... twee geiten... mijne oogen troffen... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage
Eene tegenstrijdigheid moogt gij het misschien gaan noemen, en eene overwinning der gezelligheid op de afzondering, als ik u beken, dat dit teeken van levende wezens mij opeens eene gewaarwording van genoegen gaf. Doch het is ook waar, dat deze dieren en het meisje, dat ik iets verder ontwaarde, geen storende klanken waren in de stille natuurharmonie om mij heen, zij stemden er geheel mede samen. Ik kan niet zeggen, dat zij de stilte braken.
Deze dieren zochten naar de jongste en zachtste planten, en dicht bij hen bespeurde ik een meisje, dat ze moest hoeden. Daar ik in half gerezen en half liggende houding door de hooge bremstruiken verborgen was, die met hun sappig groen hier en daar in groepen over den bodem verspreid, eene schoone wisseling van kleur gaven aan het eentonige heikleed, zag zij mij niet. Het was een hoogst schilderachtig beeldje—het hoofd voorovergebogen, op een langen stok, om de geiten te drijven, tusschen schouder en arm leunend, het bovenlijf met een rooden doek omknoopt, waaruit de hoog opgestroopte hemdsmouwen kwamen, die de armen bloot en vrij lieten; de heupen, de linksche sterk geteekend door het rusten op het been aan die zijde, achteloos met eene dikke stof als rok omhangen, die de bruingebrande, maar fijne enkels zien liet, terwijl de voeten scholen onder de heistammen,—zóó was zij een beeld van slechts even gerijpte jeugd, slank, lenig, veerkrachtig, een natuurkind met eene merkwaardige sierlijkheid en harmonie van verhoudingen in hare vormen.
Straks bukte zij, en zich in een kleinen waterplas spiegelend, ging zij de dicht en rijk groeiende, los golvende, blonde haren bijeenvlechten. Eerste daad van een nog duister, maar zachtkens uit zijn natuurslaap oplevend zelfbewustzijn.
Wat ging er bij die handeling om in het hoofd van dat natuurkind, geboren en opgewassen in de eenzaamheid? Zoo mogen wij wel vragen, als wij bedenken, dat zij in den leeftijd was, waarop wat het sterkst heerscht de verbeeldingskracht is. Wat al visioenen kwamen in dien tooverspiegel des waters haar voor den geest? Wat voor nikkers keken van onder door het heldere medium haar in de oogen? Kind, wat doet gij! Het is de eerste voetstap, dien gij zet uit uw Eden, uit uwe volstrekte en onbewuste onschuld, uit uw natuurstaat. Helder is toch nog de spiegel, waarin gij kijkt, helder als uw gemoed tot nu was; maar gij hebt de betoovering verbroken, van nu afmoetener wolken overheen gaan,moetdie heldere oppervlakte door het slib, dat op den bodem ligt, verduisterd worden.
Zooals ik haar bespied had, bracht ik haar snel met eenige trekken op mijn teekenboek, maar nauwelijks snel genoeg of zij zag het plotseling, en trok, met een donkeren blos over hals en wangen, de pas gevlochten haren uiteen, als door een duister instinct gedreven om mij een bewijs te geven van het argelooze harer daad, maar juist daardoor de kleine wereld van haar binnenste openbarend.
Ik.—Waar woont gij?
Het meisje (bedremmeld).—Wat?
Ik.—Waar uw huis is?
Ginds—wees zij met den uitgestrekten, arm naar een kleine hut, in de verte nauwelijks van den grond te onderscheiden, en meteen op twee vingers fluitend, bracht zij de geiten naar zich toe, en ging ze met haar langen stok den weg huiswaarts opdrijven.
Ik.—Laat mij met u gaan: vertel mij intusschen iets van uw huis: wie zijn daar te huis?
Zij (aarzelend en met zeker wantrouwen, omdat ik haar in hare naïeve handeling gezien had).—Thuis zijn wij met ons vijven,—de oudste is weg,—ik ben nu de oudste.
Ik.—Hebt gij vader en moeder?
Zij.—Vader hakt hout en rijdt hout en keien, die hij delft: moeder werkt in 't veld, hier en daar, als ze kan,—nu moet ze op den jongen passen,—en ze werkt in huis en op ons veld.—Raapt gij dat op?
Ik.—Weet gil, wat dit is? Het is een fraai geslepen—wig, zooals ze hier vele eeuwen geleden als beitels gebruikten.
Zij.—Die vinden wij zoovele hier. Vader bewaart er een; zij zeggen, dat ze goed zijn om den bliksem af te weren.
Toen een stilzwijgen. Van ter zijde zag ik haar dikwijls aan. Zij was in het schoone tijdperk der wordende rijpheid, waarin de vormen voller worden, het vermeerderde bloed met sneller omloop naar hals en wangen vloeit, de zintuigen scherper zijn, de verbeelding gaat heerschen; de uitgang uit de algemeenheid, de intrede in de individualiteit; physisch en moreel eene zoo belangrijke en critische periode:—ik had lust, het kind der natuur te bespieden in haar zieleleven.
Ik.—Wat doet gij gewoonlijk?
Zij (met een blos).—De geiten hoeden, en sprokkelen, en dan werk ik in huis....
Ik.—Hebt gij niet op school geleerd?
Zij.—Een korten tijd;—wij wonen te ver af, en zij kunnen mij niet missen voor de beesten.
Ik.—En blijft ge hier zóó leven?
Zij.—Ik weet het niet; ik wilde liever weg; 't is hier doodsch.
Ik.—Kunt gij dan niet hier vandaan?
Tranen verduisterden hare oogen. Ik bukte mij om eene plant te plukken, en deed alsof ik het niet bemerkte. Waarom, dacht ik, verder snaren aangeroerd, die haar wellicht kwellen, en ik liet den tip los van den sluier, dien ik wilde oplichten. Toen weer een lang stilzwijgen.
Zij de geiten voortdrijvend, en ik in mijmering verzonken, zoo kwamen wij weldra bij de woning. De lage hut was als één met den grond; het werk der menschenhand was maar weinig merkbaar, en de woning scheen een voortbrengsel van den bodem zelven. Denneplanken en klei vormden de wanden, waar ze helden, door een paar jonge dennestammen geschoord; het dak, dat als de kroon van een paddenstoel het geheel overhuifde, was één plantaardig geheel geworden; bladmossen gaven er eene groene kleur aan, die hier en daar door sterker licht steeg tot het diepste, sappigste groen; het huislook leefde daartusschen en schoot zijn langen bloemstengel omhoog, en de donderbaard, naar Thunars rooden baard genoemd, beveiligde het dak tegen het onweer.
De geiten waren de hut ingeloopen, en toen ik mij onder den lagen deurpost gebukt had, verwelkomde mij eene vrouw met een knaap, die met beide handen zich aan hare rokken vastklampte; eene krachtvolle vrouw, in hare gestalte eenigszins tot den mannelijken vorm naderend. Zooals in de beschaafde wereld het mannelijke tot het vrouwelijke, zoo nadert bij het volk het vrouwelijke type tot het mannelijke.
De vrouw.—Laat mijnheer gaan zitten,—hier is eene bank, en wat melk, als mijnheer wil. Komt mijnheer jagen?
Ik.—Neen, ik zwerf maar voor mijn genoegen op de heide.
En ik moest glimlachen om de onmogelijkheid van haar te verklaren, wat ik eigenlijk kwam doen. Op de jacht?—Ja, juist op de jacht,—van menschen, van toestanden, van beelden en gewaarwordingen, van schoonheid en van waarheid....
De vrouw.—Ik dacht het om die tasch—maar daar zijn kruiden en planten in, zie ik nu.
Het meisje (blozend).—Hij heeft de geiten uitgeschilderd....
Ik.—En uwe dochter er bij, moeder.
Eene hooge kleur overdekte haar hals en wangen.
De vrouw.—Dus is mijnheer een schilder:—schilders komen hier veel.
Ik.—Ook dat niet: ik kom een dag leven in de natuur, de stad ontvluchten met haar drukte en gewoel, en buiten uitrusten.
De vrouw.—Zijt ge dan niet tevreden in de stad?
Tevreden? Wat is tevredenheid? Is het stilstand, die niet meer werkt, die niet meer wenscht, dan is zij apathie. Of de gemoedsstemming, die wel vrede kan hebben met wat is, maar waarbij het streven naar iets beters niet is uitgesloten? Dan ben ik tevreden. Maar geen stilstand, geen afgesloten leven; oneindig is het streven des geestes. Het geheele leven is streven, en misschien is zelfs sterven hetzelfde, en slechts een zeer gewone letteromzetting van streven.
Ik.—Tevreden? Ja—maar in de stad verliest men zichzelven, men moet zich terugvinden in de vrije velden en bosschen.
Het meisje (blozend).—De stad! eenzaam en stil is het leven hier. Wat ziet of geniet men hier? Hoe vroolijk en druk en heerlijk is de stad! Hoe gelukkig is het, onder de menschen te wonen!
Ik (tot de vrouw).—Zijt gij tevreden met uw leven hier?
De vrouw (verwonderd).—Waarom zou ik ontevreden zijn? Wij hebben niets te verlangen; de grond geeft plaggen om te branden, en ons bebouwd veld geeft vruchten; mijn man verdient veel geld met het delven van keien, waarmee de grond hier gevuld is; met de zon staan wij op en werken totdat de zon ondergaat; wij eten, slapen en werken goed, wat wilt gij meer?
Ik.—En hindert u de eenzaamheid niet?
De vrouw.—De afzondering geeft vrijheid; wij leven vrij en gerust, en hebben het noodige.
Het meisje.—Niet altijd,... of het noodige is heel weinig.
Ik.—Verlangt gij dan niets?
De vrouw.—Wij verlangen zon en regen voor ons veld, en keien in overvloed in den grond.
Ik.—Gelukkige eenvoud.—En zal die jongen, die uw kleed maar vast blijft houden, er ook zoo over denken? Een flinke knaap, moeder!
De vrouw.—Ja, flink, is de jongen, niet waar? Zoo wou ik hem houden, wat hebben wij anders aan de kinderen? Mijn oudste, mijn zoon is naar de stad, hij werkt daar,—maar voor ons is het alsof hij niet leeft.
Ik.—Wat kunt gij er aan doen? Het is eene noodzakelijkheid van het leven. De vleugels zijn om te vliegen, dat is om het nest der ouders te verlaten.
De vrouw.—Had hij niet hier kunnen werken met ons?
Het meisje.—Wat zou hij hier gedaan hebben? Moeder, moeder! ach wanneer gaan wij ook naar de stad! Daar is alles schitterend, zeggen zij, en vroolijk, en meer dan duizend menschen wonen daar!
Ik dacht het wel. Het is de zucht tot maatschappelijk leven, die in opstand komt tegen den natuurstaat. Die traan, die blos hebben het al lang gezegd, en getoond, hoe diep het er reeds in zit. Vrij moge, moeder, uw leven in rust, in eene geslotenheid liggen, die er eene soort van plantaardig of dierlijk bestaan aan geven, deze natuurtoestand is een onafgewerkte, een onvolkomene, en indien gij al niet, dan zal de dochter zich aan dien toestand ontrukken, wellicht met al het geweld, dat uit de noodzakelijkheid van deze ontwikkeling voortvloeit. Daar hebt gij weder eene dier geheime drijfveeren, die de wereld en de maatschappij in beweging stellen. Is er dan eene gebiedende wet, die alles uit zijn rust en eenvoud, naar den strijd en de tweespalt des levens heenjaagt?
Onvoorzichtig kind, wat gaat gij beginnen! Wilt gij uwe schoone wereld verlaten? Ja, de jonge maagd zal dat paradijs van onbewustheid, van onschuld verlaten,—in dien éénen blos van verrukking, op het hooren van den naam der stad, is het al te bespeuren. Welk drama ligt er voor haar in gereedheid? Wolkjes komen op, aan den gezichteinder zijn zij al gerezen, om den helderen spiegel, waarin zij straks tuurde, te overschaduwen. Zooals duizenden vóór haar, zooals de menschheid met haar, zal zij het Eden der volstrekte onschuld verlaten en de wereld ingaan, om daar in de beschaving, in het kunstmatige, in eene versierde en mismaakte zedelijkheid te zwoegen, te worstelen, te lijden, te struikelen en voort te strompelen; misschien, zoo het haar gegeven zal zijn, zich op te richten.
De vrouw.—Zie, de jongen snuffelt al in uwe tasch, en pas op, de geiten knabbelen aan de planten, die er uit steken; wat doet gij daarmede?
Ik.—Wij willen alles kennen; ik zal ze onderzoeken, de wortels en de bladeren, de bloemen en het zaad, om te ontdekken, hoe de plant leeft.
De dieren plukken en eten ze zonder nadenken, uit instinct; doen zij niet beter? Wij zijn reeds te ver van de natuur verwijderd, om haar beeld geheel te ontsluieren. Zij genieten zonder te kennen, wij moeten kennen om bevredigd te kunnen zijn.
De vrouw.—Wat, jongen? Durft gij 't zelf mijnheer niet vragen? Hij wou zoo graag dat potlood hebben, om poppetjes te teekenen; nu trekt hij ze maar in 't zand.
Ik.—Wel zeker en ik zal hem wat papier daarbij geven;—en gij moogt dit beeldje van uwe dochter behouden. Nu dank ik u, moeder, voor uw frisschen dronk, de lage zon waarschuwt mij terug te keeren. Vaartwel en leeft samen gelukkig.
Toen ik een eind verder eens omkeek, zag ik het meisje, de hand boven de oogen houdend, mij staan nastaren.
