[Inhoud]MUZIEK.Ik weet niet, van waar ik de onbeschaamdheid haal, om een hoofdstuk over Muziek te schrijven. Maar de lust bekruipt er mij toe. Ik wil ten minste beproeven, hoe ver ik het breng. Mislukt het mij, dan blijft die mislukking een geheim tusschen mijn papier en mij. En breng ik het gelukkig ten einde, dan is dit een blijk, dat mijn onbeschaamdheid een goed voorteeken geweest is. En immers ben ik de eerste niet, die over een onderwerp schrijft, waarvan hij niets verstaat?Ja, het harde woord moet er uit: ik versta niets van de muziek. Beleefde menschen hebben mij wel eens verzekerd, dat het jammer is, omdat ik er zoo veel natuurlijk gevoel voor heb: ja die overbeleefd wilden zijn, hebben mij indertijd wel gevleid, dat ik geen kwade stem had; maar het is ongelukkig, het kwam bij mij altijd op een verkeerd oogenblik aan den dag, waartoe ik aanleg had of niet. Twee jaren had ik reeds met het Italiaansche boekhouden vertobt, toen men zag, dat ik niet veel beter voor een koopman deugde dan de Hottentot, die niet verder rekent, dan zijn tien vingers. En omgekeerd, was de geschikte tijd om mij muziek te laten leeren voorbij, toen men bemerkte dat er in mij misschien eenMeijerbeerofPaganinistak. Het is nu te laat. Ik moet mij nu vergenoegen met mijn stem roemloos in het gezelschapskoor te mengen, als men aan het nagerecht het voorvaderlijke:Hoe zoet is ’t waar de vriendschap woont!of het geliefkoosde:’t Welvaren van dezen huize,aanheft.Edithabeweert wel, dat ze mij soms in mijn eenzaamheid uit de volle borst een solo-partij heeft hooren aanstemmen! maar de lezer zal mij genoegen doen met haar niet te gelooven; hij weet, welke spotters de vrouwen zijn.Zoodat, ik versta niets van de muziek. Was het nu bij mij: onbekend maakt onbemind; kon ik van mijn kant de muziek laten rusten, gelijk zij het mijn talent heeft gedaan, dan waren wij gemakkelijk te scheiden geweest, en had ik onder anderen dit hoofdstuk over de muziek niet geschreven; maarhinc illae lacrymae!bij ongeluk ben[39]ik juist een dol liefhebber van deze heerlijke kunst! Ja, wel mag ik zeggen, een dol liefhebber; want ik aanbid haar onder alle gedaanten: in het staatsiekleed op de muziekfeesten, in het koorkleed in de kerken, in het feestkleed op de concerten, in het tooneelkleed in deopera, in het militaire kleed op de parades, in het danskleed op het bal, in het burgerkleed langs de straten, ja in het bijna-geen-kleed der armoede, die met een draaiorgel loopt. Alle vormen waarvan zij zich bedient, zijn mij lief: het statige oratorium en de luchtige wals-maat; de prachtige symphonie en de eenvoudige aria; de rijke gevarieerde opera en het altijd wederkeerende orgeldeuntje; ik bemin duetten, terzetten, quartetten, quintetten, sextetten—als zij er zijn, hetgeen ik niet weet. Alle instrumenten zijn mij aangenaam, van koper of hout, met of zonder snaren, geblazen of gestreken, getokkeld of geroerd; ik hou zonder onderscheid van de schetterende trompet en het piepende flageoletje; van den brommenden bas en de snerpende vioolsnaar; van de toeterendetrombôneen de klagende dwarsfluit; van de donderende pauk en den tjingelenden triangel. Ik ben verzot op alle stijlen en methodes; Italiaansch, Duitsch of Fransch, klassisch of romantisch, oud- of nieuwerwetsch, ik ben overal uw man.Waarschijnlijk komt dit daaruit voort, dat mijn hart muzikaal is. Het zit bij mij niet alleen in de ooren, zoo als bij sommige kenners, wier gehoorzenuwen meer met hun maag, dan met hun ziel in verband staan. O, ik kan mij er dikwijls aan ergeren, wanneer ik de bezoldigde dienaars van Polyhymnia, onder de uitvoering van een heerlijke muziek, daarvan niet meer zie gevoelen, dan de instrumenten die zij behandelen. Vast in de maat, ze zijn het verwonderlijk: met den bril op den neus en den strijkstok in de hand, zitten zij te tellen als metrometers; nauwelijks is hun tijd om te spelen gekomen, of wip! gaat de viool naar de kin, en kras! gaat de stok over de snaar! laat er rondom hen gebeuren wat wil, zij vertrekken er geen oor naar, en blijven geheel noteblad; maar hun gewaarwordingen daaronder! leest ze op hun dommelige, levenlooze, houten aangezichten! zij voelen niets van de verrukkende harmonie, die om hen ruischt; zij blijven koud als steen te midden van dien vuurvloed, die van rondom hen op het sidderende gehoor nederbruist; hun nuchter hoofd bemerkt niets van de bedwelming, die zich van hun snaren op de opgewonden menigte stort. Ja wat meer is! zij zelven werken mede tot de betoovering, die u overmeestert: ook hun snaar giet zijn melodie in den stroom, wiens geweld u medesleept; ook hun spel is een schalm in de magische keten die u onzichtbaar omslingert; maar de ongelukkigen! zij zijn daarbij slechts doode werktuigen: hun invloed op u is die van doove hamers, die onder de hand des kunstenaars de snaren der piano treffen; gelijk de windharp, die geen aandoening heeft van het koeltje, waaronder haar zangerig hout zucht; zij zijn eenigermate gelijk aan „die werklieden vreemd aan Israël, die de bouwstoffen bijeenbrachten voor den prachtigen tempel, waarin het hun nooit vergund zou zijn binnen te[40]treden.” O, ik beken het met schaamte en spijt, dat ik een oningewijde in het heiligdom der harmonische kunst ben; ik kom er voor uit, dat ik van deze Levieten hares altaars het eenvoudigste onderricht in haar geheimen zou moeten ontvangen. Maar toch! ik sta in mijn oogen hooger dan zij, ik, die de harp in het hart draag, welke zij op hun knechtslivrei voeren. Vergeeft het mij, Heeren muziekmeesters endilettanti! maar als ik na een heerlijke muziek u de gehoorde compositie hoor ontleden, alsof het een thema ter analyse ware, terwijl de opgevangene melodie in mijn hart, als een weêrklinkend gewelf, zuiver en helder nagalmt, en het met welluidendheid vervult, dan verhef ik er mij op, dat ik tot uw kunst in nader en inniger betrekking sta, dan gij zelven; en terwijl ik uw medelijdende vraag:Mijnheer is geen kenner? met een zedige buiging beantwoord, beschouw ik u met het gevoel, waarmede de moedige reiziger den gids aanziet, die hem in het wonderoord der Zwitsersche Alpen weet te zeggen:Dit is nu deSt. Bernard, en die spits daar is deMontblanc, en die punt ginds is deJungfrau.Nog eens, bij mij zit de virtuositeit in het bloed; mijn ooren zijn niet dan de geleiders van mijn hart, en dat springt op, als het maar een enkele noot hoort, gelijk een hert dat de stem van zijn moeder verneemt! dit vraagt niet eerst: Wat hoor ik? Is het in mijn methode, wat ik hoor? Is het van mijn componist, wat ik hoor? Is het mijn instrument, dat ik hoor? Wordt het goed uitgevoerd, wat ik hoor? en zoo al voort totdat—er niets meer te hooren is. In dien tusschentijd heeft mijn hart reeds ruim en rijk genoten; het heeft de maat nagehuppeld, en met de noten meê in het rond gesprongen; het heeft voor een uur opgeruimdheid en vroolijkheid opgedaan, en herhaalt het liedje dat het gehoord heeft nog wel tienmaal in zichzelve.Waarom ziet Mijnheer zoo knorrig?Heet dat muziek maken? muziek-verknoeien is het!Tra la la la—tra la la la.Dan liever in het geheel geen muziek, dan haar zoo te hooren mishandelen.Maar wie is Mijnheer dan?Ik ben een musicus.Ha, ik niet. Vaarwel Mijnheer! leve de muziek! Tra la la la—tra la la la.Ja, leve de muziek! Ik heb behagen in alles wat maar zingt en klingt; melomanie is mijn zesde zintuig, ofschoon, gelijk ik zeide, in zijn natuurlijken toestand, zonder ontwikkeling of verfijning door de kunst; zij is mij dan ook aangeboren. Naar het zeggen van mijn moeder, was ik in der tijd een ondeugend en lastig wicht; maar gelukkig bezat zij in haar schoone stem een machtig toovermiddel, waaraan het bijna altijd gelukte den boozen Demon in mij te bezweren. Zette ik mijn keel op tot een gillende dissonant, dadelijk beproefde[41]zij die in haar heerlijke sopraantonen op te lossen, en eere zij aan mijn jeugdigen smaak, dat ik haar liever scheen te hooren dan mij zelven; want gewoonlijk hield ik dadelijk op om geen noot te verliezen, en eindigde met haar door mijn tranen toe te lachen, alsAstyanaxdichterlijker gedachtenis. De lieve moeder! Vooral was het hare gewoonte, mij des avonds zingende in slaap te sussen. Uren lang kon zij aldus aan mijn wiegje doorbrengen. Daarbij had zij een gevaarlijken vijand in haar gezang zelf; want ik was er veel te verliefd op, om er niet zoo lang mogelijk naar te luisteren. Zoo lag ik dan dikwijls een geruimen tijd tegen den slaap, die mij allengs overmeesterde, te kampen, tot dat mijn moeder eindelijk triomfeerde: zachtkens streek de rust met haar liefelijk ruischende vleugelen mijn luikende oogleden toe, en met een genoeglijk lachje om den mond sluimerde ik in.Naar mijn moeder mij vertelde, was er evenwel geen lied, waarvoor ik gevoeliger scheen te zijn, dan het avondlied der Hernhutters:Laat mij slapend op U wachten,O dan slaap ik zoo gerust.Ik geloof het gaarne; geen lied zong zij beter. Het is dan ook bijna het eenige van hare wiegezangen, waarvan mij een diepe indruk is bijgebleven. Nog kan ik het niet hooren, of er trilt in mijn hart een akkoord uit mijn vroegste kindschheid. Nog kan ik het niet hooren, of ik denk aan mijn lieve moeder, en—het toen nog onschuldige wicht. O gezegend het kind, dat zulke herinneringen heeft! hoe teêr ze zijn, ze zijn dikwijls sterker tegen de verzoeking, dan de stemmen van rede en deugd. Bij mij althans, welke booze gedachten zich ook in mijn binnenste mochten verheffen, ik geloof niet dat ze het zouden kunnen uithouden tegen een zachte stem, die in zulke oogenblikken zong:Laat mij slapend op U wachten!Opgroeiende verloochende zich deze zucht voor muziek in mij niet, en, gelijk ge ziet, zij is mij nog bijgebleven; zij is in mij iets natuurlijks. Ik heb de muziek lief uit instinkt, niet als een kunst, maar zoo als ik den blauwen hemel, de lekkere zon, de zachte maan, de heerlijke sterren, het donkere bosch en het groene veld lief heb. Ik vraag mij geen reden van deze liefde; ik laat er mij niet op voorstaan, noch zoek er meê te pralen. Ik noem het een gave van God, en ben er als zoodanig dankbaar voor.En zou ik niet?Göthespreekt ergens van menschen, die een gebrek in de oogen hebben, waardoor alles voor hen een rozeroode kleur heeft, de beklagenswaardigen! Wat genieten zij van die duizendmaalduizend schakeeringen van kleuren en tinten, die in de natuur ons oog verrukken? Maar mij dunkt dat menschen, die volstrekt geen gehoor voor de muziek bezitten, weinig minder te beklagen zijn. Want ook voor hen gaat immers een gedeelte van het schoone van Gods schepping[42]verloren? Zij hooren niets van al die welluidende stemmen, die overal klinken, en den Schepper prijzen, dat er te gelijk de schepselen door gestreeld en verheugd worden. O, het eerste vogelengezang in de lente! als het bosch, dat zoo lang stil en zwijgende was, weêr voor het eerst leven en geluid herkrijgt. Als de vogelkens hun stem schijnen te beproeven en allengs voller en ruimer uit de borst beginnen te zingen. Als langzamerhand al mijn lieve oude kennissen, met haar bekende stemmetjes mij haar welkom toeroepen. Als eindelijk mijn uitverkorene, de nachtegaal, voor de eerste maal mijn oor verrukt … o hoe baadt dan mijn ziel in genot! hoe zwemt zij in de zee van melodie, die uit de hoogte op mij nederstroomt! Zie op! voor het oog is alles nog winter. Het geboomte heeft nog zijn eentonig Decemberbruin; het groen slaapt nog in de zich ontwikkelenden bot; de rijp kraakt onder uwe voeten; een scherpeNoord-oostenwindblaast u in het gezicht, en bederft u het genot van de reeds koesterende voorjaarszon. Maar hoor toe! Voor het oor is de lente daar! zij is daar in de muziek, die even als andere vreugde, ook de vreugde der lente voorgaat; zij is daar in die duizende voorjaarsboden, die de komst van het schoone saizoen uitroepen, arkduiven die de belofte van een groenende aarde in den vriendelijken mond dragen; zij is daar in het lied van de Koningin der lente, die haar levenwekkende stem over ’t land doet hooren, die de „bloemen openfluit” en de bladeren uit hun zwachtels lokt. Gelukkig de vriend der muziek; hij heeft een lentemaand meer in het jaar!En komt gij in den kring der gezellige samenleving, hoe veel genot gaat ook daar voor het harde oor verloren. Het is toch in onze prozaïsche wereld nog iets poëtisch, en onder haar vele dissonanten nog iets melodisch, dat er zoo veel muziek in gehoord wordt. Laat het zijn, dat daaraan voor twee derden de ijdelheid en de mode deel hebben: ik vergeet dat, zoodra de eerste toon mij tegenklinkt. Wat menschen als ik daaraan te danken hebben, is ongelooflijk; menig vervelend bezoek, menige taaie avond is mij door het maken van muziek verkortenveraangenaamd. Maar foei! wat spreek ik alleen van hare negatieve verdiensten, als of zij geen andere rechten op mijn hart had? Maar laat het zich dan onder woorden brengen, welk genot ik dikwijls aan haar betoovering verschuldigd was?Immers staat mijn hart altijd voor haar invloed open, en wacht slechts op haar komst, gelijk de marmeren kom van een fontein op de stralen des dolfijns: een enkele noot, en mijn hart zet zijn deuren wagenwijd open. Hoe kan ik dan met een luisterziek oor aan de heerlijke klanken hangen! hoe met een van wellust bevenden voet den stroom der muziek in al zijn kronkelingen volgen, gelijk een knaap den schoonen vogel, dien hij hoopt te verrassen! Hoe kan ik mijn hart op de deining der melodie laten heen en weder wiegelen, gelijk een zwaan op de rimpeling van het kabbelende water! hoe mij op de vleugelen des stijgenden geluids laten opheffen, of op het dons der dalende akkoorden nederzinken! hoe kan ik mij in den Feeëndans der[43]luchtige noten laten meêslepen, of door de klacht derandantetot tranen bewegen! Van dat de eerste toon in mijn ooren klinkt, ben ik mijns-zelven niet meer: ik ben het eigendom van den componist, die mijn hart met volkomen willekeur beheerscht; hij heeft mij in zijn hand, hij kan van mij maken wat hij wil, ik ben de zijne door het recht van verovering.Evenwel het gebeurt soms, dat hierop een uitzondering plaats heeft. Het is dan als mijn hart te vol raakt, om meer te kunnen toehooren. Er zijn oogenblikken, dat de muziek, in plaats van mij met haar adem te streelen, het meir mijns harten beroert, en een sterke aandoening in mij wakker roept; dan is het mij niet mogelijk, langer aan haar klanken geboeid te blijven; dan word ik doof voor haar taal, en luister alleen naar de stem, die uit mijn binnenste oprijst; dan verlies ik mij in een diep verleden, of zie vooruit in een schemerende toekomst; dan verzink ik in dien toestand, dien de Dichter beschrijft:Het is een onbestemd „gevoelen,”Een toestand donker en verward.—Wij voelen zóó, als op ’t concertDe tonen op iets treurigs doelen:Een algemeen besef van smart;—Waarbij we, zonder orde of reden,In toekomst dwalen en verleden.Ziet gij, wanneer zulke gedachten mij aangrijpen, ben ik voor de toespraak der muziek verloren: voor haar toespraak, maar evenwel geenszins voor haar invloed. Want die mijmeringen zijn alleen onder haar invloed geboren, en leven alleen in den dampkring van haar melodie. Laat de muziek ophouden, en zij zullen wegvluchten als schuwgemaakte vogels! Laat de muziek voortduren, en zij zullen haren sylphendans voortzetten, en zich gedurig helderder en levendiger voor mijn geest vertoonen. Ook wordt haar voorkomen door de macht der muziek beheerscht. Gedurende deallegrozullen zij een licht, een vroolijk aanzien hebben; met deandantezal haar gelaat betrekken en haar gang sleepender worden; en als deze eindelijk in deadagioovergaat, zal er een floers van somberheid op haar dalen, als op een landschap, dat de zon op eens ophoudt te beschijnen. Zoo ontvangen zij, even als hetcorps de ballet, in alles de wet van hetorkest.En hierbij denk ik vooral aan de oogenblikken, onder het gehoor vanEdithagesleten. Het is namelijk haar standvastige gewoonte, des namiddags in het uur, waarin anderen zich het genoegen geven van, zoo als zij het met eeneuphemismenoemen,stil te zitten, de piano te openen, en een poosje te spelen. Nu speeltEdithazeer wel; ten minste naar mijn smaak, omdat er in haar spel meer uitdrukking dan kunst is. En dit stille uurtje is mij het liefste van den geheelen dag. O, hoe kan dan mijn geest zich op de wolken der zwevende melodie inschepen, en zich daarop omhoog laten voeren! Heerlijke luchtreis, die ik dan doe, waarbij al de luchtreizen vanGreenniets zijn. Kon ik u beschrijven,[44]wat dan mijn verrukt oog niet al aanschouwt! Welke lusthoven de gouden tooversleutel der harmonie voor mij opent! Welke paleizen de stem der muziek, als een andereAmphion, voor mij doet oprijzen! Welke gezichten mij vervoeren, welke geuren mij tegenwalmen, welke hemelsche tonen mij toeklinken! Gelukkig voorwaar, dat deze luchtkasteelen voor u ontoegankelijk zijn, Mijnheeren Ontvangers en Rijksschatters! kondt gij er bijkomen, armeJonathan, hoe zoudt gij moeten bloeden! Op welke sommen zou u de grondbelasting te staan komen van een terrein, waarbij uw aardsche hut niet veel meer is dan een notendop; met welke schatten zoudt ge het bezit van een mobilair moeten boeten, bij hetwelk goud, als het geringste der metalen, de plaats van hout en steen vervult. Ik kan er van sidderen, als ik denk, dat iemand hunner zijnbrakken neusin deze kostbaarheden steken mocht. Maar geen nood! Ieder mensch heeft boven zijn armoedje, dat door den maatstok der wet wordt nagemeten, een ruime plek aan den hemel, waar zijne verbeelding een luchtpaleis mag stichten, zoo prachtig als hij wil, zonder dat men hem daar kan komen lastig vallen. En waar ook verschil bestaan moge, hier niet. Want de weinige spannen gronds, die den bedelaar toebehooren, hebben even zoowel den onmetelijken hemel tot gewelf, als het uitgestrekte domein des Vorsten. Daarheen dan onze toevlucht genomen, mijne vrienden! die, even als ik, uw aardsche heerlijkheden met weinige passen beschrijden kunt. Wij zullen ons daarboven wreken! Wij zullen er een luchtkasteel bouwen, zoo heerlijk, dat de geheele schatkist, om wier wil we zoo geplaagd worden, niet in staat zou zijn er een enkelen vleugel van te betalen. Wij zullen er eenpleasure-groundbij aanleggen, waarin al de Ontvangers (en dat’s veel gezegd) des noods zouden kunnen verdwalen! En wij zullen het genoegen smaken van onze kwelgeesten bij den neus te hebben, die terwijl zij onzen nederigen inboedel taxeeren, van onze bezittingen in de maan niets vermoeden zullen. Ik voor mij althans hoor hen nooit een prijs op de piano vanEdithastellen, zonder in mij zelven teglimlachen: *** guldens! Zij is voor mij het tiendubbel waard; in die kast is voor mij het wenschhoedje vanFortunatusverborgen! Daarin schuilen de papieren van eigendom van mijn goederen in het bovenland. Maar gij zult er niets van te zien krijgen.—En nauwlijks heb ik de deur achter hen gesloten, of ik kom met een vroolijk gezicht weêr binnen: kom aan,Editha! nu nog eens een liedje:L’or n’est qu’une chimère.Maar nog dierbaarder is mij de herinnering aan die oogenblikken, waarin de muziek de uitwerking had van den storm derhartstochtenin mij te doen bedaren, oogenblikken waarin het mij ging alsSaul;Ende ’t geschiedde als de geest Godes overSaulwas, so namDavidde harpe, ende hy speelde met syne hant: dat wasSauleeneverademinge, ende het wert beter met hem, ende de boose geest weeck van[45]hem.—O, het is een zalig gevoel in een tijd, wanneer de drift, als een storm uit zijn krocht losgebroken, de kalmte der ziel beroert; wanneer alles, wat er kwaads en ondeugends op den bodem des harten slaapt, opgist, en het hoofd door zijn dampen bedwelmt; wanneer de onreinheid, die den grond onzes gemoeds bedekt, door onvoorzichtigheid in beweging gebracht, opborrelt, en deszelfs helderheid troebel maakt; het is een zalig gevoel, wanneer men zich in zulk een tijd de kracht voelt ontbreken om die woeling te gebieden: Zijt stille!—dat er zich dan een macht van buiten opdoet, die de verbroken rust en klaarheid herstelt. Zulk een macht nu is voor mij die der muziek. Dikwijls, als onreine gedachten mijne verbeelding dreigden te besmetten; als de hartstocht mijn gemoed in oproer bracht; als een weêrbarstige ontevredenheid zich van mijn ziel meester had gemaakt; was het genoeg, dat de muziek haar liefelijke stem liet hooren, om den kwaden geest, die mij verzocht, uit te bannen. Niet dikwijls gebeurde het, als zij zich ter rechter tijd gelden deed, dat mijn drift zich tegen haar tooverkracht bleef verzetten. Bij de eerste tonen reeds werd het oproer in zijn vaart gestuit; langzamerhand liet het zich met zachten tegenstand terugdringen, zoo als men een blaffenden bandhond streelend in zijn hok lokt; terwijl de muziek de muitende driften bedwong, riep zij de sluimerende betere gewaarwordingen wakker; vandaar een korte strijd, die eindelijk in de zegepraal van het goede beginsel eindigde, terwijl het kwade als een neêrgeslagen droesem op den donkeren bodem terugzonk. Gelukkig oogenblik, wanneer alsdan een zacht rood van schaamte de wangen kleurde, welke vroeger dehartstochtin vollen gloed had gezet, en een verkwikkende traan het brandend oog bevochtigde. Alsdan werd de wonderspreuk des Dichters aan mij bewaarheid:Alles heeft zich-zelf verloren.’t Honderdhoofdig HelgedrochtLigt ontketend in zijn krocht,Met ter neêr gestreken ooren,Vastgeboeid door ’t maatgeluid.En wat wonder? Immers was ik altijd, licht ontvlamd als ik ben, de speelbal van snel afwisselende aandoeningen, en even ras „in gloed gevlogen,” als tot zachtere gemoedsaandoeningen terug te brengen. Mijn moeder vooral verstond meesterlijk de kunst om in zulk een onrust rust te gebieden. Zij deed dit niet door mij, als een hollend paard, in den teugel te vallen; zij deed het door den leniger, maar sterker drang der overreding!„Jonathan! Jonathan!”Er was in den toon, waarmede zij dien naam uitsprak, iets zoo krachtig en teeders te gelijk, dat ik er niet aan kon weêrstaan. Welnu, in de stem der muziek is voor mij iets dergelijks; als zij mij hare zachte klanken tegenwalmt, is het of ik nog de stem van mijn nu zalige moeder hoor;„Jonathan! Jonathan!”En gepaard met deze herinnering, vallen mij op het eerste geluid de wapens uit de handen. Heerlijke muziek, zeker zijt gij een broeder-engel van mijnen Genius![46]Ook weet ik van oogenblikken, waarin zich aan mij een andere verzekering des Dichters bevestigde:Dan vergeet zich in ’t verrukken,Zelf Prometheus arendsbeet,Tantalus versmachtend leed,Bij ’t vervoerend vingerdrukken.Waar is de mensch, wien het hier wel niet eens bang was? Ik althans behoor tot hen, die aan het bestaan vanPrometheusenTantalusgelooven. Ik ken die pijn, die het hart eet en het bloed drinkt; ik ken dat onverzadigd verlangen, dat den mensch naar de gouden paradijsappelen doet hongeren, die altijd even ver van zijn lippen verwijderd blijven; maar ik ken ook dat zich vergeten van arendsbeet en versmachting,Bij ’t vervoerend vingerdrukken.De muziek spreekt bovenal de taal der vertroosting! haar gestrookIs waarlijk van fluweel.Haar vriendelijke stem vloeit als balsem in het verscheurde hart: ik weet niet, of het waar is, wat sommigen beweerd hebben, dat muziek de kracht heeft van sommige zielskrankten te genezen; maar ik weet wel, dat zij in staat is het lijden van alle zielskrankten te verzachten en te lenigen. En is zij niet een bode der hope, die van betere tijden spreekt? Dikwijls als bittere teleurstellingen mij hadden ter aarde geworpen, richtte zij mij aan haar hand op, en nam mij aan haar zachte borst; dan dauwden er woorden van liefde en troost van haar zoete lippen; dan ademde zij mij nieuwen moed in ’t hart; dan goot zij mijn boezem vol van nieuwen levenslust en nieuwe levenskracht; dan spande haar opwekkende invloed mijn spieren en zenuwen tot dapperen wederstand tegen den druk, die op mij woog; dan klonk haar stem voor mij als een wapenkreet, die mij ten strijd daagde; dan ging haar moed-inboezemend geluid mij voor op den weg der overwinning; dan hergaf zij mij aan mij zelven.Nog plechtiger herinneringen verrijzen voor mijn geest.Stemme des orgels! Stemme der muziek in het huis des Heeren! Hoe de gewaarwordingen te beschrijven, die gij zoo dikwijls in mij verwektet?Ik weet het, de Godsdienst heeft meerder rechten op de welluidendste der kunsten, dan deze haar in onze eenvoudige heiligdommen betaalt. De storm der Hervorming heeft in haar geweldige, schoon heilzame omkeering, onder meer, dat wij hadden willen gespaard zien, ook de snaren van de heilige harpDavidsverbroken, die Gode zoo welgevalliglijk placht te klinken. Het zij! wij weten, dat het een hachelijk oogenblik was, toen het niet de keuze tusschen een eerdienst met of zonder muziek, toen het de keuze tusschen een hulde des harten en der lippen en een hulde der muziektuigen gold; toen er beslist moest[47]worden, of de zanger zou zingen, of zijne luite. Doch des te hooger eere en dank aan hen, die het pleit des orgels voor de rechtbank der Hervorming hebben verdedigd en gewonnen. Nu hebben wij ten minste een enkel harmonisch voertuig voor onze heilige inboezemingen behouden; en, wij erkennen het dankbaar, het geschiktste en waardigste, om dien gewijden last ten Hemel te voeren! Er is in den klank des orgels iets statigs en majestueus, dat wonderlijk overeenkomt met de plaats en het doel, waartoe het zich laat hooren. Ik zou haast zeggen: het orgel is een beeld van den Godsdienst zelven, dien wij belijden. Zoo woont hij in ons hart, onzichtbaar en verborgen, even als het geluid in het speeltuig. Geen bonte pronk of valsche schittering tooien hem, maar een deftig, plechtig en eerbiedwekkend uiterlijk. Hij vermengt zich niet onder de ijdelheden der aarde, noch paart zijn stem aan den luchtiger toon der wereld; altijd blijft hij waardig, achtbaar en zijn hooge bestemming indachtig. Zich gedurende de zes ongewijde dagen in zichzelve terugtrekkende, verheft hij ten zevenden, ten dage des Heeren, zijn jubelende stem, en roept dan luide zijn verrukkingen uit! Maar ook dan nog handhaaft hij zich als de bode eener heilige blijdschap, en laat in den klank van zijn zich naar buiten openbarende vreugde, altijd den grondtoon van een statigen ernst klinken.—Vol en breed vervult de galm van het speeltuig het heiligdom, en doordringt het met een welluidende huivering; langzaam, gelijk de geur des offers met de lucht samenvloeit, vereenigt hij zich met de stem der menigte; en daarmede ineengesmolten heft hij zich met een kalme gelijkmatige duivenvlucht omhoog, dringt door wolken en uitspansel, en stort zich uit voor het oor van Hem, die den adem geeft. O, het is verwonderlijk, hoe machtig dit geluid is op hem, die er gevoel voor heeft, om hem te stemmen en tot een waardige aanbidding voor te bereiden. Hoe dikwijls kwam ik verstrooid en afgetrokken in het heiligdom; maar het orgel klonk! het orgel, dat ons in zijn indrukwekkend geklank opriep:Lovet den Heere met de harpe. Psalmzinget Hem met de luyte.—Als een geest der bezieling woei die welluidende adem mij aan; helder weêrklonk die stem, die den tempel doorgalmde, in den tempel mijns harten. En nauwelijks droeg de eerste golf van melodie den eersten toon des gezangs naar boven, of reeds mengde zich mijn stem, eerbiedig en vroom, in het duizendstemmig lied der gemeente, en klom zwak en bevende, maar uit het volle hart, tot den Heer! En hoe zou ik al de verplichtingen kunnen opnoemen, die mijn stichting en zielsverheffing aan u heeft, muziek des gewijden orgels? Of kende ik de oogenblikken niet, waarin mijn overstelpt hart zijn dank niet hoog genoeg ten hemel heffen kon, maar zich gelukkig voelde, dien op uw breeder en sterker schacht te mogen nederleggen, om dien te brengen tot waar mijn stem niet reikt; oogenblikken van bezwaardheid en droefenis, waarin met uw opbeurende galmen van boven licht en troost in mijn donkere ziel vloeide; oogenblikken, waarin uw majestueus geluid mij een huivering van eerbied[48]op de leden stortte, en mij den Allerhoogste voor den geest stelde,als was het dat „suyzen van een sachte stilte” waarin de Heer zich aan zijn dienaars openbaart; oogenblikken, waarin uw donderende toon, ontzagverwekkend als de klaterende wolk van Horeb, op mij nederdaalde en mij met den schrik des Heeren sloeg, of waarin ik in een rollend gebulder de bazuine des laatsten oordeels meende te hooren; oogenblikken waarin uw machtige stem voor mij de wolken deed scheuren, en mij, onder uw zegevierend jubelen, den hemel opende, waaruit mij reeds het lied der tienduizendmaal tienduizenden scheen toe te klinken! O zeker, al waart gij voor mij de eenige tolk der harmonie, die door al het geschapene ruischt, orgel des heiligen bedehuizes! toch zou ik metSchilleraan uw kunst den palm reiken!Aber die Seelesprichtnur Polyhymnia aus.Ja, durfde ik, ik zou verder willen gaan en zeggen: Muziek is de taal des hemels!„Muziek de taal des hemels!”Kent gijla dernière pensée musicalevanWeber? Laat haar u anders eerst eens voorspelen.Begrijpt gij mij nu?Ik ken geen muziekstuk, dat mijn gedachten beter uitdrukt. Hoort gij het niet, dat er in deze heerlijkeandanteeen stem is, die van een betere wereld spreekt? Dat weemoedig-zwevende, dat biddend-klagende, dat smachtend-verlangende, dat opwaarts-strevende,—in één woord, dat gevoel van heimwee, dat in deze noten ademt, wijst het u niet als met de hand naar den hemel? O, zóó zou ik wenschen te sterven met zulke gedachten, met zulk een gevoel, met zulke verwachtingen! Welnu, dit karakter der muziek is het, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt! Wat zijn zij zeldzaam, de stemmen, die ons aan ons vaderland daarboven herinneren! en wanneer ze zich al laten hooren, hoe zelden hebben zij den waren toon, die het hart toespreekt, en met waarachtig verlangen vervult! Maar voor mij is de muziek zulk een roepstem, en wel een stem, zoo liefelijk, zoo uitlokkend als eenige, een stem als van een moeder, die haar kind tot zich roept. Ja, ik begrijp dat heimwee van den Zwitser, als het lied zijner bergen, het klagenderanz des vachesin zijn ooren klinkt. Ik geloof dat dit geluid de snaren zijner ziel kan spannen, dat ze breken. Immers weet ik wat ik gevoel, als de muziek mij als een stem uit de hoogte toeruischt, en mij met reikhalzende begeerte naar de bergen mijns hemelschen vaderlands doordringt. Dan doorstroomt een nameloos gevoel mijn boezem; dan vervult zich mijn hart, en zet zich uit, en zwoegt als om zich ruimte te maken, gelijk een vogel in zijn kouw; dan rijzen zucht op zucht uit dien beklemden kerker op, en stijgen daarheen, waar het hart ze niet volgen kan, dat ze treurig naziet als een gevangen duif, die haar jongen ziet opvliegen. Dan verheft zich mijn hoofd, dan glinstert mijn oog, dan openen zich onwillekeurig mijn armen, dan zucht ik bezwaard zijnde om ontbonden[49]te worden.Zou het misschien daarom zijn datLutherde muziek de eerste der menschelijke kunsten noemde, en haar de naaste aan de godgeleerdheid plaatste?De eerste der menschelijke kunsten, zeide ik. Maar.