... maar niet mijnheer Tsjilp... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage
Hoeveel cijfers en rivieren heb ik vergeten,—maar niet mijnheer Tjilp en zijne viool in de met gemarmerd papier beplakte kartonnen doos.
Mijnheer Tjilp was de persoon, die mijne jeugdige begaafdheden zou vermeerderen door mij de kunst te leeren van de viool te bespelen.
Iemand, die beweerde, dat er in het leven al wanklanken genoeg zijn, zou niet begrijpen, waarom men ze nog trachtte te vermeerderen met die, welke ik uit mijn speeltuig haalde. Maar bij wien dit ook moge zijn opgekomen, zeker nooit in het hoofd van den goeden mijnheer Tjilp, want zoo die wanklanken al in de wereld bestonden, hij was het niet, die er bittere aanmerkingen op zou maken.
Als mijnheer Tjilp dan aankwam, zijn met gemarmerd papier beplakte vioolkist in de hand dragende, gingen wij in een klein werkkamertje, dat ik had, en dan vervulde ik de lucht in huis gedurende een uur met de erbarmelijkste geluiden, die ooit door de aanraking van paardenhaar en kattendarmen kunnen veroorzaakt worden.
Ik vrees, dat mijnheer Tjilp veel heeft moeten lijden, want zijn oor was even gevoelig als zijn hart.
Later deed hij zijn best mij de fluit te leeren bespelen, maar ik kon het nooit gedaan krijgen precies in dat kleine gat te blazen, en als ik het bij herhaling beproefd had en mijne lippen in allerlei vreemde en scheeve bochten gedraaid, dan kwam er altijd een onweerstaanbare lach bij mij op, en plooide ik de lippen in een stand, volstrekt ongeschikt om te blazen. Want het is een wonderbaar bestel in de natuur, misschien een teleologisch argument, dat de mensch niet te gelijk kan lachen en op de fluit blazen. Ik scheen geen mond en vingers te bezitten, geschikt om eenig instrument te bespelen, en toch—kwam ik in eene verheffing en vervoering, zoodra ik muziek hoorde.
Dikwijls liet ik viool en fluit rusten, en speelde mijnheer Tjilp alleen en luisterde ik, en anders, vooral toen ik ouder werd, besteedden wij onzen tijd met praten.
Mijnheer Tjilp was sedert jaren een huisvriend. Bij eene bijzondere gelegenheid hadden mijnheer Van N.—en hij in elkanders hart gekeken en elkander leeren waardeeren.
Mijnheer Tjilp was een onbekend, eenvoudig man. Zijne stille wijze van zijn en handelen zou hem door de meesten onopgemerkt hebben doen voorbijgaan, of het moest wezen, dat men hem uitlachte om zijn stoutmoedig ouderwetschen rok en zijn zonderlingen hoed. Hij was een vijand van hettrumpetting oneself, en met zijne kennis te koop te loopen of zijn gevoel in het openbaar uit te stallen, waren twee hem geheel onbekende dingen. Ik vond het altijd eene wonderlijke tegenstrijdigheid, dien man, die er zelf zoo onaanzienlijk en zonderling uitzag, zoo ingenomen te zien met alles, wat tot de fijnste schoonheid behoort. Want de liefde voor het schoone was hem bijzonder eigen; het was alsof hij buitengewone organen bezat om het te genieten, en alsof die er op afgericht waren het overal op te sporen en te vinden. Of het zedelijk schoon was, of schoonheid der natuur of der kunst, wat daarvan in het leven bestond wist hij te vinden, en hij trachtte altijd die zijde der wereldsche verschijnselen in het oog te houden, die iets schoons bezat. Maar dat die wereld en hare verschijnselen vaak hiermede in pijnlijken tegenstrijd waren, behoeft nauwelijks opgemerkt te worden. Mijnheer Tjilp had er dikwijls de smartelijkste ondervinding van gehad, en dit had wel bijgedragen om bij hem die stille gevoeligheid te ontwikkelen. Maar zijn geloof aan het schoone werd daarom toch niet uitgeroeid.
—Jongen, zei hij mij meermalen, ik geloof wel, dat de menschen het leven somtijds leelijk maken, maar bestaat daarom toch het schoone niet overal? Daar hebt gij de kunst, onuitputtelijke bron van schoonheid: zie naar de lucht en de boomen, de natuur, even onuitputtelijke bron.... en in het leven, och, er moet natuurlijk in het wereldplan ook leed en boosheid voorkomen, maar waarom kunt gij niet de zonzijde zoeken in plaats van de schaduw?
—Maar, zeide ik, mijnheer Tjilp! het gebeurt toch dikwijls, dat onze zon achter de wolken is.
—Jongen, ik kan je bij ondervinding verzekeren, dat het dan toch altijd verwarmend en verheugend is, naar de zonzijde van anderen te kijken.
—Geloof me, geloof me, zeide hij mij een anderen keer, het schoon is in zijn verheven zin een der stralen van den glans van dat wezen, dat de menschen godheid noemen: zoek het, bevorder het, bemin het, want het is een van de middelen, die den mensch tot haar kunnen terugvoeren.
Hij kon soms verwonderlijk mooi spelen, mijnheer Tjilp, zoo verwonderlijk mooi, dat de meeste menschen het leelijk zouden gevonden hebben; maar zóó, dat, ik wil er om wedden, Mozart en Weber geen watten in hunne ooren zouden verlangd hebben als zij hem gehoord hadden; Zóó verwonderlijk, dat het soms net was alsof men een veel beter mensch was, soms alsof men haast lust zou hebben gehad een traan te laten glippen. Nu en dan speelde hij voor ons in den tuin, als het een warme zomeravond was, en als dan de duisternis viel, en de lucht om ons heen in eene zee van harmonie herschapen was en gelijk een zoete adem ons oor en onze ziel streelde, en de sterren opkwamen, en er telkens eene nieuwe begon te flonkeren, dan was het alsof die sterren aankwamen om te luisteren en alles scheen mij een wonderlijk betooverde wereld en mijnheer Tjilp, die zooveel schoons en liefelijks kon scheppen,—eengroot man.
En zonderling, als het licht werd aangestoken, dan was het maar een dun, oudachtig mannetje, die met zijne magere handen op eene oude vedel speelde. Dan was de betoovering gebroken. Was dan de wellust, die de, ziel genoten en de ideale kring, waarin zij eene wijle vertoefd had, ijdel en dwaas geweest? Men zou evengoed kunnen zeggen, dat de viool van mijnheer Tjilp niet bestond.
—Ik geloof, zei mijnheer Van N.—— nadenkend, ik geloof, dat er meer waarheid is dan men denkt in het oude verhaal van den speelman, die allen, waar hij kwam, met zijne viool betooverde en met hen kon doen, wat hij wilde; ik meen geen feitelijke waarheid, maar psychologische waarheid; die zijde der legende is miskend. Zoo heeft men bij zoovele zaken het feit geloochend, omdat men het bloot als een feit opvatte en niet als symbool van eene gedachte.
—Ik heb nooit sterker werking gezien van eene viool, zeide dokter Vijzel, dan in mijne jeugd: toen speelde ik ook op dat werktuig en was er eens mee bezig, toen mijn hond, wien het altijd verveelde, zoo razend werd, dat hij als een tol door de kamer draaide en eindelijk, toen hij al zijne aantrekkingskracht verspild en alleen middelpuntvliedende kracht overgehouden had, als een kogel door het vensterglas heenvloog.
Mijnheer Tjilp glimlachte en trok het zich volstrekt niet, aan.
—Dokter, zei mijnheer Van N.—— neem mij niet kwalijk, maar dat bewijst meer voor je hond dan voor je talent.
Er komt een tijd in het leven van den jeugdigen mensch, waarin het scheppend vermogen en de verbeelding levendig werkzaam worden, en waarin de zichtbare en onzichtbare wereld hooger en gloeiender tinten ontvangen van de poëzie, die blaakt in het jonge gemoed. Het is de tijd, waarvoorthere's music in all things, waarin de wolken gedaanten, de lucht stemmen, de schaduwen leven hebben, waarin alles tot de verbeelding spreekt, en de verhoogde werking van het bloed een gevoel van uitbundige kracht en levenslust geeft.
In dezen leeftijd en de stemming, die hij meebracht, kon het niet anders of het classicisme begon voor het romantisme te wijken. Wij kenden van de klassieken vooral het ernstige en deftige. Wel werden wij opmerkzaam gemaakt op het gevoel in sommige tafereelen van Homeros, op "zedelijke schoonheden" van Euripides. Maar van het Grieksche en Romeinsche gemoedsleven, van hunne hartstochten, bleef ons veel verborgen. Daarom opende zich het gevoelige hart te gretiger voor de zoet mystische poëzie der middeleeuwen. Wanneer ik dan weder: als naar gewoonte aan den voet van eene der kasten in de bibliotheek zat te lezen, was het doorgaans een boek, dat mij thans zeer aantrok. Het was eene verzameling van oude ridderromans, vol vechtende paladijnen en schoone jonkvrouwen, niet al te preutsch, en tournooien; en reuzen en wonderen, die mijne verbeelding innamen en mij als in die tijden terugtooverden.
't Weder was soete ende scone,Die sonne verbaerde an den troneJoliselike an die morghenstonde,Menich vogelyn dat begondeDaer singen met soete gelude;Bedauwet waren bome ende crudeTot dien dat die sonne op quam..............................Entie maget quam an dat foreestDaer die vogele hadden feest,Elc sanc na der nature sine,Daer stonden scone bloemkineOp dat groene velt ontploken.Die scone waren ende soete roken.
Wat eene liefelijke maagd kwam daar!
Haer voorhooft was wit ende slechtHaer neuse scone ende rechtHare winbraauwen bruin ende gebogen,Lachende waren haer die oogen;Haer mont was cleene ende niet groot,Ende hare lippen rosenroot,Die altoos stonden in die stedeAls om haar lief te cussen mede.
Zoo stond zij bij het water bloemen te plukken en te peinzen, tot zij opeens opzag en bloosde, want zij had haren lieven geselle, den sconen Rogier zien komen.
Die jonefrouwe hevet hem outfaen,Sciere is si opgestaen,Ende quam te Rogiere ter stont,Ende custene an sinen mont.....................................................
Liefelijke teedere beschrijving der zoetste min. Hoe dikwijls las ik met kloppend hart.
Vijf eeuwen zijn voorbijgegaan, sinds deze naïeve poëzie werd geschreven en gevoeld. Wereldrijken zijn vernietigd met de groote mannen daarbij behoorende, groote daden en groote plannen zijn tot stof en vergetelheid verkruimeld! Wat al verandering en ontwikkeling van beschaving en vooruitgang heeft de menschheid ondergaan! Hoevele eens warme gevoelens en gedachten zijn verkoeld en versteend! en te midden van dat alles blijft, in een ruwen perkamenten band besloten, eene dichterlijke vonk voortgloeien, om na eeuwen nog met zoeten klank het gevoelig hart te verwarmen. O zegepraal der poëzie!
Hoe was mijne aandacht gespannen, als die verschrikkelijke zwarte ridder de lieve Galiëne heeft weggeroofd en met haar voortvlucht. Maar wacht! daar ontwaart de roover in de verte een helder punt, dat flikkert in de zon als eene ster van goud; zijn geoefend oog bedriegt hem niet. Weldra ziet hij ook den grond stuiven. Vlieg, vlieg, dappere Rogier! als gij uwe Galiëne wilt redden! Ren door, sterke Gringolet, als gij uw meester intijds wilt brengen!
Helaas! een diepe en breede stroom scheidt hen nog. Onze spanning vermeerdert. Gringolet snuift en besnuffelt den oever, en eene goede plek gevonden hebbende, springt het kloeke ros in het water en zwemt het over.
Nu is Galiëne gered? Onze spanning is ten top. Rogier! Rogier! hoe kunt gij nog dralen—voort, voort! Maar neen, trillend van ongeduld en vrees, moeten wij nog eerst lezen, hoe hij afstijgt om zijn edel ros te verzorgen. Nog eerst zijn paard, zijn trouwen gezelle, gestreeld en verpleegd, en gedroogd met zijn eigen wapenrok.
En dàn kwam de vreeselijke strijd.
Rogier rijdt zijn vijand te gemoet. Dek u met uw schild, roept hij hem toe, en verdedig uw lijf! De zwarte laat zijne prooi los en stelt zich te weer.
Doe decten si sich op die wile:En vlogen noit twee pileDaer men mede sciet in bogen,So sere als si te gader vlogen,Hen waren noit ridders haer genoot,Also di twee soo sterc ende groot:Het scenen beide twee liebaerden,Ende elc sloech andren metten swaerdenVan haren helmen grote stuckenDat si op hare artsoenen bucken.Van haren slagen waren si mildeIn stucken liggen hare scilden...........................Rogier was verheuget sereEnde zeide: vrient, bi onzen HereIc wane gi zult nu ontgeldenAls u God niet langer ne spaert.Rogiere die hevet zijn swaert gehevenEnde hevet den swarten geslegenDat hi den helm altemaleCloofde ende den hoet van stale............................Doe ginc Rogier ter selver stedeDaer di Ridder lach gewontEnds dede hem den helm af en sachOf hi jegens hem spreken mag.Hi lach in onmacht van de slagen,Rogier die peinsde of hi iet sageDaer hi hem mede conde genesen.Sijns selven helm nam hi te desen,Ende liep er mede ter rivierenEnde haalde water en laefde hem sciere,Ende looc die wonde tot hi bequam.
Maar ik was te veel in strijdlust ontstoken om deze grootmoedigheid te achten.
Ha! ik greep een ouden sabel, waarmede mijn vader was uitgetrokken met de schutterij. Verroest zat hij in de scheede geklemd, eindelijk trok ik hem met geweld er uit. Ik voelde den geest van den strijdbaren ridder in mij varen, en mij op een stoel te paard zettende, kon ik niet nalaten een zestal oude folianten (het waren Grieksche werken, en daar had ik toen in mijne romantische bui een hekel aan) met hevigheid aan te vallen. Ik hakte er op in, dat zij door elkaar vlogen, ik werd hoe langer hoe meer opgewonden, ik dacht om den Razenden Roeland, om Walewein en Percheval, om Rogier—niet om Don Quijot, want ik vond dit toen eene zeer ongepaste satire. Mijn kling vloog rond, ik hakte van den aardbol een stuk van de kust van Madagascar af, ik kon het niet laten een grootengladiatorvan pleister een klap op zijn arm te geven, even maar om te beproeven, hoe hard ik wel zou kunnen slaan, voordat hij brak—maar als ik hem eens brak?—even maar, niet hard, niet te hard, maar alleen hard genoeg om hem niet te breken, tot de uiterste grens, waar de breekbaarheid begint, juist dát was zoo uitlokkend,—er is iets heerlijks, iets bedwelmends, iets onwederstaanbaar verleidelijks in het beproeven van iets, dat gevaar in heeft—zóó—nu nog één....
Het was te hard geweest, veel te hard, dat is duidelijk; lieve hemel! de arm lag er naast op den grond. Maar dat was nog weinig. De ellendige gladiator nam verliefd eene naast hem staande Venus in zijn anderen arm, sleepte haar in zijne omhelzing met zich mede en liet deze liefelijke godin, vlak voorover, plat op haar neus vallen.
Ik hoorde voetstappen de trap opkomen, had nauwelijks tijd de beelden weer recht te zetten, dengladiatormet zijn gebroken arm tegen den muur, en zijn rug gekeerd (zoo gaat het meer in de wereld) naar de schoonheid, die hij ten val had gebracht, eene schoonheid, die nu, met platgedrukten neus, eene Hottentotsche Venus geleek, en terwijl ik met angst de nadering der voetstappen, die ik voelde, dat die van mijn vader waren, afwachtte, zette ik mij weder aan het lezen.
Maar ach! Galiëne en Rogier en het gansche boek hadden op dat oogenblik hun aantrekkelijkheid verloren, en te midden van mijn angst had ik een gevoel als iemand, die zelf een schoonen droom en een ideaal heeft vernietigd, en alsof ik het dichterlijk en tooverachtig waas, dat over die figuren uit het verre verleden ligt, gescheurd en vaneengereten had.
De voetstappen naderden; wat zou ik zeggen, welke toevallige omstandigheden in het spel brengen om de vernieling te verklaren? De waarheid zeggen? Maar hoe zou ik mijn vader de geheimzinnige aantrekkelijkheid verklaren, die er in gelegen is om te beproeven, hoe hard men iets kan slaan, voordat het breekt?
Daar gaat de deur open! Gelukkig was mijn vader niet alleen; hij had een vreemden heer bij zich, en beiden waren in een druk levendig gesprek. Daar de vreemde tusschen mij en het licht van venster was, kon ik zijne gelaatstrekken niet goed onderscheiden; ik zag evenwel, dat hij weinige en witte haren had en zijne gestalte gebogen was. Een vluchtigen blik slechts had ik, toen hij binnenkwam, op hem kunnen werpen. Ik zag toen, dat hij zeer gejaagd was en zijn gelaat in zenuwachtige beweging.
Wat zijn wij toch weinig meester van onze gedachten en weinig bewust van haar oorsprong! Zonder eenige bekende reden, wekte die man, wiens gelaat ik nauwlijks gezien had, bij mij eene sterke belangstelling, en later kwam hij mij dikwijls in de gedachten niet alleen, maar begon ik ook velerlei gebeurtenissen zonder blijkbare reden met hem in verband te brengen.
Ook geschiedde er met opzicht tot hem iets, dat mij in meer zaken of toestanden wel eens gebeurd was; namelijk, dat ik mij stellig en vast verbeeldde te weten, dat ik dien man, met juist al dezelfde bijkomende omstandigheden, in dezelfde kamer, en met dezelfde gedachten nog eens in mijn leven gezien had. En toch wist ik toen, en weet ik nu zeker, dat dit onmogelijk was.
Ik begreep, dat ik weg moest gaan, en toen eerst bemerkten mijn vader en de vreemde mij. Ik ging, maar niet zonder hevige nieuwsgierigheid, want er moest wel iets zeer bijzonders en gewichtigs aan de hand zijn, dat een vreemde in het spinnekoppenhok werd toegelaten, en mijne nieuwsgierigheid verminderde niet, toen ik heengaande den vreemde met een wanhopend gebaar de handen mijns vaders zag grijpen.
Toen ik de deur gesloten had, hoorde ik, dat ook de sleutel werd omgedraaid. Ik bleef staan.
Ik moet bekennen, dat mijne nieuwsgierigheid door alles ten sterkste geprikkeld werd.
Luisteren—ik voelde, dat er iets schandelijks in was; maar de prikkel was zoo hevig—en besluiteloos bleef ik staan. Jeugdige sophismen begonnen zich op te dringen, toen ik toevallig opziende, mij zelven in een spiegel zag.
Welk een sterken indruk maakt het ontmoeten van onze eigene oogen op ons, wanneer wij kwaad broeden! Die stille geheimzinnige blik, dien dat beeld in den spiegel op ons en in onze ziel schijnt te werpen, doet ons dan huiveren. Het is alsof het beeld daar in het glas niet de weerkaatsing van ons zelven is, maar een andere persoon, een ander ik, ons beter ik, een onzer beide naturen, de betere, die op de andere, de booze, een ernstigen blik werpt.
Ai! daar heb ik mij onvoorzichtig uitgelaten! Ik sprak daar van twee naturen, van eene goede en eene booze.
Men zit elkander zoo nauw op de vingers te kijken ten opzichte van zijne theologische begrippen, ten einde elkander dadelijk op de vingers te kunnen tikken, dat het onmogelijk is, dat ik er met die twee naturen heelhuids zou afkomen. Men zou mij dadelijk voor een Brahmin, voor een leerling van Zoroaster, maar vooral voor een Manichieër uitkrijten. Ik beken daarom bijtijds, dat ik dat niet ben, en dat het waarlijk zonder erg is geweest, dat ik van eene goede en eene booze natuur gesproken heb—ik moet zelfs bekennen, doorgaans zoo weinig dit voorname punt in het oog te houden, dat het mij waarschijnlijk dikwijls gebeurd is, iemand eene hand te geven, zonder vooraf te weten, hoe hij over die twee naturen dacht; gij ziet dus, dat het bij mij onschuldige achteloosheid geweest is, en dat ik met die twee naturen niets kwaads gemeend heb.
Om tot dien spiegel terug te komen. Ik geloof, dat, als een man, die op het punt is een moord te bedrijven, zichzelven in een spiegel zag, terwijl hij het mes opheft, ik geloof, als zijne oogen in het glas dat andere oogenpaar ontmoetten, dat hij zou terugdeinzen....
Ik luisterde niet.
Gestoord in mijn rustig verblijf in het spinnekoppennest, en het hoofd vervuld met duizend dooreendwarrelende gedachten, liep ik onzen tuin in.
Onze tuin wordt van een anderen afgescheiden door eene houten schutting. Ik ben gewoon daarbovenop te paard te gaan zitten; dan houd ik mij met het een of ander bezig en scheur middelerwijl van al mijne broeken het kruis.
Het is nu kersentijd, en bij de schutting, ter plaatse, waar ik erop zit, staat een kerseboom. Ik neem het den jongen musschen en meezen zeer kwalijk, dat zij, evenals ik, veel van kersen houden, en terwijl haar snoeplust mij vertoornt, voldoe ik volop aan den mijnen. Een mensch moet ook wat voorhebben boven de dieren.
Dit is reeds eene groote vermakelijkheid en geriefelijkheid van mijne door volgeladen takken overschaduwde zitplaats. Een ander genot is, de pitten te knippen tegen de glazen van het onbewoonde buis, dat naast het onze staat.
Daar zat ik dan weer, en at eene kers en wilde juist de pit naar eene der ruiten mikken, toen ik opeens....
Ik verbeeld mij, dat de afsnijding van den zin in dit oogenblik eene te treffende en prikkelende uitwerking teweegbrengt om er geen gebruik van te maken.
Tweehonderd ellen ongeveer van de stad en aan den rijweg, stonden twee huizen met ouderwetsche gevels, waarvan een het onze was.
Het sprong in het oog, dat beide juist van dezelfde grootte, breedte en uitwendige gedaante waren. Het waren geheel en al tweelinghuizen, want er was geen raam of boog of stang of steenen figuur of schakeering van roode en witte steen, die bij beide niet juist gelijk was en beide hadden een soortgelijk stuk grond achter zich.
Het eenige onderscheid was, dat het éene van de tweelinghuizen teekenen van leven en goed onderhoud droeg, het andere geheel verlaten, gesloten en verwaarloosd bleek te zijn.
Wat was de oorsprong dier steenen tweelingen? Vreemde, dwaze geruchten liepen er over het eene, en er was eene sprook, die ik in mijne kinderjaren altijd met trillende spanning en angstig genot had gehoord, hoe daar jaren geleden een man in een klein kamertje vermoord was, en er op de planken eene roodachtige vlek lag, die geen timmerman er uit kon schaven, maar die telkens weer opkwam, en hoe na dien tijd niemand meer in het huis kon wonen of hij stierf kort daarop.
Wat hiervan ook geweest zij, het nevenhuis was sinds eene reeks van jaren onbewoond en gesloten.
Op den top van den achtergevel stond eene windvaan, dat voorwerp, dat de mensch, als eene naïeve bekentenis, ten teeken en zinnebeeld zijner rusteloosheid en veranderlijkheid boven zijne woningen opricht, als de vlag, waaronder hij vaart. Rusteloos en knarsend had zij ook boven dit huis volgens elke windstreek rondgevlogen, misschien evenals de harten van menschen, die onder dat dak gewoond hadden. Maar eindelijk had de dartele en woeste wind zijn speelgoed gebroken, zooals de kinderen der menschen doen. Gebogen en scheef hing nu de windwijzer, en onbeweeglijk was hij aan de roestige stang vastgebleven, zeker wel om hoog en wijd en zijd de waarheid te prediken, dat wie met alle winden mede wil draaien er eindelijk door geknakt wordt.
De musschen nestelden vrij in het dak met de spreeuwen, en de kraaien in de schoorsteenen, waaruit geen opstijgende rook meer deed denken aan den huiselijken haard en de warmte der huiselijke genegenheden. Gansche geslachtsreeksen van zwaluwen hadden in de goten het eerste levenslicht ontvangen, en een wild en weelderig groeiende wingerd liet, als een zinnebeeld van verlatenheid, zijne ranken, in de grootste verwarring door elkander gestrengeld, langs een gedeelte van den achtergevel en over de geslotene en vervelooze luiken afhangen.
De tuin achter het huis was even woest als het overige, het gras groeide voeten hoog te gelijk met eene uitgelezene verzameling van onkruid. Al de boomen en heesters hadden in broederlijke toegenegenheid hunne takken in elkander gestrengeld, als tot eene les aan den mensch, dat, wanneer deze er de hand en het houweel niet in had, zij in liefderijke toenadering en omhelzing voort zouden leven. Het zou even moeilijk geweest zijn, er pad of weg te vinden als in de onbegane prairiën van Amerika of sommige grammatica's.
Het eenige, wat liefelijk scheen in deze woestenij, was de groote menigte rozen, die er in weelderigen overvloed en in dichte bosschen met honderden bloemen groeiden.
Zóo had ik jaren lang dezen tuin en dit huis gekend en nooit had ik daar, wanneer ik op de heining zat, eenig spoor van leven ontdekt. Soms was ik wel over die heining geklommen en had met verbazing in die wildernis gewandeld, en enkele malen had ik getracht over de halve buitenluiken in het huis te kijken, maar toen ik eens, daarmede bezig, een zwaren slag daarbinnen gehoord had, was ik met schrik weggeloopen, alsof de vermoorde man met eene geheele bende gruwzame spoken mij op de hielen zat.
Ik geloof genoeg gezegd te hebben om mijne verbazing te verklaren, toen ik, juist mijne eerste kersepit naar die ramen willende knippen, zag, dat de luiken openstonden en de woeste wingerdranken voor de glazen eenigermate waren weggesnoeid en opgebonden. Maar in den tuin ziende, was daar iets, dat mij nog meer verbaasde en mij met eene kers halverwege in mijn mond deed blijven zitten.
Midden in het hooge gras... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage
Midden in het hooge gras en half bedolven onder een grooten hoop afgeplukte rozen zat een klein meisje, zeven jaar oud, denk ik, met deze bloemen te spelen. Nu eens wierp, zij ze in de lucht en ving ze, met de kleine handjes weer op, dan bedekte zij haar hoofd en gitzwarte haren er mede, en als zij er dan uit opdook, was het alsof zij, als Afrodite uit het fonkelende schuim der zee, uit die bloemen geboren werd.
Eene soort van tegenstrijdigheid was er evenwel voor het uitwendige tusschen dit kind en die rozen, in zoover, dat men haar niet daarmede had kunnen vergelijken, gelijk men anders gaarne een blond en blozend kind zou willen doen, want dit meisje was niet blond en rooskleurig als de kinderen van het Noorden, maar hare tint was bleek, en donker waren oog en haar. Eene sterke sympathie scheen er toch tusschen die bloemen en haar te bestaan, want evenals bloemen zich in eene vunzige lucht intrekken en verwelken en zich ontluiken en verlustigen in een liefelijken dampkring, zoo was het nu, alsof die rozen, al werden ze door haar dartel spel gekneusd, toch frisscher geurden en bloeiden in den luchtstroom, die het kleine meisje omringde.
En waaruit anders, zoo niet uit eenige zonderlinge verwantschap, was het te verklaren, dat zij zich door zulk speelgoed voelde aangetrokken?
En die sympathie—bestond zij tusschen de kleuren en geuren in haar gemoed, en den gloed en den reuk dier rozen?
Was het, omdat in dat jeugdige kindergemoed de kiem lag eener gave, die wellicht later zou ontwikkeld worden, de gave om bij voorkeur de bloemen in het leven op te merken?
Of omdat in latere dagen in het huis, dat zij zou betreden, en op het pad, dat zij zou bewandelen, bloemen onder ieder van hare voetstappen zouden opspringen?
Of was er gelijkheid van lotsbestemming in beide? Zou zij als eene bloem òf door een achteloozen voet vertrapt, òf wel door een droevig toeval geknakt worden?
Wat al mogelijkheden in de toekomst ook van dit kind! En welke daarvan zal tot werkelijkheid gemaakt worden?
Mijn romantische geest hield zich voortdurend met dit meisje bezig en begon den raadselachtigen vreemde, dien ik in mijns vaders bibliotheek gezien had, met haar in verband te brengen en daarvoor allerlei toestanden en geschiedenissen te verzinnen. Dikwijls nog zag ik het kind, evenals die eerste maal, met hare rozen bezig, zoo het scheen haar eenig en geliefdste speelgoed. Noch door mijne ouders, noch door mijnheer Tjilp kon ik iets van haar vernemen, hoewel het duidelijk was, dat zij er meer van wisten, zooals mij bleek, wanneer op mijne vragen mijnheer Tjilp het eenvoudigste gezicht van de wereld wilde zetten en daardoor zich juist verraadde.
Eenige weken waren hierna verloopen, toen ik op eenen avond mijn vader hoorde uitgaan en naast ons het huis binnentreden. Sedert dien dag werd het zijne dagelijksche gewoonte 's avonds uit te gaan en na twee of drie uren van afwezigheid terug te komen.
Dit had acht of tien dagen geduurd, als eens op een avond mijnheer v. N.—— buitengewoon lang uitbleef. Het werd tien, elf, bij twaalf uren, en nog kwam hij niet terug. Eindelijk hoorden wij voetstappen.
De deur ging open—het was mijn vader, die binnentrad. Doch hij was niet alleen; in zijne armen hield hij het kleine meisje, dat ik in den tuin had zien spelen met de rozen, maar dat na luid snikkende het hoofdje tegen zijne borst drukte. Met de snelheid van eene electrische vonk over den draad was mijn geest in beweging en bouwde zich eene gansche geschiedenis.
De wanhopende man, dien ik in mijns vaders kamer gezien had, zou de vader van dit meisje zijn. Zijne vrouw zou overleden zijn in een vreemd land, waar zij hem met dit kind alleen zou hebben achtergelaten. Door eene reeks van rampen vervolgd, door armoede, door wie weet welke schuld of misdaad bezwaard, zou hij zich onbekend hebben moeten houden, waarom hij zich eindelijk in dit verlaten en onbezochte huis naast ons was komen verbergen. Hier zou hij ziek zijn geworden, en het zou naar hem zijn geweest, dat mijnheer v. N. zich dagelijks begaf om hem te helpen, totdat hij ten laatste het tijdelijke verlaten en zijn kind aan de zorgen van zijn weldoener zou opgedragen hebben.
Zóó, maar met oneindig meer en fijnere bijzonderheden (als ware ik van alles zelf getuige geweest), was de geschiedenis, die mijn geest zich in een oogwenk te voorschijn riep.
Mevrouw v. N. nam de arme kleine wees in hare armen, kuste en streelde ze. Wat kan in zulke gevallen liefelijker en heilzamer zijn dan eene moeder? Maar vreemd, het kleine meisje scheen ook hieromtrent van gewone kinderen af te wijken, en terwijl het zich met de buitenzijde der linkerhand de oogen afwischte, stak het haar arm naar mijn vader uit, en het was stiller en kalmer, als het bij hem was en om dat grijze en vriendelijke hoofd de armpjes geslagen had.
Eindelijk was het moe geweend, en de slaap, de goddelijke balsem voor droeven, look het de donkere oogen.
Wat mij aangaat, de klapperman van drie uren had zijn zangerigen deun in den stillen nacht doen hooren, vóórdat al het gebeurde genoegzaam plaats kon maken in mijnen geest voor de rust van den slaap.
Mevrouw v. N. had het druk met voor Bella een kamertje in te richten en voor hare kleederen te zorgen. Ook zocht zij eenig speelgoed voor haar op, speelgoed van eene jong gestorven dochter, dat in eene doos was weggelegd als de laatste overblijfselen van het korte spel, dat zij op aarde gespeeld had. Er was een vlekje van witte, zijdeachtige haren bij, een paar kleine schoentjes, kleine kousjes, kleine mutsjes en verdere voor het moederhart droevige relieken.
Ik weet, wat er in dat hart omging, toen die weder aan het licht kwamen, en ik weet, dat mijne moeder, met dankbaarheid de verlatene Bella als eene tegemoetkoming voor het verlorene ontvangend, het nieuwe kind in hare veel omvattende liefde opnam.
De kinderlijke relieken werden weder zorgvuldig geborgen te gelijk met menigen stillen traan, terwijl eene oude pop, die met het vroolijkste gezicht ter wereld tien jaren tusschen die overblijfselen van droefheid had gelegen, met eenig ander speelgoed uit de doos werd gehouden. De schimmel werd van hare krullen gewreven, de neus was, wel is waar, wat ingedeukt en geplet, doch dat gaf iets pikants aan het gezicht, en overigens was het eene tamelijk mooie pop, indien men er ten minste vrede mee had, dat hare kuiten aan den verkeerden kant van de beenen zaten.
Maar Bella was weinig met dit speelgoed ingenomen: hetzij dat haar ingeschapen schoonheidsgevoel iets tegen den platten neus en de verdraaide kuiten had, hetzij dat zij niet gewoon was, er mede om te gaan.
Bella was in den beginne stug en schuw en het liefst zat zij alleen in den tuin met bloemen te spelen. Het bleek evenwel later, dat deze schuwheid niet in haar aard lag, maar daardoor ontstond, dat zij nooit teedere zorg en liefde van moeder of zusters had ondervonden en altijd alleen met haar vader geweest was. Het was ook daarom, zooals mijnheer Van N. zeide, dat zij zich zoo vreemd bij zijne vrouw voelde, en bij hem meer op haar gemak was.
Het was een heerlijke, warme zomeravond, en wij zaten in de tuin, toen mijne moeder Bella tot zich riep. Zij verliet met zekeren weerzin hare bloemen en kwam zachtkens aan.
Mevrouw Van N. streelde de zwarte haren, die in dichten overvloed het fijne tengere gezichtje omringden en het nog fijner en tengerder deden schijnen.
—Zult gij veel, veel van mij houden, Bella? vroeg zij. Wij allen zullen veel van u houden, en gij van ons, wilt gij wel, lieve Bella?
Het meisje zag haar met groote oogen vragend aan. Nog nooit had zij mevrouw Van N. zoo open in het gelaat gezien, en was zij vroeger schuw, het bleek wel, dat dit eer eene zucht naar en eene gewoonte van eenzaamheid, dan bedeesdheid was. Nog altijd zag zij haar met die heldere verstandige oogen aan. Er scheen eene ontwikkeling van gedachten in haar om te gaan en nieuwe denkbeelden schenen in haar op te komen, want het eerste woord, dat zij sprak, was geen antwoord op mevrouw Van N.'s vraag, maar was waarschijnlijk de slotsom eener reeks van gedachten, die elkander op dit oogenblik in haar hadden opgevolgd.
"Wat is eene moeder? vroeg zij.
Dat was eene onverwachte vraag en ook mijnheer Van N. zag verbaasd uit zijn boek op.
—Eene moeder? zei mevrouw Van N. Hebt gij uwe moeder gekend?
—Mijnemoeder? zei Bella, alsof zij eenigszins aan zoo iets twijfelde:—Wat is dan eene moeder?
Ik geloof, dat mevrouw Van N. er mee inzat, welke bepaling zij van eene moeder zou geven, en hoe goed wist zij toch door lief en door leed wat eene moeder is,—en welk eene moeder was zij!
—Of zult gij zeggen, zei mijnheer Van N. glimlachende, en wat hij in gedachten had aangevangen nu hardop vervolgende, of zult gij zeggen, eene moeder is eene eenigszins bejaarde vrouw, met even grijzende haren, die boterhammen maakt en thee schenkt, en voor het eten zorgt, en een mandje met sleutels heeft—of, eene moeder is de vrouw van een vader—maar dan doet zich terstond eene soortgelijke vraag op: wat is een vader?—waarlijk, het is moeilijk een kind, voor wie dit begrip niet van jongs af bestaan heeft en zich heeft doenvoelen, te verklaren wat eene moeder is. Als ik zeg verklaren, dan meen ik eene juiste, eene logische definitie er van geven: wij zouden dan moeten opklimmen tot de wording der kiem van het kind—en dan staan wij al dadelijk stil bij de bedenkelijke vraag: van waar is het eerste levensbeginsel—hoe dit physiologisch en psychologisch op te lossen....
Ik vrees, dat Bella op deze wijze moeilijk tot het, begrip van eene moeder zou zijn gekomen, en mevrouw v. N. beproefde daarom eene eenvoudiger definitie.
—Eene moeder, zei ze, is degene, die de kinderen opkweekt en van wie de kinderen innig veel houden.
—Dan zijn de bloemen mijne moeder, zeide Bella, deze stoute paradox zonder eenige aarzeling uitende, want zij hebben mij gezegd, dat ik uit de bloemen ben voortgekomen—en ik houd zooveel van bloemen!
Mijnheer v. N. lachte.—Haha! zeide hij, moeder, moeder! daar loopt gij er in met uwe definitie; deergo, de gevolgtrekking van Bella was juist, maar het is duidelijk, dat uwmajorniet deugde.
—Nu, zeide mevrouw v. N., dan moet de tijd haar maar leeren, wat eene moeder is, en nu lieve Bella! wil ik uwe moeder zijn—uwe moeder is in den hemel, en eens, Bella! had ik—een meisje, net als gij—en dat—is ook in den hemel, en misschien ziet uwe moeder nu op u neder en is gelukkig, dat er eene vrouw is, die voor u als eene tweede moeder zal zorgen en aan wie gij dierbaar zijn zult als een kind.
Bella weende en legde het hoofdje met de donkere haren in den schoot, die haar wel niet gedragen had, maar waarboven een hart klopte zoo vol en zoo overvloeiend van moederlijke liefde!
Mevrouw v. N. keek haar man aan, en hij zag haar aan, en beiden dachten met stillen weemoed aan een lief kind, dat, evenals Bella nu, aan hare zijde gehangen had, en nieuwe tranen welden op met deze oude herinnering.
Bella hief het hoofd op en haar wonderlijk verstandige en levendige oogen op mevrouw v. N. richtende, begreep zij die droefheid, en hare armen teeder om mevrouw v. N.'s hals slaande, riep zij:
—Moeder! mag ik u dan moeder noemen? En wilt gij mij nemen in de plaats van wat gij verloren hebt?
En ik stond daar bij en terwijl ook mijn hart vol was en ik het zoo voelde, dat eene moeder toch wel iets meer is dan eene eenigszins bejaarde vrouw, die thee schenkt en boterhammen maakt, en een mandje met sleutels heeft,—en ik ook wel iets had willen zeggen om mijn gevoel te luchten, stond ik als een slungel aan mijn neus te krabbelen en mij te verwonderen over de onbevalligheid en onhandigheid van een jongen en over de snelle gevatheid, waarmede een meisje in zulke toestanden de juiste snaren weet te treffen.
De bibliotheek van mijnheer v. N. was de kamer, waarin ik zoo dikwijls gezeten, waarin ik zoo veel geleefd en gelezen heb, waaraan zoo vele draden van latere verschijnselen en eigenschappen van mijn geest zijn vastgehecht, dat het geen wonder is, indien menig blad van het levensboek mijner jeugd daarvan vol is. Het blad, dat ik bij het doorbladeren van dat boek nu opsla, bevat omtrent die bibliotheek een gewichtig en merkwaardig voorval.
Wat in geen jaren gebeurd was—hetspinnekoppennestzou worden schoongemaakt! Zóó was beslist in eene zitting met gesloten deuren, welke mevrouw v. N.—met hare meiden en schoonmaaksters had gehouden.
Op een ochtend—ik zat in oude prenten te snuffelen—kwam mevrouw v. N. binnen. Dat gebeurde nooit of er moest iets bijzonders aan de hand zijn, want de bibliotheek diende ook voor de plaats, waar belangrijke aangelegenheden werden bepraat en beslist.
Of mijnheer v. N. eenig voorgevoel had, weet ik niet; maar ik dacht, dat hij ongerust opzag. Zijne vrouw had den vorigen avond reeds zorg gedragen, te doen uitkomen, hoe door mijne bekentenis, dat ik denBoetiushad weggenomen, de onschuld der schoonmaaksters triumfantelijk aan het licht kwam, en mijnheer v. N. had ook zeer wel gevoeld, welk een krachtig argument tegen deze hem daardoor ontvallen was. Het was eene welberaamde belegering, die hij nu had uit te staan.
Door zich in de bibliotheek te begeven had zijne vrouw met veel tactiek den vijand den terugtocht afgesneden. En toen deze aldus ingesloten was, nam de belegering een aanvang.
Bij het binnentreden haalde mevrouw v. N. veelbeteekenend den neus op.
—Manlief! zei ze, het ruikt hier muf!
—Och! zei bij kregelig.
—De stof ligt duimen dik op alles, hervatte zij, met den vinger eene kapitale N. schrijvende in de stoflaag, die op den band van een der boeken lag; en het is hoogst noodig....
—Onnoodig! zeide hij, onnoodig! als het noodig was, zou ik niet zeggen ... maar het is volstrekt onnoodig! En in het vuur der redeneering eene beweging met den arm makende, deed hij een bundel papieren met een paar boeken van de tafel vallen. Er ging eene stofwolk van op alsof een kanon was afgeschoten.
Mevrouw v. N. lachte en wees hem dit.
Maar gelijk het gaat, wanneer onze argumenten wat al te duidelijk wederlegd worden, wordt men driftig.
—Ik verkies niet, dat je ellendige schoonmaaksters ... riep mijnheer v. N. uit.
Ik begreep, in mijn hoekje zittende, dat hij verloren was; want als hij driftig werd, kreeg hij langzamerhand berouw en gaf dan doorgaans hals over kop alles toe.
Intusschen ging zijne vrouw, na aldus eenige bressen gemaakt te hebben, van tactiek veranderen.
—Het is hier bedompt, zei ze, en vochtig, het is niet goed voor de boeken, er moet gelucht worden, waarlijk, ik heb laatst zelf gezien, dat er vochtvlekken op een band waren.
—Waar, welke band? vroeg mijnheer v. N.
Ja;—dat weet ik niet meer,—waarlijk het is slecht voor de boeken.
Nu eens de stof, dan weer de vochtigheid. O mevrouw v. N., uwe tactiek geeft zich bloot! Maar haar ega bemerkte de tegenstrijdigheid niet.
Zou het slecht zijn voor de boeken? was een klein twijfelduiveltje, dat in zijn geest binnenkroop.
—Wat een aardig end boekje hebt gij daar! hervatte de verraderlijke vrouw, een zeer klein in fluweel gebonden boekje in de hand nemende (het was hoogst zeldzaam). Mijnheer v. N. werd verteederd.
—Zou het vochtig zijn? vroeg hij; zou het goed voor deboekenzijn, als er werd schoongemaakt? Hij wilde zich eene soort vanhonorable retraiteverzekeren.
—Dat zeker! zei mevrouw doodelijk onverschillig, maar als je niet wilt, enfin.
—Och, lieve vrouw! zei hij, hare fijne hand streelende, laat je schoonmaakster maar komen!
Den volgenden morgen kreeg mijn vader geweldig berouw over zijne zwakheid, maar het was te laat.
Borstels, zeemlappen, raagbollen, rookende potten met zeepsop en pokdalige sponsen vulden weldra de bibliotheek, en een oogenblik daarna leverde deze stille rustige kamer een rampzalig schouwspel op, waarnaar mijnheer v. N. radeloos stond te kijken.
Ramen en deuren werden geopend, oude portretten, al fronsten zij het voorhoofd in verontwaardiging, door elkaar en het onderstboven in de gang gezet om te luchten!ApolloenDianaafgeschuierd wordende, de eerwaardige rug vanIgnatiusgeboend met zeemen lappen,BijnkershoekenFlavius Josephus,HerodotusenGuicchardini, door armen met opgestroopte mouwen uit hunne rustige standplaatsen gehaald om alle naderhand weder op verkeerde plaatsen neergezet te zullen worden; risten boeken uit eene onhandige omarming—qui trop embrasse, mal étreint—uitspattende en van eene hoogte van zes planken neertuimelend, dekerkvader EusebiusenBuma's boerenbruiloft, tegen elkander geklopt, dat de profane en geestelijke stofwolken door elkander vlogen en de oude kerkvader in zijn hoornen band ontwricht werd!
Wat eene chaotische omverwerping des choses les plus saintes!
Den geheelen dag was mijnheer v. N. uit zijn humeur, niets was goed, alles maakte hem kregelig, nergens in huis vond hij iets op zijne plaats, en als hij het waagde in de bibliotheek te gaan om, iets te zoeken, keerde hij verschrikt terug voor de norsche blikken der schoonmakende wandalen. Zoo was het tot 's middags, toen mijnheer Tjilp kwam eten en zijn kalm en tevreden gelaat zich vertoonde. Toen kwam er afleiding en de bui dreef langzaam over; ik geloof, dat eene fijne ham er 's middags het hare toe bijbracht en dat de opvoering daarvan door mevrouw v. N. behendig berekend was. De goede luim was geheel hersteld, toen de ham op de tafel kwam.
Maar toen het gerecht afgeloopen was——o! waarom hadden zij de ham maar niet spoedig weggenomen—daar valt mijnheer v. N.'s blik op het uitgeknipte papier, dat om het been was gewonden.
Tot onze verbazing zagen wij hem dat er afnemen, het ontvouwen, zijn bril opzetten en—het scheen een ongeluksdag te zijn.
—Wat is dát! riep hij, hebben zij gezworen zooveel mogelijk van mijne boeken en papieren te vernielen! Duivelsche ... waar komt dit vandaan ... waar is het verdere....
Ik zal dit gansche drama niet uitvoerig beschrijven. De zaak was deze: mijnheer v. N. had—het was misschien al drie jaar geleden—uit oude genealogische papieren eenige belangrijke bijzonderheden opgeteekend omtrent het huis, waarin wij woonden en zijn verlaten tweelingbroeder. Mijnheer Tjilp had er al zoo dikwijls over gesproken, en wij waren er allen nieuwsgierig naar, of liever mijnheer Tjilp en ik alleen, want mijne moeder bemoeide zich minder met alles, wat tot zulke oude prullen behoorde; doch allerlei drukten en gebeurtenissen waren tusschenbeide gekomen, en de zaak was onder een reusachtigen berg van papieren en uit het geheugen geraakt, totdat op den genoemden middag een fragment van mijnheer v. N.'s handschrift daarover ontdekt werd ... om het been van de ham.
De meid werd binnengeroepen, scherp ondervraagd, en door eene zedelijke pijnbank werd er uit haar getrokken, dat zij eenige losse vellen schrifts van de schoonmaaksters—al weder die schoonmaaksters!—had gekregen, die ze bij het reinigen van de bibliotheek hadden opgeredderd. IJlings werden de overige bladen opgezocht; een, dat reeds op een blaker lag; een, dat een peperhuis met blauwsteen bleek te zijn geworden, en de overige werden nog ongeschonden gevonden.
Het duurde eene poos, totdat al de gemoedsbewegingen bedaard waren; doch toen zijne goede vrouw en ik onzen lach onmogelijk langer bedwingen konden, toen mijnheer Tjilp zeide, dat mijn vader die schoonmaaksters veeleer dank verschuldigd was, omdat zij de lang verloren papieren gevonden hadden, toen de onschuldige ham, van haar net geknipt papieren handvat beroofd, werd weggedragen, toen won het toch de comische zijde van de zaak, toen vloeiden mijnheer Van N.'s rimpels weg en plooide ook zijn humoristische mond zich onwillekeurig, en wij lachten hartelijk om het gebeurde.
Een paar uren later zaten wij in den tuin thee te drinken: mijnheer Tjilp, dien ik gedurig aanstookte, wees met zijne pijp naar het nevenhuis en drong, dat mijnheer v. N. ons nu de wedergevonden aanteekeningen zou voorlezen.
Bella zat intusschen met bloemen te spelen in een perk, dathaartuintje heette en ik, op mijn eene been zittende in eene geliefkoosde houding, luisterde gretig naar het verhaal van de tweelinghuizen.
—Het moet al lang geleden zijn, begon mijnheer v. N., als ik het wel heb in de helft der vijftiende eeuw, toen op dezelfde plaats, waar nu deze twee huizen staan, twee broeders woonden. Hun vader was een bouwmeester en word gezegd, geheime krachten en kunsten te bezitten, zooals dikwijls in die tijden aan de bouwmeesters werden toegeschreven, alsook de macht om met het bouwen van een huis daar een vloek of een zegen in te leggen. Hij scheen eenig vermogen te hebben en bouwde op deze plaats, toen hij oud van dagen was, voor zijne zoons twee huizen. Deze huizen waren toen veel kleiner dan zij nu zijn en half van steen, half van hout opgetrokken. Als iets hoogst merkwaardigs er van staat in onze oudste stadsbeschrijving aangeteekend, dat zij beide tot de kleinste bijzonderheden juist eender waren.
Het waren volkomen tweelinghuizen, zooals de oude bouwmeester ze ook noemde, steunende, zooals men zeide, op het in zwang zijnde geloof, dat al wat tweelingen betrof dubbel geluk ondervond. Het is waar, de broeders waren geen tweelingen—maar de huizen waren het en dit scheen genoegzaam. En is het ook niet zoo, dat het huis en de eigenaar, dat hun beider lot ten nauwste verbonden is? Ziet men niet dikwijls, dat hij, die zijn voorvaderlijk huis verlaat om een nieuw en hem vreemd te betrekken, in het oude zijn geluk en genoegen achterlaat? Zóó nauw zijn huis en bewoner vereenigd, en zoo kon dan ook het gelukkige lot, dat aan die tweelinghuizen verbonden was, of volgens anderen door den kunstigen ouden bouwmeester er in was gemetseld, zich mededeelen aan de beide broeders.
Met nauwlettende zorg waren dan die twee huizen juist gelijkgemaakt, ja zelfs toen er aan een der bogen boven een venster van het eene een kleine misstand was, werd dit bij het andere huis evenzoo gemaakt.
De oude bouwmeester word ziek en liet zijne zoons bij zich komen. Hij hield eene lange bijeenkomst met hen en eindigde met bun deze woorden toe te spreken:
—Kinderen! zeide hij, gij hebt beiden een schoon en eerlijk bedrijf, houdt u daarbij, ieder naar zijne wijze, en zoekt uw geluk daarbij, maar zoekt het niet daarbuiten. Ik druk u vooral deze woorden op het hart: evenals uwe huizen eender en gelijk zijn, blijft ook gijlieden in karakter en stand gelijk.
Kende de oude man zoo juist de karakters zijner beide zonen, dat hij ze aanmaande aan elkander gelijk te blijven, in de overtuiging, dat de zwakke dan den aard van den betere zou blijven navolgen?
Misschien was dit zijne bedoeling, want beiden waren toen brave kerels, maar in den eene zat toch de kiem van wat later onrust zou worden en onvastheid van karakter en neigingen, met de zucht om zich te verheffen.
De oude man intusschen was gestorven, en de broeders leefden in hunne gelijkvormige huizen. De een was wapensmid, de ander goudsmid.
Wouter, de wapensmid, was een rijzig en sterk gebouwd man, met een open, gul gelaat, en als de reuzenkracht zijner armen het zwaarste en hardste ijzer naar zijn wil behandelde, was het vreemd te denken, dat zijn aard en zijn hart zoo gul en zoo zacht waren.
De goudsmid, die Egbert heette, was een man van eene lange en schrale gestalte, met een schitterend oog en een immer werkend verstand. In die dagen was een goudsmid een merkwaardig kunstenaar, die doorgaans tevens teekenaar en schilder was. Egbert verkreeg ook veel roem in zijn vak; maar welke kerk of convent ook kon bogen op een schoon gedreven of besneden stuk zilver of goud van zijne hand, geen was er, wel vijftig uren in den omtrek, dat een werk kon aanwijzen, zoo kunstig als de outergereedschappen van het Sint Agnieten-convent in de buurt en vooral als een uitstekend reliquiënkastje, dat hij pas daarvoor vervaardigd had. Daar had hij zeer kunstig op gedreven den val der trotsche engelen, tot groote stichting van allen, die het stuk zagen. Maar hij scheen zelf weinig daaruit geleerd te hebben, want de groote fout van Egbert was, dat hij nooit tevreden was met zijn staat, dat hij altijd hooger op wilde, en dat hij altijd zijn geluk zocht elders dan het was—want als hij bereikt had, wat hij begeerde, haakte hij weder naar iets anders. Dit gaf dikwijls aanleiding tot ernstige gesprekken tusschen de beide broeders en vaak moest meester Wouter zijn hoofd schudden en zeggen: Broeder! denk aan de woorden van onzen vader.
Meester Egbert had eene jonge vrouw, die hem met hart en ziel beminde, die met zachtheid zijne gebreken zocht te temperen en verschoonde, en wier trots en roem het was, de kunst van Egbert te hooren bewonderen. Haar zacht en liefelijk gelaat had dikwijls tot model gestrekt voor de Madonna's van meester Egberts penseel, en in al de huizen en stulpen van bedroefden en armen ging er menige bede en dank tot de Moedermaagd op voor de liefderijke hulp en vertroosting, door Egberts vrouw aangebracht. Had het in haar aard gelegen, dat hare weldaden niet zoo stil en geheim plaats hadden, het algemeene gevoelen had haar in haar leven reeds eene heilige gewaand. En eene schutsheilige scheen zij wel te wezen voor het huis van meester Egbert en een goede genius voor dezen. Helaas! waarom besefte hij zoo weinig het geluk, dat hij had kunnen genieten! Vreugd en welvaart hadden dan in zijn huis kunnen wonen, en het door haar een gelukkig huis kunnen maken. Maar Egberts geest en lust waren even vast als de windvaan op den spichtigen toren van het Sint Agnieten-convent. Nu eens zocht hij in het mystieke der hooge kunst zijn geluk, dan liet hij dit weder varen om zich met smeltkroezen en fornuizen bezig te houden om goud goud te maken, in plaats van het met zijn talent te versieren. Soms, waren er ook tijden, dat hij zich geheel overgaf aan feesten en drinkgelagen met de lustige snaken uit het St. Lucasgilde.
Intusschen als zijne vrouw hem weder tot de kunst aanspoorde en hem voor een tijd van zijne veranderlijke levenswijze afbracht, dan oefende de kunst haar veredelenden en verheffenden invloed op hem uit, leidde werkzaamheid hem tot betere gedachten en gedrag en bracht zijn wispelturigen geest weder tot eene kortstondige rust.
Maar het leed niet lang.
Eens begon hij te begrijpen, dat voor een man als hij zijne woning veel te onaanzienlijk was. Hij liet werklieden komen. Vruchteloos waren de tranen zijner vrouw. Vruchteloos de vermaningen van Wouter, die in ernst toornig was over die schending van den wil huns vaders.
Het nederige huis werd opgetrokken met een hoogen gevel met verschillend beeldhouwwerk, de oude venstertjes door grootere met bogen versierde kruiskozijnen vervangen, en het nederige uithangbord van Egberts bedrijf, een vergulde beker, weggenomen.
Trotsch stak nu het rijzige huis af bij zijn tweelingbroeder, die met zijne kleine ruitjes, zijne smalle ramen, zijn eenvoudigen houten gevel en het groote zwaard, dat als een teeken van des bewoners bedrijf aan eene lange ijzeren stang uit den gevel hing, en zeer nederig uitzag.
Sommige van Egberts bekenden schudden bedenkelijk het hoofd en mompelden: Alle geluk is sinds dien tijd van Egberts dak voorgoed gevloden!
De zwaluwen, die bij de verbouwing verjaagd waren, kwamen ook niet terug, en de ooievaar, dat teeken van geluk, die op den schoorsteen placht te nestelen, was weggebleven.
In het kleine huis van meester Wouter was daarentegen alles vroolijk en gelukkig. Wouter had eene kloeke vrouw, en als zijne zes kinderen te hard schreeuwden, beukte hij wat harder op de stalen platen van harnas of stormhoed en overstemde hun geschreeuw.
—Gegroet, meester Wouter! zei een ruiter, die het huis binnentrad, uwe werkplaats is als vanouds weer een lust om te zien!
Wouter was aan het zingen.
O nachtegael, clein voghel,Woudt ghij der mijn bode zijn,En vliegen tot den ruiterDen allerliefsten mijn.
zong meester Wouter, uit het oude, toen nieuwst in zwang zijnde liedeke, tot hij, den vreemde ziende, ophield en dezen zijne ruwe hand toestak, die de ander gaarne drukte, al was ze met roet en kool bezwart.
—Ha! zei hij, oude vriend, welkom weer in het lieve land! Geluk, dat u de vijandige kolven en zwaarden gespaard hebben—al hebben zij de rusting deerlijk gehavend.
—De rusting was beproefd, want ze is van meester Wouter, zei de andere, en onder allerlei uitroepen van bewondering en goedkeuring voor wat hij met aandacht beschouwde, ging hij den winkel rond, langs welks wanden glinsterende rustingen en halsbergen, en verschillende soorten van zwaarden, daggen en knijven hingen. Het was ook voor een krijgsman een lust om te zien, hoe alles er keurig en sterk uitzag, en menig ruiter, die voor de deur ophield om een schalm in zijn maliënkoker of een bult uit zijn stormkap te laten slaan, liep met genoegen de werkplaats rond.
—Hoe maakt meester Egbert het? vroeg de ruiter.
Wouter antwoordde eerst niet, de glimlach verdween van zijn gul gelaat.
—Treurig, treurig! zei hij eindelijk, de zware hand vertrouwelijk op des anderen schouder leggende; gij kent de geruchten, dat er op verscheidene plaatsen onnoemelijke schatten in de aarde verborgen zitten. Nu heeft hij zich in het hoofd gezet, daarnaar te gaan zoeken. Eer- en geldzucht waren altijd zijne gebreken, en nu zet hij alles op het spel om die schatten te vinden. In verre landen, over de zee zelfs, heeft hij al gereisd, maar altijd tevergeefs; hij wroet overal de aarde om, en, de hemel vergeve het mij, zeide hij zich kruisende, maar ik geloof, dat hij nu heult met den Booze.
En fluisterend ging hij voort:—Hij zoekt nu allerlei toovermiddelen en bezweringen, en lieden van het land hebben hem te middernacht in verdachte heuvels zien graven en in kolken en waterplassen zien visschen. En dan zeggen zij, dat hij niet alleen is, maar dat er een in een mantel gewikkelde persoon bij hem staat! Onze Lieve Vrouwe behoede hem!
Werkelijk was het sinds geruimen tijd de rustelooze bezigheid van Egberts leven, dien schat te zoeken, dien zijne verbeelding hem in al zijn schitterenden glans voorspiegelde. Eene koortsachtige prikkeling joeg door zijne aderen, nog te meer door de aanhoudende teleurstelling aangevuurd, en weldra maakte hij zijn gezin en zijn leven tot het rampzaligste, wat men denken kon.
Zijne vrouw bezweek onder dit leed, en zijne kinderen werden door meester Wouter opgenomen.
Daar zat dan die man, vóor zijn tijd een magere grijsaard, te peinzen aan den eenzamen en uitgedoofden haard. In de naaste kamer lag zijne vrouw op het bed, waarop zij de rust was ingegaan. Allerlei akelige beelden zweefden den peinzenden grijsaard voor den geest.
Zijn leven onnut doorgebracht, zijn geluk en dat van zijn huis door eigene hand verwoest, zijne kunst verwaarloosd, zijn geest verstompt!
Bij dien eenzamen, uitgedoofden haard gezeten, in het stille uur van den nacht, hoorde hij nu buiten een voetstap en eene hand aan de klink der deur. Hij nam den ijzeren bout van de deur af.
Op dit oogenblik, zegt de sage, dat er een rijzig man in een langen mantel gewikkeld, binnentrad.