Mijn weg liep langs de kleine beek, die, uit eene welige ader der natuur opborrelend, zich voortslingerde in den bodem, gereinigd over de kiezels in hare bedding. Lang vergezelde zij mij, maar eindelijk verliep zij in een grond met dichter groei van mossen, varens en struiken bewassen. Toen ik mij nog eens omkeerde, alvorens de hei te verlaten, zag ik in de verte de hut bijna niet meer. Het donker begon te vallen, de zon was al onder; de meerdere gloed van licht en de meerdere beweging van wind, die haar ondergaan plegen te vergezellen, hadden voor de schemering en voor eene groote stilte plaats gemaakt; kalmte heerschte zoowel in het rijk des lichts als in dat des geluids.
De kleine woning zag ik niet meer, en zij werd mij als een ver, zeer ver verleden der menschheid.
Gelijk die vrouw, was eens de natuurtoestand des menschen, met een streven, dat maar weinig verder ging dan dat van planten en dieren.
Kon de mensch zoo blijven?
Daar ontwikkelde zich met den grond, dien ik betrad, de geschiedenis der menschheid.
De kinderlijke volken zijn geheel in de natuur verzonken, één er mede; zij denken haar niet tegenover zich als voorwerp van waarneming. Zoo leven zij naar hun instinct, hun natuurdrift.
Maar dit zelfs is niet eens een volstrekte natuurtoestand meer; vrijheid van alle maatschappelijke banden is slechts denkbaar in het aanzijn van één mensch op aarde. Zoodra twee niet al te domme wezens te zamen moesten blijven leven, zal hun de noodzakelijkheid gebleken zijn, dat ieders vrijheid beperkt werd door de eischen der vrijheid van den ander. Reeds in het bestaan van twee menschen op aarde dus is de wet gegeven van opoffering ter wille van elkander, van beperking van zelfzucht, en met deze conventie is de maatschappij al gegrond, en gerechtvaardigd tevens.
Daarna zichzelven en de wereld buiten zich waarnemende, opgevoed in den strijd om zich te handhaven tegenover de andere wezens en de verschijnselen der aarde, verminderde de mensch voortdurend zijn instinctleven en nam zijn kennisleven toe. In de paradijsmythe is het volkomen juist, dat de kennis den mensch uit dat Eden verdrijft. Maar onjuist is de voorstelling, dat hij toenviel. Integendeel, deze verdrijving uit het instinct, deze verlossing uit de dierlijke onbewustheid was een groot voorrecht. Menschelijke schuld is een hooger trap dan dierlijke onschuld; en oneindig hooger het onvolmaakte kennisleven, dan het volmaakte instinctbestaan. Eerst dan is het onderscheid van kwaad en goed begrijpelijk; eerst dan kan er sprake zijn van eenige verdienste in het bestrijden van het eerste en het streven naar het tweede; eerst dan is een leven van den geest en de geboorte van idealen daarin mogelijk.
Maar dat ideaal kan nooit een terugkeer tot den natuurstaat zijn, en wie met Jean Jacques dat wenschte, kunnen wij geen beter antwoord geven dan Voltaire hem schreef:—Après avoir lu vôtre discours, on prend envie de marcher à quatre pattes.
Vooruit dus, op twee beenen, en recht overeind.
Hier, op den ouden grond, dien ik betreed, verlevendigt zich uit het doffe verleden een latere phase der menschheid.
Op dezen driesprong, waar de heksen komen dansen en geen gras kan groeien, schieten als door betoovering de oude geslachten weer te voorschijn. Ruw is de mensch nog, maar er zijn al maatschappelijke vormen. Op zijn reis van de oorspronkelijke natuur naar de beschaving is hij nog aan de natuur verkleefd. Hare kracht is hem eene duistere overmacht, hare wet willekeur, hij heeft haar noodig, hij vreest haar. Zoo maakt hij uit haar zijne goden. Merk intusschen op, hoe hij aan den voornaamsten der goden geen dommekracht, maar verstandsattributen toekent,—de raven Hugin (gedachte) en Munin (herinnering) zitten op Wodans breede schouders,—en in die apotheose van het verstand ziet gij reeds den wegwijzer, die altijd vooruit wenkt naar het land derkennis. Dien weg, volgde de mensch en hoe verder hij kwam, des te verder raakte de natuur van hem af. Daarom verdween ook eindelijk voor hem die bovennatuurlijke wereld, die hij zich schiep, en zij keerde terug tot de natuur. Ik had, bij het heengaan, van de hut een fraai exemplaar van den donderbaard meegenomen en zoo kwamen mijne gedachten op den schoonen Thunar, naar wien hij heet. Zoo keerden de natuurgoden terug tot hun oorsprong, dacht ik, en hunne namen blijven zich slechts aan natuurverschijnselen hechten. Al wat eens in deze zelfde streken bovennatuurlijks leefde en heerschte, heeft voor zijne persoonlijkheid een physisch leven teruggekregen.
De schoone jongeling Thunar, de machtigste met den grooten Wodan, de god der hemelverschijnselen, rijdt niet meer met zijn gespan van tandenknarsende bokken[5], raatlend door de lucht. Hij leeft alleen in den donder; zijn machtige roede baard, waar de bliksem uit schoot, als hij er in blies, is tot het plantenrijk overgegaan, en de donderwiggen, die zijne krachtige vuist eens wist te slingeren, liggen rustig in de aarde te slapen, waaruit de landman ze soms opspit; en de vriend der oudheid bewaart ze. Bloemen en vruchten strooiend, rijdt Hertha niet langer over de aarde. De kleine slimme Lichtalven en de booze, zwarte Nikkers nemen aan der menschen handelingen geen deel meer en voeren geen guitenstreken meer uit, maar in de lucht, in de planten, in de waterpoelen en de dwaallichten hebben zij zich teruggetrokken. Vast blijven de, vonken van Muspelheim nu aan het nachtlijk hemelgewelf staan. De machtige Wodan zetelt niet langer in Asgard, het lot besturend, de vader der poëzie en der wijsheid, hij, die één zijner oogen verpand had om uit Mimirs bron de voorzienigheid te drinken. Voor de laatste maal heeft hij met Freya over het slagveld gereden om de gevallenen te deelen; blijvend staat zijn Wagen in het noorder halfrond onder de starren te blinken; en ook Freya drijft haar met katten bespannen voertuig niet meer als liefdegodin door het luchtruim. De wateren en wouden hebben hunne heilige huivering verloren;, de roerende tragedie van den edelen, blonden Baldur, door den boozen, zwarten Loki gedood, en zijne Nana, die uit weemoed sterft in zijns moeders schoot, heeft opgehouden te bestaan.
Dit alles is voorbij, als de menschenwereld, die het schiep, en teruggekeerd, tot de natuur, waaruit het geboren was. Zoo ging het in verschillende tijden, in alle streken der aard. Wat niet tot de natuur terugkeerde was de menschenwereld; zij ging voort, al weder iets anders opbouwend, altijd voort op den langen weg der beschaving, zich hoe langer hoe verder van hare moeder verwijderend, zich hoe langer hoe meer in samengestelder vormen der maatschappij inwerkend.
Met den grond waren mijne denkbeelden veranderd. Afwateringsbeken en greppels, die de slangsgewijs kronkelende beek vervangen, snijden nu in regelmatige lijnen den bodem; overal zijn gronden in bebouwing gebracht, hier met jong plantsoen, elders met boekweit of met tabak; geregeld staan de boomen, en hier en daar verheft zich een net, rechtlijnig huis; ten laatste snijdt eene spoorbaan mijn weg, en een tal van ijzerdraden trilt en gonst in de lucht. Mijne gedachten zijn nu geen herfstdraden meer, maar voegen zich naar de ijzeren draden van de telegraaf.
Met een geweldigen gedachtensprong ben ik eeuwen vooruitgestoomd en ik voel mij opeens te midden der nieuwste beschaving, te midden dier wereld met hare duizenden kunstmatige vormen, behoeften en denkbeelden, waarin de mensch niet langer naar zijn instinct, maar naar zijn verstand,—en vaak onverstandig genoeg,—leeft.
Het is hier de plaats om natuur en cultuur, om Eden en den boom der kennis te verzoenen, en het ons duidelijk te maken, hoe wij weer tot natuur kunnen komen zonder op vier pooten te gaan loepen.
Wat er strijdigs is, valt gemakkelijk op te lossen. De menschheid heeft haar tijd nog niet volbracht, zij is in een toestand van wording en ontwikkeling. De gebreken, die men in de maatschappij te berispen vindt, zijn dus geen einduitkomsten, maar de voorbijgaande gevolgen van de werking en gisting der bestanddeelen van het leven, en de weg, dien wij gaan, is duidelijk die van het onvolmaakte tot het meer volkomene. Dat die weg zoo kronkelt, moet ons het einddoel niet uit het oog doen verliezen. Wij moeten het dus niet tegen de beschaving hebben, maar tegen hare verbasterde kinderen; en als wij in de geheele maatschappij, waar zij in allerlei onnatuur en onwaarheid haar vooruitgang zoekt, het betere leven niet opeens kunnen herstellen, wie belet ons het in onszelven te doen?
De maatschappelijke wedergeboorte zal er eindelijk wel door gebaat worden, zoo wij maar aanvangen met onze eigene, en daartoe moeten wij allereerst beginnen met natuurlijk, eenvoudig en, waar te worden. De weg om de natuur in ons te herstellen, om den strijd, die tusschen de cultuur en haar schijnt te bestaan, op te heffen, loopt niet achteruit, maar voorwaarts en hooger op. Geen terugkeer tot den oorspronkelijken natuurstaat. Het is een valsch begrip, dat natuurlijkheid slechts bij naïefheid te vinden is. Zij kan het gevolg zijn dier eigenaardige afwezigheid van gekunsteldheid, en dan is zij naïef, maar zij kan het ook zijn van zelfkennis en zelfverbetering, van bewusten en overdachten terugkeer tot waarheid, en dan staat zij veel hooger. Het is even valsch, dat wij, om natuurlijk te zijn, tot den oudsten toestand der menschen moeten terugkeeren, en, uit dit oogpunt beschouwd, wordt de strijd tusschen cultuur en natuur steeds geringer. Want natuur is niet enkel die eerste toestand, maar ook de volkomene evenredigheid des menschen in zijne geheele ontwikkeling. Er is dus in den aard geen noodwendige strijd tusschen natuur en beschaving, en als de laatste zich in hare vele vormen en ontwikkelingen voor een tijd van de eerste verwijdert, zullen beide toch hereenigd kunnen worden. Zooals alles in de stof naar harmonie streeft, zal ook dit streven zich bij het verstandelijk en zedelijk zijn openbaren. Eenheid is de grondtoon van de stoffelijk genoemde schepping, eenheid zal het ook blijken voor de niet—stoffelijke. Het probleem om natuurlijk te worden, om de natuur en de beschaving inEinklangte brengen, is dus te zoeken in het afschudden van het juk eener valsche beschaving, in eene evenredige ontwikkeling van alle vermogens, is te zoeken in den omgang met de landschappelijke natuur om ons heen, eene onuitputtelijke bron van waarheid en schoonheid, waarin wij ons nimmer met vertrouwen zullen dompelen, zonder schooner en warer te verrijzen.
Weldra hoorde ik het getjingel van torenklokken en zag de hooge spitsen der oude torens in de lucht steken. Onder de met starren bezaaide lucht ligt de stad uitgestrekt, eene zwarte massa, wier onregelmatige silhouet zich tegen de lucht afteekent. Als een evenbeeld van het natuurlijke, blinkt uit de donkere massa der huizen een ander starrenheer in de lichten der vensters, die ook als starren schijnen. Dat zijn de sterren der beschaafde, der maatschappelijke wereld, ook al dikwijls werelden op zichzelve, evenals wellicht die verre lichten van het hemelgewelf. Menigeen van die stadsstarren is een haard, waar het vuur des geestes flikkert en gevoed wordt, een lichttoren, waar de een of andere geest phantaseerend en dichtend schittert in het rijk van het schoone, of peinzend en zoekend arbeidt op het gebied van het ware; menig ander is een altaar van huiselijke trouw en liefde, van werkzaamheid en zelfopoffering, en al zijn er vlammende lichten bij, die het middelpunt zijn van onbeduidende feestelijkheid of van boosheid, dat hindert niet het geheel aan te nemen als een heerlijk, weldadig starrenheer, waaruit symphonisch de hymne rijst van een groot menschengezin, dat arbeidt in het leven, van een leven, dat rijker, dieper en veelzijdiger is, naarmate het verder is voortgegaan, en dat eerst zijne hooge beteekenis heeft gekregen, sinds het uit zijn natuurstaat tot den toestand der beschaving is gekomen. Want eerst in de beschaafde maatschappij kan het leven worden wat het wezen moet, kunnen onze zedelijkheid en onze geest door de aanraking met anderen vooruitgaan. Zedelijkheid, wetenschap, kunst, de drie hoogste punten van menschelijke ontwikkeling, zijn alleen onder beschaving en in eene maatschappij mogelijk.
In die stemming vallen als door eene zuiverende zeef de schillen en bolsters van het bijzondere, toevallige en wisselende weg, en blijven slechts de kernen over van het eenig ware.
Al worden dus in vele opzichten natuur en waarheid door eene verkeerde richting van beschaving verdrongen, dat zijn tijdelijke afwijkingen, om welke men de beschaving niet zal kunnen veroordeelen. Haar wezen blijft er even edel door. Alleen, zoolang wij onder die tijdelijke afwijkingen leven, zal men niet ophouden, somtijds de behoefte te gevoelen om zich daaraan voor eene wijl te onttrekken en nieuwe lucht in te ademen. Wanneer in een vertrek vol menschen de lucht bedorven wordt, verwenschen wij daarom de lucht zelve niet, maar zetten een raam open. Zoo is het ook in het geestelijke. Ook daar moet somtijds een raam open ter verversching. Die dringende behoefte naar zuiveren dampkring, naar de vrijheid der bosschen, den geur der velden, naar natuur en natuurlijkheid, is het bewijs van wat der maatschappij ontbreekt. Het is een instinctmatige prikkel, die ons vermaant, de lucht te ververschen en een gebroken evenwicht te herstellen. Wij moeten ook hierin van het instinct tot de bewustheid opklimmen, dat wij ons maatschappelijk leven en onzen geest van tijd tot tijd met opzet opfrisschen in de natuur, dat de cultuur en de natuur in ons tot harmonie komen.
Als men dat ondervindt, houdt de trek naar de natuur op, een verzet tegen de beschaving, en de beschaving een strijd tegen eenvoud en natuurlijkheid te schijnen. Het bewustzijn wordt geboren,. dat zij in ons verzoend te zamen kunnen zijn, en de morgengloor van een nieuw leven heeft aangebroken. Eenheid te brengen in de verscheidenheid, harmonie in het uiteenloopende en een evenwicht te scheppen van alle bijzondere deelen, ziedaar een der grootste vraagstukken in de levenskunst.
In de rust van dit evenwicht sluit ik mijn brief. Ik behoud mijne maatschappij en hare beschaving,—maar ik behoud ook mijne natuurwandelingen. Wees hartelijk gegroet van
C.V.
NOOT:
[5]Dit is de beteekenis hunner namen Tanngnistr en Tangrisnir.
[5]Dit is de beteekenis hunner namen Tanngnistr en Tangrisnir.
Het was in oude, oude tijden.
Daar woonden in een heerlijk oord der wereld twee kinderen, tusschen wier geslachten de aarde sinds onheuglijke tijden was verdeeld geweest. In het rijk van Verstand heerschte, de oude koning intellectus, en in het land van Gevoel de oude koning Sensorius, en zij waren koningen der Alven, die toen de aarde bewoonden, en tusschen hen en hunne volken was een eindelooze vijandschap, die al sinds eeuwen van geslacht tot geslacht was overgeleverd.
Het paleis van koning Intellectus was in de rots uitgehouwen en het huisraad was van metaal en marmer, want de onderdanen van dezen koning waren kundig in alle nuttige werken van steenhouwen en metaalbewerking;—zij wisten de groeven en mijnen op te sporen en kenden de toepassing van allerlei krachten der werktuigkunde. Ernstig, maar niet helder en opgewekt van gemoed, waren zij altijd aan het werk. Geen vreugde bood ontspanning, geen poëzie bezielde, geen schoonheid adelde het leven, en hoe verstandig de wijze koning regeerde en de welvaart toenam, er was in, den toestand van het volk altijd iets, dat onaangevuld was, en iets, dat zekere kilheid, zekere stroefheid bezat.
Koning Intellectus en zijne gemalin Nutte hadden maar één kind, een zoon, den krachtigen jongeling Logicos, den roem en de hoop des lands.
In het andere gedeelte der aarde was het rijk van Gevoel. Het was geen wonder, dat tusschen de beide landen een onophoudelijke strijd was, want niet alleen waren de beide koningen zeer heerschzuchtig en streefden zij naar de wereldheerschappij, maar het geheele land van Gevoel was in alles de volkomen tegenstelling van het andere land. Het was of daar nooit iemand dacht aan het nut, maar alleen aan het aangename en bekoorlijke. Een warme luchtstreek, de grootste weelderigheid van bloemen en vruchten, deden daar het leven als in een zoeten droom, vol weekheid en ledigheid, voortgaan, maar wekten ook teederheid en gevoelvolle schoonheid. Bijwijlen zwak en onstandvastig, bijwijlen hartstochtelijk en opgewonden, altijd meedrijvende op de eb en den vloed der wisselende gewaarwordingen, zoo was het volk. Het was allerbeminnelijkst onpractisch. Wanneer het niet door hevige aandoeningen was gedreven, leefde het zoet droomend voort, genoeg hebbend aan zonneschijn, aan bloemengeur en aan zinnelijk kunstgenot. Genoeg? Niet altijd. Daar waren tijden van krijg, van natuurrampen of van verwoesting door den oorlog, en dan was er gebrek en ellende, door geen wijs overleg voorkomen of gelenigd. In dit prachtig schoone, dikwijls zacht en dikwijls fel bewogen land, woonde koning Sensorius met zijne koningin Parel in een heerlijk paleis. Goud en edele steenen vormden de wanden en zuilen, en een dak van ineengevlochten pauwvederen overhuifde het; bloemen wonden zich overal in weelderige spiralen om de zuilen en lijsten, en spreidden hare pracht van kleuren en geuren alom uit; slechts door hare veelvervige bladeren heen scheen het licht, en welriekende kruiden doorwasemden de lucht.
Mimosa, de tooverachtig schoone Mimosa, was de dochter van Parel en Sensorius, zij, op wie de sagen des lands duidden, het bevallig kind van schoonheid en gevoel.
Jacht en lichaamsoefeningen waren de eenige uitspanning in het land van koning Intellectus, en de koningszoon werd daarin door geen enkele overtroffen. Hij was eens ter jacht, en niemand was er zoo snel, kloek en onvermoeibaar. De zijnen ver vooruitgesneld, zat hij een rooden vos na, die hem den ganschen dag ontloopen was; aamechtig waren allen neergezonken; zijn laatste gezel zeeg in het gras, maar nog altijd pijlsnel vloog Logicos over struiken en hoogten, tegen de heuvels op, de hellingen af, ha! over die greppel heen, voort, voort, hij is hem nabij, maar telkens, als hij de hoogte oprent en hem bijna bereikt, duikt de, vos weer, met den breeden staart omhoog, de andere zijde af. Voort weer, voort....
De zon was ondergegaan, en des konings zoon zeeg op den grond neder en de slaap kuste zijne oogleden dicht. Niet ver van hem af viel de vos in de varenstruiken op den grond. Nauwelijks scheen de zon weer, of Logikos rees op; als het lichte stof had hij zijne vermoeidheid afgeschud en frisch ademde bij in den frisschen morgenstond.
Daar trof de vos weer zijn oog, dezelfde, die hem zoo gekweld had en hem zelfs in den droom over veld en moeras had medegesleept. Hij spande den ijzeren boog, die klonk bij het krommen; de pees trilde in de vingers, en de fijn gevederde pijl stoof sissend vooruit. Vergeefs; opgesprongen met eene vervaarlijke veerkracht, rende de vos vooruit, te gelijk toen de pijl de pees verliet, en de schicht trof de platgelegen bladeren van zijn verlaten leger. Met schaamte en spijt sprong de kloeke jongeling hem na. Te huis te komen en te zeggen, dat de beste schutter gemist had! Te huis te komen en te bekennen, dat de vlugste Alvenvoet zijne veerkracht had verloren?
