed, was onze groote Jan De Witt, die hierdoor bewees, dat hij ook een echt scheepsroer, en niet alleen het roer van Staat wist te sturen. Jammer genoeg werkten onderscheidene oorzaken mede om te maken, dat er het heele najaar weinig meer kon uitgevoerd worden. Alles scheen te wachten op de twee volgende jaren, die het kleine Nederland instaat zouden stellen, het machtige Engeland tot den vrede te dwingen, en Europa zouden doen weergalmen van het geschal der lof-trompet, gestoken ter eere van De Ruyter, die als een tweede Karel de Groote met zijne onverschrokken Paladijnen van de eene overwinning naar de andere snelde.

Van den elfden tot den veertienden Juni 1666 werd bij North-Foreland de beroemde Vierdaagsche zeeslag geleverd. Misschien was de Driedaagsche zeeslag onder Tromp even bloedig, doch als dat zoo is, dan zijn deze twee zeeslagen toch de vreeselijkste, die in het boek der geschiedenis opgeteekend staan, en hoe de Engelschen ook gepoogd hebben om Europa diets te maken, dat de eer der overwinning hun ten deel viel, het hielp niet, en buiten Engeland wist iedereen, dat de onvergelijkelijk dappere en beleidvolle De Ruyter met de zijnen zegevierend, niet langs de Vlaamsche banken, maar door diepe zee naar het Vaderland mocht wederkeeren.

Dat gaf wat een gejubel toen de nederige man, wiens naam over de heele aarde, zelfs door de Engelschen meteere genoemd werd, na die schoone overwinning te Vlissingen aanwal stapte! Men verdrong elkander om hem te zien, en iedere Vlissinger, van groot tot klein, had een gevoel van trotschheid, alsof hij De Ruyter zelf was. De geestdrift, die er heerschte toen van de „Zeven Provinciën”1zijn Admiraalsschip, het kanongebulder verkondigde, dat hij van den valreep stapte om zich aanwal te laten brengen, was onbeschrijfelijk. Bijna verstomde het gedonder van het geschut in het geroep van: „Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!” uitgeschreeuwd tot de keel heesch werd door die wakkere zonen der Scheldestad, die al zoovelen van hare kinderen den Vaderlande had geschonken. Maar onder die allen was niet één, als hij, die daar kwam in alle nederigheid en eenvoud, met oogen die van vreugde straalden toen hij zijn geliefd Vlissingen weer zag; met oogen, die tranen druppelden, als hij dacht aan die lieve, beste, brave Moeder Alida, die al sinds lang onder de groene zoden van het kerkhof, bij de armsten der stad, voor goed te slapen was gegaan!

„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”

Wel, schreeuwt de kelen heesch, brave Zeeuwen! Wuift met doek en muts! Weent en lacht van blijdschap en trots! Ziet, daar komt hij! Daar komt hij, Neêrlands roem en vreugde, Engelands vrees en schrik! Daar stapt hij aanwal! Zijn voet drukt den geliefden grond! Hij is weer inuw midden! Op, op, nog duizenden en tienduizenden malen:

„Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!”

Zoo ontvangt Nederland zijnen grooten zoon na de schitterende overwinning, na eene bloedige zegepraal in eenen strijd, die vier dagen duurde, bevochten.

Den vierden Augustus van hetzelfde jaar, is de held weer op zee en andermaal levert hij den vijand slag.

Jan Evertsen, Tjerk Hiddes De Vries en Rudolf Coenders sneuvelen! Cornelis Tromp vecht als een leeuw, maar—op eigen hand en laat De Ruyter aan zijn lot over! Verscheidene schepen worden bijna vernield! Vele Kapiteins gaan op de vlucht en De Ruyter met zeven of acht schepen alleen gelaten, moet zich tegen de Engelsche hoofdmacht verweren.

„Ik wilde, dat ik maar dood was!” roept De Ruyter.

