Deze optocht... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage
Deze optocht, die dagelijks als eene sombere frons het anders levendige gelaat der stad rimpelt, heeft ook daar geen spoor meer achtergelaten, en in de werkzame, levendige stad ziet de terugkeerende stoet er als iets vreemds, iets onbegrijpelijks, iets bespottelijks uit.
Wij zijn de stad straks uitgegaan en den landweg op, en dezen volgende komen wij in een dorp.
De oude tegenstelling vindt gij ook daar. Gij zult haar kunnen ontmoeten in een klein nederig huis, dat geheel gesloten is. Nog gisteren was het open, en prijkte het eenige raam met verschillende winkelwaren. Achter in den winkel lag een hoop talhout en turf, benevens klompen en touw; worsten hingen van de zoldering af en aan een houten rek boven de toonbank eenige bundels vetkaarsen. Maar voor het raam was eene heerlijke uitstalling; daar lagen, tot mondterging van alle kleine broekemannetjes, die naar de bewaarschool gingen, wat appels, een schoteltje, waarop eenige geelgestreepte brokken, en wat zoetgoed, in eenige koekjes van een hoogst verdacht en dubbelzinnig voorkomen en van de zonderlingste kleuren bestaande—een gruwel voor u, mevrouw, als men ze had durven vertoonen aan uwe theetafel met de fijne Japansche kopjes, eene heerlijkheid voor de kleine schoolkinderen, die er op de toonen naar stonden te hunkeren en met de vingers tegen de glasruiten er naar wezen; zoo valt er over de smaken niet te twisten. Voorts hingen daar drie geelgroene sigaren aan een touwtje, en er stonden ook twee bierglazen, een met knikkers en een met griffels gevuld; en op eene van de ruiten was een papier geplakt, dat "doopgoed te huur" aankondigde. En waarlijk! er hing ook eene prent van Klein Duimpje, die ik al zoo lang tevergeefs gezocht had, namelijk een ouden, echten Klein Duimpje, geen nieuwe namaak. Want ook deze antiquiteit wordt, als zoo vele andere oudheden, nagemaakt! Maar dan is de charme er af, de geur van archaïsme en naïefheid verloren. Zelfs de versjes worden gemoderniseerd en verliezen al hunne waarde. Nog herinner ik mij een van die tweeregelige onderschriften:
Moeder zeit wel dat is fraaiDaar zit hij in de eetschapraai.
Wat dat beteekende wisten niet alleen mijne kornuiten niet; ook de groote menschen begrepen het niet meer. Maar ik wist van mijn vader, die oude boeken kende, dat schapraai oudtijds een kastje, een buffetje zouden wij nu zeggen, beteekende en ik was trotsch op deze kennis. Het was mijn eerste woord Oud-Hollandsch, en het heeft misschien invloed uitgeoefend op mijne zucht om er meer van te kennen. Later verlangde ik dikwijls naar zulk een ouden echten Klein Duimpje als eene herinnering aan de jeugd. Ik zocht er naar, alsof het den houtprenten gold van een Spieghel onser Behoudenis. Maar ik vond hem nooit. Wel nieuwe namaaksels, zonder de eetschapraai, die de moderne kunstenaar en dichter niet begrepen en weggelaten hadden. En hier hing nu een echte, zeer kunstig en eenvoudig afgezet met ronde vlakjes rood en groen, die op elk figuurtje met losse hand waren uitgestrooid, geheel onpartijdig, waar zij ook neerkwamen.
Ik wilde die prent koopen, maar de deur van het winkeltje was gesloten: van al de heerlijkheid is vandaag niets te krijgen, en als de kleine jongens hooren, dat dit zoo is, omdat de oude winkelier dood is, dan begrijpen ze er niets van, omdat dit woord voor hen zonder eenige beteekenis is, of zij vinden den dood iets zeer ondeugends, omdat dat ding hen belet bij het koopen van een griffel een brok toe te krijgen van den goeden man.
Zagen wij in de stad het leven de overhand nemen, hier heeft op het oogenblik zijne machtige tegenpartij het gewonnen. De groote medicijnflesch van den meester heeft er niets tegen kunnen doen, en staat nu op den schoorsteen in het kamertje achter den winkel, en de kurk kijkt schuin en verlegen op de deftige bef neer, alsof zij zeggen wilde: daar komen wij gek af. De hoog en bijna tegen de zoldering hangende schilderijtjes en de spiegel zijn naar den muur omgekeerd; zooals dat, zoowel uit een soort van eerbied als van bijgeloof, pleegt. Alles is verzegeld, maar ééne kast met hardgeel geverfde deuren niet, en als gij die opent, ziet gij daar een alledaagsch, maar even ondoorgrondelijk iets. De oude man, die daar ligt, is geen zeer bekend of publiek persoon geweest; zijn strak gelaat, met die bijzondere uitdrukking, die gewoonlijk aan den mond van dooden eigen is, moge ernstige denkbeelden inboezemen en een heer van gedachten—maar het zegt niets aan den beschouwer over het geheim van het innerlijk leven, van het zedelijk en geestelijk bestaan van dien man; misschien was hij goed, voortreffelijk, misschien slecht, misschien was hij gelukkig of diep rampzalig. Alleen zijn koud kleed ligt daar nog, zijn tast—en zichtbare vorm,—het etherische is weg, vervlogen als een vlug zout, waarvan de flesch gebroken is.
Een paar dagen later is ook hier een kleine stoet, die hem wegbrengt; acht mannen dragen de baar, die door een vijftal andere mannen gevolgd wordt. Ook hier moet hij zich dwars door het leven een weg banen; paarden en koeien, wagens en karren, arbeiders, werklieden en kramers; en de schooljeugd stuift op de klok van twaalf het schoolgebouw uit, en dartelt om de dragers heen, als zij van tijd tot tijd stilhouden, om van hand te verwisselen, en daarbij de hoeden even afnemen ten eerbiedigen groet.
Kinderen had de man niet nagelaten en de eenige erven waren verre neven en nichten. Op den dag, die voor de ontzegeling en tevens voor den openbaren verkoop bestemd was, waren deze en andere belanghebbenden, tien of twaalf in getal, al vroeg in den morgen in het opkamertje aanwezig, waar schilderijen en spiegel nu niet langer ten teeken van een doode omgekeerd waren, doch waar een karafje met bittere jenever en een keteltje met koffie veer de levenden stonden aangerecht. Intusschen heerschte de dood hier nog zoo zeer, dat er weinig, zeer zacht, en alleen met groote tusschenpoozen van stilte gesproken werd. De jonge meisjes stonden te snappen en tusschenbeide zacht te giegelen, maar zij deden het stilletjes in een hoek, en met de hand voor den mond; de overige vrouwen hoorde men in de oogenblikken van stilte zeer diep zuchten alsof zij al de zonden der geheele wereld te boeten hadden.
—Wat is hij gauw uit den tijd geweest! sprak er eene, met een zucht, dien zij uit de zolen van hare schoenen ophaalde.
—Dat is hij net, zuchtte eene andere.
—Och! zou hij zijne ziel wel hebben bezorgd! twijfelde eene derde.
—Kijk, 't was verleden jaar met Sint Jan, neen Heere mensch, waar gaat de tijd heen, 't wordt nou met Sint Jan al twee jaar, daar was buurvrouw Pietertje's meu, je kent buurvrouw Pietertje? nou, die haar meu, of eigenlijk haar mans meu, weet je, want haar mans moeder moest zuster tegen haar zeggen, en die zat aardappelen te schillen, en krek was ze weg.
—Wat zeg je, me lieve mensch!
—Nou ik zeg maar, 't is een heel ding, zoo ineens van het tijdelijke in 't eeuwige; een mensch heeft toch al eens wat te disponeeren en te overdenken.
—Net, ware vrouw, dat zou 'k zeggen; ik zeg geen kwaad van hem, maar zoo opeens als hij, dat is toch altijd een bedenkelijk ding, als een mensch zoo met al zijne zonden heengaat,—maar ik wil hem niet oordeelen, de Heer heeft het oordeel.
Intusschen had dit alles wel iets van een oordeel; maar den overledene, kalm in zijn aarden rustbed, raakte dit niet.