… ik weet niet.… ik durf niet gissen.… ik vrees vermetel te wezen.… en waarom niet? Een groot man heeft van den aanstaandengeluksstaatder zaligen gezegd: „Geeft u onbeschroomdelijk toe in kinderlijke droomen en voorstellingen! Alleenlijk, laten het geen opgeblazen, wijsgeerige, maar laten het kinderlijke droomen zijn!”—Welnu, tot die kinderlijke droomen van mijn verbeelding behoort ook, dat de vreugde, uit het genot der muziek geschept, mede tot het geluk der zaligen behooren zal. Ik weet wel: „de lofzangen der hemelingen zullen toch geen Jeruzalemsche tempel-muziek wezen!” Even weinig durf ik raden, hoe dan anders zich mijn mijmeringen verwezenlijken zullen. Maar ik laat mij daarom het denkbeeld niet ontnemen, dat daar een stemme des gezangs en geklanks zal gehoord worden in den hemel, gelijk er een stemme des lieds en der speeltuigen gehoord wordt op aarde. Niet alleen om den wil der fijne, zuivere, geestelijke en bijna bovenaardsche weelde, waarin de stroom der harmonie het gevoelig hart doet baden; maar omdat ik mij zóó, en zóó alleen verbeelden kan, hoe het van hemelzaligheid overvloeiend hart zich, in gemeenschap met zijn medegezaligden, in dankbaarheid en vreugde voor den Vader der Lichten zal uitstorten. „Gloeit het vuur der dankbaarheid,” zoo leze ik, „diep in mijn binnenste, verliest u dan in de plechtige lofgezangen, die voor het aangezicht van God worden uitgeboezemd!” Laat ik er mij dan in verliezen! Beklage of belache mij wie wil; ik laat anderen gaarne hunnen hemel, indien men mij slechts toelaat mij mijnen hemel te scheppen, zoo als hij voor mij meest aantrekkelijk, meest uitlokkend, meest hemelsch is! O, dat stemmen der gouden citers! dat aanheffen van een nieuw en nooit gezongen lied! dat mengen der stem in het koor van al wat in den hemel leeft! dat uitstorten van zijn hart in den adem der Godsverheerlijking!.… Indien gij een droom zijt, hoe schoon zijt gij! En indien meer!.…Kom,Editha! speel dedernière pensée musicalevanWebernog eens voor mij![50][Inhoud]RUITEN TROEF.Onder andere schoone en nuttige kundigheden, mis ik ook het talent van kaartspelen. Ik weet niet waardoor het komt, maar ik heb het nooit kunnen leeren. En dit is te onbegrijpelijker, omdat het mij anders niet aan het noodige geduld ontbreekt. Op het ganzenbord bijvoorbeeld ben ik een heele held. Uren lang kan ik, met een lief kind op mijn schoot, mij aan dat spel toewijden, zonder ooit moede te worden van het onophoudelijk heen en weêr trekken van den Put naar den Dood, en van den Dood weêr naar den Put. Maar met de kaartenbladen der groote menschen kan ik maar niet klaar komen; misschien ligt het aan de zwakheid van mijn geheugen. Eischt de wet van het spel niet, dat men zal nagaan, wat ieder zijner medespelers in de hand heeft? Waarlijk, dit is te veel geëischt van een man, die altijd zoo veel met zich zelven te doen heeft, dat hij nauwelijks ooit eenoogenbliktijd kan vinden, om zich over eens anders zaken te bekommeren. Aan dewhisttafel, evenmin als elders, bemoei ik mij gaarne met het spel van anderen. Men heeft mij wel gezegd, dat ik daardoor altijd verliezen moet, omdat anderen er wel achter weten te komen, wat ik in de hand heb;—ik moet het overgeven. Om mijn domheid in dit opzicht te rechtvaardigen, heb ik er een stelling op uitgevonden, waarmeê ik mij zoo goed mogelijk troost: goede spelers worden geboren, en niet gemaakt.Gebeurt het dus somtijds, dat ik tegen mijn gewoonte in een gezelschap verdwaald ben, waar gespeeld wordt, krijg ik gewoonlijk van de gastvrouw een plaatsje bij de jongelui, aan de zoogenaamdeallegaâr-tafel. Daar gaat het met hetkleurennog zoo wat heen; te meer, omdat ik altijd spoedigdoodben, en dan gelegenheid heb, het veel vermakelijker spel van de verliefde dartelheid der jonge paren aan te zien. Dat gezicht is voor mijn smaak wel eens zoo aanlokkelijk, als dat van gindschhombre-tafeltje, waar de partijen een gezicht zetten, of zij om malkaârs leven dobbelen. Hier doet zich mijn schilder-oog recht te goed. Zie had ik mijn potlood, ik zou dien schalken jongen met zijn donkere kijkers willen uitteekenen, zoo als hij zijn hoofd stoeiend over den blanken schouder van zijn bekoorlijke buurvrouw[51]heensteekt, omquasite zien, wat kaarten zij heeft, maar dat hij, dom genoeg, in haar lachende oogen schijnt te willen lezen. De linksche jongen! hij gelijkt mij, hij zal nooit goed leeren spelen! en welk een aardigtegenstukzou gindsch sentimenteel paartje opleveren, dat den schijn aanneemt van elkanders kaarten te ruilen, maar eigenlijk alleen van die mine gebruik maakt om verliefde handdrukjes te wisselen; met dat gevolg, dat zij beide eindigen met drie verschillende kleuren in den hand te krijgen. Wat doet het er toe? daar het hoogroode blosje, dat te gelijk beider wangen bedekt wel degelijk van de zelfde echtehartenkleuris! Ei, voor zulk een tooneeltje geef ik van ganscher harte het zeldzaam genoegen van eenvole annoncéete zien spelen.Maar als ik nu bij ongeluk in een kring geraakt ben, waar alleen met scherpe wapenen gestreden wordt, zonder dat er een hoekje voor zulk een onschuldige schermpartij is afgezonderd, dan moet ik mij getroosten, als een ledig aanschouwer door de zaal te dwalen, en mij beurtelings bij de verschillende tafeltjes te plaatsen. Het is waar, dat dit niet altijd even aangenaam is. Want mijn eigenliefde krijgt bij zulk een gelegenheid altijd geweldige stooten. Meestal heb ik alsdan moeten ondervinden, dat op zulk een oogenblik de minste kaart meer aandacht trekt, dan ik. Aanmerkingen, die verdienden gedrukt te worden, heb ik door den uitroep van:spadille!hooren overschreeuwen. Ik geloof dat zulke ervaringen krachtig hebben meêgeholpen, om mij nederig te houden. Ten minste sedert eenigen tijd is mijn aanmatiging om tusschen de phrasen van het spel nog mijn phrase te willen plaatsen voorbij. Ik waag mij niet meer in het gedrang, maar blijf eerbiedig op een afstand. Gewoonlijk plaats ik mijn stoel in de nabijheid van het een of ander tafeltje, ver genoeg van het tooneel des gevechts verwijderd om niemand te hinderen, en toch niet zoo ver, of ik kan het voorkomenhebbenvan naar het spel te zien. En dan komt mijn gelukkige gaaf, van met open oogen te kunnen droomen, mij weder heerlijk te stade. Aldus heb ik aan dewhist- enquadrille-tafel menig schoon uurtje gesleten.Zoo was ik onlangs bij een mijner goede vrienden op een verjaarfeest genoodigd; hij kwam mij zelf vragen, omdat hij voor een weigering vreesde. Want daar zijnChef, wien hij welstaanshalve niet voorbij kon gaan, een liefhebber was van „een kaartje te leggen,” moest er in den vooravond gespeeld worden. Wat zou ik doen? hij stond er op, dat ik komen zou, en ik bederf niet gaarne iemands vreugde. Ook ben ik er bang voor, iemand, dien ik lief heb, te verstoren. Als men aan vrouw of kind iets weigert, hangen ze u vijf minuten daarna toch weêr aan ’t lijf: maar als men een vriend boos maakt, blijft hij wel eens boos. Kort en goed, ik nam het aan.Ik kwam vrij laat. De tenten waren reeds opgeslagen, het terrein verdeeld, de strijders geschaard, en de zwaarden getrokken. Wat wonder, dat bijna niemand mij merkte? Nadat ik de gastvrouw begroet en mijn vriend de hand gedrukt had, begon ik naar een plaatsje uit[52]te zien, waar ik het gevecht zou kunnen—vergeten. Wacht.… ja.… daarheen! ik had een heerlijk hoekje gevonden, in de nabijheid van eenhombre-tafeltje, waar ik, half tusschen de meubelgordijnen verscholen, mij onopgemerkt aan mijn gepeinzen kon overgeven. Nadat ik het gezelschap, in welks nabijheid in mijn banier plantte, links en rechts gegroet had, begon ik, om op mijn verhaal te komen, met mijn buurman op te nemen. Zij waren drie in getal, twee Heeren en een Dame. Om een bijzondere reden, die in de verdeeling van het spel haar grond had, was de echtgenoot der Dame een van haar beidepartners. Het was een leelijk man, met een geschonden aangezicht en lichtgrijze oogen, die door een schildpadden bril keken. Hij was prachtig, maar slordig gekleed; hij sprak weinig, en deed bijna niets dan om de geestigheden van zijn medespeler lachen. Deze was het levend beeld der gezondheid. Hij moest vroeger een schoon man geweest zijn; maar het vet, die gezworen vijand van alle schoonheid, had de fijnheid zijner trekken en vormen bedorven. Hij was nu een dikkeApollo, gelijk onze oude schilders er teekenen. Evenwel, hoe diep zijn hart ook in zijn vleezige borst begraven was, de geest scheen door het vleesch nog niet geheel ten onder gebracht. Onophoudelijk vloeiden er Attische zetten van zijn lippen, die zijn vriend deden schateren, en ook de Dame een goedkeurend glimlachje afdwongen. De dame—ik had de beleefdheid wel mogen hebben van met haar te beginnen—was een vrouw van ruim dertig jaren; evenwel mogt zij nog met het volste recht een schoonheid heeten. Ofschoon een kanten nevel haar haar verborg, zag men aan de vlecht, die daaronder te voorschijn kwam, welk een onrecht zij daarmede aan de bewonderaars van „levend goud” deed. Haar oogen waren van het verrukkelijkste blauw, en haar huid van een verblindende blankheid. Echter vond ik haar niet onwederstaanbaar; zij had iets onverschilligs, iets prozaïsch in haar wijze van spreken en doen, dat met haar blond-blauw voorkomen in openlijken strijd was. Zij dronk met haar fijne beeldig besneden lippen haar glaasje bisschop met een genoegen, met een sybaritisch welgevallen, dat mij wanhopig maakte; en toen zij haar parelwittetandenmet Epicurische graagte in een roomtaartje zette, moest ik mij van ergernis omkeeren.Evenwel, men gewent aan alles: zoo ook ik op dien oogenblik. Nog geen half uur was er verloopen, of ik zag tafeltje noch spelers meer, en zat reeds hoog en droog in de luchtballon mijner droomerijen. Daar dreef ik op de genade des toevals door de lucht, zonder iets te bemerken van alles wat op de aarde aan mijn voeten voorviel. Het zij mij vergund, u een staaltje van mijn overdenkingen te geven.Onder andere beelden zag ik de sylphengestalte vanAlwine Stanley, een der liefelijkste verschijningen, die ooit mijn oog verrukten. Zij was blank alseenengel, en, zoo haar haar niet zoo wit was als sneeuw, het scheen toch sneeuw, door de zon verguld; ook droeg zij altijd een wit kleed, en had daarbij iets in de oogen, dat de begoocheling volkomen maakte. Maar zij was teêr, ongeloofelijk teêr! haar middel was[53]zoo tenger, dat men vreesde, als zij zich boog, moest zij knakken als een bieze, tot dat men zich overtuigd had, dat het golvende van haar bewegingen die vrees overbodig maakte; want dan toonde zich haar lichaam weêr zoo buigzaam en veêrkrachtig, dat het uit enkel zenuwen en spieren scheen te bestaan, en den stokkerigen gast dien wij daaronder herbergen te missen. Haar hals was dun als die vanAnna Boleyn, maar veel gereeder dan deze om te buigen; want bij het minste tochtje, dat langs haar ging liet zij het hoofd hangen. Haar geheele voorkomen had een etherischen zweem, en deed aan de teederste vanShakespeare’sscheppingen, aanAriel, denken. Wie haar zag, vond de aarde te hard en den wind te scherp voor haar; wie haar toesprak,verzachtteonwillekeurig den toon zijner stem; zij was als SirWalter’sMaiden of the mist, men durfde haar niet aanroeren, uit vrees van haar in een nevel te zien oplossen.Was het vreemd, dat zij vele bewonderaars had? Vreemd was het evenwel, dat er niemand aan scheen te denken om naar haar hand te staan. Dit was het gevolg van haar Engelen-natuur; het gevoel van ontzag, dat zij inboezemde, maakte, dat men het denkbeeld om haar te bezitten als iets ongerijmds verwierp. In de droomen des jongelings kwam zij voor als de toovergodin, die zijn liefde beschermt, nooit als de schoone Prinses, naar wier gunst hij stond. Zij had honderd aanbidders, maar geen enkelen minnaar.Dit bleef echter niet altijd zoo. Eindelijk was er een, die het waagde een vermetel oog op haar te slaan. Maar zoo in iemand, in hem was die stoutmoedigheid te dulden. Hij heetteAlfred; maar ik noemde hemAlcibiades, zoo herinnerde hij mij dien bevalligste der Grieken. Want, dat de Olympische lauwer aan zijn antieken kop ontbrak, en marmer noch metaal den heerlijken vorm zijner gestalte vermenigvuldigde, was aan den tijd te wijten, waarin hij geboren was; wat bleef hem thans over, dan zijn moed in in het oefenperk der gymnastie en het speelveld der schermkunst te doen schitteren? Maar miste hij de gelegenheid om een bloedige kroon te winnen, te schooner sierde hem de krans van de kunsten des vredes. Hij was dichter, zonder evenwel de luit te hanteren; maar de scheppende kracht eener weelderigefantasiewoonde in zijn borst, en stortte zich in den kunsteloozen vorm eener wegsleepende welsprekendheid uit. Niets echter onderscheidde hem meer,dan zijnhartstochtvoor de muziek; zelf was hij een uitstekend kunstenaar, doch verborg dit talent met meisjesachtige schaamachtigheid. Maar ’s nachts, onder begunstiging der duisternis, doolde hij, met de guitar om zijn hals geslingerd, naar de woning vanAlwine; en wie hem dan in romanesque melodiën aan zijn gevoel lucht hoorde geven, waarbij zijn tenorstem met den langen adem eens nachtegaals door de lucht trilde, terwijl zijn schilderachtige houding, door het schijnsel der maan verlicht, aan een Grieksch standbeeld deed denken, vergaf het aan de hemelsche Diana, achter dien wit-gazen nevel verscholen, dat zij met welgevallen op dezen Actaeon nederzag.[54]De gelieven beminden elkander, gelijk zulke zielen beminnen moeten, hartstochtelijk; maar een breede klove scheidde hen. De witte gestalte vanAlwineboog voor de hostie; het trotsche hoofd vanAlfredboog alleen voor Hem, dien „de Hemelen niet en begrijpen.” Het meisje, wier liefde op de rots van onbepaald geloof in den Beminde gegrond was, was gereed voor hem het outer te verlaten en naast hem neêr te knielen; maar haar vader, die voor den Roomschen herdersstaf sidderde, verbond aan het verlaten haars heiligdoms de verbanning uit zijn huis en hart; er zweefde een onheilspellend woord op zijn lippen. Om haar wanhopig te maken, kwam hier het aanzoek van een geloofsgenoot bij, een man die haar begreep noch verdiende; een van die menschen, die met dezelfde onverschilligheid hun voet in ongerepte sneeuw als in drassige klei drukken. De vader, voor de verleiding van den schoonen Hugenoot vreezende, was harder voor haar dan zij verdiende: ongenadig als een stormwind drukte hij op broze riet, zoodat het krookte, en spoedig geheel scheen te zullen breken. Nog herinner ik mij, welk algemeen mededogen de kwijnendeAlwineopwekte; menig oog, dat haar aanzag, vulde zich met tranen, en ieders verbeelding zag haar reeds aan den voet des altaars, met den witten maagdenkrans op het haar, en de brandende waslichten rondom haar.… Ja, zal ik het bekennen? in de verwachting van haar aanstaanden dood, bezong ik haar uiteinde reeds in een gedicht, waarin onder anderen de volgende smachtende regels voorkwamen:Beklaag Alwine, in ’s levens bloei vergaan!Hoe greep de smart haar teedre broosheid aan!Nog is zij schoon, maar aaklig schoon! en de oogenBeweenen haar, die haar bewondren mogen.Was ze eenmaal bleek als lentebloesem, thansWeek ’t leven uit de witheid van dien glans.Een doode schijnt ze, als balsemde heur asemHaar zielloos schoon met eigen amberwasem.Soms dringt een traan zich aan haar oogen op,Maar ’t is ondanks haar wil, zoo als de knop,Gebroken op zijn steel en halfgebogen,Den dauw vergiet, waarmeê hij is betogen.En vreemd! zoo weinig dooft dat nat hun vonk,Dat nooit haar blik van helder tintling blonk!Ook wreken zich de kwellingen haars hartenNiet op haar leest in folterende smarten,Maar, met den dolk in ’t hart, zegt ze Arria,Met vriendlijk oog: het is niet pijnlijk! na.Zij draagt haar leed als waar ’t in onbewustheid,En liegt het weg in ’t lachje van gerustheidOp ’t smal gelaat, zoo al geen bleeker roodDen worm verraadt, die ’t veege bloempje doodt!Soms ziet men haar doorschijnende elpen vingerenZich bevend om de zilvren snaren slingeren;Maar, trillend door d’onvasten greep, heeft ’t lied,De harp ontlokt, den rechten toonklank niet.[55]De lip is bleek, die vroeger plach te blozen,Maar, witte roos, behield den geur der rozen.Haar stem is zacht, maar vriendlijk zacht en zoet.Zij sleept zich voort met weigerenden voet,En toont, wanneer zij op uw arm mag leunen,Hoe noodig ’t is haar zwakheid te ondersteunen.De slaap ontwijkt ze, als vreest ze een enkel uurTe ontrooven aan zoo kort een levensduur!Ja, zelfs de Dood laat zich door haar verzachten,En schijnt bij ’t henensmelten van haar krachten,Te waken, dat geen al te ruwe slagZoo schoon een leest te deerlijk schenden mag!Zoo zal zij ook, wanneer zij ’t hoofd laat hangen,Zacht sluimren, door zijn harden arm omvangen,En wie haar ziet, doen denken, aan haar rust:Een moeder heeft haar zoo in slaap gekust.…„Ruiten-troef!” riep de Dame aan hethombre-tafeltje, met een stem zoo luid, dat ik wakker schrikte en uit mijn droom ontwaakte. „Ruiten-troef!” riep zij, en daarbij keerde zij het spel kaarten, dat zij gemengd had, om, waardoor het bleek, dat Ruiten de favoriet-kaart voor het volgende spel waren.Zelden echter was ik zoo boos op de oorzaak, die mij in mijn mijmering stoorde, als nu! Het was ook een val! van een romanesque doode op Ruiten-troef.… denkt gij? neen, veel erger! Want—en verplaats u in mijn stemming—want de engelachtigeAlwinewas—och ja, de Dame die voor mij zat en Ruiten-troef had geroepen! de dikke Apollo wasAlfred! en de leelijke man met zijn schildpadden bril de doorAlwine’svader beschermde minnaar!Alwinehad lang tegenstand geboden, lang geleden en gestreden; maar eindelijk had de wil haars vaders, door de verschrikkingen van het bedreigdeexorcismusondersteund, haar toestemming afgedwongen. Toen ik haar in den echt had zien inzegenen, kwam ik verontwaardigd te huis, en zette een nieuw gedicht op het touw, dat dus begon:’k Heb u gezien, de oranje door de haren,En om den hals ’t juweelen snoer gezwierd;De blanke leest met blank satijn gesierd,Omgeven door de u huldigende scharen.Ik zag u, met die bleekte op ’t zacht gezicht,Die weêmoed op de wang der bruid verwekte,Aanvalliger, dan toen de blos ze dekte,Die vreemd moet zijn aan d’ochtend, die u licht.Die kwijning van uw heerlijk blauwende oogen—Die flauwe lach, die wegsterft in een zucht—Dat rustloos hart, dat zwoegend hijgt naar lucht—Die fletsheid, die uw wangen houdt betogen—Die matheid in ’t door druk bezwaard gestel—[56]Die trage gang der eertijds vlugge schreden,Nog aarzlende op ’t hun vreemde pad te treden—Verraden ons uw kommer al te wèl.En gij hebt recht! des Bruigoms vuurge blikken—Het ongeduld, dat uit zijn trekken licht—De hartstocht, die zich schetst op zijn gezicht,Zoodat zijn drift uw schuchterheid doet schrikken—Zijn vlammend oog, gekluisterd aan uw leest—Zijn wild gebaar, dat, waagt het u te omvatten,Zich nauwlijks kan weêrhouden uit te spatten—Verzeekren u geenszins, dat ge ijdel vreest!O daar is slechts een stonde in mannendriften,Een leven lang in ’s manshartstochtloosheid:Dezelfde hand, die thans uw schoonheid vleit,Kan uw verval verbittren en vergiften!Verganklijk zijn de bloemen van den lust,Gelijk aan die slechts ééne dagbeurt bloeien:De morgen wil ze met zijn dauw besproeien,Maar vindt ze door den nachtwind dor gekust.De Weelde is als een Vampyr, die zijn lippenMet jeugdig bloed van maagdlijke offers drenkt,Maar die den drank, dien ’t zingenot hem schenkt,In éénen teug een gorgel in doet glippen;Hij wil voor zich slechts ’t eerste waas der druif;Den most des wijns; het maagdlijk rood der rozen;En werpt van zich de bruid, door hem gekozen,Gelijk de bruid haar feestelijke huif!en zoo voort. Deze Philippica bleef echter zonder uitwerking, en verhinderde evenmin, datAlwinevoortaan een anderen naam voerde, als datAlfreduit wanhoop op reis ging. Na twee jaren afzijns kwam hij, uitstekend welvarende naar lichaam en geest, terug, en trouwde kort daarop een gezonde Hollandsche vrouw. Dit huwelijk brachtAlwine’ssentimentaliteit den laatsten slag toe. Uit wraak over haar teleurgestelde droomen, wierp zij zich daarop in de armen der meest positieve wezenlijkheid, en werd eene getrouwe lezeres der „Opregte Geldersche keukenmeid.” Ja, haar keuken werd zoo beroemd, dat de EpicurischeAlfredde begeerte niet weêrstaan kon om aan haardiner’sdeel te nemen, en verlof verzocht en verkreeg haar zijn vrouw te presenteeren. Op dezen oogenblik bevonden ze zich te zamen ten huize mijns vriends; het toeval plaatsteAlwine’sechtgenoot, die aan het biljart op de Societeit allen naijver afgezworen en een verbond van vriendschap metAlfredgesloten had, met zijn vrouw en vriend aan dezelfde tafel. Van daar de aanleiding, die mij in het Elysium mijner herinneringen verplaatste, toen ik daaruit zoo onvriendelijk teruggeroepen werd. Ik kon ze haast met geen goed oog aanzien![57]Welk een schoonen roman hadden ze mij bedorven! hoe diep waren zij gevallen! Die blanke leest der dertig-jarige vrouw, waarin ik nog enkele sporen van het vroegere nevelachtige wezen terugvond, wat was zij nu, dan de doodkist, waarinAlwinehaar dichterlijken geest begraven had? En wat was er van mijnAlcibiadesgeworden? een vleeschklomp, die nog slechts in het klassisch zout zijner geestige invallen een schaduw vertoonde van het genie, dat vroeger alleen de eenzaamheid in zijn vertrouwen nam. Dezelfde man, die eens, als een anderePaganini, uit jaloerschheid op zijn kunst, de toonen van zijn speeltuig aan iedereen buiten zichzelven misgunde, zong nu aan elk souper „op verzoek der Dames” een aria vanGrisar, en kende, als men hem om een proef van zijn talent op de piano verzocht, waarlijk niets dan een Strauszertje! er scheelde weinig aan, of ik nam het hun beide kwalijk, dat zij de onbeschaamdheid hadden van—te leven. Maar ook! in zijn verbeelding aan den rand eens grafs te staan, met de woorden vanHölty’selegie voor den geest:Sterbeglocken hallen,Und die Grabgesänge heben an;Schwarzbeflorte Trauerleute wallen,Und die Todtenkrone weht voran.En dan—door de heldin van dat visioen wakker geroepen te worden met den kreet: Ruiten-troef!Ruiten-troef! O hoe dikwijls ben ik, op gelijke wijze, uit den hemel mijner schoone droomen bij mijn beenen op de aarde teruggetrokken! hoe vele soortgelijke bittere teleurstellingen heb ik ondervonden.Ik verneem, dat een van de liefste vrienden, dien ik aan de Hoogeschool gehad heb, zich in de stad bevindt; dadelijk vat ik het voornemen op hem te gaan opzoeken. Het vooruitzicht van hem te ontmoeten is genoeg om mij in een andere wereld te verplaatsen. Ik daag alle herinneringen van vroeger tijd voor mijn geest: hoe lief wij elkander hadden; hoe wij onze boeken en onze geheimen deelden; hoe wij malkaâr in gevoel van bewondering voor de natuur niets toegaven; hoe wij dikwijls onzen doornstaf opnamen, en naar een nabijgelegen bouwval wandelden, om daarMatthissonte lezen en den rondwarenden schimmen den schuimenden berkemeier toe te brengen; hoe wij met elkander van geluk en liefde dweepten en in onze verbeelding aan het eind der aarde onze hutjes van klei naast elkander optrokken … in zulk een stemming kom ik bij hem; maar hoe vind ik hem terug? Als een schaduw van zichzelven. De financieele speculatiën, waarin hij gewikkeld is, hebben van hem een cijfermeester gemaakt, wiens wereld door de muren van de beurs,—neen, dit is nog te ruim—door de pilaren van deneffectenhoekbegrensd wordt. Begin ik met een verteederend:Henri, herinnert gij u nog? wijst hij mij terug met een onvriendelijk: Laat ons van die gekheid zwijgen! kom[58]ik op onze droomen, hij spreekt van zijn kansen: wijs ik hem op onze arme, maar gelukkige jeugd, hij wijst mij op een rijken, gemakkelijken ouderdom: herinner ik hem aan den berkemeier, hij roept om een glaasje kinabitter: hij breekt den cirkel mijner bezweering, even alsAlwine, door haar Ruiten-troef!Of ik zal een vrouw ontmoeten, die ik vroeger als eenGratiegekend en bewonderd heb, en die, ofschoon ik haar sedert jaren niet heb weêrgezien, nog in mijn herinnering leeft. Zeker, het is dwaas van mij, die toch ook de oude spring-in-’t-veld niet meer ben, welken zij aan de Akademie gekend heeft, dat ik een teleurgesteld gezicht zet, wanneer ik de jonge bevallige als een deftigematroneweêrvind. Maar dit zou ik nog kunnen overstappen, hadde tijd slechtsde kas van het speeltuig misvormd; maar helaas! hij heeft ook den klank bedorven. Na de gewone plichtplegingen van het alledaagsch gesprek waag ik het, haar aan vroegere dagen te herinneren. Ik roer een der teederste snaren aan.—Zij tjingelt als een vochtig koord.—Ik beproef het met een andere.—Zij is ontspannen.—Weêr een andere.—Zij knarst als roestig ijzer.—Nog een laatste!—Geheel gesprongen!—Alles Ruiten-troef.Of ik zal een dichter bezoeken. Welk een vooruitzicht! Ik stel hem mij voor, gelijk ik wenschen zou hem te vinden: in het oog van den adelaar zijn hoogeren rang verradende; een verheven voorhoofd waardig, naar de uitdrukking vanMoore, „het paleis” van zulk een ziel te zijn; een eerbiedwekkend voorkomen als van een hooger geest, die voor een wijle het kleed eens menschen draagt; en bovenal een stem, welke haar recht handhaaft om het Verledene en de Toekomst voor zich te dagen. Ik vind hem.… ik durf niet voortgaan.… wij hebben zoo weinig dichters, die men verlangt te zien.… gij zoudt denken dat een portret schilderde.… ach, ik kan immers degeheelegeschiedenis van mijn teleurstelling in één woord uitdrukken: Ruiten-troef!Zoo gaat het mij keer op keer. Een mensch met een gevoelig hart is een ongelukkig wezen op deze ongevoelige aarde. Ik loop even alsDiogenesmet een lampje, om naar de menschen te zoeken, die ik vroeger gekend heb; ik vind geheel andere wezens in de plaats. Het is of ik reeds gestorven ben en op de aarde terugkom; zoo weinig herken ik in het geslacht, dat mij omringt, het geslacht, waarmeê ik ben opgegroeid. Ieder ander is groot, is wijs, is rijk, is oud geworden; ik alleen ben nog altijd dezelfde kinderlijke, dwaze, armeJonathanvan voorheen!Als ik dit zoo aanzie, ben ik wel eens ongerust geworden, dat ik in een andere wereld even zulk een vreemdeling zijn zou als in de tegenwoordige. Die gedachte viel mij zeer bang; maar zij vond toch niet lang ingang bij mij. Neen, dacht ik, dat kan de beteekenis niet zijn van des Apostels vertroostende belofte:Doe ick een kindt was, sprack ik als een kindt, was ick gesint als een kindt, overleyde ik[59]als een kindt: maar wanneer ick een man gheworden ben, so hebbe ick te niete gedaen ’t gene eens kindts was.—Mannen zullen wij worden; en daaraan voel ik zoo zeer behoefte als iemand. Veel hetgeen des kindsJonathansis moet uit den weg, eer hij een man wezen zal. Maar wij zullen toch ook geen mannen zijn, zoo als zij, die zich hier boven mij verheffen, en meenen zooveel hooger te staan dan ik, omdat mijn geheugen een spiegel, en het hunne een doofpot is. Als ik in tegendeel een Engelschen Dichter gelooven mag, dat „het een gevaarlijke tijd is, waarin de jeugd zich van ons verwijdert, als wij vergeten dat de ziel haar jonkheid moet bewaren door een geheele lange eeuwigheid:” dan zouden de beelden, die ik met zoo veel getrouwheid vasthoud, nog wel eens, aan den anderen kant, veredeld en geheiligd, als engelen-gestalten kunnen opstaan. Plaagt en kwelt mij dan zoo veel gij wilt, mijn koelbloedige vrienden, met uw ijskoud Ruiten-troef! gij zult mij evenmin veranderen, als ik u. Wij zullen elkander hier in liefde verdragen en voorthelpen, en gezamenlijk biddende uitzien naar den tijd, waarin onze tweede jeugd zal aanvangen, die door geen veroudering van hoofd of hart meer zal worden opgevolgd![60]