„Ik ook,” antwoordde de dappere Van Nes, „ik ook, Bestevaêr! Maar men sterft niet, als men wil!”

Het is of de Engelschen het er op toeleggen „de Zeven Provinciën” te vernielen! Alles dreigt te bersten en te breken.

„O, God,” roept De Ruyter, „o, God, hoe ben ik zoo ongelukkig! Is er nu onder zoovele duizenden kogels niet één, die mij wegneemt?”

„Vader,” antwoordt De Witte, Michiels schoonzoon en Officier van de mariniers, „Vader, hoe spreekt gij zoo vertwijfeld? Wilt gij sterven, laten wij dan in het midden van den vijand loopen en ons dood vechten!”

Dit antwoord brengt De Ruyter, die werkelijk een oogenblik wanhoopte, tot zichzelven en kalm zegt hij: „Gij weet niet, wat gij zegt! Als ik dàt deed, was alles verloren; maar als ik mij en deze schepen kan behouden en afbrengen, dan kan men het werk daarna hervatten!”

En hij behoudt het leven en brengt de schepen af in zulk eenen meesterlijken aftocht, dat Lodewijk de XIV, Koning van Frankrijk, vol bewondering voor den grootenzeeheld, hem daarvoor de orde van Sint Michiel vereerde, waarbij nog gevoegd werd, des Konings beeltenis rijk met goud en edelgesteenten versierd.

Maar hooger eer dan ridderorde en vorsten-portret, ontving hij door de pen van den Engelschen schrijver Hume, die schreef: „De Ruyter heeft dezen aftocht met zooveel bekwaamheid volvoerd, dat hij hem niet minder tot eer verstrekt dan eene luisterrijke overwinning!”

En wie was de schuld van dien ongelukkigen uitslag? Tromp, die de achterhoede onder zijn bevel had?

„Ja,” zeiden de vrienden van De Ruyter;—„neen,” zeiden de vrienden van Tromp.

De twist tusschen deze twee Admiraals liep zoo ver, dat Tromp van zijne betrekking ontzet werd en wel tengevolge van eene aanklacht van De Ruyter, die gelijk had, waar hij zei, dat Tromp zich niet gedragen had naar het bevel: „Vereenigd blijven!”

Het was te betreuren, dat het zóó ver ging; want al was Cornelis Tromp nu ook in dat opzicht schuldig, hij had dan toch in datzelfde gevecht met de Engelsche achterhoede eenen zwaren strijd gestreden en getoond, wat hij voor de belangen van het Vaderland over had.

Maar Cornelis Tromp was een vriend van den Prins, die nog niets in den Staat was, en gaarne, en met recht, iets wilde zijn. Deze vriendschap was in die dagen van partijschap, reeds meer dan voldoende om iemand in ongenade bij de Regeering te doen vallen. Waar wij dit zeggen, doen we het met tegenzin, omdat de Raadpensionaris Jan De Witt, die de Republiek zóó machtig maakte, werkelijk zich, ten opzichte van Oranje, soms zeer kleingeestig betoonde. Diezelfde Jan De Witt, één van ziel en één van zin met Oranje, had de Nederlandsche Republiek kunnen verheffen tot eene hoogte waarop zij zich kon staande houden in lateren tijd. Het was evenwel niet zoo, en juist daardoor kreeg De Witt vijanden, die hij zichzelven bezorgde, en hetwas zijn tegenstrevende geest, die zelfs, meer dan honderd jaar later, Nederland ten val bracht.

Van den voor Nederland zoo ongunstigen afloop van dien zeeslag hadden de Engelschen, lafhartig genoeg, gebruik gemaakt om honderdveertig onzer koopvaardij-schepen in het Vlie te verbranden, en het dorpje West-Terschelling af te loopen.

Die lafhartige daad zou luisterrijk gewroken worden.

