EEN PELGRIMSTOCHT NAAR DE WEDDESTEEG.

Koud en hard schenen haar de koning... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage

Van schrik kon zij bijna niet antwoorden. Maar zij schenen ook reeds alles te weten, en zij had slechts toe te stemmen en te bekennen: alleen, toen haar naam gevraagd werd, waren allen hevig verbaasd, toen zij zeide Mimosa, de dochter van koning Sensorius en koningin Parel te zijn.

—De dochter van onzen aartsvijand,—die ons in ons land, onzen schat, ons heiligdom wil rooven! sprak de koning somber; welke andere straf kan daarop volgen dan de dood?

Twijfel scheen daarover niet te bestaan. De als steen onwrikbare en ongevoelige rechters stemden het allen toe, zoowel om de zwaarte der misdaad, die, ware zij gelukt, ontwijfelbaar het geheele rijk had te gronde gericht, als om politieke redenen, daar het geslacht der Sensorii dan zonder eenigen nakomeling zou uitsterven—want de koning en de koningin waren al zeer oud—en alzoo geheel te gronde zou gaan.

Onder die beraadslagingen werd in het midden van den raad opeens een gezant gebracht van koning Sensorius, die, zoodra hij Mimosa zag, in tranen uitbarstte en op den grond vallende hare voeten kuste.

—Zoo hebben dan de hemelteekenen ons niet bedrogen, riep hij jammerend uit; de zon is verduisterd geweest, licht en leven dreigden ons te begeven, de vogelen zwegen, de bloemen sloten hare kelken; want onze Mimosa was weg en alles had zijn glans van schoonheid verloren.—Toen, o wijze en groote koning! vervolgde hij nu tot dezen, toen voelden wij, dat aan de dochter der schoonheid en der teederheid eene ramp was overkomen op hare onderneming. Zij keerde ook niet terug, en nu kom ik u om haar bidden, dat zij tot ons terug moge keeren en wij zullen u den vrede laten.

—Den vrede zullen wijnemen, als wij dien willen, zeide Intellectus stroef en hooghartig: uwe koningsdochter heeft ons land op den rand des ondergangs gebracht en zij is des doods schuldig.

—Ben ik als gezant hier veilig? vroeg deze.

—Dat zijt gij, op onze eer, en bij de machtige Azen zij het u gezworen.

—Welnu, vervolgde de gezant, weet dan, dat uw zoon, o wijze koning! door ons gevangen is, en dat een gelijk lot hem zal wedervaren als onze dochter van u zal ondervinden.

—Hoe! riep de koning—en allen ontstelden ten hevigste—hoe is het mogelijk, dat de dappere Logikos gevangen is!

Nauwelijks had Mimosa dit woord gehoord, of zij viel in onmacht en zij werd weggebracht in een der vertrekken van de koningin.

De koning en zijn raad hadden al verscheidene dagen lang beraadslaagd; want het was een moeielijk en onvoorzien geval. Zeker was het gemakkelijk, een gelijken ruil voor te stellen van Mimosa en Logikos, maar dan was men even ver als vroeger en er was niets gewonnen. Men wilde dus trachten, nog eenig voordeel bovendien te bedingen. Gezanten waren intusschen naar het hof van Sensorius gezonden, om over de uitlevering van Logikos te onderhandelen.

Intellectus zat nog altijd te peinzen over de voordeeligste wijze, waarop hij zich uit den zonderlingen loop van zaken zou redden.

Te midden dier overdenkingen kwam hem de koningin Nutte bezoeken.

—Verstandige koning, zeide zij, ik wenschte u te spreken over allervreemdste zaken. Gij weet, dat de schoone Mimosa,—want wij moeten toch erkennen, dat zij schoon is, wat een dwaas en verstandeloos schepsel ze ook zij—bij mij werd gebracht, toen zij in zwijm was gevallen. Toen ik haar met eenige waterdroppels had hersteld, begon zij te weenen en viel mij om den hals:—Ach! zei ze, gij zijt ook moeder; bedenk, wat mijne moeder lijden moet, nu zij het gevaar kent, waarin ik ben!

—Maar wat ik verder van haar vernam, gij zoudt het u niet kunnen verbeelden, is niets meer of minder dan dat zij verliefd is op Logikos, en—vertoorn u niet, wijze koning—hij op haar.—Door, het jachtbedrijf medegesleept was hij ver, zeer ver verdwaald in een bosch, en daar had hij haar ontmoet; wekelijks kwamen zij daar bij elkander, en het is daar, dat hij gevangen werd genomen.

—Ziet gij den toeleg niet? riep Intellectus met nadruk: zij heeft hem verraden....

—Onmogelijk, antwoordde de vorstin, want zij wist niet, wie hij was, en het was niet minder door deze ontdekking dan door het hooren van zijne gevangenneming, dat zij in zwijm viel.

—Ziedaar dan, sprak de koning met bitter verwijt tot den diepdenkenden Logarithmos, die naast zijn zetel stond, ziedaar de vrucht uwer opvoeding! Aan u was die toevertrouwd; wijsheid en beradenheid hadden hem van u moeten toevloeien, en de hartstochten hadt gij in hem moeten dooden; en wat hebt gij gedaan?

—De jacht is de leerschool voor den krijg, merkte de verootmoedigde wijze schoorvoetend aan.

—Mits zij met een scherp oog en eene vaste hand gedreven worde, en met koel zelfbedwang; dáárin ligt de eerste reden van zijn ongeluk. En die liefde, vervolgde de koning verachtelijk, waarom hebt gij dien hartstocht in hem laten bestaan?

—Ik wist waarlijk niet, dat die in hem bestond, zei de verlegen wijze.

—Vertrek! gebood de koning, en laat mij met de koningin alleen.

—Onmogelijk, riep de koning, onmogelijk! een zoon van het oude en wijze geslacht des Verstands ... hoe zou die in eene zoo groote dwaasheid vervallen kunnen!

—Dat is ook mij onbekend, wijze vorst, of liever, het was mij een raadsel ... maar nu begin ik iets van eene oplossing daarvan als in de verte te vermoeden.

—Wel! gij prikkelt mijn weetlust!

—Gij kent mij genoeg, niet waar, en gij weet, dat geen zwakheden of aandoeningen mij licht zouden bedwelmen....

—De bezadigdheid van koningin Nutte is wereldberoemd.

—Toch was ik al dadelijk getroffen door de schoonheid en zachtheid van dit onverstandige dwaze kind. Zóózeer, ik moet het bekennen, dat ik allengs belang in haar begon te stellen. Of zij het bemerkte—zij opende mij haar hart, en zij bekende mij hare liefde.... en nu, na eenige dagen, nu zij herhaalde malen bij mij is toegelaten, ik weet niet hoe het komt, maar het is of in haar bijzijn iets ongewoons in mij omgaat; het is of ik mijn eigen zoon meer liefde toedraag; het is of het geheele speeltuig van mijn geest anders besnaard is en anders gestemd, of ik gezonder en opgeruimder ben; soms voel ik behagen zelfs in de redelooze natuur; soms voel ik behoefte tot vroolijke ontboezeming,.... zie, die verandering, dit alles, vreemde gewaarwordingen, waarvoor ik geen namen ken, voel ik terstond, als zij tegenwoordig is; en daarom heb ik begrepen, dat het mogelijk kon zijn, dat zij dezelfde tooverkracht op mijn armen geliefden Logikos zal hebben uitgeoefend.

—Voorwaar, vreemde dingen geschieden in deze dagen! Toch is het waar, als dit u kon gebeuren, hoeveel te lichter hem bij wien de maliën des verstands nog niet zoo gesloten zijn, of eene dwaasheid kan daardoor binnensluipen.—Maar ik gevoel mij niet wel; het is alsof al die strijd, al die inspanning mij tegenstaan,—het zal vermoeienis wezen, denk ik. Hoe kunnen wij toch onzen zoon wederkrijgen?

—Zend den afgezant terug, met belofte van Mimosa tegen hem uit te wisselen.

—Ik zou dit wel willen,—maar het Beeld dan? Zie, het was juist tegen Mimosa, en dit was de eenige voorwaarde voor haar leven, het was tegen haar, dat ik de ons ontbrekende stukken had willen inruilen.

—Gij begrijpt, dat Sensorius hetzelfde zou vragen, en van ons het hoofd en het verdere eischen.

—Zoo blijft er slechts over, te beginnen met de verwisseling van de beide gevangene ... en dan weer de oorlog!

De gezant keerde naar zijn hof terug, met het voorstel van koning Intellectus, om de wederzijdsche gevangenen uit te leveren. Onderling werd de plaats van samenkomst bepaald; een open veld in het Onzijdige Woud, en daar zou, ten overstaan van gevolmachtigden, de uitwisseling gelijktijdig (want men vertrouwde elkander niet veel) plaats hebben.

Aan het hof van Sensorius was in dien tusschentijd niet minder beweging geweest, dan wij bij Intellectus hebben waargenomen. Het wegblijven van Mimosa, de droevige teekenen, dit alles had bij den koning en zijne ega het treurige vermoeden tot zekerheid doen rijpen, dat haar een ongeluk overkomen was: de bitterste droefheid had overal geheerscht, maar de wanhoop der ouders te beschrijven, is ondoenlijk. Dag en nacht weeklaagden zij. Toen de gezant terugkwam en de toedracht der zaak verhaalde, was er in zoover blijdschap, dat Mimosa nog leefde, dat zij zelfs eenigen invloed bij de koningin Nutte scheen verkregen te hebben; en om de geliefde maar spoedig terug te hebben, werd dadelijk besloten, Logikos tegen haar ten spoedigste uit te leveren. Aan andere dingen konden zij niet denken; alles was wel, mits zij maar terug ware. Opdat geen verraad te duchten ware, maar zeker meer om, de verlorene zoo spoedig mogelijk weder te zien, besloten de koning en de koningin, haar ter bestemde plaats zelf te gaan ontvangen. Snel werden alle toebereidselen gemaakt, en met een groeten stoet van gewapenden zoowel als van hovelingen, begaven zij zich in feestgewaad op weg. De bestemde plaats was een schoon bosch, in welks midden een opene plek lag, waar eene kleine rivier doorheen stroomde, zich rimpelend over de ondiepe bedding of huppelend over de steenen, die op haar weg lagen. Aan de eene zijde zouden de gezanten van Intellectus komen, die van Sensorius aan de andere, en over het water sloeg men eene breede brug, waarvan de vloer met takken en bloemen bestrooid werd.

Prachtig was de stoet van Sensorius en Parel, zooals die daar zweefde op het water. De koning had zijn scharlaken kleed, de koningin haar vedergewaad aan: in eene groote schelp werden zij door twee blanke zwanen voortgetrokken, die gouden banden om den hals hadden; een rei van bevallige nimfen volgde hen en hief zachte melodieën aan ter eere der wedergevondene, en een andere stoet strooide bloemen en welriekende kruiden uit.

Zie, die stofwolk aan de overzijde, eene lange reeks, een groote optocht komt daar aan. Hoe kloppen de, harten der wachtenden; zie, daar moet hun Mimosa bij zijn. Wat is dat voor eene aanzienlijke groep? Niemand minder dan de koning Intellectus zelf en met hem zijne koningin, die hetzelfde denkbeeld hebben opgevat en het veiliger geacht zelve bij den ruil tegenwoordig te zijn. Daar staan dan plotseling en onverwacht de beide vorsten tegenover elkander, beiden even verwonderd elkander daar aan te treffen, maar niet minder elkander van aangezicht tot aangezicht te zien.

Van de eene verbazing zou men tot de andere, tot nog grootere moeten stijgen. Want ziet, hoe wijs ook koning Intellectus en hoe slim ook koning Sensorius mochten zijn, daar gebeurt iets, waarop geen van beiden gerekend heeft en waarvoor noch de diepzinnige Logarithmos, noch de machtige Aldebaran zoo spoedig eenigen raad weten. Nauwelijks hebben Mimosa en Logikos elkander gezien, of, hun bewakers ontsnapt, vliegen zij de brug op en in elkanders armen.

—Nooit, nooit verlaat ik u weer! roept Mimosa, zich aan haar geliefde vastklemmende.

—Altijd, altijd blijf ik bij u! zegt Logikos, haar teeder omvattende.

Nu heerscht de grootste verlegenheid aan belde zijden, en groote ontevredenheid tevens. Alles was met de uiterste moeite geschikt, en daar is alles opeens bedorven! O rampzalige liefde, die in de wereld schijnt te wezen om de plannen der ouders in duigen te slaan! Die over de berekeningen der wijzen wegwipt, en over alle andere aandoeningen heenspringt als over eene korrel zands! Die altijd een uitweg vindt om te ontsnappen!

Men trekt zich in de beide kampen terug en beraadslaagt.

Eindelijk treedt koning Sensorius vooruit en vraagt een onderhoud met koning Intellectus. Daar staan de twee groote wereldheerschers tegenover elkander.

—Groote en wijze koning! zegt Sensorius; zooals de zaken nu staan, kunnen zij niet blijven: die beiden te scheiden is hun beider dood; en als zij bij elkander blijven, wie van ons zal ze dan hebben? ik wil een stap doen tot oplossing der verwikkeling,—ik geef mijne dochter, geef gij uw zoon, dat zij elkander beminnen en vereenigd worden! Wij zijn oud; dat wij het daarbij laten en onze laatste dagen in rust slijten, ieder in zijn land.

Nu treedt Aldebaran naast zijn meester.

—Hoogwijze en grootmoedige vorsten! spreekt hij; der sterren loop is een boek voor hooggestemde gemoederen; ik heb daarin gelezen en ziet, heden juist geschiedt het samentreffen der banen van twee kometen, die elkander in geen tienduizend jaren gesneden hebben, en het is die vereeniging, die mij de zekerheid geeft, dat de ontmoeting der beide koningskinderen eene zaak is, die in het groote boek des tijds schijnt voorspeld en gewild te zijn.

—Groote en wijze vorst! valt snel de geleerde Logarithmos in, die hoogwijze sterrenwichelaar heeft u wat verhaald van twee kometen; zooals alle halfgeleerden, die meer op instinct dan op kennis afgaan en meer verbeelding dan verstand hebben, heeft hij u slechts de halve waarheid, en die nog scheef, voorgesteld. Zeker, die twee kometen komen samen en hare banen snijden elkander, maar als gij nu een oogenblik nadenkt, begrijpt gij, dat die lijnen elkander slechts snijden voor één oogenblik en dan weder verder dan ooit van elkander afgaan, en zoo dit dan een voorteeken heeten moet, vind ik het een zeer slecht voorteeken. Ik bid u, luister niet naar de grillige inbeeldingen van een gemoedelijken dweper.

—Groote vorsten! hervat Aldebaran met verbeten woede, de waanwijsheid van dezen zoogenaamden geleerde, die niets begrijpt dan wat hij handtastelijk voor zich ziet, zal u weinig aan zijne woorden doen hechten; gij proeft er den kouden cijferaar uit. Laat ons het symbool behouden, waarin de peillooze diepte der wereldwijsheid hare openbaringen in ons gemoed zendt, en daarnaar handelen.

—Edele koningen! zegt Logikos, hoort naar de stem van het verstand en het gemoed zelve, en niet naar de eenzijdige formules, waarin die beide geleerden deze twee hebben afgesloten. Gij, koning Sensorius! hebt eene edele daad gedaan, door het eerst uwe toestemming te geven....

—Het zij zoo, spreekt Intellectus tot Sensorius, gij zijt mijn vijand,,maar er is grootmoedigheid in uwe handeling; ik wil niet minder zijn.

—En nu hebt ook gij, mijn koninklijke vader! eene edele daad verricht.

—Waar twee in eene edele daad overeenkomen, zegt Mimosa met hare liefste stem, daar zijn zij één.

Toen kwamen de beide koningen vooruit en gaven elkander de hand ter verzoening en ter verzekering van hun woord.

Zulk eene vreemde verwarring als er nu plaats had, was nog nooit gezien; de beide kampen vereenigden zich, tenten werden overal opgeslagen en de beide koningen en koninginnen voegden zich bij elkander. Kostbare vloerkleeden, fijne weefsels werden uitgespreid en met rozen overstrooid; zachte geuren stegen op in de lucht; de jongelingen van Intellectus wedijverden in lichaamsoefeningen en schieten en in dialectische wedstrijden; citerspel, zang en dans heerschten bij die van de andere zijde. Dien nacht vierde men feest tot het dagen begon, en toen, na eenige uren rust, kwam het oogenblik, om de vereeniging der twee gelieven te vieren.

Van losse steenen werd een altaar gebouwd, en reukwerken daarop ontstoken. Daar stond de schoone Mimosa, schitterend wit van gewaad en met een lichaam zoo glanzend, zoo teeder en fijn, alsof het slechts met rozebladeren gevoed was, en naast haar de krachtige, verstandige koningszoon. De beide wijzen baden tot Alvader; toen namen zij den kelk van eene sneeuwwitte waterlelie, gevuld met honig en nectar:

Schoon zijn de bloemen,

zong Aldebaran.

Wijs zijn de bijen,

sprak Logarithmus.

Geurig de nectar,

zong de eerste weder.

Honig is nut,

was het antwoord van den tweede.

Zoo plengden zij voor het nut en voor het schoon, voor het verstand en voor het hart; de koningskinderen zouden die weldra door den innigsten band vereenigen.

De beide koningen legden de handen hunner kinderen in elkander, en de koninginnen drukten een kus daarop. Mimosa en Logikos dronken nu ten aanzien van allen uit den kelk, en plengden het overschot op het altaar, en zoo waren zij vereenigd en vereend. Wat men van elke zijde luisterrijks had medegebracht tot verwelkoming der wedergevondenen, werd nu ter viering van beider vereeniging aangewend. Als er lang en hevig gestreden is en de vijanden zien elkander van aangezicht tot aangezicht, dan zijn zij beiden verwonderd elkander niet anders te vinden, dan slaat de schaal, althans voor eenigen tijd, opeens over, en men wedijvert in betuigingen van achting en vriendschap. Zoo was het ook hier. Weldra was er geen spoor van vijandschap zichtbaar, en allen vereenigden zich in de feestvreugde. Aan die stemming was het ook te danken, dat er geen ijverzucht bestond; hoewel het moest erkend worden, dat de onderdanen van Sensorius verreweg de eer van het feest hadden. Niet alleen toonden—zij den meesten smaak in de versierselen, die zij aanbracht en; niet slechts was al wat er schoons blonk van hen afkomstig; maar ook door hunne tooverachtig schoone zangen, door hun dans en muziek gaven zij aan allen de opgewekte vroolijkheid, zooals de zonneschijn aan het eerst in doffe tonen gehulde landschap. Daarentegen zou het onbillijk zijn niet te vermelden, dat van de zijde van Intellectus een voortreffelijke maaltijd afkomstig was, en al de practische schikkingen bij zulk eene gelegenheid zoo onontbeerlijk.

Helder en lustig heerschte de vreugde, tot het avond werd en de beide vorsten met hun gevolg aftogen, ieder naar zijn land, en de gelukkige koningskinderen bleven in het schoone bosch, waar zij elkander voor het eerst gezien hadden.

Het duurde slechts kort, of de koning en de koningin van elk, der beide landen stierven, en Logikos en Mimosa volgden hen op en vereenigden onder hunne heerschappij in vrede al de volken der aarde.

Logarithmos en Aldebaran waren de eenigen, die het nooit eens konden worden; hun twist liep nu eens over het geval, dat de nieuwe koning en koningin kinderen verwekten.

—Als het een zoon is, zei Aldebaran kregelig, gaat het alles den ouden weg weer op.

—En als het eene dochter is, antwoordde Logarithmos, zult gij uw verderfelijken invloed weer op haar uitoefenen.

—En als het eens, zei Aldebaran,—als derde vooronderstelling, als het eens een zoon èn eene dochter waren?

Dan weer twistten zij over de stukken van het Beeld. Maar ziet, tot hun beider, ja tot aller verbazing en verstomming ontdekten zij, eens, dat op de plek in het bosch, waar het vereenigingsfeest van Logikos en Mimosa gevierd was, een wonderschoon beeld verrezen was, één geheel uit de deelen, die in de beide koninkrijken waren verspreid geweest.

... een wonderschoon beeld verrezen was... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage

—Was dit nu maar eerder gebeurd, zeide Logarithmos, dan had dat dwaze huwelijk niet behoeven plaats te hebben.

—Neen, had hunne vereeniging maar eerder plaats kunnen hebben, antwoordde Aldebaran, dan was misschien het beeld des te eerder hersteld geweest en te gelijk de vrede.

En dat was het wijste woord, dat de geschiedenis van Aldebaran vermeldt.

Daar dit alles evenwel zoo ten eenenmale buiten hunne verwachting en buiten hun toedoen gebeurd was, konden zij den schok niet wederstaan en niet beter doen dan maar sterven. En dat deden zij dan ook.

Zij konden dus niet zien, wat Mimosa ter wereld zou brengen. Dat weten wij ook niet; wij weten alleen, dat de valsche raaf met haar glurend rond oog niet meer gezien werd, en dat het nageslacht de sagen bewaard heeft van eene gouden eeuw, waarin geheel de aarde gelukkig, was onder de vereeniging van den zoon van Intellectus, uit het oude, doorluchtige huis van Verstand, en de dochter van Sensorius, uit het niet minder aanzienlijke en nog oudere huis van Gevoel.

Aan haar genieën is de menschheid eerdienst verschuldigd. Het is de eerbied voor die enkele weinigen, die van eeuw tot eeuw als reusachtige mijlpalen zich in de wereldgeschiedenis boven alles verheffen, gedenkteekens van het hoogste, wat de geest mocht verwezenlijken.

Het is de belangstelling, die gemoed en verbeelding ontvlamt, die het verleden uit den sluimer van het feit doet opbloeien als leefde het weder, die alles wat tot die grootsche verschijningen in de menschheid betrekking heeft, ook haar meest individueele, schijnbaar nietige, alledaagsche omgeving en toebehooren, zoekt en kweekt en vereert, omdat al wat die groote geesten aanraakten, die de gezegende woordvoerders waren van wat de menschengeest heerlijks vermocht, van hen eene wijding heeft ontvangen.

Hun schrift is mij lief, hunne beeltenis mij dierbaar en trekt mij aan, wat hun toebehoorde heeft beteekenis, en de plaats, waar zij geboren werden, leefden, werkten, wordt het doel van den pelgrimstocht der bewonderende vereering.

Als gij die geestdrift wettigen kunt voor die enkele uitmuntendste vertegenwoordigers van wat de menschheid uitnemendst schiep, zult gij mij wel op een dier pelgrimstochten vergezellen willen.

Voor wien de Witte Poort te Leiden intreedt en een twintigtal schreden is voortgegaan doet zich aan de linkerhand tusschen de kazerne en het blok huizen van het Noordeinde eene smalle steeg voor; zij bestaat uit slechts kleine, onaanzienlijke huizen en zij is de toegang tot een paardenwed, in het Galgewater, dat er voorbijstroomt, gelegen. Links paalt die steeg, deWeddesteeg, aan de vesten der stad. Niets verraadt, wat in een der daarin gelegen huizen vóór twee en eene halve eeuw belangrijks voorviel, en het is eerst voor eenige jaren, dat die nietige buurt hare wijding ontving als geboortegrond van Rembrandt Van Rhijn.

In den aanvang der 17deeeuw is Leiden eene rijke, en machtige, eene der grootste steden der geünieerde landen. "Dat deselvige schoon ende net is," zegt naïef haar oud—Burgemeester Jan Jansz. Orlers, "bewijsen zelfs de straten, de welcke alhier zoo schoon ende reyn zijn, als in vele landen de huysen van binnen zijn; datse cierlick ende playsant is, tuygen de menichte van schoone welgebouwde huysingen; datse waterijck is, zijn daer van onlochbare ghetuighen de menichte der wateren en grachten." In steeds wijdere kringen, om het centrum van Oud—Leiden, had de stad zich uitgezet, 't laatst van de zuid- en westzijde, en de ruimte tusschen de Witte Poort en het oudere deel was vol gebouwd. Al in 1592 was het ravelijn vóór die poort aan de stad getrokken en in een klein bolwerk veranderd. Als men den mullen zandweg, die door de duinen van 's-Gravenhage naar Leiden liep, afkwam, trad men over de breede vest, de poort binnen, ouder en kleiner dan de tegenwoordige; links daarbinnen lag de steeg, die gij kent.

Sinds 1574 woont in een der huizen in die steeg een welvarend burgergezin: in 1600 hebben de afstammelingen van dat gezin, (dat eerst na 1600 den naamVan Rhijnvoert), broeder en zuster, beide gehuwd en met kinderen gezegend, dat huis in tweeën verbouwd. In het eene gedeelte woont Harmen Gerritszoon. Zijne vrouw is de dochter eens Leidschen bakkers, ze is omtrent veertig jaren oud, nu gij haar in 1607 ziet, kloek en gezet, met een regelmatig, goed besneden gelaat.

Welvaart heerscht bij deze burgers. Bij dezelfde steeg, op het bolwerk, staat een moutmolen, waarvan de helft hun behoort; zij hebben nog andere vaste goederen in de stad en een speeltuin te Oegstgeest en nog een tuin buiten de Witte Poort. Het is een dier rijke, krachtvolle burgergezinnen, waaruit Hollands grootheid der 17deeeuw hare kern erlangde. Vijf kinderen versieren dagelijks de tafel en ledigen moeder Neeltgens spijskast. Den oudsten der drie knapen zoudt ge zestien, het oudste der beide meisjes twaalf of dertien jaren geven: het is een drie- of vijftal jaren geleden, dat de jongste ter wereld kwam, en dat Harmen en Neeltgen in hunne kortzichtige wijsheid de wieg reeds op zolder zetten. Maar de tijd komt weer aan, dat de schalke vrienden opMaaiken in 't schapraiken, of opHanske in de kelderdrinken. Op een schoonen morgen in het midden van Juli verdwijnt de vrouw achter de groene saaien gordijnen: ik zie bare kleine Machteld draven naar de buurtschap rondom de Noordeindsbrug, die dePaplepelheet; ik zie haar de vrouw halen, boven wier deur op een bord een kindje is geschilderd, met het omschrift:God is mijn hulp; ik zie die vrouw de kleine meid, die haar steeds vooruit is en naar haar omziet, volgen naar de Weddesteeg en naar de groene saaien gordijnen.

Kom nu spoedig uit den molen, Harmen, en geluk met het knechtje, dat is geboren!—En Harmen schrijft naar ouder gewoonte, bij de grootouders, ouders en kinderen, zijn jonggeborene, als achtste kind van Harmen Gerritz Van Rhijn en Neeltgen Willemsdr. Van Zuijtbroeck, op het schutblad des huisbijbels in:

En Harmen schrijft... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage

15 Juli 1606.Rembrandt.

Rembrandt! maar het zegt nog niets, Rembrandt te heeten. Wisch dien naam uit van het boek der geboorten, en gij zult slechts twee ouders zien, treurende om het verlies van een zuigeling, maar geen kunstwereld zou de bewustheid hebben van het derven van een genie.

Rembrandt en de Bijbel. Die naam in den vromen zin der ouden, onder de hoede geplaatst van den grooten Geest, uit wien alles is; die naam neergelegd in de schaduw van het oude gedenkboek van der menschheid geschiedenis! De driftige phantasie schiet reeds vooruit en beeldt zich den krachtigen man af, onder wiens geniale hand die oude bladen weder, beginnen te leven en te spreken, den rijken geest, welks kunst, zooals weinigen het vermochten, in zijne tallooze verschijnselen geheel het menschelijk leven afspiegelt.

De geest bevruchtte den geest: door de plaats, waar wij zijn, geprikkeld, wordt de verbeelding opgewekt en is het, als leven wij het verledene mede.

Met het kind, dat wij zien geboren worden, zien wij een ander kind opgroeien, slechts weinige jaren zijn oudere, het zeventiende jaarhonderd, de krachtige, stoute, scheppende eeuw.

Die eeuw, onder trompetgeklank en geschutgedonder geboren, was voor ons met eene nieuwe overwinning aangevangen. Bij haar wieg stond een krachtig volk aan het eind der eerste periode zijner wanhopige worsteling om vrijheid; geen moorddadige krijg meer, maar een geregelde oorlog; niet langer eene opgestane partij, maar een nieuwe vrije staat; de Staatsche vlag waaiend en het Prinselijk Wilhelmus klinkend over Oost en West; de geest van mannelijke kracht vervuld, de hoogste levensuiting in alles, in vrijheidsgevoel, in burgerlijk leven, in politiek, in reizen en handelsdaden; de voorbereiding tot een stoute vlucht in kennis en kunst.

Maar met die forschheid en krachtsovervloed, ook de schaduw van dat sterke licht.

Hoort het wiegelied der eeuw in sombere profetie! Het spreekt van den aanvang van staatkundigen en godsdienststrijd; de zaden zijn gestrooid en de kiemen wortelen; aan de ééne zij de Prins, zijne partij, het volk, de predikanten, de orthodoxie; aan de andere de magistraat, de patriciërs, het vrije onderzoek;de stalen kling van Mijnheer den Prins en de rok van den advocaat in de weegschaal; het Bernt in 't velden weldra, weldra, het uitslaan der laaie vlam, slechts versmoord in het bloed van een beroemd schavot.

Ziedaar het diep bewogen hartstochtelijk lied des tijds in de jeugd van Rembrandt en de eeuw.

Toch te midden dezer antagonismen der lagere wereldverschijnselen, gaat de hoogere werkzaamheid des geestes voort hare zege en hare meerderheid te handhaven, en door de botsing niet gedeerd, rustig en grootsch, treden drie helden te voorschijn: Spinosa, Vondel, Rembrandt.

Rembrandt had met zijne eeuw, voor zoover die op Nederland betrekking had, familietrekken gemeen. Zij stammen beide uit het krachtig ras der gegoede burgerij; zij staan beide op de grondslagen, door de renaissance gelegd, die wondervolle wedergeboorte des menschelijken geestes, waaraan wij het herstel te danken hebben van het verbroken evenwicht tusschen geest en stof, van de rehabilitatie der natuur; doch de groote schilder blijft geheel en al vrij van de pseudo—klassieke vormen, waar zijn tijd soms te zeer in toegaf: beide zijn zij daarentegen sterker dan die renaissance van hun doel en hunne middelen bewust: beide vertoonen zij gelijke gezonde vereeniging en samenvloeiing van natuur en geest; beide de krachtigste individualiteit. Het kind groeide op met de eeuw; maar de vorming des eersten ligt in duister. Het is slechts aan de hand der verbeelding, dat men zich die zou kunnen voorstellen.

Zoo zouden wij den knaap kunnen volgen, die naar de school gaat, en den schoolvorst zien met de plak, met knevel en ringkraag, en wiens

Streng gelaatHem doet ontzachlijk zegepralen,

gelijk een dichter uit den tijd hem beschrijft; wij zouden er hem zien leeren lezen en schrijven, schrijven vooral naar de modellen van penneconst.

De schoonschrijverij was zeer geëerd, en mannen als Gadelle, als Lukas Fopz. Lely en Perszijn, Sambix, Boissens en van de Velde maakten er zich mede beroemd, om Coppenol hier niet te vergeten, geëerder nog door Rembrandts ets dan door Jan Vos' betiteling vanFenix aller pennen.

Zeker was te Leiden deSpieghel der Schrijfkonstein gebruik, waarin de Fransoysche schoolmeester van Rotterdam Jan van de Velde, zijne theorie uiteenzette en zijne kunst vertoonde. Wat de schoonheidszin van den knaap genoten heeft bij de sierlijke karakters en de calligraphische spelingen, bij denman, en hetborstbeeld, en dezwaan, enhet groote schip met volle zeilen en wimpels, door de rappe ganzeschacht rondom en aan het hoofd van het schrift in van de Velde's boek getrokken! Wat zijn geest in die figuren zal gephantaseerd hebben en er in thuis zijn geweest! Wat hij op bladzijrand en kaft aan zijne geestige hand zal hebben bot gevierd!

Dán zouden wij den vrijen tijd van den knaap hebben kunnen nagaan, verdeeld tusschen den molen, den speeltuin, het leven op de straat, en de proeven van het ontkiemend talent.

Later zouden wij hem niet missen op de vrije jaarmarkten, als onder trompet en pijp, de hoofdmans met corselet en casquet, de vendrichs met de bardisaen (hellebaard), de schutterij met spies en met musket uittogen, en de rethorijkers hunne spelen vertoonden, en de stad vol vreemde kramers en goochelaars was; vooral niet in het voorportaal van het Stadhuis waar de kramen met zilverwerken, boeken en schilderijen waren uitgestald.

... in het voorportaal van het Stadhuis... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage

Dan zouden wij het belangrijke tijdvak bijwonen, waarin het bewustzijn der roeping zich deed gevoelen, waarin de lang gekoesterde droom, het heerlijk grootsche denkbeeld, kunstenaar te zijn, trots moeders vrees om het spreekwoord

Hoe schilderHoe wilder

zou worden verwezenlijkt! En wij zouden den jonkman zijne intrede zien doen in de kunst—werkplaats van den pas uit Italië gekeerden Jacob Isaacz. van Swanenburgh, in het gild, waar de Swanenburghen, De Neyn, Schilperoort, Elsevier, Joris en Pieter van Schoten, David Bailie, Jan van Goyen toen den staf zwaaiden, doch weldra door het geslacht, dat zij opleidden, tot op oneindigen afstand zouden worden voorbijgestreefd. Ook voor deze, de belangrijkste periode, Rembrandt bij Swanenburgh,—bij Lastman—bij Pinas, zijn terugkeer naar Leiden, zijne herhaalde tochten naar Amsterdam,—de geschiedenis heeft er weder een ondoordringbaren sluier over getogen.

Wij mogen de geheimen van de wording niet aanschouwen, het voltooide meesterwerk zal ons opeens doen verstommen. Het was een donkere nacht, waarin verborgen bleef, wat er omging, en waaruit wij plotseling een bliksemstraal zien voortschieten, deSimeon in den tempel.

Maar neen, het was geen bliksemstraal, want het licht houdt onafgebroken aan, er is geen tusschentijd van duisternis. Wat wij voor een enkelen bliksemstraal hielden, die opeens voor één oogenblik den nacht verbrak, het was het aanwezen van den vollen morgengloor; zonder schemering, als de ochtend in het Oosten is het zonlicht in vollen glans uitgebroken, om niet weer onder te gaan.

Slag op slag zijn het nu meesterstukken, nieuwe openbaringen van zijne lichtende kracht.

Met een ongelooflijk scherpen blik,—gij behoeft er de saamgetrokken kracht, het doorborende zijner oogen slechts op aan te zien—op de natuur, op het leven, de beweging, de fijnste gebaren van elk individu, is hij in het betrappen en wedergeven ook der moeielijkste en vluchtigste momenten, teekenaar zooals niet velen het waren; maar is hij bovenal in het hoogste gevoel voor kleur en de duizendvoudige geschakeerde uitwerkselen des lichts de onnavolgbare en eenige.

Met de middelen speelt hij: nu eens is het de pen en het bruin, dan graveerstift en etsnaald, hier de fijnste, uitvoerigste behandeling, daar de stoutste, bruisende, hoekigste smeren, te gelijk soms met den teedersten toets; hier het dommelig halfdonker, daar het uitstrooien van lichtgloed, of samentrekken des lichts op één schitterend punt.

Het is geen vak, dat hij kiest, hij omvat alles, en alles met volkomen meesterschap.

De geheele natuur, het landschap zooals het zich in Holland in zijne verschieten uitspant, en door de luchten veelvoudig beschaduwd en betoond wordt, de wolken, de zee, de planten, de dieren.

Geheel het menschelijk leven in al zijne openbaringen; van den geringsten stand, van den krommen, mismaakten bedelaar tot de hoogste gegevens der historie; den mensch op straat, in zijn huwelijksleven, in zijne maatschappelijke werkzaamheid, den mensch der geschiedenis en den mensch der poëzij.

Rembrandt is niet vollediger te karakteriseeren dan als de schilder van het leven, van het leven in zijn wijdsten omvang.

Zonder het uitwendige en inwendige aan elkander op te offeren heeft hij de fijnste individualiseering en het karakter der vormen in acht genomen, en toch al de zielkundige waarheid en diepte behouden; komen zoowel het uitwendige als de gemoedsbewegingen en geheel het inwendige leven, dikwijls slechts door een enkele toets of lijn, tot volkomene uitdrukking; hij geeft het leven niet als bovennatuurlijk, afgetrokken ideaal, noch als symbool of drager eener daarin gelegde idée, maar als levende, doorgaande werkelijkheid, en het leven, dat hij afbeeldt, evenals het werkelijke, is dáár om zijns zelfs wille, zonder ander doel dan zichzelve, zonder eene andere rechtvaardiging dan de schoonheid zijner verschijning te behoeven. Hij geeft het in al zijne dramatische volheid en beweeglijkheid. Maar hij geeft het, dat dit vooral blijve opgemerkt, na het in zijn geest de wedergeboorte der kunst te hebben doen ondergaan. Dit is de grondtoon in al zijne werken; van zijn eenvoudigsten etskrabbel tot zijn schitterendst meesterwerk, overal ademt het u te gemoet.

Levensvolheid is het, die zijne portretten bezielt; die spreekt van de zich bewegende lippen zijner figuren, uit hun gebaar en hun tred; die de wolken drijft over zijne landschappen, en hare boomen doet groeien; die zijn historiebeelden die betooverende werking verleent, waardoor zij ons toeschijnen niet anders te kunnen, maar met noodzakelijkheid aldus te moeten zijn.

Die ziener in het volle menschenleven moest wel aangetrokken worden door den Bijbel, dat boek, zoo vol gemoedsbeweging, zoo vol van veelsoortige levensuiting, zoo rijk van handeling.

...moest wel aangetrokken worden door den bijbel... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage

De grootste en meest verschillende kunstenaars hebben dit boek in beeld gebracht. Welk eene verscheidenheid van opvatting tusschen de middeleeuwsche autaartafels, tusschen Rafaëls loges, Michel Angelo's welfschilderijen, tusschen Lucas van Leidens, Albrecht Durers Bijbel, en dien van Rubens. Volkomen oorspronkelijk en nieuw op zijne beurt is Rembrandts Bijbel. Hier geen symboliek, geen vooropstellen van het mysterie. Hier geen spoor van dogma, van kerkelijkheid. In overeenstemming met het beginsel, dat zijn geheele werk beheerscht, en als een der luidste getuigenissen van dit beginsel, vindt gij in Rembrandts Bijbel, dit boek als boek des levens, en zijne gebeurtenissen als eene rijke, onuitputtelijke bron van levensverschijnselen, van karakters, van drama's, van gemoedstoestanden teruggegeven. Hij zet het feit, het historisch voorval voorop in zijne concrete, werkelijke, meestal menschelijke verschijning. Het is eene geheel eigenaardige, treffende opvatting, die slechts in een vrijdenkend, en in een Noordsch land kon geboren worden. En als eene nuance in die opvatting moet ik er op wijzen, dat de schilder niet zoozeer de afbeelding geeft van een lang vervlogen gebeurtenis, maar dat wij bij hem de menschen zien leven, handelen, bewegen en bewogen worden, dat wij de feiten nog eens en opnieuw zien gebeuren, en de handelingen, als bij wonder, zich weder als nieuw, als aanwezig voordoen. Het is alsof hij, gelijk de Nederlander der 17deeeuw de Bijbelsche gebeurtenissen op zijn leven en zijn volk toepaste, en zijne eigen historie met de Bijbelsche paraphraseerde, die voorvallen op en in het tegenwoordige leven terug—en overbrengt. Het is bij hem niet, hoe Simeon eens vóór achttienhonderd jaren lofzong bij het kind, dat hij knielend in zijne armen hield, maar wij zien eene nieuwe dergelijke gebeurtenis, als geheel actueel, plaats grijpen. Het is niet hetEcco Homo, dat, voor achttien eeuwen aanschouwd werd, bij Rembrandt is het feit opnieuw tot leven geworden en wij beleven het mede.

Zóó werd door hem die geheele cyclus van Oud en Nieuw Testament uit het dogma en het verleden in het leven en het heden gebracht, met stoute scheppingskracht weer opgevoerd en in het leven van zijnen, van onzen tijd overgeplaatst. Vandaar, van die sterke actualiteit, van dat vooropstellen van het eeuwig menschelijke, dat in de harten altijd weerklank vindt, het treffende, de emotie, die zijne voorstellingen uitwerken.

Hij heeft nog meer gedaan.

Hij heeft bij deze bewonderenswaardige uitkomsten allerminst de innigheid, noch de naïefheid, noch het verhevene, noch het dichterlijke laten liggen. Verheven noem ik den lichtgloed, die van boven het somber tafereel der Kruisafneming bestraalt; majestueus in houding en gebaar, in belichting en gemoedsuitdrukking de Opwekking van Lazarus; verteederend naïef de figuur van Maria bij Simeons lofzang; treffend van hartstochtschildering en van dramatisch geweld de vertooning aan den volke in deEcce Homo.

Rembrandt en de Bijbel, was de gedachte, die wij uitspraken op de geboorteplaats, bij de wieg des kunstenaars. Voorwaar die naam is groot geworden, sinds hij werd nedergelegd onder de hoede der gewijde bladen, en rechtvaardigt de geestdrift, die ons lokte naar de plaats, waar hij ontstond en zich ontwikkelde.

Rembrandts genie is den eeredienst des menschdoms waardig.

In een hoek der Romeinsche Campagna, een achttal mijlen van Rome lag een dorp, waarvan een der uiteinden in verspreide huizen in de vlakte uitliep. Op de laatste dier kleine woningen scheen de volle morgenzon. De dik gesmeerde kalklaag, wit—geel en rossig, was met hare sterke kleur in scherpe tegenstelling met den blauwen, maar door de tusschentonen der lucht zacht getinten hemel; een ruw traliewerk stutte en leidde de takken en het donkergroene loof van den vijgeboom tegen het huis, die eene heldere schaduw gaven op den muur, op de posten der deur, en gedeeltelijk op het meisje, dat, tegen de stijlen leunend, daarin stond. Sterke kleuren sierden het kind van het land der kleuren, een zwart fluweelen keurs op een blauw en rok, een voorschoot met bonte rijen bestreept en een veelvervige doek op het hoofd.

Wat gewaarwordingen woelden al in dat jonge brein rond? Zij sloeg geen acht op de groepen van pelgrims, die den moeilijken, bergachtigen tocht van Viterbo af voortzetten, pelgrims van verschillenden leeftijd en kunne, meest van geringen stand. Zij bemerkte het niet waar die haar dorp doortrokken en weer verlieten, de dorre Campagna over, allen in de richting der heilige stad, en zij lette op de devotie niet van velen, die op de knieën vielen en zich kruisten bij het gezicht van den koepel van Sint Pieter, als die zich voor het eerst in de verte aan hen voordeed. Toch had zij ook zelf een rozenkrans in de hand, maar die haar onbemerkt ontglipte. Ook haar blik was strak gevestigd op den koepel van het heiligdom; maar indien wij aan de gevoelens, die in haar gemoed dooreenwoelden, vormen hadden kunnen geven,—en ze had het kwalijk zelve vermoogd in dien eersten wordingstijd van het nog maar ten halve zelfbewuste leven,—wij hadden andere dan geestelijke denkbeelden opgemerkt. Dan hadden wij dien koepel zien worden het teeken der wereldstad, der groote, weelderige, levendige metropool, waar het leven, aan de bespiegelingen en de eenzaamheid ontrukt, den onverpoosden strijd oplevert van het haken naar genot, naar voldoening, een leven, dat zichzelf ten doel is.

—Moeder! riep zij, omziende naar binnen, waar blijft gij, kom, kom! en zij stampte met den voet. Na eenig talmen verscheen de moeder, eene getaande, nog krachtige, maar oud schijnende vrouw.

—Ja, ja, mijne Mona, uwe moeder is zoo sterk en vlug niet meer als haar schoon kind. En zij streelde de wang van het meisje, dat door eene beweging van haar arm die liefkoozing afduwde.

Waarom wilt gij dan ook te voet naar de stad gaan? Waarom tuigt gij den ezel niet op?

—Wij moeten wat voor de Heiligen overhebben, antwoordde de oude vrouw, onze reis zal voorspoediger zijn, als wij ook het offer onzer vermoeienis brengen.

De moeder kuste den Sant, die aan den post der deur was gespijkerd, nam den staf met het kruis op en de gevulde omvlochten flesch, en den zak met eetwaren en wat vruchten, en zette zich in beweging. Het meisje droeg niets dan een tak van den vijgeboom, waarmede zij zich waaide en beschaduwde. Zij trokken over de onbebouwde gronden, aan wier verbetering niemand scheen te denken, en waarop het water van regen en overgevloeide stroomen bleef staan in poelen, wier ongezonde uitwaseming de lucht bedierven. Zij gingen den gelen Tiber over, de voorstad door tusschen eene rij van kleine huizen ter eene en een hoogen muur ter andere zijde, totdat zij kwamen aan dePorta del popolo. Daar vonden zij de landlieden, beladen met de koopwaren, die zij in de stad kwamen brengen; moeder en dochter droegen geen koopgoederen; het meisje zelf was de waar, die door de moeder moest verkocht worden.

Nadat zij hare devotie gedaan en den zegen ontvangen hadden, gingen zij naar de trap derPiazza di Spagna, waar de kunstenaars gewoon waren, hunne modellen te vinden.

Met een jong schilder uit het zuiden van Frankrijk, Charles Moreau, die de Italiaansche taal goed sprak, had de moeder weldra een gesprek aangeknoopt, dat echter tot geene overeenkomst leidde. Beide vrouwen volgden hem evenwel de straten door, tot in zijn atelier. Moreau, hetzij hij in gedachten was, hetzij hij geen modellen noodig had, sloeg niet veel acht op haar.

Hij stapte in zijn atelier op en neder en antwoordde, dat hij niets behoefde. Toen rukte Mona's moeder haar het hoofddeksel af, den halsdoek van de schouders en opende geheel haar bovenkleed.

Zij is toch schoon genoeg, Signore, zeide zij op scherpen, verbitterden toon, gij zult ze niet schooner ontmoeten.

Moreau zag op... Tekening van Ch. Rochussen uit: Carel Vosmaer, Vogels van diverse Pluimage

Moreau zag op. Hij zag nu de uitnemend schoone maagd aan, zooals zij daar stond, na de daad harer moeder. Haar gelaat gloeide van het naar het hoofd gestegen bloed, de oogen fonkelden. Het was niet van gekwetste zedigheid, het was van verbeten woede, gemengd met een slechts even door schaamte getemperd trotsch besef van hare schoonheid.

—De par tous les Saints du Paradis, zeide de schilder halfluid, quelles hanches, quel port hautain, et quelle nuque admirable!

De moeder had zich in een zijvertrek op eene rustbank nedergezet, en ging insluimeren. Moreau vatte terstond het denkbeeld eener compositie op. Hij had schetsen gereed voor eene kruisiging. Hij drapeerde en stelde Mona voor eene weenende Maria. De zware tressen waren ontplooid en golfden om hare schouders, de handen waren wringend saamgehouden. De schilder was begeesterd door zijn voortreffelijk model, dat hij dadelijk op zijn doek bracht, en in kloeken aanleg stond er na eene poos arbeidens de moeder Gods, weenende bij het kruis, wier origineel hij het schoone gelaat omhelsde.

Mona's moeder sluimerde rustig voort:—sluimer voort, moeder, en droom niet van den rentmeester, wien een talent was toevertrouwd; sluimer voort, moeder, en droom niet, dat gij uw kind vermoordt, terwijl uw kind de Moedermaagd nabootst, juxta crucem lacrimosa, jammerende om den dood van háar kind.

—Stabat mater dolorosa! prevelde de oude vrouw, toen zij ontwaakte. Mona, ik droomde, dat de Heilige Madonna mij opnam in haar schoot; en zie, het is de Heilige Madonna, waarin ik nu mijn geliefd kind herken!

Zij ontving haar geld, en de beide vrouwen verlieten de werkplaats. Op de straat gekomen, beproefde de moeder tegen een steen den klank van het geldstuk, en toen zij het echt bevond, stak zij het in haar zak; voor eenige kleine muntstukken kocht zij aan den hoek der straat in eene kraam met gewijde voorwerpen een gezegenden penning, dien zij aan Mona's bidsnoer bevestigde.

Toen zij den terugtocht hadden volbracht en te huis waren gekomen, was de oude vrouw bijzonder tevreden. Het ongedierte, dat haar buurvrouws vruchten had geteisterd, had de hare gespaard, en behalve deze en andere blijkbare gevolgen harer devotie, had zijzelve met hare dochter een zegen ontvangen, hadden zij een offer gewijd aan een Heilige en nog geld overgewonnen. Wat al zegen en heiliging! Alleen één heiligdom was ontwijd de kuischheid van het gemoed haars kinds.

De zoo zichtbaar gezegende bezoeken werden telkens hervat, want de Fransche schilder betaalde ruim. Wel was het eene vermoeiende taak voor de reeds bejaarde moeder, die herhaalde tochten naar de stad te doen. En dan was de dochter nog norsch en stug.

—Wat prevelt gij toch, moeder?

Zij prevelde wat; daar kwam iets in van, wat een moeder toch sloven moet voor haar ondankbaar kind.

Behalve voor het groote passiestuk, had Moreau zijn schoon model voor verschillende onderwerpen en studies gebezigd. Zij poseerde voor Madonna's, voor Sint Catharina's, voor Sint Caecilia's, voor Magdalena's, en door de verschillende onderwerpen derheilige kunstheen, duurde het niet, lang of zijzelve was eene Magdalena geworden—zonder de boetvaardigheid.

Moreau hield haar bij zich. Zijne huishouding deed zij niet, dat liet zij aan de kreupele dienstmaagd over; maar zij was altijd in het atelier, waar zij zich, als de schilder werkte, den tijd verdreef met dansen, en het ontwikkelen van een talent, dat aan deze ongeletterde op zonderlinge wijze eigen was, het declameeren van volksliederen en het improviseeren. Moreau had haar eene tamboerijn gekocht en wanneer zij daarop met lossen zwier der hand spelend, in bevalligen tarantelladans rondzweefde, te midden der met schoone vormen en kleuren bedekte wanden of somtijds zangen improviseerde, terwijl de kunstenaar met begaafde hand voortwerkte, wat schitterend tafereel vormden zij dan, en wat scheen het leven dan heerlijk en benijdenswaardig schoon!

In de vroolijke bent van kunstenaars van allerlei landaard, nu eens op speeltochten, dan bij de gewone samenkomsten der kunstbroeders in eene villa buiten de stad, de Villa Gloriosa, was Mona spoedig opgemerkt. Zij kreeg er burgerschapsrecht. In dat vrije wettelooze leven, een leven naar instinct en naar alle luimen, ontwikkelde zich Mona's karakter met al, de scherpte, al het opbruisende, die er aan eigen waren. Trotsch was de gevallene Magdalena, en wie haar het hof maakte zou het lot wedervaren van dien eene, wiens vrijheden met een klinkenden slag in het aangezicht waren ingetoomd. Zoo werd zij geëerbiedigd, om hare gaven van zang en dans toegejuicht en kreeg zij zekere overmacht.

Bij de Porta del popolo was een klein theater, waar operetten en paskwillen werden vertoond en toen zij daar een paar malen was opgetreden, kwam haar roem uit den kleinen kring der kunstbroeders in den grooteren des publieks. Hier leerde zij ook eene nieuwe wereld van kunst kennen, die een diepen indruk op haar ging maken, de kunst der tonen. Die tonenwereld werkte krachtig op haar prikkelbaar gemoed, dat er soms tot extase door werd opgevoerd, soms aangegrepen en vastgekluisterd, en door eene onverklaarbare overmacht werd getemd. Zij had er haar meerdere in erkend. Hier kwam het talent, dat zij reeds vroeger enkele malen had uitgeoefend, eerst recht tot bewustzijn, de gave der improvisatie.

Zoo had zij een groot jaar geleefd, verdeeld tusschen het atelier, tusschen de vroolijke bijeenkomsten in de Villa Gloriosa, en bijwijlen het optreden in het kleine theater als improvisatrice, waarmede zij reeds eenigen roem begon te verkrijgen. Toen kwam de tijd, die eene verandering in dit leven teweegbracht, want Moreau moest huiswaarts keeren. Zijnemater dolorosawas voltooid en met dit groote werk wilde hij zijn vaderland bezoeken om er de ontwikkeling zijns talents ten toon te stellen.

Het kostte den luchthartigen schilder niet veel moeite, den lossen band, die hem aan het Romeinsche meisje bond, geheel te ontknoopen. Hij pakte zijne schilderijen en studiën ter verzending, en op een najaarsmorgen stapte Hij na Mona omhelsd en haar nog een zakje met scudi gelaten te hebben, in zijn rijtuigje en verliet Rome.

Mona had hem zien vertrekken; vóór het afscheid had zij menige hartstochtelijke uiting van gevoel; toen hij wegging, stonden hare oogen droog maar gloeiend. Thans keerde zij in het atelier terug, en te midden der kale wanden barstte zij nu in tranen los.

—Verlaten! riep zij, de trouwelooze!—Hier ben ik verkocht, hier ben ik gevallen, hier ben ik verlaten: vervloekte wanden!—Welk lot heeft eene vrouw! de man verlaat, zijwordtverlaten!

Zij zette zich op de rustbank neder en bleef met het hoofd in de handen zitten. De jaren, die voorbijgegaan waren, gingen nog eens hare verbeelding voorbij; het bewustzijn rees op, dat eene periode in haar leven was afgespeeld, en zij zuchtte daarom niet naar een toestand, die niet meer te herroepen was. Toen sloeg zij de oogen fier op, keek de toekomst stout in het gelaat zooals zij het gewoon was, ieder te doen, en brak door eene hevige daad het verleden af.

Zij nam het zakje met scudi, en den inhoud in hare hand nemende, slingerde zij dien door het vertrek.

—Voort, vuilaardig geld! riep zij, ik wil liefde, ik wil hartstocht, maar geen geld.—En nu Antonio, ben ik aan u.

Onder de kunstbroeders der Villa Gloriosa behoorde sedert eenige maanden een jong Duitsch musicus. Hij had al naam beginnen te maken in zijn vaderland, dat in de tweede helft der vorige eeuw in hem een van de voorloopers bewonderde der toonkunst, die in het laatste dier eeuw tot zoo hoogen trap zou stijgen. Vurig, hoewel weinig expansief van karakter, was hij niet tevreden met de ernstige opvatting der Duitsche toonkunst, maar wilde zich ook aan den melodischen rijkdom, aan de zangerigheid en het schitterende der Italiaansche muziek verzaden, om daarmede zijne strengere kunst tot nog grootere veelzijdigheid en rijkdom op te voeren. Het schitterende der zuidelijke aan het geesten gehaltvolle der noordelijke kunst te paren was de droom, het ideaal van den jongen toondichter. Hij bezat een krachtigen, energieken geest bij een diepdenkend, dikwijls in zichzelf gekeerd gemoed. Hij had die diep liggende oogen, die niet altijd spreken, maar de inwendige werkzaamheid doen vermoeden, en in die stemming werd hij gehouden door de inspanning van het streven naar een ideaal, waarvan de middelen om het te bereiken hem nog slechts duister voor den geest stonden.

Anton Kolb had zich terstond tot Mona aangetrokken gevoeld; hij had dikwijls voor haar gespeeld en met de tonen van zijn zangerigen Stradivarius haar gemoed betooverd en haar tranen ontlokt. Tusschen die beide muzikale zielen was verwantschap ontstaan.

Thans bracht de vrijheid ze te zamen.

De stormwind woei: van den schoonen levensboom vielen opnieuw twee bladeren en ontmoetten elkander in den troebelen poel. Zoo kwamen zij bij elkander.

Voor Mona ving nu een ander leven aan: Kolb was niet als Moreau de held van de vroolijke bijeenkomsten, van alle kluchten; zij kwam door hem meer en meer in die wereld van muziek, die zooveel invloed had op haar gemoed; zij leefden in kleiner, intiemer kring, en zij genoot daar een deel van den bijval, die aan Kolb onder de zijnen geschonken werd.

Hij had een geruimen tijd besteed aan het beschouwen en genieten van al de schatten van verschillende kunst, waaraan Rome zoo overrijk is, en zich daarna met ernst en stalen ijver aan het werk gezet.

Nadat hij den winter en het voorjaar geheel aan zijne studiën had gewijd, had hij behoefte aan rust en ontspanning ontwaard, en was met Mona de zomerhitte gaan ontwijken in de koele bergstreken. Daar leidden zij een landelijk leven en dikwijls deden zij wandelingen in de schoone streek. Menigen avond zaten zij op eene der hoogten de koelte te genieten. Het was op een dier avonden, dat Mona lucht gaf aan hetgeen zij reeds vaak had gaan opmerken. Zij zaten op eene open plaats, waar zij een ver uitzicht hadden in het verschiet, eene plek, die Kolb in den laatsten tijd tot zijne dagelijksche wandeling koos. Mona zag op naar den man, wiens blik aanhoudend westwaarts trok naar de ondergaande zon en het verschiet als wilde doorboren.

—Antonio, zeide zij, wat zoekt gij toch daar? Altijd gaat gij zitten staren naar de dalende zon, en dan betrekt uw oog als de hemel; gij ziet er uitgeput uit, welke kwaal verteert u? Gij wordt hoe langer hoe meer ingekeerd in uzelven! Uwe kunstbroeders zien u niet meer!...

—Zie dat gebergte daar ginds, Mona—als wij nog hooger klommen, zouden wij nog verder kunnen zien—ik wilde daar overheen kunnen zien; daarachter, Mona, ver daarachter ligt mijn land.

—Land van koude en nevel, van sombere levensvormen; daar achter die bergen gaat de zon onder, Antonio!

—Als men eens in dat land is geboren, zeide hij zwaarmoedig glimlachend en het hoofd schuddende, kan men er niet vandaan blijven: Mona, ik wilde het zoo gaarne eens wederzien, voor korten tijd maar wederzien!

Zij rees en hief zich op in hare volle lengte. Haar blik stond donker, en het onweder, dat onder die zware wimpers broedde, brak los.

—Ik begrijp u, zeide zij eindelijk, ik ben u tot last; gij wilt mij verlaten en maakt mij daarom wijs, dat gij naar huis wilt; zoo zijn zij allen—welnu keer terug naar uw koud en kleurloos land, waar geen hartstocht schijnt te zijn; dat uwe bergen en uwe nevelen u bedekken en ik nooit meer iets van u hoore.

—Wie spreekt er van, u te verlaten, antwoordde hij zwaarmoedig. Als gij den moed hebt voor de ontberingen en vermoeienissen der reis....

—Den moed! sprak zij op verachtenden toon, hebt gij in uw land zóó over vrouwen leeren spreken!Wiltgij mij meenemen?

—Mona, gij spreekt alsof gij mijne liefde niet kendet; om u alleen heb ik de terugreis uitgesteld; laat ons dan niet dralen; en zijn blik verhelderde bij het spreken van die woorden.

—En de roem, dien gij hier verworven hebt, en de rijkdom, dien gij verlaat, nu hij u juist zou gaan toevloeien?

—Roem verzadigt spoedig,—, er zijn andere behoeften in het menschelijk leven, die zich sterk doen voelen.

—Welke?

—Vraag dit niet: het leven is raadselachtig, en wie kan liet ontcijferen! Onwederstaanbaar is de drang, die mij drijft.

Hoewel Kolbs verlangen tot het hevigste ongeduld steeg, duurde het nog eenige maanden, voordat zij de reis konden aannemen. Zij gingen eerst naar Rome terug. Toen Kolb er zijne zaken had afgedaan, konden zij die stad verlaten en begaven zij zich naar Florence, van daar naar Miliaan, waar zij het eind van den zomer doorbrachten, en toen, hoewel het reeds laat in het najaar begon te worden, de wegen slecht waren, en de reis in dien tijd nog niet door allerlei vervoermiddelen gemakkelijk gemaakt werd, vingen zij den tocht aan.

Had de Italiane van haar moed gesproken, hij werd op de proef gesteld. Zij hadden Lombardije verlaten, waren de Alpen overgetrokken, en thans lag al wat aan Italië herinnerde verre weg; geen bekende klank trof meer haar oor, de middelen raakten uitgeput en het was nog ver, tot in het hart van Bohemen, dat zij moest voorttrekken.

Antonio had zijne veerkracht voelen wassen: hij had den grond weder onder zijne voeten, waar men zijne taal sprak, het oude, trouwe Duitschland. Hij vond de kracht, zich nieuwe middelen te verschaffen door zijne kunst. Van stad tot stad reisden zij nu, overal zijn talent doende hooren, terwijl Mona als improvisatrice optrad. Op deze wijze bereikten zij, trots alle hinderpalen, de Boheemsche stad, die de plaats hunner bestemming was.

Kolbs ouders waren reeds lang overleden, doch eene zuster zijner moeder hoopte hij hier te vinden. Maar ook zij was er niet meer. Zij bleven zich niettemin in deze stad ophouden, en kregen hun intrek bij het burgergezin eens schoenmakers in eene van die nauwe straten der oude Duitsche steden, waar de overhangende verdiepingen der huizen elkander hoe hooger des te nader komen en het uitzicht op de lucht beperken. Kolb hoopte door zijne kunst in hun onderhoud te kunnen voorzien.

Arme Mona! zij was neergedrukt geworden. Moed had zij nog: hare verachting voor de zwakke, blonde Duitsche deernen hield haar gevoel van eigenwaarde en haar trots staande. Toch was het haar aan te zien, dat het oog den helderen hemel van haar land niet langer weerkaatste, dat zij in den vreemde was. Dit alles wekte in haar, van nature reeds zoo hevig, gemoed een gevoel van opstand tegen al wat haar omringde, van levensverbittering. Ofschoon zij zoowel door Kolbs bijzondere persoonlijkheid, als door zijne kunst, op het sterkst aan hem verbonden was, waren de hevigste uitvallen toch vaak de gevolgen van haar tegenwoordigen gemoedstoestand.

In zulke oogenblikken nam de musicus zijne viool en begon te spelen, tot zich haar overspannen zinnen ontspanden, en de hardheid en scherpte in zachte verteedering versmolten.

De avonden werden lang. Kolb gebruikte ze tot den arbeid, in spel of compositie. Op een dier avonden, terwijl de voorboden des winters, guurder en scherper dan de winter zelf, zich deden hooren, zat hij zijn geliefden Stradivarius te herstellen, terwijl Mona zich gekleed op het bed had nedergeworpen. Daar hoorden zij, contrasteerende met de regen- en hagelslagen tegen de ruiten, beneden in huis de harmonieerende tonen van een driestemmig gezang, door eene viool begeleid. Eerst was het een dier heldere volksliederen, waarvan het motief in allerlei vormen bewerkt was; dan ging het in statiger rythme voort, dan zette het zich uit, en zwol, breed en breeder, als met uitgeslagen wieken, tot een majestueus largo, waarvan de grootsche, stoute vormen ten slotte in het gemoed overbleven, als enkele monumentale rotsblokken in de ruime vlakte.

—Jezus Maria, Antonio! riep ze, opgesprongen. Wat is dat!

Zij hadden de deur geopend, en beiden stonden op het portaal, in het donker, vastgekluisterd door de macht dier tonenpoëzie.

Mona had zich gebukt, als om beter te luisteren; toen Anton haar zocht en tastend haar gelaat ontmoette, werd zijne hand bevochtigd, en vond die hand haar geknield op den ouden vloer van het portaal. Wat hij niet tasten kon, het was de stille uitstorting des gemoeds, die in haar plaats had; het was het gebed, dat zij voor het eerst van haar leven, zonder rozenkrans, zonder geestelijke, zonder altaar, uit loutere aandrift, in zich voelde oprijzen, als de stroompjes eener kleine wel, die opborrelen uit het slijk.

Kunstenaar, gij zoekt het ideaal uwer kunst,—speel nu voort op die teedere sterk gespannen snaren van dit prikkelbaar gemoed; doe ze trillen, opdat er eene golving ontsta en blijve, waarvan de tonen niet wegsterven in het eindige!

De indruk, door Mona dien avond ontvangen, duurde dagen lang voort, en menigmalen zat zij te peinzen met de hand in het weelderige haar, het hoofd op den elleboog geleund. In de schemering zaten zij zoo, zij in zichzelve verzonken.

—Antonio! zoo brak zij plotseling de stilte, waarom zijt gij naar Rome gegaan?

—Wij kunstenaars plegen in Italië voedsel voor onzen geest te halen, onze kunst te volmaken; zonder Rome blijven de hoogten der kunst ons verborgen.

—Toen ik een zuigend kind was, lag ik al op de trappen derPiazza di Spagna; sinds mijne oogen het eerst zich openden, heb ik alom de kunst gezien, die de geheele wereld komt bewonderen; mijn leven heb ik onder de kunstenaars doorgebracht,—Antonio, ik heb nooit een indruk zien uitwerken of zelf ontwaard als het gezang van laatst deed ontstaan. Wat behoeft men naar Rome te komen, als men hier kan watwijnooit gehoord hebben?

—Deze muziek is u vreemd, daarom treft zij u zoo het is maar een stuk uit een oratorium; maar wij kunnen het daarbij niet laten; onze kunst moet tot grootscher en veelvoudiger samenstellingen opgevoerd worden.

—Gij hebt mij zoo dikwijls betooverd met uwe muziek, Antonio, maar dan was het altijd door dat, wat ik hier zoo uitsluitend in aantrof, dat reine en stillende;—er is een ander deel in uwe kunst, dat mij soms bevreesd maakt: het is dat diepe, bovennatuurlijke; ik denk bij uw spel altijd aan wit en zwart;—hierwas het alles wit;—ik kan het niet anders uitdrukken, liet zij er op volgen.

—Het is het naïeve en het eenvoudige, dat u heeft getroffen, door de grootheid, die deze soms bezitten, zeide hij glimlachend, maar alle kunst moet tot hooger zelfbewustzijn opklimmen, en daarin wordt zij het demonisch spel van geest en zinnelijkheid; vandaar in alle hoogere kunst niet enkel het effen vlak der onbewuste onschuld, maar de ernstig-sarcastische strijd van idee en werkelijkheid.

—Wat moeten zij gelukkig zijn, wat moeten zij rein wezen, die de muziek zoo kunnen uitvoeren als deze; ik wilde ze wel kennen, maar ik vrees, dat zij mij niet willen ontvangen.

Zij kreeg er zeer spoedig en onverwacht eene aanleiding toe; want op een avond hoorden zij de tonen der viool weder; de hand, die haar bespeelde, bezat al groote kracht, maar niet altijd meesterschap; zij herhaalde dikwijls gedeelten, waarover de speler niet voldaan scheen. Nu was het Kolbs beurt om verbaasd te zijn.

—Hoor, zeide hij, Mona, hoor! Hoor, die rythmen, hoor die onstuimige reeksen van klanken, hoe zij afgewisseld worden door tonen, die de uitdrukking zijn van eene door onuitsprekelijken weemoed verzwolgen ziel; hoor de worsteling om weer tot de oorspronkelijke melodie terug te keeren,—bij den hemel, die daar speelt heeft den componist begrepen, dat is van mij, Mona, dat is mijn werk!

Hij liep de trap af en zij volgde hem. Op het geluid afgegaan, stootte hij nu eene deur open. In de huiselijke binnenkamer, bij het zachte licht van een paar kaarsen, zagen zij het gezin des schoenmakers te zamen, dat, zich slechts even verbaasde over het bezoek, en hen terstond bij zich noodde.

Daar zat bij het licht de vrouw te breien, de schoenmaker werkte aan een paar vrouwenschoentjes, die hij van voren met fraaie strikjes voorzien had en bijwijlen met welgevallen beschouwde. Naast elkander zaten twee meisjes, die opstonden, toen de deur was geopend, en zooals zij daar op elkanders schouders leunden, geen twijfel toelieten of zij waren zusters en de dochters der vrouw aan de tafel; blonde, slanke maagden, de eene iets grooter dan de andere, beiden even lieftallig van gelaat en gestalte. Op een stoel, een klein eind van de tafel, zat een jongeling van zestien of zeventien jaren te spelen. Hij had plotseling opgehouden, toen hij aller oogen zich naar de deur zag wenden. Toen hij opstond, had Kolb hem in zijne armen gedrukt en hem omhelsd.

—Vriend, zeide hij, ik ben de gelukkige, wiens werk door uwe hand zoo meesterlijk is teruggegeven! Vergeef het ons, meester—zeide hij tot den schoenmaker—dat wij zoo onbescheiden zijn, maar ik kon mijn gevoel niet bedwingen om den jongen maestro te zien, die mij zoo goed had begrepen.

Een gloeiende blos overtoog des jongelings wangen, en Lise en Gretchen klapten van vreugde in de handen.

—Carl, Carl! riepen zij lachend te zamen,—de groote Musiker Carl; Carl wordt een groot virtuoos!

—Gij zijt wel goed, zeide de vader tot Kolb, en uwe toegevendheid verheft den jongen wat veel. Wees welkom bij ons;, wij wisten niet, dat wij het geluk hadden den componist bij ons te hebben, wiens naam ons door zijne werken toch bekend was.

Lise en Gretchen waren niet minder opgetogen met een werkelijken componist bij zich te hebben, en uitten hare ingenomenheid, met naïeve openhartigheid. De jongeling was bij dit alles niet de minst gelukkige, want Kolb had hem zijne hulp toegezegd.

Half in den schemer, ter zijde, zonder zich bij de anderen te voegen, stond Mona. De trotsche, de onbevreesde, wier oogen voor niemand zich neersloegen, die met minachting gedacht had over de flauwe blonde deernen van het Noorden, zij was door eene vreemde bedeesdheid overvallen. Er was iets zoo eenvoudigs, zoo reins in den kring der binnenkamer, er werden zulke liefelijk ernstige denkbeelden door gewekt in de verwilderde ziel der Italiane, dat zij verlegen werd onder gewaarwordingen, waarvan zij zich geene rekenschap vermocht te geven.

De dochters geleidden haar bij zich en beproefden vergeefs met haar te spreken; doch bij gebreke daarvan, en als beseften zij door ingeving, dat deze vrouw zedelijken steun behoefde, hadden zij haar elk bij eene hand gevat.

Mona vroeg toen aan Anton, haar te zeggen, hoe zij getroffen was geweest door de muzikale uitvoering, die zij een paar dagen vroeger hadden gehoord, en zoo wisselden zij eenige gedachten, die door Kolb werden vertolkt.

Gretchen ging toen een helder laken op de tafel spreiden, Lise zette den grooten schotel er op, waar zij ter zijde van tijd tot tijd een waakzaam oog over had laten gaan, en daarna bleven de beide pelgrims te gast op het eenvoudig avondmaal. Voordat zij dit aanvingen zette de muzikale schoenmaker het fraaie schoentje naast zich op de tafel,—hij was met zijn kunststuk te zeer ingenomen om het geheel uit het oog te verliezen,—nam de ronde calot van zijn hoofd en sprak zacht maar met vastheid:

—God, die onze vader zijt, met dank besluiten wij den dag, dien gij ons weder vergund hebt te leven; dat in den nacht uwe hand over ons blijve, als wij niet voor onszelven zorgen kunnen; dat uw oog over ons wake, als wij den dag van morgen beginnen; dat wij dien dag weer aanvangen met u in het hart.

Het maal was gebruikt, de huisgenooten kusten elkander ten goeden nacht, en onze zwervers begaven zich naar hun bovenvertrek.

Tot laat in den nacht lag Mona haar hartstochtelijk gemoed uit te schreien, het gelaat in de kussens verborgen.

Carl was geestdriftvoller musicus geworden dan ooit. Zijn ijver had nieuwe prikkels bekomen, en hij was zich bewust geworden van wat hij was, van wat hij nog worden moest. De weken, die voorbijgingen, waren onder Kolbs omgang en lessen als uren ontsnapt. Doch het was niet enkel Kolb, die hem aantrok, ook Mona bekoorde hem; Mona ging hare vormen leenen aan het ideaal, dat elk jong hart in zijn binnenste eens omdraagt en koestert. En als er nog twijfel aan was, dan bleek het genoeg, als Lise en Gretchen wel eens zuchtend zeiden:

—Carl, Carl! wij raden wel, waarom gij Bettina, noch Mina, noch Clara meer schoon vindt.

En hij antwoordde:—Hoe kunt gij uwe Duitsche deernen nog verheffen naast deze! Zij zijn als porseleinen beeldjes bij een prachtig beeldhouwwerk!

Carl wilde mede naar Italië.

—Ik heb mijne wijding als kunstenaar ontvangen, zeide hij tot zijn vader,—thans zal ik mijn weg wel maken.

Maar de schoenmaker schudde het hoofd:—Maak geene kunst tot uw beroep,—gij moet van kunst niet eten, dat is mijne leer: gij moet haar bewaren tot uwe bezieling, tot iets heiligs. Ik werk voor mijn brood, en als de arbeid gedaan is, dan zingen en spelen wij onze voortreffelijke Duitsche liederen, en zoo blijft de kunst voor ons altijd iets feestelijks en plechtigs behouden.

Dit was werkelijk 's mans handelwijze. Hij had een kinderlijken eerbied voor de kunst; wanneer hij zijn werk gedaan had, dan wiesch hij zich de handen, kleedde zich in, een beter kleed dan zijn werkbuis, en in feestelijke stemming begeleidde hij met zuivere bas den zang en het spel zijner kinderen.

—Neem een handwerk, Carl, zeide hij, en blijf kunstenaar in uw hart; zie naar het lot van dien man daar boven ons. Nu is hij al vijf weken bij ons,——ik zal hem niet lastig vallen—maar ik vrees, dat hij behoeftig is, dat zij beiden zeer arm zijn.

Ja, hun toestand was maar al te treurig. In eene kleine stad als deze was voor een man als Kolb geen geld te verdienen. Hij was daarbij te ongedurig, zelf steeds zoekende, en de tijden waren ook nog niet daar, waarin een rondreizende virtuoos gemakkelijk concerten kon geven. Het leven hing als een loodzware mantel hun beiden om de schouders. Kolb had berouw, dat hij, den aanvankelijken opgang, dien hij in Italië gemaakt had, had weggeworpen om de gril, die hem voor een tijd weer naar zijn land terug had gedreven. Tot zijne verbazing had Mona er hem geen scherp verwijt van gemaakt; zij was zachter en stiller gestemd dan vroeger. Hij was ver, van de oorzaak hiervan te vermoeden in de zielekwaal, die haar ging onderdrukken, tot het hem opeens tot zijn schrik geopenbaard werd.

Het was op een avond, dat hij in opgetogen stemming vol drift het huis in liep: eene flauwe hoop, sinds drie, vier dagen gewekt, was hem tot werkelijkheid geworden; hij droeg een brief in zijn zak, en door dezen was de gelukszon weer gerezen, die de duisternis der ellende zou wegvagen. Het was eene verrassing, die hij voor Mona bewaard had. Toen hij binnentrad, zag hij haar voor het raam staan, omhoog turende naar het weinige lucht, dat zij door de laatste zonnestralen verlichten zag.

—Weer zijn de laatste stralen van de ruiten in de geveltoppen over ons verdwenen, zeide zij,—de duisternis beklemt mij; ik snak naar licht, naar lucht (zij stootte het venster open); geene zon meer,—zal zij ooit weer opkomen? Daar achter de oude huizen, ver daarachter gaat zij op over een schoon land, mijn land,—Antonio, Antonio, waar hebt gij mij heengebracht!


Back to IndexNext