Vooruit! vooruit! met wilde haren, mond en neusgaten wijd geopend, om lucht te ademen voor de verhitte longen, met bonzend bloed in de aderen.
Vooruit! vooruit! weer over struiken en heggen heen, over greppels en boomstronken; hier hem met juiste berekening den pas afgesneden; daar klinkt weer de gekromde boog, en trilt de pees en gonst bij het loslaten; weer tevergeefs; de wol stuift van de rosse vacht, maar met eene helsche snelheid vliegt de vos door, het bosch in, en de kloeke jongeling moet met woede en spijt zijn buit opgeven, die nu te veel op hem gewonnen heeft, om ingehaald te kunnen worden.
Mistroostig en vertoornd liep Logikos, bij het vallen van den avond, voort, als zonder doel. In een dicht bosch kwam hij, waarin hij eene opene plek vond, waar de lucht weer zichtbaar werd. Eene breede beek vloeide daar doorheen tusschen groen bemoste en als geëmailleerde rotsblokken, tot wat verder de oevers lager werden en de kanten rond afliepen naar den zoom van het water. De duisternis verspreide alom haar donkeren nevel, de kruinen der boomen wiegelden niet langer heen en weder, maar staken scherp af tegen de groenachtig getinte avondlucht en zij sliepen stil. Tusschen het dichte loof legde de vogel het hoofd onder de vlerken; de Uil vloog uit, maar schrikte van de opkomende sterren en vloog weer terug. De nacht heerschte over alles.
De schitterende zon was al uit de kleurenpracht van het oosten uitgebroken, toen het bosch nog stille schaduwen bewaarde in zijn binnenste. De schoone koningsdochter Mimosa had met hare blanke speelgenooten den morgenstond gevierd met luchtige dansen en welluidende melodieën. Mijmerend was ze dezen ochtend, de teedere Alve, en in zoete gedachtenwisseling met zichzelve, en hare gezellinnen verlatend, zocht zij de eenzaamheid. Langs een ruizelend stroompje ging haar vederlichte voet, en bloemen zamelend in haren sluier volgde zij zijne bochten tot in het bosch. In het midden van het dichte woud—zóó ver was zij nog nooit geweest—was eene opene plaats: pas was de zon hier doorgedrongen en verkwikte het groen en de bloemen, die hare kelken openden, het licht te gemoet; de vogelen groeven zich kleine holen in het warme zand en koesterden en wreven zich daarin met uitgespreide vederen en klappende vlerken.
Toen Logikos zich ontwond aan de omarming van den slaap en voor dien schoonen morgen de oogen opende, zag hij een schouwspel, dat hem nog nooit gegeven was te genieten, zelfs in zijne stoutste droomen niet.
Toen Logikos zich ontwond... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage
De heldere zon deed het riviertje sprankelen van licht en de 1 veelkleurige kiezels schitteren op zijn ondiepen bodem. Over het water, te midden der heerlijke waterleliën, zag hij de schoonste Alve, die hij ooit had aanschouwd, zich wiegelen op de als goud, schijnende herfstdraden en zich spiegelen in het heldere nat, dat zich onder haar zachtkens rimpelde. Zoo blank, zoo schitterend, zoo edel, zoo verlokkend en betooverend had zijn land nooit iets opgeleverd. Was er eene booze tooverelf in het, spel, die hem een zinsbedrog voorspiegelde? Of zou het werkelijkheid mogen zijn? Mocht hij nog twijfelen dan zouden hem nu de liefste tonen overtuigen, op wier maatgeluid zij zich wiegde.
Zoo sprong hij van zijn bemost rustbed op, om aan den oever de schoone Alvenmaagd te begroeten.
—Wie zijt gij, die mij hier komt overvallen? Ik zing niet voor wien ik niet ken.
—Welkom, zei hij tot haar, laat mij bij u nederzitten, en luisteren naar uw gezang.
—O zing toch! van duizenden, die ge kent, kan niet een u bewonderen als ik;—zing, nog nooit hoorde ik in ons land zulke klanken.
Zachtkens begon zij toen weer, half verlegen, half uittartend, te zingen:
Alles teeder in den morgen.'t Vooglenkoor de schauw ontvluchtendKoestert zich in 't jonge licht;D'aarde geurt als waar z' één gaarde,Zoete lucht suist overal.Teerder klinken nog van binnenAlle stemmen van 't gemoed,Dat van zacht gevoel doortinteld,Rozengeurig, rozenkleurig,Zwelt van geestdrifts zonnegloed.Zon van buiten, zon van binnen,Schoonheid heerscht er overal.
—Goddelijke stem, zei de zoon van Intellectus peinzend, wat wonderlijks voel ik in mij worden? Het is of eene openbaring in mijn binnenste geschiedt, duister, niet half begrepen; en mijn geest zoekt tastend hare symbolen te verklaren; mijne spieren ontspannen zich en mijn ijzeren wil wordt zacht; nooit heb ik schoonheid gezien in de natuur, en het is alsof zij nu eerst voor mij geschapen wordt in al hare pracht; wie wist het, wat kunstige tooverij daar ligt in de melodische buigingen en trillingen der stem! Alles noopt mij tot vreugde en weelde—en een traan welt bijna op in mijn oog!
—Kent gij de verheffing van het kunstgevoel niet? Van waar komt gij, gij, die verwonderd schijnt bij den naam der kunst?
—Ook wij hebben kunsten, maar hare voortbrengselen zijn geheel anders; wij bewerken het ijzer, en koper ... tot nuttige zaken.
—O, dat is de kunst niet! riep Mimosa, de kunst, die ijzer smeedt! Is dan de kunst niet alleen tot verrukking?
—Mijn verstand kan dit niet beseffen; kom gij schoone, en leer mij zien in dat andere tooverland, dat zich nog slechts als een duistere nevel aan mij voordoet.
Allengs was zij op den oever gekomen. Weldra de weg is zoo kort, als twee harten opengaan zaten zij naast elkander en waren in lief gekoos verzonken.
—Wie zijt gij toch? zei ten laatste Mimosa.
—Ik ben ... de oudste jager uit het land; ik woon in het rijk van Verstand; en gij?
—Ik woon in het land van Gevoel. Helaas! zei ze blozend en de oogen neerslaande,—dan zijn wij vijanden!
—Dat zou wel zoo behooren, maar daar heb ik geen moed toe; laat ik u medenemen naar mijn land, mijne ouders zijn machtig, en als zij niet weten van waar gij komt....
—Ach! ach! dat kan niet, ik kan niet weg, mijne ouders zouden zich dood treuren.
Logikos vleide en smeekte; Mimosa schudde twijfelend het hoofd en haar boezem zwoegde onder den strijd.
—Ach! geliefde! zeide zij, hoe zullen wij doen, om elkander niet te verliezen?
—Hier moeten wij te zamen kom en om elkander te zien; wekelijks zal ik hier komen, alsof ik ter jacht ging....
Wekelijks! en moet ik dan de andere dagen niet leven?
Aan de schoonste dingen komt een einde, en zoo ook, want de onbevangen uitstorting der onberedeneerde liefde behoort tot de schoonste dingen, aan deze minnekoozerij. Scheiden moesten zij, maar scheiden, om het zoete wederzien te kunnen genieten.
Eenmaal 's weeks, dacht Logikos, toen hij te huis kwam,—het is misschien beter zoo; eene geheime vrees bevangt mij wel eens, dat ik in hare netten zou gevangen zijn, dat zij eene booze Nixe zou kunnen wezen; maar betooverend schoon is zij en ik tart de geheele wereld van Verstand en Gevoel!
Eenmaal 's weeks was het voor de gelieven feest in het bosch, en teerder en teerder sloten zich hunne zielen aan elkander. Eens had Mimosa, spelend de boogpees van den jager tot snaren, den boog tot eene citer gevormd, waarmede zij hare stem begeleidde. Sinds dien tijd moest zij dit telkens voor haren geliefde doen. Toen zij dit weder gedaan had, zagen zij beiden eene zwarte raaf hen beluisteren en hen vijandig met haar rond oog beloeren; Logikos greep naar zijn boog, maar, helaas! het was een nutteloos speeltuig. Krassend en krijschend vloog de raaf driemaal in een kring boven hun hoofd en streek toen pijlsnel naar het land van Gevoel.
Logikos greep naar zijn boog... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage
De oorlog was weer op zijn hevigst. Het Gevoelsvolk had allerlei gewelddadige invallen gedaan, vergezeld van wat er verwoestends, vreeselijks en hartstochtelijks gelegen is in dergelijke tochten. Wraak, bandeloosheid, roof en moord waren als losgebroken.
Den grooten koning Intellectus groefden het peinzen en de inspanning rimpels in het hoofd, en de rustelooze zorg weefde witte haren om zijne slapen. Hij was er op bedacht, een beslissenden krijg te voeren, opdat voorgoed eens een einde mocht komen aan zulke geweldenarijen: en het gold niets minder dan alle krachten in te spannen, om het Gevoelsvolk ten eenenmale uit te roeien. In kleine onverwachte overvallen waren deze meestal overwinnaars, want listiger waren zij, en als zij eens losbraken, woester en ontembaarder. Maar in het open veld waren zij tegen de Verstandenaars niet opgewassen, wier tactiek, wier krijgskunde, wier werktuigen en wapenen oneindig veel beter waren, die koeler en beradener waren in hun krijgsbeleid. Het stond dus geschapen, dat, als het tot een treffen kwam, het met de Gevoelers slecht zou afloopen en hun koning er zijn kroon en leven bij zou inschieten, ja dat van dat eenmaal zoo glansvolle rijk weldra geen spoor meer zou overblijven, dan in de mythen van het nageslacht.
De groote koning Intellectus zat in zijn paleis al de kansen en gevallen van den oorlog te berekenen, zijn machtig verstand doorzag alle toestanden en mogelijkheden, en met wijsheid werd zijn oorlogsplan vastgesteld. De grootste wijze van het land, dien de koning zelf zich verwaardigde te raadplegen, de diepdenkende Logarithmos, kwam den vorst in zijn kabinet opzoeken.
—Vergeef mij, machtig hoofd, sprak hij, dat ik het waag, u te storen....
—Wat begeert gij?
—U eenige oogenblikken te onderhouden over den oorlog.
—Gij hebt toch geen bezwaren? vroeg de koning met gefronste wenkbrauw.
—De inspanning, die ons wacht is groot, zeide Logarithmos.
—Gij vreest toch niet? Denkt gij, dat onze niet staal gepantserde mannen niet bestand zijn tegen de weeke krachtelooze vijanden?,
—Dat is zoo, vorst, en toch ... gij herinnert u de vreeselijke nederlaag van ons heer, toen de vijand eens met zijne ontzettend verleidelijke zangen de onzen....
—Zwijg, riep de koning snel en heftig, roep mij dat oogenblik niet voor den geest. Maar juist daartegen heb ik al gezorgd; een oorverdoovend geraas zal onze aanvallen vergezellen, en zoo zullen de onzen van de tooverzangen niets kunnen hooren.
—Uw beleid zorgt voor alles. Toch heb ik nog iets, hetBeeld....
—HetBeeld, zei de koning, somber voor zich uit starend; dat noodlot, dat op ons rust, dat ons loodzwaar drukt!
—Dagen en nachten heb ik gezonnen op plannen, totdat ik nu eenige gelukkige berekeningen heb gemaakt, een waagstuk wellicht, maar waarvan de uitslag schitterend kan zijn....
En terwijl hij zich vooroverboog en aan 's konings oor fluisterde, waarbij diens gelaat allengs meer ophelderde, zeide hij....
Treurig was de, schoone Mimosa. Eenmaal 's weeks! ach, hoe weinig!
De overige dagen schenen haar eeuwen. Droeve tonen klonken van hare citer; droeve tonen in hare stem, en eenzaam, zonder hare gespelen, voer zij vaak rond op de wateren, aan de wateren, aan de lucht, aan de boomen, aan de vogels haar harteleed klagend.
In het land waren hevige aandoeningen gaande. Alles was in rep en roer, alles liep te wapen. De koning werd door de sterkste gemoedsbewegingen heen en weder geslingerd, en de koningin zat in haar ivoren zetel te weenen. Offers rookten het geheele land door, de waarzeggende vrouwen werden geraadpleegd, maar verderfelijk woedde nog de krijg en telkens werden nieuwe benden naar de grenzen gezonden, om de verliezen te herstellen.
De hoogepriester Aldebaran zat alle nachten in het boek der sterren te lezen en het lot te bespieden. Eens toen hij op het plat van zijn toren gezeten was, vloog hem plotseling eene zwarte raaf op den schouder en fluisterde hem, iets in het oor, dat hem, blij deed opspringen en zich spoeden naar het hof. Daar vond hij den koning en de koningin te zamen in smartelijk gepeins verzonken.
—Welkom, zeiden zij, op u hopen wij nog, wat tijding brengt gij ons? Gij moet ons redden.
—En ikzalu redden.
Toen herhaalde hij, wat de raaf hem gezegd had: dat wekelijks in een bosch Mimosa te zamen kwam met een zoon des vijands, en wel met 's konings Intellectus zoon; dat deze daar gemakkelijk te vangen was, en hoe men hem dan slechts tegen beding van gunstige voorwaarden zou kunnen loslaten.