Het is de tweeëntwintigste Juni van het jaar 1667, en we bevinden ons weer, in gedachten, aanboord van „De Zeven Provinciën,” aan den mond van den Theems.

Engel De Ruyter en Jan Lievensz., beiden reeds Luitenant ter zee, en dus de leiding van den „Barren Bruinvisch” ontwassen, houden evenwel te veel van den krachtigen grijsaard om hem links te laten liggen. Zij zijn op het oogenblik met hem in gesprek en wel naar aanleiding van het betrokken gezicht des ouden mans.

„Wel, Grootvadertje, wat hapert er toch aan, dat ge vandaag zoo leelijk kijkt?” vraagt Engel.

„Och, Jonker, zwijg! Laat den ouwen maar pruttelen! Hij heeft vandaag het land!”

„Zwijgen? En waarom? Kom, zeg ons wat er aan hapert, Vader!” spreekt nu Jan.

„Nu, als ge het dan weten wilt en weten moet, het is omdat onze Tromp niet bij de vloot is! Neen, Jonker De Ruyter, loop niet weg! Vraag het uwen Vader, en ik wed dat hij zeggen zal: „Ik wilde wel om heel wat, dat Tromp me kon vergezellen! Uw Vader zelf heeft berouw over zijne drift en de Heer Tromp zou graag willen bijleggen! Ge weet toch zeker wel, dat hij den Heeren van den Staat gesmeekt heeft om toch mede te mogen gaan, al was het maar, als gewoon Kapitein! Dat heeft hij gevraagd! En wat hebben de Heeren gezegd? „Neen, gij blijft hier, en als gij het hart hebt naar de vloot te gaan, of erzelfsmaar naar te schrijven, dan zullen we dat beschouwen en straffen als muiterij!”

„Hei, hei, Grootvadertje, zouden de Heeren dat wel gezegd hebben? Weet ge dat zeker?” vroeg Engel.

„Jonker De Ruyter, mijn neus mag veranderen in eenen loefbalk, en mijne horlebeenen mogen op staanden voet zoo stijf worden als penterhaken, zoo het niet waar is. Ze hebben dat gezegd, die pennelikkers, tegen eenen man, die zijn Vaderland misschien wel duizendmaal meer lief heeft dan zij! En wie durft zeggen dat Tromp zijn Vaderland niet bemint en er geen goed en bloed voor over heeft? Wie durft dat? Ik zal hem in zijn aangezicht zeggen: „Kerel, ga in het kluisgat zitten, en laat je leugenachtige tong door het ankertouw uittrekken. Is niet Frankrijk gekomen met de schoonste aanbiedingen? En heeft hij die „Fransozische mosjeus” niet met eenen zeemansknoop zoo netjes in lij gebracht, dat ze als afgetuigde zestigers niet wisten hoe weer in volle zee te komen? Laat Meester Jan komen als hij durft en....”

„Sssst, Grootvader, en breng uzelven niet in lij. Ge weet toch dat Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten een broeder van Meester Jan is, en zich bij ons op de vloot bevindt!”

„Dat weet ik, Jonker, dat weet ik! Maar wat doet zulk een gesuikerde sinjeur bij ons aanboord? Heeft hij verstand van zeezaken? Is het geene schande voor eenen man, als uw Vader is, dat hij zoo goed als onder eenen „winkelier ter zee” staat?” riep de „Barre Bruinvisch” driftig.

„Hoor eens, Grootvader, ik beveel u te zwijgen! Ge wordt oproerig op uwen ouden dag! En wat Vader betreft, hij staat niet onder de Heeren Gecommitteerden. Hij wint alleen hun raad in en—is dan ook van de verantwoording af, onverschillig hoe de zaak een einde neemt.”

