Chapter 5

Op dit oogenblik,... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage

Deze persoon wenkte, hem te volgen naar de kamer, waar de doode lag. Hij schoof de gordijn der sponde ter zijde en ontblootte de borst van de ontslapene. Daarop een ontleedmes van onder zijn mantel halende, sneed hij de borst open, en het hart er uit nemende, legde hij het op de tafel.

Egbert stond te klappertanden: toen zag hij den onbekenden man het hart van zijne vrouw openen en er iets uit nemen, dat het flauwe licht der eenige kaars verdoofde en het gansche vertrek verlichtte met een schitterenden glans. Het was een fonkelende diamant, zoo zuiver van water en zoo groot als de aarde nooit had voortgebracht. De rampzalige man strekte er gretig de handen naar uit, maar de onbekende hield hem terug.

—Gij hebt altijd naar een schat gezocht, zeide de vreeselijke onbekende, die u rijkdom en geluk zou geven! Hier hadt gij moeten zoeken!

Weer strekte de grijsaard de gretige handen uit naar het edelgesteente, hij greep het—maar het verkruimelde tot stof in zijne hand.

Met een spottenden lach liet de onbekende hem alleen.

Egbert verdween, en niemand heeft ooit geweten, waar hij gebleven was. Zijne kinderen werden door meester Wouter verpleegd. Men zegt, dat deze het huis zijns broeders weder liet veranderen en in zijn vorigen stand terugbrengen; anderen verhalen, en dit schijnt meer waar, dat de nakomelingen van de beide broeders, in later tijd, deze twee huizen lieten veranderen zooals ze tegenwoordig bestaan, weder volkomen gelijk aan elkander.

De overlevering schijnt ook steeds in die geslachten bewaard te zijn gebleven, want hoewel de huizen vernieuwd en veranderd werden, elke verandering geschiedde steeds aan beide huizen te gelijk. Maar altijd was dat ééne huis in slechten reuk gebleven. Ook zegt men, dat niet alleen op de afstammelingen van meester Egbert een ongelukkig lot rustte, maar ook vreemde bewoners, die dit huis betrokken, dat lot overerfden en ook zij gedoemd waren, hun geluk te zoeken, waar het niet was, en het voorbij te zien, waar het lag.

Zomers zijn voorbijgegaan met zonneschijn en zingende vogels—winters zijn weggesmolten met ijs en sneeuw—sinds wij in den tuin zaten te luisteren naar de woorden van mijnheer Van Nijwoude.

Ik was intusschen de kinderschoenen uit- en de jongelingslaarzen ingegroeid, en het werd nu bij mijne vrienden eene belangrijke vraag, wat ik moest worden. Ik was niet weinig verlegen, toen mijn vader mij eens in de bibliotheek riep en vroeg:

—Jongen! wat wilt gij worden?

Nu moet men weten, dat ik wel verscheidene bepaalde wenschen en plannen had, als bij voorbeeld, een schoon rijzig man te wezen met lange zwarte knevels en eene losse bevalligheid van taal en manieren, waar ieder onwillekeurig door ingenomen werd, zooals mijn neef de student, die allerlei buitensporigheden bedreef, maar wiens dwaze grillen en phantastische zotheden ieder onweerstaanbaar deden lachen.

Op andere tijden was er een andere wensch, die zich op den voorgrond plaatste, namelijk een beroemd schilder te worden, voor wiens scheppingen de menschen opgetogen zouden staan en wiens genie hen aan de toovermacht van het schoone zou onderwerpen.

Of ook boeken te schrijven, die tranen van aandoening aan lieve oogen zouden ontlokken, of waardoor de menschen in hun diepste binnenste geroerd, waardoor zij veredeld zouden worden.

Verder wilde ik getrouwd zijn en kinderen hebben, en in dichterlijke tinten zweefde mij het gelukkigste gezin voor oogen.

Met geen van deze plannen, die alle reeds zeer uitgewerkt als idealen in mijn geest rondzweefden, durfde ik evenwel bij mijn vader voor den dag komen, daar ik flauw vermoedde, dat deze minder aan de bedoeling zijner vraag zouden beantwoorden dan de keuze van een bepaald vak. En een bepaald vak had ik nog niet gekozen, ik had er zelfs nooit aan gedacht, maar in mijn leeswoede en weetdorst even gretig naar ieder deel van menschelijke kennis (behalve de edele cijferkunst) de hand uitgestoken.

Ik aarzelde dus.

—Jongen! zei mijn vader nog eens, doorgaans kiezen niet de menschen een vak, maar een vak kiest hen, doe gij nu eens omgekeerd en kies, wat gij worden wilt.

—Vader! ik zou wel willen worden—wat gij zijt.

Zooals hij was! Wel hem, die zoo mocht worden; doch ik meende dit toen niet in die rijke en schoone beteekenis, maar doelde alleen op zijne wijze van leven en werken.

Eene staatsbetrekking had hij niet meer. Als iemand mij vroeg, wat mijnheer Van N. thans was, of hij medicus of litterator, rechtsgeleerde, sterrenkundige, theoloog of philosoof was, ik zou het niet weten: maar wel, dat er geen tak van menschelijke kennis was, waar zijn geest niet mede bekend was. De studie van de menschheid en van den mensch in den ruimsten omvang—omne quod ad humanitatem pertinet—dat was altijd zijn hoofdstreven geweest, en was het nog, wanneer hij thans te midden van de rijke wereld der boeken, den mysterieuzen draad naspoorde, langs welken de ontwikkeling van den menschelijken geest voortgaat.

—Wat ik ben: zeide mijnheer Van N. glimlachende. Ja, er is geen gelukkiger leven voor den geest dan om in de onuitputtelijke mijnen der wetenschap te graven en te werken. Dwazen zijn het, die op de boekenwereld en boekengeleerdheid smalen en ze dood noemen: hoe zal men onsgeestelijk zijnkunnen bestudeeren, als men niet de historische ontwikkeling van dat zijn heeft nagespoord in de verledene eeuwen, en hoe kan men dat anders dan in de boeken? En wat een genot, wat een licht, wat een troost geeft die boekenwereld! Boeken weigeren nooit hulp, stellen nooit teleur; met hen behoeft men zich nooit te vervelen en kwaad te spreken en te babbelen over de nietigheden van den dag, en Lucas de Penna heeft gelijk, als hij, onder andere schoone lofredenen, zegt: Boeken zijn een licht voor den geest, zij steunen ons in tegenspoed, matigen ons in voorspoed, zij zijn gezellige vrienden op reis, zoowel als thuis, zij....

Maar opeens bemerkende, dat dit alles weinig geschikt was voor iemand, die een bepaald vak moest kiezen, ver volgde hij na eene korte poos:

—Maar, beste vriend! gij zijt te jong om te leven zooals ik leef. Gij moet eerst zelfhandelend in het practische leven u bewegen en werken; de geest kan niet alleen door bespiegeling en overpeinzing gevormd en gevoed worden. Daarom moet gij een vak kiezen, waarin gij de maatschappij zult dienen.

—Boeken schrijven, zeide ik, ik wou boeken schrijven—zoo kan ik immers ook werken en de maatschappij dienen?

Dat gedeelte van mijn vader, waar zijn gevoel, zijn gemoed in zat, glimlachte en was verheugd, dat er zulk een aard in mij lag, maar het andere gedeelte, waar zijn verstand in was, schrikte.

—Neen, neen, zeide hij snel, dat meet ge u uit het hoofd zetten,—kijk eens om u heen, hoeveel duizenden boeken zijn hier en hoeveel millioenen zijn er al geschreven—en zoudt ge denken, dat het noodig was, dat aantal ongeroepen nog te vermeerderen?

Daarover had ik niet gedacht, maar ik antwoordde toch boud weg:—Maar als ik geroepen ben?

Mijn vader glimlachte, dat is eigenlijk: de eene helft glimlachte, maar de andere helft zeide:

—Geroepen? Ja, maar weet je het onderscheid wel tusschen roeping, dat is krachtige, zichzelf bewuste overtuiging, en dat wat slechts lust of neiging is?

—Studeeren dan, zei ik eindelijk, onderstellender wijze.

—Studeeren dan, herhaalde mijn vader, ik heb altijd gehoopt, dat ge daarin lust zoudt hebben; maar in alle geval, bedenk je vrij en handel naar de inspraak van je verstand—en je hart, je hart ook, want die twee moeten elkander altijd trouw vergezellen.

Zoo liepen de eerste beraadslagingen over mijn vak af.

—Phoe! zeide mijnheer Van N. naderhand, met een lachende zucht, tot zijne vrouw, daar heb ik de zwaarste taak gehad, die gij bedenken kunt, verbeeld u, dat de jongen, die dol is op boeken, zelf een schrijver wil worden—en datikdaarin om zijn bestwil zijne drift heb moeten matigen!

Intusschen steeds onbepaald omtrent die keuze, zit ik druk in de classici.

Ik ben met Homeros bezig.

Πολυφλοισβοιον θα

Maar ik heb eene groote afgetrokkenheid.

Welk een geestdriftvolle vereerder van de oude classici ik vroeger was, en hoe gelukkig ik mij gevoeldein angello cum libello, thans werd niet alleen het classicisme geheel ter zijde en weggedrongen, maar begon de levensvolle en rustelooze geest ook de boekenwereld te verlaten. Eene andere wereld en een ander leven, de levende wereld en de beweging om mij heen, werkten sterker op mij en trokken mij nu geheel aan.

In dat tijdstip, waarin ik toen was, heeft er eene physische en moreele gisting plaats in den mensch, eene kentering van het tij dat hem een tegenovergestelden kant opstuwt. In elken leeftijd is een zekere eb en vloed onzer vermogens, maar nooit is die zoo sterk en voortdurend dan als wij het eerst van onze krachtige jonkheid bewust worden. Daar nieuwe behoeften zich sterk doen voelen, verzwakken de oude banden en vormen. Dit wegslaan van alle dijken en dammen, het krachtige, frissche, nieuwe van het jonge leven, dat wij intreden, bij de eerste zelfbewuste ontwikkeling onzer vermogens, is het, dat die plotselinge kentering in ons levenstij veroorzaakt. Ons oordeel (critiek) is met ons den kinderschoenen ontwassen en staat op eigen beenen, het maakt weldra allerleitours de force, zoowel om zijne kracht te beproeven, als om die te toonen. Dan breken wij alles af of tornen en twijfelen aan alles. De onbesuisde soort van critiek van het ontwakend en voor het eerst zelfdenkend verstand bezit slechts een breekijzer om te sloopen, geen troffel om te effenen en op te bouwen. Het gaat met de groote omwentelingen der volken evenzoo; zij zijn slechts de pogingen der massa om zelf te denken en voor zichzelf te handelen.

Och, angstvallige, en bedeesde zielen! schudt het hoofd niet om de verdorvenheid van het menschelijk verstand en de razernij der critiek. Het is het natuurlijke proces van zelfontwikkeling, gelijk dit onder de algemeene ontwikkeling plaats heeft.

En als mijne moeder soms beducht was om mijne hyperheterodoxe en paradoxe stellingen, zeide mijn vader:

—De natuur moet haar loop hebben, en evenzeer de ontwikkeling van den geest: laat hij gerust alles afbreken, hij zal het later zelf weer opbouwen; maar dit jongen, zeide hij ernstig tot mij, dit eene moet gij altijd vasthouden

Heart within and God overhead.

Zoo liepen mijne gedachten spelen en ik geloof, dat er gemiddeld wel een kwartier tijdsruimte lag tusschen elk woord, dat ik schreef. Nu eens denk ik aan mijn toekomstig vak en werk onderwijl aan het beschaven van mijne nagels, dan aan mijn toekomstig leven en pas intusschen mijne nieuwe laarzen aan: en steeds komen nieuwe visioenen en andere voorwerpen mij aan en van Homerus aftrekken, zoodat het maar niet verder komt dan

Πολυφλοισβοιον θα

—Naar den duivel de doode dichteren zijne doode taal, roep ik uit, het leven op de straat trekt meer mijne belangstelling.

En ik kijk naar de mooie meisjes, die voorbijkomen, vooral eene, die dagelijks langs ons huis gaat en die somtijds opkijkt naar mijn raam, misschien eene reden, waarom ik haar boven allen verkies.

Als het een weinig geregend had en er kleine plassen lagen, was het vooral aardig de physionomieën der verschillende vrouwenvoeten te bestudeeren. Dan vooral werden deze zichtbaar. Dan zag ik, welke er op de hielen liepen met opgewipte toonen, welke er klauwden en naar binnen draaiden bij elken stap, of plomp en smakeloos werden nedergezet. Zoo ontdekte ik, dat het meisje met de slanke gestalte, ook lieve welgemaakte voeten had, hoogst bevallig en flink van beweging. Er zat stijl in die voeten en hun gang. Daar zie ik weder haar vluggen tred in de verte, ik zie het prettige gezichtje naderen: zij vat de rokken op en stapt behendig tusschen al die kleine meeren door. Als zij voor mijn raam is, zal zij wel eens opkijken—maar neen, zij heeft het te druk met de plasjes te mijden—zij geeft er meer om, hare laarsjes—zij zijn netjes, dat beken ik voor dat slijk te vrijwaren, dan om mij—bah! ik ga mijne pen in den bitteren inkt doopen, maar wacht weer zoo lang, dat zij er in gedroogd is, als ik wil beginnen te schrijven.

Wat is natuurlijker dan de pen weer neder te leggen, te meer daar er een paard komt aandraven? Ik loop dus naar het venster, en nadat ik het opschrift van het uithangbord schuin over ons van achteren naar voren gespeld en gelezen heb, blijft mijn oog rusten op datgene, wat het paard op straat heeft achtergelaten;—dan kijk ik naar de musschen, die er haar voer uit pikken, en de kat, die ze beloert, en den hond, die de kat wil grijpen—totdat paard, musschen, kat en hond, alle verdwijnen. Ieder van hen schijnt een bepaald doel en een bepaald vak te hebben—ik alleen niet, en ik ben nog altijd aan

Πολυφλοισβοιον θα

Ik voeg er nu λα bij, maar het is of de duivel er mee speelt vandaag. Daar komt een klein beestje, een hout- of boekluisje of een dergelijk ongewerveld iets, over het papier en in de richting van mijne pen wandelen. Natuurlijk houd ik op met schrijven, om zijn gang na te gaan, en ook om het niet te vermoorden. Ik volg het, zoals het dwars over verba, substantiva, komma's en verdere leesteekens heenloopt, net als mijne goede moeder, wanneer zij iets uit de courant voorleest. Wat of wel het vak en het doel van zulk een beest zou zijn? Door een vergrootglas zie ik zijne acht beenen haastig voortspoeden als moest hij een brief op de post brengen of iemand inhalen, dien hij spreken moest; maar terstond keert hij terug alsof hij iets vergeten heeft en wandelt met dezelfde haast in eene tegenovergestelde richting. Eindelijk komt hij in het laatst geschreven woord en stapt in de nog natte α, waarin hij blijft staan en al het bittere van den inkt en van zijn aardsch bestaan overdenkt.

Eindelijk neemt hij een kloek besluit en tot over zijne kuiten in de inktbeek stappende, komt hij er uit en gaat verder.

Nu is hij op het witte papier—eene uitgestrekte vlakte ligt voor hem als eene onafzienbare witte woestijn. Met zijne voorbeenen krabt hij zich achter de ooren, waaruit blijkt (evenals bij een mensch), dat hij zich bedenkt, en terwijl niets hem hindert dan de vezeltjes van het papier en geene letter hem in den weg staat, gaat hij met drift één kant op om een oogenblik daarna weer om te keeren en met dezelfde drift een gansch anderen kant heen te loopen. Waarom gaat hij nu niet rechtstreeks op zijn doel af zonder die duizend gekke slingers te maken?

Terwijl ik met ingespannen genoegen hiernaar zat te kijken kon ik niet nalaten, hem een beetje te plagen. Ik blaas dan groote rookwolken boven hem uit, die zich als eene donderbui boven het hoofd van den wandelaar verzamelen. Hij staat stil en peinst blijkbaar.

Zoo hij een geoloog is, zal hij peinzen over den dampkring en zijne werking op de aarde—zoo hij een alledaagsch en onwijsgeerig beest is, zal hij denken, dat er een onweer opkomt en zich naar huis spoeden, daar hij geene parapluie bij zich heeft. Eindelijk blaas ik de rookwolk weg en zie ik hem met dezelfde besluiteloosheid heen en weder scharrelen....

Intusschen ligt de weide wereld even wijd voor mij open als het blanke papiervlak voor het houtluisje; even besluiteloos als hij ijl ik in gedachten nu her—en derwaarts; even weinig als hij weet ik den weg, dien ik zal kiezen.

In het leven gaat het den menschen zoo dikwijls evenals dat kleine beest; zij weten niet altijd, waar zij heen willen en er overvalt hen wel eens eene donderbui, zonder dat zij eene parapluie bij zich hebben.

Ik geloof, dat ik nog met dat beest zou bezig zijn, als mijnheer Tjilp met zijne viool daar niet aankwam.

De vraag, wat zal mijn toekomstige werkkring zijn? begint zich intusschen sterker, veelzijdiger en onder gedurig andere gestalten aan mij voor te doen, want hoe langer wij over eene zaak denken, des te omvattender en uitgebreider wordt zij. Zoo was deze zaak niet meer alleen eene vraag van broodwinning, maar had zij eene spiritueele uitbreiding gekregen en klonk nu: welke is de richting en de behoefte van mijn geest.

De wildste droomen—en de naakste en koudste terugkeer daarvan; nu eens jeugdige onbezonnenheid en overmoed—dan de voorloopers reeds van de critiek en het beredeneerde van den man; zal ik een gevoelsmensch worden of een verstandsmensch? Is de materiëele wereldbeschouwing de ware, of de spiritueele? De reëele of de ideale? Is er slechts stof hierbeneden en cijfers, of is er ook geest en poëzie? En stormachtig baant bij wijlen de hartstochtelijke zucht zich een weg: God, o God, wat is de waarheid?

Dat alles doet zich aan mijn geest voor, niet met die bewustheid, waarmede ik het nu stel, maar verward en in onophoudelijken strijd. Onder deze indrukken ben ik niet meer de wilde speelmakker van Bella en beschouw haar niet langer als een jongen met rokken. Ik moet ook nog opmerken, dat ik sinds eenige weken met verwondering ontdekt heb, dat Bella bijzonder mooi wordt. Waarom ik dit niet vroeger gezien heb, begrijp ik niet.

In plaats van met haar te vechten en te draven, wandelen wij dikwijls deftig samen, en praten en redeneeren, waarbij ik haar ongewone vlugheid en verstand bewonder en benijd.

Als wij in het bosch wandelen, is er eene uitgezochte plek, op een kleinen, groenen heuvel, waar wij dikwijls in het gras gaan zitten, onder drie stokoude eiken,

ros van het zomerzonneroosten,

zoo oud, zoo oud, dat het moeilijk viel te denken, dat zij ook slechts drie eikels of drie jeugdige loten geweest waren.

Hoeveel menschen hadden die eiken al onder hunne takken gezien!

Geslachten opgekomen, voorbij en te niet gegaan. Kinderen hadden zij onder hunne schaduw zien spelen en zich verschuilen achter de stammen.

Jongelingen, den arm om eene fijne leest geslagen en teedere beloften uitsprekende.

Schilders, die de natuur bestudeerden en roem zochten.

Wijsgeeren, die den roem versmaadden—om zich een naam te maken.

En zooveel meer hadden zij gezien, die oude eiken. En intusschen rolde de wereld steeds voort, en zij werden ouder en ouder, en die kinderen waren ook ouder geworden; en die jongelingen hadden hunne belofte vergeten of gehouden, maar waren nu zelf vergeten. Altijd geslachten, die voorbijgingen om plaats te maken voor de nieuwe, zooals de dorre gele bladeren voor de groene.

—En hoeveel namen en letters staan er in gesneden! zei Bella. Willen wij ook onze namen er in snijden?

—Verliefden, antwoordde ik, en vrienden hebben er letters in gesneden met harten er omheen, maar de tijd heeft die boomen ouder gemaakt, en die harten en letters zijn geheel vergroeid en onkenbaar. Hoe zouden, de harten dier menschen nu zijn? Zou nog altijd die W in het hart van H, en die H in het hart van W staan, als voor jaren?

Is DINA nog altijd de geliefde klank voor hem, die dezen naam daar zette, of is ook in zijn hart, evenals in dat op den ouden stam, die naam nauwelijks leesbaar meer, zoodat men hem nu veeleer voor DORA zou houden?

Is de eeuwige cirkel om die twee letters daar, in gulle jeugd gezet, nog altijd gesloten? Of is die hand gebroken en heeft de wereld eene kloof tusschen hen gezet, even diep als de scheur in den ouden eikenbast, waarop die twee letters staan?

—Wat ben je vandaag wantrouwend en zwart! zei Bella.

—Zoo is de wereld, sprak ik.

—Als je haar zoo wilt beschouwen, ja! Wil je onze namen niet snijden?

—Bella, zeide ik peinzend, ik twijfel zeer, of er wel verbeelding en gevoel bestaan, en of dat niet maar ijdele herschenschimmen zijn!

Bella nam een grooten doorn en stak daarmede in mijn been.—Ai! riep ik, wat wil je?

—Zien of je gevoel hebt: gelukkig bestaat het toch nog.

—Neen, zeide ik, het hoofd schuddende,—kijk! die oude boomen zijn drie grijze wijsgeeren, die minachtend op al de nietigheid om hen heen neerzien.

—En ik, zeide zij, vind ze als drie oude aartsvaders, die zegenend hunne armen over alles uitbreiden. Waarom zouden wij ook niet liever vrede hebben met alles, daar wij weten, welk eene heerlijke harmonie in alles heerscht, als wij ze maar niet dom voorbijzien?

Toen wij tehuis kwamen, vonden wij er mijnheer Tjilp en dokter Vijzel, en allen in een druk gesprek, waarvan wij het laatste gedeelte bijwoonden.

.............................................................................................................................................................................................. ............................................................................................................................................................................................

—Neen, vriend Van Nijwoude, zei dr. Vijzel, neen, gekker voorwerpen dan de wijsgeeren ken ik in de wereld niet, en het tooneel van hunne dwaasheden is nog te zotter, daar zij zich juist altijd verbeeld hebben de eenige ware wijzen te zijn; maar men kan altijd blijven zeggen:barbam et pallium video, philosophum nondum video! Het is nog altijd, vervolgde hij, aan het einde van dezen zin het deksel zijner snuifdoos met een krachtigen tik toeslaande, als sleet hij deze woorden onherroepelijk er in op, het is altijd de oude historie van Thales, die zóó naar de sterren keek, dat hij in een put viel: altijd blijven zij in putten vol dwaasheden vallen, terwijl zij het abracadabraschrift der sterren willen lezen.

—Zij hebben de waarheid niet altijd gevonden, zeide mijnheer Van N., maar wij mogen ze toch roemen, omdat zij er naar gezocht hebben.

—Hunne groote fout, zei mijnheer Tjilp, was hun overmoed: zij meenden uit de verstandelijke redeneering, uit een syllogisme alles te kunnen verklaren.

—Neen, hunne groote fout was, dat zij in bespiegeling en verbeelding omdoolden, zeide dokter Vijzel, in plaats van in de praktijk en bij het materiëele te blijven. Er is maar ééne school geweest, die op den waren weg was, de stoïcijnsche. De Stoïci waren geen ijdele maankijkers en droomers, zij verloren zich niet in dolle bespiegelingen en metaphysische onzinnigheden, mijnheer! Zij waren mannen van het positieve, dat is wat niet in verbeelding, maar wat in werkelijkheid bestaat.

Ho! ho! dokter! riep mijnheer Van N.—met warmte; de drommel hale je Stoïci, die waren het verst van allen van de waarheid; zij zijn in de dwaze meening vervallen, dat de mensch te volmaakter zou wezen, hoe meer hij al zijne gevoelswerkingen en aandoeningen uitroeide, ergo verloochenen zij een....

—Phoe! phoe! viel dokter Vijzel hem in de rede, phoe! is er iets dwazer dan gevoel en verbeelding, is er iets, dat den mensch meer op een dwaalspoor brengt; dat het, verstand meer benevelt? Neen, als men eens door een scheikundig proces al dat gevoel en die verbeelding uit het menschdom destilleeren kon en ze in een hermetisch gesloten flesch bewaren met het opschrift:Hier ligt de dwaasheid der wereld begraven,—kijk, dan zou het menschdom oneindig wijzer en beter wezen. Er is een Stoïcus, ik weet niet wie, en dat doet er ook niets toe, die in vier regels het beste recept heeft geschreven om gezond naar lichaam en ziel te leven, dat ik ooit gezien heb:

Gaudia pelle, zegt hij,Pelle timoremSpemque fugatoNec dolor adsit;

dat is: een mensch, die volmaakt gezond van lijf en verstand, en dus gelukkig wil zijn, moet geen hoop en geen vrees, geen vreugd en geen leed gevoelen.

—Dat recept is vanBoetius, zeide mijnheer Van N.; je vindt het in zijnconsolatio philosophiae.

—Dat is eene verfoeilijke leer, zeide mevrouw Van N., er zich in mengende, en die dat gezegd heeft is zeer te berispen,—Boetius!Boetius? is dat niet dat boekje, daar je zooveel beweging over gemaakt heb?

—Hm! zeide mijnheer Van N., tot wien deze vraag gericht was, ja, dat was dat boekje....

—Dat gij, zei mevrouw Van N., met een verwijtend gewicht van honderd pond op dat woord, dat gij zulk een afschuwelijk boek zóó vereert!!... dan was het waarlijk maar goed, als de schoonmaaksters het werkelijk gestolen of liever vernield hadden!

—Eenincunabel, een kostbare, druk, een der oudste in ons land! riep mijnheer N. met schrik over het wandalisme zijner vrouw.

Intusschen had dokter Vijzel met een triomfant gelaat zijne laatste onomstootelijke redeneering weer met een vervaarlijken slag op het deksel, onherroepelijk in zijne snuifdoos weggelegd. Maar nu zullen wij zien, hoe mijnheer Van N., die sinds geruimen tijd op hem gemikt had, als iemand, die opeens een beslissenden slag wil slaan, en die hem nu eindelijk had, waar hij wilde, die snuifdoos zou openen, om al die onherroepelijke uitspraken van den dokter te verpletteren. Hij vergat dus het door zijne vrouw opgeworpen incident, en met een glimlach de vingers uitstekende om een snuifje van den dokter te nemen, zeide hij na het plechtig opgesnoven te hebben:

—Pyrrho was een zeer groot wijsgeer, in Alexanders tijd; hij was de grootste van de sceptische en aporetische philosofen. Hij beweerde de akatalepsie, dat is de onbegrijpelijkheid en onzekerheid van alle dingen, en leerde, dat de mensch, wel verre van den invloed van gevoel en hartstochten op zich toe te laten, daarvoor geheel ontoegankelijk moest zijn. Hem zelven was alles gelijk en onverschillig; hij haatte niet en beminde niet en maakte voorkeur tusschen niets ter wereld, en ik twijfel niet of hij zou het volkomen eens geweest zijn met de woorden van Boetius, of liever (want Boetius meende dit eenigszins anders) met het recept, dat dokter Vijzel daarvan gemaakt heeft. Hij was zoo volkomen onverschillig en had zoo weinig gevoeligheid, dat hij eens zijn leermeester Anaxarchos in een put ziende liggen, voorbijging zonder hem te helpen.

—Dat is consequent van hem, merkte dokter Vijzel op.

—Welke menschen! zei mevrouw Van N. En staat dat nu in al die boeken, waarmede gij zoo dweept?

—Pyrrho dan, vervolgde mijnheer Van N., nog eens in dokter Vijzels snuifdoos tastende en het snuifje tusschen vinger en duim houdende, als had hij des dokters systeem nu bij den nek, Pyrrho dan, die, zooals wij gezien hebben, behoorde tot hen, die het gevoel veroordeelen en alle aandoeningen voor het denken doen wijken, wandelde eens en werd door een hond aangevallen. Hij liep weg on klom in een boom, en toen zijne metgezellen hem met recht uitlachten en dit niet overeenkomstig zijne leer vonden, zeide hij:—χαλεπον εστι τον ανθρωπον εκδυναι, dat is:het is moeilijk den mensch uit te trekken.——Ik weet het niet, maar zou er wel ooit scherper satire op het besproken systeem en op Pyrrho's leer gemaakt zijn, dan die Pyrrho zelf daarop met daad en woord maakte, toen hij benauwdpro tibiis suis, onwillekeurig toonde, toch ook aandoeningen en gevoel te hebben——al was het dan maar in zijne beenen!

Ik zwerf in deze dagen gaarne alleen wet mijne gedachten; want er zijn gewaarwordingen en aandoeningen in onze ziel, zoo fijn als zeepbellen, die bersten, als men ze aan een ander zou willen teruggeven; er zijn snaren in ons gemoed, zoo teer als spinrag, die breken zouden, als men ze aanroerde.

Nu voel ik mij aangetrokken door de zee, die in harmonie is met de onbestemdheid en rusteloosheid mijner gedachten.

Ik kijk dan naar dien ronden horizon, waarvan ik het einde niet ken, en die weer verder is, als ik hooger klim; dien hemel, die er op schijnt te rusten; dat altijd aankomen van golvengroepen—wie weet van waar en waarheen?—, die aanrollen op het strand, gestuwd door eene kracht, die mij onbekend is, om straks weer terug te glijden. Alles onbestemd en oneindig. Ik hoor naar het gefluister der golven in eene taal, die zij meebrengen van wie weet welke geheimzinnige streken.

Hoor het levenslied der golven, dat mijne ziel en zij elkander beurtelings toezingen:

Als de deinende zoo is het leven;Steeds rusteloos wentelt en stuwtNu de vloed dan de ebbe der wereldGolf op golf als geslacht op geslacht.Zoek er niet naar de bronne die waatrenOf de veer, die het alles beweegt;De verschijnselen, nooit de verklaring,Zijn den denker ten schamelen oogstHoe die golven den oever bereikenWaar een andere nutteloos breektHoe die eene zich heft naar de hoogte,En er praalt in de glanzende zon.Waar die andre verzinkt in de diepte—Ik vraag het vergeefs;—maar het fluistert:Een verborgene macht, die ze voortdrijft,En maar één bestemming haar wet.Dus voort met de golven des levens,Nietvragen, maardoenis uw taak;Aan het lot of gij needrig verdwijnenOf fonkelen zult in het licht.Aan het werk! Wat er schitter of kwijne,Het is ééne beschikking die heerschtEn ons drijft naar den eeuwigen oever,Waar de vraag is: wat brengt gij hier aan?

De zilte lucht wekt mij op en spant het geheele organisme, en bij het gefluisterde lied der golven verheft, zich de geest. Hij vormt zich plannen voor de toekomst, plannen van moed, van veredeling, van alles omvattenden arbeid des denkers, droomen van roem; de blik verlengt zich tot in eene schoonere wereld, totdat de ziel, in een gevoel van overmoedige stoutheid, een fier welbehagen voelt in zichzelve, als had zij reeds die verhevene idealen vervuld.

O, edele zelfverheffing der ziel, wat anders zijt gij dan poëzie?—Ja, ik voel, dat zij bruist in mijn geheele wezen. Maar leeft zij er alleen als eene gaaf om haar te voelen, of zal ik ze ook kunnen uitstorten en zal de vormkracht van den geest sterk genoeg zijn om die aandoeningen van denken en voelen te belichamen?

De tijd zal het uitwijzen, maar niet alleen in dit laatste, ook in het eerste geval is die gaaf een hemelsch geschenk aan den mensch, dat met eene liefelijke muziek zijn gansche leven zal kunnen vervullen.

Doch er was weldra wat meer te doen dan te mijmeren en te wandelen. Het was nu bepaald, dat ik studeeren zou, en wel in de ——— maar wat kan het u schelen, waarin....

Daar ik een examen moest afleggen om aan de academie toegelaten te worden, moest ik nog veel werken, totdat ik op het laatst tot overloopens vol was gegoten met de daartoe benoodigde wijsheid. Nadat alzoo mijn hoofd vol was gepakt, werd ook mijn koffer gepakt.

