EEN AFSCHEIDSBEZOEK.

[Inhoud]EEN AFSCHEIDSBEZOEK.Vervolg.Nog eens—Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.Editha—zeide ik straks—speel een lied! Zoo ze hier was, ze zou het kunnen; want waarlijk, daar, tegen den wand, staat haar piano, die mij zoo vaak voor huiselijke harp heeft gediend. En zeker, ze zou willen ook; want wanneer heeft de vriendelijke mij ooit iets geweigerd, waarop mijn hart gesteld was, indien zij het mij toestaan kon? De lieve zuster! die mij zoo vaak het woord op de lippen heeft gebracht:O zusterliefde is de edelste van allen;Daar mengt zich drift, noch teedre hartstocht in.Ik mag het met blijdschap erkennen: als ik het Album met zijn vele namen van vroeger en later ontslapenen aanzie, en daarbij de namen voege, die in dit Album zouden behooren, al staan zij er niet in, omdat ik op het laatste blad hetcetera desuntlees,—Godlof,Edithais nog in het land der levenden. Dàt stuk van mijn leven althans, dàt stuk van mijn hart is mij nog niet afgevorderd. Dit is voor het minst een troost. Want, ziet gij, na den moederschoot, die u het leven gaf, en den vaderschoot, waarop gij het eerst met verrukking ontvangen en met een welkomskus onthaald zijt geworden, is er geen dierbaarder plekje voor u, dan de heilige grond, waarop gij, aan hun voet, met uw eerste speelnootjes hebt gespeeld: na hun beeld geen liever gestalte, dan dat zwarte jongenskopje of dat blonde meisjeskrulhoofd, waaraan gij met de eerste streelingen van uw kleine vingers en de eerste kussen van uw eigen kleinen mond u in het eerste liefdebetoon geoefend hebt. Kinderen hebben altijd kinderen lief en zijn bij voorkeur met kinderen samen; maar dàt kind, of dèze kinderen!… ze hebben een eigen plaats in uw hart. Zijn ze niet als knoppen met u op denzelfden stam gegroeid? Hebben ze niet uit de lieve moederaarde denzelfden malschen zoeten dauw gedronken? Hebben ze den zonnestraal, die van den hemel op u en hen scheen, niet broederlijk en zusterlijk met u gedeeld? Het zou wel vreemd zijn, als de bloeddroppels in de aderen van het kind[154]dáár naast u niets voelden van de bloeddroppels in uwe aderen hier, daar ze toch uit ééne moederbron zijn gevloeid. Wel kan het zijn, en zal het waarschijnlijk zoo wezen, dat de verschillende sprankels uit die bron later ieder hun eigen weg gaan.Jonathanrechts,Edithalinks … maar al raken ze uit elkander, ze raken daarom niet van elkander af. Ze zijn twee helften van een schelp; ook als ze gescheiden zijn, roepen ze om elkander, en als ze weer samenkomen, zie! zie! ze passen op elkaâr alsof ze nooit van elkander geweest waren. Het is één stem in twee harten, de oudste stem van allen: de stem des bloeds.Zoo was het ons in lang verloopen dagen, waarvan de luite zong:Gij zijt mijn zuster. ’t Zacht geluidDer snaar, die in uw boezem trilde,Drong straks van uit de loofhut uit,Waarin gij ’t eerst zoo gaarn besluiten wilde.’k Huwde aan uw zang mijn eigen lied,En ’t kwam welhaast aan honderden ter ooren,Die naar den wildzang wilden hooren,Geneuried op mijn pijp van riet,HoeJonathangeen grooter schatOp aarde danEdithahad.Zoo bleef het ook later, na het uur van scheiding. Voorwaar, die scheiding was bitter, al was de reden zoet, maar die scheiding heeft niets gebroken. Het is toch met den band der liefde, als met den telegraafdraad. Hij is zoo lang, zoo lang, zoo lang … als de geheele wereld: hij doet des noods de reis rondom de wereld zonder te breken. Niet waar,Editha? dat hebben ook wij gevoeld; dat hebben ook wij ervaren. Wij hebben elkander nog lief. Anders dan vroeger? Voorzeker. Maar minder dan voorheen? Ik zou zeggen, nog meer. Naarmate de gelederen dunner worden, sluiten de overblijvenden zich dichter aaneen. Ik heb wel eens kanonniers zien exerceren: als dan de bevelhebber van het stuk kommandeert: No. 1 No. 4 No. 6 ontbreekt! treden die nommers uit, maar dan reiken ook terstond de anderen dubbel ijverig elkaâr de hand om de ledige plaatsen aan te vullen, en komen ze zoo altijd dichter bij elkaâr. Doen nu de soldaten zóó, bij dat leelijke werk van kanonnenladen, dat op het hart en het leven van hunne evennaasten doelt, zou dan de broederlijke liefde, bij haar werk, dat een werk des levens is, minder doen? Zouden de laatste Nommers elkander nog niet meer en liever helpen en steunen, naarmate er andere „Nommers ontbreken?” O voorzeker. Als vader en moeder niet meer zijn, zoeken de kinderen hun beeld op elkanders gelaat en in elkanders stem, en zoo goed het gaat, al gaat het niet volkomen, ze zoeken den weêrschijn van de uitgebluschte, neen! naar elders overgebrachte vlam in elkanders liefde terug te vinden. En daarom,Editha, geef mij de hand. Wij blijven elkander trouw, zoolang de lieve God ons samenlaat. Wij willen broeder en zuster blijven tot den einde: tot dat wij de een den[155]ander goeden nacht kussen in de tweede wieg, gelijk wij het zoo vaak in de eerste wieg hebben gedaan.En nu, uw piano! Ja, ik herken ze, het is nog het oude instrument: de oude Broadwood, waarop gij zoo vaak de reeds genoemdeDernièrepenséeen zoo menig ander lied voor mij hebt gespeeld. Ik weet wel, die liederen zijn uit de mode; men heeft nu andere muziek: of ze ook beter is? Ik heb het openlijk en rond verklaard: ik ben geen kenner; het zou mij dus allerminst passen, een oordeel te spreken. Maar er zijn knapper luî op dit punt, die ik wel eens in twijfel heb hooren trekken, of we, ook in dit opzicht, wel op den weg van vooruitgang zijn. Ze zeiden, maar ik zeg het niet, de verantwoording blijft voor hen—de kooi, waarin de zangvogel zit, zou nu mooier zijn, kostelijker van stof en fraaier van vorm, maar de zangvogel zou er niet op verbeterd wezen. Mij heugt, hoe ikAndersenmet eigen mond eens een sprookje van hem hoorde lezen van een Oostersch hof, waar men eerst een nachtegaal had, die voor den koning zong, en later een mechanischen kunstvogel, die geleerde liedjes speelde, maar hoe toch ten slotte … doch, het is waar, dat was in het Oosten, en wij wonen in een kouder klimaat: dat past dus niet op ons. Wij hebben dus geen recht om te vragen, of de muziek der Toekomst vanWagnerhet bijvoorbeeld vanWebermet zijn:Einsam binichnicht alleine, of zijn:Dernière penséewint? Ik stel mijn lezers voor, de beslissing van die vraag aan de Toekomst over te laten. Dan mogen mijnentwege de toekomstigePatti’senJenny LindsbovenWagnersgraf den triomfzang van de Polyhymnia der nieuwe kunst-eeuw uitvoeren!Éénding echter staat vast. Mocht ook de zangvogel in onze dagen minder rijk aan melodiën zijn, dan wel eens vroeger, omdat hij min of meer in den ruitijd is, geheel zwijgen, en nog meer, sterven zal hij niet. En gelukkig, dat het zoo is. Wij kunnen de schoone kunst vanJubalop onze arme, koude aarde met hare dissonanten niet missen. Die ons de uitvinding gaf, zal het ons aan de noodige hulpmiddelen tot haar gebruik wel nooit geheel laten ontbreken. Er is een stem, die in den mensch metJenny Lindsberoemd lied roept:Ich musz nun einmal singen!Luther wees aan de muziek, na de theologie, de eerste plaats onder de aan den mensch verleende goddelijke gaven toe. En dit moeten wij erkennen: Is in den laatsten tijd onze muziek niet beter geworden, wij zelven werden muzikaler dan voorheen.Sancta Ceciliais nu een der eerste santinnen van onzen almanak: zij geeft onder haren naam feesten in de Hoofdstad, waar het hart der kenners van verdaagt. Jonge heeren en dames neuriën en musiceeren uit den treuren; de liedertafels trekken met hunne banieren en medailles triumferende het land rond; zelfs den kinderen op de school wordt, naar een woord vanLuther, de wijsheid ingezongen: er zijnenthusiasten, die van de heerschende melomanie de hervorming des volks verwachten. En hoe kan het anders? Als er zooveel harmonie is in de lucht, die we indrinken, dan moet immers ons binnenste, dat daarmede[156]geheel vervuld wordt, zeker wel gansch en al harmonisch worden!…Hm! Hm! het kan zijn. Maar of ik er voor’shands veel van merk? zie, dat is een andere vraag. Tot nu toe althans heb ik niet kunnen vinden, dat de geblazen en gestreken harmonie tot liefelijke akkoorden en muzikale samenstemming in de gedachten en gevoelens der verschillende menschenkinderen heeft geleid. In dit opzicht heeft het diereningewand tot nu toe te vergeefs voor ons gezongen. Ik heb niet gehoord, dat de mooie Grenadier-concerten vanDunklerin het Haagsche bosch belet hebben, dat er onder de vaders des Volks op het Binnenhof nog al eens gekibbeld wordt. En ik weet niet, of het aan de Cecilia-feesten vanVerhulstin het Amsterdamsche Volks-paleis wel al gelukt is, om al de geleerde hoofden in het Trippenhuis op de zittingen der Koninklijke Akademie onder één hoed te brengen. Als ik met een zachte stem die bescheiden opmerking maak, heeft men mij wel eens te gemoet gevoerd, dat dan toch in elk geval de muziek, even als het orgel in de kerk, ons de goede dienst bewijst om de dissonanten, die het niet verhinderen of oplossen kan, te helpen dekken; en dat wil ik gaarne toegeven. Het is dan maar te hopen, dat de dissonanten hunne stemmen niet al te luid verheffen, zoodat ze de muziek, die ze moet helpen verdooven, overschreeuwen. Wie weet, wat de muziek der Toekomst doen zal? Misschien zal aan haar hand de klankladder vanUtremifasolde hemelladder worden, langs welke de mensch tot het bereiken van zijne bestemming langzaam wordt opgevoerd. Ik heb ergens gelezen, dat er menschen zijn, die naar een algemeene taal voor de gansche menschheid hebben gezocht, en daartoe de hulp van de viool hebben willen gebruiken: tot dusverre is dit niet gelukt. De taalverwarring, die van Babels toren dagteekent, duurt nog altijd voort: vraagt het de discipelen van de Burgerscholen maar, die nog altijd met zulk een inspanning zitten te zwoegen om de vreemde talen, die ze aanleeren moeten, onder de knie te krijgen! O welk een vreugde zou de uitvinding en invoering der algemeene taal onder de jeugdige kielendragers en kort-gejurkten verwekken! Welnu, misschien gaan wij er heen. Orfeus bouwde steden op de klanken van de citer; misschien is er een Orfeus der Toekomst aanstaande, die door zijnPaganini-viool de verdeelde, elkander kwalijk verstaande, met elkaâr twistende en kijvende menschheid in een groot concert van broederlijke en zusterlijke stemmen verandert en herschept. Men moet niet wanhopen.…pianowil zeggen zachtjes! en daarvan komt de derivatiepianissimo!En wederom:Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.—Een—twee—drie—vier—vijf—zes—zeven—ACHT! Daar slaat waarlijk mijn oude Huisklok acht uren. Welkom kameraad!—We hebben elkander in lang niet gezien. Ik heb u in[157]lang niet gehoord. Toch weet gij, of ik u lief heb gehad. Nog meer ik heb gemaakt dat ook anderen u lief kregen; ik heb zelfs eens een bezoek van een vriend gehad, die mij kwam vertellen, dat hij u een jongeren broêr gegeven had. Hij had een ouderwetsche klok gekocht, en die laten opmaken precies als gij, tot uw eigen opschrift toe:Una ex his hora mortis.Zoo zoudt gij op het laatst nog haast oktrooi moeten gaan vragen, en in den oprechten Haarlemmer een advertentie bij wijze van Waarschuwing tegen Namaak moeten plaatsen. Nu laat u namaken wie wil, als men dan ook de lessen maar navolgt, die gij zoo gereed en gewillig zijt aan uwe aandachtige en indachtige hoorders te geven. En dat hebt ge zeker ook blijven doen, al was ik daar niet om ze van u te ontvangen. Hoeveel tijd is er voorbijgegaan, sedert ik ze hier op dezen zelfden stoel van u ontving! Hoeveel malen hebt gij twaalf geslagen, twaalf uren op den dag en twaalf uren in den nacht, sedert ik, op het punt staande om van hier te gaan, uw wijzer vroeg, of het nog geen tijd was, en toen gij ja! zeidet, u een laatst Vaarwel toeriep. En sedert zijt gij daar altijd blijven staan, terwijl ik hier en daar rondzwierf, en mij met een plaatsvervanger van u zoo goed mogelijk behielp. En sedert zijt gij altijd even gelijkmatigunisonoblijven voorttikken: tik-tak! tik-tak! tik-tak! terwijl intusschen mijn hart menigmaal zoo onrustig sloeg en joeg. Ach, mijn goede Huisklok, zoo ik u dat vertellen kon! In Dertig jaar kan er door een menschenhart, welks ketting en veer niet van hard, stug metaal is, wat worden afgeleden, afgestreden, en afgebeden, waarvan een Huisklok aan den wand, en zelfs een zakuurwerk op de linkerborst, dat toch zoo dicht bij de levens- en gevoelsbron tikt, niets vermoedt. Maar ik zal ook niet pogen u dat te vertellen. Gij zoudt mij toch niet begrijpen. Hoe wild het ook daar buiten storme, bij u gaan de scheepjes van de geschilderde mechaniek op uw wijzerplaat altijd even kalm en effen heen en weêr. Als de horlogiemaker maar op het opwinden, en nu en dan op het schoonmaken past, raakt gij nooit van de wijs of uit de maat. Dertig jaren zijn in dit opzicht voor u als één dag.Dertig jaar. Mocht ik nu maar kunnen zeggen: Dertig jaar ouder—Dertig jaar wijzer—Dertig jaar beter. Dertig jaar dichter bij het graf—Dertig jaar dichter bij het doel. Maar, ach, mijn waarde tijdmeter, ik moet het met schaamte bekennen: Ik ben een vergetel hoorder,een traag discipel van u geweest. Ik heb er niet genoeg aan gedacht:Una ex his. De kleine wijzer van den Levenstijd heeft wel altijd trouw de ronde gedaan, maar de groote wijzer van den Plicht heeft de hare wel eens vergeten: hij stond wel eens stil, en haperde, terwijl zijn kleiner broeder altijd even trouw voortliep. Bij zulk een hapering kan men niet zeggen, dat een horlogie gelijk loopt! Ik ben geen wellust van het menschengeslacht, als wijlenTitus, maar dit toch heb ik met hem gemeen, dat ik ook nog al eens aan den avond van een dag heb uitgeroepen: ik heb een dag verloren. Als[158]ik van u een kerfstok wilde maken om zulke kwade dagen op te teekenen, zou uw lange kast veel te kort zijn. Zie, dat is een leelijk gebrek. Wij waarderen den kostelijken tijd niet genoeg. Wij laten de met goudkorrels bezwangerde rivier, den rijken Pactolus, langs ons heenvloeien, en bukken ons menigmaal niet eens om de goudkorrels op te zamelen, die de stroom met zich wegvoert. De Britsche denker had wel gelijk, die sprak: „Wij gelijken aan beelden van marmer in de tuinen, waarvan men fonteinen maakt. Uit hun lippen vloeit een helder water, dat voort- en doorloopt zonder ooit stil te staan, en het marmer is daar, lijdelijk, koud en geenerlei poging doende om den altijd doorgaanden stroomval tegen te houden.” Ach, ook ik zelf ben maar al te zeer zulk een bewegingloos beeld op de fontein des Tijds geweest, en zoo al de droppels, die zonder vrucht voor mij en anderen daarheen gevloeid zijn, in ééne kom samen vergaderd werden, welk een bassin zou daarmede worden gevuld! En zoo al die droppelen, die nu zoo eentoonig voortkletteren, een kenbare stem kregen om te verhalen wat ik in den loop dezes tijds gedaan en niet gedaan heb,—dan zou ik wenschen, dat die fontein deLetheware, en dat ik in haar water de vergetelheid van al dit lang verleden drinken kon. Maar, maar, het zal zoo niet zijn. Geen droppel vloeit naar beneden, die niet weêr zal opkomen, als een water-ader, die hier van de bergen stroomt, om ginds in het dal uit den grond weer op te komen en op te springen. Laat het zijn! Reeds vroeger, als ik u aanzag en, rekening met u hield, spraken wij samen van het groote Middel om het Tekort in eens menschen leven te helpen dekken. Gij hebt dertig malen gedurende mijn afwezen die zekere Drie slagen op zekeren Goeden dag geslagen, die herinnerden aan het grooteConsummatum est, dat der wereld den triomf van de wereldverzoenende liefde over de zonde en den dood verkondigde, en daarom mijn lieve Klok, tik voort! tik voort! Wij gaan den eenigen, eeuwigen goeden Vrijdag tegen, waarop niet alleen al wat te kort is zal worden aangevuld, maar ook al wat ten deele is zal worden volmaakt. Al gaan de dobberende scheepjes op uw wijzerplaat, niet voort, ze brengen ons toch naar die haven—de Goedereê, de Schoone haven van het eeuwig T’huis!En andermaal—Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.Ik zie de wanden van mijn studeercel rond, en ik vind daar, als vroeger, de ettelijke planken met boeken waarom in der tijd Judith mijn eenvoudig kamertje wel wat pompeus met den naam van Bibliotheek versierde. Daar staan ze, achter den groenen voorhang, die ze als eensanctumvan den voorhof van mijn kamer scheidt. Als ik ze nu aanzie, het is niet zonder een onwillekeurig gevoel van weemoed. Op een schilderijen-tentoonstelling hangt men boven het werk van een in den jongsten tijd ontslapen schilder een inmortellen-krans. Maar inderdaad, indien ik boven al de boeken der Auteurs, die in[159]het laatste Derdendeel der eeuw gestorven zijn,inmortellenkransen wilde ophangen, mijn boekenkas zou zelf iets van een bloemen-tentoonstelling krijgen.—Welnu, wat kwaad? Als de ééne Auteur sterft, komt een ander in de plaats. Om uw eigen beeld te gebruiken: Men roepe maar: „No. 1 ontbreekt!”.…—Meent gij dat? Ik wenschte, dat het waar ware. Maar reeds toen ik een jongen was, die „Bröder tot mijn pijn en Weijtingh voor mijn straf” kreeg, moest ik leeren:Consules fiunt quotanis—Consuls krijgt men alle jaren en Proconsuls ook er bij;Maar de Koning en de Dichter komt niet alle jaar als zij.De dichters groeien niet als despinaziein de lente of de bloemkool in den zomer, waarvan in den regel de oogst tamelijk wel te gelukken pleegt: in den hof der letterkunde heeft men nog al eens jaren van misgewas. Welkevruchtbaretijden heb ik in dit opzicht beleefd. Welk een tijdvak, waarin men in één jaar (1832) drie dichters alsGöthe, Walter ScottenBilderdijkverliezen kon! Toen had men er nog eentje voor ’t breken. Zulk een slag zou de groote Maaier nu met den besten wil niet kunnen slaan.Les rois s’en vont: dat geldt ook van de koningen der poezij. Eerst hadden we de koningen, toen de prinsen en nu—exceptis excipiendis,—zijn wij aan de grootvorsten, ja misschien nu en dan een kleinvorstje, of, dat op hetzelfde neêrkomt, een grootvorst van Luxemburg, het landje van ééne stad, er bij. Toen de koning van Frankrijk na den dood vanTurenneacht maarschalken in diens plaats benoemde, zeide men: De koning heeft zijn goudstuk tegen zilvergeld verwisseld. Dit geldt ook in onzen tijd, in den regel, van de munt, die op de poëtische pers geslagen wordt.… In vredes naam, als het niet anders kan! als dan het zilver maar echt zilver blijft, en geen Russisch zilver wordt!Toch is het een gebrek, dat gevoeld wordt. Aardappelennood valt zeker moeielijker te dragen, dan dichternood; maar een nood is het toch. Het is smartelijk, als men de jaren beleefd heeft, dat er bijna ieder nieuw jaar een nieuw groot dichter bij de overigen kwam, dat men nu den eenen dichttroon nadeanderen ziet ledig worden, zonder dat erlegitiemeopvolgers zijn om ze te vervullen, naar den regel:Le roi est mort! Vive le roi!—Jean Paulverhaalt een anekdote, die hier te pas komt. De PrinsVan Esterhazyhad zijn geheele muziekkapel, enHaydnals kapelmeester afgedankt. Dien ten gevolge componeerde deze een muziekstuk, waarin elkmuzikant, de een na den ander, een solo speelde en aan het einde er van den blaker op zijn muziek-lessenaar uitdoofde en wegging. Zoo verdween het eene lichtje en het eene instrument na het andere, en eindelijk bleef het orkest geheel stom. Ik heb aan dat verhaal wel eens gedacht, toen ikBilderdijk, en naBilderdijk Loots, en naLoots Staring, en naStaring Tollens, en naTollens Da Costa, en naDa Costa Van Lennepzag aftreden, en voor de meesten te vergeefs naar een plaatsbekleeder, en dat vooral[160]onder de jongeren, zocht. Toch willen we niet ondankbaar worden: stom is ons orkest gelukkig nog niet; er klinken nog eerste violen, al zijn ze schaarsch. Mocht het nu gaan als bijHaydnte Weenen,waar de Prins berouw kreeg van zijn besluit en de afgedankte kapel weêr aanstelde. Toen kwamen, in de omgekeerde orde, al de lichtjes en al de muziek-instrumenten één voor één weer terug.…Va-t-en voir s’ils viennent, Jean,Va-t-en voir s’ils viennent!Het is waar, men heeft één troost: denzelfden troost, dien men mij ook op het punt der muziek aanbood; dat schijnt op dit gebied „de troost der armen” (de bekende balsem) te zijn. Groote dichters heeft men nu minder dan vroeger, maar daar staat één voordeel tegenover. De poezij is in onze dagen meer gemeengoed geworden. De taal, de stijl der goede Auteurs, ook over andere, soms de meest afgetrokken onderwerpen, is dichterlijker geworden,HumboldtsKosmos is, ookliterarisch, een meesterstuk: dat zag men vroeger zoo niet. Zelfs over den goeden conversatie-toon ligt een meer poëtisch waas dan voorheen.—Ik wil het niet geheel ontkennen. Maar de troost is schraal. De honderdduizend boterbloempjes in het gras voldoen mij niet, wanneer ik, als bloemen-liefhebber, eens een schoone camelia of azalia of puike stamroos zou willen hebben. Ik geef vijfhonderd tjilpende musschen voor een enkelen nachtegaal.Zelfs dat de poezij voor sommigen min of meer een artikel van mode geworden is, kan mij niet geheel voldoen. Twee dingen, lieve jufvrouw, ik weet het, zijn in onze dagen voor een modieuse Dame onmisbaar: een Album metvisite-portrettenen een Poezijboek, vooral een Poezijboek, roodfluweel, met verguld slot en verguld op sneê! En dan van binnen tal van Versjes, met lange dunne letters van Engelsch model met bleeke inkt half leesbaar geschreven, sentimenteel tot in het schrift! En de inhoud: luttel Hollandsch, maar Fransch, en Duitsch, en Engelsch, vooral Engelsch, dat lieve Engelsch! En als men er dan een handschrift van een heuschen dichter, van „mijn dichter” bij krijgen kan, dat verhoogt de waarde van zulk een verzameling ontzaggelijk: dat is of men zijn kleed of hoed onmiddelijk uit de eerste hand, uit Parijs, kreeg.Ik moet erkennen: het is vleiend voor de betrokken poëten; maar of er nu de poezij zelf, of de geest en geestdrift voor poezij in den boezem des volks bij die Album-manie veel wint,—ik zou het niet durven verzekeren. En zie, dat is toch noodig. Ik gaf het reeds vroeger te kennen: Poezij beantwoordt aan een ingeschapen trek en behoefte in de natuur van den normalen mensch. Laat de bekende mathematicus bij het zien opvoeren derFedravanRacinevragen: wat dat bewijst? Uw vraag, o wijsgeer! bewijst dat gij een cijferbord zijt, waarbij het stuk krijt in het bakje, bij gebrek van beter, de plaats van hart vervult. Het meerendeel der menschen is anders gemaakt. De mensch leeft niet alleen van brood; zoo kan ook een ziel niet alleen[161]van proza leven. Ik heb een harp in mijn keel; als die bespeeld wordt, komt er een geluid, dat men in de wandeling de Stem heet. Maar ik heb ook een harp in mijn boezem; als die getokkeld wordt, komt er ook een geluid, en dat heet men Poezij. Nu kan ik de harp daarbinnen wel tot zwijgen doemen.… o ja! evengoed, als ik eens in een Trappisten-klooster een menigte monnikken zag, die niet alleen schoon linnen en warme spijs, maar ook devox humanaop de lijst derobjets de luxehadden gebracht, waarvan ze zich, ten genoegen van de engelen en den hemel, liever passeerden. Maar, ziet gij, als ik zoo handel, doe ik mijn aanleg en natuur te kort, en zulk een verminking blijft dan ook niet ongewroken. De mensch, die de Poezij als een overtolligheid afschaft, is als iemand die een vogel kortwiekt. Och ja, uw uitvlieg-duif blijft nu wel op de binnenplaats, mijn lieve kleine vriend! en hij leeft alleen van de duivenboonen die gij hem geeft, en geen nijdig buurman kan nu uw mooi exemplaar in zijn kooi opvangen: maar—nu is ook uw duif geen uitvliegduif meer, dan titulair, en de prachtige vogel, dien God geschapen heeft om meê de blauwe lucht te doorstreven en te doorzweven, te bevolken en te bezielen, is een arme invalide op zwart zaad geworden, waarop de dikgepropte doffer van uw buurman, als hij triomfeerend den hemel doorklieft, met deernis of verachting neerziet. We kunnen alles wat in ons met den hoogeren, beteren, etherischen mensch in verband staat wel afdanken en op pensioen zetten; dat kunstje wordt helaas! in onzen tijd genoeg geleerd en geoefend; maar men noeme zich dan ook geen kompleet mensch meer.Die halben und die ganzen, zei iemand in onzen tijd. Ja, als er minder „halve” menschen waren! Dan.…Maar ik hoor nog een excuus, voor en door de kinderen onzes tijds ingebracht.—De tijd deugt er niet voor. Het is in onze dagen te druk, te woelig, te volhandig! Er wordt te veel in het bosch geschoten: daarom kunnen de nachtegalen niet zingen.—Ei zoo? Dus; de meestpoëtischetijden zijn die, waarin de tempel van Janus gesloten is? de tijden, waarin demenschheid, als de wijn, die belegen moet zijn, in de vaten op den droesem rust? de tijden, waarin de Jansalies het roer in handen hebben en al de kippen op stok zijn? Dit had ik niet gedacht. Ik blijf ook nog wel een weinig twijfelen. De historie althans schijnt er anders over te denken. Er is een eeuw geweest, die men, evenals men de eeuw van Saturnus de gouden, zoo deze „de groote eeuw” noemde; welke was die eeuw? Het was de eeuw in Frankrijk, waarin de Zonnekoning regeerde; waarinTurenne, enCondé, en andere reuzen der krijgskunst meer, veldslag op veldslag wonnen, enColbertden handel van zijn volk, met de zich steeds vermeerderende zeilen der schepen, steeds nieuwe vleugelen aanbond. Maar zie dat was—toevallig? ook dezelfde eeuw, waarinCorneilleenRacinezongen,Boileaude wetten op den zangberg gaf,Pascalzijn gulden wijsheid tot goudstukken vermuntte, enBossuetenBourdalouestemmen uit de hoogte deden hooren, die het kolossale paleis[162]van Versailles op zijn grondslagen deden daveren.—Had de Vrijheidskrijg van 1813 zijnenKörnerniet? Van waar dan, dat men in den jongsten oorlog te vergeefs naar den Tyrteus uitzag, die bij zulk een voorbeeldeloozen kamp niet scheen te mogen ontbreken? De driehonderdLieder der Schutz und der Trutztoch, waarmeê de Germanen elkander zoo goed mogelijk hebben opgewonden, kunnen even weinig voor een Ilias van dezen krijg gelden, als de houten theater-ballen, waarmeê Victor Hugo voor zijne Franschen den oorlogsdonder zocht na te maken. Het is gelukkig voor de Duitschers, dat de Krupp-kanonnen krachtiger taal spreken; anders zouden Sedan en Metz, Straatsburg en Parijs niet gevallen zijn!Men vergunne mij dit elegietje op denChute des feuillesvan den laurierboom der schoonste kunst. Misschien is het wel een weinig eenoratio pro domo; misschien pleit ik min of meer voor eenfamiliebelang; ik geloof werkelijk, dat ik een verren neef onder de dichters heb. Maar ik geloof toch ook, dat er bij mij nog iets anders, iets beters bij komt. Ik geloof waarlijk, dat de menschheid behoefte aan poëzij, en wel aan waarachtige, verhevene, groote poëzij heeft.Thorwaldsenheeft eens een basrelief gemaakt met het opschriftA genio lumen. Het vertoont een vrouw, die bij een altaar zit, en die een uil en een lier aan de voeten heeft: een voorstelling van het genie. Alle eerbied nu voor den uil, die als de vogel van Minerva de Wetenschap moet voorstellen. Ik weet, dat we zonder uilen niet kunnen. Maar als ik u verzoeken mag, als gij u zoo bukt om den uil te streelen, trap dan bij vergissing de lier niet stuk! Hoe zou ik anders kunnen zeggen: Waak op, gij harp en luit! Victor Hugo! eens te rechtVictor, Overwinnaar, geheeten! Ik bid u, laat nu deTravailleurs de la mereens een weinig op hun eigen hand travailleeren, en grijp gij de gouden citer—gij zit toch nu niet meer aan de wateren Babels, aan de oevers van den stroom eener droevige ballingschap—grijp de citer, en zing ons een gouden lied, als in uw gulden tijd. Laatonsnog eens hooren:Ce qu’on entend sur la montagne. Laat ons nog eens hooren, hoe uw prachtige KlokChante l’amour au coeur et le blasphême au front!En! opdat dit geschiede, genius der kunst! giet olie in de albasten vaas, die de Muze u voorhoudt …A genio lumen.Nogmaals—Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.Ei zoo.… Gij daar ook nog, mijn portret? Beeld mijner kindsheid, miniatuur-exemplaar van den tegenwoordigenJonathan! O zeker, u ziende, gedenk ik aan de dagen van ouds. Toen ik vroeger evenzoo[163]voor u stond, en u mijn kleine meditatie wijdde, was er tusschen u en den toenmaligenJonathanreeds verschil genoeg. Dat verschil is sedert nog grooter geworden. Een leeuwerik onder de zangeressen uit den vreemde, (schoon tamelijk in de buurt; het is eene Vlaamsche, die niet voor nietRosalie Lovelingheet), heeft het gevoel, uit het gezicht van zulk een gedaante-verandering geboren, aardig uitgedrukt:In grootmoeders kamer, daar hangt het beeldUit hare kinderjaren:Een lachend mondje, peerlenoog,En bruine kroezelharen.De kinderen stonden en staarden ’t aan,En ’t een zeî aan het ander:„Och, waar’ dat schoone kindje hier,Wij speelden met malkander.”En de oude in haar leunstoel met bril en toer,Keek op bij deze rede:„Wie zou dat schoone kindje zijn?.