[Inhoud]MUZIEK.Ik weet niet, van waar ik de onbeschaamdheid haal, om een hoofdstuk over Muziek te schrijven. Maar de lust bekruipt er mij toe. Ik wil ten minste beproeven, hoe ver ik het breng. Mislukt het mij, dan blijft die mislukking een geheim tusschen mijn papier en mij. En breng ik het gelukkig ten einde, dan is dit een blijk, dat mijn onbeschaamdheid een goed voorteeken geweest is. En immers ben ik de eerste niet, die over een onderwerp schrijft, waarvan hij niets verstaat?Ja, het harde woord moet er uit: ik versta niets van de muziek. Beleefde menschen hebben mij wel eens verzekerd, dat het jammer is, omdat ik er zoo veel natuurlijk gevoel voor heb: ja die overbeleefd wilden zijn, hebben mij indertijd wel gevleid, dat ik geen kwade stem had; maar het is ongelukkig, het kwam bij mij altijd op een verkeerd oogenblik aan den dag, waartoe ik aanleg had of niet. Twee jaren had ik reeds met het Italiaansche boekhouden vertobt, toen men zag, dat ik niet veel beter voor een koopman deugde dan de Hottentot, die niet verder rekent, dan zijn tien vingers. En omgekeerd, was de geschikte tijd om mij muziek te laten leeren voorbij, toen men bemerkte dat er in mij misschien eenMeijerbeerofPaganinistak. Het is nu te laat. Ik moet mij nu vergenoegen met mijn stem roemloos in het gezelschapskoor te mengen, als men aan het nagerecht het voorvaderlijke:Hoe zoet is ’t waar de vriendschap woont!of het geliefkoosde:’t Welvaren van dezen huize,aanheft.Edithabeweert wel, dat ze mij soms in mijn eenzaamheid uit de volle borst een solo-partij heeft hooren aanstemmen! maar de lezer zal mij genoegen doen met haar niet te gelooven; hij weet, welke spotters de vrouwen zijn.Zoodat, ik versta niets van de muziek. Was het nu bij mij: onbekend maakt onbemind; kon ik van mijn kant de muziek laten rusten, gelijk zij het mijn talent heeft gedaan, dan waren wij gemakkelijk te scheiden geweest, en had ik onder anderen dit hoofdstuk over de muziek niet geschreven; maarhinc illae lacrymae!bij ongeluk ben[39]ik juist een dol liefhebber van deze heerlijke kunst! Ja, wel mag ik zeggen, een dol liefhebber; want ik aanbid haar onder alle gedaanten: in het staatsiekleed op de muziekfeesten, in het koorkleed in de kerken, in het feestkleed op de concerten, in het tooneelkleed in deopera, in het militaire kleed op de parades, in het danskleed op het bal, in het burgerkleed langs de straten, ja in het bijna-geen-kleed der armoede, die met een draaiorgel loopt. Alle vormen waarvan zij zich bedient, zijn mij lief: het statige oratorium en de luchtige wals-maat; de prachtige symphonie en de eenvoudige aria; de rijke gevarieerde opera en het altijd wederkeerende orgeldeuntje; ik bemin duetten, terzetten, quartetten, quintetten, sextetten—als zij er zijn, hetgeen ik niet weet. Alle instrumenten zijn mij aangenaam, van koper of hout, met of zonder snaren, geblazen of gestreken, getokkeld of geroerd; ik hou zonder onderscheid van de schetterende trompet en het piepende flageoletje; van den brommenden bas en de snerpende vioolsnaar; van de toeterendetrombôneen de klagende dwarsfluit; van de donderende pauk en den tjingelenden triangel. Ik ben verzot op alle stijlen en methodes; Italiaansch, Duitsch of Fransch, klassisch of romantisch, oud- of nieuwerwetsch, ik ben overal uw man.Waarschijnlijk komt dit daaruit voort, dat mijn hart muzikaal is. Het zit bij mij niet alleen in de ooren, zoo als bij sommige kenners, wier gehoorzenuwen meer met hun maag, dan met hun ziel in verband staan. O, ik kan mij er dikwijls aan ergeren, wanneer ik de bezoldigde dienaars van Polyhymnia, onder de uitvoering van een heerlijke muziek, daarvan niet meer zie gevoelen, dan de instrumenten die zij behandelen. Vast in de maat, ze zijn het verwonderlijk: met den bril op den neus en den strijkstok in de hand, zitten zij te tellen als metrometers; nauwelijks is hun tijd om te spelen gekomen, of wip! gaat de viool naar de kin, en kras! gaat de stok over de snaar! laat er rondom hen gebeuren wat wil, zij vertrekken er geen oor naar, en blijven geheel noteblad; maar hun gewaarwordingen daaronder! leest ze op hun dommelige, levenlooze, houten aangezichten! zij voelen niets van de verrukkende harmonie, die om hen ruischt; zij blijven koud als steen te midden van dien vuurvloed, die van rondom hen op het sidderende gehoor nederbruist; hun nuchter hoofd bemerkt niets van de bedwelming, die zich van hun snaren op de opgewonden menigte stort. Ja wat meer is! zij zelven werken mede tot de betoovering, die u overmeestert: ook hun snaar giet zijn melodie in den stroom, wiens geweld u medesleept; ook hun spel is een schalm in de magische keten die u onzichtbaar omslingert; maar de ongelukkigen! zij zijn daarbij slechts doode werktuigen: hun invloed op u is die van doove hamers, die onder de hand des kunstenaars de snaren der piano treffen; gelijk de windharp, die geen aandoening heeft van het koeltje, waaronder haar zangerig hout zucht; zij zijn eenigermate gelijk aan „die werklieden vreemd aan Israël, die de bouwstoffen bijeenbrachten voor den prachtigen tempel, waarin het hun nooit vergund zou zijn binnen te[40]treden.” O, ik beken het met schaamte en spijt, dat ik een oningewijde in het heiligdom der harmonische kunst ben; ik kom er voor uit, dat ik van deze Levieten hares altaars het eenvoudigste onderricht in haar geheimen zou moeten ontvangen. Maar toch! ik sta in mijn oogen hooger dan zij, ik, die de harp in het hart draag, welke zij op hun knechtslivrei voeren. Vergeeft het mij, Heeren muziekmeesters endilettanti! maar als ik na een heerlijke muziek u de gehoorde compositie hoor ontleden, alsof het een thema ter analyse ware, terwijl de opgevangene melodie in mijn hart, als een weêrklinkend gewelf, zuiver en helder nagalmt, en het met welluidendheid vervult, dan verhef ik er mij op, dat ik tot uw kunst in nader en inniger betrekking sta, dan gij zelven; en terwijl ik uw medelijdende vraag:Mijnheer is geen kenner? met een zedige buiging beantwoord, beschouw ik u met het gevoel, waarmede de moedige reiziger den gids aanziet, die hem in het wonderoord der Zwitsersche Alpen weet te zeggen:Dit is nu deSt. Bernard, en die spits daar is deMontblanc, en die punt ginds is deJungfrau.Nog eens, bij mij zit de virtuositeit in het bloed; mijn ooren zijn niet dan de geleiders van mijn hart, en dat springt op, als het maar een enkele noot hoort, gelijk een hert dat de stem van zijn moeder verneemt! dit vraagt niet eerst: Wat hoor ik? Is het in mijn methode, wat ik hoor? Is het van mijn componist, wat ik hoor? Is het mijn instrument, dat ik hoor? Wordt het goed uitgevoerd, wat ik hoor? en zoo al voort totdat—er niets meer te hooren is. In dien tusschentijd heeft mijn hart reeds ruim en rijk genoten; het heeft de maat nagehuppeld, en met de noten meê in het rond gesprongen; het heeft voor een uur opgeruimdheid en vroolijkheid opgedaan, en herhaalt het liedje dat het gehoord heeft nog wel tienmaal in zichzelve.Waarom ziet Mijnheer zoo knorrig?Heet dat muziek maken? muziek-verknoeien is het!Tra la la la—tra la la la.Dan liever in het geheel geen muziek, dan haar zoo te hooren mishandelen.Maar wie is Mijnheer dan?Ik ben een musicus.Ha, ik niet. Vaarwel Mijnheer! leve de muziek! Tra la la la—tra la la la.Ja, leve de muziek! Ik heb behagen in alles wat maar zingt en klingt; melomanie is mijn zesde zintuig, ofschoon, gelijk ik zeide, in zijn natuurlijken toestand, zonder ontwikkeling of verfijning door de kunst; zij is mij dan ook aangeboren. Naar het zeggen van mijn moeder, was ik in der tijd een ondeugend en lastig wicht; maar gelukkig bezat zij in haar schoone stem een machtig toovermiddel, waaraan het bijna altijd gelukte den boozen Demon in mij te bezweren. Zette ik mijn keel op tot een gillende dissonant, dadelijk beproefde[41]zij die in haar heerlijke sopraantonen op te lossen, en eere zij aan mijn jeugdigen smaak, dat ik haar liever scheen te hooren dan mij zelven; want gewoonlijk hield ik dadelijk op om geen noot te verliezen, en eindigde met haar door mijn tranen toe te lachen, alsAstyanaxdichterlijker gedachtenis. De lieve moeder! Vooral was het hare gewoonte, mij des avonds zingende in slaap te sussen. Uren lang kon zij aldus aan mijn wiegje doorbrengen. Daarbij had zij een gevaarlijken vijand in haar gezang zelf; want ik was er veel te verliefd op, om er niet zoo lang mogelijk naar te luisteren. Zoo lag ik dan dikwijls een geruimen tijd tegen den slaap, die mij allengs overmeesterde, te kampen, tot dat mijn moeder eindelijk triomfeerde: zachtkens streek de rust met haar liefelijk ruischende vleugelen mijn luikende oogleden toe, en met een genoeglijk lachje om den mond sluimerde ik in.Naar mijn moeder mij vertelde, was er evenwel geen lied, waarvoor ik gevoeliger scheen te zijn, dan het avondlied der Hernhutters:Laat mij slapend op U wachten,O dan slaap ik zoo gerust.Ik geloof het gaarne; geen lied zong zij beter. Het is dan ook bijna het eenige van hare wiegezangen, waarvan mij een diepe indruk is bijgebleven. Nog kan ik het niet hooren, of er trilt in mijn hart een akkoord uit mijn vroegste kindschheid. Nog kan ik het niet hooren, of ik denk aan mijn lieve moeder, en—het toen nog onschuldige wicht. O gezegend het kind, dat zulke herinneringen heeft! hoe teêr ze zijn, ze zijn dikwijls sterker tegen de verzoeking, dan de stemmen van rede en deugd. Bij mij althans, welke booze gedachten zich ook in mijn binnenste mochten verheffen, ik geloof niet dat ze het zouden kunnen uithouden tegen een zachte stem, die in zulke oogenblikken zong:Laat mij slapend op U wachten!Opgroeiende verloochende zich deze zucht voor muziek in mij niet, en, gelijk ge ziet, zij is mij nog bijgebleven; zij is in mij iets natuurlijks. Ik heb de muziek lief uit instinkt, niet als een kunst, maar zoo als ik den blauwen hemel, de lekkere zon, de zachte maan, de heerlijke sterren, het donkere bosch en het groene veld lief heb. Ik vraag mij geen reden van deze liefde; ik laat er mij niet op voorstaan, noch zoek er meê te pralen. Ik noem het een gave van God, en ben er als zoodanig dankbaar voor.En zou ik niet?Göthespreekt ergens van menschen, die een gebrek in de oogen hebben, waardoor alles voor hen een rozeroode kleur heeft, de beklagenswaardigen! Wat genieten zij van die duizendmaalduizend schakeeringen van kleuren en tinten, die in de natuur ons oog verrukken? Maar mij dunkt dat menschen, die volstrekt geen gehoor voor de muziek bezitten, weinig minder te beklagen zijn. Want ook voor hen gaat immers een gedeelte van het schoone van Gods schepping[42]verloren? Zij hooren niets van al die welluidende stemmen, die overal klinken, en den Schepper prijzen, dat er te gelijk de schepselen door gestreeld en verheugd worden. O, het eerste vogelengezang in de lente! als het bosch, dat zoo lang stil en zwijgende was, weêr voor het eerst leven en geluid herkrijgt. Als de vogelkens hun stem schijnen te beproeven en allengs voller en ruimer uit de borst beginnen te zingen. Als langzamerhand al mijn lieve oude kennissen, met haar bekende stemmetjes mij haar welkom toeroepen. Als eindelijk mijn uitverkorene, de nachtegaal, voor de eerste maal mijn oor verrukt … o hoe baadt dan mijn ziel in genot! hoe zwemt zij in de zee van melodie, die uit de hoogte op mij nederstroomt! Zie op! voor het oog is alles nog winter. Het geboomte heeft nog zijn eentonig Decemberbruin; het groen slaapt nog in de zich ontwikkelenden bot; de rijp kraakt onder uwe voeten; een scherpeNoord-oostenwindblaast u in het gezicht, en bederft u het genot van de reeds koesterende voorjaarszon. Maar hoor toe! Voor het oor is de lente daar! zij is daar in de muziek, die even als andere vreugde, ook de vreugde der lente voorgaat; zij is daar in die duizende voorjaarsboden, die de komst van het schoone saizoen uitroepen, arkduiven die de belofte van een groenende aarde in den vriendelijken mond dragen; zij is daar in het lied van de Koningin der lente, die haar levenwekkende stem over ’t land doet hooren, die de „bloemen openfluit” en de bladeren uit hun zwachtels lokt. Gelukkig de vriend der muziek; hij heeft een lentemaand meer in het jaar!En komt gij in den kring der gezellige samenleving, hoe veel genot gaat ook daar voor het harde oor verloren. Het is toch in onze prozaïsche wereld nog iets poëtisch, en onder haar vele dissonanten nog iets melodisch, dat er zoo veel muziek in gehoord wordt. Laat het zijn, dat daaraan voor twee derden de ijdelheid en de mode deel hebben: ik vergeet dat, zoodra de eerste toon mij tegenklinkt. Wat menschen als ik daaraan te danken hebben, is ongelooflijk; menig vervelend bezoek, menige taaie avond is mij door het maken van muziek verkortenveraangenaamd. Maar foei! wat spreek ik alleen van hare negatieve verdiensten, als of zij geen andere rechten op mijn hart had? Maar laat het zich dan onder woorden brengen, welk genot ik dikwijls aan haar betoovering verschuldigd was?Immers staat mijn hart altijd voor haar invloed open, en wacht slechts op haar komst, gelijk de marmeren kom van een fontein op de stralen des dolfijns: een enkele noot, en mijn hart zet zijn deuren wagenwijd open. Hoe kan ik dan met een luisterziek oor aan de heerlijke klanken hangen! hoe met een van wellust bevenden voet den stroom der muziek in al zijn kronkelingen volgen, gelijk een knaap den schoonen vogel, dien hij hoopt te verrassen! Hoe kan ik mijn hart op de deining der melodie laten heen en weder wiegelen, gelijk een zwaan op de rimpeling van het kabbelende water! hoe mij op de vleugelen des stijgenden geluids laten opheffen, of op het dons der dalende akkoorden nederzinken! hoe kan ik mij in den Feeëndans der[43]luchtige noten laten meêslepen, of door de klacht derandantetot tranen bewegen! Van dat de eerste toon in mijn ooren klinkt, ben ik mijns-zelven niet meer: ik ben het eigendom van den componist, die mijn hart met volkomen willekeur beheerscht; hij heeft mij in zijn hand, hij kan van mij maken wat hij wil, ik ben de zijne door het recht van verovering.Evenwel het gebeurt soms, dat hierop een uitzondering plaats heeft. Het is dan als mijn hart te vol raakt, om meer te kunnen toehooren. Er zijn oogenblikken, dat de muziek, in plaats van mij met haar adem te streelen, het meir mijns harten beroert, en een sterke aandoening in mij wakker roept; dan is het mij niet mogelijk, langer aan haar klanken geboeid te blijven; dan word ik doof voor haar taal, en luister alleen naar de stem, die uit mijn binnenste oprijst; dan verlies ik mij in een diep verleden, of zie vooruit in een schemerende toekomst; dan verzink ik in dien toestand, dien de Dichter beschrijft:Het is een onbestemd „gevoelen,”Een toestand donker en verward.—Wij voelen zóó, als op ’t concertDe tonen op iets treurigs doelen:Een algemeen besef van smart;—Waarbij we, zonder orde of reden,In toekomst dwalen en verleden.Ziet gij, wanneer zulke gedachten mij aangrijpen, ben ik voor de toespraak der muziek verloren: voor haar toespraak, maar evenwel geenszins voor haar invloed. Want die mijmeringen zijn alleen onder haar invloed geboren, en leven alleen in den dampkring van haar melodie. Laat de muziek ophouden, en zij zullen wegvluchten als schuwgemaakte vogels! Laat de muziek voortduren, en zij zullen haren sylphendans voortzetten, en zich gedurig helderder en levendiger voor mijn geest vertoonen. Ook wordt haar voorkomen door de macht der muziek beheerscht. Gedurende deallegrozullen zij een licht, een vroolijk aanzien hebben; met deandantezal haar gelaat betrekken en haar gang sleepender worden; en als deze eindelijk in deadagioovergaat, zal er een floers van somberheid op haar dalen, als op een landschap, dat de zon op eens ophoudt te beschijnen. Zoo ontvangen zij, even als hetcorps de ballet, in alles de wet van hetorkest.En hierbij denk ik vooral aan de oogenblikken, onder het gehoor vanEdithagesleten. Het is namelijk haar standvastige gewoonte, des namiddags in het uur, waarin anderen zich het genoegen geven van, zoo als zij het met eeneuphemismenoemen,stil te zitten, de piano te openen, en een poosje te spelen. Nu speeltEdithazeer wel; ten minste naar mijn smaak, omdat er in haar spel meer uitdrukking dan kunst is. En dit stille uurtje is mij het liefste van den geheelen dag. O, hoe kan dan mijn geest zich op de wolken der zwevende melodie inschepen, en zich daarop omhoog laten voeren! Heerlijke luchtreis, die ik dan doe, waarbij al de luchtreizen vanGreenniets zijn. Kon ik u beschrijven,[44]wat dan mijn verrukt oog niet al aanschouwt! Welke lusthoven de gouden tooversleutel der harmonie voor mij opent! Welke paleizen de stem der muziek, als een andereAmphion, voor mij doet oprijzen! Welke gezichten mij vervoeren, welke geuren mij tegenwalmen, welke hemelsche tonen mij toeklinken! Gelukkig voorwaar, dat deze luchtkasteelen voor u ontoegankelijk zijn, Mijnheeren Ontvangers en Rijksschatters! kondt gij er bijkomen, armeJonathan, hoe zoudt gij moeten bloeden! Op welke sommen zou u de grondbelasting te staan komen van een terrein, waarbij uw aardsche hut niet veel meer is dan een notendop; met welke schatten zoudt ge het bezit van een mobilair moeten boeten, bij hetwelk goud, als het geringste der metalen, de plaats van hout en steen vervult. Ik kan er van sidderen, als ik denk, dat iemand hunner zijnbrakken neusin deze kostbaarheden steken mocht. Maar geen nood! Ieder mensch heeft boven zijn armoedje, dat door den maatstok der wet wordt nagemeten, een ruime plek aan den hemel, waar zijne verbeelding een luchtpaleis mag stichten, zoo prachtig als hij wil, zonder dat men hem daar kan komen lastig vallen. En waar ook verschil bestaan moge, hier niet. Want de weinige spannen gronds, die den bedelaar toebehooren, hebben even zoowel den onmetelijken hemel tot gewelf, als het uitgestrekte domein des Vorsten. Daarheen dan onze toevlucht genomen, mijne vrienden! die, even als ik, uw aardsche heerlijkheden met weinige passen beschrijden kunt. Wij zullen ons daarboven wreken! Wij zullen er een luchtkasteel bouwen, zoo heerlijk, dat de geheele schatkist, om wier wil we zoo geplaagd worden, niet in staat zou zijn er een enkelen vleugel van te betalen. Wij zullen er eenpleasure-groundbij aanleggen, waarin al de Ontvangers (en dat’s veel gezegd) des noods zouden kunnen verdwalen! En wij zullen het genoegen smaken van onze kwelgeesten bij den neus te hebben, die terwijl zij onzen nederigen inboedel taxeeren, van onze bezittingen in de maan niets vermoeden zullen. Ik voor mij althans hoor hen nooit een prijs op de piano vanEdithastellen, zonder in mij zelven teglimlachen: *** guldens! Zij is voor mij het tiendubbel waard; in die kast is voor mij het wenschhoedje vanFortunatusverborgen! Daarin schuilen de papieren van eigendom van mijn goederen in het bovenland. Maar gij zult er niets van te zien krijgen.—En nauwlijks heb ik de deur achter hen gesloten, of ik kom met een vroolijk gezicht weêr binnen: kom aan,Editha! nu nog eens een liedje:L’or n’est qu’une chimère.Maar nog dierbaarder is mij de herinnering aan die oogenblikken, waarin de muziek de uitwerking had van den storm derhartstochtenin mij te doen bedaren, oogenblikken waarin het mij ging alsSaul;Ende ’t geschiedde als de geest Godes overSaulwas, so namDavidde harpe, ende hy speelde met syne hant: dat wasSauleeneverademinge, ende het wert beter met hem, ende de boose geest weeck van[45]hem.—O, het is een zalig gevoel in een tijd, wanneer de drift, als een storm uit zijn krocht losgebroken, de kalmte der ziel beroert; wanneer alles, wat er kwaads en ondeugends op den bodem des harten slaapt, opgist, en het hoofd door zijn dampen bedwelmt; wanneer de onreinheid, die den grond onzes gemoeds bedekt, door onvoorzichtigheid in beweging gebracht, opborrelt, en deszelfs helderheid troebel maakt; het is een zalig gevoel, wanneer men zich in zulk een tijd de kracht voelt ontbreken om die woeling te gebieden: Zijt stille!—dat er zich dan een macht van buiten opdoet, die de verbroken rust en klaarheid herstelt. Zulk een macht nu is voor mij die der muziek. Dikwijls, als onreine gedachten mijne verbeelding dreigden te besmetten; als de hartstocht mijn gemoed in oproer bracht; als een weêrbarstige ontevredenheid zich van mijn ziel meester had gemaakt; was het genoeg, dat de muziek haar liefelijke stem liet hooren, om den kwaden geest, die mij verzocht, uit te bannen. Niet dikwijls gebeurde het, als zij zich ter rechter tijd gelden deed, dat mijn drift zich tegen haar tooverkracht bleef verzetten. Bij de eerste tonen reeds werd het oproer in zijn vaart gestuit; langzamerhand liet het zich met zachten tegenstand terugdringen, zoo als men een blaffenden bandhond streelend in zijn hok lokt; terwijl de muziek de muitende driften bedwong, riep zij de sluimerende betere gewaarwordingen wakker; vandaar een korte strijd, die eindelijk in de zegepraal van het goede beginsel eindigde, terwijl het kwade als een neêrgeslagen droesem op den donkeren bodem terugzonk. Gelukkig oogenblik, wanneer alsdan een zacht rood van schaamte de wangen kleurde, welke vroeger dehartstochtin vollen gloed had gezet, en een verkwikkende traan het brandend oog bevochtigde. Alsdan werd de wonderspreuk des Dichters aan mij bewaarheid:Alles heeft zich-zelf verloren.’t Honderdhoofdig HelgedrochtLigt ontketend in zijn krocht,Met ter neêr gestreken ooren,Vastgeboeid door ’t maatgeluid.En wat wonder? Immers was ik altijd, licht ontvlamd als ik ben, de speelbal van snel afwisselende aandoeningen, en even ras „in gloed gevlogen,” als tot zachtere gemoedsaandoeningen terug te brengen. Mijn moeder vooral verstond meesterlijk de kunst om in zulk een onrust rust te gebieden. Zij deed dit niet door mij, als een hollend paard, in den teugel te vallen; zij deed het door den leniger, maar sterker drang der overreding!„Jonathan! Jonathan!”Er was in den toon, waarmede zij dien naam uitsprak, iets zoo krachtig en teeders te gelijk, dat ik er niet aan kon weêrstaan. Welnu, in de stem der muziek is voor mij iets dergelijks; als zij mij hare zachte klanken tegenwalmt, is het of ik nog de stem van mijn nu zalige moeder hoor;„Jonathan! Jonathan!”En gepaard met deze herinnering, vallen mij op het eerste geluid de wapens uit de handen. Heerlijke muziek, zeker zijt gij een broeder-engel van mijnen Genius![46]Ook weet ik van oogenblikken, waarin zich aan mij een andere verzekering des Dichters bevestigde:Dan vergeet zich in ’t verrukken,Zelf Prometheus arendsbeet,Tantalus versmachtend leed,Bij ’t vervoerend vingerdrukken.Waar is de mensch, wien het hier wel niet eens bang was? Ik althans behoor tot hen, die aan het bestaan vanPrometheusenTantalusgelooven. Ik ken die pijn, die het hart eet en het bloed drinkt; ik ken dat onverzadigd verlangen, dat den mensch naar de gouden paradijsappelen doet hongeren, die altijd even ver van zijn lippen verwijderd blijven; maar ik ken ook dat zich vergeten van arendsbeet en versmachting,Bij ’t vervoerend vingerdrukken.De muziek spreekt bovenal de taal der vertroosting! haar gestrookIs waarlijk van fluweel.Haar vriendelijke stem vloeit als balsem in het verscheurde hart: ik weet niet, of het waar is, wat sommigen beweerd hebben, dat muziek de kracht heeft van sommige zielskrankten te genezen; maar ik weet wel, dat zij in staat is het lijden van alle zielskrankten te verzachten en te lenigen. En is zij niet een bode der hope, die van betere tijden spreekt? Dikwijls als bittere teleurstellingen mij hadden ter aarde geworpen, richtte zij mij aan haar hand op, en nam mij aan haar zachte borst; dan dauwden er woorden van liefde en troost van haar zoete lippen; dan ademde zij mij nieuwen moed in ’t hart; dan goot zij mijn boezem vol van nieuwen levenslust en nieuwe levenskracht; dan spande haar opwekkende invloed mijn spieren en zenuwen tot dapperen wederstand tegen den druk, die op mij woog; dan klonk haar stem voor mij als een wapenkreet, die mij ten strijd daagde; dan ging haar moed-inboezemend geluid mij voor op den weg der overwinning; dan hergaf zij mij aan mij zelven.Nog plechtiger herinneringen verrijzen voor mijn geest.Stemme des orgels! Stemme der muziek in het huis des Heeren! Hoe de gewaarwordingen te beschrijven, die gij zoo dikwijls in mij verwektet?Ik weet het, de Godsdienst heeft meerder rechten op de welluidendste der kunsten, dan deze haar in onze eenvoudige heiligdommen betaalt. De storm der Hervorming heeft in haar geweldige, schoon heilzame omkeering, onder meer, dat wij hadden willen gespaard zien, ook de snaren van de heilige harpDavidsverbroken, die Gode zoo welgevalliglijk placht te klinken. Het zij! wij weten, dat het een hachelijk oogenblik was, toen het niet de keuze tusschen een eerdienst met of zonder muziek, toen het de keuze tusschen een hulde des harten en der lippen en een hulde der muziektuigen gold; toen er beslist moest[47]worden, of de zanger zou zingen, of zijne luite. Doch des te hooger eere en dank aan hen, die het pleit des orgels voor de rechtbank der Hervorming hebben verdedigd en gewonnen. Nu hebben wij ten minste een enkel harmonisch voertuig voor onze heilige inboezemingen behouden; en, wij erkennen het dankbaar, het geschiktste en waardigste, om dien gewijden last ten Hemel te voeren! Er is in den klank des orgels iets statigs en majestueus, dat wonderlijk overeenkomt met de plaats en het doel, waartoe het zich laat hooren. Ik zou haast zeggen: het orgel is een beeld van den Godsdienst zelven, dien wij belijden. Zoo woont hij in ons hart, onzichtbaar en verborgen, even als het geluid in het speeltuig. Geen bonte pronk of valsche schittering tooien hem, maar een deftig, plechtig en eerbiedwekkend uiterlijk. Hij vermengt zich niet onder de ijdelheden der aarde, noch paart zijn stem aan den luchtiger toon der wereld; altijd blijft hij waardig, achtbaar en zijn hooge bestemming indachtig. Zich gedurende de zes ongewijde dagen in zichzelve terugtrekkende, verheft hij ten zevenden, ten dage des Heeren, zijn jubelende stem, en roept dan luide zijn verrukkingen uit! Maar ook dan nog handhaaft hij zich als de bode eener heilige blijdschap, en laat in den klank van zijn zich naar buiten openbarende vreugde, altijd den grondtoon van een statigen ernst klinken.—Vol en breed vervult de galm van het speeltuig het heiligdom, en doordringt het met een welluidende huivering; langzaam, gelijk de geur des offers met de lucht samenvloeit, vereenigt hij zich met de stem der menigte; en daarmede ineengesmolten heft hij zich met een kalme gelijkmatige duivenvlucht omhoog, dringt door wolken en uitspansel, en stort zich uit voor het oor van Hem, die den adem geeft. O, het is verwonderlijk, hoe machtig dit geluid is op hem, die er gevoel voor heeft, om hem te stemmen en tot een waardige aanbidding voor te bereiden. Hoe dikwijls kwam ik verstrooid en afgetrokken in het heiligdom; maar het orgel klonk! het orgel, dat ons in zijn indrukwekkend geklank opriep:Lovet den Heere met de harpe. Psalmzinget Hem met de luyte.—Als een geest der bezieling woei die welluidende adem mij aan; helder weêrklonk die stem, die den tempel doorgalmde, in den tempel mijns harten. En nauwelijks droeg de eerste golf van melodie den eersten toon des gezangs naar boven, of reeds mengde zich mijn stem, eerbiedig en vroom, in het duizendstemmig lied der gemeente, en klom zwak en bevende, maar uit het volle hart, tot den Heer! En hoe zou ik al de verplichtingen kunnen opnoemen, die mijn stichting en zielsverheffing aan u heeft, muziek des gewijden orgels? Of kende ik de oogenblikken niet, waarin mijn overstelpt hart zijn dank niet hoog genoeg ten hemel heffen kon, maar zich gelukkig voelde, dien op uw breeder en sterker schacht te mogen nederleggen, om dien te brengen tot waar mijn stem niet reikt; oogenblikken van bezwaardheid en droefenis, waarin met uw opbeurende galmen van boven licht en troost in mijn donkere ziel vloeide; oogenblikken, waarin uw majestueus geluid mij een huivering van eerbied[48]op de leden stortte, en mij den Allerhoogste voor den geest stelde,als was het dat „suyzen van een sachte stilte” waarin de Heer zich aan zijn dienaars openbaart; oogenblikken, waarin uw donderende toon, ontzagverwekkend als de klaterende wolk van Horeb, op mij nederdaalde en mij met den schrik des Heeren sloeg, of waarin ik in een rollend gebulder de bazuine des laatsten oordeels meende te hooren; oogenblikken waarin uw machtige stem voor mij de wolken deed scheuren, en mij, onder uw zegevierend jubelen, den hemel opende, waaruit mij reeds het lied der tienduizendmaal tienduizenden scheen toe te klinken! O zeker, al waart gij voor mij de eenige tolk der harmonie, die door al het geschapene ruischt, orgel des heiligen bedehuizes! toch zou ik metSchilleraan uw kunst den palm reiken!Aber die Seelesprichtnur Polyhymnia aus.Ja, durfde ik, ik zou verder willen gaan en zeggen: Muziek is de taal des hemels!„Muziek de taal des hemels!”Kent gijla dernière pensée musicalevanWeber? Laat haar u anders eerst eens voorspelen.Begrijpt gij mij nu?Ik ken geen muziekstuk, dat mijn gedachten beter uitdrukt. Hoort gij het niet, dat er in deze heerlijkeandanteeen stem is, die van een betere wereld spreekt? Dat weemoedig-zwevende, dat biddend-klagende, dat smachtend-verlangende, dat opwaarts-strevende,—in één woord, dat gevoel van heimwee, dat in deze noten ademt, wijst het u niet als met de hand naar den hemel? O, zóó zou ik wenschen te sterven met zulke gedachten, met zulk een gevoel, met zulke verwachtingen! Welnu, dit karakter der muziek is het, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt! Wat zijn zij zeldzaam, de stemmen, die ons aan ons vaderland daarboven herinneren! en wanneer ze zich al laten hooren, hoe zelden hebben zij den waren toon, die het hart toespreekt, en met waarachtig verlangen vervult! Maar voor mij is de muziek zulk een roepstem, en wel een stem, zoo liefelijk, zoo uitlokkend als eenige, een stem als van een moeder, die haar kind tot zich roept. Ja, ik begrijp dat heimwee van den Zwitser, als het lied zijner bergen, het klagenderanz des vachesin zijn ooren klinkt. Ik geloof dat dit geluid de snaren zijner ziel kan spannen, dat ze breken. Immers weet ik wat ik gevoel, als de muziek mij als een stem uit de hoogte toeruischt, en mij met reikhalzende begeerte naar de bergen mijns hemelschen vaderlands doordringt. Dan doorstroomt een nameloos gevoel mijn boezem; dan vervult zich mijn hart, en zet zich uit, en zwoegt als om zich ruimte te maken, gelijk een vogel in zijn kouw; dan rijzen zucht op zucht uit dien beklemden kerker op, en stijgen daarheen, waar het hart ze niet volgen kan, dat ze treurig naziet als een gevangen duif, die haar jongen ziet opvliegen. Dan verheft zich mijn hoofd, dan glinstert mijn oog, dan openen zich onwillekeurig mijn armen, dan zucht ik bezwaard zijnde om ontbonden[49]te worden.Zou het misschien daarom zijn datLutherde muziek de eerste der menschelijke kunsten noemde, en haar de naaste aan de godgeleerdheid plaatste?De eerste der menschelijke kunsten, zeide ik. Maar.… ik weet niet.… ik durf niet gissen.… ik vrees vermetel te wezen.… en waarom niet? Een groot man heeft van den aanstaandengeluksstaatder zaligen gezegd: „Geeft u onbeschroomdelijk toe in kinderlijke droomen en voorstellingen! Alleenlijk, laten het geen opgeblazen, wijsgeerige, maar laten het kinderlijke droomen zijn!”—Welnu, tot die kinderlijke droomen van mijn verbeelding behoort ook, dat de vreugde, uit het genot der muziek geschept, mede tot het geluk der zaligen behooren zal. Ik weet wel: „de lofzangen der hemelingen zullen toch geen Jeruzalemsche tempel-muziek wezen!” Even weinig durf ik raden, hoe dan anders zich mijn mijmeringen verwezenlijken zullen. Maar ik laat mij daarom het denkbeeld niet ontnemen, dat daar een stemme des gezangs en geklanks zal gehoord worden in den hemel, gelijk er een stemme des lieds en der speeltuigen gehoord wordt op aarde. Niet alleen om den wil der fijne, zuivere, geestelijke en bijna bovenaardsche weelde, waarin de stroom der harmonie het gevoelig hart doet baden; maar omdat ik mij zóó, en zóó alleen verbeelden kan, hoe het van hemelzaligheid overvloeiend hart zich, in gemeenschap met zijn medegezaligden, in dankbaarheid en vreugde voor den Vader der Lichten zal uitstorten. „Gloeit het vuur der dankbaarheid,” zoo leze ik, „diep in mijn binnenste, verliest u dan in de plechtige lofgezangen, die voor het aangezicht van God worden uitgeboezemd!” Laat ik er mij dan in verliezen! Beklage of belache mij wie wil; ik laat anderen gaarne hunnen hemel, indien men mij slechts toelaat mij mijnen hemel te scheppen, zoo als hij voor mij meest aantrekkelijk, meest uitlokkend, meest hemelsch is! O, dat stemmen der gouden citers! dat aanheffen van een nieuw en nooit gezongen lied! dat mengen der stem in het koor van al wat in den hemel leeft! dat uitstorten van zijn hart in den adem der Godsverheerlijking!.… Indien gij een droom zijt, hoe schoon zijt gij! En indien meer!.…Kom,Editha! speel dedernière pensée musicalevanWebernog eens voor mij![50]
MUZIEK.