Ik ben daarbij bepaald tot het besluit gekomen, dat mijn hoofd toen de meest verbazende gelijkenis moest hebben met een koffer.

Die vergelijking moet ik noodwendig wat uitpluizen om daardoor die verbazende gelijkenis aan den dag te doen komen.

—Maar een koffer is een parallelepipedum, en een hoofd is een bol, zegt Criticaster.

—Vooreerst, mijnheer, spreek ik niet tegen u—en ten tweede spreek ik niet vanuitwendigegelijkenis. En toch, zou ik ook voor het uitwendige genoeg punten van vergelijking kunnen, vinden: b.v., mijn koffer is bedekt met leer: leer, mijnheer, is een weefsel, geheel gelijk aan het weefsel onzer huid, de huid, die mijn en uw hoofd, indien gij ten minste niet gescalpeerd zijt, bedekt; mijn koffer en mijn hoofd zijn dus met hetzelfde weefsel bekleed, welk weefsel op zijne oppervlakte weder bij beide met een ander gelijksoortig, het celweefsel van het haar, is begroeid: alleen bij den eene (het is een ouderwetsche koffer) is het rood en wit koehaar, en bij het andere menschenhaar.

En mocht nu voor het overige, wat den parallelepipedischen en den bolvorm aangaat, de vergelijking in vele punten falen—hebt gij Homeros gelezen?—welnu, gij zult bij hem kunnen opmerken, dat het tot het wezen eener vergelijking behoort, dat zij niet in alle deelen doorgaat.

Maar nog eens, ik sprak niet vanuitwendige, maar vaninwendigegelijkenis.

Van mijne jeugd af werd mijn koffer—ik meen mijn hoofd—steeds gevuld: ik kan niet opnoemen, wat er al zoo inging, maar dat is zeker, dat het boeltje goed werd aangestampt en de hoekjes gevuld. Maar toen het op het laatst liep, was er dikwijls een gevecht tusschen mijne meesters over den voorrang; de een nam te veel plaats in naar den zin van den ander, ieder wilde de beste plaats voorzijnegoederen, en ieder wilde zijn goed bovenop leggen, dat het niet door de zwaarte van het overige wierd gekreukt. Het was verder weer natuurlijk volgens dekoffer-logica, dat zij zooveel inpakten als zij konden, daar zij het allen op dit ééne punt eens waren, dat, hoe meer er in een koffer is, des te meer er ook uit kan komen.

Zij rekenden er evenwel niet op, dat de bodem er wel eens uit kon vallen of breken.

En mijne goede moeder, die ook zoo bezorgd was om toch van alles in mijn hoofd—ik meen in mijn koffer te pakken.

Zoo werden dan mijn hoofd en mijn koffer ongeveer eveneens behandeld en volgepropt, en beide naar de stad X geadresseerd, om daar uitgepakt te worden.

Te X werd ik uitgepakt, als een reiziger aan de grenzen: de hooggeleerde douanen snuffelden en doorzochten of alles in orde was, voordat ik met mijn boeltje veilig de grenzen der wetenschap over mocht.

Maar wat mij zoo vaak, als ik op reis was, gebeurd is, dat ik behoefte had aan iets, dat onder in mijn koffer zat of maar niet te vinden was, geschiedde evenzoo bij mijn examen.

Telkens zat ik te zoeken naar een stuk geschiedenis, dat misschien onder een hoop mathesis lag—of naar eenig taalkundig ondergoed, waarvan ik niet meer wist, waar ik het gelegd had. Ook bemerkte ik, dat ik eene menigte zaken bij mij had, die niet noodig waren, en aan den anderen kant soms vergeten had, mee te nemen, wat volstrekt onmisbaar bleek.

Evenwel was het vrij goed afgeloopen en werd ik over de grenzen der wetenschap toegelaten.

De laatste avond tehuis! Wat een zonderling gemengd gevoel bevat dit oogenblik voor een jongen! Voor de ouders is er alleen verdriet. Maar de jongen vol vuur en levenslust, wien de wanden der ouderlijke woning te eng worden, die de wieken wijder uit wil slaan, voor wien de wereld een tooverparadijs is, vol half bekende, en daarom des te aanlokkender genoegens, die zich de grootsche gestalten der edele vriendschap en liefde, van moed, roem en eer met de schitterendste kleuren heeft afgemaald—een jongen, voor wien alle geluk reeds bevat is in dat ééne tooverwoordvrijheid! O, hoe anders, hoe gemengd zijn zijne gevoelens, als hij die wereld in zal treden!—Hoe trouw en braaf zijn hart, hoe edel zijne beginselen ook zijn, met hoevele banden hij ook in warm geval gehecht zij aan zijn ouderlijk huis, het oogenblik, dat hem vrij zal maken, dat hem in dat tooverland zal voeren, is te aangrijpend, te sterk prikkelend, om niet op te wegen tegen het verdriet van scheiding, en om dat verdriet niet terug te drijven en alleen geluk voor te spiegelen.

De laatste dagen tehuis waren in drukte van allerlei aard voorbijgevlogen; den allerlaatsten dag had mijne moeder nog eenig geld van haar en eenige flesschen lekkernijen en besten wijn bij mijn goed gepakt, hetgeen ik eerst naderhand bemerkte; toen was eindelijk alles klaar en hadden wij niets meer te doen, dan te wachten, dat de avond zou omgaan.

O, hoe pijnlijk was die avond, met dat gesprek, dat maar niet vlotten wilde en die nietsbeduidende woorden en zinnen.

Er zaten daar niets dan lichamen om de tafel, ieders geest was afwezig, ieders gedachten hadden hare eigene bezigheden. Men wilde niet over het afscheid spreken en alleen daaraan dacht de geest—men wilde over iets onverschilligs spreken en niets van dien aard kon den geest boeien.

Algemeene stilte.

—Wat waait het, zei mijnheer Tjilp om iets te zeggen.

—Ja, zei mijne moeder.

—Ja, zei mijn vader in een anderen toon.

—Ja, zei ik, weder in eene andere toonwijziging.

Lange stilte.

Ik verliet even de kamer om nog eens naar mijne koffers te zien, die op mijn werkkamertje gepakt stonden.

Ik hoorde een voetstap.

Mijne moeder drukte mij in hare armen.

—Kind, lieveling! pas toch braaf op en denk altijd om ons....

Haar gemoed was te vol om meer te zeggen. O, hoe ondankbaar, hoe ellendig vond ik mij, dat ik zelfs toen niet met droefheid naar de toekomst zag en niet liever wenschte te blijven!

Toen wij weder terugkwamen, werd het gesprek niet levendiger.

Mijn vader bleef peinzend voor zich staren.

Mijnheer Tjilp zeide nogmaals, geloof ik, dat het zoo woei.

Mijne moeder werkte met neergeslagen oogen.

Bella was treurig, omdat zij een vriend en makker verloor.

En ik?...

Ook voor mij waren de ouderlijke wanden te eng, ook ik wilde de vrije vleugels wijder uitslaan: ik was verheugd, dat ik eindelijk die wereld in zou stevenen, waarvan zoovele idealen voor mijn geest heenzweefden, die wereld, waarvan ik niets dan den boom der vrijheid zag en de zon des geluks, die mij voor het hart niets dan verhevene gevoelens, voor den geest niets dan roemrijk voedsel beloofde; was het wonder, hoewel de droefheid om mij heen wel weerklank in mijn hart vond, was het wonder, dat dit alles op mijne gloeiende verbeelding te sterk werkte dan dat ik niet verheugd zou zijn?

O wonderlijk samenstel van het menschelijk hart! dacht ik een paar dagen later. Te midden van de droefheid rondom mij had dat hart gebonsd door het gelukkig vooruitzicht, en nu dat vooruitzicht niet meer vóór mij ligt, maar ik er middenin ben, is door mijne vreugde een weemoedige draad heengeweven.

Was het, omdat ik naar huis terugverlangde? Neen. Maar omdat elke verandering van levenstoestanden, hoe men er ook naar gewenscht hebbe, iets weemoedigs bevat.

Het is hierin ook waar, wat de oude Montaigne zegt:La naissance, nourissement et augmentation de chasque chose, est l'altération et corruption d'une autre.

De nieuwe toestand ontstaat uit den dood van den vorigen. Men kan geen jongeling worden, voordat het kind in ons gestorven is. Men kan geen man worden vóór den dood van den jongeling in ons. Dat sterven en verdwijnen is weemoedig, het geeft het besef, dat er iets in ons voorbij is, dat nooit weerom komt.

Zoo was het ook bij mij. Hoe sterk—de jongeling verlangd moge hebben, de wijde wereld in te gaan, wanneer hij van eenvoudigkind zijner ouders, burger wordt in de maatschappij om te trachtenmante worden, voelt hij toch een stuk van het geheel, dat zijn leven uitmaakt, achter zich afbrokkelen en verdwijnen in de diepte.

En zóó gaat het in het vervolg; telkens, als iets nieuws een later tijdvak in ons leven geboren wordt, sterft er iets af, dat wij nooit weer kunnen terugroepen of aanschouwen zullen.

's Avonds te tien uren moest ik op den postwagen wezen.

Een laatste glas wijn word tot mijn afscheid gedronken. Toen word het ook mij beklemd in de keel.

Mijn vader—gij zoudt u bedriegen, als gij verwachttet, dat hij een aanspraak hield met lessen van levenswijsheid, of vol gevoelige oratorie; hij gaf mij geen kaart van de klippen, die ik te ontzeilen en de gronden, die ik te mijden had.

Wien het tegen moge vallen, of wie het koud vinde—treffender dan alle welsprekendheid waren een paar gefluisterde woorden van liefde beter dan alle vertooning een eenvoudige omhelzing en handdruk.

Ik stond buiten het huis en de koude lucht woei mij tegen. Koude voorproef van den dampkring der onverschillige wereld, die mijne tranen droogde.

Ik stond buiten, en die koude lucht woei de warme en teedere indrukken weg en maakte mij weder verheugd en opgewonden.

Woei zij ze geheel weg?

—Neen—zij deed ze zich slechts verschuilen, en in stilte bleven zij voortbestaan; want jaren later nog bestonden zij en ook nu komt er wel eene aandoening op, als ik ze herdenk.

En hiermede sluit het eerste deel van mijnLevensboek.

De volgende bladen behooren hier niet tehuis. Die wij nu hebben omgeslagen maken deel uit van een afgeloopen tijdperk; wat verder ligt, is of nog te versch of in wording.

O, hoe gaarne beschouw ik dat Eerste Boek! Met wat een wellust herdenk ik dien vorigen kring, waarin ik mij bewoog, en geheel die liefelijke omgeving, in al haar reinheid, frischheid en eenvoud, beschermen door den gloed der huiselijke genegenheden, onbesmet en onberoerd door het woelen en zwoegen en strijden van het latere leven.

Wat zijn zij diep en duurzaam, de indrukken in dien tijd ontvangen, wat zijn ze levensvol en frisch!

En dan, wat elken denker de oogen telkens naar dat tijdperk moet doen heenwenden, het is daarin, dat de ziel zich heeft beginnen te vormen, dat de geest eene beslissende, dikwijls voor het leven beslissende, richting heeft genomen. Het is dus eene onmisbare bron voor de verklaring van ons geestelijk zijn.

Het is ook goed, de herinnering aan dien tijd in ons levendig te houden, omdat de jongelingsleeftijd een bestanddeel bevat, dat wij niet in ons moeten laten versterven. Het is dat edel vertrouwen en dat geloof aan eene ideale zijde van het leven, waaruit zijne poëzie, zijne illusiën en inspiraties, zijne ontvankelijkheid voor alles wat edel, waar en schoon is ontspruiten. Daarom is het zoo heilzaam, dien tijd te herdenken, als de strijd van het leven dat deel wel eens doet verzwakken, en dáárin is het geheim van het aantrekkelijke, dat in die herdenking gelegen is.

Wee den mensch, die dit alles later als niets dan ijdel verbeeldingsbedrog gaat beschouwen, want zijn zedelijk en geestelijk wezen is dor als het zand.

Gezegend zij die tijd met al de beelden, die er bijhooren.

Er zijn altijd lezers of lezeressen, die, nieuwsgierig en ongeduldig, even, even maar het einde van het boek willen inzien, al ware het alleen om gerust te zijn, dat zij niet sterft, of om te zien of de boosheid niet gestraft en het misverstand niet opgehelderd zullen worden,en of zij elkander nog krijgen.

Zulken heb ik ook ontmoet, die ongeduldig de vingers uitstrekten naar de verdere bladen van het Boek, dat ik hun liet zien.

Dat ik ze waarschuwde voor berouw of hen vermaande, met geduld den groei en de ontwikkeling der verdere toestanden en denkbeelden te verbeiden, baatte niet, en ik zou bijna boos op hen geworden zijn, als ik niet bijtijds bedacht had, welk een onwederstaanbare aandrang ons armen stervelingen eigen is om de toekomst vooruit te loopen en haar sluier op te heffen.

Daar hebt gij dan nog enkele kijkjes in de verdere bladen, u ten beste gegeven, die het verlangt. De overigen mogen er gerust uitscheiden; wij leven in een vrij land.

Gezegend, zeide ik, gezegend die vroegere tijd, met al de beelden, die er bij behooren!

O, blijft dan om mij heen, gij liefelijke gestalten, mij eens zoo dierbaar in de werkelijkheid en waarvan sommige nu nog alleen dierbaar zijn in de herinnering; blijft om mij heen, zooals gij u bij het licht van het haardvuur voor het oog der herinnering afbeeldt!

Blijft als mijne ziel u weder oproept! O, thans is zooveel, dat eenstegenwoordigwas,verledengeworden———, hier is de oude bibliotheek—nu zit ik op mijne beurt er te schrijven en zie naar dien hoek, waar, aan den voet van een der kasten, eens een jongen zat,in angello cum libello[4]; die bibliotheek, waar zoovele van mijne denkbeelden en indrukken, als ik ze naspoor, blijken ontvangen en ontkiemd te zijn, waar gewichtige toestanden van mijn leven zijn beslist, waar op alle planken herinneringen zitten en mij toewenken en verhalen van vroegere dagen.

Waar is het edele hart, dat in die dagen hier klopte? Waar is de diep doordringende, de veel omvattende, de wijsgeerige geest, die hier werkte?

........................................................................... ...........................................................................

En daar ginds staat de oude met marmerpapier beplakte doos. Toen ik op de kamer van haar vorigen eigenaar kwam, zooals ik beloofd had, heb ik ze opengedaan en de viool gevonden met drie gesprongen snaren: ik heb ze in de hand genomen en getokkeld op de laatste snaar, doch haar trillende, weemoedige toon, eenstemmig met dien van mijn gemoed, trof het oor niet meer, waarvoor hij gewoon was te klinken. Dat gevoelige zintuig was nu gesloten voor deze, en misschien geopend voor hemelsche klanken. Zou het nu voldoening smaken, dat fijne gevoel voor het schoone?

Ik heb toen de viool in de bordpapieren doos gelegd, om ze mede te nemen als een aandenken, en zoo staat zij daar, stoffig als de herinnering aan dingen, die niet meer zijn.

........................................................................... ...........................................................................

Maar, waar dwaal ik heen! De gedachten schieten te veel vooruit, en de vingers grijpen te ver in de bladen van het Boek, dat ik in handen heb; de enkele bladzijden, die ik beloofde u nog te laten lezen, liggen niet zoo ver in het boek en zijn van vroolijker aard.

Vijf jaren waren voorbijgegaan, waarin ik maar bij tusschenpoozen te huis was geweest, toen ik eindelijk weder het eene van de tweelinghuizen binnentrad.

Voor mij—wat een druk bewogen tijd, wat een tijd van ontwikkeling en verandering, waarin nu eens gedwaald, dan weer teruggekomen was, waarin zich de geest uit een rusteloozen chaos gevormd had, niet tot een stilstaand water, want de geest staat nooit stil, maar tot een stroom, die eene vaste richting heeft aangenomen. Maar wat al veranderingen in vijf jaren!

