HET ALBUM.

[Inhoud]HET ALBUM.„Voor niemand t’huis,Judith!”Als ik deze order geef, ziet mijn oude huiszorg mij gewoonlijk met een meesmuilenden glimlach aan. Hoe zij er achter gekomen is, weet ik niet; maar zij schijnt eenig vermoeden te hebben, om welke reden ik mij aldus afzonder. Ik heb wel eens beproefd haar van den weg te brengen, door bij zulk een gelegenheid in mijzelven te mompelen: „Ik heb papieren die ik moet nazien—ik heb belangrijke brieven te beantwoorden—ik moet een balans maken”—maar dit baat mij niets. De oude weet heel goed, dat ik buiten de Haarlemmer Courant nooit eenig papier van gewicht krijg; dat de brieven die ik ontvang niet veel meer bevatten dan een „God zegene u!”mij door den een of anderen vriend toegeroepen; en vooral dat mijn balans zoo eenvoudig is als een bakkers kerfstok. Zij is dus geendupevan dezekrijgslist, en begrijpt volkomen den verborgen zin van ditconsigne. Ik wil alleen zijn om eens ongestoord—och ja, te mijmeren!—Ik geloof dat ik wel kan nagaan, hoe zij hierop gekomen is. Ik heb namelijk volstrekt geen slag om mijn uitwendig voorkomen te beheerschen. Wat in mijn hart omgaat, verraadt zich dadelijk over mijn geheele wezen. Als mijn onbevallig figuur en vale kleur geeneparodieop de vergelijking ware, zou ik wel willen zeggen; dat ik naar een albasten vaas gelijk, waardoor de vlam die er in brandt in rooden gloed heenschemert. Zoo veel is ten minste zeker, dat ik niets heb van Mijnheer.… gij kent hem wel, en Mevrouw.… gij weet wel wie ik meen, die hun gelaat zoo meesterlijk in hun macht hebben, dat het bij hen veeleer het masker, dan de spiegel der ziel mag heeten. In ’t algemeen doen de meeste menschen of het geheele leven eenbal masquéis, en hebben voor niets meer zorg, dan niet in hun eigen gedaante gezien en herkend te worden; zeer aardig en kunstig, dat moet ik zeggen, maar toch een weinig lastig voor dezulken, die geen grijns hebben kunnen machtig worden, of, zoo zij al eens een vreemde huik omhangen, haar zoo linksch dragen, dat zij veel hebben van den struisvogel, die meent dat zijn vervolgers hem niet zien, wanneer hij zijn kop in den grond steekt. Tot die minder bevoorrechte wezens behoor ik. Als ik iets zie of hoor dat mijn bewondering,[19]geestdrift of verontwaardiging gaande maakt, dadelijk werpt de springbron mijns harten zijn purper omhoog en overstroomt mijn anders bleek gezicht met een gloeienden blos; verneem of aanschouw ik daarentegen iets, dat mijn mededoogen of smartgevoel opwekt, terstond is de wel mijner tranen in beweging gebracht en dringt haar vocht opwaarts, dat, zoo het al mijn oog niet bereikt, mijn gorgel beklemt en aan mijn stem het geluid van een vochtige snaar geeft. Van daar dan ook dat ik, zelfs uren na een hevige gemoedsbeweging, er de sporen nog van behoud, gelijk de zee,si parva licet componere magnis, nog nastormt als de orkaan reeds is gaan liggen. Ik kan mij dus nooit in mijn eenzaamheid aan den stroom mijner aandoeningen overgeven, of mijn gezicht verraadt het geheim mijner afzondering. Zelfs heb ik geen baat gevonden bij het middel van een mijner geliefde Bijbelheiligen, van wien ik lees:EndeJosephhaestede hem, want sijn ingewant ontstack tegen sijnen broeder ende hij socht te weenen; ende hy ging in eene kamer, ende weende aldaer. Daer na wiesch hy syn aengesichte, ende quam uyt; ende hy bedwong hemselven.—Meermalen heb ik beproefd mijn gloeiende wangen af te koelen, en den helschitterenden straal in mijn oogen te dooven: vergeefs! mijn hart laat zich door geensourdinedwingen. Licht bewogen en omhoog gevoerd als een pluim, moet ik ook zachtkens als een pluim weêr naar beneden en in rust zinken.Deze zwakheid maakt dikwijls de spotzucht van mijnEdithagaande. Vruchteloos is het, dat ik met een gezicht zoo onnoozel als ik kan binnenkom, en met een stem, zoo gemaakt onverschillig als mij maar mogelijk is, over onverschillige dingen spreek; zij heeft mij alleen aan te zien om met een spottenden lach uit te roepen: „Jonathanheeft weêr geesten gezien!” In mijnEdithanu is dit niets vreemds; zij ziet den bodem van donkerder waters, dan waartoe ik behoor; maar dat ik mij voorJudithniet vermommen kan, zie, dat is wat heel erg. Want dat zij zoo veelbeteekenend lacht, als ik haar met het eenvoudigste gelaat der wereld zeg: „Voor niemand t’huis,Judith!” komt nergens anders uit voort, dan omdat zij dadelijk begrijpt, wat ik met die afzondering voorheb.Maar wel beschouwd, wat doet het er toe? Indien het een ondeugd in mij is, waarover ik het nog niet recht met mij zelven eens ben, week en gevoelig te zijn, waarom zou ik mij beter voordoen, dan ik ben? en indien het een deugd is, wat recht heb ik dan, daar ik zoo veel ondeugden onbedekt ten toon draag, mij over het weinigje deugd te schamen, waarop ik mij verheffen mag? Kom, dus maar weêr met moed het spotziek lachje van mijn goede oude getrotseerd!„Voor niemand t’huis,Judith!”Maar wat nuJudithniet weet, het is wat ik na dit voorspel in mijn kamer uitvoer. Zij moge mijn gelaat zien glinsteren, als ik van den berg terugkeer; zij weet niet wat op de hoogte is omgegaan. Ook is dit verschillend. Somtijds bedekt de wolk der afzondering geheimenissen, die een verborgenheid tusschen mij en mijn geweten blijven moeten. Op andere tijden evenwel zoek ik de eenzaamheid om redenen,[20]waarvan ik geen geheim behoef te maken. Zulk eene bij voorbeeld is de beschouwing van mijnAlbum.„De beschouwing van uwAlbum?”„Ja, Mejufvrouw! waarom niet?—ik weet wat UEd. zeggen wil: als ik mijnAlbumnooit dan in mijn eenzaamheid voor den dag mocht halen, zou ik er zoo’n ding niet op na willen houden—UEd. heeft volkomen gelijk. Want ziet UEd., uw album en het mijne hebben juist zooveel van elkander, als die prachtige goudencollier, dien UEd.om den hals heeft, en dit haren koordje aan mijn horlogie. Uw Album is een voorwerp van weelde, bijna zoo elegant als uw balwaaier. Heerlijk steekt het glanzige porselein van den koker tegen de sieraden van gepolijst staal af, waarmeê het belegd is; zie, men kan er zich in spiegelen. Zou ik durven wagen, het eens in te zien?”„Waarom niet, Mijnheer? het is er voor.”„Allerliefst! van wie is deze teekening?”„Och, wees zoo goed en zie eens op den rug, wat naam er op staat; ik weet het waarlijk zelve niet. Het is van eene Dame, die ik maar eens ontmoet heb.”„Ei zoo? maar wat is dit? Een vers van den Dichter *** Kent UEd. hem bijzonder.”„Pardonneer, ik heb hem nooit gesproken. Een mijner vriendinnen heeft hem voor mij om een handschrift gevraagd.”„Zoo, ik dacht ook al: ik heb dit vers meer van hem gelezen. Ik heb het nog in twee of drie Dames-Albums aangetroffen. Maar wat zie ik? Geducht! Welk een verzameling! Er zijn er wel honderd, geloof ik.”„Ja, ik ben druk aan ’t bijeengaren: dat is nu mijn stokpaardje. Mag ik u een blaadje aanbieden?”„Verschoon mij! ik schrijf nooit in—Albums.”Mijn simpel boekske! hoe staat gij bij dit prachtwerk achter! men zou nooit zeggen, dat gij van dezelfde familie waart. Zie het er eens deftig uitzien! Een zwart lederen band is zijn omslag, met een eenvoudig opschrift:PIAE. MEMORIAE. PARENTUM. AMICORUM.S.Die band houdt de weinige bladen, die het bevat, bijeen. Ik ben geen minnaar van den gewonen Album-vorm, tweehonderd losse bladen in een koker. Bij mij heeft altijd de regel gegolden, dien ik van anderen dan van de Franschen wenschte te ontleenen:Les amis de mes amis sont mes amis.Dien ik zoo lief had, dat ik hem zijn naam op dezen gedenksteen der vriendschap liet griffelen, mocht vrijelijk weten, wie buiten hem mij lief hadden, en hoe zij mij hunne liefde betuigden. Vriendschap is voor mij als de kelk van een roos, die de bladeren, welke zij draagt, niet alleen aan zich, maar ook aan elkander[21]verbindt; voor velen heeft zij meer van den vlinder, die de eene bloem na de andere kust, zonder ander onderling verband, dan dat hij ze allen beurtelings zijn hof maakt. Mijn armen vormen één band om al mijn vrienden; mijn Album vat hun aller namen in één.Maar juist daarom wordt mijn vriendenrol nooit tot een tentoonstelling gebezigd. Ik ben te jaloersch van de stemmen van liefde en vriendschap, die daarin klinken, om die aan het oor van onverschilligen prijs te geven. Ik heb te veel eerbied voor de uitdrukking der heiligste gevoelens, daarin uitgeboezemd, om die in het gesnater der dwaasheid te mengen. Ook zou mijn lezer er niets van zien, indien ik niet hoopte, dat de toon van vereering, waarmede hij mij over mijn boekske hoort spreken, hem beletten zal, het met de lichtzinnigheid van een gewoon Albumbeschouwer te bejegenen. En nog meer blijkt de prijs, dien ik op deze verzameling stel, uit de wijze, waarop ik er zelf mede omga. Het is namelijk lang mijn gewoonte niet, haar telkens in de hand te nemen. Ik doe dit niet, dan bij zeldzame gelegenheden; en alsdan ook niet ter loops, met de onachtzaamheid, waarmede ik een tijdschrift inzie; maar met een zekere plechtigheid, die ik mij toeschijn aan de gedachtenis der dierbaren, die daarin tot mij spreken, verschuldigd te zijn. Ja, dit gaat zoo verre, dat ik, gelijk de lezer reeds weet, mij nooit dat genoegen schenk, zonder mijn eenzaamheid voor stoornis te beveiligen, door het uitzetten van een schildwacht:„Voor niemand t’huis,Judith.”Lach niet! Hoor ten minste eerst mijn verdediging. Mijn Album, mijne vrienden! is voor mij een symbolum van het Verledene! geheimzinnige naam van een geheimzinnig wezen! Hoe zal ik den vorm beschrijven, waaronder het zich aan mij voordoet? Het heeft voor mijn verbeelding het voorkomen van een diep en donker gewelf, dat alleen van tijd tot tijd door een flauwen, bleeken lichtstraal daarin vallende verlicht wordt; vervuld met schaduwachtige gestalten, die door elkander zweven, en nu eens duidelijker voorkomen, dan zich weêr in den mist die den achtergrond bedekt verbergen, al naarmate het grillige schijnsel, dat als een bliksemstraal door het verwulf schiet, zijn licht naar dezen of genen hoek werpt. Maar er is iets pijnlijks en duizelachtigs in dat staren in een onbepaald verschiet en naar schemerende gedaanten. Ongelijk aangenamer is het dus, zich met een lamp in dit schimmenrijk te begeven, de gestalte op te zoeken die men begeert te vinden, haar uit dien grafnevel te ontwikkelen en los te maken, haar naar voren in een helderder dag te brengen, en zich alzoo met haar te onderhouden. Daartoe nu dient mij mijn Album. Als ik dat maar aanzie, staat het Verledene, door zichtbare gedaanten vertegenwoordigd, voor mij. Als ik dat open, klinken lang verdoofde stemmen mij onderscheidenlijk te gemoet.Het is dus een plechtig oogenblik, als ik dit gedenkstuk ontdek. Het is voor mij een soort van geestenbezweering; een oproeping als die vanSaulaan de waarzeggende vrouwe vanEndor:Doet my opkomen,[22]dien ick tot u seggen sal.—Ik stel mij alsdan in aanraking met wezens, die ver van mij, of hoog boven mij zijn. Ik daag hen bij hunne namen op, dwing hen met mij te spreken, spreek op mijn beurt tot hen en verkeer met hen als voorheen. Waarlijk, wij houden ons al te vreemd van de geestenwereld. Zeker is het goed, dat wij waarzeggers en horoskooptrekkers van onze kennissen weren; het is goed dat wij onze kinderen naar de fantasmagorische voorstellingen vanBambergbrengen en hun inprenten, dat het alles maar klinkklare begoocheling is; het is goed dat wijStilling’sGeestenwereld niet meer gebruiken, dan om elkander op een stormigen avond bang te maken; maar evenwel zijn wij misschien wel wat heel vrijgeestig op dit punt. Dood is dood! zegt men met den polichinel in de poppenkast, en gaat even als hij op de kist zitten, om den gevangene er in te houden. Het is jammer! de geesten, vooral als we ze zelven uit eigen beweging oproepen, zijn zulke indrukwekkende verschijningen! Zij brengen ons zulke belangrijke tijdingen uit het onbekende land! zij voeren zulke wijze lessen in den mond, die wij van de levenden niet hooren! Nu eens vertoonen zij zich als een vriendelijke jongelingsgestalte, met lichtstof bekleed, met een krans van sterren op het amberriekend haar en den paradijspalm in de hand, ons toeroepende:’t Ware leven is omhoog.Dan weêr hebben zij het ernstige voorkomen van den Profeet teGilboa, en schijnen met dreigend gelaat uit het graf op te komen om ons te waarschuwen:Morgen sult ghy by my syn.In een ander gezicht dragen zij het verheerlijkt beeld van een geliefden vader of dierbare moeder, die de laatste bede der stervende lippen komt herhalen, en ons de nakoming onzer jongste gelofte afvleien. In een nieuw visioen zien wij een dierbare gestalte voor den troon des Eeuwigen gebogen, en hooren haar onzen naam noemen.… O, het is iets heerlijks, aldus naar boven te zien, aldaar zijn geliefden te aanschouwen, en zoo door dezelfde koorden dier liefde, die hier op aarde onzen hemel schiep, zich van de aarde ten hemel te voelen opvoeren.. Hoe kan het zijn, dat men zichzelven dit genot zoo zelden schenkt? Hoe kan het zijn, dat men alleen oogen en ooren heeft voor de menschelijke gedaanten, die ons omringen, terwijl een krans van engelen, even als aan een beschilderd gewelf, boven ons hoofd zweeft en gereed is op den eersten wenk tot ons neêr te dalen. Zoo ook het grijs verledene! Ik heb er allen eerbied voor. Ik heb ontzag voor VaderHomerusen GrootvaderHerodotus, voor wijlenCiceroenSenecazaliger. Ik bewonder groote Geschiedkundigen, wier geheugen is als hetpapier sans finvan onze dagen, door een monnik uit de middeleeuwen beschreven. Ik vind het schoon, zoo te huis te zijn in de lanen der Attische Academie, dat men er een bestek van zou kunnen teekenen, en in de boschjes vanTusculanum, als in zijn eigen theetuintje. Ik vind het verwonderlijk, dat men zoo gemeenzaam is metQuinctilianusals met zijn Rector, en metAristoteles[23]als met zijn Professor. Maar wanneer aan die herinneringen, van het gestorveneRomeof begravenAtheneeigene jonge herinneringen worden opgeofferd; wanneer men voor die dooden van het voorgeslacht zijn eigen dooden vergeet, en metSulpiciuslanger rouw draagt overTullia, dan met zijn vrouw over zijn eigen kind; wanneer men, om in het klassiekeElysiumzoo gemeenzaam te zijn en daar alle menschen bij den voornaam te noemen, een vreemdeling wordt in de plaats, waarheen men hoopt dat zijn geliefden gegaan zijn, wier naam en beeld men uit het geheugen laat verdwijnen, zonder ze vast te houden; dan vrees ik dat men in de geestenwereld dezelfde fout begaat, als velen in de menschenwereld, van goede aan adelijke bekenden op te offeren. Waarlijk, het is niet goed, aldus alle gemeenschap met onze dooden af te snijden, en ze, even als de hovelingen den gestorven koning, in het gezicht van hun graf te verloochenen. Ik althans heb mij zelven die vrijheid nooit gegeven; ik weet niet waarom ik zou ophouden zoon te zijn, omdat mijn vader aan de andere zijde is, en niet verder naar zijne vermaningen luisteren. Ik weet niet, waarom ik mijn oor zou sluiten voor de geestenstemmen van hen, wier woorden mij vroeger eerwaardig of dierbaar waren. Van daar dat ik mijn Album niet als een gesloten boek, bij de doodcedels der gestorvenen die er in spreken, weggeborgen heb, maar het beschouw als een altijd geldend testament, waarin ze mij hun wil bekend maken met dien aandoenlijken nadruk, dien iedere stem voor ons heeft, welke ons van over een graf toeklinkt.Daar ligt het boek voor mij open.Het eerste blad is een gedachtenis van mijns vaders moeder. Toen ik mijn Album begon aan te leggen, was het mij een behoefte, het vóór alle anderen aan deze vrouw aan te bieden. Ik wist dat nooit iemand mij liever kon hebben, dan zij. Ik wist dat niemand mij een hartelijker, beter en liever wensch doen zou—en niemand ook met meer kans om verhoord te worden! Zij was een dier zeldzame wezens, wier zachte vroomheid ik weet niet wat aantrekkelijks heeft. Ik heb opgemerkt, dat de godsvrucht, ofschoon zij het sieraad van alle leeftijden is, evenwel aan den ouderdom het natuurlijkst staat; aan jonge menschen deelt zij somtijds iets gedwongens en stroefs, aan den middelbaren leeftijd iets strengs en hards mede; maar bij oude menschen is zij in volkomen harmonie met hun geheele wezen en bestaan: de vroomheid lacht uit het rimpelig gelaat van den grijze, en juicht in zijn gebroken stem. Het is iets vreemds, maar voor mijn gevoel heeft de vrome oude iets jeugdigs aan zich, dat in wonderlijke tegenspraak is met het verval van zijn lichaams- en zielskrachten. Ik heb het wel eens vergeleken met het slaan van de vleugelen des vlinders, op het oogenblik dat de pop zal doorbreken; het kon mij bij hen wezen, als zag ik in den aardschen mensch die wegstierf, den hemelschen mensch die zich vormde:Als brak een scheemring van den gloor,Die eens hun lichaam zal doorgloeien,[24]reeds nu door den kranken bouwval heen. Hoe het zij, mijn grootmoeder bezat voor mij een groote aantrekkelijkheid, en zoo, dat ik niet weet, of ik haar meer vereerde of lief had. Ik vroeg haar dus, mijn gedenkboek der liefde en vriendschap in te wijden. Zij deed het op hare wijze: zij nam haar ouden Staten-Bijbel, sloeg dien open en schreef daaruit met bevende hand op het eerste witte blad:MattheiX. 37. Die vader of moeder liefheeft boven my, en is myns niet weerdigh; en die sone ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.Een schoone spreuk aan den ingang van zulk een boekske. Zij wist, hoe dikwijls het een altaar is voor aardsche afgoden gesticht. Daarom schreef zij er met haren vromen vinger den naam des Allerhoogsten boven. Het was het D. O. M. boven de eerezuilen, voor onze gestorvenen opgericht. Hoe dikwijls is mij deze spreuk waarschuwend voor den geest gekomen. Nooit nam ik mijn Album in handen, om mij met het beeld mijner geliefden bezig te houden, of een blik op dit Bijbelwoord geworpen heiligde mijne gewaarwordingen. Bovenal is het mij ten aanzien van een der volgende namen van veel dienst geweest.Het volgende blad is van mijn vader. Hij was een man van een ingetrokken, strengen geest. Als hij in dien tijd geleefd had, zou men hem voor een Christen gehouden hebben, die uit deStoawas uitgegaan. Dit was evenwel meer het gevolg van zijn manieren, dan van zijn denkwijze. Er sliep in zijn hart een schat van liefde, dien zijn uiterlijk scheen te verloochenen. Hij was als een fontein, die haar verfrisschend water in marmer bevat. Het was iets schoons, als die harde steen op eenmaal milde en malsche stralen opwierp! Ik kwam met mijn Album op zijn kamer; hij zag het met een ernstigen blik in. Toen hij de spreuk van zijn moeder zag, glimlachte hij, maar terstond daarop stond zijn oog weêr strak en donker. Hij nam een pen op en schreefIN LIBRO ALBO FILII.NOMENSITOMEN.In hetwitte boekvan mijn zoon. Deze naam zij een voorteeken!Hierop gaf hij mij het boek terug, leide zijn hand zegenend op mijn hoofd, en wenkte mij te vertrekken.Nomen sit omen!Dat was een zware last van verantwoording, vader! dien gij op den hals van uwen zoon laaddet. Maar zeker, zoo iemand recht had zulk een verplichting op te leggen, gij waart het. Ik wil er u ook niet van beschuldigen, indien ik de witte smettelooze[25]bladen van mijn boek nu niet met zooveel gerustheid kan aanzien, als ik anders zou gedaan hebben; integendeel, ik dank u voor deze strenge les. De herinnering daaraan heeft zeker uitgewerkt, dat mijn levensboek hier en daar toch een vlek minder heeft, en ettelijke vlekken bevat, die door mijne tranen bijna zijn uitgewischt. En dit erken ik, zoo lang gij leefdet, hebt gij mij trouw met raad en daad geholpen, om zijn bladen wit en zuiver te houden. Zegen dus over uw assche! De Heer geve, dat gij u eens niet over uw kind zult te schamen hebben, als „de boecken geopend zullen worden.”Het blad dat nu volgt is van de hand mijner lieve moeder.Mariaheette zij, en beantwoorde geheel aan het beeld, dat die naam onwillekeurig voor den geest roept. Zij was geheel en al het kontrast van mijn vader. Mildheid, weekheid, aandoenlijkheid—die woorden schenen voor haar te zijn uitgevonden. Zij spreidde haar zachtheid, bedekkende en lenigende, over de strengheid mijns vaders, als sneeuw over een bevrozen grond. Van haar heb ik dien weemoed, die mij eigen is. Ik kan met den Dichter zeggen.Maar zalig is ’t, zoo soms een zachte smarte,Iets weeklijks, dat de linkerborst doorwoelt,Iets vochtigs, in ’t vertederd oog gevoeld,Herinnert aan mijn Moeders teder harte.Ik heb echter wel eens getwijfeld, of zij mij niet al te veel van haar gevoeligheid heeft overgedaan: en tien tegen één, lezer! dat gij dit ook reeds meermalen gedacht hebt. Het zij; ik wil er niet over klagen of morren, al ware ’t alleen, omdat het een geschenk van mijn lieve moeder is.Toen ik bij haar kwam met het verzoek om haar naam in mijn Album te schrijven, nam zij het boek, en beloofde aan mijn bede te voldoen. Eenige dagen later riep zij mij tot zich, en gaf het mij met een halflachend, halfschreiend oog weder. Het blad door haar ingevuld bevatte een teekening; want zij teekende uitmuntend. Het was een Bijbelsche voorstelling vanMatth.XIX. 18:Doe wierden kinderkens tot hem gebracht, opdat hy de handen haer soude opleggen ende bidden.Tusschen de moeder op den voorgrond en haar was een zweem van gelijkenis. Aan den voet van het tafereel stond in plaats van het gewonefecitofdelineavit, Amen! en daaronder haar naam. Het stuk voerde geen datum. En indedaad, welken dag zou het hebben aangenomen? Want wèl was haar moederliefdeEenlanggebed van ’t kraambed tot de dood.Ziedaar mijn moeder geheel! geen les, geen vermaning; niets dan een bede. Nooit zie ik dit blaadje, of de woorden zweven mij op de lippen:Sancta Maria, ora pro nobis.Nu volgen de Albumbladen mijner overige betrekkingen en vrienden. Ofschoon mij niet allen even dierbaar, is er toch geen handschrift bij,[26]dat mij niet zeer lief is. Over het algemeen is de inhoud in den geest van de eerste bladen. Het schijnt dat de kleur der vroomheid, door mijn grootmoeder en ouders aan het boekske gegeven, onwillekeurig op de latere bijdragen haren invloed heeft uitgeoefend. Zoo verbindt mijn Album niet alleen één band, maar ook één geest.Om een enkel woord te noemen, een mijner vrienden heeft op het hem toegewezen blad een antieken wachttoren geteekend, en daaronder het Hebreeuwsche woord:‏המּצפה‎geplaatst met de aanwijzing:GenesisXXXI. 49,waar ik lees, datJacobna den vreedzamen afloop zijner ontmoeting metLabaneen hoop steenen maakte, en daarop met den man at: waarna hij dien steenhoop den naam gaf vanMizpa, welk woord eenwachttorenbeteekent „omdat hy seyde, dat deHeereopzicht neme tusschen my en tusschen u, wanneer wy d’een van d’ander sullen verborgen zijn.” Welk een schoon en veelbeteekenend zinnebeeld! Mijn vriend wenscht mij niets uit zich zelven; hij bidt alleen, dat de Heer het oog waakzaam over mij geopend houde, als het oog van zijne liefde mij niet zal kunnen gadeslaan. Is het niet als een altoosdurend gebed voor mij opgezonden? O, nooit zie ik dit blad aan, of mijn oog richt zich onwillekeurig naar boven, en het is of ik uit de hoogte des Heeren oog beschermend op mij zie rusten.…Het blad, dat daarop volgt.… ziet gij, dat heeft een los Album voor, men kan er de bladen uitnemen en op zij leggen. Had ik dat ook met dit blad kunnen doen! Maar neen, het is zoo beter. Het bevatte oorspronkelijk een teekening, een portret; men ziet er de sporen nog van. Het was het afbeeldsel van den liefsten vriend mijner jeugd, een jong mensch vol beminnelijke en bevallige hoedanigheden. Toen ik hem om een bijdrage voor mijn Album verzocht, liet hij door een beroemd teekenaar zijn beelteniscrayonneeren, en hechtte die op het voor hem bestemde blad, met het onderschrift van zijn hand:semper idem. Semper idem!een wreede logen! een bittere spot! Geen mensch op de wereld heeft mij het honderdste gedeelte van het leed berokkend, dat mij van deze eenmaal geliefde hand werd aangedaan.Et tu, Brute!Hij ontroofde mij.… maar heb ik hem niet vergeven? Evenwel, het deed mij pijn, zijn gelaat hier telkens terug te vinden, te midden van hen die mij het liefst hadden, en wier trouw op de proef gebleken was. Ik kon die valsche trekken niet aanzien met het onderschrift:semper idem.Daarom deed ik met dit portret, wat de Edelen met het afbeeldsel van deapostatenhuns Stambooms doen; ik nam het weg, door het van het blad, dat het vasthield, af te lichten, zoodat er niets dan de enkele naam overbleef om aan te toonen, wie het is, die hier van deze zijn plaats is uitgevallen. Mij dacht, deze wraak was billijk, of liever het was geen wraak—het diende mij alleen om hem en mij-zelven de bitterheid te besparen, die zijn aanblik noodzakelijk in mij moest opwekken. Waartoe zou hij nog langer zijn plaats onder mijn overige trouwe vrienden behouden hebben? hij had zelf zijn naam van mijn[27]Stamboek uitgewischt; hij had met eigen hand den steen onzes verbonds omgeworpen, en het handschrift onzer vriendschap verscheurd. Menige traan is op dit donkere blaadje gevallen. Misschien had ik den innemenden jongeling al te lief. En is dit niet de eerste spreuk in mijn boekske:Wie vader of dochter lief heeft boven my en is myns niet weerdigh; ende wie soon ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.Ik bevoorrechte, dat ik slechts een enkelen uit den kring mijner vrienden heb zien wegvallen. De overigen zijn mij allen trouw gebleven, en hebben hun handteekening met hun leven bezegeld. Niemand hunner heeft den zegen van mij teruggenomen, dien zijn mond over mij had uitgesproken. Wat meer is, ik ben er zeker van, dat wie op deze bladen voor mij gebeden heeft, nog heden—beneden of boven—voor mij bidt. Ja, ook boven! Reeds zijn er verscheidene, van wie de hand verstijfd is, waarmede zij hier hun namen nederschreven. Gij leest het op den rug in de woordendefunctus, met opgave van den dag huns overlijdens. Ik kan hun namen niet aanzien zonder droevig te worden; ik heb ze allen zoo zeer lief gehad; ik had ze zoo gaarne bij mij gehouden. En toch, ik benij ze hun geluk zoo weinig. O, hoe veel verschilt het gevoel, waarmede ik hun naam lees, bij dat, waarmede ik het portret van mijn ontrouwen vriend aanzie.… neen! zij zijn niet voor mij verloren; het verbond met hen is niet verbroken: integendeel, de dood heeft het bevestigd, de dood is het zegel der trouw. Deze kunnen mij niet meer ontvallen; ik kan hun geen ontrouw meer aandoen. Men beschuldigt den dood dikwijls van scheiding te maken tusschen geliefden.… ten onrechte! de dood vereenigt voor altijd wat voor een tijd vereenigd was: alleen het leven scheidt.…Zie ik u daar, mijn ongeluks-blad? Het bevat niets dan eene enkele vlok haar, van het schoonste blond, met een draad van rozekleurige zij aan het papier gehecht. Geen naam, geen onderschrift, niets dan een datum.—Hierover geen woord, geen klacht, niets dan een zucht!Buitendien zijn er nog enkele bladen, zonder een bepaalde inscriptie te bevatten: met een enkelen naam geteekend, waarbij dan het een of andersouvenirgevonden wordt; een verdorde bloem—een wilgen- of cypressenblad—en wat nog geringer is dan dit; kleine nietswaardige relieken, maar mij dierbaar om der herinneringen wil, die er zich aan verbinden. De verbeelding is met zoo weinig te vreden! Voor mij is het genoeg enkele dier voorwerpen alleen te zien, om een geheel verleden voor mij te doen oprijzen. Van daar dat ik zelden op éénen avond met de beschouwing van mijn Album gereed kom, maar meestal een tweede bevel moet uitvaardigen:„Voor niemand t’huis,Judith.”Voor ditmaal zullen wij echter het boek sluiten. Daar ligt zij, de geschiedenis mijns harten, door de eigen hand mijner geliefden geschreven. O, ik kan haar niet aanzien, zonder een oog van onuitsprekelijke liefde op haar te vestigen. Niet alle menschen zijn zoo rijk aan onverdiende[28]genegenheid, als de bezitter dezer vriendenrol. Indien de liefde der menschen, naar het zeggen van den ouden Dichter, zich in zegen des Heeren verkeert, gezegend dan o mijne tente, waarop die dauw rijk en mild „als Hermons dauw op de berghen Zions” is neêrgedaald.En nu, wat zal er van u worden, mijn lief Album! Zal ik u in de hand mijns erfgenaams laten, om misschien nog tot een tentoonstelling voor mijn achter-kleinnichten te dienen? Neen, wees gerust, mijn oud, trouwCodex amicitiæ! Uw plaats is reedsaangewezenin de lade met het opschrift:de inhoud dezes na mijn dood ongeopend te verbranden. Gij zult uw meester niet overleven, maar als een vereerster van Brama, hem langs den weg des vuurs in den dood volgen. Uw stof zal verstrooid worden, en de vier winden zullen dezuchtenverwaaien, in uw boezem uitgestort!Maar wij, mijn vrienden, wat zal er van ons worden? Neen, ons stof moge uiteen stuiven, vergaan zal het niet. Eens zullen wij uit onze graven verrijzen, en met een nieuw lichaam bekleed elkander wedervinden in „de algemeyne Vergaderinge ende de Gemeynte der eerst-gheborenen die in de Hemelen opgeschreven zijn, ende de geesten der volmaeckte rechtveerdige.”Verrukkelijk denkbeeld! Allen weêr te zien, die ik hier heb lief gehad: met al die beminnelijke hoedanigheden, waarom ik ze lief had, ja die alle nog eindeloos verhoogd, gezuiverd, verfijnd en veredeld! O mijn Album, als ik bedenk, dat misschien.… de Engel des levens register houdt van de namen in u bevat, en die alle geschreven heeft in het boek des levens, dan ontvallen uw bladen aan mijn bevende handen.… „mijne nieren verlangen seer in mijnen schoot!”[29][Inhoud]DE HUISKLOK.——————ZEVEN—ACHT—NEGEN—TIEN—ELF—TWAALF!Ik dank u, goede vriend, voor uwe herinnering.Men zegt, dat KoningPhilippusvan Macedonië er een slaaf op nahield om hem toe te roepen: Gedenk dat gij een sterveling zijt!—Ik geloof evenwel niet; dat hij door hem zoo goed is bediend geworden, als ik door mijn huisklok. Vooreerst verbeeld ik mij, dat de moreele klapwaker zijn plicht wel eens zal vergeten hebben; maar al haperde het niet aan hem, ik denk dat de groote Koning wel eens in een bui zal geweest zijn, om den boetprediker zijn wrevelig: Houd den mond! toe te roepen. Doch mijn vriend in gindschen hoek is altijd op zijn post; en al komen er oogenblikken, dat ik bang ben voor zijn stem, zoodat ik hem wel zou willen bidden zulk een uur zwijgend over te springen, de smeekende blik van mijn oog stuit op zijn eiken borst af, en hij galmt met onomkoopbare gestrengheid zijnMementouit.Nu, hij ontvangt daarvoor in mijn huis ook al de achting en eer, die aan een getrouw dienaar toekomt. Ja, ik weet niet, of hij zelfs geen hooger titel dan dien van een dienstknecht dragen moet. Want tot op zekere hoogte is hij de meester van ons allen. Reeds in den vroegen morgen begint hij met den baas over mij spelen. Dan laat hij zijn wekker afloopen en roept mij met een forsche stem toe:Ontwaeck gy, die slaept en sta op uyt den dooden!Ik moet bekennen, dat ik mij soms wel eens aan zijn heerschappij zoek te onttrekken, en doe of ik hem niet gehoord heb. Maar vergeefs! dan is het of hij mij met zijn onophoudelijk getik (en hij heeft een toon zoo helder als glas) gedurig bij den arm heen en weder trekt; en zoo dit niet helpt, dan volgt er al spoedig een duchtiger vermaning in een nieuwen klokslag, waarin ik zoo duidelijk een strengen toon van berisping meen te hooren, dat ik op hetzelfde oogenblik naast mijn bed sta, en mij niet weêrhouden kan mijn beleedigden vriend vergeving te vragen. En ben ik nu eens door hem tot mijn plicht gebracht, dan klinkt al spoedig dereveilledoor ’t geheele huis, en de werkzaamheden vangen aan. En meen niet, dat zijn gebied zich niet verder dan over het eerste morgenuur uitstrekt. Neen, hij heeft den geheelen dag bij alles de eerste stem. Ik ben namelijk geheel, wat men spottend[30]noemt: een man van de klok. Menschen die hun leven bij jaren berekenen (sommigen dwingen mij zelfs te denken, dat zij het bij eeuwen doen), hebben tijd in overvloed. Wat hebben zij naar hun klok te vragen? het is veel, als zij een oogenblikje stilzwijgen, om hem op den avond van 31 December zijn twaalf slagen te hooren slaan. Maar ik, die bij minuten, en zelfs zoo veel mogelijk bij sekonden tel, ben zeer karig op mijn kleinen schat, en geef niet gaarne voor eenige bezigheid meer tijd uit, dan zij waard is. Van daar heb ik in mijn huis minder te zeggen dan mijn klok. Daar is het nooit: Hoe laat wilt gij.…? hoe laat verkiest gij.…? dit spreekt van zelve. Men hoort er alleen: hoe laat heeft de klok het? Als hij het uur van tweeën aankondigt, is het voor mij even zoo goed of de hofmeester komt aanzeggen:le diner est servi. Dan begeef ik mij naar de huishoûkamer, en ben zeker er mijnEdithavoor een gedekte tafel te vinden zitten. Zoo gaat het den ganschen dag door; niemand gaat uit zonder hem verlof te vragen: niemand durft een oogenblik langer uitblijven, dan hij heeft toegestaan. Men overtreedt liever mijn geboden, dan de zijne. ’s Avonds is hij het weder, die den aftocht regelt. Als hij met zijn elf slagen den taptoe slaat, leg ik mijn pijp neêr, al brandt zij nog, enEdithahaar breiwerk, al is het niet in ’t gelijk gebreid; terwijl op ’t zelfde oogenblik mijn getrouweJudithde nachtfakkels binnenbrengt.Het is waar, dan houdt zijn opperheerschappij op. Want meermalen gebeurt het, dat ik mijn licht uitdoovende, het raam vanEditha’s kamer, die zich tegenover de mijne bevindt, nog verlicht zie; en nog gewoner is het, dat het lang, zeer lang na elf uur is, eer ik hem voor ’t laatst hoor: maar al maak ik hierdoor inbreuk op zijn dagordening, hij verliest daardoor niets van zijn gezag; integendeel, als ik de laatste uren des daags in eenzame mijmering op mijne kamer doorbreng, behoudt hij wel degelijk een stem in den loop mijner overdenkingen, ja is dikwijls de hoofdpersoon met wien ik mij bezig houd.Dit heeft dan plaats, als ik mij in mijn ouderwetschen leuningstoel met hoogen rug en lage zitting vlak tegenover hem nedervlij, en mijn oogen met afgetrokken strakheid op hem vestig: dan weet hij wel dat zijn uur gekomen is, om zich met mij te onderhouden. O, het is ongeloofelijk, hoe veel mij dan zijn eentoonig getik zegt. Het verplaatst mij in den lang verloopen tijd, wiens gang hij op dezelfde wijze bijgehouden en aangeduid heeft. Evenwel hij herinnert mij daaraan geheel anders dan het gelui van de groote stadsklok. Deze zegt mij niets dan het eenvoudige, sombereFuit. Maar deze klok ismijnklok; deze spreekt vanmijntijd en watmijdaarin gebeurd is; deze is mijn vertrouwde, die met mij over geheimen kan spreken, waar de groote bombam niets van weet. Hij kan mij zoo duidelijk en indrukwekkend zijn: weet gij nog wel? toeroepen, dat gij mij bespotten zoudt, indien ge zaagt hoe deze stem een glimlach op mijn gezicht kan wekken, of mij in tranen doen smelten.[31]Zoo gaat het mij bij voorbeeld, als zijn getik mij toeroept: Herinnert gij u den tijd van uws vaders sterven nog?—Want deze klok, die nu den zoon nog zulke goede diensten bewijst, was reeds de lieveling des vaders, enismij daardoor dubbel dierbaar; hij had dus ook zijn vaste plaats op de slaapkamer des geliefden mans. Hierdoor werd deze, toen hij ziek werd, niet van zijn ouden vriend gescheiden: dit was hem o! zoo aangenaam. Uren lang kon hij naar het gelijkmatig geluid van den secondenslag liggen luisteren, en wat daarbij in hem omging, bleek mij uit enkele afgebroken woorden, waarin het voorgevoel van zijn naderend sterven sprak; menigen nacht heb ik aan zijn leger doorgebracht, mij met niets anders bezig houdende dan met naar de beweging van het uurwerk te hooren. Ik kan niet zeggen, hoe treurig ik daaronder werd. Als men op het punt staat een geliefden vader te verliezen, doet het pijn de voortsluipende voetzolen van den tijd zoo duidelijk te hooren kraken; en nog harder viel het mij, als de kranke na lange onrust in een korten sluimer geschoten was, hem bij het slaan van het bepaalde uur te moeten wakker maken, om de bittere geneesmiddelen in tenemen. Soms kon ik mij niet meer weêrhouden te wenschen, dat de lijder zijn klok voor het laatst mogt gehoord hebben. Dit gebeurde eindelijk, maar op eene wonderlijke wijze. De stervende had naar gewoonte oog en oor naar de klok gericht; op eens—de verwarring der droefheid had ons doen vergeten het uurwerk op te winden—stond hij stil; dit was, geloof ik, in het geheele leven mijns vaders nooit gebeurd. Dit scheen zijn aandacht te trekken. Hij richtte zich op en zeide: ik dank u, trouwe vriend, voor uwe waarschuwing.Jonathan!houd die klok in eere; ik heb geen beter vriend in de wereld gehad. Eerst heeft hij mij leeren sterven, en nu vergeet hij zelfs niet mij te zeggen, dat mijn uurtje gekomen is: nu dan, dat „mijne ziele u zeghene eer ick sterve!” en toen.…Weken verliepen na mijns vaders dood, maar ik had den moed niet de klok weêr aan den gang te brengen, ofschoon hij gezegd had; houd hem in eere!—Evenwel vond ik hem op zekeren tijd t’huiskomende weêr loopende; ik weet nog niet, wien ik voor deze gevoelige kieschheid danken moet. Maar sedert heeft hij nooit weêr stil gestaan; en als ik nu ’s avonds alleen in mijn kamer zit, en hem zie en hoor, dan is het mij alsof ik weêr aan het bed mijns vaders geknield lig.Op een anderen tijd vraagt hij mij weêr: Weet gij nog wel!… en daarbij is het of ik den schalk over mijn dwaasheid zie lachen. Dan doet hij mij denken, aan den tijd, toenBetsynog aan geen ander behoorde. Want al kan ik nu nog zoo verstandig en deftig spreken, toen was ik evenwel zoo goed als iemand uwer, mijne jonge vrienden, niets meer en beter dan een verliefde gek. Ik leefde in een voortdurende roes, wist dikwijls niet of het zaterdag of maandag was,en vroeg naar tijd noch uur. Maar was het een dag, waarop ikBetsy’s avonds hoopte te ontmoeten, dan was ik weder van de klok niet[32]weg te krijgen, dan begon ik ’s morgens ten zes ure reeds uit te zien of het niet haast zeven ure in den avond zijn zou. De koele klok! hoe heeft hij mij dan wel gehinderd met zijn uitgehaald getik, terwijl mijn gejaagde pols in dien tijd zijn haastigen slag wel drie en viermaal herhaalde; het was of de dag nooit eindigen zou. Had het toch ten laatste zes ure geslagen, klom mijn onrust ten top, ieder oogenblik stond ik voor hem; bemerkte ik eindelijk, dat de tijd mij zoo nog langer viel, bedacht ik om iets bij de hand te nemen. Ik zou b. v. den tuin driemaal rondwandelen, en dan zou het wel halfzeven zijn. Ik deed het, kwam terug, en de klok wees—anderhalve minuut later, zoo vliegend had de drift mij door den tuin gejaagd! Eindelijk was het toch vijf minuten voor den tijd: ik kon vertrekken. Maar als ik dan met een laatsten blik afscheid van hem nam, hoe vreemd was ik daarbij te moede? een wonderlijk gevoel van gejaagdheid beklemde mij! ik hoorde mijn hart bonzen met slagen, die het geluid van den slinger verdoofden; ik was buiten mijzelven. Als ik daaraan denk, moet ik nog blozen over mijn eigen dwaasheid, en ik durf mijn klok haast niet aanzien, zoo duidelijk meen ik op zijn spottend gelaat te lezen: Weet gij nog wel?.…Ja, goede vriend! ik weet het nog zeer wel—al te wel! nog op dezen oogenblik is het mij, of ik dien tijd weer overleef. En hoe kan het anders? Want hoe vele malen gij sedert uwe dagronde volbracht hebt,Betsy’sbeeld heeft voor mij niets aan liefelijkheid verloren. Gij weet of ik haar getrouw was. Getuig, of ik sedert dien zaligen tijd ooit meer zoo voor u gestaan heb. Nooit daarna heb ik u weder van spoed of traagheid beschuldigd; maar mijn pols sloeg altijd zoo regelmatig of hij naar u geregeld ware. Neen! ik heb nooit eene andere liefgehad.Zie, zoo kan ik over elk voorval in mijn leven met mijn huisklok spreken. Hij kent mijn geheele geschiedenis; ja zelfs de geschiedenis van mijn innerlijk Ik is hem niet onbekend. Want het is mijn standvastige gewoonte, als ik ’s avonds op mijn kamer kom, nog eenige oogenblikken van mijn nachtrust af te nemen, om, kon het zijn, daardoor de rust van mijn allerlangsten nacht te bevorderen. Hiertoe houd ik geen dagboek, het papier is er mij te onbescheiden toe, of liever.… er zijn dingen die men zelfs aan het papier niet zeggen kan! neen, ik neem daarbij niemand in mijn vertrouwen, dan mijn klok. Als ik hem maar aanzie, dan heb ik dadelijk de hoofdstukken die ik achtereenvolgens te behandelen heb voor mijn geest. VI–VII, eerste hoofdstuk. VII–VIII, tweede hoofdstuk. VIII–IX, derde hoofdstuk, en zoo voort tot XI ure des avonds toe. Dan overdenk ik wat ik in ieder uur gedaan heb, en maak daarnaar de som van baat en schade op. Gebeurt het nu dat er een getal is, dat mij ontevreden aanziet, dan tracht ik het tusschen dit en zijn buurman zoo wat te middelen, zoodat de goede het voor den kwade goedmaakt. Evenwel het is er verre af dat mij dit altijd gelukken zou. Dikwijls ben ik met mijn tijd reeds aan XII, als ik met mijn goede werken nog aan VI ben. O, dan kan ik mijn[33]klok niet met een gerust hart aanzien, maar sta diep vernederd voor mijn ontevreden schuldeischer. Nog erger is het als het gebrek niet alleen negatief, maar uitdrukkelijk positief is; dan kan het mij tegenover mijn klok zeer bang worden. Meermalen stond ik alsdan in hevige gemoedsbeweging op om mij voor mijn rechter te plaatsen; dan kon ik hem biddend aanzien om mij gelegenheid tot herstel te geven. O ware de dag van heden niet voor mij aangebroken!—Tik—tik.—Kon ik hem nog eens weder beginnen!—Tik—tik.—Kon ik ten minste dit booze uur daaruit wegnemen!—Tik—tik.—Ik zou lust gehad hebben met schendende hand zijn uurwijzer eenige nommers achterwaarts te drijven; maar dat onverbiddelijk, altijd voortdurend, dreigend getik scheen mijn tegenstand te bespotten. God vergeve het mij, dat ik wel eens getracht heb mijn geweten het zwijgen op te leggen, door andere beelden voor mijn geest te roepen; doch dan was de klok met zijn onverdoofbare stem mijn goede engel. Deze liet mij niet toe tot rust te komen, en al stortte mijn geest zich tot over de ooren in den stroom der Lethe, ook daar vervolgde hem het getik, dat hem belette in te sluimeren. O, mijn goede vriend, als ik dit zoo bedenk, dan klopt mijn hart van dankbaarheid voor uwe onkreukbare getrouwheid, en geen koning kan zijn biechtvader in grootere eere houden, dan ik u in mijn binnenste toedraag.Somtijds echter, ach; waarom slechts somtijds! waren mijn klok en ik zeer goed met elkander in hun schik. Het was dan, als er tegen enkele kwade eens recht veel goede oogenblikken over stonden; dan kon ik met een waar genoegen, naar het beloop van den uurcirkel, de afgelegde dagronde nagaan; en als ik daarop eens een zeer goed uur beleefd had, dan kon het mij wezen, of er een lichtstraal op dat cijfer viel, ja of de geheele wijzerplaat, even als de klok op de Rotterdamsche beurs bij avond,geïllumineerdwas.Maar nu meent UEerw. misschien op het gezegde af, dat ik een Pelagiaan ben, en de leer der goede werken overdrijf. Laat ik UEerw. tot uwe geruststelling mogen zeggen, dat ik liever mijn dierbare klok met eigen hand zou stuk slaan, dan toe te laten, dat hij mij een enkelen dag deed vergeten, dat zelfs in de beste onder onze uren een ledig vak openblijft, dat geen deugd eens menschen kan aanvullen. Neen, als onze klok zulk een leer leerde, zou mijn vader op zijn sterfbed niet gezegd hebben;Jonathan!houd die klok in eere; ik heb geen trouwer vriend in de wereld gehad!Wat staat hij daar deftig, recht zoo als een klok zijn moet. Ik heb een voorliefde voor zijn eenkleurige donkerheid en zijn antieke vormen; ik vind ze met zijn bestemming in de gelukkigste harmonie. Ik zie niet gaarne een aanspreker in het wit; en even zoo weinig zou het mij aanstaan, als de aanspreker van mijn doode uren een bont kermispak droeg. Onlangs was mijn horlogemaker hier en merkte op dat de houtworm in de kast was. Laat mij u eens een nieuw kastje in de plaats maken, zeide hij, dan zal het zulk een lief klokje zijn dat gij het niet[34]meer kennen zult; het zal u tegenblinken van rood en goud.—Ongelukkige! ik had moeite mij in te houden. Mijn goede oude! wou men u in een hansworstenpak steken? het zal zoo lang ik leef niet gebeuren.Ik wou dat iedereen er zoo over dacht, maar het scheelt, helaas, veel. Wat vindt men in de plaats van de staande en hangende klokken onzer vaderen? rijke pendules van brons, verguld en albast, met fraai gegoten figuren voorzien en heerlijke bloemen versierd. Ik moet bekennen dat ik dien opschik voor een klok wel wat heel mooi vind; er is zooveel aan de kast te zien, dat men er niet aan denkt op het uurbord te letten. Men kan immers secretaire en trumeau wel met sieradiën bedekken, al zijn het juist geen prachtige klokkenkasten. Maar neen! nu eisch ik ook wat al te veel. De kunst, die in onze dagen op zulk een vroeger ongekende hoogte staat, moet toch aanmoediging hebben, en het zou immers ook niet staan, een gemoderniseerd vertrek door een oude hangklok te ontsieren. Welnu, laat het dan zoo zijn: weelderige beelden rondom het uurwerk, en bloemen boven de wijzerplaat. Maar dan zou ik toch wel wenschen, dat men de deftige oudvaderlandsche klokken, in plaats van ze naar de vliering of naar den uitdragers-winkel te verbannen, hun oude plaats in het eenvoudiger slaapvertrek liet behouden. Want daar beneden …, gij zult het mij toegeven, al meent men het nog zoo goed, gaat de achting voor den tijd een weinigje verloren. Als men den ernstigen klokslag door een deuntje hoort voorafgaan; is de indruk er van voor een goed gedeelte weggenomen. Als men pas: Schep vreugde in het leven! heeft hooren spelen, heeft het: Gedenk te sterven! zoo geen val. Even weinig kunt gij het aan uw horloge overlaten, u bij wijlen aan de gewichtige taak van ieder uur te herinneren. Want evenmin als men door een kind wil worden terecht gezet, wil men zich door zulk een klein, heel klein horlogetje tot ernst laten vermanen; ieder ziet immers dat het niet meer dan een speelpop is, die men er alleen om de pracht op nahoudt, zoodat het werk alleen om de kast, en dikwijls beide alleen om de cachetten gedragen worden. Of zou gindsche Dame dat rijk geëmailleerde sieraad aan dien goudencollierom den hals dragen, om zich daardoor te laten herinneren:hora ruit?Gij gelooft het zelf niet; zulk een ornamentje kan tot niets dienen, dan op zijn hoogst om zijn bezitster te zeggen, dat het nog te vroeg is om naar het concert te gaan, of dat zij nog juist den tijd heeft om een bouquet in haar ceintuur te steken, eer haarcavalierhaar voor het bal komt afhalen. Foei! van zulke uurwerkjes wil de deftige erentfeste Tijd niets weten; hij maakt ze openlijk voorcontrefaçonsuit, en zet alleen zijn naam en zegel op deftige klokken, zoo als er hier een voor mij staat. Dus, zoo als gezegd is, ik blijf er op staan, dat ieder zich zulk een ouderwetsche huisklok aanschaffe, die het kostuum van zijn ambt draagt, en dus ook alleen het recht heeft zijn ambt bij ons uit te oefenen.Het is waar, dat men een somberen gast in huis haalt. Zoo kan ik bijvoorbeeld mijn klok nooit aanzien, of dadelijk valt mijn oog op[35]de spreuk, die hij voert:Una ex his hora mortis.Een van deze is uw doodsuur.Zeker noch zeer vriendelijk, noch zeer beleefd; maar ik kan er met mijn voorbeeld voor instaan, dat men daaraan gewent. Toen ik een knaap was, kon ik het met de klok niet eens worden. Nadat mijn vader mij de Latijnsche spreuk uitgelegd, en mij daarbij een ernstig woord had toegesproken, kon ik hem geen goed oog meer geven; ik was bang voor hem geworden. Als ik ’s avonds alleen met hem in de kamer was, verbeeldde ik mij somtijds dat vriend Hein in eigen mageren persoon in de klokkenkast zat, en met zijn ontvleesde knokkels het uurwerk in beweging bracht, zoodat ik opstond en met bevende hand de kast opensloot, om mij te overtuigen dat er niets dan de onnoozele slinger in bewoog; maar dit is nu anders geworden. Niet dat de klok voor mij een ander aanzien heeft, want ik geloof nu nog veel vaster dan te voren, dat vriend Hein waarlijk in de klok zit en het rad draait; maar het verschil zit in mijn oog en hart. Ik ben voor den mageren man zoo bang niet meer, en ik zie dus ook zijn klokkenhuis geheel anders aan dan vroeger. Het is met den Dood als met meer personen die in een kwaad geruchte staan; hij is zoo boos niet als hij er uitziet; het komt er slechts op aan of men de moeite neemt van nabij kennis met hem te maken, en alzoo achter zijn goede hoedanigheden te komen. Sedert verscheiden jaren dat ik vertrouwelijk met hem omga, ben ik op zulk een goeden voet met hem geraakt, dat ik niet meer buiten hem kan; en daarom is hij nu ook zoo dankbaar, dat hij beloofd heeft mij zachtjes in zijn armen te zullen dragen, als ik niet meer zal kunnen gaan. Zie, dat heeft zelfs niemand onder mijn vrienden mij beloofd. Zou ik dan boos worden als hij somtijds eens aan mijn arm stoot, om mij aan zich te herinneren, of mij door zijn trouwen bode laat vragen, of ik nog wel eens aan hem denk? Foei, dat zou slecht zijn! Mijn klok kan getuigen dat het tegendeel waar is; dikwijls als hij slaat en mijn blik daarbij opziende op het opschrift valt:Una ex his hora mortis!kan ik met nalaten hem met een vriendelijke stem te beantwoorden:Una ex his hora vitae!en als ik somwijlen mijn oogen eenigen tijd heb gesloten gehouden, om met mijn verbeelding in een andere wereld te dwalen, en ze daarna opendoe.… het is wonderlijk.… dan kan het mij zijn, of mijn klok geheel van gedaante veranderd is! dan is het of zijn bruin omkleedsel op eens in een gewaad wit als sneeuw is overgegaan, en zijn ouderwetsche kap lijkt een glanzend hoofd, en het is of hij mij met de hand wenkt.…Zeker zoudt gij dit van mijn oude klok niet gewacht hebben. Maar gelijk ik zeide, hiertoe komt men niet op eens; gij moet beginnen waar ik meê begonnen ben, met uw afkeer en vrees voor hem te overwinnen. Waarlijk, het is niet goed, hem geheel te veronachtzamen; hij is als een houten hand op onzen levensweg, die het opschrift draagt:Naar het Graf. Nu is het immers niet verstandig, zulk een wegwijzer over ’t hoofd te zien; want hoe weten wij anders, waar[36]wij heen gaan? Ja, kon het ons helpen, het oog van die hand af te wenden, om ook niet aan te komen, waar ze heen wijst, nu dan mochten wij er voorbij jagen dat de vonken uit de steenen vlogen; doch de weg is immers niet om den wegwijzer, maar wel de wegwijzer om den weg. Wat baat het dan te doen of men niets merkt:Wij zijn wat doof aan ’t linkeroor,Dat keeren wij hem toe;Voorzeker, krijgt hij geen gehoor,Hij wordt het kloppen moe.Daar het toch altijd eindigen moet als in ’t versje:En wip! daar is de man!Het is jammer, dat sommige verstandige menschen op dit punt zoo onverstandig zijn. Ik ken goede rekenmeesters, wier ijzeren kist van de slimheid hunner berekeningen getuigt, die deze eenvoudige som van drieën maar niet leeren kunnen:1 : O = 1 : X.Dat is, volgens eene opgave die men inWillem Bartjesniet vindt:Een uur staat tot de eeuwigheid, gelijk een goede of kwade daad tot de gevraagde.Het was deze cijferkunst, die Mozes reeds doceerde, toen hij zijn volk leerde, hunne dagen „also te tellen dat sy een wijs herte bekomen” mochten. Ja, tijden en eeuwen mogen veranderen, maar zoo lang er menschen op aarde leven, wier bestemming in de eeuwigheid ligt, blijft de tijd het kleinood des levens, de ware steen der wijzen, die slijk tot goud kan maken. Als ik een klokkenmaker was, zou ik in plaats van al die vergulde krullen mijn uurwerk in den ring van een slang sluiten, die de staart in den bek houdt. Hetsymbolumder eeuwigheid rondom hetsymbolumdes tijds, dat zou, dunkt mij, van tijd tot tijd ernstige gedachten geven. Het is een groote dwaling, dat sommige menschen het er voor schijnen te houden, dat hun klok eenperpetuum mobileis, dat nooit zal blijven stilstaan: zóó is het niet: hetperpetuum mobileis boven, en onze klok kan ons alleen helpen om het te vinden. Foei, dezelfden, die zich schamen zouden het kapitaal van hun vermogen aan te raken, verspillen van hun beter kapitaal hoofdsom en renten te gelijk. Het komt altemaal van het verkeerd gebruik der klokken.Ik zou denzulken wel eens een verschijning toewenschen als die van denH. Johannes: „Ende de Engel, dien ik sagh staan op de zee en op de aarde, hief sijne hand op nae den Hemel, ende hy swoer by Dien die leeft in alle eeuwigheid, dat daar geen tijd meer en sal sijn!” of een droom, gelijkPèreBridainein een visioen zijner vervoering had; de man, die de eeuwigheid een klok noemde, waarvan de slinger in de stilte der graven onophoudelijk herhaalt: Altijd—nooit! nooit!—altijd!—een droom, zeg ik, gelijk hij had, toen hij een der rampzalige[37]tijdverkwisters hoorde roepen: hoe laat is het? waarop een zijner lotgenooten antwoordt: de eeuwigheid.—Maar neen, waartoe zouden verschijningen of droomen dienen? Heeft dan mijn Meester mij niet geleerd, dat wieMozesen de Profeten niet hooren, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet zullen laten gezeggen? En indedaad! ieder die in de school des Bijbels is opgevoed, en een klok aan zijn muur heeft, heeft in die klok een vermaner,gelijk de geheimzinnige hand bijBelsazar, die aan den wand het dreigende:mene, tellen, schreef. En indien zijn oogen dat cijferschrift niet verstaan, het hapert niet aan de kunde, maar aan den wil dezer uitleggers.Jonathan! Jonathan! wat draaft gij u zelven weêr voorbij! En als ik wel zie, zijt gij weêr aan ’t veroordeelen van anderen ook. Och ja! die Farizeeuwsche zuurdeesem:o God! ick dancke u, dat ick niet en ben gelijk de andere menschen!wil maar niet ophouden te gisten. Och, met al mijn wijsheid over mijn klok, mocht ik mij wel wat meer door hem laten herinneren, dat het „den menschen geset is eenmael te sterven en daerna ’t oordeel,”—en „Met welck oordeel ghij oordeelt, sult ghij geoordeeld worden.”En zoo kom ik tot mijn klok terug, en zie hem scherp aan, als om hem te vragen: wanneer zijn wijzer het uurtje zal aanwijzen, waarop voor mij „geen tijd meer en sijn sal.” Vergeefs zoek ik het plekje op het wijzerbord: hij geeft geen ander antwoord dan het onzekere:Una ex his hora mortis.Nu, mijn vriend! zoo is het ook wel! Ga gij maar voort mijn leermeester en vermaner te zijn, dan zal ik niet licht moede worden mijn leven bij uren te tellen. Ik weet toch dat ge woord zult houden met uweUna ex his.Een van deze!Wat is dat? het is of er een nevel op mijn oogen zinkt. Zou het wezen omdat.… ja, laat ik het bekennen. Toen ik daar zoo aan mijn laatste uurtje dacht, viel het mij in, hoe ik dan liggen zou op de eigen peluw, waarop mijn vader is ingesluimerd, en met mijn oog even als hij naar mijn geliefde klok gericht. Maar wie zal er dan aan mijn leger zitten om de sekonden te tellen, die ik nog te leven heb? Wie zal mij op het bestemde uur mijn geneesmiddelen ingeven? Wien zal ik de zorg voor mijn klok overdragen: Houd die klok in eere!…„In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke uitgegheven, maar sy sijn als de Engelen Godts in den hemel!”Een—twee!Goeden nacht![38]

[Inhoud]HET ALBUM.„Voor niemand t’huis,Judith!”Als ik deze order geef, ziet mijn oude huiszorg mij gewoonlijk met een meesmuilenden glimlach aan. Hoe zij er achter gekomen is, weet ik niet; maar zij schijnt eenig vermoeden te hebben, om welke reden ik mij aldus afzonder. Ik heb wel eens beproefd haar van den weg te brengen, door bij zulk een gelegenheid in mijzelven te mompelen: „Ik heb papieren die ik moet nazien—ik heb belangrijke brieven te beantwoorden—ik moet een balans maken”—maar dit baat mij niets. De oude weet heel goed, dat ik buiten de Haarlemmer Courant nooit eenig papier van gewicht krijg; dat de brieven die ik ontvang niet veel meer bevatten dan een „God zegene u!”mij door den een of anderen vriend toegeroepen; en vooral dat mijn balans zoo eenvoudig is als een bakkers kerfstok. Zij is dus geendupevan dezekrijgslist, en begrijpt volkomen den verborgen zin van ditconsigne. Ik wil alleen zijn om eens ongestoord—och ja, te mijmeren!—Ik geloof dat ik wel kan nagaan, hoe zij hierop gekomen is. Ik heb namelijk volstrekt geen slag om mijn uitwendig voorkomen te beheerschen. Wat in mijn hart omgaat, verraadt zich dadelijk over mijn geheele wezen. Als mijn onbevallig figuur en vale kleur geeneparodieop de vergelijking ware, zou ik wel willen zeggen; dat ik naar een albasten vaas gelijk, waardoor de vlam die er in brandt in rooden gloed heenschemert. Zoo veel is ten minste zeker, dat ik niets heb van Mijnheer.… gij kent hem wel, en Mevrouw.… gij weet wel wie ik meen, die hun gelaat zoo meesterlijk in hun macht hebben, dat het bij hen veeleer het masker, dan de spiegel der ziel mag heeten. In ’t algemeen doen de meeste menschen of het geheele leven eenbal masquéis, en hebben voor niets meer zorg, dan niet in hun eigen gedaante gezien en herkend te worden; zeer aardig en kunstig, dat moet ik zeggen, maar toch een weinig lastig voor dezulken, die geen grijns hebben kunnen machtig worden, of, zoo zij al eens een vreemde huik omhangen, haar zoo linksch dragen, dat zij veel hebben van den struisvogel, die meent dat zijn vervolgers hem niet zien, wanneer hij zijn kop in den grond steekt. Tot die minder bevoorrechte wezens behoor ik. Als ik iets zie of hoor dat mijn bewondering,[19]geestdrift of verontwaardiging gaande maakt, dadelijk werpt de springbron mijns harten zijn purper omhoog en overstroomt mijn anders bleek gezicht met een gloeienden blos; verneem of aanschouw ik daarentegen iets, dat mijn mededoogen of smartgevoel opwekt, terstond is de wel mijner tranen in beweging gebracht en dringt haar vocht opwaarts, dat, zoo het al mijn oog niet bereikt, mijn gorgel beklemt en aan mijn stem het geluid van een vochtige snaar geeft. Van daar dan ook dat ik, zelfs uren na een hevige gemoedsbeweging, er de sporen nog van behoud, gelijk de zee,si parva licet componere magnis, nog nastormt als de orkaan reeds is gaan liggen. Ik kan mij dus nooit in mijn eenzaamheid aan den stroom mijner aandoeningen overgeven, of mijn gezicht verraadt het geheim mijner afzondering. Zelfs heb ik geen baat gevonden bij het middel van een mijner geliefde Bijbelheiligen, van wien ik lees:EndeJosephhaestede hem, want sijn ingewant ontstack tegen sijnen broeder ende hij socht te weenen; ende hy ging in eene kamer, ende weende aldaer. Daer na wiesch hy syn aengesichte, ende quam uyt; ende hy bedwong hemselven.—Meermalen heb ik beproefd mijn gloeiende wangen af te koelen, en den helschitterenden straal in mijn oogen te dooven: vergeefs! mijn hart laat zich door geensourdinedwingen. Licht bewogen en omhoog gevoerd als een pluim, moet ik ook zachtkens als een pluim weêr naar beneden en in rust zinken.Deze zwakheid maakt dikwijls de spotzucht van mijnEdithagaande. Vruchteloos is het, dat ik met een gezicht zoo onnoozel als ik kan binnenkom, en met een stem, zoo gemaakt onverschillig als mij maar mogelijk is, over onverschillige dingen spreek; zij heeft mij alleen aan te zien om met een spottenden lach uit te roepen: „Jonathanheeft weêr geesten gezien!” In mijnEdithanu is dit niets vreemds; zij ziet den bodem van donkerder waters, dan waartoe ik behoor; maar dat ik mij voorJudithniet vermommen kan, zie, dat is wat heel erg. Want dat zij zoo veelbeteekenend lacht, als ik haar met het eenvoudigste gelaat der wereld zeg: „Voor niemand t’huis,Judith!” komt nergens anders uit voort, dan omdat zij dadelijk begrijpt, wat ik met die afzondering voorheb.Maar wel beschouwd, wat doet het er toe? Indien het een ondeugd in mij is, waarover ik het nog niet recht met mij zelven eens ben, week en gevoelig te zijn, waarom zou ik mij beter voordoen, dan ik ben? en indien het een deugd is, wat recht heb ik dan, daar ik zoo veel ondeugden onbedekt ten toon draag, mij over het weinigje deugd te schamen, waarop ik mij verheffen mag? Kom, dus maar weêr met moed het spotziek lachje van mijn goede oude getrotseerd!„Voor niemand t’huis,Judith!”Maar wat nuJudithniet weet, het is wat ik na dit voorspel in mijn kamer uitvoer. Zij moge mijn gelaat zien glinsteren, als ik van den berg terugkeer; zij weet niet wat op de hoogte is omgegaan. Ook is dit verschillend. Somtijds bedekt de wolk der afzondering geheimenissen, die een verborgenheid tusschen mij en mijn geweten blijven moeten. Op andere tijden evenwel zoek ik de eenzaamheid om redenen,[20]waarvan ik geen geheim behoef te maken. Zulk eene bij voorbeeld is de beschouwing van mijnAlbum.„De beschouwing van uwAlbum?”„Ja, Mejufvrouw! waarom niet?—ik weet wat UEd. zeggen wil: als ik mijnAlbumnooit dan in mijn eenzaamheid voor den dag mocht halen, zou ik er zoo’n ding niet op na willen houden—UEd. heeft volkomen gelijk. Want ziet UEd., uw album en het mijne hebben juist zooveel van elkander, als die prachtige goudencollier, dien UEd.om den hals heeft, en dit haren koordje aan mijn horlogie. Uw Album is een voorwerp van weelde, bijna zoo elegant als uw balwaaier. Heerlijk steekt het glanzige porselein van den koker tegen de sieraden van gepolijst staal af, waarmeê het belegd is; zie, men kan er zich in spiegelen. Zou ik durven wagen, het eens in te zien?”„Waarom niet, Mijnheer? het is er voor.”„Allerliefst! van wie is deze teekening?”„Och, wees zoo goed en zie eens op den rug, wat naam er op staat; ik weet het waarlijk zelve niet. Het is van eene Dame, die ik maar eens ontmoet heb.”„Ei zoo? maar wat is dit? Een vers van den Dichter *** Kent UEd. hem bijzonder.”„Pardonneer, ik heb hem nooit gesproken. Een mijner vriendinnen heeft hem voor mij om een handschrift gevraagd.”„Zoo, ik dacht ook al: ik heb dit vers meer van hem gelezen. Ik heb het nog in twee of drie Dames-Albums aangetroffen. Maar wat zie ik? Geducht! Welk een verzameling! Er zijn er wel honderd, geloof ik.”„Ja, ik ben druk aan ’t bijeengaren: dat is nu mijn stokpaardje. Mag ik u een blaadje aanbieden?”„Verschoon mij! ik schrijf nooit in—Albums.”Mijn simpel boekske! hoe staat gij bij dit prachtwerk achter! men zou nooit zeggen, dat gij van dezelfde familie waart. Zie het er eens deftig uitzien! Een zwart lederen band is zijn omslag, met een eenvoudig opschrift:PIAE. MEMORIAE. PARENTUM. AMICORUM.S.Die band houdt de weinige bladen, die het bevat, bijeen. Ik ben geen minnaar van den gewonen Album-vorm, tweehonderd losse bladen in een koker. Bij mij heeft altijd de regel gegolden, dien ik van anderen dan van de Franschen wenschte te ontleenen:Les amis de mes amis sont mes amis.Dien ik zoo lief had, dat ik hem zijn naam op dezen gedenksteen der vriendschap liet griffelen, mocht vrijelijk weten, wie buiten hem mij lief hadden, en hoe zij mij hunne liefde betuigden. Vriendschap is voor mij als de kelk van een roos, die de bladeren, welke zij draagt, niet alleen aan zich, maar ook aan elkander[21]verbindt; voor velen heeft zij meer van den vlinder, die de eene bloem na de andere kust, zonder ander onderling verband, dan dat hij ze allen beurtelings zijn hof maakt. Mijn armen vormen één band om al mijn vrienden; mijn Album vat hun aller namen in één.Maar juist daarom wordt mijn vriendenrol nooit tot een tentoonstelling gebezigd. Ik ben te jaloersch van de stemmen van liefde en vriendschap, die daarin klinken, om die aan het oor van onverschilligen prijs te geven. Ik heb te veel eerbied voor de uitdrukking der heiligste gevoelens, daarin uitgeboezemd, om die in het gesnater der dwaasheid te mengen. Ook zou mijn lezer er niets van zien, indien ik niet hoopte, dat de toon van vereering, waarmede hij mij over mijn boekske hoort spreken, hem beletten zal, het met de lichtzinnigheid van een gewoon Albumbeschouwer te bejegenen. En nog meer blijkt de prijs, dien ik op deze verzameling stel, uit de wijze, waarop ik er zelf mede omga. Het is namelijk lang mijn gewoonte niet, haar telkens in de hand te nemen. Ik doe dit niet, dan bij zeldzame gelegenheden; en alsdan ook niet ter loops, met de onachtzaamheid, waarmede ik een tijdschrift inzie; maar met een zekere plechtigheid, die ik mij toeschijn aan de gedachtenis der dierbaren, die daarin tot mij spreken, verschuldigd te zijn. Ja, dit gaat zoo verre, dat ik, gelijk de lezer reeds weet, mij nooit dat genoegen schenk, zonder mijn eenzaamheid voor stoornis te beveiligen, door het uitzetten van een schildwacht:„Voor niemand t’huis,Judith.”Lach niet! Hoor ten minste eerst mijn verdediging. Mijn Album, mijne vrienden! is voor mij een symbolum van het Verledene! geheimzinnige naam van een geheimzinnig wezen! Hoe zal ik den vorm beschrijven, waaronder het zich aan mij voordoet? Het heeft voor mijn verbeelding het voorkomen van een diep en donker gewelf, dat alleen van tijd tot tijd door een flauwen, bleeken lichtstraal daarin vallende verlicht wordt; vervuld met schaduwachtige gestalten, die door elkander zweven, en nu eens duidelijker voorkomen, dan zich weêr in den mist die den achtergrond bedekt verbergen, al naarmate het grillige schijnsel, dat als een bliksemstraal door het verwulf schiet, zijn licht naar dezen of genen hoek werpt. Maar er is iets pijnlijks en duizelachtigs in dat staren in een onbepaald verschiet en naar schemerende gedaanten. Ongelijk aangenamer is het dus, zich met een lamp in dit schimmenrijk te begeven, de gestalte op te zoeken die men begeert te vinden, haar uit dien grafnevel te ontwikkelen en los te maken, haar naar voren in een helderder dag te brengen, en zich alzoo met haar te onderhouden. Daartoe nu dient mij mijn Album. Als ik dat maar aanzie, staat het Verledene, door zichtbare gedaanten vertegenwoordigd, voor mij. Als ik dat open, klinken lang verdoofde stemmen mij onderscheidenlijk te gemoet.Het is dus een plechtig oogenblik, als ik dit gedenkstuk ontdek. Het is voor mij een soort van geestenbezweering; een oproeping als die vanSaulaan de waarzeggende vrouwe vanEndor:Doet my opkomen,[22]dien ick tot u seggen sal.—Ik stel mij alsdan in aanraking met wezens, die ver van mij, of hoog boven mij zijn. Ik daag hen bij hunne namen op, dwing hen met mij te spreken, spreek op mijn beurt tot hen en verkeer met hen als voorheen. Waarlijk, wij houden ons al te vreemd van de geestenwereld. Zeker is het goed, dat wij waarzeggers en horoskooptrekkers van onze kennissen weren; het is goed dat wij onze kinderen naar de fantasmagorische voorstellingen vanBambergbrengen en hun inprenten, dat het alles maar klinkklare begoocheling is; het is goed dat wijStilling’sGeestenwereld niet meer gebruiken, dan om elkander op een stormigen avond bang te maken; maar evenwel zijn wij misschien wel wat heel vrijgeestig op dit punt. Dood is dood! zegt men met den polichinel in de poppenkast, en gaat even als hij op de kist zitten, om den gevangene er in te houden. Het is jammer! de geesten, vooral als we ze zelven uit eigen beweging oproepen, zijn zulke indrukwekkende verschijningen! Zij brengen ons zulke belangrijke tijdingen uit het onbekende land! zij voeren zulke wijze lessen in den mond, die wij van de levenden niet hooren! Nu eens vertoonen zij zich als een vriendelijke jongelingsgestalte, met lichtstof bekleed, met een krans van sterren op het amberriekend haar en den paradijspalm in de hand, ons toeroepende:’t Ware leven is omhoog.Dan weêr hebben zij het ernstige voorkomen van den Profeet teGilboa, en schijnen met dreigend gelaat uit het graf op te komen om ons te waarschuwen:Morgen sult ghy by my syn.In een ander gezicht dragen zij het verheerlijkt beeld van een geliefden vader of dierbare moeder, die de laatste bede der stervende lippen komt herhalen, en ons de nakoming onzer jongste gelofte afvleien. In een nieuw visioen zien wij een dierbare gestalte voor den troon des Eeuwigen gebogen, en hooren haar onzen naam noemen.… O, het is iets heerlijks, aldus naar boven te zien, aldaar zijn geliefden te aanschouwen, en zoo door dezelfde koorden dier liefde, die hier op aarde onzen hemel schiep, zich van de aarde ten hemel te voelen opvoeren.. Hoe kan het zijn, dat men zichzelven dit genot zoo zelden schenkt? Hoe kan het zijn, dat men alleen oogen en ooren heeft voor de menschelijke gedaanten, die ons omringen, terwijl een krans van engelen, even als aan een beschilderd gewelf, boven ons hoofd zweeft en gereed is op den eersten wenk tot ons neêr te dalen. Zoo ook het grijs verledene! Ik heb er allen eerbied voor. Ik heb ontzag voor VaderHomerusen GrootvaderHerodotus, voor wijlenCiceroenSenecazaliger. Ik bewonder groote Geschiedkundigen, wier geheugen is als hetpapier sans finvan onze dagen, door een monnik uit de middeleeuwen beschreven. Ik vind het schoon, zoo te huis te zijn in de lanen der Attische Academie, dat men er een bestek van zou kunnen teekenen, en in de boschjes vanTusculanum, als in zijn eigen theetuintje. Ik vind het verwonderlijk, dat men zoo gemeenzaam is metQuinctilianusals met zijn Rector, en metAristoteles[23]als met zijn Professor. Maar wanneer aan die herinneringen, van het gestorveneRomeof begravenAtheneeigene jonge herinneringen worden opgeofferd; wanneer men voor die dooden van het voorgeslacht zijn eigen dooden vergeet, en metSulpiciuslanger rouw draagt overTullia, dan met zijn vrouw over zijn eigen kind; wanneer men, om in het klassiekeElysiumzoo gemeenzaam te zijn en daar alle menschen bij den voornaam te noemen, een vreemdeling wordt in de plaats, waarheen men hoopt dat zijn geliefden gegaan zijn, wier naam en beeld men uit het geheugen laat verdwijnen, zonder ze vast te houden; dan vrees ik dat men in de geestenwereld dezelfde fout begaat, als velen in de menschenwereld, van goede aan adelijke bekenden op te offeren. Waarlijk, het is niet goed, aldus alle gemeenschap met onze dooden af te snijden, en ze, even als de hovelingen den gestorven koning, in het gezicht van hun graf te verloochenen. Ik althans heb mij zelven die vrijheid nooit gegeven; ik weet niet waarom ik zou ophouden zoon te zijn, omdat mijn vader aan de andere zijde is, en niet verder naar zijne vermaningen luisteren. Ik weet niet, waarom ik mijn oor zou sluiten voor de geestenstemmen van hen, wier woorden mij vroeger eerwaardig of dierbaar waren. Van daar dat ik mijn Album niet als een gesloten boek, bij de doodcedels der gestorvenen die er in spreken, weggeborgen heb, maar het beschouw als een altijd geldend testament, waarin ze mij hun wil bekend maken met dien aandoenlijken nadruk, dien iedere stem voor ons heeft, welke ons van over een graf toeklinkt.Daar ligt het boek voor mij open.Het eerste blad is een gedachtenis van mijns vaders moeder. Toen ik mijn Album begon aan te leggen, was het mij een behoefte, het vóór alle anderen aan deze vrouw aan te bieden. Ik wist dat nooit iemand mij liever kon hebben, dan zij. Ik wist dat niemand mij een hartelijker, beter en liever wensch doen zou—en niemand ook met meer kans om verhoord te worden! Zij was een dier zeldzame wezens, wier zachte vroomheid ik weet niet wat aantrekkelijks heeft. Ik heb opgemerkt, dat de godsvrucht, ofschoon zij het sieraad van alle leeftijden is, evenwel aan den ouderdom het natuurlijkst staat; aan jonge menschen deelt zij somtijds iets gedwongens en stroefs, aan den middelbaren leeftijd iets strengs en hards mede; maar bij oude menschen is zij in volkomen harmonie met hun geheele wezen en bestaan: de vroomheid lacht uit het rimpelig gelaat van den grijze, en juicht in zijn gebroken stem. Het is iets vreemds, maar voor mijn gevoel heeft de vrome oude iets jeugdigs aan zich, dat in wonderlijke tegenspraak is met het verval van zijn lichaams- en zielskrachten. Ik heb het wel eens vergeleken met het slaan van de vleugelen des vlinders, op het oogenblik dat de pop zal doorbreken; het kon mij bij hen wezen, als zag ik in den aardschen mensch die wegstierf, den hemelschen mensch die zich vormde:Als brak een scheemring van den gloor,Die eens hun lichaam zal doorgloeien,[24]reeds nu door den kranken bouwval heen. Hoe het zij, mijn grootmoeder bezat voor mij een groote aantrekkelijkheid, en zoo, dat ik niet weet, of ik haar meer vereerde of lief had. Ik vroeg haar dus, mijn gedenkboek der liefde en vriendschap in te wijden. Zij deed het op hare wijze: zij nam haar ouden Staten-Bijbel, sloeg dien open en schreef daaruit met bevende hand op het eerste witte blad:MattheiX. 37. Die vader of moeder liefheeft boven my, en is myns niet weerdigh; en die sone ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.Een schoone spreuk aan den ingang van zulk een boekske. Zij wist, hoe dikwijls het een altaar is voor aardsche afgoden gesticht. Daarom schreef zij er met haren vromen vinger den naam des Allerhoogsten boven. Het was het D. O. M. boven de eerezuilen, voor onze gestorvenen opgericht. Hoe dikwijls is mij deze spreuk waarschuwend voor den geest gekomen. Nooit nam ik mijn Album in handen, om mij met het beeld mijner geliefden bezig te houden, of een blik op dit Bijbelwoord geworpen heiligde mijne gewaarwordingen. Bovenal is het mij ten aanzien van een der volgende namen van veel dienst geweest.Het volgende blad is van mijn vader. Hij was een man van een ingetrokken, strengen geest. Als hij in dien tijd geleefd had, zou men hem voor een Christen gehouden hebben, die uit deStoawas uitgegaan. Dit was evenwel meer het gevolg van zijn manieren, dan van zijn denkwijze. Er sliep in zijn hart een schat van liefde, dien zijn uiterlijk scheen te verloochenen. Hij was als een fontein, die haar verfrisschend water in marmer bevat. Het was iets schoons, als die harde steen op eenmaal milde en malsche stralen opwierp! Ik kwam met mijn Album op zijn kamer; hij zag het met een ernstigen blik in. Toen hij de spreuk van zijn moeder zag, glimlachte hij, maar terstond daarop stond zijn oog weêr strak en donker. Hij nam een pen op en schreefIN LIBRO ALBO FILII.NOMENSITOMEN.In hetwitte boekvan mijn zoon. Deze naam zij een voorteeken!Hierop gaf hij mij het boek terug, leide zijn hand zegenend op mijn hoofd, en wenkte mij te vertrekken.Nomen sit omen!Dat was een zware last van verantwoording, vader! dien gij op den hals van uwen zoon laaddet. Maar zeker, zoo iemand recht had zulk een verplichting op te leggen, gij waart het. Ik wil er u ook niet van beschuldigen, indien ik de witte smettelooze[25]bladen van mijn boek nu niet met zooveel gerustheid kan aanzien, als ik anders zou gedaan hebben; integendeel, ik dank u voor deze strenge les. De herinnering daaraan heeft zeker uitgewerkt, dat mijn levensboek hier en daar toch een vlek minder heeft, en ettelijke vlekken bevat, die door mijne tranen bijna zijn uitgewischt. En dit erken ik, zoo lang gij leefdet, hebt gij mij trouw met raad en daad geholpen, om zijn bladen wit en zuiver te houden. Zegen dus over uw assche! De Heer geve, dat gij u eens niet over uw kind zult te schamen hebben, als „de boecken geopend zullen worden.”Het blad dat nu volgt is van de hand mijner lieve moeder.Mariaheette zij, en beantwoorde geheel aan het beeld, dat die naam onwillekeurig voor den geest roept. Zij was geheel en al het kontrast van mijn vader. Mildheid, weekheid, aandoenlijkheid—die woorden schenen voor haar te zijn uitgevonden. Zij spreidde haar zachtheid, bedekkende en lenigende, over de strengheid mijns vaders, als sneeuw over een bevrozen grond. Van haar heb ik dien weemoed, die mij eigen is. Ik kan met den Dichter zeggen.Maar zalig is ’t, zoo soms een zachte smarte,Iets weeklijks, dat de linkerborst doorwoelt,Iets vochtigs, in ’t vertederd oog gevoeld,Herinnert aan mijn Moeders teder harte.Ik heb echter wel eens getwijfeld, of zij mij niet al te veel van haar gevoeligheid heeft overgedaan: en tien tegen één, lezer! dat gij dit ook reeds meermalen gedacht hebt. Het zij; ik wil er niet over klagen of morren, al ware ’t alleen, omdat het een geschenk van mijn lieve moeder is.Toen ik bij haar kwam met het verzoek om haar naam in mijn Album te schrijven, nam zij het boek, en beloofde aan mijn bede te voldoen. Eenige dagen later riep zij mij tot zich, en gaf het mij met een halflachend, halfschreiend oog weder. Het blad door haar ingevuld bevatte een teekening; want zij teekende uitmuntend. Het was een Bijbelsche voorstelling vanMatth.XIX. 18:Doe wierden kinderkens tot hem gebracht, opdat hy de handen haer soude opleggen ende bidden.Tusschen de moeder op den voorgrond en haar was een zweem van gelijkenis. Aan den voet van het tafereel stond in plaats van het gewonefecitofdelineavit, Amen! en daaronder haar naam. Het stuk voerde geen datum. En indedaad, welken dag zou het hebben aangenomen? Want wèl was haar moederliefdeEenlanggebed van ’t kraambed tot de dood.Ziedaar mijn moeder geheel! geen les, geen vermaning; niets dan een bede. Nooit zie ik dit blaadje, of de woorden zweven mij op de lippen:Sancta Maria, ora pro nobis.Nu volgen de Albumbladen mijner overige betrekkingen en vrienden. Ofschoon mij niet allen even dierbaar, is er toch geen handschrift bij,[26]dat mij niet zeer lief is. Over het algemeen is de inhoud in den geest van de eerste bladen. Het schijnt dat de kleur der vroomheid, door mijn grootmoeder en ouders aan het boekske gegeven, onwillekeurig op de latere bijdragen haren invloed heeft uitgeoefend. Zoo verbindt mijn Album niet alleen één band, maar ook één geest.Om een enkel woord te noemen, een mijner vrienden heeft op het hem toegewezen blad een antieken wachttoren geteekend, en daaronder het Hebreeuwsche woord:‏המּצפה‎geplaatst met de aanwijzing:GenesisXXXI. 49,waar ik lees, datJacobna den vreedzamen afloop zijner ontmoeting metLabaneen hoop steenen maakte, en daarop met den man at: waarna hij dien steenhoop den naam gaf vanMizpa, welk woord eenwachttorenbeteekent „omdat hy seyde, dat deHeereopzicht neme tusschen my en tusschen u, wanneer wy d’een van d’ander sullen verborgen zijn.” Welk een schoon en veelbeteekenend zinnebeeld! Mijn vriend wenscht mij niets uit zich zelven; hij bidt alleen, dat de Heer het oog waakzaam over mij geopend houde, als het oog van zijne liefde mij niet zal kunnen gadeslaan. Is het niet als een altoosdurend gebed voor mij opgezonden? O, nooit zie ik dit blad aan, of mijn oog richt zich onwillekeurig naar boven, en het is of ik uit de hoogte des Heeren oog beschermend op mij zie rusten.…Het blad, dat daarop volgt.… ziet gij, dat heeft een los Album voor, men kan er de bladen uitnemen en op zij leggen. Had ik dat ook met dit blad kunnen doen! Maar neen, het is zoo beter. Het bevatte oorspronkelijk een teekening, een portret; men ziet er de sporen nog van. Het was het afbeeldsel van den liefsten vriend mijner jeugd, een jong mensch vol beminnelijke en bevallige hoedanigheden. Toen ik hem om een bijdrage voor mijn Album verzocht, liet hij door een beroemd teekenaar zijn beelteniscrayonneeren, en hechtte die op het voor hem bestemde blad, met het onderschrift van zijn hand:semper idem. Semper idem!een wreede logen! een bittere spot! Geen mensch op de wereld heeft mij het honderdste gedeelte van het leed berokkend, dat mij van deze eenmaal geliefde hand werd aangedaan.Et tu, Brute!Hij ontroofde mij.… maar heb ik hem niet vergeven? Evenwel, het deed mij pijn, zijn gelaat hier telkens terug te vinden, te midden van hen die mij het liefst hadden, en wier trouw op de proef gebleken was. Ik kon die valsche trekken niet aanzien met het onderschrift:semper idem.Daarom deed ik met dit portret, wat de Edelen met het afbeeldsel van deapostatenhuns Stambooms doen; ik nam het weg, door het van het blad, dat het vasthield, af te lichten, zoodat er niets dan de enkele naam overbleef om aan te toonen, wie het is, die hier van deze zijn plaats is uitgevallen. Mij dacht, deze wraak was billijk, of liever het was geen wraak—het diende mij alleen om hem en mij-zelven de bitterheid te besparen, die zijn aanblik noodzakelijk in mij moest opwekken. Waartoe zou hij nog langer zijn plaats onder mijn overige trouwe vrienden behouden hebben? hij had zelf zijn naam van mijn[27]Stamboek uitgewischt; hij had met eigen hand den steen onzes verbonds omgeworpen, en het handschrift onzer vriendschap verscheurd. Menige traan is op dit donkere blaadje gevallen. Misschien had ik den innemenden jongeling al te lief. En is dit niet de eerste spreuk in mijn boekske:Wie vader of dochter lief heeft boven my en is myns niet weerdigh; ende wie soon ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.Ik bevoorrechte, dat ik slechts een enkelen uit den kring mijner vrienden heb zien wegvallen. De overigen zijn mij allen trouw gebleven, en hebben hun handteekening met hun leven bezegeld. Niemand hunner heeft den zegen van mij teruggenomen, dien zijn mond over mij had uitgesproken. Wat meer is, ik ben er zeker van, dat wie op deze bladen voor mij gebeden heeft, nog heden—beneden of boven—voor mij bidt. Ja, ook boven! Reeds zijn er verscheidene, van wie de hand verstijfd is, waarmede zij hier hun namen nederschreven. Gij leest het op den rug in de woordendefunctus, met opgave van den dag huns overlijdens. Ik kan hun namen niet aanzien zonder droevig te worden; ik heb ze allen zoo zeer lief gehad; ik had ze zoo gaarne bij mij gehouden. En toch, ik benij ze hun geluk zoo weinig. O, hoe veel verschilt het gevoel, waarmede ik hun naam lees, bij dat, waarmede ik het portret van mijn ontrouwen vriend aanzie.… neen! zij zijn niet voor mij verloren; het verbond met hen is niet verbroken: integendeel, de dood heeft het bevestigd, de dood is het zegel der trouw. Deze kunnen mij niet meer ontvallen; ik kan hun geen ontrouw meer aandoen. Men beschuldigt den dood dikwijls van scheiding te maken tusschen geliefden.… ten onrechte! de dood vereenigt voor altijd wat voor een tijd vereenigd was: alleen het leven scheidt.…Zie ik u daar, mijn ongeluks-blad? Het bevat niets dan eene enkele vlok haar, van het schoonste blond, met een draad van rozekleurige zij aan het papier gehecht. Geen naam, geen onderschrift, niets dan een datum.—Hierover geen woord, geen klacht, niets dan een zucht!Buitendien zijn er nog enkele bladen, zonder een bepaalde inscriptie te bevatten: met een enkelen naam geteekend, waarbij dan het een of andersouvenirgevonden wordt; een verdorde bloem—een wilgen- of cypressenblad—en wat nog geringer is dan dit; kleine nietswaardige relieken, maar mij dierbaar om der herinneringen wil, die er zich aan verbinden. De verbeelding is met zoo weinig te vreden! Voor mij is het genoeg enkele dier voorwerpen alleen te zien, om een geheel verleden voor mij te doen oprijzen. Van daar dat ik zelden op éénen avond met de beschouwing van mijn Album gereed kom, maar meestal een tweede bevel moet uitvaardigen:„Voor niemand t’huis,Judith.”Voor ditmaal zullen wij echter het boek sluiten. Daar ligt zij, de geschiedenis mijns harten, door de eigen hand mijner geliefden geschreven. O, ik kan haar niet aanzien, zonder een oog van onuitsprekelijke liefde op haar te vestigen. Niet alle menschen zijn zoo rijk aan onverdiende[28]genegenheid, als de bezitter dezer vriendenrol. Indien de liefde der menschen, naar het zeggen van den ouden Dichter, zich in zegen des Heeren verkeert, gezegend dan o mijne tente, waarop die dauw rijk en mild „als Hermons dauw op de berghen Zions” is neêrgedaald.En nu, wat zal er van u worden, mijn lief Album! Zal ik u in de hand mijns erfgenaams laten, om misschien nog tot een tentoonstelling voor mijn achter-kleinnichten te dienen? Neen, wees gerust, mijn oud, trouwCodex amicitiæ! Uw plaats is reedsaangewezenin de lade met het opschrift:de inhoud dezes na mijn dood ongeopend te verbranden. Gij zult uw meester niet overleven, maar als een vereerster van Brama, hem langs den weg des vuurs in den dood volgen. Uw stof zal verstrooid worden, en de vier winden zullen dezuchtenverwaaien, in uw boezem uitgestort!Maar wij, mijn vrienden, wat zal er van ons worden? Neen, ons stof moge uiteen stuiven, vergaan zal het niet. Eens zullen wij uit onze graven verrijzen, en met een nieuw lichaam bekleed elkander wedervinden in „de algemeyne Vergaderinge ende de Gemeynte der eerst-gheborenen die in de Hemelen opgeschreven zijn, ende de geesten der volmaeckte rechtveerdige.”Verrukkelijk denkbeeld! Allen weêr te zien, die ik hier heb lief gehad: met al die beminnelijke hoedanigheden, waarom ik ze lief had, ja die alle nog eindeloos verhoogd, gezuiverd, verfijnd en veredeld! O mijn Album, als ik bedenk, dat misschien.… de Engel des levens register houdt van de namen in u bevat, en die alle geschreven heeft in het boek des levens, dan ontvallen uw bladen aan mijn bevende handen.… „mijne nieren verlangen seer in mijnen schoot!”[29]

HET ALBUM.

„Voor niemand t’huis,Judith!”Als ik deze order geef, ziet mijn oude huiszorg mij gewoonlijk met een meesmuilenden glimlach aan. Hoe zij er achter gekomen is, weet ik niet; maar zij schijnt eenig vermoeden te hebben, om welke reden ik mij aldus afzonder. Ik heb wel eens beproefd haar van den weg te brengen, door bij zulk een gelegenheid in mijzelven te mompelen: „Ik heb papieren die ik moet nazien—ik heb belangrijke brieven te beantwoorden—ik moet een balans maken”—maar dit baat mij niets. De oude weet heel goed, dat ik buiten de Haarlemmer Courant nooit eenig papier van gewicht krijg; dat de brieven die ik ontvang niet veel meer bevatten dan een „God zegene u!”mij door den een of anderen vriend toegeroepen; en vooral dat mijn balans zoo eenvoudig is als een bakkers kerfstok. Zij is dus geendupevan dezekrijgslist, en begrijpt volkomen den verborgen zin van ditconsigne. Ik wil alleen zijn om eens ongestoord—och ja, te mijmeren!—Ik geloof dat ik wel kan nagaan, hoe zij hierop gekomen is. Ik heb namelijk volstrekt geen slag om mijn uitwendig voorkomen te beheerschen. Wat in mijn hart omgaat, verraadt zich dadelijk over mijn geheele wezen. Als mijn onbevallig figuur en vale kleur geeneparodieop de vergelijking ware, zou ik wel willen zeggen; dat ik naar een albasten vaas gelijk, waardoor de vlam die er in brandt in rooden gloed heenschemert. Zoo veel is ten minste zeker, dat ik niets heb van Mijnheer.… gij kent hem wel, en Mevrouw.… gij weet wel wie ik meen, die hun gelaat zoo meesterlijk in hun macht hebben, dat het bij hen veeleer het masker, dan de spiegel der ziel mag heeten. In ’t algemeen doen de meeste menschen of het geheele leven eenbal masquéis, en hebben voor niets meer zorg, dan niet in hun eigen gedaante gezien en herkend te worden; zeer aardig en kunstig, dat moet ik zeggen, maar toch een weinig lastig voor dezulken, die geen grijns hebben kunnen machtig worden, of, zoo zij al eens een vreemde huik omhangen, haar zoo linksch dragen, dat zij veel hebben van den struisvogel, die meent dat zijn vervolgers hem niet zien, wanneer hij zijn kop in den grond steekt. Tot die minder bevoorrechte wezens behoor ik. Als ik iets zie of hoor dat mijn bewondering,[19]geestdrift of verontwaardiging gaande maakt, dadelijk werpt de springbron mijns harten zijn purper omhoog en overstroomt mijn anders bleek gezicht met een gloeienden blos; verneem of aanschouw ik daarentegen iets, dat mijn mededoogen of smartgevoel opwekt, terstond is de wel mijner tranen in beweging gebracht en dringt haar vocht opwaarts, dat, zoo het al mijn oog niet bereikt, mijn gorgel beklemt en aan mijn stem het geluid van een vochtige snaar geeft. Van daar dan ook dat ik, zelfs uren na een hevige gemoedsbeweging, er de sporen nog van behoud, gelijk de zee,si parva licet componere magnis, nog nastormt als de orkaan reeds is gaan liggen. Ik kan mij dus nooit in mijn eenzaamheid aan den stroom mijner aandoeningen overgeven, of mijn gezicht verraadt het geheim mijner afzondering. Zelfs heb ik geen baat gevonden bij het middel van een mijner geliefde Bijbelheiligen, van wien ik lees:EndeJosephhaestede hem, want sijn ingewant ontstack tegen sijnen broeder ende hij socht te weenen; ende hy ging in eene kamer, ende weende aldaer. Daer na wiesch hy syn aengesichte, ende quam uyt; ende hy bedwong hemselven.—Meermalen heb ik beproefd mijn gloeiende wangen af te koelen, en den helschitterenden straal in mijn oogen te dooven: vergeefs! mijn hart laat zich door geensourdinedwingen. Licht bewogen en omhoog gevoerd als een pluim, moet ik ook zachtkens als een pluim weêr naar beneden en in rust zinken.Deze zwakheid maakt dikwijls de spotzucht van mijnEdithagaande. Vruchteloos is het, dat ik met een gezicht zoo onnoozel als ik kan binnenkom, en met een stem, zoo gemaakt onverschillig als mij maar mogelijk is, over onverschillige dingen spreek; zij heeft mij alleen aan te zien om met een spottenden lach uit te roepen: „Jonathanheeft weêr geesten gezien!” In mijnEdithanu is dit niets vreemds; zij ziet den bodem van donkerder waters, dan waartoe ik behoor; maar dat ik mij voorJudithniet vermommen kan, zie, dat is wat heel erg. Want dat zij zoo veelbeteekenend lacht, als ik haar met het eenvoudigste gelaat der wereld zeg: „Voor niemand t’huis,Judith!” komt nergens anders uit voort, dan omdat zij dadelijk begrijpt, wat ik met die afzondering voorheb.Maar wel beschouwd, wat doet het er toe? Indien het een ondeugd in mij is, waarover ik het nog niet recht met mij zelven eens ben, week en gevoelig te zijn, waarom zou ik mij beter voordoen, dan ik ben? en indien het een deugd is, wat recht heb ik dan, daar ik zoo veel ondeugden onbedekt ten toon draag, mij over het weinigje deugd te schamen, waarop ik mij verheffen mag? Kom, dus maar weêr met moed het spotziek lachje van mijn goede oude getrotseerd!„Voor niemand t’huis,Judith!”Maar wat nuJudithniet weet, het is wat ik na dit voorspel in mijn kamer uitvoer. Zij moge mijn gelaat zien glinsteren, als ik van den berg terugkeer; zij weet niet wat op de hoogte is omgegaan. Ook is dit verschillend. Somtijds bedekt de wolk der afzondering geheimenissen, die een verborgenheid tusschen mij en mijn geweten blijven moeten. Op andere tijden evenwel zoek ik de eenzaamheid om redenen,[20]waarvan ik geen geheim behoef te maken. Zulk eene bij voorbeeld is de beschouwing van mijnAlbum.„De beschouwing van uwAlbum?”„Ja, Mejufvrouw! waarom niet?—ik weet wat UEd. zeggen wil: als ik mijnAlbumnooit dan in mijn eenzaamheid voor den dag mocht halen, zou ik er zoo’n ding niet op na willen houden—UEd. heeft volkomen gelijk. Want ziet UEd., uw album en het mijne hebben juist zooveel van elkander, als die prachtige goudencollier, dien UEd.om den hals heeft, en dit haren koordje aan mijn horlogie. Uw Album is een voorwerp van weelde, bijna zoo elegant als uw balwaaier. Heerlijk steekt het glanzige porselein van den koker tegen de sieraden van gepolijst staal af, waarmeê het belegd is; zie, men kan er zich in spiegelen. Zou ik durven wagen, het eens in te zien?”„Waarom niet, Mijnheer? het is er voor.”„Allerliefst! van wie is deze teekening?”„Och, wees zoo goed en zie eens op den rug, wat naam er op staat; ik weet het waarlijk zelve niet. Het is van eene Dame, die ik maar eens ontmoet heb.”„Ei zoo? maar wat is dit? Een vers van den Dichter *** Kent UEd. hem bijzonder.”„Pardonneer, ik heb hem nooit gesproken. Een mijner vriendinnen heeft hem voor mij om een handschrift gevraagd.”„Zoo, ik dacht ook al: ik heb dit vers meer van hem gelezen. Ik heb het nog in twee of drie Dames-Albums aangetroffen. Maar wat zie ik? Geducht! Welk een verzameling! Er zijn er wel honderd, geloof ik.”„Ja, ik ben druk aan ’t bijeengaren: dat is nu mijn stokpaardje. Mag ik u een blaadje aanbieden?”„Verschoon mij! ik schrijf nooit in—Albums.”Mijn simpel boekske! hoe staat gij bij dit prachtwerk achter! men zou nooit zeggen, dat gij van dezelfde familie waart. Zie het er eens deftig uitzien! Een zwart lederen band is zijn omslag, met een eenvoudig opschrift:PIAE. MEMORIAE. PARENTUM. AMICORUM.S.Die band houdt de weinige bladen, die het bevat, bijeen. Ik ben geen minnaar van den gewonen Album-vorm, tweehonderd losse bladen in een koker. Bij mij heeft altijd de regel gegolden, dien ik van anderen dan van de Franschen wenschte te ontleenen:Les amis de mes amis sont mes amis.Dien ik zoo lief had, dat ik hem zijn naam op dezen gedenksteen der vriendschap liet griffelen, mocht vrijelijk weten, wie buiten hem mij lief hadden, en hoe zij mij hunne liefde betuigden. Vriendschap is voor mij als de kelk van een roos, die de bladeren, welke zij draagt, niet alleen aan zich, maar ook aan elkander[21]verbindt; voor velen heeft zij meer van den vlinder, die de eene bloem na de andere kust, zonder ander onderling verband, dan dat hij ze allen beurtelings zijn hof maakt. Mijn armen vormen één band om al mijn vrienden; mijn Album vat hun aller namen in één.Maar juist daarom wordt mijn vriendenrol nooit tot een tentoonstelling gebezigd. Ik ben te jaloersch van de stemmen van liefde en vriendschap, die daarin klinken, om die aan het oor van onverschilligen prijs te geven. Ik heb te veel eerbied voor de uitdrukking der heiligste gevoelens, daarin uitgeboezemd, om die in het gesnater der dwaasheid te mengen. Ook zou mijn lezer er niets van zien, indien ik niet hoopte, dat de toon van vereering, waarmede hij mij over mijn boekske hoort spreken, hem beletten zal, het met de lichtzinnigheid van een gewoon Albumbeschouwer te bejegenen. En nog meer blijkt de prijs, dien ik op deze verzameling stel, uit de wijze, waarop ik er zelf mede omga. Het is namelijk lang mijn gewoonte niet, haar telkens in de hand te nemen. Ik doe dit niet, dan bij zeldzame gelegenheden; en alsdan ook niet ter loops, met de onachtzaamheid, waarmede ik een tijdschrift inzie; maar met een zekere plechtigheid, die ik mij toeschijn aan de gedachtenis der dierbaren, die daarin tot mij spreken, verschuldigd te zijn. Ja, dit gaat zoo verre, dat ik, gelijk de lezer reeds weet, mij nooit dat genoegen schenk, zonder mijn eenzaamheid voor stoornis te beveiligen, door het uitzetten van een schildwacht:„Voor niemand t’huis,Judith.”Lach niet! Hoor ten minste eerst mijn verdediging. Mijn Album, mijne vrienden! is voor mij een symbolum van het Verledene! geheimzinnige naam van een geheimzinnig wezen! Hoe zal ik den vorm beschrijven, waaronder het zich aan mij voordoet? Het heeft voor mijn verbeelding het voorkomen van een diep en donker gewelf, dat alleen van tijd tot tijd door een flauwen, bleeken lichtstraal daarin vallende verlicht wordt; vervuld met schaduwachtige gestalten, die door elkander zweven, en nu eens duidelijker voorkomen, dan zich weêr in den mist die den achtergrond bedekt verbergen, al naarmate het grillige schijnsel, dat als een bliksemstraal door het verwulf schiet, zijn licht naar dezen of genen hoek werpt. Maar er is iets pijnlijks en duizelachtigs in dat staren in een onbepaald verschiet en naar schemerende gedaanten. Ongelijk aangenamer is het dus, zich met een lamp in dit schimmenrijk te begeven, de gestalte op te zoeken die men begeert te vinden, haar uit dien grafnevel te ontwikkelen en los te maken, haar naar voren in een helderder dag te brengen, en zich alzoo met haar te onderhouden. Daartoe nu dient mij mijn Album. Als ik dat maar aanzie, staat het Verledene, door zichtbare gedaanten vertegenwoordigd, voor mij. Als ik dat open, klinken lang verdoofde stemmen mij onderscheidenlijk te gemoet.Het is dus een plechtig oogenblik, als ik dit gedenkstuk ontdek. Het is voor mij een soort van geestenbezweering; een oproeping als die vanSaulaan de waarzeggende vrouwe vanEndor:Doet my opkomen,[22]dien ick tot u seggen sal.—Ik stel mij alsdan in aanraking met wezens, die ver van mij, of hoog boven mij zijn. Ik daag hen bij hunne namen op, dwing hen met mij te spreken, spreek op mijn beurt tot hen en verkeer met hen als voorheen. Waarlijk, wij houden ons al te vreemd van de geestenwereld. Zeker is het goed, dat wij waarzeggers en horoskooptrekkers van onze kennissen weren; het is goed dat wij onze kinderen naar de fantasmagorische voorstellingen vanBambergbrengen en hun inprenten, dat het alles maar klinkklare begoocheling is; het is goed dat wijStilling’sGeestenwereld niet meer gebruiken, dan om elkander op een stormigen avond bang te maken; maar evenwel zijn wij misschien wel wat heel vrijgeestig op dit punt. Dood is dood! zegt men met den polichinel in de poppenkast, en gaat even als hij op de kist zitten, om den gevangene er in te houden. Het is jammer! de geesten, vooral als we ze zelven uit eigen beweging oproepen, zijn zulke indrukwekkende verschijningen! Zij brengen ons zulke belangrijke tijdingen uit het onbekende land! zij voeren zulke wijze lessen in den mond, die wij van de levenden niet hooren! Nu eens vertoonen zij zich als een vriendelijke jongelingsgestalte, met lichtstof bekleed, met een krans van sterren op het amberriekend haar en den paradijspalm in de hand, ons toeroepende:’t Ware leven is omhoog.Dan weêr hebben zij het ernstige voorkomen van den Profeet teGilboa, en schijnen met dreigend gelaat uit het graf op te komen om ons te waarschuwen:Morgen sult ghy by my syn.In een ander gezicht dragen zij het verheerlijkt beeld van een geliefden vader of dierbare moeder, die de laatste bede der stervende lippen komt herhalen, en ons de nakoming onzer jongste gelofte afvleien. In een nieuw visioen zien wij een dierbare gestalte voor den troon des Eeuwigen gebogen, en hooren haar onzen naam noemen.… O, het is iets heerlijks, aldus naar boven te zien, aldaar zijn geliefden te aanschouwen, en zoo door dezelfde koorden dier liefde, die hier op aarde onzen hemel schiep, zich van de aarde ten hemel te voelen opvoeren.. Hoe kan het zijn, dat men zichzelven dit genot zoo zelden schenkt? Hoe kan het zijn, dat men alleen oogen en ooren heeft voor de menschelijke gedaanten, die ons omringen, terwijl een krans van engelen, even als aan een beschilderd gewelf, boven ons hoofd zweeft en gereed is op den eersten wenk tot ons neêr te dalen. Zoo ook het grijs verledene! Ik heb er allen eerbied voor. Ik heb ontzag voor VaderHomerusen GrootvaderHerodotus, voor wijlenCiceroenSenecazaliger. Ik bewonder groote Geschiedkundigen, wier geheugen is als hetpapier sans finvan onze dagen, door een monnik uit de middeleeuwen beschreven. Ik vind het schoon, zoo te huis te zijn in de lanen der Attische Academie, dat men er een bestek van zou kunnen teekenen, en in de boschjes vanTusculanum, als in zijn eigen theetuintje. Ik vind het verwonderlijk, dat men zoo gemeenzaam is metQuinctilianusals met zijn Rector, en metAristoteles[23]als met zijn Professor. Maar wanneer aan die herinneringen, van het gestorveneRomeof begravenAtheneeigene jonge herinneringen worden opgeofferd; wanneer men voor die dooden van het voorgeslacht zijn eigen dooden vergeet, en metSulpiciuslanger rouw draagt overTullia, dan met zijn vrouw over zijn eigen kind; wanneer men, om in het klassiekeElysiumzoo gemeenzaam te zijn en daar alle menschen bij den voornaam te noemen, een vreemdeling wordt in de plaats, waarheen men hoopt dat zijn geliefden gegaan zijn, wier naam en beeld men uit het geheugen laat verdwijnen, zonder ze vast te houden; dan vrees ik dat men in de geestenwereld dezelfde fout begaat, als velen in de menschenwereld, van goede aan adelijke bekenden op te offeren. Waarlijk, het is niet goed, aldus alle gemeenschap met onze dooden af te snijden, en ze, even als de hovelingen den gestorven koning, in het gezicht van hun graf te verloochenen. Ik althans heb mij zelven die vrijheid nooit gegeven; ik weet niet waarom ik zou ophouden zoon te zijn, omdat mijn vader aan de andere zijde is, en niet verder naar zijne vermaningen luisteren. Ik weet niet, waarom ik mijn oor zou sluiten voor de geestenstemmen van hen, wier woorden mij vroeger eerwaardig of dierbaar waren. Van daar dat ik mijn Album niet als een gesloten boek, bij de doodcedels der gestorvenen die er in spreken, weggeborgen heb, maar het beschouw als een altijd geldend testament, waarin ze mij hun wil bekend maken met dien aandoenlijken nadruk, dien iedere stem voor ons heeft, welke ons van over een graf toeklinkt.Daar ligt het boek voor mij open.Het eerste blad is een gedachtenis van mijns vaders moeder. Toen ik mijn Album begon aan te leggen, was het mij een behoefte, het vóór alle anderen aan deze vrouw aan te bieden. Ik wist dat nooit iemand mij liever kon hebben, dan zij. Ik wist dat niemand mij een hartelijker, beter en liever wensch doen zou—en niemand ook met meer kans om verhoord te worden! Zij was een dier zeldzame wezens, wier zachte vroomheid ik weet niet wat aantrekkelijks heeft. Ik heb opgemerkt, dat de godsvrucht, ofschoon zij het sieraad van alle leeftijden is, evenwel aan den ouderdom het natuurlijkst staat; aan jonge menschen deelt zij somtijds iets gedwongens en stroefs, aan den middelbaren leeftijd iets strengs en hards mede; maar bij oude menschen is zij in volkomen harmonie met hun geheele wezen en bestaan: de vroomheid lacht uit het rimpelig gelaat van den grijze, en juicht in zijn gebroken stem. Het is iets vreemds, maar voor mijn gevoel heeft de vrome oude iets jeugdigs aan zich, dat in wonderlijke tegenspraak is met het verval van zijn lichaams- en zielskrachten. Ik heb het wel eens vergeleken met het slaan van de vleugelen des vlinders, op het oogenblik dat de pop zal doorbreken; het kon mij bij hen wezen, als zag ik in den aardschen mensch die wegstierf, den hemelschen mensch die zich vormde:Als brak een scheemring van den gloor,Die eens hun lichaam zal doorgloeien,[24]reeds nu door den kranken bouwval heen. Hoe het zij, mijn grootmoeder bezat voor mij een groote aantrekkelijkheid, en zoo, dat ik niet weet, of ik haar meer vereerde of lief had. Ik vroeg haar dus, mijn gedenkboek der liefde en vriendschap in te wijden. Zij deed het op hare wijze: zij nam haar ouden Staten-Bijbel, sloeg dien open en schreef daaruit met bevende hand op het eerste witte blad:MattheiX. 37. Die vader of moeder liefheeft boven my, en is myns niet weerdigh; en die sone ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.Een schoone spreuk aan den ingang van zulk een boekske. Zij wist, hoe dikwijls het een altaar is voor aardsche afgoden gesticht. Daarom schreef zij er met haren vromen vinger den naam des Allerhoogsten boven. Het was het D. O. M. boven de eerezuilen, voor onze gestorvenen opgericht. Hoe dikwijls is mij deze spreuk waarschuwend voor den geest gekomen. Nooit nam ik mijn Album in handen, om mij met het beeld mijner geliefden bezig te houden, of een blik op dit Bijbelwoord geworpen heiligde mijne gewaarwordingen. Bovenal is het mij ten aanzien van een der volgende namen van veel dienst geweest.Het volgende blad is van mijn vader. Hij was een man van een ingetrokken, strengen geest. Als hij in dien tijd geleefd had, zou men hem voor een Christen gehouden hebben, die uit deStoawas uitgegaan. Dit was evenwel meer het gevolg van zijn manieren, dan van zijn denkwijze. Er sliep in zijn hart een schat van liefde, dien zijn uiterlijk scheen te verloochenen. Hij was als een fontein, die haar verfrisschend water in marmer bevat. Het was iets schoons, als die harde steen op eenmaal milde en malsche stralen opwierp! Ik kwam met mijn Album op zijn kamer; hij zag het met een ernstigen blik in. Toen hij de spreuk van zijn moeder zag, glimlachte hij, maar terstond daarop stond zijn oog weêr strak en donker. Hij nam een pen op en schreefIN LIBRO ALBO FILII.NOMENSITOMEN.In hetwitte boekvan mijn zoon. Deze naam zij een voorteeken!Hierop gaf hij mij het boek terug, leide zijn hand zegenend op mijn hoofd, en wenkte mij te vertrekken.Nomen sit omen!Dat was een zware last van verantwoording, vader! dien gij op den hals van uwen zoon laaddet. Maar zeker, zoo iemand recht had zulk een verplichting op te leggen, gij waart het. Ik wil er u ook niet van beschuldigen, indien ik de witte smettelooze[25]bladen van mijn boek nu niet met zooveel gerustheid kan aanzien, als ik anders zou gedaan hebben; integendeel, ik dank u voor deze strenge les. De herinnering daaraan heeft zeker uitgewerkt, dat mijn levensboek hier en daar toch een vlek minder heeft, en ettelijke vlekken bevat, die door mijne tranen bijna zijn uitgewischt. En dit erken ik, zoo lang gij leefdet, hebt gij mij trouw met raad en daad geholpen, om zijn bladen wit en zuiver te houden. Zegen dus over uw assche! De Heer geve, dat gij u eens niet over uw kind zult te schamen hebben, als „de boecken geopend zullen worden.”Het blad dat nu volgt is van de hand mijner lieve moeder.Mariaheette zij, en beantwoorde geheel aan het beeld, dat die naam onwillekeurig voor den geest roept. Zij was geheel en al het kontrast van mijn vader. Mildheid, weekheid, aandoenlijkheid—die woorden schenen voor haar te zijn uitgevonden. Zij spreidde haar zachtheid, bedekkende en lenigende, over de strengheid mijns vaders, als sneeuw over een bevrozen grond. Van haar heb ik dien weemoed, die mij eigen is. Ik kan met den Dichter zeggen.Maar zalig is ’t, zoo soms een zachte smarte,Iets weeklijks, dat de linkerborst doorwoelt,Iets vochtigs, in ’t vertederd oog gevoeld,Herinnert aan mijn Moeders teder harte.Ik heb echter wel eens getwijfeld, of zij mij niet al te veel van haar gevoeligheid heeft overgedaan: en tien tegen één, lezer! dat gij dit ook reeds meermalen gedacht hebt. Het zij; ik wil er niet over klagen of morren, al ware ’t alleen, omdat het een geschenk van mijn lieve moeder is.Toen ik bij haar kwam met het verzoek om haar naam in mijn Album te schrijven, nam zij het boek, en beloofde aan mijn bede te voldoen. Eenige dagen later riep zij mij tot zich, en gaf het mij met een halflachend, halfschreiend oog weder. Het blad door haar ingevuld bevatte een teekening; want zij teekende uitmuntend. Het was een Bijbelsche voorstelling vanMatth.XIX. 18:Doe wierden kinderkens tot hem gebracht, opdat hy de handen haer soude opleggen ende bidden.Tusschen de moeder op den voorgrond en haar was een zweem van gelijkenis. Aan den voet van het tafereel stond in plaats van het gewonefecitofdelineavit, Amen! en daaronder haar naam. Het stuk voerde geen datum. En indedaad, welken dag zou het hebben aangenomen? Want wèl was haar moederliefdeEenlanggebed van ’t kraambed tot de dood.Ziedaar mijn moeder geheel! geen les, geen vermaning; niets dan een bede. Nooit zie ik dit blaadje, of de woorden zweven mij op de lippen:Sancta Maria, ora pro nobis.Nu volgen de Albumbladen mijner overige betrekkingen en vrienden. Ofschoon mij niet allen even dierbaar, is er toch geen handschrift bij,[26]dat mij niet zeer lief is. Over het algemeen is de inhoud in den geest van de eerste bladen. Het schijnt dat de kleur der vroomheid, door mijn grootmoeder en ouders aan het boekske gegeven, onwillekeurig op de latere bijdragen haren invloed heeft uitgeoefend. Zoo verbindt mijn Album niet alleen één band, maar ook één geest.Om een enkel woord te noemen, een mijner vrienden heeft op het hem toegewezen blad een antieken wachttoren geteekend, en daaronder het Hebreeuwsche woord:‏המּצפה‎geplaatst met de aanwijzing:GenesisXXXI. 49,waar ik lees, datJacobna den vreedzamen afloop zijner ontmoeting metLabaneen hoop steenen maakte, en daarop met den man at: waarna hij dien steenhoop den naam gaf vanMizpa, welk woord eenwachttorenbeteekent „omdat hy seyde, dat deHeereopzicht neme tusschen my en tusschen u, wanneer wy d’een van d’ander sullen verborgen zijn.” Welk een schoon en veelbeteekenend zinnebeeld! Mijn vriend wenscht mij niets uit zich zelven; hij bidt alleen, dat de Heer het oog waakzaam over mij geopend houde, als het oog van zijne liefde mij niet zal kunnen gadeslaan. Is het niet als een altoosdurend gebed voor mij opgezonden? O, nooit zie ik dit blad aan, of mijn oog richt zich onwillekeurig naar boven, en het is of ik uit de hoogte des Heeren oog beschermend op mij zie rusten.…Het blad, dat daarop volgt.… ziet gij, dat heeft een los Album voor, men kan er de bladen uitnemen en op zij leggen. Had ik dat ook met dit blad kunnen doen! Maar neen, het is zoo beter. Het bevatte oorspronkelijk een teekening, een portret; men ziet er de sporen nog van. Het was het afbeeldsel van den liefsten vriend mijner jeugd, een jong mensch vol beminnelijke en bevallige hoedanigheden. Toen ik hem om een bijdrage voor mijn Album verzocht, liet hij door een beroemd teekenaar zijn beelteniscrayonneeren, en hechtte die op het voor hem bestemde blad, met het onderschrift van zijn hand:semper idem. Semper idem!een wreede logen! een bittere spot! Geen mensch op de wereld heeft mij het honderdste gedeelte van het leed berokkend, dat mij van deze eenmaal geliefde hand werd aangedaan.Et tu, Brute!Hij ontroofde mij.… maar heb ik hem niet vergeven? Evenwel, het deed mij pijn, zijn gelaat hier telkens terug te vinden, te midden van hen die mij het liefst hadden, en wier trouw op de proef gebleken was. Ik kon die valsche trekken niet aanzien met het onderschrift:semper idem.Daarom deed ik met dit portret, wat de Edelen met het afbeeldsel van deapostatenhuns Stambooms doen; ik nam het weg, door het van het blad, dat het vasthield, af te lichten, zoodat er niets dan de enkele naam overbleef om aan te toonen, wie het is, die hier van deze zijn plaats is uitgevallen. Mij dacht, deze wraak was billijk, of liever het was geen wraak—het diende mij alleen om hem en mij-zelven de bitterheid te besparen, die zijn aanblik noodzakelijk in mij moest opwekken. Waartoe zou hij nog langer zijn plaats onder mijn overige trouwe vrienden behouden hebben? hij had zelf zijn naam van mijn[27]Stamboek uitgewischt; hij had met eigen hand den steen onzes verbonds omgeworpen, en het handschrift onzer vriendschap verscheurd. Menige traan is op dit donkere blaadje gevallen. Misschien had ik den innemenden jongeling al te lief. En is dit niet de eerste spreuk in mijn boekske:Wie vader of dochter lief heeft boven my en is myns niet weerdigh; ende wie soon ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.Ik bevoorrechte, dat ik slechts een enkelen uit den kring mijner vrienden heb zien wegvallen. De overigen zijn mij allen trouw gebleven, en hebben hun handteekening met hun leven bezegeld. Niemand hunner heeft den zegen van mij teruggenomen, dien zijn mond over mij had uitgesproken. Wat meer is, ik ben er zeker van, dat wie op deze bladen voor mij gebeden heeft, nog heden—beneden of boven—voor mij bidt. Ja, ook boven! Reeds zijn er verscheidene, van wie de hand verstijfd is, waarmede zij hier hun namen nederschreven. Gij leest het op den rug in de woordendefunctus, met opgave van den dag huns overlijdens. Ik kan hun namen niet aanzien zonder droevig te worden; ik heb ze allen zoo zeer lief gehad; ik had ze zoo gaarne bij mij gehouden. En toch, ik benij ze hun geluk zoo weinig. O, hoe veel verschilt het gevoel, waarmede ik hun naam lees, bij dat, waarmede ik het portret van mijn ontrouwen vriend aanzie.… neen! zij zijn niet voor mij verloren; het verbond met hen is niet verbroken: integendeel, de dood heeft het bevestigd, de dood is het zegel der trouw. Deze kunnen mij niet meer ontvallen; ik kan hun geen ontrouw meer aandoen. Men beschuldigt den dood dikwijls van scheiding te maken tusschen geliefden.… ten onrechte! de dood vereenigt voor altijd wat voor een tijd vereenigd was: alleen het leven scheidt.…Zie ik u daar, mijn ongeluks-blad? Het bevat niets dan eene enkele vlok haar, van het schoonste blond, met een draad van rozekleurige zij aan het papier gehecht. Geen naam, geen onderschrift, niets dan een datum.—Hierover geen woord, geen klacht, niets dan een zucht!Buitendien zijn er nog enkele bladen, zonder een bepaalde inscriptie te bevatten: met een enkelen naam geteekend, waarbij dan het een of andersouvenirgevonden wordt; een verdorde bloem—een wilgen- of cypressenblad—en wat nog geringer is dan dit; kleine nietswaardige relieken, maar mij dierbaar om der herinneringen wil, die er zich aan verbinden. De verbeelding is met zoo weinig te vreden! Voor mij is het genoeg enkele dier voorwerpen alleen te zien, om een geheel verleden voor mij te doen oprijzen. Van daar dat ik zelden op éénen avond met de beschouwing van mijn Album gereed kom, maar meestal een tweede bevel moet uitvaardigen:„Voor niemand t’huis,Judith.”Voor ditmaal zullen wij echter het boek sluiten. Daar ligt zij, de geschiedenis mijns harten, door de eigen hand mijner geliefden geschreven. O, ik kan haar niet aanzien, zonder een oog van onuitsprekelijke liefde op haar te vestigen. Niet alle menschen zijn zoo rijk aan onverdiende[28]genegenheid, als de bezitter dezer vriendenrol. Indien de liefde der menschen, naar het zeggen van den ouden Dichter, zich in zegen des Heeren verkeert, gezegend dan o mijne tente, waarop die dauw rijk en mild „als Hermons dauw op de berghen Zions” is neêrgedaald.En nu, wat zal er van u worden, mijn lief Album! Zal ik u in de hand mijns erfgenaams laten, om misschien nog tot een tentoonstelling voor mijn achter-kleinnichten te dienen? Neen, wees gerust, mijn oud, trouwCodex amicitiæ! Uw plaats is reedsaangewezenin de lade met het opschrift:de inhoud dezes na mijn dood ongeopend te verbranden. Gij zult uw meester niet overleven, maar als een vereerster van Brama, hem langs den weg des vuurs in den dood volgen. Uw stof zal verstrooid worden, en de vier winden zullen dezuchtenverwaaien, in uw boezem uitgestort!Maar wij, mijn vrienden, wat zal er van ons worden? Neen, ons stof moge uiteen stuiven, vergaan zal het niet. Eens zullen wij uit onze graven verrijzen, en met een nieuw lichaam bekleed elkander wedervinden in „de algemeyne Vergaderinge ende de Gemeynte der eerst-gheborenen die in de Hemelen opgeschreven zijn, ende de geesten der volmaeckte rechtveerdige.”Verrukkelijk denkbeeld! Allen weêr te zien, die ik hier heb lief gehad: met al die beminnelijke hoedanigheden, waarom ik ze lief had, ja die alle nog eindeloos verhoogd, gezuiverd, verfijnd en veredeld! O mijn Album, als ik bedenk, dat misschien.… de Engel des levens register houdt van de namen in u bevat, en die alle geschreven heeft in het boek des levens, dan ontvallen uw bladen aan mijn bevende handen.… „mijne nieren verlangen seer in mijnen schoot!”[29]

„Voor niemand t’huis,Judith!”

Als ik deze order geef, ziet mijn oude huiszorg mij gewoonlijk met een meesmuilenden glimlach aan. Hoe zij er achter gekomen is, weet ik niet; maar zij schijnt eenig vermoeden te hebben, om welke reden ik mij aldus afzonder. Ik heb wel eens beproefd haar van den weg te brengen, door bij zulk een gelegenheid in mijzelven te mompelen: „Ik heb papieren die ik moet nazien—ik heb belangrijke brieven te beantwoorden—ik moet een balans maken”—maar dit baat mij niets. De oude weet heel goed, dat ik buiten de Haarlemmer Courant nooit eenig papier van gewicht krijg; dat de brieven die ik ontvang niet veel meer bevatten dan een „God zegene u!”mij door den een of anderen vriend toegeroepen; en vooral dat mijn balans zoo eenvoudig is als een bakkers kerfstok. Zij is dus geendupevan dezekrijgslist, en begrijpt volkomen den verborgen zin van ditconsigne. Ik wil alleen zijn om eens ongestoord—och ja, te mijmeren!—Ik geloof dat ik wel kan nagaan, hoe zij hierop gekomen is. Ik heb namelijk volstrekt geen slag om mijn uitwendig voorkomen te beheerschen. Wat in mijn hart omgaat, verraadt zich dadelijk over mijn geheele wezen. Als mijn onbevallig figuur en vale kleur geeneparodieop de vergelijking ware, zou ik wel willen zeggen; dat ik naar een albasten vaas gelijk, waardoor de vlam die er in brandt in rooden gloed heenschemert. Zoo veel is ten minste zeker, dat ik niets heb van Mijnheer.… gij kent hem wel, en Mevrouw.… gij weet wel wie ik meen, die hun gelaat zoo meesterlijk in hun macht hebben, dat het bij hen veeleer het masker, dan de spiegel der ziel mag heeten. In ’t algemeen doen de meeste menschen of het geheele leven eenbal masquéis, en hebben voor niets meer zorg, dan niet in hun eigen gedaante gezien en herkend te worden; zeer aardig en kunstig, dat moet ik zeggen, maar toch een weinig lastig voor dezulken, die geen grijns hebben kunnen machtig worden, of, zoo zij al eens een vreemde huik omhangen, haar zoo linksch dragen, dat zij veel hebben van den struisvogel, die meent dat zijn vervolgers hem niet zien, wanneer hij zijn kop in den grond steekt. Tot die minder bevoorrechte wezens behoor ik. Als ik iets zie of hoor dat mijn bewondering,[19]geestdrift of verontwaardiging gaande maakt, dadelijk werpt de springbron mijns harten zijn purper omhoog en overstroomt mijn anders bleek gezicht met een gloeienden blos; verneem of aanschouw ik daarentegen iets, dat mijn mededoogen of smartgevoel opwekt, terstond is de wel mijner tranen in beweging gebracht en dringt haar vocht opwaarts, dat, zoo het al mijn oog niet bereikt, mijn gorgel beklemt en aan mijn stem het geluid van een vochtige snaar geeft. Van daar dan ook dat ik, zelfs uren na een hevige gemoedsbeweging, er de sporen nog van behoud, gelijk de zee,si parva licet componere magnis, nog nastormt als de orkaan reeds is gaan liggen. Ik kan mij dus nooit in mijn eenzaamheid aan den stroom mijner aandoeningen overgeven, of mijn gezicht verraadt het geheim mijner afzondering. Zelfs heb ik geen baat gevonden bij het middel van een mijner geliefde Bijbelheiligen, van wien ik lees:EndeJosephhaestede hem, want sijn ingewant ontstack tegen sijnen broeder ende hij socht te weenen; ende hy ging in eene kamer, ende weende aldaer. Daer na wiesch hy syn aengesichte, ende quam uyt; ende hy bedwong hemselven.—Meermalen heb ik beproefd mijn gloeiende wangen af te koelen, en den helschitterenden straal in mijn oogen te dooven: vergeefs! mijn hart laat zich door geensourdinedwingen. Licht bewogen en omhoog gevoerd als een pluim, moet ik ook zachtkens als een pluim weêr naar beneden en in rust zinken.

Deze zwakheid maakt dikwijls de spotzucht van mijnEdithagaande. Vruchteloos is het, dat ik met een gezicht zoo onnoozel als ik kan binnenkom, en met een stem, zoo gemaakt onverschillig als mij maar mogelijk is, over onverschillige dingen spreek; zij heeft mij alleen aan te zien om met een spottenden lach uit te roepen: „Jonathanheeft weêr geesten gezien!” In mijnEdithanu is dit niets vreemds; zij ziet den bodem van donkerder waters, dan waartoe ik behoor; maar dat ik mij voorJudithniet vermommen kan, zie, dat is wat heel erg. Want dat zij zoo veelbeteekenend lacht, als ik haar met het eenvoudigste gelaat der wereld zeg: „Voor niemand t’huis,Judith!” komt nergens anders uit voort, dan omdat zij dadelijk begrijpt, wat ik met die afzondering voorheb.

Maar wel beschouwd, wat doet het er toe? Indien het een ondeugd in mij is, waarover ik het nog niet recht met mij zelven eens ben, week en gevoelig te zijn, waarom zou ik mij beter voordoen, dan ik ben? en indien het een deugd is, wat recht heb ik dan, daar ik zoo veel ondeugden onbedekt ten toon draag, mij over het weinigje deugd te schamen, waarop ik mij verheffen mag? Kom, dus maar weêr met moed het spotziek lachje van mijn goede oude getrotseerd!

„Voor niemand t’huis,Judith!”

Maar wat nuJudithniet weet, het is wat ik na dit voorspel in mijn kamer uitvoer. Zij moge mijn gelaat zien glinsteren, als ik van den berg terugkeer; zij weet niet wat op de hoogte is omgegaan. Ook is dit verschillend. Somtijds bedekt de wolk der afzondering geheimenissen, die een verborgenheid tusschen mij en mijn geweten blijven moeten. Op andere tijden evenwel zoek ik de eenzaamheid om redenen,[20]waarvan ik geen geheim behoef te maken. Zulk eene bij voorbeeld is de beschouwing van mijnAlbum.

„De beschouwing van uwAlbum?”

„Ja, Mejufvrouw! waarom niet?—ik weet wat UEd. zeggen wil: als ik mijnAlbumnooit dan in mijn eenzaamheid voor den dag mocht halen, zou ik er zoo’n ding niet op na willen houden—UEd. heeft volkomen gelijk. Want ziet UEd., uw album en het mijne hebben juist zooveel van elkander, als die prachtige goudencollier, dien UEd.om den hals heeft, en dit haren koordje aan mijn horlogie. Uw Album is een voorwerp van weelde, bijna zoo elegant als uw balwaaier. Heerlijk steekt het glanzige porselein van den koker tegen de sieraden van gepolijst staal af, waarmeê het belegd is; zie, men kan er zich in spiegelen. Zou ik durven wagen, het eens in te zien?”

„Waarom niet, Mijnheer? het is er voor.”

„Allerliefst! van wie is deze teekening?”

„Och, wees zoo goed en zie eens op den rug, wat naam er op staat; ik weet het waarlijk zelve niet. Het is van eene Dame, die ik maar eens ontmoet heb.”

„Ei zoo? maar wat is dit? Een vers van den Dichter *** Kent UEd. hem bijzonder.”

„Pardonneer, ik heb hem nooit gesproken. Een mijner vriendinnen heeft hem voor mij om een handschrift gevraagd.”

„Zoo, ik dacht ook al: ik heb dit vers meer van hem gelezen. Ik heb het nog in twee of drie Dames-Albums aangetroffen. Maar wat zie ik? Geducht! Welk een verzameling! Er zijn er wel honderd, geloof ik.”

„Ja, ik ben druk aan ’t bijeengaren: dat is nu mijn stokpaardje. Mag ik u een blaadje aanbieden?”

„Verschoon mij! ik schrijf nooit in—Albums.”

Mijn simpel boekske! hoe staat gij bij dit prachtwerk achter! men zou nooit zeggen, dat gij van dezelfde familie waart. Zie het er eens deftig uitzien! Een zwart lederen band is zijn omslag, met een eenvoudig opschrift:

PIAE. MEMORIAE. PARENTUM. AMICORUM.

S.

Die band houdt de weinige bladen, die het bevat, bijeen. Ik ben geen minnaar van den gewonen Album-vorm, tweehonderd losse bladen in een koker. Bij mij heeft altijd de regel gegolden, dien ik van anderen dan van de Franschen wenschte te ontleenen:Les amis de mes amis sont mes amis.Dien ik zoo lief had, dat ik hem zijn naam op dezen gedenksteen der vriendschap liet griffelen, mocht vrijelijk weten, wie buiten hem mij lief hadden, en hoe zij mij hunne liefde betuigden. Vriendschap is voor mij als de kelk van een roos, die de bladeren, welke zij draagt, niet alleen aan zich, maar ook aan elkander[21]verbindt; voor velen heeft zij meer van den vlinder, die de eene bloem na de andere kust, zonder ander onderling verband, dan dat hij ze allen beurtelings zijn hof maakt. Mijn armen vormen één band om al mijn vrienden; mijn Album vat hun aller namen in één.

Maar juist daarom wordt mijn vriendenrol nooit tot een tentoonstelling gebezigd. Ik ben te jaloersch van de stemmen van liefde en vriendschap, die daarin klinken, om die aan het oor van onverschilligen prijs te geven. Ik heb te veel eerbied voor de uitdrukking der heiligste gevoelens, daarin uitgeboezemd, om die in het gesnater der dwaasheid te mengen. Ook zou mijn lezer er niets van zien, indien ik niet hoopte, dat de toon van vereering, waarmede hij mij over mijn boekske hoort spreken, hem beletten zal, het met de lichtzinnigheid van een gewoon Albumbeschouwer te bejegenen. En nog meer blijkt de prijs, dien ik op deze verzameling stel, uit de wijze, waarop ik er zelf mede omga. Het is namelijk lang mijn gewoonte niet, haar telkens in de hand te nemen. Ik doe dit niet, dan bij zeldzame gelegenheden; en alsdan ook niet ter loops, met de onachtzaamheid, waarmede ik een tijdschrift inzie; maar met een zekere plechtigheid, die ik mij toeschijn aan de gedachtenis der dierbaren, die daarin tot mij spreken, verschuldigd te zijn. Ja, dit gaat zoo verre, dat ik, gelijk de lezer reeds weet, mij nooit dat genoegen schenk, zonder mijn eenzaamheid voor stoornis te beveiligen, door het uitzetten van een schildwacht:

„Voor niemand t’huis,Judith.”

Lach niet! Hoor ten minste eerst mijn verdediging. Mijn Album, mijne vrienden! is voor mij een symbolum van het Verledene! geheimzinnige naam van een geheimzinnig wezen! Hoe zal ik den vorm beschrijven, waaronder het zich aan mij voordoet? Het heeft voor mijn verbeelding het voorkomen van een diep en donker gewelf, dat alleen van tijd tot tijd door een flauwen, bleeken lichtstraal daarin vallende verlicht wordt; vervuld met schaduwachtige gestalten, die door elkander zweven, en nu eens duidelijker voorkomen, dan zich weêr in den mist die den achtergrond bedekt verbergen, al naarmate het grillige schijnsel, dat als een bliksemstraal door het verwulf schiet, zijn licht naar dezen of genen hoek werpt. Maar er is iets pijnlijks en duizelachtigs in dat staren in een onbepaald verschiet en naar schemerende gedaanten. Ongelijk aangenamer is het dus, zich met een lamp in dit schimmenrijk te begeven, de gestalte op te zoeken die men begeert te vinden, haar uit dien grafnevel te ontwikkelen en los te maken, haar naar voren in een helderder dag te brengen, en zich alzoo met haar te onderhouden. Daartoe nu dient mij mijn Album. Als ik dat maar aanzie, staat het Verledene, door zichtbare gedaanten vertegenwoordigd, voor mij. Als ik dat open, klinken lang verdoofde stemmen mij onderscheidenlijk te gemoet.

Het is dus een plechtig oogenblik, als ik dit gedenkstuk ontdek. Het is voor mij een soort van geestenbezweering; een oproeping als die vanSaulaan de waarzeggende vrouwe vanEndor:Doet my opkomen,[22]dien ick tot u seggen sal.—Ik stel mij alsdan in aanraking met wezens, die ver van mij, of hoog boven mij zijn. Ik daag hen bij hunne namen op, dwing hen met mij te spreken, spreek op mijn beurt tot hen en verkeer met hen als voorheen. Waarlijk, wij houden ons al te vreemd van de geestenwereld. Zeker is het goed, dat wij waarzeggers en horoskooptrekkers van onze kennissen weren; het is goed dat wij onze kinderen naar de fantasmagorische voorstellingen vanBambergbrengen en hun inprenten, dat het alles maar klinkklare begoocheling is; het is goed dat wijStilling’sGeestenwereld niet meer gebruiken, dan om elkander op een stormigen avond bang te maken; maar evenwel zijn wij misschien wel wat heel vrijgeestig op dit punt. Dood is dood! zegt men met den polichinel in de poppenkast, en gaat even als hij op de kist zitten, om den gevangene er in te houden. Het is jammer! de geesten, vooral als we ze zelven uit eigen beweging oproepen, zijn zulke indrukwekkende verschijningen! Zij brengen ons zulke belangrijke tijdingen uit het onbekende land! zij voeren zulke wijze lessen in den mond, die wij van de levenden niet hooren! Nu eens vertoonen zij zich als een vriendelijke jongelingsgestalte, met lichtstof bekleed, met een krans van sterren op het amberriekend haar en den paradijspalm in de hand, ons toeroepende:

’t Ware leven is omhoog.

’t Ware leven is omhoog.

Dan weêr hebben zij het ernstige voorkomen van den Profeet teGilboa, en schijnen met dreigend gelaat uit het graf op te komen om ons te waarschuwen:Morgen sult ghy by my syn.In een ander gezicht dragen zij het verheerlijkt beeld van een geliefden vader of dierbare moeder, die de laatste bede der stervende lippen komt herhalen, en ons de nakoming onzer jongste gelofte afvleien. In een nieuw visioen zien wij een dierbare gestalte voor den troon des Eeuwigen gebogen, en hooren haar onzen naam noemen.… O, het is iets heerlijks, aldus naar boven te zien, aldaar zijn geliefden te aanschouwen, en zoo door dezelfde koorden dier liefde, die hier op aarde onzen hemel schiep, zich van de aarde ten hemel te voelen opvoeren.. Hoe kan het zijn, dat men zichzelven dit genot zoo zelden schenkt? Hoe kan het zijn, dat men alleen oogen en ooren heeft voor de menschelijke gedaanten, die ons omringen, terwijl een krans van engelen, even als aan een beschilderd gewelf, boven ons hoofd zweeft en gereed is op den eersten wenk tot ons neêr te dalen. Zoo ook het grijs verledene! Ik heb er allen eerbied voor. Ik heb ontzag voor VaderHomerusen GrootvaderHerodotus, voor wijlenCiceroenSenecazaliger. Ik bewonder groote Geschiedkundigen, wier geheugen is als hetpapier sans finvan onze dagen, door een monnik uit de middeleeuwen beschreven. Ik vind het schoon, zoo te huis te zijn in de lanen der Attische Academie, dat men er een bestek van zou kunnen teekenen, en in de boschjes vanTusculanum, als in zijn eigen theetuintje. Ik vind het verwonderlijk, dat men zoo gemeenzaam is metQuinctilianusals met zijn Rector, en metAristoteles[23]als met zijn Professor. Maar wanneer aan die herinneringen, van het gestorveneRomeof begravenAtheneeigene jonge herinneringen worden opgeofferd; wanneer men voor die dooden van het voorgeslacht zijn eigen dooden vergeet, en metSulpiciuslanger rouw draagt overTullia, dan met zijn vrouw over zijn eigen kind; wanneer men, om in het klassiekeElysiumzoo gemeenzaam te zijn en daar alle menschen bij den voornaam te noemen, een vreemdeling wordt in de plaats, waarheen men hoopt dat zijn geliefden gegaan zijn, wier naam en beeld men uit het geheugen laat verdwijnen, zonder ze vast te houden; dan vrees ik dat men in de geestenwereld dezelfde fout begaat, als velen in de menschenwereld, van goede aan adelijke bekenden op te offeren. Waarlijk, het is niet goed, aldus alle gemeenschap met onze dooden af te snijden, en ze, even als de hovelingen den gestorven koning, in het gezicht van hun graf te verloochenen. Ik althans heb mij zelven die vrijheid nooit gegeven; ik weet niet waarom ik zou ophouden zoon te zijn, omdat mijn vader aan de andere zijde is, en niet verder naar zijne vermaningen luisteren. Ik weet niet, waarom ik mijn oor zou sluiten voor de geestenstemmen van hen, wier woorden mij vroeger eerwaardig of dierbaar waren. Van daar dat ik mijn Album niet als een gesloten boek, bij de doodcedels der gestorvenen die er in spreken, weggeborgen heb, maar het beschouw als een altijd geldend testament, waarin ze mij hun wil bekend maken met dien aandoenlijken nadruk, dien iedere stem voor ons heeft, welke ons van over een graf toeklinkt.

Daar ligt het boek voor mij open.

Het eerste blad is een gedachtenis van mijns vaders moeder. Toen ik mijn Album begon aan te leggen, was het mij een behoefte, het vóór alle anderen aan deze vrouw aan te bieden. Ik wist dat nooit iemand mij liever kon hebben, dan zij. Ik wist dat niemand mij een hartelijker, beter en liever wensch doen zou—en niemand ook met meer kans om verhoord te worden! Zij was een dier zeldzame wezens, wier zachte vroomheid ik weet niet wat aantrekkelijks heeft. Ik heb opgemerkt, dat de godsvrucht, ofschoon zij het sieraad van alle leeftijden is, evenwel aan den ouderdom het natuurlijkst staat; aan jonge menschen deelt zij somtijds iets gedwongens en stroefs, aan den middelbaren leeftijd iets strengs en hards mede; maar bij oude menschen is zij in volkomen harmonie met hun geheele wezen en bestaan: de vroomheid lacht uit het rimpelig gelaat van den grijze, en juicht in zijn gebroken stem. Het is iets vreemds, maar voor mijn gevoel heeft de vrome oude iets jeugdigs aan zich, dat in wonderlijke tegenspraak is met het verval van zijn lichaams- en zielskrachten. Ik heb het wel eens vergeleken met het slaan van de vleugelen des vlinders, op het oogenblik dat de pop zal doorbreken; het kon mij bij hen wezen, als zag ik in den aardschen mensch die wegstierf, den hemelschen mensch die zich vormde:

Als brak een scheemring van den gloor,Die eens hun lichaam zal doorgloeien,

Als brak een scheemring van den gloor,

Die eens hun lichaam zal doorgloeien,

[24]

reeds nu door den kranken bouwval heen. Hoe het zij, mijn grootmoeder bezat voor mij een groote aantrekkelijkheid, en zoo, dat ik niet weet, of ik haar meer vereerde of lief had. Ik vroeg haar dus, mijn gedenkboek der liefde en vriendschap in te wijden. Zij deed het op hare wijze: zij nam haar ouden Staten-Bijbel, sloeg dien open en schreef daaruit met bevende hand op het eerste witte blad:

MattheiX. 37. Die vader of moeder liefheeft boven my, en is myns niet weerdigh; en die sone ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.

Een schoone spreuk aan den ingang van zulk een boekske. Zij wist, hoe dikwijls het een altaar is voor aardsche afgoden gesticht. Daarom schreef zij er met haren vromen vinger den naam des Allerhoogsten boven. Het was het D. O. M. boven de eerezuilen, voor onze gestorvenen opgericht. Hoe dikwijls is mij deze spreuk waarschuwend voor den geest gekomen. Nooit nam ik mijn Album in handen, om mij met het beeld mijner geliefden bezig te houden, of een blik op dit Bijbelwoord geworpen heiligde mijne gewaarwordingen. Bovenal is het mij ten aanzien van een der volgende namen van veel dienst geweest.

Het volgende blad is van mijn vader. Hij was een man van een ingetrokken, strengen geest. Als hij in dien tijd geleefd had, zou men hem voor een Christen gehouden hebben, die uit deStoawas uitgegaan. Dit was evenwel meer het gevolg van zijn manieren, dan van zijn denkwijze. Er sliep in zijn hart een schat van liefde, dien zijn uiterlijk scheen te verloochenen. Hij was als een fontein, die haar verfrisschend water in marmer bevat. Het was iets schoons, als die harde steen op eenmaal milde en malsche stralen opwierp! Ik kwam met mijn Album op zijn kamer; hij zag het met een ernstigen blik in. Toen hij de spreuk van zijn moeder zag, glimlachte hij, maar terstond daarop stond zijn oog weêr strak en donker. Hij nam een pen op en schreef

IN LIBRO ALBO FILII.

NOMEN

SIT

OMEN.

In hetwitte boekvan mijn zoon. Deze naam zij een voorteeken!

Hierop gaf hij mij het boek terug, leide zijn hand zegenend op mijn hoofd, en wenkte mij te vertrekken.

Nomen sit omen!Dat was een zware last van verantwoording, vader! dien gij op den hals van uwen zoon laaddet. Maar zeker, zoo iemand recht had zulk een verplichting op te leggen, gij waart het. Ik wil er u ook niet van beschuldigen, indien ik de witte smettelooze[25]bladen van mijn boek nu niet met zooveel gerustheid kan aanzien, als ik anders zou gedaan hebben; integendeel, ik dank u voor deze strenge les. De herinnering daaraan heeft zeker uitgewerkt, dat mijn levensboek hier en daar toch een vlek minder heeft, en ettelijke vlekken bevat, die door mijne tranen bijna zijn uitgewischt. En dit erken ik, zoo lang gij leefdet, hebt gij mij trouw met raad en daad geholpen, om zijn bladen wit en zuiver te houden. Zegen dus over uw assche! De Heer geve, dat gij u eens niet over uw kind zult te schamen hebben, als „de boecken geopend zullen worden.”

Het blad dat nu volgt is van de hand mijner lieve moeder.Mariaheette zij, en beantwoorde geheel aan het beeld, dat die naam onwillekeurig voor den geest roept. Zij was geheel en al het kontrast van mijn vader. Mildheid, weekheid, aandoenlijkheid—die woorden schenen voor haar te zijn uitgevonden. Zij spreidde haar zachtheid, bedekkende en lenigende, over de strengheid mijns vaders, als sneeuw over een bevrozen grond. Van haar heb ik dien weemoed, die mij eigen is. Ik kan met den Dichter zeggen.

Maar zalig is ’t, zoo soms een zachte smarte,Iets weeklijks, dat de linkerborst doorwoelt,Iets vochtigs, in ’t vertederd oog gevoeld,Herinnert aan mijn Moeders teder harte.

Maar zalig is ’t, zoo soms een zachte smarte,

Iets weeklijks, dat de linkerborst doorwoelt,

Iets vochtigs, in ’t vertederd oog gevoeld,

Herinnert aan mijn Moeders teder harte.

Ik heb echter wel eens getwijfeld, of zij mij niet al te veel van haar gevoeligheid heeft overgedaan: en tien tegen één, lezer! dat gij dit ook reeds meermalen gedacht hebt. Het zij; ik wil er niet over klagen of morren, al ware ’t alleen, omdat het een geschenk van mijn lieve moeder is.

Toen ik bij haar kwam met het verzoek om haar naam in mijn Album te schrijven, nam zij het boek, en beloofde aan mijn bede te voldoen. Eenige dagen later riep zij mij tot zich, en gaf het mij met een halflachend, halfschreiend oog weder. Het blad door haar ingevuld bevatte een teekening; want zij teekende uitmuntend. Het was een Bijbelsche voorstelling vanMatth.XIX. 18:

Doe wierden kinderkens tot hem gebracht, opdat hy de handen haer soude opleggen ende bidden.

Tusschen de moeder op den voorgrond en haar was een zweem van gelijkenis. Aan den voet van het tafereel stond in plaats van het gewonefecitofdelineavit, Amen! en daaronder haar naam. Het stuk voerde geen datum. En indedaad, welken dag zou het hebben aangenomen? Want wèl was haar moederliefde

Eenlanggebed van ’t kraambed tot de dood.

Eenlanggebed van ’t kraambed tot de dood.

Ziedaar mijn moeder geheel! geen les, geen vermaning; niets dan een bede. Nooit zie ik dit blaadje, of de woorden zweven mij op de lippen:Sancta Maria, ora pro nobis.

Nu volgen de Albumbladen mijner overige betrekkingen en vrienden. Ofschoon mij niet allen even dierbaar, is er toch geen handschrift bij,[26]dat mij niet zeer lief is. Over het algemeen is de inhoud in den geest van de eerste bladen. Het schijnt dat de kleur der vroomheid, door mijn grootmoeder en ouders aan het boekske gegeven, onwillekeurig op de latere bijdragen haren invloed heeft uitgeoefend. Zoo verbindt mijn Album niet alleen één band, maar ook één geest.

Om een enkel woord te noemen, een mijner vrienden heeft op het hem toegewezen blad een antieken wachttoren geteekend, en daaronder het Hebreeuwsche woord:‏המּצפה‎geplaatst met de aanwijzing:GenesisXXXI. 49,waar ik lees, datJacobna den vreedzamen afloop zijner ontmoeting metLabaneen hoop steenen maakte, en daarop met den man at: waarna hij dien steenhoop den naam gaf vanMizpa, welk woord eenwachttorenbeteekent „omdat hy seyde, dat deHeereopzicht neme tusschen my en tusschen u, wanneer wy d’een van d’ander sullen verborgen zijn.” Welk een schoon en veelbeteekenend zinnebeeld! Mijn vriend wenscht mij niets uit zich zelven; hij bidt alleen, dat de Heer het oog waakzaam over mij geopend houde, als het oog van zijne liefde mij niet zal kunnen gadeslaan. Is het niet als een altoosdurend gebed voor mij opgezonden? O, nooit zie ik dit blad aan, of mijn oog richt zich onwillekeurig naar boven, en het is of ik uit de hoogte des Heeren oog beschermend op mij zie rusten.…

Het blad, dat daarop volgt.… ziet gij, dat heeft een los Album voor, men kan er de bladen uitnemen en op zij leggen. Had ik dat ook met dit blad kunnen doen! Maar neen, het is zoo beter. Het bevatte oorspronkelijk een teekening, een portret; men ziet er de sporen nog van. Het was het afbeeldsel van den liefsten vriend mijner jeugd, een jong mensch vol beminnelijke en bevallige hoedanigheden. Toen ik hem om een bijdrage voor mijn Album verzocht, liet hij door een beroemd teekenaar zijn beelteniscrayonneeren, en hechtte die op het voor hem bestemde blad, met het onderschrift van zijn hand:semper idem. Semper idem!een wreede logen! een bittere spot! Geen mensch op de wereld heeft mij het honderdste gedeelte van het leed berokkend, dat mij van deze eenmaal geliefde hand werd aangedaan.Et tu, Brute!

Hij ontroofde mij.… maar heb ik hem niet vergeven? Evenwel, het deed mij pijn, zijn gelaat hier telkens terug te vinden, te midden van hen die mij het liefst hadden, en wier trouw op de proef gebleken was. Ik kon die valsche trekken niet aanzien met het onderschrift:semper idem.Daarom deed ik met dit portret, wat de Edelen met het afbeeldsel van deapostatenhuns Stambooms doen; ik nam het weg, door het van het blad, dat het vasthield, af te lichten, zoodat er niets dan de enkele naam overbleef om aan te toonen, wie het is, die hier van deze zijn plaats is uitgevallen. Mij dacht, deze wraak was billijk, of liever het was geen wraak—het diende mij alleen om hem en mij-zelven de bitterheid te besparen, die zijn aanblik noodzakelijk in mij moest opwekken. Waartoe zou hij nog langer zijn plaats onder mijn overige trouwe vrienden behouden hebben? hij had zelf zijn naam van mijn[27]Stamboek uitgewischt; hij had met eigen hand den steen onzes verbonds omgeworpen, en het handschrift onzer vriendschap verscheurd. Menige traan is op dit donkere blaadje gevallen. Misschien had ik den innemenden jongeling al te lief. En is dit niet de eerste spreuk in mijn boekske:Wie vader of dochter lief heeft boven my en is myns niet weerdigh; ende wie soon ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.

Ik bevoorrechte, dat ik slechts een enkelen uit den kring mijner vrienden heb zien wegvallen. De overigen zijn mij allen trouw gebleven, en hebben hun handteekening met hun leven bezegeld. Niemand hunner heeft den zegen van mij teruggenomen, dien zijn mond over mij had uitgesproken. Wat meer is, ik ben er zeker van, dat wie op deze bladen voor mij gebeden heeft, nog heden—beneden of boven—voor mij bidt. Ja, ook boven! Reeds zijn er verscheidene, van wie de hand verstijfd is, waarmede zij hier hun namen nederschreven. Gij leest het op den rug in de woordendefunctus, met opgave van den dag huns overlijdens. Ik kan hun namen niet aanzien zonder droevig te worden; ik heb ze allen zoo zeer lief gehad; ik had ze zoo gaarne bij mij gehouden. En toch, ik benij ze hun geluk zoo weinig. O, hoe veel verschilt het gevoel, waarmede ik hun naam lees, bij dat, waarmede ik het portret van mijn ontrouwen vriend aanzie.… neen! zij zijn niet voor mij verloren; het verbond met hen is niet verbroken: integendeel, de dood heeft het bevestigd, de dood is het zegel der trouw. Deze kunnen mij niet meer ontvallen; ik kan hun geen ontrouw meer aandoen. Men beschuldigt den dood dikwijls van scheiding te maken tusschen geliefden.… ten onrechte! de dood vereenigt voor altijd wat voor een tijd vereenigd was: alleen het leven scheidt.…

Zie ik u daar, mijn ongeluks-blad? Het bevat niets dan eene enkele vlok haar, van het schoonste blond, met een draad van rozekleurige zij aan het papier gehecht. Geen naam, geen onderschrift, niets dan een datum.—Hierover geen woord, geen klacht, niets dan een zucht!

Buitendien zijn er nog enkele bladen, zonder een bepaalde inscriptie te bevatten: met een enkelen naam geteekend, waarbij dan het een of andersouvenirgevonden wordt; een verdorde bloem—een wilgen- of cypressenblad—en wat nog geringer is dan dit; kleine nietswaardige relieken, maar mij dierbaar om der herinneringen wil, die er zich aan verbinden. De verbeelding is met zoo weinig te vreden! Voor mij is het genoeg enkele dier voorwerpen alleen te zien, om een geheel verleden voor mij te doen oprijzen. Van daar dat ik zelden op éénen avond met de beschouwing van mijn Album gereed kom, maar meestal een tweede bevel moet uitvaardigen:

„Voor niemand t’huis,Judith.”

Voor ditmaal zullen wij echter het boek sluiten. Daar ligt zij, de geschiedenis mijns harten, door de eigen hand mijner geliefden geschreven. O, ik kan haar niet aanzien, zonder een oog van onuitsprekelijke liefde op haar te vestigen. Niet alle menschen zijn zoo rijk aan onverdiende[28]genegenheid, als de bezitter dezer vriendenrol. Indien de liefde der menschen, naar het zeggen van den ouden Dichter, zich in zegen des Heeren verkeert, gezegend dan o mijne tente, waarop die dauw rijk en mild „als Hermons dauw op de berghen Zions” is neêrgedaald.

En nu, wat zal er van u worden, mijn lief Album! Zal ik u in de hand mijns erfgenaams laten, om misschien nog tot een tentoonstelling voor mijn achter-kleinnichten te dienen? Neen, wees gerust, mijn oud, trouwCodex amicitiæ! Uw plaats is reedsaangewezenin de lade met het opschrift:de inhoud dezes na mijn dood ongeopend te verbranden. Gij zult uw meester niet overleven, maar als een vereerster van Brama, hem langs den weg des vuurs in den dood volgen. Uw stof zal verstrooid worden, en de vier winden zullen dezuchtenverwaaien, in uw boezem uitgestort!

Maar wij, mijn vrienden, wat zal er van ons worden? Neen, ons stof moge uiteen stuiven, vergaan zal het niet. Eens zullen wij uit onze graven verrijzen, en met een nieuw lichaam bekleed elkander wedervinden in „de algemeyne Vergaderinge ende de Gemeynte der eerst-gheborenen die in de Hemelen opgeschreven zijn, ende de geesten der volmaeckte rechtveerdige.”

Verrukkelijk denkbeeld! Allen weêr te zien, die ik hier heb lief gehad: met al die beminnelijke hoedanigheden, waarom ik ze lief had, ja die alle nog eindeloos verhoogd, gezuiverd, verfijnd en veredeld! O mijn Album, als ik bedenk, dat misschien.… de Engel des levens register houdt van de namen in u bevat, en die alle geschreven heeft in het boek des levens, dan ontvallen uw bladen aan mijn bevende handen.… „mijne nieren verlangen seer in mijnen schoot!”[29]

[Inhoud]DE HUISKLOK.——————ZEVEN—ACHT—NEGEN—TIEN—ELF—TWAALF!Ik dank u, goede vriend, voor uwe herinnering.Men zegt, dat KoningPhilippusvan Macedonië er een slaaf op nahield om hem toe te roepen: Gedenk dat gij een sterveling zijt!—Ik geloof evenwel niet; dat hij door hem zoo goed is bediend geworden, als ik door mijn huisklok. Vooreerst verbeeld ik mij, dat de moreele klapwaker zijn plicht wel eens zal vergeten hebben; maar al haperde het niet aan hem, ik denk dat de groote Koning wel eens in een bui zal geweest zijn, om den boetprediker zijn wrevelig: Houd den mond! toe te roepen. Doch mijn vriend in gindschen hoek is altijd op zijn post; en al komen er oogenblikken, dat ik bang ben voor zijn stem, zoodat ik hem wel zou willen bidden zulk een uur zwijgend over te springen, de smeekende blik van mijn oog stuit op zijn eiken borst af, en hij galmt met onomkoopbare gestrengheid zijnMementouit.Nu, hij ontvangt daarvoor in mijn huis ook al de achting en eer, die aan een getrouw dienaar toekomt. Ja, ik weet niet, of hij zelfs geen hooger titel dan dien van een dienstknecht dragen moet. Want tot op zekere hoogte is hij de meester van ons allen. Reeds in den vroegen morgen begint hij met den baas over mij spelen. Dan laat hij zijn wekker afloopen en roept mij met een forsche stem toe:Ontwaeck gy, die slaept en sta op uyt den dooden!Ik moet bekennen, dat ik mij soms wel eens aan zijn heerschappij zoek te onttrekken, en doe of ik hem niet gehoord heb. Maar vergeefs! dan is het of hij mij met zijn onophoudelijk getik (en hij heeft een toon zoo helder als glas) gedurig bij den arm heen en weder trekt; en zoo dit niet helpt, dan volgt er al spoedig een duchtiger vermaning in een nieuwen klokslag, waarin ik zoo duidelijk een strengen toon van berisping meen te hooren, dat ik op hetzelfde oogenblik naast mijn bed sta, en mij niet weêrhouden kan mijn beleedigden vriend vergeving te vragen. En ben ik nu eens door hem tot mijn plicht gebracht, dan klinkt al spoedig dereveilledoor ’t geheele huis, en de werkzaamheden vangen aan. En meen niet, dat zijn gebied zich niet verder dan over het eerste morgenuur uitstrekt. Neen, hij heeft den geheelen dag bij alles de eerste stem. Ik ben namelijk geheel, wat men spottend[30]noemt: een man van de klok. Menschen die hun leven bij jaren berekenen (sommigen dwingen mij zelfs te denken, dat zij het bij eeuwen doen), hebben tijd in overvloed. Wat hebben zij naar hun klok te vragen? het is veel, als zij een oogenblikje stilzwijgen, om hem op den avond van 31 December zijn twaalf slagen te hooren slaan. Maar ik, die bij minuten, en zelfs zoo veel mogelijk bij sekonden tel, ben zeer karig op mijn kleinen schat, en geef niet gaarne voor eenige bezigheid meer tijd uit, dan zij waard is. Van daar heb ik in mijn huis minder te zeggen dan mijn klok. Daar is het nooit: Hoe laat wilt gij.…? hoe laat verkiest gij.…? dit spreekt van zelve. Men hoort er alleen: hoe laat heeft de klok het? Als hij het uur van tweeën aankondigt, is het voor mij even zoo goed of de hofmeester komt aanzeggen:le diner est servi. Dan begeef ik mij naar de huishoûkamer, en ben zeker er mijnEdithavoor een gedekte tafel te vinden zitten. Zoo gaat het den ganschen dag door; niemand gaat uit zonder hem verlof te vragen: niemand durft een oogenblik langer uitblijven, dan hij heeft toegestaan. Men overtreedt liever mijn geboden, dan de zijne. ’s Avonds is hij het weder, die den aftocht regelt. Als hij met zijn elf slagen den taptoe slaat, leg ik mijn pijp neêr, al brandt zij nog, enEdithahaar breiwerk, al is het niet in ’t gelijk gebreid; terwijl op ’t zelfde oogenblik mijn getrouweJudithde nachtfakkels binnenbrengt.Het is waar, dan houdt zijn opperheerschappij op. Want meermalen gebeurt het, dat ik mijn licht uitdoovende, het raam vanEditha’s kamer, die zich tegenover de mijne bevindt, nog verlicht zie; en nog gewoner is het, dat het lang, zeer lang na elf uur is, eer ik hem voor ’t laatst hoor: maar al maak ik hierdoor inbreuk op zijn dagordening, hij verliest daardoor niets van zijn gezag; integendeel, als ik de laatste uren des daags in eenzame mijmering op mijne kamer doorbreng, behoudt hij wel degelijk een stem in den loop mijner overdenkingen, ja is dikwijls de hoofdpersoon met wien ik mij bezig houd.Dit heeft dan plaats, als ik mij in mijn ouderwetschen leuningstoel met hoogen rug en lage zitting vlak tegenover hem nedervlij, en mijn oogen met afgetrokken strakheid op hem vestig: dan weet hij wel dat zijn uur gekomen is, om zich met mij te onderhouden. O, het is ongeloofelijk, hoe veel mij dan zijn eentoonig getik zegt. Het verplaatst mij in den lang verloopen tijd, wiens gang hij op dezelfde wijze bijgehouden en aangeduid heeft. Evenwel hij herinnert mij daaraan geheel anders dan het gelui van de groote stadsklok. Deze zegt mij niets dan het eenvoudige, sombereFuit. Maar deze klok ismijnklok; deze spreekt vanmijntijd en watmijdaarin gebeurd is; deze is mijn vertrouwde, die met mij over geheimen kan spreken, waar de groote bombam niets van weet. Hij kan mij zoo duidelijk en indrukwekkend zijn: weet gij nog wel? toeroepen, dat gij mij bespotten zoudt, indien ge zaagt hoe deze stem een glimlach op mijn gezicht kan wekken, of mij in tranen doen smelten.[31]Zoo gaat het mij bij voorbeeld, als zijn getik mij toeroept: Herinnert gij u den tijd van uws vaders sterven nog?—Want deze klok, die nu den zoon nog zulke goede diensten bewijst, was reeds de lieveling des vaders, enismij daardoor dubbel dierbaar; hij had dus ook zijn vaste plaats op de slaapkamer des geliefden mans. Hierdoor werd deze, toen hij ziek werd, niet van zijn ouden vriend gescheiden: dit was hem o! zoo aangenaam. Uren lang kon hij naar het gelijkmatig geluid van den secondenslag liggen luisteren, en wat daarbij in hem omging, bleek mij uit enkele afgebroken woorden, waarin het voorgevoel van zijn naderend sterven sprak; menigen nacht heb ik aan zijn leger doorgebracht, mij met niets anders bezig houdende dan met naar de beweging van het uurwerk te hooren. Ik kan niet zeggen, hoe treurig ik daaronder werd. Als men op het punt staat een geliefden vader te verliezen, doet het pijn de voortsluipende voetzolen van den tijd zoo duidelijk te hooren kraken; en nog harder viel het mij, als de kranke na lange onrust in een korten sluimer geschoten was, hem bij het slaan van het bepaalde uur te moeten wakker maken, om de bittere geneesmiddelen in tenemen. Soms kon ik mij niet meer weêrhouden te wenschen, dat de lijder zijn klok voor het laatst mogt gehoord hebben. Dit gebeurde eindelijk, maar op eene wonderlijke wijze. De stervende had naar gewoonte oog en oor naar de klok gericht; op eens—de verwarring der droefheid had ons doen vergeten het uurwerk op te winden—stond hij stil; dit was, geloof ik, in het geheele leven mijns vaders nooit gebeurd. Dit scheen zijn aandacht te trekken. Hij richtte zich op en zeide: ik dank u, trouwe vriend, voor uwe waarschuwing.Jonathan!houd die klok in eere; ik heb geen beter vriend in de wereld gehad. Eerst heeft hij mij leeren sterven, en nu vergeet hij zelfs niet mij te zeggen, dat mijn uurtje gekomen is: nu dan, dat „mijne ziele u zeghene eer ick sterve!” en toen.…Weken verliepen na mijns vaders dood, maar ik had den moed niet de klok weêr aan den gang te brengen, ofschoon hij gezegd had; houd hem in eere!—Evenwel vond ik hem op zekeren tijd t’huiskomende weêr loopende; ik weet nog niet, wien ik voor deze gevoelige kieschheid danken moet. Maar sedert heeft hij nooit weêr stil gestaan; en als ik nu ’s avonds alleen in mijn kamer zit, en hem zie en hoor, dan is het mij alsof ik weêr aan het bed mijns vaders geknield lig.Op een anderen tijd vraagt hij mij weêr: Weet gij nog wel!… en daarbij is het of ik den schalk over mijn dwaasheid zie lachen. Dan doet hij mij denken, aan den tijd, toenBetsynog aan geen ander behoorde. Want al kan ik nu nog zoo verstandig en deftig spreken, toen was ik evenwel zoo goed als iemand uwer, mijne jonge vrienden, niets meer en beter dan een verliefde gek. Ik leefde in een voortdurende roes, wist dikwijls niet of het zaterdag of maandag was,en vroeg naar tijd noch uur. Maar was het een dag, waarop ikBetsy’s avonds hoopte te ontmoeten, dan was ik weder van de klok niet[32]weg te krijgen, dan begon ik ’s morgens ten zes ure reeds uit te zien of het niet haast zeven ure in den avond zijn zou. De koele klok! hoe heeft hij mij dan wel gehinderd met zijn uitgehaald getik, terwijl mijn gejaagde pols in dien tijd zijn haastigen slag wel drie en viermaal herhaalde; het was of de dag nooit eindigen zou. Had het toch ten laatste zes ure geslagen, klom mijn onrust ten top, ieder oogenblik stond ik voor hem; bemerkte ik eindelijk, dat de tijd mij zoo nog langer viel, bedacht ik om iets bij de hand te nemen. Ik zou b. v. den tuin driemaal rondwandelen, en dan zou het wel halfzeven zijn. Ik deed het, kwam terug, en de klok wees—anderhalve minuut later, zoo vliegend had de drift mij door den tuin gejaagd! Eindelijk was het toch vijf minuten voor den tijd: ik kon vertrekken. Maar als ik dan met een laatsten blik afscheid van hem nam, hoe vreemd was ik daarbij te moede? een wonderlijk gevoel van gejaagdheid beklemde mij! ik hoorde mijn hart bonzen met slagen, die het geluid van den slinger verdoofden; ik was buiten mijzelven. Als ik daaraan denk, moet ik nog blozen over mijn eigen dwaasheid, en ik durf mijn klok haast niet aanzien, zoo duidelijk meen ik op zijn spottend gelaat te lezen: Weet gij nog wel?.…Ja, goede vriend! ik weet het nog zeer wel—al te wel! nog op dezen oogenblik is het mij, of ik dien tijd weer overleef. En hoe kan het anders? Want hoe vele malen gij sedert uwe dagronde volbracht hebt,Betsy’sbeeld heeft voor mij niets aan liefelijkheid verloren. Gij weet of ik haar getrouw was. Getuig, of ik sedert dien zaligen tijd ooit meer zoo voor u gestaan heb. Nooit daarna heb ik u weder van spoed of traagheid beschuldigd; maar mijn pols sloeg altijd zoo regelmatig of hij naar u geregeld ware. Neen! ik heb nooit eene andere liefgehad.Zie, zoo kan ik over elk voorval in mijn leven met mijn huisklok spreken. Hij kent mijn geheele geschiedenis; ja zelfs de geschiedenis van mijn innerlijk Ik is hem niet onbekend. Want het is mijn standvastige gewoonte, als ik ’s avonds op mijn kamer kom, nog eenige oogenblikken van mijn nachtrust af te nemen, om, kon het zijn, daardoor de rust van mijn allerlangsten nacht te bevorderen. Hiertoe houd ik geen dagboek, het papier is er mij te onbescheiden toe, of liever.… er zijn dingen die men zelfs aan het papier niet zeggen kan! neen, ik neem daarbij niemand in mijn vertrouwen, dan mijn klok. Als ik hem maar aanzie, dan heb ik dadelijk de hoofdstukken die ik achtereenvolgens te behandelen heb voor mijn geest. VI–VII, eerste hoofdstuk. VII–VIII, tweede hoofdstuk. VIII–IX, derde hoofdstuk, en zoo voort tot XI ure des avonds toe. Dan overdenk ik wat ik in ieder uur gedaan heb, en maak daarnaar de som van baat en schade op. Gebeurt het nu dat er een getal is, dat mij ontevreden aanziet, dan tracht ik het tusschen dit en zijn buurman zoo wat te middelen, zoodat de goede het voor den kwade goedmaakt. Evenwel het is er verre af dat mij dit altijd gelukken zou. Dikwijls ben ik met mijn tijd reeds aan XII, als ik met mijn goede werken nog aan VI ben. O, dan kan ik mijn[33]klok niet met een gerust hart aanzien, maar sta diep vernederd voor mijn ontevreden schuldeischer. Nog erger is het als het gebrek niet alleen negatief, maar uitdrukkelijk positief is; dan kan het mij tegenover mijn klok zeer bang worden. Meermalen stond ik alsdan in hevige gemoedsbeweging op om mij voor mijn rechter te plaatsen; dan kon ik hem biddend aanzien om mij gelegenheid tot herstel te geven. O ware de dag van heden niet voor mij aangebroken!—Tik—tik.—Kon ik hem nog eens weder beginnen!—Tik—tik.—Kon ik ten minste dit booze uur daaruit wegnemen!—Tik—tik.—Ik zou lust gehad hebben met schendende hand zijn uurwijzer eenige nommers achterwaarts te drijven; maar dat onverbiddelijk, altijd voortdurend, dreigend getik scheen mijn tegenstand te bespotten. God vergeve het mij, dat ik wel eens getracht heb mijn geweten het zwijgen op te leggen, door andere beelden voor mijn geest te roepen; doch dan was de klok met zijn onverdoofbare stem mijn goede engel. Deze liet mij niet toe tot rust te komen, en al stortte mijn geest zich tot over de ooren in den stroom der Lethe, ook daar vervolgde hem het getik, dat hem belette in te sluimeren. O, mijn goede vriend, als ik dit zoo bedenk, dan klopt mijn hart van dankbaarheid voor uwe onkreukbare getrouwheid, en geen koning kan zijn biechtvader in grootere eere houden, dan ik u in mijn binnenste toedraag.Somtijds echter, ach; waarom slechts somtijds! waren mijn klok en ik zeer goed met elkander in hun schik. Het was dan, als er tegen enkele kwade eens recht veel goede oogenblikken over stonden; dan kon ik met een waar genoegen, naar het beloop van den uurcirkel, de afgelegde dagronde nagaan; en als ik daarop eens een zeer goed uur beleefd had, dan kon het mij wezen, of er een lichtstraal op dat cijfer viel, ja of de geheele wijzerplaat, even als de klok op de Rotterdamsche beurs bij avond,geïllumineerdwas.Maar nu meent UEerw. misschien op het gezegde af, dat ik een Pelagiaan ben, en de leer der goede werken overdrijf. Laat ik UEerw. tot uwe geruststelling mogen zeggen, dat ik liever mijn dierbare klok met eigen hand zou stuk slaan, dan toe te laten, dat hij mij een enkelen dag deed vergeten, dat zelfs in de beste onder onze uren een ledig vak openblijft, dat geen deugd eens menschen kan aanvullen. Neen, als onze klok zulk een leer leerde, zou mijn vader op zijn sterfbed niet gezegd hebben;Jonathan!houd die klok in eere; ik heb geen trouwer vriend in de wereld gehad!Wat staat hij daar deftig, recht zoo als een klok zijn moet. Ik heb een voorliefde voor zijn eenkleurige donkerheid en zijn antieke vormen; ik vind ze met zijn bestemming in de gelukkigste harmonie. Ik zie niet gaarne een aanspreker in het wit; en even zoo weinig zou het mij aanstaan, als de aanspreker van mijn doode uren een bont kermispak droeg. Onlangs was mijn horlogemaker hier en merkte op dat de houtworm in de kast was. Laat mij u eens een nieuw kastje in de plaats maken, zeide hij, dan zal het zulk een lief klokje zijn dat gij het niet[34]meer kennen zult; het zal u tegenblinken van rood en goud.—Ongelukkige! ik had moeite mij in te houden. Mijn goede oude! wou men u in een hansworstenpak steken? het zal zoo lang ik leef niet gebeuren.Ik wou dat iedereen er zoo over dacht, maar het scheelt, helaas, veel. Wat vindt men in de plaats van de staande en hangende klokken onzer vaderen? rijke pendules van brons, verguld en albast, met fraai gegoten figuren voorzien en heerlijke bloemen versierd. Ik moet bekennen dat ik dien opschik voor een klok wel wat heel mooi vind; er is zooveel aan de kast te zien, dat men er niet aan denkt op het uurbord te letten. Men kan immers secretaire en trumeau wel met sieradiën bedekken, al zijn het juist geen prachtige klokkenkasten. Maar neen! nu eisch ik ook wat al te veel. De kunst, die in onze dagen op zulk een vroeger ongekende hoogte staat, moet toch aanmoediging hebben, en het zou immers ook niet staan, een gemoderniseerd vertrek door een oude hangklok te ontsieren. Welnu, laat het dan zoo zijn: weelderige beelden rondom het uurwerk, en bloemen boven de wijzerplaat. Maar dan zou ik toch wel wenschen, dat men de deftige oudvaderlandsche klokken, in plaats van ze naar de vliering of naar den uitdragers-winkel te verbannen, hun oude plaats in het eenvoudiger slaapvertrek liet behouden. Want daar beneden …, gij zult het mij toegeven, al meent men het nog zoo goed, gaat de achting voor den tijd een weinigje verloren. Als men den ernstigen klokslag door een deuntje hoort voorafgaan; is de indruk er van voor een goed gedeelte weggenomen. Als men pas: Schep vreugde in het leven! heeft hooren spelen, heeft het: Gedenk te sterven! zoo geen val. Even weinig kunt gij het aan uw horloge overlaten, u bij wijlen aan de gewichtige taak van ieder uur te herinneren. Want evenmin als men door een kind wil worden terecht gezet, wil men zich door zulk een klein, heel klein horlogetje tot ernst laten vermanen; ieder ziet immers dat het niet meer dan een speelpop is, die men er alleen om de pracht op nahoudt, zoodat het werk alleen om de kast, en dikwijls beide alleen om de cachetten gedragen worden. Of zou gindsche Dame dat rijk geëmailleerde sieraad aan dien goudencollierom den hals dragen, om zich daardoor te laten herinneren:hora ruit?Gij gelooft het zelf niet; zulk een ornamentje kan tot niets dienen, dan op zijn hoogst om zijn bezitster te zeggen, dat het nog te vroeg is om naar het concert te gaan, of dat zij nog juist den tijd heeft om een bouquet in haar ceintuur te steken, eer haarcavalierhaar voor het bal komt afhalen. Foei! van zulke uurwerkjes wil de deftige erentfeste Tijd niets weten; hij maakt ze openlijk voorcontrefaçonsuit, en zet alleen zijn naam en zegel op deftige klokken, zoo als er hier een voor mij staat. Dus, zoo als gezegd is, ik blijf er op staan, dat ieder zich zulk een ouderwetsche huisklok aanschaffe, die het kostuum van zijn ambt draagt, en dus ook alleen het recht heeft zijn ambt bij ons uit te oefenen.Het is waar, dat men een somberen gast in huis haalt. Zoo kan ik bijvoorbeeld mijn klok nooit aanzien, of dadelijk valt mijn oog op[35]de spreuk, die hij voert:Una ex his hora mortis.Een van deze is uw doodsuur.Zeker noch zeer vriendelijk, noch zeer beleefd; maar ik kan er met mijn voorbeeld voor instaan, dat men daaraan gewent. Toen ik een knaap was, kon ik het met de klok niet eens worden. Nadat mijn vader mij de Latijnsche spreuk uitgelegd, en mij daarbij een ernstig woord had toegesproken, kon ik hem geen goed oog meer geven; ik was bang voor hem geworden. Als ik ’s avonds alleen met hem in de kamer was, verbeeldde ik mij somtijds dat vriend Hein in eigen mageren persoon in de klokkenkast zat, en met zijn ontvleesde knokkels het uurwerk in beweging bracht, zoodat ik opstond en met bevende hand de kast opensloot, om mij te overtuigen dat er niets dan de onnoozele slinger in bewoog; maar dit is nu anders geworden. Niet dat de klok voor mij een ander aanzien heeft, want ik geloof nu nog veel vaster dan te voren, dat vriend Hein waarlijk in de klok zit en het rad draait; maar het verschil zit in mijn oog en hart. Ik ben voor den mageren man zoo bang niet meer, en ik zie dus ook zijn klokkenhuis geheel anders aan dan vroeger. Het is met den Dood als met meer personen die in een kwaad geruchte staan; hij is zoo boos niet als hij er uitziet; het komt er slechts op aan of men de moeite neemt van nabij kennis met hem te maken, en alzoo achter zijn goede hoedanigheden te komen. Sedert verscheiden jaren dat ik vertrouwelijk met hem omga, ben ik op zulk een goeden voet met hem geraakt, dat ik niet meer buiten hem kan; en daarom is hij nu ook zoo dankbaar, dat hij beloofd heeft mij zachtjes in zijn armen te zullen dragen, als ik niet meer zal kunnen gaan. Zie, dat heeft zelfs niemand onder mijn vrienden mij beloofd. Zou ik dan boos worden als hij somtijds eens aan mijn arm stoot, om mij aan zich te herinneren, of mij door zijn trouwen bode laat vragen, of ik nog wel eens aan hem denk? Foei, dat zou slecht zijn! Mijn klok kan getuigen dat het tegendeel waar is; dikwijls als hij slaat en mijn blik daarbij opziende op het opschrift valt:Una ex his hora mortis!kan ik met nalaten hem met een vriendelijke stem te beantwoorden:Una ex his hora vitae!en als ik somwijlen mijn oogen eenigen tijd heb gesloten gehouden, om met mijn verbeelding in een andere wereld te dwalen, en ze daarna opendoe.… het is wonderlijk.… dan kan het mij zijn, of mijn klok geheel van gedaante veranderd is! dan is het of zijn bruin omkleedsel op eens in een gewaad wit als sneeuw is overgegaan, en zijn ouderwetsche kap lijkt een glanzend hoofd, en het is of hij mij met de hand wenkt.…Zeker zoudt gij dit van mijn oude klok niet gewacht hebben. Maar gelijk ik zeide, hiertoe komt men niet op eens; gij moet beginnen waar ik meê begonnen ben, met uw afkeer en vrees voor hem te overwinnen. Waarlijk, het is niet goed, hem geheel te veronachtzamen; hij is als een houten hand op onzen levensweg, die het opschrift draagt:Naar het Graf. Nu is het immers niet verstandig, zulk een wegwijzer over ’t hoofd te zien; want hoe weten wij anders, waar[36]wij heen gaan? Ja, kon het ons helpen, het oog van die hand af te wenden, om ook niet aan te komen, waar ze heen wijst, nu dan mochten wij er voorbij jagen dat de vonken uit de steenen vlogen; doch de weg is immers niet om den wegwijzer, maar wel de wegwijzer om den weg. Wat baat het dan te doen of men niets merkt:Wij zijn wat doof aan ’t linkeroor,Dat keeren wij hem toe;Voorzeker, krijgt hij geen gehoor,Hij wordt het kloppen moe.Daar het toch altijd eindigen moet als in ’t versje:En wip! daar is de man!Het is jammer, dat sommige verstandige menschen op dit punt zoo onverstandig zijn. Ik ken goede rekenmeesters, wier ijzeren kist van de slimheid hunner berekeningen getuigt, die deze eenvoudige som van drieën maar niet leeren kunnen:1 : O = 1 : X.Dat is, volgens eene opgave die men inWillem Bartjesniet vindt:Een uur staat tot de eeuwigheid, gelijk een goede of kwade daad tot de gevraagde.Het was deze cijferkunst, die Mozes reeds doceerde, toen hij zijn volk leerde, hunne dagen „also te tellen dat sy een wijs herte bekomen” mochten. Ja, tijden en eeuwen mogen veranderen, maar zoo lang er menschen op aarde leven, wier bestemming in de eeuwigheid ligt, blijft de tijd het kleinood des levens, de ware steen der wijzen, die slijk tot goud kan maken. Als ik een klokkenmaker was, zou ik in plaats van al die vergulde krullen mijn uurwerk in den ring van een slang sluiten, die de staart in den bek houdt. Hetsymbolumder eeuwigheid rondom hetsymbolumdes tijds, dat zou, dunkt mij, van tijd tot tijd ernstige gedachten geven. Het is een groote dwaling, dat sommige menschen het er voor schijnen te houden, dat hun klok eenperpetuum mobileis, dat nooit zal blijven stilstaan: zóó is het niet: hetperpetuum mobileis boven, en onze klok kan ons alleen helpen om het te vinden. Foei, dezelfden, die zich schamen zouden het kapitaal van hun vermogen aan te raken, verspillen van hun beter kapitaal hoofdsom en renten te gelijk. Het komt altemaal van het verkeerd gebruik der klokken.Ik zou denzulken wel eens een verschijning toewenschen als die van denH. Johannes: „Ende de Engel, dien ik sagh staan op de zee en op de aarde, hief sijne hand op nae den Hemel, ende hy swoer by Dien die leeft in alle eeuwigheid, dat daar geen tijd meer en sal sijn!” of een droom, gelijkPèreBridainein een visioen zijner vervoering had; de man, die de eeuwigheid een klok noemde, waarvan de slinger in de stilte der graven onophoudelijk herhaalt: Altijd—nooit! nooit!—altijd!—een droom, zeg ik, gelijk hij had, toen hij een der rampzalige[37]tijdverkwisters hoorde roepen: hoe laat is het? waarop een zijner lotgenooten antwoordt: de eeuwigheid.—Maar neen, waartoe zouden verschijningen of droomen dienen? Heeft dan mijn Meester mij niet geleerd, dat wieMozesen de Profeten niet hooren, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet zullen laten gezeggen? En indedaad! ieder die in de school des Bijbels is opgevoed, en een klok aan zijn muur heeft, heeft in die klok een vermaner,gelijk de geheimzinnige hand bijBelsazar, die aan den wand het dreigende:mene, tellen, schreef. En indien zijn oogen dat cijferschrift niet verstaan, het hapert niet aan de kunde, maar aan den wil dezer uitleggers.Jonathan! Jonathan! wat draaft gij u zelven weêr voorbij! En als ik wel zie, zijt gij weêr aan ’t veroordeelen van anderen ook. Och ja! die Farizeeuwsche zuurdeesem:o God! ick dancke u, dat ick niet en ben gelijk de andere menschen!wil maar niet ophouden te gisten. Och, met al mijn wijsheid over mijn klok, mocht ik mij wel wat meer door hem laten herinneren, dat het „den menschen geset is eenmael te sterven en daerna ’t oordeel,”—en „Met welck oordeel ghij oordeelt, sult ghij geoordeeld worden.”En zoo kom ik tot mijn klok terug, en zie hem scherp aan, als om hem te vragen: wanneer zijn wijzer het uurtje zal aanwijzen, waarop voor mij „geen tijd meer en sijn sal.” Vergeefs zoek ik het plekje op het wijzerbord: hij geeft geen ander antwoord dan het onzekere:Una ex his hora mortis.Nu, mijn vriend! zoo is het ook wel! Ga gij maar voort mijn leermeester en vermaner te zijn, dan zal ik niet licht moede worden mijn leven bij uren te tellen. Ik weet toch dat ge woord zult houden met uweUna ex his.Een van deze!Wat is dat? het is of er een nevel op mijn oogen zinkt. Zou het wezen omdat.… ja, laat ik het bekennen. Toen ik daar zoo aan mijn laatste uurtje dacht, viel het mij in, hoe ik dan liggen zou op de eigen peluw, waarop mijn vader is ingesluimerd, en met mijn oog even als hij naar mijn geliefde klok gericht. Maar wie zal er dan aan mijn leger zitten om de sekonden te tellen, die ik nog te leven heb? Wie zal mij op het bestemde uur mijn geneesmiddelen ingeven? Wien zal ik de zorg voor mijn klok overdragen: Houd die klok in eere!…„In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke uitgegheven, maar sy sijn als de Engelen Godts in den hemel!”Een—twee!Goeden nacht![38]

DE HUISKLOK.

——————ZEVEN—ACHT—NEGEN—TIEN—ELF—TWAALF!Ik dank u, goede vriend, voor uwe herinnering.Men zegt, dat KoningPhilippusvan Macedonië er een slaaf op nahield om hem toe te roepen: Gedenk dat gij een sterveling zijt!—Ik geloof evenwel niet; dat hij door hem zoo goed is bediend geworden, als ik door mijn huisklok. Vooreerst verbeeld ik mij, dat de moreele klapwaker zijn plicht wel eens zal vergeten hebben; maar al haperde het niet aan hem, ik denk dat de groote Koning wel eens in een bui zal geweest zijn, om den boetprediker zijn wrevelig: Houd den mond! toe te roepen. Doch mijn vriend in gindschen hoek is altijd op zijn post; en al komen er oogenblikken, dat ik bang ben voor zijn stem, zoodat ik hem wel zou willen bidden zulk een uur zwijgend over te springen, de smeekende blik van mijn oog stuit op zijn eiken borst af, en hij galmt met onomkoopbare gestrengheid zijnMementouit.Nu, hij ontvangt daarvoor in mijn huis ook al de achting en eer, die aan een getrouw dienaar toekomt. Ja, ik weet niet, of hij zelfs geen hooger titel dan dien van een dienstknecht dragen moet. Want tot op zekere hoogte is hij de meester van ons allen. Reeds in den vroegen morgen begint hij met den baas over mij spelen. Dan laat hij zijn wekker afloopen en roept mij met een forsche stem toe:Ontwaeck gy, die slaept en sta op uyt den dooden!Ik moet bekennen, dat ik mij soms wel eens aan zijn heerschappij zoek te onttrekken, en doe of ik hem niet gehoord heb. Maar vergeefs! dan is het of hij mij met zijn onophoudelijk getik (en hij heeft een toon zoo helder als glas) gedurig bij den arm heen en weder trekt; en zoo dit niet helpt, dan volgt er al spoedig een duchtiger vermaning in een nieuwen klokslag, waarin ik zoo duidelijk een strengen toon van berisping meen te hooren, dat ik op hetzelfde oogenblik naast mijn bed sta, en mij niet weêrhouden kan mijn beleedigden vriend vergeving te vragen. En ben ik nu eens door hem tot mijn plicht gebracht, dan klinkt al spoedig dereveilledoor ’t geheele huis, en de werkzaamheden vangen aan. En meen niet, dat zijn gebied zich niet verder dan over het eerste morgenuur uitstrekt. Neen, hij heeft den geheelen dag bij alles de eerste stem. Ik ben namelijk geheel, wat men spottend[30]noemt: een man van de klok. Menschen die hun leven bij jaren berekenen (sommigen dwingen mij zelfs te denken, dat zij het bij eeuwen doen), hebben tijd in overvloed. Wat hebben zij naar hun klok te vragen? het is veel, als zij een oogenblikje stilzwijgen, om hem op den avond van 31 December zijn twaalf slagen te hooren slaan. Maar ik, die bij minuten, en zelfs zoo veel mogelijk bij sekonden tel, ben zeer karig op mijn kleinen schat, en geef niet gaarne voor eenige bezigheid meer tijd uit, dan zij waard is. Van daar heb ik in mijn huis minder te zeggen dan mijn klok. Daar is het nooit: Hoe laat wilt gij.…? hoe laat verkiest gij.…? dit spreekt van zelve. Men hoort er alleen: hoe laat heeft de klok het? Als hij het uur van tweeën aankondigt, is het voor mij even zoo goed of de hofmeester komt aanzeggen:le diner est servi. Dan begeef ik mij naar de huishoûkamer, en ben zeker er mijnEdithavoor een gedekte tafel te vinden zitten. Zoo gaat het den ganschen dag door; niemand gaat uit zonder hem verlof te vragen: niemand durft een oogenblik langer uitblijven, dan hij heeft toegestaan. Men overtreedt liever mijn geboden, dan de zijne. ’s Avonds is hij het weder, die den aftocht regelt. Als hij met zijn elf slagen den taptoe slaat, leg ik mijn pijp neêr, al brandt zij nog, enEdithahaar breiwerk, al is het niet in ’t gelijk gebreid; terwijl op ’t zelfde oogenblik mijn getrouweJudithde nachtfakkels binnenbrengt.Het is waar, dan houdt zijn opperheerschappij op. Want meermalen gebeurt het, dat ik mijn licht uitdoovende, het raam vanEditha’s kamer, die zich tegenover de mijne bevindt, nog verlicht zie; en nog gewoner is het, dat het lang, zeer lang na elf uur is, eer ik hem voor ’t laatst hoor: maar al maak ik hierdoor inbreuk op zijn dagordening, hij verliest daardoor niets van zijn gezag; integendeel, als ik de laatste uren des daags in eenzame mijmering op mijne kamer doorbreng, behoudt hij wel degelijk een stem in den loop mijner overdenkingen, ja is dikwijls de hoofdpersoon met wien ik mij bezig houd.Dit heeft dan plaats, als ik mij in mijn ouderwetschen leuningstoel met hoogen rug en lage zitting vlak tegenover hem nedervlij, en mijn oogen met afgetrokken strakheid op hem vestig: dan weet hij wel dat zijn uur gekomen is, om zich met mij te onderhouden. O, het is ongeloofelijk, hoe veel mij dan zijn eentoonig getik zegt. Het verplaatst mij in den lang verloopen tijd, wiens gang hij op dezelfde wijze bijgehouden en aangeduid heeft. Evenwel hij herinnert mij daaraan geheel anders dan het gelui van de groote stadsklok. Deze zegt mij niets dan het eenvoudige, sombereFuit. Maar deze klok ismijnklok; deze spreekt vanmijntijd en watmijdaarin gebeurd is; deze is mijn vertrouwde, die met mij over geheimen kan spreken, waar de groote bombam niets van weet. Hij kan mij zoo duidelijk en indrukwekkend zijn: weet gij nog wel? toeroepen, dat gij mij bespotten zoudt, indien ge zaagt hoe deze stem een glimlach op mijn gezicht kan wekken, of mij in tranen doen smelten.[31]Zoo gaat het mij bij voorbeeld, als zijn getik mij toeroept: Herinnert gij u den tijd van uws vaders sterven nog?—Want deze klok, die nu den zoon nog zulke goede diensten bewijst, was reeds de lieveling des vaders, enismij daardoor dubbel dierbaar; hij had dus ook zijn vaste plaats op de slaapkamer des geliefden mans. Hierdoor werd deze, toen hij ziek werd, niet van zijn ouden vriend gescheiden: dit was hem o! zoo aangenaam. Uren lang kon hij naar het gelijkmatig geluid van den secondenslag liggen luisteren, en wat daarbij in hem omging, bleek mij uit enkele afgebroken woorden, waarin het voorgevoel van zijn naderend sterven sprak; menigen nacht heb ik aan zijn leger doorgebracht, mij met niets anders bezig houdende dan met naar de beweging van het uurwerk te hooren. Ik kan niet zeggen, hoe treurig ik daaronder werd. Als men op het punt staat een geliefden vader te verliezen, doet het pijn de voortsluipende voetzolen van den tijd zoo duidelijk te hooren kraken; en nog harder viel het mij, als de kranke na lange onrust in een korten sluimer geschoten was, hem bij het slaan van het bepaalde uur te moeten wakker maken, om de bittere geneesmiddelen in tenemen. Soms kon ik mij niet meer weêrhouden te wenschen, dat de lijder zijn klok voor het laatst mogt gehoord hebben. Dit gebeurde eindelijk, maar op eene wonderlijke wijze. De stervende had naar gewoonte oog en oor naar de klok gericht; op eens—de verwarring der droefheid had ons doen vergeten het uurwerk op te winden—stond hij stil; dit was, geloof ik, in het geheele leven mijns vaders nooit gebeurd. Dit scheen zijn aandacht te trekken. Hij richtte zich op en zeide: ik dank u, trouwe vriend, voor uwe waarschuwing.Jonathan!houd die klok in eere; ik heb geen beter vriend in de wereld gehad. Eerst heeft hij mij leeren sterven, en nu vergeet hij zelfs niet mij te zeggen, dat mijn uurtje gekomen is: nu dan, dat „mijne ziele u zeghene eer ick sterve!” en toen.…Weken verliepen na mijns vaders dood, maar ik had den moed niet de klok weêr aan den gang te brengen, ofschoon hij gezegd had; houd hem in eere!—Evenwel vond ik hem op zekeren tijd t’huiskomende weêr loopende; ik weet nog niet, wien ik voor deze gevoelige kieschheid danken moet. Maar sedert heeft hij nooit weêr stil gestaan; en als ik nu ’s avonds alleen in mijn kamer zit, en hem zie en hoor, dan is het mij alsof ik weêr aan het bed mijns vaders geknield lig.Op een anderen tijd vraagt hij mij weêr: Weet gij nog wel!… en daarbij is het of ik den schalk over mijn dwaasheid zie lachen. Dan doet hij mij denken, aan den tijd, toenBetsynog aan geen ander behoorde. Want al kan ik nu nog zoo verstandig en deftig spreken, toen was ik evenwel zoo goed als iemand uwer, mijne jonge vrienden, niets meer en beter dan een verliefde gek. Ik leefde in een voortdurende roes, wist dikwijls niet of het zaterdag of maandag was,en vroeg naar tijd noch uur. Maar was het een dag, waarop ikBetsy’s avonds hoopte te ontmoeten, dan was ik weder van de klok niet[32]weg te krijgen, dan begon ik ’s morgens ten zes ure reeds uit te zien of het niet haast zeven ure in den avond zijn zou. De koele klok! hoe heeft hij mij dan wel gehinderd met zijn uitgehaald getik, terwijl mijn gejaagde pols in dien tijd zijn haastigen slag wel drie en viermaal herhaalde; het was of de dag nooit eindigen zou. Had het toch ten laatste zes ure geslagen, klom mijn onrust ten top, ieder oogenblik stond ik voor hem; bemerkte ik eindelijk, dat de tijd mij zoo nog langer viel, bedacht ik om iets bij de hand te nemen. Ik zou b. v. den tuin driemaal rondwandelen, en dan zou het wel halfzeven zijn. Ik deed het, kwam terug, en de klok wees—anderhalve minuut later, zoo vliegend had de drift mij door den tuin gejaagd! Eindelijk was het toch vijf minuten voor den tijd: ik kon vertrekken. Maar als ik dan met een laatsten blik afscheid van hem nam, hoe vreemd was ik daarbij te moede? een wonderlijk gevoel van gejaagdheid beklemde mij! ik hoorde mijn hart bonzen met slagen, die het geluid van den slinger verdoofden; ik was buiten mijzelven. Als ik daaraan denk, moet ik nog blozen over mijn eigen dwaasheid, en ik durf mijn klok haast niet aanzien, zoo duidelijk meen ik op zijn spottend gelaat te lezen: Weet gij nog wel?.…Ja, goede vriend! ik weet het nog zeer wel—al te wel! nog op dezen oogenblik is het mij, of ik dien tijd weer overleef. En hoe kan het anders? Want hoe vele malen gij sedert uwe dagronde volbracht hebt,Betsy’sbeeld heeft voor mij niets aan liefelijkheid verloren. Gij weet of ik haar getrouw was. Getuig, of ik sedert dien zaligen tijd ooit meer zoo voor u gestaan heb. Nooit daarna heb ik u weder van spoed of traagheid beschuldigd; maar mijn pols sloeg altijd zoo regelmatig of hij naar u geregeld ware. Neen! ik heb nooit eene andere liefgehad.Zie, zoo kan ik over elk voorval in mijn leven met mijn huisklok spreken. Hij kent mijn geheele geschiedenis; ja zelfs de geschiedenis van mijn innerlijk Ik is hem niet onbekend. Want het is mijn standvastige gewoonte, als ik ’s avonds op mijn kamer kom, nog eenige oogenblikken van mijn nachtrust af te nemen, om, kon het zijn, daardoor de rust van mijn allerlangsten nacht te bevorderen. Hiertoe houd ik geen dagboek, het papier is er mij te onbescheiden toe, of liever.… er zijn dingen die men zelfs aan het papier niet zeggen kan! neen, ik neem daarbij niemand in mijn vertrouwen, dan mijn klok. Als ik hem maar aanzie, dan heb ik dadelijk de hoofdstukken die ik achtereenvolgens te behandelen heb voor mijn geest. VI–VII, eerste hoofdstuk. VII–VIII, tweede hoofdstuk. VIII–IX, derde hoofdstuk, en zoo voort tot XI ure des avonds toe. Dan overdenk ik wat ik in ieder uur gedaan heb, en maak daarnaar de som van baat en schade op. Gebeurt het nu dat er een getal is, dat mij ontevreden aanziet, dan tracht ik het tusschen dit en zijn buurman zoo wat te middelen, zoodat de goede het voor den kwade goedmaakt. Evenwel het is er verre af dat mij dit altijd gelukken zou. Dikwijls ben ik met mijn tijd reeds aan XII, als ik met mijn goede werken nog aan VI ben. O, dan kan ik mijn[33]klok niet met een gerust hart aanzien, maar sta diep vernederd voor mijn ontevreden schuldeischer. Nog erger is het als het gebrek niet alleen negatief, maar uitdrukkelijk positief is; dan kan het mij tegenover mijn klok zeer bang worden. Meermalen stond ik alsdan in hevige gemoedsbeweging op om mij voor mijn rechter te plaatsen; dan kon ik hem biddend aanzien om mij gelegenheid tot herstel te geven. O ware de dag van heden niet voor mij aangebroken!—Tik—tik.—Kon ik hem nog eens weder beginnen!—Tik—tik.—Kon ik ten minste dit booze uur daaruit wegnemen!—Tik—tik.—Ik zou lust gehad hebben met schendende hand zijn uurwijzer eenige nommers achterwaarts te drijven; maar dat onverbiddelijk, altijd voortdurend, dreigend getik scheen mijn tegenstand te bespotten. God vergeve het mij, dat ik wel eens getracht heb mijn geweten het zwijgen op te leggen, door andere beelden voor mijn geest te roepen; doch dan was de klok met zijn onverdoofbare stem mijn goede engel. Deze liet mij niet toe tot rust te komen, en al stortte mijn geest zich tot over de ooren in den stroom der Lethe, ook daar vervolgde hem het getik, dat hem belette in te sluimeren. O, mijn goede vriend, als ik dit zoo bedenk, dan klopt mijn hart van dankbaarheid voor uwe onkreukbare getrouwheid, en geen koning kan zijn biechtvader in grootere eere houden, dan ik u in mijn binnenste toedraag.Somtijds echter, ach; waarom slechts somtijds! waren mijn klok en ik zeer goed met elkander in hun schik. Het was dan, als er tegen enkele kwade eens recht veel goede oogenblikken over stonden; dan kon ik met een waar genoegen, naar het beloop van den uurcirkel, de afgelegde dagronde nagaan; en als ik daarop eens een zeer goed uur beleefd had, dan kon het mij wezen, of er een lichtstraal op dat cijfer viel, ja of de geheele wijzerplaat, even als de klok op de Rotterdamsche beurs bij avond,geïllumineerdwas.Maar nu meent UEerw. misschien op het gezegde af, dat ik een Pelagiaan ben, en de leer der goede werken overdrijf. Laat ik UEerw. tot uwe geruststelling mogen zeggen, dat ik liever mijn dierbare klok met eigen hand zou stuk slaan, dan toe te laten, dat hij mij een enkelen dag deed vergeten, dat zelfs in de beste onder onze uren een ledig vak openblijft, dat geen deugd eens menschen kan aanvullen. Neen, als onze klok zulk een leer leerde, zou mijn vader op zijn sterfbed niet gezegd hebben;Jonathan!houd die klok in eere; ik heb geen trouwer vriend in de wereld gehad!Wat staat hij daar deftig, recht zoo als een klok zijn moet. Ik heb een voorliefde voor zijn eenkleurige donkerheid en zijn antieke vormen; ik vind ze met zijn bestemming in de gelukkigste harmonie. Ik zie niet gaarne een aanspreker in het wit; en even zoo weinig zou het mij aanstaan, als de aanspreker van mijn doode uren een bont kermispak droeg. Onlangs was mijn horlogemaker hier en merkte op dat de houtworm in de kast was. Laat mij u eens een nieuw kastje in de plaats maken, zeide hij, dan zal het zulk een lief klokje zijn dat gij het niet[34]meer kennen zult; het zal u tegenblinken van rood en goud.—Ongelukkige! ik had moeite mij in te houden. Mijn goede oude! wou men u in een hansworstenpak steken? het zal zoo lang ik leef niet gebeuren.Ik wou dat iedereen er zoo over dacht, maar het scheelt, helaas, veel. Wat vindt men in de plaats van de staande en hangende klokken onzer vaderen? rijke pendules van brons, verguld en albast, met fraai gegoten figuren voorzien en heerlijke bloemen versierd. Ik moet bekennen dat ik dien opschik voor een klok wel wat heel mooi vind; er is zooveel aan de kast te zien, dat men er niet aan denkt op het uurbord te letten. Men kan immers secretaire en trumeau wel met sieradiën bedekken, al zijn het juist geen prachtige klokkenkasten. Maar neen! nu eisch ik ook wat al te veel. De kunst, die in onze dagen op zulk een vroeger ongekende hoogte staat, moet toch aanmoediging hebben, en het zou immers ook niet staan, een gemoderniseerd vertrek door een oude hangklok te ontsieren. Welnu, laat het dan zoo zijn: weelderige beelden rondom het uurwerk, en bloemen boven de wijzerplaat. Maar dan zou ik toch wel wenschen, dat men de deftige oudvaderlandsche klokken, in plaats van ze naar de vliering of naar den uitdragers-winkel te verbannen, hun oude plaats in het eenvoudiger slaapvertrek liet behouden. Want daar beneden …, gij zult het mij toegeven, al meent men het nog zoo goed, gaat de achting voor den tijd een weinigje verloren. Als men den ernstigen klokslag door een deuntje hoort voorafgaan; is de indruk er van voor een goed gedeelte weggenomen. Als men pas: Schep vreugde in het leven! heeft hooren spelen, heeft het: Gedenk te sterven! zoo geen val. Even weinig kunt gij het aan uw horloge overlaten, u bij wijlen aan de gewichtige taak van ieder uur te herinneren. Want evenmin als men door een kind wil worden terecht gezet, wil men zich door zulk een klein, heel klein horlogetje tot ernst laten vermanen; ieder ziet immers dat het niet meer dan een speelpop is, die men er alleen om de pracht op nahoudt, zoodat het werk alleen om de kast, en dikwijls beide alleen om de cachetten gedragen worden. Of zou gindsche Dame dat rijk geëmailleerde sieraad aan dien goudencollierom den hals dragen, om zich daardoor te laten herinneren:hora ruit?Gij gelooft het zelf niet; zulk een ornamentje kan tot niets dienen, dan op zijn hoogst om zijn bezitster te zeggen, dat het nog te vroeg is om naar het concert te gaan, of dat zij nog juist den tijd heeft om een bouquet in haar ceintuur te steken, eer haarcavalierhaar voor het bal komt afhalen. Foei! van zulke uurwerkjes wil de deftige erentfeste Tijd niets weten; hij maakt ze openlijk voorcontrefaçonsuit, en zet alleen zijn naam en zegel op deftige klokken, zoo als er hier een voor mij staat. Dus, zoo als gezegd is, ik blijf er op staan, dat ieder zich zulk een ouderwetsche huisklok aanschaffe, die het kostuum van zijn ambt draagt, en dus ook alleen het recht heeft zijn ambt bij ons uit te oefenen.Het is waar, dat men een somberen gast in huis haalt. Zoo kan ik bijvoorbeeld mijn klok nooit aanzien, of dadelijk valt mijn oog op[35]de spreuk, die hij voert:Una ex his hora mortis.Een van deze is uw doodsuur.Zeker noch zeer vriendelijk, noch zeer beleefd; maar ik kan er met mijn voorbeeld voor instaan, dat men daaraan gewent. Toen ik een knaap was, kon ik het met de klok niet eens worden. Nadat mijn vader mij de Latijnsche spreuk uitgelegd, en mij daarbij een ernstig woord had toegesproken, kon ik hem geen goed oog meer geven; ik was bang voor hem geworden. Als ik ’s avonds alleen met hem in de kamer was, verbeeldde ik mij somtijds dat vriend Hein in eigen mageren persoon in de klokkenkast zat, en met zijn ontvleesde knokkels het uurwerk in beweging bracht, zoodat ik opstond en met bevende hand de kast opensloot, om mij te overtuigen dat er niets dan de onnoozele slinger in bewoog; maar dit is nu anders geworden. Niet dat de klok voor mij een ander aanzien heeft, want ik geloof nu nog veel vaster dan te voren, dat vriend Hein waarlijk in de klok zit en het rad draait; maar het verschil zit in mijn oog en hart. Ik ben voor den mageren man zoo bang niet meer, en ik zie dus ook zijn klokkenhuis geheel anders aan dan vroeger. Het is met den Dood als met meer personen die in een kwaad geruchte staan; hij is zoo boos niet als hij er uitziet; het komt er slechts op aan of men de moeite neemt van nabij kennis met hem te maken, en alzoo achter zijn goede hoedanigheden te komen. Sedert verscheiden jaren dat ik vertrouwelijk met hem omga, ben ik op zulk een goeden voet met hem geraakt, dat ik niet meer buiten hem kan; en daarom is hij nu ook zoo dankbaar, dat hij beloofd heeft mij zachtjes in zijn armen te zullen dragen, als ik niet meer zal kunnen gaan. Zie, dat heeft zelfs niemand onder mijn vrienden mij beloofd. Zou ik dan boos worden als hij somtijds eens aan mijn arm stoot, om mij aan zich te herinneren, of mij door zijn trouwen bode laat vragen, of ik nog wel eens aan hem denk? Foei, dat zou slecht zijn! Mijn klok kan getuigen dat het tegendeel waar is; dikwijls als hij slaat en mijn blik daarbij opziende op het opschrift valt:Una ex his hora mortis!kan ik met nalaten hem met een vriendelijke stem te beantwoorden:Una ex his hora vitae!en als ik somwijlen mijn oogen eenigen tijd heb gesloten gehouden, om met mijn verbeelding in een andere wereld te dwalen, en ze daarna opendoe.… het is wonderlijk.… dan kan het mij zijn, of mijn klok geheel van gedaante veranderd is! dan is het of zijn bruin omkleedsel op eens in een gewaad wit als sneeuw is overgegaan, en zijn ouderwetsche kap lijkt een glanzend hoofd, en het is of hij mij met de hand wenkt.…Zeker zoudt gij dit van mijn oude klok niet gewacht hebben. Maar gelijk ik zeide, hiertoe komt men niet op eens; gij moet beginnen waar ik meê begonnen ben, met uw afkeer en vrees voor hem te overwinnen. Waarlijk, het is niet goed, hem geheel te veronachtzamen; hij is als een houten hand op onzen levensweg, die het opschrift draagt:Naar het Graf. Nu is het immers niet verstandig, zulk een wegwijzer over ’t hoofd te zien; want hoe weten wij anders, waar[36]wij heen gaan? Ja, kon het ons helpen, het oog van die hand af te wenden, om ook niet aan te komen, waar ze heen wijst, nu dan mochten wij er voorbij jagen dat de vonken uit de steenen vlogen; doch de weg is immers niet om den wegwijzer, maar wel de wegwijzer om den weg. Wat baat het dan te doen of men niets merkt:Wij zijn wat doof aan ’t linkeroor,Dat keeren wij hem toe;Voorzeker, krijgt hij geen gehoor,Hij wordt het kloppen moe.Daar het toch altijd eindigen moet als in ’t versje:En wip! daar is de man!Het is jammer, dat sommige verstandige menschen op dit punt zoo onverstandig zijn. Ik ken goede rekenmeesters, wier ijzeren kist van de slimheid hunner berekeningen getuigt, die deze eenvoudige som van drieën maar niet leeren kunnen:1 : O = 1 : X.Dat is, volgens eene opgave die men inWillem Bartjesniet vindt:Een uur staat tot de eeuwigheid, gelijk een goede of kwade daad tot de gevraagde.Het was deze cijferkunst, die Mozes reeds doceerde, toen hij zijn volk leerde, hunne dagen „also te tellen dat sy een wijs herte bekomen” mochten. Ja, tijden en eeuwen mogen veranderen, maar zoo lang er menschen op aarde leven, wier bestemming in de eeuwigheid ligt, blijft de tijd het kleinood des levens, de ware steen der wijzen, die slijk tot goud kan maken. Als ik een klokkenmaker was, zou ik in plaats van al die vergulde krullen mijn uurwerk in den ring van een slang sluiten, die de staart in den bek houdt. Hetsymbolumder eeuwigheid rondom hetsymbolumdes tijds, dat zou, dunkt mij, van tijd tot tijd ernstige gedachten geven. Het is een groote dwaling, dat sommige menschen het er voor schijnen te houden, dat hun klok eenperpetuum mobileis, dat nooit zal blijven stilstaan: zóó is het niet: hetperpetuum mobileis boven, en onze klok kan ons alleen helpen om het te vinden. Foei, dezelfden, die zich schamen zouden het kapitaal van hun vermogen aan te raken, verspillen van hun beter kapitaal hoofdsom en renten te gelijk. Het komt altemaal van het verkeerd gebruik der klokken.Ik zou denzulken wel eens een verschijning toewenschen als die van denH. Johannes: „Ende de Engel, dien ik sagh staan op de zee en op de aarde, hief sijne hand op nae den Hemel, ende hy swoer by Dien die leeft in alle eeuwigheid, dat daar geen tijd meer en sal sijn!” of een droom, gelijkPèreBridainein een visioen zijner vervoering had; de man, die de eeuwigheid een klok noemde, waarvan de slinger in de stilte der graven onophoudelijk herhaalt: Altijd—nooit! nooit!—altijd!—een droom, zeg ik, gelijk hij had, toen hij een der rampzalige[37]tijdverkwisters hoorde roepen: hoe laat is het? waarop een zijner lotgenooten antwoordt: de eeuwigheid.—Maar neen, waartoe zouden verschijningen of droomen dienen? Heeft dan mijn Meester mij niet geleerd, dat wieMozesen de Profeten niet hooren, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet zullen laten gezeggen? En indedaad! ieder die in de school des Bijbels is opgevoed, en een klok aan zijn muur heeft, heeft in die klok een vermaner,gelijk de geheimzinnige hand bijBelsazar, die aan den wand het dreigende:mene, tellen, schreef. En indien zijn oogen dat cijferschrift niet verstaan, het hapert niet aan de kunde, maar aan den wil dezer uitleggers.Jonathan! Jonathan! wat draaft gij u zelven weêr voorbij! En als ik wel zie, zijt gij weêr aan ’t veroordeelen van anderen ook. Och ja! die Farizeeuwsche zuurdeesem:o God! ick dancke u, dat ick niet en ben gelijk de andere menschen!wil maar niet ophouden te gisten. Och, met al mijn wijsheid over mijn klok, mocht ik mij wel wat meer door hem laten herinneren, dat het „den menschen geset is eenmael te sterven en daerna ’t oordeel,”—en „Met welck oordeel ghij oordeelt, sult ghij geoordeeld worden.”En zoo kom ik tot mijn klok terug, en zie hem scherp aan, als om hem te vragen: wanneer zijn wijzer het uurtje zal aanwijzen, waarop voor mij „geen tijd meer en sijn sal.” Vergeefs zoek ik het plekje op het wijzerbord: hij geeft geen ander antwoord dan het onzekere:Una ex his hora mortis.Nu, mijn vriend! zoo is het ook wel! Ga gij maar voort mijn leermeester en vermaner te zijn, dan zal ik niet licht moede worden mijn leven bij uren te tellen. Ik weet toch dat ge woord zult houden met uweUna ex his.Een van deze!Wat is dat? het is of er een nevel op mijn oogen zinkt. Zou het wezen omdat.… ja, laat ik het bekennen. Toen ik daar zoo aan mijn laatste uurtje dacht, viel het mij in, hoe ik dan liggen zou op de eigen peluw, waarop mijn vader is ingesluimerd, en met mijn oog even als hij naar mijn geliefde klok gericht. Maar wie zal er dan aan mijn leger zitten om de sekonden te tellen, die ik nog te leven heb? Wie zal mij op het bestemde uur mijn geneesmiddelen ingeven? Wien zal ik de zorg voor mijn klok overdragen: Houd die klok in eere!…„In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke uitgegheven, maar sy sijn als de Engelen Godts in den hemel!”Een—twee!Goeden nacht![38]

——————ZEVEN—ACHT—NEGEN—TIEN—ELF—TWAALF!

Ik dank u, goede vriend, voor uwe herinnering.

Men zegt, dat KoningPhilippusvan Macedonië er een slaaf op nahield om hem toe te roepen: Gedenk dat gij een sterveling zijt!—Ik geloof evenwel niet; dat hij door hem zoo goed is bediend geworden, als ik door mijn huisklok. Vooreerst verbeeld ik mij, dat de moreele klapwaker zijn plicht wel eens zal vergeten hebben; maar al haperde het niet aan hem, ik denk dat de groote Koning wel eens in een bui zal geweest zijn, om den boetprediker zijn wrevelig: Houd den mond! toe te roepen. Doch mijn vriend in gindschen hoek is altijd op zijn post; en al komen er oogenblikken, dat ik bang ben voor zijn stem, zoodat ik hem wel zou willen bidden zulk een uur zwijgend over te springen, de smeekende blik van mijn oog stuit op zijn eiken borst af, en hij galmt met onomkoopbare gestrengheid zijnMementouit.

Nu, hij ontvangt daarvoor in mijn huis ook al de achting en eer, die aan een getrouw dienaar toekomt. Ja, ik weet niet, of hij zelfs geen hooger titel dan dien van een dienstknecht dragen moet. Want tot op zekere hoogte is hij de meester van ons allen. Reeds in den vroegen morgen begint hij met den baas over mij spelen. Dan laat hij zijn wekker afloopen en roept mij met een forsche stem toe:Ontwaeck gy, die slaept en sta op uyt den dooden!Ik moet bekennen, dat ik mij soms wel eens aan zijn heerschappij zoek te onttrekken, en doe of ik hem niet gehoord heb. Maar vergeefs! dan is het of hij mij met zijn onophoudelijk getik (en hij heeft een toon zoo helder als glas) gedurig bij den arm heen en weder trekt; en zoo dit niet helpt, dan volgt er al spoedig een duchtiger vermaning in een nieuwen klokslag, waarin ik zoo duidelijk een strengen toon van berisping meen te hooren, dat ik op hetzelfde oogenblik naast mijn bed sta, en mij niet weêrhouden kan mijn beleedigden vriend vergeving te vragen. En ben ik nu eens door hem tot mijn plicht gebracht, dan klinkt al spoedig dereveilledoor ’t geheele huis, en de werkzaamheden vangen aan. En meen niet, dat zijn gebied zich niet verder dan over het eerste morgenuur uitstrekt. Neen, hij heeft den geheelen dag bij alles de eerste stem. Ik ben namelijk geheel, wat men spottend[30]noemt: een man van de klok. Menschen die hun leven bij jaren berekenen (sommigen dwingen mij zelfs te denken, dat zij het bij eeuwen doen), hebben tijd in overvloed. Wat hebben zij naar hun klok te vragen? het is veel, als zij een oogenblikje stilzwijgen, om hem op den avond van 31 December zijn twaalf slagen te hooren slaan. Maar ik, die bij minuten, en zelfs zoo veel mogelijk bij sekonden tel, ben zeer karig op mijn kleinen schat, en geef niet gaarne voor eenige bezigheid meer tijd uit, dan zij waard is. Van daar heb ik in mijn huis minder te zeggen dan mijn klok. Daar is het nooit: Hoe laat wilt gij.…? hoe laat verkiest gij.…? dit spreekt van zelve. Men hoort er alleen: hoe laat heeft de klok het? Als hij het uur van tweeën aankondigt, is het voor mij even zoo goed of de hofmeester komt aanzeggen:le diner est servi. Dan begeef ik mij naar de huishoûkamer, en ben zeker er mijnEdithavoor een gedekte tafel te vinden zitten. Zoo gaat het den ganschen dag door; niemand gaat uit zonder hem verlof te vragen: niemand durft een oogenblik langer uitblijven, dan hij heeft toegestaan. Men overtreedt liever mijn geboden, dan de zijne. ’s Avonds is hij het weder, die den aftocht regelt. Als hij met zijn elf slagen den taptoe slaat, leg ik mijn pijp neêr, al brandt zij nog, enEdithahaar breiwerk, al is het niet in ’t gelijk gebreid; terwijl op ’t zelfde oogenblik mijn getrouweJudithde nachtfakkels binnenbrengt.

Het is waar, dan houdt zijn opperheerschappij op. Want meermalen gebeurt het, dat ik mijn licht uitdoovende, het raam vanEditha’s kamer, die zich tegenover de mijne bevindt, nog verlicht zie; en nog gewoner is het, dat het lang, zeer lang na elf uur is, eer ik hem voor ’t laatst hoor: maar al maak ik hierdoor inbreuk op zijn dagordening, hij verliest daardoor niets van zijn gezag; integendeel, als ik de laatste uren des daags in eenzame mijmering op mijne kamer doorbreng, behoudt hij wel degelijk een stem in den loop mijner overdenkingen, ja is dikwijls de hoofdpersoon met wien ik mij bezig houd.

Dit heeft dan plaats, als ik mij in mijn ouderwetschen leuningstoel met hoogen rug en lage zitting vlak tegenover hem nedervlij, en mijn oogen met afgetrokken strakheid op hem vestig: dan weet hij wel dat zijn uur gekomen is, om zich met mij te onderhouden. O, het is ongeloofelijk, hoe veel mij dan zijn eentoonig getik zegt. Het verplaatst mij in den lang verloopen tijd, wiens gang hij op dezelfde wijze bijgehouden en aangeduid heeft. Evenwel hij herinnert mij daaraan geheel anders dan het gelui van de groote stadsklok. Deze zegt mij niets dan het eenvoudige, sombereFuit. Maar deze klok ismijnklok; deze spreekt vanmijntijd en watmijdaarin gebeurd is; deze is mijn vertrouwde, die met mij over geheimen kan spreken, waar de groote bombam niets van weet. Hij kan mij zoo duidelijk en indrukwekkend zijn: weet gij nog wel? toeroepen, dat gij mij bespotten zoudt, indien ge zaagt hoe deze stem een glimlach op mijn gezicht kan wekken, of mij in tranen doen smelten.[31]

Zoo gaat het mij bij voorbeeld, als zijn getik mij toeroept: Herinnert gij u den tijd van uws vaders sterven nog?—Want deze klok, die nu den zoon nog zulke goede diensten bewijst, was reeds de lieveling des vaders, enismij daardoor dubbel dierbaar; hij had dus ook zijn vaste plaats op de slaapkamer des geliefden mans. Hierdoor werd deze, toen hij ziek werd, niet van zijn ouden vriend gescheiden: dit was hem o! zoo aangenaam. Uren lang kon hij naar het gelijkmatig geluid van den secondenslag liggen luisteren, en wat daarbij in hem omging, bleek mij uit enkele afgebroken woorden, waarin het voorgevoel van zijn naderend sterven sprak; menigen nacht heb ik aan zijn leger doorgebracht, mij met niets anders bezig houdende dan met naar de beweging van het uurwerk te hooren. Ik kan niet zeggen, hoe treurig ik daaronder werd. Als men op het punt staat een geliefden vader te verliezen, doet het pijn de voortsluipende voetzolen van den tijd zoo duidelijk te hooren kraken; en nog harder viel het mij, als de kranke na lange onrust in een korten sluimer geschoten was, hem bij het slaan van het bepaalde uur te moeten wakker maken, om de bittere geneesmiddelen in tenemen. Soms kon ik mij niet meer weêrhouden te wenschen, dat de lijder zijn klok voor het laatst mogt gehoord hebben. Dit gebeurde eindelijk, maar op eene wonderlijke wijze. De stervende had naar gewoonte oog en oor naar de klok gericht; op eens—de verwarring der droefheid had ons doen vergeten het uurwerk op te winden—stond hij stil; dit was, geloof ik, in het geheele leven mijns vaders nooit gebeurd. Dit scheen zijn aandacht te trekken. Hij richtte zich op en zeide: ik dank u, trouwe vriend, voor uwe waarschuwing.Jonathan!houd die klok in eere; ik heb geen beter vriend in de wereld gehad. Eerst heeft hij mij leeren sterven, en nu vergeet hij zelfs niet mij te zeggen, dat mijn uurtje gekomen is: nu dan, dat „mijne ziele u zeghene eer ick sterve!” en toen.…

Weken verliepen na mijns vaders dood, maar ik had den moed niet de klok weêr aan den gang te brengen, ofschoon hij gezegd had; houd hem in eere!—Evenwel vond ik hem op zekeren tijd t’huiskomende weêr loopende; ik weet nog niet, wien ik voor deze gevoelige kieschheid danken moet. Maar sedert heeft hij nooit weêr stil gestaan; en als ik nu ’s avonds alleen in mijn kamer zit, en hem zie en hoor, dan is het mij alsof ik weêr aan het bed mijns vaders geknield lig.

Op een anderen tijd vraagt hij mij weêr: Weet gij nog wel!… en daarbij is het of ik den schalk over mijn dwaasheid zie lachen. Dan doet hij mij denken, aan den tijd, toenBetsynog aan geen ander behoorde. Want al kan ik nu nog zoo verstandig en deftig spreken, toen was ik evenwel zoo goed als iemand uwer, mijne jonge vrienden, niets meer en beter dan een verliefde gek. Ik leefde in een voortdurende roes, wist dikwijls niet of het zaterdag of maandag was,en vroeg naar tijd noch uur. Maar was het een dag, waarop ikBetsy’s avonds hoopte te ontmoeten, dan was ik weder van de klok niet[32]weg te krijgen, dan begon ik ’s morgens ten zes ure reeds uit te zien of het niet haast zeven ure in den avond zijn zou. De koele klok! hoe heeft hij mij dan wel gehinderd met zijn uitgehaald getik, terwijl mijn gejaagde pols in dien tijd zijn haastigen slag wel drie en viermaal herhaalde; het was of de dag nooit eindigen zou. Had het toch ten laatste zes ure geslagen, klom mijn onrust ten top, ieder oogenblik stond ik voor hem; bemerkte ik eindelijk, dat de tijd mij zoo nog langer viel, bedacht ik om iets bij de hand te nemen. Ik zou b. v. den tuin driemaal rondwandelen, en dan zou het wel halfzeven zijn. Ik deed het, kwam terug, en de klok wees—anderhalve minuut later, zoo vliegend had de drift mij door den tuin gejaagd! Eindelijk was het toch vijf minuten voor den tijd: ik kon vertrekken. Maar als ik dan met een laatsten blik afscheid van hem nam, hoe vreemd was ik daarbij te moede? een wonderlijk gevoel van gejaagdheid beklemde mij! ik hoorde mijn hart bonzen met slagen, die het geluid van den slinger verdoofden; ik was buiten mijzelven. Als ik daaraan denk, moet ik nog blozen over mijn eigen dwaasheid, en ik durf mijn klok haast niet aanzien, zoo duidelijk meen ik op zijn spottend gelaat te lezen: Weet gij nog wel?.…

Ja, goede vriend! ik weet het nog zeer wel—al te wel! nog op dezen oogenblik is het mij, of ik dien tijd weer overleef. En hoe kan het anders? Want hoe vele malen gij sedert uwe dagronde volbracht hebt,Betsy’sbeeld heeft voor mij niets aan liefelijkheid verloren. Gij weet of ik haar getrouw was. Getuig, of ik sedert dien zaligen tijd ooit meer zoo voor u gestaan heb. Nooit daarna heb ik u weder van spoed of traagheid beschuldigd; maar mijn pols sloeg altijd zoo regelmatig of hij naar u geregeld ware. Neen! ik heb nooit eene andere liefgehad.

Zie, zoo kan ik over elk voorval in mijn leven met mijn huisklok spreken. Hij kent mijn geheele geschiedenis; ja zelfs de geschiedenis van mijn innerlijk Ik is hem niet onbekend. Want het is mijn standvastige gewoonte, als ik ’s avonds op mijn kamer kom, nog eenige oogenblikken van mijn nachtrust af te nemen, om, kon het zijn, daardoor de rust van mijn allerlangsten nacht te bevorderen. Hiertoe houd ik geen dagboek, het papier is er mij te onbescheiden toe, of liever.… er zijn dingen die men zelfs aan het papier niet zeggen kan! neen, ik neem daarbij niemand in mijn vertrouwen, dan mijn klok. Als ik hem maar aanzie, dan heb ik dadelijk de hoofdstukken die ik achtereenvolgens te behandelen heb voor mijn geest. VI–VII, eerste hoofdstuk. VII–VIII, tweede hoofdstuk. VIII–IX, derde hoofdstuk, en zoo voort tot XI ure des avonds toe. Dan overdenk ik wat ik in ieder uur gedaan heb, en maak daarnaar de som van baat en schade op. Gebeurt het nu dat er een getal is, dat mij ontevreden aanziet, dan tracht ik het tusschen dit en zijn buurman zoo wat te middelen, zoodat de goede het voor den kwade goedmaakt. Evenwel het is er verre af dat mij dit altijd gelukken zou. Dikwijls ben ik met mijn tijd reeds aan XII, als ik met mijn goede werken nog aan VI ben. O, dan kan ik mijn[33]klok niet met een gerust hart aanzien, maar sta diep vernederd voor mijn ontevreden schuldeischer. Nog erger is het als het gebrek niet alleen negatief, maar uitdrukkelijk positief is; dan kan het mij tegenover mijn klok zeer bang worden. Meermalen stond ik alsdan in hevige gemoedsbeweging op om mij voor mijn rechter te plaatsen; dan kon ik hem biddend aanzien om mij gelegenheid tot herstel te geven. O ware de dag van heden niet voor mij aangebroken!—Tik—tik.—Kon ik hem nog eens weder beginnen!—Tik—tik.—Kon ik ten minste dit booze uur daaruit wegnemen!—Tik—tik.—Ik zou lust gehad hebben met schendende hand zijn uurwijzer eenige nommers achterwaarts te drijven; maar dat onverbiddelijk, altijd voortdurend, dreigend getik scheen mijn tegenstand te bespotten. God vergeve het mij, dat ik wel eens getracht heb mijn geweten het zwijgen op te leggen, door andere beelden voor mijn geest te roepen; doch dan was de klok met zijn onverdoofbare stem mijn goede engel. Deze liet mij niet toe tot rust te komen, en al stortte mijn geest zich tot over de ooren in den stroom der Lethe, ook daar vervolgde hem het getik, dat hem belette in te sluimeren. O, mijn goede vriend, als ik dit zoo bedenk, dan klopt mijn hart van dankbaarheid voor uwe onkreukbare getrouwheid, en geen koning kan zijn biechtvader in grootere eere houden, dan ik u in mijn binnenste toedraag.

Somtijds echter, ach; waarom slechts somtijds! waren mijn klok en ik zeer goed met elkander in hun schik. Het was dan, als er tegen enkele kwade eens recht veel goede oogenblikken over stonden; dan kon ik met een waar genoegen, naar het beloop van den uurcirkel, de afgelegde dagronde nagaan; en als ik daarop eens een zeer goed uur beleefd had, dan kon het mij wezen, of er een lichtstraal op dat cijfer viel, ja of de geheele wijzerplaat, even als de klok op de Rotterdamsche beurs bij avond,geïllumineerdwas.

Maar nu meent UEerw. misschien op het gezegde af, dat ik een Pelagiaan ben, en de leer der goede werken overdrijf. Laat ik UEerw. tot uwe geruststelling mogen zeggen, dat ik liever mijn dierbare klok met eigen hand zou stuk slaan, dan toe te laten, dat hij mij een enkelen dag deed vergeten, dat zelfs in de beste onder onze uren een ledig vak openblijft, dat geen deugd eens menschen kan aanvullen. Neen, als onze klok zulk een leer leerde, zou mijn vader op zijn sterfbed niet gezegd hebben;Jonathan!houd die klok in eere; ik heb geen trouwer vriend in de wereld gehad!

Wat staat hij daar deftig, recht zoo als een klok zijn moet. Ik heb een voorliefde voor zijn eenkleurige donkerheid en zijn antieke vormen; ik vind ze met zijn bestemming in de gelukkigste harmonie. Ik zie niet gaarne een aanspreker in het wit; en even zoo weinig zou het mij aanstaan, als de aanspreker van mijn doode uren een bont kermispak droeg. Onlangs was mijn horlogemaker hier en merkte op dat de houtworm in de kast was. Laat mij u eens een nieuw kastje in de plaats maken, zeide hij, dan zal het zulk een lief klokje zijn dat gij het niet[34]meer kennen zult; het zal u tegenblinken van rood en goud.—Ongelukkige! ik had moeite mij in te houden. Mijn goede oude! wou men u in een hansworstenpak steken? het zal zoo lang ik leef niet gebeuren.

Ik wou dat iedereen er zoo over dacht, maar het scheelt, helaas, veel. Wat vindt men in de plaats van de staande en hangende klokken onzer vaderen? rijke pendules van brons, verguld en albast, met fraai gegoten figuren voorzien en heerlijke bloemen versierd. Ik moet bekennen dat ik dien opschik voor een klok wel wat heel mooi vind; er is zooveel aan de kast te zien, dat men er niet aan denkt op het uurbord te letten. Men kan immers secretaire en trumeau wel met sieradiën bedekken, al zijn het juist geen prachtige klokkenkasten. Maar neen! nu eisch ik ook wat al te veel. De kunst, die in onze dagen op zulk een vroeger ongekende hoogte staat, moet toch aanmoediging hebben, en het zou immers ook niet staan, een gemoderniseerd vertrek door een oude hangklok te ontsieren. Welnu, laat het dan zoo zijn: weelderige beelden rondom het uurwerk, en bloemen boven de wijzerplaat. Maar dan zou ik toch wel wenschen, dat men de deftige oudvaderlandsche klokken, in plaats van ze naar de vliering of naar den uitdragers-winkel te verbannen, hun oude plaats in het eenvoudiger slaapvertrek liet behouden. Want daar beneden …, gij zult het mij toegeven, al meent men het nog zoo goed, gaat de achting voor den tijd een weinigje verloren. Als men den ernstigen klokslag door een deuntje hoort voorafgaan; is de indruk er van voor een goed gedeelte weggenomen. Als men pas: Schep vreugde in het leven! heeft hooren spelen, heeft het: Gedenk te sterven! zoo geen val. Even weinig kunt gij het aan uw horloge overlaten, u bij wijlen aan de gewichtige taak van ieder uur te herinneren. Want evenmin als men door een kind wil worden terecht gezet, wil men zich door zulk een klein, heel klein horlogetje tot ernst laten vermanen; ieder ziet immers dat het niet meer dan een speelpop is, die men er alleen om de pracht op nahoudt, zoodat het werk alleen om de kast, en dikwijls beide alleen om de cachetten gedragen worden. Of zou gindsche Dame dat rijk geëmailleerde sieraad aan dien goudencollierom den hals dragen, om zich daardoor te laten herinneren:hora ruit?Gij gelooft het zelf niet; zulk een ornamentje kan tot niets dienen, dan op zijn hoogst om zijn bezitster te zeggen, dat het nog te vroeg is om naar het concert te gaan, of dat zij nog juist den tijd heeft om een bouquet in haar ceintuur te steken, eer haarcavalierhaar voor het bal komt afhalen. Foei! van zulke uurwerkjes wil de deftige erentfeste Tijd niets weten; hij maakt ze openlijk voorcontrefaçonsuit, en zet alleen zijn naam en zegel op deftige klokken, zoo als er hier een voor mij staat. Dus, zoo als gezegd is, ik blijf er op staan, dat ieder zich zulk een ouderwetsche huisklok aanschaffe, die het kostuum van zijn ambt draagt, en dus ook alleen het recht heeft zijn ambt bij ons uit te oefenen.

Het is waar, dat men een somberen gast in huis haalt. Zoo kan ik bijvoorbeeld mijn klok nooit aanzien, of dadelijk valt mijn oog op[35]de spreuk, die hij voert:Una ex his hora mortis.Een van deze is uw doodsuur.Zeker noch zeer vriendelijk, noch zeer beleefd; maar ik kan er met mijn voorbeeld voor instaan, dat men daaraan gewent. Toen ik een knaap was, kon ik het met de klok niet eens worden. Nadat mijn vader mij de Latijnsche spreuk uitgelegd, en mij daarbij een ernstig woord had toegesproken, kon ik hem geen goed oog meer geven; ik was bang voor hem geworden. Als ik ’s avonds alleen met hem in de kamer was, verbeeldde ik mij somtijds dat vriend Hein in eigen mageren persoon in de klokkenkast zat, en met zijn ontvleesde knokkels het uurwerk in beweging bracht, zoodat ik opstond en met bevende hand de kast opensloot, om mij te overtuigen dat er niets dan de onnoozele slinger in bewoog; maar dit is nu anders geworden. Niet dat de klok voor mij een ander aanzien heeft, want ik geloof nu nog veel vaster dan te voren, dat vriend Hein waarlijk in de klok zit en het rad draait; maar het verschil zit in mijn oog en hart. Ik ben voor den mageren man zoo bang niet meer, en ik zie dus ook zijn klokkenhuis geheel anders aan dan vroeger. Het is met den Dood als met meer personen die in een kwaad geruchte staan; hij is zoo boos niet als hij er uitziet; het komt er slechts op aan of men de moeite neemt van nabij kennis met hem te maken, en alzoo achter zijn goede hoedanigheden te komen. Sedert verscheiden jaren dat ik vertrouwelijk met hem omga, ben ik op zulk een goeden voet met hem geraakt, dat ik niet meer buiten hem kan; en daarom is hij nu ook zoo dankbaar, dat hij beloofd heeft mij zachtjes in zijn armen te zullen dragen, als ik niet meer zal kunnen gaan. Zie, dat heeft zelfs niemand onder mijn vrienden mij beloofd. Zou ik dan boos worden als hij somtijds eens aan mijn arm stoot, om mij aan zich te herinneren, of mij door zijn trouwen bode laat vragen, of ik nog wel eens aan hem denk? Foei, dat zou slecht zijn! Mijn klok kan getuigen dat het tegendeel waar is; dikwijls als hij slaat en mijn blik daarbij opziende op het opschrift valt:Una ex his hora mortis!kan ik met nalaten hem met een vriendelijke stem te beantwoorden:Una ex his hora vitae!en als ik somwijlen mijn oogen eenigen tijd heb gesloten gehouden, om met mijn verbeelding in een andere wereld te dwalen, en ze daarna opendoe.… het is wonderlijk.… dan kan het mij zijn, of mijn klok geheel van gedaante veranderd is! dan is het of zijn bruin omkleedsel op eens in een gewaad wit als sneeuw is overgegaan, en zijn ouderwetsche kap lijkt een glanzend hoofd, en het is of hij mij met de hand wenkt.…

Zeker zoudt gij dit van mijn oude klok niet gewacht hebben. Maar gelijk ik zeide, hiertoe komt men niet op eens; gij moet beginnen waar ik meê begonnen ben, met uw afkeer en vrees voor hem te overwinnen. Waarlijk, het is niet goed, hem geheel te veronachtzamen; hij is als een houten hand op onzen levensweg, die het opschrift draagt:Naar het Graf. Nu is het immers niet verstandig, zulk een wegwijzer over ’t hoofd te zien; want hoe weten wij anders, waar[36]wij heen gaan? Ja, kon het ons helpen, het oog van die hand af te wenden, om ook niet aan te komen, waar ze heen wijst, nu dan mochten wij er voorbij jagen dat de vonken uit de steenen vlogen; doch de weg is immers niet om den wegwijzer, maar wel de wegwijzer om den weg. Wat baat het dan te doen of men niets merkt:

Wij zijn wat doof aan ’t linkeroor,Dat keeren wij hem toe;Voorzeker, krijgt hij geen gehoor,Hij wordt het kloppen moe.

Wij zijn wat doof aan ’t linkeroor,

Dat keeren wij hem toe;

Voorzeker, krijgt hij geen gehoor,

Hij wordt het kloppen moe.

Daar het toch altijd eindigen moet als in ’t versje:

En wip! daar is de man!

En wip! daar is de man!

Het is jammer, dat sommige verstandige menschen op dit punt zoo onverstandig zijn. Ik ken goede rekenmeesters, wier ijzeren kist van de slimheid hunner berekeningen getuigt, die deze eenvoudige som van drieën maar niet leeren kunnen:

1 : O = 1 : X.

Dat is, volgens eene opgave die men inWillem Bartjesniet vindt:

Een uur staat tot de eeuwigheid, gelijk een goede of kwade daad tot de gevraagde.

Het was deze cijferkunst, die Mozes reeds doceerde, toen hij zijn volk leerde, hunne dagen „also te tellen dat sy een wijs herte bekomen” mochten. Ja, tijden en eeuwen mogen veranderen, maar zoo lang er menschen op aarde leven, wier bestemming in de eeuwigheid ligt, blijft de tijd het kleinood des levens, de ware steen der wijzen, die slijk tot goud kan maken. Als ik een klokkenmaker was, zou ik in plaats van al die vergulde krullen mijn uurwerk in den ring van een slang sluiten, die de staart in den bek houdt. Hetsymbolumder eeuwigheid rondom hetsymbolumdes tijds, dat zou, dunkt mij, van tijd tot tijd ernstige gedachten geven. Het is een groote dwaling, dat sommige menschen het er voor schijnen te houden, dat hun klok eenperpetuum mobileis, dat nooit zal blijven stilstaan: zóó is het niet: hetperpetuum mobileis boven, en onze klok kan ons alleen helpen om het te vinden. Foei, dezelfden, die zich schamen zouden het kapitaal van hun vermogen aan te raken, verspillen van hun beter kapitaal hoofdsom en renten te gelijk. Het komt altemaal van het verkeerd gebruik der klokken.

Ik zou denzulken wel eens een verschijning toewenschen als die van denH. Johannes: „Ende de Engel, dien ik sagh staan op de zee en op de aarde, hief sijne hand op nae den Hemel, ende hy swoer by Dien die leeft in alle eeuwigheid, dat daar geen tijd meer en sal sijn!” of een droom, gelijkPèreBridainein een visioen zijner vervoering had; de man, die de eeuwigheid een klok noemde, waarvan de slinger in de stilte der graven onophoudelijk herhaalt: Altijd—nooit! nooit!—altijd!—een droom, zeg ik, gelijk hij had, toen hij een der rampzalige[37]tijdverkwisters hoorde roepen: hoe laat is het? waarop een zijner lotgenooten antwoordt: de eeuwigheid.—Maar neen, waartoe zouden verschijningen of droomen dienen? Heeft dan mijn Meester mij niet geleerd, dat wieMozesen de Profeten niet hooren, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet zullen laten gezeggen? En indedaad! ieder die in de school des Bijbels is opgevoed, en een klok aan zijn muur heeft, heeft in die klok een vermaner,gelijk de geheimzinnige hand bijBelsazar, die aan den wand het dreigende:mene, tellen, schreef. En indien zijn oogen dat cijferschrift niet verstaan, het hapert niet aan de kunde, maar aan den wil dezer uitleggers.

Jonathan! Jonathan! wat draaft gij u zelven weêr voorbij! En als ik wel zie, zijt gij weêr aan ’t veroordeelen van anderen ook. Och ja! die Farizeeuwsche zuurdeesem:o God! ick dancke u, dat ick niet en ben gelijk de andere menschen!wil maar niet ophouden te gisten. Och, met al mijn wijsheid over mijn klok, mocht ik mij wel wat meer door hem laten herinneren, dat het „den menschen geset is eenmael te sterven en daerna ’t oordeel,”—en „Met welck oordeel ghij oordeelt, sult ghij geoordeeld worden.”

En zoo kom ik tot mijn klok terug, en zie hem scherp aan, als om hem te vragen: wanneer zijn wijzer het uurtje zal aanwijzen, waarop voor mij „geen tijd meer en sijn sal.” Vergeefs zoek ik het plekje op het wijzerbord: hij geeft geen ander antwoord dan het onzekere:Una ex his hora mortis.Nu, mijn vriend! zoo is het ook wel! Ga gij maar voort mijn leermeester en vermaner te zijn, dan zal ik niet licht moede worden mijn leven bij uren te tellen. Ik weet toch dat ge woord zult houden met uweUna ex his.Een van deze!

Wat is dat? het is of er een nevel op mijn oogen zinkt. Zou het wezen omdat.… ja, laat ik het bekennen. Toen ik daar zoo aan mijn laatste uurtje dacht, viel het mij in, hoe ik dan liggen zou op de eigen peluw, waarop mijn vader is ingesluimerd, en met mijn oog even als hij naar mijn geliefde klok gericht. Maar wie zal er dan aan mijn leger zitten om de sekonden te tellen, die ik nog te leven heb? Wie zal mij op het bestemde uur mijn geneesmiddelen ingeven? Wien zal ik de zorg voor mijn klok overdragen: Houd die klok in eere!…

„In de opstandinghe en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke uitgegheven, maar sy sijn als de Engelen Godts in den hemel!”

Een—twee!Goeden nacht![38]


Back to IndexNext