[Inhoud]HET SCHAAP.Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!„Zulke gekken zijn er meer!†zult ge zeggen.Om u te dienen. Maar die wensch welt echter bij deze bijzondere gelegenheid niet uit de onzuivere bron, waaruit gij haar misschien, in de vaardigheid van uw geest, reeds hebt afgeleid. Gij schreeft hem misschien aan ietsmenschelijkstoe, en ik had er ietsdierlijksbij op ’t oog.De zegen van alle ezels overYorick! Wel mocht men op zijn graf, naast een schreiendgenietjemet bolle wangen, een mager grauwtje plaatsen, dat met gebukten hoofde eenige wilgenbladen uit den bek op zijn lijksteen laat vallen; en naast zijn titel vanφιλάνθÏωποςdien vanφιλόνοςschrijven. Men moet ezel zijn, om te kunnen gevoelen, wat dit geslacht aan hem verplicht is. Menige koning, die onder marmer slaapt en er zijn Hofdichter op nahield, heeft geen lijkrede gehad, gelijk de doode ezel op den weg van Nampont; en nooit is een maaltijd, zelfs niet een Instituut van kunsten en wetenschappen, meer door welsprekendheid of poëzie verheerlijkt, dan de maaltijd van artisjokken van den ezel op de straat vanLyon.—Als men mij recht verstaan wilde, zou ik zeggen, er was iets van den ezel inYorick! zijn week hart stond open voor alle smart, maar de langoor had daarop de eerste rechten. De armeMariavanMoulinsen de Gevangene uit zijn visioen teParijszelve lokten geen klaarder droppels uit zijn zacht oog. Zijn mededoogen had niets van de rhetorische verontwaardiging vanBuffon, waaraan niemand gelooft; hij versierde zijn held met geen deugden, waarvan niemand iets bemerkt; hij had deernis met hem—als met een ezel, een leelijk, ongelukkig, verschopt dier, dat men nog hatelijker heeft zoeken te maken door het te vergelijken met menschen, met wie het, des bewust, alle verwantschap vol afkeer en verachting verloochenen zou. Ik ten minste kan, sedert ik het eerst overSterne’sgunsteling schreide, geen lotgenoot van hem zien, of ik voel iets wonderlijks bij mij opkomen, dat onmiddelijk de telegraaf tusschen mijn hart enoog in beweging brengt, en als ik gelegenheid vind, ga ik een oogenblik naar hem toe, en streel hem den ruwen hals en raap[61]een koolstronk voor hem op, die buiten zijn bereik ligt, en zie hem bij zijn vertrek zoo lang na als ik kan, en ga daarop even als hij met gebogen hoofd en sleependen gang, verder.Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!Dan zou ik zien, wat ik voor het schaap doen kon.Ik weet wel, dat geenelegiehet lot van eenig beest verandert, en dat, uitgezonderd bij wijsgeeren en Poëten (zie den oudenShandy), geen lijden wordt weggeredeneerd of weggedicht. Maar wie weet toch, of niet hier en daar een enkele goede ziel, die de goede ziel vanYoricklief had, om zijnentwil, zijn grauwtje een paar slagen minder en een paar handen gras meer gegeven heeft? en al ware het zoo niet; hetgeen ik echter zonder deugdelijk bewijs niet zoo spoedig gelooven zal; dan is het toch iets, dat het arme dier sedert, bij tusschenpoozen, een deelnemend oog op zijn weg ontmoet, en een zachte hand op zijn harden bast voelt. Beklagen, hoe gebrekkig dan ook, blijft toch altijd nog het beste surrogaat voor helpen. En wij zelven, hoe dikwijls moeten wij het ook, in onze beproevingen, met een vijfvoetig vers, in plaats van een vijfvoetige hulp doen!Maar de pen vanYorickis hier niet meer, en blinkt naast de lier vanSaffoaan den hemel! duizend ganzen vielen sedert uit de lucht, en duizend schachten werden versneden, maar de gans, die haar vleugelen aanSterneleende, liet geen kuikens na. En al fluistert men elkander toe, dat de kracht van zijn pen grootendeels in het geheim schuilde, dat hij zijn eigen tranen voor inkt gebruikte, men kan het hem maar zoo niet meer nadoen. Bij hem vergeleken, is het altemaal ezelen-gebalk.Zoodat gij geen reden hebt, veel van de pogingen uws pleitbezorgers te verwachten, mijn waarde kliënt voor de rechtbank der menschelijkheid, arm, ongelukkig schaap! Maar gij zijt zoo nederig en zoo goed, dat ik zeker ben, dat gij het minste, dat ik voor u doen kan, met uw eigen vriendelijk oog zult aanzien; en al ware het, dat mijn pleidooi maar het lot van een enkele uit uw verdrukt ras verbeterde, dat ware, (om in den stijl der voorredenaars te spreken), voor mijn lammerlievend hart voldoening genoeg.Het is ellendig—nooit kan ik mijn oog opslaan, of ik heb datzelfde ongelukkige schouwspel voor mij!Aan de rechter- en linkerzijde van mijn tuin, waarop ik uit mijn kamer het gezicht heb, grenst een strookje lands. Het eene is een hoek bouw- en het ander een hoek grasland; nu vind ik altijd op een van beide hetzelfde schaap weder. Het gezicht van dat beest breekt mij het hart. Het is een oud, vuil, leelijk dier, met lang hair over de oogen, en een kop, waaraan al het fijne en spichtige van een schapen-physionomieontbreekt. Haar voor- en achterpooten zijn met touwen aan elkaâr gebonden, zoodat zij allererbarmelijkst hinkt. Wanneer gij daarvan de reden vraagt, zal men u zeggen, dat het is om haar het verlaten van haar afgeperkte weide te beletten. Lieve[62]Hemel! dat is goed voor jonge, dartele lammeren, die de wereld zien willen en den ganschen dag met hun neus over het bolwerk liggen, waarachter zij ingesloten zijn; die van speelziekte en joligheid niet weten wat ze doen zullen, en telkens het verbodenbastionzoeken te bespringen om den vijandelijken grond stormenderhand te veroveren. Maar mijn tam, lam en stram schaap! op mijn woord, al ontneemt men ze haar voetboeien, zij zal geen enkelen onbezonnen of wilden stap doen. Ziet gij het niet, dat het beest der wereld lang is afgestorven en niet dan een rustigen ouderdom verlangt? Den ganschen dag strompelt zijjunctis pedibusover het grondje heen en weder om haar voedsel tezoeken, of ligt, met den breeden kop op het gras uitgestrekt, te slapen zonder naar iets buiten haar om te zien. Niets is in staat haar uit die vadzigheid te wekken. Zelfs geen ongewoon geluid van den horen der diligence, of de zweep des postiljons, of de trommel van voorbijtrekkende soldaten, maakt haar belangstelling meer gaande. Zij is als een grijsaard, die, in zijn leuningstoel gezeten, van alles zegt: Ik heb dat meer gezien.—Alleen als hetblae! blae!van voorbijgaande lotgenooten haar oor treft, heft zij het matte hoofd even van den grond omhoog, om ze met een onbeschrijfelijke uitdrukking aan te zien, als maakte zij in der haast een vergelijking, wie van hen de ellendigste ware; in welk geval de billijkheid mij noodzaakt te erkennen, dat zij meermalen den troost gehad heeft van te zien, dat er meer zulke ongelukkigen waren als zij. Ik vind het dus hard, dat het beest,dat, even alssommigegevangenen bij het verwoesten der Bastille, haar kerker niet zou kunnen verlaten, al werd er haar de vrijheid toe gegeven; uit kracht van een eerwaardige overlevering, niet met ongebonden pooten zal mogen sterven. Voor alle soorten van schepsels, van de tweevoetige tot de duizendbeenen toe, is gewoonte enetiquetteeen lastig ding!Maar goed! het dier is het mogelijk reeds vergeten, wat het is haar voeten tot haar gebruik te hebben; misschien zou zij met denPrisoner of Chillonzeggen:It was at length the same to me,Fetter’d or fetterless to be.En er is veel kans ook, dat zij, al vielen ook haar boeien af, daarom niet minder kreupel zou loopen. Was nu haar gevangenis maar wat beter! een schaap is voor geen reiziger rondom de wereld in de wieg gelegd, en zou zich nog wel met een klein hoekje kunnen te vreden stellen, als dat slechts niet al te mager is. Maar hieraan is het juist, dat het hapert. Nauwelijks hebben de koeien het kaalgegeten, strookleurige land verlaten om op haar winterstallen het ingemaakte groen te gaan eten, of het schaap wordt in het bezit van het ontruimde terrein gesteld. Met een vroolijk oog groet zij haar nieuw verblijf, en begint dadelijk met de gelegenheid van den grond te verkennen.—Zie haar troosteloozen blik! een vluchtig rondzien is voldoende om[63]haar de verzekering te geven, dat het hier physisch onmogelijk is ooit genoeg te eten. De koeien hebben haar de moeite van te kiezen bespaard, en met de volkomenste onpartijdigheid alle plekken even naakt gelaten. Eerst laat zij zich nog een oogenblik door valsche hoop misleiden; door den afstand bedrogen, schijnt haar gindsche streek toe toch nog een groenen schijn te hebben. Vol verwachting strompelt zij er zoo vlug mogelijk heen; helaas! zij blijkt het slachtoffer van eenfallacia opticageweest te zijn, en, met treurige verwondering over haar teleurstelling, ziet zij op en naar de plaats terug, die zij verlaten heeft. Ei zie, nu schijnt deze haar weêr meer bewassen toe.… eenige pijnlijke stappen, en zij is er, om praktisch te leeren inzien, hoe veel de schijn van het wezen verschilt. Vol lustelooze graagte trekt zij met lange tanden aan het korte maal. Zoo brengt zij een geheelen langen winter door, en deelt haar voedsel met een ouden versleten knol, die sedert eenige jaren zijn plaats in den stal aan een paar jonger opvolgers moet overlaten. Wordt het evenwel te koud, dan wordt het paard nog wel eens voor een korten tijd in huis gehaald; alleen het schaap wordt met onvermurwbare standvastigheid, die een betere zaak waardig was, aan de ongenade des weders overgelaten. Het hart, door haar vacht verwarmd, is door niets te bewegen, om wederkeerig iets voor haar verwarming te doen; integendeel, als haar meester in den kouden nacht haar klagende stem hoort, haalt hij de dekens, uit haar wol geweven, over het hoofd, om niet in zijn koesterende rust gestoord te worden! Zoo brengt dan het dier (ik bedoel het schaap) menigen langen nacht door met van koude te bibberen, zonder in slaap te kunnen komen. Menigmaal zag ik, ’s morgens opkomende, haar vacht onder een last van sneeuw begraven, zoodat ik niet onderscheiden kon, wat wol en wat sneeuw was. En mij dacht, dat moest een koude maaltijd zijn, zijn voedsel aldus uit de sneeuw te moeten opgraven; een wat heel groot kontrast met onze verwarmde borden en tafelkomforen. Och, och! een voet twee drie gronds in de schuur voor de verkleumde! een handvol hooi voor de verhongerde! Steek het hoofd even buiten het bevroren raam, en gij zult barmhartiger zijn.Ik ken menschen, die hunne tranen niet kunnen weêrhouden, als een begaafde mond hun het bewegelijk tafereel teekent van den armen man uit de schrift, die „gansch niet en hadde, dan een eenigh kleyn oy-lam, dat hy gekocht hadde, ende hadde ’t gevoedt dat het groot geworden was by hem, ende by sijne kinderen te gelijck; het at van syne bete, ende dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende het was hem, als eene dochter;†terwijl zij voor zich voor niets zorgvuldiger waken, dan dat geen landheer zich omtrent hen aan zulk een roof zou kunnen schuldig maken. WatNathanwel tot dezulken zou gezegd hebben?En op die winterweide, waar ik u bracht, heeft soms een tooneel plaats, waarvan het goed is, dathetdoor den nacht bedekt wordt. Het schaap is moeder geworden: onder een barren hemel, op een hard bevrozen[64]grond, in een felle jachtsneeuw is het moeder geworden. Het jonggeboren lam ligt aan haar voeten, onder dien barren hemel, op dien harden grond, in die kille sneeuw. Maar toch heeft de moeder een enkel gelukkig oogenblik, als zij den bibberenden zuigeling met haar eigen lichaam dekt en beschermt, en zijn eersten dorst met melk laaft, die men haar nog niet ontneemt! Doch—wat is haar op eens? van waar slaat zij zulk een onrustigen blik naar boven? zij heeft een roofvogel in het gezicht, die zijn noodlottige kringen rondom haar beschrijft, en al lager en lager nederdaalt. Daar schiet hij op het jong neder, en slaat met zijn scherpen bek in het teeder oog. Vergeefsch is de tegenstand der moeder: een schaap heeft immers niets om tegenstand te bieden? Gelukt het haar al, haar vervolger voor een oogenblik te verdrijven, gedurig herhaalt hij zijn moorddadige aanvallen; en als de trage morgen aanlicht, staren twee ledige oogholten het moederschaap treurig aan! Bij uw eerste vadervreugde, bij uw eerste moedersmart, is er dan niemand om zich over het jonggeboren lam te ontfermen?Maar het wordt lente! de jonge spruitjes beginnen het hoofd uit den grond te heffen, en spreiden als een groenen sluier over de gele stengels van het dorre land. Hoe gretig doet het schaap zich aan dien ongewonen kost te goed! Gras in de scheut—het is een dubbele weelde! met openstaande neusgaten en krullende lippen wroet zij die lekkernij uitdegrond.… daar wordt het hek, dat den geheelen winter gesloten is gebleven, geopend; de boerenknecht slaat de ongelukkige een touw om den hals, en sleept haar uit het weilandje naar het stukje bouwgrond er naast. Dat is hard! daarbij komt het lijden vanTantalus, wiens smaak ten minste niet door het proeven van de vruchten getergd was, niet in vergelijking. En wat vindt zij nu in haar nieuwe voorraadschuur? niets dan drooge stoppels van het vroeger afgemaaide graan; stroo, zoo als het door den wintergeprepareerdis. Mismoedig ziet zij dit maar al te bekende en gehate voedsel aan, en terwijl zij over deze verandering treurt, daar ziet zij de loeiende koeien wel doorvoed uit den stal komen, om zich aan haar disch te plaatsen en de groene eerstelingen te oogsten, waaraan zij alleen de lippen gezet heeft. Dat is het hatelijkste; den geheelen zomer door heeft zij op tien schreden afstands, door een laag dijkje gescheiden, een malsch, welig grasland voor zich; zij staart op het beloofde land, zonder het te mogen intreden; zij riekt de vleeschpotten vanEgypte, zonder er den mond aan te mogen slaan; en zij moet het geduldig aanzien, dat die groote, vette, lompe koe, die haar van daar verjaagd heeft, met haar mollige, kwabbige pooten tot aan de enkels toe door het hooge gras baadt, en oververzadigd zich met haar gevulden buik op het heerlijke voedsel uitstrekt.Ziedaar het gewone lot van het schaap in de streek, waar ik den zomer doorbreng.O, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!Beken het, Mejufvrouw! zoo iets had UEd. zeker niet gedacht. Een lammetje is toch zulk een lief diertje; en het heeft zulk een mooi wit[65]velletje, en zulke nette, kleine pootjes, dat men zou er jaloersch van worden. „Och Mama, ik zou wel zoo’n lammetje willen hebben; dan zou ik het een blauw lint om den hals binden, dat zouchampêtrestaan!†Ook wordt bij u alles wat lief is bij dit dier vergeleken. Gij zelve, immers, gij zijt zoo zacht als een lam! en uw poezele huid is zoo mollig als wol! en uw gouden haar is zoo dik en dicht als een schapenvacht! en, als gij een romantischen Dichter in de familie hebt, vergelijkt hij misschien, met een uitdrukking uit het Hooglied, uw tanden met „een kudde schapen, die gheschoren zijn, die uyt de waschstede opkomen.†Allerliefst! als het arme dier, waarvan gij zoo veel hebt, maar wat meer van u had!In waarheid het schaap behoort tot die ongelukkigen, wier geluk alleen op het papier bestaat, en vermeerdert dus de dubbelzinnige klasse van lamgeschoten invaliden, arme dichters, teringachtige meisjes, kale Edelen, mishandeldegeniënenz. Gij kunt geen rozenkleurig boekje opendoen, of het wemelt er van schapen en lammeren. Is het een prentenboekje, gij vindt er allerliefste plaatjes in, met kinderen, wie zulk een diertje als een schoothond achteraan huppelt; het is veel, zoo een enkele aan den zijden band van een lint gehoorzamen moet. Zijn het verzen, des te erger! Sla het eerste blad het beste op, en tien tegen één, dat daar reeds een beldragende hamel, als voorganger van een heele kudde die straks staat te volgen, vooruittrekt. Het lam is het beeld bij uitnemendheid! Beurtelings worden de vergelijkingen aan zijn kleur, aan zijn vacht, aan zijn aard, of aan zijn bestemming ontleend. Zooals men in de wezenlijke wereld alles, wat aan de koe is, van de horens af tot de pooten toe tot verschillende einden gebruiken kan, zoo is er ook aan het lam niets, of het komt in de dichterlijke wereld te pas. Men kan geen lief meisje teekenen, of geen aandoenlijk geval verhalen, of geen beminlijk karakter schilderen,—men kan bijna niets dichten of verdichten, of het schaap komt er bij! Neem menigen dichter zijn heerde af, en zie hoe hij zelf daar staan zal als een geschoren schaap.Zoo is het dier in alle salons en op alle partijenin effigietegenwoordig; op de schilderijen aan den muur, op de tapisseriewerken op den grond, in de complimenten der Heeren aan de Dames, in den sentimenteele uitboezemingen der Dames tegen de Heeren, in de verzen, die in den vooravond worden gedeclameerd of aan tafel voorgelezen:tout y est moutonné, zoo als een Franschman van de nieuwe school zou zeggen—maar van dit alles bemerkt mijn schaap op hare kale weide niets. De dichter gaat haar voorbij, terwijl hij juist met den vinger aan den neus loopt bedenken, hoe hij zijn meisje, die op den eersten Paaschdag jarig is, het geestigst met een paaschlammetje zal vergelijken, zonder een oog te slaan op het beest, dat hij in zijn verbeelding zoo sierlijk opsmukt en bekranst. De jonge Dame, die zich met een lam aan haar voeten, onder een Arcadischen treur-eschen miniatureheeft laten uitschilderen, weet van een wandeling te huis komende[66]niet, dat zij mijn ongelukkig dier ontmoet heeft. De schilder, die denkt over een nieuw landschap met schaapjes gestoffeerd, zit, met den rug naar mijn vriendin, een krommen knotwilg te teekenen, dien hij in zijn schets hoopt te brengen, maar heeft geen blik over voor het hoofdvoorwerp van zijn tafereel, omdat hij in de voorstelling daarvan niet mis kan tasten. Zoo wekt het arme dier enkel en alleen in het ideale belangstelling op, en staat in dit opzicht nog beneden zijn mededingers naar de eerste plaats op papier en paneel, de zwanen en duifjes.En al is het, dat een enkele uitverkorene een tijd lang aan den ban ontkomt, waaronder haar geslacht rust, hoe onstandvastig is de gunst, die haar bewezen wordt! Laat eens aan een enkel melkwit of fraaigevlekt lammetje het voorrecht te beurt vallen van tot speelkameraad van het dochtertje des huizes verheven te worden; wat duurt die vreugde kort! In den beginne heeft het een allerbenijdenswaardigst lot; het voedt zich met vette klaver en wordt met room gedrenkt; het wordt met linten opgetooid en met bloemen bekranst; het wordt door zijden handen gestreeld en door poezelige armpjes omhelsd; maar laat het grooter, laat het een schaap worden, dan heeft al die weelde een einde. Dan is het „Rose†of welke andere beeldigen naam het dragen moge, „wordt leelijk en vuil.Jan!als gij zaterdag naar de stad gaat, moest gij haar ter markt brengen.†Daar staat nu Rose op de markt onder andere gemeene, burgerlijke schapen; daar wordt zij onder andere slachtoffers aan het mes van den slager verkocht; daar krijgt zij het noodlottige looden teeken in het oor, dat zoo menige adelijke mond gekust heeft; en den hals, die met roode linten placht gesierd te worden, verwt de bloedige krans des doods! Waarom? ik vraag u waarom? Waarom is gindsche mopshond beter, die ook sedert lang zijne jonge en mooie dagen gehad heeft, maar die nu nog als een bedorven gunsteling in zijn vet smoort, en bij schoon weder door den palfrenier in de zon gedragen moet worden, dewijl hij te dik is, om er zelf heen te kruipen? Waarom ziet men nooit een oud schaap even zoo het genadebrood eten? Of waar is de wet der natuur, dat een lam niet leelijk mag worden, zonder van zijn voorrechten te vervallen? Verbeeld u eens, Mejonkvrouw! dat men met u denzelfden regel volgde. Gij hebt gelijk, van het hoofd met een grilling om te keeren.Daar hangt nu Rose aan den noodlottigen haak, ten prooi aan de tanden van liefhebbers van schapenbouten en lamskoteletten. En zelfs in den dood blijft de strijd tusschen haar idealisch en wezenlijk lot bestaan. Een geslacht lam! Wat wordt daarvan niet al schoons gezegd! Hoe veel tranen doet dat beeld niet vergieten! Verbeeld u eenelegieop den dood van een jong meisje, zonder de vergelijking van een jeugdig offerlam, met bloemen om den hals onder een ontijdig zwaard gevallen. Verbeeld u een treurspel van de eene of andere vermoorde Onnoozelheid, waarin het weerloos gedoode schaap ontbreekt. Verbeeld u een pleidooi[67]voor de eene of andere kindermoorderes, waarin het niet als een ongerijmde aanklacht wordt behandeld, dat een vrouw zoo wreed zou zijn van een zooglam als in de melk der moeder te smoren. Verbeeld u een vers opKainof zijns gelijken, waarin niet deze of dergelijke regels voorkomen:Zal hij nu ook verrotten, als dat schaap,Dat, afgedwaald, in ’t bosch mij tegenkwam,Dat ik zoo wreed verwurgde?—Ja, dat schaap,Dat stervend schaap had mij, bijna, ontroerd!.…En ga nu eens een achterbuurt rond, en zie wat er van dat aandoenlijk voorwerp wordt? Ach, niet genoeg van in haar leven veracht te zijn geweest, volgt haar vernedering haar in den dood. Is haar vleesch niet bij voorkeur het voedsel van den arme? Wordt het niet in den regel met zorg van de tafels der grooten geweerd? wordt het niet nog lager geplaatst, dan het spek van het leelijk en morsig zwijn? Acht zelfs de huismoeder geen verontschuldiging noodig, als zij u niets dan een stuk schapenvleesch heeft aan te bieden? Zoo drukt de vloek zelfs op haar ongelukkig lijk. En die het leven van een verongelijkte leidde, mist het voorrecht van ten minste bij haar sterven, als een gekroonde na haar dood, „in de dankbare maag van een keurigen Epicurist een kostbaar graf te vinden.â€O, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!En toch, zoo eenig dier, om zijn beminnelijke hoedanigheden, een ander lot verdiende, het is het schaap. Witheid kleedt en zachtheid dekt het; maar wat zijn deze bij de blankheid en zachtheid van zijn aard en zeden? Er is in het schaap iets onnoozels, iets weerloos, waarvan gij in de gansche natuur te vergeefs een wedergade zoeken zult. Ik kan soms een geruimen tijd besteden met een bezoek aan mijn oude buurvrouw te geven. Ik wenschte dat gij haar dan zaagt, hoe ze mij vriendelijk te gemoet komt en haar wolligen kop onder mijn hand steekt, die zij wel weet dat haar streelen zal; en hoe zij haar lekt, wanneer ik voor haar eenige blaren van den elzentak pluk, die voor haar bereik te hoog hangt. Dan is zij zoo vergenoegd en te vreden, en ziet mij met zulk een vriendelijk oog aan. Nooit vind ik bij haar, de misdeelde en vertrapte, een blijk van wrevel of murmurering. Nooit hoor ik haar, gelijk de ongeduldige koe, haar stem tot een klacht verheffen. En wanneer mijn Dolly mij soms te vlug is en haar blaffende najaagt, dan is er in haar geduldig voortstrompelen, zonder zelfs een verwijtend oog naar haar onedelmoedigen vijand te wenden, zulk een onderworpen lijdzaamheid, dat mijn hart er van wordt aangedaan. Voorbeeldig dier! denk ik dan wel eens: ik mocht nog wel bij u ter schole gaan! hoe veel zijt gij mij in gelatenheid en berusting vooruit. Gij die nooit den hals om wendt naar den stok, die u drijft; die nooit de verzenen slaat tegen de prikkels, die u treffen; die zelfs nooit klaagt onder de hardheid welke u wordt aangedaan; maar die—bewegelijk—zelfs de hand lekt, die u keelt! Hoe beschaamd sta ik niet bij u, ik redelijke,[68]onsterfelijke mensch, die weet, Wiens stok mij drijft, Wiens prikkels mij slaan, Wiens hardheid mij treft, Wiens hand mij wondt.… kom, oude, laat mij u streelen! gij zijt dikwijls beter dan ik!Nog altijd graast mijn schaap geduldig den kalen akker af, en bemerkt niets van de overdenkingen, waarvan zij tot voorwerp strekt. Als ik oprecht zal zijn, zij schijnt zich mijn redenen niet zeer aan te trekken. En zij heeft gelijk ook. Want wat helpen haar al mijn praatjes, meer dan de onvruchtbare ingenomenheid harer overige kunstbewonderaars? Welnu! ik wil haar toonen, dat een goede buurman beter is dan een verre vriend. Ik wil naar haar meester gaan, om te zien of hij mij haar voor een prijsje wil overlaten. Dan kan zij voortaan haar laatste gras uit de kreb eten. Welaan, oude! dat zullen wij hebben. En als gij dan uw matten kop nederlegt om hem niet meer op te heffen, dan zal ik van uw vacht een slaapmuts laten weven.Mij dunkt, dat zal zacht rusten zijn![69][Inhoud]SINT-NICOLAAS.Een oud vrijer heeft weinig feestdagen in zijn leven. Hij is een gedwongen egoïst, die zich zelven tot het middelpunt van al zijn vreugde en leed maakt. Hij mist de zaligheid zich van nabij in het geluk van anderen te verlustigen.Het is waar, hij kan zich in de woning eens vriends dringen, en zich in den feestvierenden kring mengen; maar dit is een gebedelde vreugde, en vreugde is zoo weinig geschikt om een aalmoes te zijn! Ook heb ik mijn stoute schoenen wel eens aangetrokken, en aan de deur van een juichend gezin aangeklopt; maar ik heb er mij vaak kwalijk bij bevonden. Somtijds trok men een zuur gezicht tegen de onwelkomechampignon, die zich een deel van de sappen kwam toeëigenen, waarop alleen de natuurlijke takken recht hadden; maar al was het dat men mij niet onvriendelijk ontving, ik schoot er op den langen duur toch over. Als het groote oogenblik van gelukwensching en omhelzing gekomen was, stond ik van verre, eenzaam, vergeten, veronachtzaamd. Het was veel, als men zich ter loops verschoonde: „Vergeef mij mijne onbeleefdheid, Neef! maar dit is een feest voor mijn kinderen. Die zijn van daag de hoofdpersoon.†Men vloog juichende op, viel elkander om den hals, drong in vroolijk en bont gewoel dooreen, terwijl men tranen stortte en lachte te gelijk, even als op een Aprilsdag. Bij dit alles moest ik zorgen uit het gedrang te blijven. De kinderen, die bij mijn komst en vertrek gelast werden mij een kus te geven, rekenden zich nu vrij van het betalen dier schatting; ik maakte in mijn eigen oogen de figuur van den armen Pierrot, zoo als hij met zijn ziekelijken glimlach voor eenen wèlvoorzienen disch staat te watertanden. Eindelijk komt men tot rust. Neef wordt weêr een lid van het gezelschap. Het bittere oogenblik is voorbij. Neen,Jonathan! eerst nog een onvriendelijke houw voor u. „Zie, Neefje! dat zijn genoegens, die men toch maar alleen in het huwelijk smaakt. Gevoelt ge daarbij geen berouw van ongetrouwd gebleven te zijn?†Bij zulk een uitval loopt mij een rilling langs de leden; het is heldenmoed, die mij dan de zuchten, die mijn keel benauwen, onder een gesmoord lachje doet wegkuchen.[70]Neen! een oud vrijer behoort te huis te blijven. De zuiverder en edeler genoegens van huiselijke vreugde zijn voor hem een verboden toonbrood. Hij moet zich, zoo goed hij kan, met zijn eigen feesten trachten te behelpen. Het komt er slechts op aan, of hij kinderlijken zin genoeg heeft, om zich van kleinigheden een feest te maken. Het eerste uitvliegen van zijn duiven indelente, het uitbroeden van zijn kiekens door zijn klokhen, het eerste geneurie van zijn jongen kanarievogel, moet hen tot surrogaat dienen voor een jongen die naar school gaat, voor een meisje dat begint te leeren loopen, voor een kind dat voor het eerst den vadernaam stamelt. Iederen dag, waarop het verjaart, dat hem een buitengewone zegen te beurt viel, moet hij plechtig vieren. Hij moet zijner vrienden dikwijls feestelijk gedenken. Het beste middel evenwel is.…Gisteren stond ik uit mijn raam te kijken. Het was de dag vóór St. Nicolaas.Op straat heerschte er een ongewone drokte. De banketwinkels waren fraai versierd; dienstboden liepen met beladen korven af en aan. Vaders en moeders drentelden langs de straat met hun kleinen, die zich aan het gezicht van al die blinkende lekkernijen niet verzadigen konden: het droeg alles de kleur van ongemaakte vroolijkheid, welke een kinderfeest kenmerkt.Deze aanblik was voor mij een zoet-bittere herinnering. O! ik kan ze mij nog zoo goed verbeelden, die eerste December-dagen, door mij als kind in nieuwsgierige afwachting doorgebracht; en als dan eindelijk de avond gekomen was, waarop een vermomde Invalide, onze oude huisknecht, de rol van den weldadigen Heilige vervulde, hoe zwom ik in kinderlijke weelde! Ik was in dien tijd eene kleine vrijgeest. Ik had mij met vrij wat neuswijsheid in het bezit van het groote geheim gesteld, en loochende, met de vrijmoedigheid van eenBalthazar Bekker, de mogelijkheid van bovennatuurlijke verschijningen. Maar toch was er iets verstandigs in het weinige misbruik, dat ik van deze ontdekking maakte. Ik hield haar voor mij, zonder mijn broeders en zusters van het genoegen hunner illusie te berooven; en zelfs voor mij zelven liet ik mij door mijn ketterij het genoegen van den avond niet ontnemen: ik wist het beter, maar maakte mij wijs, dat ik het voor dien avond niet wist. Ik was alsNapoleon, die aan geen geesten geloofde, en er toch bang voor was. O! dat ik altijd met mijne andere illusies even zacht en barmhartig hadde opgesprongen!De nacht werd slapeloos en in vreugdevolle droomen doorgebracht. Eindelijk brak de morgen aan; de vaderlijke roepstem vergaderde ons allen in het beste vertrek. Daar stond hij ten toon gesteld, die schat van glinsterend banket! een armelijke trofée, maar opgebouwd met van liefde bevende handen; een gebrekkige toerichting, maar met van vreugde schitterende oogen aangestaard! Ik heb sedert andere feesten gevierd; ik heb aangezeten in de zalen, door vendelpracht, lichtkransen en bloemfestoenenopgeluisterd; ik heb mijn tong met kostbare lekkernijen en nog kostbaarder wijnen gestreeld; maar het genoegen van[71]mijn klatergouden Decemberdag heb ik nergens weêr gevonden.Deze en dergelijke denkbeelden dwaalden door mijn hoofd, terwijl ik het gewoel op straat aanzag; maar zoo dit gevoel het midden tusschen vreugde en droefheid hield, welhaast overmeesterden mij somberder gedachten. Mij arme, dacht ik, ziedaar al weder voor mij een feestdag minder dan voor anderen. Mijn aanstaande erfgenaam zendt mij mijn naamcijfer in lettergebak; ik geef aan enkele lieve kleinen een geschenkje;—ziedaar alles! maar ik zit heden en morgen den ganschen dag alleen, ik heb geen voorsmaak van het genot van iemand, die mijn lief is, te verrassen.Vroeger had ik altijd op dezen dag een vroolijk uur; het was als ik den Engelschen almanak, in rooskleurig papier gewikkeld, aan zijn adres verzond. Mijn boekverkooper heeft mij sedert altijd de volgende jaargangen van het boekske gezonden; ik heb hem laten begaan; ginds liggen zij onaangeroerd; ik heb er nooit een enkelen van ingezien.Nog altijd trokken de kleinen in triomf langs de straat. Hoe benijdde ik de vaders, die hen rondleidden! Met hoe veel liefde hadden velen sedert weken hunne spaarpenning weggelegd, om heden met geen leêge handen voor hunne kinderen te verschijnen; maar wat zou daarentegen die spaarpenning ook rijke woekerwinst geven, als de wichtjes in hun vreugde hun ouders zouden om den hals vliegen en het geheele huis met hun gejuich vervullen: als deze met tranen van weelde de verrukking met hun kroost zouden gadeslaan;—o! kinderen zijn dankbare beweldadigden; zij weten van geen halve voldoening; zij weten van geen kiesche verzwijging. Hun genot is volkomen; hun vreugde ongetemperd; hun dankzegging ongemaakt hartelijk.Nu en dan zag ik een jong mensch met het voorkomen van vroolijke opgewondenheid voorbijgaan. Zeker zijn er wel bij geweest, die den dag van heden bestemd hadden, om aan het voorwerp hunner verborgene liefde een geschenk in handen te spelen. Hoe zullen deze met een kloppend hart de teedere depêche hebben gereed gemaakt, en met hun gedachten vergezeld! Met hoe veel ongeduld zullen zij naar het oogenblik verlangd hebben om hun schoone te ontmoeten, ten einde misschien in hare oogen te lezen, of haar de kiesche hulde niet mishaagd hebbe. Ik moet er voor uitkomen, de beschroomdheid eener eerste liefde heeft voor mij iets aantrekkelijks. O, het moge schoon staan, wanneer de forsche, krachtige man, met trotsche vrijmoedigheid, voor de gansche wereld de kleur zijner schoone ten toon draagt; wanneer hij straks met heerschzuchtige vrijmacht zijn hand op de vrouw zijner keuze legt, en der zwakke duive niets overblijft, dan onder zijn breede vleugelen te vluchten; ik heb altijd een vóórliefde gehad voor die innemende schuchterheid, welke den onbedorven jongeling voor het voorwerp van zijn eerbied als een meisje blozen, en haar met huiverend ontzag naderen doet. Ik wenschte dus van ganscher harte aan alle zwijgende verliefden een gelukkig Sint-Nicolaasfeest. En werkelijk zag ik in mijn verbeelding, hoe menige aanvallige de sierlijkesurprisemet blijde[72]verrassing ontving, en zoo ras zij kon, uit aller oogen wegstal, om in de eenzaamheid zich onbespied in de beschouwing er van te verlustigen. Het is een zoet oogenblik, waarop het eerste liefdepand gewisseld wordt! een oogenblik, hetwelk ik wenschte dat ieder eenmaal smaken mocht. Maar helaas! wat zullen er heden weder vele ongelukkige zusteren dier gelukkigen zijn, die vruchteloos naar eenig blijk van hulde of liefde zullen uitzien; jonge dochteren, door de Natuur stiefmoederlijk bedeeld, of die het nog grooter onrecht hebben van arm te zijn; beklagenswaardige Cendrillons in het groote drama der lotbeschikkingen! Cendrillons aan wier voet misschien het enge, broze glazen schoeisel eener strenge deugd past, maar die de bevooroordeelde partijdigheid van alle mededinging uitsluit. Ik beklaag die lieve schepselen, die de bevoorrechte kinderen der schoonheid en des geluks met bewijzen van bewondering en hulde zien overladen, terwijl niemand haar zelfs de aalmoes van een vriendschappelijk aandenken in den schoot werpt. Zij zien den dag zonder vreugde voorbijgaan; zij moeten misschien het harde woord eener onmoederlijke moeder verduwen; en terwijl haar zusteren door schoone droomen worden in slaap gewiegd, vertrouwen zij aan haar vochtig hoofdkussen haar echt vrouwelijk, en en toch meest alzoo wreed miskend lijden.Het was avond geworden; de lampions waren aangestoken; de koetsen rolden; de stad raakte in beweging. Ik deed mijn mantel om en ging uit. Er heerschte op straat een vroolijke drukte; treinen van kinderen trokken juichend voorbij; ik trad in een winkel; het was een lust die kleine oogjes zoo begeerig te zien rondkijken; die kleine handjes zoo gretig te zien uitstrekken; de kleinen bevonden zich hier in een waarLuilekkerland: de wanden, de tafels, de grond, alles was suiker en gebak. Ik geloof niet, dat men ooit in lateren leeftijd zijn stoutste droomen van verre zoo verwezenlijkt ziet, als een kind de zijne in een banketwinkel op Sint-Nicolaasdag. Wie zou dan met een onverschillig oog het op een zoo gebrekkige aarde zoo zeldzame, schouwspel eener onvermengde en volkomene vreugde—al is het dan maar een kindervreugde—kunnen aanzien?Het huis verlatende, zag ik de stoep door een partij arme wichtjes belegerd. Mijn hart brak er van; zij stonden bij een felle koude, in lompen gekleed, op de steenen te bibberen. Maar toch konden zij van het aanlokkelijk gezicht niet scheiden; met kinderachtige nieuwsgierigheid gaapten zij al die heerlijkheid aan. En, wat mij het meeste trof was, dat er in hun toon geen zweem van spijt of ontevredenheid was. Zij zagen kinderen van hunnen leeftijd binnengaan en met volle handen terugkeeren; geen gemor kwam over hun lippen. Veeleer heerschte er onder hen een blijde ingenomenheid, alsof zij wel degelijk deelgenooten van de feestvreugde waren. Zie, zóó waren zij het reeds gewoon geworden, de kinderen der rijken als andere wezens te beschouwen. Zij hadden er geen denkbeeld van, dat slechts een hard toeval hen van gelijke rechten beroofd had; het was hun reeds eigen, alleen met het[73]oog te genieten. Die natuurlijke zelfverloochening der armen heeft iets aandoenlijks. Als er een feest in de stad is, heet het bij hen: „Laat ons de illuminatie gaan zien,†zooals wij zeggen: „Laat inspannen.†Zij houden het voor een voorrecht, bij een gastmaal door de vensters te turen, en dáár van onverzadigden lust te verteren. Zij laten zich door de gewapende macht terugdrijven, of wijken voor de paarden der rijken, zonder zich met een enkel woord te beklagen.Ik kon deze denkbeelden niet bij mij houden. Het werd mij op de breede verlichte straten te eng. Ik ging, zoo snel ik kon, naar mijn kamer, en keerde, met eenen nieuwen last beladen, vandaar terug.Toen spoedde ik mij, zoo ras ik konde, naar een der schamelste achterbuurten. Overal rust: geen enkel lichtje! geen schijn van feestviering! Zoo gaat het! het feest van St.Nicolaas is een feest der armen, maar de rijken vieren het. Hier en daar zag ik de deuren openstaan; het eenige, dat de onvermogenden uit de gouden eeuw vanSaturnusbehouden hebben. Ik hoorde een kind om brood schreien—om brood! het wicht zag mij niet—de vrouw was met haar kind bezig—ik was in een oogenblik weg. In een andere hut zag ik een moeder, uitgeteerd van gebrek, een half naakt schepseltje zogen; de wind snerpte onbarmhartig door de reten: zachtjes ging de deur open—er viel iets klinkends op den grond—terwijl de vrouw bukte, verdween de schaduw van den wand. Een oud moedertje zat bij een ellendig nachtpitje te spinnen; het gansche huis scheen verlaten: zeker was het overige gezin naar het feest gaan.… zien; zij was te suf om te hooren,—maar toen zij weêr naar haar vlas greep, zal zij toch vreemd hebben opgezien.Ik keerde ledig op mijn kamer terug.Lieve menschen! weet gij wel, wie SintNicolaaswas? Het was een vrome Heilige, die veel weldeed. Hij verdient ten hoogste met eengedachtenisfeestvereerd te worden. Maar de wijze van vereering zou ik nog wel eenigszins anders wenschen. Mij dunkt, het ligt in de rede, dat men het feest van een Barmhartige met barmhartigheid viert. Onthaalt uwe kleinen: ik heb er niets tegen; maar vergeet daarom de kleine beschermelingen van den vromen Sint niet. Als gij het meel en de olie eens armen vermeerderd hebt, zal er voor hen nog wel iets overblijven. Ja, ik zou wel willen, dat uwe kinderen zelve de rol van bescherm-engelen vervulden; indien gij uwe aalmoezen in hunne hand gaaft, zoo hadden zij te gelijk vergoeding voor hun gemis. En wat zou het schoon zijn, als men in de wijken der armoede zou moeten denken, dat de goedeNicolaasonsterfelijk is!.…Lieve menschen! ik wensch u allen een echten Sint-Nicolaas-dag![74][Inhoud]HET LEGAAT.Mijn arme vriendRob, hij is dood!De goede jongen! Of hij stervend nog tegen den dood zal gelachen hebben, gelijk hij altijd zeide, dat hij doen zou? Zeker, vriendHein! gij zijt een ijzegrim, als gij er niets van gevoeld hebt, toen gij dezen eerlijken, trouwen knaap den hals braakt. Zulk graan krijgt gij zelden onder uw zeis. Mijn armevriendRob, hij is dood!Grooter snaak dan hij liep er niet. Gelijk sommige menschen veel hebben van een gestolden traan, was zijn voorkomen een onophoudelijke glimlach. Hij ging de wereld door als een vroolijk kind, schertsende en grappenmakende: reeds toen ik met hem school ging, was hij de vreugde van al de jongens. Als zijRobmaar zagen, begonnen zij reeds te lachen; zelfs de meester kon het niet tegen hem uithouden, maar schoof van vroolijkheid zijn pruik op één oor, als hij recht aan den gang was. Ofschoon hij de eene dwaasheid na de andere uitvoerde, geloof ik niet, dat hij ooit iemand ernstig boos gemaakt heeft. Hij was als Arlequin; ieder kreeg slaag van hem; maar het was een houten zwaard, dat hij zwaaide! en een zwaard daarenboven, dat als een tooverstaf, de macht had om slapenden wakker en treurenden vroolijk te maken. En toch, toen hij de school verliet, schreiden allen; ofschoon hij allerlei bokkesprongen maakte om zich zelven en de anderen op te vroolijken. Zoo was hij altijd. Hij kon geen tranen zien, of hij moest ze wegschertsen. Ik ben zeker, dat hij zijn ziekenoppasser meermalen aan ’t lachen gemaakt heeft. ArmeRob! Nu moet hij ze laten uitweenen.O, ik had hem zoo lief! zoodra wij elkander op de school ontmoetten, werden wij vrienden. Hoe, begreep niemand. Want ofschoon ik toen nog zoo bleek en strak niet zag als nu, was ik toch lang geen blozende lachebek gelijk hij. Maar ik geloof, dat hij al dadelijk aan mij zag, dat ik het rechte wild voor hen was. Want hij was geen van die grappenmakers, die alleen aardig zijn onder huns gelijken: hoe treuriger hoe liever; des te meer eer was er aan te behalen. Of laat ik liever zeggen, zijn goed hart gebood hem het eerst dezulken op te zoeken, die hij begreep dat aan een opgeruimd woord de meeste behoefte hadden. Hij beschouwde het vervroolijken van anderen als een soort van bestemming voor hem.[75]Geen aanleg hebbende om te weenen met de weenenden, zocht hij weenenden met zich blij te maken. Daarbij ging hij evenwel niet zoo te werk, dat hij zijn narrebellen aan ieder rouwfloers bond. Als bij instinkt wist hij te raden, waar zijn luim op de smart schipbreuk zou lijden; en dan kon hij tot zichzelven, als tot een speelschen hond, die tegen iedereen opspringt, zeggen: „Stil,Rob!stil jongen!†en dan wasRobzoo stil als een muis! of zoo hij sprak, het was met een enkel woord van diep gevoel, zoo als men nooit van zijn dartele lippen zou verwacht hebben. Is het niet vreemd? terwijl niemand mij beter aan ’t lachen kon maken, schreide ik om niemand eerder, dan omRob!Maar ik heb niet dikwijls om hem geschreid. Duizendmaal meer heb ik om hem gelachen. Nauwelijks ging de school uit, of hij pakte mij onder den arm; dan volgde de eene kwinkslag op den anderen, zoodat ik dikwijls, als ik thuis kwam, niet tot mijzelven kon komen; en toch was hij zoo zacht voor den weemoed, waartoe ik reeds als knaap en jongeling neigde. Dit kwam daaruit voort, dat hij er zelf niet vrij van was. De grondtonen onzer ziel klonken gelijk, maar wij droegen ons leed anders. Terwijl ik in mijn kooi zat te kirren als een tortel, met een lang uitgehaald: koe-ke-roe-oe!—zat hij, ofschoon even zoo goed gevangen als ik, tegenover mij in zijn kevie te zingen als een kanarievogel. Met iedere smart, die ik hem als een harde noot te kraken gaf, sprong hij om als Jocko: krak-krak! had hij haar stuk, hij wierp mij de schellen naar den kop, en peuzelde de zoete kern, die hij er uithaalde, met een vergenoegd gezicht op. Men zegt vanRubbens(als ik wel heb), dat men nooit vier of vijf schreefjes zoo plaatsen kon, of hij maakte er een menschengezicht van. Welnu, zoo kwam hem geen smartelijke trek voor of, kriskras! had hij hem in een glimlach veranderd, zonder iets uitgewischt te hebben. O, het is niet moeielijk, dissonnanten te overschreeuwen: dat kan ieder; maar ze op te lossen, dat is de kunst! en dat kon mijn vriendRob.Hij had geen gelukkig lot in de wereld. Een arme moeder, waarvoor hij te zorgen had, bij geringe verdiensten. Maar dit maakte hem nooit treurig; hij kon zijn droog brood met zulk een goede gratie eten, dat gij aan zijn gezicht zoudt gezegd hebben dat hij een reeboutje kloof. „Vroolijkheid, jongen!†kon hij wel tegen mij zeggen, „is de beste kruiddoos.†Daarbij kwam, dat hij een voorgevoel had, dat hij niet oud zou worden. Dus moest hij zorgen in de voorbaat te zijn, om zijn moeder niet hulpeloos achter te laten. „Gij zult het wel zien,†zeide hij,„Robloopt niet lang. De zwarte man mag hem niet lijden. Ik maak het hier de menschen veel te pleizierig. Nu laat hem komen! ik zal hem in zijn gezicht uitlachen, of mijn naam is geenRob!â€â€žDaar hebben we ’t al!†schreef hij onlangs. „Jonathan, ik lig er voor; de magere man heeft mijn vet al beet, en zal nu aan de beenders gaan. Kom mij nog eens zien, als gij kunt. Ik wil den Dood al mijn vrienden presenteeren; dan kan hij van nijd vergaan, dat hij er zoo veel niet heeft.â€[76]P.S. „Kom gauw, want hij wacht niet.â€Ik kwam. Daar lag hij, de armeRob! bleek als de dood, en mager als een geraamte.„Welkom!†juichte hij met een gebroken stem tegen. „Neem mij niet kwalijk, dat ik u zoo familiaar in mijn beendernegligéontvang, mijn vleeschrok1is bij den snijder om te vermaken.†Zoo schertste hij voort met woorden vol diepen zin en aandoenlijken luim.„Schrei zoo niet!†zeide hij, terwijl ik in tranen stikte. „Gij maakt mijn vleugels nat, en ik zal straks niet kunnen vliegen.—Goeden nacht!†riep hij mij na, toen ik mij in stomme smart van zijn leger losrukte. „Wat vroolijker gezicht, als ik u weêrzie, hoor!â€Gister morgen kreeg ik de tijding van zijn dood. Hij had tot zijn jongste oogenblikken zijn bewustheid en dezelfde stemming van geest behouden. „Alles klaar!†was zijn laatste woord. Wat zullen er toen veel tranen op het vroolijkste gezicht der wereld gestort zijn.Alas, poorRob!Wie zal ons nu troosten? Het ongelukkigste is, datRoballeen voor zulk een ramp raad had geweten. Ja, dat is het ergste; nooit is men troosteloozer dan bij den dood van hen, die ons het besthaddenkunnen troosten. Als niets mij bemoedigen kon, had Rob altijd nog een paar woorden achter de hand. Maar nu hij dood is…. ik zal naar zijn graf gaan, en zien of ik daar baat kan vinden; de vrome ziel kon zelf op een graf zoo vroolijk lachen. „Onder het lamfer,†placht hij te zeggen, „behoort een gezicht vanJean qui pleure et Jean qui rit. Voor ieder, die gaat en die blijft, de helft.†Ach, ik zal het nooit leeren.Te gelijk met zijn doodbericht ontving ik het legaat, mij door hem gemaakt. Het zijn de brieven, die ik hem op onderscheidene tijden geschreven heb. Deze heeft hij in een groot pak gesloten, en zijn moeder verzocht ze mij na zijn dood terug te zenden.Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten.Zoo luidt het opschrift, dat hij er met eigen hand op geplaatst heeft. Ziedaar Rob geheel! nooit was er vroolijker godsvrucht, dan de zijne. Hij sprak van den hemel, zooals een kind er van spreekt, als of het alleen een hoogere verdieping van onze tegenwoordige woning was. Hij had niets van sommige menschen, die nooit het woord dood of eeuwigheid in den mond nemen, zonder eerst een benauwd gezicht te zetten, een hangenden lip te trekken, en hun stem zoo diep als zij kunnen uit hun onderbuik te doen opkomen. Dezulken spreken van den hemel met een gelaat, dat men er bang van wordt. Niet aldus mijn vriendRob. Midden in zijn grappigste scherts kon hij op eens aan zijn woorden een luimig-verheven wending geven, die u in het hart greep; maar in hetzelfde oogenblik was hij, als een eekhorentje,[77]dat langs een hoogen boom op en neder klautert, reeds weder beneden, en sprong u om de beenen. Met den dood was hij zoo familiaar als met zijn eigen geraamte. Hij kon sermoenen tegen hem houden, dat u de tranen over de wangen liepen. Dat noemde hij zijn gymnastische oefeningen om langs zijn ribben naar boven te leeren klimmen. „Och,†zei hij, „het geheele leven is niets dan een groote mastklimmerij; boven hangen de prijzen: beneden staan wij jongens te gapen. Het komt maar op het durven aan; één goede zet, en men is er! drommels, als de paal maar zoo glad niet was!â€â€”Maar gij zijt er nu toch, goedeRob! en uw prijs zal niet van de minste wezen.Ik dacht gister het lijkfeest van mijn vriend niet beter te kunnen vieren, dan door den ganschen dag aan het lezen van zijn Correspondentie te wijden. Ik rangschikte al de brieven, over en weêr geschreven, bij elkander, en had dus bijna de geheele geschiedenis voor mij. Dat was een aandoenlijke lektuur. Nooit had ik ROB zoo lief als gister; nooit voelde ik zijn waarde beter; hij won zeer bij de proef, die anders zoo hachelijk is, van op eens in zijn geheel gezien te worden. De meeste menschen, aldus opgezet, zouden al een vrij wonderlijk misgewas vormen. Bij menigeen zou het eene been het andere verloochenen, en de eene arm de anderen parodieeren. Geheel anders bijRob! Zijn geheele zedelijke gestalte was fiksch en frisch uit de kluiten gewassen, en droeg alles op de rechte plaats. Niets versteld of bedorven door ontijdige rijpheid of tragen groei, maar een geregelde en gelijkmatige ontwikkeling van kind tot knaap, van knaap tot jongeling, van jongeling tot man. Zijn hart had alle graden doorgeloopen, even als een soldaat van verdienste bij dearmée. Van daar was zijn gansche morele constitutie zoo gezond; zijn leven had niets van een verknoeide teekening, waarin de gom-elastiek beurt gehouden heeft met het zwart-krijt, en waaraan meer tijd is zoek gebracht met uitwisschen, dan met teekenen. Wat er stond, dat stond er, en dat stond er goed. Bij hem schreide de dag van heden niet over den dag van gister, noch verzamelde dampen voor den dag van morgen; maar de maandag gaf de hand aan den zondag, en de dinsdag aan den maandag. Toen ik dat zoo zag, werd ik bewogen bij de gedachte aan zijn afsterven. Het is jammer, weêrgaloos jammer, dat de Dood dit drama gestoord en de gordijn heeft doen vallen eer het was afgespeeld; er moesten nog zulke treffende passages komen. Mijn goedeRob! ik had u nog zoo gaarne eens alspère noblegezien! en, indien ikhethad mogen beleven, welk een beminnelijke vertooning zoudt gij als grijskop gemaakt hebben! Mij dunkt, ik zie u met een krans van jeugdige vroolijkheid om het rimpelig hoofd; met een vergenoegd lachje op de dorre wang, als een zonnestraal op herfstloover; met een schat van wijsheid verrijkt, als een honingkorf in den winter. Ja, een honingkorf! dat zoudt ge geweest zijn. Uw ondervinding zou niet, als bij zoo velen, zoete druiven in zure eek veranderd, maar uit de bloemen op uw levensweg enkel zoetheid gepuurd hebben: Gij hadt altijd een afkeer van menschen wier[78]ervaring het zure opschriftwinazijnmakerijaan het hoofd droeg. Gij, integendeel, zoudt uw vreugd genoten hebben als een Epicurist zijn wijn; hoe ouder, hoe beter. Ik vooral,Rob, ik had u zoo noodig gehad. Gij hadt voor mij de zware slippen van den rouwmantel, dien rijper leeftijd den menschen telkens om de schouderen hangt, (oude menschen zijn ongequalificeerde noodigers ter begrafenis) moeten ophouden. Gij hadt, als de komiek in de stukken vanKotzebue, met uw onschuldige scherts mijn treurige tooneelen moeten opvroolijken. Gij hadt mij moeten leeren, van mijn oudemans-stokje een zotskolf te snijden, om die den Dood als een duivelbannend teeken voor te houden.HeraclietenDemocriet—zoo zouden wij oudjes arm in arm het laatste eindje van onzen weg gegaan zijn, en malkaâr zachtjes de grafhelling hebben afgeholpen. Maar gij hebt mij leelijk laten zitten, met zoo hals over kop—daar gaat hij!—in de diepte te springen. Nu sta ik er alleen voor; en of ik nu, met onzen vriend uitBayreuth, den Dood al toeroep: „Schud maar toe, schud maar toe! dan kom ik bij mijn bravenRob!†het baat niet.—JongenRob! dat is een leelijke streek van u, zoo maar zonder waarschuwen heen te gaan, en mij met den boel te laten zitten. Daar zal iets over moeten vallen, als ik u weêrzie!Maar wat beschuldig ik u, eerlijke knaap! als of gij er schuld aan hadt? Neen, in u viel het nooit, uw vrienden in verlegenheid achter te laten; had het aan u gelegen, gij, goede ziel, gij hadt ons allen wel laten voorgaan, en gaarne de moeite genomen om, als de laatste van allen, de deur te sluiten. Maar de dood riep u op:en avant seul; en met onwillige kooten volgdet gij en danstet uwpas seul, terwijl gij ons op onze plaats moest achterlaten. En nu ben ik zeker, dat gij den dood nog wel eens een goed oog geeft om ons ook te komen halen. Trouwe vriend, die ge zijt!Wat liggen ze daar koel, die uitboezemingen van twee warme harten. Op het oogzoumen het even goed voor rekeningen kunnen aanzien.—En zijn het in zekeren zin geen rekeningen? rekeningen van hetgeen het hart aan de wereld, de verbeelding aan de wezenlijkheid betaald heeft? of liggen daar niet zoo veel gedachten, gewaarwordingen, wenschen en begeerten, die sedert als verouderd hebben moeten worden weggedaan, om, tot duren prijs, door andere te worden vervangen? En kon men er niet een zulke of dergelijke nota van maken?Een ouderwetsch kleed van UEd. nieuwmodisch en pasklaar gemaakt.Een grooteoptica-spiegel tot een scheerspiegeltje verkleind.Van een oude gedamasceerde kling een pennemes gemaakt.UEdelenszevenmijlslaarzentot pantoffels versneden.De glazen uit UEd. teleskoop verslepen en in een bril gezet.UEd. nationale vlag tot een vlaggendoek voor UEd. lendenen vermaakt.Een gewezen vrijheidsboom van UEd. voor een mangelrol in orde gebracht.Van een metalen standbeeldje een keukenvijzel gegoten.[79]Op onderscheidene tijden duiven uit UEd. vlucht geplukt en gelardeerd.Is het zoo niet? Ik kan het niet zonder droefheid aanzien. Anders geeft mij het gezicht van gekwiteerde rekeningen genoegen; het is voor mij altijd een vroolijk uur, als ik in het begin van de maand Januari mijn physiologische schuldvorderingen, die koningen van verschrikking, zoo alsBellamyze noemde, als tamgemaakte kwitanties aan een koord rijg, en nu zeggen kan, dat ik ten minste van dezen kant mijn rekening met het afgeloopen jaar gesloten heb. Maar deze psychologische kwijtbrieven, waarin het bewijs berust, wat ik al in den loop van verleden jaren aan de firma vanpubliek,mode,etiquette, kortom aan dien geheelen Jodenhoek betaald heb, doen mijn oog minder aangenaam aan. Het is wel goed, dat ze betaald zijn: het zij verre van mij te zeggen, dat ik insolvent had willen blijven; maar zij hebben mij evenwel veel gekost. Ik schijn hier de tering nietzoo welnaar de nering gezet te hebben, als ik in ’t burgerlijke leven gewoon ben. Hier en daar zijn kleine posten, waarvoor ik ongehoord veel betaald heb; en nu en dan viel mij zelfs de rekening zoo uit de gis, dat ik er nog krom om liggen moet. Dat deed mijn vriend Rob beter; hij wist altijd voor alles den juisten tijd, en slaagde er in, zich er bijna geheel zonder schade door te redden. Had hij naar zijn berekening zijn uitvliegduifjes lang genoeg gehad, dan was het met een vroolijk gezicht: „Komaan, jongens! de pan wacht!â€â€”en in een oogenblik had hij ze den kop omgedraaid, en zat ze op te peuzelen zonder er iets van te weten. Ik daarentegen hield de mijnen over den tijd, zoodat ze taai werden, en als ze dan eindelijk op tafel kwamen, at ik ze met tranen in het oog, en zag aan mij bevestigd, wat men zegt, dat duivengebraad zwaarmoedig maakt. Bemerkte hij, dat men hem vreemd begon aan te zien, omdat hij te lang met een rond buis liep, eer iemand er om dacht, had hij er een paar panden aan gezet, die hem deftig over de kuiten hingen. Op iedere auctie deed hij wat van zijn oudheden, en kocht daarvoor wat nieuws in de plaats, zoodat hij altijd in zijn doen bleef. Met één woord, hij wist zijn slag waar te nemen, en altijd ter rechter ure te verkoopen.Rob, Rob! dat gij heengegaan zijt, zonder mij die kunst te leeren.En ben ik dat nu? Met dat gevoel, waarmede een volwassene voor het portret staat, dat men van hem als kind gemaakt heeft, doorlas ik mijn eigen brieven, die mij het portret van mijn zedelijk Ik voorhielden. Immers, gelijkender kon ik mijzelven niet zien; hier zag ik mij niet in een teekening door anderen gemaakt, maar, even als bij de Daguerrotype, door de natuur zelve gemaald. Zoo verre iets, dat het wezen zelve niet is, van het wezen een denkbeeld geven kan, vond ik hier mijzelven terug. Wonderlijk, wonderlijk, hoe menigmaal was ik zonder mijn eigen beeld te herkennen! het was goed, dat mijn eigen hand daarop het onvervreemdbare zegel geplaatst had, anders zou ik het ruiterlijk voor eencontrefaçonhebben uitgemaakt. Maar ik kon mij niet bedriegen; het moest zoo zijn. Daar zag ik dan, even als in[80]een bewegelijk panorama, mijn gansche inwendige leven achtereenvolgens voor mijn oog voorbijgaan. Daar zag ik den knaap nog eens den vlieger oplaten en met den bal slaan: den jongeling nog eens droomen dichten en gedichten droomen; den jonkman aan de voeten vanBetsyzitten en van de voeten vanBetsylosscheuren; den man den strijd met het werkelijk leven aanvangen, beurtelings overwonnen worden en overwinnen. En op ieder tooneel vond ik, even als bij onze oude schilders, één zelfde geliefde figuur weder: de figuur vanRob. Hij was bij alles tegenwoordig; zijn snakerig gezicht stak overal door de een of andere opening: zijn stem klonk door alle zuchten en tranen heen:Du courage! Du courage!Les amis sont toujours là !De goedeRob! Ik heb nooit geweten, dat hij zoo zacht en week was. Maar als ik nu zie, hoe hij onder alle omstandigheden met mij heeft omgesprongen, vind ik daarin een gevoeligheid van ziel, die mij treft. Nergens een hard oor of een hard hart; maar overal een Jobs-geduld om mijn klachten aan te hooren, en een Jobs-gemoed om in mijn smart te deelen. Het is waar; hij gaf mij daarin nooit toe, noch kwam op den slijkhoop naast mij zitten, om de tweede partij van mijn Ach! en Wee! te zingen. Maar hij viel er ook niet met een onbarmhartig Ai! en Foei! tusschen. Hij versnelde de maat alleen een weinig, en zette het motief, dat hij trouw behield, eenvoudig wat luchtiger om. Eer ik er om dacht, had hij het sleependemaestosoin een deftigmoderatoveranderd. Van waar had de jongen dat verstand? ik weet het niet; maar nu, van achteren beschouwd, kan ik het niet dan met verwondering zien, hoe veel oordeel en levenswijsheid hij daarbij heeft aan den dag gelegd. O, nooit kan ik het genoeg erkennen, wat hij voor mij geweest is; de natuur had hem naast mij geplaatst, om, als een koperen naast een dunner snaar, mijn toon te steunen en te versterken. Als hij er niet geweest was, die toon ware lang valsch en ontstemd geworden, en de speler had mij als een onbruikbaar vod kunnen wegwerpen. Nu kan ik het des noods zonder u stellen, mijn trouwe bas, mijn tweelingsbroeder ROB.Is dat alles één mensch? Zoo vroeg ik verwonderd, wanneer ik soms een van mijn eerste naast een van mijn laatste brieven leide; ik had moeite het mij te overreden. Maar een oog op de verschillende trappen geslagen, die ik langs was geklommen, benam mij welhaast mijn bevreemding. Hoe langzaam en regelmatig is die overgang! niet ongelijk aan de beweging van onze aarde, die in vierentwintig uren toch ook een geheele wenteling om de spil maakt, zonder dat wij er evenwel iets van bemerken. Het is zonderling en treffend, die ontwikkeling na te gaan. Men lacht zoo dikwijls met dat spreekwoord:Een mensch verandert om de zeven jaar. Maar, naar mijn inzien,ligter een ware en diepe les in. Wie er om spotte, ik neem het alsthesisover en ben bereid diepublice etsolemniterte verdedigen.[81]Willen wij een proef nemen?1–7. Het kind in de kinderkamer.7–14. Gij zult erkennen, dat de jongen op de speelplaats een geheel ander wezen is. Ik ten minste zie kans u, na zeven jaar, het eene kind voor het andere in de hand te stoppen.14–21. Waar vindt gij nu den knaap in den jongeling? den woeligen, dartelen schalk in den peinzenden, verliefden Dichter?21–28. Hier hebt gij den overgang uit het dichterlijke in het wezenlijke leven: de eerste en heiligste verbintenis, de eerste vadervreugde. Wat dunkt u? de jongeling, met zijn armen uitgestrekt om de wereld aan zijn boezem te drukken, en de echtgenoot en vader, die niet weet hoe hij zijn armen eng genoeg om vrouw en kind klemmen zal,—zijn dat geen twee verschillende wezens?28–35. Nu worden zeker de overgangen minder scherp, maar evenwel blijven ze voor het fijne oog toch nog merkbaar genoeg. Nu maakt zich de eerzucht meester van het hart, waarin tot dusverre bijna alleen de liefde heerschte; de huiselijke kring wordt te nauw: men breidt zich naar buiten uit; men wil meê de hand aan ’t roer hebben. NB. De zon, die bij hare daging rozerood was, begint gedurig meer naar het goudkleurige te trekken.35–41. Zij is heel en al geel! de hebzucht is bij de eerzucht gekomen. Men heeft een grooten staat te voeren; men heeft zoons te plaatsen, dochters uit te huwelijken; men begeert zich door zijn kinderen, en zijn kinderen door zich te verheffen.42–49. Men heeft de gewenschte hoogte bereikt en geniet de gemaakte veroveringen. Men is buiten geëerd door het publiek, en binnen gelukkig in zijn betrekkingen. Men krijgt een onderkin en staat als peter over zijn kleinkinderen.49–56. Men vangt aan zich terug te trekken. Men ziet zijn vrienden sterven en begint naar rust te verlangen. Men bedankt voor alle lastposten en houdtalleende winstgevende aan.56–63. Men ziet in ’t geheel geen menschen meer; men wandelt veel en gaat trouw te kerk; men wordt hypochonder en neemt een lijfmedicus aan.63–70. Men begint zich gereed te maken voor de afreis. De rekening courant wordt opgemaakt, de overbodige lading over boord geworpen en stichtelijke artikels ingenomen.70–77. Men sterft, natuurlijk als men niet eer gestorven is.Ziedaar in eenige groote trekken de voornaamstenuancesopgegeven, die toch kennelijk genoeg van elkander onderscheiden zijn. En niemand meene, dat ik hem met deze beschrijving heb willen veroordeelen. Geen gedachte is verder van mij. Integendeel, zóó of zóó omtrent moet het gaan, indien alles wel zal gaan. Zóó moet men, als de zon, achtervolgens de verschillende teekens van zijn aardschen dierenriem doorloopen, en nu eens, in het teeken van Leeuw en Ram, zijn jongelingskracht in tegenstand tegen de wereld oefenen; dan in het[82]teeken van Maagd en Waterman, zijn minneleed beschreien; dan, in het teeken van Weegschaal en Schutter, mannelijk oordeel met mannelijke vaardigheid leeren paren, om ten laatste, in het teeken van Kreeft en Visschen gekomen, zijn vaart te vertragen, en zachtkens een weg ten einde te brengen, dien men met zoo veel vuur en geestdrift is opgestreefd.Dat is de orde en de wet der natuur, en ongelukkig, die haar wil omkeeren; hij wordt voor zichzelven even ellendig als nutteloos voor anderen. Er is een tijd van bloei, een tijd van dracht en een tijd van verval; die tijdperken moeten elkander vervangen, zonder op malkaârs grondgebied te treden. Ik wil kleur in de lente, geur in den zomer, en vrucht in het najaar. Eerst groen en wit, dan blauw en rood, dan geel en bruin. Zoo was het bijRob. Hij was altijd gelijk met de verschillende saizoenen: als men dacht, nu moet er haast dit of dat komen, dan kwam het ook. Hij was geen broeiplant, die zijn roode vruchten tusschen de sneeuw droeg, en even weinig een ziekelijke nablijver, die met zijn zure vruchten aankwam, als men hem al vergeten had; hij was een gezonde klant, die zoo precies op zijn tijd paste als de zon zelve. Ik moet bekennen, dat hij mijn traagheid wel eens heeft moeten voortduwen: „Toe dan,Jonathan! maak voort, jongen! waarblijf jedan?†en dan kwam hij als een moreleDonAntonio Maginomet zijn weêrtafel, en wees mij: „heden zonneschijn en mooi weer†of als een Tuinmans-Almanak: „heden deze of die vrucht!†en als die dan zoo spoedig niet uit den dop wou vallen, dan draaide hij mij een weinigje in de zon en was niet tevreden, eer ik mijncontingentgeleverd had. Mijn goedeRob! Wie zal nu het oog over mij houden?Gij maakt daarom uit het gezegde toch niet op, dat Rob een zoogenaamdsolidemensch was, die op zijn valhoed reeds met de kroon der zeven Grieksche wijzen liep, uit zijn tafelstoel les gaf over de differentiaal-rekening, en bij zijn opgeworpen bal de nuttigheid van laag gooien en dikwijls vangen betoogde. Gij zoudt u bedriegen. Daarvoor was hij veel te veel in de natuur. Neen, hij geloofde wel degelijk, even als ik, dat er een jeugd aan den mannelijken leeftijd, een tijdperk van bloei aan dat van vruchtbaarheid moet vooraf gaan. Ik zet het u, van die vroegrijpe menschen een mensch te maken als mijn Rob! Er moet in den jongen mensch wat overvloed van leven zijn. Als de kunstenaar een beeld wil gaan houwen, dan neemt hij geen blok, dat juist zoo groot is als het beeld, dat hij maken wil, maar hij neemt een vierkanten klomp, waar de ruwe kanten nog aan zitten. Daar zit dan het beeld, dat er uit moet komen, wel in, maar eerst moet de buitenste schors wegvallen. Ha! hoe er dan onder zijn krachtigen beitel de stukken afvliegen! hoe het beeld overal het marmer pijnlijk van het lijf wordtgescheurd! het zucht onder de ruwe slagen van zijn formeerder! maar let op! daar beginnen de houwen reeds af te nemen; telkens valt het wapen zachter neder; heerlijk komt het[83]beeld uit zijn ruw omkleedsel te voorschijn! Nu worden nog de laatste scherpe hoeken en kanten afgeslepen, geëffend en gerond, de proportiën gedeeld en de lijnen gebogen. Daar staat nu de koningsgestalte, glad als ijs en zacht als satijn! Dat is beeldhouwen! dat is menschen-formeren!Wilt gij hooren wat er de Wijze vanBayreuthvan zegt?Gij lieden wilt derhalve reeds bij den aanvang datgene krachteloos te velde doen trekken, hetwelk door den tijd en de wereld buitendien toch genoeg wordt ontzenuwd? Wat is al de winst, die de jongeling uit het vermijden van eenige mispassen en verkeerde inzagen trekt, gerekend tegen het ontzettend verlies, hierin gelegen, dat hij, zonder het heilige vuur der jeugd, zonder vleugels, zonder groote plannen, met één woord, zoo naakt het enge leven inkruipt als de meeste het uitkruipen? Hoe kan zonder den idealengloed der jeugd het leven tot rijpheid komen, of de wijnstok zonder den gloed der oogstmaand? Het schoonste, hetwelk door de menschen verricht werd, al ware het ook in hun koude jaarsaizoen, was nimmer iets anders, dan de slechts laat opkomende zaadkorrel, die door den boom des levens in het paradijs was voortgebracht. Of zaagt gijlieden nooit, hoe een mensch door eenig goddelijk beeld uit zijn jeugd, het geheele leven door, bestuurd en geleid werd?—En wat toch wilt gij in de plaats geven van dit leidende wagengestarnte?—wat anders dan den broodwagen der schrandere eigenbaat?Touchez là , mon ami!Dat is naar mijn hart gesproken. Zoo mag ik het hooren van iemand, wiens wijsgeerige geest hem boven de verdenking verheft, waaronder ik lig, van somtijds met molentjes te loopen. Sterk door uwe goedkeuring verhef ik mij dus moedigtegenhet kwaadwillig oog van zoo velen, die mij, om deze kruisvaart tegen den kunst-ouderdom, dien men den kinderen, even als de koepokken, wil inenten, voor een Socratischen jeugdbederver houden. En zoo dacht ook mijn vriend Rob, die mede een vriend van u was. Hij had een ingeroesten haat tegen de gepoeierde kinderknikkers en gewapende kinderdijtjes van vóór vijftig jaren! een jong mensch, die niet hooger zag dan zijn hoofd en niet verder reikte dan zijn armen, was hem een walg. Hij verlangde daarom niet, dat men juist tegen de maan stond te grijnen, en nooit dan met een natten neus naar de sterren keek. Zijn jongelings-geestdrift openbaarde zich geheel anders; zij ademde dienzelfden geest van losheid en vroolijkheid, die zijn geheel wezen kenmerkte. Hij kon in zijn dartele buien met de maan omspringen, als droeg hij ze, even als de tooneelspeler inShakespeare’sMidsummernights-dream, lantarensgewijze onder den arm en met de sterren leven als de Koningin der Nacht in deTooverfluit, die ze alspaillettenop haar zwarte japon draagt. Maar in die scherts lag daarom niettemin het geloof aan een hoogere wereld en het gevoel van behoefte daaraan. Als hij over de vele woningen, die de groote stad, welke wij Heelal noemen, vervullen, met zulk een[84]gemeenzame vertrouwelijkheid sprak, en dan, met zijn geest door al die geheimzinnige lichtpaden dwalende, liep raden, waar hij zijn huis vinden moest.…! maar ik zie er van af om er u eenig denkbeeld van te geven: gij hadt hem zelven moeten hooren! Zijn uitvallen waren van die, die men alleen met een gesternden hemel boven zich herhalen kan. Vraag er mij eens naar, als wij ooit samen op zulk een tooneel staan. Genoeg, dat het hem aan geen sentimentaliteit ontbrak. Er lag in zijn Zomernachts-droomen, onder den schertsenden toon waarin hij ze voordroeg, een diepe en verheven zin van heimwee en godvrucht, of, zoo als hij liefst zeide, omdat dit woord den geheelen geest van zijn vroomheid uitdrukte,Godzaligheid! Het gebeurde somtijds, dat ik daarbij geen lichten glimlach van mijn lippen weren kon, maar nooit, dat niet de tranen des innigsten gevoels zich naar mijn oog drongen! Geen woorden kunnen uitspreken, wat wij ontwaarden, als wij na zulk een hemelwandeling elkaâr de hand drukten.—Hoe zult gij nu wandelen,Rob!Vraagt ge dus, of ik alles, wat ik daar geschreven voor mij vind, nog met baat en schade op mijn tegenwoordige rekening zou willen overnemen, de goede Hemel beware mij! dat ware de paarden achter den wagen gespannen. Maar vraagt ge aan den anderen kant, of ik met hoogmoed en medelijden op die uitboezemingen van jeugdig gevoel en overvloeiend leven neêrzie, ook dit ontken ik volstrektelijk. De mensch had beter kunnen zijn, maar wat den weg betreft, dien hij gevolgd is, ben ik nog zoo ontevreden niet. Het is waar, dat er menige uitbarsting van dwaas jongelingsgevoel onder doorloopt. Te droes, hoe zoudt gij lachen, als ik die oude doos eens opendekte. Wat zou er al niet voor den dag komen! Welk een menigte van werelden en zonnestelsels! welk een drom van engelen en aartsengelen! welk een stoet van droombeelden in volle kostuum, met een zon op de borst, een halve maan op den tulband en een borduursel van sterren rondom den mantel! Welk een rommel van zangen, geuren, klanken, en wat verder zou worden te voorschijn gebracht! En toch schitterden er soms door dien verwarden hoop vonken van nuchter oordeel. Van dien aard zijn bij voorbeeld de volgende losse spreuken, die ik nog niet terugneem.Het is een schoon geloof, dat de Egyptenaars hunne graven met pyramiden deed dekken: geloof aan de Toekomst. Maar schooner nog is het geloof der Christenen, die hun grafheuvels met een houten kruis versieren: geloof aan de Onsterfelijkheid. Even zoo was er iets treffends in de gewoonte der eersten om hunne lijken te balsemen; maar dat wij ze niet balsemen, is treffender, wetende dat de Engel der opstanding uit verderf onverderfelijkheid scheppen zal.Geven en ontvangen is als de regen. Dezelfde regen, die frischheid aan de aarde geeft, geeft helderheid aan den hemel.[85]Als de vrucht zich gaat zetten, valt de bloesem af. Zoo ook met ons. Wij beginnen geen vrucht te dragen, eer de bloesems der jeugd verstrooid zijn.Voor sommige menschen is het leven een vastland, geheel aarde; dat zijn de aardsgezinden. Voor anderen een eiland, geheel zee, buiten verband met iets rondom of boven zich; dat zijn de egoïsten. Voor anderen een landtong tusschen den oceaan van twee eeuwigheden; dat zijn de ongeloovigen. Voor sommigen eindelijk eenBethel, door een ladder met den hemel verbonden; dat zijn de vromen.Men begeert zich met het geluk als met een gouden keten te versieren, en bedenkt niet, dat het slechts een gulden ader is, die door den zandgrond onzes levens loopt: het geluk is geen kleed, door anderen vervaardigd, dat men slechts heeft om te slaan; het is een zijden huis, als dat der wormen, uit onzen eigen boezem uitgesponnen.Betrekkingen zijn voor den mensch op aarde, wat de aardkluit, die met de bloem verplant wordt, voor deze is; zij doen hem vergeten, dat hij hier niet te huis behoort.Die een leven vol weldaden achter zich laat, vindt, even als klein Duimpje in de fabel, teruggaande, het spoor der uitgestrooide broodkruimen verdwenen. Alleen de beleedigingen blijven, even als de steentjes van den houthakkersknaap, getrouw liggen.De mensch wordt dikwijls wijs ten nadeele van zijn geloof. Het was een schoone onkunde, die den schepeling naar den hemel deed opzien, om er de star te zoeken, die zijn tocht regelde; nu heeft men het kompas, met andere woorden, men heeft den hemel niet meer noodig.Onlangs zag ik een kind, dat gedurig beproefde een ladder met de handen rechtop te plaatsen om er vervolgens op te klimmen. Natuurlijk sloeg de ladder telkens tegen den grond. „Jantje!†zei de vader, „gij moest dat laten! Ziet gij niet, dat gij u zelven niet houden kunt?†en daarop ging hij bedaardelijk voort met mij te betoogen, dat in zaken van godsdienst de rede volkomen voldoende was.Iemand, die louter godgeleerde is, ziet den hemel achter, de vrome vóór zich; de eerste ziet het kruis alleen in den Bijbel, de laatste, even alsKonstanstijn, in de wolken. De vrome staat tot den godgeleerde als een inboorling, die de taal des lands van kindsbeen af gesproken heeft tot een vreemde, die haar spraakkunstig heeft moeten aanleeren. Nu kan de vreemde de gronden van zulk een taal wel beter kennen, maar de inboorling verstaat en spreekt haar toch beter.[86]Het leven is als de hooge bergen: slechts aan den voet groeien bloemen.Hartstocht is zwakheid; daarom bemint de vrouw meer dan de man.De kritiek handelt met de geniën, even als de oude Schrijver van het Scheppingsverhaal met de hemelbollen; zij meent, dat de werelden des dichters om haar geschapen zijn.Zucht naar meerdere volkomenheid; ziedaar de ware behaagzucht.De verborgenheden Gods zijn even als de vlekken in den Melkweg; de gewone mensch ziet ze voor vlekken aan, en de sterrekundige vindt er bij onderzoek nieuwe wereldstelsels in.Schoonheid is voor den man een feest-, voor de vrouw een bruiloftskleed.Ware liefde ontleent, even als de moederliefde, kracht uit smart.Sommige menschen schijnen geboren omgelukkigte wezen: ze zien slechts licht en helderheid voor zich, en wanneer er als soms donkerheid op hen daalt, sluiten zij er de oogen voor, zoo als sommige bloemen zich ’s avonds sluiten, en eerst weêr opengaan als de morgen daagt.Trouw is het geheugen van een beminnend hart.De ware proefsteen der menschelijke deugd is detoetssteen, die zijn graf bedekt.De aardsgezinde is als regen, die één wordt met den grond, waarop hij neêrzijgt; de betere mensch verkeert op aarde als de sneeuw, die waar zij valt, den grond verzilvert.De schrijver kieze zich een geheel volk ten voorwerp zijner bemoeiingen, doch wachte zijn geluk alleen van zijn huiselijken kring. Maar daarom heeft dan ook zijn gezin een gewichtige taak te vervullen: van wege de goeden heeft het in last hem de liefde te bewijzen, die zij hem niet bewijzen kunnen; van wege de kwaden heeft het de zending, hem de bitterheid te vergoeden, die zij hem aandoen. Wee hem, als ook deze steun hem ontvalt: de Dertigen buiten, en Xantippe in huis!Rampen zijn den vrome even als hagelsteenen, die dreigend neervallen, maar die de aarde als heilzaam vocht in haar schoot opneemt.[87]Voor sommigen is de kruisberg een goudmijn: dat zijn de priesters. Voor anderen is hij deHelicon; dat zijn de geleerden. Voor anderen is hij de berg des Heeren: dat zijn de vromen. Voor anderen eindelijk is hij niets dan een berg: dat zijn de ongeloovigen.Ziet gij? deze losse gedachten, en nog veel meer andere van denzelfden aard, kan ik thans nog overnemen, zonder dat ik ze in mijn tegenwoordigen leeftijd en op mijn tegenwoordig standpunt behoef te verloochenen. Maar ik beken, dat daartegen menige bladzijde overstaat, die ik voor geen lief ding onder het oog van mijn deftigen lezer zou durven brengen. Ja, zal ik het bekennen! toen ik daar die brieven zoo zat te doorbladeren, verheugde ik mij, dat ze, door de kiesche beschikking vanRob, in mijne, en niet in een anders handen geraakt waren.En toen kwam ’t mij op eens met schrik in de gedachte, dat Rob niet de eenige is, die zulke brieven van mij ontvangen heeft.Wel, wel,dacht ik, indien het nu een van mijn vroegere Correspondenten eens inviel, al mijn brieven nog eens in te zien, hoe zal hij om de droomerijen van den kinderachtigenJonathanlachen! Hij is in staat mij in alle deftigheid voor een dwaas uit te maken. Wilt gij het gelooven? Dit denkbeeld greep mij met zulk een siddering aan, dat ik terstond op een middel begon te denken om hem tot betere gedachten omtrent mij te brengen. En waar vond ik dit eindelijk? In eenCirculaireaan al de vrienden, die ik hier plaatsen zal, hopende dat zij hun aldus onder de oogen mogen komen.(Met uw verlof, waarde Lezer, die niet tot dit getal behoort!)Mijnheer en Vriend!Daar de correspondentie, die ik vroeger de eer had met u te houden, sedert is afgebroken, ben ik zoo vrij mij langs dezen weg tot u te wenden. Het zou namelijk kunnen gebeuren, dat UEd.mijn brieven van vroegeren tijd—bijv. bij gelegenheid van het beplakken van een nieuw te behangen kamer, of dergelijke—nog eens onder de oogen kreeg. In dat geval zou ik reden hebben, mij voor UEd. te schamen. Want ik meen wel te weten, dat er in die brieven meer dwaasheden gevonden worden, dan met uw verstand en soliditeit strooken. Maar met uw verlof zou ik gaarne zien, dat UEd. daarnaar ook mijn verstand en soliditeit niet beoordeelde. Want, als het niet te onbescheiden is mijzelven te prijzen, mag ik wel zeggen, dat ik een geheel ander mensch geworden ben, en ofschoon niet volkomen zoo degelijk als UEd., toch strevende om UEd. daarin meer en meer nabij te komen. UEd. gelieve alleen te weten, dat ik tegenwoordig voor mijn correspondentie even zoowel mijn liassen heb met opschriften als:Rekeningen,kwitantiën,brieven, enz. als UEd. in uw kantoor. Zoodat UEd. ziet dat ik nu een bedaard en deftig burger ben. Indien UEd. dus[88]de goedheid wilde hebben, die bewuste brieven eens voor goed te verbranden? Doch al mocht UEd. daarin (uit zuinigheid) bezwaar vinden, hoop ik nogtans, dat UEd. na de gegeven inlichting, mij omtrent het bewuste artikel van uw oordeel over mijn verstand wel te wille zal willen zijn. In welke verwachting ik de eer heb met de meeste achting te zijn,Mijnheer en vriend,UEd. gehoorzame Dienaar en VriendJonathan,Zie zoo! Dat zou Rob nog goed doen, als hij het las! De arme Rob, hij zal het niet lezen! en hij zal het niet zien ook, hoe ik langzamerhand al verstandiger en verstandiger zal worden, zoodat ik eindelijk op den stroom der wereldsche dingen zal drijven als een pluim, hop-hop, van boven naar beneden, zoo als het de golven belieft. Dat zal het toppunt van mijn glorie zijn—en van de zijne ook. Want als ik ooit zoo ver kom, moet ik zeggen dat er hem de grootste eer van toekomt. Wat zal hij dan verwonderd opkijken, als hij mij weêr ziet! Hij zal zijn eigenJonathanniet meer kennen.—Wat heb ik gezegd,Rob? Neen, de menigte moge van mij zeggen: „Wat is MijnheerJonathanveranderd! hij is nu de ordelijkste man, die men zien kan!—†maar voor u, mijn vriend, verander ik niet. Is het niet zoo? Boven is een jong hart geen contrabande?Geen antwoord!Anders kreeg ik altijd antwoord.Foei mij!… goed datRoberthet niet ziet.Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten,—luidt het zoo niet? Welnu wat tob ik dan? Lig daar, mijn legaat! Gij zoudt mij week maken. Ik wil aan ’t werk. „Jongen,†zei Rob mij wel eens: „Wat zijn de menschen toch dwaas. Zij roepen om den hemel, en loopen er zoo hard van daan als zij kunnen. Wilt gij er heen, maak dan, dat gij hier beneden gedaan krijgt.Vandaagklaar, morgen t’huis; dat gaat vast! Er is geen accurater beurtman, dan de Snelheid, KapiteinMors.—Welaan dan! aan ’t werk. Zoo hoop ik welhaast mijn goeden vriend na te kunnen zeggen: Alles klaar! en dan—dan is er een einde aan mijn klacht:„Mijn goede vriendRob, hij is dood!â€[89]1Een uitdrukking vanClaudius, van wien hij veel hield.↑
[Inhoud]HET SCHAAP.Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!„Zulke gekken zijn er meer!†zult ge zeggen.Om u te dienen. Maar die wensch welt echter bij deze bijzondere gelegenheid niet uit de onzuivere bron, waaruit gij haar misschien, in de vaardigheid van uw geest, reeds hebt afgeleid. Gij schreeft hem misschien aan ietsmenschelijkstoe, en ik had er ietsdierlijksbij op ’t oog.De zegen van alle ezels overYorick! Wel mocht men op zijn graf, naast een schreiendgenietjemet bolle wangen, een mager grauwtje plaatsen, dat met gebukten hoofde eenige wilgenbladen uit den bek op zijn lijksteen laat vallen; en naast zijn titel vanφιλάνθÏωποςdien vanφιλόνοςschrijven. Men moet ezel zijn, om te kunnen gevoelen, wat dit geslacht aan hem verplicht is. Menige koning, die onder marmer slaapt en er zijn Hofdichter op nahield, heeft geen lijkrede gehad, gelijk de doode ezel op den weg van Nampont; en nooit is een maaltijd, zelfs niet een Instituut van kunsten en wetenschappen, meer door welsprekendheid of poëzie verheerlijkt, dan de maaltijd van artisjokken van den ezel op de straat vanLyon.—Als men mij recht verstaan wilde, zou ik zeggen, er was iets van den ezel inYorick! zijn week hart stond open voor alle smart, maar de langoor had daarop de eerste rechten. De armeMariavanMoulinsen de Gevangene uit zijn visioen teParijszelve lokten geen klaarder droppels uit zijn zacht oog. Zijn mededoogen had niets van de rhetorische verontwaardiging vanBuffon, waaraan niemand gelooft; hij versierde zijn held met geen deugden, waarvan niemand iets bemerkt; hij had deernis met hem—als met een ezel, een leelijk, ongelukkig, verschopt dier, dat men nog hatelijker heeft zoeken te maken door het te vergelijken met menschen, met wie het, des bewust, alle verwantschap vol afkeer en verachting verloochenen zou. Ik ten minste kan, sedert ik het eerst overSterne’sgunsteling schreide, geen lotgenoot van hem zien, of ik voel iets wonderlijks bij mij opkomen, dat onmiddelijk de telegraaf tusschen mijn hart enoog in beweging brengt, en als ik gelegenheid vind, ga ik een oogenblik naar hem toe, en streel hem den ruwen hals en raap[61]een koolstronk voor hem op, die buiten zijn bereik ligt, en zie hem bij zijn vertrek zoo lang na als ik kan, en ga daarop even als hij met gebogen hoofd en sleependen gang, verder.Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!Dan zou ik zien, wat ik voor het schaap doen kon.Ik weet wel, dat geenelegiehet lot van eenig beest verandert, en dat, uitgezonderd bij wijsgeeren en Poëten (zie den oudenShandy), geen lijden wordt weggeredeneerd of weggedicht. Maar wie weet toch, of niet hier en daar een enkele goede ziel, die de goede ziel vanYoricklief had, om zijnentwil, zijn grauwtje een paar slagen minder en een paar handen gras meer gegeven heeft? en al ware het zoo niet; hetgeen ik echter zonder deugdelijk bewijs niet zoo spoedig gelooven zal; dan is het toch iets, dat het arme dier sedert, bij tusschenpoozen, een deelnemend oog op zijn weg ontmoet, en een zachte hand op zijn harden bast voelt. Beklagen, hoe gebrekkig dan ook, blijft toch altijd nog het beste surrogaat voor helpen. En wij zelven, hoe dikwijls moeten wij het ook, in onze beproevingen, met een vijfvoetig vers, in plaats van een vijfvoetige hulp doen!Maar de pen vanYorickis hier niet meer, en blinkt naast de lier vanSaffoaan den hemel! duizend ganzen vielen sedert uit de lucht, en duizend schachten werden versneden, maar de gans, die haar vleugelen aanSterneleende, liet geen kuikens na. En al fluistert men elkander toe, dat de kracht van zijn pen grootendeels in het geheim schuilde, dat hij zijn eigen tranen voor inkt gebruikte, men kan het hem maar zoo niet meer nadoen. Bij hem vergeleken, is het altemaal ezelen-gebalk.Zoodat gij geen reden hebt, veel van de pogingen uws pleitbezorgers te verwachten, mijn waarde kliënt voor de rechtbank der menschelijkheid, arm, ongelukkig schaap! Maar gij zijt zoo nederig en zoo goed, dat ik zeker ben, dat gij het minste, dat ik voor u doen kan, met uw eigen vriendelijk oog zult aanzien; en al ware het, dat mijn pleidooi maar het lot van een enkele uit uw verdrukt ras verbeterde, dat ware, (om in den stijl der voorredenaars te spreken), voor mijn lammerlievend hart voldoening genoeg.Het is ellendig—nooit kan ik mijn oog opslaan, of ik heb datzelfde ongelukkige schouwspel voor mij!Aan de rechter- en linkerzijde van mijn tuin, waarop ik uit mijn kamer het gezicht heb, grenst een strookje lands. Het eene is een hoek bouw- en het ander een hoek grasland; nu vind ik altijd op een van beide hetzelfde schaap weder. Het gezicht van dat beest breekt mij het hart. Het is een oud, vuil, leelijk dier, met lang hair over de oogen, en een kop, waaraan al het fijne en spichtige van een schapen-physionomieontbreekt. Haar voor- en achterpooten zijn met touwen aan elkaâr gebonden, zoodat zij allererbarmelijkst hinkt. Wanneer gij daarvan de reden vraagt, zal men u zeggen, dat het is om haar het verlaten van haar afgeperkte weide te beletten. Lieve[62]Hemel! dat is goed voor jonge, dartele lammeren, die de wereld zien willen en den ganschen dag met hun neus over het bolwerk liggen, waarachter zij ingesloten zijn; die van speelziekte en joligheid niet weten wat ze doen zullen, en telkens het verbodenbastionzoeken te bespringen om den vijandelijken grond stormenderhand te veroveren. Maar mijn tam, lam en stram schaap! op mijn woord, al ontneemt men ze haar voetboeien, zij zal geen enkelen onbezonnen of wilden stap doen. Ziet gij het niet, dat het beest der wereld lang is afgestorven en niet dan een rustigen ouderdom verlangt? Den ganschen dag strompelt zijjunctis pedibusover het grondje heen en weder om haar voedsel tezoeken, of ligt, met den breeden kop op het gras uitgestrekt, te slapen zonder naar iets buiten haar om te zien. Niets is in staat haar uit die vadzigheid te wekken. Zelfs geen ongewoon geluid van den horen der diligence, of de zweep des postiljons, of de trommel van voorbijtrekkende soldaten, maakt haar belangstelling meer gaande. Zij is als een grijsaard, die, in zijn leuningstoel gezeten, van alles zegt: Ik heb dat meer gezien.—Alleen als hetblae! blae!van voorbijgaande lotgenooten haar oor treft, heft zij het matte hoofd even van den grond omhoog, om ze met een onbeschrijfelijke uitdrukking aan te zien, als maakte zij in der haast een vergelijking, wie van hen de ellendigste ware; in welk geval de billijkheid mij noodzaakt te erkennen, dat zij meermalen den troost gehad heeft van te zien, dat er meer zulke ongelukkigen waren als zij. Ik vind het dus hard, dat het beest,dat, even alssommigegevangenen bij het verwoesten der Bastille, haar kerker niet zou kunnen verlaten, al werd er haar de vrijheid toe gegeven; uit kracht van een eerwaardige overlevering, niet met ongebonden pooten zal mogen sterven. Voor alle soorten van schepsels, van de tweevoetige tot de duizendbeenen toe, is gewoonte enetiquetteeen lastig ding!Maar goed! het dier is het mogelijk reeds vergeten, wat het is haar voeten tot haar gebruik te hebben; misschien zou zij met denPrisoner of Chillonzeggen:It was at length the same to me,Fetter’d or fetterless to be.En er is veel kans ook, dat zij, al vielen ook haar boeien af, daarom niet minder kreupel zou loopen. Was nu haar gevangenis maar wat beter! een schaap is voor geen reiziger rondom de wereld in de wieg gelegd, en zou zich nog wel met een klein hoekje kunnen te vreden stellen, als dat slechts niet al te mager is. Maar hieraan is het juist, dat het hapert. Nauwelijks hebben de koeien het kaalgegeten, strookleurige land verlaten om op haar winterstallen het ingemaakte groen te gaan eten, of het schaap wordt in het bezit van het ontruimde terrein gesteld. Met een vroolijk oog groet zij haar nieuw verblijf, en begint dadelijk met de gelegenheid van den grond te verkennen.—Zie haar troosteloozen blik! een vluchtig rondzien is voldoende om[63]haar de verzekering te geven, dat het hier physisch onmogelijk is ooit genoeg te eten. De koeien hebben haar de moeite van te kiezen bespaard, en met de volkomenste onpartijdigheid alle plekken even naakt gelaten. Eerst laat zij zich nog een oogenblik door valsche hoop misleiden; door den afstand bedrogen, schijnt haar gindsche streek toe toch nog een groenen schijn te hebben. Vol verwachting strompelt zij er zoo vlug mogelijk heen; helaas! zij blijkt het slachtoffer van eenfallacia opticageweest te zijn, en, met treurige verwondering over haar teleurstelling, ziet zij op en naar de plaats terug, die zij verlaten heeft. Ei zie, nu schijnt deze haar weêr meer bewassen toe.… eenige pijnlijke stappen, en zij is er, om praktisch te leeren inzien, hoe veel de schijn van het wezen verschilt. Vol lustelooze graagte trekt zij met lange tanden aan het korte maal. Zoo brengt zij een geheelen langen winter door, en deelt haar voedsel met een ouden versleten knol, die sedert eenige jaren zijn plaats in den stal aan een paar jonger opvolgers moet overlaten. Wordt het evenwel te koud, dan wordt het paard nog wel eens voor een korten tijd in huis gehaald; alleen het schaap wordt met onvermurwbare standvastigheid, die een betere zaak waardig was, aan de ongenade des weders overgelaten. Het hart, door haar vacht verwarmd, is door niets te bewegen, om wederkeerig iets voor haar verwarming te doen; integendeel, als haar meester in den kouden nacht haar klagende stem hoort, haalt hij de dekens, uit haar wol geweven, over het hoofd, om niet in zijn koesterende rust gestoord te worden! Zoo brengt dan het dier (ik bedoel het schaap) menigen langen nacht door met van koude te bibberen, zonder in slaap te kunnen komen. Menigmaal zag ik, ’s morgens opkomende, haar vacht onder een last van sneeuw begraven, zoodat ik niet onderscheiden kon, wat wol en wat sneeuw was. En mij dacht, dat moest een koude maaltijd zijn, zijn voedsel aldus uit de sneeuw te moeten opgraven; een wat heel groot kontrast met onze verwarmde borden en tafelkomforen. Och, och! een voet twee drie gronds in de schuur voor de verkleumde! een handvol hooi voor de verhongerde! Steek het hoofd even buiten het bevroren raam, en gij zult barmhartiger zijn.Ik ken menschen, die hunne tranen niet kunnen weêrhouden, als een begaafde mond hun het bewegelijk tafereel teekent van den armen man uit de schrift, die „gansch niet en hadde, dan een eenigh kleyn oy-lam, dat hy gekocht hadde, ende hadde ’t gevoedt dat het groot geworden was by hem, ende by sijne kinderen te gelijck; het at van syne bete, ende dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende het was hem, als eene dochter;†terwijl zij voor zich voor niets zorgvuldiger waken, dan dat geen landheer zich omtrent hen aan zulk een roof zou kunnen schuldig maken. WatNathanwel tot dezulken zou gezegd hebben?En op die winterweide, waar ik u bracht, heeft soms een tooneel plaats, waarvan het goed is, dathetdoor den nacht bedekt wordt. Het schaap is moeder geworden: onder een barren hemel, op een hard bevrozen[64]grond, in een felle jachtsneeuw is het moeder geworden. Het jonggeboren lam ligt aan haar voeten, onder dien barren hemel, op dien harden grond, in die kille sneeuw. Maar toch heeft de moeder een enkel gelukkig oogenblik, als zij den bibberenden zuigeling met haar eigen lichaam dekt en beschermt, en zijn eersten dorst met melk laaft, die men haar nog niet ontneemt! Doch—wat is haar op eens? van waar slaat zij zulk een onrustigen blik naar boven? zij heeft een roofvogel in het gezicht, die zijn noodlottige kringen rondom haar beschrijft, en al lager en lager nederdaalt. Daar schiet hij op het jong neder, en slaat met zijn scherpen bek in het teeder oog. Vergeefsch is de tegenstand der moeder: een schaap heeft immers niets om tegenstand te bieden? Gelukt het haar al, haar vervolger voor een oogenblik te verdrijven, gedurig herhaalt hij zijn moorddadige aanvallen; en als de trage morgen aanlicht, staren twee ledige oogholten het moederschaap treurig aan! Bij uw eerste vadervreugde, bij uw eerste moedersmart, is er dan niemand om zich over het jonggeboren lam te ontfermen?Maar het wordt lente! de jonge spruitjes beginnen het hoofd uit den grond te heffen, en spreiden als een groenen sluier over de gele stengels van het dorre land. Hoe gretig doet het schaap zich aan dien ongewonen kost te goed! Gras in de scheut—het is een dubbele weelde! met openstaande neusgaten en krullende lippen wroet zij die lekkernij uitdegrond.… daar wordt het hek, dat den geheelen winter gesloten is gebleven, geopend; de boerenknecht slaat de ongelukkige een touw om den hals, en sleept haar uit het weilandje naar het stukje bouwgrond er naast. Dat is hard! daarbij komt het lijden vanTantalus, wiens smaak ten minste niet door het proeven van de vruchten getergd was, niet in vergelijking. En wat vindt zij nu in haar nieuwe voorraadschuur? niets dan drooge stoppels van het vroeger afgemaaide graan; stroo, zoo als het door den wintergeprepareerdis. Mismoedig ziet zij dit maar al te bekende en gehate voedsel aan, en terwijl zij over deze verandering treurt, daar ziet zij de loeiende koeien wel doorvoed uit den stal komen, om zich aan haar disch te plaatsen en de groene eerstelingen te oogsten, waaraan zij alleen de lippen gezet heeft. Dat is het hatelijkste; den geheelen zomer door heeft zij op tien schreden afstands, door een laag dijkje gescheiden, een malsch, welig grasland voor zich; zij staart op het beloofde land, zonder het te mogen intreden; zij riekt de vleeschpotten vanEgypte, zonder er den mond aan te mogen slaan; en zij moet het geduldig aanzien, dat die groote, vette, lompe koe, die haar van daar verjaagd heeft, met haar mollige, kwabbige pooten tot aan de enkels toe door het hooge gras baadt, en oververzadigd zich met haar gevulden buik op het heerlijke voedsel uitstrekt.Ziedaar het gewone lot van het schaap in de streek, waar ik den zomer doorbreng.O, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!Beken het, Mejufvrouw! zoo iets had UEd. zeker niet gedacht. Een lammetje is toch zulk een lief diertje; en het heeft zulk een mooi wit[65]velletje, en zulke nette, kleine pootjes, dat men zou er jaloersch van worden. „Och Mama, ik zou wel zoo’n lammetje willen hebben; dan zou ik het een blauw lint om den hals binden, dat zouchampêtrestaan!†Ook wordt bij u alles wat lief is bij dit dier vergeleken. Gij zelve, immers, gij zijt zoo zacht als een lam! en uw poezele huid is zoo mollig als wol! en uw gouden haar is zoo dik en dicht als een schapenvacht! en, als gij een romantischen Dichter in de familie hebt, vergelijkt hij misschien, met een uitdrukking uit het Hooglied, uw tanden met „een kudde schapen, die gheschoren zijn, die uyt de waschstede opkomen.†Allerliefst! als het arme dier, waarvan gij zoo veel hebt, maar wat meer van u had!In waarheid het schaap behoort tot die ongelukkigen, wier geluk alleen op het papier bestaat, en vermeerdert dus de dubbelzinnige klasse van lamgeschoten invaliden, arme dichters, teringachtige meisjes, kale Edelen, mishandeldegeniënenz. Gij kunt geen rozenkleurig boekje opendoen, of het wemelt er van schapen en lammeren. Is het een prentenboekje, gij vindt er allerliefste plaatjes in, met kinderen, wie zulk een diertje als een schoothond achteraan huppelt; het is veel, zoo een enkele aan den zijden band van een lint gehoorzamen moet. Zijn het verzen, des te erger! Sla het eerste blad het beste op, en tien tegen één, dat daar reeds een beldragende hamel, als voorganger van een heele kudde die straks staat te volgen, vooruittrekt. Het lam is het beeld bij uitnemendheid! Beurtelings worden de vergelijkingen aan zijn kleur, aan zijn vacht, aan zijn aard, of aan zijn bestemming ontleend. Zooals men in de wezenlijke wereld alles, wat aan de koe is, van de horens af tot de pooten toe tot verschillende einden gebruiken kan, zoo is er ook aan het lam niets, of het komt in de dichterlijke wereld te pas. Men kan geen lief meisje teekenen, of geen aandoenlijk geval verhalen, of geen beminlijk karakter schilderen,—men kan bijna niets dichten of verdichten, of het schaap komt er bij! Neem menigen dichter zijn heerde af, en zie hoe hij zelf daar staan zal als een geschoren schaap.Zoo is het dier in alle salons en op alle partijenin effigietegenwoordig; op de schilderijen aan den muur, op de tapisseriewerken op den grond, in de complimenten der Heeren aan de Dames, in den sentimenteele uitboezemingen der Dames tegen de Heeren, in de verzen, die in den vooravond worden gedeclameerd of aan tafel voorgelezen:tout y est moutonné, zoo als een Franschman van de nieuwe school zou zeggen—maar van dit alles bemerkt mijn schaap op hare kale weide niets. De dichter gaat haar voorbij, terwijl hij juist met den vinger aan den neus loopt bedenken, hoe hij zijn meisje, die op den eersten Paaschdag jarig is, het geestigst met een paaschlammetje zal vergelijken, zonder een oog te slaan op het beest, dat hij in zijn verbeelding zoo sierlijk opsmukt en bekranst. De jonge Dame, die zich met een lam aan haar voeten, onder een Arcadischen treur-eschen miniatureheeft laten uitschilderen, weet van een wandeling te huis komende[66]niet, dat zij mijn ongelukkig dier ontmoet heeft. De schilder, die denkt over een nieuw landschap met schaapjes gestoffeerd, zit, met den rug naar mijn vriendin, een krommen knotwilg te teekenen, dien hij in zijn schets hoopt te brengen, maar heeft geen blik over voor het hoofdvoorwerp van zijn tafereel, omdat hij in de voorstelling daarvan niet mis kan tasten. Zoo wekt het arme dier enkel en alleen in het ideale belangstelling op, en staat in dit opzicht nog beneden zijn mededingers naar de eerste plaats op papier en paneel, de zwanen en duifjes.En al is het, dat een enkele uitverkorene een tijd lang aan den ban ontkomt, waaronder haar geslacht rust, hoe onstandvastig is de gunst, die haar bewezen wordt! Laat eens aan een enkel melkwit of fraaigevlekt lammetje het voorrecht te beurt vallen van tot speelkameraad van het dochtertje des huizes verheven te worden; wat duurt die vreugde kort! In den beginne heeft het een allerbenijdenswaardigst lot; het voedt zich met vette klaver en wordt met room gedrenkt; het wordt met linten opgetooid en met bloemen bekranst; het wordt door zijden handen gestreeld en door poezelige armpjes omhelsd; maar laat het grooter, laat het een schaap worden, dan heeft al die weelde een einde. Dan is het „Rose†of welke andere beeldigen naam het dragen moge, „wordt leelijk en vuil.Jan!als gij zaterdag naar de stad gaat, moest gij haar ter markt brengen.†Daar staat nu Rose op de markt onder andere gemeene, burgerlijke schapen; daar wordt zij onder andere slachtoffers aan het mes van den slager verkocht; daar krijgt zij het noodlottige looden teeken in het oor, dat zoo menige adelijke mond gekust heeft; en den hals, die met roode linten placht gesierd te worden, verwt de bloedige krans des doods! Waarom? ik vraag u waarom? Waarom is gindsche mopshond beter, die ook sedert lang zijne jonge en mooie dagen gehad heeft, maar die nu nog als een bedorven gunsteling in zijn vet smoort, en bij schoon weder door den palfrenier in de zon gedragen moet worden, dewijl hij te dik is, om er zelf heen te kruipen? Waarom ziet men nooit een oud schaap even zoo het genadebrood eten? Of waar is de wet der natuur, dat een lam niet leelijk mag worden, zonder van zijn voorrechten te vervallen? Verbeeld u eens, Mejonkvrouw! dat men met u denzelfden regel volgde. Gij hebt gelijk, van het hoofd met een grilling om te keeren.Daar hangt nu Rose aan den noodlottigen haak, ten prooi aan de tanden van liefhebbers van schapenbouten en lamskoteletten. En zelfs in den dood blijft de strijd tusschen haar idealisch en wezenlijk lot bestaan. Een geslacht lam! Wat wordt daarvan niet al schoons gezegd! Hoe veel tranen doet dat beeld niet vergieten! Verbeeld u eenelegieop den dood van een jong meisje, zonder de vergelijking van een jeugdig offerlam, met bloemen om den hals onder een ontijdig zwaard gevallen. Verbeeld u een treurspel van de eene of andere vermoorde Onnoozelheid, waarin het weerloos gedoode schaap ontbreekt. Verbeeld u een pleidooi[67]voor de eene of andere kindermoorderes, waarin het niet als een ongerijmde aanklacht wordt behandeld, dat een vrouw zoo wreed zou zijn van een zooglam als in de melk der moeder te smoren. Verbeeld u een vers opKainof zijns gelijken, waarin niet deze of dergelijke regels voorkomen:Zal hij nu ook verrotten, als dat schaap,Dat, afgedwaald, in ’t bosch mij tegenkwam,Dat ik zoo wreed verwurgde?—Ja, dat schaap,Dat stervend schaap had mij, bijna, ontroerd!.…En ga nu eens een achterbuurt rond, en zie wat er van dat aandoenlijk voorwerp wordt? Ach, niet genoeg van in haar leven veracht te zijn geweest, volgt haar vernedering haar in den dood. Is haar vleesch niet bij voorkeur het voedsel van den arme? Wordt het niet in den regel met zorg van de tafels der grooten geweerd? wordt het niet nog lager geplaatst, dan het spek van het leelijk en morsig zwijn? Acht zelfs de huismoeder geen verontschuldiging noodig, als zij u niets dan een stuk schapenvleesch heeft aan te bieden? Zoo drukt de vloek zelfs op haar ongelukkig lijk. En die het leven van een verongelijkte leidde, mist het voorrecht van ten minste bij haar sterven, als een gekroonde na haar dood, „in de dankbare maag van een keurigen Epicurist een kostbaar graf te vinden.â€O, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!En toch, zoo eenig dier, om zijn beminnelijke hoedanigheden, een ander lot verdiende, het is het schaap. Witheid kleedt en zachtheid dekt het; maar wat zijn deze bij de blankheid en zachtheid van zijn aard en zeden? Er is in het schaap iets onnoozels, iets weerloos, waarvan gij in de gansche natuur te vergeefs een wedergade zoeken zult. Ik kan soms een geruimen tijd besteden met een bezoek aan mijn oude buurvrouw te geven. Ik wenschte dat gij haar dan zaagt, hoe ze mij vriendelijk te gemoet komt en haar wolligen kop onder mijn hand steekt, die zij wel weet dat haar streelen zal; en hoe zij haar lekt, wanneer ik voor haar eenige blaren van den elzentak pluk, die voor haar bereik te hoog hangt. Dan is zij zoo vergenoegd en te vreden, en ziet mij met zulk een vriendelijk oog aan. Nooit vind ik bij haar, de misdeelde en vertrapte, een blijk van wrevel of murmurering. Nooit hoor ik haar, gelijk de ongeduldige koe, haar stem tot een klacht verheffen. En wanneer mijn Dolly mij soms te vlug is en haar blaffende najaagt, dan is er in haar geduldig voortstrompelen, zonder zelfs een verwijtend oog naar haar onedelmoedigen vijand te wenden, zulk een onderworpen lijdzaamheid, dat mijn hart er van wordt aangedaan. Voorbeeldig dier! denk ik dan wel eens: ik mocht nog wel bij u ter schole gaan! hoe veel zijt gij mij in gelatenheid en berusting vooruit. Gij die nooit den hals om wendt naar den stok, die u drijft; die nooit de verzenen slaat tegen de prikkels, die u treffen; die zelfs nooit klaagt onder de hardheid welke u wordt aangedaan; maar die—bewegelijk—zelfs de hand lekt, die u keelt! Hoe beschaamd sta ik niet bij u, ik redelijke,[68]onsterfelijke mensch, die weet, Wiens stok mij drijft, Wiens prikkels mij slaan, Wiens hardheid mij treft, Wiens hand mij wondt.… kom, oude, laat mij u streelen! gij zijt dikwijls beter dan ik!Nog altijd graast mijn schaap geduldig den kalen akker af, en bemerkt niets van de overdenkingen, waarvan zij tot voorwerp strekt. Als ik oprecht zal zijn, zij schijnt zich mijn redenen niet zeer aan te trekken. En zij heeft gelijk ook. Want wat helpen haar al mijn praatjes, meer dan de onvruchtbare ingenomenheid harer overige kunstbewonderaars? Welnu! ik wil haar toonen, dat een goede buurman beter is dan een verre vriend. Ik wil naar haar meester gaan, om te zien of hij mij haar voor een prijsje wil overlaten. Dan kan zij voortaan haar laatste gras uit de kreb eten. Welaan, oude! dat zullen wij hebben. En als gij dan uw matten kop nederlegt om hem niet meer op te heffen, dan zal ik van uw vacht een slaapmuts laten weven.Mij dunkt, dat zal zacht rusten zijn![69]
HET SCHAAP.
Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!„Zulke gekken zijn er meer!†zult ge zeggen.Om u te dienen. Maar die wensch welt echter bij deze bijzondere gelegenheid niet uit de onzuivere bron, waaruit gij haar misschien, in de vaardigheid van uw geest, reeds hebt afgeleid. Gij schreeft hem misschien aan ietsmenschelijkstoe, en ik had er ietsdierlijksbij op ’t oog.De zegen van alle ezels overYorick! Wel mocht men op zijn graf, naast een schreiendgenietjemet bolle wangen, een mager grauwtje plaatsen, dat met gebukten hoofde eenige wilgenbladen uit den bek op zijn lijksteen laat vallen; en naast zijn titel vanφιλάνθÏωποςdien vanφιλόνοςschrijven. Men moet ezel zijn, om te kunnen gevoelen, wat dit geslacht aan hem verplicht is. Menige koning, die onder marmer slaapt en er zijn Hofdichter op nahield, heeft geen lijkrede gehad, gelijk de doode ezel op den weg van Nampont; en nooit is een maaltijd, zelfs niet een Instituut van kunsten en wetenschappen, meer door welsprekendheid of poëzie verheerlijkt, dan de maaltijd van artisjokken van den ezel op de straat vanLyon.—Als men mij recht verstaan wilde, zou ik zeggen, er was iets van den ezel inYorick! zijn week hart stond open voor alle smart, maar de langoor had daarop de eerste rechten. De armeMariavanMoulinsen de Gevangene uit zijn visioen teParijszelve lokten geen klaarder droppels uit zijn zacht oog. Zijn mededoogen had niets van de rhetorische verontwaardiging vanBuffon, waaraan niemand gelooft; hij versierde zijn held met geen deugden, waarvan niemand iets bemerkt; hij had deernis met hem—als met een ezel, een leelijk, ongelukkig, verschopt dier, dat men nog hatelijker heeft zoeken te maken door het te vergelijken met menschen, met wie het, des bewust, alle verwantschap vol afkeer en verachting verloochenen zou. Ik ten minste kan, sedert ik het eerst overSterne’sgunsteling schreide, geen lotgenoot van hem zien, of ik voel iets wonderlijks bij mij opkomen, dat onmiddelijk de telegraaf tusschen mijn hart enoog in beweging brengt, en als ik gelegenheid vind, ga ik een oogenblik naar hem toe, en streel hem den ruwen hals en raap[61]een koolstronk voor hem op, die buiten zijn bereik ligt, en zie hem bij zijn vertrek zoo lang na als ik kan, en ga daarop even als hij met gebogen hoofd en sleependen gang, verder.Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!Dan zou ik zien, wat ik voor het schaap doen kon.Ik weet wel, dat geenelegiehet lot van eenig beest verandert, en dat, uitgezonderd bij wijsgeeren en Poëten (zie den oudenShandy), geen lijden wordt weggeredeneerd of weggedicht. Maar wie weet toch, of niet hier en daar een enkele goede ziel, die de goede ziel vanYoricklief had, om zijnentwil, zijn grauwtje een paar slagen minder en een paar handen gras meer gegeven heeft? en al ware het zoo niet; hetgeen ik echter zonder deugdelijk bewijs niet zoo spoedig gelooven zal; dan is het toch iets, dat het arme dier sedert, bij tusschenpoozen, een deelnemend oog op zijn weg ontmoet, en een zachte hand op zijn harden bast voelt. Beklagen, hoe gebrekkig dan ook, blijft toch altijd nog het beste surrogaat voor helpen. En wij zelven, hoe dikwijls moeten wij het ook, in onze beproevingen, met een vijfvoetig vers, in plaats van een vijfvoetige hulp doen!Maar de pen vanYorickis hier niet meer, en blinkt naast de lier vanSaffoaan den hemel! duizend ganzen vielen sedert uit de lucht, en duizend schachten werden versneden, maar de gans, die haar vleugelen aanSterneleende, liet geen kuikens na. En al fluistert men elkander toe, dat de kracht van zijn pen grootendeels in het geheim schuilde, dat hij zijn eigen tranen voor inkt gebruikte, men kan het hem maar zoo niet meer nadoen. Bij hem vergeleken, is het altemaal ezelen-gebalk.Zoodat gij geen reden hebt, veel van de pogingen uws pleitbezorgers te verwachten, mijn waarde kliënt voor de rechtbank der menschelijkheid, arm, ongelukkig schaap! Maar gij zijt zoo nederig en zoo goed, dat ik zeker ben, dat gij het minste, dat ik voor u doen kan, met uw eigen vriendelijk oog zult aanzien; en al ware het, dat mijn pleidooi maar het lot van een enkele uit uw verdrukt ras verbeterde, dat ware, (om in den stijl der voorredenaars te spreken), voor mijn lammerlievend hart voldoening genoeg.Het is ellendig—nooit kan ik mijn oog opslaan, of ik heb datzelfde ongelukkige schouwspel voor mij!Aan de rechter- en linkerzijde van mijn tuin, waarop ik uit mijn kamer het gezicht heb, grenst een strookje lands. Het eene is een hoek bouw- en het ander een hoek grasland; nu vind ik altijd op een van beide hetzelfde schaap weder. Het gezicht van dat beest breekt mij het hart. Het is een oud, vuil, leelijk dier, met lang hair over de oogen, en een kop, waaraan al het fijne en spichtige van een schapen-physionomieontbreekt. Haar voor- en achterpooten zijn met touwen aan elkaâr gebonden, zoodat zij allererbarmelijkst hinkt. Wanneer gij daarvan de reden vraagt, zal men u zeggen, dat het is om haar het verlaten van haar afgeperkte weide te beletten. Lieve[62]Hemel! dat is goed voor jonge, dartele lammeren, die de wereld zien willen en den ganschen dag met hun neus over het bolwerk liggen, waarachter zij ingesloten zijn; die van speelziekte en joligheid niet weten wat ze doen zullen, en telkens het verbodenbastionzoeken te bespringen om den vijandelijken grond stormenderhand te veroveren. Maar mijn tam, lam en stram schaap! op mijn woord, al ontneemt men ze haar voetboeien, zij zal geen enkelen onbezonnen of wilden stap doen. Ziet gij het niet, dat het beest der wereld lang is afgestorven en niet dan een rustigen ouderdom verlangt? Den ganschen dag strompelt zijjunctis pedibusover het grondje heen en weder om haar voedsel tezoeken, of ligt, met den breeden kop op het gras uitgestrekt, te slapen zonder naar iets buiten haar om te zien. Niets is in staat haar uit die vadzigheid te wekken. Zelfs geen ongewoon geluid van den horen der diligence, of de zweep des postiljons, of de trommel van voorbijtrekkende soldaten, maakt haar belangstelling meer gaande. Zij is als een grijsaard, die, in zijn leuningstoel gezeten, van alles zegt: Ik heb dat meer gezien.—Alleen als hetblae! blae!van voorbijgaande lotgenooten haar oor treft, heft zij het matte hoofd even van den grond omhoog, om ze met een onbeschrijfelijke uitdrukking aan te zien, als maakte zij in der haast een vergelijking, wie van hen de ellendigste ware; in welk geval de billijkheid mij noodzaakt te erkennen, dat zij meermalen den troost gehad heeft van te zien, dat er meer zulke ongelukkigen waren als zij. Ik vind het dus hard, dat het beest,dat, even alssommigegevangenen bij het verwoesten der Bastille, haar kerker niet zou kunnen verlaten, al werd er haar de vrijheid toe gegeven; uit kracht van een eerwaardige overlevering, niet met ongebonden pooten zal mogen sterven. Voor alle soorten van schepsels, van de tweevoetige tot de duizendbeenen toe, is gewoonte enetiquetteeen lastig ding!Maar goed! het dier is het mogelijk reeds vergeten, wat het is haar voeten tot haar gebruik te hebben; misschien zou zij met denPrisoner of Chillonzeggen:It was at length the same to me,Fetter’d or fetterless to be.En er is veel kans ook, dat zij, al vielen ook haar boeien af, daarom niet minder kreupel zou loopen. Was nu haar gevangenis maar wat beter! een schaap is voor geen reiziger rondom de wereld in de wieg gelegd, en zou zich nog wel met een klein hoekje kunnen te vreden stellen, als dat slechts niet al te mager is. Maar hieraan is het juist, dat het hapert. Nauwelijks hebben de koeien het kaalgegeten, strookleurige land verlaten om op haar winterstallen het ingemaakte groen te gaan eten, of het schaap wordt in het bezit van het ontruimde terrein gesteld. Met een vroolijk oog groet zij haar nieuw verblijf, en begint dadelijk met de gelegenheid van den grond te verkennen.—Zie haar troosteloozen blik! een vluchtig rondzien is voldoende om[63]haar de verzekering te geven, dat het hier physisch onmogelijk is ooit genoeg te eten. De koeien hebben haar de moeite van te kiezen bespaard, en met de volkomenste onpartijdigheid alle plekken even naakt gelaten. Eerst laat zij zich nog een oogenblik door valsche hoop misleiden; door den afstand bedrogen, schijnt haar gindsche streek toe toch nog een groenen schijn te hebben. Vol verwachting strompelt zij er zoo vlug mogelijk heen; helaas! zij blijkt het slachtoffer van eenfallacia opticageweest te zijn, en, met treurige verwondering over haar teleurstelling, ziet zij op en naar de plaats terug, die zij verlaten heeft. Ei zie, nu schijnt deze haar weêr meer bewassen toe.… eenige pijnlijke stappen, en zij is er, om praktisch te leeren inzien, hoe veel de schijn van het wezen verschilt. Vol lustelooze graagte trekt zij met lange tanden aan het korte maal. Zoo brengt zij een geheelen langen winter door, en deelt haar voedsel met een ouden versleten knol, die sedert eenige jaren zijn plaats in den stal aan een paar jonger opvolgers moet overlaten. Wordt het evenwel te koud, dan wordt het paard nog wel eens voor een korten tijd in huis gehaald; alleen het schaap wordt met onvermurwbare standvastigheid, die een betere zaak waardig was, aan de ongenade des weders overgelaten. Het hart, door haar vacht verwarmd, is door niets te bewegen, om wederkeerig iets voor haar verwarming te doen; integendeel, als haar meester in den kouden nacht haar klagende stem hoort, haalt hij de dekens, uit haar wol geweven, over het hoofd, om niet in zijn koesterende rust gestoord te worden! Zoo brengt dan het dier (ik bedoel het schaap) menigen langen nacht door met van koude te bibberen, zonder in slaap te kunnen komen. Menigmaal zag ik, ’s morgens opkomende, haar vacht onder een last van sneeuw begraven, zoodat ik niet onderscheiden kon, wat wol en wat sneeuw was. En mij dacht, dat moest een koude maaltijd zijn, zijn voedsel aldus uit de sneeuw te moeten opgraven; een wat heel groot kontrast met onze verwarmde borden en tafelkomforen. Och, och! een voet twee drie gronds in de schuur voor de verkleumde! een handvol hooi voor de verhongerde! Steek het hoofd even buiten het bevroren raam, en gij zult barmhartiger zijn.Ik ken menschen, die hunne tranen niet kunnen weêrhouden, als een begaafde mond hun het bewegelijk tafereel teekent van den armen man uit de schrift, die „gansch niet en hadde, dan een eenigh kleyn oy-lam, dat hy gekocht hadde, ende hadde ’t gevoedt dat het groot geworden was by hem, ende by sijne kinderen te gelijck; het at van syne bete, ende dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende het was hem, als eene dochter;†terwijl zij voor zich voor niets zorgvuldiger waken, dan dat geen landheer zich omtrent hen aan zulk een roof zou kunnen schuldig maken. WatNathanwel tot dezulken zou gezegd hebben?En op die winterweide, waar ik u bracht, heeft soms een tooneel plaats, waarvan het goed is, dathetdoor den nacht bedekt wordt. Het schaap is moeder geworden: onder een barren hemel, op een hard bevrozen[64]grond, in een felle jachtsneeuw is het moeder geworden. Het jonggeboren lam ligt aan haar voeten, onder dien barren hemel, op dien harden grond, in die kille sneeuw. Maar toch heeft de moeder een enkel gelukkig oogenblik, als zij den bibberenden zuigeling met haar eigen lichaam dekt en beschermt, en zijn eersten dorst met melk laaft, die men haar nog niet ontneemt! Doch—wat is haar op eens? van waar slaat zij zulk een onrustigen blik naar boven? zij heeft een roofvogel in het gezicht, die zijn noodlottige kringen rondom haar beschrijft, en al lager en lager nederdaalt. Daar schiet hij op het jong neder, en slaat met zijn scherpen bek in het teeder oog. Vergeefsch is de tegenstand der moeder: een schaap heeft immers niets om tegenstand te bieden? Gelukt het haar al, haar vervolger voor een oogenblik te verdrijven, gedurig herhaalt hij zijn moorddadige aanvallen; en als de trage morgen aanlicht, staren twee ledige oogholten het moederschaap treurig aan! Bij uw eerste vadervreugde, bij uw eerste moedersmart, is er dan niemand om zich over het jonggeboren lam te ontfermen?Maar het wordt lente! de jonge spruitjes beginnen het hoofd uit den grond te heffen, en spreiden als een groenen sluier over de gele stengels van het dorre land. Hoe gretig doet het schaap zich aan dien ongewonen kost te goed! Gras in de scheut—het is een dubbele weelde! met openstaande neusgaten en krullende lippen wroet zij die lekkernij uitdegrond.… daar wordt het hek, dat den geheelen winter gesloten is gebleven, geopend; de boerenknecht slaat de ongelukkige een touw om den hals, en sleept haar uit het weilandje naar het stukje bouwgrond er naast. Dat is hard! daarbij komt het lijden vanTantalus, wiens smaak ten minste niet door het proeven van de vruchten getergd was, niet in vergelijking. En wat vindt zij nu in haar nieuwe voorraadschuur? niets dan drooge stoppels van het vroeger afgemaaide graan; stroo, zoo als het door den wintergeprepareerdis. Mismoedig ziet zij dit maar al te bekende en gehate voedsel aan, en terwijl zij over deze verandering treurt, daar ziet zij de loeiende koeien wel doorvoed uit den stal komen, om zich aan haar disch te plaatsen en de groene eerstelingen te oogsten, waaraan zij alleen de lippen gezet heeft. Dat is het hatelijkste; den geheelen zomer door heeft zij op tien schreden afstands, door een laag dijkje gescheiden, een malsch, welig grasland voor zich; zij staart op het beloofde land, zonder het te mogen intreden; zij riekt de vleeschpotten vanEgypte, zonder er den mond aan te mogen slaan; en zij moet het geduldig aanzien, dat die groote, vette, lompe koe, die haar van daar verjaagd heeft, met haar mollige, kwabbige pooten tot aan de enkels toe door het hooge gras baadt, en oververzadigd zich met haar gevulden buik op het heerlijke voedsel uitstrekt.Ziedaar het gewone lot van het schaap in de streek, waar ik den zomer doorbreng.O, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!Beken het, Mejufvrouw! zoo iets had UEd. zeker niet gedacht. Een lammetje is toch zulk een lief diertje; en het heeft zulk een mooi wit[65]velletje, en zulke nette, kleine pootjes, dat men zou er jaloersch van worden. „Och Mama, ik zou wel zoo’n lammetje willen hebben; dan zou ik het een blauw lint om den hals binden, dat zouchampêtrestaan!†Ook wordt bij u alles wat lief is bij dit dier vergeleken. Gij zelve, immers, gij zijt zoo zacht als een lam! en uw poezele huid is zoo mollig als wol! en uw gouden haar is zoo dik en dicht als een schapenvacht! en, als gij een romantischen Dichter in de familie hebt, vergelijkt hij misschien, met een uitdrukking uit het Hooglied, uw tanden met „een kudde schapen, die gheschoren zijn, die uyt de waschstede opkomen.†Allerliefst! als het arme dier, waarvan gij zoo veel hebt, maar wat meer van u had!In waarheid het schaap behoort tot die ongelukkigen, wier geluk alleen op het papier bestaat, en vermeerdert dus de dubbelzinnige klasse van lamgeschoten invaliden, arme dichters, teringachtige meisjes, kale Edelen, mishandeldegeniënenz. Gij kunt geen rozenkleurig boekje opendoen, of het wemelt er van schapen en lammeren. Is het een prentenboekje, gij vindt er allerliefste plaatjes in, met kinderen, wie zulk een diertje als een schoothond achteraan huppelt; het is veel, zoo een enkele aan den zijden band van een lint gehoorzamen moet. Zijn het verzen, des te erger! Sla het eerste blad het beste op, en tien tegen één, dat daar reeds een beldragende hamel, als voorganger van een heele kudde die straks staat te volgen, vooruittrekt. Het lam is het beeld bij uitnemendheid! Beurtelings worden de vergelijkingen aan zijn kleur, aan zijn vacht, aan zijn aard, of aan zijn bestemming ontleend. Zooals men in de wezenlijke wereld alles, wat aan de koe is, van de horens af tot de pooten toe tot verschillende einden gebruiken kan, zoo is er ook aan het lam niets, of het komt in de dichterlijke wereld te pas. Men kan geen lief meisje teekenen, of geen aandoenlijk geval verhalen, of geen beminlijk karakter schilderen,—men kan bijna niets dichten of verdichten, of het schaap komt er bij! Neem menigen dichter zijn heerde af, en zie hoe hij zelf daar staan zal als een geschoren schaap.Zoo is het dier in alle salons en op alle partijenin effigietegenwoordig; op de schilderijen aan den muur, op de tapisseriewerken op den grond, in de complimenten der Heeren aan de Dames, in den sentimenteele uitboezemingen der Dames tegen de Heeren, in de verzen, die in den vooravond worden gedeclameerd of aan tafel voorgelezen:tout y est moutonné, zoo als een Franschman van de nieuwe school zou zeggen—maar van dit alles bemerkt mijn schaap op hare kale weide niets. De dichter gaat haar voorbij, terwijl hij juist met den vinger aan den neus loopt bedenken, hoe hij zijn meisje, die op den eersten Paaschdag jarig is, het geestigst met een paaschlammetje zal vergelijken, zonder een oog te slaan op het beest, dat hij in zijn verbeelding zoo sierlijk opsmukt en bekranst. De jonge Dame, die zich met een lam aan haar voeten, onder een Arcadischen treur-eschen miniatureheeft laten uitschilderen, weet van een wandeling te huis komende[66]niet, dat zij mijn ongelukkig dier ontmoet heeft. De schilder, die denkt over een nieuw landschap met schaapjes gestoffeerd, zit, met den rug naar mijn vriendin, een krommen knotwilg te teekenen, dien hij in zijn schets hoopt te brengen, maar heeft geen blik over voor het hoofdvoorwerp van zijn tafereel, omdat hij in de voorstelling daarvan niet mis kan tasten. Zoo wekt het arme dier enkel en alleen in het ideale belangstelling op, en staat in dit opzicht nog beneden zijn mededingers naar de eerste plaats op papier en paneel, de zwanen en duifjes.En al is het, dat een enkele uitverkorene een tijd lang aan den ban ontkomt, waaronder haar geslacht rust, hoe onstandvastig is de gunst, die haar bewezen wordt! Laat eens aan een enkel melkwit of fraaigevlekt lammetje het voorrecht te beurt vallen van tot speelkameraad van het dochtertje des huizes verheven te worden; wat duurt die vreugde kort! In den beginne heeft het een allerbenijdenswaardigst lot; het voedt zich met vette klaver en wordt met room gedrenkt; het wordt met linten opgetooid en met bloemen bekranst; het wordt door zijden handen gestreeld en door poezelige armpjes omhelsd; maar laat het grooter, laat het een schaap worden, dan heeft al die weelde een einde. Dan is het „Rose†of welke andere beeldigen naam het dragen moge, „wordt leelijk en vuil.Jan!als gij zaterdag naar de stad gaat, moest gij haar ter markt brengen.†Daar staat nu Rose op de markt onder andere gemeene, burgerlijke schapen; daar wordt zij onder andere slachtoffers aan het mes van den slager verkocht; daar krijgt zij het noodlottige looden teeken in het oor, dat zoo menige adelijke mond gekust heeft; en den hals, die met roode linten placht gesierd te worden, verwt de bloedige krans des doods! Waarom? ik vraag u waarom? Waarom is gindsche mopshond beter, die ook sedert lang zijne jonge en mooie dagen gehad heeft, maar die nu nog als een bedorven gunsteling in zijn vet smoort, en bij schoon weder door den palfrenier in de zon gedragen moet worden, dewijl hij te dik is, om er zelf heen te kruipen? Waarom ziet men nooit een oud schaap even zoo het genadebrood eten? Of waar is de wet der natuur, dat een lam niet leelijk mag worden, zonder van zijn voorrechten te vervallen? Verbeeld u eens, Mejonkvrouw! dat men met u denzelfden regel volgde. Gij hebt gelijk, van het hoofd met een grilling om te keeren.Daar hangt nu Rose aan den noodlottigen haak, ten prooi aan de tanden van liefhebbers van schapenbouten en lamskoteletten. En zelfs in den dood blijft de strijd tusschen haar idealisch en wezenlijk lot bestaan. Een geslacht lam! Wat wordt daarvan niet al schoons gezegd! Hoe veel tranen doet dat beeld niet vergieten! Verbeeld u eenelegieop den dood van een jong meisje, zonder de vergelijking van een jeugdig offerlam, met bloemen om den hals onder een ontijdig zwaard gevallen. Verbeeld u een treurspel van de eene of andere vermoorde Onnoozelheid, waarin het weerloos gedoode schaap ontbreekt. Verbeeld u een pleidooi[67]voor de eene of andere kindermoorderes, waarin het niet als een ongerijmde aanklacht wordt behandeld, dat een vrouw zoo wreed zou zijn van een zooglam als in de melk der moeder te smoren. Verbeeld u een vers opKainof zijns gelijken, waarin niet deze of dergelijke regels voorkomen:Zal hij nu ook verrotten, als dat schaap,Dat, afgedwaald, in ’t bosch mij tegenkwam,Dat ik zoo wreed verwurgde?—Ja, dat schaap,Dat stervend schaap had mij, bijna, ontroerd!.…En ga nu eens een achterbuurt rond, en zie wat er van dat aandoenlijk voorwerp wordt? Ach, niet genoeg van in haar leven veracht te zijn geweest, volgt haar vernedering haar in den dood. Is haar vleesch niet bij voorkeur het voedsel van den arme? Wordt het niet in den regel met zorg van de tafels der grooten geweerd? wordt het niet nog lager geplaatst, dan het spek van het leelijk en morsig zwijn? Acht zelfs de huismoeder geen verontschuldiging noodig, als zij u niets dan een stuk schapenvleesch heeft aan te bieden? Zoo drukt de vloek zelfs op haar ongelukkig lijk. En die het leven van een verongelijkte leidde, mist het voorrecht van ten minste bij haar sterven, als een gekroonde na haar dood, „in de dankbare maag van een keurigen Epicurist een kostbaar graf te vinden.â€O, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!En toch, zoo eenig dier, om zijn beminnelijke hoedanigheden, een ander lot verdiende, het is het schaap. Witheid kleedt en zachtheid dekt het; maar wat zijn deze bij de blankheid en zachtheid van zijn aard en zeden? Er is in het schaap iets onnoozels, iets weerloos, waarvan gij in de gansche natuur te vergeefs een wedergade zoeken zult. Ik kan soms een geruimen tijd besteden met een bezoek aan mijn oude buurvrouw te geven. Ik wenschte dat gij haar dan zaagt, hoe ze mij vriendelijk te gemoet komt en haar wolligen kop onder mijn hand steekt, die zij wel weet dat haar streelen zal; en hoe zij haar lekt, wanneer ik voor haar eenige blaren van den elzentak pluk, die voor haar bereik te hoog hangt. Dan is zij zoo vergenoegd en te vreden, en ziet mij met zulk een vriendelijk oog aan. Nooit vind ik bij haar, de misdeelde en vertrapte, een blijk van wrevel of murmurering. Nooit hoor ik haar, gelijk de ongeduldige koe, haar stem tot een klacht verheffen. En wanneer mijn Dolly mij soms te vlug is en haar blaffende najaagt, dan is er in haar geduldig voortstrompelen, zonder zelfs een verwijtend oog naar haar onedelmoedigen vijand te wenden, zulk een onderworpen lijdzaamheid, dat mijn hart er van wordt aangedaan. Voorbeeldig dier! denk ik dan wel eens: ik mocht nog wel bij u ter schole gaan! hoe veel zijt gij mij in gelatenheid en berusting vooruit. Gij die nooit den hals om wendt naar den stok, die u drijft; die nooit de verzenen slaat tegen de prikkels, die u treffen; die zelfs nooit klaagt onder de hardheid welke u wordt aangedaan; maar die—bewegelijk—zelfs de hand lekt, die u keelt! Hoe beschaamd sta ik niet bij u, ik redelijke,[68]onsterfelijke mensch, die weet, Wiens stok mij drijft, Wiens prikkels mij slaan, Wiens hardheid mij treft, Wiens hand mij wondt.… kom, oude, laat mij u streelen! gij zijt dikwijls beter dan ik!Nog altijd graast mijn schaap geduldig den kalen akker af, en bemerkt niets van de overdenkingen, waarvan zij tot voorwerp strekt. Als ik oprecht zal zijn, zij schijnt zich mijn redenen niet zeer aan te trekken. En zij heeft gelijk ook. Want wat helpen haar al mijn praatjes, meer dan de onvruchtbare ingenomenheid harer overige kunstbewonderaars? Welnu! ik wil haar toonen, dat een goede buurman beter is dan een verre vriend. Ik wil naar haar meester gaan, om te zien of hij mij haar voor een prijsje wil overlaten. Dan kan zij voortaan haar laatste gras uit de kreb eten. Welaan, oude! dat zullen wij hebben. En als gij dan uw matten kop nederlegt om hem niet meer op te heffen, dan zal ik van uw vacht een slaapmuts laten weven.Mij dunkt, dat zal zacht rusten zijn![69]
Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!
„Zulke gekken zijn er meer!†zult ge zeggen.
Om u te dienen. Maar die wensch welt echter bij deze bijzondere gelegenheid niet uit de onzuivere bron, waaruit gij haar misschien, in de vaardigheid van uw geest, reeds hebt afgeleid. Gij schreeft hem misschien aan ietsmenschelijkstoe, en ik had er ietsdierlijksbij op ’t oog.
De zegen van alle ezels overYorick! Wel mocht men op zijn graf, naast een schreiendgenietjemet bolle wangen, een mager grauwtje plaatsen, dat met gebukten hoofde eenige wilgenbladen uit den bek op zijn lijksteen laat vallen; en naast zijn titel vanφιλάνθÏωποςdien vanφιλόνοςschrijven. Men moet ezel zijn, om te kunnen gevoelen, wat dit geslacht aan hem verplicht is. Menige koning, die onder marmer slaapt en er zijn Hofdichter op nahield, heeft geen lijkrede gehad, gelijk de doode ezel op den weg van Nampont; en nooit is een maaltijd, zelfs niet een Instituut van kunsten en wetenschappen, meer door welsprekendheid of poëzie verheerlijkt, dan de maaltijd van artisjokken van den ezel op de straat vanLyon.—Als men mij recht verstaan wilde, zou ik zeggen, er was iets van den ezel inYorick! zijn week hart stond open voor alle smart, maar de langoor had daarop de eerste rechten. De armeMariavanMoulinsen de Gevangene uit zijn visioen teParijszelve lokten geen klaarder droppels uit zijn zacht oog. Zijn mededoogen had niets van de rhetorische verontwaardiging vanBuffon, waaraan niemand gelooft; hij versierde zijn held met geen deugden, waarvan niemand iets bemerkt; hij had deernis met hem—als met een ezel, een leelijk, ongelukkig, verschopt dier, dat men nog hatelijker heeft zoeken te maken door het te vergelijken met menschen, met wie het, des bewust, alle verwantschap vol afkeer en verachting verloochenen zou. Ik ten minste kan, sedert ik het eerst overSterne’sgunsteling schreide, geen lotgenoot van hem zien, of ik voel iets wonderlijks bij mij opkomen, dat onmiddelijk de telegraaf tusschen mijn hart enoog in beweging brengt, en als ik gelegenheid vind, ga ik een oogenblik naar hem toe, en streel hem den ruwen hals en raap[61]een koolstronk voor hem op, die buiten zijn bereik ligt, en zie hem bij zijn vertrek zoo lang na als ik kan, en ga daarop even als hij met gebogen hoofd en sleependen gang, verder.
Ik wenschte, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!
Dan zou ik zien, wat ik voor het schaap doen kon.
Ik weet wel, dat geenelegiehet lot van eenig beest verandert, en dat, uitgezonderd bij wijsgeeren en Poëten (zie den oudenShandy), geen lijden wordt weggeredeneerd of weggedicht. Maar wie weet toch, of niet hier en daar een enkele goede ziel, die de goede ziel vanYoricklief had, om zijnentwil, zijn grauwtje een paar slagen minder en een paar handen gras meer gegeven heeft? en al ware het zoo niet; hetgeen ik echter zonder deugdelijk bewijs niet zoo spoedig gelooven zal; dan is het toch iets, dat het arme dier sedert, bij tusschenpoozen, een deelnemend oog op zijn weg ontmoet, en een zachte hand op zijn harden bast voelt. Beklagen, hoe gebrekkig dan ook, blijft toch altijd nog het beste surrogaat voor helpen. En wij zelven, hoe dikwijls moeten wij het ook, in onze beproevingen, met een vijfvoetig vers, in plaats van een vijfvoetige hulp doen!
Maar de pen vanYorickis hier niet meer, en blinkt naast de lier vanSaffoaan den hemel! duizend ganzen vielen sedert uit de lucht, en duizend schachten werden versneden, maar de gans, die haar vleugelen aanSterneleende, liet geen kuikens na. En al fluistert men elkander toe, dat de kracht van zijn pen grootendeels in het geheim schuilde, dat hij zijn eigen tranen voor inkt gebruikte, men kan het hem maar zoo niet meer nadoen. Bij hem vergeleken, is het altemaal ezelen-gebalk.
Zoodat gij geen reden hebt, veel van de pogingen uws pleitbezorgers te verwachten, mijn waarde kliënt voor de rechtbank der menschelijkheid, arm, ongelukkig schaap! Maar gij zijt zoo nederig en zoo goed, dat ik zeker ben, dat gij het minste, dat ik voor u doen kan, met uw eigen vriendelijk oog zult aanzien; en al ware het, dat mijn pleidooi maar het lot van een enkele uit uw verdrukt ras verbeterde, dat ware, (om in den stijl der voorredenaars te spreken), voor mijn lammerlievend hart voldoening genoeg.
Het is ellendig—nooit kan ik mijn oog opslaan, of ik heb datzelfde ongelukkige schouwspel voor mij!
Aan de rechter- en linkerzijde van mijn tuin, waarop ik uit mijn kamer het gezicht heb, grenst een strookje lands. Het eene is een hoek bouw- en het ander een hoek grasland; nu vind ik altijd op een van beide hetzelfde schaap weder. Het gezicht van dat beest breekt mij het hart. Het is een oud, vuil, leelijk dier, met lang hair over de oogen, en een kop, waaraan al het fijne en spichtige van een schapen-physionomieontbreekt. Haar voor- en achterpooten zijn met touwen aan elkaâr gebonden, zoodat zij allererbarmelijkst hinkt. Wanneer gij daarvan de reden vraagt, zal men u zeggen, dat het is om haar het verlaten van haar afgeperkte weide te beletten. Lieve[62]Hemel! dat is goed voor jonge, dartele lammeren, die de wereld zien willen en den ganschen dag met hun neus over het bolwerk liggen, waarachter zij ingesloten zijn; die van speelziekte en joligheid niet weten wat ze doen zullen, en telkens het verbodenbastionzoeken te bespringen om den vijandelijken grond stormenderhand te veroveren. Maar mijn tam, lam en stram schaap! op mijn woord, al ontneemt men ze haar voetboeien, zij zal geen enkelen onbezonnen of wilden stap doen. Ziet gij het niet, dat het beest der wereld lang is afgestorven en niet dan een rustigen ouderdom verlangt? Den ganschen dag strompelt zijjunctis pedibusover het grondje heen en weder om haar voedsel tezoeken, of ligt, met den breeden kop op het gras uitgestrekt, te slapen zonder naar iets buiten haar om te zien. Niets is in staat haar uit die vadzigheid te wekken. Zelfs geen ongewoon geluid van den horen der diligence, of de zweep des postiljons, of de trommel van voorbijtrekkende soldaten, maakt haar belangstelling meer gaande. Zij is als een grijsaard, die, in zijn leuningstoel gezeten, van alles zegt: Ik heb dat meer gezien.—Alleen als hetblae! blae!van voorbijgaande lotgenooten haar oor treft, heft zij het matte hoofd even van den grond omhoog, om ze met een onbeschrijfelijke uitdrukking aan te zien, als maakte zij in der haast een vergelijking, wie van hen de ellendigste ware; in welk geval de billijkheid mij noodzaakt te erkennen, dat zij meermalen den troost gehad heeft van te zien, dat er meer zulke ongelukkigen waren als zij. Ik vind het dus hard, dat het beest,dat, even alssommigegevangenen bij het verwoesten der Bastille, haar kerker niet zou kunnen verlaten, al werd er haar de vrijheid toe gegeven; uit kracht van een eerwaardige overlevering, niet met ongebonden pooten zal mogen sterven. Voor alle soorten van schepsels, van de tweevoetige tot de duizendbeenen toe, is gewoonte enetiquetteeen lastig ding!
Maar goed! het dier is het mogelijk reeds vergeten, wat het is haar voeten tot haar gebruik te hebben; misschien zou zij met denPrisoner of Chillonzeggen:
It was at length the same to me,Fetter’d or fetterless to be.
It was at length the same to me,
Fetter’d or fetterless to be.
En er is veel kans ook, dat zij, al vielen ook haar boeien af, daarom niet minder kreupel zou loopen. Was nu haar gevangenis maar wat beter! een schaap is voor geen reiziger rondom de wereld in de wieg gelegd, en zou zich nog wel met een klein hoekje kunnen te vreden stellen, als dat slechts niet al te mager is. Maar hieraan is het juist, dat het hapert. Nauwelijks hebben de koeien het kaalgegeten, strookleurige land verlaten om op haar winterstallen het ingemaakte groen te gaan eten, of het schaap wordt in het bezit van het ontruimde terrein gesteld. Met een vroolijk oog groet zij haar nieuw verblijf, en begint dadelijk met de gelegenheid van den grond te verkennen.—Zie haar troosteloozen blik! een vluchtig rondzien is voldoende om[63]haar de verzekering te geven, dat het hier physisch onmogelijk is ooit genoeg te eten. De koeien hebben haar de moeite van te kiezen bespaard, en met de volkomenste onpartijdigheid alle plekken even naakt gelaten. Eerst laat zij zich nog een oogenblik door valsche hoop misleiden; door den afstand bedrogen, schijnt haar gindsche streek toe toch nog een groenen schijn te hebben. Vol verwachting strompelt zij er zoo vlug mogelijk heen; helaas! zij blijkt het slachtoffer van eenfallacia opticageweest te zijn, en, met treurige verwondering over haar teleurstelling, ziet zij op en naar de plaats terug, die zij verlaten heeft. Ei zie, nu schijnt deze haar weêr meer bewassen toe.… eenige pijnlijke stappen, en zij is er, om praktisch te leeren inzien, hoe veel de schijn van het wezen verschilt. Vol lustelooze graagte trekt zij met lange tanden aan het korte maal. Zoo brengt zij een geheelen langen winter door, en deelt haar voedsel met een ouden versleten knol, die sedert eenige jaren zijn plaats in den stal aan een paar jonger opvolgers moet overlaten. Wordt het evenwel te koud, dan wordt het paard nog wel eens voor een korten tijd in huis gehaald; alleen het schaap wordt met onvermurwbare standvastigheid, die een betere zaak waardig was, aan de ongenade des weders overgelaten. Het hart, door haar vacht verwarmd, is door niets te bewegen, om wederkeerig iets voor haar verwarming te doen; integendeel, als haar meester in den kouden nacht haar klagende stem hoort, haalt hij de dekens, uit haar wol geweven, over het hoofd, om niet in zijn koesterende rust gestoord te worden! Zoo brengt dan het dier (ik bedoel het schaap) menigen langen nacht door met van koude te bibberen, zonder in slaap te kunnen komen. Menigmaal zag ik, ’s morgens opkomende, haar vacht onder een last van sneeuw begraven, zoodat ik niet onderscheiden kon, wat wol en wat sneeuw was. En mij dacht, dat moest een koude maaltijd zijn, zijn voedsel aldus uit de sneeuw te moeten opgraven; een wat heel groot kontrast met onze verwarmde borden en tafelkomforen. Och, och! een voet twee drie gronds in de schuur voor de verkleumde! een handvol hooi voor de verhongerde! Steek het hoofd even buiten het bevroren raam, en gij zult barmhartiger zijn.
Ik ken menschen, die hunne tranen niet kunnen weêrhouden, als een begaafde mond hun het bewegelijk tafereel teekent van den armen man uit de schrift, die „gansch niet en hadde, dan een eenigh kleyn oy-lam, dat hy gekocht hadde, ende hadde ’t gevoedt dat het groot geworden was by hem, ende by sijne kinderen te gelijck; het at van syne bete, ende dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende het was hem, als eene dochter;†terwijl zij voor zich voor niets zorgvuldiger waken, dan dat geen landheer zich omtrent hen aan zulk een roof zou kunnen schuldig maken. WatNathanwel tot dezulken zou gezegd hebben?
En op die winterweide, waar ik u bracht, heeft soms een tooneel plaats, waarvan het goed is, dathetdoor den nacht bedekt wordt. Het schaap is moeder geworden: onder een barren hemel, op een hard bevrozen[64]grond, in een felle jachtsneeuw is het moeder geworden. Het jonggeboren lam ligt aan haar voeten, onder dien barren hemel, op dien harden grond, in die kille sneeuw. Maar toch heeft de moeder een enkel gelukkig oogenblik, als zij den bibberenden zuigeling met haar eigen lichaam dekt en beschermt, en zijn eersten dorst met melk laaft, die men haar nog niet ontneemt! Doch—wat is haar op eens? van waar slaat zij zulk een onrustigen blik naar boven? zij heeft een roofvogel in het gezicht, die zijn noodlottige kringen rondom haar beschrijft, en al lager en lager nederdaalt. Daar schiet hij op het jong neder, en slaat met zijn scherpen bek in het teeder oog. Vergeefsch is de tegenstand der moeder: een schaap heeft immers niets om tegenstand te bieden? Gelukt het haar al, haar vervolger voor een oogenblik te verdrijven, gedurig herhaalt hij zijn moorddadige aanvallen; en als de trage morgen aanlicht, staren twee ledige oogholten het moederschaap treurig aan! Bij uw eerste vadervreugde, bij uw eerste moedersmart, is er dan niemand om zich over het jonggeboren lam te ontfermen?
Maar het wordt lente! de jonge spruitjes beginnen het hoofd uit den grond te heffen, en spreiden als een groenen sluier over de gele stengels van het dorre land. Hoe gretig doet het schaap zich aan dien ongewonen kost te goed! Gras in de scheut—het is een dubbele weelde! met openstaande neusgaten en krullende lippen wroet zij die lekkernij uitdegrond.… daar wordt het hek, dat den geheelen winter gesloten is gebleven, geopend; de boerenknecht slaat de ongelukkige een touw om den hals, en sleept haar uit het weilandje naar het stukje bouwgrond er naast. Dat is hard! daarbij komt het lijden vanTantalus, wiens smaak ten minste niet door het proeven van de vruchten getergd was, niet in vergelijking. En wat vindt zij nu in haar nieuwe voorraadschuur? niets dan drooge stoppels van het vroeger afgemaaide graan; stroo, zoo als het door den wintergeprepareerdis. Mismoedig ziet zij dit maar al te bekende en gehate voedsel aan, en terwijl zij over deze verandering treurt, daar ziet zij de loeiende koeien wel doorvoed uit den stal komen, om zich aan haar disch te plaatsen en de groene eerstelingen te oogsten, waaraan zij alleen de lippen gezet heeft. Dat is het hatelijkste; den geheelen zomer door heeft zij op tien schreden afstands, door een laag dijkje gescheiden, een malsch, welig grasland voor zich; zij staart op het beloofde land, zonder het te mogen intreden; zij riekt de vleeschpotten vanEgypte, zonder er den mond aan te mogen slaan; en zij moet het geduldig aanzien, dat die groote, vette, lompe koe, die haar van daar verjaagd heeft, met haar mollige, kwabbige pooten tot aan de enkels toe door het hooge gras baadt, en oververzadigd zich met haar gevulden buik op het heerlijke voedsel uitstrekt.
Ziedaar het gewone lot van het schaap in de streek, waar ik den zomer doorbreng.
O, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!
Beken het, Mejufvrouw! zoo iets had UEd. zeker niet gedacht. Een lammetje is toch zulk een lief diertje; en het heeft zulk een mooi wit[65]velletje, en zulke nette, kleine pootjes, dat men zou er jaloersch van worden. „Och Mama, ik zou wel zoo’n lammetje willen hebben; dan zou ik het een blauw lint om den hals binden, dat zouchampêtrestaan!†Ook wordt bij u alles wat lief is bij dit dier vergeleken. Gij zelve, immers, gij zijt zoo zacht als een lam! en uw poezele huid is zoo mollig als wol! en uw gouden haar is zoo dik en dicht als een schapenvacht! en, als gij een romantischen Dichter in de familie hebt, vergelijkt hij misschien, met een uitdrukking uit het Hooglied, uw tanden met „een kudde schapen, die gheschoren zijn, die uyt de waschstede opkomen.†Allerliefst! als het arme dier, waarvan gij zoo veel hebt, maar wat meer van u had!
In waarheid het schaap behoort tot die ongelukkigen, wier geluk alleen op het papier bestaat, en vermeerdert dus de dubbelzinnige klasse van lamgeschoten invaliden, arme dichters, teringachtige meisjes, kale Edelen, mishandeldegeniënenz. Gij kunt geen rozenkleurig boekje opendoen, of het wemelt er van schapen en lammeren. Is het een prentenboekje, gij vindt er allerliefste plaatjes in, met kinderen, wie zulk een diertje als een schoothond achteraan huppelt; het is veel, zoo een enkele aan den zijden band van een lint gehoorzamen moet. Zijn het verzen, des te erger! Sla het eerste blad het beste op, en tien tegen één, dat daar reeds een beldragende hamel, als voorganger van een heele kudde die straks staat te volgen, vooruittrekt. Het lam is het beeld bij uitnemendheid! Beurtelings worden de vergelijkingen aan zijn kleur, aan zijn vacht, aan zijn aard, of aan zijn bestemming ontleend. Zooals men in de wezenlijke wereld alles, wat aan de koe is, van de horens af tot de pooten toe tot verschillende einden gebruiken kan, zoo is er ook aan het lam niets, of het komt in de dichterlijke wereld te pas. Men kan geen lief meisje teekenen, of geen aandoenlijk geval verhalen, of geen beminlijk karakter schilderen,—men kan bijna niets dichten of verdichten, of het schaap komt er bij! Neem menigen dichter zijn heerde af, en zie hoe hij zelf daar staan zal als een geschoren schaap.
Zoo is het dier in alle salons en op alle partijenin effigietegenwoordig; op de schilderijen aan den muur, op de tapisseriewerken op den grond, in de complimenten der Heeren aan de Dames, in den sentimenteele uitboezemingen der Dames tegen de Heeren, in de verzen, die in den vooravond worden gedeclameerd of aan tafel voorgelezen:tout y est moutonné, zoo als een Franschman van de nieuwe school zou zeggen—maar van dit alles bemerkt mijn schaap op hare kale weide niets. De dichter gaat haar voorbij, terwijl hij juist met den vinger aan den neus loopt bedenken, hoe hij zijn meisje, die op den eersten Paaschdag jarig is, het geestigst met een paaschlammetje zal vergelijken, zonder een oog te slaan op het beest, dat hij in zijn verbeelding zoo sierlijk opsmukt en bekranst. De jonge Dame, die zich met een lam aan haar voeten, onder een Arcadischen treur-eschen miniatureheeft laten uitschilderen, weet van een wandeling te huis komende[66]niet, dat zij mijn ongelukkig dier ontmoet heeft. De schilder, die denkt over een nieuw landschap met schaapjes gestoffeerd, zit, met den rug naar mijn vriendin, een krommen knotwilg te teekenen, dien hij in zijn schets hoopt te brengen, maar heeft geen blik over voor het hoofdvoorwerp van zijn tafereel, omdat hij in de voorstelling daarvan niet mis kan tasten. Zoo wekt het arme dier enkel en alleen in het ideale belangstelling op, en staat in dit opzicht nog beneden zijn mededingers naar de eerste plaats op papier en paneel, de zwanen en duifjes.
En al is het, dat een enkele uitverkorene een tijd lang aan den ban ontkomt, waaronder haar geslacht rust, hoe onstandvastig is de gunst, die haar bewezen wordt! Laat eens aan een enkel melkwit of fraaigevlekt lammetje het voorrecht te beurt vallen van tot speelkameraad van het dochtertje des huizes verheven te worden; wat duurt die vreugde kort! In den beginne heeft het een allerbenijdenswaardigst lot; het voedt zich met vette klaver en wordt met room gedrenkt; het wordt met linten opgetooid en met bloemen bekranst; het wordt door zijden handen gestreeld en door poezelige armpjes omhelsd; maar laat het grooter, laat het een schaap worden, dan heeft al die weelde een einde. Dan is het „Rose†of welke andere beeldigen naam het dragen moge, „wordt leelijk en vuil.Jan!als gij zaterdag naar de stad gaat, moest gij haar ter markt brengen.†Daar staat nu Rose op de markt onder andere gemeene, burgerlijke schapen; daar wordt zij onder andere slachtoffers aan het mes van den slager verkocht; daar krijgt zij het noodlottige looden teeken in het oor, dat zoo menige adelijke mond gekust heeft; en den hals, die met roode linten placht gesierd te worden, verwt de bloedige krans des doods! Waarom? ik vraag u waarom? Waarom is gindsche mopshond beter, die ook sedert lang zijne jonge en mooie dagen gehad heeft, maar die nu nog als een bedorven gunsteling in zijn vet smoort, en bij schoon weder door den palfrenier in de zon gedragen moet worden, dewijl hij te dik is, om er zelf heen te kruipen? Waarom ziet men nooit een oud schaap even zoo het genadebrood eten? Of waar is de wet der natuur, dat een lam niet leelijk mag worden, zonder van zijn voorrechten te vervallen? Verbeeld u eens, Mejonkvrouw! dat men met u denzelfden regel volgde. Gij hebt gelijk, van het hoofd met een grilling om te keeren.
Daar hangt nu Rose aan den noodlottigen haak, ten prooi aan de tanden van liefhebbers van schapenbouten en lamskoteletten. En zelfs in den dood blijft de strijd tusschen haar idealisch en wezenlijk lot bestaan. Een geslacht lam! Wat wordt daarvan niet al schoons gezegd! Hoe veel tranen doet dat beeld niet vergieten! Verbeeld u eenelegieop den dood van een jong meisje, zonder de vergelijking van een jeugdig offerlam, met bloemen om den hals onder een ontijdig zwaard gevallen. Verbeeld u een treurspel van de eene of andere vermoorde Onnoozelheid, waarin het weerloos gedoode schaap ontbreekt. Verbeeld u een pleidooi[67]voor de eene of andere kindermoorderes, waarin het niet als een ongerijmde aanklacht wordt behandeld, dat een vrouw zoo wreed zou zijn van een zooglam als in de melk der moeder te smoren. Verbeeld u een vers opKainof zijns gelijken, waarin niet deze of dergelijke regels voorkomen:
Zal hij nu ook verrotten, als dat schaap,Dat, afgedwaald, in ’t bosch mij tegenkwam,Dat ik zoo wreed verwurgde?—Ja, dat schaap,Dat stervend schaap had mij, bijna, ontroerd!.…
Zal hij nu ook verrotten, als dat schaap,
Dat, afgedwaald, in ’t bosch mij tegenkwam,
Dat ik zoo wreed verwurgde?—Ja, dat schaap,
Dat stervend schaap had mij, bijna, ontroerd!.…
En ga nu eens een achterbuurt rond, en zie wat er van dat aandoenlijk voorwerp wordt? Ach, niet genoeg van in haar leven veracht te zijn geweest, volgt haar vernedering haar in den dood. Is haar vleesch niet bij voorkeur het voedsel van den arme? Wordt het niet in den regel met zorg van de tafels der grooten geweerd? wordt het niet nog lager geplaatst, dan het spek van het leelijk en morsig zwijn? Acht zelfs de huismoeder geen verontschuldiging noodig, als zij u niets dan een stuk schapenvleesch heeft aan te bieden? Zoo drukt de vloek zelfs op haar ongelukkig lijk. En die het leven van een verongelijkte leidde, mist het voorrecht van ten minste bij haar sterven, als een gekroonde na haar dood, „in de dankbare maag van een keurigen Epicurist een kostbaar graf te vinden.â€
O, dat ik voor een oogenblik de pen vanYorickhad!
En toch, zoo eenig dier, om zijn beminnelijke hoedanigheden, een ander lot verdiende, het is het schaap. Witheid kleedt en zachtheid dekt het; maar wat zijn deze bij de blankheid en zachtheid van zijn aard en zeden? Er is in het schaap iets onnoozels, iets weerloos, waarvan gij in de gansche natuur te vergeefs een wedergade zoeken zult. Ik kan soms een geruimen tijd besteden met een bezoek aan mijn oude buurvrouw te geven. Ik wenschte dat gij haar dan zaagt, hoe ze mij vriendelijk te gemoet komt en haar wolligen kop onder mijn hand steekt, die zij wel weet dat haar streelen zal; en hoe zij haar lekt, wanneer ik voor haar eenige blaren van den elzentak pluk, die voor haar bereik te hoog hangt. Dan is zij zoo vergenoegd en te vreden, en ziet mij met zulk een vriendelijk oog aan. Nooit vind ik bij haar, de misdeelde en vertrapte, een blijk van wrevel of murmurering. Nooit hoor ik haar, gelijk de ongeduldige koe, haar stem tot een klacht verheffen. En wanneer mijn Dolly mij soms te vlug is en haar blaffende najaagt, dan is er in haar geduldig voortstrompelen, zonder zelfs een verwijtend oog naar haar onedelmoedigen vijand te wenden, zulk een onderworpen lijdzaamheid, dat mijn hart er van wordt aangedaan. Voorbeeldig dier! denk ik dan wel eens: ik mocht nog wel bij u ter schole gaan! hoe veel zijt gij mij in gelatenheid en berusting vooruit. Gij die nooit den hals om wendt naar den stok, die u drijft; die nooit de verzenen slaat tegen de prikkels, die u treffen; die zelfs nooit klaagt onder de hardheid welke u wordt aangedaan; maar die—bewegelijk—zelfs de hand lekt, die u keelt! Hoe beschaamd sta ik niet bij u, ik redelijke,[68]onsterfelijke mensch, die weet, Wiens stok mij drijft, Wiens prikkels mij slaan, Wiens hardheid mij treft, Wiens hand mij wondt.… kom, oude, laat mij u streelen! gij zijt dikwijls beter dan ik!
Nog altijd graast mijn schaap geduldig den kalen akker af, en bemerkt niets van de overdenkingen, waarvan zij tot voorwerp strekt. Als ik oprecht zal zijn, zij schijnt zich mijn redenen niet zeer aan te trekken. En zij heeft gelijk ook. Want wat helpen haar al mijn praatjes, meer dan de onvruchtbare ingenomenheid harer overige kunstbewonderaars? Welnu! ik wil haar toonen, dat een goede buurman beter is dan een verre vriend. Ik wil naar haar meester gaan, om te zien of hij mij haar voor een prijsje wil overlaten. Dan kan zij voortaan haar laatste gras uit de kreb eten. Welaan, oude! dat zullen wij hebben. En als gij dan uw matten kop nederlegt om hem niet meer op te heffen, dan zal ik van uw vacht een slaapmuts laten weven.
Mij dunkt, dat zal zacht rusten zijn![69]
[Inhoud]SINT-NICOLAAS.Een oud vrijer heeft weinig feestdagen in zijn leven. Hij is een gedwongen egoïst, die zich zelven tot het middelpunt van al zijn vreugde en leed maakt. Hij mist de zaligheid zich van nabij in het geluk van anderen te verlustigen.Het is waar, hij kan zich in de woning eens vriends dringen, en zich in den feestvierenden kring mengen; maar dit is een gebedelde vreugde, en vreugde is zoo weinig geschikt om een aalmoes te zijn! Ook heb ik mijn stoute schoenen wel eens aangetrokken, en aan de deur van een juichend gezin aangeklopt; maar ik heb er mij vaak kwalijk bij bevonden. Somtijds trok men een zuur gezicht tegen de onwelkomechampignon, die zich een deel van de sappen kwam toeëigenen, waarop alleen de natuurlijke takken recht hadden; maar al was het dat men mij niet onvriendelijk ontving, ik schoot er op den langen duur toch over. Als het groote oogenblik van gelukwensching en omhelzing gekomen was, stond ik van verre, eenzaam, vergeten, veronachtzaamd. Het was veel, als men zich ter loops verschoonde: „Vergeef mij mijne onbeleefdheid, Neef! maar dit is een feest voor mijn kinderen. Die zijn van daag de hoofdpersoon.†Men vloog juichende op, viel elkander om den hals, drong in vroolijk en bont gewoel dooreen, terwijl men tranen stortte en lachte te gelijk, even als op een Aprilsdag. Bij dit alles moest ik zorgen uit het gedrang te blijven. De kinderen, die bij mijn komst en vertrek gelast werden mij een kus te geven, rekenden zich nu vrij van het betalen dier schatting; ik maakte in mijn eigen oogen de figuur van den armen Pierrot, zoo als hij met zijn ziekelijken glimlach voor eenen wèlvoorzienen disch staat te watertanden. Eindelijk komt men tot rust. Neef wordt weêr een lid van het gezelschap. Het bittere oogenblik is voorbij. Neen,Jonathan! eerst nog een onvriendelijke houw voor u. „Zie, Neefje! dat zijn genoegens, die men toch maar alleen in het huwelijk smaakt. Gevoelt ge daarbij geen berouw van ongetrouwd gebleven te zijn?†Bij zulk een uitval loopt mij een rilling langs de leden; het is heldenmoed, die mij dan de zuchten, die mijn keel benauwen, onder een gesmoord lachje doet wegkuchen.[70]Neen! een oud vrijer behoort te huis te blijven. De zuiverder en edeler genoegens van huiselijke vreugde zijn voor hem een verboden toonbrood. Hij moet zich, zoo goed hij kan, met zijn eigen feesten trachten te behelpen. Het komt er slechts op aan, of hij kinderlijken zin genoeg heeft, om zich van kleinigheden een feest te maken. Het eerste uitvliegen van zijn duiven indelente, het uitbroeden van zijn kiekens door zijn klokhen, het eerste geneurie van zijn jongen kanarievogel, moet hen tot surrogaat dienen voor een jongen die naar school gaat, voor een meisje dat begint te leeren loopen, voor een kind dat voor het eerst den vadernaam stamelt. Iederen dag, waarop het verjaart, dat hem een buitengewone zegen te beurt viel, moet hij plechtig vieren. Hij moet zijner vrienden dikwijls feestelijk gedenken. Het beste middel evenwel is.…Gisteren stond ik uit mijn raam te kijken. Het was de dag vóór St. Nicolaas.Op straat heerschte er een ongewone drokte. De banketwinkels waren fraai versierd; dienstboden liepen met beladen korven af en aan. Vaders en moeders drentelden langs de straat met hun kleinen, die zich aan het gezicht van al die blinkende lekkernijen niet verzadigen konden: het droeg alles de kleur van ongemaakte vroolijkheid, welke een kinderfeest kenmerkt.Deze aanblik was voor mij een zoet-bittere herinnering. O! ik kan ze mij nog zoo goed verbeelden, die eerste December-dagen, door mij als kind in nieuwsgierige afwachting doorgebracht; en als dan eindelijk de avond gekomen was, waarop een vermomde Invalide, onze oude huisknecht, de rol van den weldadigen Heilige vervulde, hoe zwom ik in kinderlijke weelde! Ik was in dien tijd eene kleine vrijgeest. Ik had mij met vrij wat neuswijsheid in het bezit van het groote geheim gesteld, en loochende, met de vrijmoedigheid van eenBalthazar Bekker, de mogelijkheid van bovennatuurlijke verschijningen. Maar toch was er iets verstandigs in het weinige misbruik, dat ik van deze ontdekking maakte. Ik hield haar voor mij, zonder mijn broeders en zusters van het genoegen hunner illusie te berooven; en zelfs voor mij zelven liet ik mij door mijn ketterij het genoegen van den avond niet ontnemen: ik wist het beter, maar maakte mij wijs, dat ik het voor dien avond niet wist. Ik was alsNapoleon, die aan geen geesten geloofde, en er toch bang voor was. O! dat ik altijd met mijne andere illusies even zacht en barmhartig hadde opgesprongen!De nacht werd slapeloos en in vreugdevolle droomen doorgebracht. Eindelijk brak de morgen aan; de vaderlijke roepstem vergaderde ons allen in het beste vertrek. Daar stond hij ten toon gesteld, die schat van glinsterend banket! een armelijke trofée, maar opgebouwd met van liefde bevende handen; een gebrekkige toerichting, maar met van vreugde schitterende oogen aangestaard! Ik heb sedert andere feesten gevierd; ik heb aangezeten in de zalen, door vendelpracht, lichtkransen en bloemfestoenenopgeluisterd; ik heb mijn tong met kostbare lekkernijen en nog kostbaarder wijnen gestreeld; maar het genoegen van[71]mijn klatergouden Decemberdag heb ik nergens weêr gevonden.Deze en dergelijke denkbeelden dwaalden door mijn hoofd, terwijl ik het gewoel op straat aanzag; maar zoo dit gevoel het midden tusschen vreugde en droefheid hield, welhaast overmeesterden mij somberder gedachten. Mij arme, dacht ik, ziedaar al weder voor mij een feestdag minder dan voor anderen. Mijn aanstaande erfgenaam zendt mij mijn naamcijfer in lettergebak; ik geef aan enkele lieve kleinen een geschenkje;—ziedaar alles! maar ik zit heden en morgen den ganschen dag alleen, ik heb geen voorsmaak van het genot van iemand, die mijn lief is, te verrassen.Vroeger had ik altijd op dezen dag een vroolijk uur; het was als ik den Engelschen almanak, in rooskleurig papier gewikkeld, aan zijn adres verzond. Mijn boekverkooper heeft mij sedert altijd de volgende jaargangen van het boekske gezonden; ik heb hem laten begaan; ginds liggen zij onaangeroerd; ik heb er nooit een enkelen van ingezien.Nog altijd trokken de kleinen in triomf langs de straat. Hoe benijdde ik de vaders, die hen rondleidden! Met hoe veel liefde hadden velen sedert weken hunne spaarpenning weggelegd, om heden met geen leêge handen voor hunne kinderen te verschijnen; maar wat zou daarentegen die spaarpenning ook rijke woekerwinst geven, als de wichtjes in hun vreugde hun ouders zouden om den hals vliegen en het geheele huis met hun gejuich vervullen: als deze met tranen van weelde de verrukking met hun kroost zouden gadeslaan;—o! kinderen zijn dankbare beweldadigden; zij weten van geen halve voldoening; zij weten van geen kiesche verzwijging. Hun genot is volkomen; hun vreugde ongetemperd; hun dankzegging ongemaakt hartelijk.Nu en dan zag ik een jong mensch met het voorkomen van vroolijke opgewondenheid voorbijgaan. Zeker zijn er wel bij geweest, die den dag van heden bestemd hadden, om aan het voorwerp hunner verborgene liefde een geschenk in handen te spelen. Hoe zullen deze met een kloppend hart de teedere depêche hebben gereed gemaakt, en met hun gedachten vergezeld! Met hoe veel ongeduld zullen zij naar het oogenblik verlangd hebben om hun schoone te ontmoeten, ten einde misschien in hare oogen te lezen, of haar de kiesche hulde niet mishaagd hebbe. Ik moet er voor uitkomen, de beschroomdheid eener eerste liefde heeft voor mij iets aantrekkelijks. O, het moge schoon staan, wanneer de forsche, krachtige man, met trotsche vrijmoedigheid, voor de gansche wereld de kleur zijner schoone ten toon draagt; wanneer hij straks met heerschzuchtige vrijmacht zijn hand op de vrouw zijner keuze legt, en der zwakke duive niets overblijft, dan onder zijn breede vleugelen te vluchten; ik heb altijd een vóórliefde gehad voor die innemende schuchterheid, welke den onbedorven jongeling voor het voorwerp van zijn eerbied als een meisje blozen, en haar met huiverend ontzag naderen doet. Ik wenschte dus van ganscher harte aan alle zwijgende verliefden een gelukkig Sint-Nicolaasfeest. En werkelijk zag ik in mijn verbeelding, hoe menige aanvallige de sierlijkesurprisemet blijde[72]verrassing ontving, en zoo ras zij kon, uit aller oogen wegstal, om in de eenzaamheid zich onbespied in de beschouwing er van te verlustigen. Het is een zoet oogenblik, waarop het eerste liefdepand gewisseld wordt! een oogenblik, hetwelk ik wenschte dat ieder eenmaal smaken mocht. Maar helaas! wat zullen er heden weder vele ongelukkige zusteren dier gelukkigen zijn, die vruchteloos naar eenig blijk van hulde of liefde zullen uitzien; jonge dochteren, door de Natuur stiefmoederlijk bedeeld, of die het nog grooter onrecht hebben van arm te zijn; beklagenswaardige Cendrillons in het groote drama der lotbeschikkingen! Cendrillons aan wier voet misschien het enge, broze glazen schoeisel eener strenge deugd past, maar die de bevooroordeelde partijdigheid van alle mededinging uitsluit. Ik beklaag die lieve schepselen, die de bevoorrechte kinderen der schoonheid en des geluks met bewijzen van bewondering en hulde zien overladen, terwijl niemand haar zelfs de aalmoes van een vriendschappelijk aandenken in den schoot werpt. Zij zien den dag zonder vreugde voorbijgaan; zij moeten misschien het harde woord eener onmoederlijke moeder verduwen; en terwijl haar zusteren door schoone droomen worden in slaap gewiegd, vertrouwen zij aan haar vochtig hoofdkussen haar echt vrouwelijk, en en toch meest alzoo wreed miskend lijden.Het was avond geworden; de lampions waren aangestoken; de koetsen rolden; de stad raakte in beweging. Ik deed mijn mantel om en ging uit. Er heerschte op straat een vroolijke drukte; treinen van kinderen trokken juichend voorbij; ik trad in een winkel; het was een lust die kleine oogjes zoo begeerig te zien rondkijken; die kleine handjes zoo gretig te zien uitstrekken; de kleinen bevonden zich hier in een waarLuilekkerland: de wanden, de tafels, de grond, alles was suiker en gebak. Ik geloof niet, dat men ooit in lateren leeftijd zijn stoutste droomen van verre zoo verwezenlijkt ziet, als een kind de zijne in een banketwinkel op Sint-Nicolaasdag. Wie zou dan met een onverschillig oog het op een zoo gebrekkige aarde zoo zeldzame, schouwspel eener onvermengde en volkomene vreugde—al is het dan maar een kindervreugde—kunnen aanzien?Het huis verlatende, zag ik de stoep door een partij arme wichtjes belegerd. Mijn hart brak er van; zij stonden bij een felle koude, in lompen gekleed, op de steenen te bibberen. Maar toch konden zij van het aanlokkelijk gezicht niet scheiden; met kinderachtige nieuwsgierigheid gaapten zij al die heerlijkheid aan. En, wat mij het meeste trof was, dat er in hun toon geen zweem van spijt of ontevredenheid was. Zij zagen kinderen van hunnen leeftijd binnengaan en met volle handen terugkeeren; geen gemor kwam over hun lippen. Veeleer heerschte er onder hen een blijde ingenomenheid, alsof zij wel degelijk deelgenooten van de feestvreugde waren. Zie, zóó waren zij het reeds gewoon geworden, de kinderen der rijken als andere wezens te beschouwen. Zij hadden er geen denkbeeld van, dat slechts een hard toeval hen van gelijke rechten beroofd had; het was hun reeds eigen, alleen met het[73]oog te genieten. Die natuurlijke zelfverloochening der armen heeft iets aandoenlijks. Als er een feest in de stad is, heet het bij hen: „Laat ons de illuminatie gaan zien,†zooals wij zeggen: „Laat inspannen.†Zij houden het voor een voorrecht, bij een gastmaal door de vensters te turen, en dáár van onverzadigden lust te verteren. Zij laten zich door de gewapende macht terugdrijven, of wijken voor de paarden der rijken, zonder zich met een enkel woord te beklagen.Ik kon deze denkbeelden niet bij mij houden. Het werd mij op de breede verlichte straten te eng. Ik ging, zoo snel ik kon, naar mijn kamer, en keerde, met eenen nieuwen last beladen, vandaar terug.Toen spoedde ik mij, zoo ras ik konde, naar een der schamelste achterbuurten. Overal rust: geen enkel lichtje! geen schijn van feestviering! Zoo gaat het! het feest van St.Nicolaas is een feest der armen, maar de rijken vieren het. Hier en daar zag ik de deuren openstaan; het eenige, dat de onvermogenden uit de gouden eeuw vanSaturnusbehouden hebben. Ik hoorde een kind om brood schreien—om brood! het wicht zag mij niet—de vrouw was met haar kind bezig—ik was in een oogenblik weg. In een andere hut zag ik een moeder, uitgeteerd van gebrek, een half naakt schepseltje zogen; de wind snerpte onbarmhartig door de reten: zachtjes ging de deur open—er viel iets klinkends op den grond—terwijl de vrouw bukte, verdween de schaduw van den wand. Een oud moedertje zat bij een ellendig nachtpitje te spinnen; het gansche huis scheen verlaten: zeker was het overige gezin naar het feest gaan.… zien; zij was te suf om te hooren,—maar toen zij weêr naar haar vlas greep, zal zij toch vreemd hebben opgezien.Ik keerde ledig op mijn kamer terug.Lieve menschen! weet gij wel, wie SintNicolaaswas? Het was een vrome Heilige, die veel weldeed. Hij verdient ten hoogste met eengedachtenisfeestvereerd te worden. Maar de wijze van vereering zou ik nog wel eenigszins anders wenschen. Mij dunkt, het ligt in de rede, dat men het feest van een Barmhartige met barmhartigheid viert. Onthaalt uwe kleinen: ik heb er niets tegen; maar vergeet daarom de kleine beschermelingen van den vromen Sint niet. Als gij het meel en de olie eens armen vermeerderd hebt, zal er voor hen nog wel iets overblijven. Ja, ik zou wel willen, dat uwe kinderen zelve de rol van bescherm-engelen vervulden; indien gij uwe aalmoezen in hunne hand gaaft, zoo hadden zij te gelijk vergoeding voor hun gemis. En wat zou het schoon zijn, als men in de wijken der armoede zou moeten denken, dat de goedeNicolaasonsterfelijk is!.…Lieve menschen! ik wensch u allen een echten Sint-Nicolaas-dag![74]
SINT-NICOLAAS.
Een oud vrijer heeft weinig feestdagen in zijn leven. Hij is een gedwongen egoïst, die zich zelven tot het middelpunt van al zijn vreugde en leed maakt. Hij mist de zaligheid zich van nabij in het geluk van anderen te verlustigen.Het is waar, hij kan zich in de woning eens vriends dringen, en zich in den feestvierenden kring mengen; maar dit is een gebedelde vreugde, en vreugde is zoo weinig geschikt om een aalmoes te zijn! Ook heb ik mijn stoute schoenen wel eens aangetrokken, en aan de deur van een juichend gezin aangeklopt; maar ik heb er mij vaak kwalijk bij bevonden. Somtijds trok men een zuur gezicht tegen de onwelkomechampignon, die zich een deel van de sappen kwam toeëigenen, waarop alleen de natuurlijke takken recht hadden; maar al was het dat men mij niet onvriendelijk ontving, ik schoot er op den langen duur toch over. Als het groote oogenblik van gelukwensching en omhelzing gekomen was, stond ik van verre, eenzaam, vergeten, veronachtzaamd. Het was veel, als men zich ter loops verschoonde: „Vergeef mij mijne onbeleefdheid, Neef! maar dit is een feest voor mijn kinderen. Die zijn van daag de hoofdpersoon.†Men vloog juichende op, viel elkander om den hals, drong in vroolijk en bont gewoel dooreen, terwijl men tranen stortte en lachte te gelijk, even als op een Aprilsdag. Bij dit alles moest ik zorgen uit het gedrang te blijven. De kinderen, die bij mijn komst en vertrek gelast werden mij een kus te geven, rekenden zich nu vrij van het betalen dier schatting; ik maakte in mijn eigen oogen de figuur van den armen Pierrot, zoo als hij met zijn ziekelijken glimlach voor eenen wèlvoorzienen disch staat te watertanden. Eindelijk komt men tot rust. Neef wordt weêr een lid van het gezelschap. Het bittere oogenblik is voorbij. Neen,Jonathan! eerst nog een onvriendelijke houw voor u. „Zie, Neefje! dat zijn genoegens, die men toch maar alleen in het huwelijk smaakt. Gevoelt ge daarbij geen berouw van ongetrouwd gebleven te zijn?†Bij zulk een uitval loopt mij een rilling langs de leden; het is heldenmoed, die mij dan de zuchten, die mijn keel benauwen, onder een gesmoord lachje doet wegkuchen.[70]Neen! een oud vrijer behoort te huis te blijven. De zuiverder en edeler genoegens van huiselijke vreugde zijn voor hem een verboden toonbrood. Hij moet zich, zoo goed hij kan, met zijn eigen feesten trachten te behelpen. Het komt er slechts op aan, of hij kinderlijken zin genoeg heeft, om zich van kleinigheden een feest te maken. Het eerste uitvliegen van zijn duiven indelente, het uitbroeden van zijn kiekens door zijn klokhen, het eerste geneurie van zijn jongen kanarievogel, moet hen tot surrogaat dienen voor een jongen die naar school gaat, voor een meisje dat begint te leeren loopen, voor een kind dat voor het eerst den vadernaam stamelt. Iederen dag, waarop het verjaart, dat hem een buitengewone zegen te beurt viel, moet hij plechtig vieren. Hij moet zijner vrienden dikwijls feestelijk gedenken. Het beste middel evenwel is.…Gisteren stond ik uit mijn raam te kijken. Het was de dag vóór St. Nicolaas.Op straat heerschte er een ongewone drokte. De banketwinkels waren fraai versierd; dienstboden liepen met beladen korven af en aan. Vaders en moeders drentelden langs de straat met hun kleinen, die zich aan het gezicht van al die blinkende lekkernijen niet verzadigen konden: het droeg alles de kleur van ongemaakte vroolijkheid, welke een kinderfeest kenmerkt.Deze aanblik was voor mij een zoet-bittere herinnering. O! ik kan ze mij nog zoo goed verbeelden, die eerste December-dagen, door mij als kind in nieuwsgierige afwachting doorgebracht; en als dan eindelijk de avond gekomen was, waarop een vermomde Invalide, onze oude huisknecht, de rol van den weldadigen Heilige vervulde, hoe zwom ik in kinderlijke weelde! Ik was in dien tijd eene kleine vrijgeest. Ik had mij met vrij wat neuswijsheid in het bezit van het groote geheim gesteld, en loochende, met de vrijmoedigheid van eenBalthazar Bekker, de mogelijkheid van bovennatuurlijke verschijningen. Maar toch was er iets verstandigs in het weinige misbruik, dat ik van deze ontdekking maakte. Ik hield haar voor mij, zonder mijn broeders en zusters van het genoegen hunner illusie te berooven; en zelfs voor mij zelven liet ik mij door mijn ketterij het genoegen van den avond niet ontnemen: ik wist het beter, maar maakte mij wijs, dat ik het voor dien avond niet wist. Ik was alsNapoleon, die aan geen geesten geloofde, en er toch bang voor was. O! dat ik altijd met mijne andere illusies even zacht en barmhartig hadde opgesprongen!De nacht werd slapeloos en in vreugdevolle droomen doorgebracht. Eindelijk brak de morgen aan; de vaderlijke roepstem vergaderde ons allen in het beste vertrek. Daar stond hij ten toon gesteld, die schat van glinsterend banket! een armelijke trofée, maar opgebouwd met van liefde bevende handen; een gebrekkige toerichting, maar met van vreugde schitterende oogen aangestaard! Ik heb sedert andere feesten gevierd; ik heb aangezeten in de zalen, door vendelpracht, lichtkransen en bloemfestoenenopgeluisterd; ik heb mijn tong met kostbare lekkernijen en nog kostbaarder wijnen gestreeld; maar het genoegen van[71]mijn klatergouden Decemberdag heb ik nergens weêr gevonden.Deze en dergelijke denkbeelden dwaalden door mijn hoofd, terwijl ik het gewoel op straat aanzag; maar zoo dit gevoel het midden tusschen vreugde en droefheid hield, welhaast overmeesterden mij somberder gedachten. Mij arme, dacht ik, ziedaar al weder voor mij een feestdag minder dan voor anderen. Mijn aanstaande erfgenaam zendt mij mijn naamcijfer in lettergebak; ik geef aan enkele lieve kleinen een geschenkje;—ziedaar alles! maar ik zit heden en morgen den ganschen dag alleen, ik heb geen voorsmaak van het genot van iemand, die mijn lief is, te verrassen.Vroeger had ik altijd op dezen dag een vroolijk uur; het was als ik den Engelschen almanak, in rooskleurig papier gewikkeld, aan zijn adres verzond. Mijn boekverkooper heeft mij sedert altijd de volgende jaargangen van het boekske gezonden; ik heb hem laten begaan; ginds liggen zij onaangeroerd; ik heb er nooit een enkelen van ingezien.Nog altijd trokken de kleinen in triomf langs de straat. Hoe benijdde ik de vaders, die hen rondleidden! Met hoe veel liefde hadden velen sedert weken hunne spaarpenning weggelegd, om heden met geen leêge handen voor hunne kinderen te verschijnen; maar wat zou daarentegen die spaarpenning ook rijke woekerwinst geven, als de wichtjes in hun vreugde hun ouders zouden om den hals vliegen en het geheele huis met hun gejuich vervullen: als deze met tranen van weelde de verrukking met hun kroost zouden gadeslaan;—o! kinderen zijn dankbare beweldadigden; zij weten van geen halve voldoening; zij weten van geen kiesche verzwijging. Hun genot is volkomen; hun vreugde ongetemperd; hun dankzegging ongemaakt hartelijk.Nu en dan zag ik een jong mensch met het voorkomen van vroolijke opgewondenheid voorbijgaan. Zeker zijn er wel bij geweest, die den dag van heden bestemd hadden, om aan het voorwerp hunner verborgene liefde een geschenk in handen te spelen. Hoe zullen deze met een kloppend hart de teedere depêche hebben gereed gemaakt, en met hun gedachten vergezeld! Met hoe veel ongeduld zullen zij naar het oogenblik verlangd hebben om hun schoone te ontmoeten, ten einde misschien in hare oogen te lezen, of haar de kiesche hulde niet mishaagd hebbe. Ik moet er voor uitkomen, de beschroomdheid eener eerste liefde heeft voor mij iets aantrekkelijks. O, het moge schoon staan, wanneer de forsche, krachtige man, met trotsche vrijmoedigheid, voor de gansche wereld de kleur zijner schoone ten toon draagt; wanneer hij straks met heerschzuchtige vrijmacht zijn hand op de vrouw zijner keuze legt, en der zwakke duive niets overblijft, dan onder zijn breede vleugelen te vluchten; ik heb altijd een vóórliefde gehad voor die innemende schuchterheid, welke den onbedorven jongeling voor het voorwerp van zijn eerbied als een meisje blozen, en haar met huiverend ontzag naderen doet. Ik wenschte dus van ganscher harte aan alle zwijgende verliefden een gelukkig Sint-Nicolaasfeest. En werkelijk zag ik in mijn verbeelding, hoe menige aanvallige de sierlijkesurprisemet blijde[72]verrassing ontving, en zoo ras zij kon, uit aller oogen wegstal, om in de eenzaamheid zich onbespied in de beschouwing er van te verlustigen. Het is een zoet oogenblik, waarop het eerste liefdepand gewisseld wordt! een oogenblik, hetwelk ik wenschte dat ieder eenmaal smaken mocht. Maar helaas! wat zullen er heden weder vele ongelukkige zusteren dier gelukkigen zijn, die vruchteloos naar eenig blijk van hulde of liefde zullen uitzien; jonge dochteren, door de Natuur stiefmoederlijk bedeeld, of die het nog grooter onrecht hebben van arm te zijn; beklagenswaardige Cendrillons in het groote drama der lotbeschikkingen! Cendrillons aan wier voet misschien het enge, broze glazen schoeisel eener strenge deugd past, maar die de bevooroordeelde partijdigheid van alle mededinging uitsluit. Ik beklaag die lieve schepselen, die de bevoorrechte kinderen der schoonheid en des geluks met bewijzen van bewondering en hulde zien overladen, terwijl niemand haar zelfs de aalmoes van een vriendschappelijk aandenken in den schoot werpt. Zij zien den dag zonder vreugde voorbijgaan; zij moeten misschien het harde woord eener onmoederlijke moeder verduwen; en terwijl haar zusteren door schoone droomen worden in slaap gewiegd, vertrouwen zij aan haar vochtig hoofdkussen haar echt vrouwelijk, en en toch meest alzoo wreed miskend lijden.Het was avond geworden; de lampions waren aangestoken; de koetsen rolden; de stad raakte in beweging. Ik deed mijn mantel om en ging uit. Er heerschte op straat een vroolijke drukte; treinen van kinderen trokken juichend voorbij; ik trad in een winkel; het was een lust die kleine oogjes zoo begeerig te zien rondkijken; die kleine handjes zoo gretig te zien uitstrekken; de kleinen bevonden zich hier in een waarLuilekkerland: de wanden, de tafels, de grond, alles was suiker en gebak. Ik geloof niet, dat men ooit in lateren leeftijd zijn stoutste droomen van verre zoo verwezenlijkt ziet, als een kind de zijne in een banketwinkel op Sint-Nicolaasdag. Wie zou dan met een onverschillig oog het op een zoo gebrekkige aarde zoo zeldzame, schouwspel eener onvermengde en volkomene vreugde—al is het dan maar een kindervreugde—kunnen aanzien?Het huis verlatende, zag ik de stoep door een partij arme wichtjes belegerd. Mijn hart brak er van; zij stonden bij een felle koude, in lompen gekleed, op de steenen te bibberen. Maar toch konden zij van het aanlokkelijk gezicht niet scheiden; met kinderachtige nieuwsgierigheid gaapten zij al die heerlijkheid aan. En, wat mij het meeste trof was, dat er in hun toon geen zweem van spijt of ontevredenheid was. Zij zagen kinderen van hunnen leeftijd binnengaan en met volle handen terugkeeren; geen gemor kwam over hun lippen. Veeleer heerschte er onder hen een blijde ingenomenheid, alsof zij wel degelijk deelgenooten van de feestvreugde waren. Zie, zóó waren zij het reeds gewoon geworden, de kinderen der rijken als andere wezens te beschouwen. Zij hadden er geen denkbeeld van, dat slechts een hard toeval hen van gelijke rechten beroofd had; het was hun reeds eigen, alleen met het[73]oog te genieten. Die natuurlijke zelfverloochening der armen heeft iets aandoenlijks. Als er een feest in de stad is, heet het bij hen: „Laat ons de illuminatie gaan zien,†zooals wij zeggen: „Laat inspannen.†Zij houden het voor een voorrecht, bij een gastmaal door de vensters te turen, en dáár van onverzadigden lust te verteren. Zij laten zich door de gewapende macht terugdrijven, of wijken voor de paarden der rijken, zonder zich met een enkel woord te beklagen.Ik kon deze denkbeelden niet bij mij houden. Het werd mij op de breede verlichte straten te eng. Ik ging, zoo snel ik kon, naar mijn kamer, en keerde, met eenen nieuwen last beladen, vandaar terug.Toen spoedde ik mij, zoo ras ik konde, naar een der schamelste achterbuurten. Overal rust: geen enkel lichtje! geen schijn van feestviering! Zoo gaat het! het feest van St.Nicolaas is een feest der armen, maar de rijken vieren het. Hier en daar zag ik de deuren openstaan; het eenige, dat de onvermogenden uit de gouden eeuw vanSaturnusbehouden hebben. Ik hoorde een kind om brood schreien—om brood! het wicht zag mij niet—de vrouw was met haar kind bezig—ik was in een oogenblik weg. In een andere hut zag ik een moeder, uitgeteerd van gebrek, een half naakt schepseltje zogen; de wind snerpte onbarmhartig door de reten: zachtjes ging de deur open—er viel iets klinkends op den grond—terwijl de vrouw bukte, verdween de schaduw van den wand. Een oud moedertje zat bij een ellendig nachtpitje te spinnen; het gansche huis scheen verlaten: zeker was het overige gezin naar het feest gaan.… zien; zij was te suf om te hooren,—maar toen zij weêr naar haar vlas greep, zal zij toch vreemd hebben opgezien.Ik keerde ledig op mijn kamer terug.Lieve menschen! weet gij wel, wie SintNicolaaswas? Het was een vrome Heilige, die veel weldeed. Hij verdient ten hoogste met eengedachtenisfeestvereerd te worden. Maar de wijze van vereering zou ik nog wel eenigszins anders wenschen. Mij dunkt, het ligt in de rede, dat men het feest van een Barmhartige met barmhartigheid viert. Onthaalt uwe kleinen: ik heb er niets tegen; maar vergeet daarom de kleine beschermelingen van den vromen Sint niet. Als gij het meel en de olie eens armen vermeerderd hebt, zal er voor hen nog wel iets overblijven. Ja, ik zou wel willen, dat uwe kinderen zelve de rol van bescherm-engelen vervulden; indien gij uwe aalmoezen in hunne hand gaaft, zoo hadden zij te gelijk vergoeding voor hun gemis. En wat zou het schoon zijn, als men in de wijken der armoede zou moeten denken, dat de goedeNicolaasonsterfelijk is!.…Lieve menschen! ik wensch u allen een echten Sint-Nicolaas-dag![74]
Een oud vrijer heeft weinig feestdagen in zijn leven. Hij is een gedwongen egoïst, die zich zelven tot het middelpunt van al zijn vreugde en leed maakt. Hij mist de zaligheid zich van nabij in het geluk van anderen te verlustigen.
Het is waar, hij kan zich in de woning eens vriends dringen, en zich in den feestvierenden kring mengen; maar dit is een gebedelde vreugde, en vreugde is zoo weinig geschikt om een aalmoes te zijn! Ook heb ik mijn stoute schoenen wel eens aangetrokken, en aan de deur van een juichend gezin aangeklopt; maar ik heb er mij vaak kwalijk bij bevonden. Somtijds trok men een zuur gezicht tegen de onwelkomechampignon, die zich een deel van de sappen kwam toeëigenen, waarop alleen de natuurlijke takken recht hadden; maar al was het dat men mij niet onvriendelijk ontving, ik schoot er op den langen duur toch over. Als het groote oogenblik van gelukwensching en omhelzing gekomen was, stond ik van verre, eenzaam, vergeten, veronachtzaamd. Het was veel, als men zich ter loops verschoonde: „Vergeef mij mijne onbeleefdheid, Neef! maar dit is een feest voor mijn kinderen. Die zijn van daag de hoofdpersoon.†Men vloog juichende op, viel elkander om den hals, drong in vroolijk en bont gewoel dooreen, terwijl men tranen stortte en lachte te gelijk, even als op een Aprilsdag. Bij dit alles moest ik zorgen uit het gedrang te blijven. De kinderen, die bij mijn komst en vertrek gelast werden mij een kus te geven, rekenden zich nu vrij van het betalen dier schatting; ik maakte in mijn eigen oogen de figuur van den armen Pierrot, zoo als hij met zijn ziekelijken glimlach voor eenen wèlvoorzienen disch staat te watertanden. Eindelijk komt men tot rust. Neef wordt weêr een lid van het gezelschap. Het bittere oogenblik is voorbij. Neen,Jonathan! eerst nog een onvriendelijke houw voor u. „Zie, Neefje! dat zijn genoegens, die men toch maar alleen in het huwelijk smaakt. Gevoelt ge daarbij geen berouw van ongetrouwd gebleven te zijn?†Bij zulk een uitval loopt mij een rilling langs de leden; het is heldenmoed, die mij dan de zuchten, die mijn keel benauwen, onder een gesmoord lachje doet wegkuchen.[70]
Neen! een oud vrijer behoort te huis te blijven. De zuiverder en edeler genoegens van huiselijke vreugde zijn voor hem een verboden toonbrood. Hij moet zich, zoo goed hij kan, met zijn eigen feesten trachten te behelpen. Het komt er slechts op aan, of hij kinderlijken zin genoeg heeft, om zich van kleinigheden een feest te maken. Het eerste uitvliegen van zijn duiven indelente, het uitbroeden van zijn kiekens door zijn klokhen, het eerste geneurie van zijn jongen kanarievogel, moet hen tot surrogaat dienen voor een jongen die naar school gaat, voor een meisje dat begint te leeren loopen, voor een kind dat voor het eerst den vadernaam stamelt. Iederen dag, waarop het verjaart, dat hem een buitengewone zegen te beurt viel, moet hij plechtig vieren. Hij moet zijner vrienden dikwijls feestelijk gedenken. Het beste middel evenwel is.…
Gisteren stond ik uit mijn raam te kijken. Het was de dag vóór St. Nicolaas.Op straat heerschte er een ongewone drokte. De banketwinkels waren fraai versierd; dienstboden liepen met beladen korven af en aan. Vaders en moeders drentelden langs de straat met hun kleinen, die zich aan het gezicht van al die blinkende lekkernijen niet verzadigen konden: het droeg alles de kleur van ongemaakte vroolijkheid, welke een kinderfeest kenmerkt.
Deze aanblik was voor mij een zoet-bittere herinnering. O! ik kan ze mij nog zoo goed verbeelden, die eerste December-dagen, door mij als kind in nieuwsgierige afwachting doorgebracht; en als dan eindelijk de avond gekomen was, waarop een vermomde Invalide, onze oude huisknecht, de rol van den weldadigen Heilige vervulde, hoe zwom ik in kinderlijke weelde! Ik was in dien tijd eene kleine vrijgeest. Ik had mij met vrij wat neuswijsheid in het bezit van het groote geheim gesteld, en loochende, met de vrijmoedigheid van eenBalthazar Bekker, de mogelijkheid van bovennatuurlijke verschijningen. Maar toch was er iets verstandigs in het weinige misbruik, dat ik van deze ontdekking maakte. Ik hield haar voor mij, zonder mijn broeders en zusters van het genoegen hunner illusie te berooven; en zelfs voor mij zelven liet ik mij door mijn ketterij het genoegen van den avond niet ontnemen: ik wist het beter, maar maakte mij wijs, dat ik het voor dien avond niet wist. Ik was alsNapoleon, die aan geen geesten geloofde, en er toch bang voor was. O! dat ik altijd met mijne andere illusies even zacht en barmhartig hadde opgesprongen!
De nacht werd slapeloos en in vreugdevolle droomen doorgebracht. Eindelijk brak de morgen aan; de vaderlijke roepstem vergaderde ons allen in het beste vertrek. Daar stond hij ten toon gesteld, die schat van glinsterend banket! een armelijke trofée, maar opgebouwd met van liefde bevende handen; een gebrekkige toerichting, maar met van vreugde schitterende oogen aangestaard! Ik heb sedert andere feesten gevierd; ik heb aangezeten in de zalen, door vendelpracht, lichtkransen en bloemfestoenenopgeluisterd; ik heb mijn tong met kostbare lekkernijen en nog kostbaarder wijnen gestreeld; maar het genoegen van[71]mijn klatergouden Decemberdag heb ik nergens weêr gevonden.
Deze en dergelijke denkbeelden dwaalden door mijn hoofd, terwijl ik het gewoel op straat aanzag; maar zoo dit gevoel het midden tusschen vreugde en droefheid hield, welhaast overmeesterden mij somberder gedachten. Mij arme, dacht ik, ziedaar al weder voor mij een feestdag minder dan voor anderen. Mijn aanstaande erfgenaam zendt mij mijn naamcijfer in lettergebak; ik geef aan enkele lieve kleinen een geschenkje;—ziedaar alles! maar ik zit heden en morgen den ganschen dag alleen, ik heb geen voorsmaak van het genot van iemand, die mijn lief is, te verrassen.
Vroeger had ik altijd op dezen dag een vroolijk uur; het was als ik den Engelschen almanak, in rooskleurig papier gewikkeld, aan zijn adres verzond. Mijn boekverkooper heeft mij sedert altijd de volgende jaargangen van het boekske gezonden; ik heb hem laten begaan; ginds liggen zij onaangeroerd; ik heb er nooit een enkelen van ingezien.
Nog altijd trokken de kleinen in triomf langs de straat. Hoe benijdde ik de vaders, die hen rondleidden! Met hoe veel liefde hadden velen sedert weken hunne spaarpenning weggelegd, om heden met geen leêge handen voor hunne kinderen te verschijnen; maar wat zou daarentegen die spaarpenning ook rijke woekerwinst geven, als de wichtjes in hun vreugde hun ouders zouden om den hals vliegen en het geheele huis met hun gejuich vervullen: als deze met tranen van weelde de verrukking met hun kroost zouden gadeslaan;—o! kinderen zijn dankbare beweldadigden; zij weten van geen halve voldoening; zij weten van geen kiesche verzwijging. Hun genot is volkomen; hun vreugde ongetemperd; hun dankzegging ongemaakt hartelijk.
Nu en dan zag ik een jong mensch met het voorkomen van vroolijke opgewondenheid voorbijgaan. Zeker zijn er wel bij geweest, die den dag van heden bestemd hadden, om aan het voorwerp hunner verborgene liefde een geschenk in handen te spelen. Hoe zullen deze met een kloppend hart de teedere depêche hebben gereed gemaakt, en met hun gedachten vergezeld! Met hoe veel ongeduld zullen zij naar het oogenblik verlangd hebben om hun schoone te ontmoeten, ten einde misschien in hare oogen te lezen, of haar de kiesche hulde niet mishaagd hebbe. Ik moet er voor uitkomen, de beschroomdheid eener eerste liefde heeft voor mij iets aantrekkelijks. O, het moge schoon staan, wanneer de forsche, krachtige man, met trotsche vrijmoedigheid, voor de gansche wereld de kleur zijner schoone ten toon draagt; wanneer hij straks met heerschzuchtige vrijmacht zijn hand op de vrouw zijner keuze legt, en der zwakke duive niets overblijft, dan onder zijn breede vleugelen te vluchten; ik heb altijd een vóórliefde gehad voor die innemende schuchterheid, welke den onbedorven jongeling voor het voorwerp van zijn eerbied als een meisje blozen, en haar met huiverend ontzag naderen doet. Ik wenschte dus van ganscher harte aan alle zwijgende verliefden een gelukkig Sint-Nicolaasfeest. En werkelijk zag ik in mijn verbeelding, hoe menige aanvallige de sierlijkesurprisemet blijde[72]verrassing ontving, en zoo ras zij kon, uit aller oogen wegstal, om in de eenzaamheid zich onbespied in de beschouwing er van te verlustigen. Het is een zoet oogenblik, waarop het eerste liefdepand gewisseld wordt! een oogenblik, hetwelk ik wenschte dat ieder eenmaal smaken mocht. Maar helaas! wat zullen er heden weder vele ongelukkige zusteren dier gelukkigen zijn, die vruchteloos naar eenig blijk van hulde of liefde zullen uitzien; jonge dochteren, door de Natuur stiefmoederlijk bedeeld, of die het nog grooter onrecht hebben van arm te zijn; beklagenswaardige Cendrillons in het groote drama der lotbeschikkingen! Cendrillons aan wier voet misschien het enge, broze glazen schoeisel eener strenge deugd past, maar die de bevooroordeelde partijdigheid van alle mededinging uitsluit. Ik beklaag die lieve schepselen, die de bevoorrechte kinderen der schoonheid en des geluks met bewijzen van bewondering en hulde zien overladen, terwijl niemand haar zelfs de aalmoes van een vriendschappelijk aandenken in den schoot werpt. Zij zien den dag zonder vreugde voorbijgaan; zij moeten misschien het harde woord eener onmoederlijke moeder verduwen; en terwijl haar zusteren door schoone droomen worden in slaap gewiegd, vertrouwen zij aan haar vochtig hoofdkussen haar echt vrouwelijk, en en toch meest alzoo wreed miskend lijden.
Het was avond geworden; de lampions waren aangestoken; de koetsen rolden; de stad raakte in beweging. Ik deed mijn mantel om en ging uit. Er heerschte op straat een vroolijke drukte; treinen van kinderen trokken juichend voorbij; ik trad in een winkel; het was een lust die kleine oogjes zoo begeerig te zien rondkijken; die kleine handjes zoo gretig te zien uitstrekken; de kleinen bevonden zich hier in een waarLuilekkerland: de wanden, de tafels, de grond, alles was suiker en gebak. Ik geloof niet, dat men ooit in lateren leeftijd zijn stoutste droomen van verre zoo verwezenlijkt ziet, als een kind de zijne in een banketwinkel op Sint-Nicolaasdag. Wie zou dan met een onverschillig oog het op een zoo gebrekkige aarde zoo zeldzame, schouwspel eener onvermengde en volkomene vreugde—al is het dan maar een kindervreugde—kunnen aanzien?
Het huis verlatende, zag ik de stoep door een partij arme wichtjes belegerd. Mijn hart brak er van; zij stonden bij een felle koude, in lompen gekleed, op de steenen te bibberen. Maar toch konden zij van het aanlokkelijk gezicht niet scheiden; met kinderachtige nieuwsgierigheid gaapten zij al die heerlijkheid aan. En, wat mij het meeste trof was, dat er in hun toon geen zweem van spijt of ontevredenheid was. Zij zagen kinderen van hunnen leeftijd binnengaan en met volle handen terugkeeren; geen gemor kwam over hun lippen. Veeleer heerschte er onder hen een blijde ingenomenheid, alsof zij wel degelijk deelgenooten van de feestvreugde waren. Zie, zóó waren zij het reeds gewoon geworden, de kinderen der rijken als andere wezens te beschouwen. Zij hadden er geen denkbeeld van, dat slechts een hard toeval hen van gelijke rechten beroofd had; het was hun reeds eigen, alleen met het[73]oog te genieten. Die natuurlijke zelfverloochening der armen heeft iets aandoenlijks. Als er een feest in de stad is, heet het bij hen: „Laat ons de illuminatie gaan zien,†zooals wij zeggen: „Laat inspannen.†Zij houden het voor een voorrecht, bij een gastmaal door de vensters te turen, en dáár van onverzadigden lust te verteren. Zij laten zich door de gewapende macht terugdrijven, of wijken voor de paarden der rijken, zonder zich met een enkel woord te beklagen.
Ik kon deze denkbeelden niet bij mij houden. Het werd mij op de breede verlichte straten te eng. Ik ging, zoo snel ik kon, naar mijn kamer, en keerde, met eenen nieuwen last beladen, vandaar terug.
Toen spoedde ik mij, zoo ras ik konde, naar een der schamelste achterbuurten. Overal rust: geen enkel lichtje! geen schijn van feestviering! Zoo gaat het! het feest van St.Nicolaas is een feest der armen, maar de rijken vieren het. Hier en daar zag ik de deuren openstaan; het eenige, dat de onvermogenden uit de gouden eeuw vanSaturnusbehouden hebben. Ik hoorde een kind om brood schreien—om brood! het wicht zag mij niet—de vrouw was met haar kind bezig—ik was in een oogenblik weg. In een andere hut zag ik een moeder, uitgeteerd van gebrek, een half naakt schepseltje zogen; de wind snerpte onbarmhartig door de reten: zachtjes ging de deur open—er viel iets klinkends op den grond—terwijl de vrouw bukte, verdween de schaduw van den wand. Een oud moedertje zat bij een ellendig nachtpitje te spinnen; het gansche huis scheen verlaten: zeker was het overige gezin naar het feest gaan.… zien; zij was te suf om te hooren,—maar toen zij weêr naar haar vlas greep, zal zij toch vreemd hebben opgezien.
Ik keerde ledig op mijn kamer terug.
Lieve menschen! weet gij wel, wie SintNicolaaswas? Het was een vrome Heilige, die veel weldeed. Hij verdient ten hoogste met eengedachtenisfeestvereerd te worden. Maar de wijze van vereering zou ik nog wel eenigszins anders wenschen. Mij dunkt, het ligt in de rede, dat men het feest van een Barmhartige met barmhartigheid viert. Onthaalt uwe kleinen: ik heb er niets tegen; maar vergeet daarom de kleine beschermelingen van den vromen Sint niet. Als gij het meel en de olie eens armen vermeerderd hebt, zal er voor hen nog wel iets overblijven. Ja, ik zou wel willen, dat uwe kinderen zelve de rol van bescherm-engelen vervulden; indien gij uwe aalmoezen in hunne hand gaaft, zoo hadden zij te gelijk vergoeding voor hun gemis. En wat zou het schoon zijn, als men in de wijken der armoede zou moeten denken, dat de goedeNicolaasonsterfelijk is!.…
Lieve menschen! ik wensch u allen een echten Sint-Nicolaas-dag![74]
[Inhoud]HET LEGAAT.Mijn arme vriendRob, hij is dood!De goede jongen! Of hij stervend nog tegen den dood zal gelachen hebben, gelijk hij altijd zeide, dat hij doen zou? Zeker, vriendHein! gij zijt een ijzegrim, als gij er niets van gevoeld hebt, toen gij dezen eerlijken, trouwen knaap den hals braakt. Zulk graan krijgt gij zelden onder uw zeis. Mijn armevriendRob, hij is dood!Grooter snaak dan hij liep er niet. Gelijk sommige menschen veel hebben van een gestolden traan, was zijn voorkomen een onophoudelijke glimlach. Hij ging de wereld door als een vroolijk kind, schertsende en grappenmakende: reeds toen ik met hem school ging, was hij de vreugde van al de jongens. Als zijRobmaar zagen, begonnen zij reeds te lachen; zelfs de meester kon het niet tegen hem uithouden, maar schoof van vroolijkheid zijn pruik op één oor, als hij recht aan den gang was. Ofschoon hij de eene dwaasheid na de andere uitvoerde, geloof ik niet, dat hij ooit iemand ernstig boos gemaakt heeft. Hij was als Arlequin; ieder kreeg slaag van hem; maar het was een houten zwaard, dat hij zwaaide! en een zwaard daarenboven, dat als een tooverstaf, de macht had om slapenden wakker en treurenden vroolijk te maken. En toch, toen hij de school verliet, schreiden allen; ofschoon hij allerlei bokkesprongen maakte om zich zelven en de anderen op te vroolijken. Zoo was hij altijd. Hij kon geen tranen zien, of hij moest ze wegschertsen. Ik ben zeker, dat hij zijn ziekenoppasser meermalen aan ’t lachen gemaakt heeft. ArmeRob! Nu moet hij ze laten uitweenen.O, ik had hem zoo lief! zoodra wij elkander op de school ontmoetten, werden wij vrienden. Hoe, begreep niemand. Want ofschoon ik toen nog zoo bleek en strak niet zag als nu, was ik toch lang geen blozende lachebek gelijk hij. Maar ik geloof, dat hij al dadelijk aan mij zag, dat ik het rechte wild voor hen was. Want hij was geen van die grappenmakers, die alleen aardig zijn onder huns gelijken: hoe treuriger hoe liever; des te meer eer was er aan te behalen. Of laat ik liever zeggen, zijn goed hart gebood hem het eerst dezulken op te zoeken, die hij begreep dat aan een opgeruimd woord de meeste behoefte hadden. Hij beschouwde het vervroolijken van anderen als een soort van bestemming voor hem.[75]Geen aanleg hebbende om te weenen met de weenenden, zocht hij weenenden met zich blij te maken. Daarbij ging hij evenwel niet zoo te werk, dat hij zijn narrebellen aan ieder rouwfloers bond. Als bij instinkt wist hij te raden, waar zijn luim op de smart schipbreuk zou lijden; en dan kon hij tot zichzelven, als tot een speelschen hond, die tegen iedereen opspringt, zeggen: „Stil,Rob!stil jongen!†en dan wasRobzoo stil als een muis! of zoo hij sprak, het was met een enkel woord van diep gevoel, zoo als men nooit van zijn dartele lippen zou verwacht hebben. Is het niet vreemd? terwijl niemand mij beter aan ’t lachen kon maken, schreide ik om niemand eerder, dan omRob!Maar ik heb niet dikwijls om hem geschreid. Duizendmaal meer heb ik om hem gelachen. Nauwelijks ging de school uit, of hij pakte mij onder den arm; dan volgde de eene kwinkslag op den anderen, zoodat ik dikwijls, als ik thuis kwam, niet tot mijzelven kon komen; en toch was hij zoo zacht voor den weemoed, waartoe ik reeds als knaap en jongeling neigde. Dit kwam daaruit voort, dat hij er zelf niet vrij van was. De grondtonen onzer ziel klonken gelijk, maar wij droegen ons leed anders. Terwijl ik in mijn kooi zat te kirren als een tortel, met een lang uitgehaald: koe-ke-roe-oe!—zat hij, ofschoon even zoo goed gevangen als ik, tegenover mij in zijn kevie te zingen als een kanarievogel. Met iedere smart, die ik hem als een harde noot te kraken gaf, sprong hij om als Jocko: krak-krak! had hij haar stuk, hij wierp mij de schellen naar den kop, en peuzelde de zoete kern, die hij er uithaalde, met een vergenoegd gezicht op. Men zegt vanRubbens(als ik wel heb), dat men nooit vier of vijf schreefjes zoo plaatsen kon, of hij maakte er een menschengezicht van. Welnu, zoo kwam hem geen smartelijke trek voor of, kriskras! had hij hem in een glimlach veranderd, zonder iets uitgewischt te hebben. O, het is niet moeielijk, dissonnanten te overschreeuwen: dat kan ieder; maar ze op te lossen, dat is de kunst! en dat kon mijn vriendRob.Hij had geen gelukkig lot in de wereld. Een arme moeder, waarvoor hij te zorgen had, bij geringe verdiensten. Maar dit maakte hem nooit treurig; hij kon zijn droog brood met zulk een goede gratie eten, dat gij aan zijn gezicht zoudt gezegd hebben dat hij een reeboutje kloof. „Vroolijkheid, jongen!†kon hij wel tegen mij zeggen, „is de beste kruiddoos.†Daarbij kwam, dat hij een voorgevoel had, dat hij niet oud zou worden. Dus moest hij zorgen in de voorbaat te zijn, om zijn moeder niet hulpeloos achter te laten. „Gij zult het wel zien,†zeide hij,„Robloopt niet lang. De zwarte man mag hem niet lijden. Ik maak het hier de menschen veel te pleizierig. Nu laat hem komen! ik zal hem in zijn gezicht uitlachen, of mijn naam is geenRob!â€â€žDaar hebben we ’t al!†schreef hij onlangs. „Jonathan, ik lig er voor; de magere man heeft mijn vet al beet, en zal nu aan de beenders gaan. Kom mij nog eens zien, als gij kunt. Ik wil den Dood al mijn vrienden presenteeren; dan kan hij van nijd vergaan, dat hij er zoo veel niet heeft.â€[76]P.S. „Kom gauw, want hij wacht niet.â€Ik kwam. Daar lag hij, de armeRob! bleek als de dood, en mager als een geraamte.„Welkom!†juichte hij met een gebroken stem tegen. „Neem mij niet kwalijk, dat ik u zoo familiaar in mijn beendernegligéontvang, mijn vleeschrok1is bij den snijder om te vermaken.†Zoo schertste hij voort met woorden vol diepen zin en aandoenlijken luim.„Schrei zoo niet!†zeide hij, terwijl ik in tranen stikte. „Gij maakt mijn vleugels nat, en ik zal straks niet kunnen vliegen.—Goeden nacht!†riep hij mij na, toen ik mij in stomme smart van zijn leger losrukte. „Wat vroolijker gezicht, als ik u weêrzie, hoor!â€Gister morgen kreeg ik de tijding van zijn dood. Hij had tot zijn jongste oogenblikken zijn bewustheid en dezelfde stemming van geest behouden. „Alles klaar!†was zijn laatste woord. Wat zullen er toen veel tranen op het vroolijkste gezicht der wereld gestort zijn.Alas, poorRob!Wie zal ons nu troosten? Het ongelukkigste is, datRoballeen voor zulk een ramp raad had geweten. Ja, dat is het ergste; nooit is men troosteloozer dan bij den dood van hen, die ons het besthaddenkunnen troosten. Als niets mij bemoedigen kon, had Rob altijd nog een paar woorden achter de hand. Maar nu hij dood is…. ik zal naar zijn graf gaan, en zien of ik daar baat kan vinden; de vrome ziel kon zelf op een graf zoo vroolijk lachen. „Onder het lamfer,†placht hij te zeggen, „behoort een gezicht vanJean qui pleure et Jean qui rit. Voor ieder, die gaat en die blijft, de helft.†Ach, