[3]Vroeger om gelijke reden de stad uitgezet.
[3]Vroeger om gelijke reden de stad uitgezet.
En geen Monarch zoo gauZijn heir brengt op de been, als wij het woeste graauKalchas in VondelsPalamedes.
Welig opgeschoten onder de broeiende hitte van het steeds opwekkende woord was het zaad rijkelijk voortgewassen en droeg weder vruchten tienvoud en honderdvoud. Wat in de eerste jaren van 1600 een strijd was geweest tusschen twee theologen, maar toen althans (voordat hij zich over hunne leerlingen ging uitstrekken) binnen de wetenschap bleef, was allengs van alle zijden in het leven ingedrongen en was ook onder het volk geraakt met zijn nasleep van verblinden hartstocht en woeste driften.
Evenals in het algemeen deze twist dier eeuw geen zuiver theologische bleef, maar tevens een staatkundige was geworden, was dat ook onder het volk. De handhaving van de ware religie was altijd de hefboom, en de meest blootliggende reden, maar daaronder school voor de groote heeren, de burgers en het gepeupel, naar ieders aard, een wereldscher inzicht. Het volk had natuurlijk evenveel begrip van de stadhouderlijke en staatsche politiek, als van Drebbels toen pas uitgevonden pepetuum mobile: maar dat groote gemoedsleven, door geen verstandsleven verlicht, wordt zoo gemakkelijk in beroering gebracht door eenige woorden, die het nauw begrijpt. Vandaar dat er altijd zooveel gezeten burgers gevonden werden onder het muitende gepeupel, dat alleen troebel water verlangde.
In eene der achterstraten in den omtrek van het noordelijk deel der Prinsegracht, was eene herberg,het Moriaentjegenaamd naar een beeldje, dat boven den luifel als uithangbord uitstak, en dat met de traditioneel—nationale kenteekenen van zijn ras, zwarte bloote beenen en armen, een koolzwart gezicht met dikke, roode lippen, veel wit in de verbaasde oogen en een vederbos op het hoofd, was uitgedost. Deze personage, zoo hij eenmaal in zijn vaderland gruwelen gezien had, zag er thans niet minder, want zijn waard en meester kon zich beroemen het beste bier en den besten sterken drank te schenken (welk een sarcastisch woord is datschenken!) aan het slechtste gespuis, dat er toen in Amsterdam te vinden was.
Het Moriaentje was tegenwoordig eene politieke club; daar kwamen nu gewoonlijk, behalve al die heidenen, die eene groote stad in de kelders en zolders harer stegen bewaart, ook nog de helden en staatslui van de kan en de kroes, en die ontevredenen, die zich van de troebelen iets beloofden.
Onder die groepen, op de bierbank gezeten, was er eene van de anderen eenigszins onderscheiden; te zeggen, dat die drie mannen van beter gehalte waren dan de rest, is wellicht te gunstig gesproken; misschien waren zij nog slechter dan de overigen, omdat zij beter hadden kunnen zijn.
De een zag er half als een krijgsman, half als een burger uit; de breede groef dwars over zijn bruin gezicht had hij zeker niet door de kan of het mesje, maar op eerlijker wijze, wellicht onder Maurits in het open veld opgeloopen; eenige zorg aan baard en knevel besteed, en een platte, vrij zindelijke halskraag toonden, dat hij niet tot het laagste gemeen behoorde. Half vrijbuiter, zooals de toenmalige soldaat was, kon hij zich nu buiten dienst moeielijk rustig houden; even dapper als hij dronk, schonk hij van het krasse bier aan zijne kameraads, waarvan de een, een klein gezet kereltje, met een burgerlijk rood gezicht, en de dichte kroeze door eene muts met eene haneveer gedekt, reeds vrij opgewonden was. De derde had eene soort van deftigheid over zich, daaruit voortspruitende, dat hij de geleerde van de bent was, en de man ijverig in het besturen van geheime bijeenkomsten, in het opstellen en doen onderteekenen van petities en dergelijke karreweitjes.
Deze drie personen genoten in dit gezelschap eenig aanzien en zaten ook afzonderlijk. De vierde, die bij hen kwam, was een theologische geestdrijver, lang en schonkerig, een groezelig gezicht vol schaduwen, die men niet wist van waar zij kwamen, met dat leelijke soort van vel, dat nooit schoon wordt, alsof er in plaats van bloed inkt in zijne aderen zat en door het vel doorscheen.
Op het tijdstip, dat wij hen nu zien, waren de drukte en het rumoer op het hoogst gestegen. De laatst binnengekomene, met het vuile gezicht, had onder die groepen in het voorbijgaan eenige woorden gestrooid—vonken in het buskruid.
—Wat is er aan de hand? vroeg hem de eerste van de drie personen, die wij meer bijzonder beschouwden.
—Er is sprake, hoe die Arminiaansche Belialskinderen weer aan den gang zijn, antwoordde de toegesprokene, zij houden eene groote bijeenkomst van avond.
—Naar den Satan met de Arminianen! klonk het onder de menigte.
—Sint Velten schen ze! zij hebben eergisteren ook al gepreekt; zij komen van avond weer bijeen.
—Bisschop is in de stad gezien; die komt ze weer opruien.
—Waar—waar komen ze van avond?
—Bij Joris Klaaszoon. Jaagt ze uiteen!
Dat kruiste elkander uit dertig monden.
—Wat voert de magistraat uit, als hij dit niet belet bulderde onze gewezen soldaat.
—Steek me de moord! riep het driftige, kleine kereltje met de haneveer, opstaande en zijn kroes zwaaiende,—dan moeten wij er tusschen komen, als de magistraat het niet doet! Er uit mannen, jaagt het paapsche koventikel uiteen!
—Wat zou de magistraat doen? vroeg de politieke zendeling,—de magistraat is zelf Arminiaansch.
—Hoezee! klonk het, juist gesproken, leve Meester Jansen!
De geleerde voelde zich daardoor aangespoord om nog een woordje te zeggen, en hij ging, op de bank staande, eene redevoering houden.
—Wat moet er met den paapschen magistraat gedaan? Hem dwingen, de goeden te beschermen tegen de Arminiaansche scheurmakers—of anders hem zelf wegjagen....
—Er is geen heil meer, bromde de sombere stem van het vuile gezicht er tusschen, dan voor libertijnen en ongodisten; "Maranatha!"
—Weet gij wat het drijven der regeering is? sprak de andere door. Zij heulen met den Spanjaard, om het volk weer paapsch te maken; daarom willen zij den prins ook weghebben....
—Altijd beter een prins in de verte dan burgemeesters dichtbij! riep de opgewonden kroeskop.
De redenaar gaf hem een trap om deze onvoorzichtige woorden, die het publiek, meer dan noodig was, in hun kaart liet kijken.
—Wat heb jij op den prins! riep de soldaat, uit een oud zwak, tegen zijn al te democratischen makker;—leve de oude tijd,
Toen mijnheer de PrinsGommers zijd' die boven hingTroostte met zijn stalen kling.
—Leve de stalen kling, dat is de beste bezem om ze van 't kussen te vegen!
—Wee wee, wee over de boozen, die heulen met den Satan, die het ware geloove vervolgen; zij zullen uitgeroeid worden die hoereeren met de Baälim! klonk weer de sombere tusschenzang, die zich telkens te midden van het gekrijsch der andere stemmen liet hooren.
—Houd op met dat uilengekras! riep de woelige en verhitte kroeskop tegen den viezen boetprediker, die hem bijzonder, begon te vervelen,—houd op, dat is alles mooi en wel; maar hier zitten wij onder ons, en weten wel beter; we hebben die vroomheid niet van noode; hei, licht liever de kan eens op, hoezee! Leeg ze op den stalen bezem—kling meen ik,—hoezee! nog eens, zwarte raaf! omhoog met de kan en giet haar in je rechtzinnigen gorgel op het lange leven van alle vroolijke hanzen en de eeuwige verdoemenis van alle krassende uilen—zooals jij!
De ruwe luidruchtigheid van dezen oproermaker had een troep der aanwezigen om hem verzameld; de dweper, zooals hij daar zat, met den breedgeranden hoed, waaronder nooit de heldere zon hem in de oogen kon schijnen, somber door de vuile kleur van geheel zijn gedaante, en stokstijf door een ruggegraat, die in plaats van uit wervels uit één stuk gemaakt scheen, leverde een potsierlijke vertooning op bij den andere, die hem de kannen biers deed inzwelgen, den hoed nog dieper in de oogen sloeg en hem eindelijk omhelsde.
Terwijl de wijsheid bij de mannen in omgekeerde evenredigheid stond met het ledigen van de kannen, bracht dit tooneel niet weinig bij om de woeste opgewondenheid hooger te doen stijgen.
Wij zullen het vuur laten voortsmeulen; wij hebben nog maar den rook gezien, straks zal de vlam met lichterlaaie uitslaan.
De zon, veer de huizen in de straten reeds ondergegaan achter de woningen der overzijde, verlichtte nog de toppen der westelijke geveltoppen en verguldde de ruitjes der bovenvensters.
