EEN BOUWVISIOEN.

[4]in een hoeksken, Met een boeksken Spreuk van Thomas à Kempis.

[4]in een hoeksken, Met een boeksken Spreuk van Thomas à Kempis.

Mijn wieg stond tusschen krullen—murenEn sieraan van gebakken deeg.

Wij hadden een avond onder kunstvrienden doorgebracht en levendig gesproken over de bouwkunst onzer dagen. Zij was er geprezen, gehoond, ontkend en erkend. De groote meesters der Duitsche kunst waren opgeroepen, maar ook weder vrijgelaten. Want de kring onzer denkbeelden trok zich samen over de meer dagelijksche bouwwerken en de op vele plaatsen noodlottige bestelling, dat het architectonische talent verhinderd wordt, zijne wetten te doen heerschen over het industrieele.

Den volgenden dag kreeg ik een brief van onzen overdrijvenden vriend Bamboots, die dus luidde:

"Toen ik van onze lustige samenkomst in uw dichterlijk koepeltje, gelegen aan die sloot, die in haar zucht naar ontwikkeling er naar streeft, vaste stof te worden, waar de zon zoo heerlijk onderging in uw teeder groen getinte Rhijnwijnroemers, en de nacht in erbarmen zijn sluier spreidde over de moderne bouwerij, die wij zoo naakt hadden uitgekleed; toen ik daarna huiswaarts keerde naar mijne stad, voerde mijn weg mij weer langs dat stuk weigrond, waarop wij 's morgens reeds samen dien wonderbaren heksenkring met zijn breeden cirkel van paddestoelen hadden bekeken en bepraat. Ik had alles vergeten, wat uw landbouwkundige vriend ons daaromtrent had voorgepraat, maar toen ik daar dit stuk land voorbijging en in den vollen maneschijn den gordel zag, dien de champignons om die kale en uitgeputte plek gronds hadden gevormd, kon ik niet nalaten, er bij stil te staan. Het nog niet boven allen twijfel opgehelderde natuurverschijnsel, dat niet tot mijn verstand sprak, prikkelde daarentegen mijne verbeelding te meer. Daar waren van die paddestoelen, die er als groote regenschermen uitzagen, andere als ronde tafels op één voet, andere als geboomte met breede bladerkroon; ik dacht, hoe men er op zou kunnen zitten of er onder liggen, uitgestrekt op den rug. Dan gluurde ik, of ik de heksen niet zag, die in deze kringen plegen rond te varen en feest te houden. Alle gegevens waren voor eene verschijning voorhandem een geprikkelde geest, de stellige wil om zich alles te laten zien, de plaats, en de tijd, en de maan, de maan, die het licht, dat zij aan de zon ontleent, gebruikt om wat deze in helder daglicht stelt, weer terug te voeren in mythischen schemer, de maan, die met de zon denzelfden strijd voert als in den mensch de verbeelding met het verstand, als in den roman de verdichting met de historie. Ik begon te zien,—ik weet nog niet wat; ik trok met mijn stok een pentagram op den grond, en bedacht eene bezweringsformule;—ik zag—maar waaromik?

Laten wij er eene legende van maken; legende, kind van het morganatisch huwelijk van feit en fictie; laten wij een ruiter hierheen doen draven over den weg, die het land doorsnijdt. Ik zie hem al, hem en zijne schaduw. Zij gelijken wel een paar van de wolken, die voorbij de maan zweven, de man, die zonder scherp begrensden vorm in draf daarheen trekt, en zijne schaduw, die naast hem, en even nevelachtig als hij, het lage hakhout even streelt en er langs glijdt. Het is doodstil en eenzaam, de hoefslagen smoren in het zand: hoor, hoe stil het is, ting—één klokslag, zeer in de verte: er leven dus nog menschen, waar klokken zijn, die zij aan den gang moeten houden of zijn het eer de klokken, die de menschen aan den gang houden? De schim op dat hakhout staat stil en de ruiter ook, om te luisteren: alles doodstil; over de vlakte is niets te zien, dan in de verte ongelijke, hoopjes schaduw, waar over dag boerenhoeven in kunnen zitten, maar die thans verdwenen zijn; doodstil,—woew, woew!—in de verte slaat een werfhond even aan, maar zoover, zoover als alles wat over dag werkelijkheid heet. De schim glijdt weer voort over het hakhout en de ruiter haar na. Wat zijn die witte gedaanten, die in een kring daar op het veld zitten? Het paard maakt er een sterken zijsprong voor, steigert, met de voorbeenen maaiend, dat de hoeven tegen elkaar kletteren, en stort onderstboven, nadat zijn ruiter al in het zand is gegleden. In twee, drie wentelingen is het weer op de been, terwijl de ruiter midden op den weg zit en zitten blijft. Hij had nu ook wel willen schrikken en op zij springen, maar was als aan de plek gekluisterd op den weg, die voorbij den heksenkring loopt.

Wat groeien die paddenstoelen! Waar er geen staan, spruiten zij met snelheid uit, en die er zijn, zwellen, tot zij zoo groot zijn als kinderen. Het glinstert er, het wriemelt, het zweeft, het leeft. Op elken zit eene schim; deze geven elkaar de hand en gaan draaien en gieren, zij zijn alle gemaskerd en verkleed. Hier schijnt het Orfeus te zijn, op eene padde rijdend en spelend op de citer; Orfeus, de symbolische genius aller bouwkunst, die door rythmus en harmonie de onbewerktuigde stof zich tot gebouwen verbinden doet. Aan hare kleederen kunt gij zien, wie de anderen nabootsen. Sinte Katharina is er met het radvenster, dat haar naam draagt, en Braga, de kunstenaar van het Noorden, met Neith, Egyptische Adiene; ginds is Aholiab en Bezaleël en Hiram van Tyrus, en meester Erwin von Steinbach, met eene puntige muts als het ogief zijner kathedraal, en zijne kunstrijke dochter Sabina, en zoovelen nog, wier namen belangrijke tijdperken teekenen in de geschiedenis der bouwkunst. Dat schijnt wel Brunellesco, de eerste moderne bouwmeester, en ginds Bramante, Palladio, Vignola. In het midden staat eene reusachtige, padde overeind, met een witten mantel om en eene gevederde kleine muts op den kop, en houdt een troffel in den poot, waarmede zij zwaait en beveelt. De anderen noemen haar Borromini. De wilde dansers houden op, en nu gaan zij van aardkluiten en steenen allerlei werken maken, met daken en koepels en zuilen van champignons; zij bouwen, maar komen niet verder, want anderen schoppen er tegen, of trekken een der onderste stutten weg, en dan valt het opeengestapelde weer in, en dan joelt en jankt en kijft het weer onder en door elkander. Die in het midden roert nu met den troffel in een ketel, de brij wordt dikker en taaier, het is eene pap van de steeds groeiende paddestoelen. Nu gaan zij het deeg kneden en daarvan bouwen, en zij stapelen zuil op boog en lijst op sokkel en alles op en over elkaar.

Hiii!! snerpt het als eene gierende windvlaag door de lucht, nu de bouw is voltooid, en als eene draaiende hoos gaat het er weer omheen, tot de kring van gemaskerde spoken, die elkander aan de hand houden en den rug toekeeren, eene wentlende streep gelijkt. Het is een woeste sabbat.