Hoe langer hoe meer begon nu het leven te winnen, en de dood te verliezen. De koffie en de karaf werden aangesproken, de taal werd levendiger en luider, en stuk voor stuk verdween die zekere gedruktheid of gedwongenheid, die, als ware men in het gezelschap van een aanzienlijk heer, tot nog toe geheerscht had.
—Heeft hij iets beschreven?
—Ik weet het niet, mensch, maar 't zal niet veel wezen wat hij achterlaat, hij liet zich door iedereen inpakken.
—Dat zeggen ze; ik had hem in geen tien jaren gezien; maar hij was altijd wel wat losjes met 't geld.
—Neen, er moet wel wat zitten, hoewel ik niet zeggen wil, dat hij goed op zijne zaken paste: 't is hard genoeg voor die 't rechtvaardig toekomt!
—Och vrouw, wat zal ik je zeggen, een mensch is maar een mensch, en hij had ook al 't zijne van de zonde, en dat zullen we nu maar niet ophalen, ik zeg maar, de Heere heeft het oordeel.
Maar al matigden zich alleen beschikte, openlijk door ieder dezen ook reeds het oordeel aan, de overledene bewoog er zich niet om in zijne onverstoorbare rust.
—Och! hij heeft mij zoo veel goed gedaan, zeide, stil in een hoek, en afzonderlijk zittend, op hartelijken, diep erkentelijken toon, terwijl zij een traan wegveegde, eene vrouw, die niet tot de belanghebbenden behoorde, maar met eenige andere gebeuren daar mede tegenwoordig was;—och, hij heeft mij zoo veel goed gedaan, en verleden winter nog, toen mijn jongen er zoo naar aan toe was.
Maar lof noch blaam was meer iets werkelijks voor den overledene, en zijn strak, onbewogen gelaat was het beeld eener ziel, voor welke dat alles thans in het niet was weggezonken. Grootsch maar huiveringwekkend is die kalmte en dat verheven zijn boven alle oordeel der menschen.
Intusschen was de ontzegeling geschied en ging de notaris een bureau—kastje onderzoeken, waar men met lange halzen en opgesperde oogen omheen stond, in verwachting van een testament, waarin ieder der aanwezigen als een ver en onduidelijk denkbeeld had, alleen tot erfgenaam benoemd te moeten zijn. Maar niets van dien aard werd gevonden, louter papieren van geene waarde en eenig los geld. In de laden onder de kast vond men 's mans kleederen en het zondagspak van zonderlinge oude snede, netjes in een doek gewikkeld, onderaan.
—Wat willen de vrienden met de kleederen gedaan hebben? vroeg de notaris.
Er was eenige woordenwisseling over; niemand wilde ze hebben, dus was het besluit: verkoopen. Doch de vrouw, wier dankbaarheid wij straks hoorden, bewerkte, dat men het goed eene andere bestemming geven zou, en niet dulden, dat 's mans kleederen in het openbaar, aan Jan en alleman, misschien met bespotting, zouden verkocht worden.
Brave ziel, dat was een kiesch denkbeeld, dat uwe dankbaarheid u daar heeft ingegeven!
Middelerwijl was alles, wat er in kasten en kisten zat, uitgehaald, omvergehaald, betast en besnuffeld. Er is altijd iets in, dat hindert en stuit, aldus wat iemand in eigendom bezat en waarover hij opgenomen en bekeken te zien, en vreemde oogen in laden en kasten, vroeger slechts voor den eigenaar toegankelijk. Ook hierin was het alsof bij elke lade, die geopend, bij elk stuk, dat uit zijne bewaarplaats gehaald werd, de invloed van den dood verloor en het leven de overhand nam.
Nu is het proces—verbaal der ontzegeling gesloten, en de belanghebbenden worden een voor een uitgenoodigd het te onderteekenen.
—Kunt gij schrijven? vraagt de griffier.
—Ja, een beetje, antwoordde degeen, die het eerst optrad,—maar ik moet eerst de fok opzetten.
Diefokbestaat in een grooten bril met ronde glazen en schildpadden randen, die als een weer—of sterrenkundig werktuig uit eene breede chagrijnen doos wordt gehaald.
De man, die sneller een gemet zou afploegen dan eene halve bladzijde volschrijven, neemt de pen op, zeer voorzichtig, alsof hij instinctmatig begreep, welk een gevaarlijk wapen zij is, en bevestigt haar met de linker—in de breede harde vingers der rechterhand.—Waar? vraagt hij over zijn bril opziende, en het wordt hem gewezen, waar hij zijn naam moet stellen. De pen staat op het papier, maar geeft niet af—er is geen inkt in. Ingedoopt staat de pen weder op het blad, de bek buigt, buigt, buigt nogmaals, maar laat slechts twee punten zien, van elkander afgescheiden, en geen inkt vloeit tusschen die ruimte naar beneden. Nog eens ingedoopt—de man schommelt onder dat alles op zijn stoel heen en weder, onrustig, pijnlijk, zweetend,—eindelijk geeft zij af, maar bij den ophaal derKmet eene ontzettende ontploffing een twintigtal zwarte bommen over het blad verspreidende. Doch nu gaat het dan ook voort; langzaam wel is waar, maar zeker, bevalt de pen van eeneo, die er als een ei uitrolt; eene beverigervolgt, maar wil met het ei niets te doen hebben, van betere familie wellicht, en houdt zich op een hoogmoedigen afstand; maar trotschheid maakt niet bemind en daarom laten deS, zonder reden eene kapitale, en dethaar links liggen. Nu volgen poot aan poot de lettersiaan, getand als zagen, gekorven en afgeknabbeld als oude munten.
De eigenaar van dezen voornaam legt zeer tevreden het hoofd op den linkerschouder, en aldus, terwijl de tong over de lippen heen en weer gaat, begint hij opnieuw eeneK, en zijn naamKrulkomt er uit en op het papier, terwijl nu in het alphabet hevige onaangenaamheden schijnen te zijn, daar geene van de letters de andere wil aanraken.
Onder dit alles is de lijder meer dan vijf minuten bezig geweest, de pen met stijf geknepen kromme vingers vast en loodrecht op het papier houdende, tot er eindelijk onder een triomfant gezicht van den schoonschrijver, die nu zeer bedaard zijnefokafzet, afveegt en bergt in de chagrijnen doos, het meesterstuk van penneconst staat:
Korstiaan Krul.
—Jij hoeft ook geene krul achter je naam te zetten, zegt de notarisklerk, die met alle pennen, op alle papier, schrijft alsof het gegraveerd ware.
Op dergelijke wijze, de meesten met evenveel inspanning, teekenen verder de overige belanghebbenden.
Nu werden de aanstalten tot den verkoop gemaakt, en het is aardig op te merken, welk eene tegenstelling de drukte en woeling gaan vormen met de stilte van zoo even. De schaal is nu ten eenen male overgeslagen en het leven wint het geheel en al. Buiten is alles gedrang en vroolijkheid, binnen is alles in rep en roer. De notarisklerk luidt met de groote bel en het publiek verdringt zich; deze klerk, die tevens afslager is, gaat buiten het raam op een stoel staan, de notaris zit binnen achter het geopende venster te schrijven, en de verkoop begint.
Nu werden de aanstalten... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage
De notarisklerk:—Komaan, vrienden, dat gaat er naar toe, biedt maar eens op, die het hoogste biedt, die heeft het! eene vogelkooi, (de voorwerpen worden door een helper, ook op een stoel staande, in de hoogte gehouden en den volke vertoond) eene vogelkooi, de vogel is pas weggevlogen,—komaan, van een gulden af, éen gulden, om achttien stuivers, om zestien stuivers, om veertien stuivers, om twaalf,—(langzamer) om elf, om tien....
—Mijn! wordt er gegild.
—Voor Teunis Plat,—je mag de tralies wel eens nazien of ze goed zijn.
Men wete, dat gemelde Teunis Plat, zeer kort geleden, een paar dagen achter de tralies had gezeten; vandaar het luide gelach, dat op deze aardigheid volgde.