De burgers, die na het eind van het dagwerk, rust van den arbeid, of verademing van de warmte binnenshuis, in den koelen dampkring daar buiten zochten, en die, onder den luifel op de bank, de nieuwtjes bepraatten, welke de laatsteloopmarenofcourante novellenhadden medegedeeld over de vorderingen van den prins voor Den Bosch, maar helaas ook over de dreigende nadering van den keizerlijken en Spaanschen vijand in het land, begonnen zich weldra over ongewone beweging en rumoer te verwonderen onder eenige horden volks, die hen voorbijtrokken. Als een loopend vuur ging het al ras rond, dat het volk op de been raakte om eene Arminiaansche vergadering uiteen te drijven. Het leed dan ook niet lang of de kleine kern, die wij zich hebben zien vormen, dijde tot eene van alle zijden aanwassende volksmassa uit. Elke steeg, die zij doorkwam, leverde nieuwen aanwas, en al wat zich op straat bevond voegde zich er bij, gedreven door die onweerstaanbare kracht van aantrekking en opwinding, die elke oploop voor het volk bezit en waardoor zoovele beteren met het gespuis worden mede gesleept. Aan het eind van een paar lange straten gekomen, steeg de menigte de Prinsegracht op, en hield daar weldra stil voor een huis van vrij aanzienlijke gedaante, waar Joris Klaasz., de verdachte, woonde.
—Hier zijn de Arminianen! krijschten de stemmen, hier zijn zij ter preek!
—Er in mannen, valt aan! slaat dood! trapt de deur in! rijt luiken open!
Een aantal vuisten rammeide op deuren en vensters, terwijl men schreeuwde om den huisheer. Er verliep eenige tijd, waarna een der bovenvensters geopend werd en Joris Klaasz. de onstuimige menigte tot stilte wenkte, die zich als eene golvende watermassa beneden hem bewoog.
—Hier ben ik mannen—wat wilt gij van mij?—wat heb ik ulieden misdaan?
—Lever den Arminiaanschen prediker uit! riepen een paar stemmen.—Neen, klonk het van eene andere zijde, dat is niet genoeg, laat ons binnen—er wordt hier gepreekt—wij moeten ook wat van de mis hebben!—de deur open of je huid is er mee gemoeid!
—Gij bedriegt u, goede vrienden—men bedriegt u;—er wordt hier niet gepreekt—er is hier geen Arminiaansche vergadering.
—Dat lieg je—de deur open—of het gaat in brand!
—Welaan, dat twee of drie van u hier komen—die kunnen zien....
Een steen zwierde door de lucht en rukte, de ruit des vensters doorvliegend, den burger de muts van het hoofd. Toen sleet hij het luik, twijfelend wat te doen. Een oogenblik later stoof hij de trap af, naar de binnenkamer; grooter schrik nog, dan de aanval verwekt had, joeg hij zijne vrouw aan, toen hij het boven de schouw hangende geladen roer afnam. Hij had besloten zich te verdedigen; de luiken waren stevig, de deur was goed voorzien van klink en ketting, en hij kon het uithouden tot wellicht de schout of een korporaalschap der bezetting zou opdagen. Zoo stond hij in het voorhuis, de wakkere burger, de kogeltasch om de schouders en leunende op het lange roer, gereed den eerste, die de schendende hand aan zijn huis zou slaan, door het raam neer te schieten,—zoo stond hij als tegenover een vreemden vijand, als in een bolwerk of walgang. Doch wat hij niet zoo spoedig gewacht had gebeurde; met een langen balk door het muitende gespuis ingeramd, splinterde de deur en bezweek ten halve. Toen bemerkte hij door het half geopende paneel, dat hij weinig kans had zich tegen de woedende gezichten, die hij ontdekte, te verdedigen. Hij wierp zijn musket op den grond, want hij dacht om de zijnen; naar het achterhuis te vliegen, vrouw en kinderen den tuin in te drijven en over den muur bij een buurman te redden—dat was de oogenblikkelijke uitvoering van een kort beraad, en werd hem nog vergund door de belemmering, die de half ingevallen deur den binnendringenden aanbood.
Toen het grauw binnen was, vond het geen Arminianen, geen predikant, geen kettersche vergadering,—niets dan een verlaten huis. Het was nog bezig met de meubelen uit de ramen te werpen, blinden en vensters af te rukken, ja zelfs tot van het dak pannen en sparren naar beneden te slingeren, toen eindelijk eenig krijgsvolk aanrukte. De schout was al eens komen kijken, maar op zichzelven niets kunnende doen, weder vertrokken, en het had lang opgehouden, eer men overeengekomen was een korporaalschap musketiers van de bezetting, of wat ruiters van de wacht te doen oprukken, want zooals men eenerzijds machten had, die telkens in elkander ingrepen, was er ook somtijds weder zulk eene vrees voor de grenzen van elks gezag, dat men in het geheel niet handelde.
Zoo onze aandacht niet geheel op het huis gevestigd ware geweest, hadden wij aan den zoom der tierende volksmenigte een jongen man kunnen opmerken, die er naar scheen te kijken en tevens geheel in de beschouwing verzonken was. Die in zijn binnenste had kunnen lezen, zou er een vergeten van het gruwelijke van het feit, en eene zonderlinge soort van welgevallen in die beweging, in die koppen en figuren vol hartstochtelijke uitdrukking, in die door elkander woelende groepen hebben opgemerkt. Door een gedrang om zich heen werd hij uit zijne studie gerukt. Er was een bejaard man, reeds grijs van haren, en met een wijden tabberd met bonten zoom, als beschutting tegen de avondkoelte, gekleed, dien eenigen uit den hoop bezig waren te beleedigen. De krijschende stem van een woest wijf had geroepen:—ik ken hem, hij is ook al van 't hondje gebeten! En—een kettersch predikant, dat liep als een vuurtje rond. Men trok hem reeds bij den tabberd, toen de jonge man hem onder den arm vatte en het wijf ter zijde duwde.
—Weg! riep hij. Die man is zoo rechtzinnig als Smout—of als jij en ik, liet hij er op volgen, terwijl de knevel den sarcastischen trek om zijn mond bedekte,—op zij!
De krijschende stem... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage
Of men opzag tegen de forsche en breede gestalte, het scherpe en vaste oog, en de fiksche vuist, die uit de mouw van het wambuis stak, of dat men door een vernieuwd getier aan de zijde van het geplunderd wordende huis word afgetrokken, toen—hij zich met den linkerarm ruim baan maakte en met den rechter—den andere medevoerde, zeker was er niemand, die zich daartegen kantte.
—Gij hebt een goed werk gedaan, God loone u! zeide de oudste, onder het voortgaan, kent ge mij?
—Neen, was het antwoord.
—Ik heet Sylvius, predikant alhier. De jongeling lichtte den hoed even van het hoofd.
—Geen dank, heer Sylvius, wat ik deed is niet meer dan natuurlijk.
—Woont gij hier? Wie zijt gij?
—Ik woon niet hier—doch hoop dit met het volgende jaar te doen. Vaarwel, heer Sylvius, daar ginder ligt de schuit, ik moet naar Leiden.
—Kom bij mij, zoo gij hier wederkeert, zeg mij toch uw naam.
—Rembrandt van Rhijn, zeide de andere, de hand ten afscheid schuddende en den hoed afnemende.
Ziehier wellicht de eerste aanleiding tot hunne kennismaking: toen de schilder in 1630 zich te Amsterdam gevestigd had, leed het niet lang of hij vond bij dien predikant zijne Saskia van Uylenburgh, het zusterskind van Sylvius' vrouw.
Doch zoo wij u naar die trekschuit leidden, het was niet om er Rembrandt te zien instappen, maar om er u den weg te wijzen.
Wij moeten den 8stenJanuari van het volgende jaar, 1630, weder naar dit veer, om er weder eene trekschuit te zien afvaren. Het is nacht, maar men kan toch zien, dat er dichte groepen van nieuwsgierigen staan, die zich hierheen begeven hebben. Er wordt daaronder op velerlei wijze gedacht en gemompeld over het gebeurde.
Dat gebeurde, het was dat de kerkeraad op aanvraag der regeering geweigerd had iets tegen Smout en de zijnen te doen; dat deze nog eens bij burgemeesteren ontboden was, omdat hij, wel verre van zich in te toomen, had verkondigd vroeger algemeen gesproken te hebben, doch nu bijzonderlijk te zullen spreken, van inquisitie en persecutie had gewaagd en gezegd had: gij geveinsden werpt den balk uit uw oog, gij, die de religie onderdrukt;—het was, dat burgemeesteren weer vergeefs wachtten, dat de kerkeraad daartegen iets deed; het was eindelijk, dat burgemeesteren, met advies der vroedschap, besloten de zaak nu ten leste politiek, dat is buiten vorm van proces af te doen.
Het is ten gevolge van dit alles, dat in den nacht van 8 Januari de woelgeest, dien wij kennen, te midden van de nieuwsgierigen doorgaat, en in de schuit stapt om daarmede de stad te verlaten.
Dat hij dit zoo gedwee doet, het komt daarvan, dat de dunne draad, waaraan boven zijn hoofd het zwaard hing, gebroken was, en hij een papier in den zak draagt van dezen inhoud:
Burgemeesters ende Regheerders der Stadt Amsterdam belasten D. Adriaen Smout, om redenen, op morghen voor 't ondergaen van de Sonne, de Stadt en de Vryheydt van dien te ruimen, sonder daer weder in te komen, op pene indien hy voor de voorsz. tydt niet en vertreckt, van door den Heere Officier daer uitgeleyt te worden. Actum den Sevenden January 1630. 1630.Ter ord. van haer E.E.D. MOSTART.
Het leven is al zoo dikwijls bij een boek vergeleken, dat het mij verwondert die vergelijking zelfs in de verte nog te durven aanroeren.
Maar als het leven een boek is, dan is het een boek, dat de meeste menschen niet lezen. Men moet ook bekennen, dat vele van die boeken het lezen, ja zelfs het opensnijden nauwelijks waard zijn. De meesten kennen noch het levensboek van anderen, noch zelfs hun eigen. Dit laatste leggen zij achteloos ter zijde, of zetten het netjes ingebonden in eene pronkkast; somtijds zien zij naar den rug en titel, maar zelden in de bladen. Ik voor mij, als alle boeken, heb ik ook die levensboeken lief; het is mij een genot te bladeren zoowel in het mijne, als in dat van anderen. En als ik dan soms een prentje ontmoet, of eene plaats, die mij doet lachen of weenen, leg ik daar een vouwtje bij en laat ze wel eens aan anderen kijken.
Zoo gaat het ook nu.
Ik neem mijn levensboek van een der boekenplanken af en blader daarin. Het is een tamelijk groot boek en nauwelijks een derde is met letters gevuld. Zal de beschrijving hier gestaakt worden en zullen de overige vellen wit blijven?—Of zal het aan dit boek vergund worden, zijne geschiedenis ten einde te zien brengen?
—Weet ik het? zegt een lezer,passons outre.
Welnu, het is dan in de eerste bladen, dat mijne vingers en oogen thans dwalen, en mijn geest, daardoor geleid, doet een terugblik naar de vervlogene jaren.
Met al zijne verbazende en onnaspeurlijke verscheidenheid heeft de geschiedenis van het menschelijk hart zooveel, dat van algemeenen aard is; er is zooveel in, dat alle menschen met elkander, al is het dan in verschillende maten en schakeeringen, gemeen hebben, dat, hoe verscheiden de vormen en het bijwerk zijn van al die levenstoestanden en gemoedsontwikkelingen, hetwezendaarvan voor vele duizenden hetzelfde blijft, en vele duizenden in het leven van éénen trekken uit hun eigen leven terugvinden. Ik zal er mij daarom niet over verontschuldigen, indien ik u met mij zelven en die eerste bladen uit mijn levensboek ga bezighouden. Misschien toch ziet gij er op sommige plaatsen u zelven als in een spiegel weder, en hoe streelend en aangenaam het is, zich in een spiegel te beschouwen, bewijst de eer, waarin dat meubel bij wilden en beschaafden gehouden wordt.
Het is geen opvolgend en volledig levensverhaal, dat gij moet verwachten, het zijn slechts bladen, die ik u laat kijken, zooals zij, een voor een of bij meerdere te gelijk omgeslagen, zich aan ons voordoen. Hoe zou ik ze u ook alle kunnen laten lezen? De eerste bladzijden zijn maar met hanepooten gevuld, van de overige zijn er daar de inktkoker over is gevallen, sommige zijn er uit gescheurd; ook zijn er, die ik getracht heb uit te wisschen, maar die telkens weer opkomen, als een oude vlek op een kleed; andere weder zijn te zeer in overstelpend geluk en verheffing geschreven, om niet bespot te worden in de dagelijksche wereld, want het staat zoo dom, gevoel te hebben, en het is alleronfatsoenlijkst het te toonen. Ook zijn er, die nauwelijks leesbaar zijn, omdat zij in duisternis of op reis, of op mijne knie, of in het geheel niet geschreven werden.
Stelt u voor, dat ik in dat dikke boek zit te bladeren, en u de bladen voorlees, als ik ze bij een of twee, drie, vier en meer te gelijk omsla.... Gij krijgt daardoor als eene bloemlezing uit het boek: Het is waar, gij krijgt op die wijze nietalleste weten, maar....
Deze manier heeft het groote voordeel, dat de nieuwsgierigheid wel geprikkeld, maar niet oververzadigd wordt.
En vervolgens heb ik zoodoende eene waarschuwing van Voltaire in acht genomen:
Le secret d'être ennuyeux c'est de tout dire.
Ik heb vóór mijne geboorte zoo ontzettend veel beweging en opschudding gemaakt in de wereld, dat ik er bijna aan wanhoop, ooit meer zoo gewichtig op deze aarde te zullen worden, als toen ik er nog niet op was. Op die wijze en met de jarensempre crescendovoortgaande, had ik op zijn minst een schok en omkeering als Mohammed, Alexander, Napoleon, Karel de Groote, Luther, Confucius of de typographie moeten teweegbrengen.
Waarlijk het eerste woord, dat ik kon spreken, had wel een woord van verontschuldiging mogen zijn aan al de lieden, die ik zoo in beweging gehouden en naar mijne pijpen heb laten dansen.
Zoo heb ik maanden lang mijne gansche familie in rep en roer gebracht; tantes en nichten aan het werk gesteld; betreffende het peterschap de moeilijkste strijdvragen veroorzaakt; de medische faculteit en het gilde der bakers onder de wapenen gebracht; een tal van nieuwe goederen en meubelstukken te mijnen behoeve doen aanschaffen; en nu zal ik maar zwijgen van al de physische en metaphysische redeneeringen, waartoe ik aanleiding gaf, door vrouwelijke deskundigen met mijne moeder of onder elkaar over mij gehouden, over het vraagstuk of ik een meisje zou zijn dan wel een jongen, en dergelijke.
Het geheele huis werd het onderstboven gekeerd, geen kamer bijna, die hare oorspronkelijke bestemming of schikking behield; ja, op het laatst heb ik zelfs mijn vader, om voor een vreemde persoon plaats te maken, gejaagd uit het bed, waar hij volgens burgerlijk en natuurlijk recht, ja, volgens Indisch, Mohammedaansch, Egyptisch, Israëlietisch, Hottentotsch, Kaffersch, Kamschatdaalsch, Mongoolsch, Hunsch, Romeinsch, middeleeuwsch en nieuw recht, de bevoegdheid had, zijn hoofd ter ruste te leggen, en naar eene akelige, holle kamer aan het eind, van het huis gezonden om daar alleen te slapen en te peinzen over de gezelligheid van den huwelijken staat. Maar alsof dit alles nog niet genoeg ware—er was geen tak van menschelijke kennis en wetenschap, dien ik, ofschoon nog ongeboren, niet in werking bracht; het waren genealogische nasporingen en onderzoekingen voor het bepalen van mijne namen, het was opvoedkundige geleerdheid door mijne moeder te bestudeeren, burgerlijk recht en usantiën in acht te nemen en letterkunde voor de advertentiën en de brieven, alle mogelijke en al of niet te voorziene gevallen derars medicate bepeinzen; metaphysische, phychologische (de odontologische kwamen er naderhand ook nog bij) incidenten, te behandelen; ja, eindelijk deed ik zelfs chronographische en astronomische quaestiën, en daarbij de systema's van Julius Caesar en Sosigenes, van Gregorius XIII en Ludovico Lilio weer wakker worden, doordat ik ter wereld kwam in een schrikkeljaar, op den 29stenFebruari.
Wat eene geleerdheid voor een kind, dat nog niet geboren is! en wat is Baco, hierbij vergeleken; Baco, die alle takken van menschelijke wijsheid omvatte!
Ik zou haast vergeten te melden, dat ik mijn vader in gevaar bracht eene lastige boete te beloopen, daar hij bijna vergat mij bij den burgerlijken stand aan te geven.
—Te duivel! zei dokter Vijzel, toen ik geboren was, het deksel zijner snuifdoos met kracht toeslaande,—door welke daad hij aan zijne redenen klem placht bij te zetten,—het verwondert mij niet, dat het kind niemand durft aanzien, en wel mag het zich schamen negen maanden lang zooveel opschudding gemaakt te hebben!
—Atsjiaaaah! zeide ik, zoodra ik ter wereld kwam. Het is allerbelangrijkst te weten, wat bij het binnentreden in dit ondermaansche de meeningen, gewaarwordingen en gezegden der menschen geweest zijn, omdat dit de eenige gelegenheid is, waarbij zij een onpartijdig oordeel kunnen vellen en den juisten indruk mededeelen, dien de wereld op hen maakt!
Later komen vooroordeel, gewoonten, partijzucht, systeem en allerlei andere agentia dit oordeel verwarren of vermommen; maar die eerste kreet is het onvervalschte gevoelen van den nieuweling.
De geschiedenis en de overlevering, die altijd grillig zijn in hetgeen zij mededeelen en verzwijgen, hebben dit slechts van enkelen bekendgemaakt.
Van Gargantua vertellen zij, dat bij zijne komst ter wereld zijn eerste kreet was:à boire, à boire, à boire!
Zoroaster barstte terstond in lachen uit.
Bilderdijk begon met zijne baker in haar mond te....