Hier is het kind, hier is ons aller kind! zingen zij.

Van mij is de neus!

Ik verschafte de ooren!

De glinstrende oogen zijn mijne!

Ik gaf het de macht om zijne kaken op te blazen.

En ik die van alle vormen aan te nemen en nooit iets te zijn!

Ieder had zijn deel aan het kind. Zij brachten het in hun midden en wierpen het elkander beurtelings toe, al sneller en sneller, den kring rond, terwijl zij het doopten met een naam, waarvan zij ieder slechts eene letter uitspraken, en leder gaf het eten uit den grooten ketel met paddestoelen—brij; en bij ieder groeide het kind, snel, even snel als des nachts de tooverkring der paddestoelen opschiet. En het was weldra volwassen.

Nu gaan zij het inwijden in de bouwleer, en geven het zijn leerbrief:

De leerling, die den knaap een breekijzer geeft.

De eerste plicht van den leerling is het gebruik van het breekijzer: breek af, maar roof u eerst wat vormen, die gij onthouden en gebruiken kunt.

De gezel, die den leerknaap een troffel en eenverfkwast geeft.

Om alles glad te strijken krijgt de bouwgezel den troffel, en om te overpleisteren, wat men niet zien mag. Kunst is schijn, en schoon is schijn. Bouw van hout, van stroo, van bordpapier, van oude vilten hoeden. Verachtlijk is de stof, maar de schoone schijn is het al. Snel vaart de verfkwast over alles heen, en hout en stroo en klei worden goud, graniet en marmer.

De meester teekent den leerknaap met hetduivelsteeken op de linkerheup.

Uit uzelven schep, maar steel het eerst van andren.

De kunst is klein, lang het lustige leven.

Geen wet of regel gelde u meer.

Wees vrij!

Dan volgt het practisch onderwijs. Zij wijzen hun ingewijden zoon, hoe zij bouwen van stukken paddestoel, en van de brij uit den ketel, van stroo en papiertjes, van biezen en takjes; zij leeren het van allerlei tuig alle stoffen na te maken; zij kneden en knoeien en lijmen, zij knutselen en plakken en stapelen een bouwwerk opeen, waar ieders bouwtrant een stuk toe gaf, Egyptisch, Grieksch, Chineesch, Romeinsch, Gothisch, uit elke streek der wereld.

Met een ontzettend gieren zwalkte de bezeten troep thans om het voltooide werkstuk heen. De opperheksenmeester vloog boven op den top, stak daar in de gedaante van een bok zichzelven in brand, en regende naar omlaag in aschvlokken, die door de anderen opgevangen en verslonden werden.

Het spokende heir was nu buiten alle bedwang.

Allen begonnen te twisten over den voorrang; zij smaalden en spotten over elkanders werk, tot zij het eindelijk in stukken begonnen te slaan, en het geheel in duigen lag. In hunne dolheid misgrepen zij zich ook aan hun eigen kind, dat zij met de brokstukken wilden dooden en daaronder dreigden te verpletteren.

Ginds kraait een haan.

Woew!—op een werf in de verte slaat de hond weer aan. De dag breekt door. Als eene woedende hoos vliegt de drom om en om, in spiraal—kringen, die al kleiner en kleiner worden, de lucht in en eindelijk uit het oog, gelijk de morgennevel, die voor het zonlicht uitwijkt, en zijn slepend kleed na zich trekt. Gelukkig voor den armen leerknaap, die er gekneusd, maar toch levend afkwam, en voortsnelde naar eenig toevluchtsoord, de wijde wereld in. Daar is hij aannemer van huizen geworden en bouwt zich in de groote steden spoedig rijk. Zelfs wordt hem eerlang het maken van een monument opgedragen.

Zachtjes aan werd de gewone wereld weer hersteld. De takken verscholen hun dwaze, spookachtige gezichten, de schaduwen krompen in, het licht begon alle vormen, als de steenhouwer, van de grove omhullingen te ontdoen en ze scherper en nader aan te dringen; de boerenhoeven werden weder op haar plaats gezet in de nesten van groen; als een gouden maan ging de phantasie onder, en de scherpe, alles ziende zon van het verstand rees op.

En de ruiter, die, nog altijd verstijfd van schrik, in het zand had gezeten, kwam weer, hij wist niet hoe, op zijn paard, dat hij met de toomen verward vond in de struiken. Het beest schudde zich en rilde niet minder dan de ruiter, die, bevreesd om achter zich te zien naar den dorren heksenkring met zijn krans van paddestoelen, rende naar de stad, waar hij mij stillekens alles vertelde, en zijne haren liet zien, verzengd door den gloeienden walm van den zichzelven verbrandenden bok.

Er is geen twijfel aan of de man heeft het geheim betrapt van de wording en voortplanting van onze tegenwoordige bouwkunst; en naar zijne beschrijving te oordeelen, heb ik het heksenkind als meester zien bouwen aan eene nieuwe villa in mijne buurt.

Wees voor hem gewaarschuwd door uw vriend

BAMBOOTS."

Ik ga de wereld doorreizen, mijn waarde, en u van tijd tot tijd mijne berichten toezenden.

Gij schrikt reeds, als ik u wel ken, voor eene reisbeschrijving, omdat gij weet, hoe de meesten reizen.

Zoo zaten er eenigen op de boot met mij, dezen zomer, die ik u veilig als monsters kon overzenden van het geslacht der hedendaagsche reizigers. Daar heeft er een zich neergeplant, die maar reist om aan te komen: hij draagt als eene pyramide zijn lot, en blikt rechts noch links, tot hij er is. Ginds loopt een ander, die slechts reist, opdat men wete, dat hij reist; en zijn troost is niet te zien, maar gezien te hebben en te kunnen zeggen: dáár ben ik ook al geweest. In tegenstelling met den vorige kijkt hij overal heen en wendt zich tot iedereen. Voorts zijn er de periodieken, die jaarlijks hun tour doen, even vast en even onbewust als eene natuurwet.

Maar buiten deze bijzonderheden zijn er nog andere soorten. Zij zijn uitstekend toegerust met kleederen, koffers, plaids, parapluies, alpenstokken, tasschen, verrekijkers, blauwe brillen en Guide's. Zij hebben alles medegenomen, maar alleen vergeten, iets in hunne schedels te doen; de woonplaatsen van verstand en gevoel staan te huur, of zoo gij wilt, de werktuigen zijn er, maar de grondstof ontbreekt, of zoo gij het weer anders wilt, de machines zijn onvolmaakt en de machinisten ongeoefend.

Eene van dezen had lang staan turen in het stoomwerktuig der boot. Uiterlijk, wat schoone verschijning! Het koeltje waait de klapperende linten te gelijk met een paar vlekjes van de blonde haren los en uit het aangezicht, dat de frissche blos er te frisscher door zichtbaar worde, en jaagt de kleederen vaster om de gestalte, dat zij zich sterker teekene in haar schoonen bouw. Wat peinst deze allerfatsoenlijkste en welopgevoede jonkvrouw over de machine? Ziet zij wel, dat de zwarte, vuile stoker telkens kolen in den oven werpt? Och, mocht hij eens een fijn, fatsoenlijk en welgemanierd vermoedentje bij haar kunnen opwekken, dat, zoo hij dit nalaat, wij weldra stil zullen liggen dobberen midden in den stroom, of meedrijven met den vloed en terug met de ebbe, opdat zij er uit opmake, dat een organisme voedsel moet hebben om te werken en te handelen!—Zij en hare ouders, en haar zuster en broeder behoorden tot een gezelschap van de meest voorkomende soort. Zij hebben alles bij zich, zooals ik u zeide, maar alleen geen geestige bagage medegenomen. Geheel ongevoelig kunt gij ze niet noemen, want zij geven aan de meeste indrukken toe, die toevallig op hen werken, mits zij oppervlakkig zijn.

Wat zullen zij terugbrengen van de reis? Ik heb deernis met hen, als ik ze aanzie en dit naga. Een klein getal van uit de zesde hand verkregene verkeerde indrukken, een paar onbekookte oordeelvellingen over eene stad, eene verlepte gevoelige zinsnede over den Mont—Blanc, een dozijn geleende phrasen over natuur, komedie en table d'hôte; misschien eens anders oordeel over een paar monumenten, en eene leugenachtige bewondering van een grootsch stuk oude kunst, een Tiziano of een Correggio. Op bevel van den Murray of Baedeker, zullen zij zuchten in den kerker te Chillon, even hè! zeggen van de Jungfrau, in het voorbijgaan, vluchtigjes, vluchtigjes hun lof schenken aan de kathedraal te Florence, en in hetzelfde vertrek zijn (meer mag het niet heeten) als deStanzevan Rafaël. En dan naar huis, met even ledig hoofd als bij den uittocht, met uitzondering, dat er een paar hokjes gevuld blijven met wat er van den Guide in is blijven hangen.

Zoo zijn er duizenden, en die zijn nog de ergsten niet eens, want wij wenden gevoel voor en eenige belangstelling, of leenen die van een ander, zijdelings bewijzend, dat die dan toch vereischt zijn.

Maar er zijn ook duizenden, die alleen reizen voor hun zinnen en wufte ijdelheid.Buikreizigersmoogt gij ze noemen, of zoo gij aan de phrenologische localisatie gelooft,achterhoofdsreizigers. Zij weten alles van comfort en lekkernij, van uitspanning en uitspatting; zij hebben vele kleederen gezien en geen menschen, en die de schoonste kleederen droegen vonden zij ook de voortreffelijkste menschen; zij zijn ten toppunt van geluk, als zij met graaf Polyplonski hebben gedronken, gegeten of gereden; hunne wereld is eene groote stad of eene badplaats, en hun levensdoel zinnendienst. Met duizenden trekken zij uit, om terug te keeren als een ledig paaschei, aardig geverfd, maar—hol.

En zou ik u dan nog het recht betwisten om bang te zijn voor de vruchten van zulk reizen?

Maar hiervan staat u niets te overkomen. Ik reis dezen keer maar met mijn schetsboek en mijn potlood; menschen en dieren, een hek of eene stad, kunst en zeden, het verledene en het tegenwoordige, er komt van alles in dat boek, en er waait als vliegende bladen, van alles tot u uit. Ik wil reizen met mijne voelhorens ver uitgestoken, en met het honderdvoudig facettenoog der vlieg. Ik zal ook eens buiten de plat getreden banen gaan zoeken. De bloemen en vruchten groeien niet op de gladde heirwegen, maar daarnaast in een greppel of een ander verborgen hoekje. Zaken en menschen zijn schier overal gelijk geworden, eene gelijkheid ongelukkig meer door afslaan van het uitstekende dan door verheffing van het lage verkregen. Met alles slechtende kracht gaat de gelijkmakende werking der beschaving voort,—een nivelleeringswerk als dat van het water, dat de hooge punten afschuurt;—overal dezelfde kleeding, dezelfde gezichten, dezelfde manieren, hetzelfde eten, dezelfde maatschappij, dezelfde denkbeelden. Als ik mijne medereizigers bezie, zoowel de oppervlakkige als de buikreizigers, moet ik bekennen, dat zij even goed—Engelschen, Franschen, Duitschers, als Hollanders, Russen of Amerikanen kunnen zijn. Wat moet er diep en ver gezocht worden naar eene oorspronkelijkheid, naar een individu!

Beschaving! Wij zullen de oude thesis van Dyon niet weer aan de, orde stellen, wij blijven u huldigen; en toch is het mij somtijds of u een klein vischstaartje uit het zijden kleed komt kijken,—schoone vrouw, zooals Horatius zegt, maar die in een vischstaart uitloopt. Doch liever werp ik met verontwaardiging dit denkbeeld weg. Neen, dat staartje behoort slechts aan uwe nagemaakte bastaardzuster, die licht en dicht, met een imitatie-stofje gekleed, met een dun laagje verf is opgeflikt, dat zij heel wat schijnt. Het is die, gij weet wel wie en wat, die wisselzieke, die kleur- en karakterlooze, die men niet pakken kan en zeggen, nu heb ik je en nu zal ik je dood knijpen, maar die men overal en telkens duidelijk ziet, die zich meest in het, gezelschap van beschaving vertoont; dat ding, dat men dan maar bij benadering fatsoenlijkheid moet noemen, hoewel het geen fatsoen heeft. Fatsoenlijkheid,—het woord toont in zijn vorm reeds zijne gemaniëreerdheid.

Fatsoen, dat is nog goed, dat is vorm; fatsoenlijk is reeds eene afleiding, dat is afwijking; het is iets, dat den aard van fatsoen heeft, dat er na lijkt, maar het niet is; en dan nog—heid—dat is weer een verdere afstand van de bron, van den stam.

Daar hebt gij den moordenaar van vrijheid, van oorspronkelijkheid, van natuurlijkheid. Durf eenswaarzijn, als hij er bij is!

Nu zullen wij er toe komen te weten, wat voor wereld wij gaan bezoeken. Gij ziet al, dat het niet de groote kosmos is, noch die wereld, die met minder grootspraak eenvoudig de aarde heet, noch, overdrachtelijk, de bol, dien keizer Karel in de hand houdt, de staatkundige, noch de zeepbel, die de groote wereld heet, noch die onzichtbare, maar overal ingrijpende, overal gevreesde en gevierde tyran, van wien het heet de eischen, de opinie, de convenances der wereld, en die in den vorm vanwat zou de wereld daarvan zeggen? maatstaf is van handelen en oordeelen. Maar die vereeniging van menschelijke aandoeningen, gewaarwordingen en gedachten, die bij den omgang der menschen elkander kruisen; die wereld der phantasie, die ons omvoert in alles, dat de menschheid doorleefd heeft en nog doorleeft; die wereld, wier ruime kringen het gebied der natuur, van het zedelijk bewustzijn, der rede, der kunst omvatten, het wareleven, dat zich in gevoel, in daad en in denken uit, maar toch altijd één is.

Ook de zon was op hare schijnbare reis om de wereld. Zij was aan deWaaggekomen, en in gelijke schalen lagen dag en nacht tegen elkander opgewogen. De herfst was begonnen. Mijn eerste reisdag is een herfstdag, en gij moogt boven dit blaadje zetten:

HERFSTDRADEN.

Van den eenen boom naar den anderen, of zacht gewiegeld op de golvingen der lucht, dwarlen de herfstdraden der phantasie, licht bewogen door elken luchtstroom, verguld door de zon, als een teeder weefsel gevlochten over het ruim der aarde. Het zijn geen touwen, vriend, waar men eene katoenbaal mede kan ophijschen in het pakhuis—maar snaren kan men er van maken, wier trillingen liefelijk en bevallig klinken in de wereld des goeden en schoonen.

Als gij maar niet zegt, dat zij langdradig zijn, of dat het maar rag van spinnen is.

Daar zat er eene—eene spin meen ik eene groote, achtbeenige, diklijvige. Tusschen de ranken van een weelderigen wilden wingerd, die langs het raamkozijn oploopend, in steeds geler, bruiner en vuriger tinten, tot gloeiend rood toe, voortklom naar het dak, had zij hare webbe uitgespreid. Zij had haar middelpunt gekozen, en daaruit vele stralen getrokken als de spaken van een rad, en van de eene spaak op de andere klimmend, met den kleverigen draad achter zich, verbond zij die de eene aan de andere, den eenen veelhoek om den anderen scheppend, totdat het geheel was afgeweven, en zij zich in het middelpunt plaatste als de vorstin des rijks. De onnadenkende kleine vliegjes, met zilveren en lichtgroene vleugeltjes, bijna onstoffelijk fijne wezentjes, fladderden op de schoone kleuren van den wilden wingerd af en raakten jammerlijk in het kleverige net verward en vastgeplakt. De spin—koningin bleef gerust in haar middelpunt hangen, en zag met welgevallen haar voorraad toenemen en de vruchtelooze worstelingen der arme kleinen. Alleen, wanneer eene groote vlieg in de spaken van het wiel verward raakte, rende zij, trillende van drift, op haar af en omwond de gevangene met haar onuitputtelijken voorraad van draadstof.

Ik moet bekennen, dat ik iets zeer stuitends vond in de wijze, waarop de arme kleine vliegjes, die niets verlangd hadden dan een weinig te rusten en te eten van de schoone bladeren, door den barbaar werden gevangen en gemarteld; dat hare stuiptrekkende pogingen om zich te bevrijden mijn, gemoed in beweging brachten.

Wat, dacht ik, doet zulk eene vuile spin in de wereld? Hebt gij niets beters te doen, dan schoone vliegjes te martelen? Is dat uwe eenige levensbestemming? Zal ik dulden, dat gij voortgaat met uw barbaarsch werk, en niet liever de onnoozele slachtoffers uwer vraatzucht verlossen?

Één duw met mijn stok, en het weefsel hing gescheurd ter neder. De spin liet zich pijlsnel vallen. Nu, daar is kunst aan noch moed, als men weet, dat men toch aan een draad uit zijn lijf blijft hangen en niet dood valt. Echter, in het weefsel der verschillende aandoeningen, die in dat oogenblik in mij heen en weder werkten, was een draad van berouw. Het verstand schijnt eerst terug te keeren, als de dwaze daad bedreven is,—en eene dwaze daad was het, de arme koningin zoo ruw uit haar rijk te stooten.

Ook een draad van beschaming liep er door het weefsel—ik kon niet eens herstellen, wat ik misdreven had.

De gevallen koningin, zittende op de bouwvallen van haar kasteel, deed mij bittere verwijten.

—Gij vernielt mijn nijveren arbeid, gij hindert mij in mijn levensonderhoud, gij, die zelf honderden onschuldige dieren verslindt! en gij waant u wijs!—zei de verontwaardigde spin, zoo kwaad als ... als eene spin.

—Gij zijt eene onbeschaamde, zeide ik, boos, want ik had ongelijk;—verbeeldt gij u, dat gij in uw web het middelpunt der wereld zijt, en dat alle arme vliegjes u ten dienste moeten zijn?

—Och ja, evenals gij, die dit ook denkt van uzelven. Of meent de mensch niet, dat de aarde het middelpunt is van het om hem geschapen heelal en hijzelf het allermiddelste egoïstische punt, waar alles om draaien moet?—De geheele wereld bestaat uit eene reeks van wezens, die elkander opeten en uitzuigen; de meerdere den mindere, en die wordt op zijne beurt door zijn meerderen verslonden. Vroeger aten de menschen elkander ook op, maar sinds zij zoo geweldig in waarde gestegen zijn, dat is, sinds zij elkander zoo hebben opgevijzeld, zijn zij te duur en eet men ze niet meer. Maar dat belet niet, dat zij elkander toch uitzuigen, en het zeldzame voorbeeld opleveren van individuen van hetzelfde genus, die elkander vernielen. Als gij redelijk wilt zijn moet gij die groote wesp dáár verhinderen mij te verslinden en ook oppassen, dat die vogel, die deze wesp wel zou lusten, haar niet vangt.

—Gij zijt zeer vernuftig, schijnt het; misschien zijt gij wel een afstammeling van Darius of Alexander, eene van de twee spinnen, die Spinoza er op nahield; misschien hebt gij van daar uwe redekunst ontleend, maar uw vraatzuchtig stelsel bevalt mij niet. Gij zijt zeker een dogmaticus,—Baco zei, dat de dogmatici spinnen zijn, die hunne stelsels weven uit eene zelfstandigheid, die zij in zichzelve bevatten; gij, hebt als een dogmaticus uw systeem uit uw buik geweven, en de geheele wereld doen berusten op een stelsel van vraatzucht.

—Gij zoudt het gansche weefsel der natuurorde willen veranderen,—gij kunt nog geen spinneweb herstellen, dat gij vernield hebt!

Zij was al weer bezig de schering van een nieuw net op te zetten tegen de rosse bladeren des wingerds.

Ga maar voort, dacht ik, half boos en half beschaamd, gij zijt toch maar een dogmaticus, en het zijn in allen gevalle maar bitter magere vliegjes, die gij stilzittende vangt. Ik ga liever als empiricus de wereld in en naar buiten, daar is meer te vangen dan met stilzitten—al is het in het schoonste stelsel.

Nu had ik weer eens gelijk en ging dus tevreden de deur uit.

Waarheen? Naar de natuur, de vrije, de krachtvolle, de ware. Met den breedgeranden vilthoed, den stok, de tasch om de schouders, ga ik op reis. In die tasch zitten een potlood, enkele verven en een schetsboek, het boek, waarin schrift en beeld, uitwerksel en veraanschouwelijking der gedachten elkander beurtelings opvolgen en aanvullen. Soms moet er een boom op komen, doch wordt het een sprookje, of in de plaats eener lyrische ontboezeming, zie ik er uit de half onwillekeurige bewegingen der hand eene zacht hellende heuvelkling, een bemost hoekje muurs met eene schuilende kudde, of een wijd verschiet van duinen op verrijzen.

Dan naar buiten! Onbekend door achterstraten geslopen gejaagd en kloppend, want een is er, die mij op de hielen zit, of dien ik opeens bij het omslaan van een hoek der straat kan tegen het lijf loopen. Gij kent hem, het is Fatsoen. Als die mij betrapte in dezen toestand en deze kleeding, dan was ik verloren, of minstens een onbruikbare zonderling geacht: als hij eens wist, dat ik een ganschen dag ga zwerven in de bosschen en op de heide! als hij mij eens herkende en toesprak!—mijn dag was bedorven en mijn genot vergald. Daarom loop ik zoo snel, dicht tegen de huizen aan, en ren eene zijstraat in, als ik meen hem te zien aankomen in de verte. Dan de stad uit: bijna ben ik gered, maar nog kan hij mij verschalken: eindelijk, den landweg op, eene rijzing van den grond bedekt de stad voor het oog, eene boomgroep doet torens en geveltoppen verdwijnen, het geluid in de straten gaat in, gegons over en versterft geheel: het bosch langs, met een onwederstaanbaren dwazen glimlach om de zonderlinge ontsnapping en de gelukte list:—nu stil gestaan, om de versnelde ademhaling te bedaren, en omgezien—ik ben alleen, vrij, vrij!

Mijn verschil met de spin, had mij de oude sage van Arachne te binnen gebracht, en van haar weefsel, ook eens door de verbitterde Athene verscheurd, en ik had het kleine deeltje niet Ovidius' Metamorphosen in de tasch meegenomen. Gij kent het oude verhaal, maar willen wij het nog eens lezen, hier aan den zoom van het bosch, in het gras uitgestrekt,lentus in umbra? Misschien, dat wij er, buiten de school of het boekvertrek, en in deze omgeving...,

Patulae recubans sub tegmine fagi,

een nieuw en versch genot van kunnen smaken, want die ouden blijven altijd frisch en nieuw.

Pallas had van de nieuw ontstane hengstebron vernomen, en spoedde zich, in eene lichte wolk gehuld, naar den Helicon.

—Wees welkom in onze schoone streken, zegt Urania, eene van de negen maagdelijke kunstenaressen, en laat uwe oogen weiden over de dichte bosschen, het heerlijk tapeet vol kruiden en bloemen, de kristallijnen bron, onder des hengstes hoefslag geboren.

—Gelukkig, zegt Pallas, gelukkig dit verblijf der kunst!

—Ach, zuchtte eene andere uit het zustrental, ach, indien wij slechts in vrede waren!

Wat was de klacht der Muzen? Piërus was een overweldiger, die de Muzen aan zijn hof had willen verbinden, die haar allen zijne liefde had willen bewijzen. Maar zij waren onwillig,—nu, later, in Italië, bij voorbeeld, zijn zij aan de hoven der kleine overweldigers niet zoo eenkennig geweest. Toen hij ze nu wilde vasthouden, schoten zij vleugels aan en ontsnapten, en de ongelukkige kunstliefhebber sprong haar na uit een toren en verbrijzelde zijn hoofd.

Doch er was vroeger meer gebeurd, dat de Muzen ontstemd had en ziet, hier worden wij opeens door een geheel nieuw aanzicht van het verhaal verrast.

Negen Macedonische zusters, Piërus' dochters, hadden zich verstout, de Muzen uit te dagen tot een zangstrijd. Het ware schande geweest, zoo de Muzen den strijd geschroomd hadden. Toen zich eene maagdenrij, die tot rechtspraak gekozen was en bij de stroomen gezworen had, ter berechting had nedergezet in een kreits van uit den levenden steen gehouwen zetels, ving eene der Piërieden aan en zong de nederlaag der goden voor de macht der Giganten. Calliope zong haar tegen; het haar met klimop omwonden, rijst zij op, drukt met het plectrum de klankrijke snaren der citer en bezingt de macht, den lof der goden. Het eenparig oordeel stemde haar overwinnaar. Maar de negen Macedonische maagden hielden eene scherpe anticritiek, wat in die dagen niet paste, en zij werden tot straf daarvoor in snaterende eksters herschapen.

Gij begint te begrijpen, waar de schoen wrong: de Muzen waren nu eenmaal de erkende vertegenwoordigers der kunst en hadden daarvan, als officiëel lichaam, het monopolie; het kwam dus volstrekt niet te pas, dat een ander zich ook op kunst liet voorstaan, en haar op zijne wijze uitoefende. Wie had gedacht, toen wij ons op den Helicon waagden, dat wij daar al den strijd tusschen de vrije en de academische kunst zouden ontmoeten?

Wij zullen nog meer nieuws vinden; luister maar.

Dit hadden de schoone Muzen aan Pallas geklaagd en deze was er door ontvlamd.

Ja, dacht zij, de president der academie, daar woont in Macedonië de trotsche Arachne, die met hare kunst de onze, de eenige erkende naar de kroon wil steken. Ook zij moet gestraft worden, evenals de dochters van Piërus.

Daar stapt eene oude vrouw naar de Lydische maagd, die er de godin niet in vermoedt, maar die ook met de daarna geopenbaarde Pallas niet schroomt den wedstrijd aan te vangen. Beiden weven en stikken de schoonste tafereelen.

Pallas Athene schept er het geding tusschen haar en Poseïdoon over de schutsheerschappij van Attica—zij schildert de rechtende goden, het ros op den slag van Poseïdoons geweldigen drietand uit den grond ontsprongen, maar ook den olijf door haar, de maagdlijke godin, uit de steenrots der Acropolis te voorschijn gebracht en de overwinning haar daarvoor toegekend;—mythe van een beschaafd volk, het land veroverend en de heerschappij der zee innemend, van de overwinning der beschaving op de physieke kracht, zooals wij die ook terugvinden in de beeldgroepen aan den westgevel van het Pantheon. Athene weeft er voorts tot waarschuwing vier voorvallen bij, waarin de aanmatiging der menschen tegen de goden gestraft werd.

Maar Arachne weefde heel wat anders. Zich ontslaande van ideaal en traditie, vertoonde zij er eene reeks van guitenstreken der hemelingen, en de gevallen van een tal van schoone meisjes, door de godlijke heeren geroofd en gekust: Europa, Leda, Antiope, Alkmene, Danaë, Mnemosune, Ceres, enz. in het oneindige als eene repeteerende breuk. Die voorstelling was niet zeer orthodox, maar zij was satirisch en karakteristiek; zij was niet ideaal, maar zeer realistisch en pikant.

—Wat! barstte Athene uit, wat voor kunst is dit? Wat treedt gij onze wetten en regelen en de traditie met voeten! Wie geeft u vrijheid, de zaken anders voor te stellen dan wij gewoon zijn, en er eene kunst op uwe eigen hand op na te houden? En vergramd en naijverig scheurt zij het vernuftige weefsel, slaat de weefspoel op Arachne's hoofd aan stukken, en doet de Lydische kunstenares in eene spin veranderen, die van haar vorig bestaan nog het kunstige weven behouden heeft.

—Daarhebt gij het, dacht ik, oprijzend en langzaam voortstappend, terwijl ik het boekje dichtsloeg en in de tasch deed glijden. Athene en de Muzen waren de aangestelde uitoefenaars van officiëele kunst, en het was dus eene misdaad van gekwetste majesteit, dit monopolie aan te raken; hare kunst is de alleenheerschende, de staatskunst, met haar traditioneelen stijl en hare conventioneel—ideale voorstelling. Maar Piërus' dochters en Arachne zijn de democratische kunst, die, uit alles zichzelve wil ontleenen, haar eigen weg volgt en haar eigen begrip.

Het spreekt vanzelf, dat, toen de academie en de president boos werden, de vrije kunst in die dagen voor geweld moest onderdoen. Doch de tijden veranderden. De Piërieden werden toen eksters en Arachne een spinnekop, maar zij bleven toch natuur, dacht ik. Nu is de academie versteend, en de president is afgezet, maar de anderen leven nog. Hodie mihi, cras tibi.

Zoo werd ik door Arachne weder met de spin verzoend. Een mensch wil altijd langs een omweg verzoend worden. Dat is natuurlijk, want dan ziet hij zijn ongelijk niet zoo, of voelt de soort van schande niet, die hij in het erkennen van ongelijk waant. Zoo vond ik het ook eene tamelijk eervolle wijze om met schik van mijn toorn af te komen, vooral sinds ik uitgevonden had, dat de spin of Arachne de vrije kunst is. Wat eene heerlijke gelegenheid voor eene spin om de juistheid, van mijn beginsel te beproeven, en, van den rand van mijn hoed tot mijn neus een web wevende, mij ook de leelijke werkelijkheid te laten zien, die mij van mijn naturalistischen waan weer bekeerd zou hebben tot de ware kunst!

Ziedaar mij dan weer in het evenwicht gebracht, waaruit de woordentwist mij had gestooten, en bereid de natuur te genieten met dat gevoel van kalmte en vrijheid, dat ons uit hare kalmte en vrijheid ademend wezen toestroomt.

Liefelijk is het, rond te, dwalen in deze herfstdagen. Dan genieten wij nog zoo gretig van de laatste zachtheid en teederheid der natuur, te liever, omdat zij ons zoo spoedig dreigen te verlaten. Want ook hierin zijn wij zoo, wij kinderen, dat wij het speelgoed in een hoek werpen, en er om dreinen, als men het ons afneemt. Thans verwijt ik mij, dat ik haar niet lief genoeg gehad heb en haast mij, in vurig genot, haar schoone wezen als met alle zintuigen te omhelzen. Het liefst is mij in dezen jaartijd toch de heide, dat grootsche van hare uitgestrektheid, dat vrije, dat eenzame, gedachten bezielende. Daarom spoed ik mij voort, hoe mij de eiken- en beukenbosschen ook tarten met al den gloed hunner stoute en schitterende kleuren. Allengs begroet ik de kenteekenen van den heigrond. Terwijl de eiken met hun kantige bladmassa's en hun knoestigen, gekromden takkenbouw, de beuken met hun gladder, fijner vormen, hun scherper, meer horizontaal gestrekte bladerengroepen, en de slanke berken met hun blikkerend loof, hun teedere gestalte en wuivend gepluimde toppen, reeds alle achter mij gedompeld liggen in den rijkdom van tinten, die de toonladder van goudgeel tot bruin of vurig rood oplevert; terwijl hier en daar al eene enkele groep de ontbloote toppen, als kale schedels, uit het loof heft, kunnen de dennen, die ons nu omringen, nog op al hun groen bogen, al is dit wat gehard of gebruind door de zomerhitte; en het dichte naaldgebladerte geeft den schichtigen eekhoorn nog eene schuilplaats, die voor mij vlucht, als ik—voor, ge weet wel wien. De koningen der hei, de statige dennen, wier ruischend lied en geurig aroma mij altijd zoo bekoren, bewassen in lange en dichte rijen de zoomen van den heigrond. Ik spoed mij voort tusschen hunne afgeschilferde, roodbruine stammen, voort over den met tengels, schors en pijnappels bedekten grond; tot waar de stammen ijler worden en de lucht laten doorschermen; nog eene kleine, zandige streek, waar het bosch ophoudt, de laatste hoog opgeschoten stammen de kruinen zachtkens wiegelen, en een jeugdige opslag, de vrucht van door den wind hierheen gestoven zaden, weder een stuk gronds heeft veroverd, en wij zijn op de wijde vlakte, waar de voet het schoone vloertapeet drukt der veerkrachtige erica's.

Achter mij liggen nu de lange reeksen van pijnbosschen, die het landschap aan die zijde omlijsten, eene lijn, rijzende en dalende te gelijk met den bodem, versmeltend in steeds dampiger tonen en wegloopend in den gezichteinder.

En vóór mij, wat een rijkdom in die twee eenvoudige gegevens, eene wijduitgestrekte vlakte en het koepelgewelf des hemels daaroverheen!

Nu eens helder en gespannen, laat die lucht de nog warme herfstzon over de heide stralen; dàn vormen zich in het westen dampen en groeien daar tot een paar wolkjes aan, die als de rookwolk van een kanonschot daar blijven neerhangen bij den gezichteinder; of vluchtend op den adem des winds ijlen meerdere wolken elkander achterna en werpen evenzoo elkander naglijdende banden van schaduw op de zonnige vlakte, die er de verrassendste licht—en schaduwpartijen door wint.

Duizend geestige motieven voor het penseel liggen in dien grond met al zijn hoogjes en laagjes, dien grond, die, zonder hooge heuvels toch zachte zwellingen en dalingen der oppervlakte aanbiedt. Nu eens is de heiplant en de dunne zwarte aardkorst opgerukt en ligt de witte zandgrond bloot, ten gevolge van natuurlijke oorzaken of door het afsteken van zeden, die als plaggen elders op den dorren grond tot bouwaarde moeten strekken; ginds is eene moerassige streek, met eene harde en leelijke grassoort ten deele begroeid, die bij overvloedigen regen in deze vlakte een kleinen spiegel zal vormen; elders is de bovengrond door den regen in slangsgewijs voortloopende groeven en spleten omgewoeld, en zijn de geel—of roodachtige banken zand—oer ontbloot.

Het meest karakteristiek is de hei in haar plantentooi. Hier en daar met andere planten vermengd, varen, russchen en brummels of beziën, bestaat haar meest kenmerkend gewas toch uit ericaceeën. Duizenden bij duizenden in dichte bundels groeiend, bedekken de schoone erica's met hare bruine stammen, hare fijne, donkergroene bladeren, en de stengels aarvormig bezet met de lila en rozenroodachtige, zelden witte bloemen, den bodem, en, geven daaraan die paars—bruine kleur, die naar de mate des lichts hare schakeeringen meer naar het paars of naar het bruin doet overhellen.

Zoo strekt zich dit landschap tot den verren, verren gezichteinder uit, eene schier onbegrensde ruimte voor den geest des mijmerenden zwervers, en geen berg hindert het uitzicht.

Geen berg, diehindert?—Ja:—al ontken ik het grootsche schoon der bergen niet. Ik zal niet onderzoeken, in hoever die hindernis een moreel of wel een aesthetisch gevoel ten grondslag heeft; maar zeg mij, waarom gij geen berg zien kunt of gij wilt hem beklimmen, en u zelfs bij geschilderde bergen de lust bekruipt van te weten, wat er achter ligt? Is het niet, omdat hij u het uitzicht beneemt, dat gij uw blik zóó ver in de ruimte wilt laten weiden, als het physisch vermogen van het oog toelaat?

Welnu, dat kunt gij hier, en laten wij er in allen geval tevens de krachtige aesthetische uitwerking bij erkennen, die ook aan het vlakke landschap eigen is.

Somtijds wordt de stilte en eenzaamheid van dit natuurleven gebroken door eene kudde, die hier grazen gaat, en wier herder in eene greppel zich uitstrekt of achter eenig struikgewas een plekje schaduw zoekt. Diep in den grond geploegd kronkelt een oud spoor zich voort, welks voren reeds gedeeltelijk weer met pruiken van heide bewassen zijn, en somtijds rinkelt daarover de bel van een paard, dat schuddende het door een netwerk of een boomtak beschermde hoofd, met langzamen en zekeren stap de open kar voorttrekt, wier hooge, schuine wielen het oude spoor weder omwoelen. Lang kunt gij het geklikklak der bel hooren en de kar nastaren, die zich naar de leemen hut voortbeweegt, wier bemost dak zich in de verte nauwelijks van den heigrond onderscheidt.

Het is mij alsof ik hier zou willen leven, voor eenen tijd. Het is in alles een zuivere natuurindruk, dien men ontvangt, de menschenhand heeft hier nog niets gedaan, en daarom bleef er zooveel, dat tot ons spreekt uit de eenvoudige bestanddeelen van het landschap om ons henen. Beurtelings is het een ethisch en intellectueel leven, dat zich openbaart, een wereld voor het gemoed of het verstand, beurtelings eene aesthetische kracht, die zich doet gelden. Denker of kunstenaar, beiden kunnen hier dien toestand van zuiver genot smaken, waarin de mensch, in de beschouwing verloren, vrij wordt van zijn eigen ik, vrij van wat zijn wil en begeerte opwekt, en geheel belangeloos tegenover de natuur en het schoone staat. Vandaar die rust, dat evenwicht, dat gevoel van geluk.

Voor den schilder is de lichtwerking in dezen jaartijd eene rijke bron van schoonheid. Hij vindt er schaars de kracht en het vuur van het zomerlicht, de volheid en de diepte zijner schaduwen en beider sterke tegenstellingen; maar de herfst geeft eene fijnheid van tonen, eene zachtheid van schakeeringen, die verrukkelijk zijn. Hier spreidt zich over de vlakte een stroom van nevelig licht uit, ginds werpt de lage zon hare stralen met scherper hoek; het licht scheert als het ware over de oppervlakte heen, de toppen van grasspriet of heiplant en bloem verlichtend en aan deze kleine voorwerpen, aan de kluiten op den grond zelfs, lange schaduwen gevend. Een andermaal beschijnt het eene groep van halfontbladerde boomen, die zeer helder bruin van kleur, en uiterst fijn en teeder van toon, licht afsteken tegen de grijze wolken. Keert gij den rug naar het zuidwesten, dan ziet gij het landschap in het volle licht, wendt gij u naar de zon, dan is de boschzoom in het donker, want hij is vóór de zon, en in stille, vlakke tinten, bijna ééntonig en zonder diepsels en hoogsels, vormt hij ééne, door de reflex—lichten van den grond wazige, massa, boven wier toppen alleen een rand van licht komt schemeren.

De dampkring is niet meer zoo ijl en doorschijnend, hangt lager en vormt dichter ineengedrongen een zacht waas, dat zich over den omtrek uitbreidt, dat, hoe verder het verschiet is, des te dikker wordt en boomen en heuvelen bij den gezichteinder in een steeds blauwender kleed hult. Daarom geen heele tonen en kleuren, maar gebrokene, en eene eenheid en harmonie, eene verwantschap van allerlei tusschentinten, die soms tooverachtig onwerkelijk, die gemoedelijk en liefelijk zijn, en aldus stillend en weldadig op het oog werken. Zij klinken als een eentonig wiegelied en roepen eene zachte rust te voorschijn in het gemoed, eene tevredenheid, een volkomen evenwicht door het uitsluiten van alle hartstochtelijkheid.

De zomer is gloeiend, hartstochtelijk, schel, levendig bewogen en bewegend, de zomer is de tijd der alom werkzame krachten, hij is de jeugd in hare onrust, in haar vuur, in haar zoeken en jagen.

De herfst is de mensch, wiens driften hebben uitgewerkt, de zacht vlietende stroom na den storm, helder als deze, nadat het slib en meegevoerde slijk zijn bezonken en die nu slechts een hemel zonder buien weerkaatst.

De herfst is de man, wiens oogsttijd is gekomen, in rustig zelfbezit, in wien de drift tot geestdrift is geadeld en het rusteloos zoeken tot eene beraden werkzaamheid, de man in het evenwicht zijner natuurlijke en verstandelijke krachten.

De herfst is de vrouw, die gevonden heeft, waar zij tastend naar zocht, een kring om te werken en te lieven, de vrouw, die moeder is geworden; niet meer, laat het zijn, met de dartelslanke leest, met de weelderige lokken, de tintelende oogen en de gloeiende wang, maar met dat spiegelgladde voorhoofd, met den kalmen en blijvenden glimlach van het gevonden geluk, van een verworven levensdoel.

Daar is geen droefheid voor mij in het najaar. Droefheid moge er zijn in de afgevallen bladeren en doode takken, in den looden hemel of in de neerstortende buien en de kille sneeuwjacht en den mist. Maar dit is de herfst niet in zijne kracht, het is de herfst in zijn dood en in zijn overgang om winter te worden. Nu is het natuurlijk leven nog in, al zijn rijkdom. De zon geeft nog helderheid en warmte, de plantengroei is nog rijk aan loof, al is het gebruind, en al zien wij daarin de jonge, licht gekleurde, saprijke spruitsels niet; en is de akker leeg, de boomgaard is vol. Er is alleen rijpheid, geen verval in het physisch leven der aarde.

Wel is er ernst in den herfst. Geen, ernst zooals die gewoonlijk begrepen wordt, geen ernst, die zuur kijkt en de, wenkbrauwen samentrekt met de sombere voorhoofdsrimpels, die smaalt op alle stof, op alle zinlijkheid, op alle schoon van vormen en kleuren, en voor wien eindelijk niets van het leven overblijft dan eene dorre, kale woestijn; geen ernst, die konfijt in suikerzoet geteem, of veroordeelt in harde liefdeloosheid. Maar die andere, die de oogen opent en het voorhoofd glad plooit, die alle levensuiting niet veroordeelen, maar adelen wil, die schoon, sterk, gezond is, het leven tot zijne bestemming wil opvoeren, en in alles dit hooger beginsel wil, DE GEEST ZWEVENDE BOVEN DEN CHAOS.

Die ernst behoeft er niet bleek en mager uit te zien, slaat de oogen niet wanhopend op dit tranendal, prevelt geen formulieren, is niet aan vormelijkheid, als een mollusk aan zijne schelp, gebonden; maar hij kan lachen, zijn bloed stroomt krachtig door de gezonde aderen, zijn oog blikt helder als eene lichtende vonk van het vuur, dat Prometheus uit den hemel veroverde en zijn geest is als de ladder Jacobs, waar de gedachten op en af zweven, en die met hare stijlen hemel en aarde verbindt.

Eens doen de gedachten op die ladder haar laatsten op- en nedertocht,—en staan zij naar gelang op eene hooge of op eene lage sport; dán valt de ladder weg en de geest blijft, wie zal het zeggen, of nog gebonden, om eerst langs vele ontwikkelingen hooger op te mogen klimmen, of zoo hij op eene hooge sport stond, terwijl hem de ladder ontviel, zal ook hij, evenals de GROOTE GEEST VANOUDS, leeren zweven boven den chaos van stof en vormen.

Tot zoolang, mijn waarde, nu de ladder Jacobs nog overeind staat, en wij de sporten niet missen kunnen, zullen wij niet op de stof en de zinnelijke wereld smalen, noch haar dooden in en buiten ons, maar liever dat stoffelijke bestaan veredelen en zoo homogeen mogelijk maken aan den geest, waaraan het gebonden is. Wij zullen ze niet beminnen met ziekelijke gehechtheid, niet uitsluitend voor haar leven, maar wij zullen ze toch vurig liefhebben die wereld van natuur en zinnen, waarin wij zooveel schoons en goeds belichaamd zien, waarin zich uitdrukt al wat de geest, werkt, waarvan ook de uitwendige vormen gemaakt zijn onzer ouders, onzer vrouwen, onzer kinderen, en ook van u, mijn vriend.

Hierbij laat ik het voor het oogenblik; ik zend u mijnen groet, en weldra, hoop ik, het vervolg mijner heiwandeling.

Truly yoursC. V.

Ik was er niet geheel en al op onvoorbereid, carrissime, door u gehekeld te worden om den weidschen aanhef van mijn eersten brief, die u niets minder dan de gansche wereld door zou voeren, en waarin wij zoo lang op een stuk heigrond en in het bespreken van een paar denkbeelden bleven ronddraaien. En toch ben ik nog op die hei, en zal ik er u nogmaals heentronen.

Quousque tandem....![5] zoudt ge mij plagen met den al of niet Ciceroniaanschen uitval tegen Catilina.

Stil!—de ontboezeming is eene mimosa, raak hare teedere bladeren niet aan: en daarenboven, ik weet immers toch, dat, wat uw vernuft ook spotte, gij evenwel met mij deelt in het genot van het schoone, vrije natuurleven; ik weet immers toch, dat gij het mij niet zult tegenspreken, hoe men op een beperkt stuk gronds, in éénen toestand eene wereld van gedachten of gewaarwordingen kan beleven.

Weet dan, dat ik die wereldreis koos om in onzen geestesomgang geen nauwe grenzen te hebben, maar ruimte, waar gemoed en verstand stoeiend of ernstig konden omzweven in zoo wijde banen als zij zouden gelieven.

Ik voor mij kan er nog geen afstand van doen, onder mededeeling aan u, het rijke levensgenot te herdenken, dat mijne natuurbeschouwing mij schonk op dien herfstdag. Te meer, omdat uwe bedenkingen zoo juist overeenstemmen met de gedachten, die mij toen bezielden.

Want gij klaagdet in uw antwoord over de maatschappij en het gezelschap, in het algemeen over de samenleving. Juist deze zijn het, die mij bijwijlen nopen, verademing te zoeken in de natuur, den ouden sleur te ontvluchten en in eene omgeving van oprechtheid voor de gekunsteldheid vergoeding te vinden.

Ik stem het u toe, dat zij ziek zijn, of, zoo wellicht deze stellige uitdrukking te sterk is, dat zij niet gezond zijn,—en, zij willen niet genezen worden. Dat is het geval bij zielszieken. Wie lichamelijk lijdt, haast zich, van zijne kwalen bevrijd te wezen, maar de zielszieken willen meestal niet genezen worden. Hoe zouden zij ook willen, daar hun wil mede ziek is? Zij consulteeren en medicineeren er wel tegen, maar voeden te gelijk dagelijks hunne kwaal, aanvullend, wat de geneesheer wegnam, en gij kunt ze niet meer grieven dan door hun te zeggen: gij wordt beter. Ook onze samenlevingsmensch is zielsziek. Door gemaaktheid, conventie, oververfijning, die weekheid is geworden, door gebrek aan hoogere overtuiging, door leugen en schijnzucht, en alleen waarheid kan hem redden, waarheid en die schoone verschijning, waarin de waarheid vleesch geworden is, de natuur.

Die onnatuur, dat geveinsde en gekunstelde, heeft ook het gezelschapsleven verwaterd of bedorven. Onder conventioneele vormen beweegt het zich voort op den stroom der meening, maar derft te veel de geestesbezieling. Wat er zich tegen verheft is maar eene reactie van onverschilligheid. Hoe dikwijls waart in de gezelschappen der wereld die melancholische gestalte onzichtbaar, maar voelbaar om,—wilt gij haar Hamlet of Shakespeare noemen,—met de bittere woorden op de lippen:

Hoe mat, oudbakken, geestloos schijnenDer wereld vormen en gebruiken.

De algemeene beschaving berust te weinig op inwendige vorming, te veel op uitwendige, en deze is het fatsoen, dat alles beheerscht, de afgod van alle standen, naar wiens gunst allen streven, en het groote einddoel der zedelijke opvoeding. Het spreekt overigens vanzelf, dat dit fatsoen slechts tot het uitwendige leven beperkt is en tot het niet openlijk schenden van de wellevenskunst.

Ten gevolge van dit alles heeft er ook in de taal en spreekwijze eene geheele verschuiving van beteekenis plaats gehad. Een aantal woorden heeft zijne kracht verloren, is verlept, verschaald, afgestompt en wij moeten, om vroegere kracht te behouden, ze opflikken met adjectiva, of er uit vreemde talen nieuwe voor in de plaats stellen. De taal is ook onoprecht geworden, gemaskerd, geblanket; valsche munt, geeft zij uit, als zij de beteekenissen verdraait en aan leelijke dingen schoone woorden schenkt.

Het valt moeilijk te ontkennen, dat met den loop der beschaving deze verschijnselen gelijken tred hebben gehouden, en dat zij elkander op de hielen, zitten; ja, het is zeker eene vrij juist schijnende redeneering, de gekunsteldheid, de verbastering, de afwijking van de natuur aan de beschaving toe te schrijven. Wij hopen toch eene bevredigender uitkomst te vinden.

In de beschouwing van de hei was ik met u blijven staan. Verbeeld u mij later aan mijn landelijk maal van wat ik had medegenomen, een dergelijk als wij meermalen samen plachten te gebruiken op onze tochten, wanneer wij—gij met de lange blikken bus, door dien boer eens voor een verrekijker gehouden, over den schouder,—gingen herboriseeren. Ik was op het punt om van den bodem, die mij tot tafel en stoel strekte, op te rijzen, toen de stilte en het daardoor gewekte gevoel van eenzaamheid opeens verbroken werden door den klank van een klokje, een geritsel in de struiken, en twee geiten, niet ver van mij weidend, mijne oogen troffen.


Back to IndexNext