Ik weet niet, van waar ik de onbeschaamdheid haal, om een hoofdstuk over Muziek te schrijven. Maar de lust bekruipt er mij toe. Ik wil ten minste beproeven, hoe ver ik het breng. Mislukt het mij, dan blijft die mislukking een geheim tusschen mijn papier en mij. En breng ik het gelukkig ten einde, dan is dit een blijk, dat mijn onbeschaamdheid een goed voorteeken geweest is. En immers ben ik de eerste niet, die over een onderwerp schrijft, waarvan hij niets verstaat?Ja, het harde woord moet er uit: ik versta niets van de muziek. Beleefde menschen hebben mij wel eens verzekerd, dat het jammer is, omdat ik er zoo veel natuurlijk gevoel voor heb: ja die overbeleefd wilden zijn, hebben mij indertijd wel gevleid, dat ik geen kwade stem had; maar het is ongelukkig, het kwam bij mij altijd op een verkeerd oogenblik aan den dag, waartoe ik aanleg had of niet. Twee jaren had ik reeds met het Italiaansche boekhouden vertobt, toen men zag, dat ik niet veel beter voor een koopman deugde dan de Hottentot, die niet verder rekent, dan zijn tien vingers. En omgekeerd, was de geschikte tijd om mij muziek te laten leeren voorbij, toen men bemerkte dat er in mij misschien eenMeijerbeerofPaganinistak. Het is nu te laat. Ik moet mij nu vergenoegen met mijn stem roemloos in het gezelschapskoor te mengen, als men aan het nagerecht het voorvaderlijke:Hoe zoet is ’t waar de vriendschap woont!of het geliefkoosde:’t Welvaren van dezen huize,aanheft.Edithabeweert wel, dat ze mij soms in mijn eenzaamheid uit de volle borst een solo-partij heeft hooren aanstemmen! maar de lezer zal mij genoegen doen met haar niet te gelooven; hij weet, welke spotters de vrouwen zijn.Zoodat, ik versta niets van de muziek. Was het nu bij mij: onbekend maakt onbemind; kon ik van mijn kant de muziek laten rusten, gelijk zij het mijn talent heeft gedaan, dan waren wij gemakkelijk te scheiden geweest, en had ik onder anderen dit hoofdstuk over de muziek niet geschreven; maarhinc illae lacrymae!bij ongeluk ben[39]ik juist een dol liefhebber van deze heerlijke kunst! Ja, wel mag ik zeggen, een dol liefhebber; want ik aanbid haar onder alle gedaanten: in het staatsiekleed op de muziekfeesten, in het koorkleed in de kerken, in het feestkleed op de concerten, in het tooneelkleed in deopera, in het militaire kleed op de parades, in het danskleed op het bal, in het burgerkleed langs de straten, ja in het bijna-geen-kleed der armoede, die met een draaiorgel loopt. Alle vormen waarvan zij zich bedient, zijn mij lief: het statige oratorium en de luchtige wals-maat; de prachtige symphonie en de eenvoudige aria; de rijke gevarieerde opera en het altijd wederkeerende orgeldeuntje; ik bemin duetten, terzetten, quartetten, quintetten, sextetten—als zij er zijn, hetgeen ik niet weet. Alle instrumenten zijn mij aangenaam, van koper of hout, met of zonder snaren, geblazen of gestreken, getokkeld of geroerd; ik hou zonder onderscheid van de schetterende trompet en het piepende flageoletje; van den brommenden bas en de snerpende vioolsnaar; van de toeterendetrombôneen de klagende dwarsfluit; van de donderende pauk en den tjingelenden triangel. Ik ben verzot op alle stijlen en methodes; Italiaansch, Duitsch of Fransch, klassisch of romantisch, oud- of nieuwerwetsch, ik ben overal uw man.Waarschijnlijk komt dit daaruit voort, dat mijn hart muzikaal is. Het zit bij mij niet alleen in de ooren, zoo als bij sommige kenners, wier gehoorzenuwen meer met hun maag, dan met hun ziel in verband staan. O, ik kan mij er dikwijls aan ergeren, wanneer ik de bezoldigde dienaars van Polyhymnia, onder de uitvoering van een heerlijke muziek, daarvan niet meer zie gevoelen, dan de instrumenten die zij behandelen. Vast in de maat, ze zijn het verwonderlijk: met den bril op den neus en den strijkstok in de hand, zitten zij te tellen als metrometers; nauwelijks is hun tijd om te spelen gekomen, of wip! gaat de viool naar de kin, en kras! gaat de stok over de snaar! laat er rondom hen gebeuren wat wil, zij vertrekken er geen oor naar, en blijven geheel noteblad; maar hun gewaarwordingen daaronder! leest ze op hun dommelige, levenlooze, houten aangezichten! zij voelen niets van de verrukkende harmonie, die om hen ruischt; zij blijven koud als steen te midden van dien vuurvloed, die van rondom hen op het sidderende gehoor nederbruist; hun nuchter hoofd bemerkt niets van de bedwelming, die zich van hun snaren op de opgewonden menigte stort. Ja wat meer is! zij zelven werken mede tot de betoovering, die u overmeestert: ook hun snaar giet zijn melodie in den stroom, wiens geweld u medesleept; ook hun spel is een schalm in de magische keten die u onzichtbaar omslingert; maar de ongelukkigen! zij zijn daarbij slechts doode werktuigen: hun invloed op u is die van doove hamers, die onder de hand des kunstenaars de snaren der piano treffen; gelijk de windharp, die geen aandoening heeft van het koeltje, waaronder haar zangerig hout zucht; zij zijn eenigermate gelijk aan „die werklieden vreemd aan Israël, die de bouwstoffen bijeenbrachten voor den prachtigen tempel, waarin het hun nooit vergund zou zijn binnen te[40]treden.” O, ik beken het met schaamte en spijt, dat ik een oningewijde in het heiligdom der harmonische kunst ben; ik kom er voor uit, dat ik van deze Levieten hares altaars het eenvoudigste onderricht in haar geheimen zou moeten ontvangen. Maar toch! ik sta in mijn oogen hooger dan zij, ik, die de harp in het hart draag, welke zij op hun knechtslivrei voeren. Vergeeft het mij, Heeren muziekmeesters endilettanti! maar als ik na een heerlijke muziek u de gehoorde compositie hoor ontleden, alsof het een thema ter analyse ware, terwijl de opgevangene melodie in mijn hart, als een weêrklinkend gewelf, zuiver en helder nagalmt, en het met welluidendheid vervult, dan verhef ik er mij op, dat ik tot uw kunst in nader en inniger betrekking sta, dan gij zelven; en terwijl ik uw medelijdende vraag:Mijnheer is geen kenner? met een zedige buiging beantwoord, beschouw ik u met het gevoel, waarmede de moedige reiziger den gids aanziet, die hem in het wonderoord der Zwitsersche Alpen weet te zeggen:Dit is nu deSt. Bernard, en die spits daar is deMontblanc, en die punt ginds is deJungfrau.Nog eens, bij mij zit de virtuositeit in het bloed; mijn ooren zijn niet dan de geleiders van mijn hart, en dat springt op, als het maar een enkele noot hoort, gelijk een hert dat de stem van zijn moeder verneemt! dit vraagt niet eerst: Wat hoor ik? Is het in mijn methode, wat ik hoor? Is het van mijn componist, wat ik hoor? Is het mijn instrument, dat ik hoor? Wordt het goed uitgevoerd, wat ik hoor? en zoo al voort totdat—er niets meer te hooren is. In dien tusschentijd heeft mijn hart reeds ruim en rijk genoten; het heeft de maat nagehuppeld, en met de noten meê in het rond gesprongen; het heeft voor een uur opgeruimdheid en vroolijkheid opgedaan, en herhaalt het liedje dat het gehoord heeft nog wel tienmaal in zichzelve.Waarom ziet Mijnheer zoo knorrig?Heet dat muziek maken? muziek-verknoeien is het!Tra la la la—tra la la la.Dan liever in het geheel geen muziek, dan haar zoo te hooren mishandelen.Maar wie is Mijnheer dan?Ik ben een musicus.Ha, ik niet. Vaarwel Mijnheer! leve de muziek! Tra la la la—tra la la la.Ja, leve de muziek! Ik heb behagen in alles wat maar zingt en klingt; melomanie is mijn zesde zintuig, ofschoon, gelijk ik zeide, in zijn natuurlijken toestand, zonder ontwikkeling of verfijning door de kunst; zij is mij dan ook aangeboren. Naar het zeggen van mijn moeder, was ik in der tijd een ondeugend en lastig wicht; maar gelukkig bezat zij in haar schoone stem een machtig toovermiddel, waaraan het bijna altijd gelukte den boozen Demon in mij te bezweren. Zette ik mijn keel op tot een gillende dissonant, dadelijk beproefde[41]zij die in haar heerlijke sopraantonen op te lossen, en eere zij aan mijn jeugdigen smaak, dat ik haar liever scheen te hooren dan mij zelven; want gewoonlijk hield ik dadelijk op om geen noot te verliezen, en eindigde met haar door mijn tranen toe te lachen, alsAstyanaxdichterlijker gedachtenis. De lieve moeder! Vooral was het hare gewoonte, mij des avonds zingende in slaap te sussen. Uren lang kon zij aldus aan mijn wiegje doorbrengen. Daarbij had zij een gevaarlijken vijand in haar gezang zelf; want ik was er veel te verliefd op, om er niet zoo lang mogelijk naar te luisteren. Zoo lag ik dan dikwijls een geruimen tijd tegen den slaap, die mij allengs overmeesterde, te kampen, tot dat mijn moeder eindelijk triomfeerde: zachtkens streek de rust met haar liefelijk ruischende vleugelen mijn luikende oogleden toe, en met een genoeglijk lachje om den mond sluimerde ik in.Naar mijn moeder mij vertelde, was er evenwel geen lied, waarvoor ik gevoeliger scheen te zijn, dan het avondlied der Hernhutters:Laat mij slapend op U wachten,O dan slaap ik zoo gerust.Ik geloof het gaarne; geen lied zong zij beter. Het is dan ook bijna het eenige van hare wiegezangen, waarvan mij een diepe indruk is bijgebleven. Nog kan ik het niet hooren, of er trilt in mijn hart een akkoord uit mijn vroegste kindschheid. Nog kan ik het niet hooren, of ik denk aan mijn lieve moeder, en—het toen nog onschuldige wicht. O gezegend het kind, dat zulke herinneringen heeft! hoe teêr ze zijn, ze zijn dikwijls sterker tegen de verzoeking, dan de stemmen van rede en deugd. Bij mij althans, welke booze gedachten zich ook in mijn binnenste mochten verheffen, ik geloof niet dat ze het zouden kunnen uithouden tegen een zachte stem, die in zulke oogenblikken zong:Laat mij slapend op U wachten!Opgroeiende verloochende zich deze zucht voor muziek in mij niet, en, gelijk ge ziet, zij is mij nog bijgebleven; zij is in mij iets natuurlijks. Ik heb de muziek lief uit instinkt, niet als een kunst, maar zoo als ik den blauwen hemel, de lekkere zon, de zachte maan, de heerlijke sterren, het donkere bosch en het groene veld lief heb. Ik vraag mij geen reden van deze liefde; ik laat er mij niet op voorstaan, noch zoek er meê te pralen. Ik noem het een gave van God, en ben er als zoodanig dankbaar voor.En zou ik niet?Göthespreekt ergens van menschen, die een gebrek in de oogen hebben, waardoor alles voor hen een rozeroode kleur heeft, de beklagenswaardigen! Wat genieten zij van die duizendmaalduizend schakeeringen van kleuren en tinten, die in de natuur ons oog verrukken? Maar mij dunkt dat menschen, die volstrekt geen gehoor voor de muziek bezitten, weinig minder te beklagen zijn. Want ook voor hen gaat immers een gedeelte van het schoone van Gods schepping[42]verloren? Zij hooren niets van al die welluidende stemmen, die overal klinken, en den Schepper prijzen, dat er te gelijk de schepselen door gestreeld en verheugd worden. O, het eerste vogelengezang in de lente! als het bosch, dat zoo lang stil en zwijgende was, weêr voor het eerst leven en geluid herkrijgt. Als de vogelkens hun stem schijnen te beproeven en allengs voller en ruimer uit de borst beginnen te zingen. Als langzamerhand al mijn lieve oude kennissen, met haar bekende stemmetjes mij haar welkom toeroepen. Als eindelijk mijn uitverkorene, de nachtegaal, voor de eerste maal mijn oor verrukt … o hoe baadt dan mijn ziel in genot! hoe zwemt zij in de zee van melodie, die uit de hoogte op mij nederstroomt! Zie op! voor het oog is alles nog winter. Het geboomte heeft nog zijn eentonig Decemberbruin; het groen slaapt nog in de zich ontwikkelenden bot; de rijp kraakt onder uwe voeten; een scherpeNoord-oostenwindblaast u in het gezicht, en bederft u het genot van de reeds koesterende voorjaarszon. Maar hoor toe! Voor het oor is de lente daar! zij is daar in de muziek, die even als andere vreugde, ook de vreugde der lente voorgaat; zij is daar in die duizende voorjaarsboden, die de komst van het schoone saizoen uitroepen, arkduiven die de belofte van een groenende aarde in den vriendelijken mond dragen; zij is daar in het lied van de Koningin der lente, die haar levenwekkende stem over ’t land doet hooren, die de „bloemen openfluit” en de bladeren uit hun zwachtels lokt. Gelukkig de vriend der muziek; hij heeft een lentemaand meer in het jaar!En komt gij in den kring der gezellige samenleving, hoe veel genot gaat ook daar voor het harde oor verloren. Het is toch in onze prozaïsche wereld nog iets poëtisch, en onder haar vele dissonanten nog iets melodisch, dat er zoo veel muziek in gehoord wordt. Laat het zijn, dat daaraan voor twee derden de ijdelheid en de mode deel hebben: ik vergeet dat, zoodra de eerste toon mij tegenklinkt. Wat menschen als ik daaraan te danken hebben, is ongelooflijk; menig vervelend bezoek, menige taaie avond is mij door het maken van muziek verkortenveraangenaamd. Maar foei! wat spreek ik alleen van hare negatieve verdiensten, als of zij geen andere rechten op mijn hart had? Maar laat het zich dan onder woorden brengen, welk genot ik dikwijls aan haar betoovering verschuldigd was?Immers staat mijn hart altijd voor haar invloed open, en wacht slechts op haar komst, gelijk de marmeren kom van een fontein op de stralen des dolfijns: een enkele noot, en mijn hart zet zijn deuren wagenwijd open. Hoe kan ik dan met een luisterziek oor aan de heerlijke klanken hangen! hoe met een van wellust bevenden voet den stroom der muziek in al zijn kronkelingen volgen, gelijk een knaap den schoonen vogel, dien hij hoopt te verrassen! Hoe kan ik mijn hart op de deining der melodie laten heen en weder wiegelen, gelijk een zwaan op de rimpeling van het kabbelende water! hoe mij op de vleugelen des stijgenden geluids laten opheffen, of op het dons der dalende akkoorden nederzinken! hoe kan ik mij in den Feeëndans der[43]luchtige noten laten meêslepen, of door de klacht derandantetot tranen bewegen! Van dat de eerste toon in mijn ooren klinkt, ben ik mijns-zelven niet meer: ik ben het eigendom van den componist, die mijn hart met volkomen willekeur beheerscht; hij heeft mij in zijn hand, hij kan van mij maken wat hij wil, ik ben de zijne door het recht van verovering.Evenwel het gebeurt soms, dat hierop een uitzondering plaats heeft. Het is dan als mijn hart te vol raakt, om meer te kunnen toehooren. Er zijn oogenblikken, dat de muziek, in plaats van mij met haar adem te streelen, het meir mijns harten beroert, en een sterke aandoening in mij wakker roept; dan is het mij niet mogelijk, langer aan haar klanken geboeid te blijven; dan word ik doof voor haar taal, en luister alleen naar de stem, die uit mijn binnenste oprijst; dan verlies ik mij in een diep verleden, of zie vooruit in een schemerende toekomst; dan verzink ik in dien toestand, dien de Dichter beschrijft:Het is een onbestemd „gevoelen,”Een toestand donker en verward.—Wij voelen zóó, als op ’t concertDe tonen op iets treurigs doelen:Een algemeen besef van smart;—Waarbij we, zonder orde of reden,In toekomst dwalen en verleden.Ziet gij, wanneer zulke gedachten mij aangrijpen, ben ik voor de toespraak der muziek verloren: voor haar toespraak, maar evenwel geenszins voor haar invloed. Want die mijmeringen zijn alleen onder haar invloed geboren, en leven alleen in den dampkring van haar melodie. Laat de muziek ophouden, en zij zullen wegvluchten als schuwgemaakte vogels! Laat de muziek voortduren, en zij zullen haren sylphendans voortzetten, en zich gedurig helderder en levendiger voor mijn geest vertoonen. Ook wordt haar voorkomen door de macht der muziek beheerscht. Gedurende deallegrozullen zij een licht, een vroolijk aanzien hebben; met deandantezal haar gelaat betrekken en haar gang sleepender worden; en als deze eindelijk in deadagioovergaat, zal er een floers van somberheid op haar dalen, als op een landschap, dat de zon op eens ophoudt te beschijnen. Zoo ontvangen zij, even als hetcorps de ballet, in alles de wet van hetorkest.En hierbij denk ik vooral aan de oogenblikken, onder het gehoor vanEdithagesleten. Het is namelijk haar standvastige gewoonte, des namiddags in het uur, waarin anderen zich het genoegen geven van, zoo als zij het met eeneuphemismenoemen,stil te zitten, de piano te openen, en een poosje te spelen. Nu speeltEdithazeer wel; ten minste naar mijn smaak, omdat er in haar spel meer uitdrukking dan kunst is. En dit stille uurtje is mij het liefste van den geheelen dag. O, hoe kan dan mijn geest zich op de wolken der zwevende melodie inschepen, en zich daarop omhoog laten voeren! Heerlijke luchtreis, die ik dan doe, waarbij al de luchtreizen vanGreenniets zijn. Kon ik u beschrijven,[44]wat dan mijn verrukt oog niet al aanschouwt! Welke lusthoven de gouden tooversleutel der harmonie voor mij opent! Welke paleizen de stem der muziek, als een andereAmphion, voor mij doet oprijzen! Welke gezichten mij vervoeren, welke geuren mij tegenwalmen, welke hemelsche tonen mij toeklinken! Gelukkig voorwaar, dat deze luchtkasteelen voor u ontoegankelijk zijn, Mijnheeren Ontvangers en Rijksschatters! kondt gij er bijkomen, armeJonathan, hoe zoudt gij moeten bloeden! Op welke sommen zou u de grondbelasting te staan komen van een terrein, waarbij uw aardsche hut niet veel meer is dan een notendop; met welke schatten zoudt ge het bezit van een mobilair moeten boeten, bij hetwelk goud, als het geringste der metalen, de plaats van hout en steen vervult. Ik kan er van sidderen, als ik denk, dat iemand hunner zijnbrakken neusin deze kostbaarheden steken mocht. Maar geen nood! Ieder mensch heeft boven zijn armoedje, dat door den maatstok der wet wordt nagemeten, een ruime plek aan den hemel, waar zijne verbeelding een luchtpaleis mag stichten, zoo prachtig als hij wil, zonder dat men hem daar kan komen lastig vallen. En waar ook verschil bestaan moge, hier niet. Want de weinige spannen gronds, die den bedelaar toebehooren, hebben even zoowel den onmetelijken hemel tot gewelf, als het uitgestrekte domein des Vorsten. Daarheen dan onze toevlucht genomen, mijne vrienden! die, even als ik, uw aardsche heerlijkheden met weinige passen beschrijden kunt. Wij zullen ons daarboven wreken! Wij zullen er een luchtkasteel bouwen, zoo heerlijk, dat de geheele schatkist, om wier wil we zoo geplaagd worden, niet in staat zou zijn er een enkelen vleugel van te betalen. Wij zullen er eenpleasure-groundbij aanleggen, waarin al de Ontvangers (en dat’s veel gezegd) des noods zouden kunnen verdwalen! En wij zullen het genoegen smaken van onze kwelgeesten bij den neus te hebben, die terwijl zij onzen nederigen inboedel taxeeren, van onze bezittingen in de maan niets vermoeden zullen. Ik voor mij althans hoor hen nooit een prijs op de piano vanEdithastellen, zonder in mij zelven teglimlachen: *** guldens! Zij is voor mij het tiendubbel waard; in die kast is voor mij het wenschhoedje vanFortunatusverborgen! Daarin schuilen de papieren van eigendom van mijn goederen in het bovenland. Maar gij zult er niets van te zien krijgen.—En nauwlijks heb ik de deur achter hen gesloten, of ik kom met een vroolijk gezicht weêr binnen: kom aan,Editha! nu nog eens een liedje:L’or n’est qu’une chimère.Maar nog dierbaarder is mij de herinnering aan die oogenblikken, waarin de muziek de uitwerking had van den storm derhartstochtenin mij te doen bedaren, oogenblikken waarin het mij ging alsSaul;Ende ’t geschiedde als de geest Godes overSaulwas, so namDavidde harpe, ende hy speelde met syne hant: dat wasSauleeneverademinge, ende het wert beter met hem, ende de boose geest weeck van[45]hem.—O, het is een zalig gevoel in een tijd, wanneer de drift, als een storm uit zijn krocht losgebroken, de kalmte der ziel beroert; wanneer alles, wat er kwaads en ondeugends op den bodem des harten slaapt, opgist, en het hoofd door zijn dampen bedwelmt; wanneer de onreinheid, die den grond onzes gemoeds bedekt, door onvoorzichtigheid in beweging gebracht, opborrelt, en deszelfs helderheid troebel maakt; het is een zalig gevoel, wanneer men zich in zulk een tijd de kracht voelt ontbreken om die woeling te gebieden: Zijt stille!—dat er zich dan een macht van buiten opdoet, die de verbroken rust en klaarheid herstelt. Zulk een macht nu is voor mij die der muziek. Dikwijls, als onreine gedachten mijne verbeelding dreigden te besmetten; als de hartstocht mijn gemoed in oproer bracht; als een weêrbarstige ontevredenheid zich van mijn ziel meester had gemaakt; was het genoeg, dat de muziek haar liefelijke stem liet hooren, om den kwaden geest, die mij verzocht, uit te bannen. Niet dikwijls gebeurde het, als zij zich ter rechter tijd gelden deed, dat mijn drift zich tegen haar tooverkracht bleef verzetten. Bij de eerste tonen reeds werd het oproer in zijn vaart gestuit; langzamerhand liet het zich met zachten tegenstand terugdringen, zoo als men een blaffenden bandhond streelend in zijn hok lokt; terwijl de muziek de muitende driften bedwong, riep zij de sluimerende betere gewaarwordingen wakker; vandaar een korte strijd, die eindelijk in de zegepraal van het goede beginsel eindigde, terwijl het kwade als een neêrgeslagen droesem op den donkeren bodem terugzonk. Gelukkig oogenblik, wanneer alsdan een zacht rood van schaamte de wangen kleurde, welke vroeger dehartstochtin vollen gloed had gezet, en een verkwikkende traan het brandend oog bevochtigde. Alsdan werd de wonderspreuk des Dichters aan mij bewaarheid:Alles heeft zich-zelf verloren.’t Honderdhoofdig HelgedrochtLigt ontketend in zijn krocht,Met ter neêr gestreken ooren,Vastgeboeid door ’t maatgeluid.En wat wonder? Immers was ik altijd, licht ontvlamd als ik ben, de speelbal van snel afwisselende aandoeningen, en even ras „in gloed gevlogen,” als tot zachtere gemoedsaandoeningen terug te brengen. Mijn moeder vooral verstond meesterlijk de kunst om in zulk een onrust rust te gebieden. Zij deed dit niet door mij, als een hollend paard, in den teugel te vallen; zij deed het door den leniger, maar sterker drang der overreding!„Jonathan! Jonathan!”Er was in den toon, waarmede zij dien naam uitsprak, iets zoo krachtig en teeders te gelijk, dat ik er niet aan kon weêrstaan. Welnu, in de stem der muziek is voor mij iets dergelijks; als zij mij hare zachte klanken tegenwalmt, is het of ik nog de stem van mijn nu zalige moeder hoor;„Jonathan! Jonathan!”En gepaard met deze herinnering, vallen mij op het eerste geluid de wapens uit de handen. Heerlijke muziek, zeker zijt gij een broeder-engel van mijnen Genius![46]Ook weet ik van oogenblikken, waarin zich aan mij een andere verzekering des Dichters bevestigde:Dan vergeet zich in ’t verrukken,Zelf Prometheus arendsbeet,Tantalus versmachtend leed,Bij ’t vervoerend vingerdrukken.Waar is de mensch, wien het hier wel niet eens bang was? Ik althans behoor tot hen, die aan het bestaan vanPrometheusenTantalusgelooven. Ik ken die pijn, die het hart eet en het bloed drinkt; ik ken dat onverzadigd verlangen, dat den mensch naar de gouden paradijsappelen doet hongeren, die altijd even ver van zijn lippen verwijderd blijven; maar ik ken ook dat zich vergeten van arendsbeet en versmachting,Bij ’t vervoerend vingerdrukken.De muziek spreekt bovenal de taal der vertroosting! haar gestrookIs waarlijk van fluweel.Haar vriendelijke stem vloeit als balsem in het verscheurde hart: ik weet niet, of het waar is, wat sommigen beweerd hebben, dat muziek de kracht heeft van sommige zielskrankten te genezen; maar ik weet wel, dat zij in staat is het lijden van alle zielskrankten te verzachten en te lenigen. En is zij niet een bode der hope, die van betere tijden spreekt? Dikwijls als bittere teleurstellingen mij hadden ter aarde geworpen, richtte zij mij aan haar hand op, en nam mij aan haar zachte borst; dan dauwden er woorden van liefde en troost van haar zoete lippen; dan ademde zij mij nieuwen moed in ’t hart; dan goot zij mijn boezem vol van nieuwen levenslust en nieuwe levenskracht; dan spande haar opwekkende invloed mijn spieren en zenuwen tot dapperen wederstand tegen den druk, die op mij woog; dan klonk haar stem voor mij als een wapenkreet, die mij ten strijd daagde; dan ging haar moed-inboezemend geluid mij voor op den weg der overwinning; dan hergaf zij mij aan mij zelven.Nog plechtiger herinneringen verrijzen voor mijn geest.Stemme des orgels! Stemme der muziek in het huis des Heeren! Hoe de gewaarwordingen te beschrijven, die gij zoo dikwijls in mij verwektet?Ik weet het, de Godsdienst heeft meerder rechten op de welluidendste der kunsten, dan deze haar in onze eenvoudige heiligdommen betaalt. De storm der Hervorming heeft in haar geweldige, schoon heilzame omkeering, onder meer, dat wij hadden willen gespaard zien, ook de snaren van de heilige harpDavidsverbroken, die Gode zoo welgevalliglijk placht te klinken. Het zij! wij weten, dat het een hachelijk oogenblik was, toen het niet de keuze tusschen een eerdienst met of zonder muziek, toen het de keuze tusschen een hulde des harten en der lippen en een hulde der muziektuigen gold; toen er beslist moest[47]worden, of de zanger zou zingen, of zijne luite. Doch des te hooger eere en dank aan hen, die het pleit des orgels voor de rechtbank der Hervorming hebben verdedigd en gewonnen. Nu hebben wij ten minste een enkel harmonisch voertuig voor onze heilige inboezemingen behouden; en, wij erkennen het dankbaar, het geschiktste en waardigste, om dien gewijden last ten Hemel te voeren! Er is in den klank des orgels iets statigs en majestueus, dat wonderlijk overeenkomt met de plaats en het doel, waartoe het zich laat hooren. Ik zou haast zeggen: het orgel is een beeld van den Godsdienst zelven, dien wij belijden. Zoo woont hij in ons hart, onzichtbaar en verborgen, even als het geluid in het speeltuig. Geen bonte pronk of valsche schittering tooien hem, maar een deftig, plechtig en eerbiedwekkend uiterlijk. Hij vermengt zich niet onder de ijdelheden der aarde, noch paart zijn stem aan den luchtiger toon der wereld; altijd blijft hij waardig, achtbaar en zijn hooge bestemming indachtig. Zich gedurende de zes ongewijde dagen in zichzelve terugtrekkende, verheft hij ten zevenden, ten dage des Heeren, zijn jubelende stem, en roept dan luide zijn verrukkingen uit! Maar ook dan nog handhaaft hij zich als de bode eener heilige blijdschap, en laat in den klank van zijn zich naar buiten openbarende vreugde, altijd den grondtoon van een statigen ernst klinken.—Vol en breed vervult de galm van het speeltuig het heiligdom, en doordringt het met een welluidende huivering; langzaam, gelijk de geur des offers met de lucht samenvloeit, vereenigt hij zich met de stem der menigte; en daarmede ineengesmolten heft hij zich met een kalme gelijkmatige duivenvlucht omhoog, dringt door wolken en uitspansel, en stort zich uit voor het oor van Hem, die den adem geeft. O, het is verwonderlijk, hoe machtig dit geluid is op hem, die er gevoel voor heeft, om hem te stemmen en tot een waardige aanbidding voor te bereiden. Hoe dikwijls kwam ik verstrooid en afgetrokken in het heiligdom; maar het orgel klonk! het orgel, dat ons in zijn indrukwekkend geklank opriep:Lovet den Heere met de harpe. Psalmzinget Hem met de luyte.—Als een geest der bezieling woei die welluidende adem mij aan; helder weêrklonk die stem, die den tempel doorgalmde, in den tempel mijns harten. En nauwelijks droeg de eerste golf van melodie den eersten toon des gezangs naar boven, of reeds mengde zich mijn stem, eerbiedig en vroom, in het duizendstemmig lied der gemeente, en klom zwak en bevende, maar uit het volle hart, tot den Heer! En hoe zou ik al de verplichtingen kunnen opnoemen, die mijn stichting en zielsverheffing aan u heeft, muziek des gewijden orgels? Of kende ik de oogenblikken niet, waarin mijn overstelpt hart zijn dank niet hoog genoeg ten hemel heffen kon, maar zich gelukkig voelde, dien op uw breeder en sterker schacht te mogen nederleggen, om dien te brengen tot waar mijn stem niet reikt; oogenblikken van bezwaardheid en droefenis, waarin met uw opbeurende galmen van boven licht en troost in mijn donkere ziel vloeide; oogenblikken, waarin uw majestueus geluid mij een huivering van eerbied[48]op de leden stortte, en mij den Allerhoogste voor den geest stelde,als was het dat „suyzen van een sachte stilte” waarin de Heer zich aan zijn dienaars openbaart; oogenblikken, waarin uw donderende toon, ontzagverwekkend als de klaterende wolk van Horeb, op mij nederdaalde en mij met den schrik des Heeren sloeg, of waarin ik in een rollend gebulder de bazuine des laatsten oordeels meende te hooren; oogenblikken waarin uw machtige stem voor mij de wolken deed scheuren, en mij, onder uw zegevierend jubelen, den hemel opende, waaruit mij reeds het lied der tienduizendmaal tienduizenden scheen toe te klinken! O zeker, al waart gij voor mij de eenige tolk der harmonie, die door al het geschapene ruischt, orgel des heiligen bedehuizes! toch zou ik metSchilleraan uw kunst den palm reiken!Aber die Seelesprichtnur Polyhymnia aus.Ja, durfde ik, ik zou verder willen gaan en zeggen: Muziek is de taal des hemels!„Muziek de taal des hemels!”Kent gijla dernière pensée musicalevanWeber? Laat haar u anders eerst eens voorspelen.Begrijpt gij mij nu?Ik ken geen muziekstuk, dat mijn gedachten beter uitdrukt. Hoort gij het niet, dat er in deze heerlijkeandanteeen stem is, die van een betere wereld spreekt? Dat weemoedig-zwevende, dat biddend-klagende, dat smachtend-verlangende, dat opwaarts-strevende,—in één woord, dat gevoel van heimwee, dat in deze noten ademt, wijst het u niet als met de hand naar den hemel? O, zóó zou ik wenschen te sterven met zulke gedachten, met zulk een gevoel, met zulke verwachtingen! Welnu, dit karakter der muziek is het, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt! Wat zijn zij zeldzaam, de stemmen, die ons aan ons vaderland daarboven herinneren! en wanneer ze zich al laten hooren, hoe zelden hebben zij den waren toon, die het hart toespreekt, en met waarachtig verlangen vervult! Maar voor mij is de muziek zulk een roepstem, en wel een stem, zoo liefelijk, zoo uitlokkend als eenige, een stem als van een moeder, die haar kind tot zich roept. Ja, ik begrijp dat heimwee van den Zwitser, als het lied zijner bergen, het klagenderanz des vachesin zijn ooren klinkt. Ik geloof dat dit geluid de snaren zijner ziel kan spannen, dat ze breken. Immers weet ik wat ik gevoel, als de muziek mij als een stem uit de hoogte toeruischt, en mij met reikhalzende begeerte naar de bergen mijns hemelschen vaderlands doordringt. Dan doorstroomt een nameloos gevoel mijn boezem; dan vervult zich mijn hart, en zet zich uit, en zwoegt als om zich ruimte te maken, gelijk een vogel in zijn kouw; dan rijzen zucht op zucht uit dien beklemden kerker op, en stijgen daarheen, waar het hart ze niet volgen kan, dat ze treurig naziet als een gevangen duif, die haar jongen ziet opvliegen. Dan verheft zich mijn hoofd, dan glinstert mijn oog, dan openen zich onwillekeurig mijn armen, dan zucht ik bezwaard zijnde om ontbonden[49]te worden.Zou het misschien daarom zijn datLutherde muziek de eerste der menschelijke kunsten noemde, en haar de naaste aan de godgeleerdheid plaatste?De eerste der menschelijke kunsten, zeide ik. Maar.… ik weet niet.… ik durf niet gissen.… ik vrees vermetel te wezen.… en waarom niet? Een groot man heeft van den aanstaandengeluksstaatder zaligen gezegd: „Geeft u onbeschroomdelijk toe in kinderlijke droomen en voorstellingen! Alleenlijk, laten het geen opgeblazen, wijsgeerige, maar laten het kinderlijke droomen zijn!”—Welnu, tot die kinderlijke droomen van mijn verbeelding behoort ook, dat de vreugde, uit het genot der muziek geschept, mede tot het geluk der zaligen behooren zal. Ik weet wel: „de lofzangen der hemelingen zullen toch geen Jeruzalemsche tempel-muziek wezen!” Even weinig durf ik raden, hoe dan anders zich mijn mijmeringen verwezenlijken zullen. Maar ik laat mij daarom het denkbeeld niet ontnemen, dat daar een stemme des gezangs en geklanks zal gehoord worden in den hemel, gelijk er een stemme des lieds en der speeltuigen gehoord wordt op aarde. Niet alleen om den wil der fijne, zuivere, geestelijke en bijna bovenaardsche weelde, waarin de stroom der harmonie het gevoelig hart doet baden; maar omdat ik mij zóó, en zóó alleen verbeelden kan, hoe het van hemelzaligheid overvloeiend hart zich, in gemeenschap met zijn medegezaligden, in dankbaarheid en vreugde voor den Vader der Lichten zal uitstorten. „Gloeit het vuur der dankbaarheid,” zoo leze ik, „diep in mijn binnenste, verliest u dan in de plechtige lofgezangen, die voor het aangezicht van God worden uitgeboezemd!” Laat ik er mij dan in verliezen! Beklage of belache mij wie wil; ik laat anderen gaarne hunnen hemel, indien men mij slechts toelaat mij mijnen hemel te scheppen, zoo als hij voor mij meest aantrekkelijk, meest uitlokkend, meest hemelsch is! O, dat stemmen der gouden citers! dat aanheffen van een nieuw en nooit gezongen lied! dat mengen der stem in het koor van al wat in den hemel leeft! dat uitstorten van zijn hart in den adem der Godsverheerlijking!.… Indien gij een droom zijt, hoe schoon zijt gij! En indien meer!.…Kom,Editha! speel dedernière pensée musicalevanWebernog eens voor mij![50]
Ik weet niet, van waar ik de onbeschaamdheid haal, om een hoofdstuk over Muziek te schrijven. Maar de lust bekruipt er mij toe. Ik wil ten minste beproeven, hoe ver ik het breng. Mislukt het mij, dan blijft die mislukking een geheim tusschen mijn papier en mij. En breng ik het gelukkig ten einde, dan is dit een blijk, dat mijn onbeschaamdheid een goed voorteeken geweest is. En immers ben ik de eerste niet, die over een onderwerp schrijft, waarvan hij niets verstaat?
Ja, het harde woord moet er uit: ik versta niets van de muziek. Beleefde menschen hebben mij wel eens verzekerd, dat het jammer is, omdat ik er zoo veel natuurlijk gevoel voor heb: ja die overbeleefd wilden zijn, hebben mij indertijd wel gevleid, dat ik geen kwade stem had; maar het is ongelukkig, het kwam bij mij altijd op een verkeerd oogenblik aan den dag, waartoe ik aanleg had of niet. Twee jaren had ik reeds met het Italiaansche boekhouden vertobt, toen men zag, dat ik niet veel beter voor een koopman deugde dan de Hottentot, die niet verder rekent, dan zijn tien vingers. En omgekeerd, was de geschikte tijd om mij muziek te laten leeren voorbij, toen men bemerkte dat er in mij misschien eenMeijerbeerofPaganinistak. Het is nu te laat. Ik moet mij nu vergenoegen met mijn stem roemloos in het gezelschapskoor te mengen, als men aan het nagerecht het voorvaderlijke:
Hoe zoet is ’t waar de vriendschap woont!
Hoe zoet is ’t waar de vriendschap woont!
of het geliefkoosde:
’t Welvaren van dezen huize,
’t Welvaren van dezen huize,
aanheft.Edithabeweert wel, dat ze mij soms in mijn eenzaamheid uit de volle borst een solo-partij heeft hooren aanstemmen! maar de lezer zal mij genoegen doen met haar niet te gelooven; hij weet, welke spotters de vrouwen zijn.
Zoodat, ik versta niets van de muziek. Was het nu bij mij: onbekend maakt onbemind; kon ik van mijn kant de muziek laten rusten, gelijk zij het mijn talent heeft gedaan, dan waren wij gemakkelijk te scheiden geweest, en had ik onder anderen dit hoofdstuk over de muziek niet geschreven; maarhinc illae lacrymae!bij ongeluk ben[39]ik juist een dol liefhebber van deze heerlijke kunst! Ja, wel mag ik zeggen, een dol liefhebber; want ik aanbid haar onder alle gedaanten: in het staatsiekleed op de muziekfeesten, in het koorkleed in de kerken, in het feestkleed op de concerten, in het tooneelkleed in deopera, in het militaire kleed op de parades, in het danskleed op het bal, in het burgerkleed langs de straten, ja in het bijna-geen-kleed der armoede, die met een draaiorgel loopt. Alle vormen waarvan zij zich bedient, zijn mij lief: het statige oratorium en de luchtige wals-maat; de prachtige symphonie en de eenvoudige aria; de rijke gevarieerde opera en het altijd wederkeerende orgeldeuntje; ik bemin duetten, terzetten, quartetten, quintetten, sextetten—als zij er zijn, hetgeen ik niet weet. Alle instrumenten zijn mij aangenaam, van koper of hout, met of zonder snaren, geblazen of gestreken, getokkeld of geroerd; ik hou zonder onderscheid van de schetterende trompet en het piepende flageoletje; van den brommenden bas en de snerpende vioolsnaar; van de toeterendetrombôneen de klagende dwarsfluit; van de donderende pauk en den tjingelenden triangel. Ik ben verzot op alle stijlen en methodes; Italiaansch, Duitsch of Fransch, klassisch of romantisch, oud- of nieuwerwetsch, ik ben overal uw man.
Waarschijnlijk komt dit daaruit voort, dat mijn hart muzikaal is. Het zit bij mij niet alleen in de ooren, zoo als bij sommige kenners, wier gehoorzenuwen meer met hun maag, dan met hun ziel in verband staan. O, ik kan mij er dikwijls aan ergeren, wanneer ik de bezoldigde dienaars van Polyhymnia, onder de uitvoering van een heerlijke muziek, daarvan niet meer zie gevoelen, dan de instrumenten die zij behandelen. Vast in de maat, ze zijn het verwonderlijk: met den bril op den neus en den strijkstok in de hand, zitten zij te tellen als metrometers; nauwelijks is hun tijd om te spelen gekomen, of wip! gaat de viool naar de kin, en kras! gaat de stok over de snaar! laat er rondom hen gebeuren wat wil, zij vertrekken er geen oor naar, en blijven geheel noteblad; maar hun gewaarwordingen daaronder! leest ze op hun dommelige, levenlooze, houten aangezichten! zij voelen niets van de verrukkende harmonie, die om hen ruischt; zij blijven koud als steen te midden van dien vuurvloed, die van rondom hen op het sidderende gehoor nederbruist; hun nuchter hoofd bemerkt niets van de bedwelming, die zich van hun snaren op de opgewonden menigte stort. Ja wat meer is! zij zelven werken mede tot de betoovering, die u overmeestert: ook hun snaar giet zijn melodie in den stroom, wiens geweld u medesleept; ook hun spel is een schalm in de magische keten die u onzichtbaar omslingert; maar de ongelukkigen! zij zijn daarbij slechts doode werktuigen: hun invloed op u is die van doove hamers, die onder de hand des kunstenaars de snaren der piano treffen; gelijk de windharp, die geen aandoening heeft van het koeltje, waaronder haar zangerig hout zucht; zij zijn eenigermate gelijk aan „die werklieden vreemd aan Israël, die de bouwstoffen bijeenbrachten voor den prachtigen tempel, waarin het hun nooit vergund zou zijn binnen te[40]treden.” O, ik beken het met schaamte en spijt, dat ik een oningewijde in het heiligdom der harmonische kunst ben; ik kom er voor uit, dat ik van deze Levieten hares altaars het eenvoudigste onderricht in haar geheimen zou moeten ontvangen. Maar toch! ik sta in mijn oogen hooger dan zij, ik, die de harp in het hart draag, welke zij op hun knechtslivrei voeren. Vergeeft het mij, Heeren muziekmeesters endilettanti! maar als ik na een heerlijke muziek u de gehoorde compositie hoor ontleden, alsof het een thema ter analyse ware, terwijl de opgevangene melodie in mijn hart, als een weêrklinkend gewelf, zuiver en helder nagalmt, en het met welluidendheid vervult, dan verhef ik er mij op, dat ik tot uw kunst in nader en inniger betrekking sta, dan gij zelven; en terwijl ik uw medelijdende vraag:
Mijnheer is geen kenner? met een zedige buiging beantwoord, beschouw ik u met het gevoel, waarmede de moedige reiziger den gids aanziet, die hem in het wonderoord der Zwitsersche Alpen weet te zeggen:
Dit is nu deSt. Bernard, en die spits daar is deMontblanc, en die punt ginds is deJungfrau.
Nog eens, bij mij zit de virtuositeit in het bloed; mijn ooren zijn niet dan de geleiders van mijn hart, en dat springt op, als het maar een enkele noot hoort, gelijk een hert dat de stem van zijn moeder verneemt! dit vraagt niet eerst: Wat hoor ik? Is het in mijn methode, wat ik hoor? Is het van mijn componist, wat ik hoor? Is het mijn instrument, dat ik hoor? Wordt het goed uitgevoerd, wat ik hoor? en zoo al voort totdat—er niets meer te hooren is. In dien tusschentijd heeft mijn hart reeds ruim en rijk genoten; het heeft de maat nagehuppeld, en met de noten meê in het rond gesprongen; het heeft voor een uur opgeruimdheid en vroolijkheid opgedaan, en herhaalt het liedje dat het gehoord heeft nog wel tienmaal in zichzelve.
Waarom ziet Mijnheer zoo knorrig?
Heet dat muziek maken? muziek-verknoeien is het!
Tra la la la—tra la la la.
Dan liever in het geheel geen muziek, dan haar zoo te hooren mishandelen.
Maar wie is Mijnheer dan?
Ik ben een musicus.
Ha, ik niet. Vaarwel Mijnheer! leve de muziek! Tra la la la—tra la la la.
Ja, leve de muziek! Ik heb behagen in alles wat maar zingt en klingt; melomanie is mijn zesde zintuig, ofschoon, gelijk ik zeide, in zijn natuurlijken toestand, zonder ontwikkeling of verfijning door de kunst; zij is mij dan ook aangeboren. Naar het zeggen van mijn moeder, was ik in der tijd een ondeugend en lastig wicht; maar gelukkig bezat zij in haar schoone stem een machtig toovermiddel, waaraan het bijna altijd gelukte den boozen Demon in mij te bezweren. Zette ik mijn keel op tot een gillende dissonant, dadelijk beproefde[41]zij die in haar heerlijke sopraantonen op te lossen, en eere zij aan mijn jeugdigen smaak, dat ik haar liever scheen te hooren dan mij zelven; want gewoonlijk hield ik dadelijk op om geen noot te verliezen, en eindigde met haar door mijn tranen toe te lachen, alsAstyanaxdichterlijker gedachtenis. De lieve moeder! Vooral was het hare gewoonte, mij des avonds zingende in slaap te sussen. Uren lang kon zij aldus aan mijn wiegje doorbrengen. Daarbij had zij een gevaarlijken vijand in haar gezang zelf; want ik was er veel te verliefd op, om er niet zoo lang mogelijk naar te luisteren. Zoo lag ik dan dikwijls een geruimen tijd tegen den slaap, die mij allengs overmeesterde, te kampen, tot dat mijn moeder eindelijk triomfeerde: zachtkens streek de rust met haar liefelijk ruischende vleugelen mijn luikende oogleden toe, en met een genoeglijk lachje om den mond sluimerde ik in.
Naar mijn moeder mij vertelde, was er evenwel geen lied, waarvoor ik gevoeliger scheen te zijn, dan het avondlied der Hernhutters:
Laat mij slapend op U wachten,O dan slaap ik zoo gerust.
Laat mij slapend op U wachten,
O dan slaap ik zoo gerust.
Ik geloof het gaarne; geen lied zong zij beter. Het is dan ook bijna het eenige van hare wiegezangen, waarvan mij een diepe indruk is bijgebleven. Nog kan ik het niet hooren, of er trilt in mijn hart een akkoord uit mijn vroegste kindschheid. Nog kan ik het niet hooren, of ik denk aan mijn lieve moeder, en—het toen nog onschuldige wicht. O gezegend het kind, dat zulke herinneringen heeft! hoe teêr ze zijn, ze zijn dikwijls sterker tegen de verzoeking, dan de stemmen van rede en deugd. Bij mij althans, welke booze gedachten zich ook in mijn binnenste mochten verheffen, ik geloof niet dat ze het zouden kunnen uithouden tegen een zachte stem, die in zulke oogenblikken zong:
Laat mij slapend op U wachten!
Laat mij slapend op U wachten!
Opgroeiende verloochende zich deze zucht voor muziek in mij niet, en, gelijk ge ziet, zij is mij nog bijgebleven; zij is in mij iets natuurlijks. Ik heb de muziek lief uit instinkt, niet als een kunst, maar zoo als ik den blauwen hemel, de lekkere zon, de zachte maan, de heerlijke sterren, het donkere bosch en het groene veld lief heb. Ik vraag mij geen reden van deze liefde; ik laat er mij niet op voorstaan, noch zoek er meê te pralen. Ik noem het een gave van God, en ben er als zoodanig dankbaar voor.
En zou ik niet?Göthespreekt ergens van menschen, die een gebrek in de oogen hebben, waardoor alles voor hen een rozeroode kleur heeft, de beklagenswaardigen! Wat genieten zij van die duizendmaalduizend schakeeringen van kleuren en tinten, die in de natuur ons oog verrukken? Maar mij dunkt dat menschen, die volstrekt geen gehoor voor de muziek bezitten, weinig minder te beklagen zijn. Want ook voor hen gaat immers een gedeelte van het schoone van Gods schepping[42]verloren? Zij hooren niets van al die welluidende stemmen, die overal klinken, en den Schepper prijzen, dat er te gelijk de schepselen door gestreeld en verheugd worden. O, het eerste vogelengezang in de lente! als het bosch, dat zoo lang stil en zwijgende was, weêr voor het eerst leven en geluid herkrijgt. Als de vogelkens hun stem schijnen te beproeven en allengs voller en ruimer uit de borst beginnen te zingen. Als langzamerhand al mijn lieve oude kennissen, met haar bekende stemmetjes mij haar welkom toeroepen. Als eindelijk mijn uitverkorene, de nachtegaal, voor de eerste maal mijn oor verrukt … o hoe baadt dan mijn ziel in genot! hoe zwemt zij in de zee van melodie, die uit de hoogte op mij nederstroomt! Zie op! voor het oog is alles nog winter. Het geboomte heeft nog zijn eentonig Decemberbruin; het groen slaapt nog in de zich ontwikkelenden bot; de rijp kraakt onder uwe voeten; een scherpeNoord-oostenwindblaast u in het gezicht, en bederft u het genot van de reeds koesterende voorjaarszon. Maar hoor toe! Voor het oor is de lente daar! zij is daar in de muziek, die even als andere vreugde, ook de vreugde der lente voorgaat; zij is daar in die duizende voorjaarsboden, die de komst van het schoone saizoen uitroepen, arkduiven die de belofte van een groenende aarde in den vriendelijken mond dragen; zij is daar in het lied van de Koningin der lente, die haar levenwekkende stem over ’t land doet hooren, die de „bloemen openfluit” en de bladeren uit hun zwachtels lokt. Gelukkig de vriend der muziek; hij heeft een lentemaand meer in het jaar!
En komt gij in den kring der gezellige samenleving, hoe veel genot gaat ook daar voor het harde oor verloren. Het is toch in onze prozaïsche wereld nog iets poëtisch, en onder haar vele dissonanten nog iets melodisch, dat er zoo veel muziek in gehoord wordt. Laat het zijn, dat daaraan voor twee derden de ijdelheid en de mode deel hebben: ik vergeet dat, zoodra de eerste toon mij tegenklinkt. Wat menschen als ik daaraan te danken hebben, is ongelooflijk; menig vervelend bezoek, menige taaie avond is mij door het maken van muziek verkortenveraangenaamd. Maar foei! wat spreek ik alleen van hare negatieve verdiensten, als of zij geen andere rechten op mijn hart had? Maar laat het zich dan onder woorden brengen, welk genot ik dikwijls aan haar betoovering verschuldigd was?
Immers staat mijn hart altijd voor haar invloed open, en wacht slechts op haar komst, gelijk de marmeren kom van een fontein op de stralen des dolfijns: een enkele noot, en mijn hart zet zijn deuren wagenwijd open. Hoe kan ik dan met een luisterziek oor aan de heerlijke klanken hangen! hoe met een van wellust bevenden voet den stroom der muziek in al zijn kronkelingen volgen, gelijk een knaap den schoonen vogel, dien hij hoopt te verrassen! Hoe kan ik mijn hart op de deining der melodie laten heen en weder wiegelen, gelijk een zwaan op de rimpeling van het kabbelende water! hoe mij op de vleugelen des stijgenden geluids laten opheffen, of op het dons der dalende akkoorden nederzinken! hoe kan ik mij in den Feeëndans der[43]luchtige noten laten meêslepen, of door de klacht derandantetot tranen bewegen! Van dat de eerste toon in mijn ooren klinkt, ben ik mijns-zelven niet meer: ik ben het eigendom van den componist, die mijn hart met volkomen willekeur beheerscht; hij heeft mij in zijn hand, hij kan van mij maken wat hij wil, ik ben de zijne door het recht van verovering.
Evenwel het gebeurt soms, dat hierop een uitzondering plaats heeft. Het is dan als mijn hart te vol raakt, om meer te kunnen toehooren. Er zijn oogenblikken, dat de muziek, in plaats van mij met haar adem te streelen, het meir mijns harten beroert, en een sterke aandoening in mij wakker roept; dan is het mij niet mogelijk, langer aan haar klanken geboeid te blijven; dan word ik doof voor haar taal, en luister alleen naar de stem, die uit mijn binnenste oprijst; dan verlies ik mij in een diep verleden, of zie vooruit in een schemerende toekomst; dan verzink ik in dien toestand, dien de Dichter beschrijft:
Het is een onbestemd „gevoelen,”Een toestand donker en verward.—Wij voelen zóó, als op ’t concertDe tonen op iets treurigs doelen:Een algemeen besef van smart;—Waarbij we, zonder orde of reden,In toekomst dwalen en verleden.
Het is een onbestemd „gevoelen,”
Een toestand donker en verward.—
Wij voelen zóó, als op ’t concert
De tonen op iets treurigs doelen:
Een algemeen besef van smart;—
Waarbij we, zonder orde of reden,
In toekomst dwalen en verleden.
Ziet gij, wanneer zulke gedachten mij aangrijpen, ben ik voor de toespraak der muziek verloren: voor haar toespraak, maar evenwel geenszins voor haar invloed. Want die mijmeringen zijn alleen onder haar invloed geboren, en leven alleen in den dampkring van haar melodie. Laat de muziek ophouden, en zij zullen wegvluchten als schuwgemaakte vogels! Laat de muziek voortduren, en zij zullen haren sylphendans voortzetten, en zich gedurig helderder en levendiger voor mijn geest vertoonen. Ook wordt haar voorkomen door de macht der muziek beheerscht. Gedurende deallegrozullen zij een licht, een vroolijk aanzien hebben; met deandantezal haar gelaat betrekken en haar gang sleepender worden; en als deze eindelijk in deadagioovergaat, zal er een floers van somberheid op haar dalen, als op een landschap, dat de zon op eens ophoudt te beschijnen. Zoo ontvangen zij, even als hetcorps de ballet, in alles de wet van hetorkest.
En hierbij denk ik vooral aan de oogenblikken, onder het gehoor vanEdithagesleten. Het is namelijk haar standvastige gewoonte, des namiddags in het uur, waarin anderen zich het genoegen geven van, zoo als zij het met eeneuphemismenoemen,stil te zitten, de piano te openen, en een poosje te spelen. Nu speeltEdithazeer wel; ten minste naar mijn smaak, omdat er in haar spel meer uitdrukking dan kunst is. En dit stille uurtje is mij het liefste van den geheelen dag. O, hoe kan dan mijn geest zich op de wolken der zwevende melodie inschepen, en zich daarop omhoog laten voeren! Heerlijke luchtreis, die ik dan doe, waarbij al de luchtreizen vanGreenniets zijn. Kon ik u beschrijven,[44]wat dan mijn verrukt oog niet al aanschouwt! Welke lusthoven de gouden tooversleutel der harmonie voor mij opent! Welke paleizen de stem der muziek, als een andereAmphion, voor mij doet oprijzen! Welke gezichten mij vervoeren, welke geuren mij tegenwalmen, welke hemelsche tonen mij toeklinken! Gelukkig voorwaar, dat deze luchtkasteelen voor u ontoegankelijk zijn, Mijnheeren Ontvangers en Rijksschatters! kondt gij er bijkomen, armeJonathan, hoe zoudt gij moeten bloeden! Op welke sommen zou u de grondbelasting te staan komen van een terrein, waarbij uw aardsche hut niet veel meer is dan een notendop; met welke schatten zoudt ge het bezit van een mobilair moeten boeten, bij hetwelk goud, als het geringste der metalen, de plaats van hout en steen vervult. Ik kan er van sidderen, als ik denk, dat iemand hunner zijnbrakken neusin deze kostbaarheden steken mocht. Maar geen nood! Ieder mensch heeft boven zijn armoedje, dat door den maatstok der wet wordt nagemeten, een ruime plek aan den hemel, waar zijne verbeelding een luchtpaleis mag stichten, zoo prachtig als hij wil, zonder dat men hem daar kan komen lastig vallen. En waar ook verschil bestaan moge, hier niet. Want de weinige spannen gronds, die den bedelaar toebehooren, hebben even zoowel den onmetelijken hemel tot gewelf, als het uitgestrekte domein des Vorsten. Daarheen dan onze toevlucht genomen, mijne vrienden! die, even als ik, uw aardsche heerlijkheden met weinige passen beschrijden kunt. Wij zullen ons daarboven wreken! Wij zullen er een luchtkasteel bouwen, zoo heerlijk, dat de geheele schatkist, om wier wil we zoo geplaagd worden, niet in staat zou zijn er een enkelen vleugel van te betalen. Wij zullen er eenpleasure-groundbij aanleggen, waarin al de Ontvangers (en dat’s veel gezegd) des noods zouden kunnen verdwalen! En wij zullen het genoegen smaken van onze kwelgeesten bij den neus te hebben, die terwijl zij onzen nederigen inboedel taxeeren, van onze bezittingen in de maan niets vermoeden zullen. Ik voor mij althans hoor hen nooit een prijs op de piano vanEdithastellen, zonder in mij zelven teglimlachen: *** guldens! Zij is voor mij het tiendubbel waard; in die kast is voor mij het wenschhoedje vanFortunatusverborgen! Daarin schuilen de papieren van eigendom van mijn goederen in het bovenland. Maar gij zult er niets van te zien krijgen.—En nauwlijks heb ik de deur achter hen gesloten, of ik kom met een vroolijk gezicht weêr binnen: kom aan,Editha! nu nog eens een liedje:
L’or n’est qu’une chimère.
L’or n’est qu’une chimère.
Maar nog dierbaarder is mij de herinnering aan die oogenblikken, waarin de muziek de uitwerking had van den storm derhartstochtenin mij te doen bedaren, oogenblikken waarin het mij ging alsSaul;Ende ’t geschiedde als de geest Godes overSaulwas, so namDavidde harpe, ende hy speelde met syne hant: dat wasSauleeneverademinge, ende het wert beter met hem, ende de boose geest weeck van[45]hem.—O, het is een zalig gevoel in een tijd, wanneer de drift, als een storm uit zijn krocht losgebroken, de kalmte der ziel beroert; wanneer alles, wat er kwaads en ondeugends op den bodem des harten slaapt, opgist, en het hoofd door zijn dampen bedwelmt; wanneer de onreinheid, die den grond onzes gemoeds bedekt, door onvoorzichtigheid in beweging gebracht, opborrelt, en deszelfs helderheid troebel maakt; het is een zalig gevoel, wanneer men zich in zulk een tijd de kracht voelt ontbreken om die woeling te gebieden: Zijt stille!—dat er zich dan een macht van buiten opdoet, die de verbroken rust en klaarheid herstelt. Zulk een macht nu is voor mij die der muziek. Dikwijls, als onreine gedachten mijne verbeelding dreigden te besmetten; als de hartstocht mijn gemoed in oproer bracht; als een weêrbarstige ontevredenheid zich van mijn ziel meester had gemaakt; was het genoeg, dat de muziek haar liefelijke stem liet hooren, om den kwaden geest, die mij verzocht, uit te bannen. Niet dikwijls gebeurde het, als zij zich ter rechter tijd gelden deed, dat mijn drift zich tegen haar tooverkracht bleef verzetten. Bij de eerste tonen reeds werd het oproer in zijn vaart gestuit; langzamerhand liet het zich met zachten tegenstand terugdringen, zoo als men een blaffenden bandhond streelend in zijn hok lokt; terwijl de muziek de muitende driften bedwong, riep zij de sluimerende betere gewaarwordingen wakker; vandaar een korte strijd, die eindelijk in de zegepraal van het goede beginsel eindigde, terwijl het kwade als een neêrgeslagen droesem op den donkeren bodem terugzonk. Gelukkig oogenblik, wanneer alsdan een zacht rood van schaamte de wangen kleurde, welke vroeger dehartstochtin vollen gloed had gezet, en een verkwikkende traan het brandend oog bevochtigde. Alsdan werd de wonderspreuk des Dichters aan mij bewaarheid:
Alles heeft zich-zelf verloren.’t Honderdhoofdig HelgedrochtLigt ontketend in zijn krocht,Met ter neêr gestreken ooren,Vastgeboeid door ’t maatgeluid.
Alles heeft zich-zelf verloren.
’t Honderdhoofdig Helgedrocht
Ligt ontketend in zijn krocht,
Met ter neêr gestreken ooren,
Vastgeboeid door ’t maatgeluid.
En wat wonder? Immers was ik altijd, licht ontvlamd als ik ben, de speelbal van snel afwisselende aandoeningen, en even ras „in gloed gevlogen,” als tot zachtere gemoedsaandoeningen terug te brengen. Mijn moeder vooral verstond meesterlijk de kunst om in zulk een onrust rust te gebieden. Zij deed dit niet door mij, als een hollend paard, in den teugel te vallen; zij deed het door den leniger, maar sterker drang der overreding!„Jonathan! Jonathan!”Er was in den toon, waarmede zij dien naam uitsprak, iets zoo krachtig en teeders te gelijk, dat ik er niet aan kon weêrstaan. Welnu, in de stem der muziek is voor mij iets dergelijks; als zij mij hare zachte klanken tegenwalmt, is het of ik nog de stem van mijn nu zalige moeder hoor;„Jonathan! Jonathan!”En gepaard met deze herinnering, vallen mij op het eerste geluid de wapens uit de handen. Heerlijke muziek, zeker zijt gij een broeder-engel van mijnen Genius![46]
Ook weet ik van oogenblikken, waarin zich aan mij een andere verzekering des Dichters bevestigde:
Dan vergeet zich in ’t verrukken,Zelf Prometheus arendsbeet,Tantalus versmachtend leed,Bij ’t vervoerend vingerdrukken.
Dan vergeet zich in ’t verrukken,
Zelf Prometheus arendsbeet,
Tantalus versmachtend leed,
Bij ’t vervoerend vingerdrukken.
Waar is de mensch, wien het hier wel niet eens bang was? Ik althans behoor tot hen, die aan het bestaan vanPrometheusenTantalusgelooven. Ik ken die pijn, die het hart eet en het bloed drinkt; ik ken dat onverzadigd verlangen, dat den mensch naar de gouden paradijsappelen doet hongeren, die altijd even ver van zijn lippen verwijderd blijven; maar ik ken ook dat zich vergeten van arendsbeet en versmachting,
Bij ’t vervoerend vingerdrukken.
Bij ’t vervoerend vingerdrukken.
De muziek spreekt bovenal de taal der vertroosting! haar gestrook
Is waarlijk van fluweel.
Is waarlijk van fluweel.
Haar vriendelijke stem vloeit als balsem in het verscheurde hart: ik weet niet, of het waar is, wat sommigen beweerd hebben, dat muziek de kracht heeft van sommige zielskrankten te genezen; maar ik weet wel, dat zij in staat is het lijden van alle zielskrankten te verzachten en te lenigen. En is zij niet een bode der hope, die van betere tijden spreekt? Dikwijls als bittere teleurstellingen mij hadden ter aarde geworpen, richtte zij mij aan haar hand op, en nam mij aan haar zachte borst; dan dauwden er woorden van liefde en troost van haar zoete lippen; dan ademde zij mij nieuwen moed in ’t hart; dan goot zij mijn boezem vol van nieuwen levenslust en nieuwe levenskracht; dan spande haar opwekkende invloed mijn spieren en zenuwen tot dapperen wederstand tegen den druk, die op mij woog; dan klonk haar stem voor mij als een wapenkreet, die mij ten strijd daagde; dan ging haar moed-inboezemend geluid mij voor op den weg der overwinning; dan hergaf zij mij aan mij zelven.
Nog plechtiger herinneringen verrijzen voor mijn geest.
Stemme des orgels! Stemme der muziek in het huis des Heeren! Hoe de gewaarwordingen te beschrijven, die gij zoo dikwijls in mij verwektet?
Ik weet het, de Godsdienst heeft meerder rechten op de welluidendste der kunsten, dan deze haar in onze eenvoudige heiligdommen betaalt. De storm der Hervorming heeft in haar geweldige, schoon heilzame omkeering, onder meer, dat wij hadden willen gespaard zien, ook de snaren van de heilige harpDavidsverbroken, die Gode zoo welgevalliglijk placht te klinken. Het zij! wij weten, dat het een hachelijk oogenblik was, toen het niet de keuze tusschen een eerdienst met of zonder muziek, toen het de keuze tusschen een hulde des harten en der lippen en een hulde der muziektuigen gold; toen er beslist moest[47]worden, of de zanger zou zingen, of zijne luite. Doch des te hooger eere en dank aan hen, die het pleit des orgels voor de rechtbank der Hervorming hebben verdedigd en gewonnen. Nu hebben wij ten minste een enkel harmonisch voertuig voor onze heilige inboezemingen behouden; en, wij erkennen het dankbaar, het geschiktste en waardigste, om dien gewijden last ten Hemel te voeren! Er is in den klank des orgels iets statigs en majestueus, dat wonderlijk overeenkomt met de plaats en het doel, waartoe het zich laat hooren. Ik zou haast zeggen: het orgel is een beeld van den Godsdienst zelven, dien wij belijden. Zoo woont hij in ons hart, onzichtbaar en verborgen, even als het geluid in het speeltuig. Geen bonte pronk of valsche schittering tooien hem, maar een deftig, plechtig en eerbiedwekkend uiterlijk. Hij vermengt zich niet onder de ijdelheden der aarde, noch paart zijn stem aan den luchtiger toon der wereld; altijd blijft hij waardig, achtbaar en zijn hooge bestemming indachtig. Zich gedurende de zes ongewijde dagen in zichzelve terugtrekkende, verheft hij ten zevenden, ten dage des Heeren, zijn jubelende stem, en roept dan luide zijn verrukkingen uit! Maar ook dan nog handhaaft hij zich als de bode eener heilige blijdschap, en laat in den klank van zijn zich naar buiten openbarende vreugde, altijd den grondtoon van een statigen ernst klinken.—Vol en breed vervult de galm van het speeltuig het heiligdom, en doordringt het met een welluidende huivering; langzaam, gelijk de geur des offers met de lucht samenvloeit, vereenigt hij zich met de stem der menigte; en daarmede ineengesmolten heft hij zich met een kalme gelijkmatige duivenvlucht omhoog, dringt door wolken en uitspansel, en stort zich uit voor het oor van Hem, die den adem geeft. O, het is verwonderlijk, hoe machtig dit geluid is op hem, die er gevoel voor heeft, om hem te stemmen en tot een waardige aanbidding voor te bereiden. Hoe dikwijls kwam ik verstrooid en afgetrokken in het heiligdom; maar het orgel klonk! het orgel, dat ons in zijn indrukwekkend geklank opriep:Lovet den Heere met de harpe. Psalmzinget Hem met de luyte.—Als een geest der bezieling woei die welluidende adem mij aan; helder weêrklonk die stem, die den tempel doorgalmde, in den tempel mijns harten. En nauwelijks droeg de eerste golf van melodie den eersten toon des gezangs naar boven, of reeds mengde zich mijn stem, eerbiedig en vroom, in het duizendstemmig lied der gemeente, en klom zwak en bevende, maar uit het volle hart, tot den Heer! En hoe zou ik al de verplichtingen kunnen opnoemen, die mijn stichting en zielsverheffing aan u heeft, muziek des gewijden orgels? Of kende ik de oogenblikken niet, waarin mijn overstelpt hart zijn dank niet hoog genoeg ten hemel heffen kon, maar zich gelukkig voelde, dien op uw breeder en sterker schacht te mogen nederleggen, om dien te brengen tot waar mijn stem niet reikt; oogenblikken van bezwaardheid en droefenis, waarin met uw opbeurende galmen van boven licht en troost in mijn donkere ziel vloeide; oogenblikken, waarin uw majestueus geluid mij een huivering van eerbied[48]op de leden stortte, en mij den Allerhoogste voor den geest stelde,als was het dat „suyzen van een sachte stilte” waarin de Heer zich aan zijn dienaars openbaart; oogenblikken, waarin uw donderende toon, ontzagverwekkend als de klaterende wolk van Horeb, op mij nederdaalde en mij met den schrik des Heeren sloeg, of waarin ik in een rollend gebulder de bazuine des laatsten oordeels meende te hooren; oogenblikken waarin uw machtige stem voor mij de wolken deed scheuren, en mij, onder uw zegevierend jubelen, den hemel opende, waaruit mij reeds het lied der tienduizendmaal tienduizenden scheen toe te klinken! O zeker, al waart gij voor mij de eenige tolk der harmonie, die door al het geschapene ruischt, orgel des heiligen bedehuizes! toch zou ik metSchilleraan uw kunst den palm reiken!
Aber die Seelesprichtnur Polyhymnia aus.
Aber die Seelesprichtnur Polyhymnia aus.
Ja, durfde ik, ik zou verder willen gaan en zeggen: Muziek is de taal des hemels!
„Muziek de taal des hemels!”
Kent gijla dernière pensée musicalevanWeber? Laat haar u anders eerst eens voorspelen.
Begrijpt gij mij nu?
Ik ken geen muziekstuk, dat mijn gedachten beter uitdrukt. Hoort gij het niet, dat er in deze heerlijkeandanteeen stem is, die van een betere wereld spreekt? Dat weemoedig-zwevende, dat biddend-klagende, dat smachtend-verlangende, dat opwaarts-strevende,—in één woord, dat gevoel van heimwee, dat in deze noten ademt, wijst het u niet als met de hand naar den hemel? O, zóó zou ik wenschen te sterven met zulke gedachten, met zulk een gevoel, met zulke verwachtingen! Welnu, dit karakter der muziek is het, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt! Wat zijn zij zeldzaam, de stemmen, die ons aan ons vaderland daarboven herinneren! en wanneer ze zich al laten hooren, hoe zelden hebben zij den waren toon, die het hart toespreekt, en met waarachtig verlangen vervult! Maar voor mij is de muziek zulk een roepstem, en wel een stem, zoo liefelijk, zoo uitlokkend als eenige, een stem als van een moeder, die haar kind tot zich roept. Ja, ik begrijp dat heimwee van den Zwitser, als het lied zijner bergen, het klagenderanz des vachesin zijn ooren klinkt. Ik geloof dat dit geluid de snaren zijner ziel kan spannen, dat ze breken. Immers weet ik wat ik gevoel, als de muziek mij als een stem uit de hoogte toeruischt, en mij met reikhalzende begeerte naar de bergen mijns hemelschen vaderlands doordringt. Dan doorstroomt een nameloos gevoel mijn boezem; dan vervult zich mijn hart, en zet zich uit, en zwoegt als om zich ruimte te maken, gelijk een vogel in zijn kouw; dan rijzen zucht op zucht uit dien beklemden kerker op, en stijgen daarheen, waar het hart ze niet volgen kan, dat ze treurig naziet als een gevangen duif, die haar jongen ziet opvliegen. Dan verheft zich mijn hoofd, dan glinstert mijn oog, dan openen zich onwillekeurig mijn armen, dan zucht ik bezwaard zijnde om ontbonden[49]te worden.Zou het misschien daarom zijn datLutherde muziek de eerste der menschelijke kunsten noemde, en haar de naaste aan de godgeleerdheid plaatste?
De eerste der menschelijke kunsten, zeide ik. Maar.… ik weet niet.… ik durf niet gissen.… ik vrees vermetel te wezen.… en waarom niet? Een groot man heeft van den aanstaandengeluksstaatder zaligen gezegd: „Geeft u onbeschroomdelijk toe in kinderlijke droomen en voorstellingen! Alleenlijk, laten het geen opgeblazen, wijsgeerige, maar laten het kinderlijke droomen zijn!”—Welnu, tot die kinderlijke droomen van mijn verbeelding behoort ook, dat de vreugde, uit het genot der muziek geschept, mede tot het geluk der zaligen behooren zal. Ik weet wel: „de lofzangen der hemelingen zullen toch geen Jeruzalemsche tempel-muziek wezen!” Even weinig durf ik raden, hoe dan anders zich mijn mijmeringen verwezenlijken zullen. Maar ik laat mij daarom het denkbeeld niet ontnemen, dat daar een stemme des gezangs en geklanks zal gehoord worden in den hemel, gelijk er een stemme des lieds en der speeltuigen gehoord wordt op aarde. Niet alleen om den wil der fijne, zuivere, geestelijke en bijna bovenaardsche weelde, waarin de stroom der harmonie het gevoelig hart doet baden; maar omdat ik mij zóó, en zóó alleen verbeelden kan, hoe het van hemelzaligheid overvloeiend hart zich, in gemeenschap met zijn medegezaligden, in dankbaarheid en vreugde voor den Vader der Lichten zal uitstorten. „Gloeit het vuur der dankbaarheid,” zoo leze ik, „diep in mijn binnenste, verliest u dan in de plechtige lofgezangen, die voor het aangezicht van God worden uitgeboezemd!” Laat ik er mij dan in verliezen! Beklage of belache mij wie wil; ik laat anderen gaarne hunnen hemel, indien men mij slechts toelaat mij mijnen hemel te scheppen, zoo als hij voor mij meest aantrekkelijk, meest uitlokkend, meest hemelsch is! O, dat stemmen der gouden citers! dat aanheffen van een nieuw en nooit gezongen lied! dat mengen der stem in het koor van al wat in den hemel leeft! dat uitstorten van zijn hart in den adem der Godsverheerlijking!.… Indien gij een droom zijt, hoe schoon zijt gij! En indien meer!.…
Kom,Editha! speel dedernière pensée musicalevanWebernog eens voor mij![50]
[Inhoud]RUITEN TROEF.Onder andere schoone en nuttige kundigheden, mis ik ook het talent van kaartspelen. Ik weet niet waardoor het komt, maar ik heb het nooit kunnen leeren. En dit is te onbegrijpelijker, omdat het mij anders niet aan het noodige geduld ontbreekt. Op het ganzenbord bijvoorbeeld ben ik een heele held. Uren lang kan ik, met een lief kind op mijn schoot, mij aan dat spel toewijden, zonder ooit moede te worden van het onophoudelijk heen en weêr trekken van den Put naar den Dood, en van den Dood weêr naar den Put. Maar met de kaartenbladen der groote menschen kan ik maar niet klaar komen; misschien ligt het aan de zwakheid van mijn geheugen. Eischt de wet van het spel niet, dat men zal nagaan, wat ieder zijner medespelers in de hand heeft? Waarlijk, dit is te veel geëischt van een man, die altijd zoo veel met zich zelven te doen heeft, dat hij nauwelijks ooit eenoogenbliktijd kan vinden, om zich over eens anders zaken te bekommeren. Aan dewhisttafel, evenmin als elders, bemoei ik mij gaarne met het spel van anderen. Men heeft mij wel gezegd, dat ik daardoor altijd verliezen moet, omdat anderen er wel achter weten te komen, wat ik in de hand heb;—ik moet het overgeven. Om mijn domheid in dit opzicht te rechtvaardigen, heb ik er een stelling op uitgevonden, waarmeê ik mij zoo goed mogelijk troost: goede spelers worden geboren, en niet gemaakt.Gebeurt het dus somtijds, dat ik tegen mijn gewoonte in een gezelschap verdwaald ben, waar gespeeld wordt, krijg ik gewoonlijk van de gastvrouw een plaatsje bij de jongelui, aan de zoogenaamdeallegaâr-tafel. Daar gaat het met hetkleurennog zoo wat heen; te meer, omdat ik altijd spoedigdoodben, en dan gelegenheid heb, het veel vermakelijker spel van de verliefde dartelheid der jonge paren aan te zien. Dat gezicht is voor mijn smaak wel eens zoo aanlokkelijk, als dat van gindschhombre-tafeltje, waar de partijen een gezicht zetten, of zij om malkaârs leven dobbelen. Hier doet zich mijn schilder-oog recht te goed. Zie had ik mijn potlood, ik zou dien schalken jongen met zijn donkere kijkers willen uitteekenen, zoo als hij zijn hoofd stoeiend over den blanken schouder van zijn bekoorlijke buurvrouw[51]heensteekt, omquasite zien, wat kaarten zij heeft, maar dat hij, dom genoeg, in haar lachende oogen schijnt te willen lezen. De linksche jongen! hij gelijkt mij, hij zal nooit goed leeren spelen! en welk een aardigtegenstukzou gindsch sentimenteel paartje opleveren, dat den schijn aanneemt van elkanders kaarten te ruilen, maar eigenlijk alleen van die mine gebruik maakt om verliefde handdrukjes te wisselen; met dat gevolg, dat zij beide eindigen met drie verschillende kleuren in den hand te krijgen. Wat doet het er toe? daar het hoogroode blosje, dat te gelijk beider wangen bedekt wel degelijk van de zelfde echtehartenkleuris! Ei, voor zulk een tooneeltje geef ik van ganscher harte het zeldzaam genoegen van eenvole annoncéete zien spelen.Maar als ik nu bij ongeluk in een kring geraakt ben, waar alleen met scherpe wapenen gestreden wordt, zonder dat er een hoekje voor zulk een onschuldige schermpartij is afgezonderd, dan moet ik mij getroosten, als een ledig aanschouwer door de zaal te dwalen, en mij beurtelings bij de verschillende tafeltjes te plaatsen. Het is waar, dat dit niet altijd even aangenaam is. Want mijn eigenliefde krijgt bij zulk een gelegenheid altijd geweldige stooten. Meestal heb ik alsdan moeten ondervinden, dat op zulk een oogenblik de minste kaart meer aandacht trekt, dan ik. Aanmerkingen, die verdienden gedrukt te worden, heb ik door den uitroep van:spadille!hooren overschreeuwen. Ik geloof dat zulke ervaringen krachtig hebben meêgeholpen, om mij nederig te houden. Ten minste sedert eenigen tijd is mijn aanmatiging om tusschen de phrasen van het spel nog mijn phrase te willen plaatsen voorbij. Ik waag mij niet meer in het gedrang, maar blijf eerbiedig op een afstand. Gewoonlijk plaats ik mijn stoel in de nabijheid van het een of ander tafeltje, ver genoeg van het tooneel des gevechts verwijderd om niemand te hinderen, en toch niet zoo ver, of ik kan het voorkomenhebbenvan naar het spel te zien. En dan komt mijn gelukkige gaaf, van met open oogen te kunnen droomen, mij weder heerlijk te stade. Aldus heb ik aan dewhist- enquadrille-tafel menig schoon uurtje gesleten.Zoo was ik onlangs bij een mijner goede vrienden op een verjaarfeest genoodigd; hij kwam mij zelf vragen, omdat hij voor een weigering vreesde. Want daar zijnChef, wien hij welstaanshalve niet voorbij kon gaan, een liefhebber was van „een kaartje te leggen,” moest er in den vooravond gespeeld worden. Wat zou ik doen? hij stond er op, dat ik komen zou, en ik bederf niet gaarne iemands vreugde. Ook ben ik er bang voor, iemand, dien ik lief heb, te verstoren. Als men aan vrouw of kind iets weigert, hangen ze u vijf minuten daarna toch weêr aan ’t lijf: maar als men een vriend boos maakt, blijft hij wel eens boos. Kort en goed, ik nam het aan.Ik kwam vrij laat. De tenten waren reeds opgeslagen, het terrein verdeeld, de strijders geschaard, en de zwaarden getrokken. Wat wonder, dat bijna niemand mij merkte? Nadat ik de gastvrouw begroet en mijn vriend de hand gedrukt had, begon ik naar een plaatsje uit[52]te zien, waar ik het gevecht zou kunnen—vergeten. Wacht.… ja.… daarheen! ik had een heerlijk hoekje gevonden, in de nabijheid van eenhombre-tafeltje, waar ik, half tusschen de meubelgordijnen verscholen, mij onopgemerkt aan mijn gepeinzen kon overgeven. Nadat ik het gezelschap, in welks nabijheid in mijn banier plantte, links en rechts gegroet had, begon ik, om op mijn verhaal te komen, met mijn buurman op te nemen. Zij waren drie in getal, twee Heeren en een Dame. Om een bijzondere reden, die in de verdeeling van het spel haar grond had, was de echtgenoot der Dame een van haar beidepartners. Het was een leelijk man, met een geschonden aangezicht en lichtgrijze oogen, die door een schildpadden bril keken. Hij was prachtig, maar slordig gekleed; hij sprak weinig, en deed bijna niets dan om de geestigheden van zijn medespeler lachen. Deze was het levend beeld der gezondheid. Hij moest vroeger een schoon man geweest zijn; maar het vet, die gezworen vijand van alle schoonheid, had de fijnheid zijner trekken en vormen bedorven. Hij was nu een dikkeApollo, gelijk onze oude schilders er teekenen. Evenwel, hoe diep zijn hart ook in zijn vleezige borst begraven was, de geest scheen door het vleesch nog niet geheel ten onder gebracht. Onophoudelijk vloeiden er Attische zetten van zijn lippen, die zijn vriend deden schateren, en ook de Dame een goedkeurend glimlachje afdwongen. De dame—ik had de beleefdheid wel mogen hebben van met haar te beginnen—was een vrouw van ruim dertig jaren; evenwel mogt zij nog met het volste recht een schoonheid heeten. Ofschoon een kanten nevel haar haar verborg, zag men aan de vlecht, die daaronder te voorschijn kwam, welk een onrecht zij daarmede aan de bewonderaars van „levend goud” deed. Haar oogen waren van het verrukkelijkste blauw, en haar huid van een verblindende blankheid. Echter vond ik haar niet onwederstaanbaar; zij had iets onverschilligs, iets prozaïsch in haar wijze van spreken en doen, dat met haar blond-blauw voorkomen in openlijken strijd was. Zij dronk met haar fijne beeldig besneden lippen haar glaasje bisschop met een genoegen, met een sybaritisch welgevallen, dat mij wanhopig maakte; en toen zij haar parelwittetandenmet Epicurische graagte in een roomtaartje zette, moest ik mij van ergernis omkeeren.Evenwel, men gewent aan alles: zoo ook ik op dien oogenblik. Nog geen half uur was er verloopen, of ik zag tafeltje noch spelers meer, en zat reeds hoog en droog in de luchtballon mijner droomerijen. Daar dreef ik op de genade des toevals door de lucht, zonder iets te bemerken van alles wat op de aarde aan mijn voeten voorviel. Het zij mij vergund, u een staaltje van mijn overdenkingen te geven.Onder andere beelden zag ik de sylphengestalte vanAlwine Stanley, een der liefelijkste verschijningen, die ooit mijn oog verrukten. Zij was blank alseenengel, en, zoo haar haar niet zoo wit was als sneeuw, het scheen toch sneeuw, door de zon verguld; ook droeg zij altijd een wit kleed, en had daarbij iets in de oogen, dat de begoocheling volkomen maakte. Maar zij was teêr, ongeloofelijk teêr! haar middel was[53]zoo tenger, dat men vreesde, als zij zich boog, moest zij knakken als een bieze, tot dat men zich overtuigd had, dat het golvende van haar bewegingen die vrees overbodig maakte; want dan toonde zich haar lichaam weêr zoo buigzaam en veêrkrachtig, dat het uit enkel zenuwen en spieren scheen te bestaan, en den stokkerigen gast dien wij daaronder herbergen te missen. Haar hals was dun als die vanAnna Boleyn, maar veel gereeder dan deze om te buigen; want bij het minste tochtje, dat langs haar ging liet zij het hoofd hangen. Haar geheele voorkomen had een etherischen zweem, en deed aan de teederste vanShakespeare’sscheppingen, aanAriel, denken. Wie haar zag, vond de aarde te hard en den wind te scherp voor haar; wie haar toesprak,verzachtteonwillekeurig den toon zijner stem; zij was als SirWalter’sMaiden of the mist, men durfde haar niet aanroeren, uit vrees van haar in een nevel te zien oplossen.Was het vreemd, dat zij vele bewonderaars had? Vreemd was het evenwel, dat er niemand aan scheen te denken om naar haar hand te staan. Dit was het gevolg van haar Engelen-natuur; het gevoel van ontzag, dat zij inboezemde, maakte, dat men het denkbeeld om haar te bezitten als iets ongerijmds verwierp. In de droomen des jongelings kwam zij voor als de toovergodin, die zijn liefde beschermt, nooit als de schoone Prinses, naar wier gunst hij stond. Zij had honderd aanbidders, maar geen enkelen minnaar.Dit bleef echter niet altijd zoo. Eindelijk was er een, die het waagde een vermetel oog op haar te slaan. Maar zoo in iemand, in hem was die stoutmoedigheid te dulden. Hij heetteAlfred; maar ik noemde hemAlcibiades, zoo herinnerde hij mij dien bevalligste der Grieken. Want, dat de Olympische lauwer aan zijn antieken kop ontbrak, en marmer noch metaal den heerlijken vorm zijner gestalte vermenigvuldigde, was aan den tijd te wijten, waarin hij geboren was; wat bleef hem thans over, dan zijn moed in in het oefenperk der gymnastie en het speelveld der schermkunst te doen schitteren? Maar miste hij de gelegenheid om een bloedige kroon te winnen, te schooner sierde hem de krans van de kunsten des vredes. Hij was dichter, zonder evenwel de luit te hanteren; maar de scheppende kracht eener weelderigefantasiewoonde in zijn borst, en stortte zich in den kunsteloozen vorm eener wegsleepende welsprekendheid uit. Niets echter onderscheidde hem meer,dan zijnhartstochtvoor de muziek; zelf was hij een uitstekend kunstenaar, doch verborg dit talent met meisjesachtige schaamachtigheid. Maar ’s nachts, onder begunstiging der duisternis, doolde hij, met de guitar om zijn hals geslingerd, naar de woning vanAlwine; en wie hem dan in romanesque melodiën aan zijn gevoel lucht hoorde geven, waarbij zijn tenorstem met den langen adem eens nachtegaals door de lucht trilde, terwijl zijn schilderachtige houding, door het schijnsel der maan verlicht, aan een Grieksch standbeeld deed denken, vergaf het aan de hemelsche Diana, achter dien wit-gazen nevel verscholen, dat zij met welgevallen op dezen Actaeon nederzag.[54]De gelieven beminden elkander, gelijk zulke zielen beminnen moeten, hartstochtelijk; maar een breede klove scheidde hen. De witte gestalte vanAlwineboog voor de hostie; het trotsche hoofd vanAlfredboog alleen voor Hem, dien „de Hemelen niet en begrijpen.” Het meisje, wier liefde op de rots van onbepaald geloof in den Beminde gegrond was, was gereed voor hem het outer te verlaten en naast hem neêr te knielen; maar haar vader, die voor den Roomschen herdersstaf sidderde, verbond aan het verlaten haars heiligdoms de verbanning uit zijn huis en hart; er zweefde een onheilspellend woord op zijn lippen. Om haar wanhopig te maken, kwam hier het aanzoek van een geloofsgenoot bij, een man die haar begreep noch verdiende; een van die menschen, die met dezelfde onverschilligheid hun voet in ongerepte sneeuw als in drassige klei drukken. De vader, voor de verleiding van den schoonen Hugenoot vreezende, was harder voor haar dan zij verdiende: ongenadig als een stormwind drukte hij op broze riet, zoodat het krookte, en spoedig geheel scheen te zullen breken. Nog herinner ik mij, welk algemeen mededogen de kwijnendeAlwineopwekte; menig oog, dat haar aanzag, vulde zich met tranen, en ieders verbeelding zag haar reeds aan den voet des altaars, met den witten maagdenkrans op het haar, en de brandende waslichten rondom haar.… Ja, zal ik het bekennen? in de verwachting van haar aanstaanden dood, bezong ik haar uiteinde reeds in een gedicht, waarin onder anderen de volgende smachtende regels voorkwamen:Beklaag Alwine, in ’s levens bloei vergaan!Hoe greep de smart haar teedre broosheid aan!Nog is zij schoon, maar aaklig schoon! en de oogenBeweenen haar, die haar bewondren mogen.Was ze eenmaal bleek als lentebloesem, thansWeek ’t leven uit de witheid van dien glans.Een doode schijnt ze, als balsemde heur asemHaar zielloos schoon met eigen amberwasem.Soms dringt een traan zich aan haar oogen op,Maar ’t is ondanks haar wil, zoo als de knop,Gebroken op zijn steel en halfgebogen,Den dauw vergiet, waarmeê hij is betogen.En vreemd! zoo weinig dooft dat nat hun vonk,Dat nooit haar blik van helder tintling blonk!Ook wreken zich de kwellingen haars hartenNiet op haar leest in folterende smarten,Maar, met den dolk in ’t hart, zegt ze Arria,Met vriendlijk oog: het is niet pijnlijk! na.Zij draagt haar leed als waar ’t in onbewustheid,En liegt het weg in ’t lachje van gerustheidOp ’t smal gelaat, zoo al geen bleeker roodDen worm verraadt, die ’t veege bloempje doodt!Soms ziet men haar doorschijnende elpen vingerenZich bevend om de zilvren snaren slingeren;Maar, trillend door d’onvasten greep, heeft ’t lied,De harp ontlokt, den rechten toonklank niet.[55]De lip is bleek, die vroeger plach te blozen,Maar, witte roos, behield den geur der rozen.Haar stem is zacht, maar vriendlijk zacht en zoet.Zij sleept zich voort met weigerenden voet,En toont, wanneer zij op uw arm mag leunen,Hoe noodig ’t is haar zwakheid te ondersteunen.De slaap ontwijkt ze, als vreest ze een enkel uurTe ontrooven aan zoo kort een levensduur!Ja, zelfs de Dood laat zich door haar verzachten,En schijnt bij ’t henensmelten van haar krachten,Te waken, dat geen al te ruwe slagZoo schoon een leest te deerlijk schenden mag!Zoo zal zij ook, wanneer zij ’t hoofd laat hangen,Zacht sluimren, door zijn harden arm omvangen,En wie haar ziet, doen denken, aan haar rust:Een moeder heeft haar zoo in slaap gekust.…„Ruiten-troef!” riep de Dame aan hethombre-tafeltje, met een stem zoo luid, dat ik wakker schrikte en uit mijn droom ontwaakte. „Ruiten-troef!” riep zij, en daarbij keerde zij het spel kaarten, dat zij gemengd had, om, waardoor het bleek, dat Ruiten de favoriet-kaart voor het volgende spel waren.Zelden echter was ik zoo boos op de oorzaak, die mij in mijn mijmering stoorde, als nu! Het was ook een val! van een romanesque doode op Ruiten-troef.… denkt gij? neen, veel erger! Want—en verplaats u in mijn stemming—want de engelachtigeAlwinewas—och ja, de Dame die voor mij zat en Ruiten-troef had geroepen! de dikke Apollo wasAlfred! en de leelijke man met zijn schildpadden bril de doorAlwine’svader beschermde minnaar!Alwinehad lang tegenstand geboden, lang geleden en gestreden; maar eindelijk had de wil haars vaders, door de verschrikkingen van het bedreigdeexorcismusondersteund, haar toestemming afgedwongen. Toen ik haar in den echt had zien inzegenen, kwam ik verontwaardigd te huis, en zette een nieuw gedicht op het touw, dat dus begon:’k Heb u gezien, de oranje door de haren,En om den hals ’t juweelen snoer gezwierd;De blanke leest met blank satijn gesierd,Omgeven door de u huldigende scharen.Ik zag u, met die bleekte op ’t zacht gezicht,Die weêmoed op de wang der bruid verwekte,Aanvalliger, dan toen de blos ze dekte,Die vreemd moet zijn aan d’ochtend, die u licht.Die kwijning van uw heerlijk blauwende oogen—Die flauwe lach, die wegsterft in een zucht—Dat rustloos hart, dat zwoegend hijgt naar lucht—Die fletsheid, die uw wangen houdt betogen—Die matheid in ’t door druk bezwaard gestel—[56]Die trage gang der eertijds vlugge schreden,Nog aarzlende op ’t hun vreemde pad te treden—Verraden ons uw kommer al te wèl.En gij hebt recht! des Bruigoms vuurge blikken—Het ongeduld, dat uit zijn trekken licht—De hartstocht, die zich schetst op zijn gezicht,Zoodat zijn drift uw schuchterheid doet schrikken—Zijn vlammend oog, gekluisterd aan uw leest—Zijn wild gebaar, dat, waagt het u te omvatten,Zich nauwlijks kan weêrhouden uit te spatten—Verzeekren u geenszins, dat ge ijdel vreest!O daar is slechts een stonde in mannendriften,Een leven lang in ’s manshartstochtloosheid:Dezelfde hand, die thans uw schoonheid vleit,Kan uw verval verbittren en vergiften!Verganklijk zijn de bloemen van den lust,Gelijk aan die slechts ééne dagbeurt bloeien:De morgen wil ze met zijn dauw besproeien,Maar vindt ze door den nachtwind dor gekust.De Weelde is als een Vampyr, die zijn lippenMet jeugdig bloed van maagdlijke offers drenkt,Maar die den drank, dien ’t zingenot hem schenkt,In éénen teug een gorgel in doet glippen;Hij wil voor zich slechts ’t eerste waas der druif;Den most des wijns; het maagdlijk rood der rozen;En werpt van zich de bruid, door hem gekozen,Gelijk de bruid haar feestelijke huif!en zoo voort. Deze Philippica bleef echter zonder uitwerking, en verhinderde evenmin, datAlwinevoortaan een anderen naam voerde, als datAlfreduit wanhoop op reis ging. Na twee jaren afzijns kwam hij, uitstekend welvarende naar lichaam en geest, terug, en trouwde kort daarop een gezonde Hollandsche vrouw. Dit huwelijk brachtAlwine’ssentimentaliteit den laatsten slag toe. Uit wraak over haar teleurgestelde droomen, wierp zij zich daarop in de armen der meest positieve wezenlijkheid, en werd eene getrouwe lezeres der „Opregte Geldersche keukenmeid.” Ja, haar keuken werd zoo beroemd, dat de EpicurischeAlfredde begeerte niet weêrstaan kon om aan haardiner’sdeel te nemen, en verlof verzocht en verkreeg haar zijn vrouw te presenteeren. Op dezen oogenblik bevonden ze zich te zamen ten huize mijns vriends; het toeval plaatsteAlwine’sechtgenoot, die aan het biljart op de Societeit allen naijver afgezworen en een verbond van vriendschap metAlfredgesloten had, met zijn vrouw en vriend aan dezelfde tafel. Van daar de aanleiding, die mij in het Elysium mijner herinneringen verplaatste, toen ik daaruit zoo onvriendelijk teruggeroepen werd. Ik kon ze haast met geen goed oog aanzien![57]Welk een schoonen roman hadden ze mij bedorven! hoe diep waren zij gevallen! Die blanke leest der dertig-jarige vrouw, waarin ik nog enkele sporen van het vroegere nevelachtige wezen terugvond, wat was zij nu, dan de doodkist, waarinAlwinehaar dichterlijken geest begraven had? En wat was er van mijnAlcibiadesgeworden? een vleeschklomp, die nog slechts in het klassisch zout zijner geestige invallen een schaduw vertoonde van het genie, dat vroeger alleen de eenzaamheid in zijn vertrouwen nam. Dezelfde man, die eens, als een anderePaganini, uit jaloerschheid op zijn kunst, de toonen van zijn speeltuig aan iedereen buiten zichzelven misgunde, zong nu aan elk souper „op verzoek der Dames” een aria vanGrisar, en kende, als men hem om een proef van zijn talent op de piano verzocht, waarlijk niets dan een Strauszertje! er scheelde weinig aan, of ik nam het hun beide kwalijk, dat zij de onbeschaamdheid hadden van—te leven. Maar ook! in zijn verbeelding aan den rand eens grafs te staan, met de woorden vanHölty’selegie voor den geest:Sterbeglocken hallen,Und die Grabgesänge heben an;Schwarzbeflorte Trauerleute wallen,Und die Todtenkrone weht voran.En dan—door de heldin van dat visioen wakker geroepen te worden met den kreet: Ruiten-troef!Ruiten-troef! O hoe dikwijls ben ik, op gelijke wijze, uit den hemel mijner schoone droomen bij mijn beenen op de aarde teruggetrokken! hoe vele soortgelijke bittere teleurstellingen heb ik ondervonden.Ik verneem, dat een van de liefste vrienden, dien ik aan de Hoogeschool gehad heb, zich in de stad bevindt; dadelijk vat ik het voornemen op hem te gaan opzoeken. Het vooruitzicht van hem te ontmoeten is genoeg om mij in een andere wereld te verplaatsen. Ik daag alle herinneringen van vroeger tijd voor mijn geest: hoe lief wij elkander hadden; hoe wij onze boeken en onze geheimen deelden; hoe wij malkaâr in gevoel van bewondering voor de natuur niets toegaven; hoe wij dikwijls onzen doornstaf opnamen, en naar een nabijgelegen bouwval wandelden, om daarMatthissonte lezen en den rondwarenden schimmen den schuimenden berkemeier toe te brengen; hoe wij met elkander van geluk en liefde dweepten en in onze verbeelding aan het eind der aarde onze hutjes van klei naast elkander optrokken … in zulk een stemming kom ik bij hem; maar hoe vind ik hem terug? Als een schaduw van zichzelven. De financieele speculatiën, waarin hij gewikkeld is, hebben van hem een cijfermeester gemaakt, wiens wereld door de muren van de beurs,—neen, dit is nog te ruim—door de pilaren van deneffectenhoekbegrensd wordt. Begin ik met een verteederend:Henri, herinnert gij u nog? wijst hij mij terug met een onvriendelijk: Laat ons van die gekheid zwijgen! kom[58]ik op onze droomen, hij spreekt van zijn kansen: wijs ik hem op onze arme, maar gelukkige jeugd, hij wijst mij op een rijken, gemakkelijken ouderdom: herinner ik hem aan den berkemeier, hij roept om een glaasje kinabitter: hij breekt den cirkel mijner bezweering, even alsAlwine, door haar Ruiten-troef!Of ik zal een vrouw ontmoeten, die ik vroeger als eenGratiegekend en bewonderd heb, en die, ofschoon ik haar sedert jaren niet heb weêrgezien, nog in mijn herinnering leeft. Zeker, het is dwaas van mij, die toch ook de oude spring-in-’t-veld niet meer ben, welken zij aan de Akademie gekend heeft, dat ik een teleurgesteld gezicht zet, wanneer ik de jonge bevallige als een deftigematroneweêrvind. Maar dit zou ik nog kunnen overstappen, hadde tijd slechtsde kas van het speeltuig misvormd; maar helaas! hij heeft ook den klank bedorven. Na de gewone plichtplegingen van het alledaagsch gesprek waag ik het, haar aan vroegere dagen te herinneren. Ik roer een der teederste snaren aan.—Zij tjingelt als een vochtig koord.—Ik beproef het met een andere.—Zij is ontspannen.—Weêr een andere.—Zij knarst als roestig ijzer.—Nog een laatste!—Geheel gesprongen!—Alles Ruiten-troef.Of ik zal een dichter bezoeken. Welk een vooruitzicht! Ik stel hem mij voor, gelijk ik wenschen zou hem te vinden: in het oog van den adelaar zijn hoogeren rang verradende; een verheven voorhoofd waardig, naar de uitdrukking vanMoore, „het paleis” van zulk een ziel te zijn; een eerbiedwekkend voorkomen als van een hooger geest, die voor een wijle het kleed eens menschen draagt; en bovenal een stem, welke haar recht handhaaft om het Verledene en de Toekomst voor zich te dagen. Ik vind hem.… ik durf niet voortgaan.… wij hebben zoo weinig dichters, die men verlangt te zien.… gij zoudt denken dat een portret schilderde.… ach, ik kan immers degeheelegeschiedenis van mijn teleurstelling in één woord uitdrukken: Ruiten-troef!Zoo gaat het mij keer op keer. Een mensch met een gevoelig hart is een ongelukkig wezen op deze ongevoelige aarde. Ik loop even alsDiogenesmet een lampje, om naar de menschen te zoeken, die ik vroeger gekend heb; ik vind geheel andere wezens in de plaats. Het is of ik reeds gestorven ben en op de aarde terugkom; zoo weinig herken ik in het geslacht, dat mij omringt, het geslacht, waarmeê ik ben opgegroeid. Ieder ander is groot, is wijs, is rijk, is oud geworden; ik alleen ben nog altijd dezelfde kinderlijke, dwaze, armeJonathanvan voorheen!Als ik dit zoo aanzie, ben ik wel eens ongerust geworden, dat ik in een andere wereld even zulk een vreemdeling zijn zou als in de tegenwoordige. Die gedachte viel mij zeer bang; maar zij vond toch niet lang ingang bij mij. Neen, dacht ik, dat kan de beteekenis niet zijn van des Apostels vertroostende belofte:Doe ick een kindt was, sprack ik als een kindt, was ick gesint als een kindt, overleyde ik[59]als een kindt: maar wanneer ick een man gheworden ben, so hebbe ick te niete gedaen ’t gene eens kindts was.—Mannen zullen wij worden; en daaraan voel ik zoo zeer behoefte als iemand. Veel hetgeen des kindsJonathansis moet uit den weg, eer hij een man wezen zal. Maar wij zullen toch ook geen mannen zijn, zoo als zij, die zich hier boven mij verheffen, en meenen zooveel hooger te staan dan ik, omdat mijn geheugen een spiegel, en het hunne een doofpot is. Als ik in tegendeel een Engelschen Dichter gelooven mag, dat „het een gevaarlijke tijd is, waarin de jeugd zich van ons verwijdert, als wij vergeten dat de ziel haar jonkheid moet bewaren door een geheele lange eeuwigheid:” dan zouden de beelden, die ik met zoo veel getrouwheid vasthoud, nog wel eens, aan den anderen kant, veredeld en geheiligd, als engelen-gestalten kunnen opstaan. Plaagt en kwelt mij dan zoo veel gij wilt, mijn koelbloedige vrienden, met uw ijskoud Ruiten-troef! gij zult mij evenmin veranderen, als ik u. Wij zullen elkander hier in liefde verdragen en voorthelpen, en gezamenlijk biddende uitzien naar den tijd, waarin onze tweede jeugd zal aanvangen, die door geen veroudering van hoofd of hart meer zal worden opgevolgd![60]
RUITEN TROEF.