…Gij speelt er altijd mede.”Inderdaad, de vergissing der kinderen is verschoonlijk: het onderscheid is ook zoo erg groot! En laat dat zoo zijn! Oud te worden, is geen kwaad, als maar niet alles aan ons en in ons te gelijk mede oud wordt. En dat is niet noodig. De dichterTegnerheeft ergens gezegd, dat de ouderdom sneeuw strooit, niet alleen in het haar, maar ook in het hart. Zou dat regel zijn? Als er sneeuw op een vulkanischen grond valt, smelt ze: dat kan de Etna leeren. Misschien is het, omdat mijn hart wat warm van temperatuur is uitgevallen, dat ik van de sneeuw in het binnenste nog niet veel merk.Schleiermacheris de eenige niet, die zich zelven beloofde, dat hij, oud wordende, jong zou blijven,—en woord hield. Er zijn dwergen, die dezen reus dit hebben nagedaan, door ’s mans zevenmijlslaarzen aan hun kleine voeten te doen.Ja, er is een middel—ik sprak er reeds vroeger van—om ouderdom en jeugd in één zelfden mensch te vereenigen, zooals de oranjeboom aan één stam het groene blad, den zilveren bloesem en de gouden vrucht draagt. Een dichter zong er van:Eenmaal wordt het kind een man,Die veel trefflijks wil en kan;Eenmaal wordt de man een kind,Zwak zooals men kindren vindt!Waart gij lang een kind van God,Grijsaard-Kind! dan heil uw lot![164]Grijsaard-Kind. Een eigenaardige combinatie, die mij denken doet aan de bekende Kind-Vrouw uit denDavid CopperfieldvanDickens. Nu, wat het grijsaard-worden aangaat, daaraan heeft het bij mij niet ontbroken. Een groene grijsheid—zegt men—een spar onder de sneeuw;—ik verzeker u, dat er sneeuw op de bladen ligt! Maar nu de andere helft: het Kind in den Grijsaard,Jonathan, hoe staat het daarmeê?Hoort eens, lieve menschen, ik zit hier niet in den biechtstoel. Daar zijn dingen, die men liefst alleen, of nog beter onder vier oogen afdoet. Maar die andere twee oogen, die ik daarbij tegenover mij wensch, zijn de uwe niet. Intusschen, dit kan en mag en wil ik u wel zeggen: het Grijzen is makkelijker en voorspoediger gegaan, dan het Kind worden. Het is daarmeê als met het op- en afklimmen van een berg. Het afklimmen gaat rad genoeg ja, het gaat van zelf; maar het opstijgen! En Kind, in den besten en hoogsten zin Kind te worden, is eene opstijging, erger dan tegen den Montblanc. En geen wonder! Het gaat ook naareenMontblanc, den Witten berg der volmaakte en vlekkelooze heiligheid, op welks top, even als het licht van den zon in den morgen op den Zwitzerschen berg, het groote eeuwige Licht, waarin gansch geen duisternis is, woont. Nu, ziet gij, zulk een bergreis gaat met groote moeite en inspanning gepaard. Het heeft wel iets van den gang van sommige bedevaartreizigers naar Jeruzalem, die soms, bij wijze van vrijwillige zelfmarteling, telkens na twee stappen voorwaarts weer éénen achterwaarts deden. Of wilt gij een nationaal beeld? Denkt aan den tijd, toen gij als kinderen tegen de een of andere duin op zoudt klimmen, en gedurig met het zand, dat gij pas en met moeite bestegen hadt, naar beneden kruidet! Ach, als gij zondag een goeden stap voorwaarts hebt gedaan, komt maandag, en dinsdag alles bederven, en ’s woensdags daarop is het, of het weer de vorige zaterdag ware. Waarlijk, er is volharding en moed toe noodig om den strijd niet op te geven.Toch willen wij dit met Gods hulp niet doen. Daarvoor voelen wij ons te sterk in de belofte: Hij heeft ons macht gegeven, kinderen Godts te worden.—Kinderrang bij kinderzin. Het is beloofd. Het zal geschieden. Het kan geschieden. Het is mogelijk, al is het ook moeielijk, al is het ook wonderbaar. Van wonderen gesproken,—de klassieke dichterOvidiusheeft een heel boek vol geschreven, waarin hij van niets dan van metamorfosen verhaalt. Menschen worden boomen, vogels, en wat niet al meer. Maar als ik van die mirakelen lees, blijf ik er koud bij: het zijn immers maar fabelen? Het is alles mythologie. Maar als de Heilige schrift van mannen en vrouwen, ja, zelfs van ouden van dagen spreekt, die kinderen worden—zie, zoo waar God leeft, dat is geen fabel, geen mythe, dat is een feit! Zoo waar ik leef, ik weet dat het een feit is; ik heb het gezien.Een schoon gezicht—om hetwelk te aanschouwen de engelen gaarne den hemel verlaten—die gedaante-verandering van den volwassen mensch, dieeenkind wordt! En zooveel te schooner, naarmate[165]het zielsgelaaat van dien mensch door de werking der zonde meer verdorven, meer verouderd en leelijker gemaakt was. Als men u toen gevraagd had: kan die akelige Kains-tronie nog weer een lief, onnoozel Abelsgezicht worden, zooals deze er uitzag, toen hij nog levend en blozend als een kind op zijn moeders schoot lag, of ook, toen hij in zijn tweeden en laatsten slaap, met een lachje op het gelaat, door zijn moeder in de armen genomen werd om tot de groote rust gebed te worden? dan zoudt gij geneigd zijn geweest uit te roepen: Onmogelijk! En gij zoudt recht hebben gesproken: dat is ook onmogelijk—althans bij de menschen is het onmogelijk.Adamkan het niet, enEvakan het niet, enAbelzelf uit zich zelven kan het ook niet; er is geen enkel Adamskind, die het kan! Maar wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God,—als God het wil, en dìt wil God. Hij wil, dat menschen zalig worden, en tot die zaligheid voert geene andere weg, dan door de tweede kindsheid heen, die wij het kindschap Gods noemen. Om het wonder dier herschepping tebewerkstelligen, beschikt hij over goddelijke krachten en gaven. Is het vreemd? Men verhaalt vanRubbens, dat hij, met een penseelstreek of wat, een schreiende in een lachende tronie op zijn paneel veranderen kon; zou de hand, dieRubbensdit schildergenie in den boezem gaf, niet iets dergelijks bij zijn maaksel vermogen? God heeft uit een handvol klei eenen mensch gebootst; zou hij nu den misvormden, verbasterden en ontaarden mensch niet weer tot een nieuwen en reinen mensch kunnen hervormen? Het is zoo: de bewerking is nog zwaarder. Want de doode klei was lijdelijk in de hand des Pottebakkers; maar de levende aardmensch, in wien de klei van beneden vaak over den geest van boven heerscht, is weêrstrevig en weêrspannig, en maakt den grooten kunstenaar soms moeite genoeg. Maar toch, als er eens een begin met het groote werk is gemaakt, o! het gaat. Het gaat langzaam, maar het gaat. Het gaat moeielijk, maar het gaat. Hier een vlek weggewischt, daar een rimpel weggestreken, elders een lach of een blosje aangebracht—het gaat. Zie, het wordt reeds een geheel ander voorkomen. Het hangend hoofd heft zich op, en het matte oog begint te glinsteren, en het ruwe vel wordt glad, en het onrustig jagende hart wordt stil, stil—zegt de Psalmist—als een kind bij zijn moeder.… en dat is niet de eenige kindertrek! Het kinderlijke komt gedurig meer boven, en uit, en door.… Ik las ergens van een volksgeloof, volgens ’t welke een mensch, als hij gestorven is, het gelaat van zijn vroegere kindsheid weêr aanneemt…dat is een legende. Maar dat Christenen, hoe ouder ze worden, temeer op kinderen beginnen te gelijken, ja, telkens meer kind zijn.… dat is geen legende. Dat is een feit. Ik heb het gezien en ik zie het aan mij zelven, helpe God! Met zijne hulp zie ik het eens in zijn gansche volheid en volkomenheid.Wanneer?Ik zie er mijn portret op aan, maar ik krijg geen antwoord. Mijn moeder heeft mij bij mijn geboorte den horoskoop niet laten trekken.[166]Er is dus zelfs niet naar geraden, hoe oud ik wel worden zou. Nu, in zekeren zin is dat ook onverschillig. Het aardsche leven is altoos een korte ketting, waaraan het op een schalm of wat meer of minder niet aankomt, daar zij toch bestemd is spoedig te breken. Anders is het gelegen met het hemelsche leven, de keten die nooit breekt. Dat is als de keten van den telegraaf, die onder rivieren en stroomen door, en zoo ook door de Jordaan des doods heenloopt, en den Nebo aan deze zijde aan de kust van de Palmstad aan den anderen kant verbindt. O wat het zijn moet, op dien anderen oever te komen, en dan het strand te kussen, en daarna opgerezen in den kristallen stroom zijn eigen beeld te zien, en zichzelven zoo weinig te herkennen, als ik mij nu in dit kinderportretje herken.… welk een verwachting! Toen men in der tijd dit kindje wel eens vroeg: hoe groot zult ge worden? hief het wicht de kleine armpjes omhoog, zoo hoog hij kon, maar altijd veel te laag.… het kleine schepsel! het kon niet hooger. Maar vraag nu het kind van God eens: Hoe groot zult gij worden? Lieve menschen! dat kan hij u nog minder toonen: want dat is zóó groot, zóó groot, dat men gaat duizelen, alleen van het zich te verbeelden. Bedenk dat er geschreven staat:ze sullen Hem gelijck wesen.En dat alles, het ligt nu vóór ons, recht vóór ons, dicht vóór ons—wie weet, hoe dicht? Zonderling, dat die gedachte ons niet meer verblijdt. Ik weet nog, hoe het mij te moede was, toen ik het eerst den Montblanc zou gaan zien.… ik was de wereld te rijk! en ik heb hem gezien en uitgeroepen: schoon, schooner, veel schooner, dan ik mij had verbeeld! Maar nu dien anderen Montblanc te zien, en niet alleen te zien, maar ook te bestijgen, en niet alleen te bestijgen, maar ook blijvend te bewonen. Gelukkiger danDe Saussureen zijne navolgers, die na een kort verblijf op de hoogte weer naar beneden moesten in het Dal, in den herberg, en bij de morsige wateren van de Arve, die door de Chamounix-vallei stroomt. Nog eens, hoe kan het zijn, dat het ons zoo koel laat? Nu zou ik toch haast weêr zeggen, dat de sneeuw niet alleen op het haar ligt. Wat er aan te doen? Nog eens een blik op den Kind-Grijsaard des dichters, met zijn schoon verleden en nog schooner toekomst:Ik ken twee schoone dalen,Waarop ik blik met stille vreugd:Het eene vol bloesem en stralen,Is ’t groene veld der jeugd.Het eene is doorgetogen!En schemert reeds in ’t wijd verleên:Toch wendt er de Grijsaard zijn oogenMet dank’bre blijdschap heen.Het tweede ligt daarboven!Dáár storm, nog sneeuw, noch winterwee!Maar eeuwige gaarden en hoven,Aan kristallijnen zee.[167]Wel tintelen en bloeienDe bloemen uit mijn jeugd nog schoon.Maar die uit den Hemelhof gloeienWel driemaal dubbel schoon!Kind! kind! welke gezichten! welke uitzichten! O dat het nu ook waar worde:„Wie zou dat schoone kindje zijn?Gij speelt er altijd mede!”Ten laatsten maal—Er kwam verandring in ’t gezicht mijn drooms.Nog eens hervat ik mijn Reize door mijn kamer, ik sla mijn oogen her- en derwaarts in ’t rond. Zoo valt mijn oog op wat ik mijn Stamboom noemde: op mijn erentfesten Bijbel op zijn ouderwetschen lezenaar. Mijn stamboom; als behelzende op zijn eerste bladzijde de volglijst mijner Voorouders, mijn Genesis X, waaraan, door de hand der mijnen, een en andermaal een soortgelijke aanteekening, als in dat kapittel zoo menigmaal voorkomt is toegevoegd:„Deze en die werd geboren, gewon kinderen, en stierf.” Hier zie ik ze weer: de namen van mijne vaderen, van den eersten, dien we kennen,totmijn eigen lieven vader en moeder toe, en onderaan het open plaatsje voorJonathan… dat nog open is. Tot hoe lang? … neen, dat willen we niet andermaal gaan vragen.Éénding is zeker. Ik vergeleek mijn stamboom met Genesis X; maar dat geldt allerminst van de getallen. Die zijn voor het minst gedecimeerd. In die dagen was zeven, achthonderd jaar een gewone leeftijd. Mozes hield er reeds een andere rekening op na:Aangaende de dagen onser jaren, daarin zijn seventig jaer, of zoo wij seer sterk zijn, tachtentig jaer—Jonathan, hoort gij het?Laat het zoo wezen.Jonathanworde ouder en ouder, zoodat het witte graan om den zeis roept, de oogstdag zal welkom zijn. En wel beschouwd, wat doet het er ook toe, of de namen op het schutblad van den Bijbel een jaar of wat meer of minder achter zich tellen, als de Bijbel zelf, waaraan ze als vastgehecht en waarmeê ze verbonden zijn, maar jong, maar eeuwig jong is en blijft!En dat blijft hij!Zie, daar ligt hij voor mij. Wij zien elkander na lange scheiding weêr. Hoe zien wij elkander? Hij vindt mij vrij wat veranderd: de Tijd schreef in rimpelen zijn voortgangen op mijn voorhoofd aan; ja ze staan, als op iederen van mijn gelaatstrekken, op elke van mijn lichaamsleden te lezen! Hoe geheel anders met hem. Hij altijd dezelfde. Ook uitwendig, in den sterken juchtlederen band, de soliede koperen[168]sloten, het stevige, degelijke, deugdelijke ouderwetsche papier met den kloeken zwarten letter, en de platen vanLuyken, bijna even duurzaam als het koper waarin ze eens gegraveerd zijn. Maar ook inwendig, in den inhoud. Ook daarvan geldt ten volle: „Niet verouderd!”Welk een verschil tusschen hem en mij!Ik las onlangs een bijzonderheid uit het leven vanAlexander van Humboldt, die mij trof. Toen hij als jongeling met zijn vriendBonplandin Zuid-Amerika reisde, zag hij een boom,Saman del Guere—meen ik—geheeten: een waren reuzenboom, in al zijn pracht, macht en kracht. Zestig jaren daarna, in 1858, bracht hem een reiziger, die uit die streken kwam, een gelijkende fotografie van dien boom mede. Dat gezicht deed hem aan. Naar de teekening te oordeelen, was die boom nog volmaakt dezelfde als in 1798. De stam even hoog, vast en recht; de kroon even breed en rijk; de takken even overvloedig, weelderig en schilderachtig naar alle zijden uitgebreid; de bladeren even rijk frisch en groen; de bloemen- en vruchtenschat even kleurig en welig. Toen werdAlexanderbedroefd. „Die boom nog geheel onveranderd, terwijlBonplandlang dood is, en ik een oud man aan den rand van ’t graf! Wat is er nu van die vlucht van jeugdigenthusiasme, die mij en mijn reisgenoot toenmaals bezielde, en ons met onze gedachten en plannen hoog boven de hooge kruin van dien reuzenboom, ja, van de hemelhooge bergen daarachter en rondom, opstijgen deed!…”Maar genoeg, gij hebt mij reeds begrepen. WatAlexandervoelde tegenover de afbeelding van zijnen langlevenden boom, gevoelt de verouderdeJonathan, staande tegenover zijnen altijd jongen Bijbel. Alleen maar, de aard van de daardoor opgewekte gewaarwording verschilt.Humboldtwerd droevig, ik gevoel mij gelukkig en blijde. Geen wonder: de jeugd van zijnen boom kon zich aan hem niet meêdeelen: maar de onveranderlijkheid van onzen Bijbel waarborgt ons onze onsterfelijkheid, onze eeuwige geestelijke jeugd. Daarom roemen wij:Alle vleesch is als gras, en alle heerlickheyt des menschen als een bloeme des gras. Het gras is verdorret en sijne bloeme is afgevallen: maar het woordt des Heeren blijft in der eeuwigheid.Ja, het Woord blijft. Jaarhonderden en jaarduizenden zijn dáár, om hettestaven; ook het laatste jaarhonderd is daarvan een getuige te meer. Dat tijdvak toch is voor mijnen Bijbel niet al te goed geweest. Vreeselijke stormen en orkanen, o gij, woudkoning in den vreemde, gij machtigesaman-boom! zullen in den loop van die zestig jaren, van 1798 tot 1858, over uw kruin zijn heengevaren; ontzettende onweders zullen uw stam hebben bedreigd, en misschien ook wel vreeselijke aardbevingen uwe wortelen hebben geschokt en geschud; maar gij zijt staande gebleven, altijd jong, altijd sterk, altijd groen, altijd vruchtbaar! Welnu, niet anders deze Bijbel! Ook over hem heeft een Pinksterstorm, gelijk wij er een in 1860 beleefden, die de grootste en sterkste eiken ontwortelde en nederwierp, wat zeg ik? onderscheiden zulke Pinksterstormen[169]zijn over zijn hoofd heengegaan, en hebben getracht hem te knakken of neêr te slaan; maar het is niet gelukt. Hij heeft geen blad verloren, geen bloesem laten vallen, geen vrucht afgeschud.… hij staat daar altijd even krachtig en bloeiend, en als gij hem nadert, reeds van verre waait u uit zijne bladeren een geur des levens te gemoet!…Men zou zeggen: maar wie heeft dan zulke stormen en onweders tegen dit beste der Boeken verwekt? Kan het zijn? Hebben dat de menschen gedaan? En waarom? Wat dan, o mijn Bijbel, wat hebt gij den menschen gedaan, dat velen uit hen u zoo gram konden zijn, en u zoo gaarne zouden verbrand, verscheurd, of voor het minst verminkt hebben, zoo ze hadden gekonnen?Wat gij den menschen gedaan hebt? Dat is spoedig gezegd. Gij hebt ook in het jongst-verloopen tijdvak, ook in de laatste zestig jaren hebt gij duizenden, en tien- en honderdduizenden onder de menschen geleerd, gij hebt ze gesticht, gij hebt ze getroost, gij hebt ze gesterkt: gij hebt wonden gebalsemd, gij hebt rimpels glad gestreken, gij hebt tranen gedroogd. Toen er ten vorige jare oorlog was, was het als een hemelsche verschijning, als er in de hospitalen, waar de gewonden lagen, een broeder of een zuster van het Roode Kruis kwam, met een zachte hand, en een zacht verband, en een verzachtenden balsem in de vingers, en vooral met een zachte stem, die opbeuring en vertroosting sprak tot de verslagenen naar het lichaam en de verslagenen naar den geest. Maar wat die barmhartige Samaritanen onder de menschen in zwakheid hebben beproefd, dat hebt gij, o hemelsche Samaritaan des goddelijken Woords! in kracht beoefend en volbracht. Gij hebt in het groote hospitaal des menschelijken levens, waar de zichtbare, maar vooral de onzichtbare wonden niet te tellen zijn, gij hebt daar al wat krank, en zwak, en lijdende, en geknakt en gebroken was geheeld en gesteund; gij zijt dien mannen van krankheid en smart, dien kinderen der zonde en des doods, een engel der vertroosting en des levens geweest: gij hebt u dienBenoni’seenBenjamin, een zoon der Rechterhand getoond! O hoe zal men er u ooit genoeg voor danken? hoe zal men er u voor begroeten en zegenen: Gezegend gij die komt in den naam des Heeren!…Maar neen! neen! Alzoo, o mijn Bijbel! is het u van velen niet gegaan. Veeleer het tegendeel. Iemand heeft een verhaal aangaande u geschreven: De geschiedenis van het Boek. Maar indien men die geschiedenis raadpleegt, dan ziet men dat weinige lijders in deze negentiende eeuw moeielijker dagen hebben beleefd, dan gij; ja, zoo moeielijk, dat het ons soms wonder dunkt, dat gij er het leven afgebracht hebt; hoeveel meer, dat aan u de belofte ten volle vervuld is: Geen been van hem sal verbroken worden.Inderdaad! het is een zware strijd, die in onze dagen op het groote slagveld des geestes gestreden wordt. Op een van de heerlijke zes fresco’s vanKaulbachin het nieuwe museum te Berlijn, voorstellende zes hoofdtijdperken uit de Algemeene geschiedenis der menschheid, heeft[170]de schilder de zegepraal des Christendoms over het Heidendom afgebeeld. Het tafereel geeft u een blik te slaan op het slagveld van den slag, in de velden vanCataloniëtusschen Theodorik en Attila geleverd. Het is een geniale greep! Beneden ziet men het slagveld zelf met zijne gewonden en dooden. Maar niet alleen beneden, ook daarboven is er strijd. Uitgaande van de legende, dat men nog dagen daarna krijgsgerucht in de lucht zou hebben gehoord, ontleent de schilder daaraan een schoone dichterlijke gedachte. De geesten zetten daarboven in de lucht den strijd voort, dien de lichamen der verslagenen beneden hebben moeten opgeven. Welnu, een dergelijke geestenslag heeft ook in onzen tijd plaats. Wie ooren heeft om te hooren, hoort het geklikklak der zwaarden in de lucht. Wat zal de uitkomst zijn? Dat vraagt niemand die gelooft. Wij zijn als Eliza. Wij zien en hooren de legers van onzen grooten Bondgenoot in de lucht, en roemen als hij: Wie met ons is is meer, dan die tegen ons zijn. Wij zijn vóór het einde van den slag der victorie zeker. Toen de Fransch-Duitsche oorlog van 1870 begon, riepen de Franschen; naar Berlijn! de Duitschers; naar Parijs! Dat was bij den een grootspraak, bij den ander anticipatie, bij beiden overmoed. De een had Parijs wel niet kunnen, de ander heeft Berlijn niet mogen zien. Maar als wij in den grooten geestenslag tusschen licht en duisternis, tusschen de wereld en het geloof dat de wereld overwint, bij voorraad en voorbaat uitroepen: Naar Jeruzalem! Naar het Nieuw Jeruzalem! dan weten wij, dat wij er komen zullen. Hij, die niet liegen kan, deWaarachtigeen Almachtige heeft het gezegd. Het bulletin is reeds geschreven: het is in de Apocalyps geboekt.Dit neemt evenwel niet weg, dat voor een hart, dat dezen strijd aanziet, dat aan dezen strijd deelneemt, de dagen boos en hachelijk genoeg zijn. Een man, die recht van medespreken heeft; daar hij jaren opperstuurman op het schip van staat in Frankrijk was, en dat schip door menigen storm gelukkig heenvoerde, totdat ook hem het roer in de handen brak; de groote en edele strijderGuizotheeft er van gezegd: „Mijn ziel is te gelijk van vertrouwen en onrust, van hoop en vrees vervuld. Ten goede en ten kwade is de krisis, welke de beschaafde wereld doorgaat, oneindig sterker, dan onze vaderen hebben voorzien; sterker dan wij zelven het denken, wij, die er reeds de meest verschillende uitwerkselen van ondervinden. Verheven waarheden, uitnemende beginselen zijn innig samengemengd met denkbeelden, die volkomen valsch en verderfelijk zijn. Een schoone arbeid van vooruitgang en een afschuwelijk werk van verwoesting volgen elkander in de geesten en in de samenleving op. Nooit heeft de menschheid in zulk een mate tusschen hemel en afgrond gezweefd.” De schilderij is niet bemoedigend, en toch, we willen den moed niet opgeven. Ook daarom niet, omdat we op den eind-uitslag gerust zijn. Maar ook niet om deze reden, dat hoe dreigend zulk een strijd zijn moge, er nog iets erger is dan dat, en dat is: een volkomen rust.… namelijk de rust van het kerkhof, de rust des doods. En die was er vroeger, eer deze strijd ontbrandde.[171]Die was er in de zoogenaamde vredejaren, toen de kwade stoffen stillekens werden opgehoopt, die de lucht zoo elektriek gemaakt hebben, dat nu het bliksemlicht niet van den hemel is. Vraag een wakker kapitein, die op de Oost vaart: Wat hebt gij liever: storm, of langdurige windstilte? Hij zal het eerste kiezen. Met storm komt men, al is het dan dan stormende, toch nog voort: met eene windstilte gaat tijd, geld, lust, geduld, moed, alles verloren.—En ziet gij, er was vroeger op de Galilesche zee der kerk windstilte. Het zeil van het scheepke des Heeren hing los langs den mast; er was geen adem op het water, geen gang in het schip; alles doodstroom; men kon niet varen; men kon niet voort. Later begon de wind op te steken.…. het woei.… het woei hard.… het woei harder.… het waait nu erg hard.… het waait soms een stoker … om het even! Beter zoo, dan in ’t geheel niet. We weten nu voor het minst, dat we leven, we weten waarom we leven, we weten ook waarvoor we strijden, en met Gods hulp, we zullen er ons doorslaan, en de haven halen!Als nu maar alle man zijn plicht doet!Nelsonzeide voor den slag van Trafalgar: Engeland verwacht dat ieder man zijn plicht doen zal. En zij deden hun plicht, en overwonnen. Zoo ook wij. Elk zijn plicht: van den admiraal tot den matroos; van den opperstuurman tot den koksjongen; van den kolonel der marine-soldaten tot den pijper, die den slagmarsch blaast. Alle man zijn plicht. En dat is niet: hard geroepen! luid geschreeuwd! Maar: trouw gewerkt! ijverig gearbeid! en moet het wezen—en het moet soms zijn—moedig en dapper gestreden! Ach, dat het daaraan zoo dikwijls ontbreekt!Jonathan, gij ziet hier toch niet bezijden? Zie vóór u! of liever: Zie op u! En nog het allerliefst: Zie in u, en spreek uwpeccavi!Och ja,peccavi! Als ik naar binnen zie, dan sta ik hier voor mijn Bijbel, die mijn stamboom, den stamboom ook mijner vrome vaderen bevat, als een arm zondaar. En dat niet enkel, omdat ik misschien soms wel eens wat traag, of achterlijk, of lafhartig was in den strijd,—daar zijn er, die mij den Jonathansgeest op dit gebied als de zwaarste mijner zonden aanrekenen—maar ook, en vooral, omdat ik, naar mijn eigen inzicht en gevoel, niet trouw genoeg heb gewaakt en gewerkt. Dat is toch nog altijd de weg, die de uitnemendste is. De vorsten en ridders der hervorming droegen in der tijd op hun kleed het woord gestikt V.D.M.I.A.Verbum divinum manet in aeternum.Dat voorbeeld moeten we volgen. Of nog liever: we moeten dat woord niet alleen dragen op ons kleed, maar op ons lichaam, op onze ziel, op ons verstand, op onzen geheelen uit- en inwendigen mensch. We moeten niet alleen een levenden Bijbel hebben, maar ook een levende Bijbel zijn: een boek, waarin de Heilige Geest niet met inkt, maar met vuur, zijne geboden schrijft, om tot een brief van introductie en recommandatie voor zijn Evangelie bij anderen te strekken. Mocht ik die les leeren aan den voet van het Woord, waarvoor ik sta. Het is de les, waarin men nooit volleerd is. Zelfs invaliden moeten in dezen[172]strijd zich nog blijven oefenen, als jonge conscrits. Laat dat zijn. Als de dood ons maar bij het vaandel, op onzen post vindt. Als we maar metBossuet, in het schoone slot van zijne lijkrede opCondé, ons door onze witte haren indachtig laten maken aan de rekenschap, die wij eerlang hebben af te leggen, en aan de vervulling onzer taak tot den einde toewijdenles restes d’une voix qui tombe et d’un ardeur qui s’éteint.Negen—tien.—Mijn klok spreekt. Hij zegt, dat het tijd is om te eindigen. En dat kan ik ook doen: mijn taak is af. Ik heb mijn Laatste woord aan den lezer gesproken. Dit woord is als een enveloppe om een brief, dien men nu, met een allerlaatsten groet op de keerzijde van den omslag, definitief verzendt. Moge de brief goed aankomen, en met een vriendelijk gezicht worden ontvangen. Ik heb geen reden er aan te twijfelen. Ik zeide het reeds vroeger: het groot publiek is van ouds goed, en meer dan goed voorJonathangeweest. Ik had die goedheid vroeger niet verdiend, en weet niet, waardoor ik haar nu zou hebben verbeurd. Ik wil er het beste van hopen.En zoo leg ik hier niet, zonder een gevoel van zachten weemoed de pen neder.Ik zie nog eens voor het laatst het tijdvak over, dat deze vijfde uitgave van de eerste scheidt. Waar zijn nu velen van de lezers, die mij het eerst door hun goedkeuring en toejuiching verblijdden en bemoedigden? ze zijn niet meer. Ze zijn uit dit land van Droomen in het vaderland der eeuwige Waarheid overgegaan, en aanschouwen daar de vervulling van menige schoone verwachting, waarover wij ons samen, al schrijvende en lezende, in de voorgaande bladzijden hebben verheugd. Daarentegen is een ander geslacht opgestaan, en omringt in zijn jeugdige gestalte den steeds ouder en ouder wordenden vader van dit papieren kind. Zal ik bij de kinderen iets terugvinden van de welwillendheid, die ik van hunne ouders, en misschien grootouders, genoot? Ik mag er althans niet op rekenen.Andre tijd, andere oogen, een andere kreet,En de tijd is nabij, die mijn schijnsel vergeet!Ook voor den flauwsten nagalm van vroeger ondervonden waardeering wensch ik dankbaar te zijn.En nu eindelijk nog een handdruk aan de vrienden onder mijne tijdgenooten, die nog in leven zijn. Dit kringetje is klein geworden, maar het is, Goddank, toch nog niet geheel gebroken: het is nog een kringetje:tres faciunt collegium. Hen moge de oude bekende stem nog eens, van uit deze bladen, van mijnentwege groeten. EenRequiescatvoor de dooden: een hartelijkSalvevoor de jeugd; maar dan ook een trouwe handslag met een hartelijk:Semper idem!voor de vrienden! De dichter heeft gevraagd:[173]Maar de mannen, in wier hairenWij een grijzen vlok ontwaren,Daar zij zich in ’t hoekjen scharen,Waar zij uit de drukte zijn,Prijzen luide d’Ouden Wijn,Geurig, keurig, uitgelezen.…Zou ’t met vriendschap ook zoo wezen?De vraag wordt aan allen, dus ook aan mij gedaan; en dan roept alles wat in mij is daarop luid en vroolijk uit: Ja, Dichter! zoo is het! Zoo is het! Zoo blijve het! Zoo worde het steeds meer en meer!En nu gaan wij, eer de nacht valt, het oude huis, waaraan wij in den geest samen een Afscheidsbezoek brachten, verlaten. Ik schuif den leunstoel terzijde, ik sluit de boekenkast dicht, ik sla een laatsten blik op den uurwijzer van mijn Huisklok, ik wuif een groet toe aan het Kinderportret aan den wand, ik richt ten slotte een dankbare zegenbede aan den ouden Huisbijbel—en thans den trap af, de deur gesloten, de sleutel uit de deur.… heil zij dezen huize! Waarschijnlijk kom ik hier niet weêr. Andere stemmen roepen elders heen. De weg leidt voorwaarts.…Voerman! rij in Godsnaam voort![175]