Zeven stukken gewicht! gaat de afslager weder voort met eene onnavolgbare radheid van tong:—komaan mannen komaan, biedt maar eens, wie biedt er wat! zeven stuks gewicht, denkt om den herijk, van twee gulden, komaan, 't is echt koper, die het hoogste biedt is ook kooper, acht en dertig stuivers, om zes en dertig, enz.
Nu worden eenige Japansche borden voorgebracht.
—Die moet jij koopen, van Dorsen, allons, die bij opbod, éen gulden voor van Dorsen, hè? je moet de vrouw wat meebrengen jongen, voor de eerste, voor de tweede, niemand niet? voor—de—derde—maal, voor van Leeuwen.
En de borden worden over de hoofden heen, van de eene hand naar de andere geduwd, tot zij toevallig nog heel bij den kooper belanden.
Zoo gaat, het eene stuk voor, het andere na, de inboedel, die eens de omgeving, de kleine geliefde wereld van den eigenaar uitmaakte, uiteen, en verdwijnen daarmede de laatste sporen van het uitwendig bestaan van een mensch. Zoo wij de trapsgewijze verandering in de karakters der erven nagaan, zien wij ze hoe langer hoe wilder, inhaliger en baatzuchtiger worden, met die aardige klimming, die de belanghebbenden, zoo vaak belangstellenden, en deze belangzuchtigen doet worden, en de voorwerpen, zelfs tegen elkander, opjagen. Lustig gaat het onderwijl daarbuiten toe, onder de kwinkslagen van den klerk en de grappen der menigte, welke ieder stuk goed, dat wordt voorgebracht, vergezellen. Nu eens zijn het de kaarsen, die de klerk—afslager als "het nieuwe licht" aankondigt; als er eene porseleinen kom voorkomt en een uit de menigte vraagt, of er eene barst in is, roept deze grappenmaker: "neen,—twee;" of als het eene klok is, en zij vragen "loopt zij goed?" luidt zijn antwoord: "neen—zij hangt." Eindelijk is het boeltje op, en allen gaan naar huis, de notaris met zijne paperassen, de notarisklerk met de groote bel, en de koopers met de vogelkooi, en de hangklok, en de kaarsen van het nieuwe licht, en de gebarsten borden. Ook dit weefsel is weder afgeweven.
In het huis wordt geverfd en getimmerd, en waar de oude man gezeten had met zijne hoop en zijne vrees, met zijne wenschen, zijne genoegens en verdrieten, daar spelen nu kinderen en werken een andere man en vrouw. Alles wisselt, en op de stof van den een groeien de vruchten, de bloemen, en het onkruid van den ander.
De heerweg leidde langs de begraafplaats, een hoog liggend stuk land, dat, met een eeuwenouden aarden wal en greppel omgeven, in later tijd met opgaande boomen omplant was. Voor den geest van een eenzamen wandelaar, die zich op den rand van een greppel had nedergezet, bouwde zich het verre verleden op, als de herinnering van een droom, stuksgewijze, nevelachtig, en toch levendig belangwekkend. Ontegenzeggelijk was deze omwalde ruimte van oude dagteekening. Een oud Germaansch kamp wellicht, waar wagons en paarden in de rondte geschaard, en ruwe tenten opgeslagen, waar nationale krijgsdansen uitgevoerd werden, en de drinkhorens met gerstebier rondgingen, en de goudgelokte Germaansche vrouwen de eenige zachtheid waren onder die ruwe kracht; het was misschien de tijdelijke verblijfplaats van een dier oude stammen, die wij bijna alleen kennen uit de overblijfselen, die hunne dood- en grafplechtigheden voor ons bewaard hebben; of van welke kleine bende hier ook geleefd mocht hebben uit die groote karavaan der menschheid, die de aarde doortrok en slechts wat beenderen en asch, wat steenen of ijzeren wiggen en spiespunten, wat broze urnen met haar eigen verbrand overschot achterliet. Wie weet wat die oude akker nog inhoudt! Nu rusten de moderne dooden te midden en op de overblijfselen van oude wapenen, gereedschappen en huisraad uit de jeugd der volken, van een der oude stammen, die zich hier eenmaal nederzette en leefde.
Terwijl de geest aldus het een en ander van het verbrokkelde verleden weder opbouwde, dwaalde het oog over den akker en zag bij eene versch gevulde groeve, waar de spa nog naast lag, eene vrouw staan, arm, maar niet slordig gekleed, die een jongen van tien of twaalf jaren aan de hand hield. Ofschoon zij zich al lang verwonderd zal hebben, wat de eenzame wandelaar daar toefde en peinsde, zag zij hem nu eerst aan en hij haar, en het kind blikte beurtelings naar hem en naar haar. Wat een hevigen strijd kostte het haar misschien, om niet te bedelen, terwijl haar trouwste steun haar pas ontrukt was. Die zieletoestand sprak duidelijk genoeg uit haar gelaat, al hield zij woord en hand en elke beweging tegen, en al belette zij haar kind het vragen.
De wandelaar ging naar haar toe.
—Ach, wat heb ik met hem verloren! hij deed mij zoo veel wel! zeide zij droevig.
—Kunt gij geen werk vinden? vroeg de wandelaar.
—God geef van ja,—maar 't is voor eene vrouw niet altijd gemakkelijk, werk te vinden.
—Gaf hij u werk?
—Zoo veel hij kon, deed hij het; verleden jaar nog in den kwaden tijd bestelde hij mij ergens, maar ik moest er vandaan....
—Waar vandaan?
—Van het veld mijnheer, antwoordde zij, den arm over de landen in de verte uitstrekkende;—ik had nog nooit op het veld behoeven te werken, zóó ver was 't nog niet met mij gekomen, maar alleen met mijne vier kinderen kon ik er niet tegen op, en toen ging ik meewieden.... (zij zeide dit met eenigen weerzin); eerst wiedden wij eenige stukken met gewas, dat goed te kennen was, en dat ging wel. Maar toen moesten wij jonge tarwe wieden ... (zij hield even op; wat al gedachten, nooden, en strijden kwamen haar bij dit eenvoudig verhaal weder voor den geest!) ... toen moesten wij jonge tarwe wieden, mijnheer! vervolgde zij, en ik had dat nooit gedaan en nooit op jonge tarwe gelet, en toen kende ik het onderscheid niet tusschen dat en het gras—het is bijna eender, mijnheer, als men er niet aan gewoon is, en honderdmalen haalde ik in plaats van het onkruid, tarwe uit, zooals zij mij zeiden, die naast mij liepen,—maar de baas zag dit niet.
Ik deed dat acht dagen, want wij moesten eten maar eindelijk zeide ik, toen ik het niet leerde, bij mijzelve: neen! de baas betaalt mij, en ik haal zijne tarwe uit in plaats van het onkruid, en toen ging ik weg;—dat was niet pleizierig voor hem, omdat hij mij daar geplaatst had, maar toen kwam de ziekte van mijn jongen daarbij, en hij hielp en redde ons toch weer....
Er waren eenige oogenblikken van stilte.
—Zij zullen hem wel gauw vergeten, maar bij ons zult gij nooit vergeten worden, zeiden zij, voor het heengaan een paar doode takken, die op het graf gevallen waren, daarvan verwijderende. Na deze eenvoudige hulde ging zij vertrekken.
O Diogenes, dacht de wandelaar, ik weet niet of gij uwen mensch al gevonden hebt, en of uwe lantaarn nog brandt—maar als tot de eigenschappen van den ideaalmensch, dien gij zoekt, waarachtige kiesche dankbaarheid behoort, dan heb ik van uwen mensch al een niet verwerpelijk exemplaar gevonden.
—Zoo er eenige onsterfelijkheid hier op aarde zoet is, zeide hij tot de vrouw, is het die van te leven in een dankbaar hart,—wilt gij iets van mij aannemen, en mijner gedenken?
Zij dankte hem en ging haars weegs, naar het dorp; de wandelaar trad voort, den langen weg op, die voor hem lag.
Hebt God lief met geheel uwe ziel.Hebt uwen medemensch lief als u zelven.Daar is geen grooter gebod dan deze twee.
Dit stond in den bijbel te lezen, die in het begin der 17eeeuw in de huiskamer lag, in den bijbel van het studievertrek des predikers in den bijbel, die op den lessenaar van den kansel was opgeslagen, in dien, waarop de regenten den eed aflegden, in dien, waaruit het volk onderwezen werd; maar het was alsof een noodlottige nevel over die schoone bladzijde heen waarde, alsof een kwade geest die bladzijde uit al deze boeken had weggescheurd.
Het zag er treurig uit in Amsterdam met den geest der liefde en der verdraagzaamheid in de eerste jaren van zestienhonderd. Nog versch lag aan het levende geslacht de dwang in het geheugen, den gewetens onder de "Spaensche tyrannie" aangedaan. Nog leefde het geslacht, dat zoo kort geleden het juk had afgeschud, en zijne zonen, die het de vaderen hadden zien doen. Nog had de kling geen rust of roest gekend, en vlamde de lont der steeds geladene musketten. En de rouw over geliefden, door de zeis van den dood weggemaaid, had in de bloedende harten nog niet opgehouden, al waren de zwarte kleederen afgelegd. En toch, het ware zonder de sprekende feiten der geschiedenis bijna ongeloofelijk,—en toch, treurig gezicht! de voor zichzelf geëischte en nauwelijks verkregene, met de uiterste inspanning verkregene vrijheid van geweten werd slechts voor enkelen gehouden, maar aan anderen ontzegd, en men scheen zich alleen aan de onderdrukking van den geest ontwrongen te hebben, om haar aan zijn broeder—mensch, aan zijn broeder—christen, aan zijn broeder in lijden, streven en overwinnen, op te leggen.
Nauwelijks is de strijd tusschen roomsch en onroomsch beslist, of in den boezem zelven van het vrij geworden volk ontvlamt een zelfde twist. Er is veel weemoedigs, maar tevens een bittere spot in de voorstelling, dat men reeds dertig, veertig jaren en langer had gevochten, gevochten met opoffering van alles, gevochten op leven en dood, met woede, met wreedheid zelfs, om het recht te hebben dien bijbel te lezen, en dat men nu de schoonste bladzijde der liefde ongelezen en onbetracht liet.
Die booze, vijandige geest was een leelijk, giftig onkruid, dat overal woekerde en zich voortplantte, en een onkruid, dat reeds vroeg in de eeuw ontkiemd, met de jaren daarvan opwies en bij alle rangen en standen voorkwam. Als gij in de raadzalen komt, dan ziet gij het als eene vuile schimmel overal op; het ligt op de plakkaten, op de notulen, op het groene tafelkleed en de hooge stoelen met hunne kussens; het vermuft de kasten en loketten, het zit in de tabberden, tot in de harten en hoofden der Erentfeste Edelachtbare mannen. Daar had het veroorzaakt, dat de bijeenkomsten van andere geloofsbelijders dan die der staatskerk werden geweerd en, hunne predikanten uit de stad of in het tuchthuis werden gezet; dat elke andersdenkende ieder oogenblik kon vreezen aangetast, verbannen, met de zijnen zedelijk en maatschappelijk vernietigd te worden. En eene enkele stem, die zich verhief, versmoorde weldra in de vunzige lucht en verstikte onder het onkruid.
Als eene ongezonde zwam kroop het onder de huizen, deed het goede hout vermolmen, klom achter behangsels en beschotten, en de bewoners erfden het over, tot het weldra gemoed en verstand benevelde, en met wrok, wraak en vijandschap vervulde.
Onder de lagere klassen en onder het gepeupel, daar groeide het welig: dat volk, altijd gereed, waar anderen nog in de theorie verkeeren, tot de praktijk over te gaan, ziet gij de overal verspreide Onkruid—beginselen weldra ten uitvoer brengen; gij ziet ze, op het voorbeeld van dat onkruid, van die vuile woekerplanten, rooven en stelen. Als gij een oploop ziet waar men eenige liedenArminiaansche duivels, Belialskinderen, godloochenaarsscheldt, hen met steenen en slijk werpt, hun leven bedreigt—dan ziet gij de vruchten van het onkruid. Als een paar dienaars van mijnheer den schout een kettersch gezin, nu broodeloos, ter stad uitzetten, en het gepeupel juichte en jubelde, dan was dat weder eene andere vrucht van het onkruid. Als gij ze ziet razen en plunderen en schenden, waar zij er kans toe zien, dan kunt gij zeggen: het groeit goed, het komt heerlijk en vruchtbaar op.
Maar ook—waar gij dit het minst moest gezocht hebben—ook in de kerk is het onkruid welig opgewassen. Het heeft de stoelen en banken overdekt, den kansel beklommen en den bijbel niet gespaard, maar zit ook daar op de bladen en verduistert den zin voor wie ze openslaat. Als de getabberde mannen de bladen openen, stijgt er eene muffe champignonlucht uit; dan nemen zij een tekst, maar bezien alleen het vuil, dat er op gegroeid is; dan preeken zij uit hun hart vol onkruid en strooien de vergiftige zaden daarvan over de gemeente uit, en wanneer zij daarbij hunne mede-christenen als "pesten, duivels, mammelukken" afschilderen, en de gemeente ophitsen tegen die van hunne regenten, welke nog niet door het onkruid zijn overdekt, dan worden die zaden in alle harten opgenomen en schieten daar welig op.
Sedert 1623 hadden zich aan dien duisteren hemel hier en daar lichtplekken gaan toonen, en vooral 1627 had met blijder hoop een liefelijker vooruitzicht geopend. Als wij zoeken, van welke zijde de mildere beginselen ontstonden en gekweekt werden, is het billijk, dat wij de eer daarvan aan de stedelijke magistraten geven. Er waren in 1627 reeds verscheidene steden, waar den remonstranten vergund werd te vergaderen, waar zij geduld werden en zij, of die hun niet ongenegen waren, in de regeering waren gekomen. Zijne doorluchtigheid de prins, hoewel voorzichtig en beide partijen tevreden willende houden, was als gematigd en hun niet vijandig bekend. Ook de Staten neigden tot rust en gematigdheid, en de plakkaten werden bijna nergens streng tegen de verdrukten gehandhaafd.
Des te feller werden door deze "tollerantie en moderatie" de "harde gereformeerden" en hunne leeraars; des te heftiger werd de taal dezer laatsten, nu zelfs in het tot hiertoe zoo rechtzinnige Amsterdam gematigde regeeringsleden optraden, en met schimp klonk het van den preekstoel: "dat de gansche vroedschap Arminiaansch was geworden, dat men het Trojaansche paard had binnengehaald!"
In de voortdurende botsing tusschen de patricische regentengeslachten den stadhouder, steunden deze heethoofden den laatste, omdat zij daarin hun voordeel zagen en bij hem wederkeerig heul vonden in hunne politieke aanmatigingen tegenover de macht der stedelijke magistraten; en zoo ging ook heel de kerkelijke partij, die in elke regeering, waarover zij niet heerscht, haar natuurlijken vijand ziet, geheel aan den kant des stadhouders, als het tegenwicht tegen de stadsregenten, en draaide altijd naar den Haag, als het middelpunt der hooge regeering. Alles uit zuivere Oranjeliefde enad majorem Dei gloriamzou men denken, zoo niet Vondel ze naakt ten toon had gesteld, toen hij in 1629 schreef:
Malle JantjeKerkgezantje,Ik u vraag:Waarom huilt gij?Waarom pruilt gijIn den Haag?Is 't uit ijver?Krijt vrij stijver.Maar ik meen,Dat het kussenU zou sussenWel in vreên.
Zoo stonden de zaken, toen in het begin van Juli 1629 een biddag werd bevolen. De prins lag nog sinds Mei voor 's Hertogenbosch en graaf Hendrik van den Berge was, na vruchtelooze pogingen om hem van dat beleg af te trekken, met zijn leger opgebroken. Doch juist dit gaf bezorgdheid, en het vermoeden begon zich meer te bevestigen, dat de vijand iets tegen de Veluwe—met Amsterdam in het verschiet—in den zin had.
Het was eene talrijke menigte, die, op den galm der klokken, van alle zijden naar de Oude Kerk te zamen vloeide. Het was alles wat maar eenigszins kon op zijn Zondags gekleed, en wie er van den Oud—Hollandschen eenvoud te hooge gedachten had, kon integendeel al ras bemerken, dat de verfijning der zeden een omkeer in dien eenvoud van dracht had veroorzaakt, en dat de meestenopsen Brabans of opsen Franseen zwieriger snede of pronkender dos hadden aangenomen. Het is geene ijdele nieuwsgierigheld, als wij die kleeding eens in oogenschouw nemen—de zedenschildering zal niet juist wezen, zoo zij het uitwendige voorbijziet, en niet acht, hoe nauw de kleeding met den mensch samenhangt. Met den eersten oogopslag zullen wij kunnen zien, dat wij niet meer alleen den Hollander voor ons hebben, puriteinsch stroef, aartsvaderlijk eenvoudig, besloten in den beperkten gezichteinder van zijn klein land, als de Hollandsche Maagd in haar tuintje, en als de Zeeuwsche leeuw, worstelend om zich boven de baren te houden; maar reeds machtig, ontzien, rijk, die de wereld doorgereisd heeft, die al eene zekere mate van cosmopolitisme in zijne nationaliteit toelaat, wiens gezichteinder verwijd is, en dat een vrijer, ruimer, veelzijdiger blik in het veld der kennis die onbelemmerde werking van den geest begint voor te bereiden, welke later de roem dezer eeuw zal worden.
Doch, al is er grond om in die grootere weelde en uitheemscher tooi een fijner beschaving, een ruimer en algemeener denkwijs te prijzen, niet minder waarheid is er in de geestige hekeling van de ijdele en dwaze modegrillen, die menig dichter dier tijden ons geeft.
Ziet gij onder de vrouwelijke kerkgangers nog enkele, dieouwe wetszijn, bij vele hebben de opgestreken haren, door het eenvoudige mutsje gedekt, voor sierlijker hoofddeksel, voor naalden en veeren, voor krullende lokken, "eigen goed of aangekochte waar", plaats gemaakt. Hier ziet ge, zooals Huygens, de scherpe satyricus, als hij het wezen wilde, ze ons naar het leven heeft afgeschreven—een stukje in den fijnen, uitvoerigen trant van Dou en Mieris:
Een over-laden oor met oude-moeders beenen,Met verr- en diepgesocht, en daerom waerde, steenen;Een om-gebandden hals, trots eenigh brack-gespan;Een schuynsche rimpelkraegh, trots alter Boeren wan;Een rondom staelen arm, trots alter Krijgsluij vonden;Een open memmenhol, trots wind en winters wonden;Een stege Walvisch-romp, plat achter, spits van voren;Een opgetroste krans, trots eenig' Klocken-toren;Een omgehoepte pack, trots menig keernen-vat.
Hij vergeet ook niet
..................... 't pinceel dat geven zal,Dat de natuur vergat .........................
Voeg er de klepperende muiltjes bij, den wijden vlieger, die, halverwege opgekoppeld, den bouwen of den eigenlijken rok laat zien, en, wat den rijkeren aangaat, de satijnen en fluweelen borstlappen met goud en paarlen en edele steenen gesierd, de in fluweel gebonden bijbels, met juweelen of goud bezet en aan gouden of zilveren kettingen aan den arm hangende, en daar hebt gij de vrouwtjes zooals zij ter kerk gingen.
Scheen het donkere laken of fluweel van der mannen broek en wambuis, met den gewonen mantel en statigen rimpelkraag of platte, breede bef, van meer deftigheid en eenvoud te getuigen, de opmerkzame kon toch in de fijnheid der stoffen, in hetpoint d'Espagne, dat hals en polsen sierde, in de borduurselen der handschoenen en wambuizen, in de breede rozetten, "als doffers ruijge pooten", die den steil en rood gehakten schoen overdekten, en in de veder, die den hoed omwuifde, sporen van verfijning ontdekken, en eene mode, die, vooral onder de jongereMonseurtjens, tot een zwieriger opschik begon te lokken.
Het ruime schip der kerk was spoedig door de gemeente gevuld, terwijl de aanzienlijken de met eikenhout beschoten en door breede, rijk gebeitelde luifels overhuifde banken rondom de zuilen, bezetten. In de ruimte, tusschen de zuilenrij en de zijwanden, stond eene menigte van burgers, die nog met elkander fluisterden, voordat de prediker optrad, terwijl de hondenslager de viervoetige kerkbezoekers verjoeg.
—Wie zal er prediken? vroeg een burger, die tegen eene kolom stond te leunen, aan zijn buurman.
—Men zegt Smout, antwoordde deze. De eerste trok de wenkbrauwen op, als gaf die naam reeds veel te denken, en als waren die gedachten van minder opwekkenden aard.
—De gemeente schijnt het geweten te hebben vervolgde de tweede spreker,—want in lang zag ik het zoo vol niet; een kloek prediker, vol ijver en vuur des geloofs, een gewijd vat....
De andere scheen eene aanmerking, die hij op de lippen had, wellicht deze, dat het een vat was, dat wel eens overkookte, terug te houden, want men moest voorzichtig zijn in die dagen.
—Vol van ijver voor 't rechtzinnig geloof, dat nu vertrapt wordt, ging de andere weder voort,—maar dat is er een, die zich den mond niet zal laten snoeren, al hebt ge nog zooveel vendelen ingenomen, heeren burgemeesters!
Dit zag op de versterking van de bezetting, die de regeering had aangevraagd, en die de tegenpartij het volk diets maakte, dat tegen de ware kerk dienen moest.
Hij durft den heeren... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage
—Hij durft den heeren de waarheid te zeggen, zeide de eerste spreker, op een toon, die lof noch blaam, aanduidde.
—Niet waar? dat durft hij; ik ben nieuwsgierig hoe hij 't heden maken zal; hij is al zoo dikwijls gewaarschuwd en vervolgd, en al twee malen voor burgemeesters ontboden.
—Men meende toen, dat hij wat heftig tegen de regeering had uitgevaren....
—Uitgevaren?... hij heeft ze met Gods Woord gekastijd, omdat zij blind zijn en den mond des Heeren door de predikanten niet willen raadplegen.
—Is dat burgemeester Geelvink?
—En Andries Bicker,—nu, die zullen daar ook niet voor niets komen en wel scherp luisteren of zij hem vangen kunnen. Zie daar Oetgens ook al met Boom, 't ziet er paapsch uit in die bank.
—'t Ware toch beter, dat hij zich niet zoo scherp uitliet tegen den wettigen magistraat.
—Men moet God meer dienen dan de menschen, sprak de andere kortaf en zijn buurman met wantrouwen aanziende.
—Dat is waar—maar de vraag is of God gediend wil wezen op zulke wijze.
—Arminiaan! riep de andere met bitterheid. Doch hij, wien het gold, had zich reeds omgekeerd om de kerk te verlaten.
De vier genoemde burgemeesters en eenige leden der vroedschap hadden op de gezwollen kussens in het gestoelte over den preekstoel plaats genomen, toen de stormachtige prediker optrad; een man van een vijftigtal jaren, forsch, breed, bloedrijk. Noch in het voorhoofd, dat laag en puntig toeloopend was, noch in de uitdrukking van het gelaat, met de, zoo het in vuur geraakte, gezwollen aderen en de uitstekende wangbeenderen, lag iets edels of grootsch. Moed en vuur, doch met sluwheid gepaard, waren er wel in te lezen, maar tevergeefs zocht men, wat men zoo gaarne vindt, een frisschen, openen blik, die, zoo hij aller oog toelaat er in te lezen, ook zelf voor alle indrukken van het schoone en edele geopend is.
Als hij gebeden heeft, een lang en bloemrijk gebed, en een van Datheens psalmen gezongen is, zal hij gaan spreken.
Wat zult gij spreken, gij, die u een man Gods noemt en van Hem uw lastbrief zegt te hebben? Gij, met de Schrift vertrouwd, die de leiding der menschen op u neemt, gij zult er wel van doordrongen zijn, dat gij rekenschap zult moeten geven van uwe woorden; gij, die de misslagen van anderen wilt bestraffen, zult zeker diep in uw eigen boezem getuurd en geroerd hebben om u zelven te leeren kennen; gij, die anderen verbeteren wilt, gij zult toch wel alle eerlijke pogingen hebben aangewend om te beginnen met u zelven te verbeteren, en alle stootende vergelijking tusschen uw leer en uw leven te doen verdwijnen?