Onder andere schoone en nuttige kundigheden, mis ik ook het talent van kaartspelen. Ik weet niet waardoor het komt, maar ik heb het nooit kunnen leeren. En dit is te onbegrijpelijker, omdat het mij anders niet aan het noodige geduld ontbreekt. Op het ganzenbord bijvoorbeeld ben ik een heele held. Uren lang kan ik, met een lief kind op mijn schoot, mij aan dat spel toewijden, zonder ooit moede te worden van het onophoudelijk heen en weêr trekken van den Put naar den Dood, en van den Dood weêr naar den Put. Maar met de kaartenbladen der groote menschen kan ik maar niet klaar komen; misschien ligt het aan de zwakheid van mijn geheugen. Eischt de wet van het spel niet, dat men zal nagaan, wat ieder zijner medespelers in de hand heeft? Waarlijk, dit is te veel geëischt van een man, die altijd zoo veel met zich zelven te doen heeft, dat hij nauwelijks ooit eenoogenbliktijd kan vinden, om zich over eens anders zaken te bekommeren. Aan dewhisttafel, evenmin als elders, bemoei ik mij gaarne met het spel van anderen. Men heeft mij wel gezegd, dat ik daardoor altijd verliezen moet, omdat anderen er wel achter weten te komen, wat ik in de hand heb;—ik moet het overgeven. Om mijn domheid in dit opzicht te rechtvaardigen, heb ik er een stelling op uitgevonden, waarmeê ik mij zoo goed mogelijk troost: goede spelers worden geboren, en niet gemaakt.Gebeurt het dus somtijds, dat ik tegen mijn gewoonte in een gezelschap verdwaald ben, waar gespeeld wordt, krijg ik gewoonlijk van de gastvrouw een plaatsje bij de jongelui, aan de zoogenaamdeallegaâr-tafel. Daar gaat het met hetkleurennog zoo wat heen; te meer, omdat ik altijd spoedigdoodben, en dan gelegenheid heb, het veel vermakelijker spel van de verliefde dartelheid der jonge paren aan te zien. Dat gezicht is voor mijn smaak wel eens zoo aanlokkelijk, als dat van gindschhombre-tafeltje, waar de partijen een gezicht zetten, of zij om malkaârs leven dobbelen. Hier doet zich mijn schilder-oog recht te goed. Zie had ik mijn potlood, ik zou dien schalken jongen met zijn donkere kijkers willen uitteekenen, zoo als hij zijn hoofd stoeiend over den blanken schouder van zijn bekoorlijke buurvrouw[51]heensteekt, omquasite zien, wat kaarten zij heeft, maar dat hij, dom genoeg, in haar lachende oogen schijnt te willen lezen. De linksche jongen! hij gelijkt mij, hij zal nooit goed leeren spelen! en welk een aardigtegenstukzou gindsch sentimenteel paartje opleveren, dat den schijn aanneemt van elkanders kaarten te ruilen, maar eigenlijk alleen van die mine gebruik maakt om verliefde handdrukjes te wisselen; met dat gevolg, dat zij beide eindigen met drie verschillende kleuren in den hand te krijgen. Wat doet het er toe? daar het hoogroode blosje, dat te gelijk beider wangen bedekt wel degelijk van de zelfde echtehartenkleuris! Ei, voor zulk een tooneeltje geef ik van ganscher harte het zeldzaam genoegen van eenvole annoncéete zien spelen.Maar als ik nu bij ongeluk in een kring geraakt ben, waar alleen met scherpe wapenen gestreden wordt, zonder dat er een hoekje voor zulk een onschuldige schermpartij is afgezonderd, dan moet ik mij getroosten, als een ledig aanschouwer door de zaal te dwalen, en mij beurtelings bij de verschillende tafeltjes te plaatsen. Het is waar, dat dit niet altijd even aangenaam is. Want mijn eigenliefde krijgt bij zulk een gelegenheid altijd geweldige stooten. Meestal heb ik alsdan moeten ondervinden, dat op zulk een oogenblik de minste kaart meer aandacht trekt, dan ik. Aanmerkingen, die verdienden gedrukt te worden, heb ik door den uitroep van:spadille!hooren overschreeuwen. Ik geloof dat zulke ervaringen krachtig hebben meêgeholpen, om mij nederig te houden. Ten minste sedert eenigen tijd is mijn aanmatiging om tusschen de phrasen van het spel nog mijn phrase te willen plaatsen voorbij. Ik waag mij niet meer in het gedrang, maar blijf eerbiedig op een afstand. Gewoonlijk plaats ik mijn stoel in de nabijheid van het een of ander tafeltje, ver genoeg van het tooneel des gevechts verwijderd om niemand te hinderen, en toch niet zoo ver, of ik kan het voorkomenhebbenvan naar het spel te zien. En dan komt mijn gelukkige gaaf, van met open oogen te kunnen droomen, mij weder heerlijk te stade. Aldus heb ik aan dewhist- enquadrille-tafel menig schoon uurtje gesleten.Zoo was ik onlangs bij een mijner goede vrienden op een verjaarfeest genoodigd; hij kwam mij zelf vragen, omdat hij voor een weigering vreesde. Want daar zijnChef, wien hij welstaanshalve niet voorbij kon gaan, een liefhebber was van „een kaartje te leggen,” moest er in den vooravond gespeeld worden. Wat zou ik doen? hij stond er op, dat ik komen zou, en ik bederf niet gaarne iemands vreugde. Ook ben ik er bang voor, iemand, dien ik lief heb, te verstoren. Als men aan vrouw of kind iets weigert, hangen ze u vijf minuten daarna toch weêr aan ’t lijf: maar als men een vriend boos maakt, blijft hij wel eens boos. Kort en goed, ik nam het aan.Ik kwam vrij laat. De tenten waren reeds opgeslagen, het terrein verdeeld, de strijders geschaard, en de zwaarden getrokken. Wat wonder, dat bijna niemand mij merkte? Nadat ik de gastvrouw begroet en mijn vriend de hand gedrukt had, begon ik naar een plaatsje uit[52]te zien, waar ik het gevecht zou kunnen—vergeten. Wacht.… ja.… daarheen! ik had een heerlijk hoekje gevonden, in de nabijheid van eenhombre-tafeltje, waar ik, half tusschen de meubelgordijnen verscholen, mij onopgemerkt aan mijn gepeinzen kon overgeven. Nadat ik het gezelschap, in welks nabijheid in mijn banier plantte, links en rechts gegroet had, begon ik, om op mijn verhaal te komen, met mijn buurman op te nemen. Zij waren drie in getal, twee Heeren en een Dame. Om een bijzondere reden, die in de verdeeling van het spel haar grond had, was de echtgenoot der Dame een van haar beidepartners. Het was een leelijk man, met een geschonden aangezicht en lichtgrijze oogen, die door een schildpadden bril keken. Hij was prachtig, maar slordig gekleed; hij sprak weinig, en deed bijna niets dan om de geestigheden van zijn medespeler lachen. Deze was het levend beeld der gezondheid. Hij moest vroeger een schoon man geweest zijn; maar het vet, die gezworen vijand van alle schoonheid, had de fijnheid zijner trekken en vormen bedorven. Hij was nu een dikkeApollo, gelijk onze oude schilders er teekenen. Evenwel, hoe diep zijn hart ook in zijn vleezige borst begraven was, de geest scheen door het vleesch nog niet geheel ten onder gebracht. Onophoudelijk vloeiden er Attische zetten van zijn lippen, die zijn vriend deden schateren, en ook de Dame een goedkeurend glimlachje afdwongen. De dame—ik had de beleefdheid wel mogen hebben van met haar te beginnen—was een vrouw van ruim dertig jaren; evenwel mogt zij nog met het volste recht een schoonheid heeten. Ofschoon een kanten nevel haar haar verborg, zag men aan de vlecht, die daaronder te voorschijn kwam, welk een onrecht zij daarmede aan de bewonderaars van „levend goud” deed. Haar oogen waren van het verrukkelijkste blauw, en haar huid van een verblindende blankheid. Echter vond ik haar niet onwederstaanbaar; zij had iets onverschilligs, iets prozaïsch in haar wijze van spreken en doen, dat met haar blond-blauw voorkomen in openlijken strijd was. Zij dronk met haar fijne beeldig besneden lippen haar glaasje bisschop met een genoegen, met een sybaritisch welgevallen, dat mij wanhopig maakte; en toen zij haar parelwittetandenmet Epicurische graagte in een roomtaartje zette, moest ik mij van ergernis omkeeren.Evenwel, men gewent aan alles: zoo ook ik op dien oogenblik. Nog geen half uur was er verloopen, of ik zag tafeltje noch spelers meer, en zat reeds hoog en droog in de luchtballon mijner droomerijen. Daar dreef ik op de genade des toevals door de lucht, zonder iets te bemerken van alles wat op de aarde aan mijn voeten voorviel. Het zij mij vergund, u een staaltje van mijn overdenkingen te geven.Onder andere beelden zag ik de sylphengestalte vanAlwine Stanley, een der liefelijkste verschijningen, die ooit mijn oog verrukten. Zij was blank alseenengel, en, zoo haar haar niet zoo wit was als sneeuw, het scheen toch sneeuw, door de zon verguld; ook droeg zij altijd een wit kleed, en had daarbij iets in de oogen, dat de begoocheling volkomen maakte. Maar zij was teêr, ongeloofelijk teêr! haar middel was[53]zoo tenger, dat men vreesde, als zij zich boog, moest zij knakken als een bieze, tot dat men zich overtuigd had, dat het golvende van haar bewegingen die vrees overbodig maakte; want dan toonde zich haar lichaam weêr zoo buigzaam en veêrkrachtig, dat het uit enkel zenuwen en spieren scheen te bestaan, en den stokkerigen gast dien wij daaronder herbergen te missen. Haar hals was dun als die vanAnna Boleyn, maar veel gereeder dan deze om te buigen; want bij het minste tochtje, dat langs haar ging liet zij het hoofd hangen. Haar geheele voorkomen had een etherischen zweem, en deed aan de teederste vanShakespeare’sscheppingen, aanAriel, denken. Wie haar zag, vond de aarde te hard en den wind te scherp voor haar; wie haar toesprak,verzachtteonwillekeurig den toon zijner stem; zij was als SirWalter’sMaiden of the mist, men durfde haar niet aanroeren, uit vrees van haar in een nevel te zien oplossen.Was het vreemd, dat zij vele bewonderaars had? Vreemd was het evenwel, dat er niemand aan scheen te denken om naar haar hand te staan. Dit was het gevolg van haar Engelen-natuur; het gevoel van ontzag, dat zij inboezemde, maakte, dat men het denkbeeld om haar te bezitten als iets ongerijmds verwierp. In de droomen des jongelings kwam zij voor als de toovergodin, die zijn liefde beschermt, nooit als de schoone Prinses, naar wier gunst hij stond. Zij had honderd aanbidders, maar geen enkelen minnaar.Dit bleef echter niet altijd zoo. Eindelijk was er een, die het waagde een vermetel oog op haar te slaan. Maar zoo in iemand, in hem was die stoutmoedigheid te dulden. Hij heetteAlfred; maar ik noemde hemAlcibiades, zoo herinnerde hij mij dien bevalligste der Grieken. Want, dat de Olympische lauwer aan zijn antieken kop ontbrak, en marmer noch metaal den heerlijken vorm zijner gestalte vermenigvuldigde, was aan den tijd te wijten, waarin hij geboren was; wat bleef hem thans over, dan zijn moed in in het oefenperk der gymnastie en het speelveld der schermkunst te doen schitteren? Maar miste hij de gelegenheid om een bloedige kroon te winnen, te schooner sierde hem de krans van de kunsten des vredes. Hij was dichter, zonder evenwel de luit te hanteren; maar de scheppende kracht eener weelderigefantasiewoonde in zijn borst, en stortte zich in den kunsteloozen vorm eener wegsleepende welsprekendheid uit. Niets echter onderscheidde hem meer,dan zijnhartstochtvoor de muziek; zelf was hij een uitstekend kunstenaar, doch verborg dit talent met meisjesachtige schaamachtigheid. Maar ’s nachts, onder begunstiging der duisternis, doolde hij, met de guitar om zijn hals geslingerd, naar de woning vanAlwine; en wie hem dan in romanesque melodiën aan zijn gevoel lucht hoorde geven, waarbij zijn tenorstem met den langen adem eens nachtegaals door de lucht trilde, terwijl zijn schilderachtige houding, door het schijnsel der maan verlicht, aan een Grieksch standbeeld deed denken, vergaf het aan de hemelsche Diana, achter dien wit-gazen nevel verscholen, dat zij met welgevallen op dezen Actaeon nederzag.[54]De gelieven beminden elkander, gelijk zulke zielen beminnen moeten, hartstochtelijk; maar een breede klove scheidde hen. De witte gestalte vanAlwineboog voor de hostie; het trotsche hoofd vanAlfredboog alleen voor Hem, dien „de Hemelen niet en begrijpen.” Het meisje, wier liefde op de rots van onbepaald geloof in den Beminde gegrond was, was gereed voor hem het outer te verlaten en naast hem neêr te knielen; maar haar vader, die voor den Roomschen herdersstaf sidderde, verbond aan het verlaten haars heiligdoms de verbanning uit zijn huis en hart; er zweefde een onheilspellend woord op zijn lippen. Om haar wanhopig te maken, kwam hier het aanzoek van een geloofsgenoot bij, een man die haar begreep noch verdiende; een van die menschen, die met dezelfde onverschilligheid hun voet in ongerepte sneeuw als in drassige klei drukken. De vader, voor de verleiding van den schoonen Hugenoot vreezende, was harder voor haar dan zij verdiende: ongenadig als een stormwind drukte hij op broze riet, zoodat het krookte, en spoedig geheel scheen te zullen breken. Nog herinner ik mij, welk algemeen mededogen de kwijnendeAlwineopwekte; menig oog, dat haar aanzag, vulde zich met tranen, en ieders verbeelding zag haar reeds aan den voet des altaars, met den witten maagdenkrans op het haar, en de brandende waslichten rondom haar.… Ja, zal ik het bekennen? in de verwachting van haar aanstaanden dood, bezong ik haar uiteinde reeds in een gedicht, waarin onder anderen de volgende smachtende regels voorkwamen:Beklaag Alwine, in ’s levens bloei vergaan!Hoe greep de smart haar teedre broosheid aan!Nog is zij schoon, maar aaklig schoon! en de oogenBeweenen haar, die haar bewondren mogen.Was ze eenmaal bleek als lentebloesem, thansWeek ’t leven uit de witheid van dien glans.Een doode schijnt ze, als balsemde heur asemHaar zielloos schoon met eigen amberwasem.Soms dringt een traan zich aan haar oogen op,Maar ’t is ondanks haar wil, zoo als de knop,Gebroken op zijn steel en halfgebogen,Den dauw vergiet, waarmeê hij is betogen.En vreemd! zoo weinig dooft dat nat hun vonk,Dat nooit haar blik van helder tintling blonk!Ook wreken zich de kwellingen haars hartenNiet op haar leest in folterende smarten,Maar, met den dolk in ’t hart, zegt ze Arria,Met vriendlijk oog: het is niet pijnlijk! na.Zij draagt haar leed als waar ’t in onbewustheid,En liegt het weg in ’t lachje van gerustheidOp ’t smal gelaat, zoo al geen bleeker roodDen worm verraadt, die ’t veege bloempje doodt!Soms ziet men haar doorschijnende elpen vingerenZich bevend om de zilvren snaren slingeren;Maar, trillend door d’onvasten greep, heeft ’t lied,De harp ontlokt, den rechten toonklank niet.[55]De lip is bleek, die vroeger plach te blozen,Maar, witte roos, behield den geur der rozen.Haar stem is zacht, maar vriendlijk zacht en zoet.Zij sleept zich voort met weigerenden voet,En toont, wanneer zij op uw arm mag leunen,Hoe noodig ’t is haar zwakheid te ondersteunen.De slaap ontwijkt ze, als vreest ze een enkel uurTe ontrooven aan zoo kort een levensduur!Ja, zelfs de Dood laat zich door haar verzachten,En schijnt bij ’t henensmelten van haar krachten,Te waken, dat geen al te ruwe slagZoo schoon een leest te deerlijk schenden mag!Zoo zal zij ook, wanneer zij ’t hoofd laat hangen,Zacht sluimren, door zijn harden arm omvangen,En wie haar ziet, doen denken, aan haar rust:Een moeder heeft haar zoo in slaap gekust.…„Ruiten-troef!” riep de Dame aan hethombre-tafeltje, met een stem zoo luid, dat ik wakker schrikte en uit mijn droom ontwaakte. „Ruiten-troef!” riep zij, en daarbij keerde zij het spel kaarten, dat zij gemengd had, om, waardoor het bleek, dat Ruiten de favoriet-kaart voor het volgende spel waren.Zelden echter was ik zoo boos op de oorzaak, die mij in mijn mijmering stoorde, als nu! Het was ook een val! van een romanesque doode op Ruiten-troef.… denkt gij? neen, veel erger! Want—en verplaats u in mijn stemming—want de engelachtigeAlwinewas—och ja, de Dame die voor mij zat en Ruiten-troef had geroepen! de dikke Apollo wasAlfred! en de leelijke man met zijn schildpadden bril de doorAlwine’svader beschermde minnaar!Alwinehad lang tegenstand geboden, lang geleden en gestreden; maar eindelijk had de wil haars vaders, door de verschrikkingen van het bedreigdeexorcismusondersteund, haar toestemming afgedwongen. Toen ik haar in den echt had zien inzegenen, kwam ik verontwaardigd te huis, en zette een nieuw gedicht op het touw, dat dus begon:’k Heb u gezien, de oranje door de haren,En om den hals ’t juweelen snoer gezwierd;De blanke leest met blank satijn gesierd,Omgeven door de u huldigende scharen.Ik zag u, met die bleekte op ’t zacht gezicht,Die weêmoed op de wang der bruid verwekte,Aanvalliger, dan toen de blos ze dekte,Die vreemd moet zijn aan d’ochtend, die u licht.Die kwijning van uw heerlijk blauwende oogen—Die flauwe lach, die wegsterft in een zucht—Dat rustloos hart, dat zwoegend hijgt naar lucht—Die fletsheid, die uw wangen houdt betogen—Die matheid in ’t door druk bezwaard gestel—[56]Die trage gang der eertijds vlugge schreden,Nog aarzlende op ’t hun vreemde pad te treden—Verraden ons uw kommer al te wèl.En gij hebt recht! des Bruigoms vuurge blikken—Het ongeduld, dat uit zijn trekken licht—De hartstocht, die zich schetst op zijn gezicht,Zoodat zijn drift uw schuchterheid doet schrikken—Zijn vlammend oog, gekluisterd aan uw leest—Zijn wild gebaar, dat, waagt het u te omvatten,Zich nauwlijks kan weêrhouden uit te spatten—Verzeekren u geenszins, dat ge ijdel vreest!O daar is slechts een stonde in mannendriften,Een leven lang in ’s manshartstochtloosheid:Dezelfde hand, die thans uw schoonheid vleit,Kan uw verval verbittren en vergiften!Verganklijk zijn de bloemen van den lust,Gelijk aan die slechts ééne dagbeurt bloeien:De morgen wil ze met zijn dauw besproeien,Maar vindt ze door den nachtwind dor gekust.De Weelde is als een Vampyr, die zijn lippenMet jeugdig bloed van maagdlijke offers drenkt,Maar die den drank, dien ’t zingenot hem schenkt,In éénen teug een gorgel in doet glippen;Hij wil voor zich slechts ’t eerste waas der druif;Den most des wijns; het maagdlijk rood der rozen;En werpt van zich de bruid, door hem gekozen,Gelijk de bruid haar feestelijke huif!en zoo voort. Deze Philippica bleef echter zonder uitwerking, en verhinderde evenmin, datAlwinevoortaan een anderen naam voerde, als datAlfreduit wanhoop op reis ging. Na twee jaren afzijns kwam hij, uitstekend welvarende naar lichaam en geest, terug, en trouwde kort daarop een gezonde Hollandsche vrouw. Dit huwelijk brachtAlwine’ssentimentaliteit den laatsten slag toe. Uit wraak over haar teleurgestelde droomen, wierp zij zich daarop in de armen der meest positieve wezenlijkheid, en werd eene getrouwe lezeres der „Opregte Geldersche keukenmeid.” Ja, haar keuken werd zoo beroemd, dat de EpicurischeAlfredde begeerte niet weêrstaan kon om aan haardiner’sdeel te nemen, en verlof verzocht en verkreeg haar zijn vrouw te presenteeren. Op dezen oogenblik bevonden ze zich te zamen ten huize mijns vriends; het toeval plaatsteAlwine’sechtgenoot, die aan het biljart op de Societeit allen naijver afgezworen en een verbond van vriendschap metAlfredgesloten had, met zijn vrouw en vriend aan dezelfde tafel. Van daar de aanleiding, die mij in het Elysium mijner herinneringen verplaatste, toen ik daaruit zoo onvriendelijk teruggeroepen werd. Ik kon ze haast met geen goed oog aanzien![57]Welk een schoonen roman hadden ze mij bedorven! hoe diep waren zij gevallen! Die blanke leest der dertig-jarige vrouw, waarin ik nog enkele sporen van het vroegere nevelachtige wezen terugvond, wat was zij nu, dan de doodkist, waarinAlwinehaar dichterlijken geest begraven had? En wat was er van mijnAlcibiadesgeworden? een vleeschklomp, die nog slechts in het klassisch zout zijner geestige invallen een schaduw vertoonde van het genie, dat vroeger alleen de eenzaamheid in zijn vertrouwen nam. Dezelfde man, die eens, als een anderePaganini, uit jaloerschheid op zijn kunst, de toonen van zijn speeltuig aan iedereen buiten zichzelven misgunde, zong nu aan elk souper „op verzoek der Dames” een aria vanGrisar, en kende, als men hem om een proef van zijn talent op de piano verzocht, waarlijk niets dan een Strauszertje! er scheelde weinig aan, of ik nam het hun beide kwalijk, dat zij de onbeschaamdheid hadden van—te leven. Maar ook! in zijn verbeelding aan den rand eens grafs te staan, met de woorden vanHölty’selegie voor den geest:Sterbeglocken hallen,Und die Grabgesänge heben an;Schwarzbeflorte Trauerleute wallen,Und die Todtenkrone weht voran.En dan—door de heldin van dat visioen wakker geroepen te worden met den kreet: Ruiten-troef!Ruiten-troef! O hoe dikwijls ben ik, op gelijke wijze, uit den hemel mijner schoone droomen bij mijn beenen op de aarde teruggetrokken! hoe vele soortgelijke bittere teleurstellingen heb ik ondervonden.Ik verneem, dat een van de liefste vrienden, dien ik aan de Hoogeschool gehad heb, zich in de stad bevindt; dadelijk vat ik het voornemen op hem te gaan opzoeken. Het vooruitzicht van hem te ontmoeten is genoeg om mij in een andere wereld te verplaatsen. Ik daag alle herinneringen van vroeger tijd voor mijn geest: hoe lief wij elkander hadden; hoe wij onze boeken en onze geheimen deelden; hoe wij malkaâr in gevoel van bewondering voor de natuur niets toegaven; hoe wij dikwijls onzen doornstaf opnamen, en naar een nabijgelegen bouwval wandelden, om daarMatthissonte lezen en den rondwarenden schimmen den schuimenden berkemeier toe te brengen; hoe wij met elkander van geluk en liefde dweepten en in onze verbeelding aan het eind der aarde onze hutjes van klei naast elkander optrokken … in zulk een stemming kom ik bij hem; maar hoe vind ik hem terug? Als een schaduw van zichzelven. De financieele speculatiën, waarin hij gewikkeld is, hebben van hem een cijfermeester gemaakt, wiens wereld door de muren van de beurs,—neen, dit is nog te ruim—door de pilaren van deneffectenhoekbegrensd wordt. Begin ik met een verteederend:Henri, herinnert gij u nog? wijst hij mij terug met een onvriendelijk: Laat ons van die gekheid zwijgen! kom[58]ik op onze droomen, hij spreekt van zijn kansen: wijs ik hem op onze arme, maar gelukkige jeugd, hij wijst mij op een rijken, gemakkelijken ouderdom: herinner ik hem aan den berkemeier, hij roept om een glaasje kinabitter: hij breekt den cirkel mijner bezweering, even alsAlwine, door haar Ruiten-troef!Of ik zal een vrouw ontmoeten, die ik vroeger als eenGratiegekend en bewonderd heb, en die, ofschoon ik haar sedert jaren niet heb weêrgezien, nog in mijn herinnering leeft. Zeker, het is dwaas van mij, die toch ook de oude spring-in-’t-veld niet meer ben, welken zij aan de Akademie gekend heeft, dat ik een teleurgesteld gezicht zet, wanneer ik de jonge bevallige als een deftigematroneweêrvind. Maar dit zou ik nog kunnen overstappen, hadde tijd slechtsde kas van het speeltuig misvormd; maar helaas! hij heeft ook den klank bedorven. Na de gewone plichtplegingen van het alledaagsch gesprek waag ik het, haar aan vroegere dagen te herinneren. Ik roer een der teederste snaren aan.—Zij tjingelt als een vochtig koord.—Ik beproef het met een andere.—Zij is ontspannen.—Weêr een andere.—Zij knarst als roestig ijzer.—Nog een laatste!—Geheel gesprongen!—Alles Ruiten-troef.Of ik zal een dichter bezoeken. Welk een vooruitzicht! Ik stel hem mij voor, gelijk ik wenschen zou hem te vinden: in het oog van den adelaar zijn hoogeren rang verradende; een verheven voorhoofd waardig, naar de uitdrukking vanMoore, „het paleis” van zulk een ziel te zijn; een eerbiedwekkend voorkomen als van een hooger geest, die voor een wijle het kleed eens menschen draagt; en bovenal een stem, welke haar recht handhaaft om het Verledene en de Toekomst voor zich te dagen. Ik vind hem.… ik durf niet voortgaan.… wij hebben zoo weinig dichters, die men verlangt te zien.… gij zoudt denken dat een portret schilderde.… ach, ik kan immers degeheelegeschiedenis van mijn teleurstelling in één woord uitdrukken: Ruiten-troef!Zoo gaat het mij keer op keer. Een mensch met een gevoelig hart is een ongelukkig wezen op deze ongevoelige aarde. Ik loop even alsDiogenesmet een lampje, om naar de menschen te zoeken, die ik vroeger gekend heb; ik vind geheel andere wezens in de plaats. Het is of ik reeds gestorven ben en op de aarde terugkom; zoo weinig herken ik in het geslacht, dat mij omringt, het geslacht, waarmeê ik ben opgegroeid. Ieder ander is groot, is wijs, is rijk, is oud geworden; ik alleen ben nog altijd dezelfde kinderlijke, dwaze, armeJonathanvan voorheen!Als ik dit zoo aanzie, ben ik wel eens ongerust geworden, dat ik in een andere wereld even zulk een vreemdeling zijn zou als in de tegenwoordige. Die gedachte viel mij zeer bang; maar zij vond toch niet lang ingang bij mij. Neen, dacht ik, dat kan de beteekenis niet zijn van des Apostels vertroostende belofte:Doe ick een kindt was, sprack ik als een kindt, was ick gesint als een kindt, overleyde ik[59]als een kindt: maar wanneer ick een man gheworden ben, so hebbe ick te niete gedaen ’t gene eens kindts was.—Mannen zullen wij worden; en daaraan voel ik zoo zeer behoefte als iemand. Veel hetgeen des kindsJonathansis moet uit den weg, eer hij een man wezen zal. Maar wij zullen toch ook geen mannen zijn, zoo als zij, die zich hier boven mij verheffen, en meenen zooveel hooger te staan dan ik, omdat mijn geheugen een spiegel, en het hunne een doofpot is. Als ik in tegendeel een Engelschen Dichter gelooven mag, dat „het een gevaarlijke tijd is, waarin de jeugd zich van ons verwijdert, als wij vergeten dat de ziel haar jonkheid moet bewaren door een geheele lange eeuwigheid:” dan zouden de beelden, die ik met zoo veel getrouwheid vasthoud, nog wel eens, aan den anderen kant, veredeld en geheiligd, als engelen-gestalten kunnen opstaan. Plaagt en kwelt mij dan zoo veel gij wilt, mijn koelbloedige vrienden, met uw ijskoud Ruiten-troef! gij zult mij evenmin veranderen, als ik u. Wij zullen elkander hier in liefde verdragen en voorthelpen, en gezamenlijk biddende uitzien naar den tijd, waarin onze tweede jeugd zal aanvangen, die door geen veroudering van hoofd of hart meer zal worden opgevolgd![60]
Onder andere schoone en nuttige kundigheden, mis ik ook het talent van kaartspelen. Ik weet niet waardoor het komt, maar ik heb het nooit kunnen leeren. En dit is te onbegrijpelijker, omdat het mij anders niet aan het noodige geduld ontbreekt. Op het ganzenbord bijvoorbeeld ben ik een heele held. Uren lang kan ik, met een lief kind op mijn schoot, mij aan dat spel toewijden, zonder ooit moede te worden van het onophoudelijk heen en weêr trekken van den Put naar den Dood, en van den Dood weêr naar den Put. Maar met de kaartenbladen der groote menschen kan ik maar niet klaar komen; misschien ligt het aan de zwakheid van mijn geheugen. Eischt de wet van het spel niet, dat men zal nagaan, wat ieder zijner medespelers in de hand heeft? Waarlijk, dit is te veel geëischt van een man, die altijd zoo veel met zich zelven te doen heeft, dat hij nauwelijks ooit eenoogenbliktijd kan vinden, om zich over eens anders zaken te bekommeren. Aan dewhisttafel, evenmin als elders, bemoei ik mij gaarne met het spel van anderen. Men heeft mij wel gezegd, dat ik daardoor altijd verliezen moet, omdat anderen er wel achter weten te komen, wat ik in de hand heb;—ik moet het overgeven. Om mijn domheid in dit opzicht te rechtvaardigen, heb ik er een stelling op uitgevonden, waarmeê ik mij zoo goed mogelijk troost: goede spelers worden geboren, en niet gemaakt.