[Inhoud]EEN AFSCHEIDSBEZOEK.Vervolg.Nog eens—Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.Editha—zeide ik straks—speel een lied! Zoo ze hier was, ze zou het kunnen; want waarlijk, daar, tegen den wand, staat haar piano, die mij zoo vaak voor huiselijke harp heeft gediend. En zeker, ze zou willen ook; want wanneer heeft de vriendelijke mij ooit iets geweigerd, waarop mijn hart gesteld was, indien zij het mij toestaan kon? De lieve zuster! die mij zoo vaak het woord op de lippen heeft gebracht:O zusterliefde is de edelste van allen;Daar mengt zich drift, noch teedre hartstocht in.Ik mag het met blijdschap erkennen: als ik het Album met zijn vele namen van vroeger en later ontslapenen aanzie, en daarbij de namen voege, die in dit Album zouden behooren, al staan zij er niet in, omdat ik op het laatste blad hetcetera desuntlees,—Godlof,Edithais nog in het land der levenden. Dàt stuk van mijn leven althans, dàt stuk van mijn hart is mij nog niet afgevorderd. Dit is voor het minst een troost. Want, ziet gij, na den moederschoot, die u het leven gaf, en den vaderschoot, waarop gij het eerst met verrukking ontvangen en met een welkomskus onthaald zijt geworden, is er geen dierbaarder plekje voor u, dan de heilige grond, waarop gij, aan hun voet, met uw eerste speelnootjes hebt gespeeld: na hun beeld geen liever gestalte, dan dat zwarte jongenskopje of dat blonde meisjeskrulhoofd, waaraan gij met de eerste streelingen van uw kleine vingers en de eerste kussen van uw eigen kleinen mond u in het eerste liefdebetoon geoefend hebt. Kinderen hebben altijd kinderen lief en zijn bij voorkeur met kinderen samen; maar dàt kind, of dèze kinderen!… ze hebben een eigen plaats in uw hart. Zijn ze niet als knoppen met u op denzelfden stam gegroeid? Hebben ze niet uit de lieve moederaarde denzelfden malschen zoeten dauw gedronken? Hebben ze den zonnestraal, die van den hemel op u en hen scheen, niet broederlijk en zusterlijk met u gedeeld? Het zou wel vreemd zijn, als de bloeddroppels in de aderen van het kind[154]dáár naast u niets voelden van de bloeddroppels in uwe aderen hier, daar ze toch uit ééne moederbron zijn gevloeid. Wel kan het zijn, en zal het waarschijnlijk zoo wezen, dat de verschillende sprankels uit die bron later ieder hun eigen weg gaan.Jonathanrechts,Edithalinks … maar al raken ze uit elkander, ze raken daarom niet van elkander af. Ze zijn twee helften van een schelp; ook als ze gescheiden zijn, roepen ze om elkander, en als ze weer samenkomen, zie! zie! ze passen op elkaâr alsof ze nooit van elkander geweest waren. Het is één stem in twee harten, de oudste stem van allen: de stem des bloeds.Zoo was het ons in lang verloopen dagen, waarvan de luite zong:Gij zijt mijn zuster. ’t Zacht geluidDer snaar, die in uw boezem trilde,Drong straks van uit de loofhut uit,Waarin gij ’t eerst zoo gaarn besluiten wilde.’k Huwde aan uw zang mijn eigen lied,En ’t kwam welhaast aan honderden ter ooren,Die naar den wildzang wilden hooren,Geneuried op mijn pijp van riet,HoeJonathangeen grooter schatOp aarde danEdithahad.Zoo bleef het ook later, na het uur van scheiding. Voorwaar, die scheiding was bitter, al was de reden zoet, maar die scheiding heeft niets gebroken. Het is toch met den band der liefde, als met den telegraafdraad. Hij is zoo lang, zoo lang, zoo lang … als de geheele wereld: hij doet des noods de reis rondom de wereld zonder te breken. Niet waar,Editha? dat hebben ook wij gevoeld; dat hebben ook wij ervaren. Wij hebben elkander nog lief. Anders dan vroeger? Voorzeker. Maar minder dan voorheen? Ik zou zeggen, nog meer. Naarmate de gelederen dunner worden, sluiten de overblijvenden zich dichter aaneen. Ik heb wel eens kanonniers zien exerceren: als dan de bevelhebber van het stuk kommandeert: No. 1 No. 4 No. 6 ontbreekt! treden die nommers uit, maar dan reiken ook terstond de anderen dubbel ijverig elkaâr de hand om de ledige plaatsen aan te vullen, en komen ze zoo altijd dichter bij elkaâr. Doen nu de soldaten zóó, bij dat leelijke werk van kanonnenladen, dat op het hart en het leven van hunne evennaasten doelt, zou dan de broederlijke liefde, bij haar werk, dat een werk des levens is, minder doen? Zouden de laatste Nommers elkander nog niet meer en liever helpen en steunen, naarmate er andere „Nommers ontbreken?” O voorzeker. Als vader en moeder niet meer zijn, zoeken de kinderen hun beeld op elkanders gelaat en in elkanders stem, en zoo goed het gaat, al gaat het niet volkomen, ze zoeken den weêrschijn van de uitgebluschte, neen! naar elders overgebrachte vlam in elkanders liefde terug te vinden. En daarom,Editha, geef mij de hand. Wij blijven elkander trouw, zoolang de lieve God ons samenlaat. Wij willen broeder en zuster blijven tot den einde: tot dat wij de een den[155]ander goeden nacht kussen in de tweede wieg, gelijk wij het zoo vaak in de eerste wieg hebben gedaan.En nu, uw piano! Ja, ik herken ze, het is nog het oude instrument: de oude Broadwood, waarop gij zoo vaak de reeds genoemdeDernièrepenséeen zoo menig ander lied voor mij hebt gespeeld. Ik weet wel, die liederen zijn uit de mode; men heeft nu andere muziek: of ze ook beter is? Ik heb het openlijk en rond verklaard: ik ben geen kenner; het zou mij dus allerminst passen, een oordeel te spreken. Maar er zijn knapper luî op dit punt, die ik wel eens in twijfel heb hooren trekken, of we, ook in dit opzicht, wel op den weg van vooruitgang zijn. Ze zeiden, maar ik zeg het niet, de verantwoording blijft voor hen—de kooi, waarin de zangvogel zit, zou nu mooier zijn, kostelijker van stof en fraaier van vorm, maar de zangvogel zou er niet op verbeterd wezen. Mij heugt, hoe ikAndersenmet eigen mond eens een sprookje van hem hoorde lezen van een Oostersch hof, waar men eerst een nachtegaal had, die voor den koning zong, en later een mechanischen kunstvogel, die geleerde liedjes speelde, maar hoe toch ten slotte … doch, het is waar, dat was in het Oosten, en wij wonen in een kouder klimaat: dat past dus niet op ons. Wij hebben dus geen recht om te vragen, of de muziek der Toekomst vanWagnerhet bijvoorbeeld vanWebermet zijn:Einsam binichnicht alleine, of zijn:Dernière penséewint? Ik stel mijn lezers voor, de beslissing van die vraag aan de Toekomst over te laten. Dan mogen mijnentwege de toekomstigePatti’senJenny LindsbovenWagnersgraf den triomfzang van de Polyhymnia der nieuwe kunst-eeuw uitvoeren!Éénding echter staat vast. Mocht ook de zangvogel in onze dagen minder rijk aan melodiën zijn, dan wel eens vroeger, omdat hij min of meer in den ruitijd is, geheel zwijgen, en nog meer, sterven zal hij niet. En gelukkig, dat het zoo is. Wij kunnen de schoone kunst vanJubalop onze arme, koude aarde met hare dissonanten niet missen. Die ons de uitvinding gaf, zal het ons aan de noodige hulpmiddelen tot haar gebruik wel nooit geheel laten ontbreken. Er is een stem, die in den mensch metJenny Lindsberoemd lied roept:Ich musz nun einmal singen!Luther wees aan de muziek, na de theologie, de eerste plaats onder de aan den mensch verleende goddelijke gaven toe. En dit moeten wij erkennen: Is in den laatsten tijd onze muziek niet beter geworden, wij zelven werden muzikaler dan voorheen.Sancta Ceciliais nu een der eerste santinnen van onzen almanak: zij geeft onder haren naam feesten in de Hoofdstad, waar het hart der kenners van verdaagt. Jonge heeren en dames neuriën en musiceeren uit den treuren; de liedertafels trekken met hunne banieren en medailles triumferende het land rond; zelfs den kinderen op de school wordt, naar een woord vanLuther, de wijsheid ingezongen: er zijnenthusiasten, die van de heerschende melomanie de hervorming des volks verwachten. En hoe kan het anders? Als er zooveel harmonie is in de lucht, die we indrinken, dan moet immers ons binnenste, dat daarmede[156]geheel vervuld wordt, zeker wel gansch en al harmonisch worden!…Hm! Hm! het kan zijn. Maar of ik er voor’shands veel van merk? zie, dat is een andere vraag. Tot nu toe althans heb ik niet kunnen vinden, dat de geblazen en gestreken harmonie tot liefelijke akkoorden en muzikale samenstemming in de gedachten en gevoelens der verschillende menschenkinderen heeft geleid. In dit opzicht heeft het diereningewand tot nu toe te vergeefs voor ons gezongen. Ik heb niet gehoord, dat de mooie Grenadier-concerten vanDunklerin het Haagsche bosch belet hebben, dat er onder de vaders des Volks op het Binnenhof nog al eens gekibbeld wordt. En ik weet niet, of het aan de Cecilia-feesten vanVerhulstin het Amsterdamsche Volks-paleis wel al gelukt is, om al de geleerde hoofden in het Trippenhuis op de zittingen der Koninklijke Akademie onder één hoed te brengen. Als ik met een zachte stem die bescheiden opmerking maak, heeft men mij wel eens te gemoet gevoerd, dat dan toch in elk geval de muziek, even als het orgel in de kerk, ons de goede dienst bewijst om de dissonanten, die het niet verhinderen of oplossen kan, te helpen dekken; en dat wil ik gaarne toegeven. Het is dan maar te hopen, dat de dissonanten hunne stemmen niet al te luid verheffen, zoodat ze de muziek, die ze moet helpen verdooven, overschreeuwen. Wie weet, wat de muziek der Toekomst doen zal? Misschien zal aan haar hand de klankladder vanUtremifasolde hemelladder worden, langs welke de mensch tot het bereiken van zijne bestemming langzaam wordt opgevoerd. Ik heb ergens gelezen, dat er menschen zijn, die naar een algemeene taal voor de gansche menschheid hebben gezocht, en daartoe de hulp van de viool hebben willen gebruiken: tot dusverre is dit niet gelukt. De taalverwarring, die van Babels toren dagteekent, duurt nog altijd voort: vraagt het de discipelen van de Burgerscholen maar, die nog altijd met zulk een inspanning zitten te zwoegen om de vreemde talen, die ze aanleeren moeten, onder de knie te krijgen! O welk een vreugde zou de uitvinding en invoering der algemeene taal onder de jeugdige kielendragers en kort-gejurkten verwekken! Welnu, misschien gaan wij er heen. Orfeus bouwde steden op de klanken van de citer; misschien is er een Orfeus der Toekomst aanstaande, die door zijnPaganini-viool de verdeelde, elkander kwalijk verstaande, met elkaâr twistende en kijvende menschheid in een groot concert van broederlijke en zusterlijke stemmen verandert en herschept. Men moet niet wanhopen.…pianowil zeggen zachtjes! en daarvan komt de derivatiepianissimo!En wederom:Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.—Een—twee—drie—vier—vijf—zes—zeven—ACHT! Daar slaat waarlijk mijn oude Huisklok acht uren. Welkom kameraad!—We hebben elkander in lang niet gezien. Ik heb u in[157]lang niet gehoord. Toch weet gij, of ik u lief heb gehad. Nog meer ik heb gemaakt dat ook anderen u lief kregen; ik heb zelfs eens een bezoek van een vriend gehad, die mij kwam vertellen, dat hij u een jongeren broêr gegeven had. Hij had een ouderwetsche klok gekocht, en die laten opmaken precies als gij, tot uw eigen opschrift toe:Una ex his hora mortis.Zoo zoudt gij op het laatst nog haast oktrooi moeten gaan vragen, en in den oprechten Haarlemmer een advertentie bij wijze van Waarschuwing tegen Namaak moeten plaatsen. Nu laat u namaken wie wil, als men dan ook de lessen maar navolgt, die gij zoo gereed en gewillig zijt aan uwe aandachtige en indachtige hoorders te geven. En dat hebt ge zeker ook blijven doen, al was ik daar niet om ze van u te ontvangen. Hoeveel tijd is er voorbijgegaan, sedert ik ze hier op dezen zelfden stoel van u ontving! Hoeveel malen hebt gij twaalf geslagen, twaalf uren op den dag en twaalf uren in den nacht, sedert ik, op het punt staande om van hier te gaan, uw wijzer vroeg, of het nog geen tijd was, en toen gij ja! zeidet, u een laatst Vaarwel toeriep. En sedert zijt gij daar altijd blijven staan, terwijl ik hier en daar rondzwierf, en mij met een plaatsvervanger van u zoo goed mogelijk behielp. En sedert zijt gij altijd even gelijkmatigunisonoblijven voorttikken: tik-tak! tik-tak! tik-tak! terwijl intusschen mijn hart menigmaal zoo onrustig sloeg en joeg. Ach, mijn goede Huisklok, zoo ik u dat vertellen kon! In Dertig jaar kan er door een menschenhart, welks ketting en veer niet van hard, stug metaal is, wat worden afgeleden, afgestreden, en afgebeden, waarvan een Huisklok aan den wand, en zelfs een zakuurwerk op de linkerborst, dat toch zoo dicht bij de levens- en gevoelsbron tikt, niets vermoedt. Maar ik zal ook niet pogen u dat te vertellen. Gij zoudt mij toch niet begrijpen. Hoe wild het ook daar buiten storme, bij u gaan de scheepjes van de geschilderde mechaniek op uw wijzerplaat altijd even kalm en effen heen en weêr. Als de horlogiemaker maar op het opwinden, en nu en dan op het schoonmaken past, raakt gij nooit van de wijs of uit de maat. Dertig jaren zijn in dit opzicht voor u als één dag.Dertig jaar. Mocht ik nu maar kunnen zeggen: Dertig jaar ouder—Dertig jaar wijzer—Dertig jaar beter. Dertig jaar dichter bij het graf—Dertig jaar dichter bij het doel. Maar, ach, mijn waarde tijdmeter, ik moet het met schaamte bekennen: Ik ben een vergetel hoorder,een traag discipel van u geweest. Ik heb er niet genoeg aan gedacht:Una ex his. De kleine wijzer van den Levenstijd heeft wel altijd trouw de ronde gedaan, maar de groote wijzer van den Plicht heeft de hare wel eens vergeten: hij stond wel eens stil, en haperde, terwijl zijn kleiner broeder altijd even trouw voortliep. Bij zulk een hapering kan men niet zeggen, dat een horlogie gelijk loopt! Ik ben geen wellust van het menschengeslacht, als wijlenTitus, maar dit toch heb ik met hem gemeen, dat ik ook nog al eens aan den avond van een dag heb uitgeroepen: ik heb een dag verloren. Als[158]ik van u een kerfstok wilde maken om zulke kwade dagen op te teekenen, zou uw lange kast veel te kort zijn. Zie, dat is een leelijk gebrek. Wij waarderen den kostelijken tijd niet genoeg. Wij laten de met goudkorrels bezwangerde rivier, den rijken Pactolus, langs ons heenvloeien, en bukken ons menigmaal niet eens om de goudkorrels op te zamelen, die de stroom met zich wegvoert. De Britsche denker had wel gelijk, die sprak: „Wij gelijken aan beelden van marmer in de tuinen, waarvan men fonteinen maakt. Uit hun lippen vloeit een helder water, dat voort- en doorloopt zonder ooit stil te staan, en het marmer is daar, lijdelijk, koud en geenerlei poging doende om den altijd doorgaanden stroomval tegen te houden.” Ach, ook ik zelf ben maar al te zeer zulk een bewegingloos beeld op de fontein des Tijds geweest, en zoo al de droppels, die zonder vrucht voor mij en anderen daarheen gevloeid zijn, in ééne kom samen vergaderd werden, welk een bassin zou daarmede worden gevuld! En zoo al die droppelen, die nu zoo eentoonig voortkletteren, een kenbare stem kregen om te verhalen wat ik in den loop dezes tijds gedaan en niet gedaan heb,—dan zou ik wenschen, dat die fontein deLetheware, en dat ik in haar water de vergetelheid van al dit lang verleden drinken kon. Maar, maar, het zal zoo niet zijn. Geen droppel vloeit naar beneden, die niet weêr zal opkomen, als een water-ader, die hier van de bergen stroomt, om ginds in het dal uit den grond weer op te komen en op te springen. Laat het zijn! Reeds vroeger, als ik u aanzag en, rekening met u hield, spraken wij samen van het groote Middel om het Tekort in eens menschen leven te helpen dekken. Gij hebt dertig malen gedurende mijn afwezen die zekere Drie slagen op zekeren Goeden dag geslagen, die herinnerden aan het grooteConsummatum est, dat der wereld den triomf van de wereldverzoenende liefde over de zonde en den dood verkondigde, en daarom mijn lieve Klok, tik voort! tik voort! Wij gaan den eenigen, eeuwigen goeden Vrijdag tegen, waarop niet alleen al wat te kort is zal worden aangevuld, maar ook al wat ten deele is zal worden volmaakt. Al gaan de dobberende scheepjes op uw wijzerplaat, niet voort, ze brengen ons toch naar die haven—de Goedereê, de Schoone haven van het eeuwig T’huis!En andermaal—Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.Ik zie de wanden van mijn studeercel rond, en ik vind daar, als vroeger, de ettelijke planken met boeken waarom in der tijd Judith mijn eenvoudig kamertje wel wat pompeus met den naam van Bibliotheek versierde. Daar staan ze, achter den groenen voorhang, die ze als eensanctumvan den voorhof van mijn kamer scheidt. Als ik ze nu aanzie, het is niet zonder een onwillekeurig gevoel van weemoed. Op een schilderijen-tentoonstelling hangt men boven het werk van een in den jongsten tijd ontslapen schilder een inmortellen-krans. Maar inderdaad, indien ik boven al de boeken der Auteurs, die in[159]het laatste Derdendeel der eeuw gestorven zijn,inmortellenkransen wilde ophangen, mijn boekenkas zou zelf iets van een bloemen-tentoonstelling krijgen.—Welnu, wat kwaad? Als de ééne Auteur sterft, komt een ander in de plaats. Om uw eigen beeld te gebruiken: Men roepe maar: „No. 1 ontbreekt!”.…—Meent gij dat? Ik wenschte, dat het waar ware. Maar reeds toen ik een jongen was, die „Bröder tot mijn pijn en Weijtingh voor mijn straf” kreeg, moest ik leeren:Consules fiunt quotanis—Consuls krijgt men alle jaren en Proconsuls ook er bij;Maar de Koning en de Dichter komt niet alle jaar als zij.De dichters groeien niet als despinaziein de lente of de bloemkool in den zomer, waarvan in den regel de oogst tamelijk wel te gelukken pleegt: in den hof der letterkunde heeft men nog al eens jaren van misgewas. Welkevruchtbaretijden heb ik in dit opzicht beleefd. Welk een tijdvak, waarin men in één jaar (1832) drie dichters alsGöthe, Walter ScottenBilderdijkverliezen kon! Toen had men er nog eentje voor ’t breken. Zulk een slag zou de groote Maaier nu met den besten wil niet kunnen slaan.Les rois s’en vont: dat geldt ook van de koningen der poezij. Eerst hadden we de koningen, toen de prinsen en nu—exceptis excipiendis,—zijn wij aan de grootvorsten, ja misschien nu en dan een kleinvorstje, of, dat op hetzelfde neêrkomt, een grootvorst van Luxemburg, het landje van ééne stad, er bij. Toen de koning van Frankrijk na den dood vanTurenneacht maarschalken in diens plaats benoemde, zeide men: De koning heeft zijn goudstuk tegen zilvergeld verwisseld. Dit geldt ook in onzen tijd, in den regel, van de munt, die op de poëtische pers geslagen wordt.… In vredes naam, als het niet anders kan! als dan het zilver maar echt zilver blijft, en geen Russisch zilver wordt!Toch is het een gebrek, dat gevoeld wordt. Aardappelennood valt zeker moeielijker te dragen, dan dichternood; maar een nood is het toch. Het is smartelijk, als men de jaren beleefd heeft, dat er bijna ieder nieuw jaar een nieuw groot dichter bij de overigen kwam, dat men nu den eenen dichttroon nadeanderen ziet ledig worden, zonder dat erlegitiemeopvolgers zijn om ze te vervullen, naar den regel:Le roi est mort! Vive le roi!—Jean Paulverhaalt een anekdote, die hier te pas komt. De PrinsVan Esterhazyhad zijn geheele muziekkapel, enHaydnals kapelmeester afgedankt. Dien ten gevolge componeerde deze een muziekstuk, waarin elkmuzikant, de een na den ander, een solo speelde en aan het einde er van den blaker op zijn muziek-lessenaar uitdoofde en wegging. Zoo verdween het eene lichtje en het eene instrument na het andere, en eindelijk bleef het orkest geheel stom. Ik heb aan dat verhaal wel eens gedacht, toen ikBilderdijk, en naBilderdijk Loots, en naLoots Staring, en naStaring Tollens, en naTollens Da Costa, en naDa Costa Van Lennepzag aftreden, en voor de meesten te vergeefs naar een plaatsbekleeder, en dat vooral[160]onder de jongeren, zocht. Toch willen we niet ondankbaar worden: stom is ons orkest gelukkig nog niet; er klinken nog eerste violen, al zijn ze schaarsch. Mocht het nu gaan als bijHaydnte Weenen,waar de Prins berouw kreeg van zijn besluit en de afgedankte kapel weêr aanstelde. Toen kwamen, in de omgekeerde orde, al de lichtjes en al de muziek-instrumenten één voor één weer terug.…Va-t-en voir s’ils viennent, Jean,Va-t-en voir s’ils viennent!Het is waar, men heeft één troost: denzelfden troost, dien men mij ook op het punt der muziek aanbood; dat schijnt op dit gebied „de troost der armen” (de bekende balsem) te zijn. Groote dichters heeft men nu minder dan vroeger, maar daar staat één voordeel tegenover. De poezij is in onze dagen meer gemeengoed geworden. De taal, de stijl der goede Auteurs, ook over andere, soms de meest afgetrokken onderwerpen, is dichterlijker geworden,HumboldtsKosmos is, ookliterarisch, een meesterstuk: dat zag men vroeger zoo niet. Zelfs over den goeden conversatie-toon ligt een meer poëtisch waas dan voorheen.—Ik wil het niet geheel ontkennen. Maar de troost is schraal. De honderdduizend boterbloempjes in het gras voldoen mij niet, wanneer ik, als bloemen-liefhebber, eens een schoone camelia of azalia of puike stamroos zou willen hebben. Ik geef vijfhonderd tjilpende musschen voor een enkelen nachtegaal.Zelfs dat de poezij voor sommigen min of meer een artikel van mode geworden is, kan mij niet geheel voldoen. Twee dingen, lieve jufvrouw, ik weet het, zijn in onze dagen voor een modieuse Dame onmisbaar: een Album metvisite-portrettenen een Poezijboek, vooral een Poezijboek, roodfluweel, met verguld slot en verguld op sneê! En dan van binnen tal van Versjes, met lange dunne letters van Engelsch model met bleeke inkt half leesbaar geschreven, sentimenteel tot in het schrift! En de inhoud: luttel Hollandsch, maar Fransch, en Duitsch, en Engelsch, vooral Engelsch, dat lieve Engelsch! En als men er dan een handschrift van een heuschen dichter, van „mijn dichter” bij krijgen kan, dat verhoogt de waarde van zulk een verzameling ontzaggelijk: dat is of men zijn kleed of hoed onmiddelijk uit de eerste hand, uit Parijs, kreeg.Ik moet erkennen: het is vleiend voor de betrokken poëten; maar of er nu de poezij zelf, of de geest en geestdrift voor poezij in den boezem des volks bij die Album-manie veel wint,—ik zou het niet durven verzekeren. En zie, dat is toch noodig. Ik gaf het reeds vroeger te kennen: Poezij beantwoordt aan een ingeschapen trek en behoefte in de natuur van den normalen mensch. Laat de bekende mathematicus bij het zien opvoeren derFedravanRacinevragen: wat dat bewijst? Uw vraag, o wijsgeer! bewijst dat gij een cijferbord zijt, waarbij het stuk krijt in het bakje, bij gebrek van beter, de plaats van hart vervult. Het meerendeel der menschen is anders gemaakt. De mensch leeft niet alleen van brood; zoo kan ook een ziel niet alleen[161]van proza leven. Ik heb een harp in mijn keel; als die bespeeld wordt, komt er een geluid, dat men in de wandeling de Stem heet. Maar ik heb ook een harp in mijn boezem; als die getokkeld wordt, komt er ook een geluid, en dat heet men Poezij. Nu kan ik de harp daarbinnen wel tot zwijgen doemen.… o ja! evengoed, als ik eens in een Trappisten-klooster een menigte monnikken zag, die niet alleen schoon linnen en warme spijs, maar ook devox humanaop de lijst derobjets de luxehadden gebracht, waarvan ze zich, ten genoegen van de engelen en den hemel, liever passeerden. Maar, ziet gij, als ik zoo handel, doe ik mijn aanleg en natuur te kort, en zulk een verminking blijft dan ook niet ongewroken. De mensch, die de Poezij als een overtolligheid afschaft, is als iemand die een vogel kortwiekt. Och ja, uw uitvlieg-duif blijft nu wel op de binnenplaats, mijn lieve kleine vriend! en hij leeft alleen van de duivenboonen die gij hem geeft, en geen nijdig buurman kan nu uw mooi exemplaar in zijn kooi opvangen: maar—nu is ook uw duif geen uitvliegduif meer, dan titulair, en de prachtige vogel, dien God geschapen heeft om meê de blauwe lucht te doorstreven en te doorzweven, te bevolken en te bezielen, is een arme invalide op zwart zaad geworden, waarop de dikgepropte doffer van uw buurman, als hij triomfeerend den hemel doorklieft, met deernis of verachting neerziet. We kunnen alles wat in ons met den hoogeren, beteren, etherischen mensch in verband staat wel afdanken en op pensioen zetten; dat kunstje wordt helaas! in onzen tijd genoeg geleerd en geoefend; maar men noeme zich dan ook geen kompleet mensch meer.Die halben und die ganzen, zei iemand in onzen tijd. Ja, als er minder „halve” menschen waren! Dan.…Maar ik hoor nog een excuus, voor en door de kinderen onzes tijds ingebracht.—De tijd deugt er niet voor. Het is in onze dagen te druk, te woelig, te volhandig! Er wordt te veel in het bosch geschoten: daarom kunnen de nachtegalen niet zingen.—Ei zoo? Dus; de meestpoëtischetijden zijn die, waarin de tempel van Janus gesloten is? de tijden, waarin demenschheid, als de wijn, die belegen moet zijn, in de vaten op den droesem rust? de tijden, waarin de Jansalies het roer in handen hebben en al de kippen op stok zijn? Dit had ik niet gedacht. Ik blijf ook nog wel een weinig twijfelen. De historie althans schijnt er anders over te denken. Er is een eeuw geweest, die men, evenals men de eeuw van Saturnus de gouden, zoo deze „de groote eeuw” noemde; welke was die eeuw? Het was de eeuw in Frankrijk, waarin de Zonnekoning regeerde; waarinTurenne, enCondé, en andere reuzen der krijgskunst meer, veldslag op veldslag wonnen, enColbertden handel van zijn volk, met de zich steeds vermeerderende zeilen der schepen, steeds nieuwe vleugelen aanbond. Maar zie dat was—toevallig? ook dezelfde eeuw, waarinCorneilleenRacinezongen,Boileaude wetten op den zangberg gaf,Pascalzijn gulden wijsheid tot goudstukken vermuntte, enBossuetenBourdalouestemmen uit de hoogte deden hooren, die het kolossale paleis[162]van Versailles op zijn grondslagen deden daveren.—Had de Vrijheidskrijg van 1813 zijnenKörnerniet? Van waar dan, dat men in den jongsten oorlog te vergeefs naar den Tyrteus uitzag, die bij zulk een voorbeeldeloozen kamp niet scheen te mogen ontbreken? De driehonderdLieder der Schutz und der Trutztoch, waarmeê de Germanen elkander zoo goed mogelijk hebben opgewonden, kunnen even weinig voor een Ilias van dezen krijg gelden, als de houten theater-ballen, waarmeê Victor Hugo voor zijne Franschen den oorlogsdonder zocht na te maken. Het is gelukkig voor de Duitschers, dat de Krupp-kanonnen krachtiger taal spreken; anders zouden Sedan en Metz, Straatsburg en Parijs niet gevallen zijn!Men vergunne mij dit elegietje op denChute des feuillesvan den laurierboom der schoonste kunst. Misschien is het wel een weinig eenoratio pro domo; misschien pleit ik min of meer voor eenfamiliebelang; ik geloof werkelijk, dat ik een verren neef onder de dichters heb. Maar ik geloof toch ook, dat er bij mij nog iets anders, iets beters bij komt. Ik geloof waarlijk, dat de menschheid behoefte aan poëzij, en wel aan waarachtige, verhevene, groote poëzij heeft.Thorwaldsenheeft eens een basrelief gemaakt met het opschriftA genio lumen. Het vertoont een vrouw, die bij een altaar zit, en die een uil en een lier aan de voeten heeft: een voorstelling van het genie. Alle eerbied nu voor den uil, die als de vogel van Minerva de Wetenschap moet voorstellen. Ik weet, dat we zonder uilen niet kunnen. Maar als ik u verzoeken mag, als gij u zoo bukt om den uil te streelen, trap dan bij vergissing de lier niet stuk! Hoe zou ik anders kunnen zeggen: Waak op, gij harp en luit! Victor Hugo! eens te rechtVictor, Overwinnaar, geheeten! Ik bid u, laat nu deTravailleurs de la mereens een weinig op hun eigen hand travailleeren, en grijp gij de gouden citer—gij zit toch nu niet meer aan de wateren Babels, aan de oevers van den stroom eener droevige ballingschap—grijp de citer, en zing ons een gouden lied, als in uw gulden tijd. Laatonsnog eens hooren:Ce qu’on entend sur la montagne. Laat ons nog eens hooren, hoe uw prachtige KlokChante l’amour au coeur et le blasphême au front!En! opdat dit geschiede, genius der kunst! giet olie in de albasten vaas, die de Muze u voorhoudt …A genio lumen.Nogmaals—Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.Ei zoo.… Gij daar ook nog, mijn portret? Beeld mijner kindsheid, miniatuur-exemplaar van den tegenwoordigenJonathan! O zeker, u ziende, gedenk ik aan de dagen van ouds. Toen ik vroeger evenzoo[163]voor u stond, en u mijn kleine meditatie wijdde, was er tusschen u en den toenmaligenJonathanreeds verschil genoeg. Dat verschil is sedert nog grooter geworden. Een leeuwerik onder de zangeressen uit den vreemde, (schoon tamelijk in de buurt; het is eene Vlaamsche, die niet voor nietRosalie Lovelingheet), heeft het gevoel, uit het gezicht van zulk een gedaante-verandering geboren, aardig uitgedrukt:In grootmoeders kamer, daar hangt het beeldUit hare kinderjaren:Een lachend mondje, peerlenoog,En bruine kroezelharen.De kinderen stonden en staarden ’t aan,En ’t een zeî aan het ander:„Och, waar’ dat schoone kindje hier,Wij speelden met malkander.”En de oude in haar leunstoel met bril en toer,Keek op bij deze rede:„Wie zou dat schoone kindje zijn?.