Van de Grieksche kinderen is het bekend, dat zij al dadelijkμη, μη, μη, riepen, dat is: neen, neen, neen!
Ik ben blijde, dat de overlevering van mij heeft medegedeeld, dat ik mijn allereerste verschijnen niesde en atsjiaaaah! zeide.
Wij kunnen hieruit opmaken, dat de wereld zich aan Gargantua voordeed als zeer zintuigprikkelend. Aan Zoroasters geest schijnt zij zich als iets ijdels en bespottelijks vertoond te hebben, terwijl Bilderdijk het al dadelijk een eerste vereischte in de wereld scheen te vinden, den menschen, al was het dan ook niet op de zachtste en aangenaamste wijze, den mond te stoppen.
Wat de Grieksche kinderen aangaat, het is duidelijk, dat zij door hunne negatieve uitdrukking een tegenwicht wilden geven aan het positieve, dat zij er te veel in vonden. Het oordeel over de wereld, dat in mijne ontboezeming lag....
Maar als ik nu al dadelijk ging meedeelen, wat mijn oordeel over de wereld was, wie zou de moeite nemen de volgende bladen te lezen?
Evenals alle merkwaardige mannen, die hunne levensbeschrijving gemaakt hebben, ben ook ik eerst geboren en klein geweest. Het is zeer streelend, alzoo drie dingen met merkwaardige mannen gemeen te hebben, en ik maak hieruit op—er worden dagelijks wel zottere gevolgtrekkingen gemaakt—dat ik dus ook een merkwaardig man ben. En mocht er iemand zijn, die mij dit zou willen tegenspreken—welnu dan betuig ik, dat ik van plan ben, het zeer spoedig te worden.
Met dit te zeggen, wil ik al dadelijk toonen, dat ik ook versierd ben—enkele oude kniesooren zouden zeggenbesmet—met die prijzenswaardige oprechtheid en dat gevoel van eigenwaarde, welke de menschen bezielen en waarmede zij, aan hunne eigene bekwaamheden en uitstekendheid de verschuldigde hulde doende,—omdat niemand anders dit doet, zeggen weer de oude kniesooren—niet nalaten zich openlijk aan te prijzen,—als koopwaar, zouden de kniesooren al weder aanmerken.
En ik ben ook verplicht, de lezers dezer bladen hieromtrent dadelijk gerust te stellen, want waarom zouden zij zich bezighouden met iemand, van wien zij vooruit wisten, dat hij niet merkwaardig is?
Mijnheer Tjilp en dokter Vijzel hebben ook altijd gezegd, dat er veel in mij zat.
Nu zullen misschien menschen, die mijnheer Tjilp en dokter Vijzel niet eens kennen, zeggen, dat dit niets bewijst; of menschen, die mijnheer Tjilp en dokter Vijzel wel kennen, beweren, dat het van den eerste goedaardige beleefdheid en van den ander een grillig idee was—want dokter Vijzel zat vol grillige ideeën. Maar ik geef u de verzekering, dat mijnheer Tjilp en dokter Vijzel de waarheid spreken.
—Neen, die eigenwaan is al te erg, zei mijnheer Tjilp....
Mijnheer Tjilp—een vriend van mij, waarde lezer! Ik heb de eer, hem u voor te stellen. Onder ons gezegd, ik durf bij u maar half met hem voor den dag komen, want hij is volstrekt geen merkwaardig man, en hij is mijn nederige onderwijzer op de viool,—en, en ... hij ziet er soms maar heel raar en kaal in de kleeren uit.
—Waarom te erg? vroeg ik, hem dit blad voorgelezen hebbende.
—Neen jongen! neen, zei de man zich ergerende, het is niet goed, wees nederig....
—Mijnheer Tjilp....
—Neen, jongen! laat het anderen over ons te prijzen, als er iets te prijzen valt; die van zichzelven met zooveel eigenwaan spreekt, is een gek, zeg ik....
—Mijnheer Tjilp....
—Is een, gek, zeg ik, men moet....
Maar terwijl ik het uitschater om het zottequiproquo, waarbij mijnheer Tjilp zichzelf voor een gek verklaarde, houdt mijnheer Tjilp voet bij stuk.
—Men moet....
—Mijnheer Tjilp, zei ik, eindelijk aan het woord komende, en hem met een knipoog wenkende:—gij weet immers, dat men de waar koopt naar het uithangbord; als het uithangbord nederig is, gelooft men, dat de waar niet deugt: er moeten trompetten en vlaggen bij, men moet uitroepen met prijzenswaardige oprechtheid: ik ben de man, die het land zal redden! ik ben een groot dichter! ik ben een uitstekend humorist! ik ben verbazend geleerd! ik ben een hoogst merkwaardig man!—Het is waar, gij kunt dat ook laten, maar zonder dattrumpetting oneself, is er ook geen sterveling, die u voor een groot dichter, een verbazend geleerde, een hoogst merkwaardig man zal houden; en daarom ... u begrijpt mij?
Mijnheer Tjilp schudde toch bedenkelijk en ontevreden het hoofd.
Maar om tot mijn begin terug te komen,—ik ben dan eens geboren en eens klein geweest.
Wanneer ik geboren werd doet er niet toe; hoe klein ik was, weet ik niet. Behalve dit, weet ik weinig uit mijne piepjonge jaren mede te deelen, dan twee, door bakerstraditie, in de familie bewaard gebleven voorvallen.
Het eerste was, dat ik eens eene kapel voorbij het venster ziende fladderen, het glas in stukken sloeg om het mooie beest te vangen.
Het tweede gebeurde, toen, op een avond in onze woonkamer, mijn vader met eene menigte boeken voor zich zat, en mijne moeder naast hem met een kind op haar schoot, voor wiens hoofd zij eene muts gereed hield. Zij streek met de hand door de witte, zijdeachtige haren van het kind.
—Het is verwonderlijk, zeide zij, eene opmerking willende beginnen over de haren van het kind.
—Ja, het is verwonderlijk, viel haar man haar in de rede, die lang—met afgetrokkenheid het kind had zitten aanstaren,—het is verwonderlijk, als men bedenkt, wat al ontwikkeling dat kleine hoofd moet ondergaan! Verbazend, als men bedenkt, wat dat kleine hoofd zal moeten opnemen en bevatten van dien ontzettenden voorraad van wijsheid, dien de menschen in boeken hebben neergelegd! Begrijpt gij iets van de elasticiteit der hersenen?
—Ik geloof, dat het beste is, de keelbandjes wat ruimer te make dan zal de muts er niet aan hinderen, zeide mevrouw Van N.——
Krak zei de pijp van mijnheer Van N.—— toen door het plotseling afbreken van den draad zijner gedachten, de schok, die de werking der hersenen deed ophouden, zich van daar langs de spieren van den hals, den schouder, den arm en de handpalm verbreidde, door de vingerspieren de vingers zich om den dunnen steel deed samentrekken en eene gelijke werking, als in het spiritueele had plaats gehad, overbracht op het stoffelijke.
—Wat al gedachten, zei mijnheer Van N.—— eene nieuwe pijp genomen en den afgebroken draad weder opgevat hebbende,—wat al gedachten dringen zich op bij de beschouwing van kinderen! Belangrijke kiemen, die eene ontzettende som van nog verborgen en sluimerende krachten inhouden, waardoor al wat op of in de aarde is zal bewogen worden! Kind, verwonderlijke microcosmos, klein wicht, wat zult gij worden?
—Ingeënt zal hij worden, zeide mevrouw, morgen zal hij ingeënt worden.
Op dit oogenblik—de overleveringen zijn daaromtrent eenstemmig—schoof ik zeer kalm een schoteltje met eten, dat voor mij stond, met den eenen arm van de tafel af, en, terwijl er op het rinkelende geluid der gevallen scherven, bij mijn mond eene spierbeweging plaats greep, die mijne beleefde vrienden een lach noemden en waarvoor zij het geheele schoteltje vergaten, word ik gezegd met de andere hand den glimmenden heel—lederen band van een naast mijn vader liggenden kwartijn gestreeld te hebben, daarbij zeer duidelijk "da" zeggende.
Dat dit woord "da" in de kindertaal beteekent: "Ik wil dat boek hebben", daaromtrent is noch toen, noch nu, in mijne familie eenige twijfel geweest. Het was bij deze gelegenheid, dat mijnheer Tjilp en dokter Vijzel zeiden, dat er veel in mij zat, en dat mijn vader, voorspellende, dat ik aanleg had voor geleerdheid, mij het boek toeschoof, en, de kap der lamp wat doende zakken, omdat er iets prikkelde in zijn oog, mij kuste.
Of reeds op zulk een vroeg tijdstip, als hier vermeld is, de liefde voor boeken in mij wakker was, zal ik niet beslissen, maar zeker is het, dat eenige jaren daarna, toen ik een knaap was, de bibliotheek van mijn vader mij het genoeglijkste plekje van het geheele huis was.