Gebeurt het dus somtijds, dat ik tegen mijn gewoonte in een gezelschap verdwaald ben, waar gespeeld wordt, krijg ik gewoonlijk van de gastvrouw een plaatsje bij de jongelui, aan de zoogenaamdeallegaâr-tafel. Daar gaat het met hetkleurennog zoo wat heen; te meer, omdat ik altijd spoedigdoodben, en dan gelegenheid heb, het veel vermakelijker spel van de verliefde dartelheid der jonge paren aan te zien. Dat gezicht is voor mijn smaak wel eens zoo aanlokkelijk, als dat van gindschhombre-tafeltje, waar de partijen een gezicht zetten, of zij om malkaârs leven dobbelen. Hier doet zich mijn schilder-oog recht te goed. Zie had ik mijn potlood, ik zou dien schalken jongen met zijn donkere kijkers willen uitteekenen, zoo als hij zijn hoofd stoeiend over den blanken schouder van zijn bekoorlijke buurvrouw[51]heensteekt, omquasite zien, wat kaarten zij heeft, maar dat hij, dom genoeg, in haar lachende oogen schijnt te willen lezen. De linksche jongen! hij gelijkt mij, hij zal nooit goed leeren spelen! en welk een aardigtegenstukzou gindsch sentimenteel paartje opleveren, dat den schijn aanneemt van elkanders kaarten te ruilen, maar eigenlijk alleen van die mine gebruik maakt om verliefde handdrukjes te wisselen; met dat gevolg, dat zij beide eindigen met drie verschillende kleuren in den hand te krijgen. Wat doet het er toe? daar het hoogroode blosje, dat te gelijk beider wangen bedekt wel degelijk van de zelfde echtehartenkleuris! Ei, voor zulk een tooneeltje geef ik van ganscher harte het zeldzaam genoegen van eenvole annoncéete zien spelen.
Maar als ik nu bij ongeluk in een kring geraakt ben, waar alleen met scherpe wapenen gestreden wordt, zonder dat er een hoekje voor zulk een onschuldige schermpartij is afgezonderd, dan moet ik mij getroosten, als een ledig aanschouwer door de zaal te dwalen, en mij beurtelings bij de verschillende tafeltjes te plaatsen. Het is waar, dat dit niet altijd even aangenaam is. Want mijn eigenliefde krijgt bij zulk een gelegenheid altijd geweldige stooten. Meestal heb ik alsdan moeten ondervinden, dat op zulk een oogenblik de minste kaart meer aandacht trekt, dan ik. Aanmerkingen, die verdienden gedrukt te worden, heb ik door den uitroep van:spadille!hooren overschreeuwen. Ik geloof dat zulke ervaringen krachtig hebben meêgeholpen, om mij nederig te houden. Ten minste sedert eenigen tijd is mijn aanmatiging om tusschen de phrasen van het spel nog mijn phrase te willen plaatsen voorbij. Ik waag mij niet meer in het gedrang, maar blijf eerbiedig op een afstand. Gewoonlijk plaats ik mijn stoel in de nabijheid van het een of ander tafeltje, ver genoeg van het tooneel des gevechts verwijderd om niemand te hinderen, en toch niet zoo ver, of ik kan het voorkomenhebbenvan naar het spel te zien. En dan komt mijn gelukkige gaaf, van met open oogen te kunnen droomen, mij weder heerlijk te stade. Aldus heb ik aan dewhist- enquadrille-tafel menig schoon uurtje gesleten.
Zoo was ik onlangs bij een mijner goede vrienden op een verjaarfeest genoodigd; hij kwam mij zelf vragen, omdat hij voor een weigering vreesde. Want daar zijnChef, wien hij welstaanshalve niet voorbij kon gaan, een liefhebber was van „een kaartje te leggen,” moest er in den vooravond gespeeld worden. Wat zou ik doen? hij stond er op, dat ik komen zou, en ik bederf niet gaarne iemands vreugde. Ook ben ik er bang voor, iemand, dien ik lief heb, te verstoren. Als men aan vrouw of kind iets weigert, hangen ze u vijf minuten daarna toch weêr aan ’t lijf: maar als men een vriend boos maakt, blijft hij wel eens boos. Kort en goed, ik nam het aan.
Ik kwam vrij laat. De tenten waren reeds opgeslagen, het terrein verdeeld, de strijders geschaard, en de zwaarden getrokken. Wat wonder, dat bijna niemand mij merkte? Nadat ik de gastvrouw begroet en mijn vriend de hand gedrukt had, begon ik naar een plaatsje uit[52]te zien, waar ik het gevecht zou kunnen—vergeten. Wacht.… ja.… daarheen! ik had een heerlijk hoekje gevonden, in de nabijheid van eenhombre-tafeltje, waar ik, half tusschen de meubelgordijnen verscholen, mij onopgemerkt aan mijn gepeinzen kon overgeven. Nadat ik het gezelschap, in welks nabijheid in mijn banier plantte, links en rechts gegroet had, begon ik, om op mijn verhaal te komen, met mijn buurman op te nemen. Zij waren drie in getal, twee Heeren en een Dame. Om een bijzondere reden, die in de verdeeling van het spel haar grond had, was de echtgenoot der Dame een van haar beidepartners. Het was een leelijk man, met een geschonden aangezicht en lichtgrijze oogen, die door een schildpadden bril keken. Hij was prachtig, maar slordig gekleed; hij sprak weinig, en deed bijna niets dan om de geestigheden van zijn medespeler lachen. Deze was het levend beeld der gezondheid. Hij moest vroeger een schoon man geweest zijn; maar het vet, die gezworen vijand van alle schoonheid, had de fijnheid zijner trekken en vormen bedorven. Hij was nu een dikkeApollo, gelijk onze oude schilders er teekenen. Evenwel, hoe diep zijn hart ook in zijn vleezige borst begraven was, de geest scheen door het vleesch nog niet geheel ten onder gebracht. Onophoudelijk vloeiden er Attische zetten van zijn lippen, die zijn vriend deden schateren, en ook de Dame een goedkeurend glimlachje afdwongen. De dame—ik had de beleefdheid wel mogen hebben van met haar te beginnen—was een vrouw van ruim dertig jaren; evenwel mogt zij nog met het volste recht een schoonheid heeten. Ofschoon een kanten nevel haar haar verborg, zag men aan de vlecht, die daaronder te voorschijn kwam, welk een onrecht zij daarmede aan de bewonderaars van „levend goud” deed. Haar oogen waren van het verrukkelijkste blauw, en haar huid van een verblindende blankheid. Echter vond ik haar niet onwederstaanbaar; zij had iets onverschilligs, iets prozaïsch in haar wijze van spreken en doen, dat met haar blond-blauw voorkomen in openlijken strijd was. Zij dronk met haar fijne beeldig besneden lippen haar glaasje bisschop met een genoegen, met een sybaritisch welgevallen, dat mij wanhopig maakte; en toen zij haar parelwittetandenmet Epicurische graagte in een roomtaartje zette, moest ik mij van ergernis omkeeren.
Evenwel, men gewent aan alles: zoo ook ik op dien oogenblik. Nog geen half uur was er verloopen, of ik zag tafeltje noch spelers meer, en zat reeds hoog en droog in de luchtballon mijner droomerijen. Daar dreef ik op de genade des toevals door de lucht, zonder iets te bemerken van alles wat op de aarde aan mijn voeten voorviel. Het zij mij vergund, u een staaltje van mijn overdenkingen te geven.
Onder andere beelden zag ik de sylphengestalte vanAlwine Stanley, een der liefelijkste verschijningen, die ooit mijn oog verrukten. Zij was blank alseenengel, en, zoo haar haar niet zoo wit was als sneeuw, het scheen toch sneeuw, door de zon verguld; ook droeg zij altijd een wit kleed, en had daarbij iets in de oogen, dat de begoocheling volkomen maakte. Maar zij was teêr, ongeloofelijk teêr! haar middel was[53]zoo tenger, dat men vreesde, als zij zich boog, moest zij knakken als een bieze, tot dat men zich overtuigd had, dat het golvende van haar bewegingen die vrees overbodig maakte; want dan toonde zich haar lichaam weêr zoo buigzaam en veêrkrachtig, dat het uit enkel zenuwen en spieren scheen te bestaan, en den stokkerigen gast dien wij daaronder herbergen te missen. Haar hals was dun als die vanAnna Boleyn, maar veel gereeder dan deze om te buigen; want bij het minste tochtje, dat langs haar ging liet zij het hoofd hangen. Haar geheele voorkomen had een etherischen zweem, en deed aan de teederste vanShakespeare’sscheppingen, aanAriel, denken. Wie haar zag, vond de aarde te hard en den wind te scherp voor haar; wie haar toesprak,verzachtteonwillekeurig den toon zijner stem; zij was als SirWalter’sMaiden of the mist, men durfde haar niet aanroeren, uit vrees van haar in een nevel te zien oplossen.
Was het vreemd, dat zij vele bewonderaars had? Vreemd was het evenwel, dat er niemand aan scheen te denken om naar haar hand te staan. Dit was het gevolg van haar Engelen-natuur; het gevoel van ontzag, dat zij inboezemde, maakte, dat men het denkbeeld om haar te bezitten als iets ongerijmds verwierp. In de droomen des jongelings kwam zij voor als de toovergodin, die zijn liefde beschermt, nooit als de schoone Prinses, naar wier gunst hij stond. Zij had honderd aanbidders, maar geen enkelen minnaar.
Dit bleef echter niet altijd zoo. Eindelijk was er een, die het waagde een vermetel oog op haar te slaan. Maar zoo in iemand, in hem was die stoutmoedigheid te dulden. Hij heetteAlfred; maar ik noemde hemAlcibiades, zoo herinnerde hij mij dien bevalligste der Grieken. Want, dat de Olympische lauwer aan zijn antieken kop ontbrak, en marmer noch metaal den heerlijken vorm zijner gestalte vermenigvuldigde, was aan den tijd te wijten, waarin hij geboren was; wat bleef hem thans over, dan zijn moed in in het oefenperk der gymnastie en het speelveld der schermkunst te doen schitteren? Maar miste hij de gelegenheid om een bloedige kroon te winnen, te schooner sierde hem de krans van de kunsten des vredes. Hij was dichter, zonder evenwel de luit te hanteren; maar de scheppende kracht eener weelderigefantasiewoonde in zijn borst, en stortte zich in den kunsteloozen vorm eener wegsleepende welsprekendheid uit. Niets echter onderscheidde hem meer,dan zijnhartstochtvoor de muziek; zelf was hij een uitstekend kunstenaar, doch verborg dit talent met meisjesachtige schaamachtigheid. Maar ’s nachts, onder begunstiging der duisternis, doolde hij, met de guitar om zijn hals geslingerd, naar de woning vanAlwine; en wie hem dan in romanesque melodiën aan zijn gevoel lucht hoorde geven, waarbij zijn tenorstem met den langen adem eens nachtegaals door de lucht trilde, terwijl zijn schilderachtige houding, door het schijnsel der maan verlicht, aan een Grieksch standbeeld deed denken, vergaf het aan de hemelsche Diana, achter dien wit-gazen nevel verscholen, dat zij met welgevallen op dezen Actaeon nederzag.[54]
De gelieven beminden elkander, gelijk zulke zielen beminnen moeten, hartstochtelijk; maar een breede klove scheidde hen. De witte gestalte vanAlwineboog voor de hostie; het trotsche hoofd vanAlfredboog alleen voor Hem, dien „de Hemelen niet en begrijpen.” Het meisje, wier liefde op de rots van onbepaald geloof in den Beminde gegrond was, was gereed voor hem het outer te verlaten en naast hem neêr te knielen; maar haar vader, die voor den Roomschen herdersstaf sidderde, verbond aan het verlaten haars heiligdoms de verbanning uit zijn huis en hart; er zweefde een onheilspellend woord op zijn lippen. Om haar wanhopig te maken, kwam hier het aanzoek van een geloofsgenoot bij, een man die haar begreep noch verdiende; een van die menschen, die met dezelfde onverschilligheid hun voet in ongerepte sneeuw als in drassige klei drukken. De vader, voor de verleiding van den schoonen Hugenoot vreezende, was harder voor haar dan zij verdiende: ongenadig als een stormwind drukte hij op broze riet, zoodat het krookte, en spoedig geheel scheen te zullen breken. Nog herinner ik mij, welk algemeen mededogen de kwijnendeAlwineopwekte; menig oog, dat haar aanzag, vulde zich met tranen, en ieders verbeelding zag haar reeds aan den voet des altaars, met den witten maagdenkrans op het haar, en de brandende waslichten rondom haar.… Ja, zal ik het bekennen? in de verwachting van haar aanstaanden dood, bezong ik haar uiteinde reeds in een gedicht, waarin onder anderen de volgende smachtende regels voorkwamen:
Beklaag Alwine, in ’s levens bloei vergaan!Hoe greep de smart haar teedre broosheid aan!Nog is zij schoon, maar aaklig schoon! en de oogenBeweenen haar, die haar bewondren mogen.Was ze eenmaal bleek als lentebloesem, thansWeek ’t leven uit de witheid van dien glans.Een doode schijnt ze, als balsemde heur asemHaar zielloos schoon met eigen amberwasem.Soms dringt een traan zich aan haar oogen op,Maar ’t is ondanks haar wil, zoo als de knop,Gebroken op zijn steel en halfgebogen,Den dauw vergiet, waarmeê hij is betogen.En vreemd! zoo weinig dooft dat nat hun vonk,Dat nooit haar blik van helder tintling blonk!Ook wreken zich de kwellingen haars hartenNiet op haar leest in folterende smarten,Maar, met den dolk in ’t hart, zegt ze Arria,Met vriendlijk oog: het is niet pijnlijk! na.Zij draagt haar leed als waar ’t in onbewustheid,En liegt het weg in ’t lachje van gerustheidOp ’t smal gelaat, zoo al geen bleeker roodDen worm verraadt, die ’t veege bloempje doodt!Soms ziet men haar doorschijnende elpen vingerenZich bevend om de zilvren snaren slingeren;Maar, trillend door d’onvasten greep, heeft ’t lied,De harp ontlokt, den rechten toonklank niet.[55]De lip is bleek, die vroeger plach te blozen,Maar, witte roos, behield den geur der rozen.Haar stem is zacht, maar vriendlijk zacht en zoet.Zij sleept zich voort met weigerenden voet,En toont, wanneer zij op uw arm mag leunen,Hoe noodig ’t is haar zwakheid te ondersteunen.De slaap ontwijkt ze, als vreest ze een enkel uurTe ontrooven aan zoo kort een levensduur!Ja, zelfs de Dood laat zich door haar verzachten,En schijnt bij ’t henensmelten van haar krachten,Te waken, dat geen al te ruwe slagZoo schoon een leest te deerlijk schenden mag!Zoo zal zij ook, wanneer zij ’t hoofd laat hangen,Zacht sluimren, door zijn harden arm omvangen,En wie haar ziet, doen denken, aan haar rust:Een moeder heeft haar zoo in slaap gekust.…
Beklaag Alwine, in ’s levens bloei vergaan!
Hoe greep de smart haar teedre broosheid aan!
Nog is zij schoon, maar aaklig schoon! en de oogen
Beweenen haar, die haar bewondren mogen.
Was ze eenmaal bleek als lentebloesem, thans
Week ’t leven uit de witheid van dien glans.
Een doode schijnt ze, als balsemde heur asem
Haar zielloos schoon met eigen amberwasem.
Soms dringt een traan zich aan haar oogen op,
Maar ’t is ondanks haar wil, zoo als de knop,
Gebroken op zijn steel en halfgebogen,
Den dauw vergiet, waarmeê hij is betogen.
En vreemd! zoo weinig dooft dat nat hun vonk,
Dat nooit haar blik van helder tintling blonk!
Ook wreken zich de kwellingen haars harten
Niet op haar leest in folterende smarten,
Maar, met den dolk in ’t hart, zegt ze Arria,
Met vriendlijk oog: het is niet pijnlijk! na.
Zij draagt haar leed als waar ’t in onbewustheid,
En liegt het weg in ’t lachje van gerustheid
Op ’t smal gelaat, zoo al geen bleeker rood
Den worm verraadt, die ’t veege bloempje doodt!
Soms ziet men haar doorschijnende elpen vingeren
Zich bevend om de zilvren snaren slingeren;
Maar, trillend door d’onvasten greep, heeft ’t lied,
De harp ontlokt, den rechten toonklank niet.[55]
De lip is bleek, die vroeger plach te blozen,
Maar, witte roos, behield den geur der rozen.
Haar stem is zacht, maar vriendlijk zacht en zoet.
Zij sleept zich voort met weigerenden voet,
En toont, wanneer zij op uw arm mag leunen,
Hoe noodig ’t is haar zwakheid te ondersteunen.
De slaap ontwijkt ze, als vreest ze een enkel uur
Te ontrooven aan zoo kort een levensduur!
Ja, zelfs de Dood laat zich door haar verzachten,
En schijnt bij ’t henensmelten van haar krachten,
Te waken, dat geen al te ruwe slag
Zoo schoon een leest te deerlijk schenden mag!
Zoo zal zij ook, wanneer zij ’t hoofd laat hangen,
Zacht sluimren, door zijn harden arm omvangen,
En wie haar ziet, doen denken, aan haar rust:
Een moeder heeft haar zoo in slaap gekust.…
„Ruiten-troef!” riep de Dame aan hethombre-tafeltje, met een stem zoo luid, dat ik wakker schrikte en uit mijn droom ontwaakte. „Ruiten-troef!” riep zij, en daarbij keerde zij het spel kaarten, dat zij gemengd had, om, waardoor het bleek, dat Ruiten de favoriet-kaart voor het volgende spel waren.
Zelden echter was ik zoo boos op de oorzaak, die mij in mijn mijmering stoorde, als nu! Het was ook een val! van een romanesque doode op Ruiten-troef.… denkt gij? neen, veel erger! Want—en verplaats u in mijn stemming—want de engelachtigeAlwinewas—och ja, de Dame die voor mij zat en Ruiten-troef had geroepen! de dikke Apollo wasAlfred! en de leelijke man met zijn schildpadden bril de doorAlwine’svader beschermde minnaar!
Alwinehad lang tegenstand geboden, lang geleden en gestreden; maar eindelijk had de wil haars vaders, door de verschrikkingen van het bedreigdeexorcismusondersteund, haar toestemming afgedwongen. Toen ik haar in den echt had zien inzegenen, kwam ik verontwaardigd te huis, en zette een nieuw gedicht op het touw, dat dus begon:
’k Heb u gezien, de oranje door de haren,En om den hals ’t juweelen snoer gezwierd;De blanke leest met blank satijn gesierd,Omgeven door de u huldigende scharen.Ik zag u, met die bleekte op ’t zacht gezicht,Die weêmoed op de wang der bruid verwekte,Aanvalliger, dan toen de blos ze dekte,Die vreemd moet zijn aan d’ochtend, die u licht.Die kwijning van uw heerlijk blauwende oogen—Die flauwe lach, die wegsterft in een zucht—Dat rustloos hart, dat zwoegend hijgt naar lucht—Die fletsheid, die uw wangen houdt betogen—Die matheid in ’t door druk bezwaard gestel—[56]Die trage gang der eertijds vlugge schreden,Nog aarzlende op ’t hun vreemde pad te treden—Verraden ons uw kommer al te wèl.En gij hebt recht! des Bruigoms vuurge blikken—Het ongeduld, dat uit zijn trekken licht—De hartstocht, die zich schetst op zijn gezicht,Zoodat zijn drift uw schuchterheid doet schrikken—Zijn vlammend oog, gekluisterd aan uw leest—Zijn wild gebaar, dat, waagt het u te omvatten,Zich nauwlijks kan weêrhouden uit te spatten—Verzeekren u geenszins, dat ge ijdel vreest!O daar is slechts een stonde in mannendriften,Een leven lang in ’s manshartstochtloosheid:Dezelfde hand, die thans uw schoonheid vleit,Kan uw verval verbittren en vergiften!Verganklijk zijn de bloemen van den lust,Gelijk aan die slechts ééne dagbeurt bloeien:De morgen wil ze met zijn dauw besproeien,Maar vindt ze door den nachtwind dor gekust.De Weelde is als een Vampyr, die zijn lippenMet jeugdig bloed van maagdlijke offers drenkt,Maar die den drank, dien ’t zingenot hem schenkt,In éénen teug een gorgel in doet glippen;Hij wil voor zich slechts ’t eerste waas der druif;Den most des wijns; het maagdlijk rood der rozen;En werpt van zich de bruid, door hem gekozen,Gelijk de bruid haar feestelijke huif!
’k Heb u gezien, de oranje door de haren,En om den hals ’t juweelen snoer gezwierd;De blanke leest met blank satijn gesierd,Omgeven door de u huldigende scharen.Ik zag u, met die bleekte op ’t zacht gezicht,Die weêmoed op de wang der bruid verwekte,Aanvalliger, dan toen de blos ze dekte,Die vreemd moet zijn aan d’ochtend, die u licht.
’k Heb u gezien, de oranje door de haren,
En om den hals ’t juweelen snoer gezwierd;
De blanke leest met blank satijn gesierd,
Omgeven door de u huldigende scharen.
Ik zag u, met die bleekte op ’t zacht gezicht,
Die weêmoed op de wang der bruid verwekte,
Aanvalliger, dan toen de blos ze dekte,
Die vreemd moet zijn aan d’ochtend, die u licht.
Die kwijning van uw heerlijk blauwende oogen—Die flauwe lach, die wegsterft in een zucht—Dat rustloos hart, dat zwoegend hijgt naar lucht—Die fletsheid, die uw wangen houdt betogen—Die matheid in ’t door druk bezwaard gestel—[56]Die trage gang der eertijds vlugge schreden,Nog aarzlende op ’t hun vreemde pad te treden—Verraden ons uw kommer al te wèl.
Die kwijning van uw heerlijk blauwende oogen—
Die flauwe lach, die wegsterft in een zucht—
Dat rustloos hart, dat zwoegend hijgt naar lucht—
Die fletsheid, die uw wangen houdt betogen—
Die matheid in ’t door druk bezwaard gestel—[56]
Die trage gang der eertijds vlugge schreden,
Nog aarzlende op ’t hun vreemde pad te treden—
Verraden ons uw kommer al te wèl.
En gij hebt recht! des Bruigoms vuurge blikken—Het ongeduld, dat uit zijn trekken licht—De hartstocht, die zich schetst op zijn gezicht,Zoodat zijn drift uw schuchterheid doet schrikken—Zijn vlammend oog, gekluisterd aan uw leest—Zijn wild gebaar, dat, waagt het u te omvatten,Zich nauwlijks kan weêrhouden uit te spatten—Verzeekren u geenszins, dat ge ijdel vreest!
En gij hebt recht! des Bruigoms vuurge blikken—
Het ongeduld, dat uit zijn trekken licht—
De hartstocht, die zich schetst op zijn gezicht,
Zoodat zijn drift uw schuchterheid doet schrikken—
Zijn vlammend oog, gekluisterd aan uw leest—
Zijn wild gebaar, dat, waagt het u te omvatten,
Zich nauwlijks kan weêrhouden uit te spatten—
Verzeekren u geenszins, dat ge ijdel vreest!
O daar is slechts een stonde in mannendriften,Een leven lang in ’s manshartstochtloosheid:Dezelfde hand, die thans uw schoonheid vleit,Kan uw verval verbittren en vergiften!Verganklijk zijn de bloemen van den lust,Gelijk aan die slechts ééne dagbeurt bloeien:De morgen wil ze met zijn dauw besproeien,Maar vindt ze door den nachtwind dor gekust.
O daar is slechts een stonde in mannendriften,
Een leven lang in ’s manshartstochtloosheid:
Dezelfde hand, die thans uw schoonheid vleit,
Kan uw verval verbittren en vergiften!
Verganklijk zijn de bloemen van den lust,
Gelijk aan die slechts ééne dagbeurt bloeien:
De morgen wil ze met zijn dauw besproeien,
Maar vindt ze door den nachtwind dor gekust.
De Weelde is als een Vampyr, die zijn lippenMet jeugdig bloed van maagdlijke offers drenkt,Maar die den drank, dien ’t zingenot hem schenkt,In éénen teug een gorgel in doet glippen;Hij wil voor zich slechts ’t eerste waas der druif;Den most des wijns; het maagdlijk rood der rozen;En werpt van zich de bruid, door hem gekozen,Gelijk de bruid haar feestelijke huif!
De Weelde is als een Vampyr, die zijn lippen
Met jeugdig bloed van maagdlijke offers drenkt,
Maar die den drank, dien ’t zingenot hem schenkt,
In éénen teug een gorgel in doet glippen;
Hij wil voor zich slechts ’t eerste waas der druif;
Den most des wijns; het maagdlijk rood der rozen;
En werpt van zich de bruid, door hem gekozen,
Gelijk de bruid haar feestelijke huif!
en zoo voort. Deze Philippica bleef echter zonder uitwerking, en verhinderde evenmin, datAlwinevoortaan een anderen naam voerde, als datAlfreduit wanhoop op reis ging. Na twee jaren afzijns kwam hij, uitstekend welvarende naar lichaam en geest, terug, en trouwde kort daarop een gezonde Hollandsche vrouw. Dit huwelijk brachtAlwine’ssentimentaliteit den laatsten slag toe. Uit wraak over haar teleurgestelde droomen, wierp zij zich daarop in de armen der meest positieve wezenlijkheid, en werd eene getrouwe lezeres der „Opregte Geldersche keukenmeid.” Ja, haar keuken werd zoo beroemd, dat de EpicurischeAlfredde begeerte niet weêrstaan kon om aan haardiner’sdeel te nemen, en verlof verzocht en verkreeg haar zijn vrouw te presenteeren. Op dezen oogenblik bevonden ze zich te zamen ten huize mijns vriends; het toeval plaatsteAlwine’sechtgenoot, die aan het biljart op de Societeit allen naijver afgezworen en een verbond van vriendschap metAlfredgesloten had, met zijn vrouw en vriend aan dezelfde tafel. Van daar de aanleiding, die mij in het Elysium mijner herinneringen verplaatste, toen ik daaruit zoo onvriendelijk teruggeroepen werd. Ik kon ze haast met geen goed oog aanzien![57]Welk een schoonen roman hadden ze mij bedorven! hoe diep waren zij gevallen! Die blanke leest der dertig-jarige vrouw, waarin ik nog enkele sporen van het vroegere nevelachtige wezen terugvond, wat was zij nu, dan de doodkist, waarinAlwinehaar dichterlijken geest begraven had? En wat was er van mijnAlcibiadesgeworden? een vleeschklomp, die nog slechts in het klassisch zout zijner geestige invallen een schaduw vertoonde van het genie, dat vroeger alleen de eenzaamheid in zijn vertrouwen nam. Dezelfde man, die eens, als een anderePaganini, uit jaloerschheid op zijn kunst, de toonen van zijn speeltuig aan iedereen buiten zichzelven misgunde, zong nu aan elk souper „op verzoek der Dames” een aria vanGrisar, en kende, als men hem om een proef van zijn talent op de piano verzocht, waarlijk niets dan een Strauszertje! er scheelde weinig aan, of ik nam het hun beide kwalijk, dat zij de onbeschaamdheid hadden van—te leven. Maar ook! in zijn verbeelding aan den rand eens grafs te staan, met de woorden vanHölty’selegie voor den geest:
Sterbeglocken hallen,Und die Grabgesänge heben an;Schwarzbeflorte Trauerleute wallen,Und die Todtenkrone weht voran.
Sterbeglocken hallen,
Und die Grabgesänge heben an;
Schwarzbeflorte Trauerleute wallen,
Und die Todtenkrone weht voran.
En dan—door de heldin van dat visioen wakker geroepen te worden met den kreet: Ruiten-troef!
Ruiten-troef! O hoe dikwijls ben ik, op gelijke wijze, uit den hemel mijner schoone droomen bij mijn beenen op de aarde teruggetrokken! hoe vele soortgelijke bittere teleurstellingen heb ik ondervonden.
Ik verneem, dat een van de liefste vrienden, dien ik aan de Hoogeschool gehad heb, zich in de stad bevindt; dadelijk vat ik het voornemen op hem te gaan opzoeken. Het vooruitzicht van hem te ontmoeten is genoeg om mij in een andere wereld te verplaatsen. Ik daag alle herinneringen van vroeger tijd voor mijn geest: hoe lief wij elkander hadden; hoe wij onze boeken en onze geheimen deelden; hoe wij malkaâr in gevoel van bewondering voor de natuur niets toegaven; hoe wij dikwijls onzen doornstaf opnamen, en naar een nabijgelegen bouwval wandelden, om daarMatthissonte lezen en den rondwarenden schimmen den schuimenden berkemeier toe te brengen; hoe wij met elkander van geluk en liefde dweepten en in onze verbeelding aan het eind der aarde onze hutjes van klei naast elkander optrokken … in zulk een stemming kom ik bij hem; maar hoe vind ik hem terug? Als een schaduw van zichzelven. De financieele speculatiën, waarin hij gewikkeld is, hebben van hem een cijfermeester gemaakt, wiens wereld door de muren van de beurs,—neen, dit is nog te ruim—door de pilaren van deneffectenhoekbegrensd wordt. Begin ik met een verteederend:Henri, herinnert gij u nog? wijst hij mij terug met een onvriendelijk: Laat ons van die gekheid zwijgen! kom[58]ik op onze droomen, hij spreekt van zijn kansen: wijs ik hem op onze arme, maar gelukkige jeugd, hij wijst mij op een rijken, gemakkelijken ouderdom: herinner ik hem aan den berkemeier, hij roept om een glaasje kinabitter: hij breekt den cirkel mijner bezweering, even alsAlwine, door haar Ruiten-troef!
Of ik zal een vrouw ontmoeten, die ik vroeger als eenGratiegekend en bewonderd heb, en die, ofschoon ik haar sedert jaren niet heb weêrgezien, nog in mijn herinnering leeft. Zeker, het is dwaas van mij, die toch ook de oude spring-in-’t-veld niet meer ben, welken zij aan de Akademie gekend heeft, dat ik een teleurgesteld gezicht zet, wanneer ik de jonge bevallige als een deftigematroneweêrvind. Maar dit zou ik nog kunnen overstappen, hadde tijd slechtsde kas van het speeltuig misvormd; maar helaas! hij heeft ook den klank bedorven. Na de gewone plichtplegingen van het alledaagsch gesprek waag ik het, haar aan vroegere dagen te herinneren. Ik roer een der teederste snaren aan.—Zij tjingelt als een vochtig koord.—Ik beproef het met een andere.—Zij is ontspannen.—Weêr een andere.—Zij knarst als roestig ijzer.—Nog een laatste!—Geheel gesprongen!—Alles Ruiten-troef.
Of ik zal een dichter bezoeken. Welk een vooruitzicht! Ik stel hem mij voor, gelijk ik wenschen zou hem te vinden: in het oog van den adelaar zijn hoogeren rang verradende; een verheven voorhoofd waardig, naar de uitdrukking vanMoore, „het paleis” van zulk een ziel te zijn; een eerbiedwekkend voorkomen als van een hooger geest, die voor een wijle het kleed eens menschen draagt; en bovenal een stem, welke haar recht handhaaft om het Verledene en de Toekomst voor zich te dagen. Ik vind hem.… ik durf niet voortgaan.… wij hebben zoo weinig dichters, die men verlangt te zien.… gij zoudt denken dat een portret schilderde.… ach, ik kan immers degeheelegeschiedenis van mijn teleurstelling in één woord uitdrukken: Ruiten-troef!
Zoo gaat het mij keer op keer. Een mensch met een gevoelig hart is een ongelukkig wezen op deze ongevoelige aarde. Ik loop even alsDiogenesmet een lampje, om naar de menschen te zoeken, die ik vroeger gekend heb; ik vind geheel andere wezens in de plaats. Het is of ik reeds gestorven ben en op de aarde terugkom; zoo weinig herken ik in het geslacht, dat mij omringt, het geslacht, waarmeê ik ben opgegroeid. Ieder ander is groot, is wijs, is rijk, is oud geworden; ik alleen ben nog altijd dezelfde kinderlijke, dwaze, armeJonathanvan voorheen!
Als ik dit zoo aanzie, ben ik wel eens ongerust geworden, dat ik in een andere wereld even zulk een vreemdeling zijn zou als in de tegenwoordige. Die gedachte viel mij zeer bang; maar zij vond toch niet lang ingang bij mij. Neen, dacht ik, dat kan de beteekenis niet zijn van des Apostels vertroostende belofte:Doe ick een kindt was, sprack ik als een kindt, was ick gesint als een kindt, overleyde ik[59]als een kindt: maar wanneer ick een man gheworden ben, so hebbe ick te niete gedaen ’t gene eens kindts was.—Mannen zullen wij worden; en daaraan voel ik zoo zeer behoefte als iemand. Veel hetgeen des kindsJonathansis moet uit den weg, eer hij een man wezen zal. Maar wij zullen toch ook geen mannen zijn, zoo als zij, die zich hier boven mij verheffen, en meenen zooveel hooger te staan dan ik, omdat mijn geheugen een spiegel, en het hunne een doofpot is. Als ik in tegendeel een Engelschen Dichter gelooven mag, dat „het een gevaarlijke tijd is, waarin de jeugd zich van ons verwijdert, als wij vergeten dat de ziel haar jonkheid moet bewaren door een geheele lange eeuwigheid:” dan zouden de beelden, die ik met zoo veel getrouwheid vasthoud, nog wel eens, aan den anderen kant, veredeld en geheiligd, als engelen-gestalten kunnen opstaan. Plaagt en kwelt mij dan zoo veel gij wilt, mijn koelbloedige vrienden, met uw ijskoud Ruiten-troef! gij zult mij evenmin veranderen, als ik u. Wij zullen elkander hier in liefde verdragen en voorthelpen, en gezamenlijk biddende uitzien naar den tijd, waarin onze tweede jeugd zal aanvangen, die door geen veroudering van hoofd of hart meer zal worden opgevolgd![60]