VERSPREIDE STUKKENVANJONATHAN.

[Inhoud]VERSPREIDE STUKKENVANJONATHAN.[177]GEKROONDE VROUWEN.(26 October 1837.)Welk een drukte! Wat gewoel! Er komt van daag geen einde aan het rijden en rossen. De diligences hebben meer bijwagens, dan anders passagiers. De veerschuiten zijn tot zinkens toe vol geladen. De wegen wemelen van voetgangers. Het is of de aarde op ééns in een hellende richting geraakt is, waardoor al wat beweegbaar is met geweld naar éénen kant gedreven wordt. De stad is half verlaten.’t Kinderschool is leêg geloopen;De Invalied komt aangekropen;’t Grootje hinkt van ’t spinnewiel.Ik zou mij niet op straat durven vertoonen. Men zou het mij nooit vergeven, dat ik heden mijn paar gezonde beenen tot iets anders gebruikte, dan om den grooten stroom te volgen. Ik ben toch reeds meermalen voor een wijsneus uitgemaakt. „Hé,” zeide men met open mond en mij van het hoofd tot de voeten opnemende: „zoo kort bij den Haag te wonen, en dan te verzuimen om de Koningin te zien begraven!”Ziedaar mijn misdaad! ik wilde de Koningin niet zien begraven. Verdenk daarom mijn Koningsgezindheid niet; zij werd nooit verdacht. En als gij mij op den morgen van heden gezien hadt, gij zoudt u met mijne weigering hebben verzoend. Ik had mij voor dezen dag van alle dienstwerk ontslagen. Het was voor mij een heilige dag, de dag van Sancta Wilhelmina. Ik ging evenwel niet ter kerke: mijne kamer diende mij tot huiskapel, waar ik in den geest een lijkmisse ter eere van de afgestorvene vierde. De onophoudelijk luidende kerkklok ondersteunde mijne illusie:Von dem DomeSchwer und bangTönt die GlockeGrabgesang.Ik kan u den inhoud van het Miserere mijns geestes niet mededeelen.[178]Zóó veel kan ik er van zeggen, dat mijne mijmering in geen opzicht leek naar het vers, door uw neef, uw broeder of uw vriend op den dood der Vorstin gemaakt. Het was in den rechten zin des woords een mijmering, eene fantasie, een visioen. Allerlei beelden dwarrelden bont en grillig voor mijne oogen heen; ik volgde in mijne gedachten den trein van het paleis, de woning der macht en der eere, naar het graf, de woning der vernedering. Ik zag de kist in het graf plaatsen zes voeten lang en drie voeten breed, meer niet, en dacht aan het woord vanJuvenalis:Mors sola fatetur quantula sint hominum corpuscula, zóó klein kwam mij dit hoekje voor, dat nu volstond voor haar, die voorheen paleizen tot woning, een geheel heir tot dienaren en een gansch volk tot eerewacht op haren weg gehad had. Ik zag den trein de kerk verlaten, en bleef alleen achter. Toen daagde ik in mijn geest, zoo als de Egyptenaren deden, geheel het volk op, om over de Doode recht te spreken. Nog bleef ik alleen. De menschen brachten geene beschuldiging tegen haar in. En toen ik haar mij voor een andere vierschaar vertegenwoordigde, toen zag ik haar gevolgd door al hare goede werken, die haar „bij hare afreize uit deze wereld vergezelden, omringden en omstuwden, als een drom van hemelsche Serafijnen, en haar juichende binnenleidden in de eeuwige tabernakelen.”Zoo peinsde en droomde ik al voort. Toen ikmijnlief kamerke verliet, zal het omstreeks den tijd geweest zijn, dat de heraut bekend maakte,dat de begrafenis van de Koningin was afgeloopen. Ik was over mij zelven voldaan. Ik had naar mijn inzien het begrafenisfeest der Koningin beter gevierd, dan menigeen, die geen slip van de staatsie onopgemerkt had laten voorbijgaan. Want, (en nu kom ik op den grond mijner weigering om naar den Haag te gaan,) ik zag er tegen op, om mij in de drokte van het volksgewoel te begeven. Reeds vroeger was ik meermalen geërgerd geworden door den toon, waarmede men over de sombere plechtigheid sprak: kinderachtig (ik wil er geen anderen naam aan geven) was de ingenomenheid van sommigen met de beloofde vertooning. Men sprak er over als over een publiek amusement. En ik denk, dat wie de menigte op de naar den Haag loopende wegen opmerkzaam heeft gade geslagen, wel verwonderd heeft moeten vragen: zijn dit pelgrims naar het graf der geliefde Koningin? Neen, dan hadden de bedevaartgangers van het heilige graf, wier voorkomen, ja, zelfs wier kleeding in overeenstemming was met het ernstig doel van hunnen tocht, dezen beter de passende houding van een pelgrim kunnen leeren en hen doen blozen over de gejaagdheid, over de verwachting, over het genoegen zelf, dat op veler aangezicht te lezen was! En daar mijn gevoel een kruidje-roer-mij-niet is en voor elke onvoorzichtige aanraking schuchter terugkrimpt, mocht ik het niet in zulke een hinderlijk gedrang wagen; het kan weinig tegen zulke stooten, als waaraan ik te midden van zoo veel ergernissen zou hebben bloot gestaan. Ik had mij zeker boos gemaakt over de weinige sympathie, die ik in den aanblik mijner medegenoodigden ter begrafenis zou hebben opgemerkt. Ik had[179]mij bij het gezicht van den trein beklaagd, dat ik zulk een indrukwekkend schouwspel niet onder gelukkiger omstandigheden had kunnen genieten. Ik had geknord tegen de onderkaak van mijn achterman, die mijn hoofd tot een rustpunt nam, of tegen den arm van mijn naaste, die op mijn schouder als eene vensterbank leunde, en mij zelven wel honderdmaal van dáár en op mijne kamer gewenscht; in één woord, ik had het genoegen van anderen bedorven en mijn eigene stemming door anderen laten bederven. En daar ik dit alles voorzag, wie moet mij niet toestemmen, dat ik de wijsste partij koos met te huis te blijven?De doodklok luidde nog altijd voort, en bepaalde voortdurend mijne gedachte bij de plechtigheid van den dag.Tot welk een ongewone drukte geeft de dood der Vorstin aanleiding! Welk een scherp kontrast van het stil en verborgen leven der vrome Vrouw, met het gewoel dat zich om hare kist verdringt! Ik twijfel er niet aan, of zij zelve, indien zij recht van kiezen gehad had, hadde verkozen, in den avond, zonder andere getuigen dan hare betrekkingen, zonder andere rouwdracht dan die waarin zich het deelnemend hart kleedt, zonder anderen lijksleep dan dien der dankbare beweldadigden, te worden bijgezet.Maar eene koningin heeft geene keuze. Zij is de slavin van haren stand. Hofdwang benauwt het wicht reeds in de purperen windselen: hofdwang klemt den dartelenden voet van het kind in den looden schoen der etiquette: hofdwang leidt het wederstrevend slachtoffer naar het geschuwde bruidsbed: hofdwang eindelijk ontrukt het heilig overschot der gestorvene aan de armen harer betrekkingen, om het als een mummie voor onverschillige oogen ten toon te stellen, of als een heiligenbeeld in processie onder het gapende volk rond te dragen.Voor een vrouw, die geheel vrouw is, moet er iets kwetsends in wezen, al de verplichtingen der tiara te vervullen.Arme onnoozele, die op éénmaal uit het vertrek uwer moeder wordt opgeroepen, om den troon eens vreemdelings te deelen! Terwijl gij tot nu toe in half kloosterachtige afzondering versmachttet, wordt gij op ééns aan de vrije, koude lucht blootgesteld. Duizenden verdringen zich op uwen weg, om u te bespieden; onbeleefde Courantiers kijken u de woorden uit den mond, om die verdraaid aan het groote publiek weder te vertellen: glurende schilders betrappen het blosje op uwe wangen, om te weten, hoeveel karmijn zij voor uw portret noodig hebben; het gemeen mompelt onder elkander, alsof gij geene ooren hadt, het vonnis zijner voorbarigheid over uw voorkomen uit; hovelingen snuffelen als speurhonden om u heen en fluisteren, met het oog op u geslagen, elkander in de ooren. Eindelijk bereikt gij de plaats uwer bestemming. Dit is nu uw echtgenoot, uwe Hoogheid! Die Heer dáár is Z. M. uw schoonvader. Mag ik de eer hebben, u aan mevrouw uwe koninklijke schoonmoeder voor te stellen? De eerste kus wordt ten aanschouwen van honderdduizenden gewisseld; handgeklap vergezelt, evenals in de[180]komedie, de vaderlijke omhelzing. Nu kunt gij in de eenzaamheid een weinig tot bedaren komen? Neen! gij moet op het balcon aan het volk worden voorgesteld. Daar staat gij aan ontelbare onbeschaamde blikken bloot; het volk applaudisseert bij den aanblik uwer schoonheid—lieve Hemel! is het niet of het uw Schepper wilde toejuichen?—Gij moogt het tooneel verlaten. Meen evenwel niet, dat gij daarom vrij zijt. Men wacht u aan tafel. Daar zijt gij wederom de hoofdschotel. Men eet niet, men drinkt niet, men doet niets dan u begluren en u beluisteren. Gij komt niet tot u zelve dan in de armen van den man, die u zijne vrouw noemt. Arme onnoozele! uw feestdag was een bange dag.Eindelijk is aan de wetten der etiquette voldaan. De nieuw aangekomene heeft de spitsroeden der openbare beoordeeling doorgeloopen. Men laat haar in hare vertrekken met rust. Zij heeft den tijd zich met haar te huis bekend te maken. Nu is het ergste geleden!—Misschien—zeer misschien. Weet gij wel, hoeveel kansen zij tegen heeft? De man, aan wien men haar heeft opgedrongen, kan harer onwaardig zijn. Zij heeft hemmoetennemen. Maar al verdient hij haar: zal het verkeer der wittebroodsweken de zoete gemeenzaamheid te weeg brengen, die anders uit de langzaam toenemende vertrouwelijkheid van een verloofd paar ontstaat? Of zal niet de betrekking der gehuwden levenslang den schok gevoelen, die hen, als ik het zoo zeggen mag, tegen elkander geworpen heeft? Hare moeder moet weder van haar weg. Zal hare schoonmoeder haar dit verlies eenigermate vergoeden? Zij had onder hare hofjuffers een vriendin—wel geene halsvriendin, die hebben Vorstinnen niet—maar toch een lievebekendegevonden. Aan wie zal zij nu haar vertrouwen schenken? Zal zij in dit vreemd klimaat aarden? Zal zij hare lippen aan de ongewone taal kunnen gewennen? Zal zij zich met de zeden haars volks kunnen verzoenen?Altemaal vragen, die haar niet eens gevraagd worden. Het heeft in de Hofcourant gestaan: zij is met den vorst getrouwd; ergo, zij heeft hem lief. Zij is zijn landgenoot geworden: zij heeft zijne taal en zijne zeden aangenomen: zij heeft haar hart genaturaliseerd.Noem mij niet zonderling, als ik zeg: de koninklijke eere is alleen voor mannen geschikt. Dat staan op eene hooge, uitstekende plaats, dat dragen van een zware kroon en een klaterend kleed, dat bekleeden van een middelpunt van dienaars, dat treden door laag gebogen rijen, dat ten doel staan aan de algemeene opmerking, dat openbare leven, als van den Opperpriester te Rome, met nacht en dag openstaande deuren, dat wonen in een altijd geurenden dampkring van wierook:—dat alles vervult de borst des mans met edelen hoogmoed en doet hem den troon zelf om zijn purper beminnen. Maar de zachte, ingetogene, kuische en vrome vrouw, wier wereld is aan den boezem harer moeder, of aan het hart haars echtgenoots; wier oog den sluier en wier hart de eenzaamheid lief heeft; die schuw is voor lof en siddert[181]voor afkeuring—kan zij gelukkig zijn, geplaatst in een kring, waar zij boven de overigen opgeheven en tot een voorwerp van algemeene aandacht gesteld wordt? Kan het haar, indien zij haar kinderlijk, vrouwelijk hart behouden heeft, genoegen doen, vrouwen, die hare moeder konden zijn, voor haar te zien uit den weg gaan; mannen, die in de dienst des Staats vergrijsd zijn, voor haar te zien buigen? Moet het haar niet hinderen, door den dwang der etiquette verplicht te zijn, de haar natuurlijke voorkomendheid en hulpvaardigheid te onderdrukken? En wee haar, indien zij een eenigzins verheven, dichterlijken geest bezit, die behoefte heeft zich mede te deelen, uit te breiden, over te gieten. Want hare Dame van kleedkamer leest alleen den hofalmanak en het modejournaal: want hare grootmeesteres kent geene andere wereld dan de hemisphaera van de vertrekken der Koningin: want hare staatsdames hebben allen zielen van klei en harten van steen. Daar ginds, in de verte, bespeurt zij wel de groote mannen, die zij bewondert, de schoone geesten, die zij lief heeft en met wie zij sympathiseert; maar de diadeem der genie wordt niet erkend aan den ingang der zalen, waar boven de gouden kroon praalt. Al wat het wetboek van den hofdwang duldt, is: dat ieder nieuwvoortbrengselder schoone letterkunde haar op best papier gedrukt en in een vergulden band worde aangeboden. De ongelukkige! zij moet alle groote gewaarwordingen in hare borst opsluiten; zij moet, binnen haren vergulden kerker gebannen, in zich zelve verteren: zij is aan het dier in de fabel gelijk, dat, door de vlam ingesloten, den angel tegen zijn eigen borst richt.En wanneer zij de hoflucht verlaat, is het beter? Voorzeker niet: overal dezelfden nasleep. De Koningin vertrekt naar haar buitengoed, om een luchtje te scheppen. De Koningin gaat een luchtje scheppen, herhalen honderd couranten. Het hof, de residentie, het gansche land spreekt over een luchtje, dat de Koningin gaat scheppen! Eene ongelukkige paraphrase voorzeker van hare beklemde zucht naar Gods vrije natuur. Eindelijk is zij op haar lustslot aangekomen. Het weder is schoon, de natuur in bloei, het bosch verrukkelijk. Maar wie geniet daar iets van, door een drom van gonzende muggen ingesloten? En de Vorstin is altijd van gonzende muggen omringd. Het water van de vijvers is zoo helder en frisch: spiegelde het slechts geene hofrokken weder! de vogels zongen zoo lief: maar zij hebben de vlucht genomen voor de hovelingen, die eene aria uit de nieuwe Opera neuriën. Demenschelijkeechoos: „Ja, uwe Majesteit!—Neen, uwe Majesteit!” maken, dat men de echoos in het bosch niet hooren kan. De Koningin komt in de hofstad weder, zonder een enkel uur van vrij en zuiver genot van de natuur te hebben gesmaakt.De Koningin zal den schouwburg bezoeken. Te harer eere is het er eens zoo vol en tweemaal zoo warm als anders. Zij komt de zaal binnen; handgeklap. Zij gaat zitten; al de lorgnetten zijn in beweging. De Dames ontleden haar toilet van stuk tot stuk. De Heeren ontzien zich niet,[182]haar onbeschaamd aan te staren. Ware het eene andere Dame, haar cavalier zou verplicht zijn het voor haar op te nemen. Maar de Koningin, hoewel een vrouw, is geene vrouw als iedere andere; men behoeft voor haar de gewone beleefdheden niet in acht te nemen. Het stuk begint; eene menigte van aanschouwers blijft, met den rug naar het tooneel gekeerd, het koninklijk gezin aangapen. Voor hen wordt de representatie van den avond in de hofloge gegeven; de Koningin gevoelt zich in den lastigen toestand van eene actrice, die debuteert; zoo wordt zij in al hare bewegingen bespied. Lacht zij, men zegt: zie, zij lacht! Welt er een traan van natuurlijk gevoelzachtkensin haar oog, zij moet hem met geweld onderdrukken om niet bespot te worden. De acteurs zijn gedwongener en spelen slechter dan anders. Dit is ook ten deele het gevolg van het verbod om te applaudiseeren. Het is jammer; een beschaafd publiek, dat zijne bewondering in luide goedkeuring te kennen geeft, is zulk een schoon, éénig schouwspel! Maar waar het koninklijk gezin zich vertoont, is alle enthusiasme contrabande, behalve die zich in de nationale liederen lucht geeft. Het hof heeft ook zijne claque. Eindelijk is de vervelende avond om, de menigte schaart zich in de corridors, om den stoet te zien vertrekken. Met gapenden mond en groote oogen staart men den glinsterenden sleep aan, en wie weet, hoe velen bij dat gezicht niet kunnen nalaten te zuchten: De benijdenswaardigen!En nu zwijg ik nog van diplomatieke audienties. Nu zwijg ik nog van een wandeling door het bosch van de hofstad en toertjes door de gewesten des Lands. Nu zwijg ik nog van verre reizen naar buitenlandsche hoven, om de kinderen te bezoeken, die de staatkunde aan het hart der moeder ontrukt en door zeeën van haar gescheiden heeft. En wat is dit alles nog, bij het deelen van de zorgen des bestuurs? Bij den plicht, om de groeven te verzachten, die de scherpe rand der kroon in het voorhoofd haars gemaals achterlaat? Om den vermoeiden en belasten den dienst te bewijzen vanAäronenHuraanMozes, daar zij de tegenAmalekopgeheven hand, toen zij te zwaar werd, ondersteunen? Om haar teedere schouders te laten kneuzen door het tillen van een last, die zelfs den sterken man nederbuigt?o Gouden vertrekken der Koningin! indien uwe wanden spreken konden, welk een Ilias van lijden zouden zij te verhalen hebben!En gelukkig nog de Vorstin, die niets dan de gemalin des Konings behoeft te zijn, in vergelijking van haar, die geroepen wordt, om den zetel alleen te bekleeden. Arme bloem van Kent! Hoe dubbel zwaar moet de driekroon der Eilanden op uwe fijne slapen drukken! Welke een jammerlijke misgreep weder door de politiek tegen de natuur begaan, om een zoet, achttienjarig kind op den hoogen troon te heffen! Zoo jong, en reeds zoo hoog geplaatst! Gij doet mij denken aan die ellendige schepseltjes, over wie ik soms mijn hart heb voelen breken, die, vijf of zes jaren oud, gedwongen worden op de halsbrekende hoogte van een koord kunsten voor het publiek te verrichten. Wat[183]springt men meêdoogenloos met u om! Wat heeft men u nog onlangs de straten van Londen langs en door het gewoel eener joelende menigte gesleept! En dat eene jonge beschroomde, die, bij de uitgelatenheid van ’s volks geestdrift in Drurylane, zelfs de sporen van angstvalligheid niet verbergen kon. O, hoe wel versta ik, wat men bericht, dat gij de opgewondenheid van den grooten hoop, bij uwe verschijning, onverschillig hebt blijven aanzien. Wat de borst van een jongeling hoog had doen zwellen, moest op unoodzakelijkeen onaangenamen indruk maken en uwe schuchterheid beangstigen. En toen gij daarna vernomen hebt, dat uw feestelijke optocht voor enkelen uwer goede onderdanen doodelijk geweest is (plectuntur Achivi!) en dat het bloed van een jong wicht de wielen van uwen zegenwagen bespat heeft, hoe beklaag ik u over den rouw, die daarbij uw hart zal hebben vervuld, onnoozele duive, KoninginVictoria!Nog nauwelijks droeg de jonge wees het rouwkleed over haren koninklijken oom, of reeds twistte het Parlement, wie bij haren dood moest opvolgen. De erfenis eener achttienjarige te verdeelen.… zie, dat is toch onvriendelijk vroeg! Of zouden misschien de Ministers Harer Majesteit de zwarte verbeelding vanByronhebben, die zich ergens beklaagt, dat hij geen jong meisje zien kon, zonder haar in zijne fantasie tot een geraamte te ontleden? Zeker althans is het, dat de Courantiers te haren opzichte het lastig gebrek vanla vieille fillehebben, om haar met geweld aan een jongenpartnerte willen koppelen. Terecht schreef daarover iemand: „Arme Koningin, wier zoetste geheim elke Dagbladschrijver raden, overbrieven, uittrompetten wil, hoe brengt gij ons uwe doorluchtige voorgangster,Elisabeth, te binnen”!En ware zij nog alsElisabeth! ik wil nog niet eens zeggen, ware zij eene vrouw als deze, die onder hare kanten mutsmannelijkehersenen verborg en onder het zijden corset een mannelijk hart omdroeg! Maar vergelijk eens den staatkundigen toestand van hettoenmaligEngeland met het tegenwoordig Groot-Brittanje. Gelooft gij niet met mij, dat het toen veeleer dan nu de tijd was, om eene Koninginne-Maagd aan het hoofd van den staat te hebben? De schepter der Monarchij laat zich des noods nog door eene vrouwenhand voeren. Eenheid van wil vereenvoudigt de regeering: onbeperkte ruimte van middelen maakt het heerschen gemakkelijk. Maar bovenal, welke eene eeuw, de eeuw vanElisabeth! vergelijk het ridderlijk Engeland, dat zich niet schaamde voor de voeten eener edele jonkvrouw te knielen, bij het plebejisch en oproerig Engeland onzer dagen. Vergelijk dien galanten hofstoet van Staatsraden en Ministers bij den ongeregelden hoop der vertegenwoordigende kamers! Vergelijk de kleine moeielijkheden, door de twisten tusschen den hoofschenLeicesteren den hooghartigenBurleighontstaan, met de noodzakelijkheid, om zich op genade aan een brutalen, dweepziekenO’Connelover te geven! Vergelijk eindelijk het volk dier dagen, als een éénig man onder de monarchale banier geschaard, bij de veelkeurige bende, die zich nu in allerlei partijen verdeelt. En beken, dat men eene Amazone[184]moet zijn om het wederspannig ros met zijden teugels en zijden handen te kunnen breidelen.En wat ik boven zeide, dat de Koningin zich door hare betrekkingen meermalen in haar vrouwelijk gevoel gekwetst moet vinden, hoe veel toepasselijker is dit nog op de regeerende Vorstin! Waar zal ik beginnen, om de tegenstrijdigheden op te noemen, die zich tusschen de plichten van haren stand en de eigenaardigheden van haar karakter moeten opdoen? Neem eens de verheffing door de Engelsche Koningin van den Edel-Achtbaren Lord Mayor en de Sheriffs tot Ridders. Wie gevoelt er het onnatuurlijke en stuitende niet van? Welk een verschil met den tijd, toen de bloedige hand des Vorsten zelven den moedigen schildknaap de gouden spoor aan den hiel bond!Koninginnen der schoonheidte wezen en den krans op het hoofd van edele mannen te drukken, ziedaar eene vrouwelijke taak. Maar om voor zich den man te doen knielen, om hem—even alsBlountin Kenilworth met een geleend zwaard—door onhandigheid misschien over de ooren te houwen, ziedaar eene onvrouwelijke exercitie. Neen! wanneer er volstrekt tusschen twee kwaden moet gekozen worden, dan liever het vrouwelijke lijden in het paleis van Buckingham dan het spelen der mannelijke rol in Guild-Hall. Dan liever de tranen, door de koninklijke Lijderes vergoten, dan de feestdronk opden SouvereinVictoria!Met liefde keert mijn blik van zijne lange omzwerving naar uw stil graf terug,Wilhelminavan Pruissen! ik verheug mij in de ruste, die hier uw afgemat hoofd en afgefolterd lichaam vinden mocht. Want op wien ook, op u zal de kroon in het graf niet zwaarder drukken, dan zij op de levende woog. U is er een bange last meê van het hoofd gevallen. Het dankbare volk misgunt u die ruste niet. Het verheugt er zich voor u in, dat de hemel, en niet langer de aarde, u onder deGekroondentelt![185][Inhoud]DE KONING KOMT.(3 Augustus 1842.)De Koning komt! Zie, dien man reik ik als burger de broederhand niet, wien bij deze tijding het hart niet een paar slagen sneller klopt dan te voren. Trouwens, ik voor mij geloof niet, dat er veel zulke harten zijn. De eerbied voor het koningschap is in ons, onderdanen van den Koning der koningen, van wiens Majesteit het koningschap in iederen vorm slechts een afschaduwing is, iets natuurlijks,—iets instinktmatigs, had ik haast gezegd. De hermelijnen mantel moet wel in eene wolfshuid, de gouden kroon in een ijzeren, en de schepter in een dorenstaf veranderd zijn, eer die eerbied voor de verachting en afkeer plaats maakt, die het wettig loon van tirannen is.Er bestaat buiten dit geweldig, misschien nog een zachter kunstmiddel om dit gevoel ten onder te brengen; het is de theorie, die in de vorige eeuw doorMaratenRobespierregeleerd, en door hen met proeven opLodewijk XVIenMaria Antoinettebloediger gedachtenisse gestaafd is. In die school, waarin men begint met den Koning des hemels te onttroonen, en Hem alle gezag en invloed op de verheffing van de koningen der aarde te ontnemen, komt men, langs een zeer natuurlijken weg van gevolgen, tot de leer, dat een koning eigenlijk geen koning is, maar een onderdaan; een onderdaan zijner onderdanen; een knecht der knechten, wiens eigenlijke plaats aan de punt van den staart des volks is; ten gevolge waarvan dan ook, met de strengste consequentie, in de gouden eeuw dier theorie, de geheele maatschappelijke ladder onderst boven gezet en op haar hoofd geplaatst werd, zoodat de koning achter den adel, de adel achter den middelstand, de middelstand achter het gemeen, en het gemeen van het gemeen op den zetel geraakte, die de guillotine tot voetstuk had. Die koorts is sedert, den Hemel zij dank! na vele aderlatingen en een gestreng dieet, onder de homoeöpathische behandeling van den Korsikaanschen Wonderdokter, wel gelukkig afgegaan: maar er is toch in het groote lichaam nog zekere koortsachtige neiging overgebleven,[186]die bij de minste irritatie met eene wederinstorting bedreigt. En het zijn deze heimelijke sluipkoortsjes, die zich hier en daar openbaren in de Jakobijnsche manier, waarop men de vorsten weêr begint te beschouwen en te behandelen. Eene wijze van beschouwing, die dan ook onder anderen aan den dag komt in de bekoorlijke nonchalance, waarmede de ultra-constitutioneele wijsgeer het bericht ontvangt, dat „de Koning komt.” Merk op, hoe hij bij die aankondiging den hals in den nek werpt, u met een spotachtig lachje aanziet, en een gezicht zet, zoo onverschillig, dat het bijkans veelbeteekenend wordt van onverschilligheid, waarop dan voor ieder die het zien wil te lezen staat, dat hem het heele bericht niet meer aangaat, dan of de haan van zijn buurman op zijn erf gekomen was, wiens roode kam en vurige sporen in zijn oog evenveel waard zijn als de erfelijke koningskroon en de verworven riddersporen van alle Majesteiten der wereld. Maar zoo als ik zeide, die wijsheid is geen natuurlijke, maar eene verkregene en aangeleerde, die in plaats van uit het hart naar het hoofd te komen, met kunst- en vliegwerk uit het hoofd naar het hart gepompt is, en daaraan niet zonder tegenstand opgedrongen. Het spreekt dus van zelf, dat eenvoudige menschen, als waaronder ik hier buiten verkeer, daarvan niets verstaan, en alzoo nog omtrent hetzelfde voelen, wat onderdanen van ouds af voor koningen van ouds af gevoeld hebben, te weten: achting voor het koningschap, eerbied voor de koninklijke waardigheid, en, als hij haar niet moedwillig verbeurt, liefde voor den persoon des konings.Dat bleek bij ons op een treffende wijze, nadat wij eindelijk het zeker bericht ontvangen hadden: de Koning komt!—Van dat oogenblik af klopte aller hart en glinsterde aller gelaat van vroolijke verwachting. Men sprak elkander niet, zonder van het heugelijk nieuws te gewagen. Ieder maakte aanstalten om den vorst op de feestelijkste wijze te ontvangen. De arme bosschen moesten twee maanden te vroeg hun groen afstaan, Ommeêdoogend hakten mes en schaar in sparren- en eikenboomen. Bloemen en wat naar bloemen geleek werd zonder deernis afgeplukt. De lijsterbessen verloren er al hare trossen bij; want lijsterbessen tusschen eikenbladeren, wat kan men schooner hebben? Er bleef geen besje over om meê te lijsteren: van daar zeker, dat ik dit jaar nog geen lijster geproefd heb.—Nu aan het kransenmaken: de een al zwieriger dan de andere. Men durfde in al die dagen niemand de hand geven van den boomharst, die er aan kleefde van al detaxies, gelijk men bij ons de sparren verkiest te noemen. Ik heb er gezien, vijftig voet lang, waarin de bloemen met zulk eene mathematische evenredigheid waren verdeeld, even als de ringen op eene slangenhuid, dat ik den vervaardiger verdenk van er den duimstok bij gebruikt tehebben. En vlaggen? Die konden, ontboden zevanelders; wien dit te kostbaar was, maakte ze zelf van gekleurd papier, oranje, blanje, bleu, vast aaneengeplakt, zoodat ze bij ieder tochtje rinkelden als het klatergoud in eene haringkroon. De ijverigsten richtten bogen[187]op met eene kroon er in, want dat is boerenstijl: zonder kroon geen bruiloft: bruiloft is het feest der feesten; dus geen feest zonder kroon. En tusschen de kroonen opschriften op een half vel papier, beschreven door den ondermeester van het dorp, in alle soorten van letterformaat, groot, middelslag en klein, met lettertrekken er rondom, die de Koning van zijn rijtuig moet kunnen zien! Zoo waren dagen achtereen aller handen—en dat zegt hier, aller harten—met des Vorsten komst bezig. Toen ik in den avond vóór den grooten dag in het donker te huis kwam, zag ik hier en daar nog een enkel dwaallicht zweven; eene kaars of lantaren van den een of anderen dorpeling, die, eer hij ging slapen, zich het genot nog eens gunnen moest om het door hem gebouwde Babel met zijne hangende tuinen te bewonderen, en te zien, welk effect zijne decoratie bij donker voor uilen en bietebauwen maakte.Onder zulke tooneelen en onder zulke menschen werd ik den anderen morgen wakker. Was het wonder, dat het mijne eerste gedachte bij het ontwaken was: deKoningkomt?—Ook ik had mijne stulp op het zwierigst en tierigst opgetooid. Een keurigetaxies-krans slingerde zich als eene reusachtige slang, met schilderachtige en veelkleurige bochten, van den ijzeren arm aan het dakvenster, langs het geheele huis, tot op den grond naar beneden.Edithahad er hare kleine handen met honderd „eerlijke wonden” aan bezeerd, en er een extraknikje van Z. M. aan verdiend. Daarboven ontrolde zich van een fraai geschilderden en vergulden vlaggestok een vlag, eene vlag veel te lang voor mijne lage stulp, en daarom nog verscheidene ellen vluchts gekort, die een mijner vrienden mij uit Amsterdam, van ik weet niet welk aanzienlijk college bezorgd had. Maar wat nog meer zegt, mijn hart vlagde met een langen wimpel van vroolijkheid en geestdrift, die door het minste windje hoog omhoog gevoerd werd. In die stemming kon ik het niet lang binnen uithouden. Nadat ik dus mijn feestpak had aangetrokken, trad ik naar buiten, om nu het geheel der versiering nog eens op te nemen. Het was een schoon gezicht! Overal waren de menschen bezig om het mooie nog mooier te maken, door eene gele dalia, die tegenover een witte zat, met eene dito te vervangen, een oranjelintje, dat losgeraakt was, vast te strikken, en dergelijke gewichtige verbeteringen meer. Ik sprak nu met den een, dan met den ander, en zeide elk op zijne beurt iets vleiends over zijn goeden smaak, die in deze of gene bijzonderheid vooral schitterend aan den dag kwam. Daaronder glommen de gezichten van zelfbehagen, en klom de geestdrift al hooger en hooger. Intusschen renden de rijtuigen met menschen beladen als in wedloop naar de stad, om daar getuige van den Intocht te zijn; en ieder blik van opmerkzaamheid en goedkeuring, naar de bogen en kransen geworpen, werd met gretigheid opgevangen en door een glinsterend oog weêrspiegeld.Onder zulke waarnemingen, die mijn hart vervulden met dankbaarheid aan God, die zijne menschenkinderen zooveel onschuldige vreugde[188]schenkt en gunt, en het in liefde tot mijn dorpsgenooten, mijn volk, mijn land, mijn koning, tot alle menschen, verwijdde, wandelde ik den weg vóór mijn huis op en neder. Zoo dwaalde ik langzaam af, totdat ik mij geheel buiten de kom van het dorp in de eenzaamheid bevond. Deze was mij nu niet onaangenaam: er was in de vreugde van mijn hart ook iets, dat zich liever niet voor anderen uitstortte; en gelijk ik altijd tracht mij reden van mijne gewaarwordingen te geven, zoo poogde ik dat ook nu te doen. Zoo kwam ik op de aanleiding van het feest: de Koning komt. Altijd zou mij die komst belangrijk en aangenaam geweest zijn, maar heden bovenal.Het was de derde Augustus. De derde Augustus, gedenkwaardige en roemrijke dag in de jaarboeken van ons vaderland, inzonderheid voor ons geslacht. Op dien dag was het, dat voor elf jarenWillem, Prins van Oranje, op last van den Koning zijn vader, aan het hoofd van een getrouw leger, den eersten voet op Belgischen bodem zette. Die geheele veldtocht met al wat hem was voorafgegaan en gevolgd, verrees op eenmaal voor mijn geest. En als de hoofdpersoon op die schilderij,—hoe kon het anders?—hij, die toenmaals Prins van Oranje genaamd werd. Zie! wat ik bij die herinnering gevoelde, kan niemand beseffen dan hij, die met mij de wapens in dien veldtocht droeg. WieWillem IIniet als veldheer gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien. Niemand verdenke dezen uitroep van grootspraak: ik beroep mij met vrijmoedigheid op de bezadigdsten onder mijne wapenbroeders. Kon ik er u een denkbeeld van geven! Maar hij laat zich niet beschrijven, de aanblik van den vorstelijken Held, gelijk hij zich aan het hoofd zijner dapperen vertoonde. Nog zie ik hem met het aanbreken van den dag tot ons komen, op het schoone ros gezeten, dat zijn meester niet lang meer dragen zou, maar bij zijne verminking vóór Leuven hem een dier schoone woorden in den mond geven, die de geschiedenis van de lippen der dapperen opzamelt, om er het nageslacht mede te ontvonken. Nog zie ik hem, met den lagen hoed en de vallende pluim op het hoofd, die door den bijzonderen en bij den vijand bekenden vorm wel den kogels den weg wees, die op zijne edele borst gericht werden, maar tevens, als de beroemde pluim vanHendrikden Vierde, den zijnen tot wegwijzer op den weg der eer verstrekte. Nog zie ik hem met het prachtige zwaard aan de zijde, door de hand der Keizersdochter aan de heup van den vorstelijken echtgenoot gegord, opdat hij het haar, gelijk hij ook gedaan heeft! smetteloos, maar met frissche lauweren omsnoerd, terugbrengen en voor de voeten leggen mocht. Maar vooral nog zie ik hem met die rustige houding, die rust inboezemde ook aan de bekommerdste, moed aan de versaagdste gemoederen, met dien helderen oogopslag, die van de vroolijkste geestdrift glinsterde, en met die geheel onbeschrijfelijke uitdrukking van strijdlust, die mij aan het krijgsros van Hiob denken deed: „Heerlijk dampt zijn gesnuif! Met zijn hoef graaft hij den grond op, en dartel in zijn overmoed, gaat hij het wapentuig te gemoet. Hij lacht met de vrees, en ontzet zich niet en deinst[189]niet terug voor het zwaard. Rondom hem ratelt de pijlkoker, de bliksem van spies en lans. Onrustig trappelt hij den grond, en kan niet stilstaan op ’t geluid der trompet. Luider klinkt de trompet, hij briescht haar tegen, en riekt den strijd van verre; des veldheers donderwoord en ’t krijgsgeschrei!” Nog zie ik hem, zoo als deze verschijning telkens bij zijne komst een luid hoezee uit den mond zijner getrouwen deed opgaan, waaraan hij door een wenk met de hand zedig, maar te vergeefs, het zwijgen zocht op te leggen.Ja, ik herhaal nog eens: wieWillem IIniet als Veldheer en in het veld gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien.—En in die gestalte trad zijn beeld heden met de levendigste kleuren voor mijn geest. Anderen zouden hunnen Koning aanschouwen—maar ik zou mijn ouden Veldheer zien; mijn Veldheer! wiens vaan ik gevolgd, wiens wachtwoord ik gesproken, wiens „Voorwaarts!” ik gehoorzaamd heb; mijn Veldheer, die mij in den strijd en uit den strijd geleid heeft, en aan wien ik het, onder God, te danken heb, dat ik op het veld van eer mijn jong leven niet gelaten, maar daaruit een luttel schoone herinneringen voor mijn ouden dag medegebracht heb; mijn Veldheer, van wiens lauweren een zedige schaduw op mijn hoofd was afgedaald! Hoog klopte mijn hart onder het gedenkkruis, dat ter eere van den dag mijn knoopsgat versierde; het kruis van metaal, dat de hand van den Vorst ten aandenken aan hem en den onder hem gevoerden strijd op mijne borst hechtte, terwijl hij het wederkeerig als een aandenken aan mij en aan al de overigen, die met mij zijn vederbos gevolgd waren, op zijn eigen boezem hing. Hem zou ik wederzien, na elf jaren scheidens; wederzien, nu niet meer als Veldheer, maar als het Hoofd des geheelen volks, maar als Koning. „LeveWillem II!” riep ik, en zou mijn hoed wel in lucht hebben kunnen gooien. „LeveWillemII”; de oude Prins van Oranje, gelijk hem het vaderlandsch hart nog zoo gaarne noemt! LeveWillem II, de Held van Hasselt en Leuven! LeveWillem II, voorheen mijn Veldmaarschalk en opperbevelhebber, en nu mijn Koning en Heer!”Zoo juichende verdiepte ik mij al meer en meer in het verledene. Was het wonder, dat uit die diepte allengskens ook somberder beelden voor mijnen geest verrezen? Ja, het was, als had ik door dien eenen blik in de wereld, die achter mij lag, die geheele wereld voor mij geopend, en als moest ik daarin nog eens op al mijne schreden teruggaan. Al wat sedert dien blijden derden Augustus tot op dezen derden Augustusdag gebeurd was, kwam mij achtereenvolgens voor de verbeelding. Eerst de verstoring van onze heirvaart naar Brussel, door de wapenen van den (nu ook reeds zoo jammerlijk ten grave gesleepten) HertogVan Orleans, als schild van het bedreigde België, vreedzaam, maar ernstig gestuit. Vervolgens de terugkeering op den weg der onderhandeling, den hier wel langen weg! Van daar het noodlottig stelsel der volharding, geboren uit dien eigen geest van standvastigheid, die bij alle groote mannen, en zoo ook bijWillem I, het snoer om[190]den bundel hunner deugden en de moeder aller groote daden is, maar die, even als elke andere deugd, in het gevaar vanVERharding hare eigenaardige schaduw met zich voert! Het stelsel der volharding, na de aftreding van diens Hoofd, met onedelmoedige partijdigheid, door al de vroegere voorstanders alleen aan hem geweten en op hem gewroken, alsof het ook niet jaren lang het stelsel des geheelen volks—met schaarsche uitzondering!—geweest ware, zelfs toen de rookende puinen der citadel en het lauwe bloed der vestinghelden er tegen scheen te roepen! Het stelsel der volharding, eene dwaling misschien vanWillem Ien zijn volk, maar altoos eene Nederlandsche dwaling; de dwaling van een volk, welks taaie standvastigheid de grondslag van het gebouw hunner grootheid werd, dat daarop rust, als zijne hoofdstad op hare palen; de dwaling van een volk, dat de schoone dwaasheid had van niet van zijn tijd te wezen, dat is, van in eene eeuw van diplomatie (men vergunne mij dit diplomatieke woord) nog aan eerlijkheid, aan goede trouw, aan de heiligheid van een eed, in den naam der Heilige Drieëenheid gezworen, te gelooven; de dwaling van een volk, welks leuze het was van ouds af, om liever den vaderlandschen grond terug te geven aan de baren, waaraan dijken en dammen het ontwoekerd hadden, dan van vreemde oogen de wet te wachten. Welnu! Nederland, die voorvaderlijke leus getrouw, heeft pal gestaan; het heeft het hoofd geboden aan koninklijke en keizerlijke willekeur, die geen hooger recht erkenden, dan dat van het voltrokken feit; het heeft pal gestaan voor zijn recht, toen het voorwerp des geschils lang opgehouden had een voorwerp van begeerte te zijn; het heeft pal gestaan voor zijn Vorst, wiens dwaling het uit liefde deelde, toen andere volken, uit oproerigen haat, op de goede daden hunner vorsten spuwden; het heeft pal gestaan, gelijk een groot volk doet, als het eens den Rubicon overschreden heeft, met opoffering van alles wat een volk dierbaars en kostbaars heeft; het heeft, in een oneigenlijken zin, zijne dammen doorgestoken, en zijn grond aan de wateren prijs gegeven. Nu ligt het daar, het is zoo, half overspoeld en bedolven, en door den stroom doorweekt; het ligt daar onder eene zee van schuld begraven, waaronder het graan van ’s lands welvaart in den akker verkwijnt; het ligt daar, als zijn zinnebeeld op de Zeeuwsche munt, met het onderschrift:Luctor et emergo. Maar het ligt daar, als dieZeeuwscheleeuw, door het water omgeven, maar door het water niet overwonnen. Het kan zonder zelfverwijt op zijne overstroomde gronden zien: en zeggen: „Mijn vijand was sterker, maar niet beter dan ik!”En daarom, mannen broeders! geen onedelmoedig Wee over het hoofd van den Man, die in deze, als in alle lotwisselingen, sedert meer dan vijfentwintig jaar aan ons hoofd stond, ons vertegenwoordigde, en trouw alle goed en alle kwaad, alle verhooging en alle vernedering, alle verdienste en alle schuld met ons heeft gedeeld! Geen Wee over het hoofd van den Man, die, misschien! naar verhevener bedoeling, in onze oogen van de hoogte vallen moest, waarop onze armen hem verheven[191]hadden, om ons te doen zien, hoe dwaas onze vroegere menschenvergoding was, en hoe kwaad! Geen Wee over het hoofd van den Man, die de schuld, indien er schuld was, boette met het roer van het schip te verlaten, dat hij niet voor alle klippen had vermogen te beschermen! Geen Wee over het hoofd van den Man, die van vijfentwintig jaren leeds, om onzer vaderen schuld geleden, en van vijfentwintig jaren arbeids, aan hunner kinderen heil besteed, de verlangde rust zoekt in eene vrijwillige ballingschap, en wien wij niet te hard mogen vallen, omdat hij die gezocht heeft bij vreemden, nadat wij maar al te duidelijk getoond hebben, dat hij die in de armen der zijnen te vergeefs zou hebben gezocht! Geen Wee over ’t hoofd van den Man, die, in den strijd en de dienst voor ons land vergrijsd, en van den troon afgestegen, niets van ons vraagt dan een weinig aandenken voor het goede, dat hij gedaan heeft, een weinig vergetelheid voor het kwaad, dat hij tegen zijn wil mocht gedaan hebben, en een weinig liefde voor het goede, dat hij heeft willen doen!Neen! de goeden en edelen in den lande spreken over u geen Wee,Willem I, Stam- en naamgenoot van den Vader des Vaderlands, voor wien wij bezig zijn een gedenkteeken onzer hulde en liefde te stichten. Rondom uwe asch vergaderd,—want immers zijt gij als Koning voor ons gestorven?—rondom uwe asch vergaderd, als eenmaal Egypte rondom de asch zijner koningen, wagen zij het niet, daarover vloek te spreken, gedachtig aan uwe, en aan hunne eigene, menschelijke zwak- en gebrekkigheid. Ja, met herinnering daaraan spreken zij, voor hunne menschelijke vierschaar, u vrij, en laten uwe asch de eere der gestorvenen wedervaren! Wat meer is, hun bede rijst voor u omhoog tot Hem, door wiens gratie gij u Koning noemdet, die eenmaal, in den grooten dag der verantwoording van koningen en volken, u gratie verleenen moge, Koning der Nederlanden,Willem de Eerste!Waar ben ik? Geheel en al van mijn onderwerp afgedwaald, naar ik zie. Want het was nietWillem I, dien ik heden aanschouwen zou, maarWillem II; de nieuwe Koning, met wien Nederland een nieuw tijdperk is ingetreden. En toch, laten wij het niet verbloemen, niet zoo nieuw, of het draagt de litteekenen van het oude; niet zoo nieuw, of zijn eerste taak is om de wonden te heelen, die het uit het oude heeft meegebracht. Laten wij het erkennen: zelden aanvaardde een vorst onder ongunstiger omstandigheden de kroon van een vrij volk, dan de eerste der Nederlandsche Kroonprinsen. Het was eene zware kroon, die kroon, die van het grijze hoofd vanWillem Iop den heldenschedel van zijn zoon nederdaalde. En wel mag u die kroon veel zwaarder gevallen zijn, mijn Vorst, en veel zwaarder de schepter, dien gij uit zijne hand overnaamt, dan de gevederde veldheershoed en de omlauwerde maarschalksstaf, dien gij zoo licht en vroolijk droegt. Wel mag het u veel moeielijker zijn gebleken, een volk te bestieren, dat van zijn Vorst zoo veel te eischen heeft, en zoo licht te veel eischen[192]kan, dan het u was, uwe dapperen aan te voeren, die zoo gehoorzaam aan uw lippen hingen, zoo gedwee op uw wenken vlogen, en naar krijgsmanswijs geen wil kenden, dan den uwe! Wel maghetu eens veel gemakkelijker hebben toegeschenen, toen gij, na dagen van mistrouwen en onzekerheid, onder geen al te gunstige verwachting den veldheersstaf opnaamt, in weinige dagen de weifelende gunst des volks, als ware het met een slag van het zwaard, te heroveren, dan nu aan al de gunstige verwachtingen te voldoen, die geboren werden, toen gij, in de Nieuwe Kerk der hoofdstad, de rechterhand ophieft, en met de linker op de grondwet zwoert: „Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!”—Willem II, Koning der Nederlanden! Hebt gij aan die verwachtingen voldaan?—De vraag is stout: het antwoord zou nog stouter zijn. Het verleden heeft ons wijs gemaakt: wij hebben geleerd, hoe voorbarig het is, vorsten goed of kwaad te spreken, eer de toekomst, die de mond is der Voorzienigheid, ons wèl of wee bevestigd heeft. Zooveel mogen wij zeggen, dat wij van u het goede verwachten, omdat wij zeker zijn, dat gij het goede bedoelt. „Ik heb slechts één hartstocht, dien van bij mijn volk bemind te zijn!” Dat woord van uwe lippen, uit de binnenkameren uws paleizes tot het oor van den schrijver dezer regelen doorgedrongen, heeft geloof gevonden in zijn hart, en wie het met hem gelooft, ziet de toekomst met vertrouwen te gemoet. En eigenlijk steunt dat vertrouwen niet eens op dit, of op eenig ander menschenwoord, maar op het woord van den God van Nederland:—zoo noemen wij, zonder erg of trots, de Hemelmacht, die zich van ouds af aan Nederland in onderscheidende liefde en gunst heeft geopenbaard;—den God van Nederland, die belooft, dat hij niet varen laat de werken zijner handen. Want zie! indien daar iets het werk zijner handen is, het is het land, dat hij tot een land gemaakt heeft, Nederland! het is het land, dat hij als het ware tweemaal geschapen heeft, daar hij het, even als eenmaal geheel de aarde, later op nieuw uit de wateren heeft opgetogen en bewoonbaar gemaakt. Het is het land, door hem langs allerlei wonderbare wegen en leiding uit eene aanslibbing van rivieren en zeeën, gelijk een keizerlijke mond verachtend sprak, tot de meesteres van rivieren en zeeën verheven. Het is het land, door hem onder de vleugelen van allerlei vorsten, koningen en keizers gekoesterd, totdat het sterk genoeg geworden was om op eigen wieken te drijven. Het is het land, straks van de ketenen bevrijd, waarmede zijne voedsterheeren het in zijne vlucht zochten te weêrhouden: bevrijd, dat wil zeggen, vrijgevochten, opdat het zijne krachten beproeven mocht en oefenen, en even goed en vroom worden, als sterk en groot. Het is het land, met deNassau’sgezegend, met Hem aan het hoofd, op wien keizerKarelleunde, toen hij deze gewesten aanPhilipsoverdroeg, weinig vermoedende, dat de arm, die hem nu steunde, zich eens zou uitstrekken om deze gewesten met zijn zwaard tegen Spanje te dekken. Het is het land, met schaarsche en schuinsche stralen door de geschapen zon belonkt, maar met den helderen[193]warmsten gloed van het ongeschapen licht bestraald. Het is het land, tot op dezen dag, ondanks Engelands naijver, ondanks Frankrijks veroveringszucht, en wat meer zegt, ondanks eigen dwaasheid en schuld, in stand gehouden, ten levenden gedenksteen van de macht en trouw van Hem, die Nederland tot zijnen Verbonds-God koos, toen het op zijne munten aan het beeld der vrijheid Gods woord ten steun gaf, met de spreuk: „Hac nitimur, hanc tuemur”: op dien God, de leus onzer vendelen en stempelen, bouw ik, en al wat in Nederland Gode geeft wat Godes is zijn vertrouwen voor Nederlands toekomst. Ach, ware het slechts, dat het volk.… maar neen, hier geen klaaglied, schoon het er misschien de plaats voor ware: want het is heden een blijde dag! De Koning komt! de koning, ons door den Koning der koningen geschonken om het werktuig Zijns welbehagens over ons te zijn. LeveWillem II! Hoezee!LeveWillem II! Hoezee! Zoo klonk het gejuich, dat in de verte opging.De koning kwam.Ik haastte mij om hem te gemoet te gaan. Al de dorpelingen liepen toe. Daar was hij! Lache er om wie wil, ik gevoelde mij bij zijn aanblik getroffen. O, de liefde voorOranjeis bij den waren Nederlander nog iets meer dan een woord. Wie de geschiedenis des Vaderlands gelezen heeft,—bijBilderdijkofWagenaar, het doet er niet toe,—wie haar gelezen heeft en gezien, hoe de dynastie vanOranjeals eene ader van leven, welvaart en bloei door die geschiedenis henen stroomt, zegenende als zij vloeit, dorheid nalatende als zij opdroogt of afgeleid wordt, en wederom zegen met zich voerende als zij terugkeert,—en daarin het beeld van Hem, die ons haar schonk en wien zij ons vertegenwoordigt,—die vraagt niet aan een ander, of het verstandig, of het constitutioneel, of het negentiendeneeuwsch is, den zoon derOranjestegen te juichen. Het is, gelijk een onzer Dichters het treffend genoemd heeft, het is de stem van het bloed in ’s lands kinderen, dat ’s lands Vader tegenroept. Laat anderen er tegen verhandelen, eer ik er over gedacht had, had mijn bloed zijn loop tweemalen versneld, mijn hart twee slagen in één geklopt, mijn hand den hoed wuivend in de hoogte geheven, en riep mijn mond met de menigte mede: „LeveWillem II! Hoezee!”EnWillem II? Hij was ouder geworden. Zijne edele gestalte was meer gebogen, dan toen ik haar voor de muren van Leuven onder de lauweren der overwinning aanschouwde; de verloopen jaren hadden hun strijd en hun leed in rimpelen op zijn voorhoofd aangeschreven. Maar nog altijd zweefde over zijn voorkomen de adel van eenen Vorst; nog altijd drukte zijn gelaat de gelijkenis van eenOranjeuit; nog altijd zweefde om zijne lippen de vriendelijke glimlach van een geslacht, welks gemeenzaamheid dieper grond heeft dan de populariteit van een burgerkoning. Ik herhaal u niet, wat bij de begroeting van den Vorst voorviel: het ontleende zijne grootste belangrijkheid van de gezindheid der aanwezigen, van het jubelend hart der menigte en den dankbaren blik van den Koning. En toch was het, alsof de Vorst op mijne gepeinzen[194]antwoordde, toen hij na de opgeruimde herinnering aan den veldtocht, dien het gezicht van het metalen kruis hem voor den geest riep, op eens, als schoot er eene wolk voor dat licht, op veelbeteekenenden toon uitviel: „Wat is dat lang geleden!”—Lang geleden, had ik willen zeggen, lang geleden, mijn Vorst! maar niet zoo lang, of nog klopt bij die herinnering uwen ouden wapenbroeder het hart; lang geleden, maar niet zoo lang, of nog heeft de liefde van velen hunner de moeielijke jaren overleefd, die tusschen dien en dezen derden Augustus in liggen; lang geleden, maar moge het nog lang en zeer lang zijn, eer de gedachtenis daaraan ophoudt uw koninklijk hart te doen kloppen! LeveWillem II!—maar eerbied, en misschien ook nog eene andere gewaarwording, sloot den mond. Nog eenige woorden van hulde en trouw van de eene zijde, van dankzegging en welbehagen van de andere—en daar reed hij heen. DeKoning was gekomen. Daar reed hij heen, en liet ons na? Eenige vervallen bogen en kransen, eenige verlepte en verdorde bloemen en blâren, eenige woorden met den wind weggewaaid, eenige kreten in de lucht verstorven!—Neen, wie zoo spreken mag, ik niet. Daar reed hij heen, zeg ik, en liet ons na: de herinnering eener liefelijke en wel-aangename verschijning, de verlevendiging van het beeld eens Vorsten, aan wiens aanblik zich de schoonste vaderlandsche herinneringen van het levend geslacht verbinden; de verwarming onzer liefde voor denKoning, dien niemand,wien Neêrlandsch bloed door de aadren vloeit, met het schoone lied van onzen Volksdichter, van hetVaderlandvermag te scheiden; de aanvuring onzer dagelijksche gebeden, voor hem op te zenden; en eindelijk de gedachtenis onzer eenvoudige en onschuldige vreugde, en onzer vreugde vóór en ná die vreugde, die mij nu nog het hart warm maakt, terwijl ik deze regelen schrijve. O, wie nooit de waarde eener herinnering geschat heeft, dan voor zoo ver die zich op de hand liet wegen, roeme niet iets in de linkerborst te dragen, dat een hart heet.Daar reed hij heen! Onze juichtoonen, onze vivats, onze gelukwenschen volgden hem. „Vaarwel, o Koning!” riep ik hem in mijn geest achterna. „Vaarwel! Voleindig uw zege- en liefdetocht door de gewesten van uw goed en getrouw volk in zege en liefde! Wandel op de bloemen, die de burgerij, door de hand der onschuldigsten en lieftalligsten uit haar midden, u voor de voeten strooit! En wanneer gij in uw verheven woning teruggekeerd zijt, en daar de koningszorg u met vernieuwde zwaarte op de schouders valt, moge dan de geur dier bloemen u als eene herinnering omzweven, en u eenige vergoeding schenken voor de doornen, die op het hooge pad der koningen gezaaid zijn!”—Wèl den vorst, wiens pad een dorenpad is! Het pad zijns volks is een pad van bloemen! En ook hem bereidt hooger hand uit die doornen een kroon, schooner dan de keizerskroon van het Heilige Roomsche rijk! LeveWillem II!Zoo sprak ik; maar weinig dacht ik, dat mijn wensch reeds zoo[195]spoedig verhoord zou worden; want terwijl ik deze regelen nederschrijf, geniet alreeds onze Koning een van die blijde dagen, die de zorgen der vorsten helpen vergoeden. Juist heden kondigt mijn geliefde Haarlemmer op aanstaanden Zaterdag de voltrekking van het hooge huwelijk tusschenKarel Alexander Augustus Johannes, Erf-Groothertog van Saxen-Weimar, enWilhelmina Maria Sophia Louisa, Prinses der Nederlanden aan. Saxen-Weimar en Nederland—de vereeniging dier namen klinkt niet vreemd, vooral niet in het oor van een oud soldaat, die ze eenmaal op het veld van eer door dezelfde glorie omschitterd zag, toen de ridderlijke Hertog, die de hoogmoed en de wellust van ons leger is, de sleutels van Leuven voor den voet van zijn koninklijken krijgsbroeder nederleide:Willem van OranjeenBernhard vanSaxen-Weimar, een Vorst zulk een Veldheer, een Veldheer zulk een Vorst, twee vrienden elkander waard!—Maar nog liefelijker dan deze vereeniging is de vereeniging van jeugdigen Vorstenadel en bloeiende Vorstinnenschoonheid, waarvan die echt den knoop legt. Duitschland, sedert het ons zijnenNassauschonk, pleegt sedert lang ons zijne Vorstendochters voor de onze uit te wisselen. Eene schoone ruiling, waaraan wij ook uw bezit te danken hebben gehad,Wilhelminade Gezegende!—Nu zendt het ons weder een edelen Duitschen jongeling, gelijk de faam hem prijst, om van de verhevenePaulownahet evenbeeld der moederlijke deugden tot deelgenoot van zijn voorvaderlijken troon te vragen. Nederland geeft niet alleen door den mond zijner vertegenwoordigers, maar ook met zijn hart, zijne goedkeuring en zegen tot dien echt, en deelt in uwe blijdschap, VaderWillemen MoederAnna!—O, wat zorgen en smarten het koninklijk paleis omsluite, het omsluit toch ook eene vreugde, die het met alle lagere daken gemeen heeft: de hoogste, de reinste, de zoetste vreugde, naar men mij zegt: vader- en moedervreugde. Vader- en moedervreugde! door den Vader der menschen aan de eerste menschen geschonken, als de vergoeding voor hun verloren paradijs, en sedert de vergoeding voor de verloren paradijzen van alle Adamskinderen. Gewis, er wordt veel leeds verborgen onder ieder gewaad, van het met hermelijn bekleede purper af tot aan het met lompen bedekte bedelkleed toe: maar onder alle soort van gewaad kloppen ouderharten, en met dat ouderhart is de arme zoo rijk als de koning, en de koning zoo rijk als de arme, die het gelukshemd uit de fabel draagt. Ik heb vroeger het lot derGekroonde Vrouwenbetreurd, en bij het graf vanWilhelminahet lijden der hoven geschetst: maar nu, bijSophia’sbruidskrans wil ik het geluk verheffen van de Vrouw, die in de huiselijke schaduw van een aartsvaderlijk hof, onder het oog van liefhebbende ouders, aan de hand van den erfgenaam eener kroon, die te klein van omvang is om zeer zwaar te zijn, de bruidskroon op het maagdelijk hoofd ontvangt. Daarom, al is het, dat mij, den nederigsten van Zijner Majesteits onderdanen, die geen lid van eenige orde ben, dan die der zestigduizenden van Hasselt, de toegang tot de[196]feestzaal ontzegd is, en dat ik mijn oog aan het gezicht van het bevallig bruidspaar niet verklaren zal, zoo wil ik toch met mijn onfeilbarenlooperde hooge deuren voor mij ontsluiten, om getuige van de feestvreugde te zijn: ik bedoel mijne Verbeelding, die met vleêrmuisvleugelen over de hoofden van schildwachten en kamerdienaars en kamerheeren-ceremoniemeesters heenvliegt! Ik wil mij te half één uren bij het schouwspel vertegenwoordigen, als de hand der Czarendochter en Vorstinnenmoeder de kroon op het hoofd der bloeiende bruid plaatst. Ik wil mij onder het gehoor verplaatsen van den welsprekenden man, die, zelf een vorst onder de redenaars, met bewonderenswaardige kunst de wijsheid des Hemels in de taal der hoven kleedt, en bij iedere koninklijke vreugde en bij iedere koninklijke smart, als vertegenwoordiger van der Koningen Heer, het heiligend kruis op de omfloerste of omkranste kroon plaatst. En als eindelijk de honderd en één kanonschoten het Amen op de voltrekking des huwelijks verkonden, zal ik met een glas ouden madera, die ik voor zulke gelegenheden bewaar, een hartelijken feestdronk instellen, en wie zijn koning lief heeft, drinke mede: Leve het Vorstelijke paar! Leve het Koninklijk Gezin! Leve de Koning![197]

[Inhoud]VERSPREIDE STUKKENVANJONATHAN.[177]GEKROONDE VROUWEN.(26 October 1837.)Welk een drukte! Wat gewoel! Er komt van daag geen einde aan het rijden en rossen. De diligences hebben meer bijwagens, dan anders passagiers. De veerschuiten zijn tot zinkens toe vol geladen. De wegen wemelen van voetgangers. Het is of de aarde op ééns in een hellende richting geraakt is, waardoor al wat beweegbaar is met geweld naar éénen kant gedreven wordt. De stad is half verlaten.’t Kinderschool is leêg geloopen;De Invalied komt aangekropen;’t Grootje hinkt van ’t spinnewiel.Ik zou mij niet op straat durven vertoonen. Men zou het mij nooit vergeven, dat ik heden mijn paar gezonde beenen tot iets anders gebruikte, dan om den grooten stroom te volgen. Ik ben toch reeds meermalen voor een wijsneus uitgemaakt. „Hé,” zeide men met open mond en mij van het hoofd tot de voeten opnemende: „zoo kort bij den Haag te wonen, en dan te verzuimen om de Koningin te zien begraven!”Ziedaar mijn misdaad! ik wilde de Koningin niet zien begraven. Verdenk daarom mijn Koningsgezindheid niet; zij werd nooit verdacht. En als gij mij op den morgen van heden gezien hadt, gij zoudt u met mijne weigering hebben verzoend. Ik had mij voor dezen dag van alle dienstwerk ontslagen. Het was voor mij een heilige dag, de dag van Sancta Wilhelmina. Ik ging evenwel niet ter kerke: mijne kamer diende mij tot huiskapel, waar ik in den geest een lijkmisse ter eere van de afgestorvene vierde. De onophoudelijk luidende kerkklok ondersteunde mijne illusie:Von dem DomeSchwer und bangTönt die GlockeGrabgesang.Ik kan u den inhoud van het Miserere mijns geestes niet mededeelen.[178]Zóó veel kan ik er van zeggen, dat mijne mijmering in geen opzicht leek naar het vers, door uw neef, uw broeder of uw vriend op den dood der Vorstin gemaakt. Het was in den rechten zin des woords een mijmering, eene fantasie, een visioen. Allerlei beelden dwarrelden bont en grillig voor mijne oogen heen; ik volgde in mijne gedachten den trein van het paleis, de woning der macht en der eere, naar het graf, de woning der vernedering. Ik zag de kist in het graf plaatsen zes voeten lang en drie voeten breed, meer niet, en dacht aan het woord vanJuvenalis:Mors sola fatetur quantula sint hominum corpuscula, zóó klein kwam mij dit hoekje voor, dat nu volstond voor haar, die voorheen paleizen tot woning, een geheel heir tot dienaren en een gansch volk tot eerewacht op haren weg gehad had. Ik zag den trein de kerk verlaten, en bleef alleen achter. Toen daagde ik in mijn geest, zoo als de Egyptenaren deden, geheel het volk op, om over de Doode recht te spreken. Nog bleef ik alleen. De menschen brachten geene beschuldiging tegen haar in. En toen ik haar mij voor een andere vierschaar vertegenwoordigde, toen zag ik haar gevolgd door al hare goede werken, die haar „bij hare afreize uit deze wereld vergezelden, omringden en omstuwden, als een drom van hemelsche Serafijnen, en haar juichende binnenleidden in de eeuwige tabernakelen.”Zoo peinsde en droomde ik al voort. Toen ikmijnlief kamerke verliet, zal het omstreeks den tijd geweest zijn, dat de heraut bekend maakte,dat de begrafenis van de Koningin was afgeloopen. Ik was over mij zelven voldaan. Ik had naar mijn inzien het begrafenisfeest der Koningin beter gevierd, dan menigeen, die geen slip van de staatsie onopgemerkt had laten voorbijgaan. Want, (en nu kom ik op den grond mijner weigering om naar den Haag te gaan,) ik zag er tegen op, om mij in de drokte van het volksgewoel te begeven. Reeds vroeger was ik meermalen geërgerd geworden door den toon, waarmede men over de sombere plechtigheid sprak: kinderachtig (ik wil er geen anderen naam aan geven) was de ingenomenheid van sommigen met de beloofde vertooning. Men sprak er over als over een publiek amusement. En ik denk, dat wie de menigte op de naar den Haag loopende wegen opmerkzaam heeft gade geslagen, wel verwonderd heeft moeten vragen: zijn dit pelgrims naar het graf der geliefde Koningin? Neen, dan hadden de bedevaartgangers van het heilige graf, wier voorkomen, ja, zelfs wier kleeding in overeenstemming was met het ernstig doel van hunnen tocht, dezen beter de passende houding van een pelgrim kunnen leeren en hen doen blozen over de gejaagdheid, over de verwachting, over het genoegen zelf, dat op veler aangezicht te lezen was! En daar mijn gevoel een kruidje-roer-mij-niet is en voor elke onvoorzichtige aanraking schuchter terugkrimpt, mocht ik het niet in zulke een hinderlijk gedrang wagen; het kan weinig tegen zulke stooten, als waaraan ik te midden van zoo veel ergernissen zou hebben bloot gestaan. Ik had mij zeker boos gemaakt over de weinige sympathie, die ik in den aanblik mijner medegenoodigden ter begrafenis zou hebben opgemerkt. Ik had[179]mij bij het gezicht van den trein beklaagd, dat ik zulk een indrukwekkend schouwspel niet onder gelukkiger omstandigheden had kunnen genieten. Ik had geknord tegen de onderkaak van mijn achterman, die mijn hoofd tot een rustpunt nam, of tegen den arm van mijn naaste, die op mijn schouder als eene vensterbank leunde, en mij zelven wel honderdmaal van dáár en op mijne kamer gewenscht; in één woord, ik had het genoegen van anderen bedorven en mijn eigene stemming door anderen laten bederven. En daar ik dit alles voorzag, wie moet mij niet toestemmen, dat ik de wijsste partij koos met te huis te blijven?De doodklok luidde nog altijd voort, en bepaalde voortdurend mijne gedachte bij de plechtigheid van den dag.Tot welk een ongewone drukte geeft de dood der Vorstin aanleiding! Welk een scherp kontrast van het stil en verborgen leven der vrome Vrouw, met het gewoel dat zich om hare kist verdringt! Ik twijfel er niet aan, of zij zelve, indien zij recht van kiezen gehad had, hadde verkozen, in den avond, zonder andere getuigen dan hare betrekkingen, zonder andere rouwdracht dan die waarin zich het deelnemend hart kleedt, zonder anderen lijksleep dan dien der dankbare beweldadigden, te worden bijgezet.Maar eene koningin heeft geene keuze. Zij is de slavin van haren stand. Hofdwang benauwt het wicht reeds in de purperen windselen: hofdwang klemt den dartelenden voet van het kind in den looden schoen der etiquette: hofdwang leidt het wederstrevend slachtoffer naar het geschuwde bruidsbed: hofdwang eindelijk ontrukt het heilig overschot der gestorvene aan de armen harer betrekkingen, om het als een mummie voor onverschillige oogen ten toon te stellen, of als een heiligenbeeld in processie onder het gapende volk rond te dragen.Voor een vrouw, die geheel vrouw is, moet er iets kwetsends in wezen, al de verplichtingen der tiara te vervullen.Arme onnoozele, die op éénmaal uit het vertrek uwer moeder wordt opgeroepen, om den troon eens vreemdelings te deelen! Terwijl gij tot nu toe in half kloosterachtige afzondering versmachttet, wordt gij op ééns aan de vrije, koude lucht blootgesteld. Duizenden verdringen zich op uwen weg, om u te bespieden; onbeleefde Courantiers kijken u de woorden uit den mond, om die verdraaid aan het groote publiek weder te vertellen: glurende schilders betrappen het blosje op uwe wangen, om te weten, hoeveel karmijn zij voor uw portret noodig hebben; het gemeen mompelt onder elkander, alsof gij geene ooren hadt, het vonnis zijner voorbarigheid over uw voorkomen uit; hovelingen snuffelen als speurhonden om u heen en fluisteren, met het oog op u geslagen, elkander in de ooren. Eindelijk bereikt gij de plaats uwer bestemming. Dit is nu uw echtgenoot, uwe Hoogheid! Die Heer dáár is Z. M. uw schoonvader. Mag ik de eer hebben, u aan mevrouw uwe koninklijke schoonmoeder voor te stellen? De eerste kus wordt ten aanschouwen van honderdduizenden gewisseld; handgeklap vergezelt, evenals in de[180]komedie, de vaderlijke omhelzing. Nu kunt gij in de eenzaamheid een weinig tot bedaren komen? Neen! gij moet op het balcon aan het volk worden voorgesteld. Daar staat gij aan ontelbare onbeschaamde blikken bloot; het volk applaudisseert bij den aanblik uwer schoonheid—lieve Hemel! is het niet of het uw Schepper wilde toejuichen?—Gij moogt het tooneel verlaten. Meen evenwel niet, dat gij daarom vrij zijt. Men wacht u aan tafel. Daar zijt gij wederom de hoofdschotel. Men eet niet, men drinkt niet, men doet niets dan u begluren en u beluisteren. Gij komt niet tot u zelve dan in de armen van den man, die u zijne vrouw noemt. Arme onnoozele! uw feestdag was een bange dag.Eindelijk is aan de wetten der etiquette voldaan. De nieuw aangekomene heeft de spitsroeden der openbare beoordeeling doorgeloopen. Men laat haar in hare vertrekken met rust. Zij heeft den tijd zich met haar te huis bekend te maken. Nu is het ergste geleden!—Misschien—zeer misschien. Weet gij wel, hoeveel kansen zij tegen heeft? De man, aan wien men haar heeft opgedrongen, kan harer onwaardig zijn. Zij heeft hemmoetennemen. Maar al verdient hij haar: zal het verkeer der wittebroodsweken de zoete gemeenzaamheid te weeg brengen, die anders uit de langzaam toenemende vertrouwelijkheid van een verloofd paar ontstaat? Of zal niet de betrekking der gehuwden levenslang den schok gevoelen, die hen, als ik het zoo zeggen mag, tegen elkander geworpen heeft? Hare moeder moet weder van haar weg. Zal hare schoonmoeder haar dit verlies eenigermate vergoeden? Zij had onder hare hofjuffers een vriendin—wel geene halsvriendin, die hebben Vorstinnen niet—maar toch een lievebekendegevonden. Aan wie zal zij nu haar vertrouwen schenken? Zal zij in dit vreemd klimaat aarden? Zal zij hare lippen aan de ongewone taal kunnen gewennen? Zal zij zich met de zeden haars volks kunnen verzoenen?Altemaal vragen, die haar niet eens gevraagd worden. Het heeft in de Hofcourant gestaan: zij is met den vorst getrouwd; ergo, zij heeft hem lief. Zij is zijn landgenoot geworden: zij heeft zijne taal en zijne zeden aangenomen: zij heeft haar hart genaturaliseerd.Noem mij niet zonderling, als ik zeg: de koninklijke eere is alleen voor mannen geschikt. Dat staan op eene hooge, uitstekende plaats, dat dragen van een zware kroon en een klaterend kleed, dat bekleeden van een middelpunt van dienaars, dat treden door laag gebogen rijen, dat ten doel staan aan de algemeene opmerking, dat openbare leven, als van den Opperpriester te Rome, met nacht en dag openstaande deuren, dat wonen in een altijd geurenden dampkring van wierook:—dat alles vervult de borst des mans met edelen hoogmoed en doet hem den troon zelf om zijn purper beminnen. Maar de zachte, ingetogene, kuische en vrome vrouw, wier wereld is aan den boezem harer moeder, of aan het hart haars echtgenoots; wier oog den sluier en wier hart de eenzaamheid lief heeft; die schuw is voor lof en siddert[181]voor afkeuring—kan zij gelukkig zijn, geplaatst in een kring, waar zij boven de overigen opgeheven en tot een voorwerp van algemeene aandacht gesteld wordt? Kan het haar, indien zij haar kinderlijk, vrouwelijk hart behouden heeft, genoegen doen, vrouwen, die hare moeder konden zijn, voor haar te zien uit den weg gaan; mannen, die in de dienst des Staats vergrijsd zijn, voor haar te zien buigen? Moet het haar niet hinderen, door den dwang der etiquette verplicht te zijn, de haar natuurlijke voorkomendheid en hulpvaardigheid te onderdrukken? En wee haar, indien zij een eenigzins verheven, dichterlijken geest bezit, die behoefte heeft zich mede te deelen, uit te breiden, over te gieten. Want hare Dame van kleedkamer leest alleen den hofalmanak en het modejournaal: want hare grootmeesteres kent geene andere wereld dan de hemisphaera van de vertrekken der Koningin: want hare staatsdames hebben allen zielen van klei en harten van steen. Daar ginds, in de verte, bespeurt zij wel de groote mannen, die zij bewondert, de schoone geesten, die zij lief heeft en met wie zij sympathiseert; maar de diadeem der genie wordt niet erkend aan den ingang der zalen, waar boven de gouden kroon praalt. Al wat het wetboek van den hofdwang duldt, is: dat ieder nieuwvoortbrengselder schoone letterkunde haar op best papier gedrukt en in een vergulden band worde aangeboden. De ongelukkige! zij moet alle groote gewaarwordingen in hare borst opsluiten; zij moet, binnen haren vergulden kerker gebannen, in zich zelve verteren: zij is aan het dier in de fabel gelijk, dat, door de vlam ingesloten, den angel tegen zijn eigen borst richt.En wanneer zij de hoflucht verlaat, is het beter? Voorzeker niet: overal dezelfden nasleep. De Koningin vertrekt naar haar buitengoed, om een luchtje te scheppen. De Koningin gaat een luchtje scheppen, herhalen honderd couranten. Het hof, de residentie, het gansche land spreekt over een luchtje, dat de Koningin gaat scheppen! Eene ongelukkige paraphrase voorzeker van hare beklemde zucht naar Gods vrije natuur. Eindelijk is zij op haar lustslot aangekomen. Het weder is schoon, de natuur in bloei, het bosch verrukkelijk. Maar wie geniet daar iets van, door een drom van gonzende muggen ingesloten? En de Vorstin is altijd van gonzende muggen omringd. Het water van de vijvers is zoo helder en frisch: spiegelde het slechts geene hofrokken weder! de vogels zongen zoo lief: maar zij hebben de vlucht genomen voor de hovelingen, die eene aria uit de nieuwe Opera neuriën. Demenschelijkeechoos: „Ja, uwe Majesteit!—Neen, uwe Majesteit!” maken, dat men de echoos in het bosch niet hooren kan. De Koningin komt in de hofstad weder, zonder een enkel uur van vrij en zuiver genot van de natuur te hebben gesmaakt.De Koningin zal den schouwburg bezoeken. Te harer eere is het er eens zoo vol en tweemaal zoo warm als anders. Zij komt de zaal binnen; handgeklap. Zij gaat zitten; al de lorgnetten zijn in beweging. De Dames ontleden haar toilet van stuk tot stuk. De Heeren ontzien zich niet,[182]haar onbeschaamd aan te staren. Ware het eene andere Dame, haar cavalier zou verplicht zijn het voor haar op te nemen. Maar de Koningin, hoewel een vrouw, is geene vrouw als iedere andere; men behoeft voor haar de gewone beleefdheden niet in acht te nemen. Het stuk begint; eene menigte van aanschouwers blijft, met den rug naar het tooneel gekeerd, het koninklijk gezin aangapen. Voor hen wordt de representatie van den avond in de hofloge gegeven; de Koningin gevoelt zich in den lastigen toestand van eene actrice, die debuteert; zoo wordt zij in al hare bewegingen bespied. Lacht zij, men zegt: zie, zij lacht! Welt er een traan van natuurlijk gevoelzachtkensin haar oog, zij moet hem met geweld onderdrukken om niet bespot te worden. De acteurs zijn gedwongener en spelen slechter dan anders. Dit is ook ten deele het gevolg van het verbod om te applaudiseeren. Het is jammer; een beschaafd publiek, dat zijne bewondering in luide goedkeuring te kennen geeft, is zulk een schoon, éénig schouwspel! Maar waar het koninklijk gezin zich vertoont, is alle enthusiasme contrabande, behalve die zich in de nationale liederen lucht geeft. Het hof heeft ook zijne claque. Eindelijk is de vervelende avond om, de menigte schaart zich in de corridors, om den stoet te zien vertrekken. Met gapenden mond en groote oogen staart men den glinsterenden sleep aan, en wie weet, hoe velen bij dat gezicht niet kunnen nalaten te zuchten: De benijdenswaardigen!En nu zwijg ik nog van diplomatieke audienties. Nu zwijg ik nog van een wandeling door het bosch van de hofstad en toertjes door de gewesten des Lands. Nu zwijg ik nog van verre reizen naar buitenlandsche hoven, om de kinderen te bezoeken, die de staatkunde aan het hart der moeder ontrukt en door zeeën van haar gescheiden heeft. En wat is dit alles nog, bij het deelen van de zorgen des bestuurs? Bij den plicht, om de groeven te verzachten, die de scherpe rand der kroon in het voorhoofd haars gemaals achterlaat? Om den vermoeiden en belasten den dienst te bewijzen vanAäronenHuraanMozes, daar zij de tegenAmalekopgeheven hand, toen zij te zwaar werd, ondersteunen? Om haar teedere schouders te laten kneuzen door het tillen van een last, die zelfs den sterken man nederbuigt?o Gouden vertrekken der Koningin! indien uwe wanden spreken konden, welk een Ilias van lijden zouden zij te verhalen hebben!En gelukkig nog de Vorstin, die niets dan de gemalin des Konings behoeft te zijn, in vergelijking van haar, die geroepen wordt, om den zetel alleen te bekleeden. Arme bloem van Kent! Hoe dubbel zwaar moet de driekroon der Eilanden op uwe fijne slapen drukken! Welke een jammerlijke misgreep weder door de politiek tegen de natuur begaan, om een zoet, achttienjarig kind op den hoogen troon te heffen! Zoo jong, en reeds zoo hoog geplaatst! Gij doet mij denken aan die ellendige schepseltjes, over wie ik soms mijn hart heb voelen breken, die, vijf of zes jaren oud, gedwongen worden op de halsbrekende hoogte van een koord kunsten voor het publiek te verrichten. Wat[183]springt men meêdoogenloos met u om! Wat heeft men u nog onlangs de straten van Londen langs en door het gewoel eener joelende menigte gesleept! En dat eene jonge beschroomde, die, bij de uitgelatenheid van ’s volks geestdrift in Drurylane, zelfs de sporen van angstvalligheid niet verbergen kon. O, hoe wel versta ik, wat men bericht, dat gij de opgewondenheid van den grooten hoop, bij uwe verschijning, onverschillig hebt blijven aanzien. Wat de borst van een jongeling hoog had doen zwellen, moest op unoodzakelijkeen onaangenamen indruk maken en uwe schuchterheid beangstigen. En toen gij daarna vernomen hebt, dat uw feestelijke optocht voor enkelen uwer goede onderdanen doodelijk geweest is (plectuntur Achivi!) en dat het bloed van een jong wicht de wielen van uwen zegenwagen bespat heeft, hoe beklaag ik u over den rouw, die daarbij uw hart zal hebben vervuld, onnoozele duive, KoninginVictoria!Nog nauwelijks droeg de jonge wees het rouwkleed over haren koninklijken oom, of reeds twistte het Parlement, wie bij haren dood moest opvolgen. De erfenis eener achttienjarige te verdeelen.… zie, dat is toch onvriendelijk vroeg! Of zouden misschien de Ministers Harer Majesteit de zwarte verbeelding vanByronhebben, die zich ergens beklaagt, dat hij geen jong meisje zien kon, zonder haar in zijne fantasie tot een geraamte te ontleden? Zeker althans is het, dat de Courantiers te haren opzichte het lastig gebrek vanla vieille fillehebben, om haar met geweld aan een jongenpartnerte willen koppelen. Terecht schreef daarover iemand: „Arme Koningin, wier zoetste geheim elke Dagbladschrijver raden, overbrieven, uittrompetten wil, hoe brengt gij ons uwe doorluchtige voorgangster,Elisabeth, te binnen”!En ware zij nog alsElisabeth! ik wil nog niet eens zeggen, ware zij eene vrouw als deze, die onder hare kanten mutsmannelijkehersenen verborg en onder het zijden corset een mannelijk hart omdroeg! Maar vergelijk eens den staatkundigen toestand van hettoenmaligEngeland met het tegenwoordig Groot-Brittanje. Gelooft gij niet met mij, dat het toen veeleer dan nu de tijd was, om eene Koninginne-Maagd aan het hoofd van den staat te hebben? De schepter der Monarchij laat zich des noods nog door eene vrouwenhand voeren. Eenheid van wil vereenvoudigt de regeering: onbeperkte ruimte van middelen maakt het heerschen gemakkelijk. Maar bovenal, welke eene eeuw, de eeuw vanElisabeth! vergelijk het ridderlijk Engeland, dat zich niet schaamde voor de voeten eener edele jonkvrouw te knielen, bij het plebejisch en oproerig Engeland onzer dagen. Vergelijk dien galanten hofstoet van Staatsraden en Ministers bij den ongeregelden hoop der vertegenwoordigende kamers! Vergelijk de kleine moeielijkheden, door de twisten tusschen den hoofschenLeicesteren den hooghartigenBurleighontstaan, met de noodzakelijkheid, om zich op genade aan een brutalen, dweepziekenO’Connelover te geven! Vergelijk eindelijk het volk dier dagen, als een éénig man onder de monarchale banier geschaard, bij de veelkeurige bende, die zich nu in allerlei partijen verdeelt. En beken, dat men eene Amazone[184]moet zijn om het wederspannig ros met zijden teugels en zijden handen te kunnen breidelen.En wat ik boven zeide, dat de Koningin zich door hare betrekkingen meermalen in haar vrouwelijk gevoel gekwetst moet vinden, hoe veel toepasselijker is dit nog op de regeerende Vorstin! Waar zal ik beginnen, om de tegenstrijdigheden op te noemen, die zich tusschen de plichten van haren stand en de eigenaardigheden van haar karakter moeten opdoen? Neem eens de verheffing door de Engelsche Koningin van den Edel-Achtbaren Lord Mayor en de Sheriffs tot Ridders. Wie gevoelt er het onnatuurlijke en stuitende niet van? Welk een verschil met den tijd, toen de bloedige hand des Vorsten zelven den moedigen schildknaap de gouden spoor aan den hiel bond!Koninginnen der schoonheidte wezen en den krans op het hoofd van edele mannen te drukken, ziedaar eene vrouwelijke taak. Maar om voor zich den man te doen knielen, om hem—even alsBlountin Kenilworth met een geleend zwaard—door onhandigheid misschien over de ooren te houwen, ziedaar eene onvrouwelijke exercitie. Neen! wanneer er volstrekt tusschen twee kwaden moet gekozen worden, dan liever het vrouwelijke lijden in het paleis van Buckingham dan het spelen der mannelijke rol in Guild-Hall. Dan liever de tranen, door de koninklijke Lijderes vergoten, dan de feestdronk opden SouvereinVictoria!Met liefde keert mijn blik van zijne lange omzwerving naar uw stil graf terug,Wilhelminavan Pruissen! ik verheug mij in de ruste, die hier uw afgemat hoofd en afgefolterd lichaam vinden mocht. Want op wien ook, op u zal de kroon in het graf niet zwaarder drukken, dan zij op de levende woog. U is er een bange last meê van het hoofd gevallen. Het dankbare volk misgunt u die ruste niet. Het verheugt er zich voor u in, dat de hemel, en niet langer de aarde, u onder deGekroondentelt![185]

VERSPREIDE STUKKENVANJONATHAN.[177]GEKROONDE VROUWEN.(26 October 1837.)

[177]

Welk een drukte! Wat gewoel! Er komt van daag geen einde aan het rijden en rossen. De diligences hebben meer bijwagens, dan anders passagiers. De veerschuiten zijn tot zinkens toe vol geladen. De wegen wemelen van voetgangers. Het is of de aarde op ééns in een hellende richting geraakt is, waardoor al wat beweegbaar is met geweld naar éénen kant gedreven wordt. De stad is half verlaten.’t Kinderschool is leêg geloopen;De Invalied komt aangekropen;’t Grootje hinkt van ’t spinnewiel.Ik zou mij niet op straat durven vertoonen. Men zou het mij nooit vergeven, dat ik heden mijn paar gezonde beenen tot iets anders gebruikte, dan om den grooten stroom te volgen. Ik ben toch reeds meermalen voor een wijsneus uitgemaakt. „Hé,” zeide men met open mond en mij van het hoofd tot de voeten opnemende: „zoo kort bij den Haag te wonen, en dan te verzuimen om de Koningin te zien begraven!”Ziedaar mijn misdaad! ik wilde de Koningin niet zien begraven. Verdenk daarom mijn Koningsgezindheid niet; zij werd nooit verdacht. En als gij mij op den morgen van heden gezien hadt, gij zoudt u met mijne weigering hebben verzoend. Ik had mij voor dezen dag van alle dienstwerk ontslagen. Het was voor mij een heilige dag, de dag van Sancta Wilhelmina. Ik ging evenwel niet ter kerke: mijne kamer diende mij tot huiskapel, waar ik in den geest een lijkmisse ter eere van de afgestorvene vierde. De onophoudelijk luidende kerkklok ondersteunde mijne illusie:Von dem DomeSchwer und bangTönt die GlockeGrabgesang.Ik kan u den inhoud van het Miserere mijns geestes niet mededeelen.[178]Zóó veel kan ik er van zeggen, dat mijne mijmering in geen opzicht leek naar het vers, door uw neef, uw broeder of uw vriend op den dood der Vorstin gemaakt. Het was in den rechten zin des woords een mijmering, eene fantasie, een visioen. Allerlei beelden dwarrelden bont en grillig voor mijne oogen heen; ik volgde in mijne gedachten den trein van het paleis, de woning der macht en der eere, naar het graf, de woning der vernedering. Ik zag de kist in het graf plaatsen zes voeten lang en drie voeten breed, meer niet, en dacht aan het woord vanJuvenalis:Mors sola fatetur quantula sint hominum corpuscula, zóó klein kwam mij dit hoekje voor, dat nu volstond voor haar, die voorheen paleizen tot woning, een geheel heir tot dienaren en een gansch volk tot eerewacht op haren weg gehad had. Ik zag den trein de kerk verlaten, en bleef alleen achter. Toen daagde ik in mijn geest, zoo als de Egyptenaren deden, geheel het volk op, om over de Doode recht te spreken. Nog bleef ik alleen. De menschen brachten geene beschuldiging tegen haar in. En toen ik haar mij voor een andere vierschaar vertegenwoordigde, toen zag ik haar gevolgd door al hare goede werken, die haar „bij hare afreize uit deze wereld vergezelden, omringden en omstuwden, als een drom van hemelsche Serafijnen, en haar juichende binnenleidden in de eeuwige tabernakelen.”Zoo peinsde en droomde ik al voort. Toen ikmijnlief kamerke verliet, zal het omstreeks den tijd geweest zijn, dat de heraut bekend maakte,dat de begrafenis van de Koningin was afgeloopen. Ik was over mij zelven voldaan. Ik had naar mijn inzien het begrafenisfeest der Koningin beter gevierd, dan menigeen, die geen slip van de staatsie onopgemerkt had laten voorbijgaan. Want, (en nu kom ik op den grond mijner weigering om naar den Haag te gaan,) ik zag er tegen op, om mij in de drokte van het volksgewoel te begeven. Reeds vroeger was ik meermalen geërgerd geworden door den toon, waarmede men over de sombere plechtigheid sprak: kinderachtig (ik wil er geen anderen naam aan geven) was de ingenomenheid van sommigen met de beloofde vertooning. Men sprak er over als over een publiek amusement. En ik denk, dat wie de menigte op de naar den Haag loopende wegen opmerkzaam heeft gade geslagen, wel verwonderd heeft moeten vragen: zijn dit pelgrims naar het graf der geliefde Koningin? Neen, dan hadden de bedevaartgangers van het heilige graf, wier voorkomen, ja, zelfs wier kleeding in overeenstemming was met het ernstig doel van hunnen tocht, dezen beter de passende houding van een pelgrim kunnen leeren en hen doen blozen over de gejaagdheid, over de verwachting, over het genoegen zelf, dat op veler aangezicht te lezen was! En daar mijn gevoel een kruidje-roer-mij-niet is en voor elke onvoorzichtige aanraking schuchter terugkrimpt, mocht ik het niet in zulke een hinderlijk gedrang wagen; het kan weinig tegen zulke stooten, als waaraan ik te midden van zoo veel ergernissen zou hebben bloot gestaan. Ik had mij zeker boos gemaakt over de weinige sympathie, die ik in den aanblik mijner medegenoodigden ter begrafenis zou hebben opgemerkt. Ik had[179]mij bij het gezicht van den trein beklaagd, dat ik zulk een indrukwekkend schouwspel niet onder gelukkiger omstandigheden had kunnen genieten. Ik had geknord tegen de onderkaak van mijn achterman, die mijn hoofd tot een rustpunt nam, of tegen den arm van mijn naaste, die op mijn schouder als eene vensterbank leunde, en mij zelven wel honderdmaal van dáár en op mijne kamer gewenscht; in één woord, ik had het genoegen van anderen bedorven en mijn eigene stemming door anderen laten bederven. En daar ik dit alles voorzag, wie moet mij niet toestemmen, dat ik de wijsste partij koos met te huis te blijven?De doodklok luidde nog altijd voort, en bepaalde voortdurend mijne gedachte bij de plechtigheid van den dag.Tot welk een ongewone drukte geeft de dood der Vorstin aanleiding! Welk een scherp kontrast van het stil en verborgen leven der vrome Vrouw, met het gewoel dat zich om hare kist verdringt! Ik twijfel er niet aan, of zij zelve, indien zij recht van kiezen gehad had, hadde verkozen, in den avond, zonder andere getuigen dan hare betrekkingen, zonder andere rouwdracht dan die waarin zich het deelnemend hart kleedt, zonder anderen lijksleep dan dien der dankbare beweldadigden, te worden bijgezet.Maar eene koningin heeft geene keuze. Zij is de slavin van haren stand. Hofdwang benauwt het wicht reeds in de purperen windselen: hofdwang klemt den dartelenden voet van het kind in den looden schoen der etiquette: hofdwang leidt het wederstrevend slachtoffer naar het geschuwde bruidsbed: hofdwang eindelijk ontrukt het heilig overschot der gestorvene aan de armen harer betrekkingen, om het als een mummie voor onverschillige oogen ten toon te stellen, of als een heiligenbeeld in processie onder het gapende volk rond te dragen.Voor een vrouw, die geheel vrouw is, moet er iets kwetsends in wezen, al de verplichtingen der tiara te vervullen.Arme onnoozele, die op éénmaal uit het vertrek uwer moeder wordt opgeroepen, om den troon eens vreemdelings te deelen! Terwijl gij tot nu toe in half kloosterachtige afzondering versmachttet, wordt gij op ééns aan de vrije, koude lucht blootgesteld. Duizenden verdringen zich op uwen weg, om u te bespieden; onbeleefde Courantiers kijken u de woorden uit den mond, om die verdraaid aan het groote publiek weder te vertellen: glurende schilders betrappen het blosje op uwe wangen, om te weten, hoeveel karmijn zij voor uw portret noodig hebben; het gemeen mompelt onder elkander, alsof gij geene ooren hadt, het vonnis zijner voorbarigheid over uw voorkomen uit; hovelingen snuffelen als speurhonden om u heen en fluisteren, met het oog op u geslagen, elkander in de ooren. Eindelijk bereikt gij de plaats uwer bestemming. Dit is nu uw echtgenoot, uwe Hoogheid! Die Heer dáár is Z. M. uw schoonvader. Mag ik de eer hebben, u aan mevrouw uwe koninklijke schoonmoeder voor te stellen? De eerste kus wordt ten aanschouwen van honderdduizenden gewisseld; handgeklap vergezelt, evenals in de[180]komedie, de vaderlijke omhelzing. Nu kunt gij in de eenzaamheid een weinig tot bedaren komen? Neen! gij moet op het balcon aan het volk worden voorgesteld. Daar staat gij aan ontelbare onbeschaamde blikken bloot; het volk applaudisseert bij den aanblik uwer schoonheid—lieve Hemel! is het niet of het uw Schepper wilde toejuichen?—Gij moogt het tooneel verlaten. Meen evenwel niet, dat gij daarom vrij zijt. Men wacht u aan tafel. Daar zijt gij wederom de hoofdschotel. Men eet niet, men drinkt niet, men doet niets dan u begluren en u beluisteren. Gij komt niet tot u zelve dan in de armen van den man, die u zijne vrouw noemt. Arme onnoozele! uw feestdag was een bange dag.Eindelijk is aan de wetten der etiquette voldaan. De nieuw aangekomene heeft de spitsroeden der openbare beoordeeling doorgeloopen. Men laat haar in hare vertrekken met rust. Zij heeft den tijd zich met haar te huis bekend te maken. Nu is het ergste geleden!—Misschien—zeer misschien. Weet gij wel, hoeveel kansen zij tegen heeft? De man, aan wien men haar heeft opgedrongen, kan harer onwaardig zijn. Zij heeft hemmoetennemen. Maar al verdient hij haar: zal het verkeer der wittebroodsweken de zoete gemeenzaamheid te weeg brengen, die anders uit de langzaam toenemende vertrouwelijkheid van een verloofd paar ontstaat? Of zal niet de betrekking der gehuwden levenslang den schok gevoelen, die hen, als ik het zoo zeggen mag, tegen elkander geworpen heeft? Hare moeder moet weder van haar weg. Zal hare schoonmoeder haar dit verlies eenigermate vergoeden? Zij had onder hare hofjuffers een vriendin—wel geene halsvriendin, die hebben Vorstinnen niet—maar toch een lievebekendegevonden. Aan wie zal zij nu haar vertrouwen schenken? Zal zij in dit vreemd klimaat aarden? Zal zij hare lippen aan de ongewone taal kunnen gewennen? Zal zij zich met de zeden haars volks kunnen verzoenen?Altemaal vragen, die haar niet eens gevraagd worden. Het heeft in de Hofcourant gestaan: zij is met den vorst getrouwd; ergo, zij heeft hem lief. Zij is zijn landgenoot geworden: zij heeft zijne taal en zijne zeden aangenomen: zij heeft haar hart genaturaliseerd.Noem mij niet zonderling, als ik zeg: de koninklijke eere is alleen voor mannen geschikt. Dat staan op eene hooge, uitstekende plaats, dat dragen van een zware kroon en een klaterend kleed, dat bekleeden van een middelpunt van dienaars, dat treden door laag gebogen rijen, dat ten doel staan aan de algemeene opmerking, dat openbare leven, als van den Opperpriester te Rome, met nacht en dag openstaande deuren, dat wonen in een altijd geurenden dampkring van wierook:—dat alles vervult de borst des mans met edelen hoogmoed en doet hem den troon zelf om zijn purper beminnen. Maar de zachte, ingetogene, kuische en vrome vrouw, wier wereld is aan den boezem harer moeder, of aan het hart haars echtgenoots; wier oog den sluier en wier hart de eenzaamheid lief heeft; die schuw is voor lof en siddert[181]voor afkeuring—kan zij gelukkig zijn, geplaatst in een kring, waar zij boven de overigen opgeheven en tot een voorwerp van algemeene aandacht gesteld wordt? Kan het haar, indien zij haar kinderlijk, vrouwelijk hart behouden heeft, genoegen doen, vrouwen, die hare moeder konden zijn, voor haar te zien uit den weg gaan; mannen, die in de dienst des Staats vergrijsd zijn, voor haar te zien buigen? Moet het haar niet hinderen, door den dwang der etiquette verplicht te zijn, de haar natuurlijke voorkomendheid en hulpvaardigheid te onderdrukken? En wee haar, indien zij een eenigzins verheven, dichterlijken geest bezit, die behoefte heeft zich mede te deelen, uit te breiden, over te gieten. Want hare Dame van kleedkamer leest alleen den hofalmanak en het modejournaal: want hare grootmeesteres kent geene andere wereld dan de hemisphaera van de vertrekken der Koningin: want hare staatsdames hebben allen zielen van klei en harten van steen. Daar ginds, in de verte, bespeurt zij wel de groote mannen, die zij bewondert, de schoone geesten, die zij lief heeft en met wie zij sympathiseert; maar de diadeem der genie wordt niet erkend aan den ingang der zalen, waar boven de gouden kroon praalt. Al wat het wetboek van den hofdwang duldt, is: dat ieder nieuwvoortbrengselder schoone letterkunde haar op best papier gedrukt en in een vergulden band worde aangeboden. De ongelukkige! zij moet alle groote gewaarwordingen in hare borst opsluiten; zij moet, binnen haren vergulden kerker gebannen, in zich zelve verteren: zij is aan het dier in de fabel gelijk, dat, door de vlam ingesloten, den angel tegen zijn eigen borst richt.En wanneer zij de hoflucht verlaat, is het beter? Voorzeker niet: overal dezelfden nasleep. De Koningin vertrekt naar haar buitengoed, om een luchtje te scheppen. De Koningin gaat een luchtje scheppen, herhalen honderd couranten. Het hof, de residentie, het gansche land spreekt over een luchtje, dat de Koningin gaat scheppen! Eene ongelukkige paraphrase voorzeker van hare beklemde zucht naar Gods vrije natuur. Eindelijk is zij op haar lustslot aangekomen. Het weder is schoon, de natuur in bloei, het bosch verrukkelijk. Maar wie geniet daar iets van, door een drom van gonzende muggen ingesloten? En de Vorstin is altijd van gonzende muggen omringd. Het water van de vijvers is zoo helder en frisch: spiegelde het slechts geene hofrokken weder! de vogels zongen zoo lief: maar zij hebben de vlucht genomen voor de hovelingen, die eene aria uit de nieuwe Opera neuriën. Demenschelijkeechoos: „Ja, uwe Majesteit!—Neen, uwe Majesteit!” maken, dat men de echoos in het bosch niet hooren kan. De Koningin komt in de hofstad weder, zonder een enkel uur van vrij en zuiver genot van de natuur te hebben gesmaakt.De Koningin zal den schouwburg bezoeken. Te harer eere is het er eens zoo vol en tweemaal zoo warm als anders. Zij komt de zaal binnen; handgeklap. Zij gaat zitten; al de lorgnetten zijn in beweging. De Dames ontleden haar toilet van stuk tot stuk. De Heeren ontzien zich niet,[182]haar onbeschaamd aan te staren. Ware het eene andere Dame, haar cavalier zou verplicht zijn het voor haar op te nemen. Maar de Koningin, hoewel een vrouw, is geene vrouw als iedere andere; men behoeft voor haar de gewone beleefdheden niet in acht te nemen. Het stuk begint; eene menigte van aanschouwers blijft, met den rug naar het tooneel gekeerd, het koninklijk gezin aangapen. Voor hen wordt de representatie van den avond in de hofloge gegeven; de Koningin gevoelt zich in den lastigen toestand van eene actrice, die debuteert; zoo wordt zij in al hare bewegingen bespied. Lacht zij, men zegt: zie, zij lacht! Welt er een traan van natuurlijk gevoelzachtkensin haar oog, zij moet hem met geweld onderdrukken om niet bespot te worden. De acteurs zijn gedwongener en spelen slechter dan anders. Dit is ook ten deele het gevolg van het verbod om te applaudiseeren. Het is jammer; een beschaafd publiek, dat zijne bewondering in luide goedkeuring te kennen geeft, is zulk een schoon, éénig schouwspel! Maar waar het koninklijk gezin zich vertoont, is alle enthusiasme contrabande, behalve die zich in de nationale liederen lucht geeft. Het hof heeft ook zijne claque. Eindelijk is de vervelende avond om, de menigte schaart zich in de corridors, om den stoet te zien vertrekken. Met gapenden mond en groote oogen staart men den glinsterenden sleep aan, en wie weet, hoe velen bij dat gezicht niet kunnen nalaten te zuchten: De benijdenswaardigen!En nu zwijg ik nog van diplomatieke audienties. Nu zwijg ik nog van een wandeling door het bosch van de hofstad en toertjes door de gewesten des Lands. Nu zwijg ik nog van verre reizen naar buitenlandsche hoven, om de kinderen te bezoeken, die de staatkunde aan het hart der moeder ontrukt en door zeeën van haar gescheiden heeft. En wat is dit alles nog, bij het deelen van de zorgen des bestuurs? Bij den plicht, om de groeven te verzachten, die de scherpe rand der kroon in het voorhoofd haars gemaals achterlaat? Om den vermoeiden en belasten den dienst te bewijzen vanAäronenHuraanMozes, daar zij de tegenAmalekopgeheven hand, toen zij te zwaar werd, ondersteunen? Om haar teedere schouders te laten kneuzen door het tillen van een last, die zelfs den sterken man nederbuigt?o Gouden vertrekken der Koningin! indien uwe wanden spreken konden, welk een Ilias van lijden zouden zij te verhalen hebben!En gelukkig nog de Vorstin, die niets dan de gemalin des Konings behoeft te zijn, in vergelijking van haar, die geroepen wordt, om den zetel alleen te bekleeden. Arme bloem van Kent! Hoe dubbel zwaar moet de driekroon der Eilanden op uwe fijne slapen drukken! Welke een jammerlijke misgreep weder door de politiek tegen de natuur begaan, om een zoet, achttienjarig kind op den hoogen troon te heffen! Zoo jong, en reeds zoo hoog geplaatst! Gij doet mij denken aan die ellendige schepseltjes, over wie ik soms mijn hart heb voelen breken, die, vijf of zes jaren oud, gedwongen worden op de halsbrekende hoogte van een koord kunsten voor het publiek te verrichten. Wat[183]springt men meêdoogenloos met u om! Wat heeft men u nog onlangs de straten van Londen langs en door het gewoel eener joelende menigte gesleept! En dat eene jonge beschroomde, die, bij de uitgelatenheid van ’s volks geestdrift in Drurylane, zelfs de sporen van angstvalligheid niet verbergen kon. O, hoe wel versta ik, wat men bericht, dat gij de opgewondenheid van den grooten hoop, bij uwe verschijning, onverschillig hebt blijven aanzien. Wat de borst van een jongeling hoog had doen zwellen, moest op unoodzakelijkeen onaangenamen indruk maken en uwe schuchterheid beangstigen. En toen gij daarna vernomen hebt, dat uw feestelijke optocht voor enkelen uwer goede onderdanen doodelijk geweest is (plectuntur Achivi!) en dat het bloed van een jong wicht de wielen van uwen zegenwagen bespat heeft, hoe beklaag ik u over den rouw, die daarbij uw hart zal hebben vervuld, onnoozele duive, KoninginVictoria!Nog nauwelijks droeg de jonge wees het rouwkleed over haren koninklijken oom, of reeds twistte het Parlement, wie bij haren dood moest opvolgen. De erfenis eener achttienjarige te verdeelen.… zie, dat is toch onvriendelijk vroeg! Of zouden misschien de Ministers Harer Majesteit de zwarte verbeelding vanByronhebben, die zich ergens beklaagt, dat hij geen jong meisje zien kon, zonder haar in zijne fantasie tot een geraamte te ontleden? Zeker althans is het, dat de Courantiers te haren opzichte het lastig gebrek vanla vieille fillehebben, om haar met geweld aan een jongenpartnerte willen koppelen. Terecht schreef daarover iemand: „Arme Koningin, wier zoetste geheim elke Dagbladschrijver raden, overbrieven, uittrompetten wil, hoe brengt gij ons uwe doorluchtige voorgangster,Elisabeth, te binnen”!En ware zij nog alsElisabeth! ik wil nog niet eens zeggen, ware zij eene vrouw als deze, die onder hare kanten mutsmannelijkehersenen verborg en onder het zijden corset een mannelijk hart omdroeg! Maar vergelijk eens den staatkundigen toestand van hettoenmaligEngeland met het tegenwoordig Groot-Brittanje. Gelooft gij niet met mij, dat het toen veeleer dan nu de tijd was, om eene Koninginne-Maagd aan het hoofd van den staat te hebben? De schepter der Monarchij laat zich des noods nog door eene vrouwenhand voeren. Eenheid van wil vereenvoudigt de regeering: onbeperkte ruimte van middelen maakt het heerschen gemakkelijk. Maar bovenal, welke eene eeuw, de eeuw vanElisabeth! vergelijk het ridderlijk Engeland, dat zich niet schaamde voor de voeten eener edele jonkvrouw te knielen, bij het plebejisch en oproerig Engeland onzer dagen. Vergelijk dien galanten hofstoet van Staatsraden en Ministers bij den ongeregelden hoop der vertegenwoordigende kamers! Vergelijk de kleine moeielijkheden, door de twisten tusschen den hoofschenLeicesteren den hooghartigenBurleighontstaan, met de noodzakelijkheid, om zich op genade aan een brutalen, dweepziekenO’Connelover te geven! Vergelijk eindelijk het volk dier dagen, als een éénig man onder de monarchale banier geschaard, bij de veelkeurige bende, die zich nu in allerlei partijen verdeelt. En beken, dat men eene Amazone[184]moet zijn om het wederspannig ros met zijden teugels en zijden handen te kunnen breidelen.En wat ik boven zeide, dat de Koningin zich door hare betrekkingen meermalen in haar vrouwelijk gevoel gekwetst moet vinden, hoe veel toepasselijker is dit nog op de regeerende Vorstin! Waar zal ik beginnen, om de tegenstrijdigheden op te noemen, die zich tusschen de plichten van haren stand en de eigenaardigheden van haar karakter moeten opdoen? Neem eens de verheffing door de Engelsche Koningin van den Edel-Achtbaren Lord Mayor en de Sheriffs tot Ridders. Wie gevoelt er het onnatuurlijke en stuitende niet van? Welk een verschil met den tijd, toen de bloedige hand des Vorsten zelven den moedigen schildknaap de gouden spoor aan den hiel bond!Koninginnen der schoonheidte wezen en den krans op het hoofd van edele mannen te drukken, ziedaar eene vrouwelijke taak. Maar om voor zich den man te doen knielen, om hem—even alsBlountin Kenilworth met een geleend zwaard—door onhandigheid misschien over de ooren te houwen, ziedaar eene onvrouwelijke exercitie. Neen! wanneer er volstrekt tusschen twee kwaden moet gekozen worden, dan liever het vrouwelijke lijden in het paleis van Buckingham dan het spelen der mannelijke rol in Guild-Hall. Dan liever de tranen, door de koninklijke Lijderes vergoten, dan de feestdronk opden SouvereinVictoria!Met liefde keert mijn blik van zijne lange omzwerving naar uw stil graf terug,Wilhelminavan Pruissen! ik verheug mij in de ruste, die hier uw afgemat hoofd en afgefolterd lichaam vinden mocht. Want op wien ook, op u zal de kroon in het graf niet zwaarder drukken, dan zij op de levende woog. U is er een bange last meê van het hoofd gevallen. Het dankbare volk misgunt u die ruste niet. Het verheugt er zich voor u in, dat de hemel, en niet langer de aarde, u onder deGekroondentelt![185]

Welk een drukte! Wat gewoel! Er komt van daag geen einde aan het rijden en rossen. De diligences hebben meer bijwagens, dan anders passagiers. De veerschuiten zijn tot zinkens toe vol geladen. De wegen wemelen van voetgangers. Het is of de aarde op ééns in een hellende richting geraakt is, waardoor al wat beweegbaar is met geweld naar éénen kant gedreven wordt. De stad is half verlaten.

’t Kinderschool is leêg geloopen;De Invalied komt aangekropen;’t Grootje hinkt van ’t spinnewiel.

’t Kinderschool is leêg geloopen;

De Invalied komt aangekropen;

’t Grootje hinkt van ’t spinnewiel.

Ik zou mij niet op straat durven vertoonen. Men zou het mij nooit vergeven, dat ik heden mijn paar gezonde beenen tot iets anders gebruikte, dan om den grooten stroom te volgen. Ik ben toch reeds meermalen voor een wijsneus uitgemaakt. „Hé,” zeide men met open mond en mij van het hoofd tot de voeten opnemende: „zoo kort bij den Haag te wonen, en dan te verzuimen om de Koningin te zien begraven!”

Ziedaar mijn misdaad! ik wilde de Koningin niet zien begraven. Verdenk daarom mijn Koningsgezindheid niet; zij werd nooit verdacht. En als gij mij op den morgen van heden gezien hadt, gij zoudt u met mijne weigering hebben verzoend. Ik had mij voor dezen dag van alle dienstwerk ontslagen. Het was voor mij een heilige dag, de dag van Sancta Wilhelmina. Ik ging evenwel niet ter kerke: mijne kamer diende mij tot huiskapel, waar ik in den geest een lijkmisse ter eere van de afgestorvene vierde. De onophoudelijk luidende kerkklok ondersteunde mijne illusie:

Von dem DomeSchwer und bangTönt die GlockeGrabgesang.

Von dem Dome

Schwer und bang

Tönt die Glocke

Grabgesang.

Ik kan u den inhoud van het Miserere mijns geestes niet mededeelen.[178]Zóó veel kan ik er van zeggen, dat mijne mijmering in geen opzicht leek naar het vers, door uw neef, uw broeder of uw vriend op den dood der Vorstin gemaakt. Het was in den rechten zin des woords een mijmering, eene fantasie, een visioen. Allerlei beelden dwarrelden bont en grillig voor mijne oogen heen; ik volgde in mijne gedachten den trein van het paleis, de woning der macht en der eere, naar het graf, de woning der vernedering. Ik zag de kist in het graf plaatsen zes voeten lang en drie voeten breed, meer niet, en dacht aan het woord vanJuvenalis:Mors sola fatetur quantula sint hominum corpuscula, zóó klein kwam mij dit hoekje voor, dat nu volstond voor haar, die voorheen paleizen tot woning, een geheel heir tot dienaren en een gansch volk tot eerewacht op haren weg gehad had. Ik zag den trein de kerk verlaten, en bleef alleen achter. Toen daagde ik in mijn geest, zoo als de Egyptenaren deden, geheel het volk op, om over de Doode recht te spreken. Nog bleef ik alleen. De menschen brachten geene beschuldiging tegen haar in. En toen ik haar mij voor een andere vierschaar vertegenwoordigde, toen zag ik haar gevolgd door al hare goede werken, die haar „bij hare afreize uit deze wereld vergezelden, omringden en omstuwden, als een drom van hemelsche Serafijnen, en haar juichende binnenleidden in de eeuwige tabernakelen.”

Zoo peinsde en droomde ik al voort. Toen ikmijnlief kamerke verliet, zal het omstreeks den tijd geweest zijn, dat de heraut bekend maakte,dat de begrafenis van de Koningin was afgeloopen. Ik was over mij zelven voldaan. Ik had naar mijn inzien het begrafenisfeest der Koningin beter gevierd, dan menigeen, die geen slip van de staatsie onopgemerkt had laten voorbijgaan. Want, (en nu kom ik op den grond mijner weigering om naar den Haag te gaan,) ik zag er tegen op, om mij in de drokte van het volksgewoel te begeven. Reeds vroeger was ik meermalen geërgerd geworden door den toon, waarmede men over de sombere plechtigheid sprak: kinderachtig (ik wil er geen anderen naam aan geven) was de ingenomenheid van sommigen met de beloofde vertooning. Men sprak er over als over een publiek amusement. En ik denk, dat wie de menigte op de naar den Haag loopende wegen opmerkzaam heeft gade geslagen, wel verwonderd heeft moeten vragen: zijn dit pelgrims naar het graf der geliefde Koningin? Neen, dan hadden de bedevaartgangers van het heilige graf, wier voorkomen, ja, zelfs wier kleeding in overeenstemming was met het ernstig doel van hunnen tocht, dezen beter de passende houding van een pelgrim kunnen leeren en hen doen blozen over de gejaagdheid, over de verwachting, over het genoegen zelf, dat op veler aangezicht te lezen was! En daar mijn gevoel een kruidje-roer-mij-niet is en voor elke onvoorzichtige aanraking schuchter terugkrimpt, mocht ik het niet in zulke een hinderlijk gedrang wagen; het kan weinig tegen zulke stooten, als waaraan ik te midden van zoo veel ergernissen zou hebben bloot gestaan. Ik had mij zeker boos gemaakt over de weinige sympathie, die ik in den aanblik mijner medegenoodigden ter begrafenis zou hebben opgemerkt. Ik had[179]mij bij het gezicht van den trein beklaagd, dat ik zulk een indrukwekkend schouwspel niet onder gelukkiger omstandigheden had kunnen genieten. Ik had geknord tegen de onderkaak van mijn achterman, die mijn hoofd tot een rustpunt nam, of tegen den arm van mijn naaste, die op mijn schouder als eene vensterbank leunde, en mij zelven wel honderdmaal van dáár en op mijne kamer gewenscht; in één woord, ik had het genoegen van anderen bedorven en mijn eigene stemming door anderen laten bederven. En daar ik dit alles voorzag, wie moet mij niet toestemmen, dat ik de wijsste partij koos met te huis te blijven?

De doodklok luidde nog altijd voort, en bepaalde voortdurend mijne gedachte bij de plechtigheid van den dag.

Tot welk een ongewone drukte geeft de dood der Vorstin aanleiding! Welk een scherp kontrast van het stil en verborgen leven der vrome Vrouw, met het gewoel dat zich om hare kist verdringt! Ik twijfel er niet aan, of zij zelve, indien zij recht van kiezen gehad had, hadde verkozen, in den avond, zonder andere getuigen dan hare betrekkingen, zonder andere rouwdracht dan die waarin zich het deelnemend hart kleedt, zonder anderen lijksleep dan dien der dankbare beweldadigden, te worden bijgezet.

Maar eene koningin heeft geene keuze. Zij is de slavin van haren stand. Hofdwang benauwt het wicht reeds in de purperen windselen: hofdwang klemt den dartelenden voet van het kind in den looden schoen der etiquette: hofdwang leidt het wederstrevend slachtoffer naar het geschuwde bruidsbed: hofdwang eindelijk ontrukt het heilig overschot der gestorvene aan de armen harer betrekkingen, om het als een mummie voor onverschillige oogen ten toon te stellen, of als een heiligenbeeld in processie onder het gapende volk rond te dragen.

Voor een vrouw, die geheel vrouw is, moet er iets kwetsends in wezen, al de verplichtingen der tiara te vervullen.

Arme onnoozele, die op éénmaal uit het vertrek uwer moeder wordt opgeroepen, om den troon eens vreemdelings te deelen! Terwijl gij tot nu toe in half kloosterachtige afzondering versmachttet, wordt gij op ééns aan de vrije, koude lucht blootgesteld. Duizenden verdringen zich op uwen weg, om u te bespieden; onbeleefde Courantiers kijken u de woorden uit den mond, om die verdraaid aan het groote publiek weder te vertellen: glurende schilders betrappen het blosje op uwe wangen, om te weten, hoeveel karmijn zij voor uw portret noodig hebben; het gemeen mompelt onder elkander, alsof gij geene ooren hadt, het vonnis zijner voorbarigheid over uw voorkomen uit; hovelingen snuffelen als speurhonden om u heen en fluisteren, met het oog op u geslagen, elkander in de ooren. Eindelijk bereikt gij de plaats uwer bestemming. Dit is nu uw echtgenoot, uwe Hoogheid! Die Heer dáár is Z. M. uw schoonvader. Mag ik de eer hebben, u aan mevrouw uwe koninklijke schoonmoeder voor te stellen? De eerste kus wordt ten aanschouwen van honderdduizenden gewisseld; handgeklap vergezelt, evenals in de[180]komedie, de vaderlijke omhelzing. Nu kunt gij in de eenzaamheid een weinig tot bedaren komen? Neen! gij moet op het balcon aan het volk worden voorgesteld. Daar staat gij aan ontelbare onbeschaamde blikken bloot; het volk applaudisseert bij den aanblik uwer schoonheid—lieve Hemel! is het niet of het uw Schepper wilde toejuichen?—Gij moogt het tooneel verlaten. Meen evenwel niet, dat gij daarom vrij zijt. Men wacht u aan tafel. Daar zijt gij wederom de hoofdschotel. Men eet niet, men drinkt niet, men doet niets dan u begluren en u beluisteren. Gij komt niet tot u zelve dan in de armen van den man, die u zijne vrouw noemt. Arme onnoozele! uw feestdag was een bange dag.

Eindelijk is aan de wetten der etiquette voldaan. De nieuw aangekomene heeft de spitsroeden der openbare beoordeeling doorgeloopen. Men laat haar in hare vertrekken met rust. Zij heeft den tijd zich met haar te huis bekend te maken. Nu is het ergste geleden!—Misschien—zeer misschien. Weet gij wel, hoeveel kansen zij tegen heeft? De man, aan wien men haar heeft opgedrongen, kan harer onwaardig zijn. Zij heeft hemmoetennemen. Maar al verdient hij haar: zal het verkeer der wittebroodsweken de zoete gemeenzaamheid te weeg brengen, die anders uit de langzaam toenemende vertrouwelijkheid van een verloofd paar ontstaat? Of zal niet de betrekking der gehuwden levenslang den schok gevoelen, die hen, als ik het zoo zeggen mag, tegen elkander geworpen heeft? Hare moeder moet weder van haar weg. Zal hare schoonmoeder haar dit verlies eenigermate vergoeden? Zij had onder hare hofjuffers een vriendin—wel geene halsvriendin, die hebben Vorstinnen niet—maar toch een lievebekendegevonden. Aan wie zal zij nu haar vertrouwen schenken? Zal zij in dit vreemd klimaat aarden? Zal zij hare lippen aan de ongewone taal kunnen gewennen? Zal zij zich met de zeden haars volks kunnen verzoenen?

Altemaal vragen, die haar niet eens gevraagd worden. Het heeft in de Hofcourant gestaan: zij is met den vorst getrouwd; ergo, zij heeft hem lief. Zij is zijn landgenoot geworden: zij heeft zijne taal en zijne zeden aangenomen: zij heeft haar hart genaturaliseerd.

Noem mij niet zonderling, als ik zeg: de koninklijke eere is alleen voor mannen geschikt. Dat staan op eene hooge, uitstekende plaats, dat dragen van een zware kroon en een klaterend kleed, dat bekleeden van een middelpunt van dienaars, dat treden door laag gebogen rijen, dat ten doel staan aan de algemeene opmerking, dat openbare leven, als van den Opperpriester te Rome, met nacht en dag openstaande deuren, dat wonen in een altijd geurenden dampkring van wierook:—dat alles vervult de borst des mans met edelen hoogmoed en doet hem den troon zelf om zijn purper beminnen. Maar de zachte, ingetogene, kuische en vrome vrouw, wier wereld is aan den boezem harer moeder, of aan het hart haars echtgenoots; wier oog den sluier en wier hart de eenzaamheid lief heeft; die schuw is voor lof en siddert[181]voor afkeuring—kan zij gelukkig zijn, geplaatst in een kring, waar zij boven de overigen opgeheven en tot een voorwerp van algemeene aandacht gesteld wordt? Kan het haar, indien zij haar kinderlijk, vrouwelijk hart behouden heeft, genoegen doen, vrouwen, die hare moeder konden zijn, voor haar te zien uit den weg gaan; mannen, die in de dienst des Staats vergrijsd zijn, voor haar te zien buigen? Moet het haar niet hinderen, door den dwang der etiquette verplicht te zijn, de haar natuurlijke voorkomendheid en hulpvaardigheid te onderdrukken? En wee haar, indien zij een eenigzins verheven, dichterlijken geest bezit, die behoefte heeft zich mede te deelen, uit te breiden, over te gieten. Want hare Dame van kleedkamer leest alleen den hofalmanak en het modejournaal: want hare grootmeesteres kent geene andere wereld dan de hemisphaera van de vertrekken der Koningin: want hare staatsdames hebben allen zielen van klei en harten van steen. Daar ginds, in de verte, bespeurt zij wel de groote mannen, die zij bewondert, de schoone geesten, die zij lief heeft en met wie zij sympathiseert; maar de diadeem der genie wordt niet erkend aan den ingang der zalen, waar boven de gouden kroon praalt. Al wat het wetboek van den hofdwang duldt, is: dat ieder nieuwvoortbrengselder schoone letterkunde haar op best papier gedrukt en in een vergulden band worde aangeboden. De ongelukkige! zij moet alle groote gewaarwordingen in hare borst opsluiten; zij moet, binnen haren vergulden kerker gebannen, in zich zelve verteren: zij is aan het dier in de fabel gelijk, dat, door de vlam ingesloten, den angel tegen zijn eigen borst richt.

En wanneer zij de hoflucht verlaat, is het beter? Voorzeker niet: overal dezelfden nasleep. De Koningin vertrekt naar haar buitengoed, om een luchtje te scheppen. De Koningin gaat een luchtje scheppen, herhalen honderd couranten. Het hof, de residentie, het gansche land spreekt over een luchtje, dat de Koningin gaat scheppen! Eene ongelukkige paraphrase voorzeker van hare beklemde zucht naar Gods vrije natuur. Eindelijk is zij op haar lustslot aangekomen. Het weder is schoon, de natuur in bloei, het bosch verrukkelijk. Maar wie geniet daar iets van, door een drom van gonzende muggen ingesloten? En de Vorstin is altijd van gonzende muggen omringd. Het water van de vijvers is zoo helder en frisch: spiegelde het slechts geene hofrokken weder! de vogels zongen zoo lief: maar zij hebben de vlucht genomen voor de hovelingen, die eene aria uit de nieuwe Opera neuriën. Demenschelijkeechoos: „Ja, uwe Majesteit!—Neen, uwe Majesteit!” maken, dat men de echoos in het bosch niet hooren kan. De Koningin komt in de hofstad weder, zonder een enkel uur van vrij en zuiver genot van de natuur te hebben gesmaakt.

De Koningin zal den schouwburg bezoeken. Te harer eere is het er eens zoo vol en tweemaal zoo warm als anders. Zij komt de zaal binnen; handgeklap. Zij gaat zitten; al de lorgnetten zijn in beweging. De Dames ontleden haar toilet van stuk tot stuk. De Heeren ontzien zich niet,[182]haar onbeschaamd aan te staren. Ware het eene andere Dame, haar cavalier zou verplicht zijn het voor haar op te nemen. Maar de Koningin, hoewel een vrouw, is geene vrouw als iedere andere; men behoeft voor haar de gewone beleefdheden niet in acht te nemen. Het stuk begint; eene menigte van aanschouwers blijft, met den rug naar het tooneel gekeerd, het koninklijk gezin aangapen. Voor hen wordt de representatie van den avond in de hofloge gegeven; de Koningin gevoelt zich in den lastigen toestand van eene actrice, die debuteert; zoo wordt zij in al hare bewegingen bespied. Lacht zij, men zegt: zie, zij lacht! Welt er een traan van natuurlijk gevoelzachtkensin haar oog, zij moet hem met geweld onderdrukken om niet bespot te worden. De acteurs zijn gedwongener en spelen slechter dan anders. Dit is ook ten deele het gevolg van het verbod om te applaudiseeren. Het is jammer; een beschaafd publiek, dat zijne bewondering in luide goedkeuring te kennen geeft, is zulk een schoon, éénig schouwspel! Maar waar het koninklijk gezin zich vertoont, is alle enthusiasme contrabande, behalve die zich in de nationale liederen lucht geeft. Het hof heeft ook zijne claque. Eindelijk is de vervelende avond om, de menigte schaart zich in de corridors, om den stoet te zien vertrekken. Met gapenden mond en groote oogen staart men den glinsterenden sleep aan, en wie weet, hoe velen bij dat gezicht niet kunnen nalaten te zuchten: De benijdenswaardigen!

En nu zwijg ik nog van diplomatieke audienties. Nu zwijg ik nog van een wandeling door het bosch van de hofstad en toertjes door de gewesten des Lands. Nu zwijg ik nog van verre reizen naar buitenlandsche hoven, om de kinderen te bezoeken, die de staatkunde aan het hart der moeder ontrukt en door zeeën van haar gescheiden heeft. En wat is dit alles nog, bij het deelen van de zorgen des bestuurs? Bij den plicht, om de groeven te verzachten, die de scherpe rand der kroon in het voorhoofd haars gemaals achterlaat? Om den vermoeiden en belasten den dienst te bewijzen vanAäronenHuraanMozes, daar zij de tegenAmalekopgeheven hand, toen zij te zwaar werd, ondersteunen? Om haar teedere schouders te laten kneuzen door het tillen van een last, die zelfs den sterken man nederbuigt?

o Gouden vertrekken der Koningin! indien uwe wanden spreken konden, welk een Ilias van lijden zouden zij te verhalen hebben!

En gelukkig nog de Vorstin, die niets dan de gemalin des Konings behoeft te zijn, in vergelijking van haar, die geroepen wordt, om den zetel alleen te bekleeden. Arme bloem van Kent! Hoe dubbel zwaar moet de driekroon der Eilanden op uwe fijne slapen drukken! Welke een jammerlijke misgreep weder door de politiek tegen de natuur begaan, om een zoet, achttienjarig kind op den hoogen troon te heffen! Zoo jong, en reeds zoo hoog geplaatst! Gij doet mij denken aan die ellendige schepseltjes, over wie ik soms mijn hart heb voelen breken, die, vijf of zes jaren oud, gedwongen worden op de halsbrekende hoogte van een koord kunsten voor het publiek te verrichten. Wat[183]springt men meêdoogenloos met u om! Wat heeft men u nog onlangs de straten van Londen langs en door het gewoel eener joelende menigte gesleept! En dat eene jonge beschroomde, die, bij de uitgelatenheid van ’s volks geestdrift in Drurylane, zelfs de sporen van angstvalligheid niet verbergen kon. O, hoe wel versta ik, wat men bericht, dat gij de opgewondenheid van den grooten hoop, bij uwe verschijning, onverschillig hebt blijven aanzien. Wat de borst van een jongeling hoog had doen zwellen, moest op unoodzakelijkeen onaangenamen indruk maken en uwe schuchterheid beangstigen. En toen gij daarna vernomen hebt, dat uw feestelijke optocht voor enkelen uwer goede onderdanen doodelijk geweest is (plectuntur Achivi!) en dat het bloed van een jong wicht de wielen van uwen zegenwagen bespat heeft, hoe beklaag ik u over den rouw, die daarbij uw hart zal hebben vervuld, onnoozele duive, KoninginVictoria!

Nog nauwelijks droeg de jonge wees het rouwkleed over haren koninklijken oom, of reeds twistte het Parlement, wie bij haren dood moest opvolgen. De erfenis eener achttienjarige te verdeelen.… zie, dat is toch onvriendelijk vroeg! Of zouden misschien de Ministers Harer Majesteit de zwarte verbeelding vanByronhebben, die zich ergens beklaagt, dat hij geen jong meisje zien kon, zonder haar in zijne fantasie tot een geraamte te ontleden? Zeker althans is het, dat de Courantiers te haren opzichte het lastig gebrek vanla vieille fillehebben, om haar met geweld aan een jongenpartnerte willen koppelen. Terecht schreef daarover iemand: „Arme Koningin, wier zoetste geheim elke Dagbladschrijver raden, overbrieven, uittrompetten wil, hoe brengt gij ons uwe doorluchtige voorgangster,Elisabeth, te binnen”!

En ware zij nog alsElisabeth! ik wil nog niet eens zeggen, ware zij eene vrouw als deze, die onder hare kanten mutsmannelijkehersenen verborg en onder het zijden corset een mannelijk hart omdroeg! Maar vergelijk eens den staatkundigen toestand van hettoenmaligEngeland met het tegenwoordig Groot-Brittanje. Gelooft gij niet met mij, dat het toen veeleer dan nu de tijd was, om eene Koninginne-Maagd aan het hoofd van den staat te hebben? De schepter der Monarchij laat zich des noods nog door eene vrouwenhand voeren. Eenheid van wil vereenvoudigt de regeering: onbeperkte ruimte van middelen maakt het heerschen gemakkelijk. Maar bovenal, welke eene eeuw, de eeuw vanElisabeth! vergelijk het ridderlijk Engeland, dat zich niet schaamde voor de voeten eener edele jonkvrouw te knielen, bij het plebejisch en oproerig Engeland onzer dagen. Vergelijk dien galanten hofstoet van Staatsraden en Ministers bij den ongeregelden hoop der vertegenwoordigende kamers! Vergelijk de kleine moeielijkheden, door de twisten tusschen den hoofschenLeicesteren den hooghartigenBurleighontstaan, met de noodzakelijkheid, om zich op genade aan een brutalen, dweepziekenO’Connelover te geven! Vergelijk eindelijk het volk dier dagen, als een éénig man onder de monarchale banier geschaard, bij de veelkeurige bende, die zich nu in allerlei partijen verdeelt. En beken, dat men eene Amazone[184]moet zijn om het wederspannig ros met zijden teugels en zijden handen te kunnen breidelen.

En wat ik boven zeide, dat de Koningin zich door hare betrekkingen meermalen in haar vrouwelijk gevoel gekwetst moet vinden, hoe veel toepasselijker is dit nog op de regeerende Vorstin! Waar zal ik beginnen, om de tegenstrijdigheden op te noemen, die zich tusschen de plichten van haren stand en de eigenaardigheden van haar karakter moeten opdoen? Neem eens de verheffing door de Engelsche Koningin van den Edel-Achtbaren Lord Mayor en de Sheriffs tot Ridders. Wie gevoelt er het onnatuurlijke en stuitende niet van? Welk een verschil met den tijd, toen de bloedige hand des Vorsten zelven den moedigen schildknaap de gouden spoor aan den hiel bond!Koninginnen der schoonheidte wezen en den krans op het hoofd van edele mannen te drukken, ziedaar eene vrouwelijke taak. Maar om voor zich den man te doen knielen, om hem—even alsBlountin Kenilworth met een geleend zwaard—door onhandigheid misschien over de ooren te houwen, ziedaar eene onvrouwelijke exercitie. Neen! wanneer er volstrekt tusschen twee kwaden moet gekozen worden, dan liever het vrouwelijke lijden in het paleis van Buckingham dan het spelen der mannelijke rol in Guild-Hall. Dan liever de tranen, door de koninklijke Lijderes vergoten, dan de feestdronk opden SouvereinVictoria!

Met liefde keert mijn blik van zijne lange omzwerving naar uw stil graf terug,Wilhelminavan Pruissen! ik verheug mij in de ruste, die hier uw afgemat hoofd en afgefolterd lichaam vinden mocht. Want op wien ook, op u zal de kroon in het graf niet zwaarder drukken, dan zij op de levende woog. U is er een bange last meê van het hoofd gevallen. Het dankbare volk misgunt u die ruste niet. Het verheugt er zich voor u in, dat de hemel, en niet langer de aarde, u onder deGekroondentelt![185]

[Inhoud]DE KONING KOMT.(3 Augustus 1842.)De Koning komt! Zie, dien man reik ik als burger de broederhand niet, wien bij deze tijding het hart niet een paar slagen sneller klopt dan te voren. Trouwens, ik voor mij geloof niet, dat er veel zulke harten zijn. De eerbied voor het koningschap is in ons, onderdanen van den Koning der koningen, van wiens Majesteit het koningschap in iederen vorm slechts een afschaduwing is, iets natuurlijks,—iets instinktmatigs, had ik haast gezegd. De hermelijnen mantel moet wel in eene wolfshuid, de gouden kroon in een ijzeren, en de schepter in een dorenstaf veranderd zijn, eer die eerbied voor de verachting en afkeer plaats maakt, die het wettig loon van tirannen is.Er bestaat buiten dit geweldig, misschien nog een zachter kunstmiddel om dit gevoel ten onder te brengen; het is de theorie, die in de vorige eeuw doorMaratenRobespierregeleerd, en door hen met proeven opLodewijk XVIenMaria Antoinettebloediger gedachtenisse gestaafd is. In die school, waarin men begint met den Koning des hemels te onttroonen, en Hem alle gezag en invloed op de verheffing van de koningen der aarde te ontnemen, komt men, langs een zeer natuurlijken weg van gevolgen, tot de leer, dat een koning eigenlijk geen koning is, maar een onderdaan; een onderdaan zijner onderdanen; een knecht der knechten, wiens eigenlijke plaats aan de punt van den staart des volks is; ten gevolge waarvan dan ook, met de strengste consequentie, in de gouden eeuw dier theorie, de geheele maatschappelijke ladder onderst boven gezet en op haar hoofd geplaatst werd, zoodat de koning achter den adel, de adel achter den middelstand, de middelstand achter het gemeen, en het gemeen van het gemeen op den zetel geraakte, die de guillotine tot voetstuk had. Die koorts is sedert, den Hemel zij dank! na vele aderlatingen en een gestreng dieet, onder de homoeöpathische behandeling van den Korsikaanschen Wonderdokter, wel gelukkig afgegaan: maar er is toch in het groote lichaam nog zekere koortsachtige neiging overgebleven,[186]die bij de minste irritatie met eene wederinstorting bedreigt. En het zijn deze heimelijke sluipkoortsjes, die zich hier en daar openbaren in de Jakobijnsche manier, waarop men de vorsten weêr begint te beschouwen en te behandelen. Eene wijze van beschouwing, die dan ook onder anderen aan den dag komt in de bekoorlijke nonchalance, waarmede de ultra-constitutioneele wijsgeer het bericht ontvangt, dat „de Koning komt.” Merk op, hoe hij bij die aankondiging den hals in den nek werpt, u met een spotachtig lachje aanziet, en een gezicht zet, zoo onverschillig, dat het bijkans veelbeteekenend wordt van onverschilligheid, waarop dan voor ieder die het zien wil te lezen staat, dat hem het heele bericht niet meer aangaat, dan of de haan van zijn buurman op zijn erf gekomen was, wiens roode kam en vurige sporen in zijn oog evenveel waard zijn als de erfelijke koningskroon en de verworven riddersporen van alle Majesteiten der wereld. Maar zoo als ik zeide, die wijsheid is geen natuurlijke, maar eene verkregene en aangeleerde, die in plaats van uit het hart naar het hoofd te komen, met kunst- en vliegwerk uit het hoofd naar het hart gepompt is, en daaraan niet zonder tegenstand opgedrongen. Het spreekt dus van zelf, dat eenvoudige menschen, als waaronder ik hier buiten verkeer, daarvan niets verstaan, en alzoo nog omtrent hetzelfde voelen, wat onderdanen van ouds af voor koningen van ouds af gevoeld hebben, te weten: achting voor het koningschap, eerbied voor de koninklijke waardigheid, en, als hij haar niet moedwillig verbeurt, liefde voor den persoon des konings.Dat bleek bij ons op een treffende wijze, nadat wij eindelijk het zeker bericht ontvangen hadden: de Koning komt!—Van dat oogenblik af klopte aller hart en glinsterde aller gelaat van vroolijke verwachting. Men sprak elkander niet, zonder van het heugelijk nieuws te gewagen. Ieder maakte aanstalten om den vorst op de feestelijkste wijze te ontvangen. De arme bosschen moesten twee maanden te vroeg hun groen afstaan, Ommeêdoogend hakten mes en schaar in sparren- en eikenboomen. Bloemen en wat naar bloemen geleek werd zonder deernis afgeplukt. De lijsterbessen verloren er al hare trossen bij; want lijsterbessen tusschen eikenbladeren, wat kan men schooner hebben? Er bleef geen besje over om meê te lijsteren: van daar zeker, dat ik dit jaar nog geen lijster geproefd heb.—Nu aan het kransenmaken: de een al zwieriger dan de andere. Men durfde in al die dagen niemand de hand geven van den boomharst, die er aan kleefde van al detaxies, gelijk men bij ons de sparren verkiest te noemen. Ik heb er gezien, vijftig voet lang, waarin de bloemen met zulk eene mathematische evenredigheid waren verdeeld, even als de ringen op eene slangenhuid, dat ik den vervaardiger verdenk van er den duimstok bij gebruikt tehebben. En vlaggen? Die konden, ontboden zevanelders; wien dit te kostbaar was, maakte ze zelf van gekleurd papier, oranje, blanje, bleu, vast aaneengeplakt, zoodat ze bij ieder tochtje rinkelden als het klatergoud in eene haringkroon. De ijverigsten richtten bogen[187]op met eene kroon er in, want dat is boerenstijl: zonder kroon geen bruiloft: bruiloft is het feest der feesten; dus geen feest zonder kroon. En tusschen de kroonen opschriften op een half vel papier, beschreven door den ondermeester van het dorp, in alle soorten van letterformaat, groot, middelslag en klein, met lettertrekken er rondom, die de Koning van zijn rijtuig moet kunnen zien! Zoo waren dagen achtereen aller handen—en dat zegt hier, aller harten—met des Vorsten komst bezig. Toen ik in den avond vóór den grooten dag in het donker te huis kwam, zag ik hier en daar nog een enkel dwaallicht zweven; eene kaars of lantaren van den een of anderen dorpeling, die, eer hij ging slapen, zich het genot nog eens gunnen moest om het door hem gebouwde Babel met zijne hangende tuinen te bewonderen, en te zien, welk effect zijne decoratie bij donker voor uilen en bietebauwen maakte.Onder zulke tooneelen en onder zulke menschen werd ik den anderen morgen wakker. Was het wonder, dat het mijne eerste gedachte bij het ontwaken was: deKoningkomt?—Ook ik had mijne stulp op het zwierigst en tierigst opgetooid. Een keurigetaxies-krans slingerde zich als eene reusachtige slang, met schilderachtige en veelkleurige bochten, van den ijzeren arm aan het dakvenster, langs het geheele huis, tot op den grond naar beneden.Edithahad er hare kleine handen met honderd „eerlijke wonden” aan bezeerd, en er een extraknikje van Z. M. aan verdiend. Daarboven ontrolde zich van een fraai geschilderden en vergulden vlaggestok een vlag, eene vlag veel te lang voor mijne lage stulp, en daarom nog verscheidene ellen vluchts gekort, die een mijner vrienden mij uit Amsterdam, van ik weet niet welk aanzienlijk college bezorgd had. Maar wat nog meer zegt, mijn hart vlagde met een langen wimpel van vroolijkheid en geestdrift, die door het minste windje hoog omhoog gevoerd werd. In die stemming kon ik het niet lang binnen uithouden. Nadat ik dus mijn feestpak had aangetrokken, trad ik naar buiten, om nu het geheel der versiering nog eens op te nemen. Het was een schoon gezicht! Overal waren de menschen bezig om het mooie nog mooier te maken, door eene gele dalia, die tegenover een witte zat, met eene dito te vervangen, een oranjelintje, dat losgeraakt was, vast te strikken, en dergelijke gewichtige verbeteringen meer. Ik sprak nu met den een, dan met den ander, en zeide elk op zijne beurt iets vleiends over zijn goeden smaak, die in deze of gene bijzonderheid vooral schitterend aan den dag kwam. Daaronder glommen de gezichten van zelfbehagen, en klom de geestdrift al hooger en hooger. Intusschen renden de rijtuigen met menschen beladen als in wedloop naar de stad, om daar getuige van den Intocht te zijn; en ieder blik van opmerkzaamheid en goedkeuring, naar de bogen en kransen geworpen, werd met gretigheid opgevangen en door een glinsterend oog weêrspiegeld.Onder zulke waarnemingen, die mijn hart vervulden met dankbaarheid aan God, die zijne menschenkinderen zooveel onschuldige vreugde[188]schenkt en gunt, en het in liefde tot mijn dorpsgenooten, mijn volk, mijn land, mijn koning, tot alle menschen, verwijdde, wandelde ik den weg vóór mijn huis op en neder. Zoo dwaalde ik langzaam af, totdat ik mij geheel buiten de kom van het dorp in de eenzaamheid bevond. Deze was mij nu niet onaangenaam: er was in de vreugde van mijn hart ook iets, dat zich liever niet voor anderen uitstortte; en gelijk ik altijd tracht mij reden van mijne gewaarwordingen te geven, zoo poogde ik dat ook nu te doen. Zoo kwam ik op de aanleiding van het feest: de Koning komt. Altijd zou mij die komst belangrijk en aangenaam geweest zijn, maar heden bovenal.Het was de derde Augustus. De derde Augustus, gedenkwaardige en roemrijke dag in de jaarboeken van ons vaderland, inzonderheid voor ons geslacht. Op dien dag was het, dat voor elf jarenWillem, Prins van Oranje, op last van den Koning zijn vader, aan het hoofd van een getrouw leger, den eersten voet op Belgischen bodem zette. Die geheele veldtocht met al wat hem was voorafgegaan en gevolgd, verrees op eenmaal voor mijn geest. En als de hoofdpersoon op die schilderij,—hoe kon het anders?—hij, die toenmaals Prins van Oranje genaamd werd. Zie! wat ik bij die herinnering gevoelde, kan niemand beseffen dan hij, die met mij de wapens in dien veldtocht droeg. WieWillem IIniet als veldheer gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien. Niemand verdenke dezen uitroep van grootspraak: ik beroep mij met vrijmoedigheid op de bezadigdsten onder mijne wapenbroeders. Kon ik er u een denkbeeld van geven! Maar hij laat zich niet beschrijven, de aanblik van den vorstelijken Held, gelijk hij zich aan het hoofd zijner dapperen vertoonde. Nog zie ik hem met het aanbreken van den dag tot ons komen, op het schoone ros gezeten, dat zijn meester niet lang meer dragen zou, maar bij zijne verminking vóór Leuven hem een dier schoone woorden in den mond geven, die de geschiedenis van de lippen der dapperen opzamelt, om er het nageslacht mede te ontvonken. Nog zie ik hem, met den lagen hoed en de vallende pluim op het hoofd, die door den bijzonderen en bij den vijand bekenden vorm wel den kogels den weg wees, die op zijne edele borst gericht werden, maar tevens, als de beroemde pluim vanHendrikden Vierde, den zijnen tot wegwijzer op den weg der eer verstrekte. Nog zie ik hem met het prachtige zwaard aan de zijde, door de hand der Keizersdochter aan de heup van den vorstelijken echtgenoot gegord, opdat hij het haar, gelijk hij ook gedaan heeft! smetteloos, maar met frissche lauweren omsnoerd, terugbrengen en voor de voeten leggen mocht. Maar vooral nog zie ik hem met die rustige houding, die rust inboezemde ook aan de bekommerdste, moed aan de versaagdste gemoederen, met dien helderen oogopslag, die van de vroolijkste geestdrift glinsterde, en met die geheel onbeschrijfelijke uitdrukking van strijdlust, die mij aan het krijgsros van Hiob denken deed: „Heerlijk dampt zijn gesnuif! Met zijn hoef graaft hij den grond op, en dartel in zijn overmoed, gaat hij het wapentuig te gemoet. Hij lacht met de vrees, en ontzet zich niet en deinst[189]niet terug voor het zwaard. Rondom hem ratelt de pijlkoker, de bliksem van spies en lans. Onrustig trappelt hij den grond, en kan niet stilstaan op ’t geluid der trompet. Luider klinkt de trompet, hij briescht haar tegen, en riekt den strijd van verre; des veldheers donderwoord en ’t krijgsgeschrei!” Nog zie ik hem, zoo als deze verschijning telkens bij zijne komst een luid hoezee uit den mond zijner getrouwen deed opgaan, waaraan hij door een wenk met de hand zedig, maar te vergeefs, het zwijgen zocht op te leggen.Ja, ik herhaal nog eens: wieWillem IIniet als Veldheer en in het veld gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien.—En in die gestalte trad zijn beeld heden met de levendigste kleuren voor mijn geest. Anderen zouden hunnen Koning aanschouwen—maar ik zou mijn ouden Veldheer zien; mijn Veldheer! wiens vaan ik gevolgd, wiens wachtwoord ik gesproken, wiens „Voorwaarts!” ik gehoorzaamd heb; mijn Veldheer, die mij in den strijd en uit den strijd geleid heeft, en aan wien ik het, onder God, te danken heb, dat ik op het veld van eer mijn jong leven niet gelaten, maar daaruit een luttel schoone herinneringen voor mijn ouden dag medegebracht heb; mijn Veldheer, van wiens lauweren een zedige schaduw op mijn hoofd was afgedaald! Hoog klopte mijn hart onder het gedenkkruis, dat ter eere van den dag mijn knoopsgat versierde; het kruis van metaal, dat de hand van den Vorst ten aandenken aan hem en den onder hem gevoerden strijd op mijne borst hechtte, terwijl hij het wederkeerig als een aandenken aan mij en aan al de overigen, die met mij zijn vederbos gevolgd waren, op zijn eigen boezem hing. Hem zou ik wederzien, na elf jaren scheidens; wederzien, nu niet meer als Veldheer, maar als het Hoofd des geheelen volks, maar als Koning. „LeveWillem II!” riep ik, en zou mijn hoed wel in lucht hebben kunnen gooien. „LeveWillemII”; de oude Prins van Oranje, gelijk hem het vaderlandsch hart nog zoo gaarne noemt! LeveWillem II, de Held van Hasselt en Leuven! LeveWillem II, voorheen mijn Veldmaarschalk en opperbevelhebber, en nu mijn Koning en Heer!”Zoo juichende verdiepte ik mij al meer en meer in het verledene. Was het wonder, dat uit die diepte allengskens ook somberder beelden voor mijnen geest verrezen? Ja, het was, als had ik door dien eenen blik in de wereld, die achter mij lag, die geheele wereld voor mij geopend, en als moest ik daarin nog eens op al mijne schreden teruggaan. Al wat sedert dien blijden derden Augustus tot op dezen derden Augustusdag gebeurd was, kwam mij achtereenvolgens voor de verbeelding. Eerst de verstoring van onze heirvaart naar Brussel, door de wapenen van den (nu ook reeds zoo jammerlijk ten grave gesleepten) HertogVan Orleans, als schild van het bedreigde België, vreedzaam, maar ernstig gestuit. Vervolgens de terugkeering op den weg der onderhandeling, den hier wel langen weg! Van daar het noodlottig stelsel der volharding, geboren uit dien eigen geest van standvastigheid, die bij alle groote mannen, en zoo ook bijWillem I, het snoer om[190]den bundel hunner deugden en de moeder aller groote daden is, maar die, even als elke andere deugd, in het gevaar vanVERharding hare eigenaardige schaduw met zich voert! Het stelsel der volharding, na de aftreding van diens Hoofd, met onedelmoedige partijdigheid, door al de vroegere voorstanders alleen aan hem geweten en op hem gewroken, alsof het ook niet jaren lang het stelsel des geheelen volks—met schaarsche uitzondering!—geweest ware, zelfs toen de rookende puinen der citadel en het lauwe bloed der vestinghelden er tegen scheen te roepen! Het stelsel der volharding, eene dwaling misschien vanWillem Ien zijn volk, maar altoos eene Nederlandsche dwaling; de dwaling van een volk, welks taaie standvastigheid de grondslag van het gebouw hunner grootheid werd, dat daarop rust, als zijne hoofdstad op hare palen; de dwaling van een volk, dat de schoone dwaasheid had van niet van zijn tijd te wezen, dat is, van in eene eeuw van diplomatie (men vergunne mij dit diplomatieke woord) nog aan eerlijkheid, aan goede trouw, aan de heiligheid van een eed, in den naam der Heilige Drieëenheid gezworen, te gelooven; de dwaling van een volk, welks leuze het was van ouds af, om liever den vaderlandschen grond terug te geven aan de baren, waaraan dijken en dammen het ontwoekerd hadden, dan van vreemde oogen de wet te wachten. Welnu! Nederland, die voorvaderlijke leus getrouw, heeft pal gestaan; het heeft het hoofd geboden aan koninklijke en keizerlijke willekeur, die geen hooger recht erkenden, dan dat van het voltrokken feit; het heeft pal gestaan voor zijn recht, toen het voorwerp des geschils lang opgehouden had een voorwerp van begeerte te zijn; het heeft pal gestaan voor zijn Vorst, wiens dwaling het uit liefde deelde, toen andere volken, uit oproerigen haat, op de goede daden hunner vorsten spuwden; het heeft pal gestaan, gelijk een groot volk doet, als het eens den Rubicon overschreden heeft, met opoffering van alles wat een volk dierbaars en kostbaars heeft; het heeft, in een oneigenlijken zin, zijne dammen doorgestoken, en zijn grond aan de wateren prijs gegeven. Nu ligt het daar, het is zoo, half overspoeld en bedolven, en door den stroom doorweekt; het ligt daar onder eene zee van schuld begraven, waaronder het graan van ’s lands welvaart in den akker verkwijnt; het ligt daar, als zijn zinnebeeld op de Zeeuwsche munt, met het onderschrift:Luctor et emergo. Maar het ligt daar, als dieZeeuwscheleeuw, door het water omgeven, maar door het water niet overwonnen. Het kan zonder zelfverwijt op zijne overstroomde gronden zien: en zeggen: „Mijn vijand was sterker, maar niet beter dan ik!”En daarom, mannen broeders! geen onedelmoedig Wee over het hoofd van den Man, die in deze, als in alle lotwisselingen, sedert meer dan vijfentwintig jaar aan ons hoofd stond, ons vertegenwoordigde, en trouw alle goed en alle kwaad, alle verhooging en alle vernedering, alle verdienste en alle schuld met ons heeft gedeeld! Geen Wee over het hoofd van den Man, die, misschien! naar verhevener bedoeling, in onze oogen van de hoogte vallen moest, waarop onze armen hem verheven[191]hadden, om ons te doen zien, hoe dwaas onze vroegere menschenvergoding was, en hoe kwaad! Geen Wee over het hoofd van den Man, die de schuld, indien er schuld was, boette met het roer van het schip te verlaten, dat hij niet voor alle klippen had vermogen te beschermen! Geen Wee over het hoofd van den Man, die van vijfentwintig jaren leeds, om onzer vaderen schuld geleden, en van vijfentwintig jaren arbeids, aan hunner kinderen heil besteed, de verlangde rust zoekt in eene vrijwillige ballingschap, en wien wij niet te hard mogen vallen, omdat hij die gezocht heeft bij vreemden, nadat wij maar al te duidelijk getoond hebben, dat hij die in de armen der zijnen te vergeefs zou hebben gezocht! Geen Wee over ’t hoofd van den Man, die, in den strijd en de dienst voor ons land vergrijsd, en van den troon afgestegen, niets van ons vraagt dan een weinig aandenken voor het goede, dat hij gedaan heeft, een weinig vergetelheid voor het kwaad, dat hij tegen zijn wil mocht gedaan hebben, en een weinig liefde voor het goede, dat hij heeft willen doen!Neen! de goeden en edelen in den lande spreken over u geen Wee,Willem I, Stam- en naamgenoot van den Vader des Vaderlands, voor wien wij bezig zijn een gedenkteeken onzer hulde en liefde te stichten. Rondom uwe asch vergaderd,—want immers zijt gij als Koning voor ons gestorven?—rondom uwe asch vergaderd, als eenmaal Egypte rondom de asch zijner koningen, wagen zij het niet, daarover vloek te spreken, gedachtig aan uwe, en aan hunne eigene, menschelijke zwak- en gebrekkigheid. Ja, met herinnering daaraan spreken zij, voor hunne menschelijke vierschaar, u vrij, en laten uwe asch de eere der gestorvenen wedervaren! Wat meer is, hun bede rijst voor u omhoog tot Hem, door wiens gratie gij u Koning noemdet, die eenmaal, in den grooten dag der verantwoording van koningen en volken, u gratie verleenen moge, Koning der Nederlanden,Willem de Eerste!Waar ben ik? Geheel en al van mijn onderwerp afgedwaald, naar ik zie. Want het was nietWillem I, dien ik heden aanschouwen zou, maarWillem II; de nieuwe Koning, met wien Nederland een nieuw tijdperk is ingetreden. En toch, laten wij het niet verbloemen, niet zoo nieuw, of het draagt de litteekenen van het oude; niet zoo nieuw, of zijn eerste taak is om de wonden te heelen, die het uit het oude heeft meegebracht. Laten wij het erkennen: zelden aanvaardde een vorst onder ongunstiger omstandigheden de kroon van een vrij volk, dan de eerste der Nederlandsche Kroonprinsen. Het was eene zware kroon, die kroon, die van het grijze hoofd vanWillem Iop den heldenschedel van zijn zoon nederdaalde. En wel mag u die kroon veel zwaarder gevallen zijn, mijn Vorst, en veel zwaarder de schepter, dien gij uit zijne hand overnaamt, dan de gevederde veldheershoed en de omlauwerde maarschalksstaf, dien gij zoo licht en vroolijk droegt. Wel mag het u veel moeielijker zijn gebleken, een volk te bestieren, dat van zijn Vorst zoo veel te eischen heeft, en zoo licht te veel eischen[192]kan, dan het u was, uwe dapperen aan te voeren, die zoo gehoorzaam aan uw lippen hingen, zoo gedwee op uw wenken vlogen, en naar krijgsmanswijs geen wil kenden, dan den uwe! Wel maghetu eens veel gemakkelijker hebben toegeschenen, toen gij, na dagen van mistrouwen en onzekerheid, onder geen al te gunstige verwachting den veldheersstaf opnaamt, in weinige dagen de weifelende gunst des volks, als ware het met een slag van het zwaard, te heroveren, dan nu aan al de gunstige verwachtingen te voldoen, die geboren werden, toen gij, in de Nieuwe Kerk der hoofdstad, de rechterhand ophieft, en met de linker op de grondwet zwoert: „Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!”—Willem II, Koning der Nederlanden! Hebt gij aan die verwachtingen voldaan?—De vraag is stout: het antwoord zou nog stouter zijn. Het verleden heeft ons wijs gemaakt: wij hebben geleerd, hoe voorbarig het is, vorsten goed of kwaad te spreken, eer de toekomst, die de mond is der Voorzienigheid, ons wèl of wee bevestigd heeft. Zooveel mogen wij zeggen, dat wij van u het goede verwachten, omdat wij zeker zijn, dat gij het goede bedoelt. „Ik heb slechts één hartstocht, dien van bij mijn volk bemind te zijn!” Dat woord van uwe lippen, uit de binnenkameren uws paleizes tot het oor van den schrijver dezer regelen doorgedrongen, heeft geloof gevonden in zijn hart, en wie het met hem gelooft, ziet de toekomst met vertrouwen te gemoet. En eigenlijk steunt dat vertrouwen niet eens op dit, of op eenig ander menschenwoord, maar op het woord van den God van Nederland:—zoo noemen wij, zonder erg of trots, de Hemelmacht, die zich van ouds af aan Nederland in onderscheidende liefde en gunst heeft geopenbaard;—den God van Nederland, die belooft, dat hij niet varen laat de werken zijner handen. Want zie! indien daar iets het werk zijner handen is, het is het land, dat hij tot een land gemaakt heeft, Nederland! het is het land, dat hij als het ware tweemaal geschapen heeft, daar hij het, even als eenmaal geheel de aarde, later op nieuw uit de wateren heeft opgetogen en bewoonbaar gemaakt. Het is het land, door hem langs allerlei wonderbare wegen en leiding uit eene aanslibbing van rivieren en zeeën, gelijk een keizerlijke mond verachtend sprak, tot de meesteres van rivieren en zeeën verheven. Het is het land, door hem onder de vleugelen van allerlei vorsten, koningen en keizers gekoesterd, totdat het sterk genoeg geworden was om op eigen wieken te drijven. Het is het land, straks van de ketenen bevrijd, waarmede zijne voedsterheeren het in zijne vlucht zochten te weêrhouden: bevrijd, dat wil zeggen, vrijgevochten, opdat het zijne krachten beproeven mocht en oefenen, en even goed en vroom worden, als sterk en groot. Het is het land, met deNassau’sgezegend, met Hem aan het hoofd, op wien keizerKarelleunde, toen hij deze gewesten aanPhilipsoverdroeg, weinig vermoedende, dat de arm, die hem nu steunde, zich eens zou uitstrekken om deze gewesten met zijn zwaard tegen Spanje te dekken. Het is het land, met schaarsche en schuinsche stralen door de geschapen zon belonkt, maar met den helderen[193]warmsten gloed van het ongeschapen licht bestraald. Het is het land, tot op dezen dag, ondanks Engelands naijver, ondanks Frankrijks veroveringszucht, en wat meer zegt, ondanks eigen dwaasheid en schuld, in stand gehouden, ten levenden gedenksteen van de macht en trouw van Hem, die Nederland tot zijnen Verbonds-God koos, toen het op zijne munten aan het beeld der vrijheid Gods woord ten steun gaf, met de spreuk: „Hac nitimur, hanc tuemur”: op dien God, de leus onzer vendelen en stempelen, bouw ik, en al wat in Nederland Gode geeft wat Godes is zijn vertrouwen voor Nederlands toekomst. Ach, ware het slechts, dat het volk.… maar neen, hier geen klaaglied, schoon het er misschien de plaats voor ware: want het is heden een blijde dag! De Koning komt! de koning, ons door den Koning der koningen geschonken om het werktuig Zijns welbehagens over ons te zijn. LeveWillem II! Hoezee!LeveWillem II! Hoezee! Zoo klonk het gejuich, dat in de verte opging.De koning kwam.Ik haastte mij om hem te gemoet te gaan. Al de dorpelingen liepen toe. Daar was hij! Lache er om wie wil, ik gevoelde mij bij zijn aanblik getroffen. O, de liefde voorOranjeis bij den waren Nederlander nog iets meer dan een woord. Wie de geschiedenis des Vaderlands gelezen heeft,—bijBilderdijkofWagenaar, het doet er niet toe,—wie haar gelezen heeft en gezien, hoe de dynastie vanOranjeals eene ader van leven, welvaart en bloei door die geschiedenis henen stroomt, zegenende als zij vloeit, dorheid nalatende als zij opdroogt of afgeleid wordt, en wederom zegen met zich voerende als zij terugkeert,—en daarin het beeld van Hem, die ons haar schonk en wien zij ons vertegenwoordigt,—die vraagt niet aan een ander, of het verstandig, of het constitutioneel, of het negentiendeneeuwsch is, den zoon derOranjestegen te juichen. Het is, gelijk een onzer Dichters het treffend genoemd heeft, het is de stem van het bloed in ’s lands kinderen, dat ’s lands Vader tegenroept. Laat anderen er tegen verhandelen, eer ik er over gedacht had, had mijn bloed zijn loop tweemalen versneld, mijn hart twee slagen in één geklopt, mijn hand den hoed wuivend in de hoogte geheven, en riep mijn mond met de menigte mede: „LeveWillem II! Hoezee!”EnWillem II? Hij was ouder geworden. Zijne edele gestalte was meer gebogen, dan toen ik haar voor de muren van Leuven onder de lauweren der overwinning aanschouwde; de verloopen jaren hadden hun strijd en hun leed in rimpelen op zijn voorhoofd aangeschreven. Maar nog altijd zweefde over zijn voorkomen de adel van eenen Vorst; nog altijd drukte zijn gelaat de gelijkenis van eenOranjeuit; nog altijd zweefde om zijne lippen de vriendelijke glimlach van een geslacht, welks gemeenzaamheid dieper grond heeft dan de populariteit van een burgerkoning. Ik herhaal u niet, wat bij de begroeting van den Vorst voorviel: het ontleende zijne grootste belangrijkheid van de gezindheid der aanwezigen, van het jubelend hart der menigte en den dankbaren blik van den Koning. En toch was het, alsof de Vorst op mijne gepeinzen[194]antwoordde, toen hij na de opgeruimde herinnering aan den veldtocht, dien het gezicht van het metalen kruis hem voor den geest riep, op eens, als schoot er eene wolk voor dat licht, op veelbeteekenenden toon uitviel: „Wat is dat lang geleden!”—Lang geleden, had ik willen zeggen, lang geleden, mijn Vorst! maar niet zoo lang, of nog klopt bij die herinnering uwen ouden wapenbroeder het hart; lang geleden, maar niet zoo lang, of nog heeft de liefde van velen hunner de moeielijke jaren overleefd, die tusschen dien en dezen derden Augustus in liggen; lang geleden, maar moge het nog lang en zeer lang zijn, eer de gedachtenis daaraan ophoudt uw koninklijk hart te doen kloppen! LeveWillem II!—maar eerbied, en misschien ook nog eene andere gewaarwording, sloot den mond. Nog eenige woorden van hulde en trouw van de eene zijde, van dankzegging en welbehagen van de andere—en daar reed hij heen. DeKoning was gekomen. Daar reed hij heen, en liet ons na? Eenige vervallen bogen en kransen, eenige verlepte en verdorde bloemen en blâren, eenige woorden met den wind weggewaaid, eenige kreten in de lucht verstorven!—Neen, wie zoo spreken mag, ik niet. Daar reed hij heen, zeg ik, en liet ons na: de herinnering eener liefelijke en wel-aangename verschijning, de verlevendiging van het beeld eens Vorsten, aan wiens aanblik zich de schoonste vaderlandsche herinneringen van het levend geslacht verbinden; de verwarming onzer liefde voor denKoning, dien niemand,wien Neêrlandsch bloed door de aadren vloeit, met het schoone lied van onzen Volksdichter, van hetVaderlandvermag te scheiden; de aanvuring onzer dagelijksche gebeden, voor hem op te zenden; en eindelijk de gedachtenis onzer eenvoudige en onschuldige vreugde, en onzer vreugde vóór en ná die vreugde, die mij nu nog het hart warm maakt, terwijl ik deze regelen schrijve. O, wie nooit de waarde eener herinnering geschat heeft, dan voor zoo ver die zich op de hand liet wegen, roeme niet iets in de linkerborst te dragen, dat een hart heet.Daar reed hij heen! Onze juichtoonen, onze vivats, onze gelukwenschen volgden hem. „Vaarwel, o Koning!” riep ik hem in mijn geest achterna. „Vaarwel! Voleindig uw zege- en liefdetocht door de gewesten van uw goed en getrouw volk in zege en liefde! Wandel op de bloemen, die de burgerij, door de hand der onschuldigsten en lieftalligsten uit haar midden, u voor de voeten strooit! En wanneer gij in uw verheven woning teruggekeerd zijt, en daar de koningszorg u met vernieuwde zwaarte op de schouders valt, moge dan de geur dier bloemen u als eene herinnering omzweven, en u eenige vergoeding schenken voor de doornen, die op het hooge pad der koningen gezaaid zijn!”—Wèl den vorst, wiens pad een dorenpad is! Het pad zijns volks is een pad van bloemen! En ook hem bereidt hooger hand uit die doornen een kroon, schooner dan de keizerskroon van het Heilige Roomsche rijk! LeveWillem II!Zoo sprak ik; maar weinig dacht ik, dat mijn wensch reeds zoo[195]spoedig verhoord zou worden; want terwijl ik deze regelen nederschrijf, geniet alreeds onze Koning een van die blijde dagen, die de zorgen der vorsten helpen vergoeden. Juist heden kondigt mijn geliefde Haarlemmer op aanstaanden Zaterdag de voltrekking van het hooge huwelijk tusschenKarel Alexander Augustus Johannes, Erf-Groothertog van Saxen-Weimar, enWilhelmina Maria Sophia Louisa, Prinses der Nederlanden aan. Saxen-Weimar en Nederland—de vereeniging dier namen klinkt niet vreemd, vooral niet in het oor van een oud soldaat, die ze eenmaal op het veld van eer door dezelfde glorie omschitterd zag, toen de ridderlijke Hertog, die de hoogmoed en de wellust van ons leger is, de sleutels van Leuven voor den voet van zijn koninklijken krijgsbroeder nederleide:Willem van OranjeenBernhard vanSaxen-Weimar, een Vorst zulk een Veldheer, een Veldheer zulk een Vorst, twee vrienden elkander waard!—Maar nog liefelijker dan deze vereeniging is de vereeniging van jeugdigen Vorstenadel en bloeiende Vorstinnenschoonheid, waarvan die echt den knoop legt. Duitschland, sedert het ons zijnenNassauschonk, pleegt sedert lang ons zijne Vorstendochters voor de onze uit te wisselen. Eene schoone ruiling, waaraan wij ook uw bezit te danken hebben gehad,Wilhelminade Gezegende!—Nu zendt het ons weder een edelen Duitschen jongeling, gelijk de faam hem prijst, om van de verhevenePaulownahet evenbeeld der moederlijke deugden tot deelgenoot van zijn voorvaderlijken troon te vragen. Nederland geeft niet alleen door den mond zijner vertegenwoordigers, maar ook met zijn hart, zijne goedkeuring en zegen tot dien echt, en deelt in uwe blijdschap, VaderWillemen MoederAnna!—O, wat zorgen en smarten het koninklijk paleis omsluite, het omsluit toch ook eene vreugde, die het met alle lagere daken gemeen heeft: de hoogste, de reinste, de zoetste vreugde, naar men mij zegt: vader- en moedervreugde. Vader- en moedervreugde! door den Vader der menschen aan de eerste menschen geschonken, als de vergoeding voor hun verloren paradijs, en sedert de vergoeding voor de verloren paradijzen van alle Adamskinderen. Gewis, er wordt veel leeds verborgen onder ieder gewaad, van het met hermelijn bekleede purper af tot aan het met lompen bedekte bedelkleed toe: maar onder alle soort van gewaad kloppen ouderharten, en met dat ouderhart is de arme zoo rijk als de koning, en de koning zoo rijk als de arme, die het gelukshemd uit de fabel draagt. Ik heb vroeger het lot derGekroonde Vrouwenbetreurd, en bij het graf vanWilhelminahet lijden der hoven geschetst: maar nu, bijSophia’sbruidskrans wil ik het geluk verheffen van de Vrouw, die in de huiselijke schaduw van een aartsvaderlijk hof, onder het oog van liefhebbende ouders, aan de hand van den erfgenaam eener kroon, die te klein van omvang is om zeer zwaar te zijn, de bruidskroon op het maagdelijk hoofd ontvangt. Daarom, al is het, dat mij, den nederigsten van Zijner Majesteits onderdanen, die geen lid van eenige orde ben, dan die der zestigduizenden van Hasselt, de toegang tot de[196]feestzaal ontzegd is, en dat ik mijn oog aan het gezicht van het bevallig bruidspaar niet verklaren zal, zoo wil ik toch met mijn onfeilbarenlooperde hooge deuren voor mij ontsluiten, om getuige van de feestvreugde te zijn: ik bedoel mijne Verbeelding, die met vleêrmuisvleugelen over de hoofden van schildwachten en kamerdienaars en kamerheeren-ceremoniemeesters heenvliegt! Ik wil mij te half één uren bij het schouwspel vertegenwoordigen, als de hand der Czarendochter en Vorstinnenmoeder de kroon op het hoofd der bloeiende bruid plaatst. Ik wil mij onder het gehoor verplaatsen van den welsprekenden man, die, zelf een vorst onder de redenaars, met bewonderenswaardige kunst de wijsheid des Hemels in de taal der hoven kleedt, en bij iedere koninklijke vreugde en bij iedere koninklijke smart, als vertegenwoordiger van der Koningen Heer, het heiligend kruis op de omfloerste of omkranste kroon plaatst. En als eindelijk de honderd en één kanonschoten het Amen op de voltrekking des huwelijks verkonden, zal ik met een glas ouden madera, die ik voor zulke gelegenheden bewaar, een hartelijken feestdronk instellen, en wie zijn koning lief heeft, drinke mede: Leve het Vorstelijke paar! Leve het Koninklijk Gezin! Leve de Koning![197]

DE KONING KOMT.(3 Augustus 1842.)

De Koning komt! Zie, dien man reik ik als burger de broederhand niet, wien bij deze tijding het hart niet een paar slagen sneller klopt dan te voren. Trouwens, ik voor mij geloof niet, dat er veel zulke harten zijn. De eerbied voor het koningschap is in ons, onderdanen van den Koning der koningen, van wiens Majesteit het koningschap in iederen vorm slechts een afschaduwing is, iets natuurlijks,—iets instinktmatigs, had ik haast gezegd. De hermelijnen mantel moet wel in eene wolfshuid, de gouden kroon in een ijzeren, en de schepter in een dorenstaf veranderd zijn, eer die eerbied voor de verachting en afkeer plaats maakt, die het wettig loon van tirannen is.Er bestaat buiten dit geweldig, misschien nog een zachter kunstmiddel om dit gevoel ten onder te brengen; het is de theorie, die in de vorige eeuw doorMaratenRobespierregeleerd, en door hen met proeven opLodewijk XVIenMaria Antoinettebloediger gedachtenisse gestaafd is. In die school, waarin men begint met den Koning des hemels te onttroonen, en Hem alle gezag en invloed op de verheffing van de koningen der aarde te ontnemen, komt men, langs een zeer natuurlijken weg van gevolgen, tot de leer, dat een koning eigenlijk geen koning is, maar een onderdaan; een onderdaan zijner onderdanen; een knecht der knechten, wiens eigenlijke plaats aan de punt van den staart des volks is; ten gevolge waarvan dan ook, met de strengste consequentie, in de gouden eeuw dier theorie, de geheele maatschappelijke ladder onderst boven gezet en op haar hoofd geplaatst werd, zoodat de koning achter den adel, de adel achter den middelstand, de middelstand achter het gemeen, en het gemeen van het gemeen op den zetel geraakte, die de guillotine tot voetstuk had. Die koorts is sedert, den Hemel zij dank! na vele aderlatingen en een gestreng dieet, onder de homoeöpathische behandeling van den Korsikaanschen Wonderdokter, wel gelukkig afgegaan: maar er is toch in het groote lichaam nog zekere koortsachtige neiging overgebleven,[186]die bij de minste irritatie met eene wederinstorting bedreigt. En het zijn deze heimelijke sluipkoortsjes, die zich hier en daar openbaren in de Jakobijnsche manier, waarop men de vorsten weêr begint te beschouwen en te behandelen. Eene wijze van beschouwing, die dan ook onder anderen aan den dag komt in de bekoorlijke nonchalance, waarmede de ultra-constitutioneele wijsgeer het bericht ontvangt, dat „de Koning komt.” Merk op, hoe hij bij die aankondiging den hals in den nek werpt, u met een spotachtig lachje aanziet, en een gezicht zet, zoo onverschillig, dat het bijkans veelbeteekenend wordt van onverschilligheid, waarop dan voor ieder die het zien wil te lezen staat, dat hem het heele bericht niet meer aangaat, dan of de haan van zijn buurman op zijn erf gekomen was, wiens roode kam en vurige sporen in zijn oog evenveel waard zijn als de erfelijke koningskroon en de verworven riddersporen van alle Majesteiten der wereld. Maar zoo als ik zeide, die wijsheid is geen natuurlijke, maar eene verkregene en aangeleerde, die in plaats van uit het hart naar het hoofd te komen, met kunst- en vliegwerk uit het hoofd naar het hart gepompt is, en daaraan niet zonder tegenstand opgedrongen. Het spreekt dus van zelf, dat eenvoudige menschen, als waaronder ik hier buiten verkeer, daarvan niets verstaan, en alzoo nog omtrent hetzelfde voelen, wat onderdanen van ouds af voor koningen van ouds af gevoeld hebben, te weten: achting voor het koningschap, eerbied voor de koninklijke waardigheid, en, als hij haar niet moedwillig verbeurt, liefde voor den persoon des konings.Dat bleek bij ons op een treffende wijze, nadat wij eindelijk het zeker bericht ontvangen hadden: de Koning komt!—Van dat oogenblik af klopte aller hart en glinsterde aller gelaat van vroolijke verwachting. Men sprak elkander niet, zonder van het heugelijk nieuws te gewagen. Ieder maakte aanstalten om den vorst op de feestelijkste wijze te ontvangen. De arme bosschen moesten twee maanden te vroeg hun groen afstaan, Ommeêdoogend hakten mes en schaar in sparren- en eikenboomen. Bloemen en wat naar bloemen geleek werd zonder deernis afgeplukt. De lijsterbessen verloren er al hare trossen bij; want lijsterbessen tusschen eikenbladeren, wat kan men schooner hebben? Er bleef geen besje over om meê te lijsteren: van daar zeker, dat ik dit jaar nog geen lijster geproefd heb.—Nu aan het kransenmaken: de een al zwieriger dan de andere. Men durfde in al die dagen niemand de hand geven van den boomharst, die er aan kleefde van al detaxies, gelijk men bij ons de sparren verkiest te noemen. Ik heb er gezien, vijftig voet lang, waarin de bloemen met zulk eene mathematische evenredigheid waren verdeeld, even als de ringen op eene slangenhuid, dat ik den vervaardiger verdenk van er den duimstok bij gebruikt tehebben. En vlaggen? Die konden, ontboden zevanelders; wien dit te kostbaar was, maakte ze zelf van gekleurd papier, oranje, blanje, bleu, vast aaneengeplakt, zoodat ze bij ieder tochtje rinkelden als het klatergoud in eene haringkroon. De ijverigsten richtten bogen[187]op met eene kroon er in, want dat is boerenstijl: zonder kroon geen bruiloft: bruiloft is het feest der feesten; dus geen feest zonder kroon. En tusschen de kroonen opschriften op een half vel papier, beschreven door den ondermeester van het dorp, in alle soorten van letterformaat, groot, middelslag en klein, met lettertrekken er rondom, die de Koning van zijn rijtuig moet kunnen zien! Zoo waren dagen achtereen aller handen—en dat zegt hier, aller harten—met des Vorsten komst bezig. Toen ik in den avond vóór den grooten dag in het donker te huis kwam, zag ik hier en daar nog een enkel dwaallicht zweven; eene kaars of lantaren van den een of anderen dorpeling, die, eer hij ging slapen, zich het genot nog eens gunnen moest om het door hem gebouwde Babel met zijne hangende tuinen te bewonderen, en te zien, welk effect zijne decoratie bij donker voor uilen en bietebauwen maakte.Onder zulke tooneelen en onder zulke menschen werd ik den anderen morgen wakker. Was het wonder, dat het mijne eerste gedachte bij het ontwaken was: deKoningkomt?—Ook ik had mijne stulp op het zwierigst en tierigst opgetooid. Een keurigetaxies-krans slingerde zich als eene reusachtige slang, met schilderachtige en veelkleurige bochten, van den ijzeren arm aan het dakvenster, langs het geheele huis, tot op den grond naar beneden.Edithahad er hare kleine handen met honderd „eerlijke wonden” aan bezeerd, en er een extraknikje van Z. M. aan verdiend. Daarboven ontrolde zich van een fraai geschilderden en vergulden vlaggestok een vlag, eene vlag veel te lang voor mijne lage stulp, en daarom nog verscheidene ellen vluchts gekort, die een mijner vrienden mij uit Amsterdam, van ik weet niet welk aanzienlijk college bezorgd had. Maar wat nog meer zegt, mijn hart vlagde met een langen wimpel van vroolijkheid en geestdrift, die door het minste windje hoog omhoog gevoerd werd. In die stemming kon ik het niet lang binnen uithouden. Nadat ik dus mijn feestpak had aangetrokken, trad ik naar buiten, om nu het geheel der versiering nog eens op te nemen. Het was een schoon gezicht! Overal waren de menschen bezig om het mooie nog mooier te maken, door eene gele dalia, die tegenover een witte zat, met eene dito te vervangen, een oranjelintje, dat losgeraakt was, vast te strikken, en dergelijke gewichtige verbeteringen meer. Ik sprak nu met den een, dan met den ander, en zeide elk op zijne beurt iets vleiends over zijn goeden smaak, die in deze of gene bijzonderheid vooral schitterend aan den dag kwam. Daaronder glommen de gezichten van zelfbehagen, en klom de geestdrift al hooger en hooger. Intusschen renden de rijtuigen met menschen beladen als in wedloop naar de stad, om daar getuige van den Intocht te zijn; en ieder blik van opmerkzaamheid en goedkeuring, naar de bogen en kransen geworpen, werd met gretigheid opgevangen en door een glinsterend oog weêrspiegeld.Onder zulke waarnemingen, die mijn hart vervulden met dankbaarheid aan God, die zijne menschenkinderen zooveel onschuldige vreugde[188]schenkt en gunt, en het in liefde tot mijn dorpsgenooten, mijn volk, mijn land, mijn koning, tot alle menschen, verwijdde, wandelde ik den weg vóór mijn huis op en neder. Zoo dwaalde ik langzaam af, totdat ik mij geheel buiten de kom van het dorp in de eenzaamheid bevond. Deze was mij nu niet onaangenaam: er was in de vreugde van mijn hart ook iets, dat zich liever niet voor anderen uitstortte; en gelijk ik altijd tracht mij reden van mijne gewaarwordingen te geven, zoo poogde ik dat ook nu te doen. Zoo kwam ik op de aanleiding van het feest: de Koning komt. Altijd zou mij die komst belangrijk en aangenaam geweest zijn, maar heden bovenal.Het was de derde Augustus. De derde Augustus, gedenkwaardige en roemrijke dag in de jaarboeken van ons vaderland, inzonderheid voor ons geslacht. Op dien dag was het, dat voor elf jarenWillem, Prins van Oranje, op last van den Koning zijn vader, aan het hoofd van een getrouw leger, den eersten voet op Belgischen bodem zette. Die geheele veldtocht met al wat hem was voorafgegaan en gevolgd, verrees op eenmaal voor mijn geest. En als de hoofdpersoon op die schilderij,—hoe kon het anders?—hij, die toenmaals Prins van Oranje genaamd werd. Zie! wat ik bij die herinnering gevoelde, kan niemand beseffen dan hij, die met mij de wapens in dien veldtocht droeg. WieWillem IIniet als veldheer gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien. Niemand verdenke dezen uitroep van grootspraak: ik beroep mij met vrijmoedigheid op de bezadigdsten onder mijne wapenbroeders. Kon ik er u een denkbeeld van geven! Maar hij laat zich niet beschrijven, de aanblik van den vorstelijken Held, gelijk hij zich aan het hoofd zijner dapperen vertoonde. Nog zie ik hem met het aanbreken van den dag tot ons komen, op het schoone ros gezeten, dat zijn meester niet lang meer dragen zou, maar bij zijne verminking vóór Leuven hem een dier schoone woorden in den mond geven, die de geschiedenis van de lippen der dapperen opzamelt, om er het nageslacht mede te ontvonken. Nog zie ik hem, met den lagen hoed en de vallende pluim op het hoofd, die door den bijzonderen en bij den vijand bekenden vorm wel den kogels den weg wees, die op zijne edele borst gericht werden, maar tevens, als de beroemde pluim vanHendrikden Vierde, den zijnen tot wegwijzer op den weg der eer verstrekte. Nog zie ik hem met het prachtige zwaard aan de zijde, door de hand der Keizersdochter aan de heup van den vorstelijken echtgenoot gegord, opdat hij het haar, gelijk hij ook gedaan heeft! smetteloos, maar met frissche lauweren omsnoerd, terugbrengen en voor de voeten leggen mocht. Maar vooral nog zie ik hem met die rustige houding, die rust inboezemde ook aan de bekommerdste, moed aan de versaagdste gemoederen, met dien helderen oogopslag, die van de vroolijkste geestdrift glinsterde, en met die geheel onbeschrijfelijke uitdrukking van strijdlust, die mij aan het krijgsros van Hiob denken deed: „Heerlijk dampt zijn gesnuif! Met zijn hoef graaft hij den grond op, en dartel in zijn overmoed, gaat hij het wapentuig te gemoet. Hij lacht met de vrees, en ontzet zich niet en deinst[189]niet terug voor het zwaard. Rondom hem ratelt de pijlkoker, de bliksem van spies en lans. Onrustig trappelt hij den grond, en kan niet stilstaan op ’t geluid der trompet. Luider klinkt de trompet, hij briescht haar tegen, en riekt den strijd van verre; des veldheers donderwoord en ’t krijgsgeschrei!” Nog zie ik hem, zoo als deze verschijning telkens bij zijne komst een luid hoezee uit den mond zijner getrouwen deed opgaan, waaraan hij door een wenk met de hand zedig, maar te vergeefs, het zwijgen zocht op te leggen.Ja, ik herhaal nog eens: wieWillem IIniet als Veldheer en in het veld gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien.—En in die gestalte trad zijn beeld heden met de levendigste kleuren voor mijn geest. Anderen zouden hunnen Koning aanschouwen—maar ik zou mijn ouden Veldheer zien; mijn Veldheer! wiens vaan ik gevolgd, wiens wachtwoord ik gesproken, wiens „Voorwaarts!” ik gehoorzaamd heb; mijn Veldheer, die mij in den strijd en uit den strijd geleid heeft, en aan wien ik het, onder God, te danken heb, dat ik op het veld van eer mijn jong leven niet gelaten, maar daaruit een luttel schoone herinneringen voor mijn ouden dag medegebracht heb; mijn Veldheer, van wiens lauweren een zedige schaduw op mijn hoofd was afgedaald! Hoog klopte mijn hart onder het gedenkkruis, dat ter eere van den dag mijn knoopsgat versierde; het kruis van metaal, dat de hand van den Vorst ten aandenken aan hem en den onder hem gevoerden strijd op mijne borst hechtte, terwijl hij het wederkeerig als een aandenken aan mij en aan al de overigen, die met mij zijn vederbos gevolgd waren, op zijn eigen boezem hing. Hem zou ik wederzien, na elf jaren scheidens; wederzien, nu niet meer als Veldheer, maar als het Hoofd des geheelen volks, maar als Koning. „LeveWillem II!” riep ik, en zou mijn hoed wel in lucht hebben kunnen gooien. „LeveWillemII”; de oude Prins van Oranje, gelijk hem het vaderlandsch hart nog zoo gaarne noemt! LeveWillem II, de Held van Hasselt en Leuven! LeveWillem II, voorheen mijn Veldmaarschalk en opperbevelhebber, en nu mijn Koning en Heer!”Zoo juichende verdiepte ik mij al meer en meer in het verledene. Was het wonder, dat uit die diepte allengskens ook somberder beelden voor mijnen geest verrezen? Ja, het was, als had ik door dien eenen blik in de wereld, die achter mij lag, die geheele wereld voor mij geopend, en als moest ik daarin nog eens op al mijne schreden teruggaan. Al wat sedert dien blijden derden Augustus tot op dezen derden Augustusdag gebeurd was, kwam mij achtereenvolgens voor de verbeelding. Eerst de verstoring van onze heirvaart naar Brussel, door de wapenen van den (nu ook reeds zoo jammerlijk ten grave gesleepten) HertogVan Orleans, als schild van het bedreigde België, vreedzaam, maar ernstig gestuit. Vervolgens de terugkeering op den weg der onderhandeling, den hier wel langen weg! Van daar het noodlottig stelsel der volharding, geboren uit dien eigen geest van standvastigheid, die bij alle groote mannen, en zoo ook bijWillem I, het snoer om[190]den bundel hunner deugden en de moeder aller groote daden is, maar die, even als elke andere deugd, in het gevaar vanVERharding hare eigenaardige schaduw met zich voert! Het stelsel der volharding, na de aftreding van diens Hoofd, met onedelmoedige partijdigheid, door al de vroegere voorstanders alleen aan hem geweten en op hem gewroken, alsof het ook niet jaren lang het stelsel des geheelen volks—met schaarsche uitzondering!—geweest ware, zelfs toen de rookende puinen der citadel en het lauwe bloed der vestinghelden er tegen scheen te roepen! Het stelsel der volharding, eene dwaling misschien vanWillem Ien zijn volk, maar altoos eene Nederlandsche dwaling; de dwaling van een volk, welks taaie standvastigheid de grondslag van het gebouw hunner grootheid werd, dat daarop rust, als zijne hoofdstad op hare palen; de dwaling van een volk, dat de schoone dwaasheid had van niet van zijn tijd te wezen, dat is, van in eene eeuw van diplomatie (men vergunne mij dit diplomatieke woord) nog aan eerlijkheid, aan goede trouw, aan de heiligheid van een eed, in den naam der Heilige Drieëenheid gezworen, te gelooven; de dwaling van een volk, welks leuze het was van ouds af, om liever den vaderlandschen grond terug te geven aan de baren, waaraan dijken en dammen het ontwoekerd hadden, dan van vreemde oogen de wet te wachten. Welnu! Nederland, die voorvaderlijke leus getrouw, heeft pal gestaan; het heeft het hoofd geboden aan koninklijke en keizerlijke willekeur, die geen hooger recht erkenden, dan dat van het voltrokken feit; het heeft pal gestaan voor zijn recht, toen het voorwerp des geschils lang opgehouden had een voorwerp van begeerte te zijn; het heeft pal gestaan voor zijn Vorst, wiens dwaling het uit liefde deelde, toen andere volken, uit oproerigen haat, op de goede daden hunner vorsten spuwden; het heeft pal gestaan, gelijk een groot volk doet, als het eens den Rubicon overschreden heeft, met opoffering van alles wat een volk dierbaars en kostbaars heeft; het heeft, in een oneigenlijken zin, zijne dammen doorgestoken, en zijn grond aan de wateren prijs gegeven. Nu ligt het daar, het is zoo, half overspoeld en bedolven, en door den stroom doorweekt; het ligt daar onder eene zee van schuld begraven, waaronder het graan van ’s lands welvaart in den akker verkwijnt; het ligt daar, als zijn zinnebeeld op de Zeeuwsche munt, met het onderschrift:Luctor et emergo. Maar het ligt daar, als dieZeeuwscheleeuw, door het water omgeven, maar door het water niet overwonnen. Het kan zonder zelfverwijt op zijne overstroomde gronden zien: en zeggen: „Mijn vijand was sterker, maar niet beter dan ik!”En daarom, mannen broeders! geen onedelmoedig Wee over het hoofd van den Man, die in deze, als in alle lotwisselingen, sedert meer dan vijfentwintig jaar aan ons hoofd stond, ons vertegenwoordigde, en trouw alle goed en alle kwaad, alle verhooging en alle vernedering, alle verdienste en alle schuld met ons heeft gedeeld! Geen Wee over het hoofd van den Man, die, misschien! naar verhevener bedoeling, in onze oogen van de hoogte vallen moest, waarop onze armen hem verheven[191]hadden, om ons te doen zien, hoe dwaas onze vroegere menschenvergoding was, en hoe kwaad! Geen Wee over het hoofd van den Man, die de schuld, indien er schuld was, boette met het roer van het schip te verlaten, dat hij niet voor alle klippen had vermogen te beschermen! Geen Wee over het hoofd van den Man, die van vijfentwintig jaren leeds, om onzer vaderen schuld geleden, en van vijfentwintig jaren arbeids, aan hunner kinderen heil besteed, de verlangde rust zoekt in eene vrijwillige ballingschap, en wien wij niet te hard mogen vallen, omdat hij die gezocht heeft bij vreemden, nadat wij maar al te duidelijk getoond hebben, dat hij die in de armen der zijnen te vergeefs zou hebben gezocht! Geen Wee over ’t hoofd van den Man, die, in den strijd en de dienst voor ons land vergrijsd, en van den troon afgestegen, niets van ons vraagt dan een weinig aandenken voor het goede, dat hij gedaan heeft, een weinig vergetelheid voor het kwaad, dat hij tegen zijn wil mocht gedaan hebben, en een weinig liefde voor het goede, dat hij heeft willen doen!Neen! de goeden en edelen in den lande spreken over u geen Wee,Willem I, Stam- en naamgenoot van den Vader des Vaderlands, voor wien wij bezig zijn een gedenkteeken onzer hulde en liefde te stichten. Rondom uwe asch vergaderd,—want immers zijt gij als Koning voor ons gestorven?—rondom uwe asch vergaderd, als eenmaal Egypte rondom de asch zijner koningen, wagen zij het niet, daarover vloek te spreken, gedachtig aan uwe, en aan hunne eigene, menschelijke zwak- en gebrekkigheid. Ja, met herinnering daaraan spreken zij, voor hunne menschelijke vierschaar, u vrij, en laten uwe asch de eere der gestorvenen wedervaren! Wat meer is, hun bede rijst voor u omhoog tot Hem, door wiens gratie gij u Koning noemdet, die eenmaal, in den grooten dag der verantwoording van koningen en volken, u gratie verleenen moge, Koning der Nederlanden,Willem de Eerste!Waar ben ik? Geheel en al van mijn onderwerp afgedwaald, naar ik zie. Want het was nietWillem I, dien ik heden aanschouwen zou, maarWillem II; de nieuwe Koning, met wien Nederland een nieuw tijdperk is ingetreden. En toch, laten wij het niet verbloemen, niet zoo nieuw, of het draagt de litteekenen van het oude; niet zoo nieuw, of zijn eerste taak is om de wonden te heelen, die het uit het oude heeft meegebracht. Laten wij het erkennen: zelden aanvaardde een vorst onder ongunstiger omstandigheden de kroon van een vrij volk, dan de eerste der Nederlandsche Kroonprinsen. Het was eene zware kroon, die kroon, die van het grijze hoofd vanWillem Iop den heldenschedel van zijn zoon nederdaalde. En wel mag u die kroon veel zwaarder gevallen zijn, mijn Vorst, en veel zwaarder de schepter, dien gij uit zijne hand overnaamt, dan de gevederde veldheershoed en de omlauwerde maarschalksstaf, dien gij zoo licht en vroolijk droegt. Wel mag het u veel moeielijker zijn gebleken, een volk te bestieren, dat van zijn Vorst zoo veel te eischen heeft, en zoo licht te veel eischen[192]kan, dan het u was, uwe dapperen aan te voeren, die zoo gehoorzaam aan uw lippen hingen, zoo gedwee op uw wenken vlogen, en naar krijgsmanswijs geen wil kenden, dan den uwe! Wel maghetu eens veel gemakkelijker hebben toegeschenen, toen gij, na dagen van mistrouwen en onzekerheid, onder geen al te gunstige verwachting den veldheersstaf opnaamt, in weinige dagen de weifelende gunst des volks, als ware het met een slag van het zwaard, te heroveren, dan nu aan al de gunstige verwachtingen te voldoen, die geboren werden, toen gij, in de Nieuwe Kerk der hoofdstad, de rechterhand ophieft, en met de linker op de grondwet zwoert: „Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!”—Willem II, Koning der Nederlanden! Hebt gij aan die verwachtingen voldaan?—De vraag is stout: het antwoord zou nog stouter zijn. Het verleden heeft ons wijs gemaakt: wij hebben geleerd, hoe voorbarig het is, vorsten goed of kwaad te spreken, eer de toekomst, die de mond is der Voorzienigheid, ons wèl of wee bevestigd heeft. Zooveel mogen wij zeggen, dat wij van u het goede verwachten, omdat wij zeker zijn, dat gij het goede bedoelt. „Ik heb slechts één hartstocht, dien van bij mijn volk bemind te zijn!” Dat woord van uwe lippen, uit de binnenkameren uws paleizes tot het oor van den schrijver dezer regelen doorgedrongen, heeft geloof gevonden in zijn hart, en wie het met hem gelooft, ziet de toekomst met vertrouwen te gemoet. En eigenlijk steunt dat vertrouwen niet eens op dit, of op eenig ander menschenwoord, maar op het woord van den God van Nederland:—zoo noemen wij, zonder erg of trots, de Hemelmacht, die zich van ouds af aan Nederland in onderscheidende liefde en gunst heeft geopenbaard;—den God van Nederland, die belooft, dat hij niet varen laat de werken zijner handen. Want zie! indien daar iets het werk zijner handen is, het is het land, dat hij tot een land gemaakt heeft, Nederland! het is het land, dat hij als het ware tweemaal geschapen heeft, daar hij het, even als eenmaal geheel de aarde, later op nieuw uit de wateren heeft opgetogen en bewoonbaar gemaakt. Het is het land, door hem langs allerlei wonderbare wegen en leiding uit eene aanslibbing van rivieren en zeeën, gelijk een keizerlijke mond verachtend sprak, tot de meesteres van rivieren en zeeën verheven. Het is het land, door hem onder de vleugelen van allerlei vorsten, koningen en keizers gekoesterd, totdat het sterk genoeg geworden was om op eigen wieken te drijven. Het is het land, straks van de ketenen bevrijd, waarmede zijne voedsterheeren het in zijne vlucht zochten te weêrhouden: bevrijd, dat wil zeggen, vrijgevochten, opdat het zijne krachten beproeven mocht en oefenen, en even goed en vroom worden, als sterk en groot. Het is het land, met deNassau’sgezegend, met Hem aan het hoofd, op wien keizerKarelleunde, toen hij deze gewesten aanPhilipsoverdroeg, weinig vermoedende, dat de arm, die hem nu steunde, zich eens zou uitstrekken om deze gewesten met zijn zwaard tegen Spanje te dekken. Het is het land, met schaarsche en schuinsche stralen door de geschapen zon belonkt, maar met den helderen[193]warmsten gloed van het ongeschapen licht bestraald. Het is het land, tot op dezen dag, ondanks Engelands naijver, ondanks Frankrijks veroveringszucht, en wat meer zegt, ondanks eigen dwaasheid en schuld, in stand gehouden, ten levenden gedenksteen van de macht en trouw van Hem, die Nederland tot zijnen Verbonds-God koos, toen het op zijne munten aan het beeld der vrijheid Gods woord ten steun gaf, met de spreuk: „Hac nitimur, hanc tuemur”: op dien God, de leus onzer vendelen en stempelen, bouw ik, en al wat in Nederland Gode geeft wat Godes is zijn vertrouwen voor Nederlands toekomst. Ach, ware het slechts, dat het volk.… maar neen, hier geen klaaglied, schoon het er misschien de plaats voor ware: want het is heden een blijde dag! De Koning komt! de koning, ons door den Koning der koningen geschonken om het werktuig Zijns welbehagens over ons te zijn. LeveWillem II! Hoezee!LeveWillem II! Hoezee! Zoo klonk het gejuich, dat in de verte opging.De koning kwam.Ik haastte mij om hem te gemoet te gaan. Al de dorpelingen liepen toe. Daar was hij! Lache er om wie wil, ik gevoelde mij bij zijn aanblik getroffen. O, de liefde voorOranjeis bij den waren Nederlander nog iets meer dan een woord. Wie de geschiedenis des Vaderlands gelezen heeft,—bijBilderdijkofWagenaar, het doet er niet toe,—wie haar gelezen heeft en gezien, hoe de dynastie vanOranjeals eene ader van leven, welvaart en bloei door die geschiedenis henen stroomt, zegenende als zij vloeit, dorheid nalatende als zij opdroogt of afgeleid wordt, en wederom zegen met zich voerende als zij terugkeert,—en daarin het beeld van Hem, die ons haar schonk en wien zij ons vertegenwoordigt,—die vraagt niet aan een ander, of het verstandig, of het constitutioneel, of het negentiendeneeuwsch is, den zoon derOranjestegen te juichen. Het is, gelijk een onzer Dichters het treffend genoemd heeft, het is de stem van het bloed in ’s lands kinderen, dat ’s lands Vader tegenroept. Laat anderen er tegen verhandelen, eer ik er over gedacht had, had mijn bloed zijn loop tweemalen versneld, mijn hart twee slagen in één geklopt, mijn hand den hoed wuivend in de hoogte geheven, en riep mijn mond met de menigte mede: „LeveWillem II! Hoezee!”EnWillem II? Hij was ouder geworden. Zijne edele gestalte was meer gebogen, dan toen ik haar voor de muren van Leuven onder de lauweren der overwinning aanschouwde; de verloopen jaren hadden hun strijd en hun leed in rimpelen op zijn voorhoofd aangeschreven. Maar nog altijd zweefde over zijn voorkomen de adel van eenen Vorst; nog altijd drukte zijn gelaat de gelijkenis van eenOranjeuit; nog altijd zweefde om zijne lippen de vriendelijke glimlach van een geslacht, welks gemeenzaamheid dieper grond heeft dan de populariteit van een burgerkoning. Ik herhaal u niet, wat bij de begroeting van den Vorst voorviel: het ontleende zijne grootste belangrijkheid van de gezindheid der aanwezigen, van het jubelend hart der menigte en den dankbaren blik van den Koning. En toch was het, alsof de Vorst op mijne gepeinzen[194]antwoordde, toen hij na de opgeruimde herinnering aan den veldtocht, dien het gezicht van het metalen kruis hem voor den geest riep, op eens, als schoot er eene wolk voor dat licht, op veelbeteekenenden toon uitviel: „Wat is dat lang geleden!”—Lang geleden, had ik willen zeggen, lang geleden, mijn Vorst! maar niet zoo lang, of nog klopt bij die herinnering uwen ouden wapenbroeder het hart; lang geleden, maar niet zoo lang, of nog heeft de liefde van velen hunner de moeielijke jaren overleefd, die tusschen dien en dezen derden Augustus in liggen; lang geleden, maar moge het nog lang en zeer lang zijn, eer de gedachtenis daaraan ophoudt uw koninklijk hart te doen kloppen! LeveWillem II!—maar eerbied, en misschien ook nog eene andere gewaarwording, sloot den mond. Nog eenige woorden van hulde en trouw van de eene zijde, van dankzegging en welbehagen van de andere—en daar reed hij heen. DeKoning was gekomen. Daar reed hij heen, en liet ons na? Eenige vervallen bogen en kransen, eenige verlepte en verdorde bloemen en blâren, eenige woorden met den wind weggewaaid, eenige kreten in de lucht verstorven!—Neen, wie zoo spreken mag, ik niet. Daar reed hij heen, zeg ik, en liet ons na: de herinnering eener liefelijke en wel-aangename verschijning, de verlevendiging van het beeld eens Vorsten, aan wiens aanblik zich de schoonste vaderlandsche herinneringen van het levend geslacht verbinden; de verwarming onzer liefde voor denKoning, dien niemand,wien Neêrlandsch bloed door de aadren vloeit, met het schoone lied van onzen Volksdichter, van hetVaderlandvermag te scheiden; de aanvuring onzer dagelijksche gebeden, voor hem op te zenden; en eindelijk de gedachtenis onzer eenvoudige en onschuldige vreugde, en onzer vreugde vóór en ná die vreugde, die mij nu nog het hart warm maakt, terwijl ik deze regelen schrijve. O, wie nooit de waarde eener herinnering geschat heeft, dan voor zoo ver die zich op de hand liet wegen, roeme niet iets in de linkerborst te dragen, dat een hart heet.Daar reed hij heen! Onze juichtoonen, onze vivats, onze gelukwenschen volgden hem. „Vaarwel, o Koning!” riep ik hem in mijn geest achterna. „Vaarwel! Voleindig uw zege- en liefdetocht door de gewesten van uw goed en getrouw volk in zege en liefde! Wandel op de bloemen, die de burgerij, door de hand der onschuldigsten en lieftalligsten uit haar midden, u voor de voeten strooit! En wanneer gij in uw verheven woning teruggekeerd zijt, en daar de koningszorg u met vernieuwde zwaarte op de schouders valt, moge dan de geur dier bloemen u als eene herinnering omzweven, en u eenige vergoeding schenken voor de doornen, die op het hooge pad der koningen gezaaid zijn!”—Wèl den vorst, wiens pad een dorenpad is! Het pad zijns volks is een pad van bloemen! En ook hem bereidt hooger hand uit die doornen een kroon, schooner dan de keizerskroon van het Heilige Roomsche rijk! LeveWillem II!Zoo sprak ik; maar weinig dacht ik, dat mijn wensch reeds zoo[195]spoedig verhoord zou worden; want terwijl ik deze regelen nederschrijf, geniet alreeds onze Koning een van die blijde dagen, die de zorgen der vorsten helpen vergoeden. Juist heden kondigt mijn geliefde Haarlemmer op aanstaanden Zaterdag de voltrekking van het hooge huwelijk tusschenKarel Alexander Augustus Johannes, Erf-Groothertog van Saxen-Weimar, enWilhelmina Maria Sophia Louisa, Prinses der Nederlanden aan. Saxen-Weimar en Nederland—de vereeniging dier namen klinkt niet vreemd, vooral niet in het oor van een oud soldaat, die ze eenmaal op het veld van eer door dezelfde glorie omschitterd zag, toen de ridderlijke Hertog, die de hoogmoed en de wellust van ons leger is, de sleutels van Leuven voor den voet van zijn koninklijken krijgsbroeder nederleide:Willem van OranjeenBernhard vanSaxen-Weimar, een Vorst zulk een Veldheer, een Veldheer zulk een Vorst, twee vrienden elkander waard!—Maar nog liefelijker dan deze vereeniging is de vereeniging van jeugdigen Vorstenadel en bloeiende Vorstinnenschoonheid, waarvan die echt den knoop legt. Duitschland, sedert het ons zijnenNassauschonk, pleegt sedert lang ons zijne Vorstendochters voor de onze uit te wisselen. Eene schoone ruiling, waaraan wij ook uw bezit te danken hebben gehad,Wilhelminade Gezegende!—Nu zendt het ons weder een edelen Duitschen jongeling, gelijk de faam hem prijst, om van de verhevenePaulownahet evenbeeld der moederlijke deugden tot deelgenoot van zijn voorvaderlijken troon te vragen. Nederland geeft niet alleen door den mond zijner vertegenwoordigers, maar ook met zijn hart, zijne goedkeuring en zegen tot dien echt, en deelt in uwe blijdschap, VaderWillemen MoederAnna!—O, wat zorgen en smarten het koninklijk paleis omsluite, het omsluit toch ook eene vreugde, die het met alle lagere daken gemeen heeft: de hoogste, de reinste, de zoetste vreugde, naar men mij zegt: vader- en moedervreugde. Vader- en moedervreugde! door den Vader der menschen aan de eerste menschen geschonken, als de vergoeding voor hun verloren paradijs, en sedert de vergoeding voor de verloren paradijzen van alle Adamskinderen. Gewis, er wordt veel leeds verborgen onder ieder gewaad, van het met hermelijn bekleede purper af tot aan het met lompen bedekte bedelkleed toe: maar onder alle soort van gewaad kloppen ouderharten, en met dat ouderhart is de arme zoo rijk als de koning, en de koning zoo rijk als de arme, die het gelukshemd uit de fabel draagt. Ik heb vroeger het lot derGekroonde Vrouwenbetreurd, en bij het graf vanWilhelminahet lijden der hoven geschetst: maar nu, bijSophia’sbruidskrans wil ik het geluk verheffen van de Vrouw, die in de huiselijke schaduw van een aartsvaderlijk hof, onder het oog van liefhebbende ouders, aan de hand van den erfgenaam eener kroon, die te klein van omvang is om zeer zwaar te zijn, de bruidskroon op het maagdelijk hoofd ontvangt. Daarom, al is het, dat mij, den nederigsten van Zijner Majesteits onderdanen, die geen lid van eenige orde ben, dan die der zestigduizenden van Hasselt, de toegang tot de[196]feestzaal ontzegd is, en dat ik mijn oog aan het gezicht van het bevallig bruidspaar niet verklaren zal, zoo wil ik toch met mijn onfeilbarenlooperde hooge deuren voor mij ontsluiten, om getuige van de feestvreugde te zijn: ik bedoel mijne Verbeelding, die met vleêrmuisvleugelen over de hoofden van schildwachten en kamerdienaars en kamerheeren-ceremoniemeesters heenvliegt! Ik wil mij te half één uren bij het schouwspel vertegenwoordigen, als de hand der Czarendochter en Vorstinnenmoeder de kroon op het hoofd der bloeiende bruid plaatst. Ik wil mij onder het gehoor verplaatsen van den welsprekenden man, die, zelf een vorst onder de redenaars, met bewonderenswaardige kunst de wijsheid des Hemels in de taal der hoven kleedt, en bij iedere koninklijke vreugde en bij iedere koninklijke smart, als vertegenwoordiger van der Koningen Heer, het heiligend kruis op de omfloerste of omkranste kroon plaatst. En als eindelijk de honderd en één kanonschoten het Amen op de voltrekking des huwelijks verkonden, zal ik met een glas ouden madera, die ik voor zulke gelegenheden bewaar, een hartelijken feestdronk instellen, en wie zijn koning lief heeft, drinke mede: Leve het Vorstelijke paar! Leve het Koninklijk Gezin! Leve de Koning![197]

De Koning komt! Zie, dien man reik ik als burger de broederhand niet, wien bij deze tijding het hart niet een paar slagen sneller klopt dan te voren. Trouwens, ik voor mij geloof niet, dat er veel zulke harten zijn. De eerbied voor het koningschap is in ons, onderdanen van den Koning der koningen, van wiens Majesteit het koningschap in iederen vorm slechts een afschaduwing is, iets natuurlijks,—iets instinktmatigs, had ik haast gezegd. De hermelijnen mantel moet wel in eene wolfshuid, de gouden kroon in een ijzeren, en de schepter in een dorenstaf veranderd zijn, eer die eerbied voor de verachting en afkeer plaats maakt, die het wettig loon van tirannen is.

Er bestaat buiten dit geweldig, misschien nog een zachter kunstmiddel om dit gevoel ten onder te brengen; het is de theorie, die in de vorige eeuw doorMaratenRobespierregeleerd, en door hen met proeven opLodewijk XVIenMaria Antoinettebloediger gedachtenisse gestaafd is. In die school, waarin men begint met den Koning des hemels te onttroonen, en Hem alle gezag en invloed op de verheffing van de koningen der aarde te ontnemen, komt men, langs een zeer natuurlijken weg van gevolgen, tot de leer, dat een koning eigenlijk geen koning is, maar een onderdaan; een onderdaan zijner onderdanen; een knecht der knechten, wiens eigenlijke plaats aan de punt van den staart des volks is; ten gevolge waarvan dan ook, met de strengste consequentie, in de gouden eeuw dier theorie, de geheele maatschappelijke ladder onderst boven gezet en op haar hoofd geplaatst werd, zoodat de koning achter den adel, de adel achter den middelstand, de middelstand achter het gemeen, en het gemeen van het gemeen op den zetel geraakte, die de guillotine tot voetstuk had. Die koorts is sedert, den Hemel zij dank! na vele aderlatingen en een gestreng dieet, onder de homoeöpathische behandeling van den Korsikaanschen Wonderdokter, wel gelukkig afgegaan: maar er is toch in het groote lichaam nog zekere koortsachtige neiging overgebleven,[186]die bij de minste irritatie met eene wederinstorting bedreigt. En het zijn deze heimelijke sluipkoortsjes, die zich hier en daar openbaren in de Jakobijnsche manier, waarop men de vorsten weêr begint te beschouwen en te behandelen. Eene wijze van beschouwing, die dan ook onder anderen aan den dag komt in de bekoorlijke nonchalance, waarmede de ultra-constitutioneele wijsgeer het bericht ontvangt, dat „de Koning komt.” Merk op, hoe hij bij die aankondiging den hals in den nek werpt, u met een spotachtig lachje aanziet, en een gezicht zet, zoo onverschillig, dat het bijkans veelbeteekenend wordt van onverschilligheid, waarop dan voor ieder die het zien wil te lezen staat, dat hem het heele bericht niet meer aangaat, dan of de haan van zijn buurman op zijn erf gekomen was, wiens roode kam en vurige sporen in zijn oog evenveel waard zijn als de erfelijke koningskroon en de verworven riddersporen van alle Majesteiten der wereld. Maar zoo als ik zeide, die wijsheid is geen natuurlijke, maar eene verkregene en aangeleerde, die in plaats van uit het hart naar het hoofd te komen, met kunst- en vliegwerk uit het hoofd naar het hart gepompt is, en daaraan niet zonder tegenstand opgedrongen. Het spreekt dus van zelf, dat eenvoudige menschen, als waaronder ik hier buiten verkeer, daarvan niets verstaan, en alzoo nog omtrent hetzelfde voelen, wat onderdanen van ouds af voor koningen van ouds af gevoeld hebben, te weten: achting voor het koningschap, eerbied voor de koninklijke waardigheid, en, als hij haar niet moedwillig verbeurt, liefde voor den persoon des konings.

Dat bleek bij ons op een treffende wijze, nadat wij eindelijk het zeker bericht ontvangen hadden: de Koning komt!—Van dat oogenblik af klopte aller hart en glinsterde aller gelaat van vroolijke verwachting. Men sprak elkander niet, zonder van het heugelijk nieuws te gewagen. Ieder maakte aanstalten om den vorst op de feestelijkste wijze te ontvangen. De arme bosschen moesten twee maanden te vroeg hun groen afstaan, Ommeêdoogend hakten mes en schaar in sparren- en eikenboomen. Bloemen en wat naar bloemen geleek werd zonder deernis afgeplukt. De lijsterbessen verloren er al hare trossen bij; want lijsterbessen tusschen eikenbladeren, wat kan men schooner hebben? Er bleef geen besje over om meê te lijsteren: van daar zeker, dat ik dit jaar nog geen lijster geproefd heb.—Nu aan het kransenmaken: de een al zwieriger dan de andere. Men durfde in al die dagen niemand de hand geven van den boomharst, die er aan kleefde van al detaxies, gelijk men bij ons de sparren verkiest te noemen. Ik heb er gezien, vijftig voet lang, waarin de bloemen met zulk eene mathematische evenredigheid waren verdeeld, even als de ringen op eene slangenhuid, dat ik den vervaardiger verdenk van er den duimstok bij gebruikt tehebben. En vlaggen? Die konden, ontboden zevanelders; wien dit te kostbaar was, maakte ze zelf van gekleurd papier, oranje, blanje, bleu, vast aaneengeplakt, zoodat ze bij ieder tochtje rinkelden als het klatergoud in eene haringkroon. De ijverigsten richtten bogen[187]op met eene kroon er in, want dat is boerenstijl: zonder kroon geen bruiloft: bruiloft is het feest der feesten; dus geen feest zonder kroon. En tusschen de kroonen opschriften op een half vel papier, beschreven door den ondermeester van het dorp, in alle soorten van letterformaat, groot, middelslag en klein, met lettertrekken er rondom, die de Koning van zijn rijtuig moet kunnen zien! Zoo waren dagen achtereen aller handen—en dat zegt hier, aller harten—met des Vorsten komst bezig. Toen ik in den avond vóór den grooten dag in het donker te huis kwam, zag ik hier en daar nog een enkel dwaallicht zweven; eene kaars of lantaren van den een of anderen dorpeling, die, eer hij ging slapen, zich het genot nog eens gunnen moest om het door hem gebouwde Babel met zijne hangende tuinen te bewonderen, en te zien, welk effect zijne decoratie bij donker voor uilen en bietebauwen maakte.

Onder zulke tooneelen en onder zulke menschen werd ik den anderen morgen wakker. Was het wonder, dat het mijne eerste gedachte bij het ontwaken was: deKoningkomt?—Ook ik had mijne stulp op het zwierigst en tierigst opgetooid. Een keurigetaxies-krans slingerde zich als eene reusachtige slang, met schilderachtige en veelkleurige bochten, van den ijzeren arm aan het dakvenster, langs het geheele huis, tot op den grond naar beneden.Edithahad er hare kleine handen met honderd „eerlijke wonden” aan bezeerd, en er een extraknikje van Z. M. aan verdiend. Daarboven ontrolde zich van een fraai geschilderden en vergulden vlaggestok een vlag, eene vlag veel te lang voor mijne lage stulp, en daarom nog verscheidene ellen vluchts gekort, die een mijner vrienden mij uit Amsterdam, van ik weet niet welk aanzienlijk college bezorgd had. Maar wat nog meer zegt, mijn hart vlagde met een langen wimpel van vroolijkheid en geestdrift, die door het minste windje hoog omhoog gevoerd werd. In die stemming kon ik het niet lang binnen uithouden. Nadat ik dus mijn feestpak had aangetrokken, trad ik naar buiten, om nu het geheel der versiering nog eens op te nemen. Het was een schoon gezicht! Overal waren de menschen bezig om het mooie nog mooier te maken, door eene gele dalia, die tegenover een witte zat, met eene dito te vervangen, een oranjelintje, dat losgeraakt was, vast te strikken, en dergelijke gewichtige verbeteringen meer. Ik sprak nu met den een, dan met den ander, en zeide elk op zijne beurt iets vleiends over zijn goeden smaak, die in deze of gene bijzonderheid vooral schitterend aan den dag kwam. Daaronder glommen de gezichten van zelfbehagen, en klom de geestdrift al hooger en hooger. Intusschen renden de rijtuigen met menschen beladen als in wedloop naar de stad, om daar getuige van den Intocht te zijn; en ieder blik van opmerkzaamheid en goedkeuring, naar de bogen en kransen geworpen, werd met gretigheid opgevangen en door een glinsterend oog weêrspiegeld.

Onder zulke waarnemingen, die mijn hart vervulden met dankbaarheid aan God, die zijne menschenkinderen zooveel onschuldige vreugde[188]schenkt en gunt, en het in liefde tot mijn dorpsgenooten, mijn volk, mijn land, mijn koning, tot alle menschen, verwijdde, wandelde ik den weg vóór mijn huis op en neder. Zoo dwaalde ik langzaam af, totdat ik mij geheel buiten de kom van het dorp in de eenzaamheid bevond. Deze was mij nu niet onaangenaam: er was in de vreugde van mijn hart ook iets, dat zich liever niet voor anderen uitstortte; en gelijk ik altijd tracht mij reden van mijne gewaarwordingen te geven, zoo poogde ik dat ook nu te doen. Zoo kwam ik op de aanleiding van het feest: de Koning komt. Altijd zou mij die komst belangrijk en aangenaam geweest zijn, maar heden bovenal.Het was de derde Augustus. De derde Augustus, gedenkwaardige en roemrijke dag in de jaarboeken van ons vaderland, inzonderheid voor ons geslacht. Op dien dag was het, dat voor elf jarenWillem, Prins van Oranje, op last van den Koning zijn vader, aan het hoofd van een getrouw leger, den eersten voet op Belgischen bodem zette. Die geheele veldtocht met al wat hem was voorafgegaan en gevolgd, verrees op eenmaal voor mijn geest. En als de hoofdpersoon op die schilderij,—hoe kon het anders?—hij, die toenmaals Prins van Oranje genaamd werd. Zie! wat ik bij die herinnering gevoelde, kan niemand beseffen dan hij, die met mij de wapens in dien veldtocht droeg. WieWillem IIniet als veldheer gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien. Niemand verdenke dezen uitroep van grootspraak: ik beroep mij met vrijmoedigheid op de bezadigdsten onder mijne wapenbroeders. Kon ik er u een denkbeeld van geven! Maar hij laat zich niet beschrijven, de aanblik van den vorstelijken Held, gelijk hij zich aan het hoofd zijner dapperen vertoonde. Nog zie ik hem met het aanbreken van den dag tot ons komen, op het schoone ros gezeten, dat zijn meester niet lang meer dragen zou, maar bij zijne verminking vóór Leuven hem een dier schoone woorden in den mond geven, die de geschiedenis van de lippen der dapperen opzamelt, om er het nageslacht mede te ontvonken. Nog zie ik hem, met den lagen hoed en de vallende pluim op het hoofd, die door den bijzonderen en bij den vijand bekenden vorm wel den kogels den weg wees, die op zijne edele borst gericht werden, maar tevens, als de beroemde pluim vanHendrikden Vierde, den zijnen tot wegwijzer op den weg der eer verstrekte. Nog zie ik hem met het prachtige zwaard aan de zijde, door de hand der Keizersdochter aan de heup van den vorstelijken echtgenoot gegord, opdat hij het haar, gelijk hij ook gedaan heeft! smetteloos, maar met frissche lauweren omsnoerd, terugbrengen en voor de voeten leggen mocht. Maar vooral nog zie ik hem met die rustige houding, die rust inboezemde ook aan de bekommerdste, moed aan de versaagdste gemoederen, met dien helderen oogopslag, die van de vroolijkste geestdrift glinsterde, en met die geheel onbeschrijfelijke uitdrukking van strijdlust, die mij aan het krijgsros van Hiob denken deed: „Heerlijk dampt zijn gesnuif! Met zijn hoef graaft hij den grond op, en dartel in zijn overmoed, gaat hij het wapentuig te gemoet. Hij lacht met de vrees, en ontzet zich niet en deinst[189]niet terug voor het zwaard. Rondom hem ratelt de pijlkoker, de bliksem van spies en lans. Onrustig trappelt hij den grond, en kan niet stilstaan op ’t geluid der trompet. Luider klinkt de trompet, hij briescht haar tegen, en riekt den strijd van verre; des veldheers donderwoord en ’t krijgsgeschrei!” Nog zie ik hem, zoo als deze verschijning telkens bij zijne komst een luid hoezee uit den mond zijner getrouwen deed opgaan, waaraan hij door een wenk met de hand zedig, maar te vergeefs, het zwijgen zocht op te leggen.

Ja, ik herhaal nog eens: wieWillem IIniet als Veldheer en in het veld gezien heeft, heeft hem slechts ten halve gezien.—En in die gestalte trad zijn beeld heden met de levendigste kleuren voor mijn geest. Anderen zouden hunnen Koning aanschouwen—maar ik zou mijn ouden Veldheer zien; mijn Veldheer! wiens vaan ik gevolgd, wiens wachtwoord ik gesproken, wiens „Voorwaarts!” ik gehoorzaamd heb; mijn Veldheer, die mij in den strijd en uit den strijd geleid heeft, en aan wien ik het, onder God, te danken heb, dat ik op het veld van eer mijn jong leven niet gelaten, maar daaruit een luttel schoone herinneringen voor mijn ouden dag medegebracht heb; mijn Veldheer, van wiens lauweren een zedige schaduw op mijn hoofd was afgedaald! Hoog klopte mijn hart onder het gedenkkruis, dat ter eere van den dag mijn knoopsgat versierde; het kruis van metaal, dat de hand van den Vorst ten aandenken aan hem en den onder hem gevoerden strijd op mijne borst hechtte, terwijl hij het wederkeerig als een aandenken aan mij en aan al de overigen, die met mij zijn vederbos gevolgd waren, op zijn eigen boezem hing. Hem zou ik wederzien, na elf jaren scheidens; wederzien, nu niet meer als Veldheer, maar als het Hoofd des geheelen volks, maar als Koning. „LeveWillem II!” riep ik, en zou mijn hoed wel in lucht hebben kunnen gooien. „LeveWillemII”; de oude Prins van Oranje, gelijk hem het vaderlandsch hart nog zoo gaarne noemt! LeveWillem II, de Held van Hasselt en Leuven! LeveWillem II, voorheen mijn Veldmaarschalk en opperbevelhebber, en nu mijn Koning en Heer!”

Zoo juichende verdiepte ik mij al meer en meer in het verledene. Was het wonder, dat uit die diepte allengskens ook somberder beelden voor mijnen geest verrezen? Ja, het was, als had ik door dien eenen blik in de wereld, die achter mij lag, die geheele wereld voor mij geopend, en als moest ik daarin nog eens op al mijne schreden teruggaan. Al wat sedert dien blijden derden Augustus tot op dezen derden Augustusdag gebeurd was, kwam mij achtereenvolgens voor de verbeelding. Eerst de verstoring van onze heirvaart naar Brussel, door de wapenen van den (nu ook reeds zoo jammerlijk ten grave gesleepten) HertogVan Orleans, als schild van het bedreigde België, vreedzaam, maar ernstig gestuit. Vervolgens de terugkeering op den weg der onderhandeling, den hier wel langen weg! Van daar het noodlottig stelsel der volharding, geboren uit dien eigen geest van standvastigheid, die bij alle groote mannen, en zoo ook bijWillem I, het snoer om[190]den bundel hunner deugden en de moeder aller groote daden is, maar die, even als elke andere deugd, in het gevaar vanVERharding hare eigenaardige schaduw met zich voert! Het stelsel der volharding, na de aftreding van diens Hoofd, met onedelmoedige partijdigheid, door al de vroegere voorstanders alleen aan hem geweten en op hem gewroken, alsof het ook niet jaren lang het stelsel des geheelen volks—met schaarsche uitzondering!—geweest ware, zelfs toen de rookende puinen der citadel en het lauwe bloed der vestinghelden er tegen scheen te roepen! Het stelsel der volharding, eene dwaling misschien vanWillem Ien zijn volk, maar altoos eene Nederlandsche dwaling; de dwaling van een volk, welks taaie standvastigheid de grondslag van het gebouw hunner grootheid werd, dat daarop rust, als zijne hoofdstad op hare palen; de dwaling van een volk, dat de schoone dwaasheid had van niet van zijn tijd te wezen, dat is, van in eene eeuw van diplomatie (men vergunne mij dit diplomatieke woord) nog aan eerlijkheid, aan goede trouw, aan de heiligheid van een eed, in den naam der Heilige Drieëenheid gezworen, te gelooven; de dwaling van een volk, welks leuze het was van ouds af, om liever den vaderlandschen grond terug te geven aan de baren, waaraan dijken en dammen het ontwoekerd hadden, dan van vreemde oogen de wet te wachten. Welnu! Nederland, die voorvaderlijke leus getrouw, heeft pal gestaan; het heeft het hoofd geboden aan koninklijke en keizerlijke willekeur, die geen hooger recht erkenden, dan dat van het voltrokken feit; het heeft pal gestaan voor zijn recht, toen het voorwerp des geschils lang opgehouden had een voorwerp van begeerte te zijn; het heeft pal gestaan voor zijn Vorst, wiens dwaling het uit liefde deelde, toen andere volken, uit oproerigen haat, op de goede daden hunner vorsten spuwden; het heeft pal gestaan, gelijk een groot volk doet, als het eens den Rubicon overschreden heeft, met opoffering van alles wat een volk dierbaars en kostbaars heeft; het heeft, in een oneigenlijken zin, zijne dammen doorgestoken, en zijn grond aan de wateren prijs gegeven. Nu ligt het daar, het is zoo, half overspoeld en bedolven, en door den stroom doorweekt; het ligt daar onder eene zee van schuld begraven, waaronder het graan van ’s lands welvaart in den akker verkwijnt; het ligt daar, als zijn zinnebeeld op de Zeeuwsche munt, met het onderschrift:Luctor et emergo. Maar het ligt daar, als dieZeeuwscheleeuw, door het water omgeven, maar door het water niet overwonnen. Het kan zonder zelfverwijt op zijne overstroomde gronden zien: en zeggen: „Mijn vijand was sterker, maar niet beter dan ik!”

En daarom, mannen broeders! geen onedelmoedig Wee over het hoofd van den Man, die in deze, als in alle lotwisselingen, sedert meer dan vijfentwintig jaar aan ons hoofd stond, ons vertegenwoordigde, en trouw alle goed en alle kwaad, alle verhooging en alle vernedering, alle verdienste en alle schuld met ons heeft gedeeld! Geen Wee over het hoofd van den Man, die, misschien! naar verhevener bedoeling, in onze oogen van de hoogte vallen moest, waarop onze armen hem verheven[191]hadden, om ons te doen zien, hoe dwaas onze vroegere menschenvergoding was, en hoe kwaad! Geen Wee over het hoofd van den Man, die de schuld, indien er schuld was, boette met het roer van het schip te verlaten, dat hij niet voor alle klippen had vermogen te beschermen! Geen Wee over het hoofd van den Man, die van vijfentwintig jaren leeds, om onzer vaderen schuld geleden, en van vijfentwintig jaren arbeids, aan hunner kinderen heil besteed, de verlangde rust zoekt in eene vrijwillige ballingschap, en wien wij niet te hard mogen vallen, omdat hij die gezocht heeft bij vreemden, nadat wij maar al te duidelijk getoond hebben, dat hij die in de armen der zijnen te vergeefs zou hebben gezocht! Geen Wee over ’t hoofd van den Man, die, in den strijd en de dienst voor ons land vergrijsd, en van den troon afgestegen, niets van ons vraagt dan een weinig aandenken voor het goede, dat hij gedaan heeft, een weinig vergetelheid voor het kwaad, dat hij tegen zijn wil mocht gedaan hebben, en een weinig liefde voor het goede, dat hij heeft willen doen!

Neen! de goeden en edelen in den lande spreken over u geen Wee,Willem I, Stam- en naamgenoot van den Vader des Vaderlands, voor wien wij bezig zijn een gedenkteeken onzer hulde en liefde te stichten. Rondom uwe asch vergaderd,—want immers zijt gij als Koning voor ons gestorven?—rondom uwe asch vergaderd, als eenmaal Egypte rondom de asch zijner koningen, wagen zij het niet, daarover vloek te spreken, gedachtig aan uwe, en aan hunne eigene, menschelijke zwak- en gebrekkigheid. Ja, met herinnering daaraan spreken zij, voor hunne menschelijke vierschaar, u vrij, en laten uwe asch de eere der gestorvenen wedervaren! Wat meer is, hun bede rijst voor u omhoog tot Hem, door wiens gratie gij u Koning noemdet, die eenmaal, in den grooten dag der verantwoording van koningen en volken, u gratie verleenen moge, Koning der Nederlanden,Willem de Eerste!

Waar ben ik? Geheel en al van mijn onderwerp afgedwaald, naar ik zie. Want het was nietWillem I, dien ik heden aanschouwen zou, maarWillem II; de nieuwe Koning, met wien Nederland een nieuw tijdperk is ingetreden. En toch, laten wij het niet verbloemen, niet zoo nieuw, of het draagt de litteekenen van het oude; niet zoo nieuw, of zijn eerste taak is om de wonden te heelen, die het uit het oude heeft meegebracht. Laten wij het erkennen: zelden aanvaardde een vorst onder ongunstiger omstandigheden de kroon van een vrij volk, dan de eerste der Nederlandsche Kroonprinsen. Het was eene zware kroon, die kroon, die van het grijze hoofd vanWillem Iop den heldenschedel van zijn zoon nederdaalde. En wel mag u die kroon veel zwaarder gevallen zijn, mijn Vorst, en veel zwaarder de schepter, dien gij uit zijne hand overnaamt, dan de gevederde veldheershoed en de omlauwerde maarschalksstaf, dien gij zoo licht en vroolijk droegt. Wel mag het u veel moeielijker zijn gebleken, een volk te bestieren, dat van zijn Vorst zoo veel te eischen heeft, en zoo licht te veel eischen[192]kan, dan het u was, uwe dapperen aan te voeren, die zoo gehoorzaam aan uw lippen hingen, zoo gedwee op uw wenken vlogen, en naar krijgsmanswijs geen wil kenden, dan den uwe! Wel maghetu eens veel gemakkelijker hebben toegeschenen, toen gij, na dagen van mistrouwen en onzekerheid, onder geen al te gunstige verwachting den veldheersstaf opnaamt, in weinige dagen de weifelende gunst des volks, als ware het met een slag van het zwaard, te heroveren, dan nu aan al de gunstige verwachtingen te voldoen, die geboren werden, toen gij, in de Nieuwe Kerk der hoofdstad, de rechterhand ophieft, en met de linker op de grondwet zwoert: „Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!”—Willem II, Koning der Nederlanden! Hebt gij aan die verwachtingen voldaan?—De vraag is stout: het antwoord zou nog stouter zijn. Het verleden heeft ons wijs gemaakt: wij hebben geleerd, hoe voorbarig het is, vorsten goed of kwaad te spreken, eer de toekomst, die de mond is der Voorzienigheid, ons wèl of wee bevestigd heeft. Zooveel mogen wij zeggen, dat wij van u het goede verwachten, omdat wij zeker zijn, dat gij het goede bedoelt. „Ik heb slechts één hartstocht, dien van bij mijn volk bemind te zijn!” Dat woord van uwe lippen, uit de binnenkameren uws paleizes tot het oor van den schrijver dezer regelen doorgedrongen, heeft geloof gevonden in zijn hart, en wie het met hem gelooft, ziet de toekomst met vertrouwen te gemoet. En eigenlijk steunt dat vertrouwen niet eens op dit, of op eenig ander menschenwoord, maar op het woord van den God van Nederland:—zoo noemen wij, zonder erg of trots, de Hemelmacht, die zich van ouds af aan Nederland in onderscheidende liefde en gunst heeft geopenbaard;—den God van Nederland, die belooft, dat hij niet varen laat de werken zijner handen. Want zie! indien daar iets het werk zijner handen is, het is het land, dat hij tot een land gemaakt heeft, Nederland! het is het land, dat hij als het ware tweemaal geschapen heeft, daar hij het, even als eenmaal geheel de aarde, later op nieuw uit de wateren heeft opgetogen en bewoonbaar gemaakt. Het is het land, door hem langs allerlei wonderbare wegen en leiding uit eene aanslibbing van rivieren en zeeën, gelijk een keizerlijke mond verachtend sprak, tot de meesteres van rivieren en zeeën verheven. Het is het land, door hem onder de vleugelen van allerlei vorsten, koningen en keizers gekoesterd, totdat het sterk genoeg geworden was om op eigen wieken te drijven. Het is het land, straks van de ketenen bevrijd, waarmede zijne voedsterheeren het in zijne vlucht zochten te weêrhouden: bevrijd, dat wil zeggen, vrijgevochten, opdat het zijne krachten beproeven mocht en oefenen, en even goed en vroom worden, als sterk en groot. Het is het land, met deNassau’sgezegend, met Hem aan het hoofd, op wien keizerKarelleunde, toen hij deze gewesten aanPhilipsoverdroeg, weinig vermoedende, dat de arm, die hem nu steunde, zich eens zou uitstrekken om deze gewesten met zijn zwaard tegen Spanje te dekken. Het is het land, met schaarsche en schuinsche stralen door de geschapen zon belonkt, maar met den helderen[193]warmsten gloed van het ongeschapen licht bestraald. Het is het land, tot op dezen dag, ondanks Engelands naijver, ondanks Frankrijks veroveringszucht, en wat meer zegt, ondanks eigen dwaasheid en schuld, in stand gehouden, ten levenden gedenksteen van de macht en trouw van Hem, die Nederland tot zijnen Verbonds-God koos, toen het op zijne munten aan het beeld der vrijheid Gods woord ten steun gaf, met de spreuk: „Hac nitimur, hanc tuemur”: op dien God, de leus onzer vendelen en stempelen, bouw ik, en al wat in Nederland Gode geeft wat Godes is zijn vertrouwen voor Nederlands toekomst. Ach, ware het slechts, dat het volk.… maar neen, hier geen klaaglied, schoon het er misschien de plaats voor ware: want het is heden een blijde dag! De Koning komt! de koning, ons door den Koning der koningen geschonken om het werktuig Zijns welbehagens over ons te zijn. LeveWillem II! Hoezee!

LeveWillem II! Hoezee! Zoo klonk het gejuich, dat in de verte opging.De koning kwam.Ik haastte mij om hem te gemoet te gaan. Al de dorpelingen liepen toe. Daar was hij! Lache er om wie wil, ik gevoelde mij bij zijn aanblik getroffen. O, de liefde voorOranjeis bij den waren Nederlander nog iets meer dan een woord. Wie de geschiedenis des Vaderlands gelezen heeft,—bijBilderdijkofWagenaar, het doet er niet toe,—wie haar gelezen heeft en gezien, hoe de dynastie vanOranjeals eene ader van leven, welvaart en bloei door die geschiedenis henen stroomt, zegenende als zij vloeit, dorheid nalatende als zij opdroogt of afgeleid wordt, en wederom zegen met zich voerende als zij terugkeert,—en daarin het beeld van Hem, die ons haar schonk en wien zij ons vertegenwoordigt,—die vraagt niet aan een ander, of het verstandig, of het constitutioneel, of het negentiendeneeuwsch is, den zoon derOranjestegen te juichen. Het is, gelijk een onzer Dichters het treffend genoemd heeft, het is de stem van het bloed in ’s lands kinderen, dat ’s lands Vader tegenroept. Laat anderen er tegen verhandelen, eer ik er over gedacht had, had mijn bloed zijn loop tweemalen versneld, mijn hart twee slagen in één geklopt, mijn hand den hoed wuivend in de hoogte geheven, en riep mijn mond met de menigte mede: „LeveWillem II! Hoezee!”

EnWillem II? Hij was ouder geworden. Zijne edele gestalte was meer gebogen, dan toen ik haar voor de muren van Leuven onder de lauweren der overwinning aanschouwde; de verloopen jaren hadden hun strijd en hun leed in rimpelen op zijn voorhoofd aangeschreven. Maar nog altijd zweefde over zijn voorkomen de adel van eenen Vorst; nog altijd drukte zijn gelaat de gelijkenis van eenOranjeuit; nog altijd zweefde om zijne lippen de vriendelijke glimlach van een geslacht, welks gemeenzaamheid dieper grond heeft dan de populariteit van een burgerkoning. Ik herhaal u niet, wat bij de begroeting van den Vorst voorviel: het ontleende zijne grootste belangrijkheid van de gezindheid der aanwezigen, van het jubelend hart der menigte en den dankbaren blik van den Koning. En toch was het, alsof de Vorst op mijne gepeinzen[194]antwoordde, toen hij na de opgeruimde herinnering aan den veldtocht, dien het gezicht van het metalen kruis hem voor den geest riep, op eens, als schoot er eene wolk voor dat licht, op veelbeteekenenden toon uitviel: „Wat is dat lang geleden!”—Lang geleden, had ik willen zeggen, lang geleden, mijn Vorst! maar niet zoo lang, of nog klopt bij die herinnering uwen ouden wapenbroeder het hart; lang geleden, maar niet zoo lang, of nog heeft de liefde van velen hunner de moeielijke jaren overleefd, die tusschen dien en dezen derden Augustus in liggen; lang geleden, maar moge het nog lang en zeer lang zijn, eer de gedachtenis daaraan ophoudt uw koninklijk hart te doen kloppen! LeveWillem II!—maar eerbied, en misschien ook nog eene andere gewaarwording, sloot den mond. Nog eenige woorden van hulde en trouw van de eene zijde, van dankzegging en welbehagen van de andere—en daar reed hij heen. DeKoning was gekomen. Daar reed hij heen, en liet ons na? Eenige vervallen bogen en kransen, eenige verlepte en verdorde bloemen en blâren, eenige woorden met den wind weggewaaid, eenige kreten in de lucht verstorven!—Neen, wie zoo spreken mag, ik niet. Daar reed hij heen, zeg ik, en liet ons na: de herinnering eener liefelijke en wel-aangename verschijning, de verlevendiging van het beeld eens Vorsten, aan wiens aanblik zich de schoonste vaderlandsche herinneringen van het levend geslacht verbinden; de verwarming onzer liefde voor denKoning, dien niemand,wien Neêrlandsch bloed door de aadren vloeit, met het schoone lied van onzen Volksdichter, van hetVaderlandvermag te scheiden; de aanvuring onzer dagelijksche gebeden, voor hem op te zenden; en eindelijk de gedachtenis onzer eenvoudige en onschuldige vreugde, en onzer vreugde vóór en ná die vreugde, die mij nu nog het hart warm maakt, terwijl ik deze regelen schrijve. O, wie nooit de waarde eener herinnering geschat heeft, dan voor zoo ver die zich op de hand liet wegen, roeme niet iets in de linkerborst te dragen, dat een hart heet.

Daar reed hij heen! Onze juichtoonen, onze vivats, onze gelukwenschen volgden hem. „Vaarwel, o Koning!” riep ik hem in mijn geest achterna. „Vaarwel! Voleindig uw zege- en liefdetocht door de gewesten van uw goed en getrouw volk in zege en liefde! Wandel op de bloemen, die de burgerij, door de hand der onschuldigsten en lieftalligsten uit haar midden, u voor de voeten strooit! En wanneer gij in uw verheven woning teruggekeerd zijt, en daar de koningszorg u met vernieuwde zwaarte op de schouders valt, moge dan de geur dier bloemen u als eene herinnering omzweven, en u eenige vergoeding schenken voor de doornen, die op het hooge pad der koningen gezaaid zijn!”—Wèl den vorst, wiens pad een dorenpad is! Het pad zijns volks is een pad van bloemen! En ook hem bereidt hooger hand uit die doornen een kroon, schooner dan de keizerskroon van het Heilige Roomsche rijk! LeveWillem II!

Zoo sprak ik; maar weinig dacht ik, dat mijn wensch reeds zoo[195]spoedig verhoord zou worden; want terwijl ik deze regelen nederschrijf, geniet alreeds onze Koning een van die blijde dagen, die de zorgen der vorsten helpen vergoeden. Juist heden kondigt mijn geliefde Haarlemmer op aanstaanden Zaterdag de voltrekking van het hooge huwelijk tusschenKarel Alexander Augustus Johannes, Erf-Groothertog van Saxen-Weimar, enWilhelmina Maria Sophia Louisa, Prinses der Nederlanden aan. Saxen-Weimar en Nederland—de vereeniging dier namen klinkt niet vreemd, vooral niet in het oor van een oud soldaat, die ze eenmaal op het veld van eer door dezelfde glorie omschitterd zag, toen de ridderlijke Hertog, die de hoogmoed en de wellust van ons leger is, de sleutels van Leuven voor den voet van zijn koninklijken krijgsbroeder nederleide:Willem van OranjeenBernhard vanSaxen-Weimar, een Vorst zulk een Veldheer, een Veldheer zulk een Vorst, twee vrienden elkander waard!—Maar nog liefelijker dan deze vereeniging is de vereeniging van jeugdigen Vorstenadel en bloeiende Vorstinnenschoonheid, waarvan die echt den knoop legt. Duitschland, sedert het ons zijnenNassauschonk, pleegt sedert lang ons zijne Vorstendochters voor de onze uit te wisselen. Eene schoone ruiling, waaraan wij ook uw bezit te danken hebben gehad,Wilhelminade Gezegende!—Nu zendt het ons weder een edelen Duitschen jongeling, gelijk de faam hem prijst, om van de verhevenePaulownahet evenbeeld der moederlijke deugden tot deelgenoot van zijn voorvaderlijken troon te vragen. Nederland geeft niet alleen door den mond zijner vertegenwoordigers, maar ook met zijn hart, zijne goedkeuring en zegen tot dien echt, en deelt in uwe blijdschap, VaderWillemen MoederAnna!—O, wat zorgen en smarten het koninklijk paleis omsluite, het omsluit toch ook eene vreugde, die het met alle lagere daken gemeen heeft: de hoogste, de reinste, de zoetste vreugde, naar men mij zegt: vader- en moedervreugde. Vader- en moedervreugde! door den Vader der menschen aan de eerste menschen geschonken, als de vergoeding voor hun verloren paradijs, en sedert de vergoeding voor de verloren paradijzen van alle Adamskinderen. Gewis, er wordt veel leeds verborgen onder ieder gewaad, van het met hermelijn bekleede purper af tot aan het met lompen bedekte bedelkleed toe: maar onder alle soort van gewaad kloppen ouderharten, en met dat ouderhart is de arme zoo rijk als de koning, en de koning zoo rijk als de arme, die het gelukshemd uit de fabel draagt. Ik heb vroeger het lot derGekroonde Vrouwenbetreurd, en bij het graf vanWilhelminahet lijden der hoven geschetst: maar nu, bijSophia’sbruidskrans wil ik het geluk verheffen van de Vrouw, die in de huiselijke schaduw van een aartsvaderlijk hof, onder het oog van liefhebbende ouders, aan de hand van den erfgenaam eener kroon, die te klein van omvang is om zeer zwaar te zijn, de bruidskroon op het maagdelijk hoofd ontvangt. Daarom, al is het, dat mij, den nederigsten van Zijner Majesteits onderdanen, die geen lid van eenige orde ben, dan die der zestigduizenden van Hasselt, de toegang tot de[196]feestzaal ontzegd is, en dat ik mijn oog aan het gezicht van het bevallig bruidspaar niet verklaren zal, zoo wil ik toch met mijn onfeilbarenlooperde hooge deuren voor mij ontsluiten, om getuige van de feestvreugde te zijn: ik bedoel mijne Verbeelding, die met vleêrmuisvleugelen over de hoofden van schildwachten en kamerdienaars en kamerheeren-ceremoniemeesters heenvliegt! Ik wil mij te half één uren bij het schouwspel vertegenwoordigen, als de hand der Czarendochter en Vorstinnenmoeder de kroon op het hoofd der bloeiende bruid plaatst. Ik wil mij onder het gehoor verplaatsen van den welsprekenden man, die, zelf een vorst onder de redenaars, met bewonderenswaardige kunst de wijsheid des Hemels in de taal der hoven kleedt, en bij iedere koninklijke vreugde en bij iedere koninklijke smart, als vertegenwoordiger van der Koningen Heer, het heiligend kruis op de omfloerste of omkranste kroon plaatst. En als eindelijk de honderd en één kanonschoten het Amen op de voltrekking des huwelijks verkonden, zal ik met een glas ouden madera, die ik voor zulke gelegenheden bewaar, een hartelijken feestdronk instellen, en wie zijn koning lief heeft, drinke mede: Leve het Vorstelijke paar! Leve het Koninklijk Gezin! Leve de Koning![197]


Back to IndexNext