Of is het onbillijk, dat wij van u, die u een censor boven allen, ook boven uwe overheid, acht, verwachten, dat gij ze in de deugd zult overtreffen?
Voor u ligt de bijbel. Er zijn scherpe hoeken aan. Is hetonzeschuld, zoo wij er bij denken, welk een vreeselijk wapen hij is, en hem met die metalen hoeken bij eene strijdakst vergelijken? Er zijn ook koperen sloten aan. Is hetonzeschuld, zoo wij vragen of die moeten beletten, dat hij soms openvalle op, die bladzijde der liefde? De snede is rood gekleurd. Is het wederonzeboosheid, die daarbij denkt aan de bloedige ziels- en gewetensfolteringen, die zoo velen moeten lijden? Is het onze schuld enonzeboosheid alleen, die aldus doet vragen en twijfelen? Het is het oordeel der tijden, dat u die vragen in het aangezicht werpt.
Sla dan den bijbel maar open; wij weten thans wel wat zij is, die vunzige schimmellucht, die er uit opstijgt; wij weten het al vooruit, dat gij bij voorkeur het oude testament zult opslaan, door u en de uwen in hooger waarde gehouden, om zijn meer theocratischen geest, omdat uwe geestelijke heerschzucht naar een hiërachischen invloed haakt zooals gij dien daar vindt, omdat daarin vele gevallen voorkomen van booze koningen, die door profeten en priesters worden terechtgesteld, omdat gij er vooral een tuighuis zult vinden van scherpe wapens ten behoeve van uwe zaak.
De prediker heeft den tekst gelezen:
1 Kon. XII: 8:Maar hij verliet den raad der oudsten, die hem geraden hadden.
Terwijl Smoutius breedvoerig den tekst verklaart, van het kleine kluitje zeep een groote zeepsop kloppende—want de deugdelijkheid van een tekst is als die van de zeep, hoe kleiner en hoe meer schuim, des te beter zijn ze—dwalen onze gedachten een oogenblik af naar de dingen van den dag. En wat was meer het ding van den dag dan de schutterstwisten? Zeker, de remonstrantsche en contra—remonstrantsche beroeringen waren nog steeds dequestion brûlante, de grootste bewegende kracht dier dagen, maar nu was er iets nieuws, dat daarmede in verband stond.
Het was in October van het vorige jaar, dat Jan Klaasz. Vlooswijk, tot kapitein van een burgervendel gekozen, aan de schutters werd voorgesteld, en dat een aantal van hen weigerde hem te ontvangen. Voor burgemeesteren ontboden, verklaarden de belhamels, dat Vlooswijk een Arminiaan en een vijand van den godsdienst was, dat zij onder geen paapschen kapitein wilden staan, en dat hun eed hin niet verbond ook de vijanden der kerk te beschermen. Burgemeesteren waren inschikkelljk, gaven hun acht dagen van beraad. Maar het complot wies aan en men werd stouter, omdat de predikanten hen openlijk en in het geheim ondersteunden en den eed onverbindbaar achtten. Vergaderingen—opruiende schotschriften onder de gemeente verspreid—petitiën—en de gemoederen waren weldra in rep en roer. Wat een schuttersoneenigheid was van geheel beperkten aard, kreeg door de bekende invloeden het dubbel karakter van eene godsdienstige en staatkundige beweging, die op verandering van regeering doelde. De roervinken—en daarbij de twee predikanten Beijerus en Kloppenburg voorop—moeiden er nu de Staten te 's Gravenhage, de synode, en zelfs de godgeleerde faculteit te Leiden in, welke laatste adviseerde, dat de eed niet bond om iets tegen de ware religie te doen en men dien niet mocht afleggen aan een kapitein, die een vijand van die religie was.
Toen de regeering een dertigtal burgers van den eed ontsloeg en ontschutterde, leverden de meesten daartegen protest in, vervoegden zich weder bij de Staten en bij den stadhouder, en het word eene veel vertakte beweging en beroering, die van allerlei geheime kanten en invloeden gestookt werd.
Was het scherp, niet onwaar was Vondels hekelvers, dat men in dezen tijd, onder den titel vanBoeren Cathechismus, in de boekwinkels ten toon had zien hangen:
Boer. Zijn dan dees ezels zonder reden?Student. 't Blijkt als zij 't volk ontslaen van eeden,Gezworen aen haer overheden.B. Dat dient als onkruid uitgewied,Ons Zalichmaeker leert dit niet,Die 't volk gehoorzaemheit gebiet.Wie port haar aen tot zulke ranken?S. De boden van Synodes banken.
Wat ruw voor onze teedere ooren en preutsch geworden taal, maar minder ruw, toen men de roede niet met bloemen omwond, was het slot:
S. 't Zou Kloppenburg te bijster passen,Stadsbeedlaar die nu opgewassenZijn voesterheeren wil verbassen.B. Al was 't ondankbaar kreng gestroopt,Gebraden en met Smout gedroopt,'k Wed zich geen hont om 't aes verloopt.
En zoo komen wij weder op Smout terug, nog niet als vet met zijn medekemphaan gebraden, maar aan het eind zijner tekstverklaring, zoodat wij ook de onze zullen besluiten.
De zaak was nu te ver gekomen dan dat de regeering daaraan niet een einde moest maken. Burgemeesteren vroegen en verkregen zes vendelen garnizoen ter bewaring van de rust: de voornaamste raddraaiers werden vervolgd, sommige, tot langer of korter verbanning of in boeten veroordeeld, andere om blootshoofds God en den gerechte vergiffenis te vragen—alle welke personen dadelijk door den kerkeraad werden vereerd en gecanoniseerd.
De amnestie, die de regeering eindelijk afkondigde, zou de wond verder kunnen heelen. Maar het was nog eene teedere plek en de minste ruwe aanraking zou ze weder openrijten.
Smoutius had den tekst breedvoerig uiteengezet, en naar den smaak van dien tijd overvloedig met Grieksche en Latijnsche aanhalingen doorspekt: hij had de geschiedenissen van Israël verhaald, hoe Rehabeam koning geworden, gehoord had den raad der ouden en den raad der jongen; hoe de ouden geraden hadden het volk te ontzien (hier de rechtzinnigen) en hoe hij het niet deed; hoe de jongeren geraden hadden zijn volk te onderdrukken, en den raad der ouden (hier de kerkeraad en de predikanten) in den wind te slaan; hoe krijg en rampen daarop waren ontstaan; en hoe het volk hem daarop was afgevallen, en opgestaan; (was dat in dit geval de raad van Smout aan het volk?)
Daarna betoogde hij twee stellingen: hoe ten allen tijden in Israël de ouden en de mannen Gods de macht hadden gehad den koningen te raden en hen te bestieren, en hoe het in den wind slaan van dien raad altijd rampen over het volk had gebracht. En nu volgde de toepassing, waarbij hij zich naar burgemeesters bank wendde:
—Wij zijn de geroepenen en de gezalfden om de waarheid te verkondigen, sprak hij:—Wat moet er worden van een land, welks hoofd de ware religie verdrukt en den vijanden des geloofs voet geeft? De Heere bezoekt ons met zware plagen. De vijand ligt voor de grenzen, en wie weet, wanneer hij in het land, in uwe stad zal zijn! Wie is, de oorzaak van deze bezoeking? Ziet, het geschiedde, als koning Achab Elia zag, dat hij hem zeide: zijt gij de beroerder Israëls?
Toen zeide Elia: lk heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, omdat gij den Heere verlaten hebt en de Baälim navolgt.
Wie zijn de beroerders in Israël? Gij zijt oorzaak, dat God den vijand tot straffe over ons brengt! Gij hebt gedaan als Rehabeam, gij hebt den raad der ouden versmaad, omdat gij ons gering en als kwajongens acht! Gij luistert naar een hoop poëten en orateurs en juristen, die hunne dingen uit heidensche boeken en wetten halen, maar wij zeggen u:de Heere zegt! Wij hebben de wet en de profeten; pleegt dan met ons raad en volgt onze vermaning. Wij zijn uwe herders; zal ook het schaap zijnen herder regeeren? Wee den afvalligen, zegt Jesajas, die zonder mij raadslagen!
Herstelt dan die voor de ware religie onrecht geleden hebben, herstelt die gij ontschutterd hebt! Volgt niet na de voetstappen Rehabeams, want de Heer strafte Rehabeam, en het volk viel van hem af. Keert dan terug van uwen zondigen weg, en laat het niet van u gezegd worden: na deze geschiedenissen en keerde Jerobeam niet van zijnen zondigen weg!—
Wat burgemeester Oetgens en zijn collega Bicker hebben opgeschreven gedurende de preek?
Wij zullen later zien, hoe zij er over dachten. Wat de gemeente aangaat, een enkele slechts daarvan, bij wien de rede geen grooten indruk had gemaakt, dien de wilde soort van geheel uiterlijke welsprekendheid niet had medegesleept. Gij hebt weder ruimschoots gezaaid, Smoutius, en wie het zaad hier opnam zal het weldra ook zelf daar buiten verspreiden,—zij zullen wel rijpen, die zaden, zij zullen wel spoedig rijpen en vrucht dragen.
Het nieuwe stadhuis,des werelds achtste wonder, was nog niet eens als kunstgedachte in van Campens geest ontkiemd, en hoewel reeds lang de klacht rees, dat het oude te klein was en de vroedschap er op zinde een nieuw te stichten, deed men het nog maar met het
Aeloud Stadhuis, verminkt Stéhuis,Gewoon van ouderdom te bukken.
Dat bestond eigenlijk uit drie deelen. Rechts, als men er voor stond, was het oude gebouw, met zijn geheel onversierden, puntigen gevel, beneden van grauwe bergsteen, boven van gebakken steen opgebouwd; links de latere aanbouw, waar, in de vensterbogen en nissen der éene zich boven eene open bovengang verheffende verdieping, de gothische klaverfiguur als eenig versiersel zichtbaar was; en tusschen deze twee de van zijn klokwerk, en zijne spits met de oude kogge in top, beroofde toren. Het geheel, meest uit de 15eeeuw herkomstig, was zeker zeer nederig, en stak in eenvoud af bij de omringende huizen, die reeds meerendeels in den vroolijken, frisschen trant van geschakeerde roodkleurige baksteen en grijze houwsteen, en met slanke spitse trapgevels waren gebouwd. In dezen toren was burgemeesters kamer, en het was daar, dat Smoutius eenige dagen na de preek, die wij bijwoonden, binnentrad. Als wij hem vooruitgaan, zien wij de vier burgemeesters reeds aan de groene tafel gezeten, waarop, behalve eenige papieren en boeken, een hamer lag, van een tafelbel en inktkoker vergezelschapt. De voorzitter vatte de bel, wier klinkende klepel een bode deed binnentreden; en deze, het behangsel voor de deur opgelicht hebbende, bleef staan.
—Is de weleerwaarde heer Smoutius present?
—Edelgrootachtbare heeren, de weleerwaarde is in de secretariskamer wachtende; zal hij—
—Geleid hem bij burgemeesteren.
Zwijgend en strak—als waren zij veeleer een tooverachtig uitvloeisel van de hand van Rembrandt of Thomas de Keyser, of van een der velen, die, karakteristiek en echt nationaal kunst—genre, hun vermaarde regenten vereeuwigd hebben—zwijgend en strak zaten zij, toen de prediker binnenkwam, en zoolang hij van de deur tot de tafel voorttrad. Geen geluid dan het kraken der zandkorrels op den vloer onder Smouts schoenzolen. Eenen minder onvervaarde mocht de moed in de schoenen gezakt zijn—bij hem toonde geene spierbeweging aan, dat het gerekte en pijnlijke stilzwijgen hem raakte.
Hoe luttel kans op gunst er was voor hem, die hier werd opgeroepen, zoo hij aan de orthodox—kerkelijke zijde stond, kon de eerste, oogopslag toonen. Daar zaten niemand minder dan Jan Corneliszoon Geelvink, naar den regel de van het vorige jaar aangebleven burgemeester en de drie nieuwe: Abraham Boom, gedurende deze drie maanden voorzitter, Anthony Oetgens van Waveren en dr. Andries Bicker Gerritszoon, allen uit patricische regentengeslachten gesproten, en die met de overlevering van het gezag ook den wil om het uit te oefenen geërfd hadden; allen reeds dikwijls met elkander als burgemeester of in de vroedschap opgetreden. Bicker en Van Waveren, die met Beuningen en Hooft, des drossaarts vader, reeds in 1622, toen het nog gevaarlijk was, vrijzinniger taal hadden doen hooren en den openlijken schimp der predikanten tegen de vroedschap uitgelokt hadden; van Waveren, later de groote tegenstander van Willem II, die in 1625 en 1627 met Geelvink en Bicker die zelfde vrije en gematigde beginselen in burgemeesters kamer hadden overgebracht, en tegen wie dan ook bij de vernieuwing van den magistraat, een alom verspreid schotschrift waarschuwde:
Dit zijn de QuantenDie oprechten willen de Arminiaansche Santen, enz.
allen de verklaarde en machtigste vijanden van wat zich in den name van God en den rechtzinnigen godsdienst, het recht gegeven waande over der medemenschen gewetens te beschikken, en van den heerschzuchtigen dwang der geestelijken. Bicker zal de stilte het eerst breken. Hij is in de volle kracht en zelfstandigheid van een leven, dat nog geen vijftig jaren telt, met het kloeke, beraden gelaat, den strengen blik, de vaste, bij wijlen sarcastische lijnen van den mond in den grooten knevel en spitsen baard niet verborgen: dezelfde zooals dertig jaren later Van der Helst hem schilderen zal.
—Heer predikant, burgemeesteren hebben u voor zich ontboden.
—Ik ben bereid den Edelgrootachtbaren Heeren ter wille te zijn, zoo ver in mijn vermogen is, antwoordde de toegesprokene, wien geen wenk zelfs een zetel had gewezen, den ongevederden breedgeranden hoed in de hand houdende, en buigende met een eerbied, waar geen deemoed, maar slechts vormelijke beleefdheid in lag.
—Zooveel dat in uw vermogen is—gij kondt daarmede eene achterdeur openhouden, waarmede burgemeesteren niet gediend zullen zijn. Wij willen opheldering en verantwoording van uw gehouden tale in de laatste biddagpreek.
—Ik heb gesproken tot opwekking en stichting van de gemeente. De mensch is een arme, ellendige zondaar, geneigd tot alle kwaad, en zoo hij daarom dikwijls iets hooren moet wat zijn trots en eigenliefde kwetst, het is het Woord des Heeren, dat wij niet mogen terughouden. Ik weet niet met woorden iets misdreven te hebben,—sprak hij met den grootsten eenvoud.
Het was behendig de zaak dus te draaien alsof hij niets buitengewoons gezegd had.
Bickers voorhoofd fronste zich en de samengenepen lippen toonden de ingehouden drift.
—Het is niet de eerste maal, Weleerwaarde, dat wij u hier spreken, en wij kennen uwe procedures, die ons echter niet van den weg zullen brengen. In tijden als deze, waarin liet gemeenebest van buiten in oorlogen gewikkeld is, kan geen twiststoken van binnen geduld worden, en zal men strengelijker te werk moeten gaan, dan men anders doen zou.
—De kommerlijke tijden, waarop gij doelt, zijn Gods vinger, die waarschuwend dreigt; en het is de plicht van de dienaren des Woords, dit der gemeente onder 't oog te brengen.
—Daarover willen wij niet twisten; de zaak is, dat burgemeesteren, zoo zij besloten, u nogmaals over uwe heftige predikatiën te onderhouden, tevens besloten met kracht en ernst daar een eind aan te maken, te meer daar vroegere vermaningen zonder invloed zijn gebleven. Het is niet over uwe prediking van Gods Woord, dat wij u willen spreken—maar over uwe politieke bemoeiingen, en uwe beoordeeling van den magistraat.
—Als burgemeester Boom het mij vergunt, sprak Oetgens, eenige met potlood geschrevene aanteekeningen voor zich nemende—zal ik de geïncrimineerde uitdrukkingen ter sprake brengen.
De voorzitter knikte toestemmend.—Heer Adrianus Smoutius, vervolgde Oetgens, wij wenschen de gehoudene predikatie aan ons overgeleverd te zien, opdat wij haar nader kunnen onderzoeken.
—Het doet mij leed, zeide Smout, beleefd buigende en met een gebaar van verontschuldiging,—dat ik hieraan niet voldoen kan; de kerkeraad heeft daartoe geen verlof gegeven.
—Uwe weigering zal ons het recht niet uit de hand nemen, dat stuk te beoordeelen.
—Het bleek nu wat burgemeesteren hadden zitten schrijven onder de preek. De geschrevene aanteekeningen kwamen ter sprake. Smout aarzelde eerst en draaide er omheen, doch eindelijk op den man af daartoe opgeëischt, erkende hij, dat hij met de beroerders van Israël den magistraat, met Rehabeam de burgemeesters bedoeld had. Nu zal men moeten bekennen, dat het minder vleiend is openlijk een beroerder van Israël genoemd en met een boozen koning vergeleken te worden; en, is het dus in burgemeesteren te begrijpen, dat zij daarmede niet gediend waren, dan strekt het hun tot lof, dat zij hem met gematigdheid vroegen of hij dan niet op andere wijze zijn beklag had kunnen doen, en hoe hij meende te kunnen verantwoorden, dat hij aan de gemeente aldus het recht tot opstand predikte.
—De ergernis is publiek gegeven en moest ook publiek gestraft worden, zeide Smout. Hij trad daarop in een lang betoog over den schutterseed, over de Arminiaansche ketterijen, en sinds wanneer, vroeg hij, sinds wanneer weigert men der kerk het recht om in kerkelijke zaken te beslissen en over predikanten te oordeelen,—sinds wanneer zou een predikant niet meer het recht hebben de gemeente te vermanen over hare afdwalingen? De heer Oetgens vroeg, waarom ik niet elders beklag gedaan; meent hij daarmede bij den prince? Dat is meermalen zonder vrucht geschied—en het schijnt we, dat Zijne Doorluchtigheid ook in Amsterdam niet alles kan of durft.
Dat was een stout woord. Der Amsterdamsche regeering—de kern dier autocratische en oligarchische macht, die steeds rijzende was naar het toppunt van schier onbeperkte heerschappij, en in wier hand de prediker thans geheel was als een schaap onder de wolven—al konden de herders het naderhand wreken—, aan die regeering in het aangezicht te durven zeggen, gij, die mij van heerschzucht beschuldigt, gij ziet den balk in uw eigen oog voorbij!
Een stout woord, en zoo dit uwe bedoeling geweest is, dan hebt gij, "de hand in de tasse gestoken ende eenen steen daar uyt genomen, ende dien geslingerd en getroffen den Philistijn in zijn voorhoofd."
Of het een schoen was, dien men zich aantrok, omdat hij scheen te passen, dan wel of het alleen om de beleediging was, burgemeester Boom zag den spreker strak in het gelaat en vorschte naar het doel. Dat gelaat loog niet—het was rood, de grijze oogen schitterden onder de gefronste wenkbrauwen. Boom richtte zich op in zijn armstoel, en de saamgenepen hand wat zwaar op de tafel leggende, zeide hij langzaam:
—De heer Smout vergete zich niet—en bedenke, dat hij voor burgemeesteren van Amsterdam staat.
Dat was zeker geene kleinigheid, en er was geen zweem van snorkerij in deze woorden. Menig stout spreker zou hier wat ingebonden, menig hoofd hier gebogen hebben. Burgemeesteren van Amsterdam—die heeren en meesters van Amstels macht en rijkdom, die in de weegschaal tegen de stadhouders zoo dikwijls de zwaarste bleken, die slechts de Staten boven zich rekenden, wier besluiten zij toch zoo vaak verlamden, en die zoo dikwijls tot de heerschzuchtigste willekeur vervielen; maar ook, men moet het nooit vergeten, de mannen, die rusteloos den lande dienden, mannen, die minder geleerd en welsprekend dan men er thans zoo velen vindt, maar gewoon waren zelve, nú te velde, dán op de vloot, dán als gezant of in de raadzaal, alles te gelijk te wezen, mannen van de pen, van het woord en van het zwaard.
Het was een stout woord, Smoutius, en zoo wij u eene deugd moeten toekennen, is het zeker die van onversaagd uwe meening te uiten. Maar ook Smout stond niet alleen; mocht hier voor het oogenblik de kans niet gelijkstaan, op den duur en op een anderen grond was zij dit wel, want achter den eenvoudigen prediker stond de kerkeraad, maar vooral het volk, dat zich laat opwinden en als werktuig gebruiken, en dan met blinde kracht voortholt.
Belangrijk was het, die twee machten tegenover elkander te zien, de wereldlijke en de geestelijke, de wet en de kerk, strijdende wie heerschen zou.
Toen Smout bemerkte, dat het ernst werd, kwam hij met een voorslag aan; de kerkeraad namelijk had twee predikanten willen afvaardigen om burgemeesteren de bewijzen af te vragen, die zij tegen Smout hadden, en hij betoogde weder, dat het alleen aan den kerkeraad stond in deze geheel kerkelijke zaak te oordeelen.
Het was gedurende dit geheele onderhoud zijn streven, de kern der zaak te ontwijken. De voorzittende burgemeester gaf hem dit duidelijk te kennen.
—Noch de verbindbaarheid van den schutterseed, zeide hij,—noch de strijd tusschen Dordt en de remonstrantsche sociëteit, noch het recht der kerk om over hare predikanten te oordeelen, zijn punten in quaestie, maar uwe politieke bemoeiingen en openlijke beoordeeling uit den preekstoel van daden des magistraats. Daarom zullen wij niet dulden, dat de zaak kerkelijk behandeld worde, maar zepolitiekbehandelen en zonder vorm van proces alle seditieuze predikatiën weren.
Daar dit zooveel gezegd was als:—wanneer wij het morgen goed vinden, zetten wij u de stad uit, en het voorbeeld van collega Kloppenburg[3]hem voor den geest kwam, meende Smout nog ééne poging te moeten wagen op hun gemoed, daar hij tegen verstand en wil tevergeefs had gestreden.
—Ach, mijne heeren! zeide hij—komt nog tot bekeering, werpt u voor des Heeren voeten, buigt u neder voor den Heere van Israël, gij zult het moeten verantwoorden, zoo gij de ware religie in gevaar stelt,—doch de hartstocht en het fanatisme, waarmede hij vasthield aan wat hij de goede zaak meende, sleepten hem weder mede:—Gij zult de verdrukking der kerk moeten verantwoorden, vervolgde hij scherper; denkt aan Jerobiam, als hij de hand tegen den man Gods uitstrekte, zoo verdorde zijne hand: —wat mij aangaat, ik zie wel, hier geen recht te zullen erlangen en dat elders te moeten zoeken.
—Heer predikant, antwoordde Boom met kalmte en waardigheid, ook wij hebben te verantwoorden—de rust van stad en gemeente. Elders recht zoeken, zegt gij; bij wie? Meent gij, dat gij de zaak wederom op den kansel zult brengen en het volk opruien? Dan weten burgemeesteren wat hun te doen staat, en dan zullen zij het volk en de waarachtige religie tegen dergelijke seditieuze procedures beschermen; het is niet voor niets, dat nieuwe vendelen zijn ingenomen, en zoo het tot het ergste komen en daarvan mocht gebruik gemaakt worden, burgemeesteren zullen zich voor God en hun geweten kunnen verantwoorden.
—Uwe zaak zal in advies gehouden worden.
Het verhoor werd gesloten. Smout vertrok zooals hij gekomen was, en terwijl burgemeesteren nog eene wijl "in het torentje" beraadslaagden, werd de draad, waaraan het zwaard boven zijn hoofd hing, al dunner en dunner.
NOOT: