SCHEMERING

SCHEMERING[2]En God noemde hem: Ali Mohammad (blz. 4)En God noemde hem: Ali Mohammad (blz. 4)[3][Inhoud]I.HET OUDSTE WEZEN OP AARDE, EN DE MENSCHPermandjika Allah1tikte een stofje van achter het oor … zóó ontstond de eerste vaste stof in het heelal. Het werd grooter en grooter, en toen het acht vadem in het vierkant mat, zette God zich er op neer.Toen God nu naar beneden zag, ontstond de aarde, en toen Hij opkeek naar boven, strekte zich daar de groote hemel uit. En bij het zien naar links en naar rechts werd de zee geschapen, door blazen de wind.Naast God waren de aartsengelen Israpel, Mikaïl en Djabraïl, en de vijfde was Alahtaälah, Onze Lieve Heer.Toen sprak God: „Laat ons nu Adam scheppen!”En er werd klei gehaald van Modjopahit, en Onze Lieve Heer en de aartsengelen kneedden het, om Adam te vormen.Maar God zag, dat het schepselvierbeenen had, en Hij sprak: „Dit is Adam nog niet”, en de goddelijke adem blies het schepsel naar de aarde en het was daar De Oudste, Setoewò, de Tijger.Nu werd nieuwe klei van Modjopahit gehaald, maar de engelen vormden er schepsels uit van negen, acht en zeven vadem lang, en zij werden tot goddelijke wezens: de Déwa Parali, negen in aantal, en de acht Déwata’s en de zeven Déwa’s, maar Adam was nòg niet gelukt.Toen maakte Onze Lieve Heer een schepsel met vier pooten en[4]een langen staart. Maar God, die wist hoe Adam zijn moest, noemde dit wezen Alilias en liet het in zee vallen, den Krokodil.Nog eens liet God probeeren Adam te scheppen, maar het nieuwe schepsel was groot en had vier zware pooten … God liet hem neer op aarde: Aliliman, den Olifant.Toen liet God den aartsengel Djabraïl zich spiegelen in het stille water van een diepe rivierbocht, en naar het beeld, dat het water weergaf, werd Adam gevormd, en God noemde hem: Ali Mohammad.Nu gaf God een menschenziel aan Onzen Lieven Heer, liet hem die goed in de gesloten hand houden om haar aan Adam te brengen en hem die ziel in te blazen.Tot vier malen opende Onze Lieve Heer onderweg de hand, eerst de vijfde maal kreeg Adam zijn ziel.Toen sprak God: „Gij hebt vier malen uit uw hand laten vallen, wat ik u gegeven had. Gaat heen en ziet, wat daaruit geworden is!”En nu zag Onze Lieve Heer, dat op de plek, waar hij de eerste maal zijn hand had geopend,pisang’s(bananen) waren opgeschoten; op de plaats, waar het voor de tweede maal was gebeurd, groeidekladi(eetbare colocasia);maiszag hij op de derde plek, enrijstwas het laatste der gewassen, welke, door de wijsheid en goedertierenheid van God, aan den mensch waren vooraf gegaan om hem te voeden.Ornament met vleermuis.[5]1Permandjika Allah, een verbastering van het Arabischfirman Allahhet goddelijk woord. De gegeven overlevering uit Manna, in de residentie Bengkoelen, is een kostelijk voorbeeld van de vermenging van mohammedaansche, uitheemsche en daardoor onbegrepene zaken, en de bekoorlijke zielsuitingen van den „heiden” met zijn terugblik naar den Hindoe-Javaanschen tijd (de klei van Modjopahit!), met zijn goden en zijn Natuur. Merkwaardig is de verheffing van die wilde dieren, voor welke de Maleiers het meeste ontzag hebben, tot „ouderen” van den mensch.↑[Inhoud]II.VAN MENSCH TOT TIJGERAls in den gloeienden middag in de dorpen de honden niet meer blaffen en de menschen te loom zijn om te praten, als de boomen onbegrijpelijk roerloos staan in de drukkende stilte, als alleen de rosse kiekendief tegen het strakke blauw in cirkels rondglijdt en zijn akeligen schreeuw doet hooren, dan trillen de hittegolven boven de doodstille alang-alang velden, waar geen levend wezen meer beweegt.Maar soms ziet men in dat stovende, stil wachtende, hooge gras één enkelen scherpen spriet in wonderlijke trilling; als een degenkling, die, zuiver verticaal, snel heen en terug wordt gedrild.Wankelbaar aangezet … zegt de nuchtere westerling; in het bosch ziet men bij schijnbaar volslagen windstilte dikwijls één enkel groot blad doelloos heen en weer zwaaien, met onverklaarbare kracht, en lang achtereen.Maar de nakomelingen van Bittertong in Zuid-Sumatra, zij, die de oude overleveringen van den stam kennen, weten het wel beter wat dien spriet doet trillen, en zij gedenken den grooten voorvader en zijn bovenaardsche macht.Seroenting was zijn naam; Padang Langgar in Pasemah Lébar, in de bovenlanden van Palèmbang, was zijn dorp. Hij had vader noch moeder, en ieder wist dat hijsaktiwas, begaafd met bovenaardsche macht.[6]Hij was gehuwd met Poetri Bidadari, een zuster van Arija Tebing, ook een machtig man in Pasemah.De zwagers hadden hun ladang’s in het oerwoud uitgekapt, naast elkaar, slechts een gevelde boomstam vormde de grens. Maar aan de zijde van het rijstveld van den arija werd de schors van dien boomstam goud, terwijl aan Seroenting’s kant slechts zwammen en paddestoelen opschoten. En al draaide hij ’s nachts den stam wel eens om, steeds was het goud voor den zwager, de zwammen voor hem.Dit werd den sterken man te machtig en hij schraapte het goud van den anderen kant naar zich toe. Maar nu vielen harde woorden, en het eind was een strijd op leven en dood tusschen de zwagers met hun aanhangers.Daar zij even „sakti” waren, kwam het niet tot een beslissing. Het was echter den arija opgevallen, dat, wanneer hij in het gevecht zijn zwager uitdagend iets toeriep, diens stem telkens uit een andere richting antwoordde. Tebing vond het raadzaam den strijd op te schorten, tot hij achter het geheim van zijn zwager zoude zijn, en hij wist zijn zuster over te halen om dat geheim aan haar man te ontfutselen.Op een warmen dag, toen Seroenting van een bad in de rivier thuis kwam, stelde zij hem voor zijn lang haar eens te reinigen.1De zachte handen van zijn vrouw maakten zijn hersens doezelig … en toen zij dat merkte, weefde zij haar net om den niet meer waakschen man te vangen.Den volgenden dag kon zij haar broeder zeggen, dat Seroenting de macht had zijn ziel te verbergen in een alang-alang blad. „Kijk maar eens rond,” had hij gezegd, „als er één spriet staat te drillen, dáár heb ik mijn ziel verborgen; niemand weet dat, en daarom kan men mij niet dooden. Men moest eens weten, dat men mij dan toch kan kwetsen door het blad te speren met een steel van de bamban!”2Dadelijk heropende nu Arija Tebing de vijandelijkheden; al spoedig had hij de gelegenheid een drillend alang-alang blad met een Donax-steel te spietsen … de strijdenden zagen Seroenting plotseling voorover vallen, met een zware wond aan het been, en uit het geknakte blad lekte een druppel bloed.[7]Seroenting had den strijd verloren. En uit den druppel bloed werd de eerste Kreupele Tijger geboren; zijn nakomelingen wonen op de hellingen van den vulkaan Dempo, en zij zijn voor anderen dan Seroenting’s afstammelingen de meest gevreesde dieren in Sumatra’s oerwouden.Seroenting was zóó onder den indruk van het gepleegde verraad, dat hij besloot in zee den dood te zoeken. Hij bakte van klei een groote martavaan, zette zich daarin neer en liet zich de rivier afzakken. Maar een bandjir joeg de tempajan door de branding en zette Seroenting op een eiland. Daar woonde een oud man, die van Modjopahit kwam. Seroenting vertelde hem alles, en vroeg hem hulp om zich te kunnen wreken.„Doe je mond eens open … dit is mijn hulp,” zeide de oude man en spuwde hem in den open mond.En toen Seroenting verbaasd zeide, dat deze hulp weinig zou baten, liet de grijsaard hem de oogen sluiten, en toen hij ze weder opende, was de oude verdwenen, en hij zag, dat hij terug was in zijn eigen woning, zijn vrouw was van wroeging gestorven.Men stroomde samen om zich van dit wonder te overtuigen. Er moest nu feest worden gevierd, en Seroenting liet zijn zuster vlug rijst wasschen aan de rivier. Maar toen zij wat lang weg bleef en hij gekscherend zeide: „zij zal versteend zijn!”… ziet, daar vond men op de Padang Pandjamoeran het meisje als een steenen beeld terug.Seroenting Sakti en de aanwezigen begrepen nu plotseling, dat hij de vreeselijke macht had gekregen om menschen tot steen te kunnen vervloeken, dat zijn tong (lidah) scherp en bitter (pahit) was; Pahit Lidah (Bittertong) werd nu zijn titel.3Arija Tebing vluchtte met al zijn volgelingen naar het westen, naar de woeste wouden van den Barisan-keten. Bij den Gebroken Berg (Boekit Patah), tusschen Pasemah Lébar en de marga Kelam, haalde Bittertong zijn zwager en de zijnen in, maar zij verscholen zich goed, zoodat Bittertong hen niet vinden kon. Toen riep hij uit: „Verdwijn dan maar voor goed en wordt steen, of allerlei ziekten!”„Goed,” antwoordde Arija Tebing, „wij zullen als veroorzakers[8]van ziekten hier op den Gebroken Berg blijven wonen, en als je kinderen en kindskinderen hier passeeren, vermoorden wij hen”…Kleine, groene vogeltjes (boeroeng idjong), die nergens anders voorkomen, bewaken nog steeds den bergpas, en wee! den afstammeling van Seroenting, die hun scherpe snaveltjes durft te trotseeren, het stille oerwoud laat hem niet weer los.Poetri Bidadari had Seroenting een zoon geschonken, Semidang Sakti genaamd, en deze is de stamvader geworden van den grooten stam Semidang, die zich ten westen van den Gebroken Berg, aan de westkust van Zuid-Sumatra, gevestigd en ontwikkeld heeft.Een van de centra van dien stam is het land om de woeste Padang Goetji-rivier, welke haar graniet-rolsteenen tot speelgoed geeft aan de eeuwige branding, die ze ronder en kleiner rolt, en ze eindelijk mijlen ver langs de kust opstapelt.Eeuwen geleden trok een troepje menschen langs den bovenloop van de Padang Goetji-rivier door de nog nooit door menschenvoet betreden oerwouden, het ongestoord domein van olifant, neushoorn en tapir.Sangga Roedjoengan, een kleinzoon van Bittertong, zocht met de zijnen naar goeden, vlakken grond langs de rivier, waar men ladang’s zou kunnen aanleggen. De breede paden der olifanten maakten het zoeken gemakkelijk, de eerste hutten werden aan den waterkant opgezet, en al spoedig kwamen ook anderen uit het oorsprongsland den voortrekker achterna.Briang noemden zij de plaats, waar zij hun rijstvelden uit het zware bosch kapten, elk jaar werden weer nieuwe ladang’s aangelegd, en aan den boschrand leefde men gelukkig. Wel begonnen varkens hen al spoedig te plagen, en de apen leerden, dat hier wat te halen viel; ook kregen de kolonisten geregeld bezoek van kudden olifanten, die slechts met de grootste moeite werden verjaagd nadat zij geheele velden rijst hadden afgegraasd en vertrapt. Maar toch was de padi-opbrengst meer dan voldoende, en de gevreesde pokken, de ziekte,[9]die zoovele stammen teisterde vóór de Hollanders haar bestreden, scheen hier niet te zullen komen in dit gezegend oord.In de eerste jaren was op de verlaten velden al spoedig weer nieuw bosch opgeschoten; maar toen het veestapeltje zich uitbreidde, gaven de koeien het bosch weinig gelegenheid zich te herstellen, en waar de rijst gestaan had, schoot welig de onuitroeibare op, de alang-alang. Zij strekte het vee tot voedsel, en werd ze te oud en te hard, zoodat de runderen het scherpe gras niet meer lustten, vermengd als het bovendien raakte met dood, vergaan blad, dan werd in den drogen tijd de brand erin gestoken. Bijna alle uitloopers en alle opslag van loofhout gingen in de knetterende vlammenzee verloren, ook alle nesten van wilde kippen, van kwartels enleeuweriken; maar op den zwarten grond kwamen al na enkele dagen de scherpe, heldergroene sprietjes van de onuitroeibare op, en het was smullen voor het vee. Ook herten en reeën kwamen nu, in schichtig oorenspel, den boschrand uit, likten de zilte asch van den grond en graasden de sprieten af … om dikwijls een prooi van den loerenden mensch te worden, die hen wild opjoeg naar de in lange rij opgestelde, taaie rotan-strikken.Zoo ging het jaar na jaar. Maar niet alle oude alang-alang werd het vuur tot prooi. Groote hoeveelheden toch werden door de kolonisten gesneden, om, tot bossen gebonden, te dienen als dakbedekking der woningen.Op een gloeiend heeten dag stond Sangga Roedjoengan alang-alang te snijden aan den versten boschrand. Het was reeds lang het uur, dat zijn vrouw hem als gewoonlijk nasi (gekookte rijst) moest brengen, waarom bleef zij vandaag zoo lang weg? Het kon niet, dat zij het vergeten zou hebben … en hoe onuitstaanbaar boorde toch vandaag de zon tot in zijn hersens, hij hield het haast niet uit; juist nu, dat hij ook zoo’n onbegrijpelijken dorst had; stellig had zijn vrouw een bamboekoker water bij zich …Nevels trokken voor zijn oogen, waar bleef toch zijn vrouw, het was om gek te worden!Thuis huilde het jongste kind zóó klagelijk, dat moeder voor de eerste maal het oudste meisje maar naar vader zond. Zij was zoo flink[10]al, en midden in de grootste daghitte zou ze wel geen nijdige varkens of andere dieren ontmoeten. Het kind zette de mand nasi op het hoofd en ging op weg, en toen de bakoel zwaar werd en de nek moe, bracht zij de handjes aan de slapen, de ellebogen wijd uitgezet, dat gaf ’t hoofd steun.In de doodstille alang-alang, in de trillende hittegolven, kreunde de vader van dorst en honger, en wilde gedachten maakten hem tot een ander wezen. Zie! wat kwam daar het pad af?… dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert? Vleesch om te eten, bloed om te drinken! Hij kroop neer in het hooge gras, en in één sprong bemachtigde hij het wezen en verslond het rauw om den inwendigen brand te stillen …Maar toen hij lange haren in den mond voelde, kwam hij tot bezinning en vroeg zich af, wat er toch met hem gebeurd was. Hij snelde naar huis, en toen hij daar hoorde, dat zijn kind met het eten gestuurd was, rende hij terug naar de alang-alang en zag daar, naast overblijfselen van een lichaam, een paar armbandjes, welke hij maar al te goed herkende.Sangga Roedjoengan begreep en voelde, dat hijanderswas geworden; een wilde lust trok hem naar het diepe, koele woud, weg uit dit licht, weg van de menschen. Maar hij had nog de kracht om naar zijn vrouw te gaan en haar te zeggen, dat hij een verschrikkelijke vergissing had begaan …„Houd mij niet tegen, ik ben niet meer een mensch als vroeger, ik moet weg, het bosch in. Je zult mij nimmer als mensch terug zien, maar ik ben niet voor je verloren: als jij of de kinderen, en alle onze nakomelingen, soesah hebben, zoek mij dan op „di Padang Soedoet”, aan den rand van het oerwoud. Maak dan een sanggal, een offer van vier rauwe kippeneieren en „padi dirandang”,4en leg de eieren tusschen lamang5. Maar, vrouw, zeg aan de kinderen, dat zij, noch iemand van onzen stam ooit meer een bakoel op het hoofd mogen dragen, en nimmer met de handen aan de slapen mogen loopen. Ik[12]voel, dat ik De Oude, Setoewo6zal worden, en zooals ik nu een witten lendendoek draag, zoo zal ik aan een witten band kenbaar zijn”… en mèt was hij verdwenen.Het is eerst tien jaar geleden, dat de menschen van Briang gebrek kregen aan grond en weg moesten trekken uit het oude land. Amaloedin, de lamme, was de laatste, die den tijger geworden voorvader met een sanggal aan den boschrand opriep, wanneer men soesah had in den stam; hij is nu zes jaar dood, en niemand weet meer precies, hoe Amaloedin voeling hield met den voorvader.Zie! wat kwam daar het pad af?... dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert?Zie! wat kwam daar het pad af?… dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert?Maar wie van den stam herinnert zich niet, hoe de groote koningstijger met den witten buik zich dikwijls vertoonde bij feesten, en hoe hij rustig bij een der vreugdevuurtjes zich uitstrekte en meemaakte de vreugde van zijn vele nakomelingen! Hoe weten velen zich te herinneren, dat zij als kleine jongen naar het dier gooiden, en hoe doodelijk verschrikt zij waren, als hij hen dan aanviel, al deed hij hen geen kwaad. En zij, die, tegen het adat-verbod in, pisang brachten naar een feest, moesten tot straf ondergaan, dat de tijger hen dreigend bij de hand greep, zonder echter door te bijten.Al is de band nu verbroken, de laatsten, die in Briang gewoond hebben, zouden niet den moed hebben een mandje op het hoofd te dragen, en voor den geheelen stam van Semidang geldt nog het heilig verbod om onder het loopen de handen aan de slapen te brengen, omdat dit het vreeselijk onheil gebracht heeft over den kleinzoon van Bittertong.Ornament met cicade.[13]1Dit haar-toilet, in het bijzonder onder vrouwen, is in het gezinsleven een uiting van hartelijkheid. Men ziet in de binnenlanden dikwijls een aaneengesloten rijtje van vrouwen en meisjes in de voorgalerij van een huis, op de bermen van den weg of in hoeken van marktpleintjes, gezellig bezig om elkaar dezen dienst te bewijzen.↑2Bamban (emban) is een Maranta: Donax grandis. De steel is als hard bies. Naar het ovale blad noemt men een speer-lemmet van dien vorm; deze gelijkenis zal dit gedeelte van de meest vermaarde overlevering in Zuid-Sumatra hebben doen ontstaan.↑3Deze overlevering van Bittertong moeten wij als volgt begrijpen. In de Pasemah-hoogvlakte, waar het verhaal speelt, zijn tal van hoogst merkwaardige beelden gevonden van menschen- en dierenfiguren (door mij beschreven in Bijlage D. van het Oudheidkundig Verslag, Batavia, 1ste kwartaal 1922, met 43 foto’s) waarschijnlijk[160]vervaardigd in de eerste eeuwen onzer jaartelling, maar waaromtrent nog geen zekerheid bestaat. Nadat de volksstam, wiens grootheid die beelden waren, waarschijnlijk Negrito’s, door onbekende oorzaken verdween en de geheele streek volkomen verlaten was, maakte het zware bosch er zich weder meester van. Eerst eeuwen later kwamen nieuwe bewoners, zij waanden zich de eerste ontginners van het land, en toen zij onder en tusschen de wortels van de reuzen van het woud „versteende menschen en dieren” vonden, moest wel worden gedacht aan bovenaardsche invloeden. En zoo werd de legende van Bittertong geboren, den zwerver, die op zijn tochten overal menschen en dieren tot steen vervloekte; die van bloeiende nederzettingen een rotspartij maakte, enkel en alleen omdat men om hem lachte of het hem niet naar den zin maakte. Voor zijn rekening komt ook, in de beneden-landen van Palembang, het verdwijnen van Çiwaitische enBoeddhistischevestigingen aan de rivieren en de meren, waarvan men slechts nog de roode baksteenen vindt der tjandi’s en urnen, kralen en scherven. Hij „terroriseerde” geheel Zuid-Sumatra, van den Vlakken Hoek aan de zuidpunt tot in Djambi’s bovenlanden, van Aboeng in Tanah Lampoeng tot Moeko-Moeko aan de wilde westkust.Met andere woorden: overal, waar bij de plaatselijke bevolking de legende van Pahit Lidah (Bittertong) levendig is, daar kan men er vrij zeker van zijn, dat er overblijfselen van oudheden te vinden zijn of geweest zijn.Bittertong was dus niet één man, men moet hier denken aan een volksstam (Hindoe-Javanen of Hindoe-Maleiers), die over Zuid-Sumatra uitzwermde na het tijdvak, waarin de knappe beeldhouwers van Pasemah leefden, of aan het eind van die periode.↑4gepofte padi.↑5in dunne bamboe-kokers gestoomde kleefrijst.↑6Setoewo, de tijger.↑[Inhoud]III.MALEISCHE SPOOKMENSCHEN1[Inhoud]1.De „Orang Boenian”De Orang Boenian zijn wezens aan den mensch gelijk, maar zij zijn alleen zichtbaar voor hem, die met een Boenianmeisje getrouwd is. Braver zijn zij dan de mensch, omdat de leugen bij hen onbekend is. Toch griezelt het den jongen man, die ergens op het lage dammetje om zijn sawah onverwachts lekkernij vindt, op kleurige bladeren hem aangeboden door een spookmeisje, dat hem heeft gadegeslagen terwijl hij op zijn rijstveld werkte, en dat hem op deze manier komt vragen haar man te worden.De Boenian’s leven en sterven als gewone menschenkinderen, zij bouwen ook huizen, en zij houden kippen en vee. De bevolking van Tilatang bij Fort de Kock weet heel goed, dat vroeger tal van buffelsporen voerden uit de grot in den Boekit Boenian, den Berg der Verborgenen, maar men heeft er nooit een karbouw gezien.In bijna alle streken van Sumatra komen zij voor, de meesten in Minangkabau, de Padangsche bovenlanden. Zij wonen gewoonlijk in grotten, of zij bouwen hun voor den mensch onzichtbare huizen ergens in dichte bamboe-stoelen, in den ontoegankelijken wirwar van takken en luchtwortels van een reusachtigen ficusboom, en in de rimba, het diepe oerwoud; soms op den top van hooge bergen, waar elk geluid gedempt wordt door de zware mossen, welke stammen, takken en lianen met een dikke laag bedekken.In wilde nachten komen zij in de pelmolens der menschen om er[14]hun rijst te stampen, of zij vieren feest, en in de onbestemde geluiden van den storm hoort het Maleische oor duidelijk het zingend dreunen van de groote gong.En luistert men lang, heel lang, in de grotten van het kalkgebergte van Kamang, waar de spookachtige onrust der vleermuizen en hun krassende kreetjes de grafstilte niet kunnen breken, dan hoort men eerst het tikken van eeuwig druppend water, maar het gaat over in een zachten, rillenden toon van koperen instrumenten, heel ver in het diepe donker … de „gamelan” der Orang Boenian.Het was den vorigen dag in den grauwen morgenschemer al beginnen te motregenen, en nòg druilden de boomen aan den boschrand en waren in een mistig waas verscholen.De datoek, volkshoofd in zijn kampoeng, woonde nu al eenigen tijd bij Matoe, zijn oudste vrouw. Zij zaten voor een der open vensters van het huis, en zij spraken over de padi, die juist uitgeloopen was, en over een troep brutale apen, die uit het bosch waren gekomen. Twee van de dieren hadden zij betrapt, toen zij bezig waren de jonge rijstscheuten voorzichtig uit te trekken om den korrel te hebben; het was ondoenlijk de apen uit de ladang te houden, toch lachten zij om hun menschelijke, knijpende vingertjes, om den diepen ernst bij hun werk.Zij keken naar buiten in den grauwen dag.Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist trad, ergens tusschen de boomen, en die nu het erf kwam oploopen en zijn zwarten knapzak ophing aan een uitstekenden balk van de rijstschuur. En toen die man vroeg of de datoek thuis was en deze hem noodigde boven te komen, kwam hij de trap op, ging op de hem door Matoe aangeboden mat zitten en dronk zwijgend de koffie, welke zij den mannen voorzette.Ook de datoek zweeg, het was hem wonderlijk te moede. Wat voelde hij toch?… wat was het toch weer, wat wist hij van dezen zwarten man?Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradHij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradEn plotseling doorleefde hij een droom. Een vrouw had met hem gesproken en hem gevraagd, of hij met haar dochter wilde trouwen.[16]Hij was zeer verrast geweest en had bedenktijd gevraagd; daarop had zij hem gezegd, dat hij de beslissing maar zeggen moest aan „den zwarten toeankoe”. Verbaasd was hij wakker geworden, het schemerde al, de moerai2floot de menschen wakker met zijn jubelend lied en de droom was spoedig vergeten. Maar nu kwam alles met beklemmende duidelijkheid terug …„Ik kom het antwoord halen,” zei slechts de oude, zwarte man. De datoek kon niet goed meer denken, hij was geheel in de war.„Ja …” hoorde hij zichzelf bedremmeld zeggen, „ik wil wel met uw dochter trouwen.”En toen de oude dadelijk daarop wegging en zijn zwarten knapzak over den schouder sloeg, zagen Matoe en haar man, dat hij plotseling verdwenen was.„Hai!” rilde de datoek, „dat moet wel een Boenian zijn!” en Matoe huilde.Midden in den nacht voelde de datoek, dat iemand hem wakker maakte; hij tastte rond, maar voelde niets. Hij begreep, dat de Verborgenen hem riepen en stond op.Hij was in een huis, zoo mooi als hij nooit gezien had; het bestond uit niet minder dan dertien roeang’s, de ruimten tusschen de rijen palen waarop het dak rust. Het huis was geheel met planken omwand en smetteloos wit. Er waren veel menschen; ook de oude man, die hem had opgezocht, en nu werd het feest gevierd van zijn huwelijk met Si Boengo, de Bloem, de mooie dochter van den zwarten toeankoe.Vroeg in den morgen stond de datoek op en ging naar buiten, om een bad aan den put te nemen en het morgengebed te doen. Maar toen hij den eersten schep water over zich gestort had … zie! daar stond hij zich te baden aan den eigen put, naast den eigen rijstpelmolen, en toen hij terug wilde gaan naar de mooie Boengo in het witte huis, zag hij slechts de gewone dagelijksche omgeving. Nu stond hij voor Matoe’s huis, binnen sliep iedereen nog rustig, de deur was gesloten en hij moest Matoe wakker maken om binnen te komen. Zelfs de deur van de slaapkamer had Matoe nog op slot gevonden … en nuwistenzij, dat de datoek door spookmenschen was weggevoerd.[17]In den avond van den volgenden dag liep de datoek naar de soerau, het gebedehuis waar hij zijn avondgebed zou doen. Hij dacht over het gebeurde, was het werkelijkheid? Hij zag de mooie, jonge vrouw weer voor zich en verlangde intens bij haar te zijn.Plotseling stond de zwarte toeankoe voor hem en hij kon niet meer denken. Hij wilde trachten te onthouden, wat er met hem gebeuren zou, maar vóór hij het wist stond hij in het witte huis, en Boengo was bij hem.Vier malen bracht de oude man hem bij zich thuis, maar toen zei hij: „ik kan je niet altijd komen halen, je moet nu maar aan Boengo vragen, hoe je den weg naar ons kunt vinden.”„Als je hart sterk naar mij trekt,” antwoordde de Bloem hem, „als je werkelijk naar mij verlangt, ga dan naar den Batoe Gadang, den grooten steen bij de brug van Loendang. Ziet ge op dien steen een versch citroenblad liggen, neem het dan op en wrijf het over je dichte oogen, en je zult den weg naar ons huis zien. Maar kom nimmer met andere menschen, en als er geen citroenblad ligt op den steen, doe dan geen moeite om den weg te zoeken in de dorenbamboe bij dien steen. Je kleeren zullen aan flarden scheuren en je zult doodziek worden.”Op enkele tientallen meters van dien steen loopt de ijzeren baan van Fort de Kock naar Paja Koemboeh, en uit den trein zien de reizigers een grooten rolsteen in de bedding der beek. Vlak ernaast ligt een boschje bamboe doeri, voor menschen en grootere dieren volslagen ontoegankelijk, een muur, gevlochten door scherp gedoornde, taaie stengels.Maar telkens als de datoek het geurige blad over de dichte oogen wreef, lag daar in dat boschje een wit pad, en het voerde naar de woning der spookmenschen.Toen het huwelijk van den datoek en de mooie spookvrouw met kinderen gezegend was, eerst toen wilde Boengo hem de overleveringen van haar stam verhalen, ook, hoe de Verborgenen voortkomen uit aardsche menschen.[18]In den tijd, dat Mohammad de profeet nog op aarde ging, leefden er twee zusters; de eene was met een rijk man getrouwd, de andere had een arm huwelijk gedaan. De rijke gaf eens een groot feest en noodigde er Mohammad, den profeet. De arme wilde hem ook zoo gaarne beleefdheid en eerbied bewijzen, maar hoe konden zij het van hun armoedje doen!„Weet je wat,” zei de arme man, „ga jij de dorpen af en vraag wat men missen kan, daar kun je rijst en specerijen van koopen. Ik zal het bosch ingaan en halal3wild schieten; dan kunnen wij ook een feestmaal hebben en bidden om zegen.”Zij gingen. De vrouw werd hier en daar geholpen en kon haar inkoopen doen. Maar hij jaagde heel het bosch af zonder een enkel stuk wild te zien. Verdrietig ging hij naar huis, maar dicht bij zijn woning sloop een dier door de struiken, en snel had hij het met een pijl uit zijn blaasroer neergelegd. Maar hoe beschaamd was hij, toen hij zag, dat het wild een groote kat was, spierwit, zooals toen alle katten nog waren.Maar … soedahlah, dan maar een kat, niemand zou het immers merken, het feestmoestdoorgaan, de profeet had nu eenmaal de uitnoodiging aangenomen. Hij vilde snel het dier, sneed er den kop en de pooten af, en bracht het bij zijn vrouw; en zij maakte van het vleesch en de specerijen allerlei heerlijke gerechten, voor het feest aan Mohammad den profeet.De gasten kwamen, ook de profeet, en zij zetten zich neer. Hij was gewend bij het maal zijn lievelingskat bij zich te hebben, en toen hij hem niet zag, vroeg hij ernaar en riep toen het dier met luide stem.O! rechtvaardige Allah, daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld … de arme man had de lievelingskat van den profeet gedood, en, in tientallen herlevend, sprong het dier uit de gerechten, van zijn vleesch gemaakt, te voorschijn, de witte vacht in bonte afwisseling geteekend door de sporen en de kleuren der verschillende specerijen.[19]Doodelijk verschrikt en beschaamd vluchtte het arme menschenpaar naar de donkere bosschen, en zij verscholen zich daar voor den toorn van den profeet, voor den spot der menschen. Maar honger dreef hen het bosch uit, en zij gingen naar den profeet, vernederden zich voor hem en smeekten om genade.De profeet toornde niet, hij had immers zoo vele en mooie katten voor die eene witte terug gekregen. Maar de arme lieden bleven den spot der menschen vreezen, zij wisten dit niet te kunnen dragen, en nu smeekten zij Mohammad hen te verbergen voor die anderen. Zij waren altijd braaf geweest en geloovig, zij hadden nooit iets kwaads gedaan vóór dit eene gebeurd was, wat zij bedoeld hadden alleen om den profeet eerbied te bewijzen.In groot medelijden bad de profeet tot God om de arme lieden onzichtbaar te maken voor hun medemenschen, en zóó ontstonden de eerste Orang Boenian … voor Allah’s almacht is niets onmogelijk!Daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld...[20][Inhoud]2.Zij, die niet geloofdenIn den 15den der 1001 Nachten verhaalt Sheherazade aan Sultan Shahryar de geschiedenis van den sheik Shahabeddin:De sultan van Egypte verzamelde op zekeren dag alle geleerden uit zijn rijk en behandelde met hen het volgende onderwerp. De Moslims zeggen, dat de engel Djabraïl (Gabriël) den profeet Mohammad uit zijn bed lichtte en hem alles toonde, wat in de zeven hemelen, in het paradijs en in de hel te zien is. Daarna voerde de profeet nog 90.000 gesprekken met Allah, en toen hij door den engel in zijn bed werd terug gebracht, had hij nog juist den tijd om een kruik, die bij zijn vertrek omgevallen was, op te zetten vóór al het water er uit was gestroomd …„Wie kan zulke belachelijke verhaaltjes gelooven!” had de sultan gezegd. Doch de geleerden antwoordden hem: „Voor Allah’s almacht is niets onmogelijk”… en nu ontstond een strijd, die de grootste tweespalt in Egypte veroorzaakte.De mare hiervan drong ook door tot sheik Shabeddin. Hij begaf zich dadelijk op weg naar den sultan, die hem met eerbied ontving. Zij zetten zich in een vertrek neer met vier vensters, welke op verzoek van den sheik gesloten werden. Nadat zij over verschillende zaken gesproken hadden, stootte de geleerde sheik één voor één de vensters open, en de sultan zag tot zijn ontzetting achtereenvolgens, dat een ontelbaar leger tegen zijn paleis optrok, toen, dat heel Kaïro in vlammen opging; daarna, dat een geweldige vloed zijn paleis bedreigde. Maar deze tafereelen werden door den sheik te niet gedaan, zoo deed hij ook weer verdwijnen het heerlijke landschap, dat de sultan door het vierde venster aanschouwde, terwijl hij wist, dat zich tot aan den horizont een onvruchtbare woestijnvlakte uitstrekte.Daarop liet de sheik een groote kuip water brengen, en hij verzocht den sultan zich daarin neer te zetten en het hoofd even onder te dompelen. De sultan deed dit … en hij bevond zich aan den oever van een groot, onbekend water, tusschen rotsen en bergen. Hij leefde zeven jaar in dit vreemde land, had er onnoemelijk veel leed, huwde[21]er en kreeg zeven zoons en zeven dochters. Hij kwam, zonder dit te weten, op een goeden dag terug op de plek, waar hij het vreemde land was binnen gekomen, nam er een bad in de rivier, en toen hij het hoofd boven water stak, bevond hij zich … in zijn paleis, omringd door zijn hovelingen, en zij en de sheik verklaarden, dat hij zoo even zijn hoofd had ondergedompeld en dadelijk weer boven water gekomen was …Ook op Sumatra moest Allah, eeuwen geleden, een man straffen, die het nieuwe geloof niet wilde aanvaarden.Hij en zijn vrouw waren goede menschen. Zij woonden diep in het bosch, aan den bovenloop van een der rivieren, die in Straat Malaka uitmonden; in een wereldje op zichzelf, waar slechts geruchten doordrongen van het bestaan van een grootere wereld. Zij kregen kinderen en hadden het goed. Maar zoo nu en dan, als de vrouw merkte hoe ongeloovig haar man was, kibbelden zij heftig, en zijn ongeloof was voor de vrouw het eenige verdriet, dat zij kende.Eens, dat hij voor een feestelijken maaltijd een kip had geslacht en die begon te plukken, kwam zijn vrouw terug op een twistgesprek, dat zij hadden gehad, omdat de man niet geloofde aan de almacht van Allah. Driftig stond hij op en riep uit: „Nou krijg ik genoeg van die nonsens, ik ga een bad nemen; pluk jij nu zelf de kip ook maar!” en hij wierp haar het half-kale dier voor de voeten. Toen daalde hij den oever af, in wrevel en ergernis. Dat eeuwige gezeur! zij hadden het samen zoo goed, maar als dat ééne kwam, dat hem zoo onbeduidend leek, dan was alles mis.Hij dompelde in de rivier onder, maar toen hij weer boven kwam, was hij in een vreemd land met onbekende menschen. Hij trouwde er en kreeg kinderen, maar geluk kon hij niet vinden, al doolde hij overal rond om het te zoeken. Zoo kwam hij, na zeven jaar, aan een rivier, en nam er een bad. Maar toen hij het hoofd weer boven water stak, zag hij zijn eigen badplaats, en boven aan den hoogen oever zijn eigen huisje! Hij herinnerde zich plotseling, wat zeven jaar geleden gebeurd was en hij kromp ineen van verdriet. Hij rende den wal op … wat zou er van zijn goede vrouw geworden zijn![22]„Dàt is vlug!” riep ze vroolijk, blij toen ze zijn berouwvol maar toch zoo gelukkig gezicht zag. Hoe heerlijk, dat hij zoo dadelijk zijn fout had ingezien … de kip was nog niet geheel geplukt!Nu geloofde de man. En de kinderen, in het vreemde land achtergelaten, waren de eerste Boenian’s.[Inhoud]3.Spoken-nachtMiddernacht.Wild drijft Si Dòlak Dòlai, de Kwade Wind, door de diepe ravijnen van den Marápi.Hij kwam van over het meer van Singkárak, waar woeste, korte golfjes nòg zijn spoor teekenen. Jagend was hij den Vuurberg opgegaan, wegvagend de stoompluim boven den krater, ros van weerkaatsten vuurgloed, en nu wielt hij neer den berg af, de vlakte in van Agam.„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan.”Zwiependen regen drijft hij voor zich uit, de woesteling, die de wortels van den ficus afbreekt als draad, die het nederigste kruid loswoelt, die de rijstschuren der menschen aflicht van de neuten …In diepen, donkeren nacht slaapt roerloos, stil, de kampoeng,In bamboebosch en palmkroon verscholen.Maar zwiepend, geeselend, wilde jacht, komt bulderend wind èn regen,En plotseling flikkert door het zwart een bliksemflitsDie àl verlicht het donker van zoo even.De bamboe buigt en kreunt, dof vallen oude klapperblâren,In ’t donker huis was alles rust, maar akelig kraait de haan,Die ’t bliksemlicht zich zonnegloren dacht.Bang kreunt ontwakend meisjeEn dringt zich tegen moeder aan …„O, moeder, moeder, hoor dan toch, wat vreeslijke geluiden …„Hoor, moeder, lieve moeder toch, waarom kraait onze haan?”[23]„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan;„En wees niet bang van wat je hoort,„In onze kintjir4stampt men rijst … de Orang Boenian …”Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind,In dürren Blättern säuselt der Wind …„O, moeder, hoor! dat diep geluid, wat kan ’t toch zijn,„Dat boven joelt en neergiert in ’t ravijn?”[24]„Wees rustig toch, mijn lieve schat, en druk je tegen moeder aan …„Ginds viert men feest en dreunt de gong … de Orang Boenian”.Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht?Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind …Ornament met vleermuis.[25]1In 1906 leerde ik een datoek (volkshoofd) kennen, die niet ver van Fort de Kock woonde, en die als doekoen vermaard was, vooral omdat hij zijn kunde als medicijnman ontleenen zou aan de kennis der Orang Boenian; hij verklaarde met een Boenianvrouw getrouwd te zijn. Ik won het vertrouwen van dezen man, en hij verhaalde mij, wat ik in deze schets bekend maak. Na lang aandringen kreeg ik van hem gedaan, dat hij mij naar het witte huis der Verborgenen zou[161]brengen. Ik stelde slechts één voorwaarde: dat ik mijn revolver niet thuis zou laten; de braafheid van die „onzichtbaren” kon wel eens tegenvallen. Daartegenover stond, dat ik hem duizend gulden beloofde bij welslagen; een ontmoeting met spookmenschen zou daarmee niet duur betaald zijn! Hij vroeg eenigen tijd om ons bezoek voor te bereiden, en tot mijn stijgende verbazing trok hij zich niet terug … tot aan den vooravond van den grooten dag. Toen kwam hij mij waarschuwen, dat ik misschien deerlijk verwond zou worden door de doornige bamboe, dat mijn kleeren zouden scheuren, dat ik ziek zou worden; en toen niets hielp, verklaarde hij, dat zijn verhaal een verzinsel was. Ik heb dus de Verborgenen niet mogen zien! Maar ik weet, dat in het binnenste van enkele vooraanstaande Minangkabauers, die van de zaak afwisten, de overtuiging voortleeft, dat de datoek mij niet de waarheid heeft gezegd door te verklaren, dat hij maar wat verzonnen had: hij had immers aan de mooie Boengo moeten beloven, dat hij nimmer andere menschen mee zou brengen naar den Grooten Steen … „Wat is de Waarheid?!”↑2Copsichus musicus, de Indische lijster; op Java: koetjitja, kadjer; om zijn kleurteekening noemt men hem wel eens: ekstertje; hij is de eenige mooi-fluitende tuinzanger op Java en Sumatra en leeft om en bij de huizen, ook in de grootste steden. Slechts de nachtegaal-lijster, die hier en daar aan den woudrand voorkomt en die als een nachtegaal slaat, overtreft hem in zijn zang. De Minangkabauers noemen de morgenschemering „moerai bakitjau”: als de moerai zingt.↑3wettig, geoorloofd.↑4rijstpelmolen, door waterkracht gedreven.↑[Inhoud]IV.WILDE DIEREN ALS BESCHERMGEEST VAN DEN MENSCH[Inhoud]1.De VolgtijgerHet is meer dan twintig jaar geleden, dat de luitenant P. mij als besturend ambtenaar te Koeta Radja opzocht om mij iets bijzonders te vertellen, en hij deed mij een van de wonderlijkste verhalen, welke ik ooit gehoord heb.„U is zelf jager, anders zou ik het haast niet durven vertellen! Ik was gistermiddag even op snippen uitgegaan, het was kwart vóór vijf, toen ik, op de fiets, bij de sawah’s kwam. Ik had mijn jaszakken vol hagelpatronen, kaliber 9, maar geen enkele snip vloog van de nog niet beplante rijstvelden op; en zoo wandelde ik al zoekend door, langs de sawahdijkjes, tot aan dat boschje struiken, dat u wel kent en dat er ligt als een eilandje in zee, er staat één afgestorven hooge cocos-palm midden in, ’t heele ding is niet grooter dan het grondoppervlak van een inlandsche woning.„Er was geen zuchtje wind, de sawahwerkers hadden de velden al verlaten, het was nog gloeiend heet, en stil, plechtig stil.„Toen ik op ’n meter of twintig van het boschje kwam en er met een bocht op toeliep, keek ik er pas goed naar … en het was of mijn nekharen stijfop bevroren! Aan den zijkant van het boschje, den kop afgewend en starend over de geweldige sawahvlakte van kilometers rondom, stond een volwassen koningstijger, roerloos, als ’n standbeeld.[26]Ofschoon het niet de eerste tijger was, dien ik voor ’t geweer kreeg, was ik een oogenblik volslagen verlamd. Maar toen mij als ’n pijnlijke zweepslag door de hersens ging, dat ik alleen maar snippen-patronen bij me had, kon ik weer denken en ik herinnerde me plotseling, dat ik toevallig één patroon met zware loopers in mijn broekzak gestopt had, en ik besloot de kans te wagen … wat moest ik trouwens anders doen, wegloopen zou waanzin zijn geweest. Mijn vingers trilden, maar ik verwisselde gauw een hagelpatroon tegen de loopers. Nog stond hij in zijn majesteit rustig te staren. Ik beefde niet meer toen ik aanlegde, en juist toen het prachtige dier kalm den kop naar mij toe draaide, zat mijn schot in z’n hart, en zonder eenig geluid zakte hij in elkaar.”„Maar …hiereen tijger?! men kan nog eerder ’n wilden ijsbeer op het Plein in den Haag verwachten!”„Ja, ik begrijp, dat het verhaal zelfs u te machtig is, maar ik heb de huid meegebracht, en ook de Atjehers, die op mijn schot dadelijk uit den kampoengrand kwamen. Al zagen zij met eigen oog den nog warmen tijger, zij denken geloof ik nòg aan tooverij. Trouwens, ik weet zelf niet, wat ik ervan denken moet … vanwaar kwam deze tijger, die hier overdag, vlak bij Koeta Radja, in die gloeiende sawah-zee stond te staren, uitkijkend alsof hij iets wachtte, iets zocht?”Terwijl hij sprak, zag ik de stille, gloeiende vlakte, de bekende 1000 meter-strook om Koeta Radja, vroeger geheel van huizen en bosch gezuiverd ter beveiliging van de hoofdplaats tegen onverhoedsche overvallen; en naast het boschje lage struiken met den afgeknakten klapperboom, zag ik het wondere prachtige dier, starend, op den uitkijk, wachtend en al maar starend, de zacht zwaaiende staart het eenig teeken van leven. De mysterie uit de koele bosschen in de stovende, boomlooze moddervlakte, waar den ganschen dag de menschen uit de rondom gelegen dorpen hadden gewerkt; en overal moest de menschenlucht nog zwaar hangen, in de velden, aan de dijkjes, de lucht die hem zoo tegenstond …[27]Nog stond hij in zijn majesteit rustig te starenNog stond hij in zijn majesteit rustig te staren[28]Eenige maanden later openden wij de kleine renbaan achter Peutjoet, het kerkhof bij Koeta Radja, waar zoovele kranige Hollandsche jongens rusten. De rennen zouden zoo dadelijk beginnen.„Komt de Kedjoeroehan van Lhong niet?” vroeg ik aan een der meest bekende Atjehsche hoofden. Ik miste den paardenliefhebber uit het zuiden, die mocht hier niet ontbreken.Teukoe Radja Itam glimlachte verlegen.„Och, toean, jullie gelooft zulke dingen toch niet, en ik weet zelf niet meer wat ik er van denken moet. Maar u bent bestuursambtenaar, ik zal het u toch maar zeggen.”Hij keek even rond, niemand kon ons gesprek hooren, een lichte huiver trok om zijn mondhoeken.„Is het waar, dat enkele maanden geleden een officier op de groote sawahvlakte bij Koeta Radja een tijger heeft geschoten? Ja? dus dat is toch werkelijk waar?!…„De Kedjoeroehan van Lhong had een volgtijger, die overal bij hem was, onzichtbaar, maar hij beschermde mijn vriend tegen allerlei gevaar. Een paar maanden geleden werd de Kedjoeroehan opgeroepen door den gouverneur, den generaal van Heutsz, voor die zaak waar u wel van weet. Toen hij goed en wel in Koeta Radja was, wist mijn vriend, dat zijn kameraad niet meer bij hem was; hij had de wijsheid, de ilmoe, dit te weten, al zag hij hem gewoonlijk ook niet. Hij begreep, dat het dier op een of andere manier verdwaald was, bang geworden misschien voor de menschen en de drukte; maar hij was ervan overtuigd hem thuis te zullen vinden, zoo iets was wel meer gebeurd.„Hij kwam thuis, maar de tijger was er niet, en zonder hem durft de Kedjoeroehan nog geen verre reizen te doen.„Niemand van ons begrijpt, hoe en waarom het dier daar midden in de sawah’s zichtbaar en daardoor kwetsbaar is geworden. Maar wijweten, dat het de volgtijger van den Kedjoeroehan is, die door dien luitenant is doodgeschoten …”Wij keken elkaar ontroerd aan.De bel ging voor den eersten ren.[29][Inhoud]2.RadoeDe oude man, een voornaam volkshoofd in Zuid-Sumatra, meende wel honderd jaar te zijn, en hij kon dit bewijzen: hij was immers al vader van een paar flinke jongens, toen de Groote Uitbarsting plaats had, toen het dagen achtereen vrijwel donker was, de hemel een-en-al donder en bliksem leek en de zee vol dreef van puimsteen … en ik deed geen moeite hem voor te rekenen, dat Krakatau eerst 35 jaar geleden doodelijken angst verspreidde in heel Zuid-Sumatra en in West-Java. Hij was nu eenmaal een erkend honderdjarige, en er was geen reden hem deze illusie te ontnemen. De brave, eerwaardige man voelde zich gelukkig in den weliswaar overschatten ouderdom, en voldaan en gelukkig keek hij achterom, zonder het voor ons westerlingen onmisbaar perspectief in dien terugblik te leggen.Hij was een goed adat-kenner en hij vertelde met trots en smaak van de oude gebruiken van zijn stam.Voor mij was hij een waardevol vriend, omdat hij nog steeds goeden invloed had op zijn volk en doordat hij mij kostelijke overleveringen vertelde, als ik op mijn dienstreizen dat woeste gedeelte van Zuid-Sumatra bezocht; en telkens was ik verheugd de trouwe hand te kunnen drukken. In die rustige binnenlanden gelden de overleveringen als onomstootelijke geschiedenis, en zeer zeker ontbreekt in vele de zuiver geschiedkundige kern niet, al heeft de Islam ook veel leelijke franje geweven aan de legenden van deze „heidenen”, die eerst in den laatsten tijd, ja in het begin van deze eeuw, tot den Mohammedaanschen godsdienst zijn overgegaan.Een vorige maal had de oude man mij verhaald, dat in vroegere tijden enkele kwaadaardige roovers de macht hadden zich te doen beschermen door krokodillen. Ik had hem toen verteld dit wel meer te hebben gehoord, en dat door de Minangkabauers van Midden-Sumatra aangenomen wordt, dat het landschapshoofd van Loeboek Oelang Aling, een berucht rooverhoofdman, die ten slotte door de politie moest worden afgemaakt, een volg-krokodil had, die hem overal op zijn riviertochten vergezelde. Daarop had de oude man mij[30]beloofd de volgende maal zijn kleinzoon Radoe te zullen meebrengen, op wien hij al zijn kennis zou overdragen, Radoe, die de schermkunst van een koningstijger had geleerd.„Radoe, je kunt aan dezen Hollander gerust alles vertellen. Of meneer het gelooft, weet ik niet, maar meneer schrijft graag allerlei dingen op, en hij lacht ons niet uit, ons domme menschen!”Maar nu lachte ik wel even. „Wij, domme menschen,” dit is zoo de gewone uiting van bescheidenheid, van voorzichtigheid vooral. Er zijn misschien menschen, die dit de juiste zelfschatting achten, maar niet zij, die in nauwe aanraking zijn gekomen met die oude, waardige mannen, die, zonder schoolsche wijsheid, gekomen zijn tot beschouwingen, waarin de rust van eeuwen ligt; een evenwicht, vastgelegd in de „adat”, het gewoonterecht, dat regelen stelt evengoed tot basis van familierecht en rechtspraak als tot het aangeven van goede gebruiken en vormen, en dat, met de overleveringen, als erfgoed overgaat van geslacht op geslacht, totdat … en hier spreken diezelfde oude wijze mannen, totdat al het oude door de wielen van spoortreinen en automobielen, door de voortschrijdende „beschaving”, zal overreden zijn.Ik lachte dus even, en de wijze man begreep dien glimlach en lachte vergenoegd mee.„Veel kan ik u niet vertellen, meneer,” zei Radoe. „Mijn grootvader van moederskant had vele ilmoe’s en hij leerde mij wat ik doen moest, als ik ooit een tijger zou tegen komen van een soort, zooals hij mij beschreef. Ik hoop, dat u het mij niet kwalijk zal nemen, meneer, maar ik kan u dat niet precies uitleggen, u begrijpt dat zeker wel; maar zoo’n tijger is meer een mensch dan een dier. Eens op een middag heb ik aan den rand van het bosch zoo’n tijger ontmoet. Ik ben dadelijk naar het eerste het beste huis gegaan en ik heb de menschen gevraagd mij te helpen om een offerande voor hem te maken, een „sedekah” bestaande uit rauwe eieren en kleefrijst. De Oude aanvaardde die offerande, want, juist zooals grootvader mij gezegd had, de eieren waren den volgenden dag leeg, maar de schalen waren niet gebroken. Ik wist nu, dat de tijger mij goedgezind was en dat hij mij verschillende dingen zou leeren als ik hem weer ontmoette.[31]„En zoo heb ik schermen van hem geleerd, het silat en het koentau. Ik verzeker u, dat ik alleen maar een mensch in hem kon zien als hij met mij schermde. Hij heeft het mij goed geleerd, men zegt, dat ik de beste schermer in deze landen ben, en dat is ook wel zoo; ik heb dat alles aan hem te danken.„En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt...”„Maar u moet niet denken, dat ik de eenige ben, die zoo bevriend is met een tijger. Ik heb dikwijls van menschen uit de Boven-Kampar gehoord, dat enkelen gewoon zijn zich midden tusschen de tijgers te begeven, dat zij haast doof worden van het schreeuwen en brullen van de dieren. En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt”…„U weet zeker wel,” zei nu de oude man, „dat wij Maleiers, die in de wildernis wonen, allen gelooven, dat er steeds tijgers om en in[32]onze kampoeng’s zijn, die ons geen kwaad doen als zij nog geen menscheneter zijn. Slechts enkelen, als Radoe, krijgen van vader of grootvader het geheim over, hoe zij persoonlijk aanraking met hen kunnen krijgen, en dan leeren zij allerlei knappe dingen. Anderen weer zien de dieren overdag in de kampoeng’s, tusschen de huizen, en zij geven de dieren eten. Ik zelf kan ze niet zien, maar als ik ’s nachts een tijger hoor, dan weet ik ook heel goed of het een van onze gewone tijgers is, of dat het een vreemdeling is, of een menscheneter. Wij gelooven allen, dat, wat Radoe en andere kameraden ons van tijgers vertellen, waar is. Wij zien toch ook bij het zoeken van boschprodukten, in de diepste bosschen, hoe die soort menschen bepaald beschermd worden tegen ongelukken.”Radoe knikte zijn grootvader toe, wij zwegen allen; met een kuchje brak de oude man de stilte.„Het is al avond geworden, meneer, u wilt misschien wel gaan slapen. En als u wilt, zal ik u een anderen keer vertellen, hoe de kleinzoon van Bittertong tijger werd.”Daar gingen zij, den zwart-en-zilveren maannacht in, langs het strand met de eeuwige branding.Scherp teekenden zich de elegante cocoskronen tegen den hemel af, en de harde bladnerven streken prevelend langs elkaar in den nachtwind.Van het strand klonk nog even het kuchje van den ouden man. In de kampoeng sloot knarsend de laatste deur, zacht kreunde een ontwakend kind in het donkere huis.Na dit uur is alles des menschen stil. Maar de cocosbladeren prevelen in den nachtwind, en de witte woelige strook in de donkere zee bromt, gromt, de eeuwen door.[33][Inhoud]3.De Pawang Rimba en zijn beschermerDe officier, commandant van onze kleine patrouille, had mij al eenige malen gevraagd, of ik onze gidsen wel vertrouwde. Het kwam hem voor, dat wij zoo langzaam den berg afdaalden en het wel heel lang duurde, voor wij zicht kregen op de vlakte, ons doel. Daar ergens was een bivak, waar de hoofdtroep ons wachtte en waar men zich stellig al ongerust maakte; het achtervolgen van een bende kwaadwilligen, die ons in een hinderlaag hadden gelokt, had ons meer tijd genomen dan aanvankelijk verwacht werd. Wij wilden er alles op zetten om vóór den nacht weer bij onze kameraden te zijn. Ik kon den luitenant niets anders zeggen dan dat ik gemerkt had, dat de gidsen volkomen thuis waren in deze ontzaglijke oerwouden en elk wildpad kenden, maar ook, dat wij terdege op onze hoede moesten zijn.De gidsen waren volkomen thuis in deze ontzaglijke oerwouden.Maar dit was waarlijk geen wonder. Toen wij hopeloos verdwaald waren geraakt in een labyrinth van uitlokkende, breede olifantspaden, in een bosch zonder opvallende herkenningsteekens en donker onder een zonloozen hemel, hadden wij het geluk gehad plotseling op een paar jonge Atjehers te stooten, die op den terugweg naar huis waren, torsend de door hen verzamelde boschprodukten. Na veel moeite en onder aanlokkelijke beloften, hadden wij hen overgehaald hun vrachten te laten liggen en ons het bosch uit te brengen,[34]naar de vlakte. Zij wisten niet, vanwaar wij kwamen en wat ons den vorigen dag overkomen was, maar zij moesten begrijpen, dat er dingen gebeurd waren, die hun niet aangenaam konden zijn; het was een woelige tijd daar in het woeste bovenstroomgebied van de Roode Rivier. Bovendien zouden zij er twee dagen mee verliezen.De eerste uren van onzen snellen marsch hadden zij geen woord gezegd, het kon niet anders of zij zonnen op middelen om van ons weg te komen. Om onheil te voorkomen, hadden wij hen de vlijmscherpe wapens laten afgeven, en zij waren onder bijzonder toezicht gesteld van twee onzer beste maréchaussees; die hadden het temperament en het fanatisme der Atjehers reeds verscheidene malen aan den lijve ondervonden, en zij waren wat grimmig gestemd door de dingen, die ons den vorigen dag waren overkomen.Maar tijdens een korte rust had ik wat met de gidsen gepraat, en zij wisten nu, dat ik een bestuursambtenaar was en geen militair; en mijn kennis van hun taal was juist voldoende om hen wat op hun gemak te stellen en hen ervan te overtuigen, dat wij van onzen kant tegenover hen niets kwaads in het schild voerden. En toen wij verder gingen langs het nauwelijks zichtbare boschpaadje, allen achter elkaar en ik tusschen hen beiden in, lieten zij zich langzamerhand wat meer gaan, en ik leerde van hen veel van allerlei groot wild, waarop zij gewoon waren te jagen, op hun manier. Zoo wezen zij mij, hoe ze op verschillende rhinocerospaden doodende vallen hadden gespannen, plekken, waar zij succes hadden gehad, en zij vertelden welke goede prijzen zij hadden gemaakt voor den hoorn, die voor Chineezen nog steeds groote waarde heeft als medicijn tegen verschillende kwalen.„Zie,” zeiden ze, „hier hebben wij verleden maand weken lang overnacht, wij hadden hier in den omtrek verscheiden vallen gespannen.”Wij hielden even halt. Op vier gekapte paaltjes en eenige kruishouten lag een vloertje van takken, een stellage van ’n meter boven den grond, met een dakje van pocar, die gemberachtige plant, welker lange, breede bladeren zich zoo goed hiervoor leenen.„Hadden jullie geen wanden om dit hutje?”[35]„Neen, zoo hoog is het hier niet, dat wij ’t koud hadden; u ziet trouwens hier nog de asch van het vuurtje, dat wij brandden, maar dat deden wij vooral om de muskieten weg te rooken.”In de asch stond het stempel van het Sumatraansche woud, een geweldig tijgerspoor.„Maar … kijk hier eens! Wasdezetoen ook hier in de buurt?” vroeg ik verrast.Zij keken onverschillig naar het spoor vanhem, dien men in de wildernis nimmer bij zijn naam noemt. Eindelijk zei de jongste:„O, die waren altijd om ons heen, en deze hier kennen wij heel goed”„En jullie sliepen hier? zonder omwanding en bij zoo’n klein vuurtje?!”De oudste glimlachte, beiden zwegen.„Maar zeg mij nu eens, waren jullie werkelijk niet bang?”De jongste lachte nu breed en keek mij aan.„Toean, wij waren niet bang,zijbeschermen ons immers!”„Hoe bedoel je dat?”„Wel toean, u weet dat zoo niet, maar mijn kameraad is pawang rimba, baas in het oerwoud, begrijpt u het nu? Wat zouden wij te vreezen hebben!”…„Wat vertellen ze toch van dat tijgerspoor?” vroeg de luitenant, die bezorgd gekeken had naar de inmiddels te voorschijn gekomen zon, die met tropische snelheid naar den horizont gleed. Hij was nog niet lang in Atjeh en had geen woord verstaan.„Och,” zei ik verstrooid, „zij zeiden zoo maar wat; ik vertel u dat later nog wel eens.”Ik keek nog eens goed naar de gezichten van onze kameraden-tegen-wil-en-dank; ik zag, dat zij scherp geluisterd hadden om te trachten den zin te vatten van wat die Hollanders daar tot elkaar zeiden; ik zag ook, dat zij opgelucht waren, de blik van den bestuursambtenaar bleef ernstig-verrast, de officier lachte niet.Toen zij ons bij het vallen van den avond aan den boschrand hadden[36]gebracht, waren zij zichtbaar blij, dat de dag voorbij was en dat de gedane belofte werd ingelost.Mij speet het de lenige, sterke lichamen in het bosch te zien verdwijnen, waar zij zich onmiddellijk oplosten in het snel vallende duister; voor ons een zwart mysterie met wondere geluiden, voor hen een veilig tehuis.Ornament met toekan.[37][Inhoud]V.BENO, DE STUWVLOEDDe gouverneur van de Oostkust van Sumatra had ditmaal zijn reis naar de Kampar-rivier zoo geregeld, dat hij den benô zou kunnen zien, den stuwvloed, welke deze rivier ongeschikt maakt voor geregeld bootverkeer.Het woord „stuwvloed” geeft beter dan „vloedgolf” aan, wat men te zeggen heeft. Er is geen beter woord om een denkbeeld te geven van het brok water, dat, op twee of drie achtereenvolgende dagen, telkens bij volle en bij nieuwe maan, door den vloed uit zee wordt opgestuwd, en dat op verschillende punten in dehonderdenmeters breede rivier soms een hoogte heeft van drie meter en meer, waar het met een snelheid van tien tot dertig kilometer per uur de bedding wordt binnen geschoven. Dat ontzaglijke brok water heeft een aaneengesloten front, een kokenden, brullenden muur. Het is, of een nieuwe rivier, van enkele meters hoogeren waterstand, heenschiet over de bestaande, die door de eb is leeg gezogen; en niet geleidelijk, maar inééns, zonder overgang. Een geweldigebandjir, maar in averechtsche richting.Verschillende rivieren ter wereld vertoonen een verschijnsel, dat in meer of mindere mate met den beno overeenkomt. In Nederlandsch-Indië zijn het alleen de Kampar- en de Rokan-rivier, welke beide in de Straat van Malaka uitmonden, waar de beno heerscht. Op de Rokan is hij nimmer zoo hoog en zoo gevaarlijk als op de Kampar; doch[38]men kan zich een begrip vormen van de massa water, welke bij vloed de kilometers-breede monden inschuift, wanneer men bij laag water de hoogte ziet van den „boom”, de steiger van het Chineezen-centrum Bagan Si Api-Api, de tweede visschersplaats ter wereld, aan den Rokan-mond.Er zijn maar enkele Europeanen, die hier dit overweldigend natuurwonder gezien hebben, omdat deze afgelegen streken zeer weinig worden bezocht. Beide rivieren stroomen in haar benedenloop door de lage landen van Sumatra’s oostkust, welke hier niet de belangstelling hebben van het kapitaal; de bodem is niet vruchtbaar genoeg voor den grooten landbouw, en hier en daar strekken zich moerassen uit, ontstaan door overstroomingen of wanneer de machtige rivieren haar bedding verlegden.Er zijn dan ook slechts sporadisch kleine nederzettingen der inheemsche bevolking. De Hindoe’s hebben, misschien tien eeuwen geleden, op enkele hoogere plekken aan de oevers hun rustpunten gebouwd, waarvan nog resten van gebakken steenen zijn overgebleven, maar talrijk zal de bevolking er wel nooit geweest zijn.Voor de beide Sumatra-rivieren zal het ontstaan van den beno samen hangen met de vernauwing van de Straat van Malaka, veroorzaakt door de eilandenreeks ten oosten van midden- en zuid-Sumatra. Of, om het geologisch zuiver te zeggen: die eilanden zijn het overblijfsel van den band, welke Sumatra aan Malaka, aan het vasteland van Azië, heeft verbonden. Toen na den ijstijd het smeltwater aan de polen en in de gletschergebieden vrij kwam, grepen groote veranderingen plaats in den Indonesischen archipel. Eerst namen de Philippijnen afscheid van Borneo, en Bali van Java; daarna werd de band verbroken tusschen Java en Sumatra, en eindelijk maakten Borneo en Sumatra zich van elkaar los. Nu waren alleen Sumatra en Malaka nog aan elkaar verbonden, en ook het lage deel van deze verbinding dompelde ten slotte onder. Zoo ontstond de sleuf tusschen het vasteland van Azië en Sumatra, de wereldstraat van Malaka. Hoe lang het geleden is, dat deze laatste scheiding tot stand kwam, zal wel onbekend blijven. De geoloog zal het niet kunnen aanvaarden, doch op[39]grond van gegevens in 163 A.D. door Ptolemaeus vastgelegd, beschouwd in verband met ethnologische aanwijzingen, is er plaats voor de veronderstelling, dat in het begin van onze jaartelling nog een smalle, lage landengte bestond tusschen Malaka en een gedeelte van Sumatra ten zuiden van de Rokan-monding.Hoe het ook zij, er is hier een drempel in de Straat, het hoogere deel der oude verbinding, welke van invloed moet zijn op de wijze, waarop het bij vloed opkomende water juist de twee breede monden van Kampar en Rokan binnen schuift.Aan deskundigen de beoordeling, ook omtrent de juiste oorzaak van de werking van den beno op de rivieren. Er zijn verschillende theorieën over, maar een wonder blijft het voor een ieder, wien het gegeven is het oogenblik te doorleven, waarop het kokende waterfront bulderend voorbij schuift, verder, steeds verder de breede rivier op.Men had voor den bestuurder dezer gewesten een plek aan den linkeroever uitgezocht, vanwaar hij het schouwspel in de grootste kracht en van nabij zou kunnen zien. Benedenstrooms lag een zacht krommende rivierbocht met iets hoogeren rand, welke bij elken beno werd afgebrokkeld; was deze bocht gepasseerd, dan ging de stuwvloed met groote snelheid een recht rivierstuk op, en hier vertoonde de beno zich op zijn best.Het was midden December, de moesson-regens hadden de rivier rijk gemaakt, en het was springvloed, twee factoren welke een hoogen stuwvloed deden verwachten. In dezen tijd van het jaar ging vrijwel geen dag voorbij zonder regen, daarom hadden rappe handen aan den oever een eenvoudig hutje gemaakt, een afdak van bladeren boven enkele banken van twijgen en takken, waarop de gouverneur, de plaatselijk besturend ambtenaar en eenige hoofden der bevolking zich in afwachting van de komende dingen hadden neergezet. Ook de oude Kampar-loods was met hen. Hij had den vorigen avond het Gouvernements-vaartuig „Diana”, waarmee de gouverneur de reizen in deze streken maakte, veilig ten anker gebracht achter het eiland Ketam, waar de beno nimmer gevaarlijk is; en in den vroegen[40]morgen was het gezelschap in een lichte prauw stroomop geroeid.Het was tien uur. De rivier, welke op deze plek meer dan drie honderd meter breed is, stroomde rustig langs den tien voet hoogen, steilen oeverrand. Het was nog eb, eerst over een uur werd de beno verwacht. Loodkleurig onder den zwaar betrokken hemel strekte het stille watervlak zich uit, dat men, van dit punt uit, kilometers ver naar boven- en naar benedenstrooms kan overzien.„Is dit nu de plek, waar de beno voor de vaart het gevaarlijkst is?” vroeg de gouverneur.„Neen, meneer,” antwoordde de loods, „het gevaarlijkste punt is bij Tandjoeng Poelai. De beno loopt den Kamparmond in van drie kanten, tusschen de zandbanken door, en vormt zich bij Ketam; daar is hij al merkbaar, maar niet gevaarlijk. Dan begint hij te zwellen en wordt al sterker en sneller; en op den drempel bij Poelai is hij het hoogst, wel tien voet en meer; daar spookt hij geweldig; maar ik heb u daar niet gebracht, omdat men daar niet zoo ver naar alle kanten kan zien en omdat er geen veilige plek aan den kant is als hier, waar wij nu zijn; hier komt hij ook wel eens drie meter hoog, maar heel zelden.”„En waar is de „Madjoe” vergaan, en hoe kwam dat?”„Dat gebeurde twaalf jaar geleden bij Tandjoeng Niboeng. Het was een kleine stoomboot, de bemanning wist niets van de kracht en de werking van den beno af en dacht het wel klaar te zullen spelen. Ze ging rechtop staan, sloeg om en liep dadelijk vol zand, alles was in één oogenblik vernield. De „Madjoe” spookt nog wel eens, maar bij Poelau Lawan, en de heele kampoeng loopt dan uit om het te zien.”„En wat ziet men dan?”De loods keek eens langs de rij hoofden en gaf een hunner een teeken om op de vraag te antwoorden.Een oud, waardig man kuchte even, dat is zoo de gewoonte. Met spanning keken alle anderen naar hem. Dit was een man, die veel wist te vertellen.„Niet iedereen kan dat zien, meneer, daar moet men de ilmoe voor hebben, er zijn maar enkelen, wien dat gegeven is; zij zien de „Madjoe”[41]midden in de rivier. Bij Tandjoeng Semajang is ’t heel anders, dat heb ik zelf gezien.”„Wat hebt ge daar gezien?”De oude man kuchte nog eens. „Ja, meneer, ik zal ’t u vertellen, maar ik weet niet, of u ’t gelooft. Wij menschen aan de rivier zien die dingen, en onze voorvaderen hebben ’t ook gezien. Bij Tandjoeng Semajang, dat vroeger Si Bajang-Bajang heette, woonde heel vroeger een vrouw van den stam Singô Bônô. Wij noemen den beno hierbônô, of hij naar den stamnaam genoemd is, weten wij niet, maar men zegt, dat er toen nog geen beno was. Die vrouw had bovenaardsche macht, en dikwijls kwamen menschen in haar huisje aan den rivierkant om raad te vragen als er thuis zieken waren. Toen zij heel oud was geworden en niet goed meer loopen kon, zei ze op ’n dag tegen de menschen, die haar kwamen bezoeken, dat zij alleen wilde zijn om te bidden. Al die menschen hebben toen gezien, dat ’t huisje èn de oude vrouw plotseling verdwenen waren. Bij die plek is nu een kramat, een heilige plek waar men geloften doet. En als de beno op komt zetten, ziet men van daar, op de rivier, maar heel ver en in een mist, een schip met volle zeilen, of een prauw, die geroeid wordt met veel riemen, maar menschen ziet men nooit. Dikwijls zien wij die boot, ikzelf heb het ook gezien. En wij vinden het prettig als iemand de spookboot ziet, dat brengt geluk over de heele streek.”Het was of de rivier te luisteren lag, zoo sloom, al langzamer, bewoog zij zich.„Hoe lang zou dit al geleden zijn?”„Dat weten wij niet; ’t was in den tijd, dat Toek Engok leefde. Die had ook bovenaardsche macht, hij kon elk willekeurig stuk hout gebruiken om er de rivier mee over te drijven, zelfs in den sterksten stroom. Soms bleef hij wel ’n week achter zijn klamboe. Een nieuwsgierige vrouw gluurde eens in de klamboe en zag, dat Toek Engok niet op zijn slaapplaats lag. Toen hij na eenige dagen uit de klamboe kwam, bekende de vrouw wat zij gedaan en gezien had; en nu vertelde de oude man, dat hij met een djin-vrouw getrouwd was en telkens naar haar toe ging. Hij had kinderen bij die vrouw, ook een zoon,[42]die Radja Alam heette, maar niemand heeft ooit die vrouw en de kinderen gezien,”Al donkerder werd de lucht. Alleen ver benedenstrooms streepte een zandbank fel wit in een zonnestraal. In een boom aan den oever had een groote, grauwgroene vliegenvanger een dooden tak uitgekozen als station voor zijn cirkelvluchtjes. Even loerde hij, dan schoot hij weg, hapte met duidelijk hoorbaar snappen van den snavel een argeloos insect beet, en keerde in een sierlijke bocht terug op precies hetzelfde plekje op zijn tak. En telkens weer cirkelde hij rond en steeds weer knapte de vangende snavel; het was al een kwartierlang het eenige geluid geweest buiten het hutje, waar de mannen stil luisterden naar de oude verhalen.Toen het elf uur was, verdween de vliegenvanger; nu was alles stil, de natuur wachtte. Maar een kwartier later joeg een wilde windstoot door het bosch achter het hutje, en even later ratelde een hagelbui op het bladerendakje. Nog scheen de zon op de witte zandbank in de verte, en ze begon nu ook aan den overkant der rivier te schijnen, de looden hemel had zich ontlast en tusschen zware wolken grijsden lichtere vlekken. De rivier bleef donker, maar de wilde wind schoor over het water en bracht er schichtige schuimvlokken.Twintig minuten vóór twaalf brak plotseling de zon breed door, en nu werd, misschien twee kilometer benedenstrooms, een witte streep dwars over de rivier zichtbaar.„Dáár is-ie!” riepen de mannen, „hoort u dat bruisen, meneer?”Nu hij zichtbaar was, hoorde men ook een zacht geruisch over het water komen. De rivier lag nu doodstil, de menschen zwegen. Snel aangroeiend kwam het bruisend geluid de rivier op en breeder werd de streep. Het was, of een raderboot zich de Kampar opwerkte. Nu brak de witte streep op de daareven verlichte zandbank, en duidelijk waren wild klotsende golven te zien, die hier en daar over de bank sprongen, alsof daar groote dieren renden, opsprongen en weer neerploften. Dan stak een sissende waterdam over naar de flauwe bocht, de hooge wal verdween voor een groot deel en doffe, dreunende schoten klonken, groote brokken van den steilen oever ploften in de kokende branding.[43]De zon bescheen nu de rivier helder, en duidelijk was te zien, hoe het waterfront zich opstelde voor het rechte rivierstuk, dat nu vermeesterd moest worden. In één rechte lijn kwam de schuimende, razende dam opzetten, verrassend snel nu, als een donderende artillerie-charge, maar paard aan paard, nek aan nek, één aaneengesloten front; hier en daar steigerden woeste golven, als wilde paarden. In grommend gebrul stortte de twee meter hooge, kokende vloed zich op het doodstille water, aan den oever spoten moddergolven op, enkele boomen werden van den oever meegesleurd.De grond trilde, de huiverende mannen deden onwillekeurig eenige stappen achteruit, en vóór men het goed besefte, stoof het brullend geweld voorbij; de rivier was plotseling twee meter hooger geworden en er kookte een bruin brouwsel, waar stammen en takken en brokken drijfhout draaiden en wentelden en rechtop gingen staan en weer neer smakten, fel bewogen door geweldige kolken, die elkaar bevochten. In één moment was alles voorbij, ziedend, brullend, en de mannen juichten en brulden mee, met koude ruggegraat …„Hebt u de paarden goed gezien, meneer?” vroeg het oude volkshoofd opgewonden.„Bedoelt ge die springende koppen?”„Ja, die noemen wij de paarden. Men zegt, dat er vroeger zeven wilde paarden waren, die den beno de rivier op trokken. Een opperhoofd van den stam Singo Bono, een groot „gagah” man, heeft er één uit geschoten, en toen is de beno vier malen weg gebleven. Hij is zwaar ziek geworden en heeft nimmer meer kunnen loopen; het is niet goed, zulke dingen te doen, wij menschen moeten voorzichtig zijn”…Dien namiddag vertrok de gouverneur per „Diana” naar Médan, en in den laten avond zat hij in een makkelijken rotan-stoel op het bovendekje van het schip, en dacht terug aan het wonderlijk gebeuren van dien dag.De volle maan spiegelde zich in het rimpelloos water van een der zeestraten in de groep der Bengkalis-eilanden, waar de „Diana”[44]zacht door heen gleed. In den inktzwarten rand van het vloedbosch, tusschen den maannacht en het water, tjirpten de krekels. In enkele struiken aan den kant dansten duizende vuurvliegjes en zij maakten van de struiken rijk bekaarste kerstboompjes, maar de vlammetjes waren zwak fosforiseerende lichtjes, één seconde schenen zij en doofden dan alle even lang weer uit, als op commando, onwezenlijk, spookachtig in den zachten nevel van fosforglans.Was het mogelijk, dat die spokendans van insecten gehoorzaamde aan een regelende macht? Vaste wetten heerschten ook hier, ongetwijfeld, even goed als ginds op die nu weer zoo stille, daareven kokende, ziedende rivier.Een zachte kuch klonk op de trap naar het dekje. De oude loods van de Kampar had verlof gekregen mee te gaan naarMédan, daar woonde een getrouwde dochter, hij had zijn jongste kleinkind nog niet gezien. Zwijgend zette hij zich neer, met den rug tegen de railing. Voelde hij, waarom die eenzame man nog niet tot slapen kon komen in den wonderen maannacht? en dat die man—mensch als hij—behoefte had om nog eens met hem te spreken over het saam doorleefde?„Ik ben blij, dat gij ook nog niet slaapt, loods; gij hebt den beno al zoo dikwijls gezien, maar ik had iets dergelijks nog niet meegemaakt. En nog telkens denk ik aan de verhalen, welke gijlieden mij verteld hebt.”„Ja, meneer, ik heb gezien, hoc u naar ons luisterde; dat doet ons goed, wij zijn gehecht aan die overleveringen. Maar niemand heeft u durven vertellen, wat volgens onze voorvaderen de eigenlijke oorsprong moet zijn van den beno. Het is een vreemd verhaal, en onze godsdienst verbiedt ons aan zulke dingen te gelooven. Maar al waren onze voorvaderen nog niet „orang islam”, zij wisten veel. En al schamen velen zich er openlijk aan te gelooven, in ons hart … Ik zal u het verhaal vertellen.„In oude, oude tijden leefde in het midden-stroomgebied van de Kampar een groot opperhoofd, die een beeldschoone dochter had Men zegt, dat zij wonderlijk geschapen was, haar boezem was half[45]vrouwelijk, half als van ’n man. Maar ze was zóó mooi, dat alle mannen gek op haar waren. Zij trok zich daar niets van aan, ze wilde niets van haar aanbidders weten, en dit gaf het opperhoofd veel zorg. Hij was verbaasd te zien, dat het meisje blijkbaar maar één vriend op de wereld had, haar hond. Maar de vader wist niet, dat die hond de man van zijn dochter was; hij wist dit eerst, toen zij hem kwam bekennen, dat zij spoedig moeder zou zijn … en toen zeven kinderen werden geboren, bleken ze allen hondjes te zijn. Doodbeschaamd gooide het opperhoofd alle hondjes in de rivier, om elk spoor van deze vreeselijke schande te doen verdwijnen.Langs de volle maan, stippelden zich enkele kalong’s af.„Maar ziet! de vloed uit zee, die tot aan het land van het groote opperhoofd aan de oevers merkbaar was, begon zich langzamerhand te rimpelen, de rimpels werden kabbelingen, de kabbelingen groeiden tot golfjes, en zóó werd de beweging in het water al sterker en sterker. Eerst was het ruischen, toen grommen en brullen, en eindelijk was de beno volgroeid. En nu zag men hier en daar, midden in den bruisenden dam, zeven koppen, die de leiding hadden. Dit waren de volwassen geworden honden, die hun moeder zochten. En tot nu toe komen zij telkens weer uit zee, waar zij wonen, en ze rijden op den vloed de Kampar op; en zij springen en grommen, en vernielen alles war zij tegen komen. In woeste vaart razen zij voort, schouder aan schouder; maar telkens weer raken zij eindelijk uitgeput, en zij zakken maar weer af naar zee, waar zij wonen, en den volgenden keer en nog eens, en nòg eens, probeeren zij het weer, maar nimmer vinden zij hun moeder.„Zoo moet de beno ontstaan zijn, dat is van geslacht op geslacht[46]op ons overgegaan. Ik weet niet, of het eigenlijk wel mogelijk is, maar onze voorvaderen wisten zooveel, dat wij nu niet meer begrijpen.”De loods zweeg en keek op naar den stillen man in zijn stoel. Hij zag hem opstaan en naar de railing loopen, waar hij stil bleef turen in den nacht van zilver en zwart. Hoog in de lucht, juist langs de volle maan, stippelden zich enkele kalong’s af, die reusachtige vleermuizen, die ’s avonds met loggen, loomen vleugelslag het oneindige ingaan, met een doel, dat men slechts gissen kan. Nu waren zij misschien op weg naar rijpe boomvruchten ergens op een eiland, dat twintig kilometer uit de kust lag. En ’s morgens zouden zij weer den terugweg aanvaarden, naar de kaal vernielde boomen, waar zij bij honderden hun kolonies hebben. Heen en weer, op en neer, de eeuwen door; als de razende beno en als de dansende vuurvliegjes.Ornament met vleermuis.[47]

SCHEMERING[2]En God noemde hem: Ali Mohammad (blz. 4)En God noemde hem: Ali Mohammad (blz. 4)[3][Inhoud]I.HET OUDSTE WEZEN OP AARDE, EN DE MENSCHPermandjika Allah1tikte een stofje van achter het oor … zóó ontstond de eerste vaste stof in het heelal. Het werd grooter en grooter, en toen het acht vadem in het vierkant mat, zette God zich er op neer.Toen God nu naar beneden zag, ontstond de aarde, en toen Hij opkeek naar boven, strekte zich daar de groote hemel uit. En bij het zien naar links en naar rechts werd de zee geschapen, door blazen de wind.Naast God waren de aartsengelen Israpel, Mikaïl en Djabraïl, en de vijfde was Alahtaälah, Onze Lieve Heer.Toen sprak God: „Laat ons nu Adam scheppen!”En er werd klei gehaald van Modjopahit, en Onze Lieve Heer en de aartsengelen kneedden het, om Adam te vormen.Maar God zag, dat het schepselvierbeenen had, en Hij sprak: „Dit is Adam nog niet”, en de goddelijke adem blies het schepsel naar de aarde en het was daar De Oudste, Setoewò, de Tijger.Nu werd nieuwe klei van Modjopahit gehaald, maar de engelen vormden er schepsels uit van negen, acht en zeven vadem lang, en zij werden tot goddelijke wezens: de Déwa Parali, negen in aantal, en de acht Déwata’s en de zeven Déwa’s, maar Adam was nòg niet gelukt.Toen maakte Onze Lieve Heer een schepsel met vier pooten en[4]een langen staart. Maar God, die wist hoe Adam zijn moest, noemde dit wezen Alilias en liet het in zee vallen, den Krokodil.Nog eens liet God probeeren Adam te scheppen, maar het nieuwe schepsel was groot en had vier zware pooten … God liet hem neer op aarde: Aliliman, den Olifant.Toen liet God den aartsengel Djabraïl zich spiegelen in het stille water van een diepe rivierbocht, en naar het beeld, dat het water weergaf, werd Adam gevormd, en God noemde hem: Ali Mohammad.Nu gaf God een menschenziel aan Onzen Lieven Heer, liet hem die goed in de gesloten hand houden om haar aan Adam te brengen en hem die ziel in te blazen.Tot vier malen opende Onze Lieve Heer onderweg de hand, eerst de vijfde maal kreeg Adam zijn ziel.Toen sprak God: „Gij hebt vier malen uit uw hand laten vallen, wat ik u gegeven had. Gaat heen en ziet, wat daaruit geworden is!”En nu zag Onze Lieve Heer, dat op de plek, waar hij de eerste maal zijn hand had geopend,pisang’s(bananen) waren opgeschoten; op de plaats, waar het voor de tweede maal was gebeurd, groeidekladi(eetbare colocasia);maiszag hij op de derde plek, enrijstwas het laatste der gewassen, welke, door de wijsheid en goedertierenheid van God, aan den mensch waren vooraf gegaan om hem te voeden.Ornament met vleermuis.[5]1Permandjika Allah, een verbastering van het Arabischfirman Allahhet goddelijk woord. De gegeven overlevering uit Manna, in de residentie Bengkoelen, is een kostelijk voorbeeld van de vermenging van mohammedaansche, uitheemsche en daardoor onbegrepene zaken, en de bekoorlijke zielsuitingen van den „heiden” met zijn terugblik naar den Hindoe-Javaanschen tijd (de klei van Modjopahit!), met zijn goden en zijn Natuur. Merkwaardig is de verheffing van die wilde dieren, voor welke de Maleiers het meeste ontzag hebben, tot „ouderen” van den mensch.↑[Inhoud]II.VAN MENSCH TOT TIJGERAls in den gloeienden middag in de dorpen de honden niet meer blaffen en de menschen te loom zijn om te praten, als de boomen onbegrijpelijk roerloos staan in de drukkende stilte, als alleen de rosse kiekendief tegen het strakke blauw in cirkels rondglijdt en zijn akeligen schreeuw doet hooren, dan trillen de hittegolven boven de doodstille alang-alang velden, waar geen levend wezen meer beweegt.Maar soms ziet men in dat stovende, stil wachtende, hooge gras één enkelen scherpen spriet in wonderlijke trilling; als een degenkling, die, zuiver verticaal, snel heen en terug wordt gedrild.Wankelbaar aangezet … zegt de nuchtere westerling; in het bosch ziet men bij schijnbaar volslagen windstilte dikwijls één enkel groot blad doelloos heen en weer zwaaien, met onverklaarbare kracht, en lang achtereen.Maar de nakomelingen van Bittertong in Zuid-Sumatra, zij, die de oude overleveringen van den stam kennen, weten het wel beter wat dien spriet doet trillen, en zij gedenken den grooten voorvader en zijn bovenaardsche macht.Seroenting was zijn naam; Padang Langgar in Pasemah Lébar, in de bovenlanden van Palèmbang, was zijn dorp. Hij had vader noch moeder, en ieder wist dat hijsaktiwas, begaafd met bovenaardsche macht.[6]Hij was gehuwd met Poetri Bidadari, een zuster van Arija Tebing, ook een machtig man in Pasemah.De zwagers hadden hun ladang’s in het oerwoud uitgekapt, naast elkaar, slechts een gevelde boomstam vormde de grens. Maar aan de zijde van het rijstveld van den arija werd de schors van dien boomstam goud, terwijl aan Seroenting’s kant slechts zwammen en paddestoelen opschoten. En al draaide hij ’s nachts den stam wel eens om, steeds was het goud voor den zwager, de zwammen voor hem.Dit werd den sterken man te machtig en hij schraapte het goud van den anderen kant naar zich toe. Maar nu vielen harde woorden, en het eind was een strijd op leven en dood tusschen de zwagers met hun aanhangers.Daar zij even „sakti” waren, kwam het niet tot een beslissing. Het was echter den arija opgevallen, dat, wanneer hij in het gevecht zijn zwager uitdagend iets toeriep, diens stem telkens uit een andere richting antwoordde. Tebing vond het raadzaam den strijd op te schorten, tot hij achter het geheim van zijn zwager zoude zijn, en hij wist zijn zuster over te halen om dat geheim aan haar man te ontfutselen.Op een warmen dag, toen Seroenting van een bad in de rivier thuis kwam, stelde zij hem voor zijn lang haar eens te reinigen.1De zachte handen van zijn vrouw maakten zijn hersens doezelig … en toen zij dat merkte, weefde zij haar net om den niet meer waakschen man te vangen.Den volgenden dag kon zij haar broeder zeggen, dat Seroenting de macht had zijn ziel te verbergen in een alang-alang blad. „Kijk maar eens rond,” had hij gezegd, „als er één spriet staat te drillen, dáár heb ik mijn ziel verborgen; niemand weet dat, en daarom kan men mij niet dooden. Men moest eens weten, dat men mij dan toch kan kwetsen door het blad te speren met een steel van de bamban!”2Dadelijk heropende nu Arija Tebing de vijandelijkheden; al spoedig had hij de gelegenheid een drillend alang-alang blad met een Donax-steel te spietsen … de strijdenden zagen Seroenting plotseling voorover vallen, met een zware wond aan het been, en uit het geknakte blad lekte een druppel bloed.[7]Seroenting had den strijd verloren. En uit den druppel bloed werd de eerste Kreupele Tijger geboren; zijn nakomelingen wonen op de hellingen van den vulkaan Dempo, en zij zijn voor anderen dan Seroenting’s afstammelingen de meest gevreesde dieren in Sumatra’s oerwouden.Seroenting was zóó onder den indruk van het gepleegde verraad, dat hij besloot in zee den dood te zoeken. Hij bakte van klei een groote martavaan, zette zich daarin neer en liet zich de rivier afzakken. Maar een bandjir joeg de tempajan door de branding en zette Seroenting op een eiland. Daar woonde een oud man, die van Modjopahit kwam. Seroenting vertelde hem alles, en vroeg hem hulp om zich te kunnen wreken.„Doe je mond eens open … dit is mijn hulp,” zeide de oude man en spuwde hem in den open mond.En toen Seroenting verbaasd zeide, dat deze hulp weinig zou baten, liet de grijsaard hem de oogen sluiten, en toen hij ze weder opende, was de oude verdwenen, en hij zag, dat hij terug was in zijn eigen woning, zijn vrouw was van wroeging gestorven.Men stroomde samen om zich van dit wonder te overtuigen. Er moest nu feest worden gevierd, en Seroenting liet zijn zuster vlug rijst wasschen aan de rivier. Maar toen zij wat lang weg bleef en hij gekscherend zeide: „zij zal versteend zijn!”… ziet, daar vond men op de Padang Pandjamoeran het meisje als een steenen beeld terug.Seroenting Sakti en de aanwezigen begrepen nu plotseling, dat hij de vreeselijke macht had gekregen om menschen tot steen te kunnen vervloeken, dat zijn tong (lidah) scherp en bitter (pahit) was; Pahit Lidah (Bittertong) werd nu zijn titel.3Arija Tebing vluchtte met al zijn volgelingen naar het westen, naar de woeste wouden van den Barisan-keten. Bij den Gebroken Berg (Boekit Patah), tusschen Pasemah Lébar en de marga Kelam, haalde Bittertong zijn zwager en de zijnen in, maar zij verscholen zich goed, zoodat Bittertong hen niet vinden kon. Toen riep hij uit: „Verdwijn dan maar voor goed en wordt steen, of allerlei ziekten!”„Goed,” antwoordde Arija Tebing, „wij zullen als veroorzakers[8]van ziekten hier op den Gebroken Berg blijven wonen, en als je kinderen en kindskinderen hier passeeren, vermoorden wij hen”…Kleine, groene vogeltjes (boeroeng idjong), die nergens anders voorkomen, bewaken nog steeds den bergpas, en wee! den afstammeling van Seroenting, die hun scherpe snaveltjes durft te trotseeren, het stille oerwoud laat hem niet weer los.Poetri Bidadari had Seroenting een zoon geschonken, Semidang Sakti genaamd, en deze is de stamvader geworden van den grooten stam Semidang, die zich ten westen van den Gebroken Berg, aan de westkust van Zuid-Sumatra, gevestigd en ontwikkeld heeft.Een van de centra van dien stam is het land om de woeste Padang Goetji-rivier, welke haar graniet-rolsteenen tot speelgoed geeft aan de eeuwige branding, die ze ronder en kleiner rolt, en ze eindelijk mijlen ver langs de kust opstapelt.Eeuwen geleden trok een troepje menschen langs den bovenloop van de Padang Goetji-rivier door de nog nooit door menschenvoet betreden oerwouden, het ongestoord domein van olifant, neushoorn en tapir.Sangga Roedjoengan, een kleinzoon van Bittertong, zocht met de zijnen naar goeden, vlakken grond langs de rivier, waar men ladang’s zou kunnen aanleggen. De breede paden der olifanten maakten het zoeken gemakkelijk, de eerste hutten werden aan den waterkant opgezet, en al spoedig kwamen ook anderen uit het oorsprongsland den voortrekker achterna.Briang noemden zij de plaats, waar zij hun rijstvelden uit het zware bosch kapten, elk jaar werden weer nieuwe ladang’s aangelegd, en aan den boschrand leefde men gelukkig. Wel begonnen varkens hen al spoedig te plagen, en de apen leerden, dat hier wat te halen viel; ook kregen de kolonisten geregeld bezoek van kudden olifanten, die slechts met de grootste moeite werden verjaagd nadat zij geheele velden rijst hadden afgegraasd en vertrapt. Maar toch was de padi-opbrengst meer dan voldoende, en de gevreesde pokken, de ziekte,[9]die zoovele stammen teisterde vóór de Hollanders haar bestreden, scheen hier niet te zullen komen in dit gezegend oord.In de eerste jaren was op de verlaten velden al spoedig weer nieuw bosch opgeschoten; maar toen het veestapeltje zich uitbreidde, gaven de koeien het bosch weinig gelegenheid zich te herstellen, en waar de rijst gestaan had, schoot welig de onuitroeibare op, de alang-alang. Zij strekte het vee tot voedsel, en werd ze te oud en te hard, zoodat de runderen het scherpe gras niet meer lustten, vermengd als het bovendien raakte met dood, vergaan blad, dan werd in den drogen tijd de brand erin gestoken. Bijna alle uitloopers en alle opslag van loofhout gingen in de knetterende vlammenzee verloren, ook alle nesten van wilde kippen, van kwartels enleeuweriken; maar op den zwarten grond kwamen al na enkele dagen de scherpe, heldergroene sprietjes van de onuitroeibare op, en het was smullen voor het vee. Ook herten en reeën kwamen nu, in schichtig oorenspel, den boschrand uit, likten de zilte asch van den grond en graasden de sprieten af … om dikwijls een prooi van den loerenden mensch te worden, die hen wild opjoeg naar de in lange rij opgestelde, taaie rotan-strikken.Zoo ging het jaar na jaar. Maar niet alle oude alang-alang werd het vuur tot prooi. Groote hoeveelheden toch werden door de kolonisten gesneden, om, tot bossen gebonden, te dienen als dakbedekking der woningen.Op een gloeiend heeten dag stond Sangga Roedjoengan alang-alang te snijden aan den versten boschrand. Het was reeds lang het uur, dat zijn vrouw hem als gewoonlijk nasi (gekookte rijst) moest brengen, waarom bleef zij vandaag zoo lang weg? Het kon niet, dat zij het vergeten zou hebben … en hoe onuitstaanbaar boorde toch vandaag de zon tot in zijn hersens, hij hield het haast niet uit; juist nu, dat hij ook zoo’n onbegrijpelijken dorst had; stellig had zijn vrouw een bamboekoker water bij zich …Nevels trokken voor zijn oogen, waar bleef toch zijn vrouw, het was om gek te worden!Thuis huilde het jongste kind zóó klagelijk, dat moeder voor de eerste maal het oudste meisje maar naar vader zond. Zij was zoo flink[10]al, en midden in de grootste daghitte zou ze wel geen nijdige varkens of andere dieren ontmoeten. Het kind zette de mand nasi op het hoofd en ging op weg, en toen de bakoel zwaar werd en de nek moe, bracht zij de handjes aan de slapen, de ellebogen wijd uitgezet, dat gaf ’t hoofd steun.In de doodstille alang-alang, in de trillende hittegolven, kreunde de vader van dorst en honger, en wilde gedachten maakten hem tot een ander wezen. Zie! wat kwam daar het pad af?… dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert? Vleesch om te eten, bloed om te drinken! Hij kroop neer in het hooge gras, en in één sprong bemachtigde hij het wezen en verslond het rauw om den inwendigen brand te stillen …Maar toen hij lange haren in den mond voelde, kwam hij tot bezinning en vroeg zich af, wat er toch met hem gebeurd was. Hij snelde naar huis, en toen hij daar hoorde, dat zijn kind met het eten gestuurd was, rende hij terug naar de alang-alang en zag daar, naast overblijfselen van een lichaam, een paar armbandjes, welke hij maar al te goed herkende.Sangga Roedjoengan begreep en voelde, dat hijanderswas geworden; een wilde lust trok hem naar het diepe, koele woud, weg uit dit licht, weg van de menschen. Maar hij had nog de kracht om naar zijn vrouw te gaan en haar te zeggen, dat hij een verschrikkelijke vergissing had begaan …„Houd mij niet tegen, ik ben niet meer een mensch als vroeger, ik moet weg, het bosch in. Je zult mij nimmer als mensch terug zien, maar ik ben niet voor je verloren: als jij of de kinderen, en alle onze nakomelingen, soesah hebben, zoek mij dan op „di Padang Soedoet”, aan den rand van het oerwoud. Maak dan een sanggal, een offer van vier rauwe kippeneieren en „padi dirandang”,4en leg de eieren tusschen lamang5. Maar, vrouw, zeg aan de kinderen, dat zij, noch iemand van onzen stam ooit meer een bakoel op het hoofd mogen dragen, en nimmer met de handen aan de slapen mogen loopen. Ik[12]voel, dat ik De Oude, Setoewo6zal worden, en zooals ik nu een witten lendendoek draag, zoo zal ik aan een witten band kenbaar zijn”… en mèt was hij verdwenen.Het is eerst tien jaar geleden, dat de menschen van Briang gebrek kregen aan grond en weg moesten trekken uit het oude land. Amaloedin, de lamme, was de laatste, die den tijger geworden voorvader met een sanggal aan den boschrand opriep, wanneer men soesah had in den stam; hij is nu zes jaar dood, en niemand weet meer precies, hoe Amaloedin voeling hield met den voorvader.Zie! wat kwam daar het pad af?... dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert?Zie! wat kwam daar het pad af?… dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert?Maar wie van den stam herinnert zich niet, hoe de groote koningstijger met den witten buik zich dikwijls vertoonde bij feesten, en hoe hij rustig bij een der vreugdevuurtjes zich uitstrekte en meemaakte de vreugde van zijn vele nakomelingen! Hoe weten velen zich te herinneren, dat zij als kleine jongen naar het dier gooiden, en hoe doodelijk verschrikt zij waren, als hij hen dan aanviel, al deed hij hen geen kwaad. En zij, die, tegen het adat-verbod in, pisang brachten naar een feest, moesten tot straf ondergaan, dat de tijger hen dreigend bij de hand greep, zonder echter door te bijten.Al is de band nu verbroken, de laatsten, die in Briang gewoond hebben, zouden niet den moed hebben een mandje op het hoofd te dragen, en voor den geheelen stam van Semidang geldt nog het heilig verbod om onder het loopen de handen aan de slapen te brengen, omdat dit het vreeselijk onheil gebracht heeft over den kleinzoon van Bittertong.Ornament met cicade.[13]1Dit haar-toilet, in het bijzonder onder vrouwen, is in het gezinsleven een uiting van hartelijkheid. Men ziet in de binnenlanden dikwijls een aaneengesloten rijtje van vrouwen en meisjes in de voorgalerij van een huis, op de bermen van den weg of in hoeken van marktpleintjes, gezellig bezig om elkaar dezen dienst te bewijzen.↑2Bamban (emban) is een Maranta: Donax grandis. De steel is als hard bies. Naar het ovale blad noemt men een speer-lemmet van dien vorm; deze gelijkenis zal dit gedeelte van de meest vermaarde overlevering in Zuid-Sumatra hebben doen ontstaan.↑3Deze overlevering van Bittertong moeten wij als volgt begrijpen. In de Pasemah-hoogvlakte, waar het verhaal speelt, zijn tal van hoogst merkwaardige beelden gevonden van menschen- en dierenfiguren (door mij beschreven in Bijlage D. van het Oudheidkundig Verslag, Batavia, 1ste kwartaal 1922, met 43 foto’s) waarschijnlijk[160]vervaardigd in de eerste eeuwen onzer jaartelling, maar waaromtrent nog geen zekerheid bestaat. Nadat de volksstam, wiens grootheid die beelden waren, waarschijnlijk Negrito’s, door onbekende oorzaken verdween en de geheele streek volkomen verlaten was, maakte het zware bosch er zich weder meester van. Eerst eeuwen later kwamen nieuwe bewoners, zij waanden zich de eerste ontginners van het land, en toen zij onder en tusschen de wortels van de reuzen van het woud „versteende menschen en dieren” vonden, moest wel worden gedacht aan bovenaardsche invloeden. En zoo werd de legende van Bittertong geboren, den zwerver, die op zijn tochten overal menschen en dieren tot steen vervloekte; die van bloeiende nederzettingen een rotspartij maakte, enkel en alleen omdat men om hem lachte of het hem niet naar den zin maakte. Voor zijn rekening komt ook, in de beneden-landen van Palembang, het verdwijnen van Çiwaitische enBoeddhistischevestigingen aan de rivieren en de meren, waarvan men slechts nog de roode baksteenen vindt der tjandi’s en urnen, kralen en scherven. Hij „terroriseerde” geheel Zuid-Sumatra, van den Vlakken Hoek aan de zuidpunt tot in Djambi’s bovenlanden, van Aboeng in Tanah Lampoeng tot Moeko-Moeko aan de wilde westkust.Met andere woorden: overal, waar bij de plaatselijke bevolking de legende van Pahit Lidah (Bittertong) levendig is, daar kan men er vrij zeker van zijn, dat er overblijfselen van oudheden te vinden zijn of geweest zijn.Bittertong was dus niet één man, men moet hier denken aan een volksstam (Hindoe-Javanen of Hindoe-Maleiers), die over Zuid-Sumatra uitzwermde na het tijdvak, waarin de knappe beeldhouwers van Pasemah leefden, of aan het eind van die periode.↑4gepofte padi.↑5in dunne bamboe-kokers gestoomde kleefrijst.↑6Setoewo, de tijger.↑[Inhoud]III.MALEISCHE SPOOKMENSCHEN1[Inhoud]1.De „Orang Boenian”De Orang Boenian zijn wezens aan den mensch gelijk, maar zij zijn alleen zichtbaar voor hem, die met een Boenianmeisje getrouwd is. Braver zijn zij dan de mensch, omdat de leugen bij hen onbekend is. Toch griezelt het den jongen man, die ergens op het lage dammetje om zijn sawah onverwachts lekkernij vindt, op kleurige bladeren hem aangeboden door een spookmeisje, dat hem heeft gadegeslagen terwijl hij op zijn rijstveld werkte, en dat hem op deze manier komt vragen haar man te worden.De Boenian’s leven en sterven als gewone menschenkinderen, zij bouwen ook huizen, en zij houden kippen en vee. De bevolking van Tilatang bij Fort de Kock weet heel goed, dat vroeger tal van buffelsporen voerden uit de grot in den Boekit Boenian, den Berg der Verborgenen, maar men heeft er nooit een karbouw gezien.In bijna alle streken van Sumatra komen zij voor, de meesten in Minangkabau, de Padangsche bovenlanden. Zij wonen gewoonlijk in grotten, of zij bouwen hun voor den mensch onzichtbare huizen ergens in dichte bamboe-stoelen, in den ontoegankelijken wirwar van takken en luchtwortels van een reusachtigen ficusboom, en in de rimba, het diepe oerwoud; soms op den top van hooge bergen, waar elk geluid gedempt wordt door de zware mossen, welke stammen, takken en lianen met een dikke laag bedekken.In wilde nachten komen zij in de pelmolens der menschen om er[14]hun rijst te stampen, of zij vieren feest, en in de onbestemde geluiden van den storm hoort het Maleische oor duidelijk het zingend dreunen van de groote gong.En luistert men lang, heel lang, in de grotten van het kalkgebergte van Kamang, waar de spookachtige onrust der vleermuizen en hun krassende kreetjes de grafstilte niet kunnen breken, dan hoort men eerst het tikken van eeuwig druppend water, maar het gaat over in een zachten, rillenden toon van koperen instrumenten, heel ver in het diepe donker … de „gamelan” der Orang Boenian.Het was den vorigen dag in den grauwen morgenschemer al beginnen te motregenen, en nòg druilden de boomen aan den boschrand en waren in een mistig waas verscholen.De datoek, volkshoofd in zijn kampoeng, woonde nu al eenigen tijd bij Matoe, zijn oudste vrouw. Zij zaten voor een der open vensters van het huis, en zij spraken over de padi, die juist uitgeloopen was, en over een troep brutale apen, die uit het bosch waren gekomen. Twee van de dieren hadden zij betrapt, toen zij bezig waren de jonge rijstscheuten voorzichtig uit te trekken om den korrel te hebben; het was ondoenlijk de apen uit de ladang te houden, toch lachten zij om hun menschelijke, knijpende vingertjes, om den diepen ernst bij hun werk.Zij keken naar buiten in den grauwen dag.Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist trad, ergens tusschen de boomen, en die nu het erf kwam oploopen en zijn zwarten knapzak ophing aan een uitstekenden balk van de rijstschuur. En toen die man vroeg of de datoek thuis was en deze hem noodigde boven te komen, kwam hij de trap op, ging op de hem door Matoe aangeboden mat zitten en dronk zwijgend de koffie, welke zij den mannen voorzette.Ook de datoek zweeg, het was hem wonderlijk te moede. Wat voelde hij toch?… wat was het toch weer, wat wist hij van dezen zwarten man?Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradHij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradEn plotseling doorleefde hij een droom. Een vrouw had met hem gesproken en hem gevraagd, of hij met haar dochter wilde trouwen.[16]Hij was zeer verrast geweest en had bedenktijd gevraagd; daarop had zij hem gezegd, dat hij de beslissing maar zeggen moest aan „den zwarten toeankoe”. Verbaasd was hij wakker geworden, het schemerde al, de moerai2floot de menschen wakker met zijn jubelend lied en de droom was spoedig vergeten. Maar nu kwam alles met beklemmende duidelijkheid terug …„Ik kom het antwoord halen,” zei slechts de oude, zwarte man. De datoek kon niet goed meer denken, hij was geheel in de war.„Ja …” hoorde hij zichzelf bedremmeld zeggen, „ik wil wel met uw dochter trouwen.”En toen de oude dadelijk daarop wegging en zijn zwarten knapzak over den schouder sloeg, zagen Matoe en haar man, dat hij plotseling verdwenen was.„Hai!” rilde de datoek, „dat moet wel een Boenian zijn!” en Matoe huilde.Midden in den nacht voelde de datoek, dat iemand hem wakker maakte; hij tastte rond, maar voelde niets. Hij begreep, dat de Verborgenen hem riepen en stond op.Hij was in een huis, zoo mooi als hij nooit gezien had; het bestond uit niet minder dan dertien roeang’s, de ruimten tusschen de rijen palen waarop het dak rust. Het huis was geheel met planken omwand en smetteloos wit. Er waren veel menschen; ook de oude man, die hem had opgezocht, en nu werd het feest gevierd van zijn huwelijk met Si Boengo, de Bloem, de mooie dochter van den zwarten toeankoe.Vroeg in den morgen stond de datoek op en ging naar buiten, om een bad aan den put te nemen en het morgengebed te doen. Maar toen hij den eersten schep water over zich gestort had … zie! daar stond hij zich te baden aan den eigen put, naast den eigen rijstpelmolen, en toen hij terug wilde gaan naar de mooie Boengo in het witte huis, zag hij slechts de gewone dagelijksche omgeving. Nu stond hij voor Matoe’s huis, binnen sliep iedereen nog rustig, de deur was gesloten en hij moest Matoe wakker maken om binnen te komen. Zelfs de deur van de slaapkamer had Matoe nog op slot gevonden … en nuwistenzij, dat de datoek door spookmenschen was weggevoerd.[17]In den avond van den volgenden dag liep de datoek naar de soerau, het gebedehuis waar hij zijn avondgebed zou doen. Hij dacht over het gebeurde, was het werkelijkheid? Hij zag de mooie, jonge vrouw weer voor zich en verlangde intens bij haar te zijn.Plotseling stond de zwarte toeankoe voor hem en hij kon niet meer denken. Hij wilde trachten te onthouden, wat er met hem gebeuren zou, maar vóór hij het wist stond hij in het witte huis, en Boengo was bij hem.Vier malen bracht de oude man hem bij zich thuis, maar toen zei hij: „ik kan je niet altijd komen halen, je moet nu maar aan Boengo vragen, hoe je den weg naar ons kunt vinden.”„Als je hart sterk naar mij trekt,” antwoordde de Bloem hem, „als je werkelijk naar mij verlangt, ga dan naar den Batoe Gadang, den grooten steen bij de brug van Loendang. Ziet ge op dien steen een versch citroenblad liggen, neem het dan op en wrijf het over je dichte oogen, en je zult den weg naar ons huis zien. Maar kom nimmer met andere menschen, en als er geen citroenblad ligt op den steen, doe dan geen moeite om den weg te zoeken in de dorenbamboe bij dien steen. Je kleeren zullen aan flarden scheuren en je zult doodziek worden.”Op enkele tientallen meters van dien steen loopt de ijzeren baan van Fort de Kock naar Paja Koemboeh, en uit den trein zien de reizigers een grooten rolsteen in de bedding der beek. Vlak ernaast ligt een boschje bamboe doeri, voor menschen en grootere dieren volslagen ontoegankelijk, een muur, gevlochten door scherp gedoornde, taaie stengels.Maar telkens als de datoek het geurige blad over de dichte oogen wreef, lag daar in dat boschje een wit pad, en het voerde naar de woning der spookmenschen.Toen het huwelijk van den datoek en de mooie spookvrouw met kinderen gezegend was, eerst toen wilde Boengo hem de overleveringen van haar stam verhalen, ook, hoe de Verborgenen voortkomen uit aardsche menschen.[18]In den tijd, dat Mohammad de profeet nog op aarde ging, leefden er twee zusters; de eene was met een rijk man getrouwd, de andere had een arm huwelijk gedaan. De rijke gaf eens een groot feest en noodigde er Mohammad, den profeet. De arme wilde hem ook zoo gaarne beleefdheid en eerbied bewijzen, maar hoe konden zij het van hun armoedje doen!„Weet je wat,” zei de arme man, „ga jij de dorpen af en vraag wat men missen kan, daar kun je rijst en specerijen van koopen. Ik zal het bosch ingaan en halal3wild schieten; dan kunnen wij ook een feestmaal hebben en bidden om zegen.”Zij gingen. De vrouw werd hier en daar geholpen en kon haar inkoopen doen. Maar hij jaagde heel het bosch af zonder een enkel stuk wild te zien. Verdrietig ging hij naar huis, maar dicht bij zijn woning sloop een dier door de struiken, en snel had hij het met een pijl uit zijn blaasroer neergelegd. Maar hoe beschaamd was hij, toen hij zag, dat het wild een groote kat was, spierwit, zooals toen alle katten nog waren.Maar … soedahlah, dan maar een kat, niemand zou het immers merken, het feestmoestdoorgaan, de profeet had nu eenmaal de uitnoodiging aangenomen. Hij vilde snel het dier, sneed er den kop en de pooten af, en bracht het bij zijn vrouw; en zij maakte van het vleesch en de specerijen allerlei heerlijke gerechten, voor het feest aan Mohammad den profeet.De gasten kwamen, ook de profeet, en zij zetten zich neer. Hij was gewend bij het maal zijn lievelingskat bij zich te hebben, en toen hij hem niet zag, vroeg hij ernaar en riep toen het dier met luide stem.O! rechtvaardige Allah, daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld … de arme man had de lievelingskat van den profeet gedood, en, in tientallen herlevend, sprong het dier uit de gerechten, van zijn vleesch gemaakt, te voorschijn, de witte vacht in bonte afwisseling geteekend door de sporen en de kleuren der verschillende specerijen.[19]Doodelijk verschrikt en beschaamd vluchtte het arme menschenpaar naar de donkere bosschen, en zij verscholen zich daar voor den toorn van den profeet, voor den spot der menschen. Maar honger dreef hen het bosch uit, en zij gingen naar den profeet, vernederden zich voor hem en smeekten om genade.De profeet toornde niet, hij had immers zoo vele en mooie katten voor die eene witte terug gekregen. Maar de arme lieden bleven den spot der menschen vreezen, zij wisten dit niet te kunnen dragen, en nu smeekten zij Mohammad hen te verbergen voor die anderen. Zij waren altijd braaf geweest en geloovig, zij hadden nooit iets kwaads gedaan vóór dit eene gebeurd was, wat zij bedoeld hadden alleen om den profeet eerbied te bewijzen.In groot medelijden bad de profeet tot God om de arme lieden onzichtbaar te maken voor hun medemenschen, en zóó ontstonden de eerste Orang Boenian … voor Allah’s almacht is niets onmogelijk!Daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld...[20][Inhoud]2.Zij, die niet geloofdenIn den 15den der 1001 Nachten verhaalt Sheherazade aan Sultan Shahryar de geschiedenis van den sheik Shahabeddin:De sultan van Egypte verzamelde op zekeren dag alle geleerden uit zijn rijk en behandelde met hen het volgende onderwerp. De Moslims zeggen, dat de engel Djabraïl (Gabriël) den profeet Mohammad uit zijn bed lichtte en hem alles toonde, wat in de zeven hemelen, in het paradijs en in de hel te zien is. Daarna voerde de profeet nog 90.000 gesprekken met Allah, en toen hij door den engel in zijn bed werd terug gebracht, had hij nog juist den tijd om een kruik, die bij zijn vertrek omgevallen was, op te zetten vóór al het water er uit was gestroomd …„Wie kan zulke belachelijke verhaaltjes gelooven!” had de sultan gezegd. Doch de geleerden antwoordden hem: „Voor Allah’s almacht is niets onmogelijk”… en nu ontstond een strijd, die de grootste tweespalt in Egypte veroorzaakte.De mare hiervan drong ook door tot sheik Shabeddin. Hij begaf zich dadelijk op weg naar den sultan, die hem met eerbied ontving. Zij zetten zich in een vertrek neer met vier vensters, welke op verzoek van den sheik gesloten werden. Nadat zij over verschillende zaken gesproken hadden, stootte de geleerde sheik één voor één de vensters open, en de sultan zag tot zijn ontzetting achtereenvolgens, dat een ontelbaar leger tegen zijn paleis optrok, toen, dat heel Kaïro in vlammen opging; daarna, dat een geweldige vloed zijn paleis bedreigde. Maar deze tafereelen werden door den sheik te niet gedaan, zoo deed hij ook weer verdwijnen het heerlijke landschap, dat de sultan door het vierde venster aanschouwde, terwijl hij wist, dat zich tot aan den horizont een onvruchtbare woestijnvlakte uitstrekte.Daarop liet de sheik een groote kuip water brengen, en hij verzocht den sultan zich daarin neer te zetten en het hoofd even onder te dompelen. De sultan deed dit … en hij bevond zich aan den oever van een groot, onbekend water, tusschen rotsen en bergen. Hij leefde zeven jaar in dit vreemde land, had er onnoemelijk veel leed, huwde[21]er en kreeg zeven zoons en zeven dochters. Hij kwam, zonder dit te weten, op een goeden dag terug op de plek, waar hij het vreemde land was binnen gekomen, nam er een bad in de rivier, en toen hij het hoofd boven water stak, bevond hij zich … in zijn paleis, omringd door zijn hovelingen, en zij en de sheik verklaarden, dat hij zoo even zijn hoofd had ondergedompeld en dadelijk weer boven water gekomen was …Ook op Sumatra moest Allah, eeuwen geleden, een man straffen, die het nieuwe geloof niet wilde aanvaarden.Hij en zijn vrouw waren goede menschen. Zij woonden diep in het bosch, aan den bovenloop van een der rivieren, die in Straat Malaka uitmonden; in een wereldje op zichzelf, waar slechts geruchten doordrongen van het bestaan van een grootere wereld. Zij kregen kinderen en hadden het goed. Maar zoo nu en dan, als de vrouw merkte hoe ongeloovig haar man was, kibbelden zij heftig, en zijn ongeloof was voor de vrouw het eenige verdriet, dat zij kende.Eens, dat hij voor een feestelijken maaltijd een kip had geslacht en die begon te plukken, kwam zijn vrouw terug op een twistgesprek, dat zij hadden gehad, omdat de man niet geloofde aan de almacht van Allah. Driftig stond hij op en riep uit: „Nou krijg ik genoeg van die nonsens, ik ga een bad nemen; pluk jij nu zelf de kip ook maar!” en hij wierp haar het half-kale dier voor de voeten. Toen daalde hij den oever af, in wrevel en ergernis. Dat eeuwige gezeur! zij hadden het samen zoo goed, maar als dat ééne kwam, dat hem zoo onbeduidend leek, dan was alles mis.Hij dompelde in de rivier onder, maar toen hij weer boven kwam, was hij in een vreemd land met onbekende menschen. Hij trouwde er en kreeg kinderen, maar geluk kon hij niet vinden, al doolde hij overal rond om het te zoeken. Zoo kwam hij, na zeven jaar, aan een rivier, en nam er een bad. Maar toen hij het hoofd weer boven water stak, zag hij zijn eigen badplaats, en boven aan den hoogen oever zijn eigen huisje! Hij herinnerde zich plotseling, wat zeven jaar geleden gebeurd was en hij kromp ineen van verdriet. Hij rende den wal op … wat zou er van zijn goede vrouw geworden zijn![22]„Dàt is vlug!” riep ze vroolijk, blij toen ze zijn berouwvol maar toch zoo gelukkig gezicht zag. Hoe heerlijk, dat hij zoo dadelijk zijn fout had ingezien … de kip was nog niet geheel geplukt!Nu geloofde de man. En de kinderen, in het vreemde land achtergelaten, waren de eerste Boenian’s.[Inhoud]3.Spoken-nachtMiddernacht.Wild drijft Si Dòlak Dòlai, de Kwade Wind, door de diepe ravijnen van den Marápi.Hij kwam van over het meer van Singkárak, waar woeste, korte golfjes nòg zijn spoor teekenen. Jagend was hij den Vuurberg opgegaan, wegvagend de stoompluim boven den krater, ros van weerkaatsten vuurgloed, en nu wielt hij neer den berg af, de vlakte in van Agam.„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan.”Zwiependen regen drijft hij voor zich uit, de woesteling, die de wortels van den ficus afbreekt als draad, die het nederigste kruid loswoelt, die de rijstschuren der menschen aflicht van de neuten …In diepen, donkeren nacht slaapt roerloos, stil, de kampoeng,In bamboebosch en palmkroon verscholen.Maar zwiepend, geeselend, wilde jacht, komt bulderend wind èn regen,En plotseling flikkert door het zwart een bliksemflitsDie àl verlicht het donker van zoo even.De bamboe buigt en kreunt, dof vallen oude klapperblâren,In ’t donker huis was alles rust, maar akelig kraait de haan,Die ’t bliksemlicht zich zonnegloren dacht.Bang kreunt ontwakend meisjeEn dringt zich tegen moeder aan …„O, moeder, moeder, hoor dan toch, wat vreeslijke geluiden …„Hoor, moeder, lieve moeder toch, waarom kraait onze haan?”[23]„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan;„En wees niet bang van wat je hoort,„In onze kintjir4stampt men rijst … de Orang Boenian …”Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind,In dürren Blättern säuselt der Wind …„O, moeder, hoor! dat diep geluid, wat kan ’t toch zijn,„Dat boven joelt en neergiert in ’t ravijn?”[24]„Wees rustig toch, mijn lieve schat, en druk je tegen moeder aan …„Ginds viert men feest en dreunt de gong … de Orang Boenian”.Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht?Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind …Ornament met vleermuis.[25]1In 1906 leerde ik een datoek (volkshoofd) kennen, die niet ver van Fort de Kock woonde, en die als doekoen vermaard was, vooral omdat hij zijn kunde als medicijnman ontleenen zou aan de kennis der Orang Boenian; hij verklaarde met een Boenianvrouw getrouwd te zijn. Ik won het vertrouwen van dezen man, en hij verhaalde mij, wat ik in deze schets bekend maak. Na lang aandringen kreeg ik van hem gedaan, dat hij mij naar het witte huis der Verborgenen zou[161]brengen. Ik stelde slechts één voorwaarde: dat ik mijn revolver niet thuis zou laten; de braafheid van die „onzichtbaren” kon wel eens tegenvallen. Daartegenover stond, dat ik hem duizend gulden beloofde bij welslagen; een ontmoeting met spookmenschen zou daarmee niet duur betaald zijn! Hij vroeg eenigen tijd om ons bezoek voor te bereiden, en tot mijn stijgende verbazing trok hij zich niet terug … tot aan den vooravond van den grooten dag. Toen kwam hij mij waarschuwen, dat ik misschien deerlijk verwond zou worden door de doornige bamboe, dat mijn kleeren zouden scheuren, dat ik ziek zou worden; en toen niets hielp, verklaarde hij, dat zijn verhaal een verzinsel was. Ik heb dus de Verborgenen niet mogen zien! Maar ik weet, dat in het binnenste van enkele vooraanstaande Minangkabauers, die van de zaak afwisten, de overtuiging voortleeft, dat de datoek mij niet de waarheid heeft gezegd door te verklaren, dat hij maar wat verzonnen had: hij had immers aan de mooie Boengo moeten beloven, dat hij nimmer andere menschen mee zou brengen naar den Grooten Steen … „Wat is de Waarheid?!”↑2Copsichus musicus, de Indische lijster; op Java: koetjitja, kadjer; om zijn kleurteekening noemt men hem wel eens: ekstertje; hij is de eenige mooi-fluitende tuinzanger op Java en Sumatra en leeft om en bij de huizen, ook in de grootste steden. Slechts de nachtegaal-lijster, die hier en daar aan den woudrand voorkomt en die als een nachtegaal slaat, overtreft hem in zijn zang. De Minangkabauers noemen de morgenschemering „moerai bakitjau”: als de moerai zingt.↑3wettig, geoorloofd.↑4rijstpelmolen, door waterkracht gedreven.↑[Inhoud]IV.WILDE DIEREN ALS BESCHERMGEEST VAN DEN MENSCH[Inhoud]1.De VolgtijgerHet is meer dan twintig jaar geleden, dat de luitenant P. mij als besturend ambtenaar te Koeta Radja opzocht om mij iets bijzonders te vertellen, en hij deed mij een van de wonderlijkste verhalen, welke ik ooit gehoord heb.„U is zelf jager, anders zou ik het haast niet durven vertellen! Ik was gistermiddag even op snippen uitgegaan, het was kwart vóór vijf, toen ik, op de fiets, bij de sawah’s kwam. Ik had mijn jaszakken vol hagelpatronen, kaliber 9, maar geen enkele snip vloog van de nog niet beplante rijstvelden op; en zoo wandelde ik al zoekend door, langs de sawahdijkjes, tot aan dat boschje struiken, dat u wel kent en dat er ligt als een eilandje in zee, er staat één afgestorven hooge cocos-palm midden in, ’t heele ding is niet grooter dan het grondoppervlak van een inlandsche woning.„Er was geen zuchtje wind, de sawahwerkers hadden de velden al verlaten, het was nog gloeiend heet, en stil, plechtig stil.„Toen ik op ’n meter of twintig van het boschje kwam en er met een bocht op toeliep, keek ik er pas goed naar … en het was of mijn nekharen stijfop bevroren! Aan den zijkant van het boschje, den kop afgewend en starend over de geweldige sawahvlakte van kilometers rondom, stond een volwassen koningstijger, roerloos, als ’n standbeeld.[26]Ofschoon het niet de eerste tijger was, dien ik voor ’t geweer kreeg, was ik een oogenblik volslagen verlamd. Maar toen mij als ’n pijnlijke zweepslag door de hersens ging, dat ik alleen maar snippen-patronen bij me had, kon ik weer denken en ik herinnerde me plotseling, dat ik toevallig één patroon met zware loopers in mijn broekzak gestopt had, en ik besloot de kans te wagen … wat moest ik trouwens anders doen, wegloopen zou waanzin zijn geweest. Mijn vingers trilden, maar ik verwisselde gauw een hagelpatroon tegen de loopers. Nog stond hij in zijn majesteit rustig te staren. Ik beefde niet meer toen ik aanlegde, en juist toen het prachtige dier kalm den kop naar mij toe draaide, zat mijn schot in z’n hart, en zonder eenig geluid zakte hij in elkaar.”„Maar …hiereen tijger?! men kan nog eerder ’n wilden ijsbeer op het Plein in den Haag verwachten!”„Ja, ik begrijp, dat het verhaal zelfs u te machtig is, maar ik heb de huid meegebracht, en ook de Atjehers, die op mijn schot dadelijk uit den kampoengrand kwamen. Al zagen zij met eigen oog den nog warmen tijger, zij denken geloof ik nòg aan tooverij. Trouwens, ik weet zelf niet, wat ik ervan denken moet … vanwaar kwam deze tijger, die hier overdag, vlak bij Koeta Radja, in die gloeiende sawah-zee stond te staren, uitkijkend alsof hij iets wachtte, iets zocht?”Terwijl hij sprak, zag ik de stille, gloeiende vlakte, de bekende 1000 meter-strook om Koeta Radja, vroeger geheel van huizen en bosch gezuiverd ter beveiliging van de hoofdplaats tegen onverhoedsche overvallen; en naast het boschje lage struiken met den afgeknakten klapperboom, zag ik het wondere prachtige dier, starend, op den uitkijk, wachtend en al maar starend, de zacht zwaaiende staart het eenig teeken van leven. De mysterie uit de koele bosschen in de stovende, boomlooze moddervlakte, waar den ganschen dag de menschen uit de rondom gelegen dorpen hadden gewerkt; en overal moest de menschenlucht nog zwaar hangen, in de velden, aan de dijkjes, de lucht die hem zoo tegenstond …[27]Nog stond hij in zijn majesteit rustig te starenNog stond hij in zijn majesteit rustig te staren[28]Eenige maanden later openden wij de kleine renbaan achter Peutjoet, het kerkhof bij Koeta Radja, waar zoovele kranige Hollandsche jongens rusten. De rennen zouden zoo dadelijk beginnen.„Komt de Kedjoeroehan van Lhong niet?” vroeg ik aan een der meest bekende Atjehsche hoofden. Ik miste den paardenliefhebber uit het zuiden, die mocht hier niet ontbreken.Teukoe Radja Itam glimlachte verlegen.„Och, toean, jullie gelooft zulke dingen toch niet, en ik weet zelf niet meer wat ik er van denken moet. Maar u bent bestuursambtenaar, ik zal het u toch maar zeggen.”Hij keek even rond, niemand kon ons gesprek hooren, een lichte huiver trok om zijn mondhoeken.„Is het waar, dat enkele maanden geleden een officier op de groote sawahvlakte bij Koeta Radja een tijger heeft geschoten? Ja? dus dat is toch werkelijk waar?!…„De Kedjoeroehan van Lhong had een volgtijger, die overal bij hem was, onzichtbaar, maar hij beschermde mijn vriend tegen allerlei gevaar. Een paar maanden geleden werd de Kedjoeroehan opgeroepen door den gouverneur, den generaal van Heutsz, voor die zaak waar u wel van weet. Toen hij goed en wel in Koeta Radja was, wist mijn vriend, dat zijn kameraad niet meer bij hem was; hij had de wijsheid, de ilmoe, dit te weten, al zag hij hem gewoonlijk ook niet. Hij begreep, dat het dier op een of andere manier verdwaald was, bang geworden misschien voor de menschen en de drukte; maar hij was ervan overtuigd hem thuis te zullen vinden, zoo iets was wel meer gebeurd.„Hij kwam thuis, maar de tijger was er niet, en zonder hem durft de Kedjoeroehan nog geen verre reizen te doen.„Niemand van ons begrijpt, hoe en waarom het dier daar midden in de sawah’s zichtbaar en daardoor kwetsbaar is geworden. Maar wijweten, dat het de volgtijger van den Kedjoeroehan is, die door dien luitenant is doodgeschoten …”Wij keken elkaar ontroerd aan.De bel ging voor den eersten ren.[29][Inhoud]2.RadoeDe oude man, een voornaam volkshoofd in Zuid-Sumatra, meende wel honderd jaar te zijn, en hij kon dit bewijzen: hij was immers al vader van een paar flinke jongens, toen de Groote Uitbarsting plaats had, toen het dagen achtereen vrijwel donker was, de hemel een-en-al donder en bliksem leek en de zee vol dreef van puimsteen … en ik deed geen moeite hem voor te rekenen, dat Krakatau eerst 35 jaar geleden doodelijken angst verspreidde in heel Zuid-Sumatra en in West-Java. Hij was nu eenmaal een erkend honderdjarige, en er was geen reden hem deze illusie te ontnemen. De brave, eerwaardige man voelde zich gelukkig in den weliswaar overschatten ouderdom, en voldaan en gelukkig keek hij achterom, zonder het voor ons westerlingen onmisbaar perspectief in dien terugblik te leggen.Hij was een goed adat-kenner en hij vertelde met trots en smaak van de oude gebruiken van zijn stam.Voor mij was hij een waardevol vriend, omdat hij nog steeds goeden invloed had op zijn volk en doordat hij mij kostelijke overleveringen vertelde, als ik op mijn dienstreizen dat woeste gedeelte van Zuid-Sumatra bezocht; en telkens was ik verheugd de trouwe hand te kunnen drukken. In die rustige binnenlanden gelden de overleveringen als onomstootelijke geschiedenis, en zeer zeker ontbreekt in vele de zuiver geschiedkundige kern niet, al heeft de Islam ook veel leelijke franje geweven aan de legenden van deze „heidenen”, die eerst in den laatsten tijd, ja in het begin van deze eeuw, tot den Mohammedaanschen godsdienst zijn overgegaan.Een vorige maal had de oude man mij verhaald, dat in vroegere tijden enkele kwaadaardige roovers de macht hadden zich te doen beschermen door krokodillen. Ik had hem toen verteld dit wel meer te hebben gehoord, en dat door de Minangkabauers van Midden-Sumatra aangenomen wordt, dat het landschapshoofd van Loeboek Oelang Aling, een berucht rooverhoofdman, die ten slotte door de politie moest worden afgemaakt, een volg-krokodil had, die hem overal op zijn riviertochten vergezelde. Daarop had de oude man mij[30]beloofd de volgende maal zijn kleinzoon Radoe te zullen meebrengen, op wien hij al zijn kennis zou overdragen, Radoe, die de schermkunst van een koningstijger had geleerd.„Radoe, je kunt aan dezen Hollander gerust alles vertellen. Of meneer het gelooft, weet ik niet, maar meneer schrijft graag allerlei dingen op, en hij lacht ons niet uit, ons domme menschen!”Maar nu lachte ik wel even. „Wij, domme menschen,” dit is zoo de gewone uiting van bescheidenheid, van voorzichtigheid vooral. Er zijn misschien menschen, die dit de juiste zelfschatting achten, maar niet zij, die in nauwe aanraking zijn gekomen met die oude, waardige mannen, die, zonder schoolsche wijsheid, gekomen zijn tot beschouwingen, waarin de rust van eeuwen ligt; een evenwicht, vastgelegd in de „adat”, het gewoonterecht, dat regelen stelt evengoed tot basis van familierecht en rechtspraak als tot het aangeven van goede gebruiken en vormen, en dat, met de overleveringen, als erfgoed overgaat van geslacht op geslacht, totdat … en hier spreken diezelfde oude wijze mannen, totdat al het oude door de wielen van spoortreinen en automobielen, door de voortschrijdende „beschaving”, zal overreden zijn.Ik lachte dus even, en de wijze man begreep dien glimlach en lachte vergenoegd mee.„Veel kan ik u niet vertellen, meneer,” zei Radoe. „Mijn grootvader van moederskant had vele ilmoe’s en hij leerde mij wat ik doen moest, als ik ooit een tijger zou tegen komen van een soort, zooals hij mij beschreef. Ik hoop, dat u het mij niet kwalijk zal nemen, meneer, maar ik kan u dat niet precies uitleggen, u begrijpt dat zeker wel; maar zoo’n tijger is meer een mensch dan een dier. Eens op een middag heb ik aan den rand van het bosch zoo’n tijger ontmoet. Ik ben dadelijk naar het eerste het beste huis gegaan en ik heb de menschen gevraagd mij te helpen om een offerande voor hem te maken, een „sedekah” bestaande uit rauwe eieren en kleefrijst. De Oude aanvaardde die offerande, want, juist zooals grootvader mij gezegd had, de eieren waren den volgenden dag leeg, maar de schalen waren niet gebroken. Ik wist nu, dat de tijger mij goedgezind was en dat hij mij verschillende dingen zou leeren als ik hem weer ontmoette.[31]„En zoo heb ik schermen van hem geleerd, het silat en het koentau. Ik verzeker u, dat ik alleen maar een mensch in hem kon zien als hij met mij schermde. Hij heeft het mij goed geleerd, men zegt, dat ik de beste schermer in deze landen ben, en dat is ook wel zoo; ik heb dat alles aan hem te danken.„En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt...”„Maar u moet niet denken, dat ik de eenige ben, die zoo bevriend is met een tijger. Ik heb dikwijls van menschen uit de Boven-Kampar gehoord, dat enkelen gewoon zijn zich midden tusschen de tijgers te begeven, dat zij haast doof worden van het schreeuwen en brullen van de dieren. En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt”…„U weet zeker wel,” zei nu de oude man, „dat wij Maleiers, die in de wildernis wonen, allen gelooven, dat er steeds tijgers om en in[32]onze kampoeng’s zijn, die ons geen kwaad doen als zij nog geen menscheneter zijn. Slechts enkelen, als Radoe, krijgen van vader of grootvader het geheim over, hoe zij persoonlijk aanraking met hen kunnen krijgen, en dan leeren zij allerlei knappe dingen. Anderen weer zien de dieren overdag in de kampoeng’s, tusschen de huizen, en zij geven de dieren eten. Ik zelf kan ze niet zien, maar als ik ’s nachts een tijger hoor, dan weet ik ook heel goed of het een van onze gewone tijgers is, of dat het een vreemdeling is, of een menscheneter. Wij gelooven allen, dat, wat Radoe en andere kameraden ons van tijgers vertellen, waar is. Wij zien toch ook bij het zoeken van boschprodukten, in de diepste bosschen, hoe die soort menschen bepaald beschermd worden tegen ongelukken.”Radoe knikte zijn grootvader toe, wij zwegen allen; met een kuchje brak de oude man de stilte.„Het is al avond geworden, meneer, u wilt misschien wel gaan slapen. En als u wilt, zal ik u een anderen keer vertellen, hoe de kleinzoon van Bittertong tijger werd.”Daar gingen zij, den zwart-en-zilveren maannacht in, langs het strand met de eeuwige branding.Scherp teekenden zich de elegante cocoskronen tegen den hemel af, en de harde bladnerven streken prevelend langs elkaar in den nachtwind.Van het strand klonk nog even het kuchje van den ouden man. In de kampoeng sloot knarsend de laatste deur, zacht kreunde een ontwakend kind in het donkere huis.Na dit uur is alles des menschen stil. Maar de cocosbladeren prevelen in den nachtwind, en de witte woelige strook in de donkere zee bromt, gromt, de eeuwen door.[33][Inhoud]3.De Pawang Rimba en zijn beschermerDe officier, commandant van onze kleine patrouille, had mij al eenige malen gevraagd, of ik onze gidsen wel vertrouwde. Het kwam hem voor, dat wij zoo langzaam den berg afdaalden en het wel heel lang duurde, voor wij zicht kregen op de vlakte, ons doel. Daar ergens was een bivak, waar de hoofdtroep ons wachtte en waar men zich stellig al ongerust maakte; het achtervolgen van een bende kwaadwilligen, die ons in een hinderlaag hadden gelokt, had ons meer tijd genomen dan aanvankelijk verwacht werd. Wij wilden er alles op zetten om vóór den nacht weer bij onze kameraden te zijn. Ik kon den luitenant niets anders zeggen dan dat ik gemerkt had, dat de gidsen volkomen thuis waren in deze ontzaglijke oerwouden en elk wildpad kenden, maar ook, dat wij terdege op onze hoede moesten zijn.De gidsen waren volkomen thuis in deze ontzaglijke oerwouden.Maar dit was waarlijk geen wonder. Toen wij hopeloos verdwaald waren geraakt in een labyrinth van uitlokkende, breede olifantspaden, in een bosch zonder opvallende herkenningsteekens en donker onder een zonloozen hemel, hadden wij het geluk gehad plotseling op een paar jonge Atjehers te stooten, die op den terugweg naar huis waren, torsend de door hen verzamelde boschprodukten. Na veel moeite en onder aanlokkelijke beloften, hadden wij hen overgehaald hun vrachten te laten liggen en ons het bosch uit te brengen,[34]naar de vlakte. Zij wisten niet, vanwaar wij kwamen en wat ons den vorigen dag overkomen was, maar zij moesten begrijpen, dat er dingen gebeurd waren, die hun niet aangenaam konden zijn; het was een woelige tijd daar in het woeste bovenstroomgebied van de Roode Rivier. Bovendien zouden zij er twee dagen mee verliezen.De eerste uren van onzen snellen marsch hadden zij geen woord gezegd, het kon niet anders of zij zonnen op middelen om van ons weg te komen. Om onheil te voorkomen, hadden wij hen de vlijmscherpe wapens laten afgeven, en zij waren onder bijzonder toezicht gesteld van twee onzer beste maréchaussees; die hadden het temperament en het fanatisme der Atjehers reeds verscheidene malen aan den lijve ondervonden, en zij waren wat grimmig gestemd door de dingen, die ons den vorigen dag waren overkomen.Maar tijdens een korte rust had ik wat met de gidsen gepraat, en zij wisten nu, dat ik een bestuursambtenaar was en geen militair; en mijn kennis van hun taal was juist voldoende om hen wat op hun gemak te stellen en hen ervan te overtuigen, dat wij van onzen kant tegenover hen niets kwaads in het schild voerden. En toen wij verder gingen langs het nauwelijks zichtbare boschpaadje, allen achter elkaar en ik tusschen hen beiden in, lieten zij zich langzamerhand wat meer gaan, en ik leerde van hen veel van allerlei groot wild, waarop zij gewoon waren te jagen, op hun manier. Zoo wezen zij mij, hoe ze op verschillende rhinocerospaden doodende vallen hadden gespannen, plekken, waar zij succes hadden gehad, en zij vertelden welke goede prijzen zij hadden gemaakt voor den hoorn, die voor Chineezen nog steeds groote waarde heeft als medicijn tegen verschillende kwalen.„Zie,” zeiden ze, „hier hebben wij verleden maand weken lang overnacht, wij hadden hier in den omtrek verscheiden vallen gespannen.”Wij hielden even halt. Op vier gekapte paaltjes en eenige kruishouten lag een vloertje van takken, een stellage van ’n meter boven den grond, met een dakje van pocar, die gemberachtige plant, welker lange, breede bladeren zich zoo goed hiervoor leenen.„Hadden jullie geen wanden om dit hutje?”[35]„Neen, zoo hoog is het hier niet, dat wij ’t koud hadden; u ziet trouwens hier nog de asch van het vuurtje, dat wij brandden, maar dat deden wij vooral om de muskieten weg te rooken.”In de asch stond het stempel van het Sumatraansche woud, een geweldig tijgerspoor.„Maar … kijk hier eens! Wasdezetoen ook hier in de buurt?” vroeg ik verrast.Zij keken onverschillig naar het spoor vanhem, dien men in de wildernis nimmer bij zijn naam noemt. Eindelijk zei de jongste:„O, die waren altijd om ons heen, en deze hier kennen wij heel goed”„En jullie sliepen hier? zonder omwanding en bij zoo’n klein vuurtje?!”De oudste glimlachte, beiden zwegen.„Maar zeg mij nu eens, waren jullie werkelijk niet bang?”De jongste lachte nu breed en keek mij aan.„Toean, wij waren niet bang,zijbeschermen ons immers!”„Hoe bedoel je dat?”„Wel toean, u weet dat zoo niet, maar mijn kameraad is pawang rimba, baas in het oerwoud, begrijpt u het nu? Wat zouden wij te vreezen hebben!”…„Wat vertellen ze toch van dat tijgerspoor?” vroeg de luitenant, die bezorgd gekeken had naar de inmiddels te voorschijn gekomen zon, die met tropische snelheid naar den horizont gleed. Hij was nog niet lang in Atjeh en had geen woord verstaan.„Och,” zei ik verstrooid, „zij zeiden zoo maar wat; ik vertel u dat later nog wel eens.”Ik keek nog eens goed naar de gezichten van onze kameraden-tegen-wil-en-dank; ik zag, dat zij scherp geluisterd hadden om te trachten den zin te vatten van wat die Hollanders daar tot elkaar zeiden; ik zag ook, dat zij opgelucht waren, de blik van den bestuursambtenaar bleef ernstig-verrast, de officier lachte niet.Toen zij ons bij het vallen van den avond aan den boschrand hadden[36]gebracht, waren zij zichtbaar blij, dat de dag voorbij was en dat de gedane belofte werd ingelost.Mij speet het de lenige, sterke lichamen in het bosch te zien verdwijnen, waar zij zich onmiddellijk oplosten in het snel vallende duister; voor ons een zwart mysterie met wondere geluiden, voor hen een veilig tehuis.Ornament met toekan.[37][Inhoud]V.BENO, DE STUWVLOEDDe gouverneur van de Oostkust van Sumatra had ditmaal zijn reis naar de Kampar-rivier zoo geregeld, dat hij den benô zou kunnen zien, den stuwvloed, welke deze rivier ongeschikt maakt voor geregeld bootverkeer.Het woord „stuwvloed” geeft beter dan „vloedgolf” aan, wat men te zeggen heeft. Er is geen beter woord om een denkbeeld te geven van het brok water, dat, op twee of drie achtereenvolgende dagen, telkens bij volle en bij nieuwe maan, door den vloed uit zee wordt opgestuwd, en dat op verschillende punten in dehonderdenmeters breede rivier soms een hoogte heeft van drie meter en meer, waar het met een snelheid van tien tot dertig kilometer per uur de bedding wordt binnen geschoven. Dat ontzaglijke brok water heeft een aaneengesloten front, een kokenden, brullenden muur. Het is, of een nieuwe rivier, van enkele meters hoogeren waterstand, heenschiet over de bestaande, die door de eb is leeg gezogen; en niet geleidelijk, maar inééns, zonder overgang. Een geweldigebandjir, maar in averechtsche richting.Verschillende rivieren ter wereld vertoonen een verschijnsel, dat in meer of mindere mate met den beno overeenkomt. In Nederlandsch-Indië zijn het alleen de Kampar- en de Rokan-rivier, welke beide in de Straat van Malaka uitmonden, waar de beno heerscht. Op de Rokan is hij nimmer zoo hoog en zoo gevaarlijk als op de Kampar; doch[38]men kan zich een begrip vormen van de massa water, welke bij vloed de kilometers-breede monden inschuift, wanneer men bij laag water de hoogte ziet van den „boom”, de steiger van het Chineezen-centrum Bagan Si Api-Api, de tweede visschersplaats ter wereld, aan den Rokan-mond.Er zijn maar enkele Europeanen, die hier dit overweldigend natuurwonder gezien hebben, omdat deze afgelegen streken zeer weinig worden bezocht. Beide rivieren stroomen in haar benedenloop door de lage landen van Sumatra’s oostkust, welke hier niet de belangstelling hebben van het kapitaal; de bodem is niet vruchtbaar genoeg voor den grooten landbouw, en hier en daar strekken zich moerassen uit, ontstaan door overstroomingen of wanneer de machtige rivieren haar bedding verlegden.Er zijn dan ook slechts sporadisch kleine nederzettingen der inheemsche bevolking. De Hindoe’s hebben, misschien tien eeuwen geleden, op enkele hoogere plekken aan de oevers hun rustpunten gebouwd, waarvan nog resten van gebakken steenen zijn overgebleven, maar talrijk zal de bevolking er wel nooit geweest zijn.Voor de beide Sumatra-rivieren zal het ontstaan van den beno samen hangen met de vernauwing van de Straat van Malaka, veroorzaakt door de eilandenreeks ten oosten van midden- en zuid-Sumatra. Of, om het geologisch zuiver te zeggen: die eilanden zijn het overblijfsel van den band, welke Sumatra aan Malaka, aan het vasteland van Azië, heeft verbonden. Toen na den ijstijd het smeltwater aan de polen en in de gletschergebieden vrij kwam, grepen groote veranderingen plaats in den Indonesischen archipel. Eerst namen de Philippijnen afscheid van Borneo, en Bali van Java; daarna werd de band verbroken tusschen Java en Sumatra, en eindelijk maakten Borneo en Sumatra zich van elkaar los. Nu waren alleen Sumatra en Malaka nog aan elkaar verbonden, en ook het lage deel van deze verbinding dompelde ten slotte onder. Zoo ontstond de sleuf tusschen het vasteland van Azië en Sumatra, de wereldstraat van Malaka. Hoe lang het geleden is, dat deze laatste scheiding tot stand kwam, zal wel onbekend blijven. De geoloog zal het niet kunnen aanvaarden, doch op[39]grond van gegevens in 163 A.D. door Ptolemaeus vastgelegd, beschouwd in verband met ethnologische aanwijzingen, is er plaats voor de veronderstelling, dat in het begin van onze jaartelling nog een smalle, lage landengte bestond tusschen Malaka en een gedeelte van Sumatra ten zuiden van de Rokan-monding.Hoe het ook zij, er is hier een drempel in de Straat, het hoogere deel der oude verbinding, welke van invloed moet zijn op de wijze, waarop het bij vloed opkomende water juist de twee breede monden van Kampar en Rokan binnen schuift.Aan deskundigen de beoordeling, ook omtrent de juiste oorzaak van de werking van den beno op de rivieren. Er zijn verschillende theorieën over, maar een wonder blijft het voor een ieder, wien het gegeven is het oogenblik te doorleven, waarop het kokende waterfront bulderend voorbij schuift, verder, steeds verder de breede rivier op.Men had voor den bestuurder dezer gewesten een plek aan den linkeroever uitgezocht, vanwaar hij het schouwspel in de grootste kracht en van nabij zou kunnen zien. Benedenstrooms lag een zacht krommende rivierbocht met iets hoogeren rand, welke bij elken beno werd afgebrokkeld; was deze bocht gepasseerd, dan ging de stuwvloed met groote snelheid een recht rivierstuk op, en hier vertoonde de beno zich op zijn best.Het was midden December, de moesson-regens hadden de rivier rijk gemaakt, en het was springvloed, twee factoren welke een hoogen stuwvloed deden verwachten. In dezen tijd van het jaar ging vrijwel geen dag voorbij zonder regen, daarom hadden rappe handen aan den oever een eenvoudig hutje gemaakt, een afdak van bladeren boven enkele banken van twijgen en takken, waarop de gouverneur, de plaatselijk besturend ambtenaar en eenige hoofden der bevolking zich in afwachting van de komende dingen hadden neergezet. Ook de oude Kampar-loods was met hen. Hij had den vorigen avond het Gouvernements-vaartuig „Diana”, waarmee de gouverneur de reizen in deze streken maakte, veilig ten anker gebracht achter het eiland Ketam, waar de beno nimmer gevaarlijk is; en in den vroegen[40]morgen was het gezelschap in een lichte prauw stroomop geroeid.Het was tien uur. De rivier, welke op deze plek meer dan drie honderd meter breed is, stroomde rustig langs den tien voet hoogen, steilen oeverrand. Het was nog eb, eerst over een uur werd de beno verwacht. Loodkleurig onder den zwaar betrokken hemel strekte het stille watervlak zich uit, dat men, van dit punt uit, kilometers ver naar boven- en naar benedenstrooms kan overzien.„Is dit nu de plek, waar de beno voor de vaart het gevaarlijkst is?” vroeg de gouverneur.„Neen, meneer,” antwoordde de loods, „het gevaarlijkste punt is bij Tandjoeng Poelai. De beno loopt den Kamparmond in van drie kanten, tusschen de zandbanken door, en vormt zich bij Ketam; daar is hij al merkbaar, maar niet gevaarlijk. Dan begint hij te zwellen en wordt al sterker en sneller; en op den drempel bij Poelai is hij het hoogst, wel tien voet en meer; daar spookt hij geweldig; maar ik heb u daar niet gebracht, omdat men daar niet zoo ver naar alle kanten kan zien en omdat er geen veilige plek aan den kant is als hier, waar wij nu zijn; hier komt hij ook wel eens drie meter hoog, maar heel zelden.”„En waar is de „Madjoe” vergaan, en hoe kwam dat?”„Dat gebeurde twaalf jaar geleden bij Tandjoeng Niboeng. Het was een kleine stoomboot, de bemanning wist niets van de kracht en de werking van den beno af en dacht het wel klaar te zullen spelen. Ze ging rechtop staan, sloeg om en liep dadelijk vol zand, alles was in één oogenblik vernield. De „Madjoe” spookt nog wel eens, maar bij Poelau Lawan, en de heele kampoeng loopt dan uit om het te zien.”„En wat ziet men dan?”De loods keek eens langs de rij hoofden en gaf een hunner een teeken om op de vraag te antwoorden.Een oud, waardig man kuchte even, dat is zoo de gewoonte. Met spanning keken alle anderen naar hem. Dit was een man, die veel wist te vertellen.„Niet iedereen kan dat zien, meneer, daar moet men de ilmoe voor hebben, er zijn maar enkelen, wien dat gegeven is; zij zien de „Madjoe”[41]midden in de rivier. Bij Tandjoeng Semajang is ’t heel anders, dat heb ik zelf gezien.”„Wat hebt ge daar gezien?”De oude man kuchte nog eens. „Ja, meneer, ik zal ’t u vertellen, maar ik weet niet, of u ’t gelooft. Wij menschen aan de rivier zien die dingen, en onze voorvaderen hebben ’t ook gezien. Bij Tandjoeng Semajang, dat vroeger Si Bajang-Bajang heette, woonde heel vroeger een vrouw van den stam Singô Bônô. Wij noemen den beno hierbônô, of hij naar den stamnaam genoemd is, weten wij niet, maar men zegt, dat er toen nog geen beno was. Die vrouw had bovenaardsche macht, en dikwijls kwamen menschen in haar huisje aan den rivierkant om raad te vragen als er thuis zieken waren. Toen zij heel oud was geworden en niet goed meer loopen kon, zei ze op ’n dag tegen de menschen, die haar kwamen bezoeken, dat zij alleen wilde zijn om te bidden. Al die menschen hebben toen gezien, dat ’t huisje èn de oude vrouw plotseling verdwenen waren. Bij die plek is nu een kramat, een heilige plek waar men geloften doet. En als de beno op komt zetten, ziet men van daar, op de rivier, maar heel ver en in een mist, een schip met volle zeilen, of een prauw, die geroeid wordt met veel riemen, maar menschen ziet men nooit. Dikwijls zien wij die boot, ikzelf heb het ook gezien. En wij vinden het prettig als iemand de spookboot ziet, dat brengt geluk over de heele streek.”Het was of de rivier te luisteren lag, zoo sloom, al langzamer, bewoog zij zich.„Hoe lang zou dit al geleden zijn?”„Dat weten wij niet; ’t was in den tijd, dat Toek Engok leefde. Die had ook bovenaardsche macht, hij kon elk willekeurig stuk hout gebruiken om er de rivier mee over te drijven, zelfs in den sterksten stroom. Soms bleef hij wel ’n week achter zijn klamboe. Een nieuwsgierige vrouw gluurde eens in de klamboe en zag, dat Toek Engok niet op zijn slaapplaats lag. Toen hij na eenige dagen uit de klamboe kwam, bekende de vrouw wat zij gedaan en gezien had; en nu vertelde de oude man, dat hij met een djin-vrouw getrouwd was en telkens naar haar toe ging. Hij had kinderen bij die vrouw, ook een zoon,[42]die Radja Alam heette, maar niemand heeft ooit die vrouw en de kinderen gezien,”Al donkerder werd de lucht. Alleen ver benedenstrooms streepte een zandbank fel wit in een zonnestraal. In een boom aan den oever had een groote, grauwgroene vliegenvanger een dooden tak uitgekozen als station voor zijn cirkelvluchtjes. Even loerde hij, dan schoot hij weg, hapte met duidelijk hoorbaar snappen van den snavel een argeloos insect beet, en keerde in een sierlijke bocht terug op precies hetzelfde plekje op zijn tak. En telkens weer cirkelde hij rond en steeds weer knapte de vangende snavel; het was al een kwartierlang het eenige geluid geweest buiten het hutje, waar de mannen stil luisterden naar de oude verhalen.Toen het elf uur was, verdween de vliegenvanger; nu was alles stil, de natuur wachtte. Maar een kwartier later joeg een wilde windstoot door het bosch achter het hutje, en even later ratelde een hagelbui op het bladerendakje. Nog scheen de zon op de witte zandbank in de verte, en ze begon nu ook aan den overkant der rivier te schijnen, de looden hemel had zich ontlast en tusschen zware wolken grijsden lichtere vlekken. De rivier bleef donker, maar de wilde wind schoor over het water en bracht er schichtige schuimvlokken.Twintig minuten vóór twaalf brak plotseling de zon breed door, en nu werd, misschien twee kilometer benedenstrooms, een witte streep dwars over de rivier zichtbaar.„Dáár is-ie!” riepen de mannen, „hoort u dat bruisen, meneer?”Nu hij zichtbaar was, hoorde men ook een zacht geruisch over het water komen. De rivier lag nu doodstil, de menschen zwegen. Snel aangroeiend kwam het bruisend geluid de rivier op en breeder werd de streep. Het was, of een raderboot zich de Kampar opwerkte. Nu brak de witte streep op de daareven verlichte zandbank, en duidelijk waren wild klotsende golven te zien, die hier en daar over de bank sprongen, alsof daar groote dieren renden, opsprongen en weer neerploften. Dan stak een sissende waterdam over naar de flauwe bocht, de hooge wal verdween voor een groot deel en doffe, dreunende schoten klonken, groote brokken van den steilen oever ploften in de kokende branding.[43]De zon bescheen nu de rivier helder, en duidelijk was te zien, hoe het waterfront zich opstelde voor het rechte rivierstuk, dat nu vermeesterd moest worden. In één rechte lijn kwam de schuimende, razende dam opzetten, verrassend snel nu, als een donderende artillerie-charge, maar paard aan paard, nek aan nek, één aaneengesloten front; hier en daar steigerden woeste golven, als wilde paarden. In grommend gebrul stortte de twee meter hooge, kokende vloed zich op het doodstille water, aan den oever spoten moddergolven op, enkele boomen werden van den oever meegesleurd.De grond trilde, de huiverende mannen deden onwillekeurig eenige stappen achteruit, en vóór men het goed besefte, stoof het brullend geweld voorbij; de rivier was plotseling twee meter hooger geworden en er kookte een bruin brouwsel, waar stammen en takken en brokken drijfhout draaiden en wentelden en rechtop gingen staan en weer neer smakten, fel bewogen door geweldige kolken, die elkaar bevochten. In één moment was alles voorbij, ziedend, brullend, en de mannen juichten en brulden mee, met koude ruggegraat …„Hebt u de paarden goed gezien, meneer?” vroeg het oude volkshoofd opgewonden.„Bedoelt ge die springende koppen?”„Ja, die noemen wij de paarden. Men zegt, dat er vroeger zeven wilde paarden waren, die den beno de rivier op trokken. Een opperhoofd van den stam Singo Bono, een groot „gagah” man, heeft er één uit geschoten, en toen is de beno vier malen weg gebleven. Hij is zwaar ziek geworden en heeft nimmer meer kunnen loopen; het is niet goed, zulke dingen te doen, wij menschen moeten voorzichtig zijn”…Dien namiddag vertrok de gouverneur per „Diana” naar Médan, en in den laten avond zat hij in een makkelijken rotan-stoel op het bovendekje van het schip, en dacht terug aan het wonderlijk gebeuren van dien dag.De volle maan spiegelde zich in het rimpelloos water van een der zeestraten in de groep der Bengkalis-eilanden, waar de „Diana”[44]zacht door heen gleed. In den inktzwarten rand van het vloedbosch, tusschen den maannacht en het water, tjirpten de krekels. In enkele struiken aan den kant dansten duizende vuurvliegjes en zij maakten van de struiken rijk bekaarste kerstboompjes, maar de vlammetjes waren zwak fosforiseerende lichtjes, één seconde schenen zij en doofden dan alle even lang weer uit, als op commando, onwezenlijk, spookachtig in den zachten nevel van fosforglans.Was het mogelijk, dat die spokendans van insecten gehoorzaamde aan een regelende macht? Vaste wetten heerschten ook hier, ongetwijfeld, even goed als ginds op die nu weer zoo stille, daareven kokende, ziedende rivier.Een zachte kuch klonk op de trap naar het dekje. De oude loods van de Kampar had verlof gekregen mee te gaan naarMédan, daar woonde een getrouwde dochter, hij had zijn jongste kleinkind nog niet gezien. Zwijgend zette hij zich neer, met den rug tegen de railing. Voelde hij, waarom die eenzame man nog niet tot slapen kon komen in den wonderen maannacht? en dat die man—mensch als hij—behoefte had om nog eens met hem te spreken over het saam doorleefde?„Ik ben blij, dat gij ook nog niet slaapt, loods; gij hebt den beno al zoo dikwijls gezien, maar ik had iets dergelijks nog niet meegemaakt. En nog telkens denk ik aan de verhalen, welke gijlieden mij verteld hebt.”„Ja, meneer, ik heb gezien, hoc u naar ons luisterde; dat doet ons goed, wij zijn gehecht aan die overleveringen. Maar niemand heeft u durven vertellen, wat volgens onze voorvaderen de eigenlijke oorsprong moet zijn van den beno. Het is een vreemd verhaal, en onze godsdienst verbiedt ons aan zulke dingen te gelooven. Maar al waren onze voorvaderen nog niet „orang islam”, zij wisten veel. En al schamen velen zich er openlijk aan te gelooven, in ons hart … Ik zal u het verhaal vertellen.„In oude, oude tijden leefde in het midden-stroomgebied van de Kampar een groot opperhoofd, die een beeldschoone dochter had Men zegt, dat zij wonderlijk geschapen was, haar boezem was half[45]vrouwelijk, half als van ’n man. Maar ze was zóó mooi, dat alle mannen gek op haar waren. Zij trok zich daar niets van aan, ze wilde niets van haar aanbidders weten, en dit gaf het opperhoofd veel zorg. Hij was verbaasd te zien, dat het meisje blijkbaar maar één vriend op de wereld had, haar hond. Maar de vader wist niet, dat die hond de man van zijn dochter was; hij wist dit eerst, toen zij hem kwam bekennen, dat zij spoedig moeder zou zijn … en toen zeven kinderen werden geboren, bleken ze allen hondjes te zijn. Doodbeschaamd gooide het opperhoofd alle hondjes in de rivier, om elk spoor van deze vreeselijke schande te doen verdwijnen.Langs de volle maan, stippelden zich enkele kalong’s af.„Maar ziet! de vloed uit zee, die tot aan het land van het groote opperhoofd aan de oevers merkbaar was, begon zich langzamerhand te rimpelen, de rimpels werden kabbelingen, de kabbelingen groeiden tot golfjes, en zóó werd de beweging in het water al sterker en sterker. Eerst was het ruischen, toen grommen en brullen, en eindelijk was de beno volgroeid. En nu zag men hier en daar, midden in den bruisenden dam, zeven koppen, die de leiding hadden. Dit waren de volwassen geworden honden, die hun moeder zochten. En tot nu toe komen zij telkens weer uit zee, waar zij wonen, en ze rijden op den vloed de Kampar op; en zij springen en grommen, en vernielen alles war zij tegen komen. In woeste vaart razen zij voort, schouder aan schouder; maar telkens weer raken zij eindelijk uitgeput, en zij zakken maar weer af naar zee, waar zij wonen, en den volgenden keer en nog eens, en nòg eens, probeeren zij het weer, maar nimmer vinden zij hun moeder.„Zoo moet de beno ontstaan zijn, dat is van geslacht op geslacht[46]op ons overgegaan. Ik weet niet, of het eigenlijk wel mogelijk is, maar onze voorvaderen wisten zooveel, dat wij nu niet meer begrijpen.”De loods zweeg en keek op naar den stillen man in zijn stoel. Hij zag hem opstaan en naar de railing loopen, waar hij stil bleef turen in den nacht van zilver en zwart. Hoog in de lucht, juist langs de volle maan, stippelden zich enkele kalong’s af, die reusachtige vleermuizen, die ’s avonds met loggen, loomen vleugelslag het oneindige ingaan, met een doel, dat men slechts gissen kan. Nu waren zij misschien op weg naar rijpe boomvruchten ergens op een eiland, dat twintig kilometer uit de kust lag. En ’s morgens zouden zij weer den terugweg aanvaarden, naar de kaal vernielde boomen, waar zij bij honderden hun kolonies hebben. Heen en weer, op en neer, de eeuwen door; als de razende beno en als de dansende vuurvliegjes.Ornament met vleermuis.[47]

[2]

En God noemde hem: Ali Mohammad (blz. 4)En God noemde hem: Ali Mohammad (blz. 4)

En God noemde hem: Ali Mohammad (blz. 4)

[3]

[Inhoud]I.HET OUDSTE WEZEN OP AARDE, EN DE MENSCHPermandjika Allah1tikte een stofje van achter het oor … zóó ontstond de eerste vaste stof in het heelal. Het werd grooter en grooter, en toen het acht vadem in het vierkant mat, zette God zich er op neer.Toen God nu naar beneden zag, ontstond de aarde, en toen Hij opkeek naar boven, strekte zich daar de groote hemel uit. En bij het zien naar links en naar rechts werd de zee geschapen, door blazen de wind.Naast God waren de aartsengelen Israpel, Mikaïl en Djabraïl, en de vijfde was Alahtaälah, Onze Lieve Heer.Toen sprak God: „Laat ons nu Adam scheppen!”En er werd klei gehaald van Modjopahit, en Onze Lieve Heer en de aartsengelen kneedden het, om Adam te vormen.Maar God zag, dat het schepselvierbeenen had, en Hij sprak: „Dit is Adam nog niet”, en de goddelijke adem blies het schepsel naar de aarde en het was daar De Oudste, Setoewò, de Tijger.Nu werd nieuwe klei van Modjopahit gehaald, maar de engelen vormden er schepsels uit van negen, acht en zeven vadem lang, en zij werden tot goddelijke wezens: de Déwa Parali, negen in aantal, en de acht Déwata’s en de zeven Déwa’s, maar Adam was nòg niet gelukt.Toen maakte Onze Lieve Heer een schepsel met vier pooten en[4]een langen staart. Maar God, die wist hoe Adam zijn moest, noemde dit wezen Alilias en liet het in zee vallen, den Krokodil.Nog eens liet God probeeren Adam te scheppen, maar het nieuwe schepsel was groot en had vier zware pooten … God liet hem neer op aarde: Aliliman, den Olifant.Toen liet God den aartsengel Djabraïl zich spiegelen in het stille water van een diepe rivierbocht, en naar het beeld, dat het water weergaf, werd Adam gevormd, en God noemde hem: Ali Mohammad.Nu gaf God een menschenziel aan Onzen Lieven Heer, liet hem die goed in de gesloten hand houden om haar aan Adam te brengen en hem die ziel in te blazen.Tot vier malen opende Onze Lieve Heer onderweg de hand, eerst de vijfde maal kreeg Adam zijn ziel.Toen sprak God: „Gij hebt vier malen uit uw hand laten vallen, wat ik u gegeven had. Gaat heen en ziet, wat daaruit geworden is!”En nu zag Onze Lieve Heer, dat op de plek, waar hij de eerste maal zijn hand had geopend,pisang’s(bananen) waren opgeschoten; op de plaats, waar het voor de tweede maal was gebeurd, groeidekladi(eetbare colocasia);maiszag hij op de derde plek, enrijstwas het laatste der gewassen, welke, door de wijsheid en goedertierenheid van God, aan den mensch waren vooraf gegaan om hem te voeden.Ornament met vleermuis.[5]1Permandjika Allah, een verbastering van het Arabischfirman Allahhet goddelijk woord. De gegeven overlevering uit Manna, in de residentie Bengkoelen, is een kostelijk voorbeeld van de vermenging van mohammedaansche, uitheemsche en daardoor onbegrepene zaken, en de bekoorlijke zielsuitingen van den „heiden” met zijn terugblik naar den Hindoe-Javaanschen tijd (de klei van Modjopahit!), met zijn goden en zijn Natuur. Merkwaardig is de verheffing van die wilde dieren, voor welke de Maleiers het meeste ontzag hebben, tot „ouderen” van den mensch.↑

I.HET OUDSTE WEZEN OP AARDE, EN DE MENSCH

Permandjika Allah1tikte een stofje van achter het oor … zóó ontstond de eerste vaste stof in het heelal. Het werd grooter en grooter, en toen het acht vadem in het vierkant mat, zette God zich er op neer.Toen God nu naar beneden zag, ontstond de aarde, en toen Hij opkeek naar boven, strekte zich daar de groote hemel uit. En bij het zien naar links en naar rechts werd de zee geschapen, door blazen de wind.Naast God waren de aartsengelen Israpel, Mikaïl en Djabraïl, en de vijfde was Alahtaälah, Onze Lieve Heer.Toen sprak God: „Laat ons nu Adam scheppen!”En er werd klei gehaald van Modjopahit, en Onze Lieve Heer en de aartsengelen kneedden het, om Adam te vormen.Maar God zag, dat het schepselvierbeenen had, en Hij sprak: „Dit is Adam nog niet”, en de goddelijke adem blies het schepsel naar de aarde en het was daar De Oudste, Setoewò, de Tijger.Nu werd nieuwe klei van Modjopahit gehaald, maar de engelen vormden er schepsels uit van negen, acht en zeven vadem lang, en zij werden tot goddelijke wezens: de Déwa Parali, negen in aantal, en de acht Déwata’s en de zeven Déwa’s, maar Adam was nòg niet gelukt.Toen maakte Onze Lieve Heer een schepsel met vier pooten en[4]een langen staart. Maar God, die wist hoe Adam zijn moest, noemde dit wezen Alilias en liet het in zee vallen, den Krokodil.Nog eens liet God probeeren Adam te scheppen, maar het nieuwe schepsel was groot en had vier zware pooten … God liet hem neer op aarde: Aliliman, den Olifant.Toen liet God den aartsengel Djabraïl zich spiegelen in het stille water van een diepe rivierbocht, en naar het beeld, dat het water weergaf, werd Adam gevormd, en God noemde hem: Ali Mohammad.Nu gaf God een menschenziel aan Onzen Lieven Heer, liet hem die goed in de gesloten hand houden om haar aan Adam te brengen en hem die ziel in te blazen.Tot vier malen opende Onze Lieve Heer onderweg de hand, eerst de vijfde maal kreeg Adam zijn ziel.Toen sprak God: „Gij hebt vier malen uit uw hand laten vallen, wat ik u gegeven had. Gaat heen en ziet, wat daaruit geworden is!”En nu zag Onze Lieve Heer, dat op de plek, waar hij de eerste maal zijn hand had geopend,pisang’s(bananen) waren opgeschoten; op de plaats, waar het voor de tweede maal was gebeurd, groeidekladi(eetbare colocasia);maiszag hij op de derde plek, enrijstwas het laatste der gewassen, welke, door de wijsheid en goedertierenheid van God, aan den mensch waren vooraf gegaan om hem te voeden.Ornament met vleermuis.[5]

Permandjika Allah1tikte een stofje van achter het oor … zóó ontstond de eerste vaste stof in het heelal. Het werd grooter en grooter, en toen het acht vadem in het vierkant mat, zette God zich er op neer.

Toen God nu naar beneden zag, ontstond de aarde, en toen Hij opkeek naar boven, strekte zich daar de groote hemel uit. En bij het zien naar links en naar rechts werd de zee geschapen, door blazen de wind.

Naast God waren de aartsengelen Israpel, Mikaïl en Djabraïl, en de vijfde was Alahtaälah, Onze Lieve Heer.

Toen sprak God: „Laat ons nu Adam scheppen!”

En er werd klei gehaald van Modjopahit, en Onze Lieve Heer en de aartsengelen kneedden het, om Adam te vormen.

Maar God zag, dat het schepselvierbeenen had, en Hij sprak: „Dit is Adam nog niet”, en de goddelijke adem blies het schepsel naar de aarde en het was daar De Oudste, Setoewò, de Tijger.

Nu werd nieuwe klei van Modjopahit gehaald, maar de engelen vormden er schepsels uit van negen, acht en zeven vadem lang, en zij werden tot goddelijke wezens: de Déwa Parali, negen in aantal, en de acht Déwata’s en de zeven Déwa’s, maar Adam was nòg niet gelukt.

Toen maakte Onze Lieve Heer een schepsel met vier pooten en[4]een langen staart. Maar God, die wist hoe Adam zijn moest, noemde dit wezen Alilias en liet het in zee vallen, den Krokodil.

Nog eens liet God probeeren Adam te scheppen, maar het nieuwe schepsel was groot en had vier zware pooten … God liet hem neer op aarde: Aliliman, den Olifant.

Toen liet God den aartsengel Djabraïl zich spiegelen in het stille water van een diepe rivierbocht, en naar het beeld, dat het water weergaf, werd Adam gevormd, en God noemde hem: Ali Mohammad.

Nu gaf God een menschenziel aan Onzen Lieven Heer, liet hem die goed in de gesloten hand houden om haar aan Adam te brengen en hem die ziel in te blazen.

Tot vier malen opende Onze Lieve Heer onderweg de hand, eerst de vijfde maal kreeg Adam zijn ziel.

Toen sprak God: „Gij hebt vier malen uit uw hand laten vallen, wat ik u gegeven had. Gaat heen en ziet, wat daaruit geworden is!”

En nu zag Onze Lieve Heer, dat op de plek, waar hij de eerste maal zijn hand had geopend,pisang’s(bananen) waren opgeschoten; op de plaats, waar het voor de tweede maal was gebeurd, groeidekladi(eetbare colocasia);maiszag hij op de derde plek, enrijstwas het laatste der gewassen, welke, door de wijsheid en goedertierenheid van God, aan den mensch waren vooraf gegaan om hem te voeden.

Ornament met vleermuis.

[5]

1Permandjika Allah, een verbastering van het Arabischfirman Allahhet goddelijk woord. De gegeven overlevering uit Manna, in de residentie Bengkoelen, is een kostelijk voorbeeld van de vermenging van mohammedaansche, uitheemsche en daardoor onbegrepene zaken, en de bekoorlijke zielsuitingen van den „heiden” met zijn terugblik naar den Hindoe-Javaanschen tijd (de klei van Modjopahit!), met zijn goden en zijn Natuur. Merkwaardig is de verheffing van die wilde dieren, voor welke de Maleiers het meeste ontzag hebben, tot „ouderen” van den mensch.↑

1Permandjika Allah, een verbastering van het Arabischfirman Allahhet goddelijk woord. De gegeven overlevering uit Manna, in de residentie Bengkoelen, is een kostelijk voorbeeld van de vermenging van mohammedaansche, uitheemsche en daardoor onbegrepene zaken, en de bekoorlijke zielsuitingen van den „heiden” met zijn terugblik naar den Hindoe-Javaanschen tijd (de klei van Modjopahit!), met zijn goden en zijn Natuur. Merkwaardig is de verheffing van die wilde dieren, voor welke de Maleiers het meeste ontzag hebben, tot „ouderen” van den mensch.↑

1Permandjika Allah, een verbastering van het Arabischfirman Allahhet goddelijk woord. De gegeven overlevering uit Manna, in de residentie Bengkoelen, is een kostelijk voorbeeld van de vermenging van mohammedaansche, uitheemsche en daardoor onbegrepene zaken, en de bekoorlijke zielsuitingen van den „heiden” met zijn terugblik naar den Hindoe-Javaanschen tijd (de klei van Modjopahit!), met zijn goden en zijn Natuur. Merkwaardig is de verheffing van die wilde dieren, voor welke de Maleiers het meeste ontzag hebben, tot „ouderen” van den mensch.↑

1Permandjika Allah, een verbastering van het Arabischfirman Allahhet goddelijk woord. De gegeven overlevering uit Manna, in de residentie Bengkoelen, is een kostelijk voorbeeld van de vermenging van mohammedaansche, uitheemsche en daardoor onbegrepene zaken, en de bekoorlijke zielsuitingen van den „heiden” met zijn terugblik naar den Hindoe-Javaanschen tijd (de klei van Modjopahit!), met zijn goden en zijn Natuur. Merkwaardig is de verheffing van die wilde dieren, voor welke de Maleiers het meeste ontzag hebben, tot „ouderen” van den mensch.↑

[Inhoud]II.VAN MENSCH TOT TIJGERAls in den gloeienden middag in de dorpen de honden niet meer blaffen en de menschen te loom zijn om te praten, als de boomen onbegrijpelijk roerloos staan in de drukkende stilte, als alleen de rosse kiekendief tegen het strakke blauw in cirkels rondglijdt en zijn akeligen schreeuw doet hooren, dan trillen de hittegolven boven de doodstille alang-alang velden, waar geen levend wezen meer beweegt.Maar soms ziet men in dat stovende, stil wachtende, hooge gras één enkelen scherpen spriet in wonderlijke trilling; als een degenkling, die, zuiver verticaal, snel heen en terug wordt gedrild.Wankelbaar aangezet … zegt de nuchtere westerling; in het bosch ziet men bij schijnbaar volslagen windstilte dikwijls één enkel groot blad doelloos heen en weer zwaaien, met onverklaarbare kracht, en lang achtereen.Maar de nakomelingen van Bittertong in Zuid-Sumatra, zij, die de oude overleveringen van den stam kennen, weten het wel beter wat dien spriet doet trillen, en zij gedenken den grooten voorvader en zijn bovenaardsche macht.Seroenting was zijn naam; Padang Langgar in Pasemah Lébar, in de bovenlanden van Palèmbang, was zijn dorp. Hij had vader noch moeder, en ieder wist dat hijsaktiwas, begaafd met bovenaardsche macht.[6]Hij was gehuwd met Poetri Bidadari, een zuster van Arija Tebing, ook een machtig man in Pasemah.De zwagers hadden hun ladang’s in het oerwoud uitgekapt, naast elkaar, slechts een gevelde boomstam vormde de grens. Maar aan de zijde van het rijstveld van den arija werd de schors van dien boomstam goud, terwijl aan Seroenting’s kant slechts zwammen en paddestoelen opschoten. En al draaide hij ’s nachts den stam wel eens om, steeds was het goud voor den zwager, de zwammen voor hem.Dit werd den sterken man te machtig en hij schraapte het goud van den anderen kant naar zich toe. Maar nu vielen harde woorden, en het eind was een strijd op leven en dood tusschen de zwagers met hun aanhangers.Daar zij even „sakti” waren, kwam het niet tot een beslissing. Het was echter den arija opgevallen, dat, wanneer hij in het gevecht zijn zwager uitdagend iets toeriep, diens stem telkens uit een andere richting antwoordde. Tebing vond het raadzaam den strijd op te schorten, tot hij achter het geheim van zijn zwager zoude zijn, en hij wist zijn zuster over te halen om dat geheim aan haar man te ontfutselen.Op een warmen dag, toen Seroenting van een bad in de rivier thuis kwam, stelde zij hem voor zijn lang haar eens te reinigen.1De zachte handen van zijn vrouw maakten zijn hersens doezelig … en toen zij dat merkte, weefde zij haar net om den niet meer waakschen man te vangen.Den volgenden dag kon zij haar broeder zeggen, dat Seroenting de macht had zijn ziel te verbergen in een alang-alang blad. „Kijk maar eens rond,” had hij gezegd, „als er één spriet staat te drillen, dáár heb ik mijn ziel verborgen; niemand weet dat, en daarom kan men mij niet dooden. Men moest eens weten, dat men mij dan toch kan kwetsen door het blad te speren met een steel van de bamban!”2Dadelijk heropende nu Arija Tebing de vijandelijkheden; al spoedig had hij de gelegenheid een drillend alang-alang blad met een Donax-steel te spietsen … de strijdenden zagen Seroenting plotseling voorover vallen, met een zware wond aan het been, en uit het geknakte blad lekte een druppel bloed.[7]Seroenting had den strijd verloren. En uit den druppel bloed werd de eerste Kreupele Tijger geboren; zijn nakomelingen wonen op de hellingen van den vulkaan Dempo, en zij zijn voor anderen dan Seroenting’s afstammelingen de meest gevreesde dieren in Sumatra’s oerwouden.Seroenting was zóó onder den indruk van het gepleegde verraad, dat hij besloot in zee den dood te zoeken. Hij bakte van klei een groote martavaan, zette zich daarin neer en liet zich de rivier afzakken. Maar een bandjir joeg de tempajan door de branding en zette Seroenting op een eiland. Daar woonde een oud man, die van Modjopahit kwam. Seroenting vertelde hem alles, en vroeg hem hulp om zich te kunnen wreken.„Doe je mond eens open … dit is mijn hulp,” zeide de oude man en spuwde hem in den open mond.En toen Seroenting verbaasd zeide, dat deze hulp weinig zou baten, liet de grijsaard hem de oogen sluiten, en toen hij ze weder opende, was de oude verdwenen, en hij zag, dat hij terug was in zijn eigen woning, zijn vrouw was van wroeging gestorven.Men stroomde samen om zich van dit wonder te overtuigen. Er moest nu feest worden gevierd, en Seroenting liet zijn zuster vlug rijst wasschen aan de rivier. Maar toen zij wat lang weg bleef en hij gekscherend zeide: „zij zal versteend zijn!”… ziet, daar vond men op de Padang Pandjamoeran het meisje als een steenen beeld terug.Seroenting Sakti en de aanwezigen begrepen nu plotseling, dat hij de vreeselijke macht had gekregen om menschen tot steen te kunnen vervloeken, dat zijn tong (lidah) scherp en bitter (pahit) was; Pahit Lidah (Bittertong) werd nu zijn titel.3Arija Tebing vluchtte met al zijn volgelingen naar het westen, naar de woeste wouden van den Barisan-keten. Bij den Gebroken Berg (Boekit Patah), tusschen Pasemah Lébar en de marga Kelam, haalde Bittertong zijn zwager en de zijnen in, maar zij verscholen zich goed, zoodat Bittertong hen niet vinden kon. Toen riep hij uit: „Verdwijn dan maar voor goed en wordt steen, of allerlei ziekten!”„Goed,” antwoordde Arija Tebing, „wij zullen als veroorzakers[8]van ziekten hier op den Gebroken Berg blijven wonen, en als je kinderen en kindskinderen hier passeeren, vermoorden wij hen”…Kleine, groene vogeltjes (boeroeng idjong), die nergens anders voorkomen, bewaken nog steeds den bergpas, en wee! den afstammeling van Seroenting, die hun scherpe snaveltjes durft te trotseeren, het stille oerwoud laat hem niet weer los.Poetri Bidadari had Seroenting een zoon geschonken, Semidang Sakti genaamd, en deze is de stamvader geworden van den grooten stam Semidang, die zich ten westen van den Gebroken Berg, aan de westkust van Zuid-Sumatra, gevestigd en ontwikkeld heeft.Een van de centra van dien stam is het land om de woeste Padang Goetji-rivier, welke haar graniet-rolsteenen tot speelgoed geeft aan de eeuwige branding, die ze ronder en kleiner rolt, en ze eindelijk mijlen ver langs de kust opstapelt.Eeuwen geleden trok een troepje menschen langs den bovenloop van de Padang Goetji-rivier door de nog nooit door menschenvoet betreden oerwouden, het ongestoord domein van olifant, neushoorn en tapir.Sangga Roedjoengan, een kleinzoon van Bittertong, zocht met de zijnen naar goeden, vlakken grond langs de rivier, waar men ladang’s zou kunnen aanleggen. De breede paden der olifanten maakten het zoeken gemakkelijk, de eerste hutten werden aan den waterkant opgezet, en al spoedig kwamen ook anderen uit het oorsprongsland den voortrekker achterna.Briang noemden zij de plaats, waar zij hun rijstvelden uit het zware bosch kapten, elk jaar werden weer nieuwe ladang’s aangelegd, en aan den boschrand leefde men gelukkig. Wel begonnen varkens hen al spoedig te plagen, en de apen leerden, dat hier wat te halen viel; ook kregen de kolonisten geregeld bezoek van kudden olifanten, die slechts met de grootste moeite werden verjaagd nadat zij geheele velden rijst hadden afgegraasd en vertrapt. Maar toch was de padi-opbrengst meer dan voldoende, en de gevreesde pokken, de ziekte,[9]die zoovele stammen teisterde vóór de Hollanders haar bestreden, scheen hier niet te zullen komen in dit gezegend oord.In de eerste jaren was op de verlaten velden al spoedig weer nieuw bosch opgeschoten; maar toen het veestapeltje zich uitbreidde, gaven de koeien het bosch weinig gelegenheid zich te herstellen, en waar de rijst gestaan had, schoot welig de onuitroeibare op, de alang-alang. Zij strekte het vee tot voedsel, en werd ze te oud en te hard, zoodat de runderen het scherpe gras niet meer lustten, vermengd als het bovendien raakte met dood, vergaan blad, dan werd in den drogen tijd de brand erin gestoken. Bijna alle uitloopers en alle opslag van loofhout gingen in de knetterende vlammenzee verloren, ook alle nesten van wilde kippen, van kwartels enleeuweriken; maar op den zwarten grond kwamen al na enkele dagen de scherpe, heldergroene sprietjes van de onuitroeibare op, en het was smullen voor het vee. Ook herten en reeën kwamen nu, in schichtig oorenspel, den boschrand uit, likten de zilte asch van den grond en graasden de sprieten af … om dikwijls een prooi van den loerenden mensch te worden, die hen wild opjoeg naar de in lange rij opgestelde, taaie rotan-strikken.Zoo ging het jaar na jaar. Maar niet alle oude alang-alang werd het vuur tot prooi. Groote hoeveelheden toch werden door de kolonisten gesneden, om, tot bossen gebonden, te dienen als dakbedekking der woningen.Op een gloeiend heeten dag stond Sangga Roedjoengan alang-alang te snijden aan den versten boschrand. Het was reeds lang het uur, dat zijn vrouw hem als gewoonlijk nasi (gekookte rijst) moest brengen, waarom bleef zij vandaag zoo lang weg? Het kon niet, dat zij het vergeten zou hebben … en hoe onuitstaanbaar boorde toch vandaag de zon tot in zijn hersens, hij hield het haast niet uit; juist nu, dat hij ook zoo’n onbegrijpelijken dorst had; stellig had zijn vrouw een bamboekoker water bij zich …Nevels trokken voor zijn oogen, waar bleef toch zijn vrouw, het was om gek te worden!Thuis huilde het jongste kind zóó klagelijk, dat moeder voor de eerste maal het oudste meisje maar naar vader zond. Zij was zoo flink[10]al, en midden in de grootste daghitte zou ze wel geen nijdige varkens of andere dieren ontmoeten. Het kind zette de mand nasi op het hoofd en ging op weg, en toen de bakoel zwaar werd en de nek moe, bracht zij de handjes aan de slapen, de ellebogen wijd uitgezet, dat gaf ’t hoofd steun.In de doodstille alang-alang, in de trillende hittegolven, kreunde de vader van dorst en honger, en wilde gedachten maakten hem tot een ander wezen. Zie! wat kwam daar het pad af?… dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert? Vleesch om te eten, bloed om te drinken! Hij kroop neer in het hooge gras, en in één sprong bemachtigde hij het wezen en verslond het rauw om den inwendigen brand te stillen …Maar toen hij lange haren in den mond voelde, kwam hij tot bezinning en vroeg zich af, wat er toch met hem gebeurd was. Hij snelde naar huis, en toen hij daar hoorde, dat zijn kind met het eten gestuurd was, rende hij terug naar de alang-alang en zag daar, naast overblijfselen van een lichaam, een paar armbandjes, welke hij maar al te goed herkende.Sangga Roedjoengan begreep en voelde, dat hijanderswas geworden; een wilde lust trok hem naar het diepe, koele woud, weg uit dit licht, weg van de menschen. Maar hij had nog de kracht om naar zijn vrouw te gaan en haar te zeggen, dat hij een verschrikkelijke vergissing had begaan …„Houd mij niet tegen, ik ben niet meer een mensch als vroeger, ik moet weg, het bosch in. Je zult mij nimmer als mensch terug zien, maar ik ben niet voor je verloren: als jij of de kinderen, en alle onze nakomelingen, soesah hebben, zoek mij dan op „di Padang Soedoet”, aan den rand van het oerwoud. Maak dan een sanggal, een offer van vier rauwe kippeneieren en „padi dirandang”,4en leg de eieren tusschen lamang5. Maar, vrouw, zeg aan de kinderen, dat zij, noch iemand van onzen stam ooit meer een bakoel op het hoofd mogen dragen, en nimmer met de handen aan de slapen mogen loopen. Ik[12]voel, dat ik De Oude, Setoewo6zal worden, en zooals ik nu een witten lendendoek draag, zoo zal ik aan een witten band kenbaar zijn”… en mèt was hij verdwenen.Het is eerst tien jaar geleden, dat de menschen van Briang gebrek kregen aan grond en weg moesten trekken uit het oude land. Amaloedin, de lamme, was de laatste, die den tijger geworden voorvader met een sanggal aan den boschrand opriep, wanneer men soesah had in den stam; hij is nu zes jaar dood, en niemand weet meer precies, hoe Amaloedin voeling hield met den voorvader.Zie! wat kwam daar het pad af?... dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert?Zie! wat kwam daar het pad af?… dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert?Maar wie van den stam herinnert zich niet, hoe de groote koningstijger met den witten buik zich dikwijls vertoonde bij feesten, en hoe hij rustig bij een der vreugdevuurtjes zich uitstrekte en meemaakte de vreugde van zijn vele nakomelingen! Hoe weten velen zich te herinneren, dat zij als kleine jongen naar het dier gooiden, en hoe doodelijk verschrikt zij waren, als hij hen dan aanviel, al deed hij hen geen kwaad. En zij, die, tegen het adat-verbod in, pisang brachten naar een feest, moesten tot straf ondergaan, dat de tijger hen dreigend bij de hand greep, zonder echter door te bijten.Al is de band nu verbroken, de laatsten, die in Briang gewoond hebben, zouden niet den moed hebben een mandje op het hoofd te dragen, en voor den geheelen stam van Semidang geldt nog het heilig verbod om onder het loopen de handen aan de slapen te brengen, omdat dit het vreeselijk onheil gebracht heeft over den kleinzoon van Bittertong.Ornament met cicade.[13]1Dit haar-toilet, in het bijzonder onder vrouwen, is in het gezinsleven een uiting van hartelijkheid. Men ziet in de binnenlanden dikwijls een aaneengesloten rijtje van vrouwen en meisjes in de voorgalerij van een huis, op de bermen van den weg of in hoeken van marktpleintjes, gezellig bezig om elkaar dezen dienst te bewijzen.↑2Bamban (emban) is een Maranta: Donax grandis. De steel is als hard bies. Naar het ovale blad noemt men een speer-lemmet van dien vorm; deze gelijkenis zal dit gedeelte van de meest vermaarde overlevering in Zuid-Sumatra hebben doen ontstaan.↑3Deze overlevering van Bittertong moeten wij als volgt begrijpen. In de Pasemah-hoogvlakte, waar het verhaal speelt, zijn tal van hoogst merkwaardige beelden gevonden van menschen- en dierenfiguren (door mij beschreven in Bijlage D. van het Oudheidkundig Verslag, Batavia, 1ste kwartaal 1922, met 43 foto’s) waarschijnlijk[160]vervaardigd in de eerste eeuwen onzer jaartelling, maar waaromtrent nog geen zekerheid bestaat. Nadat de volksstam, wiens grootheid die beelden waren, waarschijnlijk Negrito’s, door onbekende oorzaken verdween en de geheele streek volkomen verlaten was, maakte het zware bosch er zich weder meester van. Eerst eeuwen later kwamen nieuwe bewoners, zij waanden zich de eerste ontginners van het land, en toen zij onder en tusschen de wortels van de reuzen van het woud „versteende menschen en dieren” vonden, moest wel worden gedacht aan bovenaardsche invloeden. En zoo werd de legende van Bittertong geboren, den zwerver, die op zijn tochten overal menschen en dieren tot steen vervloekte; die van bloeiende nederzettingen een rotspartij maakte, enkel en alleen omdat men om hem lachte of het hem niet naar den zin maakte. Voor zijn rekening komt ook, in de beneden-landen van Palembang, het verdwijnen van Çiwaitische enBoeddhistischevestigingen aan de rivieren en de meren, waarvan men slechts nog de roode baksteenen vindt der tjandi’s en urnen, kralen en scherven. Hij „terroriseerde” geheel Zuid-Sumatra, van den Vlakken Hoek aan de zuidpunt tot in Djambi’s bovenlanden, van Aboeng in Tanah Lampoeng tot Moeko-Moeko aan de wilde westkust.Met andere woorden: overal, waar bij de plaatselijke bevolking de legende van Pahit Lidah (Bittertong) levendig is, daar kan men er vrij zeker van zijn, dat er overblijfselen van oudheden te vinden zijn of geweest zijn.Bittertong was dus niet één man, men moet hier denken aan een volksstam (Hindoe-Javanen of Hindoe-Maleiers), die over Zuid-Sumatra uitzwermde na het tijdvak, waarin de knappe beeldhouwers van Pasemah leefden, of aan het eind van die periode.↑4gepofte padi.↑5in dunne bamboe-kokers gestoomde kleefrijst.↑6Setoewo, de tijger.↑

II.VAN MENSCH TOT TIJGER

Als in den gloeienden middag in de dorpen de honden niet meer blaffen en de menschen te loom zijn om te praten, als de boomen onbegrijpelijk roerloos staan in de drukkende stilte, als alleen de rosse kiekendief tegen het strakke blauw in cirkels rondglijdt en zijn akeligen schreeuw doet hooren, dan trillen de hittegolven boven de doodstille alang-alang velden, waar geen levend wezen meer beweegt.Maar soms ziet men in dat stovende, stil wachtende, hooge gras één enkelen scherpen spriet in wonderlijke trilling; als een degenkling, die, zuiver verticaal, snel heen en terug wordt gedrild.Wankelbaar aangezet … zegt de nuchtere westerling; in het bosch ziet men bij schijnbaar volslagen windstilte dikwijls één enkel groot blad doelloos heen en weer zwaaien, met onverklaarbare kracht, en lang achtereen.Maar de nakomelingen van Bittertong in Zuid-Sumatra, zij, die de oude overleveringen van den stam kennen, weten het wel beter wat dien spriet doet trillen, en zij gedenken den grooten voorvader en zijn bovenaardsche macht.Seroenting was zijn naam; Padang Langgar in Pasemah Lébar, in de bovenlanden van Palèmbang, was zijn dorp. Hij had vader noch moeder, en ieder wist dat hijsaktiwas, begaafd met bovenaardsche macht.[6]Hij was gehuwd met Poetri Bidadari, een zuster van Arija Tebing, ook een machtig man in Pasemah.De zwagers hadden hun ladang’s in het oerwoud uitgekapt, naast elkaar, slechts een gevelde boomstam vormde de grens. Maar aan de zijde van het rijstveld van den arija werd de schors van dien boomstam goud, terwijl aan Seroenting’s kant slechts zwammen en paddestoelen opschoten. En al draaide hij ’s nachts den stam wel eens om, steeds was het goud voor den zwager, de zwammen voor hem.Dit werd den sterken man te machtig en hij schraapte het goud van den anderen kant naar zich toe. Maar nu vielen harde woorden, en het eind was een strijd op leven en dood tusschen de zwagers met hun aanhangers.Daar zij even „sakti” waren, kwam het niet tot een beslissing. Het was echter den arija opgevallen, dat, wanneer hij in het gevecht zijn zwager uitdagend iets toeriep, diens stem telkens uit een andere richting antwoordde. Tebing vond het raadzaam den strijd op te schorten, tot hij achter het geheim van zijn zwager zoude zijn, en hij wist zijn zuster over te halen om dat geheim aan haar man te ontfutselen.Op een warmen dag, toen Seroenting van een bad in de rivier thuis kwam, stelde zij hem voor zijn lang haar eens te reinigen.1De zachte handen van zijn vrouw maakten zijn hersens doezelig … en toen zij dat merkte, weefde zij haar net om den niet meer waakschen man te vangen.Den volgenden dag kon zij haar broeder zeggen, dat Seroenting de macht had zijn ziel te verbergen in een alang-alang blad. „Kijk maar eens rond,” had hij gezegd, „als er één spriet staat te drillen, dáár heb ik mijn ziel verborgen; niemand weet dat, en daarom kan men mij niet dooden. Men moest eens weten, dat men mij dan toch kan kwetsen door het blad te speren met een steel van de bamban!”2Dadelijk heropende nu Arija Tebing de vijandelijkheden; al spoedig had hij de gelegenheid een drillend alang-alang blad met een Donax-steel te spietsen … de strijdenden zagen Seroenting plotseling voorover vallen, met een zware wond aan het been, en uit het geknakte blad lekte een druppel bloed.[7]Seroenting had den strijd verloren. En uit den druppel bloed werd de eerste Kreupele Tijger geboren; zijn nakomelingen wonen op de hellingen van den vulkaan Dempo, en zij zijn voor anderen dan Seroenting’s afstammelingen de meest gevreesde dieren in Sumatra’s oerwouden.Seroenting was zóó onder den indruk van het gepleegde verraad, dat hij besloot in zee den dood te zoeken. Hij bakte van klei een groote martavaan, zette zich daarin neer en liet zich de rivier afzakken. Maar een bandjir joeg de tempajan door de branding en zette Seroenting op een eiland. Daar woonde een oud man, die van Modjopahit kwam. Seroenting vertelde hem alles, en vroeg hem hulp om zich te kunnen wreken.„Doe je mond eens open … dit is mijn hulp,” zeide de oude man en spuwde hem in den open mond.En toen Seroenting verbaasd zeide, dat deze hulp weinig zou baten, liet de grijsaard hem de oogen sluiten, en toen hij ze weder opende, was de oude verdwenen, en hij zag, dat hij terug was in zijn eigen woning, zijn vrouw was van wroeging gestorven.Men stroomde samen om zich van dit wonder te overtuigen. Er moest nu feest worden gevierd, en Seroenting liet zijn zuster vlug rijst wasschen aan de rivier. Maar toen zij wat lang weg bleef en hij gekscherend zeide: „zij zal versteend zijn!”… ziet, daar vond men op de Padang Pandjamoeran het meisje als een steenen beeld terug.Seroenting Sakti en de aanwezigen begrepen nu plotseling, dat hij de vreeselijke macht had gekregen om menschen tot steen te kunnen vervloeken, dat zijn tong (lidah) scherp en bitter (pahit) was; Pahit Lidah (Bittertong) werd nu zijn titel.3Arija Tebing vluchtte met al zijn volgelingen naar het westen, naar de woeste wouden van den Barisan-keten. Bij den Gebroken Berg (Boekit Patah), tusschen Pasemah Lébar en de marga Kelam, haalde Bittertong zijn zwager en de zijnen in, maar zij verscholen zich goed, zoodat Bittertong hen niet vinden kon. Toen riep hij uit: „Verdwijn dan maar voor goed en wordt steen, of allerlei ziekten!”„Goed,” antwoordde Arija Tebing, „wij zullen als veroorzakers[8]van ziekten hier op den Gebroken Berg blijven wonen, en als je kinderen en kindskinderen hier passeeren, vermoorden wij hen”…Kleine, groene vogeltjes (boeroeng idjong), die nergens anders voorkomen, bewaken nog steeds den bergpas, en wee! den afstammeling van Seroenting, die hun scherpe snaveltjes durft te trotseeren, het stille oerwoud laat hem niet weer los.Poetri Bidadari had Seroenting een zoon geschonken, Semidang Sakti genaamd, en deze is de stamvader geworden van den grooten stam Semidang, die zich ten westen van den Gebroken Berg, aan de westkust van Zuid-Sumatra, gevestigd en ontwikkeld heeft.Een van de centra van dien stam is het land om de woeste Padang Goetji-rivier, welke haar graniet-rolsteenen tot speelgoed geeft aan de eeuwige branding, die ze ronder en kleiner rolt, en ze eindelijk mijlen ver langs de kust opstapelt.Eeuwen geleden trok een troepje menschen langs den bovenloop van de Padang Goetji-rivier door de nog nooit door menschenvoet betreden oerwouden, het ongestoord domein van olifant, neushoorn en tapir.Sangga Roedjoengan, een kleinzoon van Bittertong, zocht met de zijnen naar goeden, vlakken grond langs de rivier, waar men ladang’s zou kunnen aanleggen. De breede paden der olifanten maakten het zoeken gemakkelijk, de eerste hutten werden aan den waterkant opgezet, en al spoedig kwamen ook anderen uit het oorsprongsland den voortrekker achterna.Briang noemden zij de plaats, waar zij hun rijstvelden uit het zware bosch kapten, elk jaar werden weer nieuwe ladang’s aangelegd, en aan den boschrand leefde men gelukkig. Wel begonnen varkens hen al spoedig te plagen, en de apen leerden, dat hier wat te halen viel; ook kregen de kolonisten geregeld bezoek van kudden olifanten, die slechts met de grootste moeite werden verjaagd nadat zij geheele velden rijst hadden afgegraasd en vertrapt. Maar toch was de padi-opbrengst meer dan voldoende, en de gevreesde pokken, de ziekte,[9]die zoovele stammen teisterde vóór de Hollanders haar bestreden, scheen hier niet te zullen komen in dit gezegend oord.In de eerste jaren was op de verlaten velden al spoedig weer nieuw bosch opgeschoten; maar toen het veestapeltje zich uitbreidde, gaven de koeien het bosch weinig gelegenheid zich te herstellen, en waar de rijst gestaan had, schoot welig de onuitroeibare op, de alang-alang. Zij strekte het vee tot voedsel, en werd ze te oud en te hard, zoodat de runderen het scherpe gras niet meer lustten, vermengd als het bovendien raakte met dood, vergaan blad, dan werd in den drogen tijd de brand erin gestoken. Bijna alle uitloopers en alle opslag van loofhout gingen in de knetterende vlammenzee verloren, ook alle nesten van wilde kippen, van kwartels enleeuweriken; maar op den zwarten grond kwamen al na enkele dagen de scherpe, heldergroene sprietjes van de onuitroeibare op, en het was smullen voor het vee. Ook herten en reeën kwamen nu, in schichtig oorenspel, den boschrand uit, likten de zilte asch van den grond en graasden de sprieten af … om dikwijls een prooi van den loerenden mensch te worden, die hen wild opjoeg naar de in lange rij opgestelde, taaie rotan-strikken.Zoo ging het jaar na jaar. Maar niet alle oude alang-alang werd het vuur tot prooi. Groote hoeveelheden toch werden door de kolonisten gesneden, om, tot bossen gebonden, te dienen als dakbedekking der woningen.Op een gloeiend heeten dag stond Sangga Roedjoengan alang-alang te snijden aan den versten boschrand. Het was reeds lang het uur, dat zijn vrouw hem als gewoonlijk nasi (gekookte rijst) moest brengen, waarom bleef zij vandaag zoo lang weg? Het kon niet, dat zij het vergeten zou hebben … en hoe onuitstaanbaar boorde toch vandaag de zon tot in zijn hersens, hij hield het haast niet uit; juist nu, dat hij ook zoo’n onbegrijpelijken dorst had; stellig had zijn vrouw een bamboekoker water bij zich …Nevels trokken voor zijn oogen, waar bleef toch zijn vrouw, het was om gek te worden!Thuis huilde het jongste kind zóó klagelijk, dat moeder voor de eerste maal het oudste meisje maar naar vader zond. Zij was zoo flink[10]al, en midden in de grootste daghitte zou ze wel geen nijdige varkens of andere dieren ontmoeten. Het kind zette de mand nasi op het hoofd en ging op weg, en toen de bakoel zwaar werd en de nek moe, bracht zij de handjes aan de slapen, de ellebogen wijd uitgezet, dat gaf ’t hoofd steun.In de doodstille alang-alang, in de trillende hittegolven, kreunde de vader van dorst en honger, en wilde gedachten maakten hem tot een ander wezen. Zie! wat kwam daar het pad af?… dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert? Vleesch om te eten, bloed om te drinken! Hij kroop neer in het hooge gras, en in één sprong bemachtigde hij het wezen en verslond het rauw om den inwendigen brand te stillen …Maar toen hij lange haren in den mond voelde, kwam hij tot bezinning en vroeg zich af, wat er toch met hem gebeurd was. Hij snelde naar huis, en toen hij daar hoorde, dat zijn kind met het eten gestuurd was, rende hij terug naar de alang-alang en zag daar, naast overblijfselen van een lichaam, een paar armbandjes, welke hij maar al te goed herkende.Sangga Roedjoengan begreep en voelde, dat hijanderswas geworden; een wilde lust trok hem naar het diepe, koele woud, weg uit dit licht, weg van de menschen. Maar hij had nog de kracht om naar zijn vrouw te gaan en haar te zeggen, dat hij een verschrikkelijke vergissing had begaan …„Houd mij niet tegen, ik ben niet meer een mensch als vroeger, ik moet weg, het bosch in. Je zult mij nimmer als mensch terug zien, maar ik ben niet voor je verloren: als jij of de kinderen, en alle onze nakomelingen, soesah hebben, zoek mij dan op „di Padang Soedoet”, aan den rand van het oerwoud. Maak dan een sanggal, een offer van vier rauwe kippeneieren en „padi dirandang”,4en leg de eieren tusschen lamang5. Maar, vrouw, zeg aan de kinderen, dat zij, noch iemand van onzen stam ooit meer een bakoel op het hoofd mogen dragen, en nimmer met de handen aan de slapen mogen loopen. Ik[12]voel, dat ik De Oude, Setoewo6zal worden, en zooals ik nu een witten lendendoek draag, zoo zal ik aan een witten band kenbaar zijn”… en mèt was hij verdwenen.Het is eerst tien jaar geleden, dat de menschen van Briang gebrek kregen aan grond en weg moesten trekken uit het oude land. Amaloedin, de lamme, was de laatste, die den tijger geworden voorvader met een sanggal aan den boschrand opriep, wanneer men soesah had in den stam; hij is nu zes jaar dood, en niemand weet meer precies, hoe Amaloedin voeling hield met den voorvader.Zie! wat kwam daar het pad af?... dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert?Zie! wat kwam daar het pad af?… dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert?Maar wie van den stam herinnert zich niet, hoe de groote koningstijger met den witten buik zich dikwijls vertoonde bij feesten, en hoe hij rustig bij een der vreugdevuurtjes zich uitstrekte en meemaakte de vreugde van zijn vele nakomelingen! Hoe weten velen zich te herinneren, dat zij als kleine jongen naar het dier gooiden, en hoe doodelijk verschrikt zij waren, als hij hen dan aanviel, al deed hij hen geen kwaad. En zij, die, tegen het adat-verbod in, pisang brachten naar een feest, moesten tot straf ondergaan, dat de tijger hen dreigend bij de hand greep, zonder echter door te bijten.Al is de band nu verbroken, de laatsten, die in Briang gewoond hebben, zouden niet den moed hebben een mandje op het hoofd te dragen, en voor den geheelen stam van Semidang geldt nog het heilig verbod om onder het loopen de handen aan de slapen te brengen, omdat dit het vreeselijk onheil gebracht heeft over den kleinzoon van Bittertong.Ornament met cicade.[13]

Als in den gloeienden middag in de dorpen de honden niet meer blaffen en de menschen te loom zijn om te praten, als de boomen onbegrijpelijk roerloos staan in de drukkende stilte, als alleen de rosse kiekendief tegen het strakke blauw in cirkels rondglijdt en zijn akeligen schreeuw doet hooren, dan trillen de hittegolven boven de doodstille alang-alang velden, waar geen levend wezen meer beweegt.

Maar soms ziet men in dat stovende, stil wachtende, hooge gras één enkelen scherpen spriet in wonderlijke trilling; als een degenkling, die, zuiver verticaal, snel heen en terug wordt gedrild.

Wankelbaar aangezet … zegt de nuchtere westerling; in het bosch ziet men bij schijnbaar volslagen windstilte dikwijls één enkel groot blad doelloos heen en weer zwaaien, met onverklaarbare kracht, en lang achtereen.

Maar de nakomelingen van Bittertong in Zuid-Sumatra, zij, die de oude overleveringen van den stam kennen, weten het wel beter wat dien spriet doet trillen, en zij gedenken den grooten voorvader en zijn bovenaardsche macht.

Seroenting was zijn naam; Padang Langgar in Pasemah Lébar, in de bovenlanden van Palèmbang, was zijn dorp. Hij had vader noch moeder, en ieder wist dat hijsaktiwas, begaafd met bovenaardsche macht.[6]

Hij was gehuwd met Poetri Bidadari, een zuster van Arija Tebing, ook een machtig man in Pasemah.

De zwagers hadden hun ladang’s in het oerwoud uitgekapt, naast elkaar, slechts een gevelde boomstam vormde de grens. Maar aan de zijde van het rijstveld van den arija werd de schors van dien boomstam goud, terwijl aan Seroenting’s kant slechts zwammen en paddestoelen opschoten. En al draaide hij ’s nachts den stam wel eens om, steeds was het goud voor den zwager, de zwammen voor hem.

Dit werd den sterken man te machtig en hij schraapte het goud van den anderen kant naar zich toe. Maar nu vielen harde woorden, en het eind was een strijd op leven en dood tusschen de zwagers met hun aanhangers.

Daar zij even „sakti” waren, kwam het niet tot een beslissing. Het was echter den arija opgevallen, dat, wanneer hij in het gevecht zijn zwager uitdagend iets toeriep, diens stem telkens uit een andere richting antwoordde. Tebing vond het raadzaam den strijd op te schorten, tot hij achter het geheim van zijn zwager zoude zijn, en hij wist zijn zuster over te halen om dat geheim aan haar man te ontfutselen.

Op een warmen dag, toen Seroenting van een bad in de rivier thuis kwam, stelde zij hem voor zijn lang haar eens te reinigen.1De zachte handen van zijn vrouw maakten zijn hersens doezelig … en toen zij dat merkte, weefde zij haar net om den niet meer waakschen man te vangen.

Den volgenden dag kon zij haar broeder zeggen, dat Seroenting de macht had zijn ziel te verbergen in een alang-alang blad. „Kijk maar eens rond,” had hij gezegd, „als er één spriet staat te drillen, dáár heb ik mijn ziel verborgen; niemand weet dat, en daarom kan men mij niet dooden. Men moest eens weten, dat men mij dan toch kan kwetsen door het blad te speren met een steel van de bamban!”2

Dadelijk heropende nu Arija Tebing de vijandelijkheden; al spoedig had hij de gelegenheid een drillend alang-alang blad met een Donax-steel te spietsen … de strijdenden zagen Seroenting plotseling voorover vallen, met een zware wond aan het been, en uit het geknakte blad lekte een druppel bloed.[7]

Seroenting had den strijd verloren. En uit den druppel bloed werd de eerste Kreupele Tijger geboren; zijn nakomelingen wonen op de hellingen van den vulkaan Dempo, en zij zijn voor anderen dan Seroenting’s afstammelingen de meest gevreesde dieren in Sumatra’s oerwouden.

Seroenting was zóó onder den indruk van het gepleegde verraad, dat hij besloot in zee den dood te zoeken. Hij bakte van klei een groote martavaan, zette zich daarin neer en liet zich de rivier afzakken. Maar een bandjir joeg de tempajan door de branding en zette Seroenting op een eiland. Daar woonde een oud man, die van Modjopahit kwam. Seroenting vertelde hem alles, en vroeg hem hulp om zich te kunnen wreken.

„Doe je mond eens open … dit is mijn hulp,” zeide de oude man en spuwde hem in den open mond.

En toen Seroenting verbaasd zeide, dat deze hulp weinig zou baten, liet de grijsaard hem de oogen sluiten, en toen hij ze weder opende, was de oude verdwenen, en hij zag, dat hij terug was in zijn eigen woning, zijn vrouw was van wroeging gestorven.

Men stroomde samen om zich van dit wonder te overtuigen. Er moest nu feest worden gevierd, en Seroenting liet zijn zuster vlug rijst wasschen aan de rivier. Maar toen zij wat lang weg bleef en hij gekscherend zeide: „zij zal versteend zijn!”… ziet, daar vond men op de Padang Pandjamoeran het meisje als een steenen beeld terug.

Seroenting Sakti en de aanwezigen begrepen nu plotseling, dat hij de vreeselijke macht had gekregen om menschen tot steen te kunnen vervloeken, dat zijn tong (lidah) scherp en bitter (pahit) was; Pahit Lidah (Bittertong) werd nu zijn titel.3

Arija Tebing vluchtte met al zijn volgelingen naar het westen, naar de woeste wouden van den Barisan-keten. Bij den Gebroken Berg (Boekit Patah), tusschen Pasemah Lébar en de marga Kelam, haalde Bittertong zijn zwager en de zijnen in, maar zij verscholen zich goed, zoodat Bittertong hen niet vinden kon. Toen riep hij uit: „Verdwijn dan maar voor goed en wordt steen, of allerlei ziekten!”

„Goed,” antwoordde Arija Tebing, „wij zullen als veroorzakers[8]van ziekten hier op den Gebroken Berg blijven wonen, en als je kinderen en kindskinderen hier passeeren, vermoorden wij hen”…

Kleine, groene vogeltjes (boeroeng idjong), die nergens anders voorkomen, bewaken nog steeds den bergpas, en wee! den afstammeling van Seroenting, die hun scherpe snaveltjes durft te trotseeren, het stille oerwoud laat hem niet weer los.

Poetri Bidadari had Seroenting een zoon geschonken, Semidang Sakti genaamd, en deze is de stamvader geworden van den grooten stam Semidang, die zich ten westen van den Gebroken Berg, aan de westkust van Zuid-Sumatra, gevestigd en ontwikkeld heeft.

Een van de centra van dien stam is het land om de woeste Padang Goetji-rivier, welke haar graniet-rolsteenen tot speelgoed geeft aan de eeuwige branding, die ze ronder en kleiner rolt, en ze eindelijk mijlen ver langs de kust opstapelt.

Eeuwen geleden trok een troepje menschen langs den bovenloop van de Padang Goetji-rivier door de nog nooit door menschenvoet betreden oerwouden, het ongestoord domein van olifant, neushoorn en tapir.

Sangga Roedjoengan, een kleinzoon van Bittertong, zocht met de zijnen naar goeden, vlakken grond langs de rivier, waar men ladang’s zou kunnen aanleggen. De breede paden der olifanten maakten het zoeken gemakkelijk, de eerste hutten werden aan den waterkant opgezet, en al spoedig kwamen ook anderen uit het oorsprongsland den voortrekker achterna.

Briang noemden zij de plaats, waar zij hun rijstvelden uit het zware bosch kapten, elk jaar werden weer nieuwe ladang’s aangelegd, en aan den boschrand leefde men gelukkig. Wel begonnen varkens hen al spoedig te plagen, en de apen leerden, dat hier wat te halen viel; ook kregen de kolonisten geregeld bezoek van kudden olifanten, die slechts met de grootste moeite werden verjaagd nadat zij geheele velden rijst hadden afgegraasd en vertrapt. Maar toch was de padi-opbrengst meer dan voldoende, en de gevreesde pokken, de ziekte,[9]die zoovele stammen teisterde vóór de Hollanders haar bestreden, scheen hier niet te zullen komen in dit gezegend oord.

In de eerste jaren was op de verlaten velden al spoedig weer nieuw bosch opgeschoten; maar toen het veestapeltje zich uitbreidde, gaven de koeien het bosch weinig gelegenheid zich te herstellen, en waar de rijst gestaan had, schoot welig de onuitroeibare op, de alang-alang. Zij strekte het vee tot voedsel, en werd ze te oud en te hard, zoodat de runderen het scherpe gras niet meer lustten, vermengd als het bovendien raakte met dood, vergaan blad, dan werd in den drogen tijd de brand erin gestoken. Bijna alle uitloopers en alle opslag van loofhout gingen in de knetterende vlammenzee verloren, ook alle nesten van wilde kippen, van kwartels enleeuweriken; maar op den zwarten grond kwamen al na enkele dagen de scherpe, heldergroene sprietjes van de onuitroeibare op, en het was smullen voor het vee. Ook herten en reeën kwamen nu, in schichtig oorenspel, den boschrand uit, likten de zilte asch van den grond en graasden de sprieten af … om dikwijls een prooi van den loerenden mensch te worden, die hen wild opjoeg naar de in lange rij opgestelde, taaie rotan-strikken.

Zoo ging het jaar na jaar. Maar niet alle oude alang-alang werd het vuur tot prooi. Groote hoeveelheden toch werden door de kolonisten gesneden, om, tot bossen gebonden, te dienen als dakbedekking der woningen.

Op een gloeiend heeten dag stond Sangga Roedjoengan alang-alang te snijden aan den versten boschrand. Het was reeds lang het uur, dat zijn vrouw hem als gewoonlijk nasi (gekookte rijst) moest brengen, waarom bleef zij vandaag zoo lang weg? Het kon niet, dat zij het vergeten zou hebben … en hoe onuitstaanbaar boorde toch vandaag de zon tot in zijn hersens, hij hield het haast niet uit; juist nu, dat hij ook zoo’n onbegrijpelijken dorst had; stellig had zijn vrouw een bamboekoker water bij zich …

Nevels trokken voor zijn oogen, waar bleef toch zijn vrouw, het was om gek te worden!

Thuis huilde het jongste kind zóó klagelijk, dat moeder voor de eerste maal het oudste meisje maar naar vader zond. Zij was zoo flink[10]al, en midden in de grootste daghitte zou ze wel geen nijdige varkens of andere dieren ontmoeten. Het kind zette de mand nasi op het hoofd en ging op weg, en toen de bakoel zwaar werd en de nek moe, bracht zij de handjes aan de slapen, de ellebogen wijd uitgezet, dat gaf ’t hoofd steun.

In de doodstille alang-alang, in de trillende hittegolven, kreunde de vader van dorst en honger, en wilde gedachten maakten hem tot een ander wezen. Zie! wat kwam daar het pad af?… dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert? Vleesch om te eten, bloed om te drinken! Hij kroop neer in het hooge gras, en in één sprong bemachtigde hij het wezen en verslond het rauw om den inwendigen brand te stillen …

Maar toen hij lange haren in den mond voelde, kwam hij tot bezinning en vroeg zich af, wat er toch met hem gebeurd was. Hij snelde naar huis, en toen hij daar hoorde, dat zijn kind met het eten gestuurd was, rende hij terug naar de alang-alang en zag daar, naast overblijfselen van een lichaam, een paar armbandjes, welke hij maar al te goed herkende.

Sangga Roedjoengan begreep en voelde, dat hijanderswas geworden; een wilde lust trok hem naar het diepe, koele woud, weg uit dit licht, weg van de menschen. Maar hij had nog de kracht om naar zijn vrouw te gaan en haar te zeggen, dat hij een verschrikkelijke vergissing had begaan …

„Houd mij niet tegen, ik ben niet meer een mensch als vroeger, ik moet weg, het bosch in. Je zult mij nimmer als mensch terug zien, maar ik ben niet voor je verloren: als jij of de kinderen, en alle onze nakomelingen, soesah hebben, zoek mij dan op „di Padang Soedoet”, aan den rand van het oerwoud. Maak dan een sanggal, een offer van vier rauwe kippeneieren en „padi dirandang”,4en leg de eieren tusschen lamang5. Maar, vrouw, zeg aan de kinderen, dat zij, noch iemand van onzen stam ooit meer een bakoel op het hoofd mogen dragen, en nimmer met de handen aan de slapen mogen loopen. Ik[12]voel, dat ik De Oude, Setoewo6zal worden, en zooals ik nu een witten lendendoek draag, zoo zal ik aan een witten band kenbaar zijn”… en mèt was hij verdwenen.

Het is eerst tien jaar geleden, dat de menschen van Briang gebrek kregen aan grond en weg moesten trekken uit het oude land. Amaloedin, de lamme, was de laatste, die den tijger geworden voorvader met een sanggal aan den boschrand opriep, wanneer men soesah had in den stam; hij is nu zes jaar dood, en niemand weet meer precies, hoe Amaloedin voeling hield met den voorvader.

Zie! wat kwam daar het pad af?... dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert?Zie! wat kwam daar het pad af?… dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert?

Zie! wat kwam daar het pad af?… dat hooge voorhoofd, die hoorns aan de slapen, was dat niet een hert?

Maar wie van den stam herinnert zich niet, hoe de groote koningstijger met den witten buik zich dikwijls vertoonde bij feesten, en hoe hij rustig bij een der vreugdevuurtjes zich uitstrekte en meemaakte de vreugde van zijn vele nakomelingen! Hoe weten velen zich te herinneren, dat zij als kleine jongen naar het dier gooiden, en hoe doodelijk verschrikt zij waren, als hij hen dan aanviel, al deed hij hen geen kwaad. En zij, die, tegen het adat-verbod in, pisang brachten naar een feest, moesten tot straf ondergaan, dat de tijger hen dreigend bij de hand greep, zonder echter door te bijten.

Al is de band nu verbroken, de laatsten, die in Briang gewoond hebben, zouden niet den moed hebben een mandje op het hoofd te dragen, en voor den geheelen stam van Semidang geldt nog het heilig verbod om onder het loopen de handen aan de slapen te brengen, omdat dit het vreeselijk onheil gebracht heeft over den kleinzoon van Bittertong.

Ornament met cicade.

[13]

1Dit haar-toilet, in het bijzonder onder vrouwen, is in het gezinsleven een uiting van hartelijkheid. Men ziet in de binnenlanden dikwijls een aaneengesloten rijtje van vrouwen en meisjes in de voorgalerij van een huis, op de bermen van den weg of in hoeken van marktpleintjes, gezellig bezig om elkaar dezen dienst te bewijzen.↑2Bamban (emban) is een Maranta: Donax grandis. De steel is als hard bies. Naar het ovale blad noemt men een speer-lemmet van dien vorm; deze gelijkenis zal dit gedeelte van de meest vermaarde overlevering in Zuid-Sumatra hebben doen ontstaan.↑3Deze overlevering van Bittertong moeten wij als volgt begrijpen. In de Pasemah-hoogvlakte, waar het verhaal speelt, zijn tal van hoogst merkwaardige beelden gevonden van menschen- en dierenfiguren (door mij beschreven in Bijlage D. van het Oudheidkundig Verslag, Batavia, 1ste kwartaal 1922, met 43 foto’s) waarschijnlijk[160]vervaardigd in de eerste eeuwen onzer jaartelling, maar waaromtrent nog geen zekerheid bestaat. Nadat de volksstam, wiens grootheid die beelden waren, waarschijnlijk Negrito’s, door onbekende oorzaken verdween en de geheele streek volkomen verlaten was, maakte het zware bosch er zich weder meester van. Eerst eeuwen later kwamen nieuwe bewoners, zij waanden zich de eerste ontginners van het land, en toen zij onder en tusschen de wortels van de reuzen van het woud „versteende menschen en dieren” vonden, moest wel worden gedacht aan bovenaardsche invloeden. En zoo werd de legende van Bittertong geboren, den zwerver, die op zijn tochten overal menschen en dieren tot steen vervloekte; die van bloeiende nederzettingen een rotspartij maakte, enkel en alleen omdat men om hem lachte of het hem niet naar den zin maakte. Voor zijn rekening komt ook, in de beneden-landen van Palembang, het verdwijnen van Çiwaitische enBoeddhistischevestigingen aan de rivieren en de meren, waarvan men slechts nog de roode baksteenen vindt der tjandi’s en urnen, kralen en scherven. Hij „terroriseerde” geheel Zuid-Sumatra, van den Vlakken Hoek aan de zuidpunt tot in Djambi’s bovenlanden, van Aboeng in Tanah Lampoeng tot Moeko-Moeko aan de wilde westkust.Met andere woorden: overal, waar bij de plaatselijke bevolking de legende van Pahit Lidah (Bittertong) levendig is, daar kan men er vrij zeker van zijn, dat er overblijfselen van oudheden te vinden zijn of geweest zijn.Bittertong was dus niet één man, men moet hier denken aan een volksstam (Hindoe-Javanen of Hindoe-Maleiers), die over Zuid-Sumatra uitzwermde na het tijdvak, waarin de knappe beeldhouwers van Pasemah leefden, of aan het eind van die periode.↑4gepofte padi.↑5in dunne bamboe-kokers gestoomde kleefrijst.↑6Setoewo, de tijger.↑

1Dit haar-toilet, in het bijzonder onder vrouwen, is in het gezinsleven een uiting van hartelijkheid. Men ziet in de binnenlanden dikwijls een aaneengesloten rijtje van vrouwen en meisjes in de voorgalerij van een huis, op de bermen van den weg of in hoeken van marktpleintjes, gezellig bezig om elkaar dezen dienst te bewijzen.↑2Bamban (emban) is een Maranta: Donax grandis. De steel is als hard bies. Naar het ovale blad noemt men een speer-lemmet van dien vorm; deze gelijkenis zal dit gedeelte van de meest vermaarde overlevering in Zuid-Sumatra hebben doen ontstaan.↑3Deze overlevering van Bittertong moeten wij als volgt begrijpen. In de Pasemah-hoogvlakte, waar het verhaal speelt, zijn tal van hoogst merkwaardige beelden gevonden van menschen- en dierenfiguren (door mij beschreven in Bijlage D. van het Oudheidkundig Verslag, Batavia, 1ste kwartaal 1922, met 43 foto’s) waarschijnlijk[160]vervaardigd in de eerste eeuwen onzer jaartelling, maar waaromtrent nog geen zekerheid bestaat. Nadat de volksstam, wiens grootheid die beelden waren, waarschijnlijk Negrito’s, door onbekende oorzaken verdween en de geheele streek volkomen verlaten was, maakte het zware bosch er zich weder meester van. Eerst eeuwen later kwamen nieuwe bewoners, zij waanden zich de eerste ontginners van het land, en toen zij onder en tusschen de wortels van de reuzen van het woud „versteende menschen en dieren” vonden, moest wel worden gedacht aan bovenaardsche invloeden. En zoo werd de legende van Bittertong geboren, den zwerver, die op zijn tochten overal menschen en dieren tot steen vervloekte; die van bloeiende nederzettingen een rotspartij maakte, enkel en alleen omdat men om hem lachte of het hem niet naar den zin maakte. Voor zijn rekening komt ook, in de beneden-landen van Palembang, het verdwijnen van Çiwaitische enBoeddhistischevestigingen aan de rivieren en de meren, waarvan men slechts nog de roode baksteenen vindt der tjandi’s en urnen, kralen en scherven. Hij „terroriseerde” geheel Zuid-Sumatra, van den Vlakken Hoek aan de zuidpunt tot in Djambi’s bovenlanden, van Aboeng in Tanah Lampoeng tot Moeko-Moeko aan de wilde westkust.Met andere woorden: overal, waar bij de plaatselijke bevolking de legende van Pahit Lidah (Bittertong) levendig is, daar kan men er vrij zeker van zijn, dat er overblijfselen van oudheden te vinden zijn of geweest zijn.Bittertong was dus niet één man, men moet hier denken aan een volksstam (Hindoe-Javanen of Hindoe-Maleiers), die over Zuid-Sumatra uitzwermde na het tijdvak, waarin de knappe beeldhouwers van Pasemah leefden, of aan het eind van die periode.↑4gepofte padi.↑5in dunne bamboe-kokers gestoomde kleefrijst.↑6Setoewo, de tijger.↑

1Dit haar-toilet, in het bijzonder onder vrouwen, is in het gezinsleven een uiting van hartelijkheid. Men ziet in de binnenlanden dikwijls een aaneengesloten rijtje van vrouwen en meisjes in de voorgalerij van een huis, op de bermen van den weg of in hoeken van marktpleintjes, gezellig bezig om elkaar dezen dienst te bewijzen.↑

1Dit haar-toilet, in het bijzonder onder vrouwen, is in het gezinsleven een uiting van hartelijkheid. Men ziet in de binnenlanden dikwijls een aaneengesloten rijtje van vrouwen en meisjes in de voorgalerij van een huis, op de bermen van den weg of in hoeken van marktpleintjes, gezellig bezig om elkaar dezen dienst te bewijzen.↑

2Bamban (emban) is een Maranta: Donax grandis. De steel is als hard bies. Naar het ovale blad noemt men een speer-lemmet van dien vorm; deze gelijkenis zal dit gedeelte van de meest vermaarde overlevering in Zuid-Sumatra hebben doen ontstaan.↑

2Bamban (emban) is een Maranta: Donax grandis. De steel is als hard bies. Naar het ovale blad noemt men een speer-lemmet van dien vorm; deze gelijkenis zal dit gedeelte van de meest vermaarde overlevering in Zuid-Sumatra hebben doen ontstaan.↑

3Deze overlevering van Bittertong moeten wij als volgt begrijpen. In de Pasemah-hoogvlakte, waar het verhaal speelt, zijn tal van hoogst merkwaardige beelden gevonden van menschen- en dierenfiguren (door mij beschreven in Bijlage D. van het Oudheidkundig Verslag, Batavia, 1ste kwartaal 1922, met 43 foto’s) waarschijnlijk[160]vervaardigd in de eerste eeuwen onzer jaartelling, maar waaromtrent nog geen zekerheid bestaat. Nadat de volksstam, wiens grootheid die beelden waren, waarschijnlijk Negrito’s, door onbekende oorzaken verdween en de geheele streek volkomen verlaten was, maakte het zware bosch er zich weder meester van. Eerst eeuwen later kwamen nieuwe bewoners, zij waanden zich de eerste ontginners van het land, en toen zij onder en tusschen de wortels van de reuzen van het woud „versteende menschen en dieren” vonden, moest wel worden gedacht aan bovenaardsche invloeden. En zoo werd de legende van Bittertong geboren, den zwerver, die op zijn tochten overal menschen en dieren tot steen vervloekte; die van bloeiende nederzettingen een rotspartij maakte, enkel en alleen omdat men om hem lachte of het hem niet naar den zin maakte. Voor zijn rekening komt ook, in de beneden-landen van Palembang, het verdwijnen van Çiwaitische enBoeddhistischevestigingen aan de rivieren en de meren, waarvan men slechts nog de roode baksteenen vindt der tjandi’s en urnen, kralen en scherven. Hij „terroriseerde” geheel Zuid-Sumatra, van den Vlakken Hoek aan de zuidpunt tot in Djambi’s bovenlanden, van Aboeng in Tanah Lampoeng tot Moeko-Moeko aan de wilde westkust.Met andere woorden: overal, waar bij de plaatselijke bevolking de legende van Pahit Lidah (Bittertong) levendig is, daar kan men er vrij zeker van zijn, dat er overblijfselen van oudheden te vinden zijn of geweest zijn.Bittertong was dus niet één man, men moet hier denken aan een volksstam (Hindoe-Javanen of Hindoe-Maleiers), die over Zuid-Sumatra uitzwermde na het tijdvak, waarin de knappe beeldhouwers van Pasemah leefden, of aan het eind van die periode.↑

3Deze overlevering van Bittertong moeten wij als volgt begrijpen. In de Pasemah-hoogvlakte, waar het verhaal speelt, zijn tal van hoogst merkwaardige beelden gevonden van menschen- en dierenfiguren (door mij beschreven in Bijlage D. van het Oudheidkundig Verslag, Batavia, 1ste kwartaal 1922, met 43 foto’s) waarschijnlijk[160]vervaardigd in de eerste eeuwen onzer jaartelling, maar waaromtrent nog geen zekerheid bestaat. Nadat de volksstam, wiens grootheid die beelden waren, waarschijnlijk Negrito’s, door onbekende oorzaken verdween en de geheele streek volkomen verlaten was, maakte het zware bosch er zich weder meester van. Eerst eeuwen later kwamen nieuwe bewoners, zij waanden zich de eerste ontginners van het land, en toen zij onder en tusschen de wortels van de reuzen van het woud „versteende menschen en dieren” vonden, moest wel worden gedacht aan bovenaardsche invloeden. En zoo werd de legende van Bittertong geboren, den zwerver, die op zijn tochten overal menschen en dieren tot steen vervloekte; die van bloeiende nederzettingen een rotspartij maakte, enkel en alleen omdat men om hem lachte of het hem niet naar den zin maakte. Voor zijn rekening komt ook, in de beneden-landen van Palembang, het verdwijnen van Çiwaitische enBoeddhistischevestigingen aan de rivieren en de meren, waarvan men slechts nog de roode baksteenen vindt der tjandi’s en urnen, kralen en scherven. Hij „terroriseerde” geheel Zuid-Sumatra, van den Vlakken Hoek aan de zuidpunt tot in Djambi’s bovenlanden, van Aboeng in Tanah Lampoeng tot Moeko-Moeko aan de wilde westkust.

Met andere woorden: overal, waar bij de plaatselijke bevolking de legende van Pahit Lidah (Bittertong) levendig is, daar kan men er vrij zeker van zijn, dat er overblijfselen van oudheden te vinden zijn of geweest zijn.

Bittertong was dus niet één man, men moet hier denken aan een volksstam (Hindoe-Javanen of Hindoe-Maleiers), die over Zuid-Sumatra uitzwermde na het tijdvak, waarin de knappe beeldhouwers van Pasemah leefden, of aan het eind van die periode.↑

4gepofte padi.↑

4gepofte padi.↑

5in dunne bamboe-kokers gestoomde kleefrijst.↑

5in dunne bamboe-kokers gestoomde kleefrijst.↑

6Setoewo, de tijger.↑

6Setoewo, de tijger.↑

[Inhoud]III.MALEISCHE SPOOKMENSCHEN1[Inhoud]1.De „Orang Boenian”De Orang Boenian zijn wezens aan den mensch gelijk, maar zij zijn alleen zichtbaar voor hem, die met een Boenianmeisje getrouwd is. Braver zijn zij dan de mensch, omdat de leugen bij hen onbekend is. Toch griezelt het den jongen man, die ergens op het lage dammetje om zijn sawah onverwachts lekkernij vindt, op kleurige bladeren hem aangeboden door een spookmeisje, dat hem heeft gadegeslagen terwijl hij op zijn rijstveld werkte, en dat hem op deze manier komt vragen haar man te worden.De Boenian’s leven en sterven als gewone menschenkinderen, zij bouwen ook huizen, en zij houden kippen en vee. De bevolking van Tilatang bij Fort de Kock weet heel goed, dat vroeger tal van buffelsporen voerden uit de grot in den Boekit Boenian, den Berg der Verborgenen, maar men heeft er nooit een karbouw gezien.In bijna alle streken van Sumatra komen zij voor, de meesten in Minangkabau, de Padangsche bovenlanden. Zij wonen gewoonlijk in grotten, of zij bouwen hun voor den mensch onzichtbare huizen ergens in dichte bamboe-stoelen, in den ontoegankelijken wirwar van takken en luchtwortels van een reusachtigen ficusboom, en in de rimba, het diepe oerwoud; soms op den top van hooge bergen, waar elk geluid gedempt wordt door de zware mossen, welke stammen, takken en lianen met een dikke laag bedekken.In wilde nachten komen zij in de pelmolens der menschen om er[14]hun rijst te stampen, of zij vieren feest, en in de onbestemde geluiden van den storm hoort het Maleische oor duidelijk het zingend dreunen van de groote gong.En luistert men lang, heel lang, in de grotten van het kalkgebergte van Kamang, waar de spookachtige onrust der vleermuizen en hun krassende kreetjes de grafstilte niet kunnen breken, dan hoort men eerst het tikken van eeuwig druppend water, maar het gaat over in een zachten, rillenden toon van koperen instrumenten, heel ver in het diepe donker … de „gamelan” der Orang Boenian.Het was den vorigen dag in den grauwen morgenschemer al beginnen te motregenen, en nòg druilden de boomen aan den boschrand en waren in een mistig waas verscholen.De datoek, volkshoofd in zijn kampoeng, woonde nu al eenigen tijd bij Matoe, zijn oudste vrouw. Zij zaten voor een der open vensters van het huis, en zij spraken over de padi, die juist uitgeloopen was, en over een troep brutale apen, die uit het bosch waren gekomen. Twee van de dieren hadden zij betrapt, toen zij bezig waren de jonge rijstscheuten voorzichtig uit te trekken om den korrel te hebben; het was ondoenlijk de apen uit de ladang te houden, toch lachten zij om hun menschelijke, knijpende vingertjes, om den diepen ernst bij hun werk.Zij keken naar buiten in den grauwen dag.Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist trad, ergens tusschen de boomen, en die nu het erf kwam oploopen en zijn zwarten knapzak ophing aan een uitstekenden balk van de rijstschuur. En toen die man vroeg of de datoek thuis was en deze hem noodigde boven te komen, kwam hij de trap op, ging op de hem door Matoe aangeboden mat zitten en dronk zwijgend de koffie, welke zij den mannen voorzette.Ook de datoek zweeg, het was hem wonderlijk te moede. Wat voelde hij toch?… wat was het toch weer, wat wist hij van dezen zwarten man?Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradHij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradEn plotseling doorleefde hij een droom. Een vrouw had met hem gesproken en hem gevraagd, of hij met haar dochter wilde trouwen.[16]Hij was zeer verrast geweest en had bedenktijd gevraagd; daarop had zij hem gezegd, dat hij de beslissing maar zeggen moest aan „den zwarten toeankoe”. Verbaasd was hij wakker geworden, het schemerde al, de moerai2floot de menschen wakker met zijn jubelend lied en de droom was spoedig vergeten. Maar nu kwam alles met beklemmende duidelijkheid terug …„Ik kom het antwoord halen,” zei slechts de oude, zwarte man. De datoek kon niet goed meer denken, hij was geheel in de war.„Ja …” hoorde hij zichzelf bedremmeld zeggen, „ik wil wel met uw dochter trouwen.”En toen de oude dadelijk daarop wegging en zijn zwarten knapzak over den schouder sloeg, zagen Matoe en haar man, dat hij plotseling verdwenen was.„Hai!” rilde de datoek, „dat moet wel een Boenian zijn!” en Matoe huilde.Midden in den nacht voelde de datoek, dat iemand hem wakker maakte; hij tastte rond, maar voelde niets. Hij begreep, dat de Verborgenen hem riepen en stond op.Hij was in een huis, zoo mooi als hij nooit gezien had; het bestond uit niet minder dan dertien roeang’s, de ruimten tusschen de rijen palen waarop het dak rust. Het huis was geheel met planken omwand en smetteloos wit. Er waren veel menschen; ook de oude man, die hem had opgezocht, en nu werd het feest gevierd van zijn huwelijk met Si Boengo, de Bloem, de mooie dochter van den zwarten toeankoe.Vroeg in den morgen stond de datoek op en ging naar buiten, om een bad aan den put te nemen en het morgengebed te doen. Maar toen hij den eersten schep water over zich gestort had … zie! daar stond hij zich te baden aan den eigen put, naast den eigen rijstpelmolen, en toen hij terug wilde gaan naar de mooie Boengo in het witte huis, zag hij slechts de gewone dagelijksche omgeving. Nu stond hij voor Matoe’s huis, binnen sliep iedereen nog rustig, de deur was gesloten en hij moest Matoe wakker maken om binnen te komen. Zelfs de deur van de slaapkamer had Matoe nog op slot gevonden … en nuwistenzij, dat de datoek door spookmenschen was weggevoerd.[17]In den avond van den volgenden dag liep de datoek naar de soerau, het gebedehuis waar hij zijn avondgebed zou doen. Hij dacht over het gebeurde, was het werkelijkheid? Hij zag de mooie, jonge vrouw weer voor zich en verlangde intens bij haar te zijn.Plotseling stond de zwarte toeankoe voor hem en hij kon niet meer denken. Hij wilde trachten te onthouden, wat er met hem gebeuren zou, maar vóór hij het wist stond hij in het witte huis, en Boengo was bij hem.Vier malen bracht de oude man hem bij zich thuis, maar toen zei hij: „ik kan je niet altijd komen halen, je moet nu maar aan Boengo vragen, hoe je den weg naar ons kunt vinden.”„Als je hart sterk naar mij trekt,” antwoordde de Bloem hem, „als je werkelijk naar mij verlangt, ga dan naar den Batoe Gadang, den grooten steen bij de brug van Loendang. Ziet ge op dien steen een versch citroenblad liggen, neem het dan op en wrijf het over je dichte oogen, en je zult den weg naar ons huis zien. Maar kom nimmer met andere menschen, en als er geen citroenblad ligt op den steen, doe dan geen moeite om den weg te zoeken in de dorenbamboe bij dien steen. Je kleeren zullen aan flarden scheuren en je zult doodziek worden.”Op enkele tientallen meters van dien steen loopt de ijzeren baan van Fort de Kock naar Paja Koemboeh, en uit den trein zien de reizigers een grooten rolsteen in de bedding der beek. Vlak ernaast ligt een boschje bamboe doeri, voor menschen en grootere dieren volslagen ontoegankelijk, een muur, gevlochten door scherp gedoornde, taaie stengels.Maar telkens als de datoek het geurige blad over de dichte oogen wreef, lag daar in dat boschje een wit pad, en het voerde naar de woning der spookmenschen.Toen het huwelijk van den datoek en de mooie spookvrouw met kinderen gezegend was, eerst toen wilde Boengo hem de overleveringen van haar stam verhalen, ook, hoe de Verborgenen voortkomen uit aardsche menschen.[18]In den tijd, dat Mohammad de profeet nog op aarde ging, leefden er twee zusters; de eene was met een rijk man getrouwd, de andere had een arm huwelijk gedaan. De rijke gaf eens een groot feest en noodigde er Mohammad, den profeet. De arme wilde hem ook zoo gaarne beleefdheid en eerbied bewijzen, maar hoe konden zij het van hun armoedje doen!„Weet je wat,” zei de arme man, „ga jij de dorpen af en vraag wat men missen kan, daar kun je rijst en specerijen van koopen. Ik zal het bosch ingaan en halal3wild schieten; dan kunnen wij ook een feestmaal hebben en bidden om zegen.”Zij gingen. De vrouw werd hier en daar geholpen en kon haar inkoopen doen. Maar hij jaagde heel het bosch af zonder een enkel stuk wild te zien. Verdrietig ging hij naar huis, maar dicht bij zijn woning sloop een dier door de struiken, en snel had hij het met een pijl uit zijn blaasroer neergelegd. Maar hoe beschaamd was hij, toen hij zag, dat het wild een groote kat was, spierwit, zooals toen alle katten nog waren.Maar … soedahlah, dan maar een kat, niemand zou het immers merken, het feestmoestdoorgaan, de profeet had nu eenmaal de uitnoodiging aangenomen. Hij vilde snel het dier, sneed er den kop en de pooten af, en bracht het bij zijn vrouw; en zij maakte van het vleesch en de specerijen allerlei heerlijke gerechten, voor het feest aan Mohammad den profeet.De gasten kwamen, ook de profeet, en zij zetten zich neer. Hij was gewend bij het maal zijn lievelingskat bij zich te hebben, en toen hij hem niet zag, vroeg hij ernaar en riep toen het dier met luide stem.O! rechtvaardige Allah, daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld … de arme man had de lievelingskat van den profeet gedood, en, in tientallen herlevend, sprong het dier uit de gerechten, van zijn vleesch gemaakt, te voorschijn, de witte vacht in bonte afwisseling geteekend door de sporen en de kleuren der verschillende specerijen.[19]Doodelijk verschrikt en beschaamd vluchtte het arme menschenpaar naar de donkere bosschen, en zij verscholen zich daar voor den toorn van den profeet, voor den spot der menschen. Maar honger dreef hen het bosch uit, en zij gingen naar den profeet, vernederden zich voor hem en smeekten om genade.De profeet toornde niet, hij had immers zoo vele en mooie katten voor die eene witte terug gekregen. Maar de arme lieden bleven den spot der menschen vreezen, zij wisten dit niet te kunnen dragen, en nu smeekten zij Mohammad hen te verbergen voor die anderen. Zij waren altijd braaf geweest en geloovig, zij hadden nooit iets kwaads gedaan vóór dit eene gebeurd was, wat zij bedoeld hadden alleen om den profeet eerbied te bewijzen.In groot medelijden bad de profeet tot God om de arme lieden onzichtbaar te maken voor hun medemenschen, en zóó ontstonden de eerste Orang Boenian … voor Allah’s almacht is niets onmogelijk!Daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld...[20][Inhoud]2.Zij, die niet geloofdenIn den 15den der 1001 Nachten verhaalt Sheherazade aan Sultan Shahryar de geschiedenis van den sheik Shahabeddin:De sultan van Egypte verzamelde op zekeren dag alle geleerden uit zijn rijk en behandelde met hen het volgende onderwerp. De Moslims zeggen, dat de engel Djabraïl (Gabriël) den profeet Mohammad uit zijn bed lichtte en hem alles toonde, wat in de zeven hemelen, in het paradijs en in de hel te zien is. Daarna voerde de profeet nog 90.000 gesprekken met Allah, en toen hij door den engel in zijn bed werd terug gebracht, had hij nog juist den tijd om een kruik, die bij zijn vertrek omgevallen was, op te zetten vóór al het water er uit was gestroomd …„Wie kan zulke belachelijke verhaaltjes gelooven!” had de sultan gezegd. Doch de geleerden antwoordden hem: „Voor Allah’s almacht is niets onmogelijk”… en nu ontstond een strijd, die de grootste tweespalt in Egypte veroorzaakte.De mare hiervan drong ook door tot sheik Shabeddin. Hij begaf zich dadelijk op weg naar den sultan, die hem met eerbied ontving. Zij zetten zich in een vertrek neer met vier vensters, welke op verzoek van den sheik gesloten werden. Nadat zij over verschillende zaken gesproken hadden, stootte de geleerde sheik één voor één de vensters open, en de sultan zag tot zijn ontzetting achtereenvolgens, dat een ontelbaar leger tegen zijn paleis optrok, toen, dat heel Kaïro in vlammen opging; daarna, dat een geweldige vloed zijn paleis bedreigde. Maar deze tafereelen werden door den sheik te niet gedaan, zoo deed hij ook weer verdwijnen het heerlijke landschap, dat de sultan door het vierde venster aanschouwde, terwijl hij wist, dat zich tot aan den horizont een onvruchtbare woestijnvlakte uitstrekte.Daarop liet de sheik een groote kuip water brengen, en hij verzocht den sultan zich daarin neer te zetten en het hoofd even onder te dompelen. De sultan deed dit … en hij bevond zich aan den oever van een groot, onbekend water, tusschen rotsen en bergen. Hij leefde zeven jaar in dit vreemde land, had er onnoemelijk veel leed, huwde[21]er en kreeg zeven zoons en zeven dochters. Hij kwam, zonder dit te weten, op een goeden dag terug op de plek, waar hij het vreemde land was binnen gekomen, nam er een bad in de rivier, en toen hij het hoofd boven water stak, bevond hij zich … in zijn paleis, omringd door zijn hovelingen, en zij en de sheik verklaarden, dat hij zoo even zijn hoofd had ondergedompeld en dadelijk weer boven water gekomen was …Ook op Sumatra moest Allah, eeuwen geleden, een man straffen, die het nieuwe geloof niet wilde aanvaarden.Hij en zijn vrouw waren goede menschen. Zij woonden diep in het bosch, aan den bovenloop van een der rivieren, die in Straat Malaka uitmonden; in een wereldje op zichzelf, waar slechts geruchten doordrongen van het bestaan van een grootere wereld. Zij kregen kinderen en hadden het goed. Maar zoo nu en dan, als de vrouw merkte hoe ongeloovig haar man was, kibbelden zij heftig, en zijn ongeloof was voor de vrouw het eenige verdriet, dat zij kende.Eens, dat hij voor een feestelijken maaltijd een kip had geslacht en die begon te plukken, kwam zijn vrouw terug op een twistgesprek, dat zij hadden gehad, omdat de man niet geloofde aan de almacht van Allah. Driftig stond hij op en riep uit: „Nou krijg ik genoeg van die nonsens, ik ga een bad nemen; pluk jij nu zelf de kip ook maar!” en hij wierp haar het half-kale dier voor de voeten. Toen daalde hij den oever af, in wrevel en ergernis. Dat eeuwige gezeur! zij hadden het samen zoo goed, maar als dat ééne kwam, dat hem zoo onbeduidend leek, dan was alles mis.Hij dompelde in de rivier onder, maar toen hij weer boven kwam, was hij in een vreemd land met onbekende menschen. Hij trouwde er en kreeg kinderen, maar geluk kon hij niet vinden, al doolde hij overal rond om het te zoeken. Zoo kwam hij, na zeven jaar, aan een rivier, en nam er een bad. Maar toen hij het hoofd weer boven water stak, zag hij zijn eigen badplaats, en boven aan den hoogen oever zijn eigen huisje! Hij herinnerde zich plotseling, wat zeven jaar geleden gebeurd was en hij kromp ineen van verdriet. Hij rende den wal op … wat zou er van zijn goede vrouw geworden zijn![22]„Dàt is vlug!” riep ze vroolijk, blij toen ze zijn berouwvol maar toch zoo gelukkig gezicht zag. Hoe heerlijk, dat hij zoo dadelijk zijn fout had ingezien … de kip was nog niet geheel geplukt!Nu geloofde de man. En de kinderen, in het vreemde land achtergelaten, waren de eerste Boenian’s.[Inhoud]3.Spoken-nachtMiddernacht.Wild drijft Si Dòlak Dòlai, de Kwade Wind, door de diepe ravijnen van den Marápi.Hij kwam van over het meer van Singkárak, waar woeste, korte golfjes nòg zijn spoor teekenen. Jagend was hij den Vuurberg opgegaan, wegvagend de stoompluim boven den krater, ros van weerkaatsten vuurgloed, en nu wielt hij neer den berg af, de vlakte in van Agam.„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan.”Zwiependen regen drijft hij voor zich uit, de woesteling, die de wortels van den ficus afbreekt als draad, die het nederigste kruid loswoelt, die de rijstschuren der menschen aflicht van de neuten …In diepen, donkeren nacht slaapt roerloos, stil, de kampoeng,In bamboebosch en palmkroon verscholen.Maar zwiepend, geeselend, wilde jacht, komt bulderend wind èn regen,En plotseling flikkert door het zwart een bliksemflitsDie àl verlicht het donker van zoo even.De bamboe buigt en kreunt, dof vallen oude klapperblâren,In ’t donker huis was alles rust, maar akelig kraait de haan,Die ’t bliksemlicht zich zonnegloren dacht.Bang kreunt ontwakend meisjeEn dringt zich tegen moeder aan …„O, moeder, moeder, hoor dan toch, wat vreeslijke geluiden …„Hoor, moeder, lieve moeder toch, waarom kraait onze haan?”[23]„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan;„En wees niet bang van wat je hoort,„In onze kintjir4stampt men rijst … de Orang Boenian …”Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind,In dürren Blättern säuselt der Wind …„O, moeder, hoor! dat diep geluid, wat kan ’t toch zijn,„Dat boven joelt en neergiert in ’t ravijn?”[24]„Wees rustig toch, mijn lieve schat, en druk je tegen moeder aan …„Ginds viert men feest en dreunt de gong … de Orang Boenian”.Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht?Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind …Ornament met vleermuis.[25]1In 1906 leerde ik een datoek (volkshoofd) kennen, die niet ver van Fort de Kock woonde, en die als doekoen vermaard was, vooral omdat hij zijn kunde als medicijnman ontleenen zou aan de kennis der Orang Boenian; hij verklaarde met een Boenianvrouw getrouwd te zijn. Ik won het vertrouwen van dezen man, en hij verhaalde mij, wat ik in deze schets bekend maak. Na lang aandringen kreeg ik van hem gedaan, dat hij mij naar het witte huis der Verborgenen zou[161]brengen. Ik stelde slechts één voorwaarde: dat ik mijn revolver niet thuis zou laten; de braafheid van die „onzichtbaren” kon wel eens tegenvallen. Daartegenover stond, dat ik hem duizend gulden beloofde bij welslagen; een ontmoeting met spookmenschen zou daarmee niet duur betaald zijn! Hij vroeg eenigen tijd om ons bezoek voor te bereiden, en tot mijn stijgende verbazing trok hij zich niet terug … tot aan den vooravond van den grooten dag. Toen kwam hij mij waarschuwen, dat ik misschien deerlijk verwond zou worden door de doornige bamboe, dat mijn kleeren zouden scheuren, dat ik ziek zou worden; en toen niets hielp, verklaarde hij, dat zijn verhaal een verzinsel was. Ik heb dus de Verborgenen niet mogen zien! Maar ik weet, dat in het binnenste van enkele vooraanstaande Minangkabauers, die van de zaak afwisten, de overtuiging voortleeft, dat de datoek mij niet de waarheid heeft gezegd door te verklaren, dat hij maar wat verzonnen had: hij had immers aan de mooie Boengo moeten beloven, dat hij nimmer andere menschen mee zou brengen naar den Grooten Steen … „Wat is de Waarheid?!”↑2Copsichus musicus, de Indische lijster; op Java: koetjitja, kadjer; om zijn kleurteekening noemt men hem wel eens: ekstertje; hij is de eenige mooi-fluitende tuinzanger op Java en Sumatra en leeft om en bij de huizen, ook in de grootste steden. Slechts de nachtegaal-lijster, die hier en daar aan den woudrand voorkomt en die als een nachtegaal slaat, overtreft hem in zijn zang. De Minangkabauers noemen de morgenschemering „moerai bakitjau”: als de moerai zingt.↑3wettig, geoorloofd.↑4rijstpelmolen, door waterkracht gedreven.↑

III.MALEISCHE SPOOKMENSCHEN1

[Inhoud]1.De „Orang Boenian”De Orang Boenian zijn wezens aan den mensch gelijk, maar zij zijn alleen zichtbaar voor hem, die met een Boenianmeisje getrouwd is. Braver zijn zij dan de mensch, omdat de leugen bij hen onbekend is. Toch griezelt het den jongen man, die ergens op het lage dammetje om zijn sawah onverwachts lekkernij vindt, op kleurige bladeren hem aangeboden door een spookmeisje, dat hem heeft gadegeslagen terwijl hij op zijn rijstveld werkte, en dat hem op deze manier komt vragen haar man te worden.De Boenian’s leven en sterven als gewone menschenkinderen, zij bouwen ook huizen, en zij houden kippen en vee. De bevolking van Tilatang bij Fort de Kock weet heel goed, dat vroeger tal van buffelsporen voerden uit de grot in den Boekit Boenian, den Berg der Verborgenen, maar men heeft er nooit een karbouw gezien.In bijna alle streken van Sumatra komen zij voor, de meesten in Minangkabau, de Padangsche bovenlanden. Zij wonen gewoonlijk in grotten, of zij bouwen hun voor den mensch onzichtbare huizen ergens in dichte bamboe-stoelen, in den ontoegankelijken wirwar van takken en luchtwortels van een reusachtigen ficusboom, en in de rimba, het diepe oerwoud; soms op den top van hooge bergen, waar elk geluid gedempt wordt door de zware mossen, welke stammen, takken en lianen met een dikke laag bedekken.In wilde nachten komen zij in de pelmolens der menschen om er[14]hun rijst te stampen, of zij vieren feest, en in de onbestemde geluiden van den storm hoort het Maleische oor duidelijk het zingend dreunen van de groote gong.En luistert men lang, heel lang, in de grotten van het kalkgebergte van Kamang, waar de spookachtige onrust der vleermuizen en hun krassende kreetjes de grafstilte niet kunnen breken, dan hoort men eerst het tikken van eeuwig druppend water, maar het gaat over in een zachten, rillenden toon van koperen instrumenten, heel ver in het diepe donker … de „gamelan” der Orang Boenian.Het was den vorigen dag in den grauwen morgenschemer al beginnen te motregenen, en nòg druilden de boomen aan den boschrand en waren in een mistig waas verscholen.De datoek, volkshoofd in zijn kampoeng, woonde nu al eenigen tijd bij Matoe, zijn oudste vrouw. Zij zaten voor een der open vensters van het huis, en zij spraken over de padi, die juist uitgeloopen was, en over een troep brutale apen, die uit het bosch waren gekomen. Twee van de dieren hadden zij betrapt, toen zij bezig waren de jonge rijstscheuten voorzichtig uit te trekken om den korrel te hebben; het was ondoenlijk de apen uit de ladang te houden, toch lachten zij om hun menschelijke, knijpende vingertjes, om den diepen ernst bij hun werk.Zij keken naar buiten in den grauwen dag.Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist trad, ergens tusschen de boomen, en die nu het erf kwam oploopen en zijn zwarten knapzak ophing aan een uitstekenden balk van de rijstschuur. En toen die man vroeg of de datoek thuis was en deze hem noodigde boven te komen, kwam hij de trap op, ging op de hem door Matoe aangeboden mat zitten en dronk zwijgend de koffie, welke zij den mannen voorzette.Ook de datoek zweeg, het was hem wonderlijk te moede. Wat voelde hij toch?… wat was het toch weer, wat wist hij van dezen zwarten man?Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradHij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradEn plotseling doorleefde hij een droom. Een vrouw had met hem gesproken en hem gevraagd, of hij met haar dochter wilde trouwen.[16]Hij was zeer verrast geweest en had bedenktijd gevraagd; daarop had zij hem gezegd, dat hij de beslissing maar zeggen moest aan „den zwarten toeankoe”. Verbaasd was hij wakker geworden, het schemerde al, de moerai2floot de menschen wakker met zijn jubelend lied en de droom was spoedig vergeten. Maar nu kwam alles met beklemmende duidelijkheid terug …„Ik kom het antwoord halen,” zei slechts de oude, zwarte man. De datoek kon niet goed meer denken, hij was geheel in de war.„Ja …” hoorde hij zichzelf bedremmeld zeggen, „ik wil wel met uw dochter trouwen.”En toen de oude dadelijk daarop wegging en zijn zwarten knapzak over den schouder sloeg, zagen Matoe en haar man, dat hij plotseling verdwenen was.„Hai!” rilde de datoek, „dat moet wel een Boenian zijn!” en Matoe huilde.Midden in den nacht voelde de datoek, dat iemand hem wakker maakte; hij tastte rond, maar voelde niets. Hij begreep, dat de Verborgenen hem riepen en stond op.Hij was in een huis, zoo mooi als hij nooit gezien had; het bestond uit niet minder dan dertien roeang’s, de ruimten tusschen de rijen palen waarop het dak rust. Het huis was geheel met planken omwand en smetteloos wit. Er waren veel menschen; ook de oude man, die hem had opgezocht, en nu werd het feest gevierd van zijn huwelijk met Si Boengo, de Bloem, de mooie dochter van den zwarten toeankoe.Vroeg in den morgen stond de datoek op en ging naar buiten, om een bad aan den put te nemen en het morgengebed te doen. Maar toen hij den eersten schep water over zich gestort had … zie! daar stond hij zich te baden aan den eigen put, naast den eigen rijstpelmolen, en toen hij terug wilde gaan naar de mooie Boengo in het witte huis, zag hij slechts de gewone dagelijksche omgeving. Nu stond hij voor Matoe’s huis, binnen sliep iedereen nog rustig, de deur was gesloten en hij moest Matoe wakker maken om binnen te komen. Zelfs de deur van de slaapkamer had Matoe nog op slot gevonden … en nuwistenzij, dat de datoek door spookmenschen was weggevoerd.[17]In den avond van den volgenden dag liep de datoek naar de soerau, het gebedehuis waar hij zijn avondgebed zou doen. Hij dacht over het gebeurde, was het werkelijkheid? Hij zag de mooie, jonge vrouw weer voor zich en verlangde intens bij haar te zijn.Plotseling stond de zwarte toeankoe voor hem en hij kon niet meer denken. Hij wilde trachten te onthouden, wat er met hem gebeuren zou, maar vóór hij het wist stond hij in het witte huis, en Boengo was bij hem.Vier malen bracht de oude man hem bij zich thuis, maar toen zei hij: „ik kan je niet altijd komen halen, je moet nu maar aan Boengo vragen, hoe je den weg naar ons kunt vinden.”„Als je hart sterk naar mij trekt,” antwoordde de Bloem hem, „als je werkelijk naar mij verlangt, ga dan naar den Batoe Gadang, den grooten steen bij de brug van Loendang. Ziet ge op dien steen een versch citroenblad liggen, neem het dan op en wrijf het over je dichte oogen, en je zult den weg naar ons huis zien. Maar kom nimmer met andere menschen, en als er geen citroenblad ligt op den steen, doe dan geen moeite om den weg te zoeken in de dorenbamboe bij dien steen. Je kleeren zullen aan flarden scheuren en je zult doodziek worden.”Op enkele tientallen meters van dien steen loopt de ijzeren baan van Fort de Kock naar Paja Koemboeh, en uit den trein zien de reizigers een grooten rolsteen in de bedding der beek. Vlak ernaast ligt een boschje bamboe doeri, voor menschen en grootere dieren volslagen ontoegankelijk, een muur, gevlochten door scherp gedoornde, taaie stengels.Maar telkens als de datoek het geurige blad over de dichte oogen wreef, lag daar in dat boschje een wit pad, en het voerde naar de woning der spookmenschen.Toen het huwelijk van den datoek en de mooie spookvrouw met kinderen gezegend was, eerst toen wilde Boengo hem de overleveringen van haar stam verhalen, ook, hoe de Verborgenen voortkomen uit aardsche menschen.[18]In den tijd, dat Mohammad de profeet nog op aarde ging, leefden er twee zusters; de eene was met een rijk man getrouwd, de andere had een arm huwelijk gedaan. De rijke gaf eens een groot feest en noodigde er Mohammad, den profeet. De arme wilde hem ook zoo gaarne beleefdheid en eerbied bewijzen, maar hoe konden zij het van hun armoedje doen!„Weet je wat,” zei de arme man, „ga jij de dorpen af en vraag wat men missen kan, daar kun je rijst en specerijen van koopen. Ik zal het bosch ingaan en halal3wild schieten; dan kunnen wij ook een feestmaal hebben en bidden om zegen.”Zij gingen. De vrouw werd hier en daar geholpen en kon haar inkoopen doen. Maar hij jaagde heel het bosch af zonder een enkel stuk wild te zien. Verdrietig ging hij naar huis, maar dicht bij zijn woning sloop een dier door de struiken, en snel had hij het met een pijl uit zijn blaasroer neergelegd. Maar hoe beschaamd was hij, toen hij zag, dat het wild een groote kat was, spierwit, zooals toen alle katten nog waren.Maar … soedahlah, dan maar een kat, niemand zou het immers merken, het feestmoestdoorgaan, de profeet had nu eenmaal de uitnoodiging aangenomen. Hij vilde snel het dier, sneed er den kop en de pooten af, en bracht het bij zijn vrouw; en zij maakte van het vleesch en de specerijen allerlei heerlijke gerechten, voor het feest aan Mohammad den profeet.De gasten kwamen, ook de profeet, en zij zetten zich neer. Hij was gewend bij het maal zijn lievelingskat bij zich te hebben, en toen hij hem niet zag, vroeg hij ernaar en riep toen het dier met luide stem.O! rechtvaardige Allah, daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld … de arme man had de lievelingskat van den profeet gedood, en, in tientallen herlevend, sprong het dier uit de gerechten, van zijn vleesch gemaakt, te voorschijn, de witte vacht in bonte afwisseling geteekend door de sporen en de kleuren der verschillende specerijen.[19]Doodelijk verschrikt en beschaamd vluchtte het arme menschenpaar naar de donkere bosschen, en zij verscholen zich daar voor den toorn van den profeet, voor den spot der menschen. Maar honger dreef hen het bosch uit, en zij gingen naar den profeet, vernederden zich voor hem en smeekten om genade.De profeet toornde niet, hij had immers zoo vele en mooie katten voor die eene witte terug gekregen. Maar de arme lieden bleven den spot der menschen vreezen, zij wisten dit niet te kunnen dragen, en nu smeekten zij Mohammad hen te verbergen voor die anderen. Zij waren altijd braaf geweest en geloovig, zij hadden nooit iets kwaads gedaan vóór dit eene gebeurd was, wat zij bedoeld hadden alleen om den profeet eerbied te bewijzen.In groot medelijden bad de profeet tot God om de arme lieden onzichtbaar te maken voor hun medemenschen, en zóó ontstonden de eerste Orang Boenian … voor Allah’s almacht is niets onmogelijk!Daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld...[20][Inhoud]2.Zij, die niet geloofdenIn den 15den der 1001 Nachten verhaalt Sheherazade aan Sultan Shahryar de geschiedenis van den sheik Shahabeddin:De sultan van Egypte verzamelde op zekeren dag alle geleerden uit zijn rijk en behandelde met hen het volgende onderwerp. De Moslims zeggen, dat de engel Djabraïl (Gabriël) den profeet Mohammad uit zijn bed lichtte en hem alles toonde, wat in de zeven hemelen, in het paradijs en in de hel te zien is. Daarna voerde de profeet nog 90.000 gesprekken met Allah, en toen hij door den engel in zijn bed werd terug gebracht, had hij nog juist den tijd om een kruik, die bij zijn vertrek omgevallen was, op te zetten vóór al het water er uit was gestroomd …„Wie kan zulke belachelijke verhaaltjes gelooven!” had de sultan gezegd. Doch de geleerden antwoordden hem: „Voor Allah’s almacht is niets onmogelijk”… en nu ontstond een strijd, die de grootste tweespalt in Egypte veroorzaakte.De mare hiervan drong ook door tot sheik Shabeddin. Hij begaf zich dadelijk op weg naar den sultan, die hem met eerbied ontving. Zij zetten zich in een vertrek neer met vier vensters, welke op verzoek van den sheik gesloten werden. Nadat zij over verschillende zaken gesproken hadden, stootte de geleerde sheik één voor één de vensters open, en de sultan zag tot zijn ontzetting achtereenvolgens, dat een ontelbaar leger tegen zijn paleis optrok, toen, dat heel Kaïro in vlammen opging; daarna, dat een geweldige vloed zijn paleis bedreigde. Maar deze tafereelen werden door den sheik te niet gedaan, zoo deed hij ook weer verdwijnen het heerlijke landschap, dat de sultan door het vierde venster aanschouwde, terwijl hij wist, dat zich tot aan den horizont een onvruchtbare woestijnvlakte uitstrekte.Daarop liet de sheik een groote kuip water brengen, en hij verzocht den sultan zich daarin neer te zetten en het hoofd even onder te dompelen. De sultan deed dit … en hij bevond zich aan den oever van een groot, onbekend water, tusschen rotsen en bergen. Hij leefde zeven jaar in dit vreemde land, had er onnoemelijk veel leed, huwde[21]er en kreeg zeven zoons en zeven dochters. Hij kwam, zonder dit te weten, op een goeden dag terug op de plek, waar hij het vreemde land was binnen gekomen, nam er een bad in de rivier, en toen hij het hoofd boven water stak, bevond hij zich … in zijn paleis, omringd door zijn hovelingen, en zij en de sheik verklaarden, dat hij zoo even zijn hoofd had ondergedompeld en dadelijk weer boven water gekomen was …Ook op Sumatra moest Allah, eeuwen geleden, een man straffen, die het nieuwe geloof niet wilde aanvaarden.Hij en zijn vrouw waren goede menschen. Zij woonden diep in het bosch, aan den bovenloop van een der rivieren, die in Straat Malaka uitmonden; in een wereldje op zichzelf, waar slechts geruchten doordrongen van het bestaan van een grootere wereld. Zij kregen kinderen en hadden het goed. Maar zoo nu en dan, als de vrouw merkte hoe ongeloovig haar man was, kibbelden zij heftig, en zijn ongeloof was voor de vrouw het eenige verdriet, dat zij kende.Eens, dat hij voor een feestelijken maaltijd een kip had geslacht en die begon te plukken, kwam zijn vrouw terug op een twistgesprek, dat zij hadden gehad, omdat de man niet geloofde aan de almacht van Allah. Driftig stond hij op en riep uit: „Nou krijg ik genoeg van die nonsens, ik ga een bad nemen; pluk jij nu zelf de kip ook maar!” en hij wierp haar het half-kale dier voor de voeten. Toen daalde hij den oever af, in wrevel en ergernis. Dat eeuwige gezeur! zij hadden het samen zoo goed, maar als dat ééne kwam, dat hem zoo onbeduidend leek, dan was alles mis.Hij dompelde in de rivier onder, maar toen hij weer boven kwam, was hij in een vreemd land met onbekende menschen. Hij trouwde er en kreeg kinderen, maar geluk kon hij niet vinden, al doolde hij overal rond om het te zoeken. Zoo kwam hij, na zeven jaar, aan een rivier, en nam er een bad. Maar toen hij het hoofd weer boven water stak, zag hij zijn eigen badplaats, en boven aan den hoogen oever zijn eigen huisje! Hij herinnerde zich plotseling, wat zeven jaar geleden gebeurd was en hij kromp ineen van verdriet. Hij rende den wal op … wat zou er van zijn goede vrouw geworden zijn![22]„Dàt is vlug!” riep ze vroolijk, blij toen ze zijn berouwvol maar toch zoo gelukkig gezicht zag. Hoe heerlijk, dat hij zoo dadelijk zijn fout had ingezien … de kip was nog niet geheel geplukt!Nu geloofde de man. En de kinderen, in het vreemde land achtergelaten, waren de eerste Boenian’s.[Inhoud]3.Spoken-nachtMiddernacht.Wild drijft Si Dòlak Dòlai, de Kwade Wind, door de diepe ravijnen van den Marápi.Hij kwam van over het meer van Singkárak, waar woeste, korte golfjes nòg zijn spoor teekenen. Jagend was hij den Vuurberg opgegaan, wegvagend de stoompluim boven den krater, ros van weerkaatsten vuurgloed, en nu wielt hij neer den berg af, de vlakte in van Agam.„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan.”Zwiependen regen drijft hij voor zich uit, de woesteling, die de wortels van den ficus afbreekt als draad, die het nederigste kruid loswoelt, die de rijstschuren der menschen aflicht van de neuten …In diepen, donkeren nacht slaapt roerloos, stil, de kampoeng,In bamboebosch en palmkroon verscholen.Maar zwiepend, geeselend, wilde jacht, komt bulderend wind èn regen,En plotseling flikkert door het zwart een bliksemflitsDie àl verlicht het donker van zoo even.De bamboe buigt en kreunt, dof vallen oude klapperblâren,In ’t donker huis was alles rust, maar akelig kraait de haan,Die ’t bliksemlicht zich zonnegloren dacht.Bang kreunt ontwakend meisjeEn dringt zich tegen moeder aan …„O, moeder, moeder, hoor dan toch, wat vreeslijke geluiden …„Hoor, moeder, lieve moeder toch, waarom kraait onze haan?”[23]„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan;„En wees niet bang van wat je hoort,„In onze kintjir4stampt men rijst … de Orang Boenian …”Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind,In dürren Blättern säuselt der Wind …„O, moeder, hoor! dat diep geluid, wat kan ’t toch zijn,„Dat boven joelt en neergiert in ’t ravijn?”[24]„Wees rustig toch, mijn lieve schat, en druk je tegen moeder aan …„Ginds viert men feest en dreunt de gong … de Orang Boenian”.Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht?Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind …Ornament met vleermuis.[25]

[Inhoud]1.De „Orang Boenian”De Orang Boenian zijn wezens aan den mensch gelijk, maar zij zijn alleen zichtbaar voor hem, die met een Boenianmeisje getrouwd is. Braver zijn zij dan de mensch, omdat de leugen bij hen onbekend is. Toch griezelt het den jongen man, die ergens op het lage dammetje om zijn sawah onverwachts lekkernij vindt, op kleurige bladeren hem aangeboden door een spookmeisje, dat hem heeft gadegeslagen terwijl hij op zijn rijstveld werkte, en dat hem op deze manier komt vragen haar man te worden.De Boenian’s leven en sterven als gewone menschenkinderen, zij bouwen ook huizen, en zij houden kippen en vee. De bevolking van Tilatang bij Fort de Kock weet heel goed, dat vroeger tal van buffelsporen voerden uit de grot in den Boekit Boenian, den Berg der Verborgenen, maar men heeft er nooit een karbouw gezien.In bijna alle streken van Sumatra komen zij voor, de meesten in Minangkabau, de Padangsche bovenlanden. Zij wonen gewoonlijk in grotten, of zij bouwen hun voor den mensch onzichtbare huizen ergens in dichte bamboe-stoelen, in den ontoegankelijken wirwar van takken en luchtwortels van een reusachtigen ficusboom, en in de rimba, het diepe oerwoud; soms op den top van hooge bergen, waar elk geluid gedempt wordt door de zware mossen, welke stammen, takken en lianen met een dikke laag bedekken.In wilde nachten komen zij in de pelmolens der menschen om er[14]hun rijst te stampen, of zij vieren feest, en in de onbestemde geluiden van den storm hoort het Maleische oor duidelijk het zingend dreunen van de groote gong.En luistert men lang, heel lang, in de grotten van het kalkgebergte van Kamang, waar de spookachtige onrust der vleermuizen en hun krassende kreetjes de grafstilte niet kunnen breken, dan hoort men eerst het tikken van eeuwig druppend water, maar het gaat over in een zachten, rillenden toon van koperen instrumenten, heel ver in het diepe donker … de „gamelan” der Orang Boenian.Het was den vorigen dag in den grauwen morgenschemer al beginnen te motregenen, en nòg druilden de boomen aan den boschrand en waren in een mistig waas verscholen.De datoek, volkshoofd in zijn kampoeng, woonde nu al eenigen tijd bij Matoe, zijn oudste vrouw. Zij zaten voor een der open vensters van het huis, en zij spraken over de padi, die juist uitgeloopen was, en over een troep brutale apen, die uit het bosch waren gekomen. Twee van de dieren hadden zij betrapt, toen zij bezig waren de jonge rijstscheuten voorzichtig uit te trekken om den korrel te hebben; het was ondoenlijk de apen uit de ladang te houden, toch lachten zij om hun menschelijke, knijpende vingertjes, om den diepen ernst bij hun werk.Zij keken naar buiten in den grauwen dag.Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist trad, ergens tusschen de boomen, en die nu het erf kwam oploopen en zijn zwarten knapzak ophing aan een uitstekenden balk van de rijstschuur. En toen die man vroeg of de datoek thuis was en deze hem noodigde boven te komen, kwam hij de trap op, ging op de hem door Matoe aangeboden mat zitten en dronk zwijgend de koffie, welke zij den mannen voorzette.Ook de datoek zweeg, het was hem wonderlijk te moede. Wat voelde hij toch?… wat was het toch weer, wat wist hij van dezen zwarten man?Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradHij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradEn plotseling doorleefde hij een droom. Een vrouw had met hem gesproken en hem gevraagd, of hij met haar dochter wilde trouwen.[16]Hij was zeer verrast geweest en had bedenktijd gevraagd; daarop had zij hem gezegd, dat hij de beslissing maar zeggen moest aan „den zwarten toeankoe”. Verbaasd was hij wakker geworden, het schemerde al, de moerai2floot de menschen wakker met zijn jubelend lied en de droom was spoedig vergeten. Maar nu kwam alles met beklemmende duidelijkheid terug …„Ik kom het antwoord halen,” zei slechts de oude, zwarte man. De datoek kon niet goed meer denken, hij was geheel in de war.„Ja …” hoorde hij zichzelf bedremmeld zeggen, „ik wil wel met uw dochter trouwen.”En toen de oude dadelijk daarop wegging en zijn zwarten knapzak over den schouder sloeg, zagen Matoe en haar man, dat hij plotseling verdwenen was.„Hai!” rilde de datoek, „dat moet wel een Boenian zijn!” en Matoe huilde.Midden in den nacht voelde de datoek, dat iemand hem wakker maakte; hij tastte rond, maar voelde niets. Hij begreep, dat de Verborgenen hem riepen en stond op.Hij was in een huis, zoo mooi als hij nooit gezien had; het bestond uit niet minder dan dertien roeang’s, de ruimten tusschen de rijen palen waarop het dak rust. Het huis was geheel met planken omwand en smetteloos wit. Er waren veel menschen; ook de oude man, die hem had opgezocht, en nu werd het feest gevierd van zijn huwelijk met Si Boengo, de Bloem, de mooie dochter van den zwarten toeankoe.Vroeg in den morgen stond de datoek op en ging naar buiten, om een bad aan den put te nemen en het morgengebed te doen. Maar toen hij den eersten schep water over zich gestort had … zie! daar stond hij zich te baden aan den eigen put, naast den eigen rijstpelmolen, en toen hij terug wilde gaan naar de mooie Boengo in het witte huis, zag hij slechts de gewone dagelijksche omgeving. Nu stond hij voor Matoe’s huis, binnen sliep iedereen nog rustig, de deur was gesloten en hij moest Matoe wakker maken om binnen te komen. Zelfs de deur van de slaapkamer had Matoe nog op slot gevonden … en nuwistenzij, dat de datoek door spookmenschen was weggevoerd.[17]In den avond van den volgenden dag liep de datoek naar de soerau, het gebedehuis waar hij zijn avondgebed zou doen. Hij dacht over het gebeurde, was het werkelijkheid? Hij zag de mooie, jonge vrouw weer voor zich en verlangde intens bij haar te zijn.Plotseling stond de zwarte toeankoe voor hem en hij kon niet meer denken. Hij wilde trachten te onthouden, wat er met hem gebeuren zou, maar vóór hij het wist stond hij in het witte huis, en Boengo was bij hem.Vier malen bracht de oude man hem bij zich thuis, maar toen zei hij: „ik kan je niet altijd komen halen, je moet nu maar aan Boengo vragen, hoe je den weg naar ons kunt vinden.”„Als je hart sterk naar mij trekt,” antwoordde de Bloem hem, „als je werkelijk naar mij verlangt, ga dan naar den Batoe Gadang, den grooten steen bij de brug van Loendang. Ziet ge op dien steen een versch citroenblad liggen, neem het dan op en wrijf het over je dichte oogen, en je zult den weg naar ons huis zien. Maar kom nimmer met andere menschen, en als er geen citroenblad ligt op den steen, doe dan geen moeite om den weg te zoeken in de dorenbamboe bij dien steen. Je kleeren zullen aan flarden scheuren en je zult doodziek worden.”Op enkele tientallen meters van dien steen loopt de ijzeren baan van Fort de Kock naar Paja Koemboeh, en uit den trein zien de reizigers een grooten rolsteen in de bedding der beek. Vlak ernaast ligt een boschje bamboe doeri, voor menschen en grootere dieren volslagen ontoegankelijk, een muur, gevlochten door scherp gedoornde, taaie stengels.Maar telkens als de datoek het geurige blad over de dichte oogen wreef, lag daar in dat boschje een wit pad, en het voerde naar de woning der spookmenschen.Toen het huwelijk van den datoek en de mooie spookvrouw met kinderen gezegend was, eerst toen wilde Boengo hem de overleveringen van haar stam verhalen, ook, hoe de Verborgenen voortkomen uit aardsche menschen.[18]In den tijd, dat Mohammad de profeet nog op aarde ging, leefden er twee zusters; de eene was met een rijk man getrouwd, de andere had een arm huwelijk gedaan. De rijke gaf eens een groot feest en noodigde er Mohammad, den profeet. De arme wilde hem ook zoo gaarne beleefdheid en eerbied bewijzen, maar hoe konden zij het van hun armoedje doen!„Weet je wat,” zei de arme man, „ga jij de dorpen af en vraag wat men missen kan, daar kun je rijst en specerijen van koopen. Ik zal het bosch ingaan en halal3wild schieten; dan kunnen wij ook een feestmaal hebben en bidden om zegen.”Zij gingen. De vrouw werd hier en daar geholpen en kon haar inkoopen doen. Maar hij jaagde heel het bosch af zonder een enkel stuk wild te zien. Verdrietig ging hij naar huis, maar dicht bij zijn woning sloop een dier door de struiken, en snel had hij het met een pijl uit zijn blaasroer neergelegd. Maar hoe beschaamd was hij, toen hij zag, dat het wild een groote kat was, spierwit, zooals toen alle katten nog waren.Maar … soedahlah, dan maar een kat, niemand zou het immers merken, het feestmoestdoorgaan, de profeet had nu eenmaal de uitnoodiging aangenomen. Hij vilde snel het dier, sneed er den kop en de pooten af, en bracht het bij zijn vrouw; en zij maakte van het vleesch en de specerijen allerlei heerlijke gerechten, voor het feest aan Mohammad den profeet.De gasten kwamen, ook de profeet, en zij zetten zich neer. Hij was gewend bij het maal zijn lievelingskat bij zich te hebben, en toen hij hem niet zag, vroeg hij ernaar en riep toen het dier met luide stem.O! rechtvaardige Allah, daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld … de arme man had de lievelingskat van den profeet gedood, en, in tientallen herlevend, sprong het dier uit de gerechten, van zijn vleesch gemaakt, te voorschijn, de witte vacht in bonte afwisseling geteekend door de sporen en de kleuren der verschillende specerijen.[19]Doodelijk verschrikt en beschaamd vluchtte het arme menschenpaar naar de donkere bosschen, en zij verscholen zich daar voor den toorn van den profeet, voor den spot der menschen. Maar honger dreef hen het bosch uit, en zij gingen naar den profeet, vernederden zich voor hem en smeekten om genade.De profeet toornde niet, hij had immers zoo vele en mooie katten voor die eene witte terug gekregen. Maar de arme lieden bleven den spot der menschen vreezen, zij wisten dit niet te kunnen dragen, en nu smeekten zij Mohammad hen te verbergen voor die anderen. Zij waren altijd braaf geweest en geloovig, zij hadden nooit iets kwaads gedaan vóór dit eene gebeurd was, wat zij bedoeld hadden alleen om den profeet eerbied te bewijzen.In groot medelijden bad de profeet tot God om de arme lieden onzichtbaar te maken voor hun medemenschen, en zóó ontstonden de eerste Orang Boenian … voor Allah’s almacht is niets onmogelijk!Daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld...[20]

1.De „Orang Boenian”

De Orang Boenian zijn wezens aan den mensch gelijk, maar zij zijn alleen zichtbaar voor hem, die met een Boenianmeisje getrouwd is. Braver zijn zij dan de mensch, omdat de leugen bij hen onbekend is. Toch griezelt het den jongen man, die ergens op het lage dammetje om zijn sawah onverwachts lekkernij vindt, op kleurige bladeren hem aangeboden door een spookmeisje, dat hem heeft gadegeslagen terwijl hij op zijn rijstveld werkte, en dat hem op deze manier komt vragen haar man te worden.De Boenian’s leven en sterven als gewone menschenkinderen, zij bouwen ook huizen, en zij houden kippen en vee. De bevolking van Tilatang bij Fort de Kock weet heel goed, dat vroeger tal van buffelsporen voerden uit de grot in den Boekit Boenian, den Berg der Verborgenen, maar men heeft er nooit een karbouw gezien.In bijna alle streken van Sumatra komen zij voor, de meesten in Minangkabau, de Padangsche bovenlanden. Zij wonen gewoonlijk in grotten, of zij bouwen hun voor den mensch onzichtbare huizen ergens in dichte bamboe-stoelen, in den ontoegankelijken wirwar van takken en luchtwortels van een reusachtigen ficusboom, en in de rimba, het diepe oerwoud; soms op den top van hooge bergen, waar elk geluid gedempt wordt door de zware mossen, welke stammen, takken en lianen met een dikke laag bedekken.In wilde nachten komen zij in de pelmolens der menschen om er[14]hun rijst te stampen, of zij vieren feest, en in de onbestemde geluiden van den storm hoort het Maleische oor duidelijk het zingend dreunen van de groote gong.En luistert men lang, heel lang, in de grotten van het kalkgebergte van Kamang, waar de spookachtige onrust der vleermuizen en hun krassende kreetjes de grafstilte niet kunnen breken, dan hoort men eerst het tikken van eeuwig druppend water, maar het gaat over in een zachten, rillenden toon van koperen instrumenten, heel ver in het diepe donker … de „gamelan” der Orang Boenian.Het was den vorigen dag in den grauwen morgenschemer al beginnen te motregenen, en nòg druilden de boomen aan den boschrand en waren in een mistig waas verscholen.De datoek, volkshoofd in zijn kampoeng, woonde nu al eenigen tijd bij Matoe, zijn oudste vrouw. Zij zaten voor een der open vensters van het huis, en zij spraken over de padi, die juist uitgeloopen was, en over een troep brutale apen, die uit het bosch waren gekomen. Twee van de dieren hadden zij betrapt, toen zij bezig waren de jonge rijstscheuten voorzichtig uit te trekken om den korrel te hebben; het was ondoenlijk de apen uit de ladang te houden, toch lachten zij om hun menschelijke, knijpende vingertjes, om den diepen ernst bij hun werk.Zij keken naar buiten in den grauwen dag.Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist trad, ergens tusschen de boomen, en die nu het erf kwam oploopen en zijn zwarten knapzak ophing aan een uitstekenden balk van de rijstschuur. En toen die man vroeg of de datoek thuis was en deze hem noodigde boven te komen, kwam hij de trap op, ging op de hem door Matoe aangeboden mat zitten en dronk zwijgend de koffie, welke zij den mannen voorzette.Ook de datoek zweeg, het was hem wonderlijk te moede. Wat voelde hij toch?… wat was het toch weer, wat wist hij van dezen zwarten man?Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradHij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradEn plotseling doorleefde hij een droom. Een vrouw had met hem gesproken en hem gevraagd, of hij met haar dochter wilde trouwen.[16]Hij was zeer verrast geweest en had bedenktijd gevraagd; daarop had zij hem gezegd, dat hij de beslissing maar zeggen moest aan „den zwarten toeankoe”. Verbaasd was hij wakker geworden, het schemerde al, de moerai2floot de menschen wakker met zijn jubelend lied en de droom was spoedig vergeten. Maar nu kwam alles met beklemmende duidelijkheid terug …„Ik kom het antwoord halen,” zei slechts de oude, zwarte man. De datoek kon niet goed meer denken, hij was geheel in de war.„Ja …” hoorde hij zichzelf bedremmeld zeggen, „ik wil wel met uw dochter trouwen.”En toen de oude dadelijk daarop wegging en zijn zwarten knapzak over den schouder sloeg, zagen Matoe en haar man, dat hij plotseling verdwenen was.„Hai!” rilde de datoek, „dat moet wel een Boenian zijn!” en Matoe huilde.Midden in den nacht voelde de datoek, dat iemand hem wakker maakte; hij tastte rond, maar voelde niets. Hij begreep, dat de Verborgenen hem riepen en stond op.Hij was in een huis, zoo mooi als hij nooit gezien had; het bestond uit niet minder dan dertien roeang’s, de ruimten tusschen de rijen palen waarop het dak rust. Het huis was geheel met planken omwand en smetteloos wit. Er waren veel menschen; ook de oude man, die hem had opgezocht, en nu werd het feest gevierd van zijn huwelijk met Si Boengo, de Bloem, de mooie dochter van den zwarten toeankoe.Vroeg in den morgen stond de datoek op en ging naar buiten, om een bad aan den put te nemen en het morgengebed te doen. Maar toen hij den eersten schep water over zich gestort had … zie! daar stond hij zich te baden aan den eigen put, naast den eigen rijstpelmolen, en toen hij terug wilde gaan naar de mooie Boengo in het witte huis, zag hij slechts de gewone dagelijksche omgeving. Nu stond hij voor Matoe’s huis, binnen sliep iedereen nog rustig, de deur was gesloten en hij moest Matoe wakker maken om binnen te komen. Zelfs de deur van de slaapkamer had Matoe nog op slot gevonden … en nuwistenzij, dat de datoek door spookmenschen was weggevoerd.[17]In den avond van den volgenden dag liep de datoek naar de soerau, het gebedehuis waar hij zijn avondgebed zou doen. Hij dacht over het gebeurde, was het werkelijkheid? Hij zag de mooie, jonge vrouw weer voor zich en verlangde intens bij haar te zijn.Plotseling stond de zwarte toeankoe voor hem en hij kon niet meer denken. Hij wilde trachten te onthouden, wat er met hem gebeuren zou, maar vóór hij het wist stond hij in het witte huis, en Boengo was bij hem.Vier malen bracht de oude man hem bij zich thuis, maar toen zei hij: „ik kan je niet altijd komen halen, je moet nu maar aan Boengo vragen, hoe je den weg naar ons kunt vinden.”„Als je hart sterk naar mij trekt,” antwoordde de Bloem hem, „als je werkelijk naar mij verlangt, ga dan naar den Batoe Gadang, den grooten steen bij de brug van Loendang. Ziet ge op dien steen een versch citroenblad liggen, neem het dan op en wrijf het over je dichte oogen, en je zult den weg naar ons huis zien. Maar kom nimmer met andere menschen, en als er geen citroenblad ligt op den steen, doe dan geen moeite om den weg te zoeken in de dorenbamboe bij dien steen. Je kleeren zullen aan flarden scheuren en je zult doodziek worden.”Op enkele tientallen meters van dien steen loopt de ijzeren baan van Fort de Kock naar Paja Koemboeh, en uit den trein zien de reizigers een grooten rolsteen in de bedding der beek. Vlak ernaast ligt een boschje bamboe doeri, voor menschen en grootere dieren volslagen ontoegankelijk, een muur, gevlochten door scherp gedoornde, taaie stengels.Maar telkens als de datoek het geurige blad over de dichte oogen wreef, lag daar in dat boschje een wit pad, en het voerde naar de woning der spookmenschen.Toen het huwelijk van den datoek en de mooie spookvrouw met kinderen gezegend was, eerst toen wilde Boengo hem de overleveringen van haar stam verhalen, ook, hoe de Verborgenen voortkomen uit aardsche menschen.[18]In den tijd, dat Mohammad de profeet nog op aarde ging, leefden er twee zusters; de eene was met een rijk man getrouwd, de andere had een arm huwelijk gedaan. De rijke gaf eens een groot feest en noodigde er Mohammad, den profeet. De arme wilde hem ook zoo gaarne beleefdheid en eerbied bewijzen, maar hoe konden zij het van hun armoedje doen!„Weet je wat,” zei de arme man, „ga jij de dorpen af en vraag wat men missen kan, daar kun je rijst en specerijen van koopen. Ik zal het bosch ingaan en halal3wild schieten; dan kunnen wij ook een feestmaal hebben en bidden om zegen.”Zij gingen. De vrouw werd hier en daar geholpen en kon haar inkoopen doen. Maar hij jaagde heel het bosch af zonder een enkel stuk wild te zien. Verdrietig ging hij naar huis, maar dicht bij zijn woning sloop een dier door de struiken, en snel had hij het met een pijl uit zijn blaasroer neergelegd. Maar hoe beschaamd was hij, toen hij zag, dat het wild een groote kat was, spierwit, zooals toen alle katten nog waren.Maar … soedahlah, dan maar een kat, niemand zou het immers merken, het feestmoestdoorgaan, de profeet had nu eenmaal de uitnoodiging aangenomen. Hij vilde snel het dier, sneed er den kop en de pooten af, en bracht het bij zijn vrouw; en zij maakte van het vleesch en de specerijen allerlei heerlijke gerechten, voor het feest aan Mohammad den profeet.De gasten kwamen, ook de profeet, en zij zetten zich neer. Hij was gewend bij het maal zijn lievelingskat bij zich te hebben, en toen hij hem niet zag, vroeg hij ernaar en riep toen het dier met luide stem.O! rechtvaardige Allah, daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld … de arme man had de lievelingskat van den profeet gedood, en, in tientallen herlevend, sprong het dier uit de gerechten, van zijn vleesch gemaakt, te voorschijn, de witte vacht in bonte afwisseling geteekend door de sporen en de kleuren der verschillende specerijen.[19]Doodelijk verschrikt en beschaamd vluchtte het arme menschenpaar naar de donkere bosschen, en zij verscholen zich daar voor den toorn van den profeet, voor den spot der menschen. Maar honger dreef hen het bosch uit, en zij gingen naar den profeet, vernederden zich voor hem en smeekten om genade.De profeet toornde niet, hij had immers zoo vele en mooie katten voor die eene witte terug gekregen. Maar de arme lieden bleven den spot der menschen vreezen, zij wisten dit niet te kunnen dragen, en nu smeekten zij Mohammad hen te verbergen voor die anderen. Zij waren altijd braaf geweest en geloovig, zij hadden nooit iets kwaads gedaan vóór dit eene gebeurd was, wat zij bedoeld hadden alleen om den profeet eerbied te bewijzen.In groot medelijden bad de profeet tot God om de arme lieden onzichtbaar te maken voor hun medemenschen, en zóó ontstonden de eerste Orang Boenian … voor Allah’s almacht is niets onmogelijk!Daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld...[20]

De Orang Boenian zijn wezens aan den mensch gelijk, maar zij zijn alleen zichtbaar voor hem, die met een Boenianmeisje getrouwd is. Braver zijn zij dan de mensch, omdat de leugen bij hen onbekend is. Toch griezelt het den jongen man, die ergens op het lage dammetje om zijn sawah onverwachts lekkernij vindt, op kleurige bladeren hem aangeboden door een spookmeisje, dat hem heeft gadegeslagen terwijl hij op zijn rijstveld werkte, en dat hem op deze manier komt vragen haar man te worden.

De Boenian’s leven en sterven als gewone menschenkinderen, zij bouwen ook huizen, en zij houden kippen en vee. De bevolking van Tilatang bij Fort de Kock weet heel goed, dat vroeger tal van buffelsporen voerden uit de grot in den Boekit Boenian, den Berg der Verborgenen, maar men heeft er nooit een karbouw gezien.

In bijna alle streken van Sumatra komen zij voor, de meesten in Minangkabau, de Padangsche bovenlanden. Zij wonen gewoonlijk in grotten, of zij bouwen hun voor den mensch onzichtbare huizen ergens in dichte bamboe-stoelen, in den ontoegankelijken wirwar van takken en luchtwortels van een reusachtigen ficusboom, en in de rimba, het diepe oerwoud; soms op den top van hooge bergen, waar elk geluid gedempt wordt door de zware mossen, welke stammen, takken en lianen met een dikke laag bedekken.

In wilde nachten komen zij in de pelmolens der menschen om er[14]hun rijst te stampen, of zij vieren feest, en in de onbestemde geluiden van den storm hoort het Maleische oor duidelijk het zingend dreunen van de groote gong.

En luistert men lang, heel lang, in de grotten van het kalkgebergte van Kamang, waar de spookachtige onrust der vleermuizen en hun krassende kreetjes de grafstilte niet kunnen breken, dan hoort men eerst het tikken van eeuwig druppend water, maar het gaat over in een zachten, rillenden toon van koperen instrumenten, heel ver in het diepe donker … de „gamelan” der Orang Boenian.

Het was den vorigen dag in den grauwen morgenschemer al beginnen te motregenen, en nòg druilden de boomen aan den boschrand en waren in een mistig waas verscholen.

De datoek, volkshoofd in zijn kampoeng, woonde nu al eenigen tijd bij Matoe, zijn oudste vrouw. Zij zaten voor een der open vensters van het huis, en zij spraken over de padi, die juist uitgeloopen was, en over een troep brutale apen, die uit het bosch waren gekomen. Twee van de dieren hadden zij betrapt, toen zij bezig waren de jonge rijstscheuten voorzichtig uit te trekken om den korrel te hebben; het was ondoenlijk de apen uit de ladang te houden, toch lachten zij om hun menschelijke, knijpende vingertjes, om den diepen ernst bij hun werk.

Zij keken naar buiten in den grauwen dag.

Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist trad, ergens tusschen de boomen, en die nu het erf kwam oploopen en zijn zwarten knapzak ophing aan een uitstekenden balk van de rijstschuur. En toen die man vroeg of de datoek thuis was en deze hem noodigde boven te komen, kwam hij de trap op, ging op de hem door Matoe aangeboden mat zitten en dronk zwijgend de koffie, welke zij den mannen voorzette.

Ook de datoek zweeg, het was hem wonderlijk te moede. Wat voelde hij toch?… wat was het toch weer, wat wist hij van dezen zwarten man?

Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist tradHij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist trad

Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist trad

En plotseling doorleefde hij een droom. Een vrouw had met hem gesproken en hem gevraagd, of hij met haar dochter wilde trouwen.[16]Hij was zeer verrast geweest en had bedenktijd gevraagd; daarop had zij hem gezegd, dat hij de beslissing maar zeggen moest aan „den zwarten toeankoe”. Verbaasd was hij wakker geworden, het schemerde al, de moerai2floot de menschen wakker met zijn jubelend lied en de droom was spoedig vergeten. Maar nu kwam alles met beklemmende duidelijkheid terug …

„Ik kom het antwoord halen,” zei slechts de oude, zwarte man. De datoek kon niet goed meer denken, hij was geheel in de war.

„Ja …” hoorde hij zichzelf bedremmeld zeggen, „ik wil wel met uw dochter trouwen.”

En toen de oude dadelijk daarop wegging en zijn zwarten knapzak over den schouder sloeg, zagen Matoe en haar man, dat hij plotseling verdwenen was.

„Hai!” rilde de datoek, „dat moet wel een Boenian zijn!” en Matoe huilde.

Midden in den nacht voelde de datoek, dat iemand hem wakker maakte; hij tastte rond, maar voelde niets. Hij begreep, dat de Verborgenen hem riepen en stond op.

Hij was in een huis, zoo mooi als hij nooit gezien had; het bestond uit niet minder dan dertien roeang’s, de ruimten tusschen de rijen palen waarop het dak rust. Het huis was geheel met planken omwand en smetteloos wit. Er waren veel menschen; ook de oude man, die hem had opgezocht, en nu werd het feest gevierd van zijn huwelijk met Si Boengo, de Bloem, de mooie dochter van den zwarten toeankoe.

Vroeg in den morgen stond de datoek op en ging naar buiten, om een bad aan den put te nemen en het morgengebed te doen. Maar toen hij den eersten schep water over zich gestort had … zie! daar stond hij zich te baden aan den eigen put, naast den eigen rijstpelmolen, en toen hij terug wilde gaan naar de mooie Boengo in het witte huis, zag hij slechts de gewone dagelijksche omgeving. Nu stond hij voor Matoe’s huis, binnen sliep iedereen nog rustig, de deur was gesloten en hij moest Matoe wakker maken om binnen te komen. Zelfs de deur van de slaapkamer had Matoe nog op slot gevonden … en nuwistenzij, dat de datoek door spookmenschen was weggevoerd.[17]

In den avond van den volgenden dag liep de datoek naar de soerau, het gebedehuis waar hij zijn avondgebed zou doen. Hij dacht over het gebeurde, was het werkelijkheid? Hij zag de mooie, jonge vrouw weer voor zich en verlangde intens bij haar te zijn.

Plotseling stond de zwarte toeankoe voor hem en hij kon niet meer denken. Hij wilde trachten te onthouden, wat er met hem gebeuren zou, maar vóór hij het wist stond hij in het witte huis, en Boengo was bij hem.

Vier malen bracht de oude man hem bij zich thuis, maar toen zei hij: „ik kan je niet altijd komen halen, je moet nu maar aan Boengo vragen, hoe je den weg naar ons kunt vinden.”

„Als je hart sterk naar mij trekt,” antwoordde de Bloem hem, „als je werkelijk naar mij verlangt, ga dan naar den Batoe Gadang, den grooten steen bij de brug van Loendang. Ziet ge op dien steen een versch citroenblad liggen, neem het dan op en wrijf het over je dichte oogen, en je zult den weg naar ons huis zien. Maar kom nimmer met andere menschen, en als er geen citroenblad ligt op den steen, doe dan geen moeite om den weg te zoeken in de dorenbamboe bij dien steen. Je kleeren zullen aan flarden scheuren en je zult doodziek worden.”

Op enkele tientallen meters van dien steen loopt de ijzeren baan van Fort de Kock naar Paja Koemboeh, en uit den trein zien de reizigers een grooten rolsteen in de bedding der beek. Vlak ernaast ligt een boschje bamboe doeri, voor menschen en grootere dieren volslagen ontoegankelijk, een muur, gevlochten door scherp gedoornde, taaie stengels.

Maar telkens als de datoek het geurige blad over de dichte oogen wreef, lag daar in dat boschje een wit pad, en het voerde naar de woning der spookmenschen.

Toen het huwelijk van den datoek en de mooie spookvrouw met kinderen gezegend was, eerst toen wilde Boengo hem de overleveringen van haar stam verhalen, ook, hoe de Verborgenen voortkomen uit aardsche menschen.[18]

In den tijd, dat Mohammad de profeet nog op aarde ging, leefden er twee zusters; de eene was met een rijk man getrouwd, de andere had een arm huwelijk gedaan. De rijke gaf eens een groot feest en noodigde er Mohammad, den profeet. De arme wilde hem ook zoo gaarne beleefdheid en eerbied bewijzen, maar hoe konden zij het van hun armoedje doen!

„Weet je wat,” zei de arme man, „ga jij de dorpen af en vraag wat men missen kan, daar kun je rijst en specerijen van koopen. Ik zal het bosch ingaan en halal3wild schieten; dan kunnen wij ook een feestmaal hebben en bidden om zegen.”

Zij gingen. De vrouw werd hier en daar geholpen en kon haar inkoopen doen. Maar hij jaagde heel het bosch af zonder een enkel stuk wild te zien. Verdrietig ging hij naar huis, maar dicht bij zijn woning sloop een dier door de struiken, en snel had hij het met een pijl uit zijn blaasroer neergelegd. Maar hoe beschaamd was hij, toen hij zag, dat het wild een groote kat was, spierwit, zooals toen alle katten nog waren.

Maar … soedahlah, dan maar een kat, niemand zou het immers merken, het feestmoestdoorgaan, de profeet had nu eenmaal de uitnoodiging aangenomen. Hij vilde snel het dier, sneed er den kop en de pooten af, en bracht het bij zijn vrouw; en zij maakte van het vleesch en de specerijen allerlei heerlijke gerechten, voor het feest aan Mohammad den profeet.

De gasten kwamen, ook de profeet, en zij zetten zich neer. Hij was gewend bij het maal zijn lievelingskat bij zich te hebben, en toen hij hem niet zag, vroeg hij ernaar en riep toen het dier met luide stem.

O! rechtvaardige Allah, daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld … de arme man had de lievelingskat van den profeet gedood, en, in tientallen herlevend, sprong het dier uit de gerechten, van zijn vleesch gemaakt, te voorschijn, de witte vacht in bonte afwisseling geteekend door de sporen en de kleuren der verschillende specerijen.[19]

Doodelijk verschrikt en beschaamd vluchtte het arme menschenpaar naar de donkere bosschen, en zij verscholen zich daar voor den toorn van den profeet, voor den spot der menschen. Maar honger dreef hen het bosch uit, en zij gingen naar den profeet, vernederden zich voor hem en smeekten om genade.

De profeet toornde niet, hij had immers zoo vele en mooie katten voor die eene witte terug gekregen. Maar de arme lieden bleven den spot der menschen vreezen, zij wisten dit niet te kunnen dragen, en nu smeekten zij Mohammad hen te verbergen voor die anderen. Zij waren altijd braaf geweest en geloovig, zij hadden nooit iets kwaads gedaan vóór dit eene gebeurd was, wat zij bedoeld hadden alleen om den profeet eerbied te bewijzen.

In groot medelijden bad de profeet tot God om de arme lieden onzichtbaar te maken voor hun medemenschen, en zóó ontstonden de eerste Orang Boenian … voor Allah’s almacht is niets onmogelijk!

Daar sprongen uit alle gerechten tal van katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld...

[20]

[Inhoud]2.Zij, die niet geloofdenIn den 15den der 1001 Nachten verhaalt Sheherazade aan Sultan Shahryar de geschiedenis van den sheik Shahabeddin:De sultan van Egypte verzamelde op zekeren dag alle geleerden uit zijn rijk en behandelde met hen het volgende onderwerp. De Moslims zeggen, dat de engel Djabraïl (Gabriël) den profeet Mohammad uit zijn bed lichtte en hem alles toonde, wat in de zeven hemelen, in het paradijs en in de hel te zien is. Daarna voerde de profeet nog 90.000 gesprekken met Allah, en toen hij door den engel in zijn bed werd terug gebracht, had hij nog juist den tijd om een kruik, die bij zijn vertrek omgevallen was, op te zetten vóór al het water er uit was gestroomd …„Wie kan zulke belachelijke verhaaltjes gelooven!” had de sultan gezegd. Doch de geleerden antwoordden hem: „Voor Allah’s almacht is niets onmogelijk”… en nu ontstond een strijd, die de grootste tweespalt in Egypte veroorzaakte.De mare hiervan drong ook door tot sheik Shabeddin. Hij begaf zich dadelijk op weg naar den sultan, die hem met eerbied ontving. Zij zetten zich in een vertrek neer met vier vensters, welke op verzoek van den sheik gesloten werden. Nadat zij over verschillende zaken gesproken hadden, stootte de geleerde sheik één voor één de vensters open, en de sultan zag tot zijn ontzetting achtereenvolgens, dat een ontelbaar leger tegen zijn paleis optrok, toen, dat heel Kaïro in vlammen opging; daarna, dat een geweldige vloed zijn paleis bedreigde. Maar deze tafereelen werden door den sheik te niet gedaan, zoo deed hij ook weer verdwijnen het heerlijke landschap, dat de sultan door het vierde venster aanschouwde, terwijl hij wist, dat zich tot aan den horizont een onvruchtbare woestijnvlakte uitstrekte.Daarop liet de sheik een groote kuip water brengen, en hij verzocht den sultan zich daarin neer te zetten en het hoofd even onder te dompelen. De sultan deed dit … en hij bevond zich aan den oever van een groot, onbekend water, tusschen rotsen en bergen. Hij leefde zeven jaar in dit vreemde land, had er onnoemelijk veel leed, huwde[21]er en kreeg zeven zoons en zeven dochters. Hij kwam, zonder dit te weten, op een goeden dag terug op de plek, waar hij het vreemde land was binnen gekomen, nam er een bad in de rivier, en toen hij het hoofd boven water stak, bevond hij zich … in zijn paleis, omringd door zijn hovelingen, en zij en de sheik verklaarden, dat hij zoo even zijn hoofd had ondergedompeld en dadelijk weer boven water gekomen was …Ook op Sumatra moest Allah, eeuwen geleden, een man straffen, die het nieuwe geloof niet wilde aanvaarden.Hij en zijn vrouw waren goede menschen. Zij woonden diep in het bosch, aan den bovenloop van een der rivieren, die in Straat Malaka uitmonden; in een wereldje op zichzelf, waar slechts geruchten doordrongen van het bestaan van een grootere wereld. Zij kregen kinderen en hadden het goed. Maar zoo nu en dan, als de vrouw merkte hoe ongeloovig haar man was, kibbelden zij heftig, en zijn ongeloof was voor de vrouw het eenige verdriet, dat zij kende.Eens, dat hij voor een feestelijken maaltijd een kip had geslacht en die begon te plukken, kwam zijn vrouw terug op een twistgesprek, dat zij hadden gehad, omdat de man niet geloofde aan de almacht van Allah. Driftig stond hij op en riep uit: „Nou krijg ik genoeg van die nonsens, ik ga een bad nemen; pluk jij nu zelf de kip ook maar!” en hij wierp haar het half-kale dier voor de voeten. Toen daalde hij den oever af, in wrevel en ergernis. Dat eeuwige gezeur! zij hadden het samen zoo goed, maar als dat ééne kwam, dat hem zoo onbeduidend leek, dan was alles mis.Hij dompelde in de rivier onder, maar toen hij weer boven kwam, was hij in een vreemd land met onbekende menschen. Hij trouwde er en kreeg kinderen, maar geluk kon hij niet vinden, al doolde hij overal rond om het te zoeken. Zoo kwam hij, na zeven jaar, aan een rivier, en nam er een bad. Maar toen hij het hoofd weer boven water stak, zag hij zijn eigen badplaats, en boven aan den hoogen oever zijn eigen huisje! Hij herinnerde zich plotseling, wat zeven jaar geleden gebeurd was en hij kromp ineen van verdriet. Hij rende den wal op … wat zou er van zijn goede vrouw geworden zijn![22]„Dàt is vlug!” riep ze vroolijk, blij toen ze zijn berouwvol maar toch zoo gelukkig gezicht zag. Hoe heerlijk, dat hij zoo dadelijk zijn fout had ingezien … de kip was nog niet geheel geplukt!Nu geloofde de man. En de kinderen, in het vreemde land achtergelaten, waren de eerste Boenian’s.

2.Zij, die niet geloofden

In den 15den der 1001 Nachten verhaalt Sheherazade aan Sultan Shahryar de geschiedenis van den sheik Shahabeddin:De sultan van Egypte verzamelde op zekeren dag alle geleerden uit zijn rijk en behandelde met hen het volgende onderwerp. De Moslims zeggen, dat de engel Djabraïl (Gabriël) den profeet Mohammad uit zijn bed lichtte en hem alles toonde, wat in de zeven hemelen, in het paradijs en in de hel te zien is. Daarna voerde de profeet nog 90.000 gesprekken met Allah, en toen hij door den engel in zijn bed werd terug gebracht, had hij nog juist den tijd om een kruik, die bij zijn vertrek omgevallen was, op te zetten vóór al het water er uit was gestroomd …„Wie kan zulke belachelijke verhaaltjes gelooven!” had de sultan gezegd. Doch de geleerden antwoordden hem: „Voor Allah’s almacht is niets onmogelijk”… en nu ontstond een strijd, die de grootste tweespalt in Egypte veroorzaakte.De mare hiervan drong ook door tot sheik Shabeddin. Hij begaf zich dadelijk op weg naar den sultan, die hem met eerbied ontving. Zij zetten zich in een vertrek neer met vier vensters, welke op verzoek van den sheik gesloten werden. Nadat zij over verschillende zaken gesproken hadden, stootte de geleerde sheik één voor één de vensters open, en de sultan zag tot zijn ontzetting achtereenvolgens, dat een ontelbaar leger tegen zijn paleis optrok, toen, dat heel Kaïro in vlammen opging; daarna, dat een geweldige vloed zijn paleis bedreigde. Maar deze tafereelen werden door den sheik te niet gedaan, zoo deed hij ook weer verdwijnen het heerlijke landschap, dat de sultan door het vierde venster aanschouwde, terwijl hij wist, dat zich tot aan den horizont een onvruchtbare woestijnvlakte uitstrekte.Daarop liet de sheik een groote kuip water brengen, en hij verzocht den sultan zich daarin neer te zetten en het hoofd even onder te dompelen. De sultan deed dit … en hij bevond zich aan den oever van een groot, onbekend water, tusschen rotsen en bergen. Hij leefde zeven jaar in dit vreemde land, had er onnoemelijk veel leed, huwde[21]er en kreeg zeven zoons en zeven dochters. Hij kwam, zonder dit te weten, op een goeden dag terug op de plek, waar hij het vreemde land was binnen gekomen, nam er een bad in de rivier, en toen hij het hoofd boven water stak, bevond hij zich … in zijn paleis, omringd door zijn hovelingen, en zij en de sheik verklaarden, dat hij zoo even zijn hoofd had ondergedompeld en dadelijk weer boven water gekomen was …Ook op Sumatra moest Allah, eeuwen geleden, een man straffen, die het nieuwe geloof niet wilde aanvaarden.Hij en zijn vrouw waren goede menschen. Zij woonden diep in het bosch, aan den bovenloop van een der rivieren, die in Straat Malaka uitmonden; in een wereldje op zichzelf, waar slechts geruchten doordrongen van het bestaan van een grootere wereld. Zij kregen kinderen en hadden het goed. Maar zoo nu en dan, als de vrouw merkte hoe ongeloovig haar man was, kibbelden zij heftig, en zijn ongeloof was voor de vrouw het eenige verdriet, dat zij kende.Eens, dat hij voor een feestelijken maaltijd een kip had geslacht en die begon te plukken, kwam zijn vrouw terug op een twistgesprek, dat zij hadden gehad, omdat de man niet geloofde aan de almacht van Allah. Driftig stond hij op en riep uit: „Nou krijg ik genoeg van die nonsens, ik ga een bad nemen; pluk jij nu zelf de kip ook maar!” en hij wierp haar het half-kale dier voor de voeten. Toen daalde hij den oever af, in wrevel en ergernis. Dat eeuwige gezeur! zij hadden het samen zoo goed, maar als dat ééne kwam, dat hem zoo onbeduidend leek, dan was alles mis.Hij dompelde in de rivier onder, maar toen hij weer boven kwam, was hij in een vreemd land met onbekende menschen. Hij trouwde er en kreeg kinderen, maar geluk kon hij niet vinden, al doolde hij overal rond om het te zoeken. Zoo kwam hij, na zeven jaar, aan een rivier, en nam er een bad. Maar toen hij het hoofd weer boven water stak, zag hij zijn eigen badplaats, en boven aan den hoogen oever zijn eigen huisje! Hij herinnerde zich plotseling, wat zeven jaar geleden gebeurd was en hij kromp ineen van verdriet. Hij rende den wal op … wat zou er van zijn goede vrouw geworden zijn![22]„Dàt is vlug!” riep ze vroolijk, blij toen ze zijn berouwvol maar toch zoo gelukkig gezicht zag. Hoe heerlijk, dat hij zoo dadelijk zijn fout had ingezien … de kip was nog niet geheel geplukt!Nu geloofde de man. En de kinderen, in het vreemde land achtergelaten, waren de eerste Boenian’s.

In den 15den der 1001 Nachten verhaalt Sheherazade aan Sultan Shahryar de geschiedenis van den sheik Shahabeddin:

De sultan van Egypte verzamelde op zekeren dag alle geleerden uit zijn rijk en behandelde met hen het volgende onderwerp. De Moslims zeggen, dat de engel Djabraïl (Gabriël) den profeet Mohammad uit zijn bed lichtte en hem alles toonde, wat in de zeven hemelen, in het paradijs en in de hel te zien is. Daarna voerde de profeet nog 90.000 gesprekken met Allah, en toen hij door den engel in zijn bed werd terug gebracht, had hij nog juist den tijd om een kruik, die bij zijn vertrek omgevallen was, op te zetten vóór al het water er uit was gestroomd …

„Wie kan zulke belachelijke verhaaltjes gelooven!” had de sultan gezegd. Doch de geleerden antwoordden hem: „Voor Allah’s almacht is niets onmogelijk”… en nu ontstond een strijd, die de grootste tweespalt in Egypte veroorzaakte.

De mare hiervan drong ook door tot sheik Shabeddin. Hij begaf zich dadelijk op weg naar den sultan, die hem met eerbied ontving. Zij zetten zich in een vertrek neer met vier vensters, welke op verzoek van den sheik gesloten werden. Nadat zij over verschillende zaken gesproken hadden, stootte de geleerde sheik één voor één de vensters open, en de sultan zag tot zijn ontzetting achtereenvolgens, dat een ontelbaar leger tegen zijn paleis optrok, toen, dat heel Kaïro in vlammen opging; daarna, dat een geweldige vloed zijn paleis bedreigde. Maar deze tafereelen werden door den sheik te niet gedaan, zoo deed hij ook weer verdwijnen het heerlijke landschap, dat de sultan door het vierde venster aanschouwde, terwijl hij wist, dat zich tot aan den horizont een onvruchtbare woestijnvlakte uitstrekte.

Daarop liet de sheik een groote kuip water brengen, en hij verzocht den sultan zich daarin neer te zetten en het hoofd even onder te dompelen. De sultan deed dit … en hij bevond zich aan den oever van een groot, onbekend water, tusschen rotsen en bergen. Hij leefde zeven jaar in dit vreemde land, had er onnoemelijk veel leed, huwde[21]er en kreeg zeven zoons en zeven dochters. Hij kwam, zonder dit te weten, op een goeden dag terug op de plek, waar hij het vreemde land was binnen gekomen, nam er een bad in de rivier, en toen hij het hoofd boven water stak, bevond hij zich … in zijn paleis, omringd door zijn hovelingen, en zij en de sheik verklaarden, dat hij zoo even zijn hoofd had ondergedompeld en dadelijk weer boven water gekomen was …

Ook op Sumatra moest Allah, eeuwen geleden, een man straffen, die het nieuwe geloof niet wilde aanvaarden.

Hij en zijn vrouw waren goede menschen. Zij woonden diep in het bosch, aan den bovenloop van een der rivieren, die in Straat Malaka uitmonden; in een wereldje op zichzelf, waar slechts geruchten doordrongen van het bestaan van een grootere wereld. Zij kregen kinderen en hadden het goed. Maar zoo nu en dan, als de vrouw merkte hoe ongeloovig haar man was, kibbelden zij heftig, en zijn ongeloof was voor de vrouw het eenige verdriet, dat zij kende.

Eens, dat hij voor een feestelijken maaltijd een kip had geslacht en die begon te plukken, kwam zijn vrouw terug op een twistgesprek, dat zij hadden gehad, omdat de man niet geloofde aan de almacht van Allah. Driftig stond hij op en riep uit: „Nou krijg ik genoeg van die nonsens, ik ga een bad nemen; pluk jij nu zelf de kip ook maar!” en hij wierp haar het half-kale dier voor de voeten. Toen daalde hij den oever af, in wrevel en ergernis. Dat eeuwige gezeur! zij hadden het samen zoo goed, maar als dat ééne kwam, dat hem zoo onbeduidend leek, dan was alles mis.

Hij dompelde in de rivier onder, maar toen hij weer boven kwam, was hij in een vreemd land met onbekende menschen. Hij trouwde er en kreeg kinderen, maar geluk kon hij niet vinden, al doolde hij overal rond om het te zoeken. Zoo kwam hij, na zeven jaar, aan een rivier, en nam er een bad. Maar toen hij het hoofd weer boven water stak, zag hij zijn eigen badplaats, en boven aan den hoogen oever zijn eigen huisje! Hij herinnerde zich plotseling, wat zeven jaar geleden gebeurd was en hij kromp ineen van verdriet. Hij rende den wal op … wat zou er van zijn goede vrouw geworden zijn![22]

„Dàt is vlug!” riep ze vroolijk, blij toen ze zijn berouwvol maar toch zoo gelukkig gezicht zag. Hoe heerlijk, dat hij zoo dadelijk zijn fout had ingezien … de kip was nog niet geheel geplukt!

Nu geloofde de man. En de kinderen, in het vreemde land achtergelaten, waren de eerste Boenian’s.

[Inhoud]3.Spoken-nachtMiddernacht.Wild drijft Si Dòlak Dòlai, de Kwade Wind, door de diepe ravijnen van den Marápi.Hij kwam van over het meer van Singkárak, waar woeste, korte golfjes nòg zijn spoor teekenen. Jagend was hij den Vuurberg opgegaan, wegvagend de stoompluim boven den krater, ros van weerkaatsten vuurgloed, en nu wielt hij neer den berg af, de vlakte in van Agam.„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan.”Zwiependen regen drijft hij voor zich uit, de woesteling, die de wortels van den ficus afbreekt als draad, die het nederigste kruid loswoelt, die de rijstschuren der menschen aflicht van de neuten …In diepen, donkeren nacht slaapt roerloos, stil, de kampoeng,In bamboebosch en palmkroon verscholen.Maar zwiepend, geeselend, wilde jacht, komt bulderend wind èn regen,En plotseling flikkert door het zwart een bliksemflitsDie àl verlicht het donker van zoo even.De bamboe buigt en kreunt, dof vallen oude klapperblâren,In ’t donker huis was alles rust, maar akelig kraait de haan,Die ’t bliksemlicht zich zonnegloren dacht.Bang kreunt ontwakend meisjeEn dringt zich tegen moeder aan …„O, moeder, moeder, hoor dan toch, wat vreeslijke geluiden …„Hoor, moeder, lieve moeder toch, waarom kraait onze haan?”[23]„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan;„En wees niet bang van wat je hoort,„In onze kintjir4stampt men rijst … de Orang Boenian …”Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind,In dürren Blättern säuselt der Wind …„O, moeder, hoor! dat diep geluid, wat kan ’t toch zijn,„Dat boven joelt en neergiert in ’t ravijn?”[24]„Wees rustig toch, mijn lieve schat, en druk je tegen moeder aan …„Ginds viert men feest en dreunt de gong … de Orang Boenian”.Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht?Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind …Ornament met vleermuis.[25]

3.Spoken-nacht

Middernacht.Wild drijft Si Dòlak Dòlai, de Kwade Wind, door de diepe ravijnen van den Marápi.Hij kwam van over het meer van Singkárak, waar woeste, korte golfjes nòg zijn spoor teekenen. Jagend was hij den Vuurberg opgegaan, wegvagend de stoompluim boven den krater, ros van weerkaatsten vuurgloed, en nu wielt hij neer den berg af, de vlakte in van Agam.„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan.”Zwiependen regen drijft hij voor zich uit, de woesteling, die de wortels van den ficus afbreekt als draad, die het nederigste kruid loswoelt, die de rijstschuren der menschen aflicht van de neuten …In diepen, donkeren nacht slaapt roerloos, stil, de kampoeng,In bamboebosch en palmkroon verscholen.Maar zwiepend, geeselend, wilde jacht, komt bulderend wind èn regen,En plotseling flikkert door het zwart een bliksemflitsDie àl verlicht het donker van zoo even.De bamboe buigt en kreunt, dof vallen oude klapperblâren,In ’t donker huis was alles rust, maar akelig kraait de haan,Die ’t bliksemlicht zich zonnegloren dacht.Bang kreunt ontwakend meisjeEn dringt zich tegen moeder aan …„O, moeder, moeder, hoor dan toch, wat vreeslijke geluiden …„Hoor, moeder, lieve moeder toch, waarom kraait onze haan?”[23]„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan;„En wees niet bang van wat je hoort,„In onze kintjir4stampt men rijst … de Orang Boenian …”Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind,In dürren Blättern säuselt der Wind …„O, moeder, hoor! dat diep geluid, wat kan ’t toch zijn,„Dat boven joelt en neergiert in ’t ravijn?”[24]„Wees rustig toch, mijn lieve schat, en druk je tegen moeder aan …„Ginds viert men feest en dreunt de gong … de Orang Boenian”.Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht?Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind …Ornament met vleermuis.[25]

Middernacht.

Wild drijft Si Dòlak Dòlai, de Kwade Wind, door de diepe ravijnen van den Marápi.

Hij kwam van over het meer van Singkárak, waar woeste, korte golfjes nòg zijn spoor teekenen. Jagend was hij den Vuurberg opgegaan, wegvagend de stoompluim boven den krater, ros van weerkaatsten vuurgloed, en nu wielt hij neer den berg af, de vlakte in van Agam.

„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan.”

Zwiependen regen drijft hij voor zich uit, de woesteling, die de wortels van den ficus afbreekt als draad, die het nederigste kruid loswoelt, die de rijstschuren der menschen aflicht van de neuten …

In diepen, donkeren nacht slaapt roerloos, stil, de kampoeng,In bamboebosch en palmkroon verscholen.Maar zwiepend, geeselend, wilde jacht, komt bulderend wind èn regen,En plotseling flikkert door het zwart een bliksemflitsDie àl verlicht het donker van zoo even.De bamboe buigt en kreunt, dof vallen oude klapperblâren,In ’t donker huis was alles rust, maar akelig kraait de haan,Die ’t bliksemlicht zich zonnegloren dacht.Bang kreunt ontwakend meisjeEn dringt zich tegen moeder aan …„O, moeder, moeder, hoor dan toch, wat vreeslijke geluiden …„Hoor, moeder, lieve moeder toch, waarom kraait onze haan?”[23]„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan;„En wees niet bang van wat je hoort,„In onze kintjir4stampt men rijst … de Orang Boenian …”Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind,In dürren Blättern säuselt der Wind …„O, moeder, hoor! dat diep geluid, wat kan ’t toch zijn,„Dat boven joelt en neergiert in ’t ravijn?”[24]„Wees rustig toch, mijn lieve schat, en druk je tegen moeder aan …„Ginds viert men feest en dreunt de gong … de Orang Boenian”.Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht?Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind …

In diepen, donkeren nacht slaapt roerloos, stil, de kampoeng,In bamboebosch en palmkroon verscholen.Maar zwiepend, geeselend, wilde jacht, komt bulderend wind èn regen,En plotseling flikkert door het zwart een bliksemflitsDie àl verlicht het donker van zoo even.

In diepen, donkeren nacht slaapt roerloos, stil, de kampoeng,

In bamboebosch en palmkroon verscholen.

Maar zwiepend, geeselend, wilde jacht, komt bulderend wind èn regen,

En plotseling flikkert door het zwart een bliksemflits

Die àl verlicht het donker van zoo even.

De bamboe buigt en kreunt, dof vallen oude klapperblâren,In ’t donker huis was alles rust, maar akelig kraait de haan,Die ’t bliksemlicht zich zonnegloren dacht.

De bamboe buigt en kreunt, dof vallen oude klapperblâren,

In ’t donker huis was alles rust, maar akelig kraait de haan,

Die ’t bliksemlicht zich zonnegloren dacht.

Bang kreunt ontwakend meisjeEn dringt zich tegen moeder aan …„O, moeder, moeder, hoor dan toch, wat vreeslijke geluiden …„Hoor, moeder, lieve moeder toch, waarom kraait onze haan?”

Bang kreunt ontwakend meisje

En dringt zich tegen moeder aan …

„O, moeder, moeder, hoor dan toch, wat vreeslijke geluiden …

„Hoor, moeder, lieve moeder toch, waarom kraait onze haan?”

[23]

„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan;„En wees niet bang van wat je hoort,„In onze kintjir4stampt men rijst … de Orang Boenian …”

„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan;

„En wees niet bang van wat je hoort,

„In onze kintjir4stampt men rijst … de Orang Boenian …”

Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind,In dürren Blättern säuselt der Wind …

Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind,

In dürren Blättern säuselt der Wind …

„O, moeder, hoor! dat diep geluid, wat kan ’t toch zijn,„Dat boven joelt en neergiert in ’t ravijn?”

„O, moeder, hoor! dat diep geluid, wat kan ’t toch zijn,

„Dat boven joelt en neergiert in ’t ravijn?”

[24]

„Wees rustig toch, mijn lieve schat, en druk je tegen moeder aan …„Ginds viert men feest en dreunt de gong … de Orang Boenian”.

„Wees rustig toch, mijn lieve schat, en druk je tegen moeder aan …

„Ginds viert men feest en dreunt de gong … de Orang Boenian”.

Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht?Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind …

Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht?

Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind …

Ornament met vleermuis.

[25]

1In 1906 leerde ik een datoek (volkshoofd) kennen, die niet ver van Fort de Kock woonde, en die als doekoen vermaard was, vooral omdat hij zijn kunde als medicijnman ontleenen zou aan de kennis der Orang Boenian; hij verklaarde met een Boenianvrouw getrouwd te zijn. Ik won het vertrouwen van dezen man, en hij verhaalde mij, wat ik in deze schets bekend maak. Na lang aandringen kreeg ik van hem gedaan, dat hij mij naar het witte huis der Verborgenen zou[161]brengen. Ik stelde slechts één voorwaarde: dat ik mijn revolver niet thuis zou laten; de braafheid van die „onzichtbaren” kon wel eens tegenvallen. Daartegenover stond, dat ik hem duizend gulden beloofde bij welslagen; een ontmoeting met spookmenschen zou daarmee niet duur betaald zijn! Hij vroeg eenigen tijd om ons bezoek voor te bereiden, en tot mijn stijgende verbazing trok hij zich niet terug … tot aan den vooravond van den grooten dag. Toen kwam hij mij waarschuwen, dat ik misschien deerlijk verwond zou worden door de doornige bamboe, dat mijn kleeren zouden scheuren, dat ik ziek zou worden; en toen niets hielp, verklaarde hij, dat zijn verhaal een verzinsel was. Ik heb dus de Verborgenen niet mogen zien! Maar ik weet, dat in het binnenste van enkele vooraanstaande Minangkabauers, die van de zaak afwisten, de overtuiging voortleeft, dat de datoek mij niet de waarheid heeft gezegd door te verklaren, dat hij maar wat verzonnen had: hij had immers aan de mooie Boengo moeten beloven, dat hij nimmer andere menschen mee zou brengen naar den Grooten Steen … „Wat is de Waarheid?!”↑2Copsichus musicus, de Indische lijster; op Java: koetjitja, kadjer; om zijn kleurteekening noemt men hem wel eens: ekstertje; hij is de eenige mooi-fluitende tuinzanger op Java en Sumatra en leeft om en bij de huizen, ook in de grootste steden. Slechts de nachtegaal-lijster, die hier en daar aan den woudrand voorkomt en die als een nachtegaal slaat, overtreft hem in zijn zang. De Minangkabauers noemen de morgenschemering „moerai bakitjau”: als de moerai zingt.↑3wettig, geoorloofd.↑4rijstpelmolen, door waterkracht gedreven.↑

1In 1906 leerde ik een datoek (volkshoofd) kennen, die niet ver van Fort de Kock woonde, en die als doekoen vermaard was, vooral omdat hij zijn kunde als medicijnman ontleenen zou aan de kennis der Orang Boenian; hij verklaarde met een Boenianvrouw getrouwd te zijn. Ik won het vertrouwen van dezen man, en hij verhaalde mij, wat ik in deze schets bekend maak. Na lang aandringen kreeg ik van hem gedaan, dat hij mij naar het witte huis der Verborgenen zou[161]brengen. Ik stelde slechts één voorwaarde: dat ik mijn revolver niet thuis zou laten; de braafheid van die „onzichtbaren” kon wel eens tegenvallen. Daartegenover stond, dat ik hem duizend gulden beloofde bij welslagen; een ontmoeting met spookmenschen zou daarmee niet duur betaald zijn! Hij vroeg eenigen tijd om ons bezoek voor te bereiden, en tot mijn stijgende verbazing trok hij zich niet terug … tot aan den vooravond van den grooten dag. Toen kwam hij mij waarschuwen, dat ik misschien deerlijk verwond zou worden door de doornige bamboe, dat mijn kleeren zouden scheuren, dat ik ziek zou worden; en toen niets hielp, verklaarde hij, dat zijn verhaal een verzinsel was. Ik heb dus de Verborgenen niet mogen zien! Maar ik weet, dat in het binnenste van enkele vooraanstaande Minangkabauers, die van de zaak afwisten, de overtuiging voortleeft, dat de datoek mij niet de waarheid heeft gezegd door te verklaren, dat hij maar wat verzonnen had: hij had immers aan de mooie Boengo moeten beloven, dat hij nimmer andere menschen mee zou brengen naar den Grooten Steen … „Wat is de Waarheid?!”↑2Copsichus musicus, de Indische lijster; op Java: koetjitja, kadjer; om zijn kleurteekening noemt men hem wel eens: ekstertje; hij is de eenige mooi-fluitende tuinzanger op Java en Sumatra en leeft om en bij de huizen, ook in de grootste steden. Slechts de nachtegaal-lijster, die hier en daar aan den woudrand voorkomt en die als een nachtegaal slaat, overtreft hem in zijn zang. De Minangkabauers noemen de morgenschemering „moerai bakitjau”: als de moerai zingt.↑3wettig, geoorloofd.↑4rijstpelmolen, door waterkracht gedreven.↑

1In 1906 leerde ik een datoek (volkshoofd) kennen, die niet ver van Fort de Kock woonde, en die als doekoen vermaard was, vooral omdat hij zijn kunde als medicijnman ontleenen zou aan de kennis der Orang Boenian; hij verklaarde met een Boenianvrouw getrouwd te zijn. Ik won het vertrouwen van dezen man, en hij verhaalde mij, wat ik in deze schets bekend maak. Na lang aandringen kreeg ik van hem gedaan, dat hij mij naar het witte huis der Verborgenen zou[161]brengen. Ik stelde slechts één voorwaarde: dat ik mijn revolver niet thuis zou laten; de braafheid van die „onzichtbaren” kon wel eens tegenvallen. Daartegenover stond, dat ik hem duizend gulden beloofde bij welslagen; een ontmoeting met spookmenschen zou daarmee niet duur betaald zijn! Hij vroeg eenigen tijd om ons bezoek voor te bereiden, en tot mijn stijgende verbazing trok hij zich niet terug … tot aan den vooravond van den grooten dag. Toen kwam hij mij waarschuwen, dat ik misschien deerlijk verwond zou worden door de doornige bamboe, dat mijn kleeren zouden scheuren, dat ik ziek zou worden; en toen niets hielp, verklaarde hij, dat zijn verhaal een verzinsel was. Ik heb dus de Verborgenen niet mogen zien! Maar ik weet, dat in het binnenste van enkele vooraanstaande Minangkabauers, die van de zaak afwisten, de overtuiging voortleeft, dat de datoek mij niet de waarheid heeft gezegd door te verklaren, dat hij maar wat verzonnen had: hij had immers aan de mooie Boengo moeten beloven, dat hij nimmer andere menschen mee zou brengen naar den Grooten Steen … „Wat is de Waarheid?!”↑

1In 1906 leerde ik een datoek (volkshoofd) kennen, die niet ver van Fort de Kock woonde, en die als doekoen vermaard was, vooral omdat hij zijn kunde als medicijnman ontleenen zou aan de kennis der Orang Boenian; hij verklaarde met een Boenianvrouw getrouwd te zijn. Ik won het vertrouwen van dezen man, en hij verhaalde mij, wat ik in deze schets bekend maak. Na lang aandringen kreeg ik van hem gedaan, dat hij mij naar het witte huis der Verborgenen zou[161]brengen. Ik stelde slechts één voorwaarde: dat ik mijn revolver niet thuis zou laten; de braafheid van die „onzichtbaren” kon wel eens tegenvallen. Daartegenover stond, dat ik hem duizend gulden beloofde bij welslagen; een ontmoeting met spookmenschen zou daarmee niet duur betaald zijn! Hij vroeg eenigen tijd om ons bezoek voor te bereiden, en tot mijn stijgende verbazing trok hij zich niet terug … tot aan den vooravond van den grooten dag. Toen kwam hij mij waarschuwen, dat ik misschien deerlijk verwond zou worden door de doornige bamboe, dat mijn kleeren zouden scheuren, dat ik ziek zou worden; en toen niets hielp, verklaarde hij, dat zijn verhaal een verzinsel was. Ik heb dus de Verborgenen niet mogen zien! Maar ik weet, dat in het binnenste van enkele vooraanstaande Minangkabauers, die van de zaak afwisten, de overtuiging voortleeft, dat de datoek mij niet de waarheid heeft gezegd door te verklaren, dat hij maar wat verzonnen had: hij had immers aan de mooie Boengo moeten beloven, dat hij nimmer andere menschen mee zou brengen naar den Grooten Steen … „Wat is de Waarheid?!”↑

2Copsichus musicus, de Indische lijster; op Java: koetjitja, kadjer; om zijn kleurteekening noemt men hem wel eens: ekstertje; hij is de eenige mooi-fluitende tuinzanger op Java en Sumatra en leeft om en bij de huizen, ook in de grootste steden. Slechts de nachtegaal-lijster, die hier en daar aan den woudrand voorkomt en die als een nachtegaal slaat, overtreft hem in zijn zang. De Minangkabauers noemen de morgenschemering „moerai bakitjau”: als de moerai zingt.↑

2Copsichus musicus, de Indische lijster; op Java: koetjitja, kadjer; om zijn kleurteekening noemt men hem wel eens: ekstertje; hij is de eenige mooi-fluitende tuinzanger op Java en Sumatra en leeft om en bij de huizen, ook in de grootste steden. Slechts de nachtegaal-lijster, die hier en daar aan den woudrand voorkomt en die als een nachtegaal slaat, overtreft hem in zijn zang. De Minangkabauers noemen de morgenschemering „moerai bakitjau”: als de moerai zingt.↑

3wettig, geoorloofd.↑

3wettig, geoorloofd.↑

4rijstpelmolen, door waterkracht gedreven.↑

4rijstpelmolen, door waterkracht gedreven.↑

[Inhoud]IV.WILDE DIEREN ALS BESCHERMGEEST VAN DEN MENSCH[Inhoud]1.De VolgtijgerHet is meer dan twintig jaar geleden, dat de luitenant P. mij als besturend ambtenaar te Koeta Radja opzocht om mij iets bijzonders te vertellen, en hij deed mij een van de wonderlijkste verhalen, welke ik ooit gehoord heb.„U is zelf jager, anders zou ik het haast niet durven vertellen! Ik was gistermiddag even op snippen uitgegaan, het was kwart vóór vijf, toen ik, op de fiets, bij de sawah’s kwam. Ik had mijn jaszakken vol hagelpatronen, kaliber 9, maar geen enkele snip vloog van de nog niet beplante rijstvelden op; en zoo wandelde ik al zoekend door, langs de sawahdijkjes, tot aan dat boschje struiken, dat u wel kent en dat er ligt als een eilandje in zee, er staat één afgestorven hooge cocos-palm midden in, ’t heele ding is niet grooter dan het grondoppervlak van een inlandsche woning.„Er was geen zuchtje wind, de sawahwerkers hadden de velden al verlaten, het was nog gloeiend heet, en stil, plechtig stil.„Toen ik op ’n meter of twintig van het boschje kwam en er met een bocht op toeliep, keek ik er pas goed naar … en het was of mijn nekharen stijfop bevroren! Aan den zijkant van het boschje, den kop afgewend en starend over de geweldige sawahvlakte van kilometers rondom, stond een volwassen koningstijger, roerloos, als ’n standbeeld.[26]Ofschoon het niet de eerste tijger was, dien ik voor ’t geweer kreeg, was ik een oogenblik volslagen verlamd. Maar toen mij als ’n pijnlijke zweepslag door de hersens ging, dat ik alleen maar snippen-patronen bij me had, kon ik weer denken en ik herinnerde me plotseling, dat ik toevallig één patroon met zware loopers in mijn broekzak gestopt had, en ik besloot de kans te wagen … wat moest ik trouwens anders doen, wegloopen zou waanzin zijn geweest. Mijn vingers trilden, maar ik verwisselde gauw een hagelpatroon tegen de loopers. Nog stond hij in zijn majesteit rustig te staren. Ik beefde niet meer toen ik aanlegde, en juist toen het prachtige dier kalm den kop naar mij toe draaide, zat mijn schot in z’n hart, en zonder eenig geluid zakte hij in elkaar.”„Maar …hiereen tijger?! men kan nog eerder ’n wilden ijsbeer op het Plein in den Haag verwachten!”„Ja, ik begrijp, dat het verhaal zelfs u te machtig is, maar ik heb de huid meegebracht, en ook de Atjehers, die op mijn schot dadelijk uit den kampoengrand kwamen. Al zagen zij met eigen oog den nog warmen tijger, zij denken geloof ik nòg aan tooverij. Trouwens, ik weet zelf niet, wat ik ervan denken moet … vanwaar kwam deze tijger, die hier overdag, vlak bij Koeta Radja, in die gloeiende sawah-zee stond te staren, uitkijkend alsof hij iets wachtte, iets zocht?”Terwijl hij sprak, zag ik de stille, gloeiende vlakte, de bekende 1000 meter-strook om Koeta Radja, vroeger geheel van huizen en bosch gezuiverd ter beveiliging van de hoofdplaats tegen onverhoedsche overvallen; en naast het boschje lage struiken met den afgeknakten klapperboom, zag ik het wondere prachtige dier, starend, op den uitkijk, wachtend en al maar starend, de zacht zwaaiende staart het eenig teeken van leven. De mysterie uit de koele bosschen in de stovende, boomlooze moddervlakte, waar den ganschen dag de menschen uit de rondom gelegen dorpen hadden gewerkt; en overal moest de menschenlucht nog zwaar hangen, in de velden, aan de dijkjes, de lucht die hem zoo tegenstond …[27]Nog stond hij in zijn majesteit rustig te starenNog stond hij in zijn majesteit rustig te staren[28]Eenige maanden later openden wij de kleine renbaan achter Peutjoet, het kerkhof bij Koeta Radja, waar zoovele kranige Hollandsche jongens rusten. De rennen zouden zoo dadelijk beginnen.„Komt de Kedjoeroehan van Lhong niet?” vroeg ik aan een der meest bekende Atjehsche hoofden. Ik miste den paardenliefhebber uit het zuiden, die mocht hier niet ontbreken.Teukoe Radja Itam glimlachte verlegen.„Och, toean, jullie gelooft zulke dingen toch niet, en ik weet zelf niet meer wat ik er van denken moet. Maar u bent bestuursambtenaar, ik zal het u toch maar zeggen.”Hij keek even rond, niemand kon ons gesprek hooren, een lichte huiver trok om zijn mondhoeken.„Is het waar, dat enkele maanden geleden een officier op de groote sawahvlakte bij Koeta Radja een tijger heeft geschoten? Ja? dus dat is toch werkelijk waar?!…„De Kedjoeroehan van Lhong had een volgtijger, die overal bij hem was, onzichtbaar, maar hij beschermde mijn vriend tegen allerlei gevaar. Een paar maanden geleden werd de Kedjoeroehan opgeroepen door den gouverneur, den generaal van Heutsz, voor die zaak waar u wel van weet. Toen hij goed en wel in Koeta Radja was, wist mijn vriend, dat zijn kameraad niet meer bij hem was; hij had de wijsheid, de ilmoe, dit te weten, al zag hij hem gewoonlijk ook niet. Hij begreep, dat het dier op een of andere manier verdwaald was, bang geworden misschien voor de menschen en de drukte; maar hij was ervan overtuigd hem thuis te zullen vinden, zoo iets was wel meer gebeurd.„Hij kwam thuis, maar de tijger was er niet, en zonder hem durft de Kedjoeroehan nog geen verre reizen te doen.„Niemand van ons begrijpt, hoe en waarom het dier daar midden in de sawah’s zichtbaar en daardoor kwetsbaar is geworden. Maar wijweten, dat het de volgtijger van den Kedjoeroehan is, die door dien luitenant is doodgeschoten …”Wij keken elkaar ontroerd aan.De bel ging voor den eersten ren.[29][Inhoud]2.RadoeDe oude man, een voornaam volkshoofd in Zuid-Sumatra, meende wel honderd jaar te zijn, en hij kon dit bewijzen: hij was immers al vader van een paar flinke jongens, toen de Groote Uitbarsting plaats had, toen het dagen achtereen vrijwel donker was, de hemel een-en-al donder en bliksem leek en de zee vol dreef van puimsteen … en ik deed geen moeite hem voor te rekenen, dat Krakatau eerst 35 jaar geleden doodelijken angst verspreidde in heel Zuid-Sumatra en in West-Java. Hij was nu eenmaal een erkend honderdjarige, en er was geen reden hem deze illusie te ontnemen. De brave, eerwaardige man voelde zich gelukkig in den weliswaar overschatten ouderdom, en voldaan en gelukkig keek hij achterom, zonder het voor ons westerlingen onmisbaar perspectief in dien terugblik te leggen.Hij was een goed adat-kenner en hij vertelde met trots en smaak van de oude gebruiken van zijn stam.Voor mij was hij een waardevol vriend, omdat hij nog steeds goeden invloed had op zijn volk en doordat hij mij kostelijke overleveringen vertelde, als ik op mijn dienstreizen dat woeste gedeelte van Zuid-Sumatra bezocht; en telkens was ik verheugd de trouwe hand te kunnen drukken. In die rustige binnenlanden gelden de overleveringen als onomstootelijke geschiedenis, en zeer zeker ontbreekt in vele de zuiver geschiedkundige kern niet, al heeft de Islam ook veel leelijke franje geweven aan de legenden van deze „heidenen”, die eerst in den laatsten tijd, ja in het begin van deze eeuw, tot den Mohammedaanschen godsdienst zijn overgegaan.Een vorige maal had de oude man mij verhaald, dat in vroegere tijden enkele kwaadaardige roovers de macht hadden zich te doen beschermen door krokodillen. Ik had hem toen verteld dit wel meer te hebben gehoord, en dat door de Minangkabauers van Midden-Sumatra aangenomen wordt, dat het landschapshoofd van Loeboek Oelang Aling, een berucht rooverhoofdman, die ten slotte door de politie moest worden afgemaakt, een volg-krokodil had, die hem overal op zijn riviertochten vergezelde. Daarop had de oude man mij[30]beloofd de volgende maal zijn kleinzoon Radoe te zullen meebrengen, op wien hij al zijn kennis zou overdragen, Radoe, die de schermkunst van een koningstijger had geleerd.„Radoe, je kunt aan dezen Hollander gerust alles vertellen. Of meneer het gelooft, weet ik niet, maar meneer schrijft graag allerlei dingen op, en hij lacht ons niet uit, ons domme menschen!”Maar nu lachte ik wel even. „Wij, domme menschen,” dit is zoo de gewone uiting van bescheidenheid, van voorzichtigheid vooral. Er zijn misschien menschen, die dit de juiste zelfschatting achten, maar niet zij, die in nauwe aanraking zijn gekomen met die oude, waardige mannen, die, zonder schoolsche wijsheid, gekomen zijn tot beschouwingen, waarin de rust van eeuwen ligt; een evenwicht, vastgelegd in de „adat”, het gewoonterecht, dat regelen stelt evengoed tot basis van familierecht en rechtspraak als tot het aangeven van goede gebruiken en vormen, en dat, met de overleveringen, als erfgoed overgaat van geslacht op geslacht, totdat … en hier spreken diezelfde oude wijze mannen, totdat al het oude door de wielen van spoortreinen en automobielen, door de voortschrijdende „beschaving”, zal overreden zijn.Ik lachte dus even, en de wijze man begreep dien glimlach en lachte vergenoegd mee.„Veel kan ik u niet vertellen, meneer,” zei Radoe. „Mijn grootvader van moederskant had vele ilmoe’s en hij leerde mij wat ik doen moest, als ik ooit een tijger zou tegen komen van een soort, zooals hij mij beschreef. Ik hoop, dat u het mij niet kwalijk zal nemen, meneer, maar ik kan u dat niet precies uitleggen, u begrijpt dat zeker wel; maar zoo’n tijger is meer een mensch dan een dier. Eens op een middag heb ik aan den rand van het bosch zoo’n tijger ontmoet. Ik ben dadelijk naar het eerste het beste huis gegaan en ik heb de menschen gevraagd mij te helpen om een offerande voor hem te maken, een „sedekah” bestaande uit rauwe eieren en kleefrijst. De Oude aanvaardde die offerande, want, juist zooals grootvader mij gezegd had, de eieren waren den volgenden dag leeg, maar de schalen waren niet gebroken. Ik wist nu, dat de tijger mij goedgezind was en dat hij mij verschillende dingen zou leeren als ik hem weer ontmoette.[31]„En zoo heb ik schermen van hem geleerd, het silat en het koentau. Ik verzeker u, dat ik alleen maar een mensch in hem kon zien als hij met mij schermde. Hij heeft het mij goed geleerd, men zegt, dat ik de beste schermer in deze landen ben, en dat is ook wel zoo; ik heb dat alles aan hem te danken.„En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt...”„Maar u moet niet denken, dat ik de eenige ben, die zoo bevriend is met een tijger. Ik heb dikwijls van menschen uit de Boven-Kampar gehoord, dat enkelen gewoon zijn zich midden tusschen de tijgers te begeven, dat zij haast doof worden van het schreeuwen en brullen van de dieren. En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt”…„U weet zeker wel,” zei nu de oude man, „dat wij Maleiers, die in de wildernis wonen, allen gelooven, dat er steeds tijgers om en in[32]onze kampoeng’s zijn, die ons geen kwaad doen als zij nog geen menscheneter zijn. Slechts enkelen, als Radoe, krijgen van vader of grootvader het geheim over, hoe zij persoonlijk aanraking met hen kunnen krijgen, en dan leeren zij allerlei knappe dingen. Anderen weer zien de dieren overdag in de kampoeng’s, tusschen de huizen, en zij geven de dieren eten. Ik zelf kan ze niet zien, maar als ik ’s nachts een tijger hoor, dan weet ik ook heel goed of het een van onze gewone tijgers is, of dat het een vreemdeling is, of een menscheneter. Wij gelooven allen, dat, wat Radoe en andere kameraden ons van tijgers vertellen, waar is. Wij zien toch ook bij het zoeken van boschprodukten, in de diepste bosschen, hoe die soort menschen bepaald beschermd worden tegen ongelukken.”Radoe knikte zijn grootvader toe, wij zwegen allen; met een kuchje brak de oude man de stilte.„Het is al avond geworden, meneer, u wilt misschien wel gaan slapen. En als u wilt, zal ik u een anderen keer vertellen, hoe de kleinzoon van Bittertong tijger werd.”Daar gingen zij, den zwart-en-zilveren maannacht in, langs het strand met de eeuwige branding.Scherp teekenden zich de elegante cocoskronen tegen den hemel af, en de harde bladnerven streken prevelend langs elkaar in den nachtwind.Van het strand klonk nog even het kuchje van den ouden man. In de kampoeng sloot knarsend de laatste deur, zacht kreunde een ontwakend kind in het donkere huis.Na dit uur is alles des menschen stil. Maar de cocosbladeren prevelen in den nachtwind, en de witte woelige strook in de donkere zee bromt, gromt, de eeuwen door.[33][Inhoud]3.De Pawang Rimba en zijn beschermerDe officier, commandant van onze kleine patrouille, had mij al eenige malen gevraagd, of ik onze gidsen wel vertrouwde. Het kwam hem voor, dat wij zoo langzaam den berg afdaalden en het wel heel lang duurde, voor wij zicht kregen op de vlakte, ons doel. Daar ergens was een bivak, waar de hoofdtroep ons wachtte en waar men zich stellig al ongerust maakte; het achtervolgen van een bende kwaadwilligen, die ons in een hinderlaag hadden gelokt, had ons meer tijd genomen dan aanvankelijk verwacht werd. Wij wilden er alles op zetten om vóór den nacht weer bij onze kameraden te zijn. Ik kon den luitenant niets anders zeggen dan dat ik gemerkt had, dat de gidsen volkomen thuis waren in deze ontzaglijke oerwouden en elk wildpad kenden, maar ook, dat wij terdege op onze hoede moesten zijn.De gidsen waren volkomen thuis in deze ontzaglijke oerwouden.Maar dit was waarlijk geen wonder. Toen wij hopeloos verdwaald waren geraakt in een labyrinth van uitlokkende, breede olifantspaden, in een bosch zonder opvallende herkenningsteekens en donker onder een zonloozen hemel, hadden wij het geluk gehad plotseling op een paar jonge Atjehers te stooten, die op den terugweg naar huis waren, torsend de door hen verzamelde boschprodukten. Na veel moeite en onder aanlokkelijke beloften, hadden wij hen overgehaald hun vrachten te laten liggen en ons het bosch uit te brengen,[34]naar de vlakte. Zij wisten niet, vanwaar wij kwamen en wat ons den vorigen dag overkomen was, maar zij moesten begrijpen, dat er dingen gebeurd waren, die hun niet aangenaam konden zijn; het was een woelige tijd daar in het woeste bovenstroomgebied van de Roode Rivier. Bovendien zouden zij er twee dagen mee verliezen.De eerste uren van onzen snellen marsch hadden zij geen woord gezegd, het kon niet anders of zij zonnen op middelen om van ons weg te komen. Om onheil te voorkomen, hadden wij hen de vlijmscherpe wapens laten afgeven, en zij waren onder bijzonder toezicht gesteld van twee onzer beste maréchaussees; die hadden het temperament en het fanatisme der Atjehers reeds verscheidene malen aan den lijve ondervonden, en zij waren wat grimmig gestemd door de dingen, die ons den vorigen dag waren overkomen.Maar tijdens een korte rust had ik wat met de gidsen gepraat, en zij wisten nu, dat ik een bestuursambtenaar was en geen militair; en mijn kennis van hun taal was juist voldoende om hen wat op hun gemak te stellen en hen ervan te overtuigen, dat wij van onzen kant tegenover hen niets kwaads in het schild voerden. En toen wij verder gingen langs het nauwelijks zichtbare boschpaadje, allen achter elkaar en ik tusschen hen beiden in, lieten zij zich langzamerhand wat meer gaan, en ik leerde van hen veel van allerlei groot wild, waarop zij gewoon waren te jagen, op hun manier. Zoo wezen zij mij, hoe ze op verschillende rhinocerospaden doodende vallen hadden gespannen, plekken, waar zij succes hadden gehad, en zij vertelden welke goede prijzen zij hadden gemaakt voor den hoorn, die voor Chineezen nog steeds groote waarde heeft als medicijn tegen verschillende kwalen.„Zie,” zeiden ze, „hier hebben wij verleden maand weken lang overnacht, wij hadden hier in den omtrek verscheiden vallen gespannen.”Wij hielden even halt. Op vier gekapte paaltjes en eenige kruishouten lag een vloertje van takken, een stellage van ’n meter boven den grond, met een dakje van pocar, die gemberachtige plant, welker lange, breede bladeren zich zoo goed hiervoor leenen.„Hadden jullie geen wanden om dit hutje?”[35]„Neen, zoo hoog is het hier niet, dat wij ’t koud hadden; u ziet trouwens hier nog de asch van het vuurtje, dat wij brandden, maar dat deden wij vooral om de muskieten weg te rooken.”In de asch stond het stempel van het Sumatraansche woud, een geweldig tijgerspoor.„Maar … kijk hier eens! Wasdezetoen ook hier in de buurt?” vroeg ik verrast.Zij keken onverschillig naar het spoor vanhem, dien men in de wildernis nimmer bij zijn naam noemt. Eindelijk zei de jongste:„O, die waren altijd om ons heen, en deze hier kennen wij heel goed”„En jullie sliepen hier? zonder omwanding en bij zoo’n klein vuurtje?!”De oudste glimlachte, beiden zwegen.„Maar zeg mij nu eens, waren jullie werkelijk niet bang?”De jongste lachte nu breed en keek mij aan.„Toean, wij waren niet bang,zijbeschermen ons immers!”„Hoe bedoel je dat?”„Wel toean, u weet dat zoo niet, maar mijn kameraad is pawang rimba, baas in het oerwoud, begrijpt u het nu? Wat zouden wij te vreezen hebben!”…„Wat vertellen ze toch van dat tijgerspoor?” vroeg de luitenant, die bezorgd gekeken had naar de inmiddels te voorschijn gekomen zon, die met tropische snelheid naar den horizont gleed. Hij was nog niet lang in Atjeh en had geen woord verstaan.„Och,” zei ik verstrooid, „zij zeiden zoo maar wat; ik vertel u dat later nog wel eens.”Ik keek nog eens goed naar de gezichten van onze kameraden-tegen-wil-en-dank; ik zag, dat zij scherp geluisterd hadden om te trachten den zin te vatten van wat die Hollanders daar tot elkaar zeiden; ik zag ook, dat zij opgelucht waren, de blik van den bestuursambtenaar bleef ernstig-verrast, de officier lachte niet.Toen zij ons bij het vallen van den avond aan den boschrand hadden[36]gebracht, waren zij zichtbaar blij, dat de dag voorbij was en dat de gedane belofte werd ingelost.Mij speet het de lenige, sterke lichamen in het bosch te zien verdwijnen, waar zij zich onmiddellijk oplosten in het snel vallende duister; voor ons een zwart mysterie met wondere geluiden, voor hen een veilig tehuis.Ornament met toekan.[37]

IV.WILDE DIEREN ALS BESCHERMGEEST VAN DEN MENSCH

[Inhoud]1.De VolgtijgerHet is meer dan twintig jaar geleden, dat de luitenant P. mij als besturend ambtenaar te Koeta Radja opzocht om mij iets bijzonders te vertellen, en hij deed mij een van de wonderlijkste verhalen, welke ik ooit gehoord heb.„U is zelf jager, anders zou ik het haast niet durven vertellen! Ik was gistermiddag even op snippen uitgegaan, het was kwart vóór vijf, toen ik, op de fiets, bij de sawah’s kwam. Ik had mijn jaszakken vol hagelpatronen, kaliber 9, maar geen enkele snip vloog van de nog niet beplante rijstvelden op; en zoo wandelde ik al zoekend door, langs de sawahdijkjes, tot aan dat boschje struiken, dat u wel kent en dat er ligt als een eilandje in zee, er staat één afgestorven hooge cocos-palm midden in, ’t heele ding is niet grooter dan het grondoppervlak van een inlandsche woning.„Er was geen zuchtje wind, de sawahwerkers hadden de velden al verlaten, het was nog gloeiend heet, en stil, plechtig stil.„Toen ik op ’n meter of twintig van het boschje kwam en er met een bocht op toeliep, keek ik er pas goed naar … en het was of mijn nekharen stijfop bevroren! Aan den zijkant van het boschje, den kop afgewend en starend over de geweldige sawahvlakte van kilometers rondom, stond een volwassen koningstijger, roerloos, als ’n standbeeld.[26]Ofschoon het niet de eerste tijger was, dien ik voor ’t geweer kreeg, was ik een oogenblik volslagen verlamd. Maar toen mij als ’n pijnlijke zweepslag door de hersens ging, dat ik alleen maar snippen-patronen bij me had, kon ik weer denken en ik herinnerde me plotseling, dat ik toevallig één patroon met zware loopers in mijn broekzak gestopt had, en ik besloot de kans te wagen … wat moest ik trouwens anders doen, wegloopen zou waanzin zijn geweest. Mijn vingers trilden, maar ik verwisselde gauw een hagelpatroon tegen de loopers. Nog stond hij in zijn majesteit rustig te staren. Ik beefde niet meer toen ik aanlegde, en juist toen het prachtige dier kalm den kop naar mij toe draaide, zat mijn schot in z’n hart, en zonder eenig geluid zakte hij in elkaar.”„Maar …hiereen tijger?! men kan nog eerder ’n wilden ijsbeer op het Plein in den Haag verwachten!”„Ja, ik begrijp, dat het verhaal zelfs u te machtig is, maar ik heb de huid meegebracht, en ook de Atjehers, die op mijn schot dadelijk uit den kampoengrand kwamen. Al zagen zij met eigen oog den nog warmen tijger, zij denken geloof ik nòg aan tooverij. Trouwens, ik weet zelf niet, wat ik ervan denken moet … vanwaar kwam deze tijger, die hier overdag, vlak bij Koeta Radja, in die gloeiende sawah-zee stond te staren, uitkijkend alsof hij iets wachtte, iets zocht?”Terwijl hij sprak, zag ik de stille, gloeiende vlakte, de bekende 1000 meter-strook om Koeta Radja, vroeger geheel van huizen en bosch gezuiverd ter beveiliging van de hoofdplaats tegen onverhoedsche overvallen; en naast het boschje lage struiken met den afgeknakten klapperboom, zag ik het wondere prachtige dier, starend, op den uitkijk, wachtend en al maar starend, de zacht zwaaiende staart het eenig teeken van leven. De mysterie uit de koele bosschen in de stovende, boomlooze moddervlakte, waar den ganschen dag de menschen uit de rondom gelegen dorpen hadden gewerkt; en overal moest de menschenlucht nog zwaar hangen, in de velden, aan de dijkjes, de lucht die hem zoo tegenstond …[27]Nog stond hij in zijn majesteit rustig te starenNog stond hij in zijn majesteit rustig te staren[28]Eenige maanden later openden wij de kleine renbaan achter Peutjoet, het kerkhof bij Koeta Radja, waar zoovele kranige Hollandsche jongens rusten. De rennen zouden zoo dadelijk beginnen.„Komt de Kedjoeroehan van Lhong niet?” vroeg ik aan een der meest bekende Atjehsche hoofden. Ik miste den paardenliefhebber uit het zuiden, die mocht hier niet ontbreken.Teukoe Radja Itam glimlachte verlegen.„Och, toean, jullie gelooft zulke dingen toch niet, en ik weet zelf niet meer wat ik er van denken moet. Maar u bent bestuursambtenaar, ik zal het u toch maar zeggen.”Hij keek even rond, niemand kon ons gesprek hooren, een lichte huiver trok om zijn mondhoeken.„Is het waar, dat enkele maanden geleden een officier op de groote sawahvlakte bij Koeta Radja een tijger heeft geschoten? Ja? dus dat is toch werkelijk waar?!…„De Kedjoeroehan van Lhong had een volgtijger, die overal bij hem was, onzichtbaar, maar hij beschermde mijn vriend tegen allerlei gevaar. Een paar maanden geleden werd de Kedjoeroehan opgeroepen door den gouverneur, den generaal van Heutsz, voor die zaak waar u wel van weet. Toen hij goed en wel in Koeta Radja was, wist mijn vriend, dat zijn kameraad niet meer bij hem was; hij had de wijsheid, de ilmoe, dit te weten, al zag hij hem gewoonlijk ook niet. Hij begreep, dat het dier op een of andere manier verdwaald was, bang geworden misschien voor de menschen en de drukte; maar hij was ervan overtuigd hem thuis te zullen vinden, zoo iets was wel meer gebeurd.„Hij kwam thuis, maar de tijger was er niet, en zonder hem durft de Kedjoeroehan nog geen verre reizen te doen.„Niemand van ons begrijpt, hoe en waarom het dier daar midden in de sawah’s zichtbaar en daardoor kwetsbaar is geworden. Maar wijweten, dat het de volgtijger van den Kedjoeroehan is, die door dien luitenant is doodgeschoten …”Wij keken elkaar ontroerd aan.De bel ging voor den eersten ren.[29][Inhoud]2.RadoeDe oude man, een voornaam volkshoofd in Zuid-Sumatra, meende wel honderd jaar te zijn, en hij kon dit bewijzen: hij was immers al vader van een paar flinke jongens, toen de Groote Uitbarsting plaats had, toen het dagen achtereen vrijwel donker was, de hemel een-en-al donder en bliksem leek en de zee vol dreef van puimsteen … en ik deed geen moeite hem voor te rekenen, dat Krakatau eerst 35 jaar geleden doodelijken angst verspreidde in heel Zuid-Sumatra en in West-Java. Hij was nu eenmaal een erkend honderdjarige, en er was geen reden hem deze illusie te ontnemen. De brave, eerwaardige man voelde zich gelukkig in den weliswaar overschatten ouderdom, en voldaan en gelukkig keek hij achterom, zonder het voor ons westerlingen onmisbaar perspectief in dien terugblik te leggen.Hij was een goed adat-kenner en hij vertelde met trots en smaak van de oude gebruiken van zijn stam.Voor mij was hij een waardevol vriend, omdat hij nog steeds goeden invloed had op zijn volk en doordat hij mij kostelijke overleveringen vertelde, als ik op mijn dienstreizen dat woeste gedeelte van Zuid-Sumatra bezocht; en telkens was ik verheugd de trouwe hand te kunnen drukken. In die rustige binnenlanden gelden de overleveringen als onomstootelijke geschiedenis, en zeer zeker ontbreekt in vele de zuiver geschiedkundige kern niet, al heeft de Islam ook veel leelijke franje geweven aan de legenden van deze „heidenen”, die eerst in den laatsten tijd, ja in het begin van deze eeuw, tot den Mohammedaanschen godsdienst zijn overgegaan.Een vorige maal had de oude man mij verhaald, dat in vroegere tijden enkele kwaadaardige roovers de macht hadden zich te doen beschermen door krokodillen. Ik had hem toen verteld dit wel meer te hebben gehoord, en dat door de Minangkabauers van Midden-Sumatra aangenomen wordt, dat het landschapshoofd van Loeboek Oelang Aling, een berucht rooverhoofdman, die ten slotte door de politie moest worden afgemaakt, een volg-krokodil had, die hem overal op zijn riviertochten vergezelde. Daarop had de oude man mij[30]beloofd de volgende maal zijn kleinzoon Radoe te zullen meebrengen, op wien hij al zijn kennis zou overdragen, Radoe, die de schermkunst van een koningstijger had geleerd.„Radoe, je kunt aan dezen Hollander gerust alles vertellen. Of meneer het gelooft, weet ik niet, maar meneer schrijft graag allerlei dingen op, en hij lacht ons niet uit, ons domme menschen!”Maar nu lachte ik wel even. „Wij, domme menschen,” dit is zoo de gewone uiting van bescheidenheid, van voorzichtigheid vooral. Er zijn misschien menschen, die dit de juiste zelfschatting achten, maar niet zij, die in nauwe aanraking zijn gekomen met die oude, waardige mannen, die, zonder schoolsche wijsheid, gekomen zijn tot beschouwingen, waarin de rust van eeuwen ligt; een evenwicht, vastgelegd in de „adat”, het gewoonterecht, dat regelen stelt evengoed tot basis van familierecht en rechtspraak als tot het aangeven van goede gebruiken en vormen, en dat, met de overleveringen, als erfgoed overgaat van geslacht op geslacht, totdat … en hier spreken diezelfde oude wijze mannen, totdat al het oude door de wielen van spoortreinen en automobielen, door de voortschrijdende „beschaving”, zal overreden zijn.Ik lachte dus even, en de wijze man begreep dien glimlach en lachte vergenoegd mee.„Veel kan ik u niet vertellen, meneer,” zei Radoe. „Mijn grootvader van moederskant had vele ilmoe’s en hij leerde mij wat ik doen moest, als ik ooit een tijger zou tegen komen van een soort, zooals hij mij beschreef. Ik hoop, dat u het mij niet kwalijk zal nemen, meneer, maar ik kan u dat niet precies uitleggen, u begrijpt dat zeker wel; maar zoo’n tijger is meer een mensch dan een dier. Eens op een middag heb ik aan den rand van het bosch zoo’n tijger ontmoet. Ik ben dadelijk naar het eerste het beste huis gegaan en ik heb de menschen gevraagd mij te helpen om een offerande voor hem te maken, een „sedekah” bestaande uit rauwe eieren en kleefrijst. De Oude aanvaardde die offerande, want, juist zooals grootvader mij gezegd had, de eieren waren den volgenden dag leeg, maar de schalen waren niet gebroken. Ik wist nu, dat de tijger mij goedgezind was en dat hij mij verschillende dingen zou leeren als ik hem weer ontmoette.[31]„En zoo heb ik schermen van hem geleerd, het silat en het koentau. Ik verzeker u, dat ik alleen maar een mensch in hem kon zien als hij met mij schermde. Hij heeft het mij goed geleerd, men zegt, dat ik de beste schermer in deze landen ben, en dat is ook wel zoo; ik heb dat alles aan hem te danken.„En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt...”„Maar u moet niet denken, dat ik de eenige ben, die zoo bevriend is met een tijger. Ik heb dikwijls van menschen uit de Boven-Kampar gehoord, dat enkelen gewoon zijn zich midden tusschen de tijgers te begeven, dat zij haast doof worden van het schreeuwen en brullen van de dieren. En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt”…„U weet zeker wel,” zei nu de oude man, „dat wij Maleiers, die in de wildernis wonen, allen gelooven, dat er steeds tijgers om en in[32]onze kampoeng’s zijn, die ons geen kwaad doen als zij nog geen menscheneter zijn. Slechts enkelen, als Radoe, krijgen van vader of grootvader het geheim over, hoe zij persoonlijk aanraking met hen kunnen krijgen, en dan leeren zij allerlei knappe dingen. Anderen weer zien de dieren overdag in de kampoeng’s, tusschen de huizen, en zij geven de dieren eten. Ik zelf kan ze niet zien, maar als ik ’s nachts een tijger hoor, dan weet ik ook heel goed of het een van onze gewone tijgers is, of dat het een vreemdeling is, of een menscheneter. Wij gelooven allen, dat, wat Radoe en andere kameraden ons van tijgers vertellen, waar is. Wij zien toch ook bij het zoeken van boschprodukten, in de diepste bosschen, hoe die soort menschen bepaald beschermd worden tegen ongelukken.”Radoe knikte zijn grootvader toe, wij zwegen allen; met een kuchje brak de oude man de stilte.„Het is al avond geworden, meneer, u wilt misschien wel gaan slapen. En als u wilt, zal ik u een anderen keer vertellen, hoe de kleinzoon van Bittertong tijger werd.”Daar gingen zij, den zwart-en-zilveren maannacht in, langs het strand met de eeuwige branding.Scherp teekenden zich de elegante cocoskronen tegen den hemel af, en de harde bladnerven streken prevelend langs elkaar in den nachtwind.Van het strand klonk nog even het kuchje van den ouden man. In de kampoeng sloot knarsend de laatste deur, zacht kreunde een ontwakend kind in het donkere huis.Na dit uur is alles des menschen stil. Maar de cocosbladeren prevelen in den nachtwind, en de witte woelige strook in de donkere zee bromt, gromt, de eeuwen door.[33][Inhoud]3.De Pawang Rimba en zijn beschermerDe officier, commandant van onze kleine patrouille, had mij al eenige malen gevraagd, of ik onze gidsen wel vertrouwde. Het kwam hem voor, dat wij zoo langzaam den berg afdaalden en het wel heel lang duurde, voor wij zicht kregen op de vlakte, ons doel. Daar ergens was een bivak, waar de hoofdtroep ons wachtte en waar men zich stellig al ongerust maakte; het achtervolgen van een bende kwaadwilligen, die ons in een hinderlaag hadden gelokt, had ons meer tijd genomen dan aanvankelijk verwacht werd. Wij wilden er alles op zetten om vóór den nacht weer bij onze kameraden te zijn. Ik kon den luitenant niets anders zeggen dan dat ik gemerkt had, dat de gidsen volkomen thuis waren in deze ontzaglijke oerwouden en elk wildpad kenden, maar ook, dat wij terdege op onze hoede moesten zijn.De gidsen waren volkomen thuis in deze ontzaglijke oerwouden.Maar dit was waarlijk geen wonder. Toen wij hopeloos verdwaald waren geraakt in een labyrinth van uitlokkende, breede olifantspaden, in een bosch zonder opvallende herkenningsteekens en donker onder een zonloozen hemel, hadden wij het geluk gehad plotseling op een paar jonge Atjehers te stooten, die op den terugweg naar huis waren, torsend de door hen verzamelde boschprodukten. Na veel moeite en onder aanlokkelijke beloften, hadden wij hen overgehaald hun vrachten te laten liggen en ons het bosch uit te brengen,[34]naar de vlakte. Zij wisten niet, vanwaar wij kwamen en wat ons den vorigen dag overkomen was, maar zij moesten begrijpen, dat er dingen gebeurd waren, die hun niet aangenaam konden zijn; het was een woelige tijd daar in het woeste bovenstroomgebied van de Roode Rivier. Bovendien zouden zij er twee dagen mee verliezen.De eerste uren van onzen snellen marsch hadden zij geen woord gezegd, het kon niet anders of zij zonnen op middelen om van ons weg te komen. Om onheil te voorkomen, hadden wij hen de vlijmscherpe wapens laten afgeven, en zij waren onder bijzonder toezicht gesteld van twee onzer beste maréchaussees; die hadden het temperament en het fanatisme der Atjehers reeds verscheidene malen aan den lijve ondervonden, en zij waren wat grimmig gestemd door de dingen, die ons den vorigen dag waren overkomen.Maar tijdens een korte rust had ik wat met de gidsen gepraat, en zij wisten nu, dat ik een bestuursambtenaar was en geen militair; en mijn kennis van hun taal was juist voldoende om hen wat op hun gemak te stellen en hen ervan te overtuigen, dat wij van onzen kant tegenover hen niets kwaads in het schild voerden. En toen wij verder gingen langs het nauwelijks zichtbare boschpaadje, allen achter elkaar en ik tusschen hen beiden in, lieten zij zich langzamerhand wat meer gaan, en ik leerde van hen veel van allerlei groot wild, waarop zij gewoon waren te jagen, op hun manier. Zoo wezen zij mij, hoe ze op verschillende rhinocerospaden doodende vallen hadden gespannen, plekken, waar zij succes hadden gehad, en zij vertelden welke goede prijzen zij hadden gemaakt voor den hoorn, die voor Chineezen nog steeds groote waarde heeft als medicijn tegen verschillende kwalen.„Zie,” zeiden ze, „hier hebben wij verleden maand weken lang overnacht, wij hadden hier in den omtrek verscheiden vallen gespannen.”Wij hielden even halt. Op vier gekapte paaltjes en eenige kruishouten lag een vloertje van takken, een stellage van ’n meter boven den grond, met een dakje van pocar, die gemberachtige plant, welker lange, breede bladeren zich zoo goed hiervoor leenen.„Hadden jullie geen wanden om dit hutje?”[35]„Neen, zoo hoog is het hier niet, dat wij ’t koud hadden; u ziet trouwens hier nog de asch van het vuurtje, dat wij brandden, maar dat deden wij vooral om de muskieten weg te rooken.”In de asch stond het stempel van het Sumatraansche woud, een geweldig tijgerspoor.„Maar … kijk hier eens! Wasdezetoen ook hier in de buurt?” vroeg ik verrast.Zij keken onverschillig naar het spoor vanhem, dien men in de wildernis nimmer bij zijn naam noemt. Eindelijk zei de jongste:„O, die waren altijd om ons heen, en deze hier kennen wij heel goed”„En jullie sliepen hier? zonder omwanding en bij zoo’n klein vuurtje?!”De oudste glimlachte, beiden zwegen.„Maar zeg mij nu eens, waren jullie werkelijk niet bang?”De jongste lachte nu breed en keek mij aan.„Toean, wij waren niet bang,zijbeschermen ons immers!”„Hoe bedoel je dat?”„Wel toean, u weet dat zoo niet, maar mijn kameraad is pawang rimba, baas in het oerwoud, begrijpt u het nu? Wat zouden wij te vreezen hebben!”…„Wat vertellen ze toch van dat tijgerspoor?” vroeg de luitenant, die bezorgd gekeken had naar de inmiddels te voorschijn gekomen zon, die met tropische snelheid naar den horizont gleed. Hij was nog niet lang in Atjeh en had geen woord verstaan.„Och,” zei ik verstrooid, „zij zeiden zoo maar wat; ik vertel u dat later nog wel eens.”Ik keek nog eens goed naar de gezichten van onze kameraden-tegen-wil-en-dank; ik zag, dat zij scherp geluisterd hadden om te trachten den zin te vatten van wat die Hollanders daar tot elkaar zeiden; ik zag ook, dat zij opgelucht waren, de blik van den bestuursambtenaar bleef ernstig-verrast, de officier lachte niet.Toen zij ons bij het vallen van den avond aan den boschrand hadden[36]gebracht, waren zij zichtbaar blij, dat de dag voorbij was en dat de gedane belofte werd ingelost.Mij speet het de lenige, sterke lichamen in het bosch te zien verdwijnen, waar zij zich onmiddellijk oplosten in het snel vallende duister; voor ons een zwart mysterie met wondere geluiden, voor hen een veilig tehuis.Ornament met toekan.[37]

[Inhoud]1.De VolgtijgerHet is meer dan twintig jaar geleden, dat de luitenant P. mij als besturend ambtenaar te Koeta Radja opzocht om mij iets bijzonders te vertellen, en hij deed mij een van de wonderlijkste verhalen, welke ik ooit gehoord heb.„U is zelf jager, anders zou ik het haast niet durven vertellen! Ik was gistermiddag even op snippen uitgegaan, het was kwart vóór vijf, toen ik, op de fiets, bij de sawah’s kwam. Ik had mijn jaszakken vol hagelpatronen, kaliber 9, maar geen enkele snip vloog van de nog niet beplante rijstvelden op; en zoo wandelde ik al zoekend door, langs de sawahdijkjes, tot aan dat boschje struiken, dat u wel kent en dat er ligt als een eilandje in zee, er staat één afgestorven hooge cocos-palm midden in, ’t heele ding is niet grooter dan het grondoppervlak van een inlandsche woning.„Er was geen zuchtje wind, de sawahwerkers hadden de velden al verlaten, het was nog gloeiend heet, en stil, plechtig stil.„Toen ik op ’n meter of twintig van het boschje kwam en er met een bocht op toeliep, keek ik er pas goed naar … en het was of mijn nekharen stijfop bevroren! Aan den zijkant van het boschje, den kop afgewend en starend over de geweldige sawahvlakte van kilometers rondom, stond een volwassen koningstijger, roerloos, als ’n standbeeld.[26]Ofschoon het niet de eerste tijger was, dien ik voor ’t geweer kreeg, was ik een oogenblik volslagen verlamd. Maar toen mij als ’n pijnlijke zweepslag door de hersens ging, dat ik alleen maar snippen-patronen bij me had, kon ik weer denken en ik herinnerde me plotseling, dat ik toevallig één patroon met zware loopers in mijn broekzak gestopt had, en ik besloot de kans te wagen … wat moest ik trouwens anders doen, wegloopen zou waanzin zijn geweest. Mijn vingers trilden, maar ik verwisselde gauw een hagelpatroon tegen de loopers. Nog stond hij in zijn majesteit rustig te staren. Ik beefde niet meer toen ik aanlegde, en juist toen het prachtige dier kalm den kop naar mij toe draaide, zat mijn schot in z’n hart, en zonder eenig geluid zakte hij in elkaar.”„Maar …hiereen tijger?! men kan nog eerder ’n wilden ijsbeer op het Plein in den Haag verwachten!”„Ja, ik begrijp, dat het verhaal zelfs u te machtig is, maar ik heb de huid meegebracht, en ook de Atjehers, die op mijn schot dadelijk uit den kampoengrand kwamen. Al zagen zij met eigen oog den nog warmen tijger, zij denken geloof ik nòg aan tooverij. Trouwens, ik weet zelf niet, wat ik ervan denken moet … vanwaar kwam deze tijger, die hier overdag, vlak bij Koeta Radja, in die gloeiende sawah-zee stond te staren, uitkijkend alsof hij iets wachtte, iets zocht?”Terwijl hij sprak, zag ik de stille, gloeiende vlakte, de bekende 1000 meter-strook om Koeta Radja, vroeger geheel van huizen en bosch gezuiverd ter beveiliging van de hoofdplaats tegen onverhoedsche overvallen; en naast het boschje lage struiken met den afgeknakten klapperboom, zag ik het wondere prachtige dier, starend, op den uitkijk, wachtend en al maar starend, de zacht zwaaiende staart het eenig teeken van leven. De mysterie uit de koele bosschen in de stovende, boomlooze moddervlakte, waar den ganschen dag de menschen uit de rondom gelegen dorpen hadden gewerkt; en overal moest de menschenlucht nog zwaar hangen, in de velden, aan de dijkjes, de lucht die hem zoo tegenstond …[27]Nog stond hij in zijn majesteit rustig te starenNog stond hij in zijn majesteit rustig te staren[28]Eenige maanden later openden wij de kleine renbaan achter Peutjoet, het kerkhof bij Koeta Radja, waar zoovele kranige Hollandsche jongens rusten. De rennen zouden zoo dadelijk beginnen.„Komt de Kedjoeroehan van Lhong niet?” vroeg ik aan een der meest bekende Atjehsche hoofden. Ik miste den paardenliefhebber uit het zuiden, die mocht hier niet ontbreken.Teukoe Radja Itam glimlachte verlegen.„Och, toean, jullie gelooft zulke dingen toch niet, en ik weet zelf niet meer wat ik er van denken moet. Maar u bent bestuursambtenaar, ik zal het u toch maar zeggen.”Hij keek even rond, niemand kon ons gesprek hooren, een lichte huiver trok om zijn mondhoeken.„Is het waar, dat enkele maanden geleden een officier op de groote sawahvlakte bij Koeta Radja een tijger heeft geschoten? Ja? dus dat is toch werkelijk waar?!…„De Kedjoeroehan van Lhong had een volgtijger, die overal bij hem was, onzichtbaar, maar hij beschermde mijn vriend tegen allerlei gevaar. Een paar maanden geleden werd de Kedjoeroehan opgeroepen door den gouverneur, den generaal van Heutsz, voor die zaak waar u wel van weet. Toen hij goed en wel in Koeta Radja was, wist mijn vriend, dat zijn kameraad niet meer bij hem was; hij had de wijsheid, de ilmoe, dit te weten, al zag hij hem gewoonlijk ook niet. Hij begreep, dat het dier op een of andere manier verdwaald was, bang geworden misschien voor de menschen en de drukte; maar hij was ervan overtuigd hem thuis te zullen vinden, zoo iets was wel meer gebeurd.„Hij kwam thuis, maar de tijger was er niet, en zonder hem durft de Kedjoeroehan nog geen verre reizen te doen.„Niemand van ons begrijpt, hoe en waarom het dier daar midden in de sawah’s zichtbaar en daardoor kwetsbaar is geworden. Maar wijweten, dat het de volgtijger van den Kedjoeroehan is, die door dien luitenant is doodgeschoten …”Wij keken elkaar ontroerd aan.De bel ging voor den eersten ren.[29]

1.De Volgtijger

Het is meer dan twintig jaar geleden, dat de luitenant P. mij als besturend ambtenaar te Koeta Radja opzocht om mij iets bijzonders te vertellen, en hij deed mij een van de wonderlijkste verhalen, welke ik ooit gehoord heb.„U is zelf jager, anders zou ik het haast niet durven vertellen! Ik was gistermiddag even op snippen uitgegaan, het was kwart vóór vijf, toen ik, op de fiets, bij de sawah’s kwam. Ik had mijn jaszakken vol hagelpatronen, kaliber 9, maar geen enkele snip vloog van de nog niet beplante rijstvelden op; en zoo wandelde ik al zoekend door, langs de sawahdijkjes, tot aan dat boschje struiken, dat u wel kent en dat er ligt als een eilandje in zee, er staat één afgestorven hooge cocos-palm midden in, ’t heele ding is niet grooter dan het grondoppervlak van een inlandsche woning.„Er was geen zuchtje wind, de sawahwerkers hadden de velden al verlaten, het was nog gloeiend heet, en stil, plechtig stil.„Toen ik op ’n meter of twintig van het boschje kwam en er met een bocht op toeliep, keek ik er pas goed naar … en het was of mijn nekharen stijfop bevroren! Aan den zijkant van het boschje, den kop afgewend en starend over de geweldige sawahvlakte van kilometers rondom, stond een volwassen koningstijger, roerloos, als ’n standbeeld.[26]Ofschoon het niet de eerste tijger was, dien ik voor ’t geweer kreeg, was ik een oogenblik volslagen verlamd. Maar toen mij als ’n pijnlijke zweepslag door de hersens ging, dat ik alleen maar snippen-patronen bij me had, kon ik weer denken en ik herinnerde me plotseling, dat ik toevallig één patroon met zware loopers in mijn broekzak gestopt had, en ik besloot de kans te wagen … wat moest ik trouwens anders doen, wegloopen zou waanzin zijn geweest. Mijn vingers trilden, maar ik verwisselde gauw een hagelpatroon tegen de loopers. Nog stond hij in zijn majesteit rustig te staren. Ik beefde niet meer toen ik aanlegde, en juist toen het prachtige dier kalm den kop naar mij toe draaide, zat mijn schot in z’n hart, en zonder eenig geluid zakte hij in elkaar.”„Maar …hiereen tijger?! men kan nog eerder ’n wilden ijsbeer op het Plein in den Haag verwachten!”„Ja, ik begrijp, dat het verhaal zelfs u te machtig is, maar ik heb de huid meegebracht, en ook de Atjehers, die op mijn schot dadelijk uit den kampoengrand kwamen. Al zagen zij met eigen oog den nog warmen tijger, zij denken geloof ik nòg aan tooverij. Trouwens, ik weet zelf niet, wat ik ervan denken moet … vanwaar kwam deze tijger, die hier overdag, vlak bij Koeta Radja, in die gloeiende sawah-zee stond te staren, uitkijkend alsof hij iets wachtte, iets zocht?”Terwijl hij sprak, zag ik de stille, gloeiende vlakte, de bekende 1000 meter-strook om Koeta Radja, vroeger geheel van huizen en bosch gezuiverd ter beveiliging van de hoofdplaats tegen onverhoedsche overvallen; en naast het boschje lage struiken met den afgeknakten klapperboom, zag ik het wondere prachtige dier, starend, op den uitkijk, wachtend en al maar starend, de zacht zwaaiende staart het eenig teeken van leven. De mysterie uit de koele bosschen in de stovende, boomlooze moddervlakte, waar den ganschen dag de menschen uit de rondom gelegen dorpen hadden gewerkt; en overal moest de menschenlucht nog zwaar hangen, in de velden, aan de dijkjes, de lucht die hem zoo tegenstond …[27]Nog stond hij in zijn majesteit rustig te starenNog stond hij in zijn majesteit rustig te staren[28]Eenige maanden later openden wij de kleine renbaan achter Peutjoet, het kerkhof bij Koeta Radja, waar zoovele kranige Hollandsche jongens rusten. De rennen zouden zoo dadelijk beginnen.„Komt de Kedjoeroehan van Lhong niet?” vroeg ik aan een der meest bekende Atjehsche hoofden. Ik miste den paardenliefhebber uit het zuiden, die mocht hier niet ontbreken.Teukoe Radja Itam glimlachte verlegen.„Och, toean, jullie gelooft zulke dingen toch niet, en ik weet zelf niet meer wat ik er van denken moet. Maar u bent bestuursambtenaar, ik zal het u toch maar zeggen.”Hij keek even rond, niemand kon ons gesprek hooren, een lichte huiver trok om zijn mondhoeken.„Is het waar, dat enkele maanden geleden een officier op de groote sawahvlakte bij Koeta Radja een tijger heeft geschoten? Ja? dus dat is toch werkelijk waar?!…„De Kedjoeroehan van Lhong had een volgtijger, die overal bij hem was, onzichtbaar, maar hij beschermde mijn vriend tegen allerlei gevaar. Een paar maanden geleden werd de Kedjoeroehan opgeroepen door den gouverneur, den generaal van Heutsz, voor die zaak waar u wel van weet. Toen hij goed en wel in Koeta Radja was, wist mijn vriend, dat zijn kameraad niet meer bij hem was; hij had de wijsheid, de ilmoe, dit te weten, al zag hij hem gewoonlijk ook niet. Hij begreep, dat het dier op een of andere manier verdwaald was, bang geworden misschien voor de menschen en de drukte; maar hij was ervan overtuigd hem thuis te zullen vinden, zoo iets was wel meer gebeurd.„Hij kwam thuis, maar de tijger was er niet, en zonder hem durft de Kedjoeroehan nog geen verre reizen te doen.„Niemand van ons begrijpt, hoe en waarom het dier daar midden in de sawah’s zichtbaar en daardoor kwetsbaar is geworden. Maar wijweten, dat het de volgtijger van den Kedjoeroehan is, die door dien luitenant is doodgeschoten …”Wij keken elkaar ontroerd aan.De bel ging voor den eersten ren.[29]

Het is meer dan twintig jaar geleden, dat de luitenant P. mij als besturend ambtenaar te Koeta Radja opzocht om mij iets bijzonders te vertellen, en hij deed mij een van de wonderlijkste verhalen, welke ik ooit gehoord heb.

„U is zelf jager, anders zou ik het haast niet durven vertellen! Ik was gistermiddag even op snippen uitgegaan, het was kwart vóór vijf, toen ik, op de fiets, bij de sawah’s kwam. Ik had mijn jaszakken vol hagelpatronen, kaliber 9, maar geen enkele snip vloog van de nog niet beplante rijstvelden op; en zoo wandelde ik al zoekend door, langs de sawahdijkjes, tot aan dat boschje struiken, dat u wel kent en dat er ligt als een eilandje in zee, er staat één afgestorven hooge cocos-palm midden in, ’t heele ding is niet grooter dan het grondoppervlak van een inlandsche woning.

„Er was geen zuchtje wind, de sawahwerkers hadden de velden al verlaten, het was nog gloeiend heet, en stil, plechtig stil.

„Toen ik op ’n meter of twintig van het boschje kwam en er met een bocht op toeliep, keek ik er pas goed naar … en het was of mijn nekharen stijfop bevroren! Aan den zijkant van het boschje, den kop afgewend en starend over de geweldige sawahvlakte van kilometers rondom, stond een volwassen koningstijger, roerloos, als ’n standbeeld.[26]Ofschoon het niet de eerste tijger was, dien ik voor ’t geweer kreeg, was ik een oogenblik volslagen verlamd. Maar toen mij als ’n pijnlijke zweepslag door de hersens ging, dat ik alleen maar snippen-patronen bij me had, kon ik weer denken en ik herinnerde me plotseling, dat ik toevallig één patroon met zware loopers in mijn broekzak gestopt had, en ik besloot de kans te wagen … wat moest ik trouwens anders doen, wegloopen zou waanzin zijn geweest. Mijn vingers trilden, maar ik verwisselde gauw een hagelpatroon tegen de loopers. Nog stond hij in zijn majesteit rustig te staren. Ik beefde niet meer toen ik aanlegde, en juist toen het prachtige dier kalm den kop naar mij toe draaide, zat mijn schot in z’n hart, en zonder eenig geluid zakte hij in elkaar.”

„Maar …hiereen tijger?! men kan nog eerder ’n wilden ijsbeer op het Plein in den Haag verwachten!”

„Ja, ik begrijp, dat het verhaal zelfs u te machtig is, maar ik heb de huid meegebracht, en ook de Atjehers, die op mijn schot dadelijk uit den kampoengrand kwamen. Al zagen zij met eigen oog den nog warmen tijger, zij denken geloof ik nòg aan tooverij. Trouwens, ik weet zelf niet, wat ik ervan denken moet … vanwaar kwam deze tijger, die hier overdag, vlak bij Koeta Radja, in die gloeiende sawah-zee stond te staren, uitkijkend alsof hij iets wachtte, iets zocht?”

Terwijl hij sprak, zag ik de stille, gloeiende vlakte, de bekende 1000 meter-strook om Koeta Radja, vroeger geheel van huizen en bosch gezuiverd ter beveiliging van de hoofdplaats tegen onverhoedsche overvallen; en naast het boschje lage struiken met den afgeknakten klapperboom, zag ik het wondere prachtige dier, starend, op den uitkijk, wachtend en al maar starend, de zacht zwaaiende staart het eenig teeken van leven. De mysterie uit de koele bosschen in de stovende, boomlooze moddervlakte, waar den ganschen dag de menschen uit de rondom gelegen dorpen hadden gewerkt; en overal moest de menschenlucht nog zwaar hangen, in de velden, aan de dijkjes, de lucht die hem zoo tegenstond …[27]

Nog stond hij in zijn majesteit rustig te starenNog stond hij in zijn majesteit rustig te staren

Nog stond hij in zijn majesteit rustig te staren

[28]

Eenige maanden later openden wij de kleine renbaan achter Peutjoet, het kerkhof bij Koeta Radja, waar zoovele kranige Hollandsche jongens rusten. De rennen zouden zoo dadelijk beginnen.

„Komt de Kedjoeroehan van Lhong niet?” vroeg ik aan een der meest bekende Atjehsche hoofden. Ik miste den paardenliefhebber uit het zuiden, die mocht hier niet ontbreken.

Teukoe Radja Itam glimlachte verlegen.

„Och, toean, jullie gelooft zulke dingen toch niet, en ik weet zelf niet meer wat ik er van denken moet. Maar u bent bestuursambtenaar, ik zal het u toch maar zeggen.”

Hij keek even rond, niemand kon ons gesprek hooren, een lichte huiver trok om zijn mondhoeken.

„Is het waar, dat enkele maanden geleden een officier op de groote sawahvlakte bij Koeta Radja een tijger heeft geschoten? Ja? dus dat is toch werkelijk waar?!…

„De Kedjoeroehan van Lhong had een volgtijger, die overal bij hem was, onzichtbaar, maar hij beschermde mijn vriend tegen allerlei gevaar. Een paar maanden geleden werd de Kedjoeroehan opgeroepen door den gouverneur, den generaal van Heutsz, voor die zaak waar u wel van weet. Toen hij goed en wel in Koeta Radja was, wist mijn vriend, dat zijn kameraad niet meer bij hem was; hij had de wijsheid, de ilmoe, dit te weten, al zag hij hem gewoonlijk ook niet. Hij begreep, dat het dier op een of andere manier verdwaald was, bang geworden misschien voor de menschen en de drukte; maar hij was ervan overtuigd hem thuis te zullen vinden, zoo iets was wel meer gebeurd.

„Hij kwam thuis, maar de tijger was er niet, en zonder hem durft de Kedjoeroehan nog geen verre reizen te doen.

„Niemand van ons begrijpt, hoe en waarom het dier daar midden in de sawah’s zichtbaar en daardoor kwetsbaar is geworden. Maar wijweten, dat het de volgtijger van den Kedjoeroehan is, die door dien luitenant is doodgeschoten …”

Wij keken elkaar ontroerd aan.

De bel ging voor den eersten ren.[29]

[Inhoud]2.RadoeDe oude man, een voornaam volkshoofd in Zuid-Sumatra, meende wel honderd jaar te zijn, en hij kon dit bewijzen: hij was immers al vader van een paar flinke jongens, toen de Groote Uitbarsting plaats had, toen het dagen achtereen vrijwel donker was, de hemel een-en-al donder en bliksem leek en de zee vol dreef van puimsteen … en ik deed geen moeite hem voor te rekenen, dat Krakatau eerst 35 jaar geleden doodelijken angst verspreidde in heel Zuid-Sumatra en in West-Java. Hij was nu eenmaal een erkend honderdjarige, en er was geen reden hem deze illusie te ontnemen. De brave, eerwaardige man voelde zich gelukkig in den weliswaar overschatten ouderdom, en voldaan en gelukkig keek hij achterom, zonder het voor ons westerlingen onmisbaar perspectief in dien terugblik te leggen.Hij was een goed adat-kenner en hij vertelde met trots en smaak van de oude gebruiken van zijn stam.Voor mij was hij een waardevol vriend, omdat hij nog steeds goeden invloed had op zijn volk en doordat hij mij kostelijke overleveringen vertelde, als ik op mijn dienstreizen dat woeste gedeelte van Zuid-Sumatra bezocht; en telkens was ik verheugd de trouwe hand te kunnen drukken. In die rustige binnenlanden gelden de overleveringen als onomstootelijke geschiedenis, en zeer zeker ontbreekt in vele de zuiver geschiedkundige kern niet, al heeft de Islam ook veel leelijke franje geweven aan de legenden van deze „heidenen”, die eerst in den laatsten tijd, ja in het begin van deze eeuw, tot den Mohammedaanschen godsdienst zijn overgegaan.Een vorige maal had de oude man mij verhaald, dat in vroegere tijden enkele kwaadaardige roovers de macht hadden zich te doen beschermen door krokodillen. Ik had hem toen verteld dit wel meer te hebben gehoord, en dat door de Minangkabauers van Midden-Sumatra aangenomen wordt, dat het landschapshoofd van Loeboek Oelang Aling, een berucht rooverhoofdman, die ten slotte door de politie moest worden afgemaakt, een volg-krokodil had, die hem overal op zijn riviertochten vergezelde. Daarop had de oude man mij[30]beloofd de volgende maal zijn kleinzoon Radoe te zullen meebrengen, op wien hij al zijn kennis zou overdragen, Radoe, die de schermkunst van een koningstijger had geleerd.„Radoe, je kunt aan dezen Hollander gerust alles vertellen. Of meneer het gelooft, weet ik niet, maar meneer schrijft graag allerlei dingen op, en hij lacht ons niet uit, ons domme menschen!”Maar nu lachte ik wel even. „Wij, domme menschen,” dit is zoo de gewone uiting van bescheidenheid, van voorzichtigheid vooral. Er zijn misschien menschen, die dit de juiste zelfschatting achten, maar niet zij, die in nauwe aanraking zijn gekomen met die oude, waardige mannen, die, zonder schoolsche wijsheid, gekomen zijn tot beschouwingen, waarin de rust van eeuwen ligt; een evenwicht, vastgelegd in de „adat”, het gewoonterecht, dat regelen stelt evengoed tot basis van familierecht en rechtspraak als tot het aangeven van goede gebruiken en vormen, en dat, met de overleveringen, als erfgoed overgaat van geslacht op geslacht, totdat … en hier spreken diezelfde oude wijze mannen, totdat al het oude door de wielen van spoortreinen en automobielen, door de voortschrijdende „beschaving”, zal overreden zijn.Ik lachte dus even, en de wijze man begreep dien glimlach en lachte vergenoegd mee.„Veel kan ik u niet vertellen, meneer,” zei Radoe. „Mijn grootvader van moederskant had vele ilmoe’s en hij leerde mij wat ik doen moest, als ik ooit een tijger zou tegen komen van een soort, zooals hij mij beschreef. Ik hoop, dat u het mij niet kwalijk zal nemen, meneer, maar ik kan u dat niet precies uitleggen, u begrijpt dat zeker wel; maar zoo’n tijger is meer een mensch dan een dier. Eens op een middag heb ik aan den rand van het bosch zoo’n tijger ontmoet. Ik ben dadelijk naar het eerste het beste huis gegaan en ik heb de menschen gevraagd mij te helpen om een offerande voor hem te maken, een „sedekah” bestaande uit rauwe eieren en kleefrijst. De Oude aanvaardde die offerande, want, juist zooals grootvader mij gezegd had, de eieren waren den volgenden dag leeg, maar de schalen waren niet gebroken. Ik wist nu, dat de tijger mij goedgezind was en dat hij mij verschillende dingen zou leeren als ik hem weer ontmoette.[31]„En zoo heb ik schermen van hem geleerd, het silat en het koentau. Ik verzeker u, dat ik alleen maar een mensch in hem kon zien als hij met mij schermde. Hij heeft het mij goed geleerd, men zegt, dat ik de beste schermer in deze landen ben, en dat is ook wel zoo; ik heb dat alles aan hem te danken.„En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt...”„Maar u moet niet denken, dat ik de eenige ben, die zoo bevriend is met een tijger. Ik heb dikwijls van menschen uit de Boven-Kampar gehoord, dat enkelen gewoon zijn zich midden tusschen de tijgers te begeven, dat zij haast doof worden van het schreeuwen en brullen van de dieren. En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt”…„U weet zeker wel,” zei nu de oude man, „dat wij Maleiers, die in de wildernis wonen, allen gelooven, dat er steeds tijgers om en in[32]onze kampoeng’s zijn, die ons geen kwaad doen als zij nog geen menscheneter zijn. Slechts enkelen, als Radoe, krijgen van vader of grootvader het geheim over, hoe zij persoonlijk aanraking met hen kunnen krijgen, en dan leeren zij allerlei knappe dingen. Anderen weer zien de dieren overdag in de kampoeng’s, tusschen de huizen, en zij geven de dieren eten. Ik zelf kan ze niet zien, maar als ik ’s nachts een tijger hoor, dan weet ik ook heel goed of het een van onze gewone tijgers is, of dat het een vreemdeling is, of een menscheneter. Wij gelooven allen, dat, wat Radoe en andere kameraden ons van tijgers vertellen, waar is. Wij zien toch ook bij het zoeken van boschprodukten, in de diepste bosschen, hoe die soort menschen bepaald beschermd worden tegen ongelukken.”Radoe knikte zijn grootvader toe, wij zwegen allen; met een kuchje brak de oude man de stilte.„Het is al avond geworden, meneer, u wilt misschien wel gaan slapen. En als u wilt, zal ik u een anderen keer vertellen, hoe de kleinzoon van Bittertong tijger werd.”Daar gingen zij, den zwart-en-zilveren maannacht in, langs het strand met de eeuwige branding.Scherp teekenden zich de elegante cocoskronen tegen den hemel af, en de harde bladnerven streken prevelend langs elkaar in den nachtwind.Van het strand klonk nog even het kuchje van den ouden man. In de kampoeng sloot knarsend de laatste deur, zacht kreunde een ontwakend kind in het donkere huis.Na dit uur is alles des menschen stil. Maar de cocosbladeren prevelen in den nachtwind, en de witte woelige strook in de donkere zee bromt, gromt, de eeuwen door.[33]

2.Radoe

De oude man, een voornaam volkshoofd in Zuid-Sumatra, meende wel honderd jaar te zijn, en hij kon dit bewijzen: hij was immers al vader van een paar flinke jongens, toen de Groote Uitbarsting plaats had, toen het dagen achtereen vrijwel donker was, de hemel een-en-al donder en bliksem leek en de zee vol dreef van puimsteen … en ik deed geen moeite hem voor te rekenen, dat Krakatau eerst 35 jaar geleden doodelijken angst verspreidde in heel Zuid-Sumatra en in West-Java. Hij was nu eenmaal een erkend honderdjarige, en er was geen reden hem deze illusie te ontnemen. De brave, eerwaardige man voelde zich gelukkig in den weliswaar overschatten ouderdom, en voldaan en gelukkig keek hij achterom, zonder het voor ons westerlingen onmisbaar perspectief in dien terugblik te leggen.Hij was een goed adat-kenner en hij vertelde met trots en smaak van de oude gebruiken van zijn stam.Voor mij was hij een waardevol vriend, omdat hij nog steeds goeden invloed had op zijn volk en doordat hij mij kostelijke overleveringen vertelde, als ik op mijn dienstreizen dat woeste gedeelte van Zuid-Sumatra bezocht; en telkens was ik verheugd de trouwe hand te kunnen drukken. In die rustige binnenlanden gelden de overleveringen als onomstootelijke geschiedenis, en zeer zeker ontbreekt in vele de zuiver geschiedkundige kern niet, al heeft de Islam ook veel leelijke franje geweven aan de legenden van deze „heidenen”, die eerst in den laatsten tijd, ja in het begin van deze eeuw, tot den Mohammedaanschen godsdienst zijn overgegaan.Een vorige maal had de oude man mij verhaald, dat in vroegere tijden enkele kwaadaardige roovers de macht hadden zich te doen beschermen door krokodillen. Ik had hem toen verteld dit wel meer te hebben gehoord, en dat door de Minangkabauers van Midden-Sumatra aangenomen wordt, dat het landschapshoofd van Loeboek Oelang Aling, een berucht rooverhoofdman, die ten slotte door de politie moest worden afgemaakt, een volg-krokodil had, die hem overal op zijn riviertochten vergezelde. Daarop had de oude man mij[30]beloofd de volgende maal zijn kleinzoon Radoe te zullen meebrengen, op wien hij al zijn kennis zou overdragen, Radoe, die de schermkunst van een koningstijger had geleerd.„Radoe, je kunt aan dezen Hollander gerust alles vertellen. Of meneer het gelooft, weet ik niet, maar meneer schrijft graag allerlei dingen op, en hij lacht ons niet uit, ons domme menschen!”Maar nu lachte ik wel even. „Wij, domme menschen,” dit is zoo de gewone uiting van bescheidenheid, van voorzichtigheid vooral. Er zijn misschien menschen, die dit de juiste zelfschatting achten, maar niet zij, die in nauwe aanraking zijn gekomen met die oude, waardige mannen, die, zonder schoolsche wijsheid, gekomen zijn tot beschouwingen, waarin de rust van eeuwen ligt; een evenwicht, vastgelegd in de „adat”, het gewoonterecht, dat regelen stelt evengoed tot basis van familierecht en rechtspraak als tot het aangeven van goede gebruiken en vormen, en dat, met de overleveringen, als erfgoed overgaat van geslacht op geslacht, totdat … en hier spreken diezelfde oude wijze mannen, totdat al het oude door de wielen van spoortreinen en automobielen, door de voortschrijdende „beschaving”, zal overreden zijn.Ik lachte dus even, en de wijze man begreep dien glimlach en lachte vergenoegd mee.„Veel kan ik u niet vertellen, meneer,” zei Radoe. „Mijn grootvader van moederskant had vele ilmoe’s en hij leerde mij wat ik doen moest, als ik ooit een tijger zou tegen komen van een soort, zooals hij mij beschreef. Ik hoop, dat u het mij niet kwalijk zal nemen, meneer, maar ik kan u dat niet precies uitleggen, u begrijpt dat zeker wel; maar zoo’n tijger is meer een mensch dan een dier. Eens op een middag heb ik aan den rand van het bosch zoo’n tijger ontmoet. Ik ben dadelijk naar het eerste het beste huis gegaan en ik heb de menschen gevraagd mij te helpen om een offerande voor hem te maken, een „sedekah” bestaande uit rauwe eieren en kleefrijst. De Oude aanvaardde die offerande, want, juist zooals grootvader mij gezegd had, de eieren waren den volgenden dag leeg, maar de schalen waren niet gebroken. Ik wist nu, dat de tijger mij goedgezind was en dat hij mij verschillende dingen zou leeren als ik hem weer ontmoette.[31]„En zoo heb ik schermen van hem geleerd, het silat en het koentau. Ik verzeker u, dat ik alleen maar een mensch in hem kon zien als hij met mij schermde. Hij heeft het mij goed geleerd, men zegt, dat ik de beste schermer in deze landen ben, en dat is ook wel zoo; ik heb dat alles aan hem te danken.„En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt...”„Maar u moet niet denken, dat ik de eenige ben, die zoo bevriend is met een tijger. Ik heb dikwijls van menschen uit de Boven-Kampar gehoord, dat enkelen gewoon zijn zich midden tusschen de tijgers te begeven, dat zij haast doof worden van het schreeuwen en brullen van de dieren. En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt”…„U weet zeker wel,” zei nu de oude man, „dat wij Maleiers, die in de wildernis wonen, allen gelooven, dat er steeds tijgers om en in[32]onze kampoeng’s zijn, die ons geen kwaad doen als zij nog geen menscheneter zijn. Slechts enkelen, als Radoe, krijgen van vader of grootvader het geheim over, hoe zij persoonlijk aanraking met hen kunnen krijgen, en dan leeren zij allerlei knappe dingen. Anderen weer zien de dieren overdag in de kampoeng’s, tusschen de huizen, en zij geven de dieren eten. Ik zelf kan ze niet zien, maar als ik ’s nachts een tijger hoor, dan weet ik ook heel goed of het een van onze gewone tijgers is, of dat het een vreemdeling is, of een menscheneter. Wij gelooven allen, dat, wat Radoe en andere kameraden ons van tijgers vertellen, waar is. Wij zien toch ook bij het zoeken van boschprodukten, in de diepste bosschen, hoe die soort menschen bepaald beschermd worden tegen ongelukken.”Radoe knikte zijn grootvader toe, wij zwegen allen; met een kuchje brak de oude man de stilte.„Het is al avond geworden, meneer, u wilt misschien wel gaan slapen. En als u wilt, zal ik u een anderen keer vertellen, hoe de kleinzoon van Bittertong tijger werd.”Daar gingen zij, den zwart-en-zilveren maannacht in, langs het strand met de eeuwige branding.Scherp teekenden zich de elegante cocoskronen tegen den hemel af, en de harde bladnerven streken prevelend langs elkaar in den nachtwind.Van het strand klonk nog even het kuchje van den ouden man. In de kampoeng sloot knarsend de laatste deur, zacht kreunde een ontwakend kind in het donkere huis.Na dit uur is alles des menschen stil. Maar de cocosbladeren prevelen in den nachtwind, en de witte woelige strook in de donkere zee bromt, gromt, de eeuwen door.[33]

De oude man, een voornaam volkshoofd in Zuid-Sumatra, meende wel honderd jaar te zijn, en hij kon dit bewijzen: hij was immers al vader van een paar flinke jongens, toen de Groote Uitbarsting plaats had, toen het dagen achtereen vrijwel donker was, de hemel een-en-al donder en bliksem leek en de zee vol dreef van puimsteen … en ik deed geen moeite hem voor te rekenen, dat Krakatau eerst 35 jaar geleden doodelijken angst verspreidde in heel Zuid-Sumatra en in West-Java. Hij was nu eenmaal een erkend honderdjarige, en er was geen reden hem deze illusie te ontnemen. De brave, eerwaardige man voelde zich gelukkig in den weliswaar overschatten ouderdom, en voldaan en gelukkig keek hij achterom, zonder het voor ons westerlingen onmisbaar perspectief in dien terugblik te leggen.

Hij was een goed adat-kenner en hij vertelde met trots en smaak van de oude gebruiken van zijn stam.

Voor mij was hij een waardevol vriend, omdat hij nog steeds goeden invloed had op zijn volk en doordat hij mij kostelijke overleveringen vertelde, als ik op mijn dienstreizen dat woeste gedeelte van Zuid-Sumatra bezocht; en telkens was ik verheugd de trouwe hand te kunnen drukken. In die rustige binnenlanden gelden de overleveringen als onomstootelijke geschiedenis, en zeer zeker ontbreekt in vele de zuiver geschiedkundige kern niet, al heeft de Islam ook veel leelijke franje geweven aan de legenden van deze „heidenen”, die eerst in den laatsten tijd, ja in het begin van deze eeuw, tot den Mohammedaanschen godsdienst zijn overgegaan.

Een vorige maal had de oude man mij verhaald, dat in vroegere tijden enkele kwaadaardige roovers de macht hadden zich te doen beschermen door krokodillen. Ik had hem toen verteld dit wel meer te hebben gehoord, en dat door de Minangkabauers van Midden-Sumatra aangenomen wordt, dat het landschapshoofd van Loeboek Oelang Aling, een berucht rooverhoofdman, die ten slotte door de politie moest worden afgemaakt, een volg-krokodil had, die hem overal op zijn riviertochten vergezelde. Daarop had de oude man mij[30]beloofd de volgende maal zijn kleinzoon Radoe te zullen meebrengen, op wien hij al zijn kennis zou overdragen, Radoe, die de schermkunst van een koningstijger had geleerd.

„Radoe, je kunt aan dezen Hollander gerust alles vertellen. Of meneer het gelooft, weet ik niet, maar meneer schrijft graag allerlei dingen op, en hij lacht ons niet uit, ons domme menschen!”

Maar nu lachte ik wel even. „Wij, domme menschen,” dit is zoo de gewone uiting van bescheidenheid, van voorzichtigheid vooral. Er zijn misschien menschen, die dit de juiste zelfschatting achten, maar niet zij, die in nauwe aanraking zijn gekomen met die oude, waardige mannen, die, zonder schoolsche wijsheid, gekomen zijn tot beschouwingen, waarin de rust van eeuwen ligt; een evenwicht, vastgelegd in de „adat”, het gewoonterecht, dat regelen stelt evengoed tot basis van familierecht en rechtspraak als tot het aangeven van goede gebruiken en vormen, en dat, met de overleveringen, als erfgoed overgaat van geslacht op geslacht, totdat … en hier spreken diezelfde oude wijze mannen, totdat al het oude door de wielen van spoortreinen en automobielen, door de voortschrijdende „beschaving”, zal overreden zijn.

Ik lachte dus even, en de wijze man begreep dien glimlach en lachte vergenoegd mee.

„Veel kan ik u niet vertellen, meneer,” zei Radoe. „Mijn grootvader van moederskant had vele ilmoe’s en hij leerde mij wat ik doen moest, als ik ooit een tijger zou tegen komen van een soort, zooals hij mij beschreef. Ik hoop, dat u het mij niet kwalijk zal nemen, meneer, maar ik kan u dat niet precies uitleggen, u begrijpt dat zeker wel; maar zoo’n tijger is meer een mensch dan een dier. Eens op een middag heb ik aan den rand van het bosch zoo’n tijger ontmoet. Ik ben dadelijk naar het eerste het beste huis gegaan en ik heb de menschen gevraagd mij te helpen om een offerande voor hem te maken, een „sedekah” bestaande uit rauwe eieren en kleefrijst. De Oude aanvaardde die offerande, want, juist zooals grootvader mij gezegd had, de eieren waren den volgenden dag leeg, maar de schalen waren niet gebroken. Ik wist nu, dat de tijger mij goedgezind was en dat hij mij verschillende dingen zou leeren als ik hem weer ontmoette.[31]

„En zoo heb ik schermen van hem geleerd, het silat en het koentau. Ik verzeker u, dat ik alleen maar een mensch in hem kon zien als hij met mij schermde. Hij heeft het mij goed geleerd, men zegt, dat ik de beste schermer in deze landen ben, en dat is ook wel zoo; ik heb dat alles aan hem te danken.

„En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt...”

„Maar u moet niet denken, dat ik de eenige ben, die zoo bevriend is met een tijger. Ik heb dikwijls van menschen uit de Boven-Kampar gehoord, dat enkelen gewoon zijn zich midden tusschen de tijgers te begeven, dat zij haast doof worden van het schreeuwen en brullen van de dieren. En ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad reizen maakt”…

„U weet zeker wel,” zei nu de oude man, „dat wij Maleiers, die in de wildernis wonen, allen gelooven, dat er steeds tijgers om en in[32]onze kampoeng’s zijn, die ons geen kwaad doen als zij nog geen menscheneter zijn. Slechts enkelen, als Radoe, krijgen van vader of grootvader het geheim over, hoe zij persoonlijk aanraking met hen kunnen krijgen, en dan leeren zij allerlei knappe dingen. Anderen weer zien de dieren overdag in de kampoeng’s, tusschen de huizen, en zij geven de dieren eten. Ik zelf kan ze niet zien, maar als ik ’s nachts een tijger hoor, dan weet ik ook heel goed of het een van onze gewone tijgers is, of dat het een vreemdeling is, of een menscheneter. Wij gelooven allen, dat, wat Radoe en andere kameraden ons van tijgers vertellen, waar is. Wij zien toch ook bij het zoeken van boschprodukten, in de diepste bosschen, hoe die soort menschen bepaald beschermd worden tegen ongelukken.”

Radoe knikte zijn grootvader toe, wij zwegen allen; met een kuchje brak de oude man de stilte.

„Het is al avond geworden, meneer, u wilt misschien wel gaan slapen. En als u wilt, zal ik u een anderen keer vertellen, hoe de kleinzoon van Bittertong tijger werd.”

Daar gingen zij, den zwart-en-zilveren maannacht in, langs het strand met de eeuwige branding.

Scherp teekenden zich de elegante cocoskronen tegen den hemel af, en de harde bladnerven streken prevelend langs elkaar in den nachtwind.

Van het strand klonk nog even het kuchje van den ouden man. In de kampoeng sloot knarsend de laatste deur, zacht kreunde een ontwakend kind in het donkere huis.

Na dit uur is alles des menschen stil. Maar de cocosbladeren prevelen in den nachtwind, en de witte woelige strook in de donkere zee bromt, gromt, de eeuwen door.[33]

[Inhoud]3.De Pawang Rimba en zijn beschermerDe officier, commandant van onze kleine patrouille, had mij al eenige malen gevraagd, of ik onze gidsen wel vertrouwde. Het kwam hem voor, dat wij zoo langzaam den berg afdaalden en het wel heel lang duurde, voor wij zicht kregen op de vlakte, ons doel. Daar ergens was een bivak, waar de hoofdtroep ons wachtte en waar men zich stellig al ongerust maakte; het achtervolgen van een bende kwaadwilligen, die ons in een hinderlaag hadden gelokt, had ons meer tijd genomen dan aanvankelijk verwacht werd. Wij wilden er alles op zetten om vóór den nacht weer bij onze kameraden te zijn. Ik kon den luitenant niets anders zeggen dan dat ik gemerkt had, dat de gidsen volkomen thuis waren in deze ontzaglijke oerwouden en elk wildpad kenden, maar ook, dat wij terdege op onze hoede moesten zijn.De gidsen waren volkomen thuis in deze ontzaglijke oerwouden.Maar dit was waarlijk geen wonder. Toen wij hopeloos verdwaald waren geraakt in een labyrinth van uitlokkende, breede olifantspaden, in een bosch zonder opvallende herkenningsteekens en donker onder een zonloozen hemel, hadden wij het geluk gehad plotseling op een paar jonge Atjehers te stooten, die op den terugweg naar huis waren, torsend de door hen verzamelde boschprodukten. Na veel moeite en onder aanlokkelijke beloften, hadden wij hen overgehaald hun vrachten te laten liggen en ons het bosch uit te brengen,[34]naar de vlakte. Zij wisten niet, vanwaar wij kwamen en wat ons den vorigen dag overkomen was, maar zij moesten begrijpen, dat er dingen gebeurd waren, die hun niet aangenaam konden zijn; het was een woelige tijd daar in het woeste bovenstroomgebied van de Roode Rivier. Bovendien zouden zij er twee dagen mee verliezen.De eerste uren van onzen snellen marsch hadden zij geen woord gezegd, het kon niet anders of zij zonnen op middelen om van ons weg te komen. Om onheil te voorkomen, hadden wij hen de vlijmscherpe wapens laten afgeven, en zij waren onder bijzonder toezicht gesteld van twee onzer beste maréchaussees; die hadden het temperament en het fanatisme der Atjehers reeds verscheidene malen aan den lijve ondervonden, en zij waren wat grimmig gestemd door de dingen, die ons den vorigen dag waren overkomen.Maar tijdens een korte rust had ik wat met de gidsen gepraat, en zij wisten nu, dat ik een bestuursambtenaar was en geen militair; en mijn kennis van hun taal was juist voldoende om hen wat op hun gemak te stellen en hen ervan te overtuigen, dat wij van onzen kant tegenover hen niets kwaads in het schild voerden. En toen wij verder gingen langs het nauwelijks zichtbare boschpaadje, allen achter elkaar en ik tusschen hen beiden in, lieten zij zich langzamerhand wat meer gaan, en ik leerde van hen veel van allerlei groot wild, waarop zij gewoon waren te jagen, op hun manier. Zoo wezen zij mij, hoe ze op verschillende rhinocerospaden doodende vallen hadden gespannen, plekken, waar zij succes hadden gehad, en zij vertelden welke goede prijzen zij hadden gemaakt voor den hoorn, die voor Chineezen nog steeds groote waarde heeft als medicijn tegen verschillende kwalen.„Zie,” zeiden ze, „hier hebben wij verleden maand weken lang overnacht, wij hadden hier in den omtrek verscheiden vallen gespannen.”Wij hielden even halt. Op vier gekapte paaltjes en eenige kruishouten lag een vloertje van takken, een stellage van ’n meter boven den grond, met een dakje van pocar, die gemberachtige plant, welker lange, breede bladeren zich zoo goed hiervoor leenen.„Hadden jullie geen wanden om dit hutje?”[35]„Neen, zoo hoog is het hier niet, dat wij ’t koud hadden; u ziet trouwens hier nog de asch van het vuurtje, dat wij brandden, maar dat deden wij vooral om de muskieten weg te rooken.”In de asch stond het stempel van het Sumatraansche woud, een geweldig tijgerspoor.„Maar … kijk hier eens! Wasdezetoen ook hier in de buurt?” vroeg ik verrast.Zij keken onverschillig naar het spoor vanhem, dien men in de wildernis nimmer bij zijn naam noemt. Eindelijk zei de jongste:„O, die waren altijd om ons heen, en deze hier kennen wij heel goed”„En jullie sliepen hier? zonder omwanding en bij zoo’n klein vuurtje?!”De oudste glimlachte, beiden zwegen.„Maar zeg mij nu eens, waren jullie werkelijk niet bang?”De jongste lachte nu breed en keek mij aan.„Toean, wij waren niet bang,zijbeschermen ons immers!”„Hoe bedoel je dat?”„Wel toean, u weet dat zoo niet, maar mijn kameraad is pawang rimba, baas in het oerwoud, begrijpt u het nu? Wat zouden wij te vreezen hebben!”…„Wat vertellen ze toch van dat tijgerspoor?” vroeg de luitenant, die bezorgd gekeken had naar de inmiddels te voorschijn gekomen zon, die met tropische snelheid naar den horizont gleed. Hij was nog niet lang in Atjeh en had geen woord verstaan.„Och,” zei ik verstrooid, „zij zeiden zoo maar wat; ik vertel u dat later nog wel eens.”Ik keek nog eens goed naar de gezichten van onze kameraden-tegen-wil-en-dank; ik zag, dat zij scherp geluisterd hadden om te trachten den zin te vatten van wat die Hollanders daar tot elkaar zeiden; ik zag ook, dat zij opgelucht waren, de blik van den bestuursambtenaar bleef ernstig-verrast, de officier lachte niet.Toen zij ons bij het vallen van den avond aan den boschrand hadden[36]gebracht, waren zij zichtbaar blij, dat de dag voorbij was en dat de gedane belofte werd ingelost.Mij speet het de lenige, sterke lichamen in het bosch te zien verdwijnen, waar zij zich onmiddellijk oplosten in het snel vallende duister; voor ons een zwart mysterie met wondere geluiden, voor hen een veilig tehuis.Ornament met toekan.[37]

3.De Pawang Rimba en zijn beschermer

De officier, commandant van onze kleine patrouille, had mij al eenige malen gevraagd, of ik onze gidsen wel vertrouwde. Het kwam hem voor, dat wij zoo langzaam den berg afdaalden en het wel heel lang duurde, voor wij zicht kregen op de vlakte, ons doel. Daar ergens was een bivak, waar de hoofdtroep ons wachtte en waar men zich stellig al ongerust maakte; het achtervolgen van een bende kwaadwilligen, die ons in een hinderlaag hadden gelokt, had ons meer tijd genomen dan aanvankelijk verwacht werd. Wij wilden er alles op zetten om vóór den nacht weer bij onze kameraden te zijn. Ik kon den luitenant niets anders zeggen dan dat ik gemerkt had, dat de gidsen volkomen thuis waren in deze ontzaglijke oerwouden en elk wildpad kenden, maar ook, dat wij terdege op onze hoede moesten zijn.De gidsen waren volkomen thuis in deze ontzaglijke oerwouden.Maar dit was waarlijk geen wonder. Toen wij hopeloos verdwaald waren geraakt in een labyrinth van uitlokkende, breede olifantspaden, in een bosch zonder opvallende herkenningsteekens en donker onder een zonloozen hemel, hadden wij het geluk gehad plotseling op een paar jonge Atjehers te stooten, die op den terugweg naar huis waren, torsend de door hen verzamelde boschprodukten. Na veel moeite en onder aanlokkelijke beloften, hadden wij hen overgehaald hun vrachten te laten liggen en ons het bosch uit te brengen,[34]naar de vlakte. Zij wisten niet, vanwaar wij kwamen en wat ons den vorigen dag overkomen was, maar zij moesten begrijpen, dat er dingen gebeurd waren, die hun niet aangenaam konden zijn; het was een woelige tijd daar in het woeste bovenstroomgebied van de Roode Rivier. Bovendien zouden zij er twee dagen mee verliezen.De eerste uren van onzen snellen marsch hadden zij geen woord gezegd, het kon niet anders of zij zonnen op middelen om van ons weg te komen. Om onheil te voorkomen, hadden wij hen de vlijmscherpe wapens laten afgeven, en zij waren onder bijzonder toezicht gesteld van twee onzer beste maréchaussees; die hadden het temperament en het fanatisme der Atjehers reeds verscheidene malen aan den lijve ondervonden, en zij waren wat grimmig gestemd door de dingen, die ons den vorigen dag waren overkomen.Maar tijdens een korte rust had ik wat met de gidsen gepraat, en zij wisten nu, dat ik een bestuursambtenaar was en geen militair; en mijn kennis van hun taal was juist voldoende om hen wat op hun gemak te stellen en hen ervan te overtuigen, dat wij van onzen kant tegenover hen niets kwaads in het schild voerden. En toen wij verder gingen langs het nauwelijks zichtbare boschpaadje, allen achter elkaar en ik tusschen hen beiden in, lieten zij zich langzamerhand wat meer gaan, en ik leerde van hen veel van allerlei groot wild, waarop zij gewoon waren te jagen, op hun manier. Zoo wezen zij mij, hoe ze op verschillende rhinocerospaden doodende vallen hadden gespannen, plekken, waar zij succes hadden gehad, en zij vertelden welke goede prijzen zij hadden gemaakt voor den hoorn, die voor Chineezen nog steeds groote waarde heeft als medicijn tegen verschillende kwalen.„Zie,” zeiden ze, „hier hebben wij verleden maand weken lang overnacht, wij hadden hier in den omtrek verscheiden vallen gespannen.”Wij hielden even halt. Op vier gekapte paaltjes en eenige kruishouten lag een vloertje van takken, een stellage van ’n meter boven den grond, met een dakje van pocar, die gemberachtige plant, welker lange, breede bladeren zich zoo goed hiervoor leenen.„Hadden jullie geen wanden om dit hutje?”[35]„Neen, zoo hoog is het hier niet, dat wij ’t koud hadden; u ziet trouwens hier nog de asch van het vuurtje, dat wij brandden, maar dat deden wij vooral om de muskieten weg te rooken.”In de asch stond het stempel van het Sumatraansche woud, een geweldig tijgerspoor.„Maar … kijk hier eens! Wasdezetoen ook hier in de buurt?” vroeg ik verrast.Zij keken onverschillig naar het spoor vanhem, dien men in de wildernis nimmer bij zijn naam noemt. Eindelijk zei de jongste:„O, die waren altijd om ons heen, en deze hier kennen wij heel goed”„En jullie sliepen hier? zonder omwanding en bij zoo’n klein vuurtje?!”De oudste glimlachte, beiden zwegen.„Maar zeg mij nu eens, waren jullie werkelijk niet bang?”De jongste lachte nu breed en keek mij aan.„Toean, wij waren niet bang,zijbeschermen ons immers!”„Hoe bedoel je dat?”„Wel toean, u weet dat zoo niet, maar mijn kameraad is pawang rimba, baas in het oerwoud, begrijpt u het nu? Wat zouden wij te vreezen hebben!”…„Wat vertellen ze toch van dat tijgerspoor?” vroeg de luitenant, die bezorgd gekeken had naar de inmiddels te voorschijn gekomen zon, die met tropische snelheid naar den horizont gleed. Hij was nog niet lang in Atjeh en had geen woord verstaan.„Och,” zei ik verstrooid, „zij zeiden zoo maar wat; ik vertel u dat later nog wel eens.”Ik keek nog eens goed naar de gezichten van onze kameraden-tegen-wil-en-dank; ik zag, dat zij scherp geluisterd hadden om te trachten den zin te vatten van wat die Hollanders daar tot elkaar zeiden; ik zag ook, dat zij opgelucht waren, de blik van den bestuursambtenaar bleef ernstig-verrast, de officier lachte niet.Toen zij ons bij het vallen van den avond aan den boschrand hadden[36]gebracht, waren zij zichtbaar blij, dat de dag voorbij was en dat de gedane belofte werd ingelost.Mij speet het de lenige, sterke lichamen in het bosch te zien verdwijnen, waar zij zich onmiddellijk oplosten in het snel vallende duister; voor ons een zwart mysterie met wondere geluiden, voor hen een veilig tehuis.Ornament met toekan.[37]

De officier, commandant van onze kleine patrouille, had mij al eenige malen gevraagd, of ik onze gidsen wel vertrouwde. Het kwam hem voor, dat wij zoo langzaam den berg afdaalden en het wel heel lang duurde, voor wij zicht kregen op de vlakte, ons doel. Daar ergens was een bivak, waar de hoofdtroep ons wachtte en waar men zich stellig al ongerust maakte; het achtervolgen van een bende kwaadwilligen, die ons in een hinderlaag hadden gelokt, had ons meer tijd genomen dan aanvankelijk verwacht werd. Wij wilden er alles op zetten om vóór den nacht weer bij onze kameraden te zijn. Ik kon den luitenant niets anders zeggen dan dat ik gemerkt had, dat de gidsen volkomen thuis waren in deze ontzaglijke oerwouden en elk wildpad kenden, maar ook, dat wij terdege op onze hoede moesten zijn.

De gidsen waren volkomen thuis in deze ontzaglijke oerwouden.

Maar dit was waarlijk geen wonder. Toen wij hopeloos verdwaald waren geraakt in een labyrinth van uitlokkende, breede olifantspaden, in een bosch zonder opvallende herkenningsteekens en donker onder een zonloozen hemel, hadden wij het geluk gehad plotseling op een paar jonge Atjehers te stooten, die op den terugweg naar huis waren, torsend de door hen verzamelde boschprodukten. Na veel moeite en onder aanlokkelijke beloften, hadden wij hen overgehaald hun vrachten te laten liggen en ons het bosch uit te brengen,[34]naar de vlakte. Zij wisten niet, vanwaar wij kwamen en wat ons den vorigen dag overkomen was, maar zij moesten begrijpen, dat er dingen gebeurd waren, die hun niet aangenaam konden zijn; het was een woelige tijd daar in het woeste bovenstroomgebied van de Roode Rivier. Bovendien zouden zij er twee dagen mee verliezen.

De eerste uren van onzen snellen marsch hadden zij geen woord gezegd, het kon niet anders of zij zonnen op middelen om van ons weg te komen. Om onheil te voorkomen, hadden wij hen de vlijmscherpe wapens laten afgeven, en zij waren onder bijzonder toezicht gesteld van twee onzer beste maréchaussees; die hadden het temperament en het fanatisme der Atjehers reeds verscheidene malen aan den lijve ondervonden, en zij waren wat grimmig gestemd door de dingen, die ons den vorigen dag waren overkomen.

Maar tijdens een korte rust had ik wat met de gidsen gepraat, en zij wisten nu, dat ik een bestuursambtenaar was en geen militair; en mijn kennis van hun taal was juist voldoende om hen wat op hun gemak te stellen en hen ervan te overtuigen, dat wij van onzen kant tegenover hen niets kwaads in het schild voerden. En toen wij verder gingen langs het nauwelijks zichtbare boschpaadje, allen achter elkaar en ik tusschen hen beiden in, lieten zij zich langzamerhand wat meer gaan, en ik leerde van hen veel van allerlei groot wild, waarop zij gewoon waren te jagen, op hun manier. Zoo wezen zij mij, hoe ze op verschillende rhinocerospaden doodende vallen hadden gespannen, plekken, waar zij succes hadden gehad, en zij vertelden welke goede prijzen zij hadden gemaakt voor den hoorn, die voor Chineezen nog steeds groote waarde heeft als medicijn tegen verschillende kwalen.

„Zie,” zeiden ze, „hier hebben wij verleden maand weken lang overnacht, wij hadden hier in den omtrek verscheiden vallen gespannen.”

Wij hielden even halt. Op vier gekapte paaltjes en eenige kruishouten lag een vloertje van takken, een stellage van ’n meter boven den grond, met een dakje van pocar, die gemberachtige plant, welker lange, breede bladeren zich zoo goed hiervoor leenen.

„Hadden jullie geen wanden om dit hutje?”[35]

„Neen, zoo hoog is het hier niet, dat wij ’t koud hadden; u ziet trouwens hier nog de asch van het vuurtje, dat wij brandden, maar dat deden wij vooral om de muskieten weg te rooken.”

In de asch stond het stempel van het Sumatraansche woud, een geweldig tijgerspoor.

„Maar … kijk hier eens! Wasdezetoen ook hier in de buurt?” vroeg ik verrast.

Zij keken onverschillig naar het spoor vanhem, dien men in de wildernis nimmer bij zijn naam noemt. Eindelijk zei de jongste:

„O, die waren altijd om ons heen, en deze hier kennen wij heel goed”

„En jullie sliepen hier? zonder omwanding en bij zoo’n klein vuurtje?!”

De oudste glimlachte, beiden zwegen.

„Maar zeg mij nu eens, waren jullie werkelijk niet bang?”

De jongste lachte nu breed en keek mij aan.

„Toean, wij waren niet bang,zijbeschermen ons immers!”

„Hoe bedoel je dat?”

„Wel toean, u weet dat zoo niet, maar mijn kameraad is pawang rimba, baas in het oerwoud, begrijpt u het nu? Wat zouden wij te vreezen hebben!”…

„Wat vertellen ze toch van dat tijgerspoor?” vroeg de luitenant, die bezorgd gekeken had naar de inmiddels te voorschijn gekomen zon, die met tropische snelheid naar den horizont gleed. Hij was nog niet lang in Atjeh en had geen woord verstaan.

„Och,” zei ik verstrooid, „zij zeiden zoo maar wat; ik vertel u dat later nog wel eens.”

Ik keek nog eens goed naar de gezichten van onze kameraden-tegen-wil-en-dank; ik zag, dat zij scherp geluisterd hadden om te trachten den zin te vatten van wat die Hollanders daar tot elkaar zeiden; ik zag ook, dat zij opgelucht waren, de blik van den bestuursambtenaar bleef ernstig-verrast, de officier lachte niet.

Toen zij ons bij het vallen van den avond aan den boschrand hadden[36]gebracht, waren zij zichtbaar blij, dat de dag voorbij was en dat de gedane belofte werd ingelost.

Mij speet het de lenige, sterke lichamen in het bosch te zien verdwijnen, waar zij zich onmiddellijk oplosten in het snel vallende duister; voor ons een zwart mysterie met wondere geluiden, voor hen een veilig tehuis.

Ornament met toekan.

[37]

[Inhoud]V.BENO, DE STUWVLOEDDe gouverneur van de Oostkust van Sumatra had ditmaal zijn reis naar de Kampar-rivier zoo geregeld, dat hij den benô zou kunnen zien, den stuwvloed, welke deze rivier ongeschikt maakt voor geregeld bootverkeer.Het woord „stuwvloed” geeft beter dan „vloedgolf” aan, wat men te zeggen heeft. Er is geen beter woord om een denkbeeld te geven van het brok water, dat, op twee of drie achtereenvolgende dagen, telkens bij volle en bij nieuwe maan, door den vloed uit zee wordt opgestuwd, en dat op verschillende punten in dehonderdenmeters breede rivier soms een hoogte heeft van drie meter en meer, waar het met een snelheid van tien tot dertig kilometer per uur de bedding wordt binnen geschoven. Dat ontzaglijke brok water heeft een aaneengesloten front, een kokenden, brullenden muur. Het is, of een nieuwe rivier, van enkele meters hoogeren waterstand, heenschiet over de bestaande, die door de eb is leeg gezogen; en niet geleidelijk, maar inééns, zonder overgang. Een geweldigebandjir, maar in averechtsche richting.Verschillende rivieren ter wereld vertoonen een verschijnsel, dat in meer of mindere mate met den beno overeenkomt. In Nederlandsch-Indië zijn het alleen de Kampar- en de Rokan-rivier, welke beide in de Straat van Malaka uitmonden, waar de beno heerscht. Op de Rokan is hij nimmer zoo hoog en zoo gevaarlijk als op de Kampar; doch[38]men kan zich een begrip vormen van de massa water, welke bij vloed de kilometers-breede monden inschuift, wanneer men bij laag water de hoogte ziet van den „boom”, de steiger van het Chineezen-centrum Bagan Si Api-Api, de tweede visschersplaats ter wereld, aan den Rokan-mond.Er zijn maar enkele Europeanen, die hier dit overweldigend natuurwonder gezien hebben, omdat deze afgelegen streken zeer weinig worden bezocht. Beide rivieren stroomen in haar benedenloop door de lage landen van Sumatra’s oostkust, welke hier niet de belangstelling hebben van het kapitaal; de bodem is niet vruchtbaar genoeg voor den grooten landbouw, en hier en daar strekken zich moerassen uit, ontstaan door overstroomingen of wanneer de machtige rivieren haar bedding verlegden.Er zijn dan ook slechts sporadisch kleine nederzettingen der inheemsche bevolking. De Hindoe’s hebben, misschien tien eeuwen geleden, op enkele hoogere plekken aan de oevers hun rustpunten gebouwd, waarvan nog resten van gebakken steenen zijn overgebleven, maar talrijk zal de bevolking er wel nooit geweest zijn.Voor de beide Sumatra-rivieren zal het ontstaan van den beno samen hangen met de vernauwing van de Straat van Malaka, veroorzaakt door de eilandenreeks ten oosten van midden- en zuid-Sumatra. Of, om het geologisch zuiver te zeggen: die eilanden zijn het overblijfsel van den band, welke Sumatra aan Malaka, aan het vasteland van Azië, heeft verbonden. Toen na den ijstijd het smeltwater aan de polen en in de gletschergebieden vrij kwam, grepen groote veranderingen plaats in den Indonesischen archipel. Eerst namen de Philippijnen afscheid van Borneo, en Bali van Java; daarna werd de band verbroken tusschen Java en Sumatra, en eindelijk maakten Borneo en Sumatra zich van elkaar los. Nu waren alleen Sumatra en Malaka nog aan elkaar verbonden, en ook het lage deel van deze verbinding dompelde ten slotte onder. Zoo ontstond de sleuf tusschen het vasteland van Azië en Sumatra, de wereldstraat van Malaka. Hoe lang het geleden is, dat deze laatste scheiding tot stand kwam, zal wel onbekend blijven. De geoloog zal het niet kunnen aanvaarden, doch op[39]grond van gegevens in 163 A.D. door Ptolemaeus vastgelegd, beschouwd in verband met ethnologische aanwijzingen, is er plaats voor de veronderstelling, dat in het begin van onze jaartelling nog een smalle, lage landengte bestond tusschen Malaka en een gedeelte van Sumatra ten zuiden van de Rokan-monding.Hoe het ook zij, er is hier een drempel in de Straat, het hoogere deel der oude verbinding, welke van invloed moet zijn op de wijze, waarop het bij vloed opkomende water juist de twee breede monden van Kampar en Rokan binnen schuift.Aan deskundigen de beoordeling, ook omtrent de juiste oorzaak van de werking van den beno op de rivieren. Er zijn verschillende theorieën over, maar een wonder blijft het voor een ieder, wien het gegeven is het oogenblik te doorleven, waarop het kokende waterfront bulderend voorbij schuift, verder, steeds verder de breede rivier op.Men had voor den bestuurder dezer gewesten een plek aan den linkeroever uitgezocht, vanwaar hij het schouwspel in de grootste kracht en van nabij zou kunnen zien. Benedenstrooms lag een zacht krommende rivierbocht met iets hoogeren rand, welke bij elken beno werd afgebrokkeld; was deze bocht gepasseerd, dan ging de stuwvloed met groote snelheid een recht rivierstuk op, en hier vertoonde de beno zich op zijn best.Het was midden December, de moesson-regens hadden de rivier rijk gemaakt, en het was springvloed, twee factoren welke een hoogen stuwvloed deden verwachten. In dezen tijd van het jaar ging vrijwel geen dag voorbij zonder regen, daarom hadden rappe handen aan den oever een eenvoudig hutje gemaakt, een afdak van bladeren boven enkele banken van twijgen en takken, waarop de gouverneur, de plaatselijk besturend ambtenaar en eenige hoofden der bevolking zich in afwachting van de komende dingen hadden neergezet. Ook de oude Kampar-loods was met hen. Hij had den vorigen avond het Gouvernements-vaartuig „Diana”, waarmee de gouverneur de reizen in deze streken maakte, veilig ten anker gebracht achter het eiland Ketam, waar de beno nimmer gevaarlijk is; en in den vroegen[40]morgen was het gezelschap in een lichte prauw stroomop geroeid.Het was tien uur. De rivier, welke op deze plek meer dan drie honderd meter breed is, stroomde rustig langs den tien voet hoogen, steilen oeverrand. Het was nog eb, eerst over een uur werd de beno verwacht. Loodkleurig onder den zwaar betrokken hemel strekte het stille watervlak zich uit, dat men, van dit punt uit, kilometers ver naar boven- en naar benedenstrooms kan overzien.„Is dit nu de plek, waar de beno voor de vaart het gevaarlijkst is?” vroeg de gouverneur.„Neen, meneer,” antwoordde de loods, „het gevaarlijkste punt is bij Tandjoeng Poelai. De beno loopt den Kamparmond in van drie kanten, tusschen de zandbanken door, en vormt zich bij Ketam; daar is hij al merkbaar, maar niet gevaarlijk. Dan begint hij te zwellen en wordt al sterker en sneller; en op den drempel bij Poelai is hij het hoogst, wel tien voet en meer; daar spookt hij geweldig; maar ik heb u daar niet gebracht, omdat men daar niet zoo ver naar alle kanten kan zien en omdat er geen veilige plek aan den kant is als hier, waar wij nu zijn; hier komt hij ook wel eens drie meter hoog, maar heel zelden.”„En waar is de „Madjoe” vergaan, en hoe kwam dat?”„Dat gebeurde twaalf jaar geleden bij Tandjoeng Niboeng. Het was een kleine stoomboot, de bemanning wist niets van de kracht en de werking van den beno af en dacht het wel klaar te zullen spelen. Ze ging rechtop staan, sloeg om en liep dadelijk vol zand, alles was in één oogenblik vernield. De „Madjoe” spookt nog wel eens, maar bij Poelau Lawan, en de heele kampoeng loopt dan uit om het te zien.”„En wat ziet men dan?”De loods keek eens langs de rij hoofden en gaf een hunner een teeken om op de vraag te antwoorden.Een oud, waardig man kuchte even, dat is zoo de gewoonte. Met spanning keken alle anderen naar hem. Dit was een man, die veel wist te vertellen.„Niet iedereen kan dat zien, meneer, daar moet men de ilmoe voor hebben, er zijn maar enkelen, wien dat gegeven is; zij zien de „Madjoe”[41]midden in de rivier. Bij Tandjoeng Semajang is ’t heel anders, dat heb ik zelf gezien.”„Wat hebt ge daar gezien?”De oude man kuchte nog eens. „Ja, meneer, ik zal ’t u vertellen, maar ik weet niet, of u ’t gelooft. Wij menschen aan de rivier zien die dingen, en onze voorvaderen hebben ’t ook gezien. Bij Tandjoeng Semajang, dat vroeger Si Bajang-Bajang heette, woonde heel vroeger een vrouw van den stam Singô Bônô. Wij noemen den beno hierbônô, of hij naar den stamnaam genoemd is, weten wij niet, maar men zegt, dat er toen nog geen beno was. Die vrouw had bovenaardsche macht, en dikwijls kwamen menschen in haar huisje aan den rivierkant om raad te vragen als er thuis zieken waren. Toen zij heel oud was geworden en niet goed meer loopen kon, zei ze op ’n dag tegen de menschen, die haar kwamen bezoeken, dat zij alleen wilde zijn om te bidden. Al die menschen hebben toen gezien, dat ’t huisje èn de oude vrouw plotseling verdwenen waren. Bij die plek is nu een kramat, een heilige plek waar men geloften doet. En als de beno op komt zetten, ziet men van daar, op de rivier, maar heel ver en in een mist, een schip met volle zeilen, of een prauw, die geroeid wordt met veel riemen, maar menschen ziet men nooit. Dikwijls zien wij die boot, ikzelf heb het ook gezien. En wij vinden het prettig als iemand de spookboot ziet, dat brengt geluk over de heele streek.”Het was of de rivier te luisteren lag, zoo sloom, al langzamer, bewoog zij zich.„Hoe lang zou dit al geleden zijn?”„Dat weten wij niet; ’t was in den tijd, dat Toek Engok leefde. Die had ook bovenaardsche macht, hij kon elk willekeurig stuk hout gebruiken om er de rivier mee over te drijven, zelfs in den sterksten stroom. Soms bleef hij wel ’n week achter zijn klamboe. Een nieuwsgierige vrouw gluurde eens in de klamboe en zag, dat Toek Engok niet op zijn slaapplaats lag. Toen hij na eenige dagen uit de klamboe kwam, bekende de vrouw wat zij gedaan en gezien had; en nu vertelde de oude man, dat hij met een djin-vrouw getrouwd was en telkens naar haar toe ging. Hij had kinderen bij die vrouw, ook een zoon,[42]die Radja Alam heette, maar niemand heeft ooit die vrouw en de kinderen gezien,”Al donkerder werd de lucht. Alleen ver benedenstrooms streepte een zandbank fel wit in een zonnestraal. In een boom aan den oever had een groote, grauwgroene vliegenvanger een dooden tak uitgekozen als station voor zijn cirkelvluchtjes. Even loerde hij, dan schoot hij weg, hapte met duidelijk hoorbaar snappen van den snavel een argeloos insect beet, en keerde in een sierlijke bocht terug op precies hetzelfde plekje op zijn tak. En telkens weer cirkelde hij rond en steeds weer knapte de vangende snavel; het was al een kwartierlang het eenige geluid geweest buiten het hutje, waar de mannen stil luisterden naar de oude verhalen.Toen het elf uur was, verdween de vliegenvanger; nu was alles stil, de natuur wachtte. Maar een kwartier later joeg een wilde windstoot door het bosch achter het hutje, en even later ratelde een hagelbui op het bladerendakje. Nog scheen de zon op de witte zandbank in de verte, en ze begon nu ook aan den overkant der rivier te schijnen, de looden hemel had zich ontlast en tusschen zware wolken grijsden lichtere vlekken. De rivier bleef donker, maar de wilde wind schoor over het water en bracht er schichtige schuimvlokken.Twintig minuten vóór twaalf brak plotseling de zon breed door, en nu werd, misschien twee kilometer benedenstrooms, een witte streep dwars over de rivier zichtbaar.„Dáár is-ie!” riepen de mannen, „hoort u dat bruisen, meneer?”Nu hij zichtbaar was, hoorde men ook een zacht geruisch over het water komen. De rivier lag nu doodstil, de menschen zwegen. Snel aangroeiend kwam het bruisend geluid de rivier op en breeder werd de streep. Het was, of een raderboot zich de Kampar opwerkte. Nu brak de witte streep op de daareven verlichte zandbank, en duidelijk waren wild klotsende golven te zien, die hier en daar over de bank sprongen, alsof daar groote dieren renden, opsprongen en weer neerploften. Dan stak een sissende waterdam over naar de flauwe bocht, de hooge wal verdween voor een groot deel en doffe, dreunende schoten klonken, groote brokken van den steilen oever ploften in de kokende branding.[43]De zon bescheen nu de rivier helder, en duidelijk was te zien, hoe het waterfront zich opstelde voor het rechte rivierstuk, dat nu vermeesterd moest worden. In één rechte lijn kwam de schuimende, razende dam opzetten, verrassend snel nu, als een donderende artillerie-charge, maar paard aan paard, nek aan nek, één aaneengesloten front; hier en daar steigerden woeste golven, als wilde paarden. In grommend gebrul stortte de twee meter hooge, kokende vloed zich op het doodstille water, aan den oever spoten moddergolven op, enkele boomen werden van den oever meegesleurd.De grond trilde, de huiverende mannen deden onwillekeurig eenige stappen achteruit, en vóór men het goed besefte, stoof het brullend geweld voorbij; de rivier was plotseling twee meter hooger geworden en er kookte een bruin brouwsel, waar stammen en takken en brokken drijfhout draaiden en wentelden en rechtop gingen staan en weer neer smakten, fel bewogen door geweldige kolken, die elkaar bevochten. In één moment was alles voorbij, ziedend, brullend, en de mannen juichten en brulden mee, met koude ruggegraat …„Hebt u de paarden goed gezien, meneer?” vroeg het oude volkshoofd opgewonden.„Bedoelt ge die springende koppen?”„Ja, die noemen wij de paarden. Men zegt, dat er vroeger zeven wilde paarden waren, die den beno de rivier op trokken. Een opperhoofd van den stam Singo Bono, een groot „gagah” man, heeft er één uit geschoten, en toen is de beno vier malen weg gebleven. Hij is zwaar ziek geworden en heeft nimmer meer kunnen loopen; het is niet goed, zulke dingen te doen, wij menschen moeten voorzichtig zijn”…Dien namiddag vertrok de gouverneur per „Diana” naar Médan, en in den laten avond zat hij in een makkelijken rotan-stoel op het bovendekje van het schip, en dacht terug aan het wonderlijk gebeuren van dien dag.De volle maan spiegelde zich in het rimpelloos water van een der zeestraten in de groep der Bengkalis-eilanden, waar de „Diana”[44]zacht door heen gleed. In den inktzwarten rand van het vloedbosch, tusschen den maannacht en het water, tjirpten de krekels. In enkele struiken aan den kant dansten duizende vuurvliegjes en zij maakten van de struiken rijk bekaarste kerstboompjes, maar de vlammetjes waren zwak fosforiseerende lichtjes, één seconde schenen zij en doofden dan alle even lang weer uit, als op commando, onwezenlijk, spookachtig in den zachten nevel van fosforglans.Was het mogelijk, dat die spokendans van insecten gehoorzaamde aan een regelende macht? Vaste wetten heerschten ook hier, ongetwijfeld, even goed als ginds op die nu weer zoo stille, daareven kokende, ziedende rivier.Een zachte kuch klonk op de trap naar het dekje. De oude loods van de Kampar had verlof gekregen mee te gaan naarMédan, daar woonde een getrouwde dochter, hij had zijn jongste kleinkind nog niet gezien. Zwijgend zette hij zich neer, met den rug tegen de railing. Voelde hij, waarom die eenzame man nog niet tot slapen kon komen in den wonderen maannacht? en dat die man—mensch als hij—behoefte had om nog eens met hem te spreken over het saam doorleefde?„Ik ben blij, dat gij ook nog niet slaapt, loods; gij hebt den beno al zoo dikwijls gezien, maar ik had iets dergelijks nog niet meegemaakt. En nog telkens denk ik aan de verhalen, welke gijlieden mij verteld hebt.”„Ja, meneer, ik heb gezien, hoc u naar ons luisterde; dat doet ons goed, wij zijn gehecht aan die overleveringen. Maar niemand heeft u durven vertellen, wat volgens onze voorvaderen de eigenlijke oorsprong moet zijn van den beno. Het is een vreemd verhaal, en onze godsdienst verbiedt ons aan zulke dingen te gelooven. Maar al waren onze voorvaderen nog niet „orang islam”, zij wisten veel. En al schamen velen zich er openlijk aan te gelooven, in ons hart … Ik zal u het verhaal vertellen.„In oude, oude tijden leefde in het midden-stroomgebied van de Kampar een groot opperhoofd, die een beeldschoone dochter had Men zegt, dat zij wonderlijk geschapen was, haar boezem was half[45]vrouwelijk, half als van ’n man. Maar ze was zóó mooi, dat alle mannen gek op haar waren. Zij trok zich daar niets van aan, ze wilde niets van haar aanbidders weten, en dit gaf het opperhoofd veel zorg. Hij was verbaasd te zien, dat het meisje blijkbaar maar één vriend op de wereld had, haar hond. Maar de vader wist niet, dat die hond de man van zijn dochter was; hij wist dit eerst, toen zij hem kwam bekennen, dat zij spoedig moeder zou zijn … en toen zeven kinderen werden geboren, bleken ze allen hondjes te zijn. Doodbeschaamd gooide het opperhoofd alle hondjes in de rivier, om elk spoor van deze vreeselijke schande te doen verdwijnen.Langs de volle maan, stippelden zich enkele kalong’s af.„Maar ziet! de vloed uit zee, die tot aan het land van het groote opperhoofd aan de oevers merkbaar was, begon zich langzamerhand te rimpelen, de rimpels werden kabbelingen, de kabbelingen groeiden tot golfjes, en zóó werd de beweging in het water al sterker en sterker. Eerst was het ruischen, toen grommen en brullen, en eindelijk was de beno volgroeid. En nu zag men hier en daar, midden in den bruisenden dam, zeven koppen, die de leiding hadden. Dit waren de volwassen geworden honden, die hun moeder zochten. En tot nu toe komen zij telkens weer uit zee, waar zij wonen, en ze rijden op den vloed de Kampar op; en zij springen en grommen, en vernielen alles war zij tegen komen. In woeste vaart razen zij voort, schouder aan schouder; maar telkens weer raken zij eindelijk uitgeput, en zij zakken maar weer af naar zee, waar zij wonen, en den volgenden keer en nog eens, en nòg eens, probeeren zij het weer, maar nimmer vinden zij hun moeder.„Zoo moet de beno ontstaan zijn, dat is van geslacht op geslacht[46]op ons overgegaan. Ik weet niet, of het eigenlijk wel mogelijk is, maar onze voorvaderen wisten zooveel, dat wij nu niet meer begrijpen.”De loods zweeg en keek op naar den stillen man in zijn stoel. Hij zag hem opstaan en naar de railing loopen, waar hij stil bleef turen in den nacht van zilver en zwart. Hoog in de lucht, juist langs de volle maan, stippelden zich enkele kalong’s af, die reusachtige vleermuizen, die ’s avonds met loggen, loomen vleugelslag het oneindige ingaan, met een doel, dat men slechts gissen kan. Nu waren zij misschien op weg naar rijpe boomvruchten ergens op een eiland, dat twintig kilometer uit de kust lag. En ’s morgens zouden zij weer den terugweg aanvaarden, naar de kaal vernielde boomen, waar zij bij honderden hun kolonies hebben. Heen en weer, op en neer, de eeuwen door; als de razende beno en als de dansende vuurvliegjes.Ornament met vleermuis.[47]

V.BENO, DE STUWVLOED

De gouverneur van de Oostkust van Sumatra had ditmaal zijn reis naar de Kampar-rivier zoo geregeld, dat hij den benô zou kunnen zien, den stuwvloed, welke deze rivier ongeschikt maakt voor geregeld bootverkeer.Het woord „stuwvloed” geeft beter dan „vloedgolf” aan, wat men te zeggen heeft. Er is geen beter woord om een denkbeeld te geven van het brok water, dat, op twee of drie achtereenvolgende dagen, telkens bij volle en bij nieuwe maan, door den vloed uit zee wordt opgestuwd, en dat op verschillende punten in dehonderdenmeters breede rivier soms een hoogte heeft van drie meter en meer, waar het met een snelheid van tien tot dertig kilometer per uur de bedding wordt binnen geschoven. Dat ontzaglijke brok water heeft een aaneengesloten front, een kokenden, brullenden muur. Het is, of een nieuwe rivier, van enkele meters hoogeren waterstand, heenschiet over de bestaande, die door de eb is leeg gezogen; en niet geleidelijk, maar inééns, zonder overgang. Een geweldigebandjir, maar in averechtsche richting.Verschillende rivieren ter wereld vertoonen een verschijnsel, dat in meer of mindere mate met den beno overeenkomt. In Nederlandsch-Indië zijn het alleen de Kampar- en de Rokan-rivier, welke beide in de Straat van Malaka uitmonden, waar de beno heerscht. Op de Rokan is hij nimmer zoo hoog en zoo gevaarlijk als op de Kampar; doch[38]men kan zich een begrip vormen van de massa water, welke bij vloed de kilometers-breede monden inschuift, wanneer men bij laag water de hoogte ziet van den „boom”, de steiger van het Chineezen-centrum Bagan Si Api-Api, de tweede visschersplaats ter wereld, aan den Rokan-mond.Er zijn maar enkele Europeanen, die hier dit overweldigend natuurwonder gezien hebben, omdat deze afgelegen streken zeer weinig worden bezocht. Beide rivieren stroomen in haar benedenloop door de lage landen van Sumatra’s oostkust, welke hier niet de belangstelling hebben van het kapitaal; de bodem is niet vruchtbaar genoeg voor den grooten landbouw, en hier en daar strekken zich moerassen uit, ontstaan door overstroomingen of wanneer de machtige rivieren haar bedding verlegden.Er zijn dan ook slechts sporadisch kleine nederzettingen der inheemsche bevolking. De Hindoe’s hebben, misschien tien eeuwen geleden, op enkele hoogere plekken aan de oevers hun rustpunten gebouwd, waarvan nog resten van gebakken steenen zijn overgebleven, maar talrijk zal de bevolking er wel nooit geweest zijn.Voor de beide Sumatra-rivieren zal het ontstaan van den beno samen hangen met de vernauwing van de Straat van Malaka, veroorzaakt door de eilandenreeks ten oosten van midden- en zuid-Sumatra. Of, om het geologisch zuiver te zeggen: die eilanden zijn het overblijfsel van den band, welke Sumatra aan Malaka, aan het vasteland van Azië, heeft verbonden. Toen na den ijstijd het smeltwater aan de polen en in de gletschergebieden vrij kwam, grepen groote veranderingen plaats in den Indonesischen archipel. Eerst namen de Philippijnen afscheid van Borneo, en Bali van Java; daarna werd de band verbroken tusschen Java en Sumatra, en eindelijk maakten Borneo en Sumatra zich van elkaar los. Nu waren alleen Sumatra en Malaka nog aan elkaar verbonden, en ook het lage deel van deze verbinding dompelde ten slotte onder. Zoo ontstond de sleuf tusschen het vasteland van Azië en Sumatra, de wereldstraat van Malaka. Hoe lang het geleden is, dat deze laatste scheiding tot stand kwam, zal wel onbekend blijven. De geoloog zal het niet kunnen aanvaarden, doch op[39]grond van gegevens in 163 A.D. door Ptolemaeus vastgelegd, beschouwd in verband met ethnologische aanwijzingen, is er plaats voor de veronderstelling, dat in het begin van onze jaartelling nog een smalle, lage landengte bestond tusschen Malaka en een gedeelte van Sumatra ten zuiden van de Rokan-monding.Hoe het ook zij, er is hier een drempel in de Straat, het hoogere deel der oude verbinding, welke van invloed moet zijn op de wijze, waarop het bij vloed opkomende water juist de twee breede monden van Kampar en Rokan binnen schuift.Aan deskundigen de beoordeling, ook omtrent de juiste oorzaak van de werking van den beno op de rivieren. Er zijn verschillende theorieën over, maar een wonder blijft het voor een ieder, wien het gegeven is het oogenblik te doorleven, waarop het kokende waterfront bulderend voorbij schuift, verder, steeds verder de breede rivier op.Men had voor den bestuurder dezer gewesten een plek aan den linkeroever uitgezocht, vanwaar hij het schouwspel in de grootste kracht en van nabij zou kunnen zien. Benedenstrooms lag een zacht krommende rivierbocht met iets hoogeren rand, welke bij elken beno werd afgebrokkeld; was deze bocht gepasseerd, dan ging de stuwvloed met groote snelheid een recht rivierstuk op, en hier vertoonde de beno zich op zijn best.Het was midden December, de moesson-regens hadden de rivier rijk gemaakt, en het was springvloed, twee factoren welke een hoogen stuwvloed deden verwachten. In dezen tijd van het jaar ging vrijwel geen dag voorbij zonder regen, daarom hadden rappe handen aan den oever een eenvoudig hutje gemaakt, een afdak van bladeren boven enkele banken van twijgen en takken, waarop de gouverneur, de plaatselijk besturend ambtenaar en eenige hoofden der bevolking zich in afwachting van de komende dingen hadden neergezet. Ook de oude Kampar-loods was met hen. Hij had den vorigen avond het Gouvernements-vaartuig „Diana”, waarmee de gouverneur de reizen in deze streken maakte, veilig ten anker gebracht achter het eiland Ketam, waar de beno nimmer gevaarlijk is; en in den vroegen[40]morgen was het gezelschap in een lichte prauw stroomop geroeid.Het was tien uur. De rivier, welke op deze plek meer dan drie honderd meter breed is, stroomde rustig langs den tien voet hoogen, steilen oeverrand. Het was nog eb, eerst over een uur werd de beno verwacht. Loodkleurig onder den zwaar betrokken hemel strekte het stille watervlak zich uit, dat men, van dit punt uit, kilometers ver naar boven- en naar benedenstrooms kan overzien.„Is dit nu de plek, waar de beno voor de vaart het gevaarlijkst is?” vroeg de gouverneur.„Neen, meneer,” antwoordde de loods, „het gevaarlijkste punt is bij Tandjoeng Poelai. De beno loopt den Kamparmond in van drie kanten, tusschen de zandbanken door, en vormt zich bij Ketam; daar is hij al merkbaar, maar niet gevaarlijk. Dan begint hij te zwellen en wordt al sterker en sneller; en op den drempel bij Poelai is hij het hoogst, wel tien voet en meer; daar spookt hij geweldig; maar ik heb u daar niet gebracht, omdat men daar niet zoo ver naar alle kanten kan zien en omdat er geen veilige plek aan den kant is als hier, waar wij nu zijn; hier komt hij ook wel eens drie meter hoog, maar heel zelden.”„En waar is de „Madjoe” vergaan, en hoe kwam dat?”„Dat gebeurde twaalf jaar geleden bij Tandjoeng Niboeng. Het was een kleine stoomboot, de bemanning wist niets van de kracht en de werking van den beno af en dacht het wel klaar te zullen spelen. Ze ging rechtop staan, sloeg om en liep dadelijk vol zand, alles was in één oogenblik vernield. De „Madjoe” spookt nog wel eens, maar bij Poelau Lawan, en de heele kampoeng loopt dan uit om het te zien.”„En wat ziet men dan?”De loods keek eens langs de rij hoofden en gaf een hunner een teeken om op de vraag te antwoorden.Een oud, waardig man kuchte even, dat is zoo de gewoonte. Met spanning keken alle anderen naar hem. Dit was een man, die veel wist te vertellen.„Niet iedereen kan dat zien, meneer, daar moet men de ilmoe voor hebben, er zijn maar enkelen, wien dat gegeven is; zij zien de „Madjoe”[41]midden in de rivier. Bij Tandjoeng Semajang is ’t heel anders, dat heb ik zelf gezien.”„Wat hebt ge daar gezien?”De oude man kuchte nog eens. „Ja, meneer, ik zal ’t u vertellen, maar ik weet niet, of u ’t gelooft. Wij menschen aan de rivier zien die dingen, en onze voorvaderen hebben ’t ook gezien. Bij Tandjoeng Semajang, dat vroeger Si Bajang-Bajang heette, woonde heel vroeger een vrouw van den stam Singô Bônô. Wij noemen den beno hierbônô, of hij naar den stamnaam genoemd is, weten wij niet, maar men zegt, dat er toen nog geen beno was. Die vrouw had bovenaardsche macht, en dikwijls kwamen menschen in haar huisje aan den rivierkant om raad te vragen als er thuis zieken waren. Toen zij heel oud was geworden en niet goed meer loopen kon, zei ze op ’n dag tegen de menschen, die haar kwamen bezoeken, dat zij alleen wilde zijn om te bidden. Al die menschen hebben toen gezien, dat ’t huisje èn de oude vrouw plotseling verdwenen waren. Bij die plek is nu een kramat, een heilige plek waar men geloften doet. En als de beno op komt zetten, ziet men van daar, op de rivier, maar heel ver en in een mist, een schip met volle zeilen, of een prauw, die geroeid wordt met veel riemen, maar menschen ziet men nooit. Dikwijls zien wij die boot, ikzelf heb het ook gezien. En wij vinden het prettig als iemand de spookboot ziet, dat brengt geluk over de heele streek.”Het was of de rivier te luisteren lag, zoo sloom, al langzamer, bewoog zij zich.„Hoe lang zou dit al geleden zijn?”„Dat weten wij niet; ’t was in den tijd, dat Toek Engok leefde. Die had ook bovenaardsche macht, hij kon elk willekeurig stuk hout gebruiken om er de rivier mee over te drijven, zelfs in den sterksten stroom. Soms bleef hij wel ’n week achter zijn klamboe. Een nieuwsgierige vrouw gluurde eens in de klamboe en zag, dat Toek Engok niet op zijn slaapplaats lag. Toen hij na eenige dagen uit de klamboe kwam, bekende de vrouw wat zij gedaan en gezien had; en nu vertelde de oude man, dat hij met een djin-vrouw getrouwd was en telkens naar haar toe ging. Hij had kinderen bij die vrouw, ook een zoon,[42]die Radja Alam heette, maar niemand heeft ooit die vrouw en de kinderen gezien,”Al donkerder werd de lucht. Alleen ver benedenstrooms streepte een zandbank fel wit in een zonnestraal. In een boom aan den oever had een groote, grauwgroene vliegenvanger een dooden tak uitgekozen als station voor zijn cirkelvluchtjes. Even loerde hij, dan schoot hij weg, hapte met duidelijk hoorbaar snappen van den snavel een argeloos insect beet, en keerde in een sierlijke bocht terug op precies hetzelfde plekje op zijn tak. En telkens weer cirkelde hij rond en steeds weer knapte de vangende snavel; het was al een kwartierlang het eenige geluid geweest buiten het hutje, waar de mannen stil luisterden naar de oude verhalen.Toen het elf uur was, verdween de vliegenvanger; nu was alles stil, de natuur wachtte. Maar een kwartier later joeg een wilde windstoot door het bosch achter het hutje, en even later ratelde een hagelbui op het bladerendakje. Nog scheen de zon op de witte zandbank in de verte, en ze begon nu ook aan den overkant der rivier te schijnen, de looden hemel had zich ontlast en tusschen zware wolken grijsden lichtere vlekken. De rivier bleef donker, maar de wilde wind schoor over het water en bracht er schichtige schuimvlokken.Twintig minuten vóór twaalf brak plotseling de zon breed door, en nu werd, misschien twee kilometer benedenstrooms, een witte streep dwars over de rivier zichtbaar.„Dáár is-ie!” riepen de mannen, „hoort u dat bruisen, meneer?”Nu hij zichtbaar was, hoorde men ook een zacht geruisch over het water komen. De rivier lag nu doodstil, de menschen zwegen. Snel aangroeiend kwam het bruisend geluid de rivier op en breeder werd de streep. Het was, of een raderboot zich de Kampar opwerkte. Nu brak de witte streep op de daareven verlichte zandbank, en duidelijk waren wild klotsende golven te zien, die hier en daar over de bank sprongen, alsof daar groote dieren renden, opsprongen en weer neerploften. Dan stak een sissende waterdam over naar de flauwe bocht, de hooge wal verdween voor een groot deel en doffe, dreunende schoten klonken, groote brokken van den steilen oever ploften in de kokende branding.[43]De zon bescheen nu de rivier helder, en duidelijk was te zien, hoe het waterfront zich opstelde voor het rechte rivierstuk, dat nu vermeesterd moest worden. In één rechte lijn kwam de schuimende, razende dam opzetten, verrassend snel nu, als een donderende artillerie-charge, maar paard aan paard, nek aan nek, één aaneengesloten front; hier en daar steigerden woeste golven, als wilde paarden. In grommend gebrul stortte de twee meter hooge, kokende vloed zich op het doodstille water, aan den oever spoten moddergolven op, enkele boomen werden van den oever meegesleurd.De grond trilde, de huiverende mannen deden onwillekeurig eenige stappen achteruit, en vóór men het goed besefte, stoof het brullend geweld voorbij; de rivier was plotseling twee meter hooger geworden en er kookte een bruin brouwsel, waar stammen en takken en brokken drijfhout draaiden en wentelden en rechtop gingen staan en weer neer smakten, fel bewogen door geweldige kolken, die elkaar bevochten. In één moment was alles voorbij, ziedend, brullend, en de mannen juichten en brulden mee, met koude ruggegraat …„Hebt u de paarden goed gezien, meneer?” vroeg het oude volkshoofd opgewonden.„Bedoelt ge die springende koppen?”„Ja, die noemen wij de paarden. Men zegt, dat er vroeger zeven wilde paarden waren, die den beno de rivier op trokken. Een opperhoofd van den stam Singo Bono, een groot „gagah” man, heeft er één uit geschoten, en toen is de beno vier malen weg gebleven. Hij is zwaar ziek geworden en heeft nimmer meer kunnen loopen; het is niet goed, zulke dingen te doen, wij menschen moeten voorzichtig zijn”…Dien namiddag vertrok de gouverneur per „Diana” naar Médan, en in den laten avond zat hij in een makkelijken rotan-stoel op het bovendekje van het schip, en dacht terug aan het wonderlijk gebeuren van dien dag.De volle maan spiegelde zich in het rimpelloos water van een der zeestraten in de groep der Bengkalis-eilanden, waar de „Diana”[44]zacht door heen gleed. In den inktzwarten rand van het vloedbosch, tusschen den maannacht en het water, tjirpten de krekels. In enkele struiken aan den kant dansten duizende vuurvliegjes en zij maakten van de struiken rijk bekaarste kerstboompjes, maar de vlammetjes waren zwak fosforiseerende lichtjes, één seconde schenen zij en doofden dan alle even lang weer uit, als op commando, onwezenlijk, spookachtig in den zachten nevel van fosforglans.Was het mogelijk, dat die spokendans van insecten gehoorzaamde aan een regelende macht? Vaste wetten heerschten ook hier, ongetwijfeld, even goed als ginds op die nu weer zoo stille, daareven kokende, ziedende rivier.Een zachte kuch klonk op de trap naar het dekje. De oude loods van de Kampar had verlof gekregen mee te gaan naarMédan, daar woonde een getrouwde dochter, hij had zijn jongste kleinkind nog niet gezien. Zwijgend zette hij zich neer, met den rug tegen de railing. Voelde hij, waarom die eenzame man nog niet tot slapen kon komen in den wonderen maannacht? en dat die man—mensch als hij—behoefte had om nog eens met hem te spreken over het saam doorleefde?„Ik ben blij, dat gij ook nog niet slaapt, loods; gij hebt den beno al zoo dikwijls gezien, maar ik had iets dergelijks nog niet meegemaakt. En nog telkens denk ik aan de verhalen, welke gijlieden mij verteld hebt.”„Ja, meneer, ik heb gezien, hoc u naar ons luisterde; dat doet ons goed, wij zijn gehecht aan die overleveringen. Maar niemand heeft u durven vertellen, wat volgens onze voorvaderen de eigenlijke oorsprong moet zijn van den beno. Het is een vreemd verhaal, en onze godsdienst verbiedt ons aan zulke dingen te gelooven. Maar al waren onze voorvaderen nog niet „orang islam”, zij wisten veel. En al schamen velen zich er openlijk aan te gelooven, in ons hart … Ik zal u het verhaal vertellen.„In oude, oude tijden leefde in het midden-stroomgebied van de Kampar een groot opperhoofd, die een beeldschoone dochter had Men zegt, dat zij wonderlijk geschapen was, haar boezem was half[45]vrouwelijk, half als van ’n man. Maar ze was zóó mooi, dat alle mannen gek op haar waren. Zij trok zich daar niets van aan, ze wilde niets van haar aanbidders weten, en dit gaf het opperhoofd veel zorg. Hij was verbaasd te zien, dat het meisje blijkbaar maar één vriend op de wereld had, haar hond. Maar de vader wist niet, dat die hond de man van zijn dochter was; hij wist dit eerst, toen zij hem kwam bekennen, dat zij spoedig moeder zou zijn … en toen zeven kinderen werden geboren, bleken ze allen hondjes te zijn. Doodbeschaamd gooide het opperhoofd alle hondjes in de rivier, om elk spoor van deze vreeselijke schande te doen verdwijnen.Langs de volle maan, stippelden zich enkele kalong’s af.„Maar ziet! de vloed uit zee, die tot aan het land van het groote opperhoofd aan de oevers merkbaar was, begon zich langzamerhand te rimpelen, de rimpels werden kabbelingen, de kabbelingen groeiden tot golfjes, en zóó werd de beweging in het water al sterker en sterker. Eerst was het ruischen, toen grommen en brullen, en eindelijk was de beno volgroeid. En nu zag men hier en daar, midden in den bruisenden dam, zeven koppen, die de leiding hadden. Dit waren de volwassen geworden honden, die hun moeder zochten. En tot nu toe komen zij telkens weer uit zee, waar zij wonen, en ze rijden op den vloed de Kampar op; en zij springen en grommen, en vernielen alles war zij tegen komen. In woeste vaart razen zij voort, schouder aan schouder; maar telkens weer raken zij eindelijk uitgeput, en zij zakken maar weer af naar zee, waar zij wonen, en den volgenden keer en nog eens, en nòg eens, probeeren zij het weer, maar nimmer vinden zij hun moeder.„Zoo moet de beno ontstaan zijn, dat is van geslacht op geslacht[46]op ons overgegaan. Ik weet niet, of het eigenlijk wel mogelijk is, maar onze voorvaderen wisten zooveel, dat wij nu niet meer begrijpen.”De loods zweeg en keek op naar den stillen man in zijn stoel. Hij zag hem opstaan en naar de railing loopen, waar hij stil bleef turen in den nacht van zilver en zwart. Hoog in de lucht, juist langs de volle maan, stippelden zich enkele kalong’s af, die reusachtige vleermuizen, die ’s avonds met loggen, loomen vleugelslag het oneindige ingaan, met een doel, dat men slechts gissen kan. Nu waren zij misschien op weg naar rijpe boomvruchten ergens op een eiland, dat twintig kilometer uit de kust lag. En ’s morgens zouden zij weer den terugweg aanvaarden, naar de kaal vernielde boomen, waar zij bij honderden hun kolonies hebben. Heen en weer, op en neer, de eeuwen door; als de razende beno en als de dansende vuurvliegjes.Ornament met vleermuis.[47]

De gouverneur van de Oostkust van Sumatra had ditmaal zijn reis naar de Kampar-rivier zoo geregeld, dat hij den benô zou kunnen zien, den stuwvloed, welke deze rivier ongeschikt maakt voor geregeld bootverkeer.

Het woord „stuwvloed” geeft beter dan „vloedgolf” aan, wat men te zeggen heeft. Er is geen beter woord om een denkbeeld te geven van het brok water, dat, op twee of drie achtereenvolgende dagen, telkens bij volle en bij nieuwe maan, door den vloed uit zee wordt opgestuwd, en dat op verschillende punten in dehonderdenmeters breede rivier soms een hoogte heeft van drie meter en meer, waar het met een snelheid van tien tot dertig kilometer per uur de bedding wordt binnen geschoven. Dat ontzaglijke brok water heeft een aaneengesloten front, een kokenden, brullenden muur. Het is, of een nieuwe rivier, van enkele meters hoogeren waterstand, heenschiet over de bestaande, die door de eb is leeg gezogen; en niet geleidelijk, maar inééns, zonder overgang. Een geweldigebandjir, maar in averechtsche richting.

Verschillende rivieren ter wereld vertoonen een verschijnsel, dat in meer of mindere mate met den beno overeenkomt. In Nederlandsch-Indië zijn het alleen de Kampar- en de Rokan-rivier, welke beide in de Straat van Malaka uitmonden, waar de beno heerscht. Op de Rokan is hij nimmer zoo hoog en zoo gevaarlijk als op de Kampar; doch[38]men kan zich een begrip vormen van de massa water, welke bij vloed de kilometers-breede monden inschuift, wanneer men bij laag water de hoogte ziet van den „boom”, de steiger van het Chineezen-centrum Bagan Si Api-Api, de tweede visschersplaats ter wereld, aan den Rokan-mond.

Er zijn maar enkele Europeanen, die hier dit overweldigend natuurwonder gezien hebben, omdat deze afgelegen streken zeer weinig worden bezocht. Beide rivieren stroomen in haar benedenloop door de lage landen van Sumatra’s oostkust, welke hier niet de belangstelling hebben van het kapitaal; de bodem is niet vruchtbaar genoeg voor den grooten landbouw, en hier en daar strekken zich moerassen uit, ontstaan door overstroomingen of wanneer de machtige rivieren haar bedding verlegden.

Er zijn dan ook slechts sporadisch kleine nederzettingen der inheemsche bevolking. De Hindoe’s hebben, misschien tien eeuwen geleden, op enkele hoogere plekken aan de oevers hun rustpunten gebouwd, waarvan nog resten van gebakken steenen zijn overgebleven, maar talrijk zal de bevolking er wel nooit geweest zijn.

Voor de beide Sumatra-rivieren zal het ontstaan van den beno samen hangen met de vernauwing van de Straat van Malaka, veroorzaakt door de eilandenreeks ten oosten van midden- en zuid-Sumatra. Of, om het geologisch zuiver te zeggen: die eilanden zijn het overblijfsel van den band, welke Sumatra aan Malaka, aan het vasteland van Azië, heeft verbonden. Toen na den ijstijd het smeltwater aan de polen en in de gletschergebieden vrij kwam, grepen groote veranderingen plaats in den Indonesischen archipel. Eerst namen de Philippijnen afscheid van Borneo, en Bali van Java; daarna werd de band verbroken tusschen Java en Sumatra, en eindelijk maakten Borneo en Sumatra zich van elkaar los. Nu waren alleen Sumatra en Malaka nog aan elkaar verbonden, en ook het lage deel van deze verbinding dompelde ten slotte onder. Zoo ontstond de sleuf tusschen het vasteland van Azië en Sumatra, de wereldstraat van Malaka. Hoe lang het geleden is, dat deze laatste scheiding tot stand kwam, zal wel onbekend blijven. De geoloog zal het niet kunnen aanvaarden, doch op[39]grond van gegevens in 163 A.D. door Ptolemaeus vastgelegd, beschouwd in verband met ethnologische aanwijzingen, is er plaats voor de veronderstelling, dat in het begin van onze jaartelling nog een smalle, lage landengte bestond tusschen Malaka en een gedeelte van Sumatra ten zuiden van de Rokan-monding.

Hoe het ook zij, er is hier een drempel in de Straat, het hoogere deel der oude verbinding, welke van invloed moet zijn op de wijze, waarop het bij vloed opkomende water juist de twee breede monden van Kampar en Rokan binnen schuift.

Aan deskundigen de beoordeling, ook omtrent de juiste oorzaak van de werking van den beno op de rivieren. Er zijn verschillende theorieën over, maar een wonder blijft het voor een ieder, wien het gegeven is het oogenblik te doorleven, waarop het kokende waterfront bulderend voorbij schuift, verder, steeds verder de breede rivier op.

Men had voor den bestuurder dezer gewesten een plek aan den linkeroever uitgezocht, vanwaar hij het schouwspel in de grootste kracht en van nabij zou kunnen zien. Benedenstrooms lag een zacht krommende rivierbocht met iets hoogeren rand, welke bij elken beno werd afgebrokkeld; was deze bocht gepasseerd, dan ging de stuwvloed met groote snelheid een recht rivierstuk op, en hier vertoonde de beno zich op zijn best.

Het was midden December, de moesson-regens hadden de rivier rijk gemaakt, en het was springvloed, twee factoren welke een hoogen stuwvloed deden verwachten. In dezen tijd van het jaar ging vrijwel geen dag voorbij zonder regen, daarom hadden rappe handen aan den oever een eenvoudig hutje gemaakt, een afdak van bladeren boven enkele banken van twijgen en takken, waarop de gouverneur, de plaatselijk besturend ambtenaar en eenige hoofden der bevolking zich in afwachting van de komende dingen hadden neergezet. Ook de oude Kampar-loods was met hen. Hij had den vorigen avond het Gouvernements-vaartuig „Diana”, waarmee de gouverneur de reizen in deze streken maakte, veilig ten anker gebracht achter het eiland Ketam, waar de beno nimmer gevaarlijk is; en in den vroegen[40]morgen was het gezelschap in een lichte prauw stroomop geroeid.

Het was tien uur. De rivier, welke op deze plek meer dan drie honderd meter breed is, stroomde rustig langs den tien voet hoogen, steilen oeverrand. Het was nog eb, eerst over een uur werd de beno verwacht. Loodkleurig onder den zwaar betrokken hemel strekte het stille watervlak zich uit, dat men, van dit punt uit, kilometers ver naar boven- en naar benedenstrooms kan overzien.

„Is dit nu de plek, waar de beno voor de vaart het gevaarlijkst is?” vroeg de gouverneur.

„Neen, meneer,” antwoordde de loods, „het gevaarlijkste punt is bij Tandjoeng Poelai. De beno loopt den Kamparmond in van drie kanten, tusschen de zandbanken door, en vormt zich bij Ketam; daar is hij al merkbaar, maar niet gevaarlijk. Dan begint hij te zwellen en wordt al sterker en sneller; en op den drempel bij Poelai is hij het hoogst, wel tien voet en meer; daar spookt hij geweldig; maar ik heb u daar niet gebracht, omdat men daar niet zoo ver naar alle kanten kan zien en omdat er geen veilige plek aan den kant is als hier, waar wij nu zijn; hier komt hij ook wel eens drie meter hoog, maar heel zelden.”

„En waar is de „Madjoe” vergaan, en hoe kwam dat?”

„Dat gebeurde twaalf jaar geleden bij Tandjoeng Niboeng. Het was een kleine stoomboot, de bemanning wist niets van de kracht en de werking van den beno af en dacht het wel klaar te zullen spelen. Ze ging rechtop staan, sloeg om en liep dadelijk vol zand, alles was in één oogenblik vernield. De „Madjoe” spookt nog wel eens, maar bij Poelau Lawan, en de heele kampoeng loopt dan uit om het te zien.”

„En wat ziet men dan?”

De loods keek eens langs de rij hoofden en gaf een hunner een teeken om op de vraag te antwoorden.

Een oud, waardig man kuchte even, dat is zoo de gewoonte. Met spanning keken alle anderen naar hem. Dit was een man, die veel wist te vertellen.

„Niet iedereen kan dat zien, meneer, daar moet men de ilmoe voor hebben, er zijn maar enkelen, wien dat gegeven is; zij zien de „Madjoe”[41]midden in de rivier. Bij Tandjoeng Semajang is ’t heel anders, dat heb ik zelf gezien.”

„Wat hebt ge daar gezien?”

De oude man kuchte nog eens. „Ja, meneer, ik zal ’t u vertellen, maar ik weet niet, of u ’t gelooft. Wij menschen aan de rivier zien die dingen, en onze voorvaderen hebben ’t ook gezien. Bij Tandjoeng Semajang, dat vroeger Si Bajang-Bajang heette, woonde heel vroeger een vrouw van den stam Singô Bônô. Wij noemen den beno hierbônô, of hij naar den stamnaam genoemd is, weten wij niet, maar men zegt, dat er toen nog geen beno was. Die vrouw had bovenaardsche macht, en dikwijls kwamen menschen in haar huisje aan den rivierkant om raad te vragen als er thuis zieken waren. Toen zij heel oud was geworden en niet goed meer loopen kon, zei ze op ’n dag tegen de menschen, die haar kwamen bezoeken, dat zij alleen wilde zijn om te bidden. Al die menschen hebben toen gezien, dat ’t huisje èn de oude vrouw plotseling verdwenen waren. Bij die plek is nu een kramat, een heilige plek waar men geloften doet. En als de beno op komt zetten, ziet men van daar, op de rivier, maar heel ver en in een mist, een schip met volle zeilen, of een prauw, die geroeid wordt met veel riemen, maar menschen ziet men nooit. Dikwijls zien wij die boot, ikzelf heb het ook gezien. En wij vinden het prettig als iemand de spookboot ziet, dat brengt geluk over de heele streek.”

Het was of de rivier te luisteren lag, zoo sloom, al langzamer, bewoog zij zich.

„Hoe lang zou dit al geleden zijn?”

„Dat weten wij niet; ’t was in den tijd, dat Toek Engok leefde. Die had ook bovenaardsche macht, hij kon elk willekeurig stuk hout gebruiken om er de rivier mee over te drijven, zelfs in den sterksten stroom. Soms bleef hij wel ’n week achter zijn klamboe. Een nieuwsgierige vrouw gluurde eens in de klamboe en zag, dat Toek Engok niet op zijn slaapplaats lag. Toen hij na eenige dagen uit de klamboe kwam, bekende de vrouw wat zij gedaan en gezien had; en nu vertelde de oude man, dat hij met een djin-vrouw getrouwd was en telkens naar haar toe ging. Hij had kinderen bij die vrouw, ook een zoon,[42]die Radja Alam heette, maar niemand heeft ooit die vrouw en de kinderen gezien,”

Al donkerder werd de lucht. Alleen ver benedenstrooms streepte een zandbank fel wit in een zonnestraal. In een boom aan den oever had een groote, grauwgroene vliegenvanger een dooden tak uitgekozen als station voor zijn cirkelvluchtjes. Even loerde hij, dan schoot hij weg, hapte met duidelijk hoorbaar snappen van den snavel een argeloos insect beet, en keerde in een sierlijke bocht terug op precies hetzelfde plekje op zijn tak. En telkens weer cirkelde hij rond en steeds weer knapte de vangende snavel; het was al een kwartierlang het eenige geluid geweest buiten het hutje, waar de mannen stil luisterden naar de oude verhalen.

Toen het elf uur was, verdween de vliegenvanger; nu was alles stil, de natuur wachtte. Maar een kwartier later joeg een wilde windstoot door het bosch achter het hutje, en even later ratelde een hagelbui op het bladerendakje. Nog scheen de zon op de witte zandbank in de verte, en ze begon nu ook aan den overkant der rivier te schijnen, de looden hemel had zich ontlast en tusschen zware wolken grijsden lichtere vlekken. De rivier bleef donker, maar de wilde wind schoor over het water en bracht er schichtige schuimvlokken.

Twintig minuten vóór twaalf brak plotseling de zon breed door, en nu werd, misschien twee kilometer benedenstrooms, een witte streep dwars over de rivier zichtbaar.

„Dáár is-ie!” riepen de mannen, „hoort u dat bruisen, meneer?”

Nu hij zichtbaar was, hoorde men ook een zacht geruisch over het water komen. De rivier lag nu doodstil, de menschen zwegen. Snel aangroeiend kwam het bruisend geluid de rivier op en breeder werd de streep. Het was, of een raderboot zich de Kampar opwerkte. Nu brak de witte streep op de daareven verlichte zandbank, en duidelijk waren wild klotsende golven te zien, die hier en daar over de bank sprongen, alsof daar groote dieren renden, opsprongen en weer neerploften. Dan stak een sissende waterdam over naar de flauwe bocht, de hooge wal verdween voor een groot deel en doffe, dreunende schoten klonken, groote brokken van den steilen oever ploften in de kokende branding.[43]

De zon bescheen nu de rivier helder, en duidelijk was te zien, hoe het waterfront zich opstelde voor het rechte rivierstuk, dat nu vermeesterd moest worden. In één rechte lijn kwam de schuimende, razende dam opzetten, verrassend snel nu, als een donderende artillerie-charge, maar paard aan paard, nek aan nek, één aaneengesloten front; hier en daar steigerden woeste golven, als wilde paarden. In grommend gebrul stortte de twee meter hooge, kokende vloed zich op het doodstille water, aan den oever spoten moddergolven op, enkele boomen werden van den oever meegesleurd.

De grond trilde, de huiverende mannen deden onwillekeurig eenige stappen achteruit, en vóór men het goed besefte, stoof het brullend geweld voorbij; de rivier was plotseling twee meter hooger geworden en er kookte een bruin brouwsel, waar stammen en takken en brokken drijfhout draaiden en wentelden en rechtop gingen staan en weer neer smakten, fel bewogen door geweldige kolken, die elkaar bevochten. In één moment was alles voorbij, ziedend, brullend, en de mannen juichten en brulden mee, met koude ruggegraat …

„Hebt u de paarden goed gezien, meneer?” vroeg het oude volkshoofd opgewonden.

„Bedoelt ge die springende koppen?”

„Ja, die noemen wij de paarden. Men zegt, dat er vroeger zeven wilde paarden waren, die den beno de rivier op trokken. Een opperhoofd van den stam Singo Bono, een groot „gagah” man, heeft er één uit geschoten, en toen is de beno vier malen weg gebleven. Hij is zwaar ziek geworden en heeft nimmer meer kunnen loopen; het is niet goed, zulke dingen te doen, wij menschen moeten voorzichtig zijn”…

Dien namiddag vertrok de gouverneur per „Diana” naar Médan, en in den laten avond zat hij in een makkelijken rotan-stoel op het bovendekje van het schip, en dacht terug aan het wonderlijk gebeuren van dien dag.

De volle maan spiegelde zich in het rimpelloos water van een der zeestraten in de groep der Bengkalis-eilanden, waar de „Diana”[44]zacht door heen gleed. In den inktzwarten rand van het vloedbosch, tusschen den maannacht en het water, tjirpten de krekels. In enkele struiken aan den kant dansten duizende vuurvliegjes en zij maakten van de struiken rijk bekaarste kerstboompjes, maar de vlammetjes waren zwak fosforiseerende lichtjes, één seconde schenen zij en doofden dan alle even lang weer uit, als op commando, onwezenlijk, spookachtig in den zachten nevel van fosforglans.

Was het mogelijk, dat die spokendans van insecten gehoorzaamde aan een regelende macht? Vaste wetten heerschten ook hier, ongetwijfeld, even goed als ginds op die nu weer zoo stille, daareven kokende, ziedende rivier.

Een zachte kuch klonk op de trap naar het dekje. De oude loods van de Kampar had verlof gekregen mee te gaan naarMédan, daar woonde een getrouwde dochter, hij had zijn jongste kleinkind nog niet gezien. Zwijgend zette hij zich neer, met den rug tegen de railing. Voelde hij, waarom die eenzame man nog niet tot slapen kon komen in den wonderen maannacht? en dat die man—mensch als hij—behoefte had om nog eens met hem te spreken over het saam doorleefde?

„Ik ben blij, dat gij ook nog niet slaapt, loods; gij hebt den beno al zoo dikwijls gezien, maar ik had iets dergelijks nog niet meegemaakt. En nog telkens denk ik aan de verhalen, welke gijlieden mij verteld hebt.”

„Ja, meneer, ik heb gezien, hoc u naar ons luisterde; dat doet ons goed, wij zijn gehecht aan die overleveringen. Maar niemand heeft u durven vertellen, wat volgens onze voorvaderen de eigenlijke oorsprong moet zijn van den beno. Het is een vreemd verhaal, en onze godsdienst verbiedt ons aan zulke dingen te gelooven. Maar al waren onze voorvaderen nog niet „orang islam”, zij wisten veel. En al schamen velen zich er openlijk aan te gelooven, in ons hart … Ik zal u het verhaal vertellen.

„In oude, oude tijden leefde in het midden-stroomgebied van de Kampar een groot opperhoofd, die een beeldschoone dochter had Men zegt, dat zij wonderlijk geschapen was, haar boezem was half[45]vrouwelijk, half als van ’n man. Maar ze was zóó mooi, dat alle mannen gek op haar waren. Zij trok zich daar niets van aan, ze wilde niets van haar aanbidders weten, en dit gaf het opperhoofd veel zorg. Hij was verbaasd te zien, dat het meisje blijkbaar maar één vriend op de wereld had, haar hond. Maar de vader wist niet, dat die hond de man van zijn dochter was; hij wist dit eerst, toen zij hem kwam bekennen, dat zij spoedig moeder zou zijn … en toen zeven kinderen werden geboren, bleken ze allen hondjes te zijn. Doodbeschaamd gooide het opperhoofd alle hondjes in de rivier, om elk spoor van deze vreeselijke schande te doen verdwijnen.

Langs de volle maan, stippelden zich enkele kalong’s af.

„Maar ziet! de vloed uit zee, die tot aan het land van het groote opperhoofd aan de oevers merkbaar was, begon zich langzamerhand te rimpelen, de rimpels werden kabbelingen, de kabbelingen groeiden tot golfjes, en zóó werd de beweging in het water al sterker en sterker. Eerst was het ruischen, toen grommen en brullen, en eindelijk was de beno volgroeid. En nu zag men hier en daar, midden in den bruisenden dam, zeven koppen, die de leiding hadden. Dit waren de volwassen geworden honden, die hun moeder zochten. En tot nu toe komen zij telkens weer uit zee, waar zij wonen, en ze rijden op den vloed de Kampar op; en zij springen en grommen, en vernielen alles war zij tegen komen. In woeste vaart razen zij voort, schouder aan schouder; maar telkens weer raken zij eindelijk uitgeput, en zij zakken maar weer af naar zee, waar zij wonen, en den volgenden keer en nog eens, en nòg eens, probeeren zij het weer, maar nimmer vinden zij hun moeder.

„Zoo moet de beno ontstaan zijn, dat is van geslacht op geslacht[46]op ons overgegaan. Ik weet niet, of het eigenlijk wel mogelijk is, maar onze voorvaderen wisten zooveel, dat wij nu niet meer begrijpen.”

De loods zweeg en keek op naar den stillen man in zijn stoel. Hij zag hem opstaan en naar de railing loopen, waar hij stil bleef turen in den nacht van zilver en zwart. Hoog in de lucht, juist langs de volle maan, stippelden zich enkele kalong’s af, die reusachtige vleermuizen, die ’s avonds met loggen, loomen vleugelslag het oneindige ingaan, met een doel, dat men slechts gissen kan. Nu waren zij misschien op weg naar rijpe boomvruchten ergens op een eiland, dat twintig kilometer uit de kust lag. En ’s morgens zouden zij weer den terugweg aanvaarden, naar de kaal vernielde boomen, waar zij bij honderden hun kolonies hebben. Heen en weer, op en neer, de eeuwen door; als de razende beno en als de dansende vuurvliegjes.

Ornament met vleermuis.

[47]


Back to IndexNext