„Larie, jonker, larie! Als deze stoute tocht goed afloopt, en ze zàl goed afloopen, dan gaan de comenijs-mannen, de zakjes plakkers, de grutten-tellers met de eer strijken. Wordt er verloren dan krijgt de Admiraal de schuld. Kijk, als ikbaas was, ik nam eenen zwabber, ik joeg ze den kabeljauwskelder in, en ik zou hen naroepen: „Gaat van mijne schuit, je bederft mijne vracht! Maar, daar komt uw Vader aan, Jonker! Misschien zal hij u wel komen zeggen dat de „Barre Bruinvisch” spijkers met koppen slaat! Adjuus!”

„Hei, bootsman, blijf eens even,” riep De Ruyter, en toen hij dicht bij het groepje was, voegde hij den ouden man toe: „Hoe vandaag alweer zoo obstinaat, Vadertje?”

„Ja, Admiraal! Ik kan wild worden als ik denk, dat....”

„Dat ik daar zoo even eene heerlijke tijding ontvangen heb?”

„Is er eenig voordeel behaald, Vader?” riep Engel.

„Eenig voordeel, jongen, eenig voordeel, vraagt ge? Meer, Engel! De trotsche Engelschman heeft zulk eene gevoelige les gehad, dat hij den slag nog jaren lang voelen zal!” sprak De Ruyter met oogen, die van blijdschap straalden.

Ook Engel en Jan legden hunne vreugde duidelijk aan den dag. Alleen de oude Bootsman bleef maar even knorrig zien, ja, als men goed keek, zag men zijn gelaat steeds donkerder worden.

„En wat zegt gij er nu van, zeevadertje? Is dat geene tijding om van pure blijdschap al zijn kruit aan vreugdeschoten te verschieten?” vroeg De Ruyter, die misschien wel wist, dat Lievensz. nu juist geen kruit over had voor vreugdeschoten.

„Als u zei van pure nijdigheid, Admiraal! Het gaat zooals ik voorspeld heb!” was het knorrige antwoord.

„Wat voorspeld, Lievensz.?” vroeg De Ruyter.

„Dat zulk een kruidenier met de eer gaat strijken! Kijk, ik zou liever mijne vuist van nijd opeten, eer ik onder landrotten wilde staan!”

„Maar, man, bedaar toch wat! Wie is die kruidenier en wie zijn die landrotten?” vroeg De Ruyter op wat minder vriendelijken toon dan hij gewoon was.

„Dat is die Gecommitteerde op onze vloot! Dat die kerelpakjes suiker afwege en vanboord blijve. Hij heeft net zooveel verstand van de zeevaart als eene koe van het kerkorgel,” riep Lievensz. op bitteren toon.

„Lievensz., ik heet u te zwijgen, man! Ik weet dat ge eerlijk zijt, en het zegt, zooals ge dat meent. Maar als ik er geene oneer in zie met eenen man, als Cornelis De Witt, over de zaken te raadplegen, dan voegt het niemand, die minder is dan ik, hierover zich uit te laten, alsof de heele wereld in vier kanten in brand gestoken is. Straffen zal ik u ditmaal niet, doch als ge andermaal zoo spraakt, zou ik het niet mogen nalaten. Dat is rebellie, zeevadertje!”

„Zou Michiel mij straffen kunnen?” vroeg Lievensz. eenigszins geraakt, „mij straffen, omdat ik woedend word, als ik zie, dat winkeliers Stadhouders wegpoetsen om zelf voor Prins en Stadhoudertje te kunnen spelen, en dan op hoogen toon bevelen geven aan mannen, die hen wel uit de mouw kunnen schudden? De Republiek heeft tegenwoordig eenen wonder-stadhouder, die wel tien of twintig lichamen heeft, maar het zijn, eilaci, lichaampjes van krenten en rozijnen.”