De bibliotheek van mijn vader was de wonderlijkste kamer in het huis. Zij was een groot vierkant vertrek, dat zulk eene onbegrijpelijke hardnekkigheid had van nooit recht netjes opgeredderd te kunnen of te willen worden, dat het de wanhoop van mevrouw Van N.—— uitmaakte. Er is een tooververhaal, waarin een boek voorkomt, waarvan de bladen, hoe dikwijls er uit gescheurd, met verdubbelde kracht en in ontelbare menigte telkens aangroeien; eene dergelijke kracht moet die kamer bezeten hebben; want hoe ook schoongemaakt en opgeredderd, binnen een halven dag was alles weer overhoop en vol met papieren en boeken: het scheen eene ongeneeslijke kwaal van die kamer te zijn.
De bibliotheek was een groot vierkant vertrek op den tuin uitziende: een zware iepeboom, die vlak voor de ramen stond, maakte, dat maat weinig van het zonlicht de vensters kon bereiken, en daar worden dan nog die enkele lichtstralen, nadat zij zich door de dichte bladeren heen een weg hadden gebaand, door de ontelbare latjes der kleine ruiten zeer bemoeilijkt in het binnentreden.
Het was er bij gevolg niet altijd licht genoeg om in den versten hoek te kunnen zien, en er school dus in die hoeken eene zekere geheimzinnigheid, die maar zelden door licht werd opgeheven. Door den zonderlingen smaak van een vroegeren eigenaar, was de verf van beschotten en zolderingen een vaal steenrood. Er hingen enkele portretten, die mijne moeder te leelijk of te vuil vond om ze bij de andere in de woonkamer te gedoogen, en die, sinds jaren aan die schemering gewoon, zeker pijnlijk met de oogen geknipt zouden hebben, als zij opeens in het volle daglicht waren geplaatst. Verder waren de wanden, voor zoover er plaats was tusschen en boven de kasten, met eenige schilderijen en gegraveerde af beeldingen van beroemde personen behangen, wier koppen voor mensch- en zielkundige studie belangrijk waren. In het midden stond eene groote tafel met platen en kaarten en oudheden, daar achter eene aard- en hemelglobe, boven de kasten pleisterafgietsels van beroemde antieken, bij de ramen een paar oude met groen laken bekleede schrijftafels, met duizenden papieren en boeken overdekt, en in de rondte was alles verder boeken, boeken, boeken.
Het was duidelijk, dat de bewoner iemand was van veelzijdige studie en onderzoek, wienomne quod ad humanitatem pertinetbelang inboezemde. Het was ook bij den eersten aanblik van deze kamer zichtbaar, dat de heer Van Nijwoude een man was, die weinig hield van uiterlijken sier, maar gehecht aan het oude en eenvoudige. Hij beminde zijne oude meubelen, deels omdat zij hem lang gediend hadden en hij met hen oud was geworden, deels omdat zij herinneringen aan zich hadden van zijn gansche leven. Die gehechtheid strekte zich zelfs uit tot allerlei kleinigheden, of tot wat mevrouw Van Nijwoude "oude prullen en lorren" geliefde te noemen, en het was hem een weemoedig gevoel, als hij van eenig oud en dierbaar, hem gewoon geworden stuk, moest afstand doen. Ik heb zelden gezien, dat vrouwen dezen trek bezaten. Kan dit psychologisch verschijnsel misschien daaruit verklaard worden, dat de vrouw een meer practischen en minder bespiegelenden geest heeft? Dat het positieve en het tegenwoordige sterker op haar werken dan de poëzie van het verledene, en dat zij dus meer liefde heeft voor het heldere heden dan voor het schemerachtige verleden?
Hoeveel sympathie mevrouw Van Nijwoude ook met haren man gemeen had, deze neiging deelde zij volstrekt niet met hem; want zij was eene echt Hollandsche vrouw in haar zin voor helderheid en frischheid, voor bezems en sponsen, voor opredderen en netjes houden; met echt nationalen tegenzin en vijandschap tegen stof, spinnewebben en warboelen—als de bibliotheek, bij voorbeeld! Die bibliotheek noemde zij dan ook hetspinnekoppennest, en zij wenschte niets vuriger dan viermaal in het jaar met eene bende schoonmaaksters hetspinnekoppennestgewapenderhand binnen te trekken, eene overweldiging, die vroeger periodiek gelukte, maar nadat een heerlijkeBoetius de Consolatione philosophiae, a0. 1490 Daventriae per Jacobum de Breda, verleden jaar was weggeraakt, werden de schoomnaaksters geweerd, want mijnheer Van N.—— beweerde steeds, dat deze zijnBoetiushadden gestolen.
—Maar lieve man, zeide zijne echtgenoote, hoe kunt gij nu zoo praten; wat zouden zij daaraan hebben, een oud, leelijk stoffig boekje misschien, en dan Latijn: dat is immers voor die menschen zonder enige waarde.
—Oud en leelijk! En mijn vader wist niet of hij boos moest worden of bedroefd.—Oud en leelijk! dat zijn je schoonmaaksters! en Latijn—En geene waarde! een drukje van Jacobus de Breda, van 1490 Een kostbare incunabel, die honderden guldens waard is!
—Het is zonde van het geld, meende mevrouw Van N.
—Phoe! zei mijnheer Van N.——, met een geluid, dat zoowel een familietrek had van een zucht als van een verontwaardigingskreet, zette zijn hoed op en stapte de deur uit.
Voor mij was het spinnekoppennest... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage
Voor mij was het spinnekoppennest een paradijs vol geneugten: het was een lusthof, waar ik niet alleen bekende, maar telkens nieuwe bloemen en vruchten ontdekte. De profane wereld vond die kamer akelig en somber, maar voor een ingewijde—en uit instinct was ik eenigszins een ingewijde—wat eene geheimzinnigheid en poëzie in die vergadering, samengesteld uit den levenden geest van allen, die ooit op het gebied van verstand, hart en verbeelding groot waren. Het was alsof de omgeving dier duizenden boeken daar een zekeren invloed en geestelijke aantrekking uitoefende. En het was eene zonderlinge gedachte, dat die duizenden schrijvers, wier stof over de geheele aarde verspreid was, hier in eene kleine ruimte vergaderd waren in den geeste en in perkamenten of lederen banden.
Welk eene dwaasheid zou het geweest zijn, zoo die bibliotheek aan eene woelige, bedrijvige straat ware gelegen, waar ratelende karren de glazen zouden hebben doen rinkelen en de oude heeren op hunne planken doen dansen, waar de voorbijgangers den neus der materiëele werkelijkheid in dit heiligdom des geestes hadden kunnen steken. Menigen ochtend zat ik aan den voet van eene der groote kasten in de boeken te snuffelen, nu eens tot over de ooren verdiept in stoute daden of avontuurlijke reizen en ontdekkingen, dan weder, als een vlinder, op de bloemen, her- en derwaarts, van het eene boek op het andere vallende.
Die onverzadelijke dorst naarweten, die den mensch bezielt! Als kind breken wij ons speelgoed om te zien, hoe het van binnen is saamgesteld. Als knaap vragen wij aan alles,hoe? enwaarom? En het geheele leven door houdt de denkende geest niet op met vragen en zoeken.
Voor vragen en zoeken was stof genoeg in de bibliotheek. Zij bevatte verscheidene boeken, die mijn vader niet gaarne had, dat ik zag of las,—maar! die hadden niet zelden de meeste aantrekkelijkheid voor mij! en al had ik nog niet gelezen hetnitimur in vetitum semper, cupimisque negata, de waarheid van dat gezegde was toch reeds op mij toepasselijk.
Of is het wel alleen dat verlangen naar het verbodene, dat ons naar andere boeken deed grijpen dan die voor ons gemaakt waren?—Is het niet een meer samengesteld verschijnsel? Ik denk ja. Het moet een instinctmatig zoeken zijn om onze behoefte te voldoen.
Leg voor een jongen, aan de eene zijde, alle met opzet en studie voor hem geschrevene werken, en aan den anderen kant, wat ge maar wilt van werken van wetenschap, letteren of kunst, die niet met het oog op zijne behoeften geschreven zijn, en die men soms meent, dat te hoog voor hem zijn, hij zal zonder missen naar de laatste soort grijpen. Hoe komt dat?
Omdat er een verbazend, hemelsbreed verschil is tusschen een jongen, een werkelijken jongen van vleesch, been, bloed en al wat er verder bij hoort, en een jongen, zooals wij hem in boeken zien voorgesteld of men hem zich meestal verbeeld heeft. Een der gevolgen van dit verkeerd begrijpen is, dat de meeste boeken, die men voor delieve jeugdschrijft, geen doel treffen en geen vrucht dragen. Velen meenen, dat, als zij een werkje hebben, met een weinig minder grondigheid, met een weinig minder verstand, met een weinig minder kennis geschreven dan noodig zijn in een boek voor een groot mensch, en wanneer de schrijver daarbij, zich bukkende en inkrimpende tot de jeugdige vatbaarheid, zijn stijl zoo doodeenvoudig en naïef, zijn geest zoo lief en zoetsappig en zoo klein heeft gemaakt, en hij bovenop dat boek gezet heeft: "voor de lieve jeugd,"—dat zij dan al een heel lief en belangrijk boekje voor hunne kinderen hebben, waar de lieve jongens gretig op zullen vallen en uren lang zoet mee zijn.
