DE STAMBOOM.

[Inhoud]DE STAMBOOM.Niet waar, dat zoudt ge niet gedacht hebben, datJonathaner ook een stamboom op nahoudt?En hoe meent ge wel dat hij er uitziet?Denkt gij misschien aan een groote perkamenten kaart met cirkels en lijnen, waaraan de namen der respectieve leden van de familie zijn opgehangen, die, zich van boven naar beneden uitbreidende, het hartroerende figuur van een omgekeerde peer opleveren?Of verbeeldt gij u mogelijk een enorme schilderij, met wapens bemaald, waarop het aandoenlijk is te zien, hoe het wilde zwijn zich met het hert, en de sperwer zich met de duif verdraagt? Als ware het een voorspel van die gouden eeuw, door de profeten geschilderd:Het Lam zal met den Wolf verkeeren als gespeel:De Luipaard naast het kalf zich vleien in ’t gareel:De Leeuw zal zich op ’t stroo aan ’s Rundiers kreb vergasten:Geen Beer, geen Tijger taalt om ’t Geitjen aan te tasten.Of hebt gij misschien een dik wapenboek voor den geest, waarin al de Edelen achtereenvolgens op een rij staan geschaard, even als in een kabinet van Natuurlijke historie, mannetje en wijfje naast elkander, ieder op zijn plaats en in zijn orde?In elk geval misgeraden!Neen, wanneer gij mij ooit de eer doet van mij een bezoek te brengen, zult gij in een hoek van onzen huishoudkamer een ouderwetschen standaard op drie voeten zien staan, met een schuins staand blad, waarop gij een boek in folio in zwart lederen band met koperen sloten zult zien liggen—daarin zult gij mijn Stamboom vinden.Maar dat is een Bijbel! voert gij mij tegen. Gij zijt er! dat is het ook. Welnu, in dien band, vóór den Bijbel, vindt gij een blad door verschillende handen beschreven: dat zijn mijn familiepapieren!Dat ziet er niet best uit, niet waar? Gij hebt gelijk. Ik ben niets dan een simpeleroturier. Geen heraut heeft ooit een schelling aan mijn geslacht verdiend. Ik moet mij met den troost van alle laaggeborenen behelpen, dat ik inAdam, den algemeenen Stamvader der[90]menschen, van den oudsten adel ter wereld ben. Verder kan ik het niet brengen. Ik zou er mijn hals niet onder durven verwedden, of ik uit Joodsch of Heidensch bloed gesproten ben; of mijn voorvaderen onder het Romeinsche juk zijn doorgegaan of den Romeinschen adelaar gedragen hebben; of zij bij de tornooien tot degenen behoord hebben, die den hals braken, of die halzen zagen breken; of zij sporen droegen, sporen aangespten, of sporen vervaardigden; of de groote Potentaten ze met hun zwaard op de schouders of op den rug sloegen, dat zulk een groot verschil maakt. Kortom, ik weet er niets hoegenaamd van, en, als dit niet uit delex non scriptader natuur volgde, zou ik zelfs niet eens kunnen bewijzen, dat ik ooit verre voorvaders gehad had.Denk evenwel niet, dat mij dit niet spijt. Ik vind het een Cynisme, grooter dan van iemand op deze wereld gevergd wordt, er volstrekt onverschillig voor te wezen, welken naam men draagt. Het is wel zoo, dat men er thans niet veel aan heeft, of uw voorvaderen, op het steken van hun trompet, honderd man in het zadel riepen, daar de naneef toch genoodzaakt is zijn vijf jaren bij de nationale militie uit te dienen, of anders eenremplaçantte geven: en even waar is het, dat een burgerman niets voelt van de groeven, waarmede het juk der Edelen den hals van zijn voorouders geknaagd heeft. Ook is het ontegenzeggelijk dat, sedert ruwe handen de adelijke wapenschilden onder een dik vernis van revolutionnaire kleuren gelegd hebben, de beleedigde verwen niet meer zoo helder en frisch willen worden, als zij voorheen waren. Maar dit toegegeven, zie ik niet, waarom het nog niet altijd begeerlijk zou zijn, de herinnering van vroeger grootheid aan zijn naam te verbinden. Waarlijk, in onze dagen, die zoo plat zijn als ons land, en zoo romanesk als onze duinen, is het nog iets dichterlijks, zich bij zijn wapenbord in tijden van groenende Riddereer en blozende Riddergalanterie te droomen. In onze dagen van gelijkheid, nu alle hoeden uit hetzelfde stuk vilt worden gesneden, is het nog iets, dat den boezem doet zwellen, den glanzenden helmkap aan te zien, die op den naam, dien gij voert, als een kroon van eere drukte! In onze dagen vanindustriëlenwedstrijd encommerciëleworsteling, is het nog iets schoons, bij het openvallen van de bloedige bladen onzer oude historie, op een blinkend blad te kunnen wijzen en zeggen: Deze was mijn grootvader!—En waarom het niet erkend, dat zulke herinneringen meer dan een poëtische speling, dat zij in onze eeuw van nuttigheid, ook nog nuttig kunnen zijn om in hem, bij wien ze opkomen, adelijke gevoelens op te wekken? Of gelooft gij niet, dat de eikenkrans, die den naam derDedelsenFagelsonzer dagen omringt, te fleuriger blinkt, omdat hij gewassen is aan een edelen stam, die honderden jaren telt?Zoo zij het dan verre van mij, als een onzinnige Jacobijn, op de teekenen van verjaarde grootheid te spuwen, en over alle gekroonde helmen de roode muts te willen trekken. Mijn liefde voor antiquiteiten[91]moet u het tegendeel gewaarborgd hebben. Maar dit gaat echter niet zoo ver, dat ik mij mijns deftigen burgerlijken geslachts schamen, of daaraan ergeren zou: dat ik de asch mijner vaderen in het graf nog zou willen beschimpen, omdat zij niet in een familiekelder rust; en dat ik op hun zark niet zou willen neêrknielen, omdat er niet dan hun eenvoudige naam op staat uitgebeiteld.Ik moet mijzelven beter recht doen: ik ben op mijn geslacht zoo trotsch, dat ik het niet met het geslacht van eenigen Baroen op de wereld zou willen ruilen: want mijn stamboom is van de edelste, die men zien kan!Laat ik mij verklaren.Het eerste blad van mijn bijbel is mijn stamboom.Ziedaar het sprekend wapen van mijn geslacht!Mijn voorouderen vormen een rij van vromen. Oud-Hollandsche godvrucht was als erfelijk in hun stam. Zij waren waardige zonen van die vaderen, die de uitdrukking van geloof en vertrouwen op God tot de leus hunner vendelen en den stempel hunner munten maakten. Van dat de eerste, wiens naam voor ons is bewaard gebleven, dezen Bijbel tot een stamregister inwijdde met het opschrift:Soli deo gloria!totdat mijn vader den naam van zijn zoon op dit blad schreef, waren het, met weinig uitzonderingen, enkel braven, die hier geboekt staan. Het scheen of hunne inschrijving op zulk een gewijden stamboom hen, van de geboorte af aan, tot vereering des Bijbels heiligde. Gelijk sommige Edelen door hun adelbrief tot de verdediging van een klooster of gewijd gesticht verplicht werden, zoo was het of zij door deze inlijving tot de handhaving en bescherming van het Hoogwaardige voorbestemd waren, dat hun naam ontving. En was het vreemd, wanneer de moeders, even alsHanna, bij haar gebed om den zegen des huwelijks, de hand op dezen Bijbel legden en beloofden:Soo gy myner gedenckt ende uwer dienstmaeght niet en vergeet, maar gheeft uwer dienstmaeght een mannelick zaet: So sal ik dat den Heere geven alle de daghen syns levens;—was het vreemd, dat de zoon der verhooring door haar in de dienst van Hem werd opgevoed, van wien zij hem ontvangen hadden? Wanneer de vaders, even alsHamilcar, den jeugdigen knaap bij het outer des Heiligen Woords brachten, en hem daarbij den eed van onverzoenlijken haat tegen de vijanden des Hemelschen vaderlands, en van een onuitbluschbare liefde voor dien gezegenden grond op de lippen legden; was het vreemd dat de jongeling, der eeden zijner kindsheid gedachtig, leefde en stierf in het gevoel, dat hem reeds zoo vroeg was ingeboezemd? Of was het misschien, dat de bede des rechtvaardigen, die veel vermag, het licht des Allerhoogsten op het hoofd des kinds deed nederdalen? Ik weet het niet. Genoeg, dat de deugd des vaders met zijn bloed op den zoon overging, en daardoor een stam van edelen gevormd werd, waarop het niet te hoogmoedig is trotsch te zijn.[92]Of wat dunkt u? Zou de hooggeborene alleen recht hebben van op zijn afkomst te roemen? en zou geen stamboom waarde hebben, die niet door den Raad van adel erkend is? Ik kan het niet toegeven. Indien wij onsterfelijke menschen zijn—en dat zijn wij immers, Hoogwelgeboren Heeren?—dan moet het ten minste niet minder groot zijn te kunnen zeggen: ik ben de telg van een vroom geslacht! dan: Ik ben de loot van een adelijken stam! Of hoe? indien het zoo veel zegt, uit een stamvader te zijn afgedaald, die door een aangestelden koning edel verklaard is, zou het dan niets zeggen, tot den adel te behooren, die door den Koning der koningen, den Koning van eeuwigheid tot eeuwigheid, erkend wordt? Indien men het zoo hoog schat den krans op zijn wapen te zien drukken, die een Vorst in het uur der zegepraal daarop geplaatst heeft, zou het dan niets beteekenen, of de kroon eens hoogeren triomfs door zijn geslacht is weggedragen? Is het dan alles, zijn familienaam geboekt te zien op registers, die vergaan kunnen, en niets, te weten, dat de naam, dien men draagt, geen vreemde klank is voor het oor des Engels, die „het boeck des levens des lams” houdt! En wanneer men er zich bij de menschen op laat voorstaan: hebt eerbied voor mij om mijner vaderen wille! zou men het onverschillig achten, dat men zich bij den Allerhoogste op zijn vrome vaderen beroepen kan, en metSalomoalle dingen bidden „om uwes knechts, mijnes Vaders wille?” Voorwaar om dit te beweren, moet men een uil of een ezel in zijn wapen voeren. Of zegt, is er dan niets dan het verledene? is er dan ook geen toekomst? en wat zeggen dan uw vijf-, zes-, zevenhonderd jaren achterwaarts, tegen de even zoo vele millioenen jaren voorwaarts, als er levens en bloeiens aan het geslacht des vromen, boven het geslacht des edelen als zoodanig, zijn toegezegd? O, het is iets schoons: de vrome Edelman! de palm des Hemels boven den lauwer der aarde! de man, die met den voet aan de menschen en met het hoofd aan den Heer raakt! de Edele, die als gelijke de eene hand aan koningen, en de andere aan Engelen reikt! de gelukkige, wiens naam de verloopen eeuwen aan de nimmer eindigende eeuwigheid overleveren! Maar wie tot een stam behoort, bij welken de deugd alleen in de wapenleus woont; die in het ridderlijk kleed een slavenhart omdraagt; die van zijn wapenbord een dekschild van zijn schande maakt; die het kruis des Ridders van de schouderen scheurt om het met de Riddersporen aan flarden te rijten—hem zij gezegd, dat hij behoort tot een stam die zal uitsterven. Wèl mag hij de oudheid van zijn geslacht verheffen, als hij bedenkt, dat het zijn leeftijd in weinig eeuwen zal hebben afgeleefd. O, wanneer alle graven zullen openspringen; marmeren graven en zandgraven; graven met ridderwapens en graven zonder titel; graven met een kroon en graven met een kruis gedekt; hoe vreemd zullen ze opzien, die daaruit verrijzen zullen, nadat de volgende eeuwen des aardrijks er over zijn heen gevloden! Als zoo menige Edele vinden zal, dat detijdzijn wapenschild gebroken, en hetoordelzijn naam van de lijst der Edelen[93]heeft uitgeschrapt; als zoo menige onedele zien zal, dat deeeuwigheidzijn naam bewaard, en devergeldingzijn naam geadeld heeft; als het vonnis des eeuwigen levens of des eeuwigen doods zal worden uitgesproken!Zoo wil ik dan mijn stamboom met geen anderen ruilen. Hij is voor mij, even zoo goed als voor den Edelman, een stem van vermaning om mijn vaderen in hun graf door de navolging hunner deugden te vereeren. En o! hoe luid die stem tot mij spreekt. Wanneer ik dit blad opsla, en mijn oog over al die namen dwaalt, bij de menschen vergeten, maar bekend bij God, dan is het mij of ik mij door een wolk van getuigen omringd zie, die mij opwekken en aanvuren om de loopbane te loopen, die mij is voorgesteld. Welk een achtbare kring van toeschouwers! Nooit streed de kampvechter in het Olympisch worstelperk, waar zich de bloem van Griekenland vereenigde, voor het oog van een edeler schare! En dan dat gezicht van al die leuzen der zege boven hunne namen opgehangen: In den Heer ontslapen—In vrede heengegaan—Tot zijn vaderen verzameld—hoe blinken ze mij in de oogen! O, zoo men het wel eens betreurd heeft, dat de krans der overwinning, die den Christenstrijder bij het bereiken van den eindpaal wordt toegewezen, hem eerst op het hoofd geplaatst wordt, als hij de tente der ruste is binnengegaan, waarvoor het ondoordringbaar gordijn des doods hangt, dan is het toch iets, zoo vele namen te zien, waaraan de hand der achterblijvenden, met volle vertrouwen op de goedertierenheid des „Rechtveerdigen Rechters”, den lauwer der overwinning gehecht heeft. En wanneer dan deze namen, met zulk een hemelsche glorie omschenen, op ons hoofd zijn afgedaald, zou men zich dan niet aangespoord gevoelen om rein te houden, wat men zuiver ontving, en, zoo veel men kan, in zijn deugd, als in een helderen waterspiegel, de ster te weêrkaatsen, waarvan de wedergade aan den hemel blinkt?Van wedergade gesproken, het is een weêrgaloos lastig ding, dat ik zoo verslingerd schijn te wezen op vergelijkingen. Dat komt van die ongeregelde verbeelding! Eens voor altijd vraag ik er hierbij verschooning voor. En als ik een verzoek doen mocht, zou ik wel willen vragen, dat de Recensenten, bij hun aanmerkingen, vooral tegen dit gebrek mogen te veld trekken; want het lijkt wel, dat mijn eigen overtuiging niet bij machte is mij van dit zwak af te brengen. En het is mijn spreuk: die niet hooren wil moet voelen. Ditin parenthesi, zoo als mijn Rector placht te zeggen.Zie hem daar liggen, mijn ouden, deftigen Staten-Bijbel! O, ik zie hem zoo gaarne in dit kleed! Dat folio-formaat, die zware donkere omslag, die groote koperen sloten, hebben voor mijn gevoel iets eigenaardigs. Ik vind het zoo goed, dat men het den Bijbel terstond kan aanzien, dat het geen gewoon boek is. Gij gevoelt dus, datik met al die miniatuur-uitgaafjes niet veel op heb. Ik moet bekennen, aardig zijn ze, hondjes van Bijbeltjes, gelijk ik wel eens heb hooren zeggen,[94]en gemakkelijk ook. Ik heb Engelschediamond editionsgezien, waarvan men er vijftig te gelijk in den rokzak kon steken. Maar toch willen ze mij niet recht bevallen. Ik weet wel, Mejufvrouw! het doet er niets toe, of UEd. met een 8° of 32° naar de kerk gaat, als uw mooie oogen de letters maar lezen kunnen. En als UEd. iets van den zang verstaat, komt het er niet op aan, al zijn in uw klein gezangboekje bij de meeste coupletten de muzieknoten weggelaten. Maar toch, er is voor mijn gevoel in die dwergjes van Bijbels iets ergerlijks. Het is voor mij—vergeef mij—of men den Bijbel wil wegsteken. Zie, ik vind er iets eerwaardigs in, als ik op den dag des Heeren een Dame van den ouderwetschen stempel naar Gods huis zie opgaan met een grooten Bijbel met sloten in de hand, die zij, even als een soldaat zijn geweer, fier tegen den linker boezem draagt. Men ziet het haar ten minste aan, dat zij naar Gods huis gaat, en eerbied genoeg heeft voor Zijn woord om het openlijk ten toon te dragen. Maar UEd. drentelt daarheen, zonder dat men merken kan of UEd. gaat bidden of rijden. En als UEd. uit de kerk een visite bij uw vriendinAngeliquegaat maken, moet uw Bijbeltje al juist te gelijk met uwflaconuit uw zakdoek vallen, of niemand zou weten, dat UEd. den zondag gevierd had. Nog eens; ik weet wel, dat men den schat des Evangelies zoo wel in een schildpadden, als in een bordpapieren vat kan bewaren; ik weet wel, dat hetOnze Vader, met calligraphische kunst op den omtrek van een stuivertje geschreven, even zoo wel hetallervolmaaktstegebed is als het onze Vader in de Groote kerk, met vingerlange Gothische letters, op het houten schild tegenover uw bank geschilderd. Maar toch, zoo lang ik niet zie, dat UEd. uwmantilleover deagrafehaalt, die uwcolliersluit, of uw versierde vingers in onopengewerkte handschoenen verbergt, zal ik er tegen blijven morren, dat gij u met een Bijbeltje behelpt, dat uw naaste buurvrouw nauwelijks zien kan.Ja, ware het, dat men er zulke kleine Bijbeltjes op nahield, om er eenvademecumvan te maken en ze overal bij de hand te hebben; ware het, dat men nu ook den inhoud niet alleen gemakkelijker in de hand, maar ook beter in het hoofd hield dan onze vaderen; dan mocht ik er vrede meê hebben. Maar wees oprecht en antwoord: is het wel zoo? is het niet veeleer waar, dat het schijnt als of met den Bijbel ook de hersens gekrompen zijn? Want zie, al was hun Bijbel nog zoo groot en omslachtig, onze voorouders schenen er niet tegen op te zien hem in het hoofd te brengen; zoodat velen hunner in een hooger zin dan de oude wijsgeer zeggen konden:Omnia mea mecum porto. Maar bij vele onzer tegenwoordige jonge menschen, al kunnen zij hun Bijbel omtrent wegblazen, er schijnt maar geen aanleeren aan te zijn. Hoor den Dominé den tekst eens aflezen, en let dan eens op, hoeveel dametjes in dat kleine, kleine boekje niet eens den weg weten, maar in die korte paadjes nog verdwalen. O, ik heb wel eens gevreesd dat dieBibliolahet symbolum van een leelijk ding waren: van een soort van miniatuur-godsdienst, naar de mode dezer dagen verknipt en versneden, die men overal met zich[95]kan nemen, zonder dat zij ooit hindert; ja, waarvan men niets merken zou, als zij niet tusschen beide, bij het een of ander ongelukje, uit haar schuilhoek te voorschijn kwam. Maar foei, ik wil mij liever gewennen, tegen zulke zwaarmoedige gedachten op mijn hoede te wezen; ik geloof dat zij Hem, wiens zaak ik er door meen voor te staan, meer oneer, dan eere aandoen. Indedaad! als ik maar alleen aan de dagen terug denk, toen slechts weinige vergankelijke bladen de woorden des eeuwigens levens bewaarden.—broze planken met den schat der wereld bezwaard!—dan vind ik mijzelven kleinhartig en ondankbaar, dat ik, om de uitwendige inkorting van het wetboek, terstond aan een inperking van het rijk denk, door van kleine bijbels tot kleine Christenen, en van kleine Christenen tot een klein Christendom te besluiten!Zie mij daar mooi van den tekst afgedwaald. Nu, ik sta ook op geen katheder, en heb mijn verdeeling niet van te voren opgegeven. Als het waar is, watBilderdijkzegt, dat in elken schrijfstijl de overgangen het moeielijkst zijn, ik zal zoo vrij zijn over die moeilijkheden heen te springen, door geen overgang in het geheel te maken.Om dan weêr tot mijn register terug te keeren; hoeveel en velerlei gewaarwordingen rijzen er bij mij op, als ik het aanzie. Ziedaar de geschiedenis van geheele geslachten in een klein bestek saamgevat. Wat er buiten dat met hen gebeurde, is nauwlijks der vermelding waardig. Hier vind ik de aanteekening van hun intrede in de wereld, van de vader- en moedervreugde door hen gesmaakt, van de vader- en moedersmart door hen geleden, en van de wijze huns ontslapens. Alles saamgenomen, niet veel meer dan het bericht des ouden Geschiedschrijvers:Henochdan wandelde met Godt, en Godt nam hem wech.Maar waarom meer? Voor hen, op wie naderhand deze Bijbel zou overgaan, was dit weinige genoeg. Want dit alleen was van voortdurend belang; het overige rust met hun stof onder hunne zerken.Op welk een waardige wijze heeft mijn Oudvader dit register ingewijd en geopend!Solo deo gloriastaat met groote letters bovenaan. Daaronder vindt gij de woorden vanJosua:Aengaende my en de myn huys, wy sullen den Heere dienen.Vervolgens zijn naam.Aengaende my ende myn huys, wy sullen den Heere dienen.Welk een plechtige verbintenis voor hem en de zijnen! Zeker stelde hij zich daarbij zijn nakomelingschap voor den geest, in wiens handen deze Bijbel komen zou. Zij zouden het daar lezen, wat hun Stamvader voor hen aan den Heer had toegezegd. Aan hen was het nakomen dier verbintenis opgedragen. Zij moesten nu weten, of zij dezen altaar der getuigenis wilden omwerpen, of daarop den eed huns vaders herhalen! Zij moesten het weten, of zij de assche des mans door hun afval in zijn graf ontrusten, of door hun getrouwheid daarop een eerzuil stichten wilden. Hij had het zijne gedaan. Hij liet het overige aan hun verantwoording over. O, wie weet, hoe menigeen, die de handen reeds tot het kwade had uitgestrekt, ze gebonden heeft gevoeld door die gelofte:Aengaende my ende myn huys, wy zullen den Heere dienen?[96]Hoe het zij, niet alleen het onderschrift bij den naam des mans geplaatst: in den Heere ontslapen; maar zoo vele andere soortgelijke onderschriften, bij de namen zijner afstammelingen gevoegd, bewijzen dat dit woord niet ter aarde gevallen is. En de vrome man kan met vroolijk vertrouwen met zijn talrijke nakomelingschap, zich voor het aangezicht desAllerhoogstenscharen en op hen wijzen: Aangaande mij en mijn huis, wij hebben gezocht u te dienen!Maar al klinken die getuigenissen nog zoo vriendelijk en uitlokkend: In vrede heen gegaan—Zalig verscheiden—In hope ontslapen; het is toch ook aandoenlijk te bedenken, hoe veel smart er in deze woorden ligt opgesloten. O, hoe menige traan zal daarop gevallen zijn! Mijn oude Bijbel! Indien alle Bijbels veel smarte zien, en de vertrouwden van veel lijden zijn, gij vooral zijt de getuige van veel rouw geweest. Hoe menig verscheurd vaderhart zal, over u heengebogen, zijn jammer hebben uitgekreten, terwijl de hand het woord des doods onder den naam van een geliefd kind schreef! hoe menige bedroefde wees zal de pen aan de vingers hebben voelen ontvallen, die op dit blad het bitterste oogenblik zijns levens aanteekenden! hoe menig treurende echtgenoot zal als met zijn hartebloed die wreede letteren geschreven hebben, waarmede hij hier de grootste ramp zijns levens boekte! O, gij zijt als een geliefd grafteeken, lauw van zuchten, en nat van tranen!Treffend is het te zien, hoe verschillend zich de smart hier heeft uitgedrukt; want de meesten hebben bij hunne eenvoudige berichten uit hun leven een enkel woord uit hun hart gevoegd. Bij het eene lees ik kalme berusting:De Heere heeft gegeven, ende de Heere heeft genomen, de naem des Heeren zij gelooft.Bij den anderen meer dan berusting, dankbare goedkeuring van Gods beschikking:Nu laat gij, Heere, uwen dienstknecht gaen in vrede, na uw woort. Bij sommigen weder diepe droefheid: Ick zal rouwbedryvende tot mynen sone in ’t graf nederdalen. Bij anderen eindelijk hartstochtelijke smart: Och dat ick, ick, voor u ghestorven ware,Absalon, myn sone, myn sone!Maar o, hoe hartverheffend daarbij te bedenken: voor die allen heeft deze Bijbel troost gehad. Dat vertrouwen van hun smart aan zijn bladen, het was als het vluchten van een kind tot zijn moeder, om in haar boezem zijn leed uit te storten. Neen, die Bijbel nam die wreede letters niet aan, even als de grafsteen, waarop het harde en kille woord dood nog harder en kouder schijnt; maar hij nam ze in zijn weeke borst op, om ze met zachte en warme woorden van troost te beantwoorden. Niemand ging ledig van hier; voor iedereen had hij een bemoediging naar zijn behoefte; voor den eenen viel dit, voor den anderen dat zijner bladen open, maar voor ieder juist hetgeen hem meest noodig was.Het was of een Engel naast hen stond en de bladen opsloeg! O! als ik dat bedenk, valt mijn oog met onuitsprekelijke liefde op u, Hemelsch woord der vertroosting! Nu, dan wil ik u ook als zoodanig in eere houden. En, ontvang mijn gelofte! als er kwade dagen komen, gij zult de eerste zijn, tot wien ik mijne toevlucht neem.[97]Ik zal tot u komen en u toeroepen: Gij hebt den vader vertroost: vertroost ook den zoon!Maar als met zoo veel roode letters onder de zwarte, hoe vele vroolijke berichten staan hier niet opgeteekend! Ik kan ze nauwelijks tellen! hoeveel zalige huwelijksvereenigingen! hoe veel van God afgebeden kinderen! hoe veel vroolijke en heugelijke feestdagen!Zalige huwelijksvereenigingen! O, mij dunkt, ik zie den bruidegom, zooals hij uit het heiligdom des Heeren weêrgekeerd, zijn blozende bruid terstond naar dezen Bijbel voert, om haar in het familieregister op te teekenen. Ik zie ze daar beide staan met die wolk van ernst, half als een weggeslagen sluier over het blosje der vreugde gespreid; met dat drijvende oog, beurtelings opgeheven en op elkander geslagen; met die mengeling van vroolijkheid en weemoed in hun geheele houding. Met vingers tintelende van ongeduld schrijft de gelukkige man hun beider namen naast elkander, onder de namen zijner ouderen. Zie, men kan het de letters nog aanzien, hoe zijn hand daarbij gebeefd heeft! straks werpt hij de pen van zich, en slaat zijn armen om de geliefde vrouw, die hij alsnu plechtig onder de bescherming van zijn huisgoden heeft geplaatst. En nu, nu zie ik ze beide de kniën bij den Bijbel nederbuigen, en zich daar voornemen:Niet waar? Wy zullen op ons padGedurig samen nederknielen,En brengen ’t offer onzer zielen,Wien onze kindschheid vroeg aanbad;Wij zullen samen, alle dagen,Dat boek ontsluiten van den Heer,Ons laven aan zijn liefdeleer,En om zijn Hemelsch manna vragen.Wy zullen, Dierbaarste! iedre smart,Die bittre tranen vergt of zuchten,Bij ’s Heeren troostrijk woord ontvluchten;En, met den Bijbel aan ons hart,Ten laatste ook den Dood niet duchten,Wiens prikkel weggenomen werd.Dat was toch treffender en stichtelijker, dunkt mij, dan de gewoonte van heden om zoo spoedig mogelijk met den ontvangen huwelijkszegen op den loop te gaan. Foei, ik kan mij met die leelijke mode nog maar niet verzoenen. Nauwelijks zijn de handen van het bruidspaar ineen gelegd, of de reiskoets eischt ze op. Ter nauwernood wordt aan de bruid de tijd gelaten om, aan de voeten van haar ouders gezonken, hun zegen over haar hoofd af te smeeken. O, hoe wordt de arme het vertrek uit het ouderlijk huis verzwaard. Zij mag van zooveel dierbare herinneringen niet eens plechtig afscheid nemen. Zij heeft nog zooveel geliefde plekjes te begroeten, nog zooveel geliefde voorwerpen vaarwel te zeggen.… Mevrouw, het rijtuig wacht!—Zij heeft behoefte, nog eens bij haar maagdelijk leger, waarvoor ze zoo[98]dikwijls nederknielde, de kniën te buigen om haar lot aan den Leidsman harer kindsheid aan te bevelen.… Zijt gij gereed?—Zij moet een lieven broeder, een trouwe zuster verlaten, en heeft hun nog zooveel te zeggen.… Komt gij haast?—Daar in de verte staan hare speelnooten, de vriendinnen harer jeugd, die zij nog geen enkel woord heeft kunnen toespreken.… Kom dan toch!—Alles achter haar, alles rondom haar roept haar toe: Blijf! Maar de stem haars bruidegoms, nu haar meester, gebiedt haar: Ga! en zij brengt de liefde des kinds aan de liefde der bruid ten offer! een voorteeken van de bestemming die haar wacht. O, ik weet het, zij doet het, zij doet het gaarne; zij heeft den man, die haar opeischt, lief, liever dan de betrekkingen, die haar willen terughouden. Het is voor haar niet alleeneenplicht, het is voor haar een geluk, wat haar is opgelegd: vader en moeder te verlaten om alleen haren man aan te hangen; zij is er ook verre af zijn recht te betwisten. Maar ik vraag alleen voor haar: is het vriendelijk, dat recht terstond zoo hardte doengelden?En al ware het, Mijnheer! dat uw bruid uw verkiezing deelde, ik blijf zeggen, dat het een ongelukkige gewoonte is!Een kat, die een stuk vleesch van tafel gestolen heeft, en met haar buit in den bek over de daken vliegt, tot zij een veilig hoekje vindt, waar zij in vrede haar roof genieten kan: ziedaar, met uw verlof, het bevallige beeld van den hedendaagschen bruidegom. Vroeger schaakten de minnaars hun liefje vóór het huwelijk; het heeft er veel van, of zij ze nu na het huwelijk schaken. Niemand die de jonggetrouwden, hals over kop, als twee gekoppelde doggen, zonder stilstaan of omzien, den huwelijksweg ziet ophollen, zou, naar ’t uiterlijk te oordeelen, kunnen gelooven, dat hun verbindtenis waarlijk „met goedkeuring van wederzijdsche ouders” gesloten is. Is het wonder dat de liefde van menig echtpaar het zoo kort uithoudt, daar zij begint met zich buiten adem te loopen? In waarheid, men doet veeleer, of het huwelijksgeluk een schat is, door den Draak van denDrachenfelzof den Berggeest van hetZevengebergtebewaakt, uit wiens klauwen men het moet gaan halen, dan of het een gouden kleinood ware, dat, even als in de kindersprookjes, in den grond onder den huiselijken haard verborgen ligt, en door den ooievaar, die op het dak nestelt, bewaard wordt. O, ik weet wel, dat de eerste oogenblikken, waarin twee gelieven elkander voor het eerst geheel de hunne noemen, altijd overgelukkig zijn. Maar gij zult mij toch vergunnen het er voor te houden, dat er voor dat geluk een beter tooneel is, dan een reiskales op den straatweg. „Zoo zijt gij dan geheel de mijne! Ik ken geen grenzen voor mijn geluk!”—„Een tolhek, Mijnheer!”—„Ik gevoel mijzelven niet! Ik weet niet waar ik ben!”—„Halfweg! hier krijgen de paarden water.”—„Een hemel van … hots hots—(hier is het gelukkige paar op een opgebroken straatweg,) van zaligheid … hots-hots … druk ik in u … hots-hots … aan mijn … hots-hots … hart!” Was het dan niet beter, stilletjes te huis te[99]blijven, en daar, in de vredige schaduw der ouderlijke liefde en onder het stralend licht der ouderlijke vreugde, de eerstelingen van een geluk te genieten, dat, zoo het een waarachtig geluk zijn zal, een stil geluk zal moeten wezen?En al ware de huwelijksreize van de zijde van het jonge paar goed te maken, van den kant der nablijvende betrekkingen zal er zich altijd een stem tegen blijven verheffen. Waarlijk, de jonggehuwden vergrijpen zich hoogelijk aan den zoeten plicht van anderen in zijn vreugde te laten deelen. Begrijpen zij dan niet, hoe zalig het voor hun vader zou geweest zijn, hun verliefde dronkenschap te bespieden? welk een verrukking hun moeder in den aanblik hunner wederzijdsche teederheid zou geschept hebben? Weten ze dan niet, welk een aangenaam, vroolijk hartverheffend schouwspel voor ieder goed hart het gezicht van een gelukkig bruidspaar is? Waarlijk, wat zij ons nu ontnemen, kunnen zij ons nimmer teruggeven. Het huwelijksheil moge verder ongestoord blijven ja zelfs toenemen, het vertoont zich nooit meer zoo zichtbaar en liefelijk naar buiten! het is het openspringen van den knop des genots, waarvan zij ons het gezicht ontrooven. Zie, hoe treurig wij achterblijven. De laatste kus is gegeven, de laatste handdruk gewisseld, het laatste vaarwel toegeroepen, de wuivende zakdoek verdwenen, het geluid van het hen wegvoerende rijtuig gestorven.… wij keeren naar binnen terug. Hoe treurig is het daar! Zijn dat zoete vreugdetranen, feestvierende moeder, die u langs de wangen biggelen? Neen! die tranen zijn bitter: er is smart in, de diepste smart, die des afscheids.—Is dat een blijde glimlach, jubelende vader, die u om de lippen speelt? Neen! het is een pijnlijke lach: er is droefheid in, de droefheid des vaarwels.—En wij allen—wat staan wij vreemd en stijf tegenover elkander! Overal missen wij de bruid. Sedert zij vertrokken is, is alles van aanzien veranderd. Het groen langs de wanden schreeuwt nu tegen ons aan; de bloemen, langs den grond voor het bruidspaar uitgestrooid, springen ons voor het hoofd. Eindelijk komt men tot zitten. Het is nu toch een feest; men moet het vieren. Nu ja, men viert het ook. Men schikt zich rondom de tafel: men eet, men drinkt, men praat, men lacht. Maar er blijft toch iets schrikkelijk ledigs over. Bij iederen feestdronk volgen honderd zuchten de geliefde vluchtelingen. Men staat eigenlijk in den geest veel meer achter op den reiswagen, dan men achter de tafel zit. Ieder oogenblik breekt er een het gesprek af: Nu zijn ze reeds hier!—Nu zijn ze daar!—Nu zullen zij er haast wezen!—Nu zijn zij er!—Foei, het is een treurig vieren van het blijdste feest ter wereld!—Jonge menschen! ik wensch u in uw huwelijk zooveel vreugde als ooit door een echtpaar gesmaakt is. Maar ik zeg, dat het kwalijk van u gedaan is, uw vreugde te beginnen met de onze te bederven!Doch ik wil mij niet boos maken. Daarom wend ik het oog liever naar de Geboorteberichten, waarvan ik zoo menige blijde aankondiging voor mij heb.[100]Vader- en moedervreugde! hoe dikwijls spraakt gij uw blijdschap in de woorden uit, die ze hier vereeuwigen? Wie zou al het geluk kunnen beseffen, dat daarin is uitgedrukt? Zoo iemand, zeker alleen een vader of moeder zelve,Jonathanniet. Maar toch heb ik gevoel voor het gevoel, dat ik niet ken, en, indien gij het mij wilt toestaan, vaders en moeders! ik deel sympathetisch in uw geluk. Neen, ik weet niet wat het is: zijn aanzijn verdubbeld te zien, in zijn evenbeeld te herleven, zijn hart als in een anderen boezem te voelen kloppen, en zijn bloed in eens anders polsen jagen; ja, een schaduw te ontwaren van het genot des Volzaligen, die genoemd wordt:Alvader!Maar ik kan toch bevroeden, wat het is, een lief, onnoozel schepsel te hebben, waaraan men met het geheele hart hangt; dat u met de zoetste namen noemt; dat aan uw boezem spelende, daarvan alle zorgen verjaagt, zooals het u dwingt alles van uw schoot te zetten; dat uw eenzaamheid vervult en uw huis vervroolijkt; dat aan uw verouderend hart een jonge liefde, en aan uw stervende eerzucht een nieuw doel geeft; dat u schemerend doet gevoelen, waarom het de naam van hetzelfde wezen is:Volzalige, zaligmaker!Zoo zijn het dan voor mij geen doode letters, waarin ik de uitstorting des vaderlijken gevoels in de ure des vaderzegens leze. En wie zou ook koel kunnen blijven bij de gedachte aan zoo vele gelukkigen, als dit blad met blijde vadertranen doorweekt hebben? Of spreekt niet de stemme huns gejuichs nog in de vroolijke uitboezemingen der dankbaarheid aan God, op dit papier uitgestort? Hier is het een vader, die zijn zoonGodgeschenknoemt, want, voegt hij er bij, ik heb hem van den Heer gekregen.—Daar is het een ander die terstond van zijn dierbaar recht gebruik maakt, om voor zijn kind te bidden: Och datIsmaelmochte leven voor uw aangesichte!—Ginds is het weder een ander, die, in de vreugde zijns harten, van zijn vreugde een altaar der getuigenis maakt om in de volgende donkere dagen ter bemoediging aan te zien.—Ja, ik vond er trekken in, die een verhevenheid ademen, welke het hart roert en opheft. Neem eens den zonderlingen, maar stouten inval van den vader, die met een hard trillende van aandoening schrijft:Dankbaar erken ik heden van God ter leen ontvangen te hebben mijn lieven zoonJohannes, mij bereid erkennende hem op elken oogenblik weder af te staan.Met het terstond daarop volgende:Hier ben ick!vanAbraham.—Neem eens de berusting eens beroofden echtgenoots, die zijn kind duur heeft moeten koopen,—al te duur, zegtBorger,—en den Zoon der smarte,Ben-Oni, met den AartsvaderBen-Jaminnoemt: Zoon der rechterhand, want hij zal mij sterken.—Neem eens dien trek, die den wijsgeer schetst, en toch ook den bekommerden vader niet verloochent, dien ge bij mijn naam vindt:Beter is de dagh des doods, dan de dagh dat yemand geboren wordt.—O, het zijn slechts korte woorden, die ge hier aantreft, maar woorden vol zin en[101]beteekenis, die een geheel karakter, een geheel leven schetsen. En indien het waar is wat men zegt, dat er sommige oogenblikken in het menschelijk leven zijn, waaruit men den mensch geheel kan leeren kennen, dan zijn die korte opschriften uit de gewichtigste uren des levens even als zoovele familieportretten van de verschillende leden des geslachts, schoon in die verscheidenheid allen denzelfden familietrek bewarende, en dezelfde leus voerende:Soli deo gloria.En weet ge wat mede het voorrecht van zulk een Stamboom is? De naamgeving krijgt er eenige beduidenis door. Ik moet er toch voor uitkomen, dat het mij aan het hart gaat, dat zulk een treffend gebruik tot zulk een nietige ceremonie geworden is. Indedaad, dat deden de Hebreeuwen beter. Zij gaven hunnen kinderen een naam naar de hope, die zij van hen koesterden, naar de deugd, tot wier beoefening zij ze bovenal verplichten wilden. Zoo was het metPetrus:Ghy zytSimon, ghy sult genaemt wordenCephas!—Vergat gij het,Simon, in den nacht, toen de Rots der gemeente voor het vuur der verzoeking versmolt? Dan dacht gij er toch aan, toen gij, van uwen val opgestaan, het houten kruis uw arduinen moed ten grondslag gaaft!—Gewis bij hen was de naam hun gegevenEen stem der leeringe, en een woordVan wijsheid, op hun pad gehoord,En nooit verachtloosd of vergeten;Een andere inspraak van ’t geweten,Een licht dat voor hun voeten gloort.Bij ons! ik mag er niet aan denken. Wie denkt er aan, vader of peter, wanneer hij zijn naam op den jonggeborene overdraagt, wat die naam beteekent? En toch hebben de meeste van onze namen zulke schoone beteekenissen! te schooner, wanneer zij tevens door geliefde Heiligen gevoerd zijn! Verbeeld u eens, dat men alleJohannessenden plicht inscherpte om het zacht en beminnelijk beeld des Apostels te dragen, wiens naam ze voeren. Verbeeldt u, dat men alleMaria’sdien stillen, vromen geest zocht in te boezemen, dien men onwillekeurig aan dien naam verbindt. Mijn lieve moeder althans heeft mij wel degelijk bij mijnJonathans-naam eenJonathans-hart zoeken te geven; en indien het haar niet beter gelukt is, wijt de schuld alleen aan mijn wederstrevigheid. Maar het is zoo, dan moesten ook die nare en leelijke verminkingen en verkortingen uit den weg. Foei, hoe ik er mij aan ergeren kan! Gij lacht, als uw knecht den een of anderen vreemden naam mishandelt, en gij zelf, gij misvormtden schoonenzinrijkennaam van uw eigen kind tot een leêgen, dooden klank. Waar zijt gij, onzeAbrahamsenRebecca’s, onzeJohannessenenMagdalena’s, onzePetrussenenMaria’s? Ik herken u niet in onzeBrammetjesenPietjes,JantjesenMietjes.Pour que ton nom sonnât plus doux dans la maison,D’un nom mélodieux nous l’avions baptisée.[102]In ernst, ik zou er boos om kunnen worden; en met Tollens willen uitvaren:Neen, dien achtbren naam mij nooitTot een beuzelklank verplooid!Immers ontneemt gij aan uw namen alle kracht. O, Met welk een nadruk kon mijn moeder mij toeroepen:Jonathan! Jonathan!—er lag een diepe zin van waarschuwing in dien uitroep. Maar als ik mij nu verbeeld, dat zij mij vermaand hadde:Joontje! Joontje!ofTannetje! Tannetje!zeker ik geloof niet, dat die stem mij tot nu toe zou zijn bijgebleven. Maar niet aldus in mijn geslacht. Menige uitdrukking op mijn register toont, dat men er nog iets bij dacht, als men een kind bij den Christelijken doop zijn Christelijken naam gaf.Mijn eerwaardige Stamboom? Zeker hadt gij verdiend langer in het geslacht te blijven, welks naam gij voert, dan nu, helaas! het geval zal zijn. Gij hadt nog met menigen telg uit onzen stam kunnen vermeerderd worden. Maar het zal zoo niet wezen. De man, die voor u staat is de laatste van zijn naam. In en met hem zult ook gij uitsterven. Zeg mij, zijn er bitterder tranen, dan dit gevoel mij op uwe bladen doet vergieten? ik geloof het niet. Anders zijn er al zeer bittere tranen. Bereid u dus tot een spoedige rust. Nog één naam—gij zult nooit een koeler hand op uw bladen gevoeld hebben—en alles is voorbij!—Mijn erfgenaam heeft niets dan den dag van mijn overlijden in te vullen. Mijn grafschrift heb ik zelve reeds bij mijn naam gevoegd:Beter de dagh des doodts, dan de dagh dat yemand geboren wordt![103][Inhoud]HET PORTRET.Ja, ik ben ook geportretteerd.Wees evenwel niet te haastig, met dadelijk aan een prachtig schilderstuk vanHodgesofKrusemante denken. Van waar zou mij zulk een aanmatiging komen? Immers, wat heeft de schoone kunst met mijn onbeduidende figuur uitstaande? Ik sta er voor in, dat het op de wereld nooit aan stalen van mijn soort ontbreken zal. Ik gevoel mij dus volstrekt niet aan de nakomelingschap verplicht, haar een afbeelding van mijn wezen na te laten. Hierbij komt, dat ik te veel eerbied voor de kunst heb, om mij haar ten voorwerp op te dringen. Als ik mijn hoofd ginds even buiten ’t raam steek en den hemel en de aarde aanzie, zie ik wel duizend voorwerpen, die schilderachtiger zijn dan ik. Waarom zou ik, horzel in Gods bloemengaarde, dan niet even als zij willen voorbij gaan, zonder in beeltenis te blijven bestaan? Integendeel gaat mijn nederige schroom hierin zoo ver, dat ik, als ik ’s zomers buiten wandel, er bijna een gewetenszaak van maak, te dicht bij het spiegelend water te komen, omdat het mij aan het hart gaat, als ik het op eens, in plaats van Gods blauwen hemel en zijn lieve boomen, mijn lange magere gestalte zie terugkaatsen. En al was ik mooier, of had ik ten minste zulk een voorkomen als de liefhebbers van de schilderkunst,per euphemismum, een veelbeduidenden kop noemen, eilieve! voor wien op de wereld zou ik mij laten uitschilderen? Voor de kunstkenners misschien, om na vijfentwintig jaren op den catalogus van hun kabinet voor te komen onder de vereerende rubriek:No.98. Een mansportret door **** en dan de naam van den bekenden schilder des onbekenden.Of wel om, indien ik mij door een kladder liet afbeelden, nog eensin effigieop een boelhuis te worden geveild:No. 25. Een manspersoon.—Één gulden en vijftig cents.—Niemand?—Nu, voeg er dan deze Jufvrouw nog maar bij.—Nu, twee gulden. Wie twee gulden? Totdat zich iemand mijner ontfermt, en mij nog na mijn dood met wie weet welke eerzame maagd paart, om gezamenlijk als scherm voor een tochtgat te dienen, of tot bedekking van een vuile plek op ’t behangsel gebruikt te worden.[104]Neen, iemand als ik, wiens stil sterfbed van niemands snikken weêrgalmen zal, en wiens eenzame doodspeluw niet bevochtigd zal worden dan door mijn eigen doodzweet, moet het er voor houden, dat de menschen genoeg gedaan hebben, wanneer ze tot aan zijn dood toe zijn gezicht verdragen hebben, zonder er hen nog na zijn overlijden meê te vervolgen. Laat hem, die weet, dat er, bij het verdwijnen van ’t origineel, naar de kopij nog menig betraand kindergezichtje zal opzien, laat hem zijn beeldtenis in ieder vertrek aan den wand hangen. Mij dunkt, zulk een aanzien moet de koude asch nog in het graf verwarmen. Maar wie vooruit berekenen kan, dat zijn portret voor de nablijvenden niets zijn zal dan doek en verf, en zich met de eer, die men deze respective artikelen bewijst, zal moeten vergenoegen, neme liever zijn beeld meê in ’t graf, dan aldus zichzelven te overleven.Ik heb mij dus niet laten portretteeren. Maar gelijk ik u begon te zeggen, men heeft het voor mij gedaan.Ik was negen jaren oud, toen er een Italiaansch miniatuurschilder bij ons kwam, die aanbood mijn ouders voor een prijsje uit te schilderen. Geen van beide gevoelde hiertoe lust, maar in plaats daarvan, wist mijn moeder aan vader de vergunning af te vleien, dat de man mijn konterfeitsel maken mocht. Volgens haar getuigenis, trof de kunstenaar mijn gelijkenis uitstekend wèl. Sedert hing het altijd op de kamer der lieve vrouw, tusschen de silhouetten harer ouders. Na haar dood kwam het in mijn bezit, en nu heeft het zijn vaste plaats aan den muur tegenover mij, dicht bij mijn huisklok, zoodat ik niet op kan zien, zonder dat mijn oog er op valt.Zoo ook nu. Al zoudt gij er mij om uitlachen, ik moet er recht aan doen: het is een lief portretje. Zoowel als ik er straks voor uitkwam, dat ik nu verre ben van een behagelijk uiterlijk te hebben, moet gij mij vergunnen te zeggen, dat ik geen onbevallig kind moet geweest zijn. Er rust zulk een helder waas van gezondheid op het gezichtje; er ligt zulk een glans van onschuld over het open voorhoofd; er schittert zulk een „blijde vonk van kindervreugd en geest”in de lachende oogen; er schuilt zulk een lieve trek van schalkheid in de kuiltjes op de beide wangen; en bovenal heeft het geheel zulk een voorkomen van kinderlijke onnoozelheid, dat ik niet nalaten kan er meê ingenomen te zijn. Ik zie het nooit, of ik denk aan mijn vriendElia: „Ik stem alles, wat gij ten laste van den manEliaopsomt, toe; maar het kindElia, dat anderIKdaar op den achtergrond, dien knaap moet gij mij vergunnen te mogen liefhebben.”Uren lang kan ik dit beeld aanzien, en mij daarbij in een gelukkig verleden verplaatsen.Mijn geheugen is op dit punt zeer wakker. Het is waar, dat ik van de herinneringen uit mijn kindsheid geen aaneengeschakeld geheel maken kan. Nu en dan zijn er groote gapingen in, even als op een schilderij, waarop sommige plekken zijn uitgewischt. Maar daarentegen liggen ook andere partijen in een helder licht voor mij, zoodat het is of ik[105]ze nog zie. En de gedachte daaraan is voldoende, om mij op mijn kindsheid als een hoogstgelukkigen tijd te doen terugzien. Neen, ik kan mij hieromtrent niet metJean Paulvereenigen, als hij de genoegens van het kinderleven „geurlooze vergeetmijnietjes” noemt. Laat de blijdschap van den zuigeling zoo heeten, die zelf geen vreugde heeft van de lachjes, waardoor hij anderen verblijdt, en bij wien het gevoel van vermaak en leed, als ik mij zoo mag uitdrukken, op het gezichtje afwisselt, zonder bijkans het zieltje aan te doen. Maar als het kind een klein mensch geworden is en weet begint te krijgen van genoegen of smart, dan is kindervreugde wel waarlijk vreugde. Zeg dan niet, het heeft geen genot, omdat het zich van zijn genot geen reden geeft. Maar geven wij er ons dan altijd reden van? Gaan wij bij ieder genoegen neêrzitten om het te ontleden? Als wij in het voorjaar in de open lucht komen, en het lentewindje kust ons met zijn lauwen adem, terwijl de verkwikkelijke zon ons streelt als de warme hand van een Odaliske, zoodat wij daaronder „uitzetten en knoppen” van weelde en lust, zeggen wij dan altijd tot ons zelven: Dit is nu, omdat de wind Z. Z. W. is, en de zon op ** gradenFahrenheitstaat. Of nemen wij de moeite van uit te rekenen: omdat de zon werkt op deze spier en de wind op die zenuw, en de spier weêr op de zenuw en de zenuw op de spier, daarom word ik dit aangenaam gevoel gewaar?—Geven wij ons niet veeleer gedachte- en bewusteloos toe aan het genot, dat ons tegenkomt en drukken, even als de bloemen en vlinders, onze tevredenheid uit door de aanraking van den koesterenden straal met een siddering van wellust te ontvangen, en den zoelen balsem van het koeltje met open mond in te drinken? Ik voor mij althans heb meermalen ondervonden, dat het dwaas is, met het genoegen den wijshoofd te spelen. Wanneer ik een enkelen keer onderzoeken wou: Waarom gevoel ik mij nu zoo wel? heb ik bemerkt, dat ons genotveelheeft van het spel der spiegeling van een stroom, dat ophoudt, zoodra men er aan raakt; en sedert heb ik mij gewend mijn handen t’huis te houden en van het genoegen tot mijzelven te zeggen: Ik ben er genoegelijk door, dus het zal wel genoegen zijn.Waarom zou dan ook de kindsheid geen blijde tijd mogen heeten? Hé,Cornelis, enWillem, enFerdinand, of wij pleizier hadden, wanneer wij, menschen van vier voet, den vlieger, die tweemaal onze grootte had, vierhonderd voeten hoog boven ons zagen, in de trotsche bewustheid van den luchtreus in onze kleine knuisten te klemmen! Of het prettig was, bij den u bekenden houtzaagmolen over de vlottenden balken te springen met onophoudelijk gevaar van het getal der drijvende blokken met één te vermeerderen! Of wij er vreugd van hadden, als, op onze kinderpartijtjes, de grappigeCasparmet zijn tooverlantaren kwam en ons met het leelijke Goliathshoofd en zijn verschrikkelijk: boe! boe! te gelijk lachen en rillen deed? Of het heerlijk was, den degen van Oom den Burgerkapitein achter ons aan[106]te slepen, en over de panden van zijn afgedankten uniformrok te struikelen? Wanneer wij toen reeds in dat geluk niet zoo gelukkig geweest waren, zou er ons zulk een diepe indruk niet van zijn bijgebleven. Zeg mij, kleine knaap, die mij van dat doek zoo vriendelijk toelacht, waart gij niet recht vergenoegd, toen gij daar aan den schoot van uw moeder zat, terwijl de zwarte man u uitteekende, en uw moeder onuitputtelijk was in allerlei grappige verhalen, opdat gij er op de teekening recht vroolijk en beminnelijk mocht uitzien? Immers ja; want de tevredenheid glinstert uit uw oogen, en de blos, dien het genoegen op uw wangen ontstak, klom even zoo wel uit uw klein hart naar boven, als het niet bij toeval is, dat thans dit vale bleek hièr dat kleurtje dáár vervangen heeft.Dikwijls stond ik voor dat portret met een gevoel van benijding, dat misschien menig uwer dwaas zal heeten. Het was, wanneer het mij somtijds recht bang was, en ik behoefte had mijn oog op iets vroolijks te vestigen; hoe kon mij dan het onderscheid tusschen het kind en den man treffen! Dat gladde voorhoofdje, hoeveel rimpels heeft het gekregen! dat vonkelend oog, welk een doffe nevel heeft den straal der vreugde daarin uitgebluscht! die bloeiende wangen, hoe heeft de hitte van den dag ze doen verdorren! dat lachend mondje, welk een diepe groef heeft de smart er in gedrukt! Ik had moeite te gelooven, dat ik er ooit zoo had uitgezien, en dan dacht ik weêr, dat wie er zoo had uitgezien nooit zóó kon worden als ik nu!—Doch eindelijk verzoende mij die aanblik met mijn ongeluk. En zijt gij dan geen kind geweest? vroeg ik mijzelven. Een vroolijk, onschuldig, gelukkig kind? hebt gij niet met de bloemen gebloeid en met de vlinders gedarteld? hebt gij u niet moêgespeeld en wakker geslapen? hebt ge geen tijd gehad, dat alle kommer om en voor u besloten werd in het hart, waaraan ge rusttet, en dat ieder zijn eigen smart onder een lachje voor u verborg? Waarover beklaagt gij u dan! Twintig jaren, kinder- en knapen- en jongelingsvreugde, is het te veel, dat ge daarvoor in het leed des mans een evenredige rente betaalt! O, als God het naakte wicht hulpeloos op den kouden, harden grond nederlegde, en aldus aan de genade van het toeval overliet; als het kind, van den dag zijner geboorte af aan, even als het winterklokje dat uit de sneeuw opschiet, door barre winden en scherpe hagelsteenen geteisterd werd; als de opwassende knaap zich, gelijk een verdrukte scheut, naar boven moest werken; met één woord: als er aan het leven een jeugd ontbrak,—dan zouden wij kunnen klagen, dat ons onrecht gedaan was. Maar zoo is het immers niet? Voor de intrede des menschen in de wereld is alles door de zachte hand der liefde gereed gemaakt. Vaderarmen ontvangen, moederarmen koesteren het;Haar liefde dekt het schaap nog zonder wol;Haar teêrheid voedt het lam nog zonder weide.Dan heeft het kind voor niets te zorgen, terwijl alles voor het kind[107]zorgt. Dan wordt de scherpe wind gebalsemd en de stekende zonnestraal mat gemaakt; dan plaatsen zich anderen vrijwillig voor den snijdenden tocht en onder de vallende sneeuw; dan wordt het plantje gedekt, begoten, naar de zon gekeerd, ondersteund en opgehouden. Dan worden alle tranen opgevangen, alle zuchten weggekust. Dan wordt ieder plek tot een speelplaats gemaakt, ieder voorwerp tot speelgoed, en iedere volwassene buigt zich om meê te spelen. Dan wordt voor het kind de doorn van iederen stengel gebroken, de honing uit iedere bloem vergaârd, het sap uit iedere vrucht gedrukt. Dan slingeren de menschen hunne armen in elkander, om rondom het kind als ware het een Eden af te perken, waarin het storelooze paradijsgenoegens smaakt.Maar wat zouden wij dan willen? Dat dit altijd zoo voortduurde? De hemel beware ons! Wat zou er van zulke vertroetelingen worden? Ellendige kasplantjes, die geen tiende van hun natuurlijken groei en sterkte zouden bereiken, saplooze bladeren, weinige bloesems en niet een enkele vrucht dragen. Neen, niet alzoo! Wij zijn kinderen opdat wij mannen zouden worden, maar worden geen mannen, opdat wij kinderen zouden blijven. Zijn wij zoo ver gekomen, dat wij onder het glas van daan en in de open lucht kunnen, dan is het ook niet meer dan billijk, dat wij met de anderen wind en koû leeren deelen. Wordt het ons daaronder al eens bang, denken wij dan terug aan de twintig jaren dat wij gespaard zijn geworden, aan de twintig jaren van vooruitgenoten vergoeding, aan de twintig jaren van toerusting, die weinig vrucht hebben gedragen, indien zij ons voor geen twintig jaren strijdens hebben voorbereid!Zie, zulke gedachten pleegt het gezicht van het kind bij den man op te wekken. En dan, in plaats van mij te verdiepen in het lijden, dat mij drukt, verlies ik mij in de herinnering van het genoegen, dat ik gesmaakt heb. Dan denk ik, hoe de verschooning, mij in de eerste vaag des levens bewezen, gediend heeft om mij tot het uitstaan der tegenwoordige beproeving te harden; dan denk ik, hoe het mij zou gegaan zijn, indien dit leed, even als een vroege vorst, in mijn kindsheid gevallen ware: dan denk ik, hoe ver de rampen des mans er van af zijn tegen de vreugde van den kinderlijken leeftijd op te wegen; en onder deze beschouwing groeit mijn moed aan; de sterke man vindt kracht in den aanblik van het zwakke kind; de smart des volwassenen vertroost zich met het lachje van den knaap; en mijn gevoel lost zich op in de dankbare uitboezeming: Ja, ik ben waarlijk dezelfde; die knaap en deze man! Was ik die knaap niet geweest, ik ware deze man niet geworden; en was het niet om deze man te worden, ik zou die knaap niet geweest zijn.En wanneer ik alsdan het kind aanzie, en het mij voorstel in al zijn onkunde en onbewustheid van zijn hoogere bestemming; de aarde aanziende of zij altijd beneden hem, en den hemel, of hij altijd boven hem zou blijven;—en daarbij te gelijk denk aan hetgeen er van hem worden moet: een kind van God, een blinde voor de wereld,[108]een doode voor de zonde, een dagelijksch offer van zich zelven, een burger des hemels op aarde, en eens een lotgenoot des Hoogzaligen;—dan verliest mijn oog zich in die gaping tusschen dat wichtje vóór—en den zalige boven mij; en het wordt mij duidelijk, dat de school, waar zulk een opvoeding voltooid moet worden, een school van werkzame oefening en strenge tucht moet zijn. En bij die overtuiging wordt het mij zoo helder, dat dat kind dien speelschen lach om den mond en dien blijden straal in het oog verliezen moest, dat ik niets natuurlijker vinde, dan dat de man, voor het portret tredende, zich zelven niet meer herkent en er hem ongelukkig om rekenen zou, indien het anders ware.Ongelukkig, indien het anders ware! O, op hoe velerlei beschikkingen in mijn lot kan ik dit toepassen. Zeker, als ik op dit kind zie, voel ik mij overstelpt van dankbaarheid bij de gedachte aan zoo vele leidingen Gods, als gestrekt hebben om het te bewaren van immer geheel uit den staat des kinds uit te vallen. Al denkikalleenaan de lieve moeder, van wie deze beeltenis afkomstig is. De lieve moeder! Nooit werd die naam met meer recht door een vrouw gedragen, nooit haar met meer liefde door een kind gegeven. Niet alleen omdat zij de weldoenster mijner kindsheid was, die van haar armen mijn wieg, en van haar boezem mijn peluw maakte; die mij ’s avonds met haar liederen in slaap zong, en mij ’s morgens met haar omhelzingen weêr wakker kuste; wier bijzijn in den vollen zin des woords mijn leven, wier schoot mijn hemel was. Maar veel meer, omdat zij evenzeer de geleigeest van mijn onnoozelheid, als de beschermengel van mijn zwakheid was. Niet alleen met de melk harer borsten, ook met de melk haars harten, met al wat er ooit zachtst, mildst en teederst in een vrouwenziel was, voedde zij mij op. Zoo boezemde zij mij reeds vroeg het gevoel eener groote liefde in; indien mijn hart geen bekrompen hart is, maar in zijn genegenheid meerderen omvat, dan mijn armen omvademen kunnen, ik dank het haar, die mij als van mijn geboorte dien geest van liefde heeft ingeademd. O, het is zoo gelukkig, als de moeder begint met het geheele hart des kinds in te nemen. Dan is er reeds dadelijk een plaats vervuld, waar zich anders al spoedig het gevoel van eigenbaat indringt. Maar is eens de kiem der liefde in het weeke gemoed gevallen, dan groeit die met het wicht op, slaat haar vezels in zijn zenuwen en voedt zich met zijn bloed. Dan zet zij zich uit naarmate de borst ruimer wordt, en ofschoon het opschietend onkruid haar begint te drukken, zij blijft in het hart geworteld. Zalig dus, wie als kind van zijn moeder liefde leert: hij leert spelende, wat de eerste plichten zijnzullen; hij neemt als een lust op, wat hij later als een last zal moeten dragen; hij wordt door de liefde tot ééne voor de liefde tot allen gevormd; en de armen, die nu nu den boezem omklemmen welke hem voedt, worden gewend om eens een ruimeren kring teomvatten, zooals het klimop, dat begint met zich om de scheut te slingeren, zich later[109]van zelve met den zich uitzettenden stam uitbreidt. O, toenmaals wist ik niet beter, of ik had mijn moeder lief als mijn moeder en zij mij als haar kind; maar toen ik later gevoelde, dat wij hier niet enkel moeder en kind geweest waren, maar dat haar liefde te gelijk tot opleiding voor den mensch, tot vorming voor den Christen gediend had, toen zag ik eerst recht in, welk een geschenk van Gods vaderliefde deze moederliefde voor mij geweest is!Ik kan van dit onderwerp nog niet scheiden. Wie een lieve moeder te gedenken heeft, zal er mij niet hard over vallen.Toen de doos vanPandoraopenging, stroomden daaruit allerlei rampen, maar de hoop bleef op den bodem liggen. Toen het hart der menschen zich voor de zonde opende, verlieten allerlei deugden het menschelijk hart, maar het geweten bleef op den grond achter. Maar dit geweten, hoeveel hangt er van af, hoe het behandeld wordt?Hier is het een koppige goudvink, die op het eene oogenblik tot geen zingen te krijgen is, en dan weêr op eens zoo begint door te slaan, dat men niet weet, hoe hem tot stilte te brengen. Daar is het een lijster, die alleen helder fluit, als het slecht weêr is. Daar is het een kwaadaardige uil, die het licht schuwt, maar den ganschen nacht zit te krassen dat men niet slapen kan. Daar is het een haan, die, even als voorPetrus, niet kraait, dan als het te laat is. Daar eindelijk is het een nachtegaal, welken men hoort zoodra men in den eenzaamheid en in het donker komt, en wiens gezang den nacht vervroolijkt.Behoort het geweten dan tot geen vast ras van vogels? Zeker wel. Oorspronkelijk behooren allespecieser van tot het nachtegalen-geslacht. Maar de verschillende wijze van opkweeking en behandeling is de oorzaak van die ontaarding en verbastering. Gij ziet dus van hoeveel belang het is voor het uwe te zorgen, eer gij van uw nachtegaal een uil maakt.Mijn lieve moeder was een uitmuntende opvoedster van het mijne. Zij liet het niet enkel aan de natuur over het te leeren zingen, maar hielp het een weinig op den weg, zoo als men de kanaries met een kanarieorgeltje, of de eksters met voorpraten doet. Van daar verhief het zijn stemmetje al vroeg: toen ik nog maar een kind was, kon het ’s avonds, als ik in mijn bedje kwam, reeds neuriën en kneuteren dat het een aard had.Gelukkige die ik was! Hoe vele zijn er, die nooit zoo diep zouden gevallen zijn, indien men, even als mijn moeder, hun geweten meer als een afzonderlijke faculteit van de ziel had aangemerkt, die mede kon en moest ontwikkeld worden; indien men hen als kind een vreemde taal minder had laten leeren, en hen in plaats daarvan geleerd had de stem in den boezem beter te verstaan.—Toen mijn geweten nog onmondig was, nam mijn moeder de voogdij er over op zich. Voor niets was zij ongeruster, dan dat het zijn natuurlijke teederheid verliezen zou. Wetende dat het, als een speeltuig, helderder klinkt, naarmate het reiner wordt gehouden, was zij er altijd op uit om voor zijn[110]zuiverheid te waken. Het moest, dacht zij, even als een windharp, zelfs al ging er maar een tochtje over, trillen en geluid van zich geven. Later gewende zij mij, de zorg er voor allengskens over te nemen. Ook had het toen reeds een vastheid en sterkte van stem gekregen, die maakte dat ik het niet licht meer van de wijs had kunnen brengen, al had ik gewild.En toch, dankbaar erken ik, hoe veel ik ook toen nog aan haar verplicht bleef. Dikwijls was haar tusschenkomst machtiger, indien al niet om mij van het kwade terug te houden, dan toch om mij tot het goede aan te sporen, dan de stem van mijn conscientie zelve. Dit was vooral dan het geval, wanneer eenige overtreding mij met mijn geweten overhoop had geholpen. Om de waarheid te zeggen, dan was die rechter mij meestal te streng; althans hij schrikte mij evenzeer af, als hij mij uitlokte om de hand ter verzoening te reiken. Dit ging veel beter door hare tusschenkomst. Zij was, even als Gods woord, veel zachter dan mijn conscientie. Zij maakte mij de belijdenis zoo gemakkelijk; zij was zoo liefderijk in haar bestraffing; zij schonk zulk een volkomen vergiffenis! Nooit stroomden mijn tranen lichter dan aan haar boezem, en nooit werden zij eerder afgedroogd. En hoe zij zulk een oogenblik wist te heiligen door, naarBorgersuitdrukking, den boetvaardige op te beuren, maar op te beuren tot God in den hemel; hoe zij, als ze mij vergiffenis geschonken had, mij aan de voeten des hemelschen Vaders voerde, opdat ik die vergiffenis ook van Hem zou afsmeeken! Hoe zij aldus van de weekheid mijns harten gebruik maakte om er het teeken des kruises dieper in te drukken! O, gij kleine knaap, indien de zonde van dit voorhoofdje het zegel des doops nooit geheel heeft kunnen wegwisschen, en, hoop ik, het verder ongeschonden zal moeten laten, dank er haar voor, die het eens onder de vonte hief!Ja, daarheen droeg zij mij, maar niet gelijk zoo velen, uit gehoorzaamheid aan een maatschappelijke wet, omtrent gelijkstaande met de inschrijving des jonggeborenen op de registers van den Burgerlijken stand. Niet alleen haar hoofd, haar geheele hart boog zich op de vrage of zij beloofde, „dit kind, als het tot sijn verstand sou gekomen zijn, in de voorseyde leer na haer vermogen te onderwijsen.” Aan niemand stond zij de zoete taak af, mij het eerst den heiligen Vadernaam te leeren stamelen. Weet gij wat dit zegt? Ik voor mij ken onder alle zegeningen, waarmede God de wieg eens kinds omringen kan, geen grootere, dan een vrome moeder. Moeders zijn de ware kinder-apostelen! Niet alleen, omdat haar stem lichter en dieper in het hart van haar kroost dringt; maar, ook, omdat vrouwelijk geloof en kinderlijk geloof zulk een nauwe verwantschap met elkander hebben. Op den zinnelijken knaap werkt het gemoedelijke, dat in den godsdienst der vrouwen den boventoon voert, veel sterker en gelukkiger, dan het meer verstandelijke, dat het heerschende kenmerk van de overtuiging des mans uitmaakt. Zoo ging het mij althans bij mijn moeder. Zeker is het beeld van den Heiligste onder de menschenkinderen altijd allerbeminnelijkst,[111]welke (vrome) hand het ook schetse: niet anders dan alle Christusbeelden hetzelfde karakter van grootheid en liefderijkheid ademen. Maar zooals evenwel deChristusvanRafaelhemelscher is, dan de Hemelsche op de tafereelen vanCorreggioofDa Vinci, vond ik den Zaligmaker nooit beminnelijker, dan in de voorstelling van mijn lieve moeder. Nooit heb ik hem beter—hoe zal ik zeggen?—gezien, nooit stond hij mij aanschouwelijker voor oogen, dan zooals zij hem mij deed aanschouwen. Gelijk een portret naar het leven gemaald verschilt van de afbeelding op een doode genomen, verschilde haar teekening van den Eenige van die van anderen. Men kon zien, dat haar hart het penseel bestuurde. Die verheven gedachte van haar lievelings-Apostel: Die niet lief en heeft, die en heeft Godt niet gekent: God is liefde! Liefde is als het orgaan, waardoor men God leert kennen en aanschouwen!—bevestigde zich in haar ten aanzien van zijn beeld op aarde. In zooverre dit van een gebrekkig menschenhart kan gezegd worden, gold het van haar; haar liefdevol hart begreep hem! Van daar putte zij, als zij den Heiland schilderde, niet enkel uit haar geheugen, maar veeleer kwam zijn beeldallengskens, als een hostie uit haar heiligdom, uit het binnenste haars harten te voorschijn. Van daar dan ook, dat dit beeld zich diep in mijn ziel drukte—en, hoop ik, onuitwischbaar!Even zoo ging het mij met haar voorstelling van het toekomende leven. Allen verwachten wij éénen hemel; maar welk een onderscheid! Indien ieder het denkbeeld dat hij van zijn hemel vormt, aanschouwelijk kon maken, gij zoudt nooit gelooven, dat zij hadden voorgehad dezelfde plaats te malen. De hemel van sommigen is somber en eenzaam; die van anderen gebrekkig en onvolmaakt; deze schildert zich hem geheel aardsch en zinnelijk, gene schept hem zich weder zoo bovenzinnelijk, dat hij geen hemel voor menschen blijft. De hemel van mijn moeder was eerst recht hemelsch! alles wat haar rijke verbeelding heerlijks, wat haar vrome ziel reins, wat haar geloovig hart zaligs bevatte, vond zich in de voorstelling daarvan terug. Bij haar geen onoverzienbare afstand, die hem van de aarde scheidde; geen ondoordringbaar wolkfloers, dat hem voor het oog verborg! Voor haar geest smolt hemel en aarde, even als voor haar oog aan den gezichteinder, liefelijk en harmonisch ineen. En dan dat voorkomen, waarmede zij er van sprak!—Ziet gij, ik heb allen eerbied voor de keurige plaatsbeschrijving door menigen Eerwaarde van het het hemelschJeruzalemop den kansel gegeven.Maar wanneer ik hem daarbij onophoudelijk voor zich—zeker op de kaart van het heerlijk gewest—zie staren, of uiterlijk zijn oog op de hoorders beneden hem zie vestigen, zonder dat zijn blik zich ooit met een uitdrukking van ingenomenheid of verlangen naar boven richt: hij vergeve het mij, dat daarbij mijn gedachten niet hooger klimmen dan de vinger, dien hij telkens opsteekt om de bedoelde streek aan te wijzen, en dat ik van het tafereel door hem gemaald niets zie, dan den schilder. Hoe geheel anders ging het mij onder het[112]gehoor van dien vromen grijsaard, dien menigeen uit deze teekening duidelijk genoeg herkennen zal, die nooit van den hemel gewaagde dan met de uitdrukking van een zoo vroolijke verrukking en van een zoo vertrouwelijke gemeenzaamheid, dat de meest aardschgezinde er door geroerd werd. Op zijn gezicht, door den straal eener hoogere vervoering verlicht, zag men als het ware den hemel weêrkaatst, dien hij u schilderde, en beter dan de lofzang der Engelen, waarvan hij meldde, noodigde u zijn stem, waarin het levendigst voorgevoel klonk, naar de gewesten, waarin zijn ziel reeds scheen te zweven!—Evenzoo ging het mij onder de gesprekken mijner moeder. Het is waar, zij kende geen enkel dogmatisch bewijs voor de onsterfelijkheid, en zou aan zoovele wijsgeerige hemelbestormers niets dan een onbeschermd hart hebben kunnen tegenstellen. Maar zij geloofde aan den hemel! en met een levend geloof, dat het onzienlijke niet droomt, maar ziet; dat de hope niet hoopt, maar dadelijk geniet. Van daar was er in haar voorstelling van den aanstaanden gelukstaat iets wegslepends, iets aanstekends, dat te gelijk overtuigde en meêvoerde! en ik vond in haar de spreuk van den vromen man, van wien ik straks sprak, bevestigd: dat een godsdienstig mensch meer leert van geloof en godzaligheid, dan het beste boek, dat er over geschreven kan worden.—Zeker, God heeft ze lief, die hij door zulke liefelijke boden tot zich laat noodigen!En toch moet gij hieruit niet besluiten, dat zij in haar vromen ijver zou vergeten hebben, dat ik zoowel tot een burger der aarde, als tot een hemelburger moest gevormd worden. Ook in dit opzicht kon mijn opvoeding in geen betere handen gevallen zijn. Niet dat ik hiermede aan de verdiensten mijns vaders wil te kort doen. Mijn vader was ongetwijfeld een groot en eerbiedwaardig man; nooit was er deugdzamer hart of godvruchtiger gemoed; maar toch zou ik, van achteren beschouwd, niet gewenscht hebben, dat het werk mijner opvoeding aan hem alleen ware overgelaten geweest. Hij was er te koud en te steng toe. Groote ongelukken, in zijn jeugd geleden, hadden hem ontijdig vroeg uit het paradijs zijner idealen verdreven. Sedert had hij zichzelven beloofd, er nooit weder een oog heen te wenden. Deze belofte hield hij trouw. Hij bouwde zijn verwachtingen alleen op den vasten bodem der aarde, nooit op de drijvende wolken des hemels. Hij beschouwde het leven enkel van zijn praktische zijde: en wat er nog dichterlijks in zijn ziel sluimerde, behoorde geheel aan een hope, die, ofschoon hooger dan de wolken, vaster staat dan de rotsen. Zeker, ik verheug er mij over, dat mijn vader zulk een man was. Hij hardde en smeedde het staal, dat mijn moeder in het vuur des gevoels warm en week had gemaakt. Met zulk een teêr hart als het mijne, wat ware er van mij geworden, als hij nu en dan niet eens een raam van de trekkas, waarin zich mijn geest verbroeide, geopend had. Indien zijn killer adem er niet van tijd tot tijd als een voorbereidend nachtvorstje was overgegaan, hoe zou het werkelijk leven als een doodende koude op mijn verwend gemoed gevallen zijn. Doch ook aan den anderen kant, hoe zou het mij gegaan[113]zijn, indien ik alleen aan zijn leiding ware toevertrouwd geweest, indien hij, in de eerste vaag mijns levens, op de beelden mijner fantasie, alsDon Quichotop de marionnetten, aangevallen ware: indien hij terstond mijn witte vleugelen, evenals haar dat te lang is, had afgeknot, en mij zoo gekortwiekt de wereld had ingejaagd! Neen, dan ware ik zeker niet de mensch geworden, dien hij meende van mij te zullen maken. Hij zou gezien hebben, dat hij zich in zijn rekening bedrogen had, door een zomer te willen hebben zonder lente, en in den herfst over zijn dwaling getreurd hebben. Doch hiervoor was gelukkiglijk geen vrees. Immers mijn moeder stond aan de andere zijde naast mij: zij was het, die met teedere bezorgdheid over de jeugd mijns harten waakte, en als een wachtengel voor mijn paradijs stond. Wetende hoe zalig het is, als men in zijn binnenste een wijkplaats heeft, onder wier lommer men zich verschuilen kan, als het u daar buiten in de wereld te heet wordt, vreesde zij voor niets meer, dan dat dat toevluchtsoord, even als bij mijn vader, in een woestenij verkeeren mocht. Daarom daalde zij met mij in hetElysiummijner droomen af, en doolde er met mij in rond, zeker wel met het gevoel van eenCicerone, wien zijn wandeling verveelt, omdat hij die reeds zoo dikwijls gedaan heeft. Maar evenwel, zij getroostte zich dit gaarne, en staarde met mij naar de sterren aan mijnen hemel, als of zij ze nimmer meer gezien had. Ik ben verzekerd, dat gij, zonder misschien de grootheid van dit offer te gevoelen, er de waarde van erkennen zult. Althans ik erken die dankbaar. Daardoor toch is de invloed, die mijns vaderspositieverichting van geest op mij uitoefende, nuttig voor mij geweest zonder mij te schaden. Zij heeft de veêr bedwongen, maar niet verlamd; zij heeft de snaar ontspannen, maar niet gebroken. Ik draag nu mijn dichterlijkheid, niet als een pauw zijn staart, die driemaal grooter is dan hij zelf, maar als een eerzame duif haar vleugels, die zij uit kan slaan als zij wil gaan vliegen, maar die zij onder ’t loopen zoo netjes langs haar lijf plooit, dat niemand ze merkt.—De lezer wordt verzocht hierbij niet met het hoofd te schudden of te lachen. Ik weet wel, dat ik in zijn gezelschap altijd vliegende gezien word; maar dat komt juist uit: want als ik mij aan ’t schrijven zet, is het een teeken, dat ik wil gaan vliegen. Kom over een uur, als dit artikel af is, en gij zult zeggen, dat gij nooit bedaarder man op twee beenen hebt zien loopen, dan den vogel zonder veêren, dien ge nu in de lucht ziet.Maar, zooals ik zeide: eerst nog een oogenblik geduld! gij kunt het mij niet ten kwade duiden, dat het mij moeilijker valt dan u, van mijn portret te scheiden.Mijn portret! Laat ik het nu nog eens mogen zeggen: het is een lief, onnoozel kinderkopje; te meer, daar ik u even oprecht bekennen zal, dat, zoo ooit een gezicht bedrogen heeft, het dit geweest is. Neen, lieve knaap! gij zijt niet geworden, wat gij beloofdet. Zooals ik u daar voor mij zie, niet die kinderlijke onschuld op het gelaat, zou een Engel u voor zijn broeder kunnen houden. Men ziet het dat open[114]voorhoofdje aan, dat er nog nooit een blos van schaamte op gestegen is; men kan het aan die wangen, frisch en fleurig als een pas opengaande roos, zien, dat er nog nooit een bijtende traan van boete langs is gevloten; het spreekt uit dat vonkelend oog, dat het zich tot nu toe nimmer heeft behoeven neêr te slaan; onbezoedelde reinheid ligt als een ongereptwaasover het geheele wezen verspreid. Mijn oogen dwalen af, en slaan een blik in den spiegel er naast. Goede God! Wat is er van dit kind geworden! Als een vergiftigende adem heeft de zonde zijn voorkomen verkleurd en ontsteld. Een wind gelijk, die een effen stroom beroert, zoo hebben de stormen der ziel de gladde vlakte van dat klare voorhoofd in rimpelen opgejaagd; de heldere blos is verdronken in de tranen, die hem hebben overstroomd; de oogen hebben hun schitterenden straal verloren en lichten nu met het beneveld schijnsel van het lemmet eener lamp, waarin de olie troebel geworden is. Gelijk men inArabiëop het eerste gezicht de woestijn herkent, waar langs de verzengendesimoungewaaid heeft, zoo kan men het mijn geheel voorkomen aanzien: Hier is de zonde langs gegaan! Bedroevende aanblik, die mijn bleeke wangen met purper van schaamte kleurt, en mijn hoofd als een geknakte bieze op den schouder doet zinken.En was het daarom, dat God mij zoo onnoozel deed geboren worden? En was het daarom, dat eens mijn ziel onbezoedeld in mijn onbevlekt lichaam woonde, als helder water in even helder kristal;Blank lijfjen zonder smet, blank zieltjen zonder zonde,Gepaardin dubble maagdlijkheid.En was het daarom, dat mijn ouders zich als wachtengelen tusschen mij en de wereld plaatsten, om mijn zuiverheid te bewaken? En was het daarom, dat er zoo veel zorg besteed werd om mij tegen de besmetting des kwaads te wapenen? Hoe weinig heb ik aan de mij geschonken voorrechten beantwoord!—Kind, kind! lach mij zoo niet aan! Gij hebt geen erger vijand, dan den man die voor u staat. Hij heeft een doodslag aan u begaan! Hij heeft uwe onnoozelheid vermoord! Uweonnoozelheid, die zoo teêr, zoo zacht,zoo aanminnig, zoo bevallig, die een wellust van menschen en engelen was! Maar hem kon zij niet bewegen! Onmeêdoogend heeft hij haar gedood. Hoe zij hem ook aanschreide, hoe zij hem ook tegenkreet, hij heeft haar opgeofferd. Niet op eens, maar langzaam, zonder dat men iets van het aangedane geweld bemerkte. Maar toch zoo zeker, dat zij nu wel geheel gestorven is, en in zijn lichaam rust als een doode in het graf. Kind, lach mij zoo niet aan!Helaas! dat is ons aller lot op aarde. Men zou het kunnen vergelijken met het lot van de sneeuw. Vlekkeloos valt zij uit den hemel, wordt op de aarde bezoedeld, zinkt dan weg in den grond, en vergaat zoo geheel.… ten zij, ten zij! het zonlicht enkele heldere droppels uit het slijk omhoog trekt. Zoo ook wij! sneeuw in de wieg, worden wij slijk op de aarde, en verzinken eindelijk als dras in den grond.[115]Maar het zonlicht van Gods genade ontwikkelt uit het bezoedelde nat een enkelen klaren drop, dien het ten hemel opneemt.Is dit zoo? lach mij dan vrij aan, mijn kind! Wij zullen weder vrienden worden.Neen, het is te weinig, dat de mensch alleen over zijn verloren onschuld weenen zou. Beween een marmeren beeld, dat gebroken is, het is voor altijd weg; maar beween geen gestorvene, die weder kan worden opgewekt. Nog eens stel ik mij voor mijn portret. In navolging van den Heer, stel ik een kindeke voor mij en wijze er mijzelven op:Indien ghy u niet en verandert ende wort gelyck de kinderkens, so en sult ghy in het Coninghryke der hemelen geensins ingaan.Ja, ziedaar mijn voorbeeld! Zoo was ik, zoo moet ik weder worden. Zoo was ik uit de natuur, zoo moet ik ook uit eigen keuze en vrijen wil weder worden. Het afgelegde gevoel van afhankelijkheid, de verloren eenvoudigheid des geloofs, de verleerde gewilligheid der onderwerping, de verkrachte onbedorvenheid der onschuld, dat alles moet weder aangeleerd of aangenomen worden. De wijsheid, in de beproeving verkregen, moet mij bijblijven; maar de besmetting, in de beproeving opgedaan, moet worden afgelegd. De wonderspreuk des Apostels moet aan mij worden vervuld:Volwassen in ’t verstandt—kinderen in de boosheydt!Het is droevig, dat zoo velen dit niet begrijpen of begrijpen willen. Zij rouwen over hun verloren onschuld, ja, maar als wanhopenden. Zij zitten er bij neder; zij vertreuren hun tijd en hun krachten; indien zij ze met hun zuchten konden opwekken, zij zou herrijzen! maar te vergeefs. Geen tranen wisschen een bevlekt geweten schoon; geen snikken roepen een gestorven onschuld wakker. Er moet opgestaan, er moet gehandeld, er moet geleden, er moet gestreden worden. Met het beeld eens kinds voor het oog, moet men naar gelijkheid met het kind streven. O, ik denk, dat het dit is, dat mij kinderen zoo recht dierbaar maakt; in ieder van hen zie ik een voorbeeld en leermeester. Daarbij denk ik altijd aanLuther, die, toen zijn kinderen eens onder elkander krakeelden en spoedig daarna zich weder verzoenden, zeide: Lieve Heere God! Hoe aangenaam zijn u toch zulk een kinderlijk leven en zulke spelen! Ja, al hun zonden zijn niets dan vergeving der zonden.Ziet gij, met dit oog beschouw ik de kinderen, die mij omringen. Als ik zie, hoe het knaapje aan den schoot der moeder staat, en naar haar vertellingen luistert, en, wanneer hem daarin iets ongeloofelijks treft, met vertrouwen tot haar opziet en vraagt: „Is dat zoo, moê?” dan schame ik mij over mijn vermetelheid, dat ik dikwijls zoo traag was om te gelooven, wat mij in de mededeelingen mijns hemelschen Vaders onwaarschijnlijk voorkwam, en ik vermane mij zelven:So wie het Coninghrijke Godts niet en ontfangt gelyck een kindeken, die en sal hetzelve geensins ingaan.—Wanneer ik zie, hoe het kind, dat ongehoorzaam geweest is, op het enkele gezicht van de smart, die hij[116]zijn vader daardoor veroorzaakt, in tranen van berouw uitbarst, hem in de armen vliegt en snikkend uitroept: „Vader, vergeef mij! ik zal het niet weêr doen!” dan voel ik mij vernederd door de gedachte, hoe dikwijls ik dagen op dagen over mijn overtredingen tegen mijn goddelijken Vader liet heengaan, zonder tot het afleggen eener ootmoedige belijdenis te kunnen of te willen komen.—Ja, zelfs die belofte: „Ik zal het niet weêr doen!” hoe beschuldigde zij mij, dat ik zoo vaak om de Goddelijke vergiffenis had durven bidden, zonder mij te hebben verbonden door de gelofte om mij voortaan voor de geboete zonden te wachten.—Wanneer ik zie, hoe gemakkelijk en gaarne het afhankelijke kind van zijn ouderen afhangt, en met volkomen gerustheid en vertrouwen van hunne liefde en zorg de voldoening zijner behoefte verwacht, dan bloze ik over mijn gedurige bekommeringen tegen den volgenden dag, en bestraf mijzelven, dat „ick myne ziele niet en hebbe geset ende stille gehouden, ghelyck een gespeent kindt bij syne moeder!”—Eindelijk, wanneer ik zie, hoe het kind zich in het midden der booze wereld bevindt, zonder nog iets van hare boosheid te hebben aangenomen, daarin verkeerende als een witte duif in haar bezoedeld hok, dan jammer ik over mijn vatbaarheid voor alle besmetting, en neem mij voor „een kindt in de boosheydt” te worden.Moeielijk, maar ook schoon en heerlijk werk! Zeker dit kan ik mij vanLutherniet begrijpen, hoe hij zeggen kon, dat hij in den kinderlijken leeftijd had willen gestorven zijn, en daarvoor gaarne alle eer overgegeven, die hij in de wereld had.—Neen, vaderLuther, daarin kan ik het met u niet ééns zijn. Zeker geloof ik wel, dat er ook boven een school is, waar de lieve Engelen, of hoe de goede geesten anders heeten mogen, de taak der ouders en leermeesters bij de vroeg opgeroepen kinderkens op zich nemen, en het Christenkind tot een Christen vormen. Maar daarom zou ik nog niet durven zeggen, dat het beter was, een leerling der hemelsche dan der aardsche school te zijn. Mij dunkt, boven kan de strijd zoo zwaar, en daarom de kroon zoo schoon niet wezen. En zeker, van alle menschen hadt Gij wel het minste reden om zulk een wensch te doen. Gij, die tegen het booze strijdende als een held, echter dien heldenmoed onder de karaktertrekken eens kinds verborgt, kinderlijkste der mannen en mannelijkste der kinderen! Ook verbeeld ik mij, dat gij nu, met den krans der Christenstrijders om het hoofd en het witte kleed van Gods kinderen om de leden, het niet anders wenschen zult dan het geweest is. Ik voor mij wensch niets beters, dan u van verre te volgen, en, indien ik eenige eer in de wereld had, ik zou die daarvoor gaarne willen geven.En spreek gij nu eens, kind-Jonathan! en zeg, hoe het met den man-Jonathanstaat? Begint gij u zelven reeds in hem te herkennen? Vindt gij allengskens in hem die trekken van nederigheid en liefde, van gehoorzaamheid en zuiverheid weder, die u eigen waren? O, ik wilde, dat ik die vraag met meer vrijmoedigheid doen durfde. Neen, het is nog niet in orde, niet waar? Hiér niet—en dáár niet—en[117]dáár niet!—Ik schaam mij over deze belijdenis. Maar ga gij slechts voort mij te leeren; dan zal ik wel verder komen. Even alsGarrick, die voor een portret staande, zijn gezicht zoo plooien kon tot hij er op geleek, wil ik met het oog op u het gelaat mijner ziele zoolang plooien, tot het uw gelijkenis draagt. Zoo hoop ik gereed te zijn, eer de Heer roept. Hij zal geduld met mij hebben, en mij niet van de school roepen, eer mijn opvoeding voltooid is, hoop ik.En nu neem ik afscheid van u, schoon het mij moeite kost. Zeker, gij biedt een liefelijken aanblik aan. De kindsheid heeft haar eigen schoonheid; onschuld ligt als een hemelsche sluier over het aardsche beeld. Ook daarin is veel veranderd. Gij herkent mij zoo weinig als ik u. Maar ook dit zal weêr veranderen. Als eerst de ziel slechts wedergeboren en tot kinderlijke reinheid terug gebracht is, zal het lichaam wel volgen. Welk een vooruitzicht! Een nieuwe ziel in een nieuw lichaam! Beide, als de phenix, uit haar asch herboren; beide met onvergankelijke jeugd getooid! Lieve jongen! hoe gaare zou ik u eens in beeltenis aanschouwen, hoe gij er dan wel zult uitzien!.… Maar foei! ik zie, dat ik eerst nog wel van u leeren mag, mijn tijd geduldig af te wachten![118]