…Gij speelt er altijd mede.”Inderdaad, de vergissing der kinderen is verschoonlijk: het onderscheid is ook zoo erg groot! En laat dat zoo zijn! Oud te worden, is geen kwaad, als maar niet alles aan ons en in ons te gelijk mede oud wordt. En dat is niet noodig. De dichterTegnerheeft ergens gezegd, dat de ouderdom sneeuw strooit, niet alleen in het haar, maar ook in het hart. Zou dat regel zijn? Als er sneeuw op een vulkanischen grond valt, smelt ze: dat kan de Etna leeren. Misschien is het, omdat mijn hart wat warm van temperatuur is uitgevallen, dat ik van de sneeuw in het binnenste nog niet veel merk.Schleiermacheris de eenige niet, die zich zelven beloofde, dat hij, oud wordende, jong zou blijven,—en woord hield. Er zijn dwergen, die dezen reus dit hebben nagedaan, door ’s mans zevenmijlslaarzen aan hun kleine voeten te doen.Ja, er is een middel—ik sprak er reeds vroeger van—om ouderdom en jeugd in één zelfden mensch te vereenigen, zooals de oranjeboom aan één stam het groene blad, den zilveren bloesem en de gouden vrucht draagt. Een dichter zong er van:Eenmaal wordt het kind een man,Die veel trefflijks wil en kan;Eenmaal wordt de man een kind,Zwak zooals men kindren vindt!Waart gij lang een kind van God,Grijsaard-Kind! dan heil uw lot![164]Grijsaard-Kind. Een eigenaardige combinatie, die mij denken doet aan de bekende Kind-Vrouw uit denDavid CopperfieldvanDickens. Nu, wat het grijsaard-worden aangaat, daaraan heeft het bij mij niet ontbroken. Een groene grijsheid—zegt men—een spar onder de sneeuw;—ik verzeker u, dat er sneeuw op de bladen ligt! Maar nu de andere helft: het Kind in den Grijsaard,Jonathan, hoe staat het daarmeê?Hoort eens, lieve menschen, ik zit hier niet in den biechtstoel. Daar zijn dingen, die men liefst alleen, of nog beter onder vier oogen afdoet. Maar die andere twee oogen, die ik daarbij tegenover mij wensch, zijn de uwe niet. Intusschen, dit kan en mag en wil ik u wel zeggen: het Grijzen is makkelijker en voorspoediger gegaan, dan het Kind worden. Het is daarmeê als met het op- en afklimmen van een berg. Het afklimmen gaat rad genoeg ja, het gaat van zelf; maar het opstijgen! En Kind, in den besten en hoogsten zin Kind te worden, is eene opstijging, erger dan tegen den Montblanc. En geen wonder! Het gaat ook naareenMontblanc, den Witten berg der volmaakte en vlekkelooze heiligheid, op welks top, even als het licht van den zon in den morgen op den Zwitzerschen berg, het groote eeuwige Licht, waarin gansch geen duisternis is, woont. Nu, ziet gij, zulk een bergreis gaat met groote moeite en inspanning gepaard. Het heeft wel iets van den gang van sommige bedevaartreizigers naar Jeruzalem, die soms, bij wijze van vrijwillige zelfmarteling, telkens na twee stappen voorwaarts weer éénen achterwaarts deden. Of wilt gij een nationaal beeld? Denkt aan den tijd, toen gij als kinderen tegen de een of andere duin op zoudt klimmen, en gedurig met het zand, dat gij pas en met moeite bestegen hadt, naar beneden kruidet! Ach, als gij zondag een goeden stap voorwaarts hebt gedaan, komt maandag, en dinsdag alles bederven, en ’s woensdags daarop is het, of het weer de vorige zaterdag ware. Waarlijk, er is volharding en moed toe noodig om den strijd niet op te geven.Toch willen wij dit met Gods hulp niet doen. Daarvoor voelen wij ons te sterk in de belofte: Hij heeft ons macht gegeven, kinderen Godts te worden.—Kinderrang bij kinderzin. Het is beloofd. Het zal geschieden. Het kan geschieden. Het is mogelijk, al is het ook moeielijk, al is het ook wonderbaar. Van wonderen gesproken,—de klassieke dichterOvidiusheeft een heel boek vol geschreven, waarin hij van niets dan van metamorfosen verhaalt. Menschen worden boomen, vogels, en wat niet al meer. Maar als ik van die mirakelen lees, blijf ik er koud bij: het zijn immers maar fabelen? Het is alles mythologie. Maar als de Heilige schrift van mannen en vrouwen, ja, zelfs van ouden van dagen spreekt, die kinderen worden—zie, zoo waar God leeft, dat is geen fabel, geen mythe, dat is een feit! Zoo waar ik leef, ik weet dat het een feit is; ik heb het gezien.Een schoon gezicht—om hetwelk te aanschouwen de engelen gaarne den hemel verlaten—die gedaante-verandering van den volwassen mensch, dieeenkind wordt! En zooveel te schooner, naarmate[165]het zielsgelaaat van dien mensch door de werking der zonde meer verdorven, meer verouderd en leelijker gemaakt was. Als men u toen gevraagd had: kan die akelige Kains-tronie nog weer een lief, onnoozel Abelsgezicht worden, zooals deze er uitzag, toen hij nog levend en blozend als een kind op zijn moeders schoot lag, of ook, toen hij in zijn tweeden en laatsten slaap, met een lachje op het gelaat, door zijn moeder in de armen genomen werd om tot de groote rust gebed te worden? dan zoudt gij geneigd zijn geweest uit te roepen: Onmogelijk! En gij zoudt recht hebben gesproken: dat is ook onmogelijk—althans bij de menschen is het onmogelijk.Adamkan het niet, enEvakan het niet, enAbelzelf uit zich zelven kan het ook niet; er is geen enkel Adamskind, die het kan! Maar wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God,—als God het wil, en dìt wil God. Hij wil, dat menschen zalig worden, en tot die zaligheid voert geene andere weg, dan door de tweede kindsheid heen, die wij het kindschap Gods noemen. Om het wonder dier herschepping tebewerkstelligen, beschikt hij over goddelijke krachten en gaven. Is het vreemd? Men verhaalt vanRubbens, dat hij, met een penseelstreek of wat, een schreiende in een lachende tronie op zijn paneel veranderen kon; zou de hand, dieRubbensdit schildergenie in den boezem gaf, niet iets dergelijks bij zijn maaksel vermogen? God heeft uit een handvol klei eenen mensch gebootst; zou hij nu den misvormden, verbasterden en ontaarden mensch niet weer tot een nieuwen en reinen mensch kunnen hervormen? Het is zoo: de bewerking is nog zwaarder. Want de doode klei was lijdelijk in de hand des Pottebakkers; maar de levende aardmensch, in wien de klei van beneden vaak over den geest van boven heerscht, is weêrstrevig en weêrspannig, en maakt den grooten kunstenaar soms moeite genoeg. Maar toch, als er eens een begin met het groote werk is gemaakt, o! het gaat. Het gaat langzaam, maar het gaat. Het gaat moeielijk, maar het gaat. Hier een vlek weggewischt, daar een rimpel weggestreken, elders een lach of een blosje aangebracht—het gaat. Zie, het wordt reeds een geheel ander voorkomen. Het hangend hoofd heft zich op, en het matte oog begint te glinsteren, en het ruwe vel wordt glad, en het onrustig jagende hart wordt stil, stil—zegt de Psalmist—als een kind bij zijn moeder.… en dat is niet de eenige kindertrek! Het kinderlijke komt gedurig meer boven, en uit, en door.… Ik las ergens van een volksgeloof, volgens ’t welke een mensch, als hij gestorven is, het gelaat van zijn vroegere kindsheid weêr aanneemt…dat is een legende. Maar dat Christenen, hoe ouder ze worden, temeer op kinderen beginnen te gelijken, ja, telkens meer kind zijn.… dat is geen legende. Dat is een feit. Ik heb het gezien en ik zie het aan mij zelven, helpe God! Met zijne hulp zie ik het eens in zijn gansche volheid en volkomenheid.Wanneer?Ik zie er mijn portret op aan, maar ik krijg geen antwoord. Mijn moeder heeft mij bij mijn geboorte den horoskoop niet laten trekken.[166]Er is dus zelfs niet naar geraden, hoe oud ik wel worden zou. Nu, in zekeren zin is dat ook onverschillig. Het aardsche leven is altoos een korte ketting, waaraan het op een schalm of wat meer of minder niet aankomt, daar zij toch bestemd is spoedig te breken. Anders is het gelegen met het hemelsche leven, de keten die nooit breekt. Dat is als de keten van den telegraaf, die onder rivieren en stroomen door, en zoo ook door de Jordaan des doods heenloopt, en den Nebo aan deze zijde aan de kust van de Palmstad aan den anderen kant verbindt. O wat het zijn moet, op dien anderen oever te komen, en dan het strand te kussen, en daarna opgerezen in den kristallen stroom zijn eigen beeld te zien, en zichzelven zoo weinig te herkennen, als ik mij nu in dit kinderportretje herken.… welk een verwachting! Toen men in der tijd dit kindje wel eens vroeg: hoe groot zult ge worden? hief het wicht de kleine armpjes omhoog, zoo hoog hij kon, maar altijd veel te laag.… het kleine schepsel! het kon niet hooger. Maar vraag nu het kind van God eens: Hoe groot zult gij worden? Lieve menschen! dat kan hij u nog minder toonen: want dat is zóó groot, zóó groot, dat men gaat duizelen, alleen van het zich te verbeelden. Bedenk dat er geschreven staat:ze sullen Hem gelijck wesen.En dat alles, het ligt nu vóór ons, recht vóór ons, dicht vóór ons—wie weet, hoe dicht? Zonderling, dat die gedachte ons niet meer verblijdt. Ik weet nog, hoe het mij te moede was, toen ik het eerst den Montblanc zou gaan zien.… ik was de wereld te rijk! en ik heb hem gezien en uitgeroepen: schoon, schooner, veel schooner, dan ik mij had verbeeld! Maar nu dien anderen Montblanc te zien, en niet alleen te zien, maar ook te bestijgen, en niet alleen te bestijgen, maar ook blijvend te bewonen. Gelukkiger danDe Saussureen zijne navolgers, die na een kort verblijf op de hoogte weer naar beneden moesten in het Dal, in den herberg, en bij de morsige wateren van de Arve, die door de Chamounix-vallei stroomt. Nog eens, hoe kan het zijn, dat het ons zoo koel laat? Nu zou ik toch haast weêr zeggen, dat de sneeuw niet alleen op het haar ligt. Wat er aan te doen? Nog eens een blik op den Kind-Grijsaard des dichters, met zijn schoon verleden en nog schooner toekomst:Ik ken twee schoone dalen,Waarop ik blik met stille vreugd:Het eene vol bloesem en stralen,Is ’t groene veld der jeugd.Het eene is doorgetogen!En schemert reeds in ’t wijd verleên:Toch wendt er de Grijsaard zijn oogenMet dank’bre blijdschap heen.Het tweede ligt daarboven!Dáár storm, nog sneeuw, noch winterwee!Maar eeuwige gaarden en hoven,Aan kristallijnen zee.[167]Wel tintelen en bloeienDe bloemen uit mijn jeugd nog schoon.Maar die uit den Hemelhof gloeienWel driemaal dubbel schoon!Kind! kind! welke gezichten! welke uitzichten! O dat het nu ook waar worde:„Wie zou dat schoone kindje zijn?Gij speelt er altijd mede!”Ten laatsten maal—Er kwam verandring in ’t gezicht mijn drooms.Nog eens hervat ik mijn Reize door mijn kamer, ik sla mijn oogen her- en derwaarts in ’t rond. Zoo valt mijn oog op wat ik mijn Stamboom noemde: op mijn erentfesten Bijbel op zijn ouderwetschen lezenaar. Mijn stamboom; als behelzende op zijn eerste bladzijde de volglijst mijner Voorouders, mijn Genesis X, waaraan, door de hand der mijnen, een en andermaal een soortgelijke aanteekening, als in dat kapittel zoo menigmaal voorkomt is toegevoegd:„Deze en die werd geboren, gewon kinderen, en stierf.” Hier zie ik ze weer: de namen van mijne vaderen, van den eersten, dien we kennen,totmijn eigen lieven vader en moeder toe, en onderaan het open plaatsje voorJonathan… dat nog open is. Tot hoe lang? … neen, dat willen we niet andermaal gaan vragen.Éénding is zeker. Ik vergeleek mijn stamboom met Genesis X; maar dat geldt allerminst van de getallen. Die zijn voor het minst gedecimeerd. In die dagen was zeven, achthonderd jaar een gewone leeftijd. Mozes hield er reeds een andere rekening op na:Aangaende de dagen onser jaren, daarin zijn seventig jaer, of zoo wij seer sterk zijn, tachtentig jaer—Jonathan, hoort gij het?Laat het zoo wezen.Jonathanworde ouder en ouder, zoodat het witte graan om den zeis roept, de oogstdag zal welkom zijn. En wel beschouwd, wat doet het er ook toe, of de namen op het schutblad van den Bijbel een jaar of wat meer of minder achter zich tellen, als de Bijbel zelf, waaraan ze als vastgehecht en waarmeê ze verbonden zijn, maar jong, maar eeuwig jong is en blijft!En dat blijft hij!Zie, daar ligt hij voor mij. Wij zien elkander na lange scheiding weêr. Hoe zien wij elkander? Hij vindt mij vrij wat veranderd: de Tijd schreef in rimpelen zijn voortgangen op mijn voorhoofd aan; ja ze staan, als op iederen van mijn gelaatstrekken, op elke van mijn lichaamsleden te lezen! Hoe geheel anders met hem. Hij altijd dezelfde. Ook uitwendig, in den sterken juchtlederen band, de soliede koperen[168]sloten, het stevige, degelijke, deugdelijke ouderwetsche papier met den kloeken zwarten letter, en de platen vanLuyken, bijna even duurzaam als het koper waarin ze eens gegraveerd zijn. Maar ook inwendig, in den inhoud. Ook daarvan geldt ten volle: „Niet verouderd!”Welk een verschil tusschen hem en mij!Ik las onlangs een bijzonderheid uit het leven vanAlexander van Humboldt, die mij trof. Toen hij als jongeling met zijn vriendBonplandin Zuid-Amerika reisde, zag hij een boom,Saman del Guere—meen ik—geheeten: een waren reuzenboom, in al zijn pracht, macht en kracht. Zestig jaren daarna, in 1858, bracht hem een reiziger, die uit die streken kwam, een gelijkende fotografie van dien boom mede. Dat gezicht deed hem aan. Naar de teekening te oordeelen, was die boom nog volmaakt dezelfde als in 1798. De stam even hoog, vast en recht; de kroon even breed en rijk; de takken even overvloedig, weelderig en schilderachtig naar alle zijden uitgebreid; de bladeren even rijk frisch en groen; de bloemen- en vruchtenschat even kleurig en welig. Toen werdAlexanderbedroefd. „Die boom nog geheel onveranderd, terwijlBonplandlang dood is, en ik een oud man aan den rand van ’t graf! Wat is er nu van die vlucht van jeugdigenthusiasme, die mij en mijn reisgenoot toenmaals bezielde, en ons met onze gedachten en plannen hoog boven de hooge kruin van dien reuzenboom, ja, van de hemelhooge bergen daarachter en rondom, opstijgen deed!…”Maar genoeg, gij hebt mij reeds begrepen. WatAlexandervoelde tegenover de afbeelding van zijnen langlevenden boom, gevoelt de verouderdeJonathan, staande tegenover zijnen altijd jongen Bijbel. Alleen maar, de aard van de daardoor opgewekte gewaarwording verschilt.Humboldtwerd droevig, ik gevoel mij gelukkig en blijde. Geen wonder: de jeugd van zijnen boom kon zich aan hem niet meêdeelen: maar de onveranderlijkheid van onzen Bijbel waarborgt ons onze onsterfelijkheid, onze eeuwige geestelijke jeugd. Daarom roemen wij:Alle vleesch is als gras, en alle heerlickheyt des menschen als een bloeme des gras. Het gras is verdorret en sijne bloeme is afgevallen: maar het woordt des Heeren blijft in der eeuwigheid.Ja, het Woord blijft. Jaarhonderden en jaarduizenden zijn dáár, om hettestaven; ook het laatste jaarhonderd is daarvan een getuige te meer. Dat tijdvak toch is voor mijnen Bijbel niet al te goed geweest. Vreeselijke stormen en orkanen, o gij, woudkoning in den vreemde, gij machtigesaman-boom! zullen in den loop van die zestig jaren, van 1798 tot 1858, over uw kruin zijn heengevaren; ontzettende onweders zullen uw stam hebben bedreigd, en misschien ook wel vreeselijke aardbevingen uwe wortelen hebben geschokt en geschud; maar gij zijt staande gebleven, altijd jong, altijd sterk, altijd groen, altijd vruchtbaar! Welnu, niet anders deze Bijbel! Ook over hem heeft een Pinksterstorm, gelijk wij er een in 1860 beleefden, die de grootste en sterkste eiken ontwortelde en nederwierp, wat zeg ik? onderscheiden zulke Pinksterstormen[169]zijn over zijn hoofd heengegaan, en hebben getracht hem te knakken of neêr te slaan; maar het is niet gelukt. Hij heeft geen blad verloren, geen bloesem laten vallen, geen vrucht afgeschud.… hij staat daar altijd even krachtig en bloeiend, en als gij hem nadert, reeds van verre waait u uit zijne bladeren een geur des levens te gemoet!…Men zou zeggen: maar wie heeft dan zulke stormen en onweders tegen dit beste der Boeken verwekt? Kan het zijn? Hebben dat de menschen gedaan? En waarom? Wat dan, o mijn Bijbel, wat hebt gij den menschen gedaan, dat velen uit hen u zoo gram konden zijn, en u zoo gaarne zouden verbrand, verscheurd, of voor het minst verminkt hebben, zoo ze hadden gekonnen?Wat gij den menschen gedaan hebt? Dat is spoedig gezegd. Gij hebt ook in het jongst-verloopen tijdvak, ook in de laatste zestig jaren hebt gij duizenden, en tien- en honderdduizenden onder de menschen geleerd, gij hebt ze gesticht, gij hebt ze getroost, gij hebt ze gesterkt: gij hebt wonden gebalsemd, gij hebt rimpels glad gestreken, gij hebt tranen gedroogd. Toen er ten vorige jare oorlog was, was het als een hemelsche verschijning, als er in de hospitalen, waar de gewonden lagen, een broeder of een zuster van het Roode Kruis kwam, met een zachte hand, en een zacht verband, en een verzachtenden balsem in de vingers, en vooral met een zachte stem, die opbeuring en vertroosting sprak tot de verslagenen naar het lichaam en de verslagenen naar den geest. Maar wat die barmhartige Samaritanen onder de menschen in zwakheid hebben beproefd, dat hebt gij, o hemelsche Samaritaan des goddelijken Woords! in kracht beoefend en volbracht. Gij hebt in het groote hospitaal des menschelijken levens, waar de zichtbare, maar vooral de onzichtbare wonden niet te tellen zijn, gij hebt daar al wat krank, en zwak, en lijdende, en geknakt en gebroken was geheeld en gesteund; gij zijt dien mannen van krankheid en smart, dien kinderen der zonde en des doods, een engel der vertroosting en des levens geweest: gij hebt u dienBenoni’seenBenjamin, een zoon der Rechterhand getoond! O hoe zal men er u ooit genoeg voor danken? hoe zal men er u voor begroeten en zegenen: Gezegend gij die komt in den naam des Heeren!…Maar neen! neen! Alzoo, o mijn Bijbel! is het u van velen niet gegaan. Veeleer het tegendeel. Iemand heeft een verhaal aangaande u geschreven: De geschiedenis van het Boek. Maar indien men die geschiedenis raadpleegt, dan ziet men dat weinige lijders in deze negentiende eeuw moeielijker dagen hebben beleefd, dan gij; ja, zoo moeielijk, dat het ons soms wonder dunkt, dat gij er het leven afgebracht hebt; hoeveel meer, dat aan u de belofte ten volle vervuld is: Geen been van hem sal verbroken worden.Inderdaad! het is een zware strijd, die in onze dagen op het groote slagveld des geestes gestreden wordt. Op een van de heerlijke zes fresco’s vanKaulbachin het nieuwe museum te Berlijn, voorstellende zes hoofdtijdperken uit de Algemeene geschiedenis der menschheid, heeft[170]de schilder de zegepraal des Christendoms over het Heidendom afgebeeld. Het tafereel geeft u een blik te slaan op het slagveld van den slag, in de velden vanCataloniëtusschen Theodorik en Attila geleverd. Het is een geniale greep! Beneden ziet men het slagveld zelf met zijne gewonden en dooden. Maar niet alleen beneden, ook daarboven is er strijd. Uitgaande van de legende, dat men nog dagen daarna krijgsgerucht in de lucht zou hebben gehoord, ontleent de schilder daaraan een schoone dichterlijke gedachte. De geesten zetten daarboven in de lucht den strijd voort, dien de lichamen der verslagenen beneden hebben moeten opgeven. Welnu, een dergelijke geestenslag heeft ook in onzen tijd plaats. Wie ooren heeft om te hooren, hoort het geklikklak der zwaarden in de lucht. Wat zal de uitkomst zijn? Dat vraagt niemand die gelooft. Wij zijn als Eliza. Wij zien en hooren de legers van onzen grooten Bondgenoot in de lucht, en roemen als hij: Wie met ons is is meer, dan die tegen ons zijn. Wij zijn vóór het einde van den slag der victorie zeker. Toen de Fransch-Duitsche oorlog van 1870 begon, riepen de Franschen; naar Berlijn! de Duitschers; naar Parijs! Dat was bij den een grootspraak, bij den ander anticipatie, bij beiden overmoed. De een had Parijs wel niet kunnen, de ander heeft Berlijn niet mogen zien. Maar als wij in den grooten geestenslag tusschen licht en duisternis, tusschen de wereld en het geloof dat de wereld overwint, bij voorraad en voorbaat uitroepen: Naar Jeruzalem! Naar het Nieuw Jeruzalem! dan weten wij, dat wij er komen zullen. Hij, die niet liegen kan, deWaarachtigeen Almachtige heeft het gezegd. Het bulletin is reeds geschreven: het is in de Apocalyps geboekt.Dit neemt evenwel niet weg, dat voor een hart, dat dezen strijd aanziet, dat aan dezen strijd deelneemt, de dagen boos en hachelijk genoeg zijn. Een man, die recht van medespreken heeft; daar hij jaren opperstuurman op het schip van staat in Frankrijk was, en dat schip door menigen storm gelukkig heenvoerde, totdat ook hem het roer in de handen brak; de groote en edele strijderGuizotheeft er van gezegd: „Mijn ziel is te gelijk van vertrouwen en onrust, van hoop en vrees vervuld. Ten goede en ten kwade is de krisis, welke de beschaafde wereld doorgaat, oneindig sterker, dan onze vaderen hebben voorzien; sterker dan wij zelven het denken, wij, die er reeds de meest verschillende uitwerkselen van ondervinden. Verheven waarheden, uitnemende beginselen zijn innig samengemengd met denkbeelden, die volkomen valsch en verderfelijk zijn. Een schoone arbeid van vooruitgang en een afschuwelijk werk van verwoesting volgen elkander in de geesten en in de samenleving op. Nooit heeft de menschheid in zulk een mate tusschen hemel en afgrond gezweefd.” De schilderij is niet bemoedigend, en toch, we willen den moed niet opgeven. Ook daarom niet, omdat we op den eind-uitslag gerust zijn. Maar ook niet om deze reden, dat hoe dreigend zulk een strijd zijn moge, er nog iets erger is dan dat, en dat is: een volkomen rust.… namelijk de rust van het kerkhof, de rust des doods. En die was er vroeger, eer deze strijd ontbrandde.[171]Die was er in de zoogenaamde vredejaren, toen de kwade stoffen stillekens werden opgehoopt, die de lucht zoo elektriek gemaakt hebben, dat nu het bliksemlicht niet van den hemel is. Vraag een wakker kapitein, die op de Oost vaart: Wat hebt gij liever: storm, of langdurige windstilte? Hij zal het eerste kiezen. Met storm komt men, al is het dan dan stormende, toch nog voort: met eene windstilte gaat tijd, geld, lust, geduld, moed, alles verloren.—En ziet gij, er was vroeger op de Galilesche zee der kerk windstilte. Het zeil van het scheepke des Heeren hing los langs den mast; er was geen adem op het water, geen gang in het schip; alles doodstroom; men kon niet varen; men kon niet voort. Later begon de wind op te steken.…. het woei.… het woei hard.… het woei harder.… het waait nu erg hard.… het waait soms een stoker … om het even! Beter zoo, dan in ’t geheel niet. We weten nu voor het minst, dat we leven, we weten waarom we leven, we weten ook waarvoor we strijden, en met Gods hulp, we zullen er ons doorslaan, en de haven halen!Als nu maar alle man zijn plicht doet!Nelsonzeide voor den slag van Trafalgar: Engeland verwacht dat ieder man zijn plicht doen zal. En zij deden hun plicht, en overwonnen. Zoo ook wij. Elk zijn plicht: van den admiraal tot den matroos; van den opperstuurman tot den koksjongen; van den kolonel der marine-soldaten tot den pijper, die den slagmarsch blaast. Alle man zijn plicht. En dat is niet: hard geroepen! luid geschreeuwd! Maar: trouw gewerkt! ijverig gearbeid! en moet het wezen—en het moet soms zijn—moedig en dapper gestreden! Ach, dat het daaraan zoo dikwijls ontbreekt!Jonathan, gij ziet hier toch niet bezijden? Zie vóór u! of liever: Zie op u! En nog het allerliefst: Zie in u, en spreek uwpeccavi!Och ja,peccavi! Als ik naar binnen zie, dan sta ik hier voor mijn Bijbel, die mijn stamboom, den stamboom ook mijner vrome vaderen bevat, als een arm zondaar. En dat niet enkel, omdat ik misschien soms wel eens wat traag, of achterlijk, of lafhartig was in den strijd,—daar zijn er, die mij den Jonathansgeest op dit gebied als de zwaarste mijner zonden aanrekenen—maar ook, en vooral, omdat ik, naar mijn eigen inzicht en gevoel, niet trouw genoeg heb gewaakt en gewerkt. Dat is toch nog altijd de weg, die de uitnemendste is. De vorsten en ridders der hervorming droegen in der tijd op hun kleed het woord gestikt V.D.M.I.A.Verbum divinum manet in aeternum.Dat voorbeeld moeten we volgen. Of nog liever: we moeten dat woord niet alleen dragen op ons kleed, maar op ons lichaam, op onze ziel, op ons verstand, op onzen geheelen uit- en inwendigen mensch. We moeten niet alleen een levenden Bijbel hebben, maar ook een levende Bijbel zijn: een boek, waarin de Heilige Geest niet met inkt, maar met vuur, zijne geboden schrijft, om tot een brief van introductie en recommandatie voor zijn Evangelie bij anderen te strekken. Mocht ik die les leeren aan den voet van het Woord, waarvoor ik sta. Het is de les, waarin men nooit volleerd is. Zelfs invaliden moeten in dezen[172]strijd zich nog blijven oefenen, als jonge conscrits. Laat dat zijn. Als de dood ons maar bij het vaandel, op onzen post vindt. Als we maar metBossuet, in het schoone slot van zijne lijkrede opCondé, ons door onze witte haren indachtig laten maken aan de rekenschap, die wij eerlang hebben af te leggen, en aan de vervulling onzer taak tot den einde toewijdenles restes d’une voix qui tombe et d’un ardeur qui s’éteint.Negen—tien.—Mijn klok spreekt. Hij zegt, dat het tijd is om te eindigen. En dat kan ik ook doen: mijn taak is af. Ik heb mijn Laatste woord aan den lezer gesproken. Dit woord is als een enveloppe om een brief, dien men nu, met een allerlaatsten groet op de keerzijde van den omslag, definitief verzendt. Moge de brief goed aankomen, en met een vriendelijk gezicht worden ontvangen. Ik heb geen reden er aan te twijfelen. Ik zeide het reeds vroeger: het groot publiek is van ouds goed, en meer dan goed voorJonathangeweest. Ik had die goedheid vroeger niet verdiend, en weet niet, waardoor ik haar nu zou hebben verbeurd. Ik wil er het beste van hopen.En zoo leg ik hier niet, zonder een gevoel van zachten weemoed de pen neder.Ik zie nog eens voor het laatst het tijdvak over, dat deze vijfde uitgave van de eerste scheidt. Waar zijn nu velen van de lezers, die mij het eerst door hun goedkeuring en toejuiching verblijdden en bemoedigden? ze zijn niet meer. Ze zijn uit dit land van Droomen in het vaderland der eeuwige Waarheid overgegaan, en aanschouwen daar de vervulling van menige schoone verwachting, waarover wij ons samen, al schrijvende en lezende, in de voorgaande bladzijden hebben verheugd. Daarentegen is een ander geslacht opgestaan, en omringt in zijn jeugdige gestalte den steeds ouder en ouder wordenden vader van dit papieren kind. Zal ik bij de kinderen iets terugvinden van de welwillendheid, die ik van hunne ouders, en misschien grootouders, genoot? Ik mag er althans niet op rekenen.Andre tijd, andere oogen, een andere kreet,En de tijd is nabij, die mijn schijnsel vergeet!Ook voor den flauwsten nagalm van vroeger ondervonden waardeering wensch ik dankbaar te zijn.En nu eindelijk nog een handdruk aan de vrienden onder mijne tijdgenooten, die nog in leven zijn. Dit kringetje is klein geworden, maar het is, Goddank, toch nog niet geheel gebroken: het is nog een kringetje:tres faciunt collegium. Hen moge de oude bekende stem nog eens, van uit deze bladen, van mijnentwege groeten. EenRequiescatvoor de dooden: een hartelijkSalvevoor de jeugd; maar dan ook een trouwe handslag met een hartelijk:Semper idem!voor de vrienden! De dichter heeft gevraagd:[173]Maar de mannen, in wier hairenWij een grijzen vlok ontwaren,Daar zij zich in ’t hoekjen scharen,Waar zij uit de drukte zijn,Prijzen luide d’Ouden Wijn,Geurig, keurig, uitgelezen.…Zou ’t met vriendschap ook zoo wezen?De vraag wordt aan allen, dus ook aan mij gedaan; en dan roept alles wat in mij is daarop luid en vroolijk uit: Ja, Dichter! zoo is het! Zoo is het! Zoo blijve het! Zoo worde het steeds meer en meer!En nu gaan wij, eer de nacht valt, het oude huis, waaraan wij in den geest samen een Afscheidsbezoek brachten, verlaten. Ik schuif den leunstoel terzijde, ik sluit de boekenkast dicht, ik sla een laatsten blik op den uurwijzer van mijn Huisklok, ik wuif een groet toe aan het Kinderportret aan den wand, ik richt ten slotte een dankbare zegenbede aan den ouden Huisbijbel—en thans den trap af, de deur gesloten, de sleutel uit de deur.… heil zij dezen huize! Waarschijnlijk kom ik hier niet weêr. Andere stemmen roepen elders heen. De weg leidt voorwaarts.…Voerman! rij in Godsnaam voort![175]

EEN AFSCHEIDSBEZOEK.Vervolg.

Nog eens—Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.Editha—zeide ik straks—speel een lied! Zoo ze hier was, ze zou het kunnen; want waarlijk, daar, tegen den wand, staat haar piano, die mij zoo vaak voor huiselijke harp heeft gediend. En zeker, ze zou willen ook; want wanneer heeft de vriendelijke mij ooit iets geweigerd, waarop mijn hart gesteld was, indien zij het mij toestaan kon? De lieve zuster! die mij zoo vaak het woord op de lippen heeft gebracht:O zusterliefde is de edelste van allen;Daar mengt zich drift, noch teedre hartstocht in.Ik mag het met blijdschap erkennen: als ik het Album met zijn vele namen van vroeger en later ontslapenen aanzie, en daarbij de namen voege, die in dit Album zouden behooren, al staan zij er niet in, omdat ik op het laatste blad hetcetera desuntlees,—Godlof,Edithais nog in het land der levenden. Dàt stuk van mijn leven althans, dàt stuk van mijn hart is mij nog niet afgevorderd. Dit is voor het minst een troost. Want, ziet gij, na den moederschoot, die u het leven gaf, en den vaderschoot, waarop gij het eerst met verrukking ontvangen en met een welkomskus onthaald zijt geworden, is er geen dierbaarder plekje voor u, dan de heilige grond, waarop gij, aan hun voet, met uw eerste speelnootjes hebt gespeeld: na hun beeld geen liever gestalte, dan dat zwarte jongenskopje of dat blonde meisjeskrulhoofd, waaraan gij met de eerste streelingen van uw kleine vingers en de eerste kussen van uw eigen kleinen mond u in het eerste liefdebetoon geoefend hebt. Kinderen hebben altijd kinderen lief en zijn bij voorkeur met kinderen samen; maar dàt kind, of dèze kinderen!… ze hebben een eigen plaats in uw hart. Zijn ze niet als knoppen met u op denzelfden stam gegroeid? Hebben ze niet uit de lieve moederaarde denzelfden malschen zoeten dauw gedronken? Hebben ze den zonnestraal, die van den hemel op u en hen scheen, niet broederlijk en zusterlijk met u gedeeld? Het zou wel vreemd zijn, als de bloeddroppels in de aderen van het kind[154]dáár naast u niets voelden van de bloeddroppels in uwe aderen hier, daar ze toch uit ééne moederbron zijn gevloeid. Wel kan het zijn, en zal het waarschijnlijk zoo wezen, dat de verschillende sprankels uit die bron later ieder hun eigen weg gaan.Jonathanrechts,Edithalinks … maar al raken ze uit elkander, ze raken daarom niet van elkander af. Ze zijn twee helften van een schelp; ook als ze gescheiden zijn, roepen ze om elkander, en als ze weer samenkomen, zie! zie! ze passen op elkaâr alsof ze nooit van elkander geweest waren. Het is één stem in twee harten, de oudste stem van allen: de stem des bloeds.Zoo was het ons in lang verloopen dagen, waarvan de luite zong:Gij zijt mijn zuster. ’t Zacht geluidDer snaar, die in uw boezem trilde,Drong straks van uit de loofhut uit,Waarin gij ’t eerst zoo gaarn besluiten wilde.’k Huwde aan uw zang mijn eigen lied,En ’t kwam welhaast aan honderden ter ooren,Die naar den wildzang wilden hooren,Geneuried op mijn pijp van riet,HoeJonathangeen grooter schatOp aarde danEdithahad.Zoo bleef het ook later, na het uur van scheiding. Voorwaar, die scheiding was bitter, al was de reden zoet, maar die scheiding heeft niets gebroken. Het is toch met den band der liefde, als met den telegraafdraad. Hij is zoo lang, zoo lang, zoo lang … als de geheele wereld: hij doet des noods de reis rondom de wereld zonder te breken. Niet waar,Editha? dat hebben ook wij gevoeld; dat hebben ook wij ervaren. Wij hebben elkander nog lief. Anders dan vroeger? Voorzeker. Maar minder dan voorheen? Ik zou zeggen, nog meer. Naarmate de gelederen dunner worden, sluiten de overblijvenden zich dichter aaneen. Ik heb wel eens kanonniers zien exerceren: als dan de bevelhebber van het stuk kommandeert: No. 1 No. 4 No. 6 ontbreekt! treden die nommers uit, maar dan reiken ook terstond de anderen dubbel ijverig elkaâr de hand om de ledige plaatsen aan te vullen, en komen ze zoo altijd dichter bij elkaâr. Doen nu de soldaten zóó, bij dat leelijke werk van kanonnenladen, dat op het hart en het leven van hunne evennaasten doelt, zou dan de broederlijke liefde, bij haar werk, dat een werk des levens is, minder doen? Zouden de laatste Nommers elkander nog niet meer en liever helpen en steunen, naarmate er andere „Nommers ontbreken?” O voorzeker. Als vader en moeder niet meer zijn, zoeken de kinderen hun beeld op elkanders gelaat en in elkanders stem, en zoo goed het gaat, al gaat het niet volkomen, ze zoeken den weêrschijn van de uitgebluschte, neen! naar elders overgebrachte vlam in elkanders liefde terug te vinden. En daarom,Editha, geef mij de hand. Wij blijven elkander trouw, zoolang de lieve God ons samenlaat. Wij willen broeder en zuster blijven tot den einde: tot dat wij de een den[155]ander goeden nacht kussen in de tweede wieg, gelijk wij het zoo vaak in de eerste wieg hebben gedaan.En nu, uw piano! Ja, ik herken ze, het is nog het oude instrument: de oude Broadwood, waarop gij zoo vaak de reeds genoemdeDernièrepenséeen zoo menig ander lied voor mij hebt gespeeld. Ik weet wel, die liederen zijn uit de mode; men heeft nu andere muziek: of ze ook beter is? Ik heb het openlijk en rond verklaard: ik ben geen kenner; het zou mij dus allerminst passen, een oordeel te spreken. Maar er zijn knapper luî op dit punt, die ik wel eens in twijfel heb hooren trekken, of we, ook in dit opzicht, wel op den weg van vooruitgang zijn. Ze zeiden, maar ik zeg het niet, de verantwoording blijft voor hen—de kooi, waarin de zangvogel zit, zou nu mooier zijn, kostelijker van stof en fraaier van vorm, maar de zangvogel zou er niet op verbeterd wezen. Mij heugt, hoe ikAndersenmet eigen mond eens een sprookje van hem hoorde lezen van een Oostersch hof, waar men eerst een nachtegaal had, die voor den koning zong, en later een mechanischen kunstvogel, die geleerde liedjes speelde, maar hoe toch ten slotte … doch, het is waar, dat was in het Oosten, en wij wonen in een kouder klimaat: dat past dus niet op ons. Wij hebben dus geen recht om te vragen, of de muziek der Toekomst vanWagnerhet bijvoorbeeld vanWebermet zijn:Einsam binichnicht alleine, of zijn:Dernière penséewint? Ik stel mijn lezers voor, de beslissing van die vraag aan de Toekomst over te laten. Dan mogen mijnentwege de toekomstigePatti’senJenny LindsbovenWagnersgraf den triomfzang van de Polyhymnia der nieuwe kunst-eeuw uitvoeren!Éénding echter staat vast. Mocht ook de zangvogel in onze dagen minder rijk aan melodiën zijn, dan wel eens vroeger, omdat hij min of meer in den ruitijd is, geheel zwijgen, en nog meer, sterven zal hij niet. En gelukkig, dat het zoo is. Wij kunnen de schoone kunst vanJubalop onze arme, koude aarde met hare dissonanten niet missen. Die ons de uitvinding gaf, zal het ons aan de noodige hulpmiddelen tot haar gebruik wel nooit geheel laten ontbreken. Er is een stem, die in den mensch metJenny Lindsberoemd lied roept:Ich musz nun einmal singen!Luther wees aan de muziek, na de theologie, de eerste plaats onder de aan den mensch verleende goddelijke gaven toe. En dit moeten wij erkennen: Is in den laatsten tijd onze muziek niet beter geworden, wij zelven werden muzikaler dan voorheen.Sancta Ceciliais nu een der eerste santinnen van onzen almanak: zij geeft onder haren naam feesten in de Hoofdstad, waar het hart der kenners van verdaagt. Jonge heeren en dames neuriën en musiceeren uit den treuren; de liedertafels trekken met hunne banieren en medailles triumferende het land rond; zelfs den kinderen op de school wordt, naar een woord vanLuther, de wijsheid ingezongen: er zijnenthusiasten, die van de heerschende melomanie de hervorming des volks verwachten. En hoe kan het anders? Als er zooveel harmonie is in de lucht, die we indrinken, dan moet immers ons binnenste, dat daarmede[156]geheel vervuld wordt, zeker wel gansch en al harmonisch worden!…Hm! Hm! het kan zijn. Maar of ik er voor’shands veel van merk? zie, dat is een andere vraag. Tot nu toe althans heb ik niet kunnen vinden, dat de geblazen en gestreken harmonie tot liefelijke akkoorden en muzikale samenstemming in de gedachten en gevoelens der verschillende menschenkinderen heeft geleid. In dit opzicht heeft het diereningewand tot nu toe te vergeefs voor ons gezongen. Ik heb niet gehoord, dat de mooie Grenadier-concerten vanDunklerin het Haagsche bosch belet hebben, dat er onder de vaders des Volks op het Binnenhof nog al eens gekibbeld wordt. En ik weet niet, of het aan de Cecilia-feesten vanVerhulstin het Amsterdamsche Volks-paleis wel al gelukt is, om al de geleerde hoofden in het Trippenhuis op de zittingen der Koninklijke Akademie onder één hoed te brengen. Als ik met een zachte stem die bescheiden opmerking maak, heeft men mij wel eens te gemoet gevoerd, dat dan toch in elk geval de muziek, even als het orgel in de kerk, ons de goede dienst bewijst om de dissonanten, die het niet verhinderen of oplossen kan, te helpen dekken; en dat wil ik gaarne toegeven. Het is dan maar te hopen, dat de dissonanten hunne stemmen niet al te luid verheffen, zoodat ze de muziek, die ze moet helpen verdooven, overschreeuwen. Wie weet, wat de muziek der Toekomst doen zal? Misschien zal aan haar hand de klankladder vanUtremifasolde hemelladder worden, langs welke de mensch tot het bereiken van zijne bestemming langzaam wordt opgevoerd. Ik heb ergens gelezen, dat er menschen zijn, die naar een algemeene taal voor de gansche menschheid hebben gezocht, en daartoe de hulp van de viool hebben willen gebruiken: tot dusverre is dit niet gelukt. De taalverwarring, die van Babels toren dagteekent, duurt nog altijd voort: vraagt het de discipelen van de Burgerscholen maar, die nog altijd met zulk een inspanning zitten te zwoegen om de vreemde talen, die ze aanleeren moeten, onder de knie te krijgen! O welk een vreugde zou de uitvinding en invoering der algemeene taal onder de jeugdige kielendragers en kort-gejurkten verwekken! Welnu, misschien gaan wij er heen. Orfeus bouwde steden op de klanken van de citer; misschien is er een Orfeus der Toekomst aanstaande, die door zijnPaganini-viool de verdeelde, elkander kwalijk verstaande, met elkaâr twistende en kijvende menschheid in een groot concert van broederlijke en zusterlijke stemmen verandert en herschept. Men moet niet wanhopen.…pianowil zeggen zachtjes! en daarvan komt de derivatiepianissimo!En wederom:Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.—Een—twee—drie—vier—vijf—zes—zeven—ACHT! Daar slaat waarlijk mijn oude Huisklok acht uren. Welkom kameraad!—We hebben elkander in lang niet gezien. Ik heb u in[157]lang niet gehoord. Toch weet gij, of ik u lief heb gehad. Nog meer ik heb gemaakt dat ook anderen u lief kregen; ik heb zelfs eens een bezoek van een vriend gehad, die mij kwam vertellen, dat hij u een jongeren broêr gegeven had. Hij had een ouderwetsche klok gekocht, en die laten opmaken precies als gij, tot uw eigen opschrift toe:Una ex his hora mortis.Zoo zoudt gij op het laatst nog haast oktrooi moeten gaan vragen, en in den oprechten Haarlemmer een advertentie bij wijze van Waarschuwing tegen Namaak moeten plaatsen. Nu laat u namaken wie wil, als men dan ook de lessen maar navolgt, die gij zoo gereed en gewillig zijt aan uwe aandachtige en indachtige hoorders te geven. En dat hebt ge zeker ook blijven doen, al was ik daar niet om ze van u te ontvangen. Hoeveel tijd is er voorbijgegaan, sedert ik ze hier op dezen zelfden stoel van u ontving! Hoeveel malen hebt gij twaalf geslagen, twaalf uren op den dag en twaalf uren in den nacht, sedert ik, op het punt staande om van hier te gaan, uw wijzer vroeg, of het nog geen tijd was, en toen gij ja! zeidet, u een laatst Vaarwel toeriep. En sedert zijt gij daar altijd blijven staan, terwijl ik hier en daar rondzwierf, en mij met een plaatsvervanger van u zoo goed mogelijk behielp. En sedert zijt gij altijd even gelijkmatigunisonoblijven voorttikken: tik-tak! tik-tak! tik-tak! terwijl intusschen mijn hart menigmaal zoo onrustig sloeg en joeg. Ach, mijn goede Huisklok, zoo ik u dat vertellen kon! In Dertig jaar kan er door een menschenhart, welks ketting en veer niet van hard, stug metaal is, wat worden afgeleden, afgestreden, en afgebeden, waarvan een Huisklok aan den wand, en zelfs een zakuurwerk op de linkerborst, dat toch zoo dicht bij de levens- en gevoelsbron tikt, niets vermoedt. Maar ik zal ook niet pogen u dat te vertellen. Gij zoudt mij toch niet begrijpen. Hoe wild het ook daar buiten storme, bij u gaan de scheepjes van de geschilderde mechaniek op uw wijzerplaat altijd even kalm en effen heen en weêr. Als de horlogiemaker maar op het opwinden, en nu en dan op het schoonmaken past, raakt gij nooit van de wijs of uit de maat. Dertig jaren zijn in dit opzicht voor u als één dag.Dertig jaar. Mocht ik nu maar kunnen zeggen: Dertig jaar ouder—Dertig jaar wijzer—Dertig jaar beter. Dertig jaar dichter bij het graf—Dertig jaar dichter bij het doel. Maar, ach, mijn waarde tijdmeter, ik moet het met schaamte bekennen: Ik ben een vergetel hoorder,een traag discipel van u geweest. Ik heb er niet genoeg aan gedacht:Una ex his. De kleine wijzer van den Levenstijd heeft wel altijd trouw de ronde gedaan, maar de groote wijzer van den Plicht heeft de hare wel eens vergeten: hij stond wel eens stil, en haperde, terwijl zijn kleiner broeder altijd even trouw voortliep. Bij zulk een hapering kan men niet zeggen, dat een horlogie gelijk loopt! Ik ben geen wellust van het menschengeslacht, als wijlenTitus, maar dit toch heb ik met hem gemeen, dat ik ook nog al eens aan den avond van een dag heb uitgeroepen: ik heb een dag verloren. Als[158]ik van u een kerfstok wilde maken om zulke kwade dagen op te teekenen, zou uw lange kast veel te kort zijn. Zie, dat is een leelijk gebrek. Wij waarderen den kostelijken tijd niet genoeg. Wij laten de met goudkorrels bezwangerde rivier, den rijken Pactolus, langs ons heenvloeien, en bukken ons menigmaal niet eens om de goudkorrels op te zamelen, die de stroom met zich wegvoert. De Britsche denker had wel gelijk, die sprak: „Wij gelijken aan beelden van marmer in de tuinen, waarvan men fonteinen maakt. Uit hun lippen vloeit een helder water, dat voort- en doorloopt zonder ooit stil te staan, en het marmer is daar, lijdelijk, koud en geenerlei poging doende om den altijd doorgaanden stroomval tegen te houden.” Ach, ook ik zelf ben maar al te zeer zulk een bewegingloos beeld op de fontein des Tijds geweest, en zoo al de droppels, die zonder vrucht voor mij en anderen daarheen gevloeid zijn, in ééne kom samen vergaderd werden, welk een bassin zou daarmede worden gevuld! En zoo al die droppelen, die nu zoo eentoonig voortkletteren, een kenbare stem kregen om te verhalen wat ik in den loop dezes tijds gedaan en niet gedaan heb,—dan zou ik wenschen, dat die fontein deLetheware, en dat ik in haar water de vergetelheid van al dit lang verleden drinken kon. Maar, maar, het zal zoo niet zijn. Geen droppel vloeit naar beneden, die niet weêr zal opkomen, als een water-ader, die hier van de bergen stroomt, om ginds in het dal uit den grond weer op te komen en op te springen. Laat het zijn! Reeds vroeger, als ik u aanzag en, rekening met u hield, spraken wij samen van het groote Middel om het Tekort in eens menschen leven te helpen dekken. Gij hebt dertig malen gedurende mijn afwezen die zekere Drie slagen op zekeren Goeden dag geslagen, die herinnerden aan het grooteConsummatum est, dat der wereld den triomf van de wereldverzoenende liefde over de zonde en den dood verkondigde, en daarom mijn lieve Klok, tik voort! tik voort! Wij gaan den eenigen, eeuwigen goeden Vrijdag tegen, waarop niet alleen al wat te kort is zal worden aangevuld, maar ook al wat ten deele is zal worden volmaakt. Al gaan de dobberende scheepjes op uw wijzerplaat, niet voort, ze brengen ons toch naar die haven—de Goedereê, de Schoone haven van het eeuwig T’huis!En andermaal—Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.Ik zie de wanden van mijn studeercel rond, en ik vind daar, als vroeger, de ettelijke planken met boeken waarom in der tijd Judith mijn eenvoudig kamertje wel wat pompeus met den naam van Bibliotheek versierde. Daar staan ze, achter den groenen voorhang, die ze als eensanctumvan den voorhof van mijn kamer scheidt. Als ik ze nu aanzie, het is niet zonder een onwillekeurig gevoel van weemoed. Op een schilderijen-tentoonstelling hangt men boven het werk van een in den jongsten tijd ontslapen schilder een inmortellen-krans. Maar inderdaad, indien ik boven al de boeken der Auteurs, die in[159]het laatste Derdendeel der eeuw gestorven zijn,inmortellenkransen wilde ophangen, mijn boekenkas zou zelf iets van een bloemen-tentoonstelling krijgen.—Welnu, wat kwaad? Als de ééne Auteur sterft, komt een ander in de plaats. Om uw eigen beeld te gebruiken: Men roepe maar: „No. 1 ontbreekt!”.…—Meent gij dat? Ik wenschte, dat het waar ware. Maar reeds toen ik een jongen was, die „Bröder tot mijn pijn en Weijtingh voor mijn straf” kreeg, moest ik leeren:Consules fiunt quotanis—Consuls krijgt men alle jaren en Proconsuls ook er bij;Maar de Koning en de Dichter komt niet alle jaar als zij.De dichters groeien niet als despinaziein de lente of de bloemkool in den zomer, waarvan in den regel de oogst tamelijk wel te gelukken pleegt: in den hof der letterkunde heeft men nog al eens jaren van misgewas. Welkevruchtbaretijden heb ik in dit opzicht beleefd. Welk een tijdvak, waarin men in één jaar (1832) drie dichters alsGöthe, Walter ScottenBilderdijkverliezen kon! Toen had men er nog eentje voor ’t breken. Zulk een slag zou de groote Maaier nu met den besten wil niet kunnen slaan.Les rois s’en vont: dat geldt ook van de koningen der poezij. Eerst hadden we de koningen, toen de prinsen en nu—exceptis excipiendis,—zijn wij aan de grootvorsten, ja misschien nu en dan een kleinvorstje, of, dat op hetzelfde neêrkomt, een grootvorst van Luxemburg, het landje van ééne stad, er bij. Toen de koning van Frankrijk na den dood vanTurenneacht maarschalken in diens plaats benoemde, zeide men: De koning heeft zijn goudstuk tegen zilvergeld verwisseld. Dit geldt ook in onzen tijd, in den regel, van de munt, die op de poëtische pers geslagen wordt.… In vredes naam, als het niet anders kan! als dan het zilver maar echt zilver blijft, en geen Russisch zilver wordt!Toch is het een gebrek, dat gevoeld wordt. Aardappelennood valt zeker moeielijker te dragen, dan dichternood; maar een nood is het toch. Het is smartelijk, als men de jaren beleefd heeft, dat er bijna ieder nieuw jaar een nieuw groot dichter bij de overigen kwam, dat men nu den eenen dichttroon nadeanderen ziet ledig worden, zonder dat erlegitiemeopvolgers zijn om ze te vervullen, naar den regel:Le roi est mort! Vive le roi!—Jean Paulverhaalt een anekdote, die hier te pas komt. De PrinsVan Esterhazyhad zijn geheele muziekkapel, enHaydnals kapelmeester afgedankt. Dien ten gevolge componeerde deze een muziekstuk, waarin elkmuzikant, de een na den ander, een solo speelde en aan het einde er van den blaker op zijn muziek-lessenaar uitdoofde en wegging. Zoo verdween het eene lichtje en het eene instrument na het andere, en eindelijk bleef het orkest geheel stom. Ik heb aan dat verhaal wel eens gedacht, toen ikBilderdijk, en naBilderdijk Loots, en naLoots Staring, en naStaring Tollens, en naTollens Da Costa, en naDa Costa Van Lennepzag aftreden, en voor de meesten te vergeefs naar een plaatsbekleeder, en dat vooral[160]onder de jongeren, zocht. Toch willen we niet ondankbaar worden: stom is ons orkest gelukkig nog niet; er klinken nog eerste violen, al zijn ze schaarsch. Mocht het nu gaan als bijHaydnte Weenen,waar de Prins berouw kreeg van zijn besluit en de afgedankte kapel weêr aanstelde. Toen kwamen, in de omgekeerde orde, al de lichtjes en al de muziek-instrumenten één voor één weer terug.…Va-t-en voir s’ils viennent, Jean,Va-t-en voir s’ils viennent!Het is waar, men heeft één troost: denzelfden troost, dien men mij ook op het punt der muziek aanbood; dat schijnt op dit gebied „de troost der armen” (de bekende balsem) te zijn. Groote dichters heeft men nu minder dan vroeger, maar daar staat één voordeel tegenover. De poezij is in onze dagen meer gemeengoed geworden. De taal, de stijl der goede Auteurs, ook over andere, soms de meest afgetrokken onderwerpen, is dichterlijker geworden,HumboldtsKosmos is, ookliterarisch, een meesterstuk: dat zag men vroeger zoo niet. Zelfs over den goeden conversatie-toon ligt een meer poëtisch waas dan voorheen.—Ik wil het niet geheel ontkennen. Maar de troost is schraal. De honderdduizend boterbloempjes in het gras voldoen mij niet, wanneer ik, als bloemen-liefhebber, eens een schoone camelia of azalia of puike stamroos zou willen hebben. Ik geef vijfhonderd tjilpende musschen voor een enkelen nachtegaal.Zelfs dat de poezij voor sommigen min of meer een artikel van mode geworden is, kan mij niet geheel voldoen. Twee dingen, lieve jufvrouw, ik weet het, zijn in onze dagen voor een modieuse Dame onmisbaar: een Album metvisite-portrettenen een Poezijboek, vooral een Poezijboek, roodfluweel, met verguld slot en verguld op sneê! En dan van binnen tal van Versjes, met lange dunne letters van Engelsch model met bleeke inkt half leesbaar geschreven, sentimenteel tot in het schrift! En de inhoud: luttel Hollandsch, maar Fransch, en Duitsch, en Engelsch, vooral Engelsch, dat lieve Engelsch! En als men er dan een handschrift van een heuschen dichter, van „mijn dichter” bij krijgen kan, dat verhoogt de waarde van zulk een verzameling ontzaggelijk: dat is of men zijn kleed of hoed onmiddelijk uit de eerste hand, uit Parijs, kreeg.Ik moet erkennen: het is vleiend voor de betrokken poëten; maar of er nu de poezij zelf, of de geest en geestdrift voor poezij in den boezem des volks bij die Album-manie veel wint,—ik zou het niet durven verzekeren. En zie, dat is toch noodig. Ik gaf het reeds vroeger te kennen: Poezij beantwoordt aan een ingeschapen trek en behoefte in de natuur van den normalen mensch. Laat de bekende mathematicus bij het zien opvoeren derFedravanRacinevragen: wat dat bewijst? Uw vraag, o wijsgeer! bewijst dat gij een cijferbord zijt, waarbij het stuk krijt in het bakje, bij gebrek van beter, de plaats van hart vervult. Het meerendeel der menschen is anders gemaakt. De mensch leeft niet alleen van brood; zoo kan ook een ziel niet alleen[161]van proza leven. Ik heb een harp in mijn keel; als die bespeeld wordt, komt er een geluid, dat men in de wandeling de Stem heet. Maar ik heb ook een harp in mijn boezem; als die getokkeld wordt, komt er ook een geluid, en dat heet men Poezij. Nu kan ik de harp daarbinnen wel tot zwijgen doemen.… o ja! evengoed, als ik eens in een Trappisten-klooster een menigte monnikken zag, die niet alleen schoon linnen en warme spijs, maar ook devox humanaop de lijst derobjets de luxehadden gebracht, waarvan ze zich, ten genoegen van de engelen en den hemel, liever passeerden. Maar, ziet gij, als ik zoo handel, doe ik mijn aanleg en natuur te kort, en zulk een verminking blijft dan ook niet ongewroken. De mensch, die de Poezij als een overtolligheid afschaft, is als iemand die een vogel kortwiekt. Och ja, uw uitvlieg-duif blijft nu wel op de binnenplaats, mijn lieve kleine vriend! en hij leeft alleen van de duivenboonen die gij hem geeft, en geen nijdig buurman kan nu uw mooi exemplaar in zijn kooi opvangen: maar—nu is ook uw duif geen uitvliegduif meer, dan titulair, en de prachtige vogel, dien God geschapen heeft om meê de blauwe lucht te doorstreven en te doorzweven, te bevolken en te bezielen, is een arme invalide op zwart zaad geworden, waarop de dikgepropte doffer van uw buurman, als hij triomfeerend den hemel doorklieft, met deernis of verachting neerziet. We kunnen alles wat in ons met den hoogeren, beteren, etherischen mensch in verband staat wel afdanken en op pensioen zetten; dat kunstje wordt helaas! in onzen tijd genoeg geleerd en geoefend; maar men noeme zich dan ook geen kompleet mensch meer.Die halben und die ganzen, zei iemand in onzen tijd. Ja, als er minder „halve” menschen waren! Dan.…Maar ik hoor nog een excuus, voor en door de kinderen onzes tijds ingebracht.—De tijd deugt er niet voor. Het is in onze dagen te druk, te woelig, te volhandig! Er wordt te veel in het bosch geschoten: daarom kunnen de nachtegalen niet zingen.—Ei zoo? Dus; de meestpoëtischetijden zijn die, waarin de tempel van Janus gesloten is? de tijden, waarin demenschheid, als de wijn, die belegen moet zijn, in de vaten op den droesem rust? de tijden, waarin de Jansalies het roer in handen hebben en al de kippen op stok zijn? Dit had ik niet gedacht. Ik blijf ook nog wel een weinig twijfelen. De historie althans schijnt er anders over te denken. Er is een eeuw geweest, die men, evenals men de eeuw van Saturnus de gouden, zoo deze „de groote eeuw” noemde; welke was die eeuw? Het was de eeuw in Frankrijk, waarin de Zonnekoning regeerde; waarinTurenne, enCondé, en andere reuzen der krijgskunst meer, veldslag op veldslag wonnen, enColbertden handel van zijn volk, met de zich steeds vermeerderende zeilen der schepen, steeds nieuwe vleugelen aanbond. Maar zie dat was—toevallig? ook dezelfde eeuw, waarinCorneilleenRacinezongen,Boileaude wetten op den zangberg gaf,Pascalzijn gulden wijsheid tot goudstukken vermuntte, enBossuetenBourdalouestemmen uit de hoogte deden hooren, die het kolossale paleis[162]van Versailles op zijn grondslagen deden daveren.—Had de Vrijheidskrijg van 1813 zijnenKörnerniet? Van waar dan, dat men in den jongsten oorlog te vergeefs naar den Tyrteus uitzag, die bij zulk een voorbeeldeloozen kamp niet scheen te mogen ontbreken? De driehonderdLieder der Schutz und der Trutztoch, waarmeê de Germanen elkander zoo goed mogelijk hebben opgewonden, kunnen even weinig voor een Ilias van dezen krijg gelden, als de houten theater-ballen, waarmeê Victor Hugo voor zijne Franschen den oorlogsdonder zocht na te maken. Het is gelukkig voor de Duitschers, dat de Krupp-kanonnen krachtiger taal spreken; anders zouden Sedan en Metz, Straatsburg en Parijs niet gevallen zijn!Men vergunne mij dit elegietje op denChute des feuillesvan den laurierboom der schoonste kunst. Misschien is het wel een weinig eenoratio pro domo; misschien pleit ik min of meer voor eenfamiliebelang; ik geloof werkelijk, dat ik een verren neef onder de dichters heb. Maar ik geloof toch ook, dat er bij mij nog iets anders, iets beters bij komt. Ik geloof waarlijk, dat de menschheid behoefte aan poëzij, en wel aan waarachtige, verhevene, groote poëzij heeft.Thorwaldsenheeft eens een basrelief gemaakt met het opschriftA genio lumen. Het vertoont een vrouw, die bij een altaar zit, en die een uil en een lier aan de voeten heeft: een voorstelling van het genie. Alle eerbied nu voor den uil, die als de vogel van Minerva de Wetenschap moet voorstellen. Ik weet, dat we zonder uilen niet kunnen. Maar als ik u verzoeken mag, als gij u zoo bukt om den uil te streelen, trap dan bij vergissing de lier niet stuk! Hoe zou ik anders kunnen zeggen: Waak op, gij harp en luit! Victor Hugo! eens te rechtVictor, Overwinnaar, geheeten! Ik bid u, laat nu deTravailleurs de la mereens een weinig op hun eigen hand travailleeren, en grijp gij de gouden citer—gij zit toch nu niet meer aan de wateren Babels, aan de oevers van den stroom eener droevige ballingschap—grijp de citer, en zing ons een gouden lied, als in uw gulden tijd. Laatonsnog eens hooren:Ce qu’on entend sur la montagne. Laat ons nog eens hooren, hoe uw prachtige KlokChante l’amour au coeur et le blasphême au front!En! opdat dit geschiede, genius der kunst! giet olie in de albasten vaas, die de Muze u voorhoudt …A genio lumen.Nogmaals—Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.Ei zoo.… Gij daar ook nog, mijn portret? Beeld mijner kindsheid, miniatuur-exemplaar van den tegenwoordigenJonathan! O zeker, u ziende, gedenk ik aan de dagen van ouds. Toen ik vroeger evenzoo[163]voor u stond, en u mijn kleine meditatie wijdde, was er tusschen u en den toenmaligenJonathanreeds verschil genoeg. Dat verschil is sedert nog grooter geworden. Een leeuwerik onder de zangeressen uit den vreemde, (schoon tamelijk in de buurt; het is eene Vlaamsche, die niet voor nietRosalie Lovelingheet), heeft het gevoel, uit het gezicht van zulk een gedaante-verandering geboren, aardig uitgedrukt:In grootmoeders kamer, daar hangt het beeldUit hare kinderjaren:Een lachend mondje, peerlenoog,En bruine kroezelharen.De kinderen stonden en staarden ’t aan,En ’t een zeî aan het ander:„Och, waar’ dat schoone kindje hier,Wij speelden met malkander.”En de oude in haar leunstoel met bril en toer,Keek op bij deze rede:„Wie zou dat schoone kindje zijn?.…Gij speelt er altijd mede.”Inderdaad, de vergissing der kinderen is verschoonlijk: het onderscheid is ook zoo erg groot! En laat dat zoo zijn! Oud te worden, is geen kwaad, als maar niet alles aan ons en in ons te gelijk mede oud wordt. En dat is niet noodig. De dichterTegnerheeft ergens gezegd, dat de ouderdom sneeuw strooit, niet alleen in het haar, maar ook in het hart. Zou dat regel zijn? Als er sneeuw op een vulkanischen grond valt, smelt ze: dat kan de Etna leeren. Misschien is het, omdat mijn hart wat warm van temperatuur is uitgevallen, dat ik van de sneeuw in het binnenste nog niet veel merk.Schleiermacheris de eenige niet, die zich zelven beloofde, dat hij, oud wordende, jong zou blijven,—en woord hield. Er zijn dwergen, die dezen reus dit hebben nagedaan, door ’s mans zevenmijlslaarzen aan hun kleine voeten te doen.Ja, er is een middel—ik sprak er reeds vroeger van—om ouderdom en jeugd in één zelfden mensch te vereenigen, zooals de oranjeboom aan één stam het groene blad, den zilveren bloesem en de gouden vrucht draagt. Een dichter zong er van:Eenmaal wordt het kind een man,Die veel trefflijks wil en kan;Eenmaal wordt de man een kind,Zwak zooals men kindren vindt!Waart gij lang een kind van God,Grijsaard-Kind! dan heil uw lot![164]Grijsaard-Kind. Een eigenaardige combinatie, die mij denken doet aan de bekende Kind-Vrouw uit denDavid CopperfieldvanDickens. Nu, wat het grijsaard-worden aangaat, daaraan heeft het bij mij niet ontbroken. Een groene grijsheid—zegt men—een spar onder de sneeuw;—ik verzeker u, dat er sneeuw op de bladen ligt! Maar nu de andere helft: het Kind in den Grijsaard,Jonathan, hoe staat het daarmeê?Hoort eens, lieve menschen, ik zit hier niet in den biechtstoel. Daar zijn dingen, die men liefst alleen, of nog beter onder vier oogen afdoet. Maar die andere twee oogen, die ik daarbij tegenover mij wensch, zijn de uwe niet. Intusschen, dit kan en mag en wil ik u wel zeggen: het Grijzen is makkelijker en voorspoediger gegaan, dan het Kind worden. Het is daarmeê als met het op- en afklimmen van een berg. Het afklimmen gaat rad genoeg ja, het gaat van zelf; maar het opstijgen! En Kind, in den besten en hoogsten zin Kind te worden, is eene opstijging, erger dan tegen den Montblanc. En geen wonder! Het gaat ook naareenMontblanc, den Witten berg der volmaakte en vlekkelooze heiligheid, op welks top, even als het licht van den zon in den morgen op den Zwitzerschen berg, het groote eeuwige Licht, waarin gansch geen duisternis is, woont. Nu, ziet gij, zulk een bergreis gaat met groote moeite en inspanning gepaard. Het heeft wel iets van den gang van sommige bedevaartreizigers naar Jeruzalem, die soms, bij wijze van vrijwillige zelfmarteling, telkens na twee stappen voorwaarts weer éénen achterwaarts deden. Of wilt gij een nationaal beeld? Denkt aan den tijd, toen gij als kinderen tegen de een of andere duin op zoudt klimmen, en gedurig met het zand, dat gij pas en met moeite bestegen hadt, naar beneden kruidet! Ach, als gij zondag een goeden stap voorwaarts hebt gedaan, komt maandag, en dinsdag alles bederven, en ’s woensdags daarop is het, of het weer de vorige zaterdag ware. Waarlijk, er is volharding en moed toe noodig om den strijd niet op te geven.Toch willen wij dit met Gods hulp niet doen. Daarvoor voelen wij ons te sterk in de belofte: Hij heeft ons macht gegeven, kinderen Godts te worden.—Kinderrang bij kinderzin. Het is beloofd. Het zal geschieden. Het kan geschieden. Het is mogelijk, al is het ook moeielijk, al is het ook wonderbaar. Van wonderen gesproken,—de klassieke dichterOvidiusheeft een heel boek vol geschreven, waarin hij van niets dan van metamorfosen verhaalt. Menschen worden boomen, vogels, en wat niet al meer. Maar als ik van die mirakelen lees, blijf ik er koud bij: het zijn immers maar fabelen? Het is alles mythologie. Maar als de Heilige schrift van mannen en vrouwen, ja, zelfs van ouden van dagen spreekt, die kinderen worden—zie, zoo waar God leeft, dat is geen fabel, geen mythe, dat is een feit! Zoo waar ik leef, ik weet dat het een feit is; ik heb het gezien.Een schoon gezicht—om hetwelk te aanschouwen de engelen gaarne den hemel verlaten—die gedaante-verandering van den volwassen mensch, dieeenkind wordt! En zooveel te schooner, naarmate[165]het zielsgelaaat van dien mensch door de werking der zonde meer verdorven, meer verouderd en leelijker gemaakt was. Als men u toen gevraagd had: kan die akelige Kains-tronie nog weer een lief, onnoozel Abelsgezicht worden, zooals deze er uitzag, toen hij nog levend en blozend als een kind op zijn moeders schoot lag, of ook, toen hij in zijn tweeden en laatsten slaap, met een lachje op het gelaat, door zijn moeder in de armen genomen werd om tot de groote rust gebed te worden? dan zoudt gij geneigd zijn geweest uit te roepen: Onmogelijk! En gij zoudt recht hebben gesproken: dat is ook onmogelijk—althans bij de menschen is het onmogelijk.Adamkan het niet, enEvakan het niet, enAbelzelf uit zich zelven kan het ook niet; er is geen enkel Adamskind, die het kan! Maar wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God,—als God het wil, en dìt wil God. Hij wil, dat menschen zalig worden, en tot die zaligheid voert geene andere weg, dan door de tweede kindsheid heen, die wij het kindschap Gods noemen. Om het wonder dier herschepping tebewerkstelligen, beschikt hij over goddelijke krachten en gaven. Is het vreemd? Men verhaalt vanRubbens, dat hij, met een penseelstreek of wat, een schreiende in een lachende tronie op zijn paneel veranderen kon; zou de hand, dieRubbensdit schildergenie in den boezem gaf, niet iets dergelijks bij zijn maaksel vermogen? God heeft uit een handvol klei eenen mensch gebootst; zou hij nu den misvormden, verbasterden en ontaarden mensch niet weer tot een nieuwen en reinen mensch kunnen hervormen? Het is zoo: de bewerking is nog zwaarder. Want de doode klei was lijdelijk in de hand des Pottebakkers; maar de levende aardmensch, in wien de klei van beneden vaak over den geest van boven heerscht, is weêrstrevig en weêrspannig, en maakt den grooten kunstenaar soms moeite genoeg. Maar toch, als er eens een begin met het groote werk is gemaakt, o! het gaat. Het gaat langzaam, maar het gaat. Het gaat moeielijk, maar het gaat. Hier een vlek weggewischt, daar een rimpel weggestreken, elders een lach of een blosje aangebracht—het gaat. Zie, het wordt reeds een geheel ander voorkomen. Het hangend hoofd heft zich op, en het matte oog begint te glinsteren, en het ruwe vel wordt glad, en het onrustig jagende hart wordt stil, stil—zegt de Psalmist—als een kind bij zijn moeder.… en dat is niet de eenige kindertrek! Het kinderlijke komt gedurig meer boven, en uit, en door.… Ik las ergens van een volksgeloof, volgens ’t welke een mensch, als hij gestorven is, het gelaat van zijn vroegere kindsheid weêr aanneemt…dat is een legende. Maar dat Christenen, hoe ouder ze worden, temeer op kinderen beginnen te gelijken, ja, telkens meer kind zijn.… dat is geen legende. Dat is een feit. Ik heb het gezien en ik zie het aan mij zelven, helpe God! Met zijne hulp zie ik het eens in zijn gansche volheid en volkomenheid.Wanneer?Ik zie er mijn portret op aan, maar ik krijg geen antwoord. Mijn moeder heeft mij bij mijn geboorte den horoskoop niet laten trekken.[166]Er is dus zelfs niet naar geraden, hoe oud ik wel worden zou. Nu, in zekeren zin is dat ook onverschillig. Het aardsche leven is altoos een korte ketting, waaraan het op een schalm of wat meer of minder niet aankomt, daar zij toch bestemd is spoedig te breken. Anders is het gelegen met het hemelsche leven, de keten die nooit breekt. Dat is als de keten van den telegraaf, die onder rivieren en stroomen door, en zoo ook door de Jordaan des doods heenloopt, en den Nebo aan deze zijde aan de kust van de Palmstad aan den anderen kant verbindt. O wat het zijn moet, op dien anderen oever te komen, en dan het strand te kussen, en daarna opgerezen in den kristallen stroom zijn eigen beeld te zien, en zichzelven zoo weinig te herkennen, als ik mij nu in dit kinderportretje herken.… welk een verwachting! Toen men in der tijd dit kindje wel eens vroeg: hoe groot zult ge worden? hief het wicht de kleine armpjes omhoog, zoo hoog hij kon, maar altijd veel te laag.… het kleine schepsel! het kon niet hooger. Maar vraag nu het kind van God eens: Hoe groot zult gij worden? Lieve menschen! dat kan hij u nog minder toonen: want dat is zóó groot, zóó groot, dat men gaat duizelen, alleen van het zich te verbeelden. Bedenk dat er geschreven staat:ze sullen Hem gelijck wesen.En dat alles, het ligt nu vóór ons, recht vóór ons, dicht vóór ons—wie weet, hoe dicht? Zonderling, dat die gedachte ons niet meer verblijdt. Ik weet nog, hoe het mij te moede was, toen ik het eerst den Montblanc zou gaan zien.… ik was de wereld te rijk! en ik heb hem gezien en uitgeroepen: schoon, schooner, veel schooner, dan ik mij had verbeeld! Maar nu dien anderen Montblanc te zien, en niet alleen te zien, maar ook te bestijgen, en niet alleen te bestijgen, maar ook blijvend te bewonen. Gelukkiger danDe Saussureen zijne navolgers, die na een kort verblijf op de hoogte weer naar beneden moesten in het Dal, in den herberg, en bij de morsige wateren van de Arve, die door de Chamounix-vallei stroomt. Nog eens, hoe kan het zijn, dat het ons zoo koel laat? Nu zou ik toch haast weêr zeggen, dat de sneeuw niet alleen op het haar ligt. Wat er aan te doen? Nog eens een blik op den Kind-Grijsaard des dichters, met zijn schoon verleden en nog schooner toekomst:Ik ken twee schoone dalen,Waarop ik blik met stille vreugd:Het eene vol bloesem en stralen,Is ’t groene veld der jeugd.Het eene is doorgetogen!En schemert reeds in ’t wijd verleên:Toch wendt er de Grijsaard zijn oogenMet dank’bre blijdschap heen.Het tweede ligt daarboven!Dáár storm, nog sneeuw, noch winterwee!Maar eeuwige gaarden en hoven,Aan kristallijnen zee.[167]Wel tintelen en bloeienDe bloemen uit mijn jeugd nog schoon.Maar die uit den Hemelhof gloeienWel driemaal dubbel schoon!Kind! kind! welke gezichten! welke uitzichten! O dat het nu ook waar worde:„Wie zou dat schoone kindje zijn?Gij speelt er altijd mede!”Ten laatsten maal—Er kwam verandring in ’t gezicht mijn drooms.Nog eens hervat ik mijn Reize door mijn kamer, ik sla mijn oogen her- en derwaarts in ’t rond. Zoo valt mijn oog op wat ik mijn Stamboom noemde: op mijn erentfesten Bijbel op zijn ouderwetschen lezenaar. Mijn stamboom; als behelzende op zijn eerste bladzijde de volglijst mijner Voorouders, mijn Genesis X, waaraan, door de hand der mijnen, een en andermaal een soortgelijke aanteekening, als in dat kapittel zoo menigmaal voorkomt is toegevoegd:„Deze en die werd geboren, gewon kinderen, en stierf.” Hier zie ik ze weer: de namen van mijne vaderen, van den eersten, dien we kennen,totmijn eigen lieven vader en moeder toe, en onderaan het open plaatsje voorJonathan… dat nog open is. Tot hoe lang? … neen, dat willen we niet andermaal gaan vragen.Éénding is zeker. Ik vergeleek mijn stamboom met Genesis X; maar dat geldt allerminst van de getallen. Die zijn voor het minst gedecimeerd. In die dagen was zeven, achthonderd jaar een gewone leeftijd. Mozes hield er reeds een andere rekening op na:Aangaende de dagen onser jaren, daarin zijn seventig jaer, of zoo wij seer sterk zijn, tachtentig jaer—Jonathan, hoort gij het?Laat het zoo wezen.Jonathanworde ouder en ouder, zoodat het witte graan om den zeis roept, de oogstdag zal welkom zijn. En wel beschouwd, wat doet het er ook toe, of de namen op het schutblad van den Bijbel een jaar of wat meer of minder achter zich tellen, als de Bijbel zelf, waaraan ze als vastgehecht en waarmeê ze verbonden zijn, maar jong, maar eeuwig jong is en blijft!En dat blijft hij!Zie, daar ligt hij voor mij. Wij zien elkander na lange scheiding weêr. Hoe zien wij elkander? Hij vindt mij vrij wat veranderd: de Tijd schreef in rimpelen zijn voortgangen op mijn voorhoofd aan; ja ze staan, als op iederen van mijn gelaatstrekken, op elke van mijn lichaamsleden te lezen! Hoe geheel anders met hem. Hij altijd dezelfde. Ook uitwendig, in den sterken juchtlederen band, de soliede koperen[168]sloten, het stevige, degelijke, deugdelijke ouderwetsche papier met den kloeken zwarten letter, en de platen vanLuyken, bijna even duurzaam als het koper waarin ze eens gegraveerd zijn. Maar ook inwendig, in den inhoud. Ook daarvan geldt ten volle: „Niet verouderd!”Welk een verschil tusschen hem en mij!Ik las onlangs een bijzonderheid uit het leven vanAlexander van Humboldt, die mij trof. Toen hij als jongeling met zijn vriendBonplandin Zuid-Amerika reisde, zag hij een boom,Saman del Guere—meen ik—geheeten: een waren reuzenboom, in al zijn pracht, macht en kracht. Zestig jaren daarna, in 1858, bracht hem een reiziger, die uit die streken kwam, een gelijkende fotografie van dien boom mede. Dat gezicht deed hem aan. Naar de teekening te oordeelen, was die boom nog volmaakt dezelfde als in 1798. De stam even hoog, vast en recht; de kroon even breed en rijk; de takken even overvloedig, weelderig en schilderachtig naar alle zijden uitgebreid; de bladeren even rijk frisch en groen; de bloemen- en vruchtenschat even kleurig en welig. Toen werdAlexanderbedroefd. „Die boom nog geheel onveranderd, terwijlBonplandlang dood is, en ik een oud man aan den rand van ’t graf! Wat is er nu van die vlucht van jeugdigenthusiasme, die mij en mijn reisgenoot toenmaals bezielde, en ons met onze gedachten en plannen hoog boven de hooge kruin van dien reuzenboom, ja, van de hemelhooge bergen daarachter en rondom, opstijgen deed!…”Maar genoeg, gij hebt mij reeds begrepen. WatAlexandervoelde tegenover de afbeelding van zijnen langlevenden boom, gevoelt de verouderdeJonathan, staande tegenover zijnen altijd jongen Bijbel. Alleen maar, de aard van de daardoor opgewekte gewaarwording verschilt.Humboldtwerd droevig, ik gevoel mij gelukkig en blijde. Geen wonder: de jeugd van zijnen boom kon zich aan hem niet meêdeelen: maar de onveranderlijkheid van onzen Bijbel waarborgt ons onze onsterfelijkheid, onze eeuwige geestelijke jeugd. Daarom roemen wij:Alle vleesch is als gras, en alle heerlickheyt des menschen als een bloeme des gras. Het gras is verdorret en sijne bloeme is afgevallen: maar het woordt des Heeren blijft in der eeuwigheid.Ja, het Woord blijft. Jaarhonderden en jaarduizenden zijn dáár, om hettestaven; ook het laatste jaarhonderd is daarvan een getuige te meer. Dat tijdvak toch is voor mijnen Bijbel niet al te goed geweest. Vreeselijke stormen en orkanen, o gij, woudkoning in den vreemde, gij machtigesaman-boom! zullen in den loop van die zestig jaren, van 1798 tot 1858, over uw kruin zijn heengevaren; ontzettende onweders zullen uw stam hebben bedreigd, en misschien ook wel vreeselijke aardbevingen uwe wortelen hebben geschokt en geschud; maar gij zijt staande gebleven, altijd jong, altijd sterk, altijd groen, altijd vruchtbaar! Welnu, niet anders deze Bijbel! Ook over hem heeft een Pinksterstorm, gelijk wij er een in 1860 beleefden, die de grootste en sterkste eiken ontwortelde en nederwierp, wat zeg ik? onderscheiden zulke Pinksterstormen[169]zijn over zijn hoofd heengegaan, en hebben getracht hem te knakken of neêr te slaan; maar het is niet gelukt. Hij heeft geen blad verloren, geen bloesem laten vallen, geen vrucht afgeschud.… hij staat daar altijd even krachtig en bloeiend, en als gij hem nadert, reeds van verre waait u uit zijne bladeren een geur des levens te gemoet!…Men zou zeggen: maar wie heeft dan zulke stormen en onweders tegen dit beste der Boeken verwekt? Kan het zijn? Hebben dat de menschen gedaan? En waarom? Wat dan, o mijn Bijbel, wat hebt gij den menschen gedaan, dat velen uit hen u zoo gram konden zijn, en u zoo gaarne zouden verbrand, verscheurd, of voor het minst verminkt hebben, zoo ze hadden gekonnen?Wat gij den menschen gedaan hebt? Dat is spoedig gezegd. Gij hebt ook in het jongst-verloopen tijdvak, ook in de laatste zestig jaren hebt gij duizenden, en tien- en honderdduizenden onder de menschen geleerd, gij hebt ze gesticht, gij hebt ze getroost, gij hebt ze gesterkt: gij hebt wonden gebalsemd, gij hebt rimpels glad gestreken, gij hebt tranen gedroogd. Toen er ten vorige jare oorlog was, was het als een hemelsche verschijning, als er in de hospitalen, waar de gewonden lagen, een broeder of een zuster van het Roode Kruis kwam, met een zachte hand, en een zacht verband, en een verzachtenden balsem in de vingers, en vooral met een zachte stem, die opbeuring en vertroosting sprak tot de verslagenen naar het lichaam en de verslagenen naar den geest. Maar wat die barmhartige Samaritanen onder de menschen in zwakheid hebben beproefd, dat hebt gij, o hemelsche Samaritaan des goddelijken Woords! in kracht beoefend en volbracht. Gij hebt in het groote hospitaal des menschelijken levens, waar de zichtbare, maar vooral de onzichtbare wonden niet te tellen zijn, gij hebt daar al wat krank, en zwak, en lijdende, en geknakt en gebroken was geheeld en gesteund; gij zijt dien mannen van krankheid en smart, dien kinderen der zonde en des doods, een engel der vertroosting en des levens geweest: gij hebt u dienBenoni’seenBenjamin, een zoon der Rechterhand getoond! O hoe zal men er u ooit genoeg voor danken? hoe zal men er u voor begroeten en zegenen: Gezegend gij die komt in den naam des Heeren!…Maar neen! neen! Alzoo, o mijn Bijbel! is het u van velen niet gegaan. Veeleer het tegendeel. Iemand heeft een verhaal aangaande u geschreven: De geschiedenis van het Boek. Maar indien men die geschiedenis raadpleegt, dan ziet men dat weinige lijders in deze negentiende eeuw moeielijker dagen hebben beleefd, dan gij; ja, zoo moeielijk, dat het ons soms wonder dunkt, dat gij er het leven afgebracht hebt; hoeveel meer, dat aan u de belofte ten volle vervuld is: Geen been van hem sal verbroken worden.Inderdaad! het is een zware strijd, die in onze dagen op het groote slagveld des geestes gestreden wordt. Op een van de heerlijke zes fresco’s vanKaulbachin het nieuwe museum te Berlijn, voorstellende zes hoofdtijdperken uit de Algemeene geschiedenis der menschheid, heeft[170]de schilder de zegepraal des Christendoms over het Heidendom afgebeeld. Het tafereel geeft u een blik te slaan op het slagveld van den slag, in de velden vanCataloniëtusschen Theodorik en Attila geleverd. Het is een geniale greep! Beneden ziet men het slagveld zelf met zijne gewonden en dooden. Maar niet alleen beneden, ook daarboven is er strijd. Uitgaande van de legende, dat men nog dagen daarna krijgsgerucht in de lucht zou hebben gehoord, ontleent de schilder daaraan een schoone dichterlijke gedachte. De geesten zetten daarboven in de lucht den strijd voort, dien de lichamen der verslagenen beneden hebben moeten opgeven. Welnu, een dergelijke geestenslag heeft ook in onzen tijd plaats. Wie ooren heeft om te hooren, hoort het geklikklak der zwaarden in de lucht. Wat zal de uitkomst zijn? Dat vraagt niemand die gelooft. Wij zijn als Eliza. Wij zien en hooren de legers van onzen grooten Bondgenoot in de lucht, en roemen als hij: Wie met ons is is meer, dan die tegen ons zijn. Wij zijn vóór het einde van den slag der victorie zeker. Toen de Fransch-Duitsche oorlog van 1870 begon, riepen de Franschen; naar Berlijn! de Duitschers; naar Parijs! Dat was bij den een grootspraak, bij den ander anticipatie, bij beiden overmoed. De een had Parijs wel niet kunnen, de ander heeft Berlijn niet mogen zien. Maar als wij in den grooten geestenslag tusschen licht en duisternis, tusschen de wereld en het geloof dat de wereld overwint, bij voorraad en voorbaat uitroepen: Naar Jeruzalem! Naar het Nieuw Jeruzalem! dan weten wij, dat wij er komen zullen. Hij, die niet liegen kan, deWaarachtigeen Almachtige heeft het gezegd. Het bulletin is reeds geschreven: het is in de Apocalyps geboekt.Dit neemt evenwel niet weg, dat voor een hart, dat dezen strijd aanziet, dat aan dezen strijd deelneemt, de dagen boos en hachelijk genoeg zijn. Een man, die recht van medespreken heeft; daar hij jaren opperstuurman op het schip van staat in Frankrijk was, en dat schip door menigen storm gelukkig heenvoerde, totdat ook hem het roer in de handen brak; de groote en edele strijderGuizotheeft er van gezegd: „Mijn ziel is te gelijk van vertrouwen en onrust, van hoop en vrees vervuld. Ten goede en ten kwade is de krisis, welke de beschaafde wereld doorgaat, oneindig sterker, dan onze vaderen hebben voorzien; sterker dan wij zelven het denken, wij, die er reeds de meest verschillende uitwerkselen van ondervinden. Verheven waarheden, uitnemende beginselen zijn innig samengemengd met denkbeelden, die volkomen valsch en verderfelijk zijn. Een schoone arbeid van vooruitgang en een afschuwelijk werk van verwoesting volgen elkander in de geesten en in de samenleving op. Nooit heeft de menschheid in zulk een mate tusschen hemel en afgrond gezweefd.” De schilderij is niet bemoedigend, en toch, we willen den moed niet opgeven. Ook daarom niet, omdat we op den eind-uitslag gerust zijn. Maar ook niet om deze reden, dat hoe dreigend zulk een strijd zijn moge, er nog iets erger is dan dat, en dat is: een volkomen rust.… namelijk de rust van het kerkhof, de rust des doods. En die was er vroeger, eer deze strijd ontbrandde.[171]Die was er in de zoogenaamde vredejaren, toen de kwade stoffen stillekens werden opgehoopt, die de lucht zoo elektriek gemaakt hebben, dat nu het bliksemlicht niet van den hemel is. Vraag een wakker kapitein, die op de Oost vaart: Wat hebt gij liever: storm, of langdurige windstilte? Hij zal het eerste kiezen. Met storm komt men, al is het dan dan stormende, toch nog voort: met eene windstilte gaat tijd, geld, lust, geduld, moed, alles verloren.—En ziet gij, er was vroeger op de Galilesche zee der kerk windstilte. Het zeil van het scheepke des Heeren hing los langs den mast; er was geen adem op het water, geen gang in het schip; alles doodstroom; men kon niet varen; men kon niet voort. Later begon de wind op te steken.…. het woei.… het woei hard.… het woei harder.… het waait nu erg hard.… het waait soms een stoker … om het even! Beter zoo, dan in ’t geheel niet. We weten nu voor het minst, dat we leven, we weten waarom we leven, we weten ook waarvoor we strijden, en met Gods hulp, we zullen er ons doorslaan, en de haven halen!Als nu maar alle man zijn plicht doet!Nelsonzeide voor den slag van Trafalgar: Engeland verwacht dat ieder man zijn plicht doen zal. En zij deden hun plicht, en overwonnen. Zoo ook wij. Elk zijn plicht: van den admiraal tot den matroos; van den opperstuurman tot den koksjongen; van den kolonel der marine-soldaten tot den pijper, die den slagmarsch blaast. Alle man zijn plicht. En dat is niet: hard geroepen! luid geschreeuwd! Maar: trouw gewerkt! ijverig gearbeid! en moet het wezen—en het moet soms zijn—moedig en dapper gestreden! Ach, dat het daaraan zoo dikwijls ontbreekt!Jonathan, gij ziet hier toch niet bezijden? Zie vóór u! of liever: Zie op u! En nog het allerliefst: Zie in u, en spreek uwpeccavi!Och ja,peccavi! Als ik naar binnen zie, dan sta ik hier voor mijn Bijbel, die mijn stamboom, den stamboom ook mijner vrome vaderen bevat, als een arm zondaar. En dat niet enkel, omdat ik misschien soms wel eens wat traag, of achterlijk, of lafhartig was in den strijd,—daar zijn er, die mij den Jonathansgeest op dit gebied als de zwaarste mijner zonden aanrekenen—maar ook, en vooral, omdat ik, naar mijn eigen inzicht en gevoel, niet trouw genoeg heb gewaakt en gewerkt. Dat is toch nog altijd de weg, die de uitnemendste is. De vorsten en ridders der hervorming droegen in der tijd op hun kleed het woord gestikt V.D.M.I.A.Verbum divinum manet in aeternum.Dat voorbeeld moeten we volgen. Of nog liever: we moeten dat woord niet alleen dragen op ons kleed, maar op ons lichaam, op onze ziel, op ons verstand, op onzen geheelen uit- en inwendigen mensch. We moeten niet alleen een levenden Bijbel hebben, maar ook een levende Bijbel zijn: een boek, waarin de Heilige Geest niet met inkt, maar met vuur, zijne geboden schrijft, om tot een brief van introductie en recommandatie voor zijn Evangelie bij anderen te strekken. Mocht ik die les leeren aan den voet van het Woord, waarvoor ik sta. Het is de les, waarin men nooit volleerd is. Zelfs invaliden moeten in dezen[172]strijd zich nog blijven oefenen, als jonge conscrits. Laat dat zijn. Als de dood ons maar bij het vaandel, op onzen post vindt. Als we maar metBossuet, in het schoone slot van zijne lijkrede opCondé, ons door onze witte haren indachtig laten maken aan de rekenschap, die wij eerlang hebben af te leggen, en aan de vervulling onzer taak tot den einde toewijdenles restes d’une voix qui tombe et d’un ardeur qui s’éteint.Negen—tien.—Mijn klok spreekt. Hij zegt, dat het tijd is om te eindigen. En dat kan ik ook doen: mijn taak is af. Ik heb mijn Laatste woord aan den lezer gesproken. Dit woord is als een enveloppe om een brief, dien men nu, met een allerlaatsten groet op de keerzijde van den omslag, definitief verzendt. Moge de brief goed aankomen, en met een vriendelijk gezicht worden ontvangen. Ik heb geen reden er aan te twijfelen. Ik zeide het reeds vroeger: het groot publiek is van ouds goed, en meer dan goed voorJonathangeweest. Ik had die goedheid vroeger niet verdiend, en weet niet, waardoor ik haar nu zou hebben verbeurd. Ik wil er het beste van hopen.En zoo leg ik hier niet, zonder een gevoel van zachten weemoed de pen neder.Ik zie nog eens voor het laatst het tijdvak over, dat deze vijfde uitgave van de eerste scheidt. Waar zijn nu velen van de lezers, die mij het eerst door hun goedkeuring en toejuiching verblijdden en bemoedigden? ze zijn niet meer. Ze zijn uit dit land van Droomen in het vaderland der eeuwige Waarheid overgegaan, en aanschouwen daar de vervulling van menige schoone verwachting, waarover wij ons samen, al schrijvende en lezende, in de voorgaande bladzijden hebben verheugd. Daarentegen is een ander geslacht opgestaan, en omringt in zijn jeugdige gestalte den steeds ouder en ouder wordenden vader van dit papieren kind. Zal ik bij de kinderen iets terugvinden van de welwillendheid, die ik van hunne ouders, en misschien grootouders, genoot? Ik mag er althans niet op rekenen.Andre tijd, andere oogen, een andere kreet,En de tijd is nabij, die mijn schijnsel vergeet!Ook voor den flauwsten nagalm van vroeger ondervonden waardeering wensch ik dankbaar te zijn.En nu eindelijk nog een handdruk aan de vrienden onder mijne tijdgenooten, die nog in leven zijn. Dit kringetje is klein geworden, maar het is, Goddank, toch nog niet geheel gebroken: het is nog een kringetje:tres faciunt collegium. Hen moge de oude bekende stem nog eens, van uit deze bladen, van mijnentwege groeten. EenRequiescatvoor de dooden: een hartelijkSalvevoor de jeugd; maar dan ook een trouwe handslag met een hartelijk:Semper idem!voor de vrienden! De dichter heeft gevraagd:[173]Maar de mannen, in wier hairenWij een grijzen vlok ontwaren,Daar zij zich in ’t hoekjen scharen,Waar zij uit de drukte zijn,Prijzen luide d’Ouden Wijn,Geurig, keurig, uitgelezen.…Zou ’t met vriendschap ook zoo wezen?De vraag wordt aan allen, dus ook aan mij gedaan; en dan roept alles wat in mij is daarop luid en vroolijk uit: Ja, Dichter! zoo is het! Zoo is het! Zoo blijve het! Zoo worde het steeds meer en meer!En nu gaan wij, eer de nacht valt, het oude huis, waaraan wij in den geest samen een Afscheidsbezoek brachten, verlaten. Ik schuif den leunstoel terzijde, ik sluit de boekenkast dicht, ik sla een laatsten blik op den uurwijzer van mijn Huisklok, ik wuif een groet toe aan het Kinderportret aan den wand, ik richt ten slotte een dankbare zegenbede aan den ouden Huisbijbel—en thans den trap af, de deur gesloten, de sleutel uit de deur.… heil zij dezen huize! Waarschijnlijk kom ik hier niet weêr. Andere stemmen roepen elders heen. De weg leidt voorwaarts.…Voerman! rij in Godsnaam voort![175]

Nog eens—

Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.

Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.

Editha—zeide ik straks—speel een lied! Zoo ze hier was, ze zou het kunnen; want waarlijk, daar, tegen den wand, staat haar piano, die mij zoo vaak voor huiselijke harp heeft gediend. En zeker, ze zou willen ook; want wanneer heeft de vriendelijke mij ooit iets geweigerd, waarop mijn hart gesteld was, indien zij het mij toestaan kon? De lieve zuster! die mij zoo vaak het woord op de lippen heeft gebracht:

O zusterliefde is de edelste van allen;Daar mengt zich drift, noch teedre hartstocht in.

O zusterliefde is de edelste van allen;

Daar mengt zich drift, noch teedre hartstocht in.

Ik mag het met blijdschap erkennen: als ik het Album met zijn vele namen van vroeger en later ontslapenen aanzie, en daarbij de namen voege, die in dit Album zouden behooren, al staan zij er niet in, omdat ik op het laatste blad hetcetera desuntlees,—Godlof,Edithais nog in het land der levenden. Dàt stuk van mijn leven althans, dàt stuk van mijn hart is mij nog niet afgevorderd. Dit is voor het minst een troost. Want, ziet gij, na den moederschoot, die u het leven gaf, en den vaderschoot, waarop gij het eerst met verrukking ontvangen en met een welkomskus onthaald zijt geworden, is er geen dierbaarder plekje voor u, dan de heilige grond, waarop gij, aan hun voet, met uw eerste speelnootjes hebt gespeeld: na hun beeld geen liever gestalte, dan dat zwarte jongenskopje of dat blonde meisjeskrulhoofd, waaraan gij met de eerste streelingen van uw kleine vingers en de eerste kussen van uw eigen kleinen mond u in het eerste liefdebetoon geoefend hebt. Kinderen hebben altijd kinderen lief en zijn bij voorkeur met kinderen samen; maar dàt kind, of dèze kinderen!… ze hebben een eigen plaats in uw hart. Zijn ze niet als knoppen met u op denzelfden stam gegroeid? Hebben ze niet uit de lieve moederaarde denzelfden malschen zoeten dauw gedronken? Hebben ze den zonnestraal, die van den hemel op u en hen scheen, niet broederlijk en zusterlijk met u gedeeld? Het zou wel vreemd zijn, als de bloeddroppels in de aderen van het kind[154]dáár naast u niets voelden van de bloeddroppels in uwe aderen hier, daar ze toch uit ééne moederbron zijn gevloeid. Wel kan het zijn, en zal het waarschijnlijk zoo wezen, dat de verschillende sprankels uit die bron later ieder hun eigen weg gaan.Jonathanrechts,Edithalinks … maar al raken ze uit elkander, ze raken daarom niet van elkander af. Ze zijn twee helften van een schelp; ook als ze gescheiden zijn, roepen ze om elkander, en als ze weer samenkomen, zie! zie! ze passen op elkaâr alsof ze nooit van elkander geweest waren. Het is één stem in twee harten, de oudste stem van allen: de stem des bloeds.

Zoo was het ons in lang verloopen dagen, waarvan de luite zong:

Gij zijt mijn zuster. ’t Zacht geluidDer snaar, die in uw boezem trilde,Drong straks van uit de loofhut uit,Waarin gij ’t eerst zoo gaarn besluiten wilde.’k Huwde aan uw zang mijn eigen lied,En ’t kwam welhaast aan honderden ter ooren,Die naar den wildzang wilden hooren,Geneuried op mijn pijp van riet,HoeJonathangeen grooter schatOp aarde danEdithahad.

Gij zijt mijn zuster. ’t Zacht geluid

Der snaar, die in uw boezem trilde,

Drong straks van uit de loofhut uit,

Waarin gij ’t eerst zoo gaarn besluiten wilde.

’k Huwde aan uw zang mijn eigen lied,

En ’t kwam welhaast aan honderden ter ooren,

Die naar den wildzang wilden hooren,

Geneuried op mijn pijp van riet,

HoeJonathangeen grooter schat

Op aarde danEdithahad.

Zoo bleef het ook later, na het uur van scheiding. Voorwaar, die scheiding was bitter, al was de reden zoet, maar die scheiding heeft niets gebroken. Het is toch met den band der liefde, als met den telegraafdraad. Hij is zoo lang, zoo lang, zoo lang … als de geheele wereld: hij doet des noods de reis rondom de wereld zonder te breken. Niet waar,Editha? dat hebben ook wij gevoeld; dat hebben ook wij ervaren. Wij hebben elkander nog lief. Anders dan vroeger? Voorzeker. Maar minder dan voorheen? Ik zou zeggen, nog meer. Naarmate de gelederen dunner worden, sluiten de overblijvenden zich dichter aaneen. Ik heb wel eens kanonniers zien exerceren: als dan de bevelhebber van het stuk kommandeert: No. 1 No. 4 No. 6 ontbreekt! treden die nommers uit, maar dan reiken ook terstond de anderen dubbel ijverig elkaâr de hand om de ledige plaatsen aan te vullen, en komen ze zoo altijd dichter bij elkaâr. Doen nu de soldaten zóó, bij dat leelijke werk van kanonnenladen, dat op het hart en het leven van hunne evennaasten doelt, zou dan de broederlijke liefde, bij haar werk, dat een werk des levens is, minder doen? Zouden de laatste Nommers elkander nog niet meer en liever helpen en steunen, naarmate er andere „Nommers ontbreken?” O voorzeker. Als vader en moeder niet meer zijn, zoeken de kinderen hun beeld op elkanders gelaat en in elkanders stem, en zoo goed het gaat, al gaat het niet volkomen, ze zoeken den weêrschijn van de uitgebluschte, neen! naar elders overgebrachte vlam in elkanders liefde terug te vinden. En daarom,Editha, geef mij de hand. Wij blijven elkander trouw, zoolang de lieve God ons samenlaat. Wij willen broeder en zuster blijven tot den einde: tot dat wij de een den[155]ander goeden nacht kussen in de tweede wieg, gelijk wij het zoo vaak in de eerste wieg hebben gedaan.

En nu, uw piano! Ja, ik herken ze, het is nog het oude instrument: de oude Broadwood, waarop gij zoo vaak de reeds genoemdeDernièrepenséeen zoo menig ander lied voor mij hebt gespeeld. Ik weet wel, die liederen zijn uit de mode; men heeft nu andere muziek: of ze ook beter is? Ik heb het openlijk en rond verklaard: ik ben geen kenner; het zou mij dus allerminst passen, een oordeel te spreken. Maar er zijn knapper luî op dit punt, die ik wel eens in twijfel heb hooren trekken, of we, ook in dit opzicht, wel op den weg van vooruitgang zijn. Ze zeiden, maar ik zeg het niet, de verantwoording blijft voor hen—de kooi, waarin de zangvogel zit, zou nu mooier zijn, kostelijker van stof en fraaier van vorm, maar de zangvogel zou er niet op verbeterd wezen. Mij heugt, hoe ikAndersenmet eigen mond eens een sprookje van hem hoorde lezen van een Oostersch hof, waar men eerst een nachtegaal had, die voor den koning zong, en later een mechanischen kunstvogel, die geleerde liedjes speelde, maar hoe toch ten slotte … doch, het is waar, dat was in het Oosten, en wij wonen in een kouder klimaat: dat past dus niet op ons. Wij hebben dus geen recht om te vragen, of de muziek der Toekomst vanWagnerhet bijvoorbeeld vanWebermet zijn:Einsam binichnicht alleine, of zijn:Dernière penséewint? Ik stel mijn lezers voor, de beslissing van die vraag aan de Toekomst over te laten. Dan mogen mijnentwege de toekomstigePatti’senJenny LindsbovenWagnersgraf den triomfzang van de Polyhymnia der nieuwe kunst-eeuw uitvoeren!

Éénding echter staat vast. Mocht ook de zangvogel in onze dagen minder rijk aan melodiën zijn, dan wel eens vroeger, omdat hij min of meer in den ruitijd is, geheel zwijgen, en nog meer, sterven zal hij niet. En gelukkig, dat het zoo is. Wij kunnen de schoone kunst vanJubalop onze arme, koude aarde met hare dissonanten niet missen. Die ons de uitvinding gaf, zal het ons aan de noodige hulpmiddelen tot haar gebruik wel nooit geheel laten ontbreken. Er is een stem, die in den mensch metJenny Lindsberoemd lied roept:Ich musz nun einmal singen!Luther wees aan de muziek, na de theologie, de eerste plaats onder de aan den mensch verleende goddelijke gaven toe. En dit moeten wij erkennen: Is in den laatsten tijd onze muziek niet beter geworden, wij zelven werden muzikaler dan voorheen.Sancta Ceciliais nu een der eerste santinnen van onzen almanak: zij geeft onder haren naam feesten in de Hoofdstad, waar het hart der kenners van verdaagt. Jonge heeren en dames neuriën en musiceeren uit den treuren; de liedertafels trekken met hunne banieren en medailles triumferende het land rond; zelfs den kinderen op de school wordt, naar een woord vanLuther, de wijsheid ingezongen: er zijnenthusiasten, die van de heerschende melomanie de hervorming des volks verwachten. En hoe kan het anders? Als er zooveel harmonie is in de lucht, die we indrinken, dan moet immers ons binnenste, dat daarmede[156]geheel vervuld wordt, zeker wel gansch en al harmonisch worden!…

Hm! Hm! het kan zijn. Maar of ik er voor’shands veel van merk? zie, dat is een andere vraag. Tot nu toe althans heb ik niet kunnen vinden, dat de geblazen en gestreken harmonie tot liefelijke akkoorden en muzikale samenstemming in de gedachten en gevoelens der verschillende menschenkinderen heeft geleid. In dit opzicht heeft het diereningewand tot nu toe te vergeefs voor ons gezongen. Ik heb niet gehoord, dat de mooie Grenadier-concerten vanDunklerin het Haagsche bosch belet hebben, dat er onder de vaders des Volks op het Binnenhof nog al eens gekibbeld wordt. En ik weet niet, of het aan de Cecilia-feesten vanVerhulstin het Amsterdamsche Volks-paleis wel al gelukt is, om al de geleerde hoofden in het Trippenhuis op de zittingen der Koninklijke Akademie onder één hoed te brengen. Als ik met een zachte stem die bescheiden opmerking maak, heeft men mij wel eens te gemoet gevoerd, dat dan toch in elk geval de muziek, even als het orgel in de kerk, ons de goede dienst bewijst om de dissonanten, die het niet verhinderen of oplossen kan, te helpen dekken; en dat wil ik gaarne toegeven. Het is dan maar te hopen, dat de dissonanten hunne stemmen niet al te luid verheffen, zoodat ze de muziek, die ze moet helpen verdooven, overschreeuwen. Wie weet, wat de muziek der Toekomst doen zal? Misschien zal aan haar hand de klankladder vanUtremifasolde hemelladder worden, langs welke de mensch tot het bereiken van zijne bestemming langzaam wordt opgevoerd. Ik heb ergens gelezen, dat er menschen zijn, die naar een algemeene taal voor de gansche menschheid hebben gezocht, en daartoe de hulp van de viool hebben willen gebruiken: tot dusverre is dit niet gelukt. De taalverwarring, die van Babels toren dagteekent, duurt nog altijd voort: vraagt het de discipelen van de Burgerscholen maar, die nog altijd met zulk een inspanning zitten te zwoegen om de vreemde talen, die ze aanleeren moeten, onder de knie te krijgen! O welk een vreugde zou de uitvinding en invoering der algemeene taal onder de jeugdige kielendragers en kort-gejurkten verwekken! Welnu, misschien gaan wij er heen. Orfeus bouwde steden op de klanken van de citer; misschien is er een Orfeus der Toekomst aanstaande, die door zijnPaganini-viool de verdeelde, elkander kwalijk verstaande, met elkaâr twistende en kijvende menschheid in een groot concert van broederlijke en zusterlijke stemmen verandert en herschept. Men moet niet wanhopen.…pianowil zeggen zachtjes! en daarvan komt de derivatiepianissimo!

En wederom:

Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.

Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.

—Een—twee—drie—vier—vijf—zes—zeven—ACHT! Daar slaat waarlijk mijn oude Huisklok acht uren. Welkom kameraad!—We hebben elkander in lang niet gezien. Ik heb u in[157]lang niet gehoord. Toch weet gij, of ik u lief heb gehad. Nog meer ik heb gemaakt dat ook anderen u lief kregen; ik heb zelfs eens een bezoek van een vriend gehad, die mij kwam vertellen, dat hij u een jongeren broêr gegeven had. Hij had een ouderwetsche klok gekocht, en die laten opmaken precies als gij, tot uw eigen opschrift toe:Una ex his hora mortis.Zoo zoudt gij op het laatst nog haast oktrooi moeten gaan vragen, en in den oprechten Haarlemmer een advertentie bij wijze van Waarschuwing tegen Namaak moeten plaatsen. Nu laat u namaken wie wil, als men dan ook de lessen maar navolgt, die gij zoo gereed en gewillig zijt aan uwe aandachtige en indachtige hoorders te geven. En dat hebt ge zeker ook blijven doen, al was ik daar niet om ze van u te ontvangen. Hoeveel tijd is er voorbijgegaan, sedert ik ze hier op dezen zelfden stoel van u ontving! Hoeveel malen hebt gij twaalf geslagen, twaalf uren op den dag en twaalf uren in den nacht, sedert ik, op het punt staande om van hier te gaan, uw wijzer vroeg, of het nog geen tijd was, en toen gij ja! zeidet, u een laatst Vaarwel toeriep. En sedert zijt gij daar altijd blijven staan, terwijl ik hier en daar rondzwierf, en mij met een plaatsvervanger van u zoo goed mogelijk behielp. En sedert zijt gij altijd even gelijkmatigunisonoblijven voorttikken: tik-tak! tik-tak! tik-tak! terwijl intusschen mijn hart menigmaal zoo onrustig sloeg en joeg. Ach, mijn goede Huisklok, zoo ik u dat vertellen kon! In Dertig jaar kan er door een menschenhart, welks ketting en veer niet van hard, stug metaal is, wat worden afgeleden, afgestreden, en afgebeden, waarvan een Huisklok aan den wand, en zelfs een zakuurwerk op de linkerborst, dat toch zoo dicht bij de levens- en gevoelsbron tikt, niets vermoedt. Maar ik zal ook niet pogen u dat te vertellen. Gij zoudt mij toch niet begrijpen. Hoe wild het ook daar buiten storme, bij u gaan de scheepjes van de geschilderde mechaniek op uw wijzerplaat altijd even kalm en effen heen en weêr. Als de horlogiemaker maar op het opwinden, en nu en dan op het schoonmaken past, raakt gij nooit van de wijs of uit de maat. Dertig jaren zijn in dit opzicht voor u als één dag.

Dertig jaar. Mocht ik nu maar kunnen zeggen: Dertig jaar ouder—Dertig jaar wijzer—Dertig jaar beter. Dertig jaar dichter bij het graf—Dertig jaar dichter bij het doel. Maar, ach, mijn waarde tijdmeter, ik moet het met schaamte bekennen: Ik ben een vergetel hoorder,een traag discipel van u geweest. Ik heb er niet genoeg aan gedacht:Una ex his. De kleine wijzer van den Levenstijd heeft wel altijd trouw de ronde gedaan, maar de groote wijzer van den Plicht heeft de hare wel eens vergeten: hij stond wel eens stil, en haperde, terwijl zijn kleiner broeder altijd even trouw voortliep. Bij zulk een hapering kan men niet zeggen, dat een horlogie gelijk loopt! Ik ben geen wellust van het menschengeslacht, als wijlenTitus, maar dit toch heb ik met hem gemeen, dat ik ook nog al eens aan den avond van een dag heb uitgeroepen: ik heb een dag verloren. Als[158]ik van u een kerfstok wilde maken om zulke kwade dagen op te teekenen, zou uw lange kast veel te kort zijn. Zie, dat is een leelijk gebrek. Wij waarderen den kostelijken tijd niet genoeg. Wij laten de met goudkorrels bezwangerde rivier, den rijken Pactolus, langs ons heenvloeien, en bukken ons menigmaal niet eens om de goudkorrels op te zamelen, die de stroom met zich wegvoert. De Britsche denker had wel gelijk, die sprak: „Wij gelijken aan beelden van marmer in de tuinen, waarvan men fonteinen maakt. Uit hun lippen vloeit een helder water, dat voort- en doorloopt zonder ooit stil te staan, en het marmer is daar, lijdelijk, koud en geenerlei poging doende om den altijd doorgaanden stroomval tegen te houden.” Ach, ook ik zelf ben maar al te zeer zulk een bewegingloos beeld op de fontein des Tijds geweest, en zoo al de droppels, die zonder vrucht voor mij en anderen daarheen gevloeid zijn, in ééne kom samen vergaderd werden, welk een bassin zou daarmede worden gevuld! En zoo al die droppelen, die nu zoo eentoonig voortkletteren, een kenbare stem kregen om te verhalen wat ik in den loop dezes tijds gedaan en niet gedaan heb,—dan zou ik wenschen, dat die fontein deLetheware, en dat ik in haar water de vergetelheid van al dit lang verleden drinken kon. Maar, maar, het zal zoo niet zijn. Geen droppel vloeit naar beneden, die niet weêr zal opkomen, als een water-ader, die hier van de bergen stroomt, om ginds in het dal uit den grond weer op te komen en op te springen. Laat het zijn! Reeds vroeger, als ik u aanzag en, rekening met u hield, spraken wij samen van het groote Middel om het Tekort in eens menschen leven te helpen dekken. Gij hebt dertig malen gedurende mijn afwezen die zekere Drie slagen op zekeren Goeden dag geslagen, die herinnerden aan het grooteConsummatum est, dat der wereld den triomf van de wereldverzoenende liefde over de zonde en den dood verkondigde, en daarom mijn lieve Klok, tik voort! tik voort! Wij gaan den eenigen, eeuwigen goeden Vrijdag tegen, waarop niet alleen al wat te kort is zal worden aangevuld, maar ook al wat ten deele is zal worden volmaakt. Al gaan de dobberende scheepjes op uw wijzerplaat, niet voort, ze brengen ons toch naar die haven—de Goedereê, de Schoone haven van het eeuwig T’huis!

En andermaal—

Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.

Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.

Ik zie de wanden van mijn studeercel rond, en ik vind daar, als vroeger, de ettelijke planken met boeken waarom in der tijd Judith mijn eenvoudig kamertje wel wat pompeus met den naam van Bibliotheek versierde. Daar staan ze, achter den groenen voorhang, die ze als eensanctumvan den voorhof van mijn kamer scheidt. Als ik ze nu aanzie, het is niet zonder een onwillekeurig gevoel van weemoed. Op een schilderijen-tentoonstelling hangt men boven het werk van een in den jongsten tijd ontslapen schilder een inmortellen-krans. Maar inderdaad, indien ik boven al de boeken der Auteurs, die in[159]het laatste Derdendeel der eeuw gestorven zijn,inmortellenkransen wilde ophangen, mijn boekenkas zou zelf iets van een bloemen-tentoonstelling krijgen.

—Welnu, wat kwaad? Als de ééne Auteur sterft, komt een ander in de plaats. Om uw eigen beeld te gebruiken: Men roepe maar: „No. 1 ontbreekt!”.…

—Meent gij dat? Ik wenschte, dat het waar ware. Maar reeds toen ik een jongen was, die „Bröder tot mijn pijn en Weijtingh voor mijn straf” kreeg, moest ik leeren:Consules fiunt quotanis—

Consuls krijgt men alle jaren en Proconsuls ook er bij;Maar de Koning en de Dichter komt niet alle jaar als zij.

Consuls krijgt men alle jaren en Proconsuls ook er bij;

Maar de Koning en de Dichter komt niet alle jaar als zij.

De dichters groeien niet als despinaziein de lente of de bloemkool in den zomer, waarvan in den regel de oogst tamelijk wel te gelukken pleegt: in den hof der letterkunde heeft men nog al eens jaren van misgewas. Welkevruchtbaretijden heb ik in dit opzicht beleefd. Welk een tijdvak, waarin men in één jaar (1832) drie dichters alsGöthe, Walter ScottenBilderdijkverliezen kon! Toen had men er nog eentje voor ’t breken. Zulk een slag zou de groote Maaier nu met den besten wil niet kunnen slaan.Les rois s’en vont: dat geldt ook van de koningen der poezij. Eerst hadden we de koningen, toen de prinsen en nu—exceptis excipiendis,—zijn wij aan de grootvorsten, ja misschien nu en dan een kleinvorstje, of, dat op hetzelfde neêrkomt, een grootvorst van Luxemburg, het landje van ééne stad, er bij. Toen de koning van Frankrijk na den dood vanTurenneacht maarschalken in diens plaats benoemde, zeide men: De koning heeft zijn goudstuk tegen zilvergeld verwisseld. Dit geldt ook in onzen tijd, in den regel, van de munt, die op de poëtische pers geslagen wordt.… In vredes naam, als het niet anders kan! als dan het zilver maar echt zilver blijft, en geen Russisch zilver wordt!

Toch is het een gebrek, dat gevoeld wordt. Aardappelennood valt zeker moeielijker te dragen, dan dichternood; maar een nood is het toch. Het is smartelijk, als men de jaren beleefd heeft, dat er bijna ieder nieuw jaar een nieuw groot dichter bij de overigen kwam, dat men nu den eenen dichttroon nadeanderen ziet ledig worden, zonder dat erlegitiemeopvolgers zijn om ze te vervullen, naar den regel:Le roi est mort! Vive le roi!—Jean Paulverhaalt een anekdote, die hier te pas komt. De PrinsVan Esterhazyhad zijn geheele muziekkapel, enHaydnals kapelmeester afgedankt. Dien ten gevolge componeerde deze een muziekstuk, waarin elkmuzikant, de een na den ander, een solo speelde en aan het einde er van den blaker op zijn muziek-lessenaar uitdoofde en wegging. Zoo verdween het eene lichtje en het eene instrument na het andere, en eindelijk bleef het orkest geheel stom. Ik heb aan dat verhaal wel eens gedacht, toen ikBilderdijk, en naBilderdijk Loots, en naLoots Staring, en naStaring Tollens, en naTollens Da Costa, en naDa Costa Van Lennepzag aftreden, en voor de meesten te vergeefs naar een plaatsbekleeder, en dat vooral[160]onder de jongeren, zocht. Toch willen we niet ondankbaar worden: stom is ons orkest gelukkig nog niet; er klinken nog eerste violen, al zijn ze schaarsch. Mocht het nu gaan als bijHaydnte Weenen,waar de Prins berouw kreeg van zijn besluit en de afgedankte kapel weêr aanstelde. Toen kwamen, in de omgekeerde orde, al de lichtjes en al de muziek-instrumenten één voor één weer terug.…

Va-t-en voir s’ils viennent, Jean,Va-t-en voir s’ils viennent!

Va-t-en voir s’ils viennent, Jean,

Va-t-en voir s’ils viennent!

Het is waar, men heeft één troost: denzelfden troost, dien men mij ook op het punt der muziek aanbood; dat schijnt op dit gebied „de troost der armen” (de bekende balsem) te zijn. Groote dichters heeft men nu minder dan vroeger, maar daar staat één voordeel tegenover. De poezij is in onze dagen meer gemeengoed geworden. De taal, de stijl der goede Auteurs, ook over andere, soms de meest afgetrokken onderwerpen, is dichterlijker geworden,HumboldtsKosmos is, ookliterarisch, een meesterstuk: dat zag men vroeger zoo niet. Zelfs over den goeden conversatie-toon ligt een meer poëtisch waas dan voorheen.—Ik wil het niet geheel ontkennen. Maar de troost is schraal. De honderdduizend boterbloempjes in het gras voldoen mij niet, wanneer ik, als bloemen-liefhebber, eens een schoone camelia of azalia of puike stamroos zou willen hebben. Ik geef vijfhonderd tjilpende musschen voor een enkelen nachtegaal.

Zelfs dat de poezij voor sommigen min of meer een artikel van mode geworden is, kan mij niet geheel voldoen. Twee dingen, lieve jufvrouw, ik weet het, zijn in onze dagen voor een modieuse Dame onmisbaar: een Album metvisite-portrettenen een Poezijboek, vooral een Poezijboek, roodfluweel, met verguld slot en verguld op sneê! En dan van binnen tal van Versjes, met lange dunne letters van Engelsch model met bleeke inkt half leesbaar geschreven, sentimenteel tot in het schrift! En de inhoud: luttel Hollandsch, maar Fransch, en Duitsch, en Engelsch, vooral Engelsch, dat lieve Engelsch! En als men er dan een handschrift van een heuschen dichter, van „mijn dichter” bij krijgen kan, dat verhoogt de waarde van zulk een verzameling ontzaggelijk: dat is of men zijn kleed of hoed onmiddelijk uit de eerste hand, uit Parijs, kreeg.

Ik moet erkennen: het is vleiend voor de betrokken poëten; maar of er nu de poezij zelf, of de geest en geestdrift voor poezij in den boezem des volks bij die Album-manie veel wint,—ik zou het niet durven verzekeren. En zie, dat is toch noodig. Ik gaf het reeds vroeger te kennen: Poezij beantwoordt aan een ingeschapen trek en behoefte in de natuur van den normalen mensch. Laat de bekende mathematicus bij het zien opvoeren derFedravanRacinevragen: wat dat bewijst? Uw vraag, o wijsgeer! bewijst dat gij een cijferbord zijt, waarbij het stuk krijt in het bakje, bij gebrek van beter, de plaats van hart vervult. Het meerendeel der menschen is anders gemaakt. De mensch leeft niet alleen van brood; zoo kan ook een ziel niet alleen[161]van proza leven. Ik heb een harp in mijn keel; als die bespeeld wordt, komt er een geluid, dat men in de wandeling de Stem heet. Maar ik heb ook een harp in mijn boezem; als die getokkeld wordt, komt er ook een geluid, en dat heet men Poezij. Nu kan ik de harp daarbinnen wel tot zwijgen doemen.… o ja! evengoed, als ik eens in een Trappisten-klooster een menigte monnikken zag, die niet alleen schoon linnen en warme spijs, maar ook devox humanaop de lijst derobjets de luxehadden gebracht, waarvan ze zich, ten genoegen van de engelen en den hemel, liever passeerden. Maar, ziet gij, als ik zoo handel, doe ik mijn aanleg en natuur te kort, en zulk een verminking blijft dan ook niet ongewroken. De mensch, die de Poezij als een overtolligheid afschaft, is als iemand die een vogel kortwiekt. Och ja, uw uitvlieg-duif blijft nu wel op de binnenplaats, mijn lieve kleine vriend! en hij leeft alleen van de duivenboonen die gij hem geeft, en geen nijdig buurman kan nu uw mooi exemplaar in zijn kooi opvangen: maar—nu is ook uw duif geen uitvliegduif meer, dan titulair, en de prachtige vogel, dien God geschapen heeft om meê de blauwe lucht te doorstreven en te doorzweven, te bevolken en te bezielen, is een arme invalide op zwart zaad geworden, waarop de dikgepropte doffer van uw buurman, als hij triomfeerend den hemel doorklieft, met deernis of verachting neerziet. We kunnen alles wat in ons met den hoogeren, beteren, etherischen mensch in verband staat wel afdanken en op pensioen zetten; dat kunstje wordt helaas! in onzen tijd genoeg geleerd en geoefend; maar men noeme zich dan ook geen kompleet mensch meer.Die halben und die ganzen, zei iemand in onzen tijd. Ja, als er minder „halve” menschen waren! Dan.…

Maar ik hoor nog een excuus, voor en door de kinderen onzes tijds ingebracht.—De tijd deugt er niet voor. Het is in onze dagen te druk, te woelig, te volhandig! Er wordt te veel in het bosch geschoten: daarom kunnen de nachtegalen niet zingen.

—Ei zoo? Dus; de meestpoëtischetijden zijn die, waarin de tempel van Janus gesloten is? de tijden, waarin demenschheid, als de wijn, die belegen moet zijn, in de vaten op den droesem rust? de tijden, waarin de Jansalies het roer in handen hebben en al de kippen op stok zijn? Dit had ik niet gedacht. Ik blijf ook nog wel een weinig twijfelen. De historie althans schijnt er anders over te denken. Er is een eeuw geweest, die men, evenals men de eeuw van Saturnus de gouden, zoo deze „de groote eeuw” noemde; welke was die eeuw? Het was de eeuw in Frankrijk, waarin de Zonnekoning regeerde; waarinTurenne, enCondé, en andere reuzen der krijgskunst meer, veldslag op veldslag wonnen, enColbertden handel van zijn volk, met de zich steeds vermeerderende zeilen der schepen, steeds nieuwe vleugelen aanbond. Maar zie dat was—toevallig? ook dezelfde eeuw, waarinCorneilleenRacinezongen,Boileaude wetten op den zangberg gaf,Pascalzijn gulden wijsheid tot goudstukken vermuntte, enBossuetenBourdalouestemmen uit de hoogte deden hooren, die het kolossale paleis[162]van Versailles op zijn grondslagen deden daveren.—Had de Vrijheidskrijg van 1813 zijnenKörnerniet? Van waar dan, dat men in den jongsten oorlog te vergeefs naar den Tyrteus uitzag, die bij zulk een voorbeeldeloozen kamp niet scheen te mogen ontbreken? De driehonderdLieder der Schutz und der Trutztoch, waarmeê de Germanen elkander zoo goed mogelijk hebben opgewonden, kunnen even weinig voor een Ilias van dezen krijg gelden, als de houten theater-ballen, waarmeê Victor Hugo voor zijne Franschen den oorlogsdonder zocht na te maken. Het is gelukkig voor de Duitschers, dat de Krupp-kanonnen krachtiger taal spreken; anders zouden Sedan en Metz, Straatsburg en Parijs niet gevallen zijn!

Men vergunne mij dit elegietje op denChute des feuillesvan den laurierboom der schoonste kunst. Misschien is het wel een weinig eenoratio pro domo; misschien pleit ik min of meer voor eenfamiliebelang; ik geloof werkelijk, dat ik een verren neef onder de dichters heb. Maar ik geloof toch ook, dat er bij mij nog iets anders, iets beters bij komt. Ik geloof waarlijk, dat de menschheid behoefte aan poëzij, en wel aan waarachtige, verhevene, groote poëzij heeft.Thorwaldsenheeft eens een basrelief gemaakt met het opschriftA genio lumen. Het vertoont een vrouw, die bij een altaar zit, en die een uil en een lier aan de voeten heeft: een voorstelling van het genie. Alle eerbied nu voor den uil, die als de vogel van Minerva de Wetenschap moet voorstellen. Ik weet, dat we zonder uilen niet kunnen. Maar als ik u verzoeken mag, als gij u zoo bukt om den uil te streelen, trap dan bij vergissing de lier niet stuk! Hoe zou ik anders kunnen zeggen: Waak op, gij harp en luit! Victor Hugo! eens te rechtVictor, Overwinnaar, geheeten! Ik bid u, laat nu deTravailleurs de la mereens een weinig op hun eigen hand travailleeren, en grijp gij de gouden citer—gij zit toch nu niet meer aan de wateren Babels, aan de oevers van den stroom eener droevige ballingschap—grijp de citer, en zing ons een gouden lied, als in uw gulden tijd. Laatonsnog eens hooren:Ce qu’on entend sur la montagne. Laat ons nog eens hooren, hoe uw prachtige Klok

Chante l’amour au coeur et le blasphême au front!

Chante l’amour au coeur et le blasphême au front!

En! opdat dit geschiede, genius der kunst! giet olie in de albasten vaas, die de Muze u voorhoudt …A genio lumen.

Nogmaals—

Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.

Daar kwam verandring in ’t gezicht mijns drooms.

Ei zoo.… Gij daar ook nog, mijn portret? Beeld mijner kindsheid, miniatuur-exemplaar van den tegenwoordigenJonathan! O zeker, u ziende, gedenk ik aan de dagen van ouds. Toen ik vroeger evenzoo[163]voor u stond, en u mijn kleine meditatie wijdde, was er tusschen u en den toenmaligenJonathanreeds verschil genoeg. Dat verschil is sedert nog grooter geworden. Een leeuwerik onder de zangeressen uit den vreemde, (schoon tamelijk in de buurt; het is eene Vlaamsche, die niet voor nietRosalie Lovelingheet), heeft het gevoel, uit het gezicht van zulk een gedaante-verandering geboren, aardig uitgedrukt:

In grootmoeders kamer, daar hangt het beeldUit hare kinderjaren:Een lachend mondje, peerlenoog,En bruine kroezelharen.De kinderen stonden en staarden ’t aan,En ’t een zeî aan het ander:„Och, waar’ dat schoone kindje hier,Wij speelden met malkander.”En de oude in haar leunstoel met bril en toer,Keek op bij deze rede:„Wie zou dat schoone kindje zijn?.…Gij speelt er altijd mede.”

In grootmoeders kamer, daar hangt het beeldUit hare kinderjaren:Een lachend mondje, peerlenoog,En bruine kroezelharen.

In grootmoeders kamer, daar hangt het beeld

Uit hare kinderjaren:

Een lachend mondje, peerlenoog,

En bruine kroezelharen.

De kinderen stonden en staarden ’t aan,En ’t een zeî aan het ander:„Och, waar’ dat schoone kindje hier,Wij speelden met malkander.”

De kinderen stonden en staarden ’t aan,

En ’t een zeî aan het ander:

„Och, waar’ dat schoone kindje hier,

Wij speelden met malkander.”

En de oude in haar leunstoel met bril en toer,Keek op bij deze rede:„Wie zou dat schoone kindje zijn?.…Gij speelt er altijd mede.”

En de oude in haar leunstoel met bril en toer,

Keek op bij deze rede:

„Wie zou dat schoone kindje zijn?.…

Gij speelt er altijd mede.”

Inderdaad, de vergissing der kinderen is verschoonlijk: het onderscheid is ook zoo erg groot! En laat dat zoo zijn! Oud te worden, is geen kwaad, als maar niet alles aan ons en in ons te gelijk mede oud wordt. En dat is niet noodig. De dichterTegnerheeft ergens gezegd, dat de ouderdom sneeuw strooit, niet alleen in het haar, maar ook in het hart. Zou dat regel zijn? Als er sneeuw op een vulkanischen grond valt, smelt ze: dat kan de Etna leeren. Misschien is het, omdat mijn hart wat warm van temperatuur is uitgevallen, dat ik van de sneeuw in het binnenste nog niet veel merk.Schleiermacheris de eenige niet, die zich zelven beloofde, dat hij, oud wordende, jong zou blijven,—en woord hield. Er zijn dwergen, die dezen reus dit hebben nagedaan, door ’s mans zevenmijlslaarzen aan hun kleine voeten te doen.

Ja, er is een middel—ik sprak er reeds vroeger van—om ouderdom en jeugd in één zelfden mensch te vereenigen, zooals de oranjeboom aan één stam het groene blad, den zilveren bloesem en de gouden vrucht draagt. Een dichter zong er van:

Eenmaal wordt het kind een man,Die veel trefflijks wil en kan;Eenmaal wordt de man een kind,Zwak zooals men kindren vindt!Waart gij lang een kind van God,Grijsaard-Kind! dan heil uw lot!

Eenmaal wordt het kind een man,

Die veel trefflijks wil en kan;

Eenmaal wordt de man een kind,

Zwak zooals men kindren vindt!

Waart gij lang een kind van God,

Grijsaard-Kind! dan heil uw lot!

[164]

Grijsaard-Kind. Een eigenaardige combinatie, die mij denken doet aan de bekende Kind-Vrouw uit denDavid CopperfieldvanDickens. Nu, wat het grijsaard-worden aangaat, daaraan heeft het bij mij niet ontbroken. Een groene grijsheid—zegt men—een spar onder de sneeuw;—ik verzeker u, dat er sneeuw op de bladen ligt! Maar nu de andere helft: het Kind in den Grijsaard,Jonathan, hoe staat het daarmeê?

Hoort eens, lieve menschen, ik zit hier niet in den biechtstoel. Daar zijn dingen, die men liefst alleen, of nog beter onder vier oogen afdoet. Maar die andere twee oogen, die ik daarbij tegenover mij wensch, zijn de uwe niet. Intusschen, dit kan en mag en wil ik u wel zeggen: het Grijzen is makkelijker en voorspoediger gegaan, dan het Kind worden. Het is daarmeê als met het op- en afklimmen van een berg. Het afklimmen gaat rad genoeg ja, het gaat van zelf; maar het opstijgen! En Kind, in den besten en hoogsten zin Kind te worden, is eene opstijging, erger dan tegen den Montblanc. En geen wonder! Het gaat ook naareenMontblanc, den Witten berg der volmaakte en vlekkelooze heiligheid, op welks top, even als het licht van den zon in den morgen op den Zwitzerschen berg, het groote eeuwige Licht, waarin gansch geen duisternis is, woont. Nu, ziet gij, zulk een bergreis gaat met groote moeite en inspanning gepaard. Het heeft wel iets van den gang van sommige bedevaartreizigers naar Jeruzalem, die soms, bij wijze van vrijwillige zelfmarteling, telkens na twee stappen voorwaarts weer éénen achterwaarts deden. Of wilt gij een nationaal beeld? Denkt aan den tijd, toen gij als kinderen tegen de een of andere duin op zoudt klimmen, en gedurig met het zand, dat gij pas en met moeite bestegen hadt, naar beneden kruidet! Ach, als gij zondag een goeden stap voorwaarts hebt gedaan, komt maandag, en dinsdag alles bederven, en ’s woensdags daarop is het, of het weer de vorige zaterdag ware. Waarlijk, er is volharding en moed toe noodig om den strijd niet op te geven.

Toch willen wij dit met Gods hulp niet doen. Daarvoor voelen wij ons te sterk in de belofte: Hij heeft ons macht gegeven, kinderen Godts te worden.—Kinderrang bij kinderzin. Het is beloofd. Het zal geschieden. Het kan geschieden. Het is mogelijk, al is het ook moeielijk, al is het ook wonderbaar. Van wonderen gesproken,—de klassieke dichterOvidiusheeft een heel boek vol geschreven, waarin hij van niets dan van metamorfosen verhaalt. Menschen worden boomen, vogels, en wat niet al meer. Maar als ik van die mirakelen lees, blijf ik er koud bij: het zijn immers maar fabelen? Het is alles mythologie. Maar als de Heilige schrift van mannen en vrouwen, ja, zelfs van ouden van dagen spreekt, die kinderen worden—zie, zoo waar God leeft, dat is geen fabel, geen mythe, dat is een feit! Zoo waar ik leef, ik weet dat het een feit is; ik heb het gezien.

Een schoon gezicht—om hetwelk te aanschouwen de engelen gaarne den hemel verlaten—die gedaante-verandering van den volwassen mensch, dieeenkind wordt! En zooveel te schooner, naarmate[165]het zielsgelaaat van dien mensch door de werking der zonde meer verdorven, meer verouderd en leelijker gemaakt was. Als men u toen gevraagd had: kan die akelige Kains-tronie nog weer een lief, onnoozel Abelsgezicht worden, zooals deze er uitzag, toen hij nog levend en blozend als een kind op zijn moeders schoot lag, of ook, toen hij in zijn tweeden en laatsten slaap, met een lachje op het gelaat, door zijn moeder in de armen genomen werd om tot de groote rust gebed te worden? dan zoudt gij geneigd zijn geweest uit te roepen: Onmogelijk! En gij zoudt recht hebben gesproken: dat is ook onmogelijk—althans bij de menschen is het onmogelijk.Adamkan het niet, enEvakan het niet, enAbelzelf uit zich zelven kan het ook niet; er is geen enkel Adamskind, die het kan! Maar wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God,—als God het wil, en dìt wil God. Hij wil, dat menschen zalig worden, en tot die zaligheid voert geene andere weg, dan door de tweede kindsheid heen, die wij het kindschap Gods noemen. Om het wonder dier herschepping tebewerkstelligen, beschikt hij over goddelijke krachten en gaven. Is het vreemd? Men verhaalt vanRubbens, dat hij, met een penseelstreek of wat, een schreiende in een lachende tronie op zijn paneel veranderen kon; zou de hand, dieRubbensdit schildergenie in den boezem gaf, niet iets dergelijks bij zijn maaksel vermogen? God heeft uit een handvol klei eenen mensch gebootst; zou hij nu den misvormden, verbasterden en ontaarden mensch niet weer tot een nieuwen en reinen mensch kunnen hervormen? Het is zoo: de bewerking is nog zwaarder. Want de doode klei was lijdelijk in de hand des Pottebakkers; maar de levende aardmensch, in wien de klei van beneden vaak over den geest van boven heerscht, is weêrstrevig en weêrspannig, en maakt den grooten kunstenaar soms moeite genoeg. Maar toch, als er eens een begin met het groote werk is gemaakt, o! het gaat. Het gaat langzaam, maar het gaat. Het gaat moeielijk, maar het gaat. Hier een vlek weggewischt, daar een rimpel weggestreken, elders een lach of een blosje aangebracht—het gaat. Zie, het wordt reeds een geheel ander voorkomen. Het hangend hoofd heft zich op, en het matte oog begint te glinsteren, en het ruwe vel wordt glad, en het onrustig jagende hart wordt stil, stil—zegt de Psalmist—als een kind bij zijn moeder.… en dat is niet de eenige kindertrek! Het kinderlijke komt gedurig meer boven, en uit, en door.… Ik las ergens van een volksgeloof, volgens ’t welke een mensch, als hij gestorven is, het gelaat van zijn vroegere kindsheid weêr aanneemt…dat is een legende. Maar dat Christenen, hoe ouder ze worden, temeer op kinderen beginnen te gelijken, ja, telkens meer kind zijn.… dat is geen legende. Dat is een feit. Ik heb het gezien en ik zie het aan mij zelven, helpe God! Met zijne hulp zie ik het eens in zijn gansche volheid en volkomenheid.

Wanneer?

Ik zie er mijn portret op aan, maar ik krijg geen antwoord. Mijn moeder heeft mij bij mijn geboorte den horoskoop niet laten trekken.[166]Er is dus zelfs niet naar geraden, hoe oud ik wel worden zou. Nu, in zekeren zin is dat ook onverschillig. Het aardsche leven is altoos een korte ketting, waaraan het op een schalm of wat meer of minder niet aankomt, daar zij toch bestemd is spoedig te breken. Anders is het gelegen met het hemelsche leven, de keten die nooit breekt. Dat is als de keten van den telegraaf, die onder rivieren en stroomen door, en zoo ook door de Jordaan des doods heenloopt, en den Nebo aan deze zijde aan de kust van de Palmstad aan den anderen kant verbindt. O wat het zijn moet, op dien anderen oever te komen, en dan het strand te kussen, en daarna opgerezen in den kristallen stroom zijn eigen beeld te zien, en zichzelven zoo weinig te herkennen, als ik mij nu in dit kinderportretje herken.… welk een verwachting! Toen men in der tijd dit kindje wel eens vroeg: hoe groot zult ge worden? hief het wicht de kleine armpjes omhoog, zoo hoog hij kon, maar altijd veel te laag.… het kleine schepsel! het kon niet hooger. Maar vraag nu het kind van God eens: Hoe groot zult gij worden? Lieve menschen! dat kan hij u nog minder toonen: want dat is zóó groot, zóó groot, dat men gaat duizelen, alleen van het zich te verbeelden. Bedenk dat er geschreven staat:ze sullen Hem gelijck wesen.

En dat alles, het ligt nu vóór ons, recht vóór ons, dicht vóór ons—wie weet, hoe dicht? Zonderling, dat die gedachte ons niet meer verblijdt. Ik weet nog, hoe het mij te moede was, toen ik het eerst den Montblanc zou gaan zien.… ik was de wereld te rijk! en ik heb hem gezien en uitgeroepen: schoon, schooner, veel schooner, dan ik mij had verbeeld! Maar nu dien anderen Montblanc te zien, en niet alleen te zien, maar ook te bestijgen, en niet alleen te bestijgen, maar ook blijvend te bewonen. Gelukkiger danDe Saussureen zijne navolgers, die na een kort verblijf op de hoogte weer naar beneden moesten in het Dal, in den herberg, en bij de morsige wateren van de Arve, die door de Chamounix-vallei stroomt. Nog eens, hoe kan het zijn, dat het ons zoo koel laat? Nu zou ik toch haast weêr zeggen, dat de sneeuw niet alleen op het haar ligt. Wat er aan te doen? Nog eens een blik op den Kind-Grijsaard des dichters, met zijn schoon verleden en nog schooner toekomst:

Ik ken twee schoone dalen,Waarop ik blik met stille vreugd:Het eene vol bloesem en stralen,Is ’t groene veld der jeugd.Het eene is doorgetogen!En schemert reeds in ’t wijd verleên:Toch wendt er de Grijsaard zijn oogenMet dank’bre blijdschap heen.Het tweede ligt daarboven!Dáár storm, nog sneeuw, noch winterwee!Maar eeuwige gaarden en hoven,Aan kristallijnen zee.[167]Wel tintelen en bloeienDe bloemen uit mijn jeugd nog schoon.Maar die uit den Hemelhof gloeienWel driemaal dubbel schoon!

Ik ken twee schoone dalen,Waarop ik blik met stille vreugd:Het eene vol bloesem en stralen,Is ’t groene veld der jeugd.

Ik ken twee schoone dalen,

Waarop ik blik met stille vreugd:

Het eene vol bloesem en stralen,

Is ’t groene veld der jeugd.

Het eene is doorgetogen!En schemert reeds in ’t wijd verleên:Toch wendt er de Grijsaard zijn oogenMet dank’bre blijdschap heen.

Het eene is doorgetogen!

En schemert reeds in ’t wijd verleên:

Toch wendt er de Grijsaard zijn oogen

Met dank’bre blijdschap heen.

Het tweede ligt daarboven!Dáár storm, nog sneeuw, noch winterwee!Maar eeuwige gaarden en hoven,Aan kristallijnen zee.

Het tweede ligt daarboven!

Dáár storm, nog sneeuw, noch winterwee!

Maar eeuwige gaarden en hoven,

Aan kristallijnen zee.

[167]

Wel tintelen en bloeienDe bloemen uit mijn jeugd nog schoon.Maar die uit den Hemelhof gloeienWel driemaal dubbel schoon!

Wel tintelen en bloeien

De bloemen uit mijn jeugd nog schoon.

Maar die uit den Hemelhof gloeien

Wel driemaal dubbel schoon!

Kind! kind! welke gezichten! welke uitzichten! O dat het nu ook waar worde:

„Wie zou dat schoone kindje zijn?Gij speelt er altijd mede!”

„Wie zou dat schoone kindje zijn?

Gij speelt er altijd mede!”

Ten laatsten maal—

Er kwam verandring in ’t gezicht mijn drooms.

Er kwam verandring in ’t gezicht mijn drooms.

Nog eens hervat ik mijn Reize door mijn kamer, ik sla mijn oogen her- en derwaarts in ’t rond. Zoo valt mijn oog op wat ik mijn Stamboom noemde: op mijn erentfesten Bijbel op zijn ouderwetschen lezenaar. Mijn stamboom; als behelzende op zijn eerste bladzijde de volglijst mijner Voorouders, mijn Genesis X, waaraan, door de hand der mijnen, een en andermaal een soortgelijke aanteekening, als in dat kapittel zoo menigmaal voorkomt is toegevoegd:„Deze en die werd geboren, gewon kinderen, en stierf.” Hier zie ik ze weer: de namen van mijne vaderen, van den eersten, dien we kennen,totmijn eigen lieven vader en moeder toe, en onderaan het open plaatsje voorJonathan… dat nog open is. Tot hoe lang? … neen, dat willen we niet andermaal gaan vragen.Éénding is zeker. Ik vergeleek mijn stamboom met Genesis X; maar dat geldt allerminst van de getallen. Die zijn voor het minst gedecimeerd. In die dagen was zeven, achthonderd jaar een gewone leeftijd. Mozes hield er reeds een andere rekening op na:Aangaende de dagen onser jaren, daarin zijn seventig jaer, of zoo wij seer sterk zijn, tachtentig jaer—Jonathan, hoort gij het?

Laat het zoo wezen.Jonathanworde ouder en ouder, zoodat het witte graan om den zeis roept, de oogstdag zal welkom zijn. En wel beschouwd, wat doet het er ook toe, of de namen op het schutblad van den Bijbel een jaar of wat meer of minder achter zich tellen, als de Bijbel zelf, waaraan ze als vastgehecht en waarmeê ze verbonden zijn, maar jong, maar eeuwig jong is en blijft!

En dat blijft hij!

Zie, daar ligt hij voor mij. Wij zien elkander na lange scheiding weêr. Hoe zien wij elkander? Hij vindt mij vrij wat veranderd: de Tijd schreef in rimpelen zijn voortgangen op mijn voorhoofd aan; ja ze staan, als op iederen van mijn gelaatstrekken, op elke van mijn lichaamsleden te lezen! Hoe geheel anders met hem. Hij altijd dezelfde. Ook uitwendig, in den sterken juchtlederen band, de soliede koperen[168]sloten, het stevige, degelijke, deugdelijke ouderwetsche papier met den kloeken zwarten letter, en de platen vanLuyken, bijna even duurzaam als het koper waarin ze eens gegraveerd zijn. Maar ook inwendig, in den inhoud. Ook daarvan geldt ten volle: „Niet verouderd!”

Welk een verschil tusschen hem en mij!

Ik las onlangs een bijzonderheid uit het leven vanAlexander van Humboldt, die mij trof. Toen hij als jongeling met zijn vriendBonplandin Zuid-Amerika reisde, zag hij een boom,Saman del Guere—meen ik—geheeten: een waren reuzenboom, in al zijn pracht, macht en kracht. Zestig jaren daarna, in 1858, bracht hem een reiziger, die uit die streken kwam, een gelijkende fotografie van dien boom mede. Dat gezicht deed hem aan. Naar de teekening te oordeelen, was die boom nog volmaakt dezelfde als in 1798. De stam even hoog, vast en recht; de kroon even breed en rijk; de takken even overvloedig, weelderig en schilderachtig naar alle zijden uitgebreid; de bladeren even rijk frisch en groen; de bloemen- en vruchtenschat even kleurig en welig. Toen werdAlexanderbedroefd. „Die boom nog geheel onveranderd, terwijlBonplandlang dood is, en ik een oud man aan den rand van ’t graf! Wat is er nu van die vlucht van jeugdigenthusiasme, die mij en mijn reisgenoot toenmaals bezielde, en ons met onze gedachten en plannen hoog boven de hooge kruin van dien reuzenboom, ja, van de hemelhooge bergen daarachter en rondom, opstijgen deed!…”Maar genoeg, gij hebt mij reeds begrepen. WatAlexandervoelde tegenover de afbeelding van zijnen langlevenden boom, gevoelt de verouderdeJonathan, staande tegenover zijnen altijd jongen Bijbel. Alleen maar, de aard van de daardoor opgewekte gewaarwording verschilt.Humboldtwerd droevig, ik gevoel mij gelukkig en blijde. Geen wonder: de jeugd van zijnen boom kon zich aan hem niet meêdeelen: maar de onveranderlijkheid van onzen Bijbel waarborgt ons onze onsterfelijkheid, onze eeuwige geestelijke jeugd. Daarom roemen wij:Alle vleesch is als gras, en alle heerlickheyt des menschen als een bloeme des gras. Het gras is verdorret en sijne bloeme is afgevallen: maar het woordt des Heeren blijft in der eeuwigheid.

Ja, het Woord blijft. Jaarhonderden en jaarduizenden zijn dáár, om hettestaven; ook het laatste jaarhonderd is daarvan een getuige te meer. Dat tijdvak toch is voor mijnen Bijbel niet al te goed geweest. Vreeselijke stormen en orkanen, o gij, woudkoning in den vreemde, gij machtigesaman-boom! zullen in den loop van die zestig jaren, van 1798 tot 1858, over uw kruin zijn heengevaren; ontzettende onweders zullen uw stam hebben bedreigd, en misschien ook wel vreeselijke aardbevingen uwe wortelen hebben geschokt en geschud; maar gij zijt staande gebleven, altijd jong, altijd sterk, altijd groen, altijd vruchtbaar! Welnu, niet anders deze Bijbel! Ook over hem heeft een Pinksterstorm, gelijk wij er een in 1860 beleefden, die de grootste en sterkste eiken ontwortelde en nederwierp, wat zeg ik? onderscheiden zulke Pinksterstormen[169]zijn over zijn hoofd heengegaan, en hebben getracht hem te knakken of neêr te slaan; maar het is niet gelukt. Hij heeft geen blad verloren, geen bloesem laten vallen, geen vrucht afgeschud.… hij staat daar altijd even krachtig en bloeiend, en als gij hem nadert, reeds van verre waait u uit zijne bladeren een geur des levens te gemoet!…

Men zou zeggen: maar wie heeft dan zulke stormen en onweders tegen dit beste der Boeken verwekt? Kan het zijn? Hebben dat de menschen gedaan? En waarom? Wat dan, o mijn Bijbel, wat hebt gij den menschen gedaan, dat velen uit hen u zoo gram konden zijn, en u zoo gaarne zouden verbrand, verscheurd, of voor het minst verminkt hebben, zoo ze hadden gekonnen?

Wat gij den menschen gedaan hebt? Dat is spoedig gezegd. Gij hebt ook in het jongst-verloopen tijdvak, ook in de laatste zestig jaren hebt gij duizenden, en tien- en honderdduizenden onder de menschen geleerd, gij hebt ze gesticht, gij hebt ze getroost, gij hebt ze gesterkt: gij hebt wonden gebalsemd, gij hebt rimpels glad gestreken, gij hebt tranen gedroogd. Toen er ten vorige jare oorlog was, was het als een hemelsche verschijning, als er in de hospitalen, waar de gewonden lagen, een broeder of een zuster van het Roode Kruis kwam, met een zachte hand, en een zacht verband, en een verzachtenden balsem in de vingers, en vooral met een zachte stem, die opbeuring en vertroosting sprak tot de verslagenen naar het lichaam en de verslagenen naar den geest. Maar wat die barmhartige Samaritanen onder de menschen in zwakheid hebben beproefd, dat hebt gij, o hemelsche Samaritaan des goddelijken Woords! in kracht beoefend en volbracht. Gij hebt in het groote hospitaal des menschelijken levens, waar de zichtbare, maar vooral de onzichtbare wonden niet te tellen zijn, gij hebt daar al wat krank, en zwak, en lijdende, en geknakt en gebroken was geheeld en gesteund; gij zijt dien mannen van krankheid en smart, dien kinderen der zonde en des doods, een engel der vertroosting en des levens geweest: gij hebt u dienBenoni’seenBenjamin, een zoon der Rechterhand getoond! O hoe zal men er u ooit genoeg voor danken? hoe zal men er u voor begroeten en zegenen: Gezegend gij die komt in den naam des Heeren!…Maar neen! neen! Alzoo, o mijn Bijbel! is het u van velen niet gegaan. Veeleer het tegendeel. Iemand heeft een verhaal aangaande u geschreven: De geschiedenis van het Boek. Maar indien men die geschiedenis raadpleegt, dan ziet men dat weinige lijders in deze negentiende eeuw moeielijker dagen hebben beleefd, dan gij; ja, zoo moeielijk, dat het ons soms wonder dunkt, dat gij er het leven afgebracht hebt; hoeveel meer, dat aan u de belofte ten volle vervuld is: Geen been van hem sal verbroken worden.

Inderdaad! het is een zware strijd, die in onze dagen op het groote slagveld des geestes gestreden wordt. Op een van de heerlijke zes fresco’s vanKaulbachin het nieuwe museum te Berlijn, voorstellende zes hoofdtijdperken uit de Algemeene geschiedenis der menschheid, heeft[170]de schilder de zegepraal des Christendoms over het Heidendom afgebeeld. Het tafereel geeft u een blik te slaan op het slagveld van den slag, in de velden vanCataloniëtusschen Theodorik en Attila geleverd. Het is een geniale greep! Beneden ziet men het slagveld zelf met zijne gewonden en dooden. Maar niet alleen beneden, ook daarboven is er strijd. Uitgaande van de legende, dat men nog dagen daarna krijgsgerucht in de lucht zou hebben gehoord, ontleent de schilder daaraan een schoone dichterlijke gedachte. De geesten zetten daarboven in de lucht den strijd voort, dien de lichamen der verslagenen beneden hebben moeten opgeven. Welnu, een dergelijke geestenslag heeft ook in onzen tijd plaats. Wie ooren heeft om te hooren, hoort het geklikklak der zwaarden in de lucht. Wat zal de uitkomst zijn? Dat vraagt niemand die gelooft. Wij zijn als Eliza. Wij zien en hooren de legers van onzen grooten Bondgenoot in de lucht, en roemen als hij: Wie met ons is is meer, dan die tegen ons zijn. Wij zijn vóór het einde van den slag der victorie zeker. Toen de Fransch-Duitsche oorlog van 1870 begon, riepen de Franschen; naar Berlijn! de Duitschers; naar Parijs! Dat was bij den een grootspraak, bij den ander anticipatie, bij beiden overmoed. De een had Parijs wel niet kunnen, de ander heeft Berlijn niet mogen zien. Maar als wij in den grooten geestenslag tusschen licht en duisternis, tusschen de wereld en het geloof dat de wereld overwint, bij voorraad en voorbaat uitroepen: Naar Jeruzalem! Naar het Nieuw Jeruzalem! dan weten wij, dat wij er komen zullen. Hij, die niet liegen kan, deWaarachtigeen Almachtige heeft het gezegd. Het bulletin is reeds geschreven: het is in de Apocalyps geboekt.

Dit neemt evenwel niet weg, dat voor een hart, dat dezen strijd aanziet, dat aan dezen strijd deelneemt, de dagen boos en hachelijk genoeg zijn. Een man, die recht van medespreken heeft; daar hij jaren opperstuurman op het schip van staat in Frankrijk was, en dat schip door menigen storm gelukkig heenvoerde, totdat ook hem het roer in de handen brak; de groote en edele strijderGuizotheeft er van gezegd: „Mijn ziel is te gelijk van vertrouwen en onrust, van hoop en vrees vervuld. Ten goede en ten kwade is de krisis, welke de beschaafde wereld doorgaat, oneindig sterker, dan onze vaderen hebben voorzien; sterker dan wij zelven het denken, wij, die er reeds de meest verschillende uitwerkselen van ondervinden. Verheven waarheden, uitnemende beginselen zijn innig samengemengd met denkbeelden, die volkomen valsch en verderfelijk zijn. Een schoone arbeid van vooruitgang en een afschuwelijk werk van verwoesting volgen elkander in de geesten en in de samenleving op. Nooit heeft de menschheid in zulk een mate tusschen hemel en afgrond gezweefd.” De schilderij is niet bemoedigend, en toch, we willen den moed niet opgeven. Ook daarom niet, omdat we op den eind-uitslag gerust zijn. Maar ook niet om deze reden, dat hoe dreigend zulk een strijd zijn moge, er nog iets erger is dan dat, en dat is: een volkomen rust.… namelijk de rust van het kerkhof, de rust des doods. En die was er vroeger, eer deze strijd ontbrandde.[171]Die was er in de zoogenaamde vredejaren, toen de kwade stoffen stillekens werden opgehoopt, die de lucht zoo elektriek gemaakt hebben, dat nu het bliksemlicht niet van den hemel is. Vraag een wakker kapitein, die op de Oost vaart: Wat hebt gij liever: storm, of langdurige windstilte? Hij zal het eerste kiezen. Met storm komt men, al is het dan dan stormende, toch nog voort: met eene windstilte gaat tijd, geld, lust, geduld, moed, alles verloren.—En ziet gij, er was vroeger op de Galilesche zee der kerk windstilte. Het zeil van het scheepke des Heeren hing los langs den mast; er was geen adem op het water, geen gang in het schip; alles doodstroom; men kon niet varen; men kon niet voort. Later begon de wind op te steken.…. het woei.… het woei hard.… het woei harder.… het waait nu erg hard.… het waait soms een stoker … om het even! Beter zoo, dan in ’t geheel niet. We weten nu voor het minst, dat we leven, we weten waarom we leven, we weten ook waarvoor we strijden, en met Gods hulp, we zullen er ons doorslaan, en de haven halen!

Als nu maar alle man zijn plicht doet!Nelsonzeide voor den slag van Trafalgar: Engeland verwacht dat ieder man zijn plicht doen zal. En zij deden hun plicht, en overwonnen. Zoo ook wij. Elk zijn plicht: van den admiraal tot den matroos; van den opperstuurman tot den koksjongen; van den kolonel der marine-soldaten tot den pijper, die den slagmarsch blaast. Alle man zijn plicht. En dat is niet: hard geroepen! luid geschreeuwd! Maar: trouw gewerkt! ijverig gearbeid! en moet het wezen—en het moet soms zijn—moedig en dapper gestreden! Ach, dat het daaraan zoo dikwijls ontbreekt!Jonathan, gij ziet hier toch niet bezijden? Zie vóór u! of liever: Zie op u! En nog het allerliefst: Zie in u, en spreek uwpeccavi!

Och ja,peccavi! Als ik naar binnen zie, dan sta ik hier voor mijn Bijbel, die mijn stamboom, den stamboom ook mijner vrome vaderen bevat, als een arm zondaar. En dat niet enkel, omdat ik misschien soms wel eens wat traag, of achterlijk, of lafhartig was in den strijd,—daar zijn er, die mij den Jonathansgeest op dit gebied als de zwaarste mijner zonden aanrekenen—maar ook, en vooral, omdat ik, naar mijn eigen inzicht en gevoel, niet trouw genoeg heb gewaakt en gewerkt. Dat is toch nog altijd de weg, die de uitnemendste is. De vorsten en ridders der hervorming droegen in der tijd op hun kleed het woord gestikt V.D.M.I.A.Verbum divinum manet in aeternum.Dat voorbeeld moeten we volgen. Of nog liever: we moeten dat woord niet alleen dragen op ons kleed, maar op ons lichaam, op onze ziel, op ons verstand, op onzen geheelen uit- en inwendigen mensch. We moeten niet alleen een levenden Bijbel hebben, maar ook een levende Bijbel zijn: een boek, waarin de Heilige Geest niet met inkt, maar met vuur, zijne geboden schrijft, om tot een brief van introductie en recommandatie voor zijn Evangelie bij anderen te strekken. Mocht ik die les leeren aan den voet van het Woord, waarvoor ik sta. Het is de les, waarin men nooit volleerd is. Zelfs invaliden moeten in dezen[172]strijd zich nog blijven oefenen, als jonge conscrits. Laat dat zijn. Als de dood ons maar bij het vaandel, op onzen post vindt. Als we maar metBossuet, in het schoone slot van zijne lijkrede opCondé, ons door onze witte haren indachtig laten maken aan de rekenschap, die wij eerlang hebben af te leggen, en aan de vervulling onzer taak tot den einde toewijdenles restes d’une voix qui tombe et d’un ardeur qui s’éteint.

Negen—tien.—Mijn klok spreekt. Hij zegt, dat het tijd is om te eindigen. En dat kan ik ook doen: mijn taak is af. Ik heb mijn Laatste woord aan den lezer gesproken. Dit woord is als een enveloppe om een brief, dien men nu, met een allerlaatsten groet op de keerzijde van den omslag, definitief verzendt. Moge de brief goed aankomen, en met een vriendelijk gezicht worden ontvangen. Ik heb geen reden er aan te twijfelen. Ik zeide het reeds vroeger: het groot publiek is van ouds goed, en meer dan goed voorJonathangeweest. Ik had die goedheid vroeger niet verdiend, en weet niet, waardoor ik haar nu zou hebben verbeurd. Ik wil er het beste van hopen.

En zoo leg ik hier niet, zonder een gevoel van zachten weemoed de pen neder.

Ik zie nog eens voor het laatst het tijdvak over, dat deze vijfde uitgave van de eerste scheidt. Waar zijn nu velen van de lezers, die mij het eerst door hun goedkeuring en toejuiching verblijdden en bemoedigden? ze zijn niet meer. Ze zijn uit dit land van Droomen in het vaderland der eeuwige Waarheid overgegaan, en aanschouwen daar de vervulling van menige schoone verwachting, waarover wij ons samen, al schrijvende en lezende, in de voorgaande bladzijden hebben verheugd. Daarentegen is een ander geslacht opgestaan, en omringt in zijn jeugdige gestalte den steeds ouder en ouder wordenden vader van dit papieren kind. Zal ik bij de kinderen iets terugvinden van de welwillendheid, die ik van hunne ouders, en misschien grootouders, genoot? Ik mag er althans niet op rekenen.

Andre tijd, andere oogen, een andere kreet,En de tijd is nabij, die mijn schijnsel vergeet!

Andre tijd, andere oogen, een andere kreet,

En de tijd is nabij, die mijn schijnsel vergeet!

Ook voor den flauwsten nagalm van vroeger ondervonden waardeering wensch ik dankbaar te zijn.

En nu eindelijk nog een handdruk aan de vrienden onder mijne tijdgenooten, die nog in leven zijn. Dit kringetje is klein geworden, maar het is, Goddank, toch nog niet geheel gebroken: het is nog een kringetje:tres faciunt collegium. Hen moge de oude bekende stem nog eens, van uit deze bladen, van mijnentwege groeten. EenRequiescatvoor de dooden: een hartelijkSalvevoor de jeugd; maar dan ook een trouwe handslag met een hartelijk:Semper idem!voor de vrienden! De dichter heeft gevraagd:[173]

Maar de mannen, in wier hairenWij een grijzen vlok ontwaren,Daar zij zich in ’t hoekjen scharen,Waar zij uit de drukte zijn,Prijzen luide d’Ouden Wijn,Geurig, keurig, uitgelezen.…Zou ’t met vriendschap ook zoo wezen?

Maar de mannen, in wier hairen

Wij een grijzen vlok ontwaren,

Daar zij zich in ’t hoekjen scharen,

Waar zij uit de drukte zijn,

Prijzen luide d’Ouden Wijn,

Geurig, keurig, uitgelezen.…

Zou ’t met vriendschap ook zoo wezen?

De vraag wordt aan allen, dus ook aan mij gedaan; en dan roept alles wat in mij is daarop luid en vroolijk uit: Ja, Dichter! zoo is het! Zoo is het! Zoo blijve het! Zoo worde het steeds meer en meer!

En nu gaan wij, eer de nacht valt, het oude huis, waaraan wij in den geest samen een Afscheidsbezoek brachten, verlaten. Ik schuif den leunstoel terzijde, ik sluit de boekenkast dicht, ik sla een laatsten blik op den uurwijzer van mijn Huisklok, ik wuif een groet toe aan het Kinderportret aan den wand, ik richt ten slotte een dankbare zegenbede aan den ouden Huisbijbel—en thans den trap af, de deur gesloten, de sleutel uit de deur.… heil zij dezen huize! Waarschijnlijk kom ik hier niet weêr. Andere stemmen roepen elders heen. De weg leidt voorwaarts.…

Voerman! rij in Godsnaam voort!

Voerman! rij in Godsnaam voort!

[175]


Back to IndexNext