—Alles wel, zeide de koning, na de eerste verbazing, waarbij de onaangename ontdekking van Mimosa's liefde eenigszins door het heerlijke vooruitzicht werd goedgemaakt, maar gij weet wel, dat geen vrede kan duren zonder het hoofd en de armen en beenen van hetBeeld....
Hier is het noodig, eerst de geschiedenis te verhalen van het geheimzinnige beeld.
Een tal van eeuwen geleden, zoo luidde de oude in runenschrift bewaarde sage, had midden op de aarde een schoon beeld gestaan, van blinkend graniet en zonder dat beeld kon de aarde niet blijven voortduren. Maar nu was het eens gebeurd, dat dit schoone beeld door de tweespalt der aardbewoners gebroken werd, en dat op de eene helft der aarde de romp, op de andere helft de armen en de beenen met het hoofd gevonden, werden. Sinds dien tijd hadden oorlog en vijandschap de wereld verdeeld en gescheiden, en eerst dan zou er duurzaam vrede zijn, als het beeld weer hersteld was. Vruchteloos trachtte men nu van beide zijden het gebrokene kunstwerk te herstellen en het ontbrekende zelf aan te vullen, maar nooit had dit kunnen gelukken. Even vruchteloos bleef het streven der partijen, om de ontbrekende deelen van elkander machtig te worden. Want het werd zeer geheim gehouden, waar die stukken zich bevonden, en er waren middelen van bewaring en verzekering, die men van elkander niet kende.
Daarom waren nu beide koningen er op bedacht, door het bemachtigen van elkanders stukken van het beeld hunne zaak te doen zegevieren.
—Juist, zeide Aldebaran, nu moet gij toch weten, dat Mimosa eene citer gemaakt heeft van den boog des jongen helds, den boog, die—ik weet dit door de diepste geheimenissen mijner kunst—de verovering van het Beeld onmogelijk maakt. Wij zullen Logikos oplichten en zijn boog bemachtigen. Slechts in het bezit van dezen kan het ons gelukken, de spelonk te openen, waar de beenen en armen met het hoofd van het beeld bewaard worden. Verder weet ik u mede te deelen, dat de weg daarheen over eene glazen brug voert, zoo fijn, dat slechts de allerlichtste Alvenvoet die kan begaan, en dat alleen de allerschoonste stem de tooverspreuken kan zingen, die daarbij vereischt worden. Nu heeft een orakel geboden, de stukken van het beeld daar te gaan wegnemen en—daartoe aangewezen haar, die den lichtsten tred heeft en de schoonste stem....
Zoo besloot de geleerde Aldebaran, langzaam en plechtig de laatste woorden uitend.
—Mimosa! jammerde de koningin, helaas, helaas! mijn kind aan die gevaren blootgesteld; o wreedheid van het lot!
—Nooit, zeide koning Sensorius, geef ik mijn kind daartoe over.
—Koning en koningin, antwoordde Aldebaran ernstig, kan ik alle gevaar niet bezweren? Kan ik haar niet door het sap van bilzenkruid onzichtbaar maken? Is niet haar voetstap als de lichtste veder en beroemd in de sage des lands, en bepaald door het orakel aangewezen? Is niet hare stem de schoonste en waaraan nog nooit de tooverkracht ontbroken heeft?
—Helaas, helaas! jammerde de koningin Parel, en de koning keek droevig voor zich.
—Met al de macht, die ik over de verschillende elementen bezit, zal ik haar beschermen; de geheime runen zal ik haar leeren, om ze uit te spreken op het beslissende oogenblik. Er is geen twijfel aan, of welgeslaagd komt zij terug; dan is het land gered en de strijd is geeindigd voor altoos, en over de geheele aarde heerschen in vrede en rust de gelukkige Sensorius en Parel.
Zij zwichtten voor het lot en de godspraak, en het fijn gesmeedde plan werd ten uitvoer gelegd. Toen de dag, waarop de gelieven gewoon waren samen te komen, aanbrak, was Mimosa niet in het bosch, want de wijze Aldebaran had haar juist op dien dag den tocht doen ondernemen. Logikos vond haar dan ook niet onder het loof der fijn gebloemde heesters, waar zij gewoon waren elkander te wachten, maar de onheilspellende raaf met haar schuin loerend oog zag hij weer in kringen om zijn hoofd vliegen, en zichzelven op het eigen oogenblik besprongen en gevangen. Met de grootste snelheid werd hij in verzekerde bewaring gesteld, en later zou men een gezant naar koning Intellectus afvaardigen, om de gevangenneming van zijn zoon te melden en te onderhandelen over de voorwaarden van zijne vrijlating.
Mimosa, van dit alles onkundig, was intusschen naar de spelonk op weg. Zij had al een geruimen tijd gereisd, eer zij kwam op de aangewezen plaats. Daar vond zij, dat alle aanduidingen met de plaats overeenkwamen. Aan een breed water kwam zij, dat zij gemakkelijk overvoer met eene ruime schelp, en aan de overzijde zag zij eene glazen brug, die naar de grot voerde, zoo dun en fijn, dat het schier onmogelijk was, dat zij iemand kon dragen.
Maar licht als het blanke zwanendons, dat wij op het water zien drijven, was haar tred, en zij was de brug bijna geheel overgegaan, toen........................................ wat anders kondt gij van eene verliefde verwachten? Zij dacht aan Logikos, den fieren jongeling, aan het bosch, en hunne gelukkige bijeenkomsten,—maar de tooverspreuken van den wijzen Aldebaran had zij vergeten, en met een ontzettenden knal brak de brug onder hare voeten weg.
Toen zij weder bij hare zinnen kwam, vond zij zich geboeid en gevangen op eene vreemde plaats. Daar barstte zij in droevig geween uit.
Logikos, dacht zij, u zie ik niet weder! En mijn vader en moeder, wat zal er van hen worden, als zij mijn lot vernemen! En nu is alles bedorven en van die rampen ben ik de oorzaak. Ach, droevige liefde, waarom moest gij mijn hart zoo geheel innemen, en ik door u de machtige woorden vergeten, die mij onkwetsbaar zouden maken, en die mij zeker hadden doen slagen. Nu heb ik van mijn lief mijn leed gemaakt!
Drie, vier dagen zat zij in de gevangenis, totdat zij voor den koning en zijn raad werd gebracht.
Wat was het haar vreemd en anders dan zij gewoon was! Hoe koud was het hier, en hoe onbevallig!
Nergens schoonheid: wasditeen paleis?! Zoo dacht zij met de grootste verbazing. Nergens bloemen, nergens de flonkerende steenen, de fijne weefsels, de welriekende fonteinen, de zachte melodieën, die,zij van een paleis onafscheidbaar achtte en die,zij bij hare ouders gewoon was. Koud en hard schenen haar de koning en de raden, zooals zij daar gezeten waren op hun granieten zetels.