[Inhoud]DE STAMBOOM.Niet waar, dat zoudt ge niet gedacht hebben, datJonathaner ook een stamboom op nahoudt?En hoe meent ge wel dat hij er uitziet?Denkt gij misschien aan een groote perkamenten kaart met cirkels en lijnen, waaraan de namen der respectieve leden van de familie zijn opgehangen, die, zich van boven naar beneden uitbreidende, het hartroerende figuur van een omgekeerde peer opleveren?Of verbeeldt gij u mogelijk een enorme schilderij, met wapens bemaald, waarop het aandoenlijk is te zien, hoe het wilde zwijn zich met het hert, en de sperwer zich met de duif verdraagt? Als ware het een voorspel van die gouden eeuw, door de profeten geschilderd:Het Lam zal met den Wolf verkeeren als gespeel:De Luipaard naast het kalf zich vleien in ’t gareel:De Leeuw zal zich op ’t stroo aan ’s Rundiers kreb vergasten:Geen Beer, geen Tijger taalt om ’t Geitjen aan te tasten.Of hebt gij misschien een dik wapenboek voor den geest, waarin al de Edelen achtereenvolgens op een rij staan geschaard, even als in een kabinet van Natuurlijke historie, mannetje en wijfje naast elkander, ieder op zijn plaats en in zijn orde?In elk geval misgeraden!Neen, wanneer gij mij ooit de eer doet van mij een bezoek te brengen, zult gij in een hoek van onzen huishoudkamer een ouderwetschen standaard op drie voeten zien staan, met een schuins staand blad, waarop gij een boek in folio in zwart lederen band met koperen sloten zult zien liggen—daarin zult gij mijn Stamboom vinden.Maar dat is een Bijbel! voert gij mij tegen. Gij zijt er! dat is het ook. Welnu, in dien band, vóór den Bijbel, vindt gij een blad door verschillende handen beschreven: dat zijn mijn familiepapieren!Dat ziet er niet best uit, niet waar? Gij hebt gelijk. Ik ben niets dan een simpeleroturier. Geen heraut heeft ooit een schelling aan mijn geslacht verdiend. Ik moet mij met den troost van alle laaggeborenen behelpen, dat ik inAdam, den algemeenen Stamvader der[90]menschen, van den oudsten adel ter wereld ben. Verder kan ik het niet brengen. Ik zou er mijn hals niet onder durven verwedden, of ik uit Joodsch of Heidensch bloed gesproten ben; of mijn voorvaderen onder het Romeinsche juk zijn doorgegaan of den Romeinschen adelaar gedragen hebben; of zij bij de tornooien tot degenen behoord hebben, die den hals braken, of die halzen zagen breken; of zij sporen droegen, sporen aangespten, of sporen vervaardigden; of de groote Potentaten ze met hun zwaard op de schouders of op den rug sloegen, dat zulk een groot verschil maakt. Kortom, ik weet er niets hoegenaamd van, en, als dit niet uit delex non scriptader natuur volgde, zou ik zelfs niet eens kunnen bewijzen, dat ik ooit verre voorvaders gehad had.Denk evenwel niet, dat mij dit niet spijt. Ik vind het een Cynisme, grooter dan van iemand op deze wereld gevergd wordt, er volstrekt onverschillig voor te wezen, welken naam men draagt. Het is wel zoo, dat men er thans niet veel aan heeft, of uw voorvaderen, op het steken van hun trompet, honderd man in het zadel riepen, daar de naneef toch genoodzaakt is zijn vijf jaren bij de nationale militie uit te dienen, of anders eenremplaçantte geven: en even waar is het, dat een burgerman niets voelt van de groeven, waarmede het juk der Edelen den hals van zijn voorouders geknaagd heeft. Ook is het ontegenzeggelijk dat, sedert ruwe handen de adelijke wapenschilden onder een dik vernis van revolutionnaire kleuren gelegd hebben, de beleedigde verwen niet meer zoo helder en frisch willen worden, als zij voorheen waren. Maar dit toegegeven, zie ik niet, waarom het nog niet altijd begeerlijk zou zijn, de herinnering van vroeger grootheid aan zijn naam te verbinden. Waarlijk, in onze dagen, die zoo plat zijn als ons land, en zoo romanesk als onze duinen, is het nog iets dichterlijks, zich bij zijn wapenbord in tijden van groenende Riddereer en blozende Riddergalanterie te droomen. In onze dagen van gelijkheid, nu alle hoeden uit hetzelfde stuk vilt worden gesneden, is het nog iets, dat den boezem doet zwellen, den glanzenden helmkap aan te zien, die op den naam, dien gij voert, als een kroon van eere drukte! In onze dagen vanindustriëlenwedstrijd encommerciëleworsteling, is het nog iets schoons, bij het openvallen van de bloedige bladen onzer oude historie, op een blinkend blad te kunnen wijzen en zeggen: Deze was mijn grootvader!—En waarom het niet erkend, dat zulke herinneringen meer dan een poëtische speling, dat zij in onze eeuw van nuttigheid, ook nog nuttig kunnen zijn om in hem, bij wien ze opkomen, adelijke gevoelens op te wekken? Of gelooft gij niet, dat de eikenkrans, die den naam derDedelsenFagelsonzer dagen omringt, te fleuriger blinkt, omdat hij gewassen is aan een edelen stam, die honderden jaren telt?Zoo zij het dan verre van mij, als een onzinnige Jacobijn, op de teekenen van verjaarde grootheid te spuwen, en over alle gekroonde helmen de roode muts te willen trekken. Mijn liefde voor antiquiteiten[91]moet u het tegendeel gewaarborgd hebben. Maar dit gaat echter niet zoo ver, dat ik mij mijns deftigen burgerlijken geslachts schamen, of daaraan ergeren zou: dat ik de asch mijner vaderen in het graf nog zou willen beschimpen, omdat zij niet in een familiekelder rust; en dat ik op hun zark niet zou willen neêrknielen, omdat er niet dan hun eenvoudige naam op staat uitgebeiteld.Ik moet mijzelven beter recht doen: ik ben op mijn geslacht zoo trotsch, dat ik het niet met het geslacht van eenigen Baroen op de wereld zou willen ruilen: want mijn stamboom is van de edelste, die men zien kan!Laat ik mij verklaren.Het eerste blad van mijn bijbel is mijn stamboom.Ziedaar het sprekend wapen van mijn geslacht!Mijn voorouderen vormen een rij van vromen. Oud-Hollandsche godvrucht was als erfelijk in hun stam. Zij waren waardige zonen van die vaderen, die de uitdrukking van geloof en vertrouwen op God tot de leus hunner vendelen en den stempel hunner munten maakten. Van dat de eerste, wiens naam voor ons is bewaard gebleven, dezen Bijbel tot een stamregister inwijdde met het opschrift:Soli deo gloria!totdat mijn vader den naam van zijn zoon op dit blad schreef, waren het, met weinig uitzonderingen, enkel braven, die hier geboekt staan. Het scheen of hunne inschrijving op zulk een gewijden stamboom hen, van de geboorte af aan, tot vereering des Bijbels heiligde. Gelijk sommige Edelen door hun adelbrief tot de verdediging van een klooster of gewijd gesticht verplicht werden, zoo was het of zij door deze inlijving tot de handhaving en bescherming van het Hoogwaardige voorbestemd waren, dat hun naam ontving. En was het vreemd, wanneer de moeders, even alsHanna, bij haar gebed om den zegen des huwelijks, de hand op dezen Bijbel legden en beloofden:Soo gy myner gedenckt ende uwer dienstmaeght niet en vergeet, maar gheeft uwer dienstmaeght een mannelick zaet: So sal ik dat den Heere geven alle de daghen syns levens;—was het vreemd, dat de zoon der verhooring door haar in de dienst van Hem werd opgevoed, van wien zij hem ontvangen hadden? Wanneer de vaders, even alsHamilcar, den jeugdigen knaap bij het outer des Heiligen Woords brachten, en hem daarbij den eed van onverzoenlijken haat tegen de vijanden des Hemelschen vaderlands, en van een onuitbluschbare liefde voor dien gezegenden grond op de lippen legden; was het vreemd dat de jongeling, der eeden zijner kindsheid gedachtig, leefde en stierf in het gevoel, dat hem reeds zoo vroeg was ingeboezemd? Of was het misschien, dat de bede des rechtvaardigen, die veel vermag, het licht des Allerhoogsten op het hoofd des kinds deed nederdalen? Ik weet het niet. Genoeg, dat de deugd des vaders met zijn bloed op den zoon overging, en daardoor een stam van edelen gevormd werd, waarop het niet te hoogmoedig is trotsch te zijn.[92]Of wat dunkt u? Zou de hooggeborene alleen recht hebben van op zijn afkomst te roemen? en zou geen stamboom waarde hebben, die niet door den Raad van adel erkend is? Ik kan het niet toegeven. Indien wij onsterfelijke menschen zijn—en dat zijn wij immers, Hoogwelgeboren Heeren?—dan moet het ten minste niet minder groot zijn te kunnen zeggen: ik ben de telg van een vroom geslacht! dan: Ik ben de loot van een adelijken stam! Of hoe? indien het zoo veel zegt, uit een stamvader te zijn afgedaald, die door een aangestelden koning edel verklaard is, zou het dan niets zeggen, tot den adel te behooren, die door den Koning der koningen, den Koning van eeuwigheid tot eeuwigheid, erkend wordt? Indien men het zoo hoog schat den krans op zijn wapen te zien drukken, die een Vorst in het uur der zegepraal daarop geplaatst heeft, zou het dan niets beteekenen, of de kroon eens hoogeren triomfs door zijn geslacht is weggedragen? Is het dan alles, zijn familienaam geboekt te zien op registers, die vergaan kunnen, en niets, te weten, dat de naam, dien men draagt, geen vreemde klank is voor het oor des Engels, die „het boeck des levens des lams” houdt! En wanneer men er zich bij de menschen op laat voorstaan: hebt eerbied voor mij om mijner vaderen wille! zou men het onverschillig achten, dat men zich bij den Allerhoogste op zijn vrome vaderen beroepen kan, en metSalomoalle dingen bidden „om uwes knechts, mijnes Vaders wille?” Voorwaar om dit te beweren, moet men een uil of een ezel in zijn wapen voeren. Of zegt, is er dan niets dan het verledene? is er dan ook geen toekomst? en wat zeggen dan uw vijf-, zes-, zevenhonderd jaren achterwaarts, tegen de even zoo vele millioenen jaren voorwaarts, als er levens en bloeiens aan het geslacht des vromen, boven het geslacht des edelen als zoodanig, zijn toegezegd? O, het is iets schoons: de vrome Edelman! de palm des Hemels boven den lauwer der aarde! de man, die met den voet aan de menschen en met het hoofd aan den Heer raakt! de Edele, die als gelijke de eene hand aan koningen, en de andere aan Engelen reikt! de gelukkige, wiens naam de verloopen eeuwen aan de nimmer eindigende eeuwigheid overleveren! Maar wie tot een stam behoort, bij welken de deugd alleen in de wapenleus woont; die in het ridderlijk kleed een slavenhart omdraagt; die van zijn wapenbord een dekschild van zijn schande maakt; die het kruis des Ridders van de schouderen scheurt om het met de Riddersporen aan flarden te rijten—hem zij gezegd, dat hij behoort tot een stam die zal uitsterven. Wèl mag hij de oudheid van zijn geslacht verheffen, als hij bedenkt, dat het zijn leeftijd in weinig eeuwen zal hebben afgeleefd. O, wanneer alle graven zullen openspringen; marmeren graven en zandgraven; graven met ridderwapens en graven zonder titel; graven met een kroon en graven met een kruis gedekt; hoe vreemd zullen ze opzien, die daaruit verrijzen zullen, nadat de volgende eeuwen des aardrijks er over zijn heen gevloden! Als zoo menige Edele vinden zal, dat detijdzijn wapenschild gebroken, en hetoordelzijn naam van de lijst der Edelen[93]heeft uitgeschrapt; als zoo menige onedele zien zal, dat deeeuwigheidzijn naam bewaard, en devergeldingzijn naam geadeld heeft; als het vonnis des eeuwigen levens of des eeuwigen doods zal worden uitgesproken!Zoo wil ik dan mijn stamboom met geen anderen ruilen. Hij is voor mij, even zoo goed als voor den Edelman, een stem van vermaning om mijn vaderen in hun graf door de navolging hunner deugden te vereeren. En o! hoe luid die stem tot mij spreekt. Wanneer ik dit blad opsla, en mijn oog over al die namen dwaalt, bij de menschen vergeten, maar bekend bij God, dan is het mij of ik mij door een wolk van getuigen omringd zie, die mij opwekken en aanvuren om de loopbane te loopen, die mij is voorgesteld. Welk een achtbare kring van toeschouwers! Nooit streed de kampvechter in het Olympisch worstelperk, waar zich de bloem van Griekenland vereenigde, voor het oog van een edeler schare! En dan dat gezicht van al die leuzen der zege boven hunne namen opgehangen: In den Heer ontslapen—In vrede heengegaan—Tot zijn vaderen verzameld—hoe blinken ze mij in de oogen! O, zoo men het wel eens betreurd heeft, dat de krans der overwinning, die den Christenstrijder bij het bereiken van den eindpaal wordt toegewezen, hem eerst op het hoofd geplaatst wordt, als hij de tente der ruste is binnengegaan, waarvoor het ondoordringbaar gordijn des doods hangt, dan is het toch iets, zoo vele namen te zien, waaraan de hand der achterblijvenden, met volle vertrouwen op de goedertierenheid des „Rechtveerdigen Rechters”, den lauwer der overwinning gehecht heeft. En wanneer dan deze namen, met zulk een hemelsche glorie omschenen, op ons hoofd zijn afgedaald, zou men zich dan niet aangespoord gevoelen om rein te houden, wat men zuiver ontving, en, zoo veel men kan, in zijn deugd, als in een helderen waterspiegel, de ster te weêrkaatsen, waarvan de wedergade aan den hemel blinkt?Van wedergade gesproken, het is een weêrgaloos lastig ding, dat ik zoo verslingerd schijn te wezen op vergelijkingen. Dat komt van die ongeregelde verbeelding! Eens voor altijd vraag ik er hierbij verschooning voor. En als ik een verzoek doen mocht, zou ik wel willen vragen, dat de Recensenten, bij hun aanmerkingen, vooral tegen dit gebrek mogen te veld trekken; want het lijkt wel, dat mijn eigen overtuiging niet bij machte is mij van dit zwak af te brengen. En het is mijn spreuk: die niet hooren wil moet voelen. Ditin parenthesi, zoo als mijn Rector placht te zeggen.Zie hem daar liggen, mijn ouden, deftigen Staten-Bijbel! O, ik zie hem zoo gaarne in dit kleed! Dat folio-formaat, die zware donkere omslag, die groote koperen sloten, hebben voor mijn gevoel iets eigenaardigs. Ik vind het zoo goed, dat men het den Bijbel terstond kan aanzien, dat het geen gewoon boek is. Gij gevoelt dus, datik met al die miniatuur-uitgaafjes niet veel op heb. Ik moet bekennen, aardig zijn ze, hondjes van Bijbeltjes, gelijk ik wel eens heb hooren zeggen,[94]en gemakkelijk ook. Ik heb Engelschediamond editionsgezien, waarvan men er vijftig te gelijk in den rokzak kon steken. Maar toch willen ze mij niet recht bevallen. Ik weet wel, Mejufvrouw! het doet er niets toe, of UEd. met een 8° of 32° naar de kerk gaat, als uw mooie oogen de letters maar lezen kunnen. En als UEd. iets van den zang verstaat, komt het er niet op aan, al zijn in uw klein gezangboekje bij de meeste coupletten de muzieknoten weggelaten. Maar toch, er is voor mijn gevoel in die dwergjes van Bijbels iets ergerlijks. Het is voor mij—vergeef mij—of men den Bijbel wil wegsteken. Zie, ik vind er iets eerwaardigs in, als ik op den dag des Heeren een Dame van den ouderwetschen stempel naar Gods huis zie opgaan met een grooten Bijbel met sloten in de hand, die zij, even als een soldaat zijn geweer, fier tegen den linker boezem draagt. Men ziet het haar ten minste aan, dat zij naar Gods huis gaat, en eerbied genoeg heeft voor Zijn woord om het openlijk ten toon te dragen. Maar UEd. drentelt daarheen, zonder dat men merken kan of UEd. gaat bidden of rijden. En als UEd. uit de kerk een visite bij uw vriendinAngeliquegaat maken, moet uw Bijbeltje al juist te gelijk met uwflaconuit uw zakdoek vallen, of niemand zou weten, dat UEd. den zondag gevierd had. Nog eens; ik weet wel, dat men den schat des Evangelies zoo wel in een schildpadden, als in een bordpapieren vat kan bewaren; ik weet wel, dat hetOnze Vader, met calligraphische kunst op den omtrek van een stuivertje geschreven, even zoo wel hetallervolmaaktstegebed is als het onze Vader in de Groote kerk, met vingerlange Gothische letters, op het houten schild tegenover uw bank geschilderd. Maar toch, zoo lang ik niet zie, dat UEd. uwmantilleover deagrafehaalt, die uwcolliersluit, of uw versierde vingers in onopengewerkte handschoenen verbergt, zal ik er tegen blijven morren, dat gij u met een Bijbeltje behelpt, dat uw naaste buurvrouw nauwelijks zien kan.Ja, ware het, dat men er zulke kleine Bijbeltjes op nahield, om er eenvademecumvan te maken en ze overal bij de hand te hebben; ware het, dat men nu ook den inhoud niet alleen gemakkelijker in de hand, maar ook beter in het hoofd hield dan onze vaderen; dan mocht ik er vrede meê hebben. Maar wees oprecht en antwoord: is het wel zoo? is het niet veeleer waar, dat het schijnt als of met den Bijbel ook de hersens gekrompen zijn? Want zie, al was hun Bijbel nog zoo groot en omslachtig, onze voorouders schenen er niet tegen op te zien hem in het hoofd te brengen; zoodat velen hunner in een hooger zin dan de oude wijsgeer zeggen konden:Omnia mea mecum porto. Maar bij vele onzer tegenwoordige jonge menschen, al kunnen zij hun Bijbel omtrent wegblazen, er schijnt maar geen aanleeren aan te zijn. Hoor den Dominé den tekst eens aflezen, en let dan eens op, hoeveel dametjes in dat kleine, kleine boekje niet eens den weg weten, maar in die korte paadjes nog verdwalen. O, ik heb wel eens gevreesd dat dieBibliolahet symbolum van een leelijk ding waren: van een soort van miniatuur-godsdienst, naar de mode dezer dagen verknipt en versneden, die men overal met zich[95]kan nemen, zonder dat zij ooit hindert; ja, waarvan men niets merken zou, als zij niet tusschen beide, bij het een of ander ongelukje, uit haar schuilhoek te voorschijn kwam. Maar foei, ik wil mij liever gewennen, tegen zulke zwaarmoedige gedachten op mijn hoede te wezen; ik geloof dat zij Hem, wiens zaak ik er door meen voor te staan, meer oneer, dan eere aandoen. Indedaad! als ik maar alleen aan de dagen terug denk, toen slechts weinige vergankelijke bladen de woorden des eeuwigens levens bewaarden.—broze planken met den schat der wereld bezwaard!—dan vind ik mijzelven kleinhartig en ondankbaar, dat ik, om de uitwendige inkorting van het wetboek, terstond aan een inperking van het rijk denk, door van kleine bijbels tot kleine Christenen, en van kleine Christenen tot een klein Christendom te besluiten!Zie mij daar mooi van den tekst afgedwaald. Nu, ik sta ook op geen katheder, en heb mijn verdeeling niet van te voren opgegeven. Als het waar is, watBilderdijkzegt, dat in elken schrijfstijl de overgangen het moeielijkst zijn, ik zal zoo vrij zijn over die moeilijkheden heen te springen, door geen overgang in het geheel te maken.Om dan weêr tot mijn register terug te keeren; hoeveel en velerlei gewaarwordingen rijzen er bij mij op, als ik het aanzie. Ziedaar de geschiedenis van geheele geslachten in een klein bestek saamgevat. Wat er buiten dat met hen gebeurde, is nauwlijks der vermelding waardig. Hier vind ik de aanteekening van hun intrede in de wereld, van de vader- en moedervreugde door hen gesmaakt, van de vader- en moedersmart door hen geleden, en van de wijze huns ontslapens. Alles saamgenomen, niet veel meer dan het bericht des ouden Geschiedschrijvers:Henochdan wandelde met Godt, en Godt nam hem wech.Maar waarom meer? Voor hen, op wie naderhand deze Bijbel zou overgaan, was dit weinige genoeg. Want dit alleen was van voortdurend belang; het overige rust met hun stof onder hunne zerken.Op welk een waardige wijze heeft mijn Oudvader dit register ingewijd en geopend!Solo deo gloriastaat met groote letters bovenaan. Daaronder vindt gij de woorden vanJosua:Aengaende my en de myn huys, wy sullen den Heere dienen.Vervolgens zijn naam.Aengaende my ende myn huys, wy sullen den Heere dienen.Welk een plechtige verbintenis voor hem en de zijnen! Zeker stelde hij zich daarbij zijn nakomelingschap voor den geest, in wiens handen deze Bijbel komen zou. Zij zouden het daar lezen, wat hun Stamvader voor hen aan den Heer had toegezegd. Aan hen was het nakomen dier verbintenis opgedragen. Zij moesten nu weten, of zij dezen altaar der getuigenis wilden omwerpen, of daarop den eed huns vaders herhalen! Zij moesten het weten, of zij de assche des mans door hun afval in zijn graf ontrusten, of door hun getrouwheid daarop een eerzuil stichten wilden. Hij had het zijne gedaan. Hij liet het overige aan hun verantwoording over. O, wie weet, hoe menigeen, die de handen reeds tot het kwade had uitgestrekt, ze gebonden heeft gevoeld door die gelofte:Aengaende my ende myn huys, wy zullen den Heere dienen?[96]Hoe het zij, niet alleen het onderschrift bij den naam des mans geplaatst: in den Heere ontslapen; maar zoo vele andere soortgelijke onderschriften, bij de namen zijner afstammelingen gevoegd, bewijzen dat dit woord niet ter aarde gevallen is. En de vrome man kan met vroolijk vertrouwen met zijn talrijke nakomelingschap, zich voor het aangezicht desAllerhoogstenscharen en op hen wijzen: Aangaande mij en mijn huis, wij hebben gezocht u te dienen!Maar al klinken die getuigenissen nog zoo vriendelijk en uitlokkend: In vrede heen gegaan—Zalig verscheiden—In hope ontslapen; het is toch ook aandoenlijk te bedenken, hoe veel smart er in deze woorden ligt opgesloten. O, hoe menige traan zal daarop gevallen zijn! Mijn oude Bijbel! Indien alle Bijbels veel smarte zien, en de vertrouwden van veel lijden zijn, gij vooral zijt de getuige van veel rouw geweest. Hoe menig verscheurd vaderhart zal, over u heengebogen, zijn jammer hebben uitgekreten, terwijl de hand het woord des doods onder den naam van een geliefd kind schreef! hoe menige bedroefde wees zal de pen aan de vingers hebben voelen ontvallen, die op dit blad het bitterste oogenblik zijns levens aanteekenden! hoe menig treurende echtgenoot zal als met zijn hartebloed die wreede letteren geschreven hebben, waarmede hij hier de grootste ramp zijns levens boekte! O, gij zijt als een geliefd grafteeken, lauw van zuchten, en nat van tranen!Treffend is het te zien, hoe verschillend zich de smart hier heeft uitgedrukt; want de meesten hebben bij hunne eenvoudige berichten uit hun leven een enkel woord uit hun hart gevoegd. Bij het eene lees ik kalme berusting:De Heere heeft gegeven, ende de Heere heeft genomen, de naem des Heeren zij gelooft.Bij den anderen meer dan berusting, dankbare goedkeuring van Gods beschikking:Nu laat gij, Heere, uwen dienstknecht gaen in vrede, na uw woort. Bij sommigen weder diepe droefheid: Ick zal rouwbedryvende tot mynen sone in ’t graf nederdalen. Bij anderen eindelijk hartstochtelijke smart: Och dat ick, ick, voor u ghestorven ware,Absalon, myn sone, myn sone!Maar o, hoe hartverheffend daarbij te bedenken: voor die allen heeft deze Bijbel troost gehad. Dat vertrouwen van hun smart aan zijn bladen, het was als het vluchten van een kind tot zijn moeder, om in haar boezem zijn leed uit te storten. Neen, die Bijbel nam die wreede letters niet aan, even als de grafsteen, waarop het harde en kille woord dood nog harder en kouder schijnt; maar hij nam ze in zijn weeke borst op, om ze met zachte en warme woorden van troost te beantwoorden. Niemand ging ledig van hier; voor iedereen had hij een bemoediging naar zijn behoefte; voor den eenen viel dit, voor den anderen dat zijner bladen open, maar voor ieder juist hetgeen hem meest noodig was.Het was of een Engel naast hen stond en de bladen opsloeg! O! als ik dat bedenk, valt mijn oog met onuitsprekelijke liefde op u, Hemelsch woord der vertroosting! Nu, dan wil ik u ook als zoodanig in eere houden. En, ontvang mijn gelofte! als er kwade dagen komen, gij zult de eerste zijn, tot wien ik mijne toevlucht neem.[97]Ik zal tot u komen en u toeroepen: Gij hebt den vader vertroost: vertroost ook den zoon!Maar als met zoo veel roode letters onder de zwarte, hoe vele vroolijke berichten staan hier niet opgeteekend! Ik kan ze nauwelijks tellen! hoeveel zalige huwelijksvereenigingen! hoe veel van God afgebeden kinderen! hoe veel vroolijke en heugelijke feestdagen!Zalige huwelijksvereenigingen! O, mij dunkt, ik zie den bruidegom, zooals hij uit het heiligdom des Heeren weêrgekeerd, zijn blozende bruid terstond naar dezen Bijbel voert, om haar in het familieregister op te teekenen. Ik zie ze daar beide staan met die wolk van ernst, half als een weggeslagen sluier over het blosje der vreugde gespreid; met dat drijvende oog, beurtelings opgeheven en op elkander geslagen; met die mengeling van vroolijkheid en weemoed in hun geheele houding. Met vingers tintelende van ongeduld schrijft de gelukkige man hun beider namen naast elkander, onder de namen zijner ouderen. Zie, men kan het de letters nog aanzien, hoe zijn hand daarbij gebeefd heeft! straks werpt hij de pen van zich, en slaat zijn armen om de geliefde vrouw, die hij alsnu plechtig onder de bescherming van zijn huisgoden heeft geplaatst. En nu, nu zie ik ze beide de kniën bij den Bijbel nederbuigen, en zich daar voornemen:Niet waar? Wy zullen op ons padGedurig samen nederknielen,En brengen ’t offer onzer zielen,Wien onze kindschheid vroeg aanbad;Wij zullen samen, alle dagen,Dat boek ontsluiten van den Heer,Ons laven aan zijn liefdeleer,En om zijn Hemelsch manna vragen.Wy zullen, Dierbaarste! iedre smart,Die bittre tranen vergt of zuchten,Bij ’s Heeren troostrijk woord ontvluchten;En, met den Bijbel aan ons hart,Ten laatste ook den Dood niet duchten,Wiens prikkel weggenomen werd.Dat was toch treffender en stichtelijker, dunkt mij, dan de gewoonte van heden om zoo spoedig mogelijk met den ontvangen huwelijkszegen op den loop te gaan. Foei, ik kan mij met die leelijke mode nog maar niet verzoenen. Nauwelijks zijn de handen van het bruidspaar ineen gelegd, of de reiskoets eischt ze op. Ter nauwernood wordt aan de bruid de tijd gelaten om, aan de voeten van haar ouders gezonken, hun zegen over haar hoofd af te smeeken. O, hoe wordt de arme het vertrek uit het ouderlijk huis verzwaard. Zij mag van zooveel dierbare herinneringen niet eens plechtig afscheid nemen. Zij heeft nog zooveel geliefde plekjes te begroeten, nog zooveel geliefde voorwerpen vaarwel te zeggen.… Mevrouw, het rijtuig wacht!—Zij heeft behoefte, nog eens bij haar maagdelijk leger, waarvoor ze zoo[98]dikwijls nederknielde, de kniën te buigen om haar lot aan den Leidsman harer kindsheid aan te bevelen.… Zijt gij gereed?—Zij moet een lieven broeder, een trouwe zuster verlaten, en heeft hun nog zooveel te zeggen.… Komt gij haast?—Daar in de verte staan hare speelnooten, de vriendinnen harer jeugd, die zij nog geen enkel woord heeft kunnen toespreken.… Kom dan toch!—Alles achter haar, alles rondom haar roept haar toe: Blijf! Maar de stem haars bruidegoms, nu haar meester, gebiedt haar: Ga! en zij brengt de liefde des kinds aan de liefde der bruid ten offer! een voorteeken van de bestemming die haar wacht. O, ik weet het, zij doet het, zij doet het gaarne; zij heeft den man, die haar opeischt, lief, liever dan de betrekkingen, die haar willen terughouden. Het is voor haar niet alleeneenplicht, het is voor haar een geluk, wat haar is opgelegd: vader en moeder te verlaten om alleen haren man aan te hangen; zij is er ook verre af zijn recht te betwisten. Maar ik vraag alleen voor haar: is het vriendelijk, dat recht terstond zoo hardte doengelden?En al ware het, Mijnheer! dat uw bruid uw verkiezing deelde, ik blijf zeggen, dat het een ongelukkige gewoonte is!Een kat, die een stuk vleesch van tafel gestolen heeft, en met haar buit in den bek over de daken vliegt, tot zij een veilig hoekje vindt, waar zij in vrede haar roof genieten kan: ziedaar, met uw verlof, het bevallige beeld van den hedendaagschen bruidegom. Vroeger schaakten de minnaars hun liefje vóór het huwelijk; het heeft er veel van, of zij ze nu na het huwelijk schaken. Niemand die de jonggetrouwden, hals over kop, als twee gekoppelde doggen, zonder stilstaan of omzien, den huwelijksweg ziet ophollen, zou, naar ’t uiterlijk te oordeelen, kunnen gelooven, dat hun verbindtenis waarlijk „met goedkeuring van wederzijdsche ouders” gesloten is. Is het wonder dat de liefde van menig echtpaar het zoo kort uithoudt, daar zij begint met zich buiten adem te loopen? In waarheid, men doet veeleer, of het huwelijksgeluk een schat is, door den Draak van denDrachenfelzof den Berggeest van hetZevengebergtebewaakt, uit wiens klauwen men het moet gaan halen, dan of het een gouden kleinood ware, dat, even als in de kindersprookjes, in den grond onder den huiselijken haard verborgen ligt, en door den ooievaar, die op het dak nestelt, bewaard wordt. O, ik weet wel, dat de eerste oogenblikken, waarin twee gelieven elkander voor het eerst geheel de hunne noemen, altijd overgelukkig zijn. Maar gij zult mij toch vergunnen het er voor te houden, dat er voor dat geluk een beter tooneel is, dan een reiskales op den straatweg. „Zoo zijt gij dan geheel de mijne! Ik ken geen grenzen voor mijn geluk!”—„Een tolhek, Mijnheer!”—„Ik gevoel mijzelven niet! Ik weet niet waar ik ben!”—„Halfweg! hier krijgen de paarden water.”—„Een hemel van … hots hots—(hier is het gelukkige paar op een opgebroken straatweg,) van zaligheid … hots-hots … druk ik in u … hots-hots … aan mijn … hots-hots … hart!” Was het dan niet beter, stilletjes te huis te[99]blijven, en daar, in de vredige schaduw der ouderlijke liefde en onder het stralend licht der ouderlijke vreugde, de eerstelingen van een geluk te genieten, dat, zoo het een waarachtig geluk zijn zal, een stil geluk zal moeten wezen?En al ware de huwelijksreize van de zijde van het jonge paar goed te maken, van den kant der nablijvende betrekkingen zal er zich altijd een stem tegen blijven verheffen. Waarlijk, de jonggehuwden vergrijpen zich hoogelijk aan den zoeten plicht van anderen in zijn vreugde te laten deelen. Begrijpen zij dan niet, hoe zalig het voor hun vader zou geweest zijn, hun verliefde dronkenschap te bespieden? welk een verrukking hun moeder in den aanblik hunner wederzijdsche teederheid zou geschept hebben? Weten ze dan niet, welk een aangenaam, vroolijk hartverheffend schouwspel voor ieder goed hart het gezicht van een gelukkig bruidspaar is? Waarlijk, wat zij ons nu ontnemen, kunnen zij ons nimmer teruggeven. Het huwelijksheil moge verder ongestoord blijven ja zelfs toenemen, het vertoont zich nooit meer zoo zichtbaar en liefelijk naar buiten! het is het openspringen van den knop des genots, waarvan zij ons het gezicht ontrooven. Zie, hoe treurig wij achterblijven. De laatste kus is gegeven, de laatste handdruk gewisseld, het laatste vaarwel toegeroepen, de wuivende zakdoek verdwenen, het geluid van het hen wegvoerende rijtuig gestorven.… wij keeren naar binnen terug. Hoe treurig is het daar! Zijn dat zoete vreugdetranen, feestvierende moeder, die u langs de wangen biggelen? Neen! die tranen zijn bitter: er is smart in, de diepste smart, die des afscheids.—Is dat een blijde glimlach, jubelende vader, die u om de lippen speelt? Neen! het is een pijnlijke lach: er is droefheid in, de droefheid des vaarwels.—En wij allen—wat staan wij vreemd en stijf tegenover elkander! Overal missen wij de bruid. Sedert zij vertrokken is, is alles van aanzien veranderd. Het groen langs de wanden schreeuwt nu tegen ons aan; de bloemen, langs den grond voor het bruidspaar uitgestrooid, springen ons voor het hoofd. Eindelijk komt men tot zitten. Het is nu toch een feest; men moet het vieren. Nu ja, men viert het ook. Men schikt zich rondom de tafel: men eet, men drinkt, men praat, men lacht. Maar er blijft toch iets schrikkelijk ledigs over. Bij iederen feestdronk volgen honderd zuchten de geliefde vluchtelingen. Men staat eigenlijk in den geest veel meer achter op den reiswagen, dan men achter de tafel zit. Ieder oogenblik breekt er een het gesprek af: Nu zijn ze reeds hier!—Nu zijn ze daar!—Nu zullen zij er haast wezen!—Nu zijn zij er!—Foei, het is een treurig vieren van het blijdste feest ter wereld!—Jonge menschen! ik wensch u in uw huwelijk zooveel vreugde als ooit door een echtpaar gesmaakt is. Maar ik zeg, dat het kwalijk van u gedaan is, uw vreugde te beginnen met de onze te bederven!Doch ik wil mij niet boos maken. Daarom wend ik het oog liever naar de Geboorteberichten, waarvan ik zoo menige blijde aankondiging voor mij heb.[100]Vader- en moedervreugde! hoe dikwijls spraakt gij uw blijdschap in de woorden uit, die ze hier vereeuwigen? Wie zou al het geluk kunnen beseffen, dat daarin is uitgedrukt? Zoo iemand, zeker alleen een vader of moeder zelve,Jonathanniet. Maar toch heb ik gevoel voor het gevoel, dat ik niet ken, en, indien gij het mij wilt toestaan, vaders en moeders! ik deel sympathetisch in uw geluk. Neen, ik weet niet wat het is: zijn aanzijn verdubbeld te zien, in zijn evenbeeld te herleven, zijn hart als in een anderen boezem te voelen kloppen, en zijn bloed in eens anders polsen jagen; ja, een schaduw te ontwaren van het genot des Volzaligen, die genoemd wordt:Alvader!Maar ik kan toch bevroeden, wat het is, een lief, onnoozel schepsel te hebben, waaraan men met het geheele hart hangt; dat u met de zoetste namen noemt; dat aan uw boezem spelende, daarvan alle zorgen verjaagt, zooals het u dwingt alles van uw schoot te zetten; dat uw eenzaamheid vervult en uw huis vervroolijkt; dat aan uw verouderend hart een jonge liefde, en aan uw stervende eerzucht een nieuw doel geeft; dat u schemerend doet gevoelen, waarom het de naam van hetzelfde wezen is:Volzalige, zaligmaker!Zoo zijn het dan voor mij geen doode letters, waarin ik de uitstorting des vaderlijken gevoels in de ure des vaderzegens leze. En wie zou ook koel kunnen blijven bij de gedachte aan zoo vele gelukkigen, als dit blad met blijde vadertranen doorweekt hebben? Of spreekt niet de stemme huns gejuichs nog in de vroolijke uitboezemingen der dankbaarheid aan God, op dit papier uitgestort? Hier is het een vader, die zijn zoonGodgeschenknoemt, want, voegt hij er bij, ik heb hem van den Heer gekregen.—Daar is het een ander die terstond van zijn dierbaar recht gebruik maakt, om voor zijn kind te bidden: Och datIsmaelmochte leven voor uw aangesichte!—Ginds is het weder een ander, die, in de vreugde zijns harten, van zijn vreugde een altaar der getuigenis maakt om in de volgende donkere dagen ter bemoediging aan te zien.—Ja, ik vond er trekken in, die een verhevenheid ademen, welke het hart roert en opheft. Neem eens den zonderlingen, maar stouten inval van den vader, die met een hard trillende van aandoening schrijft:Dankbaar erken ik heden van God ter leen ontvangen te hebben mijn lieven zoonJohannes, mij bereid erkennende hem op elken oogenblik weder af te staan.Met het terstond daarop volgende:Hier ben ick!vanAbraham.—Neem eens de berusting eens beroofden echtgenoots, die zijn kind duur heeft moeten koopen,—al te duur, zegtBorger,—en den Zoon der smarte,Ben-Oni, met den AartsvaderBen-Jaminnoemt: Zoon der rechterhand, want hij zal mij sterken.—Neem eens dien trek, die den wijsgeer schetst, en toch ook den bekommerden vader niet verloochent, dien ge bij mijn naam vindt:Beter is de dagh des doods, dan de dagh dat yemand geboren wordt.—O, het zijn slechts korte woorden, die ge hier aantreft, maar woorden vol zin en[101]beteekenis, die een geheel karakter, een geheel leven schetsen. En indien het waar is wat men zegt, dat er sommige oogenblikken in het menschelijk leven zijn, waaruit men den mensch geheel kan leeren kennen, dan zijn die korte opschriften uit de gewichtigste uren des levens even als zoovele familieportretten van de verschillende leden des geslachts, schoon in die verscheidenheid allen denzelfden familietrek bewarende, en dezelfde leus voerende:Soli deo gloria.En weet ge wat mede het voorrecht van zulk een Stamboom is? De naamgeving krijgt er eenige beduidenis door. Ik moet er toch voor uitkomen, dat het mij aan het hart gaat, dat zulk een treffend gebruik tot zulk een nietige ceremonie geworden is. Indedaad, dat deden de Hebreeuwen beter. Zij gaven hunnen kinderen een naam naar de hope, die zij van hen koesterden, naar de deugd, tot wier beoefening zij ze bovenal verplichten wilden. Zoo was het metPetrus:Ghy zytSimon, ghy sult genaemt wordenCephas!—Vergat gij het,Simon, in den nacht, toen de Rots der gemeente voor het vuur der verzoeking versmolt? Dan dacht gij er toch aan, toen gij, van uwen val opgestaan, het houten kruis uw arduinen moed ten grondslag gaaft!—Gewis bij hen was de naam hun gegevenEen stem der leeringe, en een woordVan wijsheid, op hun pad gehoord,En nooit verachtloosd of vergeten;Een andere inspraak van ’t geweten,Een licht dat voor hun voeten gloort.Bij ons! ik mag er niet aan denken. Wie denkt er aan, vader of peter, wanneer hij zijn naam op den jonggeborene overdraagt, wat die naam beteekent? En toch hebben de meeste van onze namen zulke schoone beteekenissen! te schooner, wanneer zij tevens door geliefde Heiligen gevoerd zijn! Verbeeld u eens, dat men alleJohannessenden plicht inscherpte om het zacht en beminnelijk beeld des Apostels te dragen, wiens naam ze voeren. Verbeeldt u, dat men alleMaria’sdien stillen, vromen geest zocht in te boezemen, dien men onwillekeurig aan dien naam verbindt. Mijn lieve moeder althans heeft mij wel degelijk bij mijnJonathans-naam eenJonathans-hart zoeken te geven; en indien het haar niet beter gelukt is, wijt de schuld alleen aan mijn wederstrevigheid. Maar het is zoo, dan moesten ook die nare en leelijke verminkingen en verkortingen uit den weg. Foei, hoe ik er mij aan ergeren kan! Gij lacht, als uw knecht den een of anderen vreemden naam mishandelt, en gij zelf, gij misvormtden schoonenzinrijkennaam van uw eigen kind tot een leêgen, dooden klank. Waar zijt gij, onzeAbrahamsenRebecca’s, onzeJohannessenenMagdalena’s, onzePetrussenenMaria’s? Ik herken u niet in onzeBrammetjesenPietjes,JantjesenMietjes.Pour que ton nom sonnât plus doux dans la maison,D’un nom mélodieux nous l’avions baptisée.[102]In ernst, ik zou er boos om kunnen worden; en met Tollens willen uitvaren:Neen, dien achtbren naam mij nooitTot een beuzelklank verplooid!Immers ontneemt gij aan uw namen alle kracht. O, Met welk een nadruk kon mijn moeder mij toeroepen:Jonathan! Jonathan!—er lag een diepe zin van waarschuwing in dien uitroep. Maar als ik mij nu verbeeld, dat zij mij vermaand hadde:Joontje! Joontje!ofTannetje! Tannetje!zeker ik geloof niet, dat die stem mij tot nu toe zou zijn bijgebleven. Maar niet aldus in mijn geslacht. Menige uitdrukking op mijn register toont, dat men er nog iets bij dacht, als men een kind bij den Christelijken doop zijn Christelijken naam gaf.Mijn eerwaardige Stamboom? Zeker hadt gij verdiend langer in het geslacht te blijven, welks naam gij voert, dan nu, helaas! het geval zal zijn. Gij hadt nog met menigen telg uit onzen stam kunnen vermeerderd worden. Maar het zal zoo niet wezen. De man, die voor u staat is de laatste van zijn naam. In en met hem zult ook gij uitsterven. Zeg mij, zijn er bitterder tranen, dan dit gevoel mij op uwe bladen doet vergieten? ik geloof het niet. Anders zijn er al zeer bittere tranen. Bereid u dus tot een spoedige rust. Nog één naam—gij zult nooit een koeler hand op uw bladen gevoeld hebben—en alles is voorbij!—Mijn erfgenaam heeft niets dan den dag van mijn overlijden in te vullen. Mijn grafschrift heb ik zelve reeds bij mijn naam gevoegd:Beter de dagh des doodts, dan de dagh dat yemand geboren wordt![103]

DE STAMBOOM.

Niet waar, dat zoudt ge niet gedacht hebben, datJonathaner ook een stamboom op nahoudt?En hoe meent ge wel dat hij er uitziet?Denkt gij misschien aan een groote perkamenten kaart met cirkels en lijnen, waaraan de namen der respectieve leden van de familie zijn opgehangen, die, zich van boven naar beneden uitbreidende, het hartroerende figuur van een omgekeerde peer opleveren?Of verbeeldt gij u mogelijk een enorme schilderij, met wapens bemaald, waarop het aandoenlijk is te zien, hoe het wilde zwijn zich met het hert, en de sperwer zich met de duif verdraagt? Als ware het een voorspel van die gouden eeuw, door de profeten geschilderd:Het Lam zal met den Wolf verkeeren als gespeel:De Luipaard naast het kalf zich vleien in ’t gareel:De Leeuw zal zich op ’t stroo aan ’s Rundiers kreb vergasten:Geen Beer, geen Tijger taalt om ’t Geitjen aan te tasten.Of hebt gij misschien een dik wapenboek voor den geest, waarin al de Edelen achtereenvolgens op een rij staan geschaard, even als in een kabinet van Natuurlijke historie, mannetje en wijfje naast elkander, ieder op zijn plaats en in zijn orde?In elk geval misgeraden!Neen, wanneer gij mij ooit de eer doet van mij een bezoek te brengen, zult gij in een hoek van onzen huishoudkamer een ouderwetschen standaard op drie voeten zien staan, met een schuins staand blad, waarop gij een boek in folio in zwart lederen band met koperen sloten zult zien liggen—daarin zult gij mijn Stamboom vinden.Maar dat is een Bijbel! voert gij mij tegen. Gij zijt er! dat is het ook. Welnu, in dien band, vóór den Bijbel, vindt gij een blad door verschillende handen beschreven: dat zijn mijn familiepapieren!Dat ziet er niet best uit, niet waar? Gij hebt gelijk. Ik ben niets dan een simpeleroturier. Geen heraut heeft ooit een schelling aan mijn geslacht verdiend. Ik moet mij met den troost van alle laaggeborenen behelpen, dat ik inAdam, den algemeenen Stamvader der[90]menschen, van den oudsten adel ter wereld ben. Verder kan ik het niet brengen. Ik zou er mijn hals niet onder durven verwedden, of ik uit Joodsch of Heidensch bloed gesproten ben; of mijn voorvaderen onder het Romeinsche juk zijn doorgegaan of den Romeinschen adelaar gedragen hebben; of zij bij de tornooien tot degenen behoord hebben, die den hals braken, of die halzen zagen breken; of zij sporen droegen, sporen aangespten, of sporen vervaardigden; of de groote Potentaten ze met hun zwaard op de schouders of op den rug sloegen, dat zulk een groot verschil maakt. Kortom, ik weet er niets hoegenaamd van, en, als dit niet uit delex non scriptader natuur volgde, zou ik zelfs niet eens kunnen bewijzen, dat ik ooit verre voorvaders gehad had.Denk evenwel niet, dat mij dit niet spijt. Ik vind het een Cynisme, grooter dan van iemand op deze wereld gevergd wordt, er volstrekt onverschillig voor te wezen, welken naam men draagt. Het is wel zoo, dat men er thans niet veel aan heeft, of uw voorvaderen, op het steken van hun trompet, honderd man in het zadel riepen, daar de naneef toch genoodzaakt is zijn vijf jaren bij de nationale militie uit te dienen, of anders eenremplaçantte geven: en even waar is het, dat een burgerman niets voelt van de groeven, waarmede het juk der Edelen den hals van zijn voorouders geknaagd heeft. Ook is het ontegenzeggelijk dat, sedert ruwe handen de adelijke wapenschilden onder een dik vernis van revolutionnaire kleuren gelegd hebben, de beleedigde verwen niet meer zoo helder en frisch willen worden, als zij voorheen waren. Maar dit toegegeven, zie ik niet, waarom het nog niet altijd begeerlijk zou zijn, de herinnering van vroeger grootheid aan zijn naam te verbinden. Waarlijk, in onze dagen, die zoo plat zijn als ons land, en zoo romanesk als onze duinen, is het nog iets dichterlijks, zich bij zijn wapenbord in tijden van groenende Riddereer en blozende Riddergalanterie te droomen. In onze dagen van gelijkheid, nu alle hoeden uit hetzelfde stuk vilt worden gesneden, is het nog iets, dat den boezem doet zwellen, den glanzenden helmkap aan te zien, die op den naam, dien gij voert, als een kroon van eere drukte! In onze dagen vanindustriëlenwedstrijd encommerciëleworsteling, is het nog iets schoons, bij het openvallen van de bloedige bladen onzer oude historie, op een blinkend blad te kunnen wijzen en zeggen: Deze was mijn grootvader!—En waarom het niet erkend, dat zulke herinneringen meer dan een poëtische speling, dat zij in onze eeuw van nuttigheid, ook nog nuttig kunnen zijn om in hem, bij wien ze opkomen, adelijke gevoelens op te wekken? Of gelooft gij niet, dat de eikenkrans, die den naam derDedelsenFagelsonzer dagen omringt, te fleuriger blinkt, omdat hij gewassen is aan een edelen stam, die honderden jaren telt?Zoo zij het dan verre van mij, als een onzinnige Jacobijn, op de teekenen van verjaarde grootheid te spuwen, en over alle gekroonde helmen de roode muts te willen trekken. Mijn liefde voor antiquiteiten[91]moet u het tegendeel gewaarborgd hebben. Maar dit gaat echter niet zoo ver, dat ik mij mijns deftigen burgerlijken geslachts schamen, of daaraan ergeren zou: dat ik de asch mijner vaderen in het graf nog zou willen beschimpen, omdat zij niet in een familiekelder rust; en dat ik op hun zark niet zou willen neêrknielen, omdat er niet dan hun eenvoudige naam op staat uitgebeiteld.Ik moet mijzelven beter recht doen: ik ben op mijn geslacht zoo trotsch, dat ik het niet met het geslacht van eenigen Baroen op de wereld zou willen ruilen: want mijn stamboom is van de edelste, die men zien kan!Laat ik mij verklaren.Het eerste blad van mijn bijbel is mijn stamboom.Ziedaar het sprekend wapen van mijn geslacht!Mijn voorouderen vormen een rij van vromen. Oud-Hollandsche godvrucht was als erfelijk in hun stam. Zij waren waardige zonen van die vaderen, die de uitdrukking van geloof en vertrouwen op God tot de leus hunner vendelen en den stempel hunner munten maakten. Van dat de eerste, wiens naam voor ons is bewaard gebleven, dezen Bijbel tot een stamregister inwijdde met het opschrift:Soli deo gloria!totdat mijn vader den naam van zijn zoon op dit blad schreef, waren het, met weinig uitzonderingen, enkel braven, die hier geboekt staan. Het scheen of hunne inschrijving op zulk een gewijden stamboom hen, van de geboorte af aan, tot vereering des Bijbels heiligde. Gelijk sommige Edelen door hun adelbrief tot de verdediging van een klooster of gewijd gesticht verplicht werden, zoo was het of zij door deze inlijving tot de handhaving en bescherming van het Hoogwaardige voorbestemd waren, dat hun naam ontving. En was het vreemd, wanneer de moeders, even alsHanna, bij haar gebed om den zegen des huwelijks, de hand op dezen Bijbel legden en beloofden:Soo gy myner gedenckt ende uwer dienstmaeght niet en vergeet, maar gheeft uwer dienstmaeght een mannelick zaet: So sal ik dat den Heere geven alle de daghen syns levens;—was het vreemd, dat de zoon der verhooring door haar in de dienst van Hem werd opgevoed, van wien zij hem ontvangen hadden? Wanneer de vaders, even alsHamilcar, den jeugdigen knaap bij het outer des Heiligen Woords brachten, en hem daarbij den eed van onverzoenlijken haat tegen de vijanden des Hemelschen vaderlands, en van een onuitbluschbare liefde voor dien gezegenden grond op de lippen legden; was het vreemd dat de jongeling, der eeden zijner kindsheid gedachtig, leefde en stierf in het gevoel, dat hem reeds zoo vroeg was ingeboezemd? Of was het misschien, dat de bede des rechtvaardigen, die veel vermag, het licht des Allerhoogsten op het hoofd des kinds deed nederdalen? Ik weet het niet. Genoeg, dat de deugd des vaders met zijn bloed op den zoon overging, en daardoor een stam van edelen gevormd werd, waarop het niet te hoogmoedig is trotsch te zijn.[92]Of wat dunkt u? Zou de hooggeborene alleen recht hebben van op zijn afkomst te roemen? en zou geen stamboom waarde hebben, die niet door den Raad van adel erkend is? Ik kan het niet toegeven. Indien wij onsterfelijke menschen zijn—en dat zijn wij immers, Hoogwelgeboren Heeren?—dan moet het ten minste niet minder groot zijn te kunnen zeggen: ik ben de telg van een vroom geslacht! dan: Ik ben de loot van een adelijken stam! Of hoe? indien het zoo veel zegt, uit een stamvader te zijn afgedaald, die door een aangestelden koning edel verklaard is, zou het dan niets zeggen, tot den adel te behooren, die door den Koning der koningen, den Koning van eeuwigheid tot eeuwigheid, erkend wordt? Indien men het zoo hoog schat den krans op zijn wapen te zien drukken, die een Vorst in het uur der zegepraal daarop geplaatst heeft, zou het dan niets beteekenen, of de kroon eens hoogeren triomfs door zijn geslacht is weggedragen? Is het dan alles, zijn familienaam geboekt te zien op registers, die vergaan kunnen, en niets, te weten, dat de naam, dien men draagt, geen vreemde klank is voor het oor des Engels, die „het boeck des levens des lams” houdt! En wanneer men er zich bij de menschen op laat voorstaan: hebt eerbied voor mij om mijner vaderen wille! zou men het onverschillig achten, dat men zich bij den Allerhoogste op zijn vrome vaderen beroepen kan, en metSalomoalle dingen bidden „om uwes knechts, mijnes Vaders wille?” Voorwaar om dit te beweren, moet men een uil of een ezel in zijn wapen voeren. Of zegt, is er dan niets dan het verledene? is er dan ook geen toekomst? en wat zeggen dan uw vijf-, zes-, zevenhonderd jaren achterwaarts, tegen de even zoo vele millioenen jaren voorwaarts, als er levens en bloeiens aan het geslacht des vromen, boven het geslacht des edelen als zoodanig, zijn toegezegd? O, het is iets schoons: de vrome Edelman! de palm des Hemels boven den lauwer der aarde! de man, die met den voet aan de menschen en met het hoofd aan den Heer raakt! de Edele, die als gelijke de eene hand aan koningen, en de andere aan Engelen reikt! de gelukkige, wiens naam de verloopen eeuwen aan de nimmer eindigende eeuwigheid overleveren! Maar wie tot een stam behoort, bij welken de deugd alleen in de wapenleus woont; die in het ridderlijk kleed een slavenhart omdraagt; die van zijn wapenbord een dekschild van zijn schande maakt; die het kruis des Ridders van de schouderen scheurt om het met de Riddersporen aan flarden te rijten—hem zij gezegd, dat hij behoort tot een stam die zal uitsterven. Wèl mag hij de oudheid van zijn geslacht verheffen, als hij bedenkt, dat het zijn leeftijd in weinig eeuwen zal hebben afgeleefd. O, wanneer alle graven zullen openspringen; marmeren graven en zandgraven; graven met ridderwapens en graven zonder titel; graven met een kroon en graven met een kruis gedekt; hoe vreemd zullen ze opzien, die daaruit verrijzen zullen, nadat de volgende eeuwen des aardrijks er over zijn heen gevloden! Als zoo menige Edele vinden zal, dat detijdzijn wapenschild gebroken, en hetoordelzijn naam van de lijst der Edelen[93]heeft uitgeschrapt; als zoo menige onedele zien zal, dat deeeuwigheidzijn naam bewaard, en devergeldingzijn naam geadeld heeft; als het vonnis des eeuwigen levens of des eeuwigen doods zal worden uitgesproken!Zoo wil ik dan mijn stamboom met geen anderen ruilen. Hij is voor mij, even zoo goed als voor den Edelman, een stem van vermaning om mijn vaderen in hun graf door de navolging hunner deugden te vereeren. En o! hoe luid die stem tot mij spreekt. Wanneer ik dit blad opsla, en mijn oog over al die namen dwaalt, bij de menschen vergeten, maar bekend bij God, dan is het mij of ik mij door een wolk van getuigen omringd zie, die mij opwekken en aanvuren om de loopbane te loopen, die mij is voorgesteld. Welk een achtbare kring van toeschouwers! Nooit streed de kampvechter in het Olympisch worstelperk, waar zich de bloem van Griekenland vereenigde, voor het oog van een edeler schare! En dan dat gezicht van al die leuzen der zege boven hunne namen opgehangen: In den Heer ontslapen—In vrede heengegaan—Tot zijn vaderen verzameld—hoe blinken ze mij in de oogen! O, zoo men het wel eens betreurd heeft, dat de krans der overwinning, die den Christenstrijder bij het bereiken van den eindpaal wordt toegewezen, hem eerst op het hoofd geplaatst wordt, als hij de tente der ruste is binnengegaan, waarvoor het ondoordringbaar gordijn des doods hangt, dan is het toch iets, zoo vele namen te zien, waaraan de hand der achterblijvenden, met volle vertrouwen op de goedertierenheid des „Rechtveerdigen Rechters”, den lauwer der overwinning gehecht heeft. En wanneer dan deze namen, met zulk een hemelsche glorie omschenen, op ons hoofd zijn afgedaald, zou men zich dan niet aangespoord gevoelen om rein te houden, wat men zuiver ontving, en, zoo veel men kan, in zijn deugd, als in een helderen waterspiegel, de ster te weêrkaatsen, waarvan de wedergade aan den hemel blinkt?Van wedergade gesproken, het is een weêrgaloos lastig ding, dat ik zoo verslingerd schijn te wezen op vergelijkingen. Dat komt van die ongeregelde verbeelding! Eens voor altijd vraag ik er hierbij verschooning voor. En als ik een verzoek doen mocht, zou ik wel willen vragen, dat de Recensenten, bij hun aanmerkingen, vooral tegen dit gebrek mogen te veld trekken; want het lijkt wel, dat mijn eigen overtuiging niet bij machte is mij van dit zwak af te brengen. En het is mijn spreuk: die niet hooren wil moet voelen. Ditin parenthesi, zoo als mijn Rector placht te zeggen.Zie hem daar liggen, mijn ouden, deftigen Staten-Bijbel! O, ik zie hem zoo gaarne in dit kleed! Dat folio-formaat, die zware donkere omslag, die groote koperen sloten, hebben voor mijn gevoel iets eigenaardigs. Ik vind het zoo goed, dat men het den Bijbel terstond kan aanzien, dat het geen gewoon boek is. Gij gevoelt dus, datik met al die miniatuur-uitgaafjes niet veel op heb. Ik moet bekennen, aardig zijn ze, hondjes van Bijbeltjes, gelijk ik wel eens heb hooren zeggen,[94]en gemakkelijk ook. Ik heb Engelschediamond editionsgezien, waarvan men er vijftig te gelijk in den rokzak kon steken. Maar toch willen ze mij niet recht bevallen. Ik weet wel, Mejufvrouw! het doet er niets toe, of UEd. met een 8° of 32° naar de kerk gaat, als uw mooie oogen de letters maar lezen kunnen. En als UEd. iets van den zang verstaat, komt het er niet op aan, al zijn in uw klein gezangboekje bij de meeste coupletten de muzieknoten weggelaten. Maar toch, er is voor mijn gevoel in die dwergjes van Bijbels iets ergerlijks. Het is voor mij—vergeef mij—of men den Bijbel wil wegsteken. Zie, ik vind er iets eerwaardigs in, als ik op den dag des Heeren een Dame van den ouderwetschen stempel naar Gods huis zie opgaan met een grooten Bijbel met sloten in de hand, die zij, even als een soldaat zijn geweer, fier tegen den linker boezem draagt. Men ziet het haar ten minste aan, dat zij naar Gods huis gaat, en eerbied genoeg heeft voor Zijn woord om het openlijk ten toon te dragen. Maar UEd. drentelt daarheen, zonder dat men merken kan of UEd. gaat bidden of rijden. En als UEd. uit de kerk een visite bij uw vriendinAngeliquegaat maken, moet uw Bijbeltje al juist te gelijk met uwflaconuit uw zakdoek vallen, of niemand zou weten, dat UEd. den zondag gevierd had. Nog eens; ik weet wel, dat men den schat des Evangelies zoo wel in een schildpadden, als in een bordpapieren vat kan bewaren; ik weet wel, dat hetOnze Vader, met calligraphische kunst op den omtrek van een stuivertje geschreven, even zoo wel hetallervolmaaktstegebed is als het onze Vader in de Groote kerk, met vingerlange Gothische letters, op het houten schild tegenover uw bank geschilderd. Maar toch, zoo lang ik niet zie, dat UEd. uwmantilleover deagrafehaalt, die uwcolliersluit, of uw versierde vingers in onopengewerkte handschoenen verbergt, zal ik er tegen blijven morren, dat gij u met een Bijbeltje behelpt, dat uw naaste buurvrouw nauwelijks zien kan.Ja, ware het, dat men er zulke kleine Bijbeltjes op nahield, om er eenvademecumvan te maken en ze overal bij de hand te hebben; ware het, dat men nu ook den inhoud niet alleen gemakkelijker in de hand, maar ook beter in het hoofd hield dan onze vaderen; dan mocht ik er vrede meê hebben. Maar wees oprecht en antwoord: is het wel zoo? is het niet veeleer waar, dat het schijnt als of met den Bijbel ook de hersens gekrompen zijn? Want zie, al was hun Bijbel nog zoo groot en omslachtig, onze voorouders schenen er niet tegen op te zien hem in het hoofd te brengen; zoodat velen hunner in een hooger zin dan de oude wijsgeer zeggen konden:Omnia mea mecum porto. Maar bij vele onzer tegenwoordige jonge menschen, al kunnen zij hun Bijbel omtrent wegblazen, er schijnt maar geen aanleeren aan te zijn. Hoor den Dominé den tekst eens aflezen, en let dan eens op, hoeveel dametjes in dat kleine, kleine boekje niet eens den weg weten, maar in die korte paadjes nog verdwalen. O, ik heb wel eens gevreesd dat dieBibliolahet symbolum van een leelijk ding waren: van een soort van miniatuur-godsdienst, naar de mode dezer dagen verknipt en versneden, die men overal met zich[95]kan nemen, zonder dat zij ooit hindert; ja, waarvan men niets merken zou, als zij niet tusschen beide, bij het een of ander ongelukje, uit haar schuilhoek te voorschijn kwam. Maar foei, ik wil mij liever gewennen, tegen zulke zwaarmoedige gedachten op mijn hoede te wezen; ik geloof dat zij Hem, wiens zaak ik er door meen voor te staan, meer oneer, dan eere aandoen. Indedaad! als ik maar alleen aan de dagen terug denk, toen slechts weinige vergankelijke bladen de woorden des eeuwigens levens bewaarden.—broze planken met den schat der wereld bezwaard!—dan vind ik mijzelven kleinhartig en ondankbaar, dat ik, om de uitwendige inkorting van het wetboek, terstond aan een inperking van het rijk denk, door van kleine bijbels tot kleine Christenen, en van kleine Christenen tot een klein Christendom te besluiten!Zie mij daar mooi van den tekst afgedwaald. Nu, ik sta ook op geen katheder, en heb mijn verdeeling niet van te voren opgegeven. Als het waar is, watBilderdijkzegt, dat in elken schrijfstijl de overgangen het moeielijkst zijn, ik zal zoo vrij zijn over die moeilijkheden heen te springen, door geen overgang in het geheel te maken.Om dan weêr tot mijn register terug te keeren; hoeveel en velerlei gewaarwordingen rijzen er bij mij op, als ik het aanzie. Ziedaar de geschiedenis van geheele geslachten in een klein bestek saamgevat. Wat er buiten dat met hen gebeurde, is nauwlijks der vermelding waardig. Hier vind ik de aanteekening van hun intrede in de wereld, van de vader- en moedervreugde door hen gesmaakt, van de vader- en moedersmart door hen geleden, en van de wijze huns ontslapens. Alles saamgenomen, niet veel meer dan het bericht des ouden Geschiedschrijvers:Henochdan wandelde met Godt, en Godt nam hem wech.Maar waarom meer? Voor hen, op wie naderhand deze Bijbel zou overgaan, was dit weinige genoeg. Want dit alleen was van voortdurend belang; het overige rust met hun stof onder hunne zerken.Op welk een waardige wijze heeft mijn Oudvader dit register ingewijd en geopend!Solo deo gloriastaat met groote letters bovenaan. Daaronder vindt gij de woorden vanJosua:Aengaende my en de myn huys, wy sullen den Heere dienen.Vervolgens zijn naam.Aengaende my ende myn huys, wy sullen den Heere dienen.Welk een plechtige verbintenis voor hem en de zijnen! Zeker stelde hij zich daarbij zijn nakomelingschap voor den geest, in wiens handen deze Bijbel komen zou. Zij zouden het daar lezen, wat hun Stamvader voor hen aan den Heer had toegezegd. Aan hen was het nakomen dier verbintenis opgedragen. Zij moesten nu weten, of zij dezen altaar der getuigenis wilden omwerpen, of daarop den eed huns vaders herhalen! Zij moesten het weten, of zij de assche des mans door hun afval in zijn graf ontrusten, of door hun getrouwheid daarop een eerzuil stichten wilden. Hij had het zijne gedaan. Hij liet het overige aan hun verantwoording over. O, wie weet, hoe menigeen, die de handen reeds tot het kwade had uitgestrekt, ze gebonden heeft gevoeld door die gelofte:Aengaende my ende myn huys, wy zullen den Heere dienen?[96]Hoe het zij, niet alleen het onderschrift bij den naam des mans geplaatst: in den Heere ontslapen; maar zoo vele andere soortgelijke onderschriften, bij de namen zijner afstammelingen gevoegd, bewijzen dat dit woord niet ter aarde gevallen is. En de vrome man kan met vroolijk vertrouwen met zijn talrijke nakomelingschap, zich voor het aangezicht desAllerhoogstenscharen en op hen wijzen: Aangaande mij en mijn huis, wij hebben gezocht u te dienen!Maar al klinken die getuigenissen nog zoo vriendelijk en uitlokkend: In vrede heen gegaan—Zalig verscheiden—In hope ontslapen; het is toch ook aandoenlijk te bedenken, hoe veel smart er in deze woorden ligt opgesloten. O, hoe menige traan zal daarop gevallen zijn! Mijn oude Bijbel! Indien alle Bijbels veel smarte zien, en de vertrouwden van veel lijden zijn, gij vooral zijt de getuige van veel rouw geweest. Hoe menig verscheurd vaderhart zal, over u heengebogen, zijn jammer hebben uitgekreten, terwijl de hand het woord des doods onder den naam van een geliefd kind schreef! hoe menige bedroefde wees zal de pen aan de vingers hebben voelen ontvallen, die op dit blad het bitterste oogenblik zijns levens aanteekenden! hoe menig treurende echtgenoot zal als met zijn hartebloed die wreede letteren geschreven hebben, waarmede hij hier de grootste ramp zijns levens boekte! O, gij zijt als een geliefd grafteeken, lauw van zuchten, en nat van tranen!Treffend is het te zien, hoe verschillend zich de smart hier heeft uitgedrukt; want de meesten hebben bij hunne eenvoudige berichten uit hun leven een enkel woord uit hun hart gevoegd. Bij het eene lees ik kalme berusting:De Heere heeft gegeven, ende de Heere heeft genomen, de naem des Heeren zij gelooft.Bij den anderen meer dan berusting, dankbare goedkeuring van Gods beschikking:Nu laat gij, Heere, uwen dienstknecht gaen in vrede, na uw woort. Bij sommigen weder diepe droefheid: Ick zal rouwbedryvende tot mynen sone in ’t graf nederdalen. Bij anderen eindelijk hartstochtelijke smart: Och dat ick, ick, voor u ghestorven ware,Absalon, myn sone, myn sone!Maar o, hoe hartverheffend daarbij te bedenken: voor die allen heeft deze Bijbel troost gehad. Dat vertrouwen van hun smart aan zijn bladen, het was als het vluchten van een kind tot zijn moeder, om in haar boezem zijn leed uit te storten. Neen, die Bijbel nam die wreede letters niet aan, even als de grafsteen, waarop het harde en kille woord dood nog harder en kouder schijnt; maar hij nam ze in zijn weeke borst op, om ze met zachte en warme woorden van troost te beantwoorden. Niemand ging ledig van hier; voor iedereen had hij een bemoediging naar zijn behoefte; voor den eenen viel dit, voor den anderen dat zijner bladen open, maar voor ieder juist hetgeen hem meest noodig was.Het was of een Engel naast hen stond en de bladen opsloeg! O! als ik dat bedenk, valt mijn oog met onuitsprekelijke liefde op u, Hemelsch woord der vertroosting! Nu, dan wil ik u ook als zoodanig in eere houden. En, ontvang mijn gelofte! als er kwade dagen komen, gij zult de eerste zijn, tot wien ik mijne toevlucht neem.[97]Ik zal tot u komen en u toeroepen: Gij hebt den vader vertroost: vertroost ook den zoon!Maar als met zoo veel roode letters onder de zwarte, hoe vele vroolijke berichten staan hier niet opgeteekend! Ik kan ze nauwelijks tellen! hoeveel zalige huwelijksvereenigingen! hoe veel van God afgebeden kinderen! hoe veel vroolijke en heugelijke feestdagen!Zalige huwelijksvereenigingen! O, mij dunkt, ik zie den bruidegom, zooals hij uit het heiligdom des Heeren weêrgekeerd, zijn blozende bruid terstond naar dezen Bijbel voert, om haar in het familieregister op te teekenen. Ik zie ze daar beide staan met die wolk van ernst, half als een weggeslagen sluier over het blosje der vreugde gespreid; met dat drijvende oog, beurtelings opgeheven en op elkander geslagen; met die mengeling van vroolijkheid en weemoed in hun geheele houding. Met vingers tintelende van ongeduld schrijft de gelukkige man hun beider namen naast elkander, onder de namen zijner ouderen. Zie, men kan het de letters nog aanzien, hoe zijn hand daarbij gebeefd heeft! straks werpt hij de pen van zich, en slaat zijn armen om de geliefde vrouw, die hij alsnu plechtig onder de bescherming van zijn huisgoden heeft geplaatst. En nu, nu zie ik ze beide de kniën bij den Bijbel nederbuigen, en zich daar voornemen:Niet waar? Wy zullen op ons padGedurig samen nederknielen,En brengen ’t offer onzer zielen,Wien onze kindschheid vroeg aanbad;Wij zullen samen, alle dagen,Dat boek ontsluiten van den Heer,Ons laven aan zijn liefdeleer,En om zijn Hemelsch manna vragen.Wy zullen, Dierbaarste! iedre smart,Die bittre tranen vergt of zuchten,Bij ’s Heeren troostrijk woord ontvluchten;En, met den Bijbel aan ons hart,Ten laatste ook den Dood niet duchten,Wiens prikkel weggenomen werd.Dat was toch treffender en stichtelijker, dunkt mij, dan de gewoonte van heden om zoo spoedig mogelijk met den ontvangen huwelijkszegen op den loop te gaan. Foei, ik kan mij met die leelijke mode nog maar niet verzoenen. Nauwelijks zijn de handen van het bruidspaar ineen gelegd, of de reiskoets eischt ze op. Ter nauwernood wordt aan de bruid de tijd gelaten om, aan de voeten van haar ouders gezonken, hun zegen over haar hoofd af te smeeken. O, hoe wordt de arme het vertrek uit het ouderlijk huis verzwaard. Zij mag van zooveel dierbare herinneringen niet eens plechtig afscheid nemen. Zij heeft nog zooveel geliefde plekjes te begroeten, nog zooveel geliefde voorwerpen vaarwel te zeggen.… Mevrouw, het rijtuig wacht!—Zij heeft behoefte, nog eens bij haar maagdelijk leger, waarvoor ze zoo[98]dikwijls nederknielde, de kniën te buigen om haar lot aan den Leidsman harer kindsheid aan te bevelen.… Zijt gij gereed?—Zij moet een lieven broeder, een trouwe zuster verlaten, en heeft hun nog zooveel te zeggen.… Komt gij haast?—Daar in de verte staan hare speelnooten, de vriendinnen harer jeugd, die zij nog geen enkel woord heeft kunnen toespreken.… Kom dan toch!—Alles achter haar, alles rondom haar roept haar toe: Blijf! Maar de stem haars bruidegoms, nu haar meester, gebiedt haar: Ga! en zij brengt de liefde des kinds aan de liefde der bruid ten offer! een voorteeken van de bestemming die haar wacht. O, ik weet het, zij doet het, zij doet het gaarne; zij heeft den man, die haar opeischt, lief, liever dan de betrekkingen, die haar willen terughouden. Het is voor haar niet alleeneenplicht, het is voor haar een geluk, wat haar is opgelegd: vader en moeder te verlaten om alleen haren man aan te hangen; zij is er ook verre af zijn recht te betwisten. Maar ik vraag alleen voor haar: is het vriendelijk, dat recht terstond zoo hardte doengelden?En al ware het, Mijnheer! dat uw bruid uw verkiezing deelde, ik blijf zeggen, dat het een ongelukkige gewoonte is!Een kat, die een stuk vleesch van tafel gestolen heeft, en met haar buit in den bek over de daken vliegt, tot zij een veilig hoekje vindt, waar zij in vrede haar roof genieten kan: ziedaar, met uw verlof, het bevallige beeld van den hedendaagschen bruidegom. Vroeger schaakten de minnaars hun liefje vóór het huwelijk; het heeft er veel van, of zij ze nu na het huwelijk schaken. Niemand die de jonggetrouwden, hals over kop, als twee gekoppelde doggen, zonder stilstaan of omzien, den huwelijksweg ziet ophollen, zou, naar ’t uiterlijk te oordeelen, kunnen gelooven, dat hun verbindtenis waarlijk „met goedkeuring van wederzijdsche ouders” gesloten is. Is het wonder dat de liefde van menig echtpaar het zoo kort uithoudt, daar zij begint met zich buiten adem te loopen? In waarheid, men doet veeleer, of het huwelijksgeluk een schat is, door den Draak van denDrachenfelzof den Berggeest van hetZevengebergtebewaakt, uit wiens klauwen men het moet gaan halen, dan of het een gouden kleinood ware, dat, even als in de kindersprookjes, in den grond onder den huiselijken haard verborgen ligt, en door den ooievaar, die op het dak nestelt, bewaard wordt. O, ik weet wel, dat de eerste oogenblikken, waarin twee gelieven elkander voor het eerst geheel de hunne noemen, altijd overgelukkig zijn. Maar gij zult mij toch vergunnen het er voor te houden, dat er voor dat geluk een beter tooneel is, dan een reiskales op den straatweg. „Zoo zijt gij dan geheel de mijne! Ik ken geen grenzen voor mijn geluk!”—„Een tolhek, Mijnheer!”—„Ik gevoel mijzelven niet! Ik weet niet waar ik ben!”—„Halfweg! hier krijgen de paarden water.”—„Een hemel van … hots hots—(hier is het gelukkige paar op een opgebroken straatweg,) van zaligheid … hots-hots … druk ik in u … hots-hots … aan mijn … hots-hots … hart!” Was het dan niet beter, stilletjes te huis te[99]blijven, en daar, in de vredige schaduw der ouderlijke liefde en onder het stralend licht der ouderlijke vreugde, de eerstelingen van een geluk te genieten, dat, zoo het een waarachtig geluk zijn zal, een stil geluk zal moeten wezen?En al ware de huwelijksreize van de zijde van het jonge paar goed te maken, van den kant der nablijvende betrekkingen zal er zich altijd een stem tegen blijven verheffen. Waarlijk, de jonggehuwden vergrijpen zich hoogelijk aan den zoeten plicht van anderen in zijn vreugde te laten deelen. Begrijpen zij dan niet, hoe zalig het voor hun vader zou geweest zijn, hun verliefde dronkenschap te bespieden? welk een verrukking hun moeder in den aanblik hunner wederzijdsche teederheid zou geschept hebben? Weten ze dan niet, welk een aangenaam, vroolijk hartverheffend schouwspel voor ieder goed hart het gezicht van een gelukkig bruidspaar is? Waarlijk, wat zij ons nu ontnemen, kunnen zij ons nimmer teruggeven. Het huwelijksheil moge verder ongestoord blijven ja zelfs toenemen, het vertoont zich nooit meer zoo zichtbaar en liefelijk naar buiten! het is het openspringen van den knop des genots, waarvan zij ons het gezicht ontrooven. Zie, hoe treurig wij achterblijven. De laatste kus is gegeven, de laatste handdruk gewisseld, het laatste vaarwel toegeroepen, de wuivende zakdoek verdwenen, het geluid van het hen wegvoerende rijtuig gestorven.… wij keeren naar binnen terug. Hoe treurig is het daar! Zijn dat zoete vreugdetranen, feestvierende moeder, die u langs de wangen biggelen? Neen! die tranen zijn bitter: er is smart in, de diepste smart, die des afscheids.—Is dat een blijde glimlach, jubelende vader, die u om de lippen speelt? Neen! het is een pijnlijke lach: er is droefheid in, de droefheid des vaarwels.—En wij allen—wat staan wij vreemd en stijf tegenover elkander! Overal missen wij de bruid. Sedert zij vertrokken is, is alles van aanzien veranderd. Het groen langs de wanden schreeuwt nu tegen ons aan; de bloemen, langs den grond voor het bruidspaar uitgestrooid, springen ons voor het hoofd. Eindelijk komt men tot zitten. Het is nu toch een feest; men moet het vieren. Nu ja, men viert het ook. Men schikt zich rondom de tafel: men eet, men drinkt, men praat, men lacht. Maar er blijft toch iets schrikkelijk ledigs over. Bij iederen feestdronk volgen honderd zuchten de geliefde vluchtelingen. Men staat eigenlijk in den geest veel meer achter op den reiswagen, dan men achter de tafel zit. Ieder oogenblik breekt er een het gesprek af: Nu zijn ze reeds hier!—Nu zijn ze daar!—Nu zullen zij er haast wezen!—Nu zijn zij er!—Foei, het is een treurig vieren van het blijdste feest ter wereld!—Jonge menschen! ik wensch u in uw huwelijk zooveel vreugde als ooit door een echtpaar gesmaakt is. Maar ik zeg, dat het kwalijk van u gedaan is, uw vreugde te beginnen met de onze te bederven!Doch ik wil mij niet boos maken. Daarom wend ik het oog liever naar de Geboorteberichten, waarvan ik zoo menige blijde aankondiging voor mij heb.[100]Vader- en moedervreugde! hoe dikwijls spraakt gij uw blijdschap in de woorden uit, die ze hier vereeuwigen? Wie zou al het geluk kunnen beseffen, dat daarin is uitgedrukt? Zoo iemand, zeker alleen een vader of moeder zelve,Jonathanniet. Maar toch heb ik gevoel voor het gevoel, dat ik niet ken, en, indien gij het mij wilt toestaan, vaders en moeders! ik deel sympathetisch in uw geluk. Neen, ik weet niet wat het is: zijn aanzijn verdubbeld te zien, in zijn evenbeeld te herleven, zijn hart als in een anderen boezem te voelen kloppen, en zijn bloed in eens anders polsen jagen; ja, een schaduw te ontwaren van het genot des Volzaligen, die genoemd wordt:Alvader!Maar ik kan toch bevroeden, wat het is, een lief, onnoozel schepsel te hebben, waaraan men met het geheele hart hangt; dat u met de zoetste namen noemt; dat aan uw boezem spelende, daarvan alle zorgen verjaagt, zooals het u dwingt alles van uw schoot te zetten; dat uw eenzaamheid vervult en uw huis vervroolijkt; dat aan uw verouderend hart een jonge liefde, en aan uw stervende eerzucht een nieuw doel geeft; dat u schemerend doet gevoelen, waarom het de naam van hetzelfde wezen is:Volzalige, zaligmaker!Zoo zijn het dan voor mij geen doode letters, waarin ik de uitstorting des vaderlijken gevoels in de ure des vaderzegens leze. En wie zou ook koel kunnen blijven bij de gedachte aan zoo vele gelukkigen, als dit blad met blijde vadertranen doorweekt hebben? Of spreekt niet de stemme huns gejuichs nog in de vroolijke uitboezemingen der dankbaarheid aan God, op dit papier uitgestort? Hier is het een vader, die zijn zoonGodgeschenknoemt, want, voegt hij er bij, ik heb hem van den Heer gekregen.—Daar is het een ander die terstond van zijn dierbaar recht gebruik maakt, om voor zijn kind te bidden: Och datIsmaelmochte leven voor uw aangesichte!—Ginds is het weder een ander, die, in de vreugde zijns harten, van zijn vreugde een altaar der getuigenis maakt om in de volgende donkere dagen ter bemoediging aan te zien.—Ja, ik vond er trekken in, die een verhevenheid ademen, welke het hart roert en opheft. Neem eens den zonderlingen, maar stouten inval van den vader, die met een hard trillende van aandoening schrijft:Dankbaar erken ik heden van God ter leen ontvangen te hebben mijn lieven zoonJohannes, mij bereid erkennende hem op elken oogenblik weder af te staan.Met het terstond daarop volgende:Hier ben ick!vanAbraham.—Neem eens de berusting eens beroofden echtgenoots, die zijn kind duur heeft moeten koopen,—al te duur, zegtBorger,—en den Zoon der smarte,Ben-Oni, met den AartsvaderBen-Jaminnoemt: Zoon der rechterhand, want hij zal mij sterken.—Neem eens dien trek, die den wijsgeer schetst, en toch ook den bekommerden vader niet verloochent, dien ge bij mijn naam vindt:Beter is de dagh des doods, dan de dagh dat yemand geboren wordt.—O, het zijn slechts korte woorden, die ge hier aantreft, maar woorden vol zin en[101]beteekenis, die een geheel karakter, een geheel leven schetsen. En indien het waar is wat men zegt, dat er sommige oogenblikken in het menschelijk leven zijn, waaruit men den mensch geheel kan leeren kennen, dan zijn die korte opschriften uit de gewichtigste uren des levens even als zoovele familieportretten van de verschillende leden des geslachts, schoon in die verscheidenheid allen denzelfden familietrek bewarende, en dezelfde leus voerende:Soli deo gloria.En weet ge wat mede het voorrecht van zulk een Stamboom is? De naamgeving krijgt er eenige beduidenis door. Ik moet er toch voor uitkomen, dat het mij aan het hart gaat, dat zulk een treffend gebruik tot zulk een nietige ceremonie geworden is. Indedaad, dat deden de Hebreeuwen beter. Zij gaven hunnen kinderen een naam naar de hope, die zij van hen koesterden, naar de deugd, tot wier beoefening zij ze bovenal verplichten wilden. Zoo was het metPetrus:Ghy zytSimon, ghy sult genaemt wordenCephas!—Vergat gij het,Simon, in den nacht, toen de Rots der gemeente voor het vuur der verzoeking versmolt? Dan dacht gij er toch aan, toen gij, van uwen val opgestaan, het houten kruis uw arduinen moed ten grondslag gaaft!—Gewis bij hen was de naam hun gegevenEen stem der leeringe, en een woordVan wijsheid, op hun pad gehoord,En nooit verachtloosd of vergeten;Een andere inspraak van ’t geweten,Een licht dat voor hun voeten gloort.Bij ons! ik mag er niet aan denken. Wie denkt er aan, vader of peter, wanneer hij zijn naam op den jonggeborene overdraagt, wat die naam beteekent? En toch hebben de meeste van onze namen zulke schoone beteekenissen! te schooner, wanneer zij tevens door geliefde Heiligen gevoerd zijn! Verbeeld u eens, dat men alleJohannessenden plicht inscherpte om het zacht en beminnelijk beeld des Apostels te dragen, wiens naam ze voeren. Verbeeldt u, dat men alleMaria’sdien stillen, vromen geest zocht in te boezemen, dien men onwillekeurig aan dien naam verbindt. Mijn lieve moeder althans heeft mij wel degelijk bij mijnJonathans-naam eenJonathans-hart zoeken te geven; en indien het haar niet beter gelukt is, wijt de schuld alleen aan mijn wederstrevigheid. Maar het is zoo, dan moesten ook die nare en leelijke verminkingen en verkortingen uit den weg. Foei, hoe ik er mij aan ergeren kan! Gij lacht, als uw knecht den een of anderen vreemden naam mishandelt, en gij zelf, gij misvormtden schoonenzinrijkennaam van uw eigen kind tot een leêgen, dooden klank. Waar zijt gij, onzeAbrahamsenRebecca’s, onzeJohannessenenMagdalena’s, onzePetrussenenMaria’s? Ik herken u niet in onzeBrammetjesenPietjes,JantjesenMietjes.Pour que ton nom sonnât plus doux dans la maison,D’un nom mélodieux nous l’avions baptisée.[102]In ernst, ik zou er boos om kunnen worden; en met Tollens willen uitvaren:Neen, dien achtbren naam mij nooitTot een beuzelklank verplooid!Immers ontneemt gij aan uw namen alle kracht. O, Met welk een nadruk kon mijn moeder mij toeroepen:Jonathan! Jonathan!—er lag een diepe zin van waarschuwing in dien uitroep. Maar als ik mij nu verbeeld, dat zij mij vermaand hadde:Joontje! Joontje!ofTannetje! Tannetje!zeker ik geloof niet, dat die stem mij tot nu toe zou zijn bijgebleven. Maar niet aldus in mijn geslacht. Menige uitdrukking op mijn register toont, dat men er nog iets bij dacht, als men een kind bij den Christelijken doop zijn Christelijken naam gaf.Mijn eerwaardige Stamboom? Zeker hadt gij verdiend langer in het geslacht te blijven, welks naam gij voert, dan nu, helaas! het geval zal zijn. Gij hadt nog met menigen telg uit onzen stam kunnen vermeerderd worden. Maar het zal zoo niet wezen. De man, die voor u staat is de laatste van zijn naam. In en met hem zult ook gij uitsterven. Zeg mij, zijn er bitterder tranen, dan dit gevoel mij op uwe bladen doet vergieten? ik geloof het niet. Anders zijn er al zeer bittere tranen. Bereid u dus tot een spoedige rust. Nog één naam—gij zult nooit een koeler hand op uw bladen gevoeld hebben—en alles is voorbij!—Mijn erfgenaam heeft niets dan den dag van mijn overlijden in te vullen. Mijn grafschrift heb ik zelve reeds bij mijn naam gevoegd:Beter de dagh des doodts, dan de dagh dat yemand geboren wordt![103]

Niet waar, dat zoudt ge niet gedacht hebben, datJonathaner ook een stamboom op nahoudt?

En hoe meent ge wel dat hij er uitziet?

Denkt gij misschien aan een groote perkamenten kaart met cirkels en lijnen, waaraan de namen der respectieve leden van de familie zijn opgehangen, die, zich van boven naar beneden uitbreidende, het hartroerende figuur van een omgekeerde peer opleveren?

Of verbeeldt gij u mogelijk een enorme schilderij, met wapens bemaald, waarop het aandoenlijk is te zien, hoe het wilde zwijn zich met het hert, en de sperwer zich met de duif verdraagt? Als ware het een voorspel van die gouden eeuw, door de profeten geschilderd:

Het Lam zal met den Wolf verkeeren als gespeel:De Luipaard naast het kalf zich vleien in ’t gareel:De Leeuw zal zich op ’t stroo aan ’s Rundiers kreb vergasten:Geen Beer, geen Tijger taalt om ’t Geitjen aan te tasten.

Het Lam zal met den Wolf verkeeren als gespeel:

De Luipaard naast het kalf zich vleien in ’t gareel:

De Leeuw zal zich op ’t stroo aan ’s Rundiers kreb vergasten:

Geen Beer, geen Tijger taalt om ’t Geitjen aan te tasten.

Of hebt gij misschien een dik wapenboek voor den geest, waarin al de Edelen achtereenvolgens op een rij staan geschaard, even als in een kabinet van Natuurlijke historie, mannetje en wijfje naast elkander, ieder op zijn plaats en in zijn orde?

In elk geval misgeraden!

Neen, wanneer gij mij ooit de eer doet van mij een bezoek te brengen, zult gij in een hoek van onzen huishoudkamer een ouderwetschen standaard op drie voeten zien staan, met een schuins staand blad, waarop gij een boek in folio in zwart lederen band met koperen sloten zult zien liggen—daarin zult gij mijn Stamboom vinden.

Maar dat is een Bijbel! voert gij mij tegen. Gij zijt er! dat is het ook. Welnu, in dien band, vóór den Bijbel, vindt gij een blad door verschillende handen beschreven: dat zijn mijn familiepapieren!

Dat ziet er niet best uit, niet waar? Gij hebt gelijk. Ik ben niets dan een simpeleroturier. Geen heraut heeft ooit een schelling aan mijn geslacht verdiend. Ik moet mij met den troost van alle laaggeborenen behelpen, dat ik inAdam, den algemeenen Stamvader der[90]menschen, van den oudsten adel ter wereld ben. Verder kan ik het niet brengen. Ik zou er mijn hals niet onder durven verwedden, of ik uit Joodsch of Heidensch bloed gesproten ben; of mijn voorvaderen onder het Romeinsche juk zijn doorgegaan of den Romeinschen adelaar gedragen hebben; of zij bij de tornooien tot degenen behoord hebben, die den hals braken, of die halzen zagen breken; of zij sporen droegen, sporen aangespten, of sporen vervaardigden; of de groote Potentaten ze met hun zwaard op de schouders of op den rug sloegen, dat zulk een groot verschil maakt. Kortom, ik weet er niets hoegenaamd van, en, als dit niet uit delex non scriptader natuur volgde, zou ik zelfs niet eens kunnen bewijzen, dat ik ooit verre voorvaders gehad had.

Denk evenwel niet, dat mij dit niet spijt. Ik vind het een Cynisme, grooter dan van iemand op deze wereld gevergd wordt, er volstrekt onverschillig voor te wezen, welken naam men draagt. Het is wel zoo, dat men er thans niet veel aan heeft, of uw voorvaderen, op het steken van hun trompet, honderd man in het zadel riepen, daar de naneef toch genoodzaakt is zijn vijf jaren bij de nationale militie uit te dienen, of anders eenremplaçantte geven: en even waar is het, dat een burgerman niets voelt van de groeven, waarmede het juk der Edelen den hals van zijn voorouders geknaagd heeft. Ook is het ontegenzeggelijk dat, sedert ruwe handen de adelijke wapenschilden onder een dik vernis van revolutionnaire kleuren gelegd hebben, de beleedigde verwen niet meer zoo helder en frisch willen worden, als zij voorheen waren. Maar dit toegegeven, zie ik niet, waarom het nog niet altijd begeerlijk zou zijn, de herinnering van vroeger grootheid aan zijn naam te verbinden. Waarlijk, in onze dagen, die zoo plat zijn als ons land, en zoo romanesk als onze duinen, is het nog iets dichterlijks, zich bij zijn wapenbord in tijden van groenende Riddereer en blozende Riddergalanterie te droomen. In onze dagen van gelijkheid, nu alle hoeden uit hetzelfde stuk vilt worden gesneden, is het nog iets, dat den boezem doet zwellen, den glanzenden helmkap aan te zien, die op den naam, dien gij voert, als een kroon van eere drukte! In onze dagen vanindustriëlenwedstrijd encommerciëleworsteling, is het nog iets schoons, bij het openvallen van de bloedige bladen onzer oude historie, op een blinkend blad te kunnen wijzen en zeggen: Deze was mijn grootvader!—En waarom het niet erkend, dat zulke herinneringen meer dan een poëtische speling, dat zij in onze eeuw van nuttigheid, ook nog nuttig kunnen zijn om in hem, bij wien ze opkomen, adelijke gevoelens op te wekken? Of gelooft gij niet, dat de eikenkrans, die den naam derDedelsenFagelsonzer dagen omringt, te fleuriger blinkt, omdat hij gewassen is aan een edelen stam, die honderden jaren telt?

Zoo zij het dan verre van mij, als een onzinnige Jacobijn, op de teekenen van verjaarde grootheid te spuwen, en over alle gekroonde helmen de roode muts te willen trekken. Mijn liefde voor antiquiteiten[91]moet u het tegendeel gewaarborgd hebben. Maar dit gaat echter niet zoo ver, dat ik mij mijns deftigen burgerlijken geslachts schamen, of daaraan ergeren zou: dat ik de asch mijner vaderen in het graf nog zou willen beschimpen, omdat zij niet in een familiekelder rust; en dat ik op hun zark niet zou willen neêrknielen, omdat er niet dan hun eenvoudige naam op staat uitgebeiteld.

Ik moet mijzelven beter recht doen: ik ben op mijn geslacht zoo trotsch, dat ik het niet met het geslacht van eenigen Baroen op de wereld zou willen ruilen: want mijn stamboom is van de edelste, die men zien kan!

Laat ik mij verklaren.

Het eerste blad van mijn bijbel is mijn stamboom.Ziedaar het sprekend wapen van mijn geslacht!

Mijn voorouderen vormen een rij van vromen. Oud-Hollandsche godvrucht was als erfelijk in hun stam. Zij waren waardige zonen van die vaderen, die de uitdrukking van geloof en vertrouwen op God tot de leus hunner vendelen en den stempel hunner munten maakten. Van dat de eerste, wiens naam voor ons is bewaard gebleven, dezen Bijbel tot een stamregister inwijdde met het opschrift:Soli deo gloria!totdat mijn vader den naam van zijn zoon op dit blad schreef, waren het, met weinig uitzonderingen, enkel braven, die hier geboekt staan. Het scheen of hunne inschrijving op zulk een gewijden stamboom hen, van de geboorte af aan, tot vereering des Bijbels heiligde. Gelijk sommige Edelen door hun adelbrief tot de verdediging van een klooster of gewijd gesticht verplicht werden, zoo was het of zij door deze inlijving tot de handhaving en bescherming van het Hoogwaardige voorbestemd waren, dat hun naam ontving. En was het vreemd, wanneer de moeders, even alsHanna, bij haar gebed om den zegen des huwelijks, de hand op dezen Bijbel legden en beloofden:Soo gy myner gedenckt ende uwer dienstmaeght niet en vergeet, maar gheeft uwer dienstmaeght een mannelick zaet: So sal ik dat den Heere geven alle de daghen syns levens;—was het vreemd, dat de zoon der verhooring door haar in de dienst van Hem werd opgevoed, van wien zij hem ontvangen hadden? Wanneer de vaders, even alsHamilcar, den jeugdigen knaap bij het outer des Heiligen Woords brachten, en hem daarbij den eed van onverzoenlijken haat tegen de vijanden des Hemelschen vaderlands, en van een onuitbluschbare liefde voor dien gezegenden grond op de lippen legden; was het vreemd dat de jongeling, der eeden zijner kindsheid gedachtig, leefde en stierf in het gevoel, dat hem reeds zoo vroeg was ingeboezemd? Of was het misschien, dat de bede des rechtvaardigen, die veel vermag, het licht des Allerhoogsten op het hoofd des kinds deed nederdalen? Ik weet het niet. Genoeg, dat de deugd des vaders met zijn bloed op den zoon overging, en daardoor een stam van edelen gevormd werd, waarop het niet te hoogmoedig is trotsch te zijn.[92]

Of wat dunkt u? Zou de hooggeborene alleen recht hebben van op zijn afkomst te roemen? en zou geen stamboom waarde hebben, die niet door den Raad van adel erkend is? Ik kan het niet toegeven. Indien wij onsterfelijke menschen zijn—en dat zijn wij immers, Hoogwelgeboren Heeren?—dan moet het ten minste niet minder groot zijn te kunnen zeggen: ik ben de telg van een vroom geslacht! dan: Ik ben de loot van een adelijken stam! Of hoe? indien het zoo veel zegt, uit een stamvader te zijn afgedaald, die door een aangestelden koning edel verklaard is, zou het dan niets zeggen, tot den adel te behooren, die door den Koning der koningen, den Koning van eeuwigheid tot eeuwigheid, erkend wordt? Indien men het zoo hoog schat den krans op zijn wapen te zien drukken, die een Vorst in het uur der zegepraal daarop geplaatst heeft, zou het dan niets beteekenen, of de kroon eens hoogeren triomfs door zijn geslacht is weggedragen? Is het dan alles, zijn familienaam geboekt te zien op registers, die vergaan kunnen, en niets, te weten, dat de naam, dien men draagt, geen vreemde klank is voor het oor des Engels, die „het boeck des levens des lams” houdt! En wanneer men er zich bij de menschen op laat voorstaan: hebt eerbied voor mij om mijner vaderen wille! zou men het onverschillig achten, dat men zich bij den Allerhoogste op zijn vrome vaderen beroepen kan, en metSalomoalle dingen bidden „om uwes knechts, mijnes Vaders wille?” Voorwaar om dit te beweren, moet men een uil of een ezel in zijn wapen voeren. Of zegt, is er dan niets dan het verledene? is er dan ook geen toekomst? en wat zeggen dan uw vijf-, zes-, zevenhonderd jaren achterwaarts, tegen de even zoo vele millioenen jaren voorwaarts, als er levens en bloeiens aan het geslacht des vromen, boven het geslacht des edelen als zoodanig, zijn toegezegd? O, het is iets schoons: de vrome Edelman! de palm des Hemels boven den lauwer der aarde! de man, die met den voet aan de menschen en met het hoofd aan den Heer raakt! de Edele, die als gelijke de eene hand aan koningen, en de andere aan Engelen reikt! de gelukkige, wiens naam de verloopen eeuwen aan de nimmer eindigende eeuwigheid overleveren! Maar wie tot een stam behoort, bij welken de deugd alleen in de wapenleus woont; die in het ridderlijk kleed een slavenhart omdraagt; die van zijn wapenbord een dekschild van zijn schande maakt; die het kruis des Ridders van de schouderen scheurt om het met de Riddersporen aan flarden te rijten—hem zij gezegd, dat hij behoort tot een stam die zal uitsterven. Wèl mag hij de oudheid van zijn geslacht verheffen, als hij bedenkt, dat het zijn leeftijd in weinig eeuwen zal hebben afgeleefd. O, wanneer alle graven zullen openspringen; marmeren graven en zandgraven; graven met ridderwapens en graven zonder titel; graven met een kroon en graven met een kruis gedekt; hoe vreemd zullen ze opzien, die daaruit verrijzen zullen, nadat de volgende eeuwen des aardrijks er over zijn heen gevloden! Als zoo menige Edele vinden zal, dat detijdzijn wapenschild gebroken, en hetoordelzijn naam van de lijst der Edelen[93]heeft uitgeschrapt; als zoo menige onedele zien zal, dat deeeuwigheidzijn naam bewaard, en devergeldingzijn naam geadeld heeft; als het vonnis des eeuwigen levens of des eeuwigen doods zal worden uitgesproken!

Zoo wil ik dan mijn stamboom met geen anderen ruilen. Hij is voor mij, even zoo goed als voor den Edelman, een stem van vermaning om mijn vaderen in hun graf door de navolging hunner deugden te vereeren. En o! hoe luid die stem tot mij spreekt. Wanneer ik dit blad opsla, en mijn oog over al die namen dwaalt, bij de menschen vergeten, maar bekend bij God, dan is het mij of ik mij door een wolk van getuigen omringd zie, die mij opwekken en aanvuren om de loopbane te loopen, die mij is voorgesteld. Welk een achtbare kring van toeschouwers! Nooit streed de kampvechter in het Olympisch worstelperk, waar zich de bloem van Griekenland vereenigde, voor het oog van een edeler schare! En dan dat gezicht van al die leuzen der zege boven hunne namen opgehangen: In den Heer ontslapen—In vrede heengegaan—Tot zijn vaderen verzameld—hoe blinken ze mij in de oogen! O, zoo men het wel eens betreurd heeft, dat de krans der overwinning, die den Christenstrijder bij het bereiken van den eindpaal wordt toegewezen, hem eerst op het hoofd geplaatst wordt, als hij de tente der ruste is binnengegaan, waarvoor het ondoordringbaar gordijn des doods hangt, dan is het toch iets, zoo vele namen te zien, waaraan de hand der achterblijvenden, met volle vertrouwen op de goedertierenheid des „Rechtveerdigen Rechters”, den lauwer der overwinning gehecht heeft. En wanneer dan deze namen, met zulk een hemelsche glorie omschenen, op ons hoofd zijn afgedaald, zou men zich dan niet aangespoord gevoelen om rein te houden, wat men zuiver ontving, en, zoo veel men kan, in zijn deugd, als in een helderen waterspiegel, de ster te weêrkaatsen, waarvan de wedergade aan den hemel blinkt?

Van wedergade gesproken, het is een weêrgaloos lastig ding, dat ik zoo verslingerd schijn te wezen op vergelijkingen. Dat komt van die ongeregelde verbeelding! Eens voor altijd vraag ik er hierbij verschooning voor. En als ik een verzoek doen mocht, zou ik wel willen vragen, dat de Recensenten, bij hun aanmerkingen, vooral tegen dit gebrek mogen te veld trekken; want het lijkt wel, dat mijn eigen overtuiging niet bij machte is mij van dit zwak af te brengen. En het is mijn spreuk: die niet hooren wil moet voelen. Ditin parenthesi, zoo als mijn Rector placht te zeggen.

Zie hem daar liggen, mijn ouden, deftigen Staten-Bijbel! O, ik zie hem zoo gaarne in dit kleed! Dat folio-formaat, die zware donkere omslag, die groote koperen sloten, hebben voor mijn gevoel iets eigenaardigs. Ik vind het zoo goed, dat men het den Bijbel terstond kan aanzien, dat het geen gewoon boek is. Gij gevoelt dus, datik met al die miniatuur-uitgaafjes niet veel op heb. Ik moet bekennen, aardig zijn ze, hondjes van Bijbeltjes, gelijk ik wel eens heb hooren zeggen,[94]en gemakkelijk ook. Ik heb Engelschediamond editionsgezien, waarvan men er vijftig te gelijk in den rokzak kon steken. Maar toch willen ze mij niet recht bevallen. Ik weet wel, Mejufvrouw! het doet er niets toe, of UEd. met een 8° of 32° naar de kerk gaat, als uw mooie oogen de letters maar lezen kunnen. En als UEd. iets van den zang verstaat, komt het er niet op aan, al zijn in uw klein gezangboekje bij de meeste coupletten de muzieknoten weggelaten. Maar toch, er is voor mijn gevoel in die dwergjes van Bijbels iets ergerlijks. Het is voor mij—vergeef mij—of men den Bijbel wil wegsteken. Zie, ik vind er iets eerwaardigs in, als ik op den dag des Heeren een Dame van den ouderwetschen stempel naar Gods huis zie opgaan met een grooten Bijbel met sloten in de hand, die zij, even als een soldaat zijn geweer, fier tegen den linker boezem draagt. Men ziet het haar ten minste aan, dat zij naar Gods huis gaat, en eerbied genoeg heeft voor Zijn woord om het openlijk ten toon te dragen. Maar UEd. drentelt daarheen, zonder dat men merken kan of UEd. gaat bidden of rijden. En als UEd. uit de kerk een visite bij uw vriendinAngeliquegaat maken, moet uw Bijbeltje al juist te gelijk met uwflaconuit uw zakdoek vallen, of niemand zou weten, dat UEd. den zondag gevierd had. Nog eens; ik weet wel, dat men den schat des Evangelies zoo wel in een schildpadden, als in een bordpapieren vat kan bewaren; ik weet wel, dat hetOnze Vader, met calligraphische kunst op den omtrek van een stuivertje geschreven, even zoo wel hetallervolmaaktstegebed is als het onze Vader in de Groote kerk, met vingerlange Gothische letters, op het houten schild tegenover uw bank geschilderd. Maar toch, zoo lang ik niet zie, dat UEd. uwmantilleover deagrafehaalt, die uwcolliersluit, of uw versierde vingers in onopengewerkte handschoenen verbergt, zal ik er tegen blijven morren, dat gij u met een Bijbeltje behelpt, dat uw naaste buurvrouw nauwelijks zien kan.

Ja, ware het, dat men er zulke kleine Bijbeltjes op nahield, om er eenvademecumvan te maken en ze overal bij de hand te hebben; ware het, dat men nu ook den inhoud niet alleen gemakkelijker in de hand, maar ook beter in het hoofd hield dan onze vaderen; dan mocht ik er vrede meê hebben. Maar wees oprecht en antwoord: is het wel zoo? is het niet veeleer waar, dat het schijnt als of met den Bijbel ook de hersens gekrompen zijn? Want zie, al was hun Bijbel nog zoo groot en omslachtig, onze voorouders schenen er niet tegen op te zien hem in het hoofd te brengen; zoodat velen hunner in een hooger zin dan de oude wijsgeer zeggen konden:Omnia mea mecum porto. Maar bij vele onzer tegenwoordige jonge menschen, al kunnen zij hun Bijbel omtrent wegblazen, er schijnt maar geen aanleeren aan te zijn. Hoor den Dominé den tekst eens aflezen, en let dan eens op, hoeveel dametjes in dat kleine, kleine boekje niet eens den weg weten, maar in die korte paadjes nog verdwalen. O, ik heb wel eens gevreesd dat dieBibliolahet symbolum van een leelijk ding waren: van een soort van miniatuur-godsdienst, naar de mode dezer dagen verknipt en versneden, die men overal met zich[95]kan nemen, zonder dat zij ooit hindert; ja, waarvan men niets merken zou, als zij niet tusschen beide, bij het een of ander ongelukje, uit haar schuilhoek te voorschijn kwam. Maar foei, ik wil mij liever gewennen, tegen zulke zwaarmoedige gedachten op mijn hoede te wezen; ik geloof dat zij Hem, wiens zaak ik er door meen voor te staan, meer oneer, dan eere aandoen. Indedaad! als ik maar alleen aan de dagen terug denk, toen slechts weinige vergankelijke bladen de woorden des eeuwigens levens bewaarden.—broze planken met den schat der wereld bezwaard!—dan vind ik mijzelven kleinhartig en ondankbaar, dat ik, om de uitwendige inkorting van het wetboek, terstond aan een inperking van het rijk denk, door van kleine bijbels tot kleine Christenen, en van kleine Christenen tot een klein Christendom te besluiten!

Zie mij daar mooi van den tekst afgedwaald. Nu, ik sta ook op geen katheder, en heb mijn verdeeling niet van te voren opgegeven. Als het waar is, watBilderdijkzegt, dat in elken schrijfstijl de overgangen het moeielijkst zijn, ik zal zoo vrij zijn over die moeilijkheden heen te springen, door geen overgang in het geheel te maken.

Om dan weêr tot mijn register terug te keeren; hoeveel en velerlei gewaarwordingen rijzen er bij mij op, als ik het aanzie. Ziedaar de geschiedenis van geheele geslachten in een klein bestek saamgevat. Wat er buiten dat met hen gebeurde, is nauwlijks der vermelding waardig. Hier vind ik de aanteekening van hun intrede in de wereld, van de vader- en moedervreugde door hen gesmaakt, van de vader- en moedersmart door hen geleden, en van de wijze huns ontslapens. Alles saamgenomen, niet veel meer dan het bericht des ouden Geschiedschrijvers:Henochdan wandelde met Godt, en Godt nam hem wech.Maar waarom meer? Voor hen, op wie naderhand deze Bijbel zou overgaan, was dit weinige genoeg. Want dit alleen was van voortdurend belang; het overige rust met hun stof onder hunne zerken.

Op welk een waardige wijze heeft mijn Oudvader dit register ingewijd en geopend!Solo deo gloriastaat met groote letters bovenaan. Daaronder vindt gij de woorden vanJosua:Aengaende my en de myn huys, wy sullen den Heere dienen.Vervolgens zijn naam.

Aengaende my ende myn huys, wy sullen den Heere dienen.Welk een plechtige verbintenis voor hem en de zijnen! Zeker stelde hij zich daarbij zijn nakomelingschap voor den geest, in wiens handen deze Bijbel komen zou. Zij zouden het daar lezen, wat hun Stamvader voor hen aan den Heer had toegezegd. Aan hen was het nakomen dier verbintenis opgedragen. Zij moesten nu weten, of zij dezen altaar der getuigenis wilden omwerpen, of daarop den eed huns vaders herhalen! Zij moesten het weten, of zij de assche des mans door hun afval in zijn graf ontrusten, of door hun getrouwheid daarop een eerzuil stichten wilden. Hij had het zijne gedaan. Hij liet het overige aan hun verantwoording over. O, wie weet, hoe menigeen, die de handen reeds tot het kwade had uitgestrekt, ze gebonden heeft gevoeld door die gelofte:Aengaende my ende myn huys, wy zullen den Heere dienen?[96]

Hoe het zij, niet alleen het onderschrift bij den naam des mans geplaatst: in den Heere ontslapen; maar zoo vele andere soortgelijke onderschriften, bij de namen zijner afstammelingen gevoegd, bewijzen dat dit woord niet ter aarde gevallen is. En de vrome man kan met vroolijk vertrouwen met zijn talrijke nakomelingschap, zich voor het aangezicht desAllerhoogstenscharen en op hen wijzen: Aangaande mij en mijn huis, wij hebben gezocht u te dienen!

Maar al klinken die getuigenissen nog zoo vriendelijk en uitlokkend: In vrede heen gegaan—Zalig verscheiden—In hope ontslapen; het is toch ook aandoenlijk te bedenken, hoe veel smart er in deze woorden ligt opgesloten. O, hoe menige traan zal daarop gevallen zijn! Mijn oude Bijbel! Indien alle Bijbels veel smarte zien, en de vertrouwden van veel lijden zijn, gij vooral zijt de getuige van veel rouw geweest. Hoe menig verscheurd vaderhart zal, over u heengebogen, zijn jammer hebben uitgekreten, terwijl de hand het woord des doods onder den naam van een geliefd kind schreef! hoe menige bedroefde wees zal de pen aan de vingers hebben voelen ontvallen, die op dit blad het bitterste oogenblik zijns levens aanteekenden! hoe menig treurende echtgenoot zal als met zijn hartebloed die wreede letteren geschreven hebben, waarmede hij hier de grootste ramp zijns levens boekte! O, gij zijt als een geliefd grafteeken, lauw van zuchten, en nat van tranen!

Treffend is het te zien, hoe verschillend zich de smart hier heeft uitgedrukt; want de meesten hebben bij hunne eenvoudige berichten uit hun leven een enkel woord uit hun hart gevoegd. Bij het eene lees ik kalme berusting:De Heere heeft gegeven, ende de Heere heeft genomen, de naem des Heeren zij gelooft.Bij den anderen meer dan berusting, dankbare goedkeuring van Gods beschikking:Nu laat gij, Heere, uwen dienstknecht gaen in vrede, na uw woort. Bij sommigen weder diepe droefheid: Ick zal rouwbedryvende tot mynen sone in ’t graf nederdalen. Bij anderen eindelijk hartstochtelijke smart: Och dat ick, ick, voor u ghestorven ware,Absalon, myn sone, myn sone!

Maar o, hoe hartverheffend daarbij te bedenken: voor die allen heeft deze Bijbel troost gehad. Dat vertrouwen van hun smart aan zijn bladen, het was als het vluchten van een kind tot zijn moeder, om in haar boezem zijn leed uit te storten. Neen, die Bijbel nam die wreede letters niet aan, even als de grafsteen, waarop het harde en kille woord dood nog harder en kouder schijnt; maar hij nam ze in zijn weeke borst op, om ze met zachte en warme woorden van troost te beantwoorden. Niemand ging ledig van hier; voor iedereen had hij een bemoediging naar zijn behoefte; voor den eenen viel dit, voor den anderen dat zijner bladen open, maar voor ieder juist hetgeen hem meest noodig was.Het was of een Engel naast hen stond en de bladen opsloeg! O! als ik dat bedenk, valt mijn oog met onuitsprekelijke liefde op u, Hemelsch woord der vertroosting! Nu, dan wil ik u ook als zoodanig in eere houden. En, ontvang mijn gelofte! als er kwade dagen komen, gij zult de eerste zijn, tot wien ik mijne toevlucht neem.[97]Ik zal tot u komen en u toeroepen: Gij hebt den vader vertroost: vertroost ook den zoon!

Maar als met zoo veel roode letters onder de zwarte, hoe vele vroolijke berichten staan hier niet opgeteekend! Ik kan ze nauwelijks tellen! hoeveel zalige huwelijksvereenigingen! hoe veel van God afgebeden kinderen! hoe veel vroolijke en heugelijke feestdagen!

Zalige huwelijksvereenigingen! O, mij dunkt, ik zie den bruidegom, zooals hij uit het heiligdom des Heeren weêrgekeerd, zijn blozende bruid terstond naar dezen Bijbel voert, om haar in het familieregister op te teekenen. Ik zie ze daar beide staan met die wolk van ernst, half als een weggeslagen sluier over het blosje der vreugde gespreid; met dat drijvende oog, beurtelings opgeheven en op elkander geslagen; met die mengeling van vroolijkheid en weemoed in hun geheele houding. Met vingers tintelende van ongeduld schrijft de gelukkige man hun beider namen naast elkander, onder de namen zijner ouderen. Zie, men kan het de letters nog aanzien, hoe zijn hand daarbij gebeefd heeft! straks werpt hij de pen van zich, en slaat zijn armen om de geliefde vrouw, die hij alsnu plechtig onder de bescherming van zijn huisgoden heeft geplaatst. En nu, nu zie ik ze beide de kniën bij den Bijbel nederbuigen, en zich daar voornemen:

Niet waar? Wy zullen op ons padGedurig samen nederknielen,En brengen ’t offer onzer zielen,Wien onze kindschheid vroeg aanbad;Wij zullen samen, alle dagen,Dat boek ontsluiten van den Heer,Ons laven aan zijn liefdeleer,En om zijn Hemelsch manna vragen.Wy zullen, Dierbaarste! iedre smart,Die bittre tranen vergt of zuchten,Bij ’s Heeren troostrijk woord ontvluchten;En, met den Bijbel aan ons hart,Ten laatste ook den Dood niet duchten,Wiens prikkel weggenomen werd.

Niet waar? Wy zullen op ons pad

Gedurig samen nederknielen,

En brengen ’t offer onzer zielen,

Wien onze kindschheid vroeg aanbad;

Wij zullen samen, alle dagen,

Dat boek ontsluiten van den Heer,

Ons laven aan zijn liefdeleer,

En om zijn Hemelsch manna vragen.

Wy zullen, Dierbaarste! iedre smart,

Die bittre tranen vergt of zuchten,

Bij ’s Heeren troostrijk woord ontvluchten;

En, met den Bijbel aan ons hart,

Ten laatste ook den Dood niet duchten,

Wiens prikkel weggenomen werd.

Dat was toch treffender en stichtelijker, dunkt mij, dan de gewoonte van heden om zoo spoedig mogelijk met den ontvangen huwelijkszegen op den loop te gaan. Foei, ik kan mij met die leelijke mode nog maar niet verzoenen. Nauwelijks zijn de handen van het bruidspaar ineen gelegd, of de reiskoets eischt ze op. Ter nauwernood wordt aan de bruid de tijd gelaten om, aan de voeten van haar ouders gezonken, hun zegen over haar hoofd af te smeeken. O, hoe wordt de arme het vertrek uit het ouderlijk huis verzwaard. Zij mag van zooveel dierbare herinneringen niet eens plechtig afscheid nemen. Zij heeft nog zooveel geliefde plekjes te begroeten, nog zooveel geliefde voorwerpen vaarwel te zeggen.… Mevrouw, het rijtuig wacht!—Zij heeft behoefte, nog eens bij haar maagdelijk leger, waarvoor ze zoo[98]dikwijls nederknielde, de kniën te buigen om haar lot aan den Leidsman harer kindsheid aan te bevelen.… Zijt gij gereed?—Zij moet een lieven broeder, een trouwe zuster verlaten, en heeft hun nog zooveel te zeggen.… Komt gij haast?—Daar in de verte staan hare speelnooten, de vriendinnen harer jeugd, die zij nog geen enkel woord heeft kunnen toespreken.… Kom dan toch!—Alles achter haar, alles rondom haar roept haar toe: Blijf! Maar de stem haars bruidegoms, nu haar meester, gebiedt haar: Ga! en zij brengt de liefde des kinds aan de liefde der bruid ten offer! een voorteeken van de bestemming die haar wacht. O, ik weet het, zij doet het, zij doet het gaarne; zij heeft den man, die haar opeischt, lief, liever dan de betrekkingen, die haar willen terughouden. Het is voor haar niet alleeneenplicht, het is voor haar een geluk, wat haar is opgelegd: vader en moeder te verlaten om alleen haren man aan te hangen; zij is er ook verre af zijn recht te betwisten. Maar ik vraag alleen voor haar: is het vriendelijk, dat recht terstond zoo hardte doengelden?

En al ware het, Mijnheer! dat uw bruid uw verkiezing deelde, ik blijf zeggen, dat het een ongelukkige gewoonte is!

Een kat, die een stuk vleesch van tafel gestolen heeft, en met haar buit in den bek over de daken vliegt, tot zij een veilig hoekje vindt, waar zij in vrede haar roof genieten kan: ziedaar, met uw verlof, het bevallige beeld van den hedendaagschen bruidegom. Vroeger schaakten de minnaars hun liefje vóór het huwelijk; het heeft er veel van, of zij ze nu na het huwelijk schaken. Niemand die de jonggetrouwden, hals over kop, als twee gekoppelde doggen, zonder stilstaan of omzien, den huwelijksweg ziet ophollen, zou, naar ’t uiterlijk te oordeelen, kunnen gelooven, dat hun verbindtenis waarlijk „met goedkeuring van wederzijdsche ouders” gesloten is. Is het wonder dat de liefde van menig echtpaar het zoo kort uithoudt, daar zij begint met zich buiten adem te loopen? In waarheid, men doet veeleer, of het huwelijksgeluk een schat is, door den Draak van denDrachenfelzof den Berggeest van hetZevengebergtebewaakt, uit wiens klauwen men het moet gaan halen, dan of het een gouden kleinood ware, dat, even als in de kindersprookjes, in den grond onder den huiselijken haard verborgen ligt, en door den ooievaar, die op het dak nestelt, bewaard wordt. O, ik weet wel, dat de eerste oogenblikken, waarin twee gelieven elkander voor het eerst geheel de hunne noemen, altijd overgelukkig zijn. Maar gij zult mij toch vergunnen het er voor te houden, dat er voor dat geluk een beter tooneel is, dan een reiskales op den straatweg. „Zoo zijt gij dan geheel de mijne! Ik ken geen grenzen voor mijn geluk!”—„Een tolhek, Mijnheer!”—„Ik gevoel mijzelven niet! Ik weet niet waar ik ben!”—„Halfweg! hier krijgen de paarden water.”—„Een hemel van … hots hots—(hier is het gelukkige paar op een opgebroken straatweg,) van zaligheid … hots-hots … druk ik in u … hots-hots … aan mijn … hots-hots … hart!” Was het dan niet beter, stilletjes te huis te[99]blijven, en daar, in de vredige schaduw der ouderlijke liefde en onder het stralend licht der ouderlijke vreugde, de eerstelingen van een geluk te genieten, dat, zoo het een waarachtig geluk zijn zal, een stil geluk zal moeten wezen?

En al ware de huwelijksreize van de zijde van het jonge paar goed te maken, van den kant der nablijvende betrekkingen zal er zich altijd een stem tegen blijven verheffen. Waarlijk, de jonggehuwden vergrijpen zich hoogelijk aan den zoeten plicht van anderen in zijn vreugde te laten deelen. Begrijpen zij dan niet, hoe zalig het voor hun vader zou geweest zijn, hun verliefde dronkenschap te bespieden? welk een verrukking hun moeder in den aanblik hunner wederzijdsche teederheid zou geschept hebben? Weten ze dan niet, welk een aangenaam, vroolijk hartverheffend schouwspel voor ieder goed hart het gezicht van een gelukkig bruidspaar is? Waarlijk, wat zij ons nu ontnemen, kunnen zij ons nimmer teruggeven. Het huwelijksheil moge verder ongestoord blijven ja zelfs toenemen, het vertoont zich nooit meer zoo zichtbaar en liefelijk naar buiten! het is het openspringen van den knop des genots, waarvan zij ons het gezicht ontrooven. Zie, hoe treurig wij achterblijven. De laatste kus is gegeven, de laatste handdruk gewisseld, het laatste vaarwel toegeroepen, de wuivende zakdoek verdwenen, het geluid van het hen wegvoerende rijtuig gestorven.… wij keeren naar binnen terug. Hoe treurig is het daar! Zijn dat zoete vreugdetranen, feestvierende moeder, die u langs de wangen biggelen? Neen! die tranen zijn bitter: er is smart in, de diepste smart, die des afscheids.—Is dat een blijde glimlach, jubelende vader, die u om de lippen speelt? Neen! het is een pijnlijke lach: er is droefheid in, de droefheid des vaarwels.—En wij allen—wat staan wij vreemd en stijf tegenover elkander! Overal missen wij de bruid. Sedert zij vertrokken is, is alles van aanzien veranderd. Het groen langs de wanden schreeuwt nu tegen ons aan; de bloemen, langs den grond voor het bruidspaar uitgestrooid, springen ons voor het hoofd. Eindelijk komt men tot zitten. Het is nu toch een feest; men moet het vieren. Nu ja, men viert het ook. Men schikt zich rondom de tafel: men eet, men drinkt, men praat, men lacht. Maar er blijft toch iets schrikkelijk ledigs over. Bij iederen feestdronk volgen honderd zuchten de geliefde vluchtelingen. Men staat eigenlijk in den geest veel meer achter op den reiswagen, dan men achter de tafel zit. Ieder oogenblik breekt er een het gesprek af: Nu zijn ze reeds hier!—Nu zijn ze daar!—Nu zullen zij er haast wezen!—Nu zijn zij er!—Foei, het is een treurig vieren van het blijdste feest ter wereld!—Jonge menschen! ik wensch u in uw huwelijk zooveel vreugde als ooit door een echtpaar gesmaakt is. Maar ik zeg, dat het kwalijk van u gedaan is, uw vreugde te beginnen met de onze te bederven!

Doch ik wil mij niet boos maken. Daarom wend ik het oog liever naar de Geboorteberichten, waarvan ik zoo menige blijde aankondiging voor mij heb.[100]

Vader- en moedervreugde! hoe dikwijls spraakt gij uw blijdschap in de woorden uit, die ze hier vereeuwigen? Wie zou al het geluk kunnen beseffen, dat daarin is uitgedrukt? Zoo iemand, zeker alleen een vader of moeder zelve,Jonathanniet. Maar toch heb ik gevoel voor het gevoel, dat ik niet ken, en, indien gij het mij wilt toestaan, vaders en moeders! ik deel sympathetisch in uw geluk. Neen, ik weet niet wat het is: zijn aanzijn verdubbeld te zien, in zijn evenbeeld te herleven, zijn hart als in een anderen boezem te voelen kloppen, en zijn bloed in eens anders polsen jagen; ja, een schaduw te ontwaren van het genot des Volzaligen, die genoemd wordt:Alvader!Maar ik kan toch bevroeden, wat het is, een lief, onnoozel schepsel te hebben, waaraan men met het geheele hart hangt; dat u met de zoetste namen noemt; dat aan uw boezem spelende, daarvan alle zorgen verjaagt, zooals het u dwingt alles van uw schoot te zetten; dat uw eenzaamheid vervult en uw huis vervroolijkt; dat aan uw verouderend hart een jonge liefde, en aan uw stervende eerzucht een nieuw doel geeft; dat u schemerend doet gevoelen, waarom het de naam van hetzelfde wezen is:Volzalige, zaligmaker!Zoo zijn het dan voor mij geen doode letters, waarin ik de uitstorting des vaderlijken gevoels in de ure des vaderzegens leze. En wie zou ook koel kunnen blijven bij de gedachte aan zoo vele gelukkigen, als dit blad met blijde vadertranen doorweekt hebben? Of spreekt niet de stemme huns gejuichs nog in de vroolijke uitboezemingen der dankbaarheid aan God, op dit papier uitgestort? Hier is het een vader, die zijn zoonGodgeschenknoemt, want, voegt hij er bij, ik heb hem van den Heer gekregen.—Daar is het een ander die terstond van zijn dierbaar recht gebruik maakt, om voor zijn kind te bidden: Och datIsmaelmochte leven voor uw aangesichte!—Ginds is het weder een ander, die, in de vreugde zijns harten, van zijn vreugde een altaar der getuigenis maakt om in de volgende donkere dagen ter bemoediging aan te zien.—Ja, ik vond er trekken in, die een verhevenheid ademen, welke het hart roert en opheft. Neem eens den zonderlingen, maar stouten inval van den vader, die met een hard trillende van aandoening schrijft:

Dankbaar erken ik heden van God ter leen ontvangen te hebben mijn lieven zoonJohannes, mij bereid erkennende hem op elken oogenblik weder af te staan.

Met het terstond daarop volgende:

Hier ben ick!

vanAbraham.—Neem eens de berusting eens beroofden echtgenoots, die zijn kind duur heeft moeten koopen,—al te duur, zegtBorger,—en den Zoon der smarte,Ben-Oni, met den AartsvaderBen-Jaminnoemt: Zoon der rechterhand, want hij zal mij sterken.—Neem eens dien trek, die den wijsgeer schetst, en toch ook den bekommerden vader niet verloochent, dien ge bij mijn naam vindt:Beter is de dagh des doods, dan de dagh dat yemand geboren wordt.—O, het zijn slechts korte woorden, die ge hier aantreft, maar woorden vol zin en[101]beteekenis, die een geheel karakter, een geheel leven schetsen. En indien het waar is wat men zegt, dat er sommige oogenblikken in het menschelijk leven zijn, waaruit men den mensch geheel kan leeren kennen, dan zijn die korte opschriften uit de gewichtigste uren des levens even als zoovele familieportretten van de verschillende leden des geslachts, schoon in die verscheidenheid allen denzelfden familietrek bewarende, en dezelfde leus voerende:Soli deo gloria.

En weet ge wat mede het voorrecht van zulk een Stamboom is? De naamgeving krijgt er eenige beduidenis door. Ik moet er toch voor uitkomen, dat het mij aan het hart gaat, dat zulk een treffend gebruik tot zulk een nietige ceremonie geworden is. Indedaad, dat deden de Hebreeuwen beter. Zij gaven hunnen kinderen een naam naar de hope, die zij van hen koesterden, naar de deugd, tot wier beoefening zij ze bovenal verplichten wilden. Zoo was het metPetrus:Ghy zytSimon, ghy sult genaemt wordenCephas!—Vergat gij het,Simon, in den nacht, toen de Rots der gemeente voor het vuur der verzoeking versmolt? Dan dacht gij er toch aan, toen gij, van uwen val opgestaan, het houten kruis uw arduinen moed ten grondslag gaaft!—Gewis bij hen was de naam hun gegeven

Een stem der leeringe, en een woordVan wijsheid, op hun pad gehoord,En nooit verachtloosd of vergeten;Een andere inspraak van ’t geweten,Een licht dat voor hun voeten gloort.

Een stem der leeringe, en een woord

Van wijsheid, op hun pad gehoord,

En nooit verachtloosd of vergeten;

Een andere inspraak van ’t geweten,

Een licht dat voor hun voeten gloort.

Bij ons! ik mag er niet aan denken. Wie denkt er aan, vader of peter, wanneer hij zijn naam op den jonggeborene overdraagt, wat die naam beteekent? En toch hebben de meeste van onze namen zulke schoone beteekenissen! te schooner, wanneer zij tevens door geliefde Heiligen gevoerd zijn! Verbeeld u eens, dat men alleJohannessenden plicht inscherpte om het zacht en beminnelijk beeld des Apostels te dragen, wiens naam ze voeren. Verbeeldt u, dat men alleMaria’sdien stillen, vromen geest zocht in te boezemen, dien men onwillekeurig aan dien naam verbindt. Mijn lieve moeder althans heeft mij wel degelijk bij mijnJonathans-naam eenJonathans-hart zoeken te geven; en indien het haar niet beter gelukt is, wijt de schuld alleen aan mijn wederstrevigheid. Maar het is zoo, dan moesten ook die nare en leelijke verminkingen en verkortingen uit den weg. Foei, hoe ik er mij aan ergeren kan! Gij lacht, als uw knecht den een of anderen vreemden naam mishandelt, en gij zelf, gij misvormtden schoonenzinrijkennaam van uw eigen kind tot een leêgen, dooden klank. Waar zijt gij, onzeAbrahamsenRebecca’s, onzeJohannessenenMagdalena’s, onzePetrussenenMaria’s? Ik herken u niet in onzeBrammetjesenPietjes,JantjesenMietjes.

Pour que ton nom sonnât plus doux dans la maison,D’un nom mélodieux nous l’avions baptisée.

Pour que ton nom sonnât plus doux dans la maison,

D’un nom mélodieux nous l’avions baptisée.

[102]

In ernst, ik zou er boos om kunnen worden; en met Tollens willen uitvaren:

Neen, dien achtbren naam mij nooitTot een beuzelklank verplooid!

Neen, dien achtbren naam mij nooit

Tot een beuzelklank verplooid!

Immers ontneemt gij aan uw namen alle kracht. O, Met welk een nadruk kon mijn moeder mij toeroepen:Jonathan! Jonathan!—er lag een diepe zin van waarschuwing in dien uitroep. Maar als ik mij nu verbeeld, dat zij mij vermaand hadde:Joontje! Joontje!ofTannetje! Tannetje!zeker ik geloof niet, dat die stem mij tot nu toe zou zijn bijgebleven. Maar niet aldus in mijn geslacht. Menige uitdrukking op mijn register toont, dat men er nog iets bij dacht, als men een kind bij den Christelijken doop zijn Christelijken naam gaf.

Mijn eerwaardige Stamboom? Zeker hadt gij verdiend langer in het geslacht te blijven, welks naam gij voert, dan nu, helaas! het geval zal zijn. Gij hadt nog met menigen telg uit onzen stam kunnen vermeerderd worden. Maar het zal zoo niet wezen. De man, die voor u staat is de laatste van zijn naam. In en met hem zult ook gij uitsterven. Zeg mij, zijn er bitterder tranen, dan dit gevoel mij op uwe bladen doet vergieten? ik geloof het niet. Anders zijn er al zeer bittere tranen. Bereid u dus tot een spoedige rust. Nog één naam—gij zult nooit een koeler hand op uw bladen gevoeld hebben—en alles is voorbij!—Mijn erfgenaam heeft niets dan den dag van mijn overlijden in te vullen. Mijn grafschrift heb ik zelve reeds bij mijn naam gevoegd:

Beter de dagh des doodts, dan de dagh dat yemand geboren wordt![103]

[Inhoud]HET PORTRET.Ja, ik ben ook geportretteerd.Wees evenwel niet te haastig, met dadelijk aan een prachtig schilderstuk vanHodgesofKrusemante denken. Van waar zou mij zulk een aanmatiging komen? Immers, wat heeft de schoone kunst met mijn onbeduidende figuur uitstaande? Ik sta er voor in, dat het op de wereld nooit aan stalen van mijn soort ontbreken zal. Ik gevoel mij dus volstrekt niet aan de nakomelingschap verplicht, haar een afbeelding van mijn wezen na te laten. Hierbij komt, dat ik te veel eerbied voor de kunst heb, om mij haar ten voorwerp op te dringen. Als ik mijn hoofd ginds even buiten ’t raam steek en den hemel en de aarde aanzie, zie ik wel duizend voorwerpen, die schilderachtiger zijn dan ik. Waarom zou ik, horzel in Gods bloemengaarde, dan niet even als zij willen voorbij gaan, zonder in beeltenis te blijven bestaan? Integendeel gaat mijn nederige schroom hierin zoo ver, dat ik, als ik ’s zomers buiten wandel, er bijna een gewetenszaak van maak, te dicht bij het spiegelend water te komen, omdat het mij aan het hart gaat, als ik het op eens, in plaats van Gods blauwen hemel en zijn lieve boomen, mijn lange magere gestalte zie terugkaatsen. En al was ik mooier, of had ik ten minste zulk een voorkomen als de liefhebbers van de schilderkunst,per euphemismum, een veelbeduidenden kop noemen, eilieve! voor wien op de wereld zou ik mij laten uitschilderen? Voor de kunstkenners misschien, om na vijfentwintig jaren op den catalogus van hun kabinet voor te komen onder de vereerende rubriek:No.98. Een mansportret door **** en dan de naam van den bekenden schilder des onbekenden.Of wel om, indien ik mij door een kladder liet afbeelden, nog eensin effigieop een boelhuis te worden geveild:No. 25. Een manspersoon.—Één gulden en vijftig cents.—Niemand?—Nu, voeg er dan deze Jufvrouw nog maar bij.—Nu, twee gulden. Wie twee gulden? Totdat zich iemand mijner ontfermt, en mij nog na mijn dood met wie weet welke eerzame maagd paart, om gezamenlijk als scherm voor een tochtgat te dienen, of tot bedekking van een vuile plek op ’t behangsel gebruikt te worden.[104]Neen, iemand als ik, wiens stil sterfbed van niemands snikken weêrgalmen zal, en wiens eenzame doodspeluw niet bevochtigd zal worden dan door mijn eigen doodzweet, moet het er voor houden, dat de menschen genoeg gedaan hebben, wanneer ze tot aan zijn dood toe zijn gezicht verdragen hebben, zonder er hen nog na zijn overlijden meê te vervolgen. Laat hem, die weet, dat er, bij het verdwijnen van ’t origineel, naar de kopij nog menig betraand kindergezichtje zal opzien, laat hem zijn beeldtenis in ieder vertrek aan den wand hangen. Mij dunkt, zulk een aanzien moet de koude asch nog in het graf verwarmen. Maar wie vooruit berekenen kan, dat zijn portret voor de nablijvenden niets zijn zal dan doek en verf, en zich met de eer, die men deze respective artikelen bewijst, zal moeten vergenoegen, neme liever zijn beeld meê in ’t graf, dan aldus zichzelven te overleven.Ik heb mij dus niet laten portretteeren. Maar gelijk ik u begon te zeggen, men heeft het voor mij gedaan.Ik was negen jaren oud, toen er een Italiaansch miniatuurschilder bij ons kwam, die aanbood mijn ouders voor een prijsje uit te schilderen. Geen van beide gevoelde hiertoe lust, maar in plaats daarvan, wist mijn moeder aan vader de vergunning af te vleien, dat de man mijn konterfeitsel maken mocht. Volgens haar getuigenis, trof de kunstenaar mijn gelijkenis uitstekend wèl. Sedert hing het altijd op de kamer der lieve vrouw, tusschen de silhouetten harer ouders. Na haar dood kwam het in mijn bezit, en nu heeft het zijn vaste plaats aan den muur tegenover mij, dicht bij mijn huisklok, zoodat ik niet op kan zien, zonder dat mijn oog er op valt.Zoo ook nu. Al zoudt gij er mij om uitlachen, ik moet er recht aan doen: het is een lief portretje. Zoowel als ik er straks voor uitkwam, dat ik nu verre ben van een behagelijk uiterlijk te hebben, moet gij mij vergunnen te zeggen, dat ik geen onbevallig kind moet geweest zijn. Er rust zulk een helder waas van gezondheid op het gezichtje; er ligt zulk een glans van onschuld over het open voorhoofd; er schittert zulk een „blijde vonk van kindervreugd en geest”in de lachende oogen; er schuilt zulk een lieve trek van schalkheid in de kuiltjes op de beide wangen; en bovenal heeft het geheel zulk een voorkomen van kinderlijke onnoozelheid, dat ik niet nalaten kan er meê ingenomen te zijn. Ik zie het nooit, of ik denk aan mijn vriendElia: „Ik stem alles, wat gij ten laste van den manEliaopsomt, toe; maar het kindElia, dat anderIKdaar op den achtergrond, dien knaap moet gij mij vergunnen te mogen liefhebben.”Uren lang kan ik dit beeld aanzien, en mij daarbij in een gelukkig verleden verplaatsen.Mijn geheugen is op dit punt zeer wakker. Het is waar, dat ik van de herinneringen uit mijn kindsheid geen aaneengeschakeld geheel maken kan. Nu en dan zijn er groote gapingen in, even als op een schilderij, waarop sommige plekken zijn uitgewischt. Maar daarentegen liggen ook andere partijen in een helder licht voor mij, zoodat het is of ik[105]ze nog zie. En de gedachte daaraan is voldoende, om mij op mijn kindsheid als een hoogstgelukkigen tijd te doen terugzien. Neen, ik kan mij hieromtrent niet metJean Paulvereenigen, als hij de genoegens van het kinderleven „geurlooze vergeetmijnietjes” noemt. Laat de blijdschap van den zuigeling zoo heeten, die zelf geen vreugde heeft van de lachjes, waardoor hij anderen verblijdt, en bij wien het gevoel van vermaak en leed, als ik mij zoo mag uitdrukken, op het gezichtje afwisselt, zonder bijkans het zieltje aan te doen. Maar als het kind een klein mensch geworden is en weet begint te krijgen van genoegen of smart, dan is kindervreugde wel waarlijk vreugde. Zeg dan niet, het heeft geen genot, omdat het zich van zijn genot geen reden geeft. Maar geven wij er ons dan altijd reden van? Gaan wij bij ieder genoegen neêrzitten om het te ontleden? Als wij in het voorjaar in de open lucht komen, en het lentewindje kust ons met zijn lauwen adem, terwijl de verkwikkelijke zon ons streelt als de warme hand van een Odaliske, zoodat wij daaronder „uitzetten en knoppen” van weelde en lust, zeggen wij dan altijd tot ons zelven: Dit is nu, omdat de wind Z. Z. W. is, en de zon op ** gradenFahrenheitstaat. Of nemen wij de moeite van uit te rekenen: omdat de zon werkt op deze spier en de wind op die zenuw, en de spier weêr op de zenuw en de zenuw op de spier, daarom word ik dit aangenaam gevoel gewaar?—Geven wij ons niet veeleer gedachte- en bewusteloos toe aan het genot, dat ons tegenkomt en drukken, even als de bloemen en vlinders, onze tevredenheid uit door de aanraking van den koesterenden straal met een siddering van wellust te ontvangen, en den zoelen balsem van het koeltje met open mond in te drinken? Ik voor mij althans heb meermalen ondervonden, dat het dwaas is, met het genoegen den wijshoofd te spelen. Wanneer ik een enkelen keer onderzoeken wou: Waarom gevoel ik mij nu zoo wel? heb ik bemerkt, dat ons genotveelheeft van het spel der spiegeling van een stroom, dat ophoudt, zoodra men er aan raakt; en sedert heb ik mij gewend mijn handen t’huis te houden en van het genoegen tot mijzelven te zeggen: Ik ben er genoegelijk door, dus het zal wel genoegen zijn.Waarom zou dan ook de kindsheid geen blijde tijd mogen heeten? Hé,Cornelis, enWillem, enFerdinand, of wij pleizier hadden, wanneer wij, menschen van vier voet, den vlieger, die tweemaal onze grootte had, vierhonderd voeten hoog boven ons zagen, in de trotsche bewustheid van den luchtreus in onze kleine knuisten te klemmen! Of het prettig was, bij den u bekenden houtzaagmolen over de vlottenden balken te springen met onophoudelijk gevaar van het getal der drijvende blokken met één te vermeerderen! Of wij er vreugd van hadden, als, op onze kinderpartijtjes, de grappigeCasparmet zijn tooverlantaren kwam en ons met het leelijke Goliathshoofd en zijn verschrikkelijk: boe! boe! te gelijk lachen en rillen deed? Of het heerlijk was, den degen van Oom den Burgerkapitein achter ons aan[106]te slepen, en over de panden van zijn afgedankten uniformrok te struikelen? Wanneer wij toen reeds in dat geluk niet zoo gelukkig geweest waren, zou er ons zulk een diepe indruk niet van zijn bijgebleven. Zeg mij, kleine knaap, die mij van dat doek zoo vriendelijk toelacht, waart gij niet recht vergenoegd, toen gij daar aan den schoot van uw moeder zat, terwijl de zwarte man u uitteekende, en uw moeder onuitputtelijk was in allerlei grappige verhalen, opdat gij er op de teekening recht vroolijk en beminnelijk mocht uitzien? Immers ja; want de tevredenheid glinstert uit uw oogen, en de blos, dien het genoegen op uw wangen ontstak, klom even zoo wel uit uw klein hart naar boven, als het niet bij toeval is, dat thans dit vale bleek hièr dat kleurtje dáár vervangen heeft.Dikwijls stond ik voor dat portret met een gevoel van benijding, dat misschien menig uwer dwaas zal heeten. Het was, wanneer het mij somtijds recht bang was, en ik behoefte had mijn oog op iets vroolijks te vestigen; hoe kon mij dan het onderscheid tusschen het kind en den man treffen! Dat gladde voorhoofdje, hoeveel rimpels heeft het gekregen! dat vonkelend oog, welk een doffe nevel heeft den straal der vreugde daarin uitgebluscht! die bloeiende wangen, hoe heeft de hitte van den dag ze doen verdorren! dat lachend mondje, welk een diepe groef heeft de smart er in gedrukt! Ik had moeite te gelooven, dat ik er ooit zoo had uitgezien, en dan dacht ik weêr, dat wie er zoo had uitgezien nooit zóó kon worden als ik nu!—Doch eindelijk verzoende mij die aanblik met mijn ongeluk. En zijt gij dan geen kind geweest? vroeg ik mijzelven. Een vroolijk, onschuldig, gelukkig kind? hebt gij niet met de bloemen gebloeid en met de vlinders gedarteld? hebt gij u niet moêgespeeld en wakker geslapen? hebt ge geen tijd gehad, dat alle kommer om en voor u besloten werd in het hart, waaraan ge rusttet, en dat ieder zijn eigen smart onder een lachje voor u verborg? Waarover beklaagt gij u dan! Twintig jaren, kinder- en knapen- en jongelingsvreugde, is het te veel, dat ge daarvoor in het leed des mans een evenredige rente betaalt! O, als God het naakte wicht hulpeloos op den kouden, harden grond nederlegde, en aldus aan de genade van het toeval overliet; als het kind, van den dag zijner geboorte af aan, even als het winterklokje dat uit de sneeuw opschiet, door barre winden en scherpe hagelsteenen geteisterd werd; als de opwassende knaap zich, gelijk een verdrukte scheut, naar boven moest werken; met één woord: als er aan het leven een jeugd ontbrak,—dan zouden wij kunnen klagen, dat ons onrecht gedaan was. Maar zoo is het immers niet? Voor de intrede des menschen in de wereld is alles door de zachte hand der liefde gereed gemaakt. Vaderarmen ontvangen, moederarmen koesteren het;Haar liefde dekt het schaap nog zonder wol;Haar teêrheid voedt het lam nog zonder weide.Dan heeft het kind voor niets te zorgen, terwijl alles voor het kind[107]zorgt. Dan wordt de scherpe wind gebalsemd en de stekende zonnestraal mat gemaakt; dan plaatsen zich anderen vrijwillig voor den snijdenden tocht en onder de vallende sneeuw; dan wordt het plantje gedekt, begoten, naar de zon gekeerd, ondersteund en opgehouden. Dan worden alle tranen opgevangen, alle zuchten weggekust. Dan wordt ieder plek tot een speelplaats gemaakt, ieder voorwerp tot speelgoed, en iedere volwassene buigt zich om meê te spelen. Dan wordt voor het kind de doorn van iederen stengel gebroken, de honing uit iedere bloem vergaârd, het sap uit iedere vrucht gedrukt. Dan slingeren de menschen hunne armen in elkander, om rondom het kind als ware het een Eden af te perken, waarin het storelooze paradijsgenoegens smaakt.Maar wat zouden wij dan willen? Dat dit altijd zoo voortduurde? De hemel beware ons! Wat zou er van zulke vertroetelingen worden? Ellendige kasplantjes, die geen tiende van hun natuurlijken groei en sterkte zouden bereiken, saplooze bladeren, weinige bloesems en niet een enkele vrucht dragen. Neen, niet alzoo! Wij zijn kinderen opdat wij mannen zouden worden, maar worden geen mannen, opdat wij kinderen zouden blijven. Zijn wij zoo ver gekomen, dat wij onder het glas van daan en in de open lucht kunnen, dan is het ook niet meer dan billijk, dat wij met de anderen wind en koû leeren deelen. Wordt het ons daaronder al eens bang, denken wij dan terug aan de twintig jaren dat wij gespaard zijn geworden, aan de twintig jaren van vooruitgenoten vergoeding, aan de twintig jaren van toerusting, die weinig vrucht hebben gedragen, indien zij ons voor geen twintig jaren strijdens hebben voorbereid!Zie, zulke gedachten pleegt het gezicht van het kind bij den man op te wekken. En dan, in plaats van mij te verdiepen in het lijden, dat mij drukt, verlies ik mij in de herinnering van het genoegen, dat ik gesmaakt heb. Dan denk ik, hoe de verschooning, mij in de eerste vaag des levens bewezen, gediend heeft om mij tot het uitstaan der tegenwoordige beproeving te harden; dan denk ik, hoe het mij zou gegaan zijn, indien dit leed, even als een vroege vorst, in mijn kindsheid gevallen ware: dan denk ik, hoe ver de rampen des mans er van af zijn tegen de vreugde van den kinderlijken leeftijd op te wegen; en onder deze beschouwing groeit mijn moed aan; de sterke man vindt kracht in den aanblik van het zwakke kind; de smart des volwassenen vertroost zich met het lachje van den knaap; en mijn gevoel lost zich op in de dankbare uitboezeming: Ja, ik ben waarlijk dezelfde; die knaap en deze man! Was ik die knaap niet geweest, ik ware deze man niet geworden; en was het niet om deze man te worden, ik zou die knaap niet geweest zijn.En wanneer ik alsdan het kind aanzie, en het mij voorstel in al zijn onkunde en onbewustheid van zijn hoogere bestemming; de aarde aanziende of zij altijd beneden hem, en den hemel, of hij altijd boven hem zou blijven;—en daarbij te gelijk denk aan hetgeen er van hem worden moet: een kind van God, een blinde voor de wereld,[108]een doode voor de zonde, een dagelijksch offer van zich zelven, een burger des hemels op aarde, en eens een lotgenoot des Hoogzaligen;—dan verliest mijn oog zich in die gaping tusschen dat wichtje vóór—en den zalige boven mij; en het wordt mij duidelijk, dat de school, waar zulk een opvoeding voltooid moet worden, een school van werkzame oefening en strenge tucht moet zijn. En bij die overtuiging wordt het mij zoo helder, dat dat kind dien speelschen lach om den mond en dien blijden straal in het oog verliezen moest, dat ik niets natuurlijker vinde, dan dat de man, voor het portret tredende, zich zelven niet meer herkent en er hem ongelukkig om rekenen zou, indien het anders ware.Ongelukkig, indien het anders ware! O, op hoe velerlei beschikkingen in mijn lot kan ik dit toepassen. Zeker, als ik op dit kind zie, voel ik mij overstelpt van dankbaarheid bij de gedachte aan zoo vele leidingen Gods, als gestrekt hebben om het te bewaren van immer geheel uit den staat des kinds uit te vallen. Al denkikalleenaan de lieve moeder, van wie deze beeltenis afkomstig is. De lieve moeder! Nooit werd die naam met meer recht door een vrouw gedragen, nooit haar met meer liefde door een kind gegeven. Niet alleen omdat zij de weldoenster mijner kindsheid was, die van haar armen mijn wieg, en van haar boezem mijn peluw maakte; die mij ’s avonds met haar liederen in slaap zong, en mij ’s morgens met haar omhelzingen weêr wakker kuste; wier bijzijn in den vollen zin des woords mijn leven, wier schoot mijn hemel was. Maar veel meer, omdat zij evenzeer de geleigeest van mijn onnoozelheid, als de beschermengel van mijn zwakheid was. Niet alleen met de melk harer borsten, ook met de melk haars harten, met al wat er ooit zachtst, mildst en teederst in een vrouwenziel was, voedde zij mij op. Zoo boezemde zij mij reeds vroeg het gevoel eener groote liefde in; indien mijn hart geen bekrompen hart is, maar in zijn genegenheid meerderen omvat, dan mijn armen omvademen kunnen, ik dank het haar, die mij als van mijn geboorte dien geest van liefde heeft ingeademd. O, het is zoo gelukkig, als de moeder begint met het geheele hart des kinds in te nemen. Dan is er reeds dadelijk een plaats vervuld, waar zich anders al spoedig het gevoel van eigenbaat indringt. Maar is eens de kiem der liefde in het weeke gemoed gevallen, dan groeit die met het wicht op, slaat haar vezels in zijn zenuwen en voedt zich met zijn bloed. Dan zet zij zich uit naarmate de borst ruimer wordt, en ofschoon het opschietend onkruid haar begint te drukken, zij blijft in het hart geworteld. Zalig dus, wie als kind van zijn moeder liefde leert: hij leert spelende, wat de eerste plichten zijnzullen; hij neemt als een lust op, wat hij later als een last zal moeten dragen; hij wordt door de liefde tot ééne voor de liefde tot allen gevormd; en de armen, die nu nu den boezem omklemmen welke hem voedt, worden gewend om eens een ruimeren kring teomvatten, zooals het klimop, dat begint met zich om de scheut te slingeren, zich later[109]van zelve met den zich uitzettenden stam uitbreidt. O, toenmaals wist ik niet beter, of ik had mijn moeder lief als mijn moeder en zij mij als haar kind; maar toen ik later gevoelde, dat wij hier niet enkel moeder en kind geweest waren, maar dat haar liefde te gelijk tot opleiding voor den mensch, tot vorming voor den Christen gediend had, toen zag ik eerst recht in, welk een geschenk van Gods vaderliefde deze moederliefde voor mij geweest is!Ik kan van dit onderwerp nog niet scheiden. Wie een lieve moeder te gedenken heeft, zal er mij niet hard over vallen.Toen de doos vanPandoraopenging, stroomden daaruit allerlei rampen, maar de hoop bleef op den bodem liggen. Toen het hart der menschen zich voor de zonde opende, verlieten allerlei deugden het menschelijk hart, maar het geweten bleef op den grond achter. Maar dit geweten, hoeveel hangt er van af, hoe het behandeld wordt?Hier is het een koppige goudvink, die op het eene oogenblik tot geen zingen te krijgen is, en dan weêr op eens zoo begint door te slaan, dat men niet weet, hoe hem tot stilte te brengen. Daar is het een lijster, die alleen helder fluit, als het slecht weêr is. Daar is het een kwaadaardige uil, die het licht schuwt, maar den ganschen nacht zit te krassen dat men niet slapen kan. Daar is het een haan, die, even als voorPetrus, niet kraait, dan als het te laat is. Daar eindelijk is het een nachtegaal, welken men hoort zoodra men in den eenzaamheid en in het donker komt, en wiens gezang den nacht vervroolijkt.Behoort het geweten dan tot geen vast ras van vogels? Zeker wel. Oorspronkelijk behooren allespecieser van tot het nachtegalen-geslacht. Maar de verschillende wijze van opkweeking en behandeling is de oorzaak van die ontaarding en verbastering. Gij ziet dus van hoeveel belang het is voor het uwe te zorgen, eer gij van uw nachtegaal een uil maakt.Mijn lieve moeder was een uitmuntende opvoedster van het mijne. Zij liet het niet enkel aan de natuur over het te leeren zingen, maar hielp het een weinig op den weg, zoo als men de kanaries met een kanarieorgeltje, of de eksters met voorpraten doet. Van daar verhief het zijn stemmetje al vroeg: toen ik nog maar een kind was, kon het ’s avonds, als ik in mijn bedje kwam, reeds neuriën en kneuteren dat het een aard had.Gelukkige die ik was! Hoe vele zijn er, die nooit zoo diep zouden gevallen zijn, indien men, even als mijn moeder, hun geweten meer als een afzonderlijke faculteit van de ziel had aangemerkt, die mede kon en moest ontwikkeld worden; indien men hen als kind een vreemde taal minder had laten leeren, en hen in plaats daarvan geleerd had de stem in den boezem beter te verstaan.—Toen mijn geweten nog onmondig was, nam mijn moeder de voogdij er over op zich. Voor niets was zij ongeruster, dan dat het zijn natuurlijke teederheid verliezen zou. Wetende dat het, als een speeltuig, helderder klinkt, naarmate het reiner wordt gehouden, was zij er altijd op uit om voor zijn[110]zuiverheid te waken. Het moest, dacht zij, even als een windharp, zelfs al ging er maar een tochtje over, trillen en geluid van zich geven. Later gewende zij mij, de zorg er voor allengskens over te nemen. Ook had het toen reeds een vastheid en sterkte van stem gekregen, die maakte dat ik het niet licht meer van de wijs had kunnen brengen, al had ik gewild.En toch, dankbaar erken ik, hoe veel ik ook toen nog aan haar verplicht bleef. Dikwijls was haar tusschenkomst machtiger, indien al niet om mij van het kwade terug te houden, dan toch om mij tot het goede aan te sporen, dan de stem van mijn conscientie zelve. Dit was vooral dan het geval, wanneer eenige overtreding mij met mijn geweten overhoop had geholpen. Om de waarheid te zeggen, dan was die rechter mij meestal te streng; althans hij schrikte mij evenzeer af, als hij mij uitlokte om de hand ter verzoening te reiken. Dit ging veel beter door hare tusschenkomst. Zij was, even als Gods woord, veel zachter dan mijn conscientie. Zij maakte mij de belijdenis zoo gemakkelijk; zij was zoo liefderijk in haar bestraffing; zij schonk zulk een volkomen vergiffenis! Nooit stroomden mijn tranen lichter dan aan haar boezem, en nooit werden zij eerder afgedroogd. En hoe zij zulk een oogenblik wist te heiligen door, naarBorgersuitdrukking, den boetvaardige op te beuren, maar op te beuren tot God in den hemel; hoe zij, als ze mij vergiffenis geschonken had, mij aan de voeten des hemelschen Vaders voerde, opdat ik die vergiffenis ook van Hem zou afsmeeken! Hoe zij aldus van de weekheid mijns harten gebruik maakte om er het teeken des kruises dieper in te drukken! O, gij kleine knaap, indien de zonde van dit voorhoofdje het zegel des doops nooit geheel heeft kunnen wegwisschen, en, hoop ik, het verder ongeschonden zal moeten laten, dank er haar voor, die het eens onder de vonte hief!Ja, daarheen droeg zij mij, maar niet gelijk zoo velen, uit gehoorzaamheid aan een maatschappelijke wet, omtrent gelijkstaande met de inschrijving des jonggeborenen op de registers van den Burgerlijken stand. Niet alleen haar hoofd, haar geheele hart boog zich op de vrage of zij beloofde, „dit kind, als het tot sijn verstand sou gekomen zijn, in de voorseyde leer na haer vermogen te onderwijsen.” Aan niemand stond zij de zoete taak af, mij het eerst den heiligen Vadernaam te leeren stamelen. Weet gij wat dit zegt? Ik voor mij ken onder alle zegeningen, waarmede God de wieg eens kinds omringen kan, geen grootere, dan een vrome moeder. Moeders zijn de ware kinder-apostelen! Niet alleen, omdat haar stem lichter en dieper in het hart van haar kroost dringt; maar, ook, omdat vrouwelijk geloof en kinderlijk geloof zulk een nauwe verwantschap met elkander hebben. Op den zinnelijken knaap werkt het gemoedelijke, dat in den godsdienst der vrouwen den boventoon voert, veel sterker en gelukkiger, dan het meer verstandelijke, dat het heerschende kenmerk van de overtuiging des mans uitmaakt. Zoo ging het mij althans bij mijn moeder. Zeker is het beeld van den Heiligste onder de menschenkinderen altijd allerbeminnelijkst,[111]welke (vrome) hand het ook schetse: niet anders dan alle Christusbeelden hetzelfde karakter van grootheid en liefderijkheid ademen. Maar zooals evenwel deChristusvanRafaelhemelscher is, dan de Hemelsche op de tafereelen vanCorreggioofDa Vinci, vond ik den Zaligmaker nooit beminnelijker, dan in de voorstelling van mijn lieve moeder. Nooit heb ik hem beter—hoe zal ik zeggen?—gezien, nooit stond hij mij aanschouwelijker voor oogen, dan zooals zij hem mij deed aanschouwen. Gelijk een portret naar het leven gemaald verschilt van de afbeelding op een doode genomen, verschilde haar teekening van den Eenige van die van anderen. Men kon zien, dat haar hart het penseel bestuurde. Die verheven gedachte van haar lievelings-Apostel: Die niet lief en heeft, die en heeft Godt niet gekent: God is liefde! Liefde is als het orgaan, waardoor men God leert kennen en aanschouwen!—bevestigde zich in haar ten aanzien van zijn beeld op aarde. In zooverre dit van een gebrekkig menschenhart kan gezegd worden, gold het van haar; haar liefdevol hart begreep hem! Van daar putte zij, als zij den Heiland schilderde, niet enkel uit haar geheugen, maar veeleer kwam zijn beeldallengskens, als een hostie uit haar heiligdom, uit het binnenste haars harten te voorschijn. Van daar dan ook, dat dit beeld zich diep in mijn ziel drukte—en, hoop ik, onuitwischbaar!Even zoo ging het mij met haar voorstelling van het toekomende leven. Allen verwachten wij éénen hemel; maar welk een onderscheid! Indien ieder het denkbeeld dat hij van zijn hemel vormt, aanschouwelijk kon maken, gij zoudt nooit gelooven, dat zij hadden voorgehad dezelfde plaats te malen. De hemel van sommigen is somber en eenzaam; die van anderen gebrekkig en onvolmaakt; deze schildert zich hem geheel aardsch en zinnelijk, gene schept hem zich weder zoo bovenzinnelijk, dat hij geen hemel voor menschen blijft. De hemel van mijn moeder was eerst recht hemelsch! alles wat haar rijke verbeelding heerlijks, wat haar vrome ziel reins, wat haar geloovig hart zaligs bevatte, vond zich in de voorstelling daarvan terug. Bij haar geen onoverzienbare afstand, die hem van de aarde scheidde; geen ondoordringbaar wolkfloers, dat hem voor het oog verborg! Voor haar geest smolt hemel en aarde, even als voor haar oog aan den gezichteinder, liefelijk en harmonisch ineen. En dan dat voorkomen, waarmede zij er van sprak!—Ziet gij, ik heb allen eerbied voor de keurige plaatsbeschrijving door menigen Eerwaarde van het het hemelschJeruzalemop den kansel gegeven.Maar wanneer ik hem daarbij onophoudelijk voor zich—zeker op de kaart van het heerlijk gewest—zie staren, of uiterlijk zijn oog op de hoorders beneden hem zie vestigen, zonder dat zijn blik zich ooit met een uitdrukking van ingenomenheid of verlangen naar boven richt: hij vergeve het mij, dat daarbij mijn gedachten niet hooger klimmen dan de vinger, dien hij telkens opsteekt om de bedoelde streek aan te wijzen, en dat ik van het tafereel door hem gemaald niets zie, dan den schilder. Hoe geheel anders ging het mij onder het[112]gehoor van dien vromen grijsaard, dien menigeen uit deze teekening duidelijk genoeg herkennen zal, die nooit van den hemel gewaagde dan met de uitdrukking van een zoo vroolijke verrukking en van een zoo vertrouwelijke gemeenzaamheid, dat de meest aardschgezinde er door geroerd werd. Op zijn gezicht, door den straal eener hoogere vervoering verlicht, zag men als het ware den hemel weêrkaatst, dien hij u schilderde, en beter dan de lofzang der Engelen, waarvan hij meldde, noodigde u zijn stem, waarin het levendigst voorgevoel klonk, naar de gewesten, waarin zijn ziel reeds scheen te zweven!—Evenzoo ging het mij onder de gesprekken mijner moeder. Het is waar, zij kende geen enkel dogmatisch bewijs voor de onsterfelijkheid, en zou aan zoovele wijsgeerige hemelbestormers niets dan een onbeschermd hart hebben kunnen tegenstellen. Maar zij geloofde aan den hemel! en met een levend geloof, dat het onzienlijke niet droomt, maar ziet; dat de hope niet hoopt, maar dadelijk geniet. Van daar was er in haar voorstelling van den aanstaanden gelukstaat iets wegslepends, iets aanstekends, dat te gelijk overtuigde en meêvoerde! en ik vond in haar de spreuk van den vromen man, van wien ik straks sprak, bevestigd: dat een godsdienstig mensch meer leert van geloof en godzaligheid, dan het beste boek, dat er over geschreven kan worden.—Zeker, God heeft ze lief, die hij door zulke liefelijke boden tot zich laat noodigen!En toch moet gij hieruit niet besluiten, dat zij in haar vromen ijver zou vergeten hebben, dat ik zoowel tot een burger der aarde, als tot een hemelburger moest gevormd worden. Ook in dit opzicht kon mijn opvoeding in geen betere handen gevallen zijn. Niet dat ik hiermede aan de verdiensten mijns vaders wil te kort doen. Mijn vader was ongetwijfeld een groot en eerbiedwaardig man; nooit was er deugdzamer hart of godvruchtiger gemoed; maar toch zou ik, van achteren beschouwd, niet gewenscht hebben, dat het werk mijner opvoeding aan hem alleen ware overgelaten geweest. Hij was er te koud en te steng toe. Groote ongelukken, in zijn jeugd geleden, hadden hem ontijdig vroeg uit het paradijs zijner idealen verdreven. Sedert had hij zichzelven beloofd, er nooit weder een oog heen te wenden. Deze belofte hield hij trouw. Hij bouwde zijn verwachtingen alleen op den vasten bodem der aarde, nooit op de drijvende wolken des hemels. Hij beschouwde het leven enkel van zijn praktische zijde: en wat er nog dichterlijks in zijn ziel sluimerde, behoorde geheel aan een hope, die, ofschoon hooger dan de wolken, vaster staat dan de rotsen. Zeker, ik verheug er mij over, dat mijn vader zulk een man was. Hij hardde en smeedde het staal, dat mijn moeder in het vuur des gevoels warm en week had gemaakt. Met zulk een teêr hart als het mijne, wat ware er van mij geworden, als hij nu en dan niet eens een raam van de trekkas, waarin zich mijn geest verbroeide, geopend had. Indien zijn killer adem er niet van tijd tot tijd als een voorbereidend nachtvorstje was overgegaan, hoe zou het werkelijk leven als een doodende koude op mijn verwend gemoed gevallen zijn. Doch ook aan den anderen kant, hoe zou het mij gegaan[113]zijn, indien ik alleen aan zijn leiding ware toevertrouwd geweest, indien hij, in de eerste vaag mijns levens, op de beelden mijner fantasie, alsDon Quichotop de marionnetten, aangevallen ware: indien hij terstond mijn witte vleugelen, evenals haar dat te lang is, had afgeknot, en mij zoo gekortwiekt de wereld had ingejaagd! Neen, dan ware ik zeker niet de mensch geworden, dien hij meende van mij te zullen maken. Hij zou gezien hebben, dat hij zich in zijn rekening bedrogen had, door een zomer te willen hebben zonder lente, en in den herfst over zijn dwaling getreurd hebben. Doch hiervoor was gelukkiglijk geen vrees. Immers mijn moeder stond aan de andere zijde naast mij: zij was het, die met teedere bezorgdheid over de jeugd mijns harten waakte, en als een wachtengel voor mijn paradijs stond. Wetende hoe zalig het is, als men in zijn binnenste een wijkplaats heeft, onder wier lommer men zich verschuilen kan, als het u daar buiten in de wereld te heet wordt, vreesde zij voor niets meer, dan dat dat toevluchtsoord, even als bij mijn vader, in een woestenij verkeeren mocht. Daarom daalde zij met mij in hetElysiummijner droomen af, en doolde er met mij in rond, zeker wel met het gevoel van eenCicerone, wien zijn wandeling verveelt, omdat hij die reeds zoo dikwijls gedaan heeft. Maar evenwel, zij getroostte zich dit gaarne, en staarde met mij naar de sterren aan mijnen hemel, als of zij ze nimmer meer gezien had. Ik ben verzekerd, dat gij, zonder misschien de grootheid van dit offer te gevoelen, er de waarde van erkennen zult. Althans ik erken die dankbaar. Daardoor toch is de invloed, die mijns vaderspositieverichting van geest op mij uitoefende, nuttig voor mij geweest zonder mij te schaden. Zij heeft de veêr bedwongen, maar niet verlamd; zij heeft de snaar ontspannen, maar niet gebroken. Ik draag nu mijn dichterlijkheid, niet als een pauw zijn staart, die driemaal grooter is dan hij zelf, maar als een eerzame duif haar vleugels, die zij uit kan slaan als zij wil gaan vliegen, maar die zij onder ’t loopen zoo netjes langs haar lijf plooit, dat niemand ze merkt.—De lezer wordt verzocht hierbij niet met het hoofd te schudden of te lachen. Ik weet wel, dat ik in zijn gezelschap altijd vliegende gezien word; maar dat komt juist uit: want als ik mij aan ’t schrijven zet, is het een teeken, dat ik wil gaan vliegen. Kom over een uur, als dit artikel af is, en gij zult zeggen, dat gij nooit bedaarder man op twee beenen hebt zien loopen, dan den vogel zonder veêren, dien ge nu in de lucht ziet.Maar, zooals ik zeide: eerst nog een oogenblik geduld! gij kunt het mij niet ten kwade duiden, dat het mij moeilijker valt dan u, van mijn portret te scheiden.Mijn portret! Laat ik het nu nog eens mogen zeggen: het is een lief, onnoozel kinderkopje; te meer, daar ik u even oprecht bekennen zal, dat, zoo ooit een gezicht bedrogen heeft, het dit geweest is. Neen, lieve knaap! gij zijt niet geworden, wat gij beloofdet. Zooals ik u daar voor mij zie, niet die kinderlijke onschuld op het gelaat, zou een Engel u voor zijn broeder kunnen houden. Men ziet het dat open[114]voorhoofdje aan, dat er nog nooit een blos van schaamte op gestegen is; men kan het aan die wangen, frisch en fleurig als een pas opengaande roos, zien, dat er nog nooit een bijtende traan van boete langs is gevloten; het spreekt uit dat vonkelend oog, dat het zich tot nu toe nimmer heeft behoeven neêr te slaan; onbezoedelde reinheid ligt als een ongereptwaasover het geheele wezen verspreid. Mijn oogen dwalen af, en slaan een blik in den spiegel er naast. Goede God! Wat is er van dit kind geworden! Als een vergiftigende adem heeft de zonde zijn voorkomen verkleurd en ontsteld. Een wind gelijk, die een effen stroom beroert, zoo hebben de stormen der ziel de gladde vlakte van dat klare voorhoofd in rimpelen opgejaagd; de heldere blos is verdronken in de tranen, die hem hebben overstroomd; de oogen hebben hun schitterenden straal verloren en lichten nu met het beneveld schijnsel van het lemmet eener lamp, waarin de olie troebel geworden is. Gelijk men inArabiëop het eerste gezicht de woestijn herkent, waar langs de verzengendesimoungewaaid heeft, zoo kan men het mijn geheel voorkomen aanzien: Hier is de zonde langs gegaan! Bedroevende aanblik, die mijn bleeke wangen met purper van schaamte kleurt, en mijn hoofd als een geknakte bieze op den schouder doet zinken.En was het daarom, dat God mij zoo onnoozel deed geboren worden? En was het daarom, dat eens mijn ziel onbezoedeld in mijn onbevlekt lichaam woonde, als helder water in even helder kristal;Blank lijfjen zonder smet, blank zieltjen zonder zonde,Gepaardin dubble maagdlijkheid.En was het daarom, dat mijn ouders zich als wachtengelen tusschen mij en de wereld plaatsten, om mijn zuiverheid te bewaken? En was het daarom, dat er zoo veel zorg besteed werd om mij tegen de besmetting des kwaads te wapenen? Hoe weinig heb ik aan de mij geschonken voorrechten beantwoord!—Kind, kind! lach mij zoo niet aan! Gij hebt geen erger vijand, dan den man die voor u staat. Hij heeft een doodslag aan u begaan! Hij heeft uwe onnoozelheid vermoord! Uweonnoozelheid, die zoo teêr, zoo zacht,zoo aanminnig, zoo bevallig, die een wellust van menschen en engelen was! Maar hem kon zij niet bewegen! Onmeêdoogend heeft hij haar gedood. Hoe zij hem ook aanschreide, hoe zij hem ook tegenkreet, hij heeft haar opgeofferd. Niet op eens, maar langzaam, zonder dat men iets van het aangedane geweld bemerkte. Maar toch zoo zeker, dat zij nu wel geheel gestorven is, en in zijn lichaam rust als een doode in het graf. Kind, lach mij zoo niet aan!Helaas! dat is ons aller lot op aarde. Men zou het kunnen vergelijken met het lot van de sneeuw. Vlekkeloos valt zij uit den hemel, wordt op de aarde bezoedeld, zinkt dan weg in den grond, en vergaat zoo geheel.… ten zij, ten zij! het zonlicht enkele heldere droppels uit het slijk omhoog trekt. Zoo ook wij! sneeuw in de wieg, worden wij slijk op de aarde, en verzinken eindelijk als dras in den grond.[115]Maar het zonlicht van Gods genade ontwikkelt uit het bezoedelde nat een enkelen klaren drop, dien het ten hemel opneemt.Is dit zoo? lach mij dan vrij aan, mijn kind! Wij zullen weder vrienden worden.Neen, het is te weinig, dat de mensch alleen over zijn verloren onschuld weenen zou. Beween een marmeren beeld, dat gebroken is, het is voor altijd weg; maar beween geen gestorvene, die weder kan worden opgewekt. Nog eens stel ik mij voor mijn portret. In navolging van den Heer, stel ik een kindeke voor mij en wijze er mijzelven op:Indien ghy u niet en verandert ende wort gelyck de kinderkens, so en sult ghy in het Coninghryke der hemelen geensins ingaan.Ja, ziedaar mijn voorbeeld! Zoo was ik, zoo moet ik weder worden. Zoo was ik uit de natuur, zoo moet ik ook uit eigen keuze en vrijen wil weder worden. Het afgelegde gevoel van afhankelijkheid, de verloren eenvoudigheid des geloofs, de verleerde gewilligheid der onderwerping, de verkrachte onbedorvenheid der onschuld, dat alles moet weder aangeleerd of aangenomen worden. De wijsheid, in de beproeving verkregen, moet mij bijblijven; maar de besmetting, in de beproeving opgedaan, moet worden afgelegd. De wonderspreuk des Apostels moet aan mij worden vervuld:Volwassen in ’t verstandt—kinderen in de boosheydt!Het is droevig, dat zoo velen dit niet begrijpen of begrijpen willen. Zij rouwen over hun verloren onschuld, ja, maar als wanhopenden. Zij zitten er bij neder; zij vertreuren hun tijd en hun krachten; indien zij ze met hun zuchten konden opwekken, zij zou herrijzen! maar te vergeefs. Geen tranen wisschen een bevlekt geweten schoon; geen snikken roepen een gestorven onschuld wakker. Er moet opgestaan, er moet gehandeld, er moet geleden, er moet gestreden worden. Met het beeld eens kinds voor het oog, moet men naar gelijkheid met het kind streven. O, ik denk, dat het dit is, dat mij kinderen zoo recht dierbaar maakt; in ieder van hen zie ik een voorbeeld en leermeester. Daarbij denk ik altijd aanLuther, die, toen zijn kinderen eens onder elkander krakeelden en spoedig daarna zich weder verzoenden, zeide: Lieve Heere God! Hoe aangenaam zijn u toch zulk een kinderlijk leven en zulke spelen! Ja, al hun zonden zijn niets dan vergeving der zonden.Ziet gij, met dit oog beschouw ik de kinderen, die mij omringen. Als ik zie, hoe het knaapje aan den schoot der moeder staat, en naar haar vertellingen luistert, en, wanneer hem daarin iets ongeloofelijks treft, met vertrouwen tot haar opziet en vraagt: „Is dat zoo, moê?” dan schame ik mij over mijn vermetelheid, dat ik dikwijls zoo traag was om te gelooven, wat mij in de mededeelingen mijns hemelschen Vaders onwaarschijnlijk voorkwam, en ik vermane mij zelven:So wie het Coninghrijke Godts niet en ontfangt gelyck een kindeken, die en sal hetzelve geensins ingaan.—Wanneer ik zie, hoe het kind, dat ongehoorzaam geweest is, op het enkele gezicht van de smart, die hij[116]zijn vader daardoor veroorzaakt, in tranen van berouw uitbarst, hem in de armen vliegt en snikkend uitroept: „Vader, vergeef mij! ik zal het niet weêr doen!” dan voel ik mij vernederd door de gedachte, hoe dikwijls ik dagen op dagen over mijn overtredingen tegen mijn goddelijken Vader liet heengaan, zonder tot het afleggen eener ootmoedige belijdenis te kunnen of te willen komen.—Ja, zelfs die belofte: „Ik zal het niet weêr doen!” hoe beschuldigde zij mij, dat ik zoo vaak om de Goddelijke vergiffenis had durven bidden, zonder mij te hebben verbonden door de gelofte om mij voortaan voor de geboete zonden te wachten.—Wanneer ik zie, hoe gemakkelijk en gaarne het afhankelijke kind van zijn ouderen afhangt, en met volkomen gerustheid en vertrouwen van hunne liefde en zorg de voldoening zijner behoefte verwacht, dan bloze ik over mijn gedurige bekommeringen tegen den volgenden dag, en bestraf mijzelven, dat „ick myne ziele niet en hebbe geset ende stille gehouden, ghelyck een gespeent kindt bij syne moeder!”—Eindelijk, wanneer ik zie, hoe het kind zich in het midden der booze wereld bevindt, zonder nog iets van hare boosheid te hebben aangenomen, daarin verkeerende als een witte duif in haar bezoedeld hok, dan jammer ik over mijn vatbaarheid voor alle besmetting, en neem mij voor „een kindt in de boosheydt” te worden.Moeielijk, maar ook schoon en heerlijk werk! Zeker dit kan ik mij vanLutherniet begrijpen, hoe hij zeggen kon, dat hij in den kinderlijken leeftijd had willen gestorven zijn, en daarvoor gaarne alle eer overgegeven, die hij in de wereld had.—Neen, vaderLuther, daarin kan ik het met u niet ééns zijn. Zeker geloof ik wel, dat er ook boven een school is, waar de lieve Engelen, of hoe de goede geesten anders heeten mogen, de taak der ouders en leermeesters bij de vroeg opgeroepen kinderkens op zich nemen, en het Christenkind tot een Christen vormen. Maar daarom zou ik nog niet durven zeggen, dat het beter was, een leerling der hemelsche dan der aardsche school te zijn. Mij dunkt, boven kan de strijd zoo zwaar, en daarom de kroon zoo schoon niet wezen. En zeker, van alle menschen hadt Gij wel het minste reden om zulk een wensch te doen. Gij, die tegen het booze strijdende als een held, echter dien heldenmoed onder de karaktertrekken eens kinds verborgt, kinderlijkste der mannen en mannelijkste der kinderen! Ook verbeeld ik mij, dat gij nu, met den krans der Christenstrijders om het hoofd en het witte kleed van Gods kinderen om de leden, het niet anders wenschen zult dan het geweest is. Ik voor mij wensch niets beters, dan u van verre te volgen, en, indien ik eenige eer in de wereld had, ik zou die daarvoor gaarne willen geven.En spreek gij nu eens, kind-Jonathan! en zeg, hoe het met den man-Jonathanstaat? Begint gij u zelven reeds in hem te herkennen? Vindt gij allengskens in hem die trekken van nederigheid en liefde, van gehoorzaamheid en zuiverheid weder, die u eigen waren? O, ik wilde, dat ik die vraag met meer vrijmoedigheid doen durfde. Neen, het is nog niet in orde, niet waar? Hiér niet—en dáár niet—en[117]dáár niet!—Ik schaam mij over deze belijdenis. Maar ga gij slechts voort mij te leeren; dan zal ik wel verder komen. Even alsGarrick, die voor een portret staande, zijn gezicht zoo plooien kon tot hij er op geleek, wil ik met het oog op u het gelaat mijner ziele zoolang plooien, tot het uw gelijkenis draagt. Zoo hoop ik gereed te zijn, eer de Heer roept. Hij zal geduld met mij hebben, en mij niet van de school roepen, eer mijn opvoeding voltooid is, hoop ik.En nu neem ik afscheid van u, schoon het mij moeite kost. Zeker, gij biedt een liefelijken aanblik aan. De kindsheid heeft haar eigen schoonheid; onschuld ligt als een hemelsche sluier over het aardsche beeld. Ook daarin is veel veranderd. Gij herkent mij zoo weinig als ik u. Maar ook dit zal weêr veranderen. Als eerst de ziel slechts wedergeboren en tot kinderlijke reinheid terug gebracht is, zal het lichaam wel volgen. Welk een vooruitzicht! Een nieuwe ziel in een nieuw lichaam! Beide, als de phenix, uit haar asch herboren; beide met onvergankelijke jeugd getooid! Lieve jongen! hoe gaare zou ik u eens in beeltenis aanschouwen, hoe gij er dan wel zult uitzien!.… Maar foei! ik zie, dat ik eerst nog wel van u leeren mag, mijn tijd geduldig af te wachten![118]

HET PORTRET.

Ja, ik ben ook geportretteerd.Wees evenwel niet te haastig, met dadelijk aan een prachtig schilderstuk vanHodgesofKrusemante denken. Van waar zou mij zulk een aanmatiging komen? Immers, wat heeft de schoone kunst met mijn onbeduidende figuur uitstaande? Ik sta er voor in, dat het op de wereld nooit aan stalen van mijn soort ontbreken zal. Ik gevoel mij dus volstrekt niet aan de nakomelingschap verplicht, haar een afbeelding van mijn wezen na te laten. Hierbij komt, dat ik te veel eerbied voor de kunst heb, om mij haar ten voorwerp op te dringen. Als ik mijn hoofd ginds even buiten ’t raam steek en den hemel en de aarde aanzie, zie ik wel duizend voorwerpen, die schilderachtiger zijn dan ik. Waarom zou ik, horzel in Gods bloemengaarde, dan niet even als zij willen voorbij gaan, zonder in beeltenis te blijven bestaan? Integendeel gaat mijn nederige schroom hierin zoo ver, dat ik, als ik ’s zomers buiten wandel, er bijna een gewetenszaak van maak, te dicht bij het spiegelend water te komen, omdat het mij aan het hart gaat, als ik het op eens, in plaats van Gods blauwen hemel en zijn lieve boomen, mijn lange magere gestalte zie terugkaatsen. En al was ik mooier, of had ik ten minste zulk een voorkomen als de liefhebbers van de schilderkunst,per euphemismum, een veelbeduidenden kop noemen, eilieve! voor wien op de wereld zou ik mij laten uitschilderen? Voor de kunstkenners misschien, om na vijfentwintig jaren op den catalogus van hun kabinet voor te komen onder de vereerende rubriek:No.98. Een mansportret door **** en dan de naam van den bekenden schilder des onbekenden.Of wel om, indien ik mij door een kladder liet afbeelden, nog eensin effigieop een boelhuis te worden geveild:No. 25. Een manspersoon.—Één gulden en vijftig cents.—Niemand?—Nu, voeg er dan deze Jufvrouw nog maar bij.—Nu, twee gulden. Wie twee gulden? Totdat zich iemand mijner ontfermt, en mij nog na mijn dood met wie weet welke eerzame maagd paart, om gezamenlijk als scherm voor een tochtgat te dienen, of tot bedekking van een vuile plek op ’t behangsel gebruikt te worden.[104]Neen, iemand als ik, wiens stil sterfbed van niemands snikken weêrgalmen zal, en wiens eenzame doodspeluw niet bevochtigd zal worden dan door mijn eigen doodzweet, moet het er voor houden, dat de menschen genoeg gedaan hebben, wanneer ze tot aan zijn dood toe zijn gezicht verdragen hebben, zonder er hen nog na zijn overlijden meê te vervolgen. Laat hem, die weet, dat er, bij het verdwijnen van ’t origineel, naar de kopij nog menig betraand kindergezichtje zal opzien, laat hem zijn beeldtenis in ieder vertrek aan den wand hangen. Mij dunkt, zulk een aanzien moet de koude asch nog in het graf verwarmen. Maar wie vooruit berekenen kan, dat zijn portret voor de nablijvenden niets zijn zal dan doek en verf, en zich met de eer, die men deze respective artikelen bewijst, zal moeten vergenoegen, neme liever zijn beeld meê in ’t graf, dan aldus zichzelven te overleven.Ik heb mij dus niet laten portretteeren. Maar gelijk ik u begon te zeggen, men heeft het voor mij gedaan.Ik was negen jaren oud, toen er een Italiaansch miniatuurschilder bij ons kwam, die aanbood mijn ouders voor een prijsje uit te schilderen. Geen van beide gevoelde hiertoe lust, maar in plaats daarvan, wist mijn moeder aan vader de vergunning af te vleien, dat de man mijn konterfeitsel maken mocht. Volgens haar getuigenis, trof de kunstenaar mijn gelijkenis uitstekend wèl. Sedert hing het altijd op de kamer der lieve vrouw, tusschen de silhouetten harer ouders. Na haar dood kwam het in mijn bezit, en nu heeft het zijn vaste plaats aan den muur tegenover mij, dicht bij mijn huisklok, zoodat ik niet op kan zien, zonder dat mijn oog er op valt.Zoo ook nu. Al zoudt gij er mij om uitlachen, ik moet er recht aan doen: het is een lief portretje. Zoowel als ik er straks voor uitkwam, dat ik nu verre ben van een behagelijk uiterlijk te hebben, moet gij mij vergunnen te zeggen, dat ik geen onbevallig kind moet geweest zijn. Er rust zulk een helder waas van gezondheid op het gezichtje; er ligt zulk een glans van onschuld over het open voorhoofd; er schittert zulk een „blijde vonk van kindervreugd en geest”in de lachende oogen; er schuilt zulk een lieve trek van schalkheid in de kuiltjes op de beide wangen; en bovenal heeft het geheel zulk een voorkomen van kinderlijke onnoozelheid, dat ik niet nalaten kan er meê ingenomen te zijn. Ik zie het nooit, of ik denk aan mijn vriendElia: „Ik stem alles, wat gij ten laste van den manEliaopsomt, toe; maar het kindElia, dat anderIKdaar op den achtergrond, dien knaap moet gij mij vergunnen te mogen liefhebben.”Uren lang kan ik dit beeld aanzien, en mij daarbij in een gelukkig verleden verplaatsen.Mijn geheugen is op dit punt zeer wakker. Het is waar, dat ik van de herinneringen uit mijn kindsheid geen aaneengeschakeld geheel maken kan. Nu en dan zijn er groote gapingen in, even als op een schilderij, waarop sommige plekken zijn uitgewischt. Maar daarentegen liggen ook andere partijen in een helder licht voor mij, zoodat het is of ik[105]ze nog zie. En de gedachte daaraan is voldoende, om mij op mijn kindsheid als een hoogstgelukkigen tijd te doen terugzien. Neen, ik kan mij hieromtrent niet metJean Paulvereenigen, als hij de genoegens van het kinderleven „geurlooze vergeetmijnietjes” noemt. Laat de blijdschap van den zuigeling zoo heeten, die zelf geen vreugde heeft van de lachjes, waardoor hij anderen verblijdt, en bij wien het gevoel van vermaak en leed, als ik mij zoo mag uitdrukken, op het gezichtje afwisselt, zonder bijkans het zieltje aan te doen. Maar als het kind een klein mensch geworden is en weet begint te krijgen van genoegen of smart, dan is kindervreugde wel waarlijk vreugde. Zeg dan niet, het heeft geen genot, omdat het zich van zijn genot geen reden geeft. Maar geven wij er ons dan altijd reden van? Gaan wij bij ieder genoegen neêrzitten om het te ontleden? Als wij in het voorjaar in de open lucht komen, en het lentewindje kust ons met zijn lauwen adem, terwijl de verkwikkelijke zon ons streelt als de warme hand van een Odaliske, zoodat wij daaronder „uitzetten en knoppen” van weelde en lust, zeggen wij dan altijd tot ons zelven: Dit is nu, omdat de wind Z. Z. W. is, en de zon op ** gradenFahrenheitstaat. Of nemen wij de moeite van uit te rekenen: omdat de zon werkt op deze spier en de wind op die zenuw, en de spier weêr op de zenuw en de zenuw op de spier, daarom word ik dit aangenaam gevoel gewaar?—Geven wij ons niet veeleer gedachte- en bewusteloos toe aan het genot, dat ons tegenkomt en drukken, even als de bloemen en vlinders, onze tevredenheid uit door de aanraking van den koesterenden straal met een siddering van wellust te ontvangen, en den zoelen balsem van het koeltje met open mond in te drinken? Ik voor mij althans heb meermalen ondervonden, dat het dwaas is, met het genoegen den wijshoofd te spelen. Wanneer ik een enkelen keer onderzoeken wou: Waarom gevoel ik mij nu zoo wel? heb ik bemerkt, dat ons genotveelheeft van het spel der spiegeling van een stroom, dat ophoudt, zoodra men er aan raakt; en sedert heb ik mij gewend mijn handen t’huis te houden en van het genoegen tot mijzelven te zeggen: Ik ben er genoegelijk door, dus het zal wel genoegen zijn.Waarom zou dan ook de kindsheid geen blijde tijd mogen heeten? Hé,Cornelis, enWillem, enFerdinand, of wij pleizier hadden, wanneer wij, menschen van vier voet, den vlieger, die tweemaal onze grootte had, vierhonderd voeten hoog boven ons zagen, in de trotsche bewustheid van den luchtreus in onze kleine knuisten te klemmen! Of het prettig was, bij den u bekenden houtzaagmolen over de vlottenden balken te springen met onophoudelijk gevaar van het getal der drijvende blokken met één te vermeerderen! Of wij er vreugd van hadden, als, op onze kinderpartijtjes, de grappigeCasparmet zijn tooverlantaren kwam en ons met het leelijke Goliathshoofd en zijn verschrikkelijk: boe! boe! te gelijk lachen en rillen deed? Of het heerlijk was, den degen van Oom den Burgerkapitein achter ons aan[106]te slepen, en over de panden van zijn afgedankten uniformrok te struikelen? Wanneer wij toen reeds in dat geluk niet zoo gelukkig geweest waren, zou er ons zulk een diepe indruk niet van zijn bijgebleven. Zeg mij, kleine knaap, die mij van dat doek zoo vriendelijk toelacht, waart gij niet recht vergenoegd, toen gij daar aan den schoot van uw moeder zat, terwijl de zwarte man u uitteekende, en uw moeder onuitputtelijk was in allerlei grappige verhalen, opdat gij er op de teekening recht vroolijk en beminnelijk mocht uitzien? Immers ja; want de tevredenheid glinstert uit uw oogen, en de blos, dien het genoegen op uw wangen ontstak, klom even zoo wel uit uw klein hart naar boven, als het niet bij toeval is, dat thans dit vale bleek hièr dat kleurtje dáár vervangen heeft.Dikwijls stond ik voor dat portret met een gevoel van benijding, dat misschien menig uwer dwaas zal heeten. Het was, wanneer het mij somtijds recht bang was, en ik behoefte had mijn oog op iets vroolijks te vestigen; hoe kon mij dan het onderscheid tusschen het kind en den man treffen! Dat gladde voorhoofdje, hoeveel rimpels heeft het gekregen! dat vonkelend oog, welk een doffe nevel heeft den straal der vreugde daarin uitgebluscht! die bloeiende wangen, hoe heeft de hitte van den dag ze doen verdorren! dat lachend mondje, welk een diepe groef heeft de smart er in gedrukt! Ik had moeite te gelooven, dat ik er ooit zoo had uitgezien, en dan dacht ik weêr, dat wie er zoo had uitgezien nooit zóó kon worden als ik nu!—Doch eindelijk verzoende mij die aanblik met mijn ongeluk. En zijt gij dan geen kind geweest? vroeg ik mijzelven. Een vroolijk, onschuldig, gelukkig kind? hebt gij niet met de bloemen gebloeid en met de vlinders gedarteld? hebt gij u niet moêgespeeld en wakker geslapen? hebt ge geen tijd gehad, dat alle kommer om en voor u besloten werd in het hart, waaraan ge rusttet, en dat ieder zijn eigen smart onder een lachje voor u verborg? Waarover beklaagt gij u dan! Twintig jaren, kinder- en knapen- en jongelingsvreugde, is het te veel, dat ge daarvoor in het leed des mans een evenredige rente betaalt! O, als God het naakte wicht hulpeloos op den kouden, harden grond nederlegde, en aldus aan de genade van het toeval overliet; als het kind, van den dag zijner geboorte af aan, even als het winterklokje dat uit de sneeuw opschiet, door barre winden en scherpe hagelsteenen geteisterd werd; als de opwassende knaap zich, gelijk een verdrukte scheut, naar boven moest werken; met één woord: als er aan het leven een jeugd ontbrak,—dan zouden wij kunnen klagen, dat ons onrecht gedaan was. Maar zoo is het immers niet? Voor de intrede des menschen in de wereld is alles door de zachte hand der liefde gereed gemaakt. Vaderarmen ontvangen, moederarmen koesteren het;Haar liefde dekt het schaap nog zonder wol;Haar teêrheid voedt het lam nog zonder weide.Dan heeft het kind voor niets te zorgen, terwijl alles voor het kind[107]zorgt. Dan wordt de scherpe wind gebalsemd en de stekende zonnestraal mat gemaakt; dan plaatsen zich anderen vrijwillig voor den snijdenden tocht en onder de vallende sneeuw; dan wordt het plantje gedekt, begoten, naar de zon gekeerd, ondersteund en opgehouden. Dan worden alle tranen opgevangen, alle zuchten weggekust. Dan wordt ieder plek tot een speelplaats gemaakt, ieder voorwerp tot speelgoed, en iedere volwassene buigt zich om meê te spelen. Dan wordt voor het kind de doorn van iederen stengel gebroken, de honing uit iedere bloem vergaârd, het sap uit iedere vrucht gedrukt. Dan slingeren de menschen hunne armen in elkander, om rondom het kind als ware het een Eden af te perken, waarin het storelooze paradijsgenoegens smaakt.Maar wat zouden wij dan willen? Dat dit altijd zoo voortduurde? De hemel beware ons! Wat zou er van zulke vertroetelingen worden? Ellendige kasplantjes, die geen tiende van hun natuurlijken groei en sterkte zouden bereiken, saplooze bladeren, weinige bloesems en niet een enkele vrucht dragen. Neen, niet alzoo! Wij zijn kinderen opdat wij mannen zouden worden, maar worden geen mannen, opdat wij kinderen zouden blijven. Zijn wij zoo ver gekomen, dat wij onder het glas van daan en in de open lucht kunnen, dan is het ook niet meer dan billijk, dat wij met de anderen wind en koû leeren deelen. Wordt het ons daaronder al eens bang, denken wij dan terug aan de twintig jaren dat wij gespaard zijn geworden, aan de twintig jaren van vooruitgenoten vergoeding, aan de twintig jaren van toerusting, die weinig vrucht hebben gedragen, indien zij ons voor geen twintig jaren strijdens hebben voorbereid!Zie, zulke gedachten pleegt het gezicht van het kind bij den man op te wekken. En dan, in plaats van mij te verdiepen in het lijden, dat mij drukt, verlies ik mij in de herinnering van het genoegen, dat ik gesmaakt heb. Dan denk ik, hoe de verschooning, mij in de eerste vaag des levens bewezen, gediend heeft om mij tot het uitstaan der tegenwoordige beproeving te harden; dan denk ik, hoe het mij zou gegaan zijn, indien dit leed, even als een vroege vorst, in mijn kindsheid gevallen ware: dan denk ik, hoe ver de rampen des mans er van af zijn tegen de vreugde van den kinderlijken leeftijd op te wegen; en onder deze beschouwing groeit mijn moed aan; de sterke man vindt kracht in den aanblik van het zwakke kind; de smart des volwassenen vertroost zich met het lachje van den knaap; en mijn gevoel lost zich op in de dankbare uitboezeming: Ja, ik ben waarlijk dezelfde; die knaap en deze man! Was ik die knaap niet geweest, ik ware deze man niet geworden; en was het niet om deze man te worden, ik zou die knaap niet geweest zijn.En wanneer ik alsdan het kind aanzie, en het mij voorstel in al zijn onkunde en onbewustheid van zijn hoogere bestemming; de aarde aanziende of zij altijd beneden hem, en den hemel, of hij altijd boven hem zou blijven;—en daarbij te gelijk denk aan hetgeen er van hem worden moet: een kind van God, een blinde voor de wereld,[108]een doode voor de zonde, een dagelijksch offer van zich zelven, een burger des hemels op aarde, en eens een lotgenoot des Hoogzaligen;—dan verliest mijn oog zich in die gaping tusschen dat wichtje vóór—en den zalige boven mij; en het wordt mij duidelijk, dat de school, waar zulk een opvoeding voltooid moet worden, een school van werkzame oefening en strenge tucht moet zijn. En bij die overtuiging wordt het mij zoo helder, dat dat kind dien speelschen lach om den mond en dien blijden straal in het oog verliezen moest, dat ik niets natuurlijker vinde, dan dat de man, voor het portret tredende, zich zelven niet meer herkent en er hem ongelukkig om rekenen zou, indien het anders ware.Ongelukkig, indien het anders ware! O, op hoe velerlei beschikkingen in mijn lot kan ik dit toepassen. Zeker, als ik op dit kind zie, voel ik mij overstelpt van dankbaarheid bij de gedachte aan zoo vele leidingen Gods, als gestrekt hebben om het te bewaren van immer geheel uit den staat des kinds uit te vallen. Al denkikalleenaan de lieve moeder, van wie deze beeltenis afkomstig is. De lieve moeder! Nooit werd die naam met meer recht door een vrouw gedragen, nooit haar met meer liefde door een kind gegeven. Niet alleen omdat zij de weldoenster mijner kindsheid was, die van haar armen mijn wieg, en van haar boezem mijn peluw maakte; die mij ’s avonds met haar liederen in slaap zong, en mij ’s morgens met haar omhelzingen weêr wakker kuste; wier bijzijn in den vollen zin des woords mijn leven, wier schoot mijn hemel was. Maar veel meer, omdat zij evenzeer de geleigeest van mijn onnoozelheid, als de beschermengel van mijn zwakheid was. Niet alleen met de melk harer borsten, ook met de melk haars harten, met al wat er ooit zachtst, mildst en teederst in een vrouwenziel was, voedde zij mij op. Zoo boezemde zij mij reeds vroeg het gevoel eener groote liefde in; indien mijn hart geen bekrompen hart is, maar in zijn genegenheid meerderen omvat, dan mijn armen omvademen kunnen, ik dank het haar, die mij als van mijn geboorte dien geest van liefde heeft ingeademd. O, het is zoo gelukkig, als de moeder begint met het geheele hart des kinds in te nemen. Dan is er reeds dadelijk een plaats vervuld, waar zich anders al spoedig het gevoel van eigenbaat indringt. Maar is eens de kiem der liefde in het weeke gemoed gevallen, dan groeit die met het wicht op, slaat haar vezels in zijn zenuwen en voedt zich met zijn bloed. Dan zet zij zich uit naarmate de borst ruimer wordt, en ofschoon het opschietend onkruid haar begint te drukken, zij blijft in het hart geworteld. Zalig dus, wie als kind van zijn moeder liefde leert: hij leert spelende, wat de eerste plichten zijnzullen; hij neemt als een lust op, wat hij later als een last zal moeten dragen; hij wordt door de liefde tot ééne voor de liefde tot allen gevormd; en de armen, die nu nu den boezem omklemmen welke hem voedt, worden gewend om eens een ruimeren kring teomvatten, zooals het klimop, dat begint met zich om de scheut te slingeren, zich later[109]van zelve met den zich uitzettenden stam uitbreidt. O, toenmaals wist ik niet beter, of ik had mijn moeder lief als mijn moeder en zij mij als haar kind; maar toen ik later gevoelde, dat wij hier niet enkel moeder en kind geweest waren, maar dat haar liefde te gelijk tot opleiding voor den mensch, tot vorming voor den Christen gediend had, toen zag ik eerst recht in, welk een geschenk van Gods vaderliefde deze moederliefde voor mij geweest is!Ik kan van dit onderwerp nog niet scheiden. Wie een lieve moeder te gedenken heeft, zal er mij niet hard over vallen.Toen de doos vanPandoraopenging, stroomden daaruit allerlei rampen, maar de hoop bleef op den bodem liggen. Toen het hart der menschen zich voor de zonde opende, verlieten allerlei deugden het menschelijk hart, maar het geweten bleef op den grond achter. Maar dit geweten, hoeveel hangt er van af, hoe het behandeld wordt?Hier is het een koppige goudvink, die op het eene oogenblik tot geen zingen te krijgen is, en dan weêr op eens zoo begint door te slaan, dat men niet weet, hoe hem tot stilte te brengen. Daar is het een lijster, die alleen helder fluit, als het slecht weêr is. Daar is het een kwaadaardige uil, die het licht schuwt, maar den ganschen nacht zit te krassen dat men niet slapen kan. Daar is het een haan, die, even als voorPetrus, niet kraait, dan als het te laat is. Daar eindelijk is het een nachtegaal, welken men hoort zoodra men in den eenzaamheid en in het donker komt, en wiens gezang den nacht vervroolijkt.Behoort het geweten dan tot geen vast ras van vogels? Zeker wel. Oorspronkelijk behooren allespecieser van tot het nachtegalen-geslacht. Maar de verschillende wijze van opkweeking en behandeling is de oorzaak van die ontaarding en verbastering. Gij ziet dus van hoeveel belang het is voor het uwe te zorgen, eer gij van uw nachtegaal een uil maakt.Mijn lieve moeder was een uitmuntende opvoedster van het mijne. Zij liet het niet enkel aan de natuur over het te leeren zingen, maar hielp het een weinig op den weg, zoo als men de kanaries met een kanarieorgeltje, of de eksters met voorpraten doet. Van daar verhief het zijn stemmetje al vroeg: toen ik nog maar een kind was, kon het ’s avonds, als ik in mijn bedje kwam, reeds neuriën en kneuteren dat het een aard had.Gelukkige die ik was! Hoe vele zijn er, die nooit zoo diep zouden gevallen zijn, indien men, even als mijn moeder, hun geweten meer als een afzonderlijke faculteit van de ziel had aangemerkt, die mede kon en moest ontwikkeld worden; indien men hen als kind een vreemde taal minder had laten leeren, en hen in plaats daarvan geleerd had de stem in den boezem beter te verstaan.—Toen mijn geweten nog onmondig was, nam mijn moeder de voogdij er over op zich. Voor niets was zij ongeruster, dan dat het zijn natuurlijke teederheid verliezen zou. Wetende dat het, als een speeltuig, helderder klinkt, naarmate het reiner wordt gehouden, was zij er altijd op uit om voor zijn[110]zuiverheid te waken. Het moest, dacht zij, even als een windharp, zelfs al ging er maar een tochtje over, trillen en geluid van zich geven. Later gewende zij mij, de zorg er voor allengskens over te nemen. Ook had het toen reeds een vastheid en sterkte van stem gekregen, die maakte dat ik het niet licht meer van de wijs had kunnen brengen, al had ik gewild.En toch, dankbaar erken ik, hoe veel ik ook toen nog aan haar verplicht bleef. Dikwijls was haar tusschenkomst machtiger, indien al niet om mij van het kwade terug te houden, dan toch om mij tot het goede aan te sporen, dan de stem van mijn conscientie zelve. Dit was vooral dan het geval, wanneer eenige overtreding mij met mijn geweten overhoop had geholpen. Om de waarheid te zeggen, dan was die rechter mij meestal te streng; althans hij schrikte mij evenzeer af, als hij mij uitlokte om de hand ter verzoening te reiken. Dit ging veel beter door hare tusschenkomst. Zij was, even als Gods woord, veel zachter dan mijn conscientie. Zij maakte mij de belijdenis zoo gemakkelijk; zij was zoo liefderijk in haar bestraffing; zij schonk zulk een volkomen vergiffenis! Nooit stroomden mijn tranen lichter dan aan haar boezem, en nooit werden zij eerder afgedroogd. En hoe zij zulk een oogenblik wist te heiligen door, naarBorgersuitdrukking, den boetvaardige op te beuren, maar op te beuren tot God in den hemel; hoe zij, als ze mij vergiffenis geschonken had, mij aan de voeten des hemelschen Vaders voerde, opdat ik die vergiffenis ook van Hem zou afsmeeken! Hoe zij aldus van de weekheid mijns harten gebruik maakte om er het teeken des kruises dieper in te drukken! O, gij kleine knaap, indien de zonde van dit voorhoofdje het zegel des doops nooit geheel heeft kunnen wegwisschen, en, hoop ik, het verder ongeschonden zal moeten laten, dank er haar voor, die het eens onder de vonte hief!Ja, daarheen droeg zij mij, maar niet gelijk zoo velen, uit gehoorzaamheid aan een maatschappelijke wet, omtrent gelijkstaande met de inschrijving des jonggeborenen op de registers van den Burgerlijken stand. Niet alleen haar hoofd, haar geheele hart boog zich op de vrage of zij beloofde, „dit kind, als het tot sijn verstand sou gekomen zijn, in de voorseyde leer na haer vermogen te onderwijsen.” Aan niemand stond zij de zoete taak af, mij het eerst den heiligen Vadernaam te leeren stamelen. Weet gij wat dit zegt? Ik voor mij ken onder alle zegeningen, waarmede God de wieg eens kinds omringen kan, geen grootere, dan een vrome moeder. Moeders zijn de ware kinder-apostelen! Niet alleen, omdat haar stem lichter en dieper in het hart van haar kroost dringt; maar, ook, omdat vrouwelijk geloof en kinderlijk geloof zulk een nauwe verwantschap met elkander hebben. Op den zinnelijken knaap werkt het gemoedelijke, dat in den godsdienst der vrouwen den boventoon voert, veel sterker en gelukkiger, dan het meer verstandelijke, dat het heerschende kenmerk van de overtuiging des mans uitmaakt. Zoo ging het mij althans bij mijn moeder. Zeker is het beeld van den Heiligste onder de menschenkinderen altijd allerbeminnelijkst,[111]welke (vrome) hand het ook schetse: niet anders dan alle Christusbeelden hetzelfde karakter van grootheid en liefderijkheid ademen. Maar zooals evenwel deChristusvanRafaelhemelscher is, dan de Hemelsche op de tafereelen vanCorreggioofDa Vinci, vond ik den Zaligmaker nooit beminnelijker, dan in de voorstelling van mijn lieve moeder. Nooit heb ik hem beter—hoe zal ik zeggen?—gezien, nooit stond hij mij aanschouwelijker voor oogen, dan zooals zij hem mij deed aanschouwen. Gelijk een portret naar het leven gemaald verschilt van de afbeelding op een doode genomen, verschilde haar teekening van den Eenige van die van anderen. Men kon zien, dat haar hart het penseel bestuurde. Die verheven gedachte van haar lievelings-Apostel: Die niet lief en heeft, die en heeft Godt niet gekent: God is liefde! Liefde is als het orgaan, waardoor men God leert kennen en aanschouwen!—bevestigde zich in haar ten aanzien van zijn beeld op aarde. In zooverre dit van een gebrekkig menschenhart kan gezegd worden, gold het van haar; haar liefdevol hart begreep hem! Van daar putte zij, als zij den Heiland schilderde, niet enkel uit haar geheugen, maar veeleer kwam zijn beeldallengskens, als een hostie uit haar heiligdom, uit het binnenste haars harten te voorschijn. Van daar dan ook, dat dit beeld zich diep in mijn ziel drukte—en, hoop ik, onuitwischbaar!Even zoo ging het mij met haar voorstelling van het toekomende leven. Allen verwachten wij éénen hemel; maar welk een onderscheid! Indien ieder het denkbeeld dat hij van zijn hemel vormt, aanschouwelijk kon maken, gij zoudt nooit gelooven, dat zij hadden voorgehad dezelfde plaats te malen. De hemel van sommigen is somber en eenzaam; die van anderen gebrekkig en onvolmaakt; deze schildert zich hem geheel aardsch en zinnelijk, gene schept hem zich weder zoo bovenzinnelijk, dat hij geen hemel voor menschen blijft. De hemel van mijn moeder was eerst recht hemelsch! alles wat haar rijke verbeelding heerlijks, wat haar vrome ziel reins, wat haar geloovig hart zaligs bevatte, vond zich in de voorstelling daarvan terug. Bij haar geen onoverzienbare afstand, die hem van de aarde scheidde; geen ondoordringbaar wolkfloers, dat hem voor het oog verborg! Voor haar geest smolt hemel en aarde, even als voor haar oog aan den gezichteinder, liefelijk en harmonisch ineen. En dan dat voorkomen, waarmede zij er van sprak!—Ziet gij, ik heb allen eerbied voor de keurige plaatsbeschrijving door menigen Eerwaarde van het het hemelschJeruzalemop den kansel gegeven.Maar wanneer ik hem daarbij onophoudelijk voor zich—zeker op de kaart van het heerlijk gewest—zie staren, of uiterlijk zijn oog op de hoorders beneden hem zie vestigen, zonder dat zijn blik zich ooit met een uitdrukking van ingenomenheid of verlangen naar boven richt: hij vergeve het mij, dat daarbij mijn gedachten niet hooger klimmen dan de vinger, dien hij telkens opsteekt om de bedoelde streek aan te wijzen, en dat ik van het tafereel door hem gemaald niets zie, dan den schilder. Hoe geheel anders ging het mij onder het[112]gehoor van dien vromen grijsaard, dien menigeen uit deze teekening duidelijk genoeg herkennen zal, die nooit van den hemel gewaagde dan met de uitdrukking van een zoo vroolijke verrukking en van een zoo vertrouwelijke gemeenzaamheid, dat de meest aardschgezinde er door geroerd werd. Op zijn gezicht, door den straal eener hoogere vervoering verlicht, zag men als het ware den hemel weêrkaatst, dien hij u schilderde, en beter dan de lofzang der Engelen, waarvan hij meldde, noodigde u zijn stem, waarin het levendigst voorgevoel klonk, naar de gewesten, waarin zijn ziel reeds scheen te zweven!—Evenzoo ging het mij onder de gesprekken mijner moeder. Het is waar, zij kende geen enkel dogmatisch bewijs voor de onsterfelijkheid, en zou aan zoovele wijsgeerige hemelbestormers niets dan een onbeschermd hart hebben kunnen tegenstellen. Maar zij geloofde aan den hemel! en met een levend geloof, dat het onzienlijke niet droomt, maar ziet; dat de hope niet hoopt, maar dadelijk geniet. Van daar was er in haar voorstelling van den aanstaanden gelukstaat iets wegslepends, iets aanstekends, dat te gelijk overtuigde en meêvoerde! en ik vond in haar de spreuk van den vromen man, van wien ik straks sprak, bevestigd: dat een godsdienstig mensch meer leert van geloof en godzaligheid, dan het beste boek, dat er over geschreven kan worden.—Zeker, God heeft ze lief, die hij door zulke liefelijke boden tot zich laat noodigen!En toch moet gij hieruit niet besluiten, dat zij in haar vromen ijver zou vergeten hebben, dat ik zoowel tot een burger der aarde, als tot een hemelburger moest gevormd worden. Ook in dit opzicht kon mijn opvoeding in geen betere handen gevallen zijn. Niet dat ik hiermede aan de verdiensten mijns vaders wil te kort doen. Mijn vader was ongetwijfeld een groot en eerbiedwaardig man; nooit was er deugdzamer hart of godvruchtiger gemoed; maar toch zou ik, van achteren beschouwd, niet gewenscht hebben, dat het werk mijner opvoeding aan hem alleen ware overgelaten geweest. Hij was er te koud en te steng toe. Groote ongelukken, in zijn jeugd geleden, hadden hem ontijdig vroeg uit het paradijs zijner idealen verdreven. Sedert had hij zichzelven beloofd, er nooit weder een oog heen te wenden. Deze belofte hield hij trouw. Hij bouwde zijn verwachtingen alleen op den vasten bodem der aarde, nooit op de drijvende wolken des hemels. Hij beschouwde het leven enkel van zijn praktische zijde: en wat er nog dichterlijks in zijn ziel sluimerde, behoorde geheel aan een hope, die, ofschoon hooger dan de wolken, vaster staat dan de rotsen. Zeker, ik verheug er mij over, dat mijn vader zulk een man was. Hij hardde en smeedde het staal, dat mijn moeder in het vuur des gevoels warm en week had gemaakt. Met zulk een teêr hart als het mijne, wat ware er van mij geworden, als hij nu en dan niet eens een raam van de trekkas, waarin zich mijn geest verbroeide, geopend had. Indien zijn killer adem er niet van tijd tot tijd als een voorbereidend nachtvorstje was overgegaan, hoe zou het werkelijk leven als een doodende koude op mijn verwend gemoed gevallen zijn. Doch ook aan den anderen kant, hoe zou het mij gegaan[113]zijn, indien ik alleen aan zijn leiding ware toevertrouwd geweest, indien hij, in de eerste vaag mijns levens, op de beelden mijner fantasie, alsDon Quichotop de marionnetten, aangevallen ware: indien hij terstond mijn witte vleugelen, evenals haar dat te lang is, had afgeknot, en mij zoo gekortwiekt de wereld had ingejaagd! Neen, dan ware ik zeker niet de mensch geworden, dien hij meende van mij te zullen maken. Hij zou gezien hebben, dat hij zich in zijn rekening bedrogen had, door een zomer te willen hebben zonder lente, en in den herfst over zijn dwaling getreurd hebben. Doch hiervoor was gelukkiglijk geen vrees. Immers mijn moeder stond aan de andere zijde naast mij: zij was het, die met teedere bezorgdheid over de jeugd mijns harten waakte, en als een wachtengel voor mijn paradijs stond. Wetende hoe zalig het is, als men in zijn binnenste een wijkplaats heeft, onder wier lommer men zich verschuilen kan, als het u daar buiten in de wereld te heet wordt, vreesde zij voor niets meer, dan dat dat toevluchtsoord, even als bij mijn vader, in een woestenij verkeeren mocht. Daarom daalde zij met mij in hetElysiummijner droomen af, en doolde er met mij in rond, zeker wel met het gevoel van eenCicerone, wien zijn wandeling verveelt, omdat hij die reeds zoo dikwijls gedaan heeft. Maar evenwel, zij getroostte zich dit gaarne, en staarde met mij naar de sterren aan mijnen hemel, als of zij ze nimmer meer gezien had. Ik ben verzekerd, dat gij, zonder misschien de grootheid van dit offer te gevoelen, er de waarde van erkennen zult. Althans ik erken die dankbaar. Daardoor toch is de invloed, die mijns vaderspositieverichting van geest op mij uitoefende, nuttig voor mij geweest zonder mij te schaden. Zij heeft de veêr bedwongen, maar niet verlamd; zij heeft de snaar ontspannen, maar niet gebroken. Ik draag nu mijn dichterlijkheid, niet als een pauw zijn staart, die driemaal grooter is dan hij zelf, maar als een eerzame duif haar vleugels, die zij uit kan slaan als zij wil gaan vliegen, maar die zij onder ’t loopen zoo netjes langs haar lijf plooit, dat niemand ze merkt.—De lezer wordt verzocht hierbij niet met het hoofd te schudden of te lachen. Ik weet wel, dat ik in zijn gezelschap altijd vliegende gezien word; maar dat komt juist uit: want als ik mij aan ’t schrijven zet, is het een teeken, dat ik wil gaan vliegen. Kom over een uur, als dit artikel af is, en gij zult zeggen, dat gij nooit bedaarder man op twee beenen hebt zien loopen, dan den vogel zonder veêren, dien ge nu in de lucht ziet.Maar, zooals ik zeide: eerst nog een oogenblik geduld! gij kunt het mij niet ten kwade duiden, dat het mij moeilijker valt dan u, van mijn portret te scheiden.Mijn portret! Laat ik het nu nog eens mogen zeggen: het is een lief, onnoozel kinderkopje; te meer, daar ik u even oprecht bekennen zal, dat, zoo ooit een gezicht bedrogen heeft, het dit geweest is. Neen, lieve knaap! gij zijt niet geworden, wat gij beloofdet. Zooals ik u daar voor mij zie, niet die kinderlijke onschuld op het gelaat, zou een Engel u voor zijn broeder kunnen houden. Men ziet het dat open[114]voorhoofdje aan, dat er nog nooit een blos van schaamte op gestegen is; men kan het aan die wangen, frisch en fleurig als een pas opengaande roos, zien, dat er nog nooit een bijtende traan van boete langs is gevloten; het spreekt uit dat vonkelend oog, dat het zich tot nu toe nimmer heeft behoeven neêr te slaan; onbezoedelde reinheid ligt als een ongereptwaasover het geheele wezen verspreid. Mijn oogen dwalen af, en slaan een blik in den spiegel er naast. Goede God! Wat is er van dit kind geworden! Als een vergiftigende adem heeft de zonde zijn voorkomen verkleurd en ontsteld. Een wind gelijk, die een effen stroom beroert, zoo hebben de stormen der ziel de gladde vlakte van dat klare voorhoofd in rimpelen opgejaagd; de heldere blos is verdronken in de tranen, die hem hebben overstroomd; de oogen hebben hun schitterenden straal verloren en lichten nu met het beneveld schijnsel van het lemmet eener lamp, waarin de olie troebel geworden is. Gelijk men inArabiëop het eerste gezicht de woestijn herkent, waar langs de verzengendesimoungewaaid heeft, zoo kan men het mijn geheel voorkomen aanzien: Hier is de zonde langs gegaan! Bedroevende aanblik, die mijn bleeke wangen met purper van schaamte kleurt, en mijn hoofd als een geknakte bieze op den schouder doet zinken.En was het daarom, dat God mij zoo onnoozel deed geboren worden? En was het daarom, dat eens mijn ziel onbezoedeld in mijn onbevlekt lichaam woonde, als helder water in even helder kristal;Blank lijfjen zonder smet, blank zieltjen zonder zonde,Gepaardin dubble maagdlijkheid.En was het daarom, dat mijn ouders zich als wachtengelen tusschen mij en de wereld plaatsten, om mijn zuiverheid te bewaken? En was het daarom, dat er zoo veel zorg besteed werd om mij tegen de besmetting des kwaads te wapenen? Hoe weinig heb ik aan de mij geschonken voorrechten beantwoord!—Kind, kind! lach mij zoo niet aan! Gij hebt geen erger vijand, dan den man die voor u staat. Hij heeft een doodslag aan u begaan! Hij heeft uwe onnoozelheid vermoord! Uweonnoozelheid, die zoo teêr, zoo zacht,zoo aanminnig, zoo bevallig, die een wellust van menschen en engelen was! Maar hem kon zij niet bewegen! Onmeêdoogend heeft hij haar gedood. Hoe zij hem ook aanschreide, hoe zij hem ook tegenkreet, hij heeft haar opgeofferd. Niet op eens, maar langzaam, zonder dat men iets van het aangedane geweld bemerkte. Maar toch zoo zeker, dat zij nu wel geheel gestorven is, en in zijn lichaam rust als een doode in het graf. Kind, lach mij zoo niet aan!Helaas! dat is ons aller lot op aarde. Men zou het kunnen vergelijken met het lot van de sneeuw. Vlekkeloos valt zij uit den hemel, wordt op de aarde bezoedeld, zinkt dan weg in den grond, en vergaat zoo geheel.… ten zij, ten zij! het zonlicht enkele heldere droppels uit het slijk omhoog trekt. Zoo ook wij! sneeuw in de wieg, worden wij slijk op de aarde, en verzinken eindelijk als dras in den grond.[115]Maar het zonlicht van Gods genade ontwikkelt uit het bezoedelde nat een enkelen klaren drop, dien het ten hemel opneemt.Is dit zoo? lach mij dan vrij aan, mijn kind! Wij zullen weder vrienden worden.Neen, het is te weinig, dat de mensch alleen over zijn verloren onschuld weenen zou. Beween een marmeren beeld, dat gebroken is, het is voor altijd weg; maar beween geen gestorvene, die weder kan worden opgewekt. Nog eens stel ik mij voor mijn portret. In navolging van den Heer, stel ik een kindeke voor mij en wijze er mijzelven op:Indien ghy u niet en verandert ende wort gelyck de kinderkens, so en sult ghy in het Coninghryke der hemelen geensins ingaan.Ja, ziedaar mijn voorbeeld! Zoo was ik, zoo moet ik weder worden. Zoo was ik uit de natuur, zoo moet ik ook uit eigen keuze en vrijen wil weder worden. Het afgelegde gevoel van afhankelijkheid, de verloren eenvoudigheid des geloofs, de verleerde gewilligheid der onderwerping, de verkrachte onbedorvenheid der onschuld, dat alles moet weder aangeleerd of aangenomen worden. De wijsheid, in de beproeving verkregen, moet mij bijblijven; maar de besmetting, in de beproeving opgedaan, moet worden afgelegd. De wonderspreuk des Apostels moet aan mij worden vervuld:Volwassen in ’t verstandt—kinderen in de boosheydt!Het is droevig, dat zoo velen dit niet begrijpen of begrijpen willen. Zij rouwen over hun verloren onschuld, ja, maar als wanhopenden. Zij zitten er bij neder; zij vertreuren hun tijd en hun krachten; indien zij ze met hun zuchten konden opwekken, zij zou herrijzen! maar te vergeefs. Geen tranen wisschen een bevlekt geweten schoon; geen snikken roepen een gestorven onschuld wakker. Er moet opgestaan, er moet gehandeld, er moet geleden, er moet gestreden worden. Met het beeld eens kinds voor het oog, moet men naar gelijkheid met het kind streven. O, ik denk, dat het dit is, dat mij kinderen zoo recht dierbaar maakt; in ieder van hen zie ik een voorbeeld en leermeester. Daarbij denk ik altijd aanLuther, die, toen zijn kinderen eens onder elkander krakeelden en spoedig daarna zich weder verzoenden, zeide: Lieve Heere God! Hoe aangenaam zijn u toch zulk een kinderlijk leven en zulke spelen! Ja, al hun zonden zijn niets dan vergeving der zonden.Ziet gij, met dit oog beschouw ik de kinderen, die mij omringen. Als ik zie, hoe het knaapje aan den schoot der moeder staat, en naar haar vertellingen luistert, en, wanneer hem daarin iets ongeloofelijks treft, met vertrouwen tot haar opziet en vraagt: „Is dat zoo, moê?” dan schame ik mij over mijn vermetelheid, dat ik dikwijls zoo traag was om te gelooven, wat mij in de mededeelingen mijns hemelschen Vaders onwaarschijnlijk voorkwam, en ik vermane mij zelven:So wie het Coninghrijke Godts niet en ontfangt gelyck een kindeken, die en sal hetzelve geensins ingaan.—Wanneer ik zie, hoe het kind, dat ongehoorzaam geweest is, op het enkele gezicht van de smart, die hij[116]zijn vader daardoor veroorzaakt, in tranen van berouw uitbarst, hem in de armen vliegt en snikkend uitroept: „Vader, vergeef mij! ik zal het niet weêr doen!” dan voel ik mij vernederd door de gedachte, hoe dikwijls ik dagen op dagen over mijn overtredingen tegen mijn goddelijken Vader liet heengaan, zonder tot het afleggen eener ootmoedige belijdenis te kunnen of te willen komen.—Ja, zelfs die belofte: „Ik zal het niet weêr doen!” hoe beschuldigde zij mij, dat ik zoo vaak om de Goddelijke vergiffenis had durven bidden, zonder mij te hebben verbonden door de gelofte om mij voortaan voor de geboete zonden te wachten.—Wanneer ik zie, hoe gemakkelijk en gaarne het afhankelijke kind van zijn ouderen afhangt, en met volkomen gerustheid en vertrouwen van hunne liefde en zorg de voldoening zijner behoefte verwacht, dan bloze ik over mijn gedurige bekommeringen tegen den volgenden dag, en bestraf mijzelven, dat „ick myne ziele niet en hebbe geset ende stille gehouden, ghelyck een gespeent kindt bij syne moeder!”—Eindelijk, wanneer ik zie, hoe het kind zich in het midden der booze wereld bevindt, zonder nog iets van hare boosheid te hebben aangenomen, daarin verkeerende als een witte duif in haar bezoedeld hok, dan jammer ik over mijn vatbaarheid voor alle besmetting, en neem mij voor „een kindt in de boosheydt” te worden.Moeielijk, maar ook schoon en heerlijk werk! Zeker dit kan ik mij vanLutherniet begrijpen, hoe hij zeggen kon, dat hij in den kinderlijken leeftijd had willen gestorven zijn, en daarvoor gaarne alle eer overgegeven, die hij in de wereld had.—Neen, vaderLuther, daarin kan ik het met u niet ééns zijn. Zeker geloof ik wel, dat er ook boven een school is, waar de lieve Engelen, of hoe de goede geesten anders heeten mogen, de taak der ouders en leermeesters bij de vroeg opgeroepen kinderkens op zich nemen, en het Christenkind tot een Christen vormen. Maar daarom zou ik nog niet durven zeggen, dat het beter was, een leerling der hemelsche dan der aardsche school te zijn. Mij dunkt, boven kan de strijd zoo zwaar, en daarom de kroon zoo schoon niet wezen. En zeker, van alle menschen hadt Gij wel het minste reden om zulk een wensch te doen. Gij, die tegen het booze strijdende als een held, echter dien heldenmoed onder de karaktertrekken eens kinds verborgt, kinderlijkste der mannen en mannelijkste der kinderen! Ook verbeeld ik mij, dat gij nu, met den krans der Christenstrijders om het hoofd en het witte kleed van Gods kinderen om de leden, het niet anders wenschen zult dan het geweest is. Ik voor mij wensch niets beters, dan u van verre te volgen, en, indien ik eenige eer in de wereld had, ik zou die daarvoor gaarne willen geven.En spreek gij nu eens, kind-Jonathan! en zeg, hoe het met den man-Jonathanstaat? Begint gij u zelven reeds in hem te herkennen? Vindt gij allengskens in hem die trekken van nederigheid en liefde, van gehoorzaamheid en zuiverheid weder, die u eigen waren? O, ik wilde, dat ik die vraag met meer vrijmoedigheid doen durfde. Neen, het is nog niet in orde, niet waar? Hiér niet—en dáár niet—en[117]dáár niet!—Ik schaam mij over deze belijdenis. Maar ga gij slechts voort mij te leeren; dan zal ik wel verder komen. Even alsGarrick, die voor een portret staande, zijn gezicht zoo plooien kon tot hij er op geleek, wil ik met het oog op u het gelaat mijner ziele zoolang plooien, tot het uw gelijkenis draagt. Zoo hoop ik gereed te zijn, eer de Heer roept. Hij zal geduld met mij hebben, en mij niet van de school roepen, eer mijn opvoeding voltooid is, hoop ik.En nu neem ik afscheid van u, schoon het mij moeite kost. Zeker, gij biedt een liefelijken aanblik aan. De kindsheid heeft haar eigen schoonheid; onschuld ligt als een hemelsche sluier over het aardsche beeld. Ook daarin is veel veranderd. Gij herkent mij zoo weinig als ik u. Maar ook dit zal weêr veranderen. Als eerst de ziel slechts wedergeboren en tot kinderlijke reinheid terug gebracht is, zal het lichaam wel volgen. Welk een vooruitzicht! Een nieuwe ziel in een nieuw lichaam! Beide, als de phenix, uit haar asch herboren; beide met onvergankelijke jeugd getooid! Lieve jongen! hoe gaare zou ik u eens in beeltenis aanschouwen, hoe gij er dan wel zult uitzien!.… Maar foei! ik zie, dat ik eerst nog wel van u leeren mag, mijn tijd geduldig af te wachten![118]

Ja, ik ben ook geportretteerd.

Wees evenwel niet te haastig, met dadelijk aan een prachtig schilderstuk vanHodgesofKrusemante denken. Van waar zou mij zulk een aanmatiging komen? Immers, wat heeft de schoone kunst met mijn onbeduidende figuur uitstaande? Ik sta er voor in, dat het op de wereld nooit aan stalen van mijn soort ontbreken zal. Ik gevoel mij dus volstrekt niet aan de nakomelingschap verplicht, haar een afbeelding van mijn wezen na te laten. Hierbij komt, dat ik te veel eerbied voor de kunst heb, om mij haar ten voorwerp op te dringen. Als ik mijn hoofd ginds even buiten ’t raam steek en den hemel en de aarde aanzie, zie ik wel duizend voorwerpen, die schilderachtiger zijn dan ik. Waarom zou ik, horzel in Gods bloemengaarde, dan niet even als zij willen voorbij gaan, zonder in beeltenis te blijven bestaan? Integendeel gaat mijn nederige schroom hierin zoo ver, dat ik, als ik ’s zomers buiten wandel, er bijna een gewetenszaak van maak, te dicht bij het spiegelend water te komen, omdat het mij aan het hart gaat, als ik het op eens, in plaats van Gods blauwen hemel en zijn lieve boomen, mijn lange magere gestalte zie terugkaatsen. En al was ik mooier, of had ik ten minste zulk een voorkomen als de liefhebbers van de schilderkunst,per euphemismum, een veelbeduidenden kop noemen, eilieve! voor wien op de wereld zou ik mij laten uitschilderen? Voor de kunstkenners misschien, om na vijfentwintig jaren op den catalogus van hun kabinet voor te komen onder de vereerende rubriek:

No.98. Een mansportret door **** en dan de naam van den bekenden schilder des onbekenden.

Of wel om, indien ik mij door een kladder liet afbeelden, nog eensin effigieop een boelhuis te worden geveild:

No. 25. Een manspersoon.—Één gulden en vijftig cents.—Niemand?—Nu, voeg er dan deze Jufvrouw nog maar bij.—Nu, twee gulden. Wie twee gulden? Totdat zich iemand mijner ontfermt, en mij nog na mijn dood met wie weet welke eerzame maagd paart, om gezamenlijk als scherm voor een tochtgat te dienen, of tot bedekking van een vuile plek op ’t behangsel gebruikt te worden.[104]

Neen, iemand als ik, wiens stil sterfbed van niemands snikken weêrgalmen zal, en wiens eenzame doodspeluw niet bevochtigd zal worden dan door mijn eigen doodzweet, moet het er voor houden, dat de menschen genoeg gedaan hebben, wanneer ze tot aan zijn dood toe zijn gezicht verdragen hebben, zonder er hen nog na zijn overlijden meê te vervolgen. Laat hem, die weet, dat er, bij het verdwijnen van ’t origineel, naar de kopij nog menig betraand kindergezichtje zal opzien, laat hem zijn beeldtenis in ieder vertrek aan den wand hangen. Mij dunkt, zulk een aanzien moet de koude asch nog in het graf verwarmen. Maar wie vooruit berekenen kan, dat zijn portret voor de nablijvenden niets zijn zal dan doek en verf, en zich met de eer, die men deze respective artikelen bewijst, zal moeten vergenoegen, neme liever zijn beeld meê in ’t graf, dan aldus zichzelven te overleven.

Ik heb mij dus niet laten portretteeren. Maar gelijk ik u begon te zeggen, men heeft het voor mij gedaan.

Ik was negen jaren oud, toen er een Italiaansch miniatuurschilder bij ons kwam, die aanbood mijn ouders voor een prijsje uit te schilderen. Geen van beide gevoelde hiertoe lust, maar in plaats daarvan, wist mijn moeder aan vader de vergunning af te vleien, dat de man mijn konterfeitsel maken mocht. Volgens haar getuigenis, trof de kunstenaar mijn gelijkenis uitstekend wèl. Sedert hing het altijd op de kamer der lieve vrouw, tusschen de silhouetten harer ouders. Na haar dood kwam het in mijn bezit, en nu heeft het zijn vaste plaats aan den muur tegenover mij, dicht bij mijn huisklok, zoodat ik niet op kan zien, zonder dat mijn oog er op valt.

Zoo ook nu. Al zoudt gij er mij om uitlachen, ik moet er recht aan doen: het is een lief portretje. Zoowel als ik er straks voor uitkwam, dat ik nu verre ben van een behagelijk uiterlijk te hebben, moet gij mij vergunnen te zeggen, dat ik geen onbevallig kind moet geweest zijn. Er rust zulk een helder waas van gezondheid op het gezichtje; er ligt zulk een glans van onschuld over het open voorhoofd; er schittert zulk een „blijde vonk van kindervreugd en geest”in de lachende oogen; er schuilt zulk een lieve trek van schalkheid in de kuiltjes op de beide wangen; en bovenal heeft het geheel zulk een voorkomen van kinderlijke onnoozelheid, dat ik niet nalaten kan er meê ingenomen te zijn. Ik zie het nooit, of ik denk aan mijn vriendElia: „Ik stem alles, wat gij ten laste van den manEliaopsomt, toe; maar het kindElia, dat anderIKdaar op den achtergrond, dien knaap moet gij mij vergunnen te mogen liefhebben.”

Uren lang kan ik dit beeld aanzien, en mij daarbij in een gelukkig verleden verplaatsen.

Mijn geheugen is op dit punt zeer wakker. Het is waar, dat ik van de herinneringen uit mijn kindsheid geen aaneengeschakeld geheel maken kan. Nu en dan zijn er groote gapingen in, even als op een schilderij, waarop sommige plekken zijn uitgewischt. Maar daarentegen liggen ook andere partijen in een helder licht voor mij, zoodat het is of ik[105]ze nog zie. En de gedachte daaraan is voldoende, om mij op mijn kindsheid als een hoogstgelukkigen tijd te doen terugzien. Neen, ik kan mij hieromtrent niet metJean Paulvereenigen, als hij de genoegens van het kinderleven „geurlooze vergeetmijnietjes” noemt. Laat de blijdschap van den zuigeling zoo heeten, die zelf geen vreugde heeft van de lachjes, waardoor hij anderen verblijdt, en bij wien het gevoel van vermaak en leed, als ik mij zoo mag uitdrukken, op het gezichtje afwisselt, zonder bijkans het zieltje aan te doen. Maar als het kind een klein mensch geworden is en weet begint te krijgen van genoegen of smart, dan is kindervreugde wel waarlijk vreugde. Zeg dan niet, het heeft geen genot, omdat het zich van zijn genot geen reden geeft. Maar geven wij er ons dan altijd reden van? Gaan wij bij ieder genoegen neêrzitten om het te ontleden? Als wij in het voorjaar in de open lucht komen, en het lentewindje kust ons met zijn lauwen adem, terwijl de verkwikkelijke zon ons streelt als de warme hand van een Odaliske, zoodat wij daaronder „uitzetten en knoppen” van weelde en lust, zeggen wij dan altijd tot ons zelven: Dit is nu, omdat de wind Z. Z. W. is, en de zon op ** gradenFahrenheitstaat. Of nemen wij de moeite van uit te rekenen: omdat de zon werkt op deze spier en de wind op die zenuw, en de spier weêr op de zenuw en de zenuw op de spier, daarom word ik dit aangenaam gevoel gewaar?—Geven wij ons niet veeleer gedachte- en bewusteloos toe aan het genot, dat ons tegenkomt en drukken, even als de bloemen en vlinders, onze tevredenheid uit door de aanraking van den koesterenden straal met een siddering van wellust te ontvangen, en den zoelen balsem van het koeltje met open mond in te drinken? Ik voor mij althans heb meermalen ondervonden, dat het dwaas is, met het genoegen den wijshoofd te spelen. Wanneer ik een enkelen keer onderzoeken wou: Waarom gevoel ik mij nu zoo wel? heb ik bemerkt, dat ons genotveelheeft van het spel der spiegeling van een stroom, dat ophoudt, zoodra men er aan raakt; en sedert heb ik mij gewend mijn handen t’huis te houden en van het genoegen tot mijzelven te zeggen: Ik ben er genoegelijk door, dus het zal wel genoegen zijn.

Waarom zou dan ook de kindsheid geen blijde tijd mogen heeten? Hé,Cornelis, enWillem, enFerdinand, of wij pleizier hadden, wanneer wij, menschen van vier voet, den vlieger, die tweemaal onze grootte had, vierhonderd voeten hoog boven ons zagen, in de trotsche bewustheid van den luchtreus in onze kleine knuisten te klemmen! Of het prettig was, bij den u bekenden houtzaagmolen over de vlottenden balken te springen met onophoudelijk gevaar van het getal der drijvende blokken met één te vermeerderen! Of wij er vreugd van hadden, als, op onze kinderpartijtjes, de grappigeCasparmet zijn tooverlantaren kwam en ons met het leelijke Goliathshoofd en zijn verschrikkelijk: boe! boe! te gelijk lachen en rillen deed? Of het heerlijk was, den degen van Oom den Burgerkapitein achter ons aan[106]te slepen, en over de panden van zijn afgedankten uniformrok te struikelen? Wanneer wij toen reeds in dat geluk niet zoo gelukkig geweest waren, zou er ons zulk een diepe indruk niet van zijn bijgebleven. Zeg mij, kleine knaap, die mij van dat doek zoo vriendelijk toelacht, waart gij niet recht vergenoegd, toen gij daar aan den schoot van uw moeder zat, terwijl de zwarte man u uitteekende, en uw moeder onuitputtelijk was in allerlei grappige verhalen, opdat gij er op de teekening recht vroolijk en beminnelijk mocht uitzien? Immers ja; want de tevredenheid glinstert uit uw oogen, en de blos, dien het genoegen op uw wangen ontstak, klom even zoo wel uit uw klein hart naar boven, als het niet bij toeval is, dat thans dit vale bleek hièr dat kleurtje dáár vervangen heeft.

Dikwijls stond ik voor dat portret met een gevoel van benijding, dat misschien menig uwer dwaas zal heeten. Het was, wanneer het mij somtijds recht bang was, en ik behoefte had mijn oog op iets vroolijks te vestigen; hoe kon mij dan het onderscheid tusschen het kind en den man treffen! Dat gladde voorhoofdje, hoeveel rimpels heeft het gekregen! dat vonkelend oog, welk een doffe nevel heeft den straal der vreugde daarin uitgebluscht! die bloeiende wangen, hoe heeft de hitte van den dag ze doen verdorren! dat lachend mondje, welk een diepe groef heeft de smart er in gedrukt! Ik had moeite te gelooven, dat ik er ooit zoo had uitgezien, en dan dacht ik weêr, dat wie er zoo had uitgezien nooit zóó kon worden als ik nu!—Doch eindelijk verzoende mij die aanblik met mijn ongeluk. En zijt gij dan geen kind geweest? vroeg ik mijzelven. Een vroolijk, onschuldig, gelukkig kind? hebt gij niet met de bloemen gebloeid en met de vlinders gedarteld? hebt gij u niet moêgespeeld en wakker geslapen? hebt ge geen tijd gehad, dat alle kommer om en voor u besloten werd in het hart, waaraan ge rusttet, en dat ieder zijn eigen smart onder een lachje voor u verborg? Waarover beklaagt gij u dan! Twintig jaren, kinder- en knapen- en jongelingsvreugde, is het te veel, dat ge daarvoor in het leed des mans een evenredige rente betaalt! O, als God het naakte wicht hulpeloos op den kouden, harden grond nederlegde, en aldus aan de genade van het toeval overliet; als het kind, van den dag zijner geboorte af aan, even als het winterklokje dat uit de sneeuw opschiet, door barre winden en scherpe hagelsteenen geteisterd werd; als de opwassende knaap zich, gelijk een verdrukte scheut, naar boven moest werken; met één woord: als er aan het leven een jeugd ontbrak,—dan zouden wij kunnen klagen, dat ons onrecht gedaan was. Maar zoo is het immers niet? Voor de intrede des menschen in de wereld is alles door de zachte hand der liefde gereed gemaakt. Vaderarmen ontvangen, moederarmen koesteren het;

Haar liefde dekt het schaap nog zonder wol;Haar teêrheid voedt het lam nog zonder weide.

Haar liefde dekt het schaap nog zonder wol;

Haar teêrheid voedt het lam nog zonder weide.

Dan heeft het kind voor niets te zorgen, terwijl alles voor het kind[107]zorgt. Dan wordt de scherpe wind gebalsemd en de stekende zonnestraal mat gemaakt; dan plaatsen zich anderen vrijwillig voor den snijdenden tocht en onder de vallende sneeuw; dan wordt het plantje gedekt, begoten, naar de zon gekeerd, ondersteund en opgehouden. Dan worden alle tranen opgevangen, alle zuchten weggekust. Dan wordt ieder plek tot een speelplaats gemaakt, ieder voorwerp tot speelgoed, en iedere volwassene buigt zich om meê te spelen. Dan wordt voor het kind de doorn van iederen stengel gebroken, de honing uit iedere bloem vergaârd, het sap uit iedere vrucht gedrukt. Dan slingeren de menschen hunne armen in elkander, om rondom het kind als ware het een Eden af te perken, waarin het storelooze paradijsgenoegens smaakt.

Maar wat zouden wij dan willen? Dat dit altijd zoo voortduurde? De hemel beware ons! Wat zou er van zulke vertroetelingen worden? Ellendige kasplantjes, die geen tiende van hun natuurlijken groei en sterkte zouden bereiken, saplooze bladeren, weinige bloesems en niet een enkele vrucht dragen. Neen, niet alzoo! Wij zijn kinderen opdat wij mannen zouden worden, maar worden geen mannen, opdat wij kinderen zouden blijven. Zijn wij zoo ver gekomen, dat wij onder het glas van daan en in de open lucht kunnen, dan is het ook niet meer dan billijk, dat wij met de anderen wind en koû leeren deelen. Wordt het ons daaronder al eens bang, denken wij dan terug aan de twintig jaren dat wij gespaard zijn geworden, aan de twintig jaren van vooruitgenoten vergoeding, aan de twintig jaren van toerusting, die weinig vrucht hebben gedragen, indien zij ons voor geen twintig jaren strijdens hebben voorbereid!

Zie, zulke gedachten pleegt het gezicht van het kind bij den man op te wekken. En dan, in plaats van mij te verdiepen in het lijden, dat mij drukt, verlies ik mij in de herinnering van het genoegen, dat ik gesmaakt heb. Dan denk ik, hoe de verschooning, mij in de eerste vaag des levens bewezen, gediend heeft om mij tot het uitstaan der tegenwoordige beproeving te harden; dan denk ik, hoe het mij zou gegaan zijn, indien dit leed, even als een vroege vorst, in mijn kindsheid gevallen ware: dan denk ik, hoe ver de rampen des mans er van af zijn tegen de vreugde van den kinderlijken leeftijd op te wegen; en onder deze beschouwing groeit mijn moed aan; de sterke man vindt kracht in den aanblik van het zwakke kind; de smart des volwassenen vertroost zich met het lachje van den knaap; en mijn gevoel lost zich op in de dankbare uitboezeming: Ja, ik ben waarlijk dezelfde; die knaap en deze man! Was ik die knaap niet geweest, ik ware deze man niet geworden; en was het niet om deze man te worden, ik zou die knaap niet geweest zijn.

En wanneer ik alsdan het kind aanzie, en het mij voorstel in al zijn onkunde en onbewustheid van zijn hoogere bestemming; de aarde aanziende of zij altijd beneden hem, en den hemel, of hij altijd boven hem zou blijven;—en daarbij te gelijk denk aan hetgeen er van hem worden moet: een kind van God, een blinde voor de wereld,[108]een doode voor de zonde, een dagelijksch offer van zich zelven, een burger des hemels op aarde, en eens een lotgenoot des Hoogzaligen;—dan verliest mijn oog zich in die gaping tusschen dat wichtje vóór—en den zalige boven mij; en het wordt mij duidelijk, dat de school, waar zulk een opvoeding voltooid moet worden, een school van werkzame oefening en strenge tucht moet zijn. En bij die overtuiging wordt het mij zoo helder, dat dat kind dien speelschen lach om den mond en dien blijden straal in het oog verliezen moest, dat ik niets natuurlijker vinde, dan dat de man, voor het portret tredende, zich zelven niet meer herkent en er hem ongelukkig om rekenen zou, indien het anders ware.

Ongelukkig, indien het anders ware! O, op hoe velerlei beschikkingen in mijn lot kan ik dit toepassen. Zeker, als ik op dit kind zie, voel ik mij overstelpt van dankbaarheid bij de gedachte aan zoo vele leidingen Gods, als gestrekt hebben om het te bewaren van immer geheel uit den staat des kinds uit te vallen. Al denkikalleenaan de lieve moeder, van wie deze beeltenis afkomstig is. De lieve moeder! Nooit werd die naam met meer recht door een vrouw gedragen, nooit haar met meer liefde door een kind gegeven. Niet alleen omdat zij de weldoenster mijner kindsheid was, die van haar armen mijn wieg, en van haar boezem mijn peluw maakte; die mij ’s avonds met haar liederen in slaap zong, en mij ’s morgens met haar omhelzingen weêr wakker kuste; wier bijzijn in den vollen zin des woords mijn leven, wier schoot mijn hemel was. Maar veel meer, omdat zij evenzeer de geleigeest van mijn onnoozelheid, als de beschermengel van mijn zwakheid was. Niet alleen met de melk harer borsten, ook met de melk haars harten, met al wat er ooit zachtst, mildst en teederst in een vrouwenziel was, voedde zij mij op. Zoo boezemde zij mij reeds vroeg het gevoel eener groote liefde in; indien mijn hart geen bekrompen hart is, maar in zijn genegenheid meerderen omvat, dan mijn armen omvademen kunnen, ik dank het haar, die mij als van mijn geboorte dien geest van liefde heeft ingeademd. O, het is zoo gelukkig, als de moeder begint met het geheele hart des kinds in te nemen. Dan is er reeds dadelijk een plaats vervuld, waar zich anders al spoedig het gevoel van eigenbaat indringt. Maar is eens de kiem der liefde in het weeke gemoed gevallen, dan groeit die met het wicht op, slaat haar vezels in zijn zenuwen en voedt zich met zijn bloed. Dan zet zij zich uit naarmate de borst ruimer wordt, en ofschoon het opschietend onkruid haar begint te drukken, zij blijft in het hart geworteld. Zalig dus, wie als kind van zijn moeder liefde leert: hij leert spelende, wat de eerste plichten zijnzullen; hij neemt als een lust op, wat hij later als een last zal moeten dragen; hij wordt door de liefde tot ééne voor de liefde tot allen gevormd; en de armen, die nu nu den boezem omklemmen welke hem voedt, worden gewend om eens een ruimeren kring teomvatten, zooals het klimop, dat begint met zich om de scheut te slingeren, zich later[109]van zelve met den zich uitzettenden stam uitbreidt. O, toenmaals wist ik niet beter, of ik had mijn moeder lief als mijn moeder en zij mij als haar kind; maar toen ik later gevoelde, dat wij hier niet enkel moeder en kind geweest waren, maar dat haar liefde te gelijk tot opleiding voor den mensch, tot vorming voor den Christen gediend had, toen zag ik eerst recht in, welk een geschenk van Gods vaderliefde deze moederliefde voor mij geweest is!

Ik kan van dit onderwerp nog niet scheiden. Wie een lieve moeder te gedenken heeft, zal er mij niet hard over vallen.

Toen de doos vanPandoraopenging, stroomden daaruit allerlei rampen, maar de hoop bleef op den bodem liggen. Toen het hart der menschen zich voor de zonde opende, verlieten allerlei deugden het menschelijk hart, maar het geweten bleef op den grond achter. Maar dit geweten, hoeveel hangt er van af, hoe het behandeld wordt?

Hier is het een koppige goudvink, die op het eene oogenblik tot geen zingen te krijgen is, en dan weêr op eens zoo begint door te slaan, dat men niet weet, hoe hem tot stilte te brengen. Daar is het een lijster, die alleen helder fluit, als het slecht weêr is. Daar is het een kwaadaardige uil, die het licht schuwt, maar den ganschen nacht zit te krassen dat men niet slapen kan. Daar is het een haan, die, even als voorPetrus, niet kraait, dan als het te laat is. Daar eindelijk is het een nachtegaal, welken men hoort zoodra men in den eenzaamheid en in het donker komt, en wiens gezang den nacht vervroolijkt.

Behoort het geweten dan tot geen vast ras van vogels? Zeker wel. Oorspronkelijk behooren allespecieser van tot het nachtegalen-geslacht. Maar de verschillende wijze van opkweeking en behandeling is de oorzaak van die ontaarding en verbastering. Gij ziet dus van hoeveel belang het is voor het uwe te zorgen, eer gij van uw nachtegaal een uil maakt.

Mijn lieve moeder was een uitmuntende opvoedster van het mijne. Zij liet het niet enkel aan de natuur over het te leeren zingen, maar hielp het een weinig op den weg, zoo als men de kanaries met een kanarieorgeltje, of de eksters met voorpraten doet. Van daar verhief het zijn stemmetje al vroeg: toen ik nog maar een kind was, kon het ’s avonds, als ik in mijn bedje kwam, reeds neuriën en kneuteren dat het een aard had.

Gelukkige die ik was! Hoe vele zijn er, die nooit zoo diep zouden gevallen zijn, indien men, even als mijn moeder, hun geweten meer als een afzonderlijke faculteit van de ziel had aangemerkt, die mede kon en moest ontwikkeld worden; indien men hen als kind een vreemde taal minder had laten leeren, en hen in plaats daarvan geleerd had de stem in den boezem beter te verstaan.—Toen mijn geweten nog onmondig was, nam mijn moeder de voogdij er over op zich. Voor niets was zij ongeruster, dan dat het zijn natuurlijke teederheid verliezen zou. Wetende dat het, als een speeltuig, helderder klinkt, naarmate het reiner wordt gehouden, was zij er altijd op uit om voor zijn[110]zuiverheid te waken. Het moest, dacht zij, even als een windharp, zelfs al ging er maar een tochtje over, trillen en geluid van zich geven. Later gewende zij mij, de zorg er voor allengskens over te nemen. Ook had het toen reeds een vastheid en sterkte van stem gekregen, die maakte dat ik het niet licht meer van de wijs had kunnen brengen, al had ik gewild.

En toch, dankbaar erken ik, hoe veel ik ook toen nog aan haar verplicht bleef. Dikwijls was haar tusschenkomst machtiger, indien al niet om mij van het kwade terug te houden, dan toch om mij tot het goede aan te sporen, dan de stem van mijn conscientie zelve. Dit was vooral dan het geval, wanneer eenige overtreding mij met mijn geweten overhoop had geholpen. Om de waarheid te zeggen, dan was die rechter mij meestal te streng; althans hij schrikte mij evenzeer af, als hij mij uitlokte om de hand ter verzoening te reiken. Dit ging veel beter door hare tusschenkomst. Zij was, even als Gods woord, veel zachter dan mijn conscientie. Zij maakte mij de belijdenis zoo gemakkelijk; zij was zoo liefderijk in haar bestraffing; zij schonk zulk een volkomen vergiffenis! Nooit stroomden mijn tranen lichter dan aan haar boezem, en nooit werden zij eerder afgedroogd. En hoe zij zulk een oogenblik wist te heiligen door, naarBorgersuitdrukking, den boetvaardige op te beuren, maar op te beuren tot God in den hemel; hoe zij, als ze mij vergiffenis geschonken had, mij aan de voeten des hemelschen Vaders voerde, opdat ik die vergiffenis ook van Hem zou afsmeeken! Hoe zij aldus van de weekheid mijns harten gebruik maakte om er het teeken des kruises dieper in te drukken! O, gij kleine knaap, indien de zonde van dit voorhoofdje het zegel des doops nooit geheel heeft kunnen wegwisschen, en, hoop ik, het verder ongeschonden zal moeten laten, dank er haar voor, die het eens onder de vonte hief!

Ja, daarheen droeg zij mij, maar niet gelijk zoo velen, uit gehoorzaamheid aan een maatschappelijke wet, omtrent gelijkstaande met de inschrijving des jonggeborenen op de registers van den Burgerlijken stand. Niet alleen haar hoofd, haar geheele hart boog zich op de vrage of zij beloofde, „dit kind, als het tot sijn verstand sou gekomen zijn, in de voorseyde leer na haer vermogen te onderwijsen.” Aan niemand stond zij de zoete taak af, mij het eerst den heiligen Vadernaam te leeren stamelen. Weet gij wat dit zegt? Ik voor mij ken onder alle zegeningen, waarmede God de wieg eens kinds omringen kan, geen grootere, dan een vrome moeder. Moeders zijn de ware kinder-apostelen! Niet alleen, omdat haar stem lichter en dieper in het hart van haar kroost dringt; maar, ook, omdat vrouwelijk geloof en kinderlijk geloof zulk een nauwe verwantschap met elkander hebben. Op den zinnelijken knaap werkt het gemoedelijke, dat in den godsdienst der vrouwen den boventoon voert, veel sterker en gelukkiger, dan het meer verstandelijke, dat het heerschende kenmerk van de overtuiging des mans uitmaakt. Zoo ging het mij althans bij mijn moeder. Zeker is het beeld van den Heiligste onder de menschenkinderen altijd allerbeminnelijkst,[111]welke (vrome) hand het ook schetse: niet anders dan alle Christusbeelden hetzelfde karakter van grootheid en liefderijkheid ademen. Maar zooals evenwel deChristusvanRafaelhemelscher is, dan de Hemelsche op de tafereelen vanCorreggioofDa Vinci, vond ik den Zaligmaker nooit beminnelijker, dan in de voorstelling van mijn lieve moeder. Nooit heb ik hem beter—hoe zal ik zeggen?—gezien, nooit stond hij mij aanschouwelijker voor oogen, dan zooals zij hem mij deed aanschouwen. Gelijk een portret naar het leven gemaald verschilt van de afbeelding op een doode genomen, verschilde haar teekening van den Eenige van die van anderen. Men kon zien, dat haar hart het penseel bestuurde. Die verheven gedachte van haar lievelings-Apostel: Die niet lief en heeft, die en heeft Godt niet gekent: God is liefde! Liefde is als het orgaan, waardoor men God leert kennen en aanschouwen!—bevestigde zich in haar ten aanzien van zijn beeld op aarde. In zooverre dit van een gebrekkig menschenhart kan gezegd worden, gold het van haar; haar liefdevol hart begreep hem! Van daar putte zij, als zij den Heiland schilderde, niet enkel uit haar geheugen, maar veeleer kwam zijn beeldallengskens, als een hostie uit haar heiligdom, uit het binnenste haars harten te voorschijn. Van daar dan ook, dat dit beeld zich diep in mijn ziel drukte—en, hoop ik, onuitwischbaar!

Even zoo ging het mij met haar voorstelling van het toekomende leven. Allen verwachten wij éénen hemel; maar welk een onderscheid! Indien ieder het denkbeeld dat hij van zijn hemel vormt, aanschouwelijk kon maken, gij zoudt nooit gelooven, dat zij hadden voorgehad dezelfde plaats te malen. De hemel van sommigen is somber en eenzaam; die van anderen gebrekkig en onvolmaakt; deze schildert zich hem geheel aardsch en zinnelijk, gene schept hem zich weder zoo bovenzinnelijk, dat hij geen hemel voor menschen blijft. De hemel van mijn moeder was eerst recht hemelsch! alles wat haar rijke verbeelding heerlijks, wat haar vrome ziel reins, wat haar geloovig hart zaligs bevatte, vond zich in de voorstelling daarvan terug. Bij haar geen onoverzienbare afstand, die hem van de aarde scheidde; geen ondoordringbaar wolkfloers, dat hem voor het oog verborg! Voor haar geest smolt hemel en aarde, even als voor haar oog aan den gezichteinder, liefelijk en harmonisch ineen. En dan dat voorkomen, waarmede zij er van sprak!—Ziet gij, ik heb allen eerbied voor de keurige plaatsbeschrijving door menigen Eerwaarde van het het hemelschJeruzalemop den kansel gegeven.Maar wanneer ik hem daarbij onophoudelijk voor zich—zeker op de kaart van het heerlijk gewest—zie staren, of uiterlijk zijn oog op de hoorders beneden hem zie vestigen, zonder dat zijn blik zich ooit met een uitdrukking van ingenomenheid of verlangen naar boven richt: hij vergeve het mij, dat daarbij mijn gedachten niet hooger klimmen dan de vinger, dien hij telkens opsteekt om de bedoelde streek aan te wijzen, en dat ik van het tafereel door hem gemaald niets zie, dan den schilder. Hoe geheel anders ging het mij onder het[112]gehoor van dien vromen grijsaard, dien menigeen uit deze teekening duidelijk genoeg herkennen zal, die nooit van den hemel gewaagde dan met de uitdrukking van een zoo vroolijke verrukking en van een zoo vertrouwelijke gemeenzaamheid, dat de meest aardschgezinde er door geroerd werd. Op zijn gezicht, door den straal eener hoogere vervoering verlicht, zag men als het ware den hemel weêrkaatst, dien hij u schilderde, en beter dan de lofzang der Engelen, waarvan hij meldde, noodigde u zijn stem, waarin het levendigst voorgevoel klonk, naar de gewesten, waarin zijn ziel reeds scheen te zweven!—Evenzoo ging het mij onder de gesprekken mijner moeder. Het is waar, zij kende geen enkel dogmatisch bewijs voor de onsterfelijkheid, en zou aan zoovele wijsgeerige hemelbestormers niets dan een onbeschermd hart hebben kunnen tegenstellen. Maar zij geloofde aan den hemel! en met een levend geloof, dat het onzienlijke niet droomt, maar ziet; dat de hope niet hoopt, maar dadelijk geniet. Van daar was er in haar voorstelling van den aanstaanden gelukstaat iets wegslepends, iets aanstekends, dat te gelijk overtuigde en meêvoerde! en ik vond in haar de spreuk van den vromen man, van wien ik straks sprak, bevestigd: dat een godsdienstig mensch meer leert van geloof en godzaligheid, dan het beste boek, dat er over geschreven kan worden.—Zeker, God heeft ze lief, die hij door zulke liefelijke boden tot zich laat noodigen!

En toch moet gij hieruit niet besluiten, dat zij in haar vromen ijver zou vergeten hebben, dat ik zoowel tot een burger der aarde, als tot een hemelburger moest gevormd worden. Ook in dit opzicht kon mijn opvoeding in geen betere handen gevallen zijn. Niet dat ik hiermede aan de verdiensten mijns vaders wil te kort doen. Mijn vader was ongetwijfeld een groot en eerbiedwaardig man; nooit was er deugdzamer hart of godvruchtiger gemoed; maar toch zou ik, van achteren beschouwd, niet gewenscht hebben, dat het werk mijner opvoeding aan hem alleen ware overgelaten geweest. Hij was er te koud en te steng toe. Groote ongelukken, in zijn jeugd geleden, hadden hem ontijdig vroeg uit het paradijs zijner idealen verdreven. Sedert had hij zichzelven beloofd, er nooit weder een oog heen te wenden. Deze belofte hield hij trouw. Hij bouwde zijn verwachtingen alleen op den vasten bodem der aarde, nooit op de drijvende wolken des hemels. Hij beschouwde het leven enkel van zijn praktische zijde: en wat er nog dichterlijks in zijn ziel sluimerde, behoorde geheel aan een hope, die, ofschoon hooger dan de wolken, vaster staat dan de rotsen. Zeker, ik verheug er mij over, dat mijn vader zulk een man was. Hij hardde en smeedde het staal, dat mijn moeder in het vuur des gevoels warm en week had gemaakt. Met zulk een teêr hart als het mijne, wat ware er van mij geworden, als hij nu en dan niet eens een raam van de trekkas, waarin zich mijn geest verbroeide, geopend had. Indien zijn killer adem er niet van tijd tot tijd als een voorbereidend nachtvorstje was overgegaan, hoe zou het werkelijk leven als een doodende koude op mijn verwend gemoed gevallen zijn. Doch ook aan den anderen kant, hoe zou het mij gegaan[113]zijn, indien ik alleen aan zijn leiding ware toevertrouwd geweest, indien hij, in de eerste vaag mijns levens, op de beelden mijner fantasie, alsDon Quichotop de marionnetten, aangevallen ware: indien hij terstond mijn witte vleugelen, evenals haar dat te lang is, had afgeknot, en mij zoo gekortwiekt de wereld had ingejaagd! Neen, dan ware ik zeker niet de mensch geworden, dien hij meende van mij te zullen maken. Hij zou gezien hebben, dat hij zich in zijn rekening bedrogen had, door een zomer te willen hebben zonder lente, en in den herfst over zijn dwaling getreurd hebben. Doch hiervoor was gelukkiglijk geen vrees. Immers mijn moeder stond aan de andere zijde naast mij: zij was het, die met teedere bezorgdheid over de jeugd mijns harten waakte, en als een wachtengel voor mijn paradijs stond. Wetende hoe zalig het is, als men in zijn binnenste een wijkplaats heeft, onder wier lommer men zich verschuilen kan, als het u daar buiten in de wereld te heet wordt, vreesde zij voor niets meer, dan dat dat toevluchtsoord, even als bij mijn vader, in een woestenij verkeeren mocht. Daarom daalde zij met mij in hetElysiummijner droomen af, en doolde er met mij in rond, zeker wel met het gevoel van eenCicerone, wien zijn wandeling verveelt, omdat hij die reeds zoo dikwijls gedaan heeft. Maar evenwel, zij getroostte zich dit gaarne, en staarde met mij naar de sterren aan mijnen hemel, als of zij ze nimmer meer gezien had. Ik ben verzekerd, dat gij, zonder misschien de grootheid van dit offer te gevoelen, er de waarde van erkennen zult. Althans ik erken die dankbaar. Daardoor toch is de invloed, die mijns vaderspositieverichting van geest op mij uitoefende, nuttig voor mij geweest zonder mij te schaden. Zij heeft de veêr bedwongen, maar niet verlamd; zij heeft de snaar ontspannen, maar niet gebroken. Ik draag nu mijn dichterlijkheid, niet als een pauw zijn staart, die driemaal grooter is dan hij zelf, maar als een eerzame duif haar vleugels, die zij uit kan slaan als zij wil gaan vliegen, maar die zij onder ’t loopen zoo netjes langs haar lijf plooit, dat niemand ze merkt.—De lezer wordt verzocht hierbij niet met het hoofd te schudden of te lachen. Ik weet wel, dat ik in zijn gezelschap altijd vliegende gezien word; maar dat komt juist uit: want als ik mij aan ’t schrijven zet, is het een teeken, dat ik wil gaan vliegen. Kom over een uur, als dit artikel af is, en gij zult zeggen, dat gij nooit bedaarder man op twee beenen hebt zien loopen, dan den vogel zonder veêren, dien ge nu in de lucht ziet.

Maar, zooals ik zeide: eerst nog een oogenblik geduld! gij kunt het mij niet ten kwade duiden, dat het mij moeilijker valt dan u, van mijn portret te scheiden.

Mijn portret! Laat ik het nu nog eens mogen zeggen: het is een lief, onnoozel kinderkopje; te meer, daar ik u even oprecht bekennen zal, dat, zoo ooit een gezicht bedrogen heeft, het dit geweest is. Neen, lieve knaap! gij zijt niet geworden, wat gij beloofdet. Zooals ik u daar voor mij zie, niet die kinderlijke onschuld op het gelaat, zou een Engel u voor zijn broeder kunnen houden. Men ziet het dat open[114]voorhoofdje aan, dat er nog nooit een blos van schaamte op gestegen is; men kan het aan die wangen, frisch en fleurig als een pas opengaande roos, zien, dat er nog nooit een bijtende traan van boete langs is gevloten; het spreekt uit dat vonkelend oog, dat het zich tot nu toe nimmer heeft behoeven neêr te slaan; onbezoedelde reinheid ligt als een ongereptwaasover het geheele wezen verspreid. Mijn oogen dwalen af, en slaan een blik in den spiegel er naast. Goede God! Wat is er van dit kind geworden! Als een vergiftigende adem heeft de zonde zijn voorkomen verkleurd en ontsteld. Een wind gelijk, die een effen stroom beroert, zoo hebben de stormen der ziel de gladde vlakte van dat klare voorhoofd in rimpelen opgejaagd; de heldere blos is verdronken in de tranen, die hem hebben overstroomd; de oogen hebben hun schitterenden straal verloren en lichten nu met het beneveld schijnsel van het lemmet eener lamp, waarin de olie troebel geworden is. Gelijk men inArabiëop het eerste gezicht de woestijn herkent, waar langs de verzengendesimoungewaaid heeft, zoo kan men het mijn geheel voorkomen aanzien: Hier is de zonde langs gegaan! Bedroevende aanblik, die mijn bleeke wangen met purper van schaamte kleurt, en mijn hoofd als een geknakte bieze op den schouder doet zinken.

En was het daarom, dat God mij zoo onnoozel deed geboren worden? En was het daarom, dat eens mijn ziel onbezoedeld in mijn onbevlekt lichaam woonde, als helder water in even helder kristal;

Blank lijfjen zonder smet, blank zieltjen zonder zonde,Gepaardin dubble maagdlijkheid.

Blank lijfjen zonder smet, blank zieltjen zonder zonde,

Gepaardin dubble maagdlijkheid.

En was het daarom, dat mijn ouders zich als wachtengelen tusschen mij en de wereld plaatsten, om mijn zuiverheid te bewaken? En was het daarom, dat er zoo veel zorg besteed werd om mij tegen de besmetting des kwaads te wapenen? Hoe weinig heb ik aan de mij geschonken voorrechten beantwoord!—Kind, kind! lach mij zoo niet aan! Gij hebt geen erger vijand, dan den man die voor u staat. Hij heeft een doodslag aan u begaan! Hij heeft uwe onnoozelheid vermoord! Uweonnoozelheid, die zoo teêr, zoo zacht,zoo aanminnig, zoo bevallig, die een wellust van menschen en engelen was! Maar hem kon zij niet bewegen! Onmeêdoogend heeft hij haar gedood. Hoe zij hem ook aanschreide, hoe zij hem ook tegenkreet, hij heeft haar opgeofferd. Niet op eens, maar langzaam, zonder dat men iets van het aangedane geweld bemerkte. Maar toch zoo zeker, dat zij nu wel geheel gestorven is, en in zijn lichaam rust als een doode in het graf. Kind, lach mij zoo niet aan!

Helaas! dat is ons aller lot op aarde. Men zou het kunnen vergelijken met het lot van de sneeuw. Vlekkeloos valt zij uit den hemel, wordt op de aarde bezoedeld, zinkt dan weg in den grond, en vergaat zoo geheel.… ten zij, ten zij! het zonlicht enkele heldere droppels uit het slijk omhoog trekt. Zoo ook wij! sneeuw in de wieg, worden wij slijk op de aarde, en verzinken eindelijk als dras in den grond.[115]Maar het zonlicht van Gods genade ontwikkelt uit het bezoedelde nat een enkelen klaren drop, dien het ten hemel opneemt.

Is dit zoo? lach mij dan vrij aan, mijn kind! Wij zullen weder vrienden worden.

Neen, het is te weinig, dat de mensch alleen over zijn verloren onschuld weenen zou. Beween een marmeren beeld, dat gebroken is, het is voor altijd weg; maar beween geen gestorvene, die weder kan worden opgewekt. Nog eens stel ik mij voor mijn portret. In navolging van den Heer, stel ik een kindeke voor mij en wijze er mijzelven op:Indien ghy u niet en verandert ende wort gelyck de kinderkens, so en sult ghy in het Coninghryke der hemelen geensins ingaan.

Ja, ziedaar mijn voorbeeld! Zoo was ik, zoo moet ik weder worden. Zoo was ik uit de natuur, zoo moet ik ook uit eigen keuze en vrijen wil weder worden. Het afgelegde gevoel van afhankelijkheid, de verloren eenvoudigheid des geloofs, de verleerde gewilligheid der onderwerping, de verkrachte onbedorvenheid der onschuld, dat alles moet weder aangeleerd of aangenomen worden. De wijsheid, in de beproeving verkregen, moet mij bijblijven; maar de besmetting, in de beproeving opgedaan, moet worden afgelegd. De wonderspreuk des Apostels moet aan mij worden vervuld:Volwassen in ’t verstandt—kinderen in de boosheydt!

Het is droevig, dat zoo velen dit niet begrijpen of begrijpen willen. Zij rouwen over hun verloren onschuld, ja, maar als wanhopenden. Zij zitten er bij neder; zij vertreuren hun tijd en hun krachten; indien zij ze met hun zuchten konden opwekken, zij zou herrijzen! maar te vergeefs. Geen tranen wisschen een bevlekt geweten schoon; geen snikken roepen een gestorven onschuld wakker. Er moet opgestaan, er moet gehandeld, er moet geleden, er moet gestreden worden. Met het beeld eens kinds voor het oog, moet men naar gelijkheid met het kind streven. O, ik denk, dat het dit is, dat mij kinderen zoo recht dierbaar maakt; in ieder van hen zie ik een voorbeeld en leermeester. Daarbij denk ik altijd aanLuther, die, toen zijn kinderen eens onder elkander krakeelden en spoedig daarna zich weder verzoenden, zeide: Lieve Heere God! Hoe aangenaam zijn u toch zulk een kinderlijk leven en zulke spelen! Ja, al hun zonden zijn niets dan vergeving der zonden.

Ziet gij, met dit oog beschouw ik de kinderen, die mij omringen. Als ik zie, hoe het knaapje aan den schoot der moeder staat, en naar haar vertellingen luistert, en, wanneer hem daarin iets ongeloofelijks treft, met vertrouwen tot haar opziet en vraagt: „Is dat zoo, moê?” dan schame ik mij over mijn vermetelheid, dat ik dikwijls zoo traag was om te gelooven, wat mij in de mededeelingen mijns hemelschen Vaders onwaarschijnlijk voorkwam, en ik vermane mij zelven:So wie het Coninghrijke Godts niet en ontfangt gelyck een kindeken, die en sal hetzelve geensins ingaan.—Wanneer ik zie, hoe het kind, dat ongehoorzaam geweest is, op het enkele gezicht van de smart, die hij[116]zijn vader daardoor veroorzaakt, in tranen van berouw uitbarst, hem in de armen vliegt en snikkend uitroept: „Vader, vergeef mij! ik zal het niet weêr doen!” dan voel ik mij vernederd door de gedachte, hoe dikwijls ik dagen op dagen over mijn overtredingen tegen mijn goddelijken Vader liet heengaan, zonder tot het afleggen eener ootmoedige belijdenis te kunnen of te willen komen.—Ja, zelfs die belofte: „Ik zal het niet weêr doen!” hoe beschuldigde zij mij, dat ik zoo vaak om de Goddelijke vergiffenis had durven bidden, zonder mij te hebben verbonden door de gelofte om mij voortaan voor de geboete zonden te wachten.—Wanneer ik zie, hoe gemakkelijk en gaarne het afhankelijke kind van zijn ouderen afhangt, en met volkomen gerustheid en vertrouwen van hunne liefde en zorg de voldoening zijner behoefte verwacht, dan bloze ik over mijn gedurige bekommeringen tegen den volgenden dag, en bestraf mijzelven, dat „ick myne ziele niet en hebbe geset ende stille gehouden, ghelyck een gespeent kindt bij syne moeder!”—Eindelijk, wanneer ik zie, hoe het kind zich in het midden der booze wereld bevindt, zonder nog iets van hare boosheid te hebben aangenomen, daarin verkeerende als een witte duif in haar bezoedeld hok, dan jammer ik over mijn vatbaarheid voor alle besmetting, en neem mij voor „een kindt in de boosheydt” te worden.

Moeielijk, maar ook schoon en heerlijk werk! Zeker dit kan ik mij vanLutherniet begrijpen, hoe hij zeggen kon, dat hij in den kinderlijken leeftijd had willen gestorven zijn, en daarvoor gaarne alle eer overgegeven, die hij in de wereld had.—Neen, vaderLuther, daarin kan ik het met u niet ééns zijn. Zeker geloof ik wel, dat er ook boven een school is, waar de lieve Engelen, of hoe de goede geesten anders heeten mogen, de taak der ouders en leermeesters bij de vroeg opgeroepen kinderkens op zich nemen, en het Christenkind tot een Christen vormen. Maar daarom zou ik nog niet durven zeggen, dat het beter was, een leerling der hemelsche dan der aardsche school te zijn. Mij dunkt, boven kan de strijd zoo zwaar, en daarom de kroon zoo schoon niet wezen. En zeker, van alle menschen hadt Gij wel het minste reden om zulk een wensch te doen. Gij, die tegen het booze strijdende als een held, echter dien heldenmoed onder de karaktertrekken eens kinds verborgt, kinderlijkste der mannen en mannelijkste der kinderen! Ook verbeeld ik mij, dat gij nu, met den krans der Christenstrijders om het hoofd en het witte kleed van Gods kinderen om de leden, het niet anders wenschen zult dan het geweest is. Ik voor mij wensch niets beters, dan u van verre te volgen, en, indien ik eenige eer in de wereld had, ik zou die daarvoor gaarne willen geven.

En spreek gij nu eens, kind-Jonathan! en zeg, hoe het met den man-Jonathanstaat? Begint gij u zelven reeds in hem te herkennen? Vindt gij allengskens in hem die trekken van nederigheid en liefde, van gehoorzaamheid en zuiverheid weder, die u eigen waren? O, ik wilde, dat ik die vraag met meer vrijmoedigheid doen durfde. Neen, het is nog niet in orde, niet waar? Hiér niet—en dáár niet—en[117]dáár niet!—Ik schaam mij over deze belijdenis. Maar ga gij slechts voort mij te leeren; dan zal ik wel verder komen. Even alsGarrick, die voor een portret staande, zijn gezicht zoo plooien kon tot hij er op geleek, wil ik met het oog op u het gelaat mijner ziele zoolang plooien, tot het uw gelijkenis draagt. Zoo hoop ik gereed te zijn, eer de Heer roept. Hij zal geduld met mij hebben, en mij niet van de school roepen, eer mijn opvoeding voltooid is, hoop ik.

En nu neem ik afscheid van u, schoon het mij moeite kost. Zeker, gij biedt een liefelijken aanblik aan. De kindsheid heeft haar eigen schoonheid; onschuld ligt als een hemelsche sluier over het aardsche beeld. Ook daarin is veel veranderd. Gij herkent mij zoo weinig als ik u. Maar ook dit zal weêr veranderen. Als eerst de ziel slechts wedergeboren en tot kinderlijke reinheid terug gebracht is, zal het lichaam wel volgen. Welk een vooruitzicht! Een nieuwe ziel in een nieuw lichaam! Beide, als de phenix, uit haar asch herboren; beide met onvergankelijke jeugd getooid! Lieve jongen! hoe gaare zou ik u eens in beeltenis aanschouwen, hoe gij er dan wel zult uitzien!.… Maar foei! ik zie, dat ik eerst nog wel van u leeren mag, mijn tijd geduldig af te wachten![118]


Back to IndexNext