Doch dat oude huis stond daar nog altijd rustig en onveranderd, rustig als de ziel der bewoners: zijn spitse gevel wees ten hemel, evenals het gemoed der bewoners, zijne glazen glinsterden vriendelijk en helder als hunne oogen, zijne deur was gastvrij als hun hart: zijn uiterlijk was altijd even net naar den aard mijner moeder, maar altijd even ouderwetsch (behalve de groote ruiten, want mijnheer v. N. was een vriend van licht) naar de onwrikbare begeerte mijns vaders. Mijnheer en mevrouw v. N., waren dezelfde als altijd, met dit onderscheid, dat zij jonger schenen te worden, toen ik te huis kwam.

Ik was geen halven dag in huis, of mijn vader had mij allerlei zeldzame boekskens laten zien, nieuwe aanwinsten. Mijnheer Tjilp, oude trouwe vriend, was er ook en vroeg, hoe mijne viool voer.

En Bella?

Wat bloost zij, als ik haar een welkomskus geef! en wat ziet zij telkens steelsgewijze naar mij—ja, ik bemerk het wel—om te zien, hoe die vroegere broeder en speelmakker van haar nu is.

Wat schoone maagd is er geworden van het kleine, tengere, zwarte kind! Zij is nu twintig jaar, maar de omstandigheden harer kindsheid hebben haar verstand vroeg gerijpt. De zwarte haren hebben den gloed van gitten, met een nauw merkbaren bruinen weerschijn; de donkere oogen, in helder en zacht blauw liggende, worden door lange pinkers in fluweelen schaduwen en diepten gehuld of schitteren helder en lief in het licht. Het geheele gelaat doet denken aan den heerschenden toon in Rembrandts stukken en men zou in sommige oogenblikken geneigd zijn, haar als eene schepping van zijn penseel te beschouwen.

Zoo vond ik het te huis.

Wat ik mij verbeeld had omtrent Bella's vader en zijn levenslot was behoudens een paar omstandigheden geheel verkeerd geweest. Hij was niet gestorven. Toen de eerste vreemdheid onzer hernieuwde kennismaking voorbij was, verhaalde Bella mij veel over hem. In zijne legende der tweelinghuizen, had mijnheer v. N. op Bella's vader gedoeld en in meester Egbert den rusteloozen zoeker geteekend. Hij had aldus gebruik gemaakt van eene oude legende, die waarlijk veel overeenkomst van toestanden aanbood.

Evenals meester Egbert was deze man—hij heette de heer Van Randenrode—de wereld rond geweest in rustelooze omzwervingen, overal geluk, rijkdom en eer zoekend, terwijl hij het eerste zeker te huis had kunnen vinden en de beide laatste in zijne wilde ondernemingen versmeet. Zijne vrouw was eene Engelsche; zij was te fijn van ziel en van gestel om onder de veranderlijke nukken en bij den onbezonnen en wisselzieken aard van dezen man te kunnen blijven leven. Zij was gestorven, hem een klein kind achterlatende. Met dit kind was hij opnieuw de wereld door geweest, nu eens in Spanje, later in Indië zijn geluk beproevende, maar overal door dat hem telkens ontwijkende geluk verlaten. Na eene reeks van rampen, na het verlies van zijne laatste middelen, van zijn goeden naam, van zijne eer, van alles, behalve van zijne kleine Bella, was hij eindelijk, als een bedelaar bijna, terechtgekomen in het huis naast ons. Wat ik nu eerst hoorde, dat huis was toen in mijns vaders handen geraakt en die edelmoedige man had den ongelukkige daar eene rustplaats geschonken, waar hij onder dak kon komen, totdat hij hem op eene andere wijs zou kunnen helpen. Want verdere en betere hulp wilde hij hem verschaffen. Het gelukte hem, den ongelukkige de middelen te bezorgen (en voor hoeveel, wat het geldelijke aangaat, heeft mijnheer v. N. nooit aan zijne vrouw durven bekennen; hij was soms zoo onberedeneerd edelmoedig, dat hij zich schaamde!) om nog eenmaal, na zooveel zware beproevingen, zijn fortuin te gaan zoeken in Amerika.

Maar nu moest bij Bella achterlaten—het was een uitdrukkelijk beding. Bella was de oogappel, de afgod van haar vader, en die man voelde zich het bitterst ongelukkig, toen mijn vader de wreedheid had, zooals hij het noemde, op die voorwaarde aan te dringen. Maar mijnheer v. N. was onverbiddelijk; hij zeide den heer Van Randenrode, dat hij aan de nagedachtenis zijner vrouw, dat hij aan zijn kind verschuldigd was, als eene expiatie van al zijne dwaasheden, deze opoffering te doen, dat het kind niet mocht gewaagd worden aan de onzekere kansen, die hij nu stond te ondergaan—dat het kind in hemzelven altijd een vader en in zijne vrouw eene trouwe moeder zou hebben. Tranen en smeekingen baatten niets.

Zoo werd Bella bij ons gelaten. Haar vader was alleen de wijde wereld ingetogen. Ongelukkig de man, die zoo laat, die met grijze haren zijn levensloop nog eens beginnen moet!

Hij had het geluk, op zijn pad een man te ontmoeten, die dat wilde en rustelooze karakter, dien wisselzieken geest eenigszins tot zelfkennis en verandering bracht. Eene vereeniging van edele mannen nam den verdwaalden broeder op; hij ontving de stoffelijke hulp, die het eerst noodig was, en later zedelijke ondersteuning; een gelukkige keer nam eindelijk in hem plaats, en na een twaalftal jaren, jaren van beproeving en van harden arbeid, was hij in staat, zich met eer en onafhankelijkheid in de maatschappij te bewegen.

Sommige van deze omstandigheden had ik van mijn vader, andere van Bella vernomen, die ze mij verhaalde, toen wij eens eene lange wandeling deden.

Hare wangen gloeiden van het vuur, waarmede zij gesproken had. Wat eene teederheid was er in den klank van hare stem, als zij van mijnheer en mevrouw v. N. sprak, en als zij herinnerde, wat zij voor haar vader en voor haar, arme, gedaan hadden. En hoe zij getracht had, dit te beantwoorden en hoe zij gebeden had om zegen over hare weldoeners!

O, zegen op u, dacht ik, zegen op u, Bella! voor alles, wat gij in het huis mijner ouders voor hen geweest zijt, zegen op u, voor de liefde en zorg, waarmede gij ze omringd hebt, toen ik weg was, voor de vroolijkheid, die altijd was, waar gij waart, voor den lieven klank uwer stem, aan wier toon men de stemming uwer ziel kon kennen!

Of deze gedachten duidelijk genoeg in mijne oogen te lezen stonden, toen ik ze lang op haar vestigde, terwijl zij sprak, weet ik niet, maar zij sloeg de hare neder.

—Bella, zeide ik, weet je wel, toen je een klein meisje was, dat ik je eens in het gras met die rozen zag zitten spelen?

Zij lachte zoo welluidend, dat de vogels in het bosch gingen medezingen.

—Ja, zeide zij, en een wonderlijk, eigenzinnig kind was ik toen! Zou je gelooven, vervolgde zij opeens ernstig, dat ik toen een bepaalden afkeer had van alles, wat gewoon was: speelgoed, gewoon speelgoed, daar een ander kind gelukkig mee zou geweest zijn—het is waar, ik heb het zelden gehad——maar ik had het toch niet willen hebben, ik moest iets vreemds hebben, iets, dat mijn eigen was, dat ik zelf en alleen koos: zoo was het met alles. Ik was een eigenzinnig, zonderling klein kind; ik hoop niet, dat die trek mij bij is gebleven, want ik heb een afkeer van vrouwen, die opzettelijk zonderling willen zijn; de vrouw moet het gewone leven niet versmaden, zij moet er niet buiten of boven willen staan, maar zij moet dat juist verhoogen, veredelen, en dan wordt het vanzelf minder plat en prozaïsch!

Ik glimlachte om het vuur, waarmede zij sprak.

—Lach je mij uit? vroeg zij met een opgeruimd gelaat.

—Ik glimlach, zei ik, maar het is uit genoegen; ik bewonder je—ik maak nooit complimenten—dat je eene zoo juiste beschouwing hebt van het leven en van de wijs om het te veredelen; vrouwen vallen meest in uitersten; of zij maken zich weinig beduidend en alledaagsch, of zij zijn altijd in de wolken en geneigd tot mysticisme.

Zeker, wat er verkeerd en ziekelijk is in de eigenschap, die zij bedoelde, had zij niet, maar het goede, het gezonde er van had zij; het was het afwijken van den gewonen flauwen sleur, een eigenaardig zijn en denken, met eene zachte tint van eigen geestigheid overgoten, genoegzaam om aardig en bekoorlijk te zijn zonder te hinderen.

Zoo wandelden wij voort, pratende en gaande over de oude plaatsen onzer jeugd. Bella sprak mij daarop van mijne ouders, mijne moeder noemde zij ook altijd moeder; zij vertelde, hoe zij den lieven ouden het leven gemakkelijk en genoeglijk trachtte te maken, hoe zij den ouden heer op allerlei wijzen plaagde met zijne boeken, maar hoe zij ook, wanneer het noodig was, depreciosadaaronder zelve voor hem schoonmaakte; en duizend kleine omstandigheden meer, onbelangrijk voor een derde, maar boeiend voor mij.

Er was een aardig mengsel van heldere vroolijkheid en van ernst in Bella, en de overgangen van de eene naar den andere dikwijls snel en onverwacht; er was eene losheid en natuurlijkheid in haar, die men in onze maatschappij, waar vooral meisjes zoo naar geijkte, conventioneele vormen en in aangeleerde manieren gedresseerd worden, niet altijd met kieschheid en fijne beschaving vereenigd vindt.

Wat bovenal in dit meisje zoo bekoorde, was eene frischheid, frischheid van geest en gemoed, in haar gansche wezen en handelen.

Ik geloof, dat ik hierover lang liep te denken, en ik werd opeens wakker door een vroolijk gelach van Bella, toen ik op het punt was, door mijne afgetrokkenheid in eene beek te stappen.

—Waar denk je over? vroeg zij.

—Ik denk er over, zei ik, dat wat ik eens over je gedacht heb, is uitgekomen.

Zij keek mij vragend en glimlachend aan.

—En dat is?

—Dat, waar je ook wezen zoudt, bloemen uit je voetstappen zouden ontluiken.

—O, o! lachte zij, ik dacht, dat je nooit complimenten maakte?

Mijnheer Van Randenrode zou terugkomen! Op een ochtend ontvingen wij de brieven: een was er aan mijnheer v. N. en een aan Bella gericht. Hij schreef, dat hij met het vermogen, dat hij nu bezat en met de betrekkingen, die bij in Amerika had aangeknoopt, zich nu ook in het moederland een eervol bestaan kon verschaffen. Er sprak evenwel geene zelftevredenheid uit den brief, er was iets weemoedigs zelfs in de kalmte en vastberadenheid van den schrijver, en men voelde, dat dit zwaar beproefde en daardoor gelouterde karakter geleden had onder die verbuiging naar het goede, en wel kalmte, maar geen vroolijke opgewektheid meer zou kunnen verkrijgen.

Aan Bella schreef hij evenwel anders; de woorden, die hij aan haar richtte, schenen, door het vooruitzicht van haar weder te zien, meer gloed te ontvangen: het was of zij, zelfs zoo uit de verte, ook haar zonneschijn—invloed uitoefende. Bella las ons gedeelten uit die bladen voor; zij waren vervuld van vreugde over zijn terugkeer, hij kon het niet langer uithouden, hij moest zijn land, zijne weldoeners, maar bovenal zijn klein, wonderlijk, geestig kind (de man verbeeldde zich haar nog altijd als het kind, dat hij achterliet), terugzien. Bij die gedachten scheen zijn gemoed overgevloeid te zijn, en de warmste woorden waren niet voldoende, als hij van mijnheer en mevrouw v. N. sprak.

—Tut, tut! dwaasheid! zei mijnheer v. N.

Maar toen Bella voortlas en mevrouw v. N. omhelsde, bedierf deze het boordje, dat zij opzette, en toen zij nog meer las, en daarop haar arm om het grijze hoofd van mijnheer v. N. sloeg, zeide deze weer:

—Tut, tut, dwaasheid, genoeg, genoeg. En hij lachte, maar met een traan in zijn oog.

Op een ochtend nam mijnheer v. N. mij vertrouwelijk onder den arm, zooals hij gewoon was, nu ik man was geworden, en Bella mede noodigende, gingen wij te zamen naar het nevenhuis.

—Ik wil het geheel laten opmaken, zei mijnheer v. N., maar in ouden stijl natuurlijk, en de beide huizen moeten elkander blijven gelijken: den spitsen gevel zullen wij behouden, den weerhaan zullen wij weder laten draaien; groote ruiten zullen er in moeten, hm! ja, het staat anders aardig die kleine ruitjes, maar achter boven wilde ik ze behouden voor de aardigheid, vindt je het goed?

—Ik? zeide ik lachend; maar, vervolgde ik, zal Bella's vader hier komen wonen?

—Neen, zei mijn vader, die zal zich in eene handelsstad moeten vestigen.

—Gaat gij dan het huis verhuren, dat gij het zoo laat opmaken?

—Neen, antwoordde hij, maar laat ons binnengaan.

Werklieden waren reeds bezig met behangen, schoonmaken, timmeren, enz. Wij kwamen in de achterkamer, die op den tuin uitzag, een groot vierkant vertrek.

—Kijk, zeide hij, eene prettige kamer zal dit wezen! De drie ramen zullen tot den grond worden verlaagd: wat een gezellig vertrek voor een gelukkig gezin, 's winters bij dien breeden marmeren schoorsteen, 's zomers met die wijd geopende ramen, waardoor men de kinderen in den tuin zou kunnen zien dartelen, ziet, met eenige vernieuwing.... maar zou dat goudlederen behangsel niet behouden kunnen worden, wat denk je? vroeg hij, in vrees over zijn goudlederen behangsel.

—Mij dunkt, de huurder moet er maar genoegen mee nemen; ik geloof zelfs, dat dit behangselbehoortbehouden te worden, omdat het geheel met den stijl der betimmering overeenkomt, ik zou zelfs dien ouden schoorsteen willen behouden....

—Ja? ja? zei mijnheer v. N., en hij bloosde van welgevallen; dus neem je er genoegen me.... zou je het goed vinden, dien stijl te behouden? Ja, ja, die stijl is toch aardig! En hij liet met een glimlach en een komiek genot zijn blik gaan langs de met dikbeenige engeltjes versierde zoldering, de rijke tinten van het goudleer en het weelderige loof—en krulwerk om lijsten en paneelen.

—Maar lage ramen, niet waar? Waarom zouden wij geen nieuwe en oude vormen kunnen vereenigen, mits er harmonie zij?

Wij moesten boven ook alles in oogenschouw nemen. De bloedvlak in het kleine kamertje met haar verschrikkend verhaal vond ik niet: alleen was er ergens eene oude inktvlak op den vloer, die misschien aanleiding tot het verhaal gaf. Het spijt mij voor het romantische gedeelte van deze bladen, als dit de prozaïsche oplossing is.

Mijnheer v. N.'s gedrag en handelwijs omtrent dat huis ging evenwel voort niet minder raadselachtig te zijn. Hij had blijkbaar een plannetje, en ik geloofde doorgaans, dat hij het wel voor mijnheer Van Randenrode bestemde. Soms schoot er pijlsnel en schuw wel eens eene andere gedachte in mijn hoofd....

Maar neen, hoe was het mogelijk, dat hij zoo diep in mijne ziel had kunnen lezen, dat bij had kunnen lezen, wat voor mij zelven nog onbestemd en nauwelijks leesbaar was?

Maar toen de tijd naderde, dat mijnheer Van Randenrode zou terugkomen, toen zijn schip binnen was, toen hij bij ons was en de eerste dagen van verwarde vreugd en drukte voorbij waren gegaan, en er geen sprake was, dat hij naast ons zou komen wonen, toen er geheimzinnige beraadslagingen werden gehouden in de bibliotheek, toen.... en er nog zooveel gebeurde, dat ik niet zal vertellen, toen, ja toen——

—Och! zei een der nieuwsgierige lezers, het boek toeslaande (ik wist het wel, dat, als hunne nieuwsgierigheid voldaan was, zij de spijt, die volgt op de voldoening van eene dwaze neiging, op mij zouden wreken), och, zei die persoon, het zal wel weer zóó uitdraaien, dat Bella en hij....

Welnu?

NOOT:


Back to IndexNext