Maar vóór alles, praat een jongen nooit van delieve jeugd. Een jongenwilnietliefzijn,wilnietliefgevonden worden, en gij kunt hem geen grooter afschuw van deugd en beminnelijkheid inboezemen, dan door hem die alszoo liefvoor te stellen. Hij wil ook niet als kind beschouwd worden, dat is zijn zwak; en in spelen en leeren vliegt zijn geest reeds vooruit in de toekomst. Hij weet en voelt zich krachtiger, wijzer, ontwikkelder dan men waant dat hij is; en omdat men dat niet telt, wordt hij zoo miskend en gegriefd. Het is somtijds alsof hij werkelijk van de toekomst, wier kiemen in hem liggen, reeds het voorgevoel heeft, alsof hij zich den man voelt, die hij worden zal; vandaar dat er vaak eene zedelijke kracht, een verstand, een gevoel boven zijne jaren bij hem aanwezig zijn, die of niet gekend of niet begrepen worden. En toch blijft hij knaap.
Dit saamgestelde en moeilijk te begrijpen wezen, waarvan de anthropologische studie nog ver van uitgeput is, vormt eene wereld op zichzelve. Eene wereld met haar eigen toestanden en verhoudingen, haar eigen gevoelens, haar eigen denkbeelden.
Vandaar dat zij door de ouderen van dagen zoo moeilijk in alles te begrijpen is. Vandaar die scheeve beoordeelingen en die boeken, zoo geheel ongeëvenredigd aan de behoeften van het jonge geslacht.
Wilt gij eene proef nemen met een van die boeken voor de lieve jeugd? Neem Van Alphen, Als ik hem nu lees, vind ik hem lief, en dikwijls treffend, maar in mijne jeugd!
Er was geen schooljongen, die niet walgde vaneerst ter belooning een kusje of twee; die geen onuitstaanbare pedanterie vond in:deez perzik gaf mijn vader mij, omdat ik vlijtig leer; of die niet volkomen partij trok voor den wakkeren vechtersbaas, die den bevreesden en wijsneuzigen pimpelneus uitschold voor eenlaffen jongen zonder moed, terwijl het in onze klasse algemeen ten hoogste werd afgekeurd, dat, in eene eerlijke vechtpartij, de wijze redeneerende mijnheer "die een krijgsman was" tusschenbeide kwam.
Al die denkbeelden waren zoo geheel anders dan die der werkelijke jongenswereld.
Is het wonder, dat ik meer hield van Sheherazade en de zeven eenoogige Calenders, van Sindbad en den vogel Roc?
In onze stad was een gymnasium, en toen ik den behoorlijken leeftijd had, ging ik daar dagelijks heen, om mij te laten volpompen met classieken nectar, benevens eenig modern toeëten.
Met eene zekere pedanterie, aan dat tijdperk eigen, werden wij, gymnasiasten, weldra groote beminnaars van de oude classici en zagen met verachting neer op alle jongens, die geen Latijn en Grieksch kenden; wij vonden het in ernst een zedelijk gebrek in iemand, geen Latijn en Grieksch te kennen.
—De classieke letterkunde, zeiden wij, is toch de ware en de schoonste! Wat is al dat nieuwe anders dan navolging? Navolging van de ongelijkbare meesterstukken der classici? Wat waren al de nieuwere te zamen, vergeleken bij Homeros alléén? Waar was de echte poëzie, de echte welsprekendheid, de echte historiekennis, zoo niet bij de oude classici! Spreekt me dan niet van de nieuwere; wij houden het bij de oude classici!
Ik moet bekennen, dat, als men ons gevraagd had:—wat is het onderscheid tusschen de ouden en nieuwen, tusschen de classici en romantieken? dat wij raar zouden opgekeken en weinig geantwoord hebben.
O tijd van krachtige opwellingen, van onberedeneerde, maar dan ook warme, gloeiende, oogenblikkelijke voorliefde en neigingen!
Thans zijn wij meer beredeneerd en veel wijzer—maar ook zooveel koeler en minder ontvankelijk! Hoe het zij, wij zullen er ons niet minder wel bij bevinden, geloof ik, indien we dien trek onzer jeugd niet al te zeer wegredeneeren en uitroeien, en wij zullen het ons niet beklagen in het leven, wanneer wijhierinjong zijn gebleven, dat er voor ons nog toewijding en oogenblikkelijke, instinctmatige voorkeur, en warme, al is het soms onberedeneerde, ingenomenheid blijven bestaan.
Er was altijd eene buitengewone beweging op straat, als wij, gelijk een levendige bijenzwerm, het gymnasiale gebouw verlieten, het oude, vervallen, vervelooze huis, dat met het trotsche opschriftPalladis Sedesprijkte. Dan braken al de door het rectorale oog in bedwang gehoudene elementen los, dan hoorde men de uitingen van elk individu; de een schold op den ouden baas, de ander luchtte zijn bedwongen levenslust in straatschenderijen; hier waren er, die spraken van wat er dien dag op school gebeurd was, over thema's, nota's, en den strijd om den voorrang en de praemia; ginds was er een bezig zijne boeken in zijn pet en de zakken van zijn broek en buis te verbergen en liep deftig als een mijnheer; de meesten stoeiden, joelden en babbelden door elkander.
Wat eene verscheidenheid van karakter en aanleg! Dat zou men niet vermoed hebben, als men ze een half uur vroeger gezien had, allen aan gelijke, met gelijksoortige inktvlekken en kerven versierde tafels en banken gezeten, allen met hetzelfde boek voor zich, allen peuterende aan denzelfden zin van Plutarchos, en dien naar denzelfden grammaticalen regel uitrafelende.
—Bah! wat was de oude weer lastig en vervelend! zei Piet.
—Waarom was je ook zoo stem! antwoordde Jan.
Zoo zijn ze, ruw maar rond. Twintig jaren later zal Jan zeggen:—Als ik de vrijheid mag nemen het op te merken, geloof ik, dat de geachte spreker daarin ongelijk had en dat zijn geheugen hem voor een oogenblik bedrogen heeft op dat punt.
—Stom? Pedante vent! zei Piet.
—Ja zeker! Jongens, is het niet stom, dat hij niet weet choriambicum asclepiadeum is?
Gelach en toestemming.
—Het is de schuld van dien ellendigen Kees, zei de persoon, die gefaald had in de eigenschappen van het choriambicum,—die heeft geklikt, dat ik in mijn boek keek.
—Geklikt? en er waren al handen aan den kraag van den ellendigen Kees, en laarzen dicht bij zijn ... eind van zijn rug, want de volksgerechtigheid is snel.
—Stil, houdt op! riepen sommigen; niet allen te gelijk! riepen eenige ouderen; eerst hooren! zeiden enkele juristen.
—Kees, is het waar?
—Ja! schreeuwde deze in zijne kwaadheid. Hij kijkt altijd in zijn boek, en hij doet altijd valsch—en dan heeft hij den naam van zoo knap, vervolgde de naijverige, kleingeestige Kees, en ik zal het van iedereen zeggen, daar ik het van zie!
Kees was algemeen gehaat en als de gelegenheid zich voordeed, barstte gewoonlijk die veete van alle kanten los. Het regende nu ook van alle zijden klappen en schoppen, en eindelijk werd hij met zijn hoofd in een emmer met water geduwd, zoodat hij er erbarmelijk uitzag. Een was er, die hem een zakdoek gaf om zich te drogen, en zoo droop de gestrafte verklikker naar huis.
Maar hiermede was de miskenner van het choriambicum niet geholpen, want de ongelukkige had door dien misgreep zijne plaats van eerste der klasse, althans voor het oogenblik, verloren. De knapsten onder ons dachten wijsgeerig genoeg om aan die denkbeeldige en niets bewijzende eer niet te veel te hechten, maar Piet was een van die jongens, die door de eerzucht en strengheid hunner vaders werden opgeprikkeld en nagereden. De arme sukkel was daardoor uitgebleekt, als dronk hij niets daneau de Javelle, en mager van de zenuwachtige inspanning van elken dag en avond. Hij was dan nu ook neergedrukt en angstig, zijne klamme vingers beefden, en zijn gejaagd gemoed zag met schrik naar het einde van het jaar. Maar een van ons, wiens vader het niet achtte, op welk nommer zijn zoon zat en welken prijs hij had, maar dien het genoeg was, dat hij een vlugge en knappe jongen was en die Piet nu over het hoofd was gesprongen, redde hem.
—Hoor eens, Piet, zeide hij naderhand onder drie of vier vertrouwden, je weet, dat mijn vader het mij nooit lastig maakt; ik beloof je, dat ik je voor zal laten en voor zal laten blijven.
Wij hebben dien trek van edelmoedige opoffering, waardoor hij zijn kameraad een half jaar van angst en kommer, en misschien eene ziekte bespaarde, altijd bewonderd. Hij stierf kort daarna, maar wij geloofden, dat hij genoeg gedaan had om den hemel te verdienen.
Eenige jaren later vloog de gonzende bijenzwerm, na hot verwerken van den Attischen honig, weer uit. Er vormde zich eene groep om een persoon heen.
—Jongens, zei deze, kijk eens wat een mooien Aulus Gellius ik gekocht heb.
—Laat zien, laat zien!
—Waar heb je dien vandaan?
Er was altijd veel belangstelling in het koopen en verkoopen van classieke auteurs, en wij redeneerden met veel geleerdheid en animo over goede en slechte edities, overElzeviers, Bipontijnen, Minellen, in usum Delphini, van goede en slechte noten, vanpontes asinorum, etc.
—Van het stalletje van Levi gekocht—voor een spotprijs.
—Het is een Elzevier.
—Heeft je vader ook Elzeviers? vroeg er een aan mij.
—Eene plank vol, zeide ik met trots: Maar toen ik daarop vertelde, dat mijn vader ook boeken had, die wel honderd jaar ouder waren dan de Elzeviers en veel kostbaarder en zeldzamer, was er eene algemeene bewondering en beloofde ik, in de vreugde van mij op mijn vader te kunnen verheffen, zulk een boek eens mede te brengen.
Den volgenden dag bracht ik een zeer ouden druk van Boetius mede, en leende dien aan een der jongens.
Zoo kwam het eigenlijk, dat de Boetius uit de bibliotheek was weggeraakt, ten gevolge waarvan de schoomnaaksters verdacht en geweerd werden, want ik durfde eerst de ware toedracht niet te bekennen, en het spinnekoppennest niet mocht worden schoongemaakt.
Zoo zitten de belangrijkste gebeurtenissen aan allerlei nietsbeduidende draden vast. De belangrijkste gebeurtenissen, zeg ik, want het schoonmaken van de bibliotheek was er eene. Geene zaak was er in huis, die met zoveel omzichtigheid moest behandeld worden, geen punt zoo teder, geen roerde zoo vele gemoedsaandoeningen, en niets, dat mijnheer Van N.—— zoo uit zijn humeur bracht.
—Vertel nog eens wat van dat portret vroeg ik eens aan mijn vader, op het afbeeldsel eener dame wijzende, dat zich bijzonder van mijne kinderlijke verbeelding had meester gemaakt.
Er hingen in onze woonkamer verscheidene familieportretten. Sommige heeren hadden roode rokken aan en bepoederde hoofden, andere harnassen; dames waren er met torenhoge kapsels, met japonnen, die veel lieten zien van hetonbeschaemde moij, waarover Huygens de dames van zijn tijd berispte, of met hooge stijve keurzen en breede kragen: sommige met fronsen, anderen met nu honderdjarigen glimlachen, die nog op het gelaat blonken, nu die lippen al lang tot stof waren vergaan en zich vermengd hadden met de aarde, waaruit de misschien distels en brandnetels, misschien bloemen hadden doen opgroeien.
Al die portretten, met gezichten, die de kenmerken hunner eeuw dragen—want wie oude portretten bestudeerd heeft, zal zien, dat elke eeuw hare eigene soort van zeden en gedachten,—al die portretten vervulden mijne jeugdige verbeelding en waren de vormen, waarin de nevelbeelden mijner phantasie zich hulden, de gestalten, waarin de personen mijner denkbeeldigen wereld zich kleedden; maar er was er, dat altijd en bij herhaling mijne aandacht zoozeer trok, als datééneportret.
Het was het beeld van eene oud-tante, waarvan de sterk sprekende trekken krachtig uit de met rocaille-krullen gesneden lijst en den donkeren achtergrond naar voren kwamen. Zij was op veertigjarigen leeftijd afgebeeld. Zij had een fier oog en vasten mond en was versierd met eene muts met oranje-wit-blauw lint en een zwart satijnen mantel met kap, gevoerd met oranjezijde.
Het stuk was breed geschilderd en met veel talent, ja met eene vonk van genie. Het waren niet alleen uitwendige trekken—die altijd enigszins gemaskerd zijn—van het gelaat, die hierop waren afgebeeld, maar het was alsof de onbekende schilder zijne penseelen in, de ziel van het oorspronkelijke had gedoopt en met de diepste verven en tinten uit haar hart het afbeeldsel vervaardigd. Met die tinten had hij de geheimste trekken van haar karakter geteekend, en die slechts licht en dun overdekt, juist even genoegzaam om de toen levenden wel te doen nadenken, doch hun geen aanstoot te geven (de schilder had in haar karakter een hevigen hartstocht ontdekt), en wel wetende, dat de tijd, de dunne verflaag afvretende, later met grootere waarheid zijn portret zou voltooien.
Wondervolle, geheimzinnige kunst! Zonder dat ik van dit alles toen reeds bewust was, bezat het portret altijd eene geheimvolle aantrekkelijkheid voor mij, en in de schemeruren na den maaltijd nam ik dikwijls de gelegenheid waar om mijn vader te ondervragen.
—Wel, antwoordde mijnheer Van Nijwoude, er was eens iemand, die zeide: ik wou, dat ik zijn kop had en er soep van kon koken! raad eens wie dat zeide....
—Natuurlijk een kok of een slager, die van een kalf of varken sprak, zei mijne moeder, want het was juist in den slachttijd en hare gedachten waren daarmede vervuld.
—Neen, zei mijnheer Van N.——, bedenkelijk het hoofd schuddende,—de kop, waarop die woorden doelden, was die van een mensch, een christenmensch, en wel van een dominee.
Ik dacht terstond aan de Kanibalen, waarvoor Robinson Crusoë, en ik met hem, eens zoo geschrikt was, en ik opperde de veronderstelling, dat het misschien een van die heeren was, die dit gezegd had.
—Neen, zei mijnheer Van N.—— weer bedenkelijk knikkende, de persoon, die deze woorden sprak, was ook een christenmensch, ja zelfs ene vrouw—het was—tante. En hij wees naar het bewuste portret.
—O, dat is het! dat is het! riep ik opeens uit, dat is dat wonderlijke en onbegrijpelijke van het gezicht! Nu weet ik eindelijk, wat het is! Vader, heeft de schilder dat geweten, heeft hij die woorden gekend?
—Heeft de schilder die woorden gekend, zei mijnheer Van N.—— mijne woorden herhalende, zooals hij gewoon was, wanneer hij iets opmerkelijks in eene vraag vond, en terwijl hij mij met de uiterste verbazing beschouwde.—Zonderlinge jongen;—heeft de schilder die woorden gekend? Zonderling, en die opmerking, die een kind maakt, is mij nog nooit in de gedachte gekomen.
—Ja, waarlijk, vervolgde hij na eenig peinzen, de schilder zal ze gekend hebben en die woorden, tot eene les voor het nageslacht, in hunne trekken hebben willen uitdrukken.
—Waarom heeft hij ze er niet onder geschreven? vroeg ik.
—Er onder geschreven? herhaalde mijnheer v. N.—— mij weder met verwondering aanziende, doch daarop glimlachende, vervolgde hij:—Wel, het is mogelijk, dat hij van plan was, die woorden als motto onder de schilderij te plaatsen, maar dat de dame dit niet heeft verkozen!
—Wel, wel! zeide mevrouw Van N.—— lachende, het is immers niet waar, wat gij daar van tante vertelt?
—Zóó waar, zeide haar echtgenoot, als het op die gelaatstrekken duidelijk te lezen staat, al heeft een kind het mij moeten wijzen.—Zij was toch eene vrouw met edele eigenschappen, maar zij sprak deze woorden onder het woeden der partijschappen, in 1795, in tijden van blinden haat: zij met haar gansche geslacht getrouw aan het toen verwijderde vorstenhuis verkleefd. Zij sprak zoo van een dominee, die, ook met hoogst laakbare heftigheid en verbittering, der andere partij was toegedaan. Het is droevig, dat haat en hartstocht op eene schoone ziel zulk eene vlek kunnen werpen, maar laten wij haar niet te hard veroordeelen; zulke tijden maken zulke menschen.
En zich weder in zijne overdenkingen terugtrekkende, prevelde mijn vader:—Of de schilder die woorden gekend zou hebben?
Wij waren nog eenigszins onder den indruk van het gehoorde, toen onze plompe boerendienstmeid, trouw als goud, met hare verweerde mahoniehouten armen, licht kwam brengen. Toen zij dit op de tafel zette, werden haar ontdaan gelaat en roode oogen zichtbaar.
—Wat is er gebeurd? vroeg moeder zacht. Zij gaf geen antwoord, en zoo het mogelijk ware, dat hare donkerroode wangen een hooger tint aannemen, zou ik zeggen, dat zij bloosde.
—Wat is er meid? herhaalde moeder zacht, en op eene aanmoedigende wijze. Geen antwoord. Zij begint te beven en een tip van het blauwe harde schort wordt opgevat en daarmede met kracht in een der oogen gewreven.
—Kind, wees voorzichtig! zei moeder, wrijf je oog niet uit! Komaan, zeg mij, wat er is gebeurd; wees niet bedeesd! Heb je je knip verloren?—of heeft Jasper je verlaten?—of—of—en mijne moeder keek ernstiger, je hebt immers niets kwaads gedaan?
—Het is—kapot, zei ze eindelijk tusschen hare snikken door, ik geloof—dat de—e kat....
—Wat! zei mijnheer v. N.—— plotseling opziende van zijn boek, wat heeft de kat weer gebroken?
Want men moet weten, dat de kat reeds het breekbare van onzen ganschen inboedel getiërceerd had.
—Het mooie glas, stotterde de beangstigde deern.
Als al de glazen van de vensters, en er zijn er vier en twintig, te gelijk waren in scherven gesprongen, had mijnheer Van N.—— niet meer kunnen schrikken dan nu.
—Bliksemsche lomperd! riep hij driftig uit, de vuist op de tafel slaande, terwijl mevrouw v. N.——naar de wankelende lamp greep; kunnen je ruwe pooten dan niets heel laten? Ik wou, dat je zelf in honderd duizend stukken was gevlogen....
De meid liep weg.
Het gebroken glas was een oude gesneden wijnroemer, dien mijn vader maar zeer zelden gebruikte en dien hij in hooge waarde hield.
Drift was, dat zagen wij aan tante, een familiegebrek. Mijnheer v. N.—— stond op, liep door de kamer, en zoo kwam hij bij het portret van tante. Hij stond stil en keek het aan. En weder in de kamer op en neder loopende, terwijl hij op zijne lippen beet, een teeken van storm en beweging in zijn binnenste, ging hij nogmaals voor tantes portret stilstaan.
Zijne vrouw zeide intusschen niets. Was het verstand of instinct?
Zeker was het gelukkig, want het lag in mijns vaders aard, dat het minste woord de goede werking zou gestoord hebben van het zedelijk proces, dat in hem plaats had.
Als naar gewoonte had hij leed over zijn driftigen uitval. Er was strijd in zijn binnenste. Onedele drift te beteugelen is een van de schoonste krachten van den veredelden mensch; maar het is zoo moeilijk, dien trap van zelfbeheersching te bereiken of altijd te betreden. Mijnheer v. N.—— ging naar het belkoord en vatte het om te trekken.
—Maar, zei schaamte en trots, moet een man als gij, verschooning vragen aan eene plompe boerendeern? Is dit niet ongehoord?
—Is zij niet evengoed een mensch als gij? zei het edeler gevoel, is de eene mensch zijn broeder- of zustermensch geene vergoeding verschuldigd voor het aangedane leed? Is de eene mensch onfeilbaar, dat hij zoo scherp kan oordeelen over den anderen?
—Maar, opperden schaamte en trots, zich verkleedende en vermommende, is het wel gepast, dat een heer verschooning vraagt aan zijne minderen, aan zijne dienstbaren? Worden hierdoor de maatschappij en hare verhoudingen niet in gevaar gebracht?
De hemel weet, wie het zou gewonnen hebben, en of niet eindelijk weer, zooals vaak gebeurt, schaamte en trots, den mensch een rad voor de oogen draaiende, hem zouden bewogen hebben, niet alleen iets verkeerds te doen, maar hem zelfs dat verkeerde als iets goeds hebben doen voorkomen.
Gelukkig kwam de meid binnen met de stukken van het gebroken glas.
—Mijnheer Van N.—— keek strak op zijn boek, hoewel ik zou willen wedden, dat de regels in een nevel voor zijne oogen dansten en geen daarvan tot zijn verstand doordrong.
De eene tip van den boezelaar der meid was geheel nat en haar eene oog bijna weggewreven; nu was zij met den anderen tip bezig het tweede oog te wrijven, alsof zij eene watervlak uit onze tafel moest boenen.
—Zóó heeft het gezeten! zeide zij snikkende en de stukken aan elkander passende.
—Kom meid! zei mijnheer Van N.——, houd maar op met wrijven—het is—niets—maar vergeef gij mij mijn drift....
De tranen schoten mijne moeder in de oogen en zij omhelsde haar man met de innigste teekenen van bewondering.
—Och! fluisterde hij even,—wij moeten niet nalaten, iets slechts weer goed te maken,... ik had immers ongelijk.
—Vader! riep ik snikkende, ik heb den Boetius weggenomen.
Jean Huarte, beroemd medicus in de 16deeeuw en schrijver van hetOnderzoek over de vatbaarheden van den menschelijken geest, heeft de ontdekking gedaan, dat droogheid of vochtigheid der hersenen de oorzaak is, dat sommige soorten van vliegen verstandig zijn en andere niet. Maar behalve deze belangrijke ontdekking en de toepassing daarvan op den mensch, heeft hij ook de middelen aangegeven om de kinderen met die vatbaarheden te procreëeren, die men verlangt.
Hoe belangrijk de eerste ontdekking is voor de veredeling van het vliegenras, dat zulks hard noodig heeft, om bij voorbeeld de onbeschaamdheid af te leggen, waarmede zij op iemands neus gaan zitten of onze schilderijen bestippelen, wil ik slechts even aanroeren. Niet minder gewichtig is de tweede ontdekking van Huarte, vooral voor het onderwijs, dat moeilijk probleem, waarover al zóóveel woorden gewisseld zijn, dat het geen wonder is, zoo zij door al dat wisselen, evenals de oude dubbeltjes, scherp zijn geworden. Gewichtig voor het onderwijs, want wanneer Huarte's regelen gevolgd worden, zal men natuurlijk met juistheid weten, welke vatbaarheid de kinderen bezitten en ze daarnaar kunnen doen onderwijzen, terwijl het alsdan te hopen is, dat men, als het groote verschil tusschen al die koppen en harten ten klaarste blijkt, ze niet meer alle aan eene zelfde behandeling zal durven onderwerpen.
Bij ons zaten nog de meest verschillende vatbaarheden jaar in jaar uit, aan juist eendere banken, naar juist eendere vooraf bepaalde regelen, een juist eenderen ontwikkelingsloop te volgen. Twee en twintig jongens zaten daar.
Als men ze één voor één trepaneerde—geen nood, dit is slechts eene metaphora, eene redefiguur, waarmede men zegt, wat men niet meent—en hunne hersenpannen als deksels oplichtte, dan zou men in die twee en twintig hersenen zien, dat de eene eigenaar vatbaarheid heeft voor de afgetrokken wetenschappen, de andere niet tot de diepte der dingen zal kunnen doordringen, maar altijd aan de oppervlakte blijven hangen; dat de eene den tact heeft van generaliseeren, de andere van analyseeren; dat er in dezen poëzie zit, in genen cijfers; dat de vermogens van dezen diep verscholen liggen en eerst bij den stoot van gunstige omstandigheden zullen opkomen, dat die van genen al vroeg en hoog zullen opgroeien, doch wel bladeren en bloempjes, maar geen vruchten zullen leveren. Men zou zien, eindelijk, dat evenals die twee en twintig jongens twee en twintig verschillende neuzen hebben, zoo ook de eigenschappen, de krachten, de behoeften der hersenen bij ieder verschillend zijn. En intusschen worden al die verschillende planten in dezelfde trekkas, aan denzelfden dampkring blootgesteld, en zit de wijze tuinman in zijn katheder en giet over allen hetzelfde vocht uit, een gietsel geschiedenis, een gietsel oude en een gietsel nieuwe taal, een gietsel logica of een gietsel prosodie.
Is het wonder, dat zoovele van die planten in het wild schieten of vergroeien of in het geheel niet opkomen?
Soms verbeeld ik mij, dat men bij ons jongens te werk ging als bij het opzetten van een apothekers—of drogistwinkel. Van alles moesten wij zoo wat in den winkel hebben, van alle markten moesten wij thuis zijn. Het was in dit stelsel natuurlijk, dat het er op aankwam van alles en zooveel mogelijk in die winkels opeen te pakken, met andere woorden, de hoofden der jongens zooveel mogelijk te vullen en te vullen. Nu is er in een jongenshoofd toch maar eene zekere ruimte. Het is waar, die, ruimte is voor uitzetting vatbaar, maar evenals er een eind is aan de rekbaarheid van elk elastiek voorwerp, is er een eind aan wat mijn vader: "de elasticiteit der hersenen" noemde.
Ware het dan niet verreweg beter....
Ik zie iemand den wijsvinger opheffen, om daarmee bedenkelijk te tikken op een der knoopen van des tegenpartij's jas, en zijne lippen zich plooien om te zeggen: "de beste stuurlui staan aan wal."
Maar mijnheer! dit is een argument misschien tegen den beoordeelaar geldende, doch niet tegen het beoordeelde feit zelf; en dit feit is, dat men te veel vult en te weinigzelf-denkenleert, te veel waarheden aanbrengt in plaats van ze vanzelve in de ziel te doen ontkiemen, dat men te veel opeenstapelt en te weinig verband en samenhang doet opmerken, dat in alles de grammatica, de regel of de vorm geleerd wordt, nergens de geest en de ziel.
Onze meesters intusschen begrepen het anders en vulden maar, vulden, vulden maar; gansche boeken met aardrijkskunde, optellingen van al de steden, van al de landen, gansche risten jaartallen en feiten (als risten uien in den winkel hangende) geregen aan chronologische, doch zelden logische draden, ontzettende massa's, woordelijk op te zeggen (of wij den inhoud en den zin kenden en begrepen, deed er niet toe), honderden veldslagen met het getal dooden en verminkten—van weerszijden: duizenden regels en voorbeelden (niet te vinden als het op de toepassing aankwam). Zoo vulden zij maar altijd door, en van alles door en achter elkaar—en ik weet niet, wat er van al de hoofden en hersenen zou geworden zijn, maar ... gelukkig, dat de reddende natuur den jongens bij de eigenschap van onthouden, ook die gegeven heeft vanvergeten.