De Ruyter fronste het voorhoofd. Misschien echter bedacht hij wel, dat hij toch ook wel wat pijnlijks gevoeld en getoond had, toen hij onder Cornelis De Witt moest staan, en ten aanzien van het scheepsvolk de minste zijn, waar hij verreweg de meeste was. Minder hard luidde dan ook zijn antwoord tot Lievensz.: „Het zou mij leed doen, zoo ik verplicht ware u straf te geven, oude vriend, maar doen, zeker en gewis! En als gij nu niet al mijne rechtmatige vreugde wilt bederven, denk dan wat ge wil, maar laat die gedachten niet over de lippen komen.”

Lievensz. keek zijn voormalig zeekind diep in de oogen en zeide toen: „Het baat u niet, dat gij u in barre woorden uitlaat, Michiel! Ik ken u te goed. Gij denkt als ik, maar terwille van het Vaderland laat gij u vernederen. Dat is ook een heldenstuk, Admiraal, zooals door weinigen geleverd kan worden. Ik zal zwijgen en—ik zal trachten eenheld te zijn als Luitenant-Admiraal De Ruyter er een is.”

„Ik wist wel, dat mijn zeevader kon gehoorzamen,” zeide De Ruyter en gaf hem de hand, die door den „Barren Bruinvisch” met eenen traan in het oog gedrukt werd.

Wat die handdruk beduidde wisten die twee maar.

Zoodra Lievensz. vertrokken was, vertelde De Ruyter aan Engel en zijnen vriend Jan welke daden er reeds door het vooruit gezonden smaldeel onder Van Ghent verricht waren.

1Het Admiraalsschip van De Ruyter was een der schoonste schepen onzer vloot, telde tachtig stukken geschut en had eene lengte van ruim 51, eene breedte van 13,5 en een diepgang van bijna 5 Meters. Wilde men zeggen, dat het voor een zeegevecht behoorlijk van kruit voorzien was, dan had men daartoe niet minder dan 44 duizend pond noodig. Dit schip, dat door onzen grooten zeeheld eene eigene geschiedenis verkregen heeft, werd in 1694 voor sleet, dat is voor afbraak, verkocht en—zelfs in het rijks-museum is er geen splintertje te vinden van het beroemde vaartuig, dat Nederlands glorie ter zee op alle wateren ronddroeg. Het is wel jammer. In den beroemden tocht naar Chattam had De Ruyter aanboord van dit schip ruim 450 man.↑

1Het Admiraalsschip van De Ruyter was een der schoonste schepen onzer vloot, telde tachtig stukken geschut en had eene lengte van ruim 51, eene breedte van 13,5 en een diepgang van bijna 5 Meters. Wilde men zeggen, dat het voor een zeegevecht behoorlijk van kruit voorzien was, dan had men daartoe niet minder dan 44 duizend pond noodig. Dit schip, dat door onzen grooten zeeheld eene eigene geschiedenis verkregen heeft, werd in 1694 voor sleet, dat is voor afbraak, verkocht en—zelfs in het rijks-museum is er geen splintertje te vinden van het beroemde vaartuig, dat Nederlands glorie ter zee op alle wateren ronddroeg. Het is wel jammer. In den beroemden tocht naar Chattam had De Ruyter aanboord van dit schip ruim 450 man.↑

1Het Admiraalsschip van De Ruyter was een der schoonste schepen onzer vloot, telde tachtig stukken geschut en had eene lengte van ruim 51, eene breedte van 13,5 en een diepgang van bijna 5 Meters. Wilde men zeggen, dat het voor een zeegevecht behoorlijk van kruit voorzien was, dan had men daartoe niet minder dan 44 duizend pond noodig. Dit schip, dat door onzen grooten zeeheld eene eigene geschiedenis verkregen heeft, werd in 1694 voor sleet, dat is voor afbraak, verkocht en—zelfs in het rijks-museum is er geen splintertje te vinden van het beroemde vaartuig, dat Nederlands glorie ter zee op alle wateren ronddroeg. Het is wel jammer. In den beroemden tocht naar Chattam had De Ruyter aanboord van dit schip ruim 450 man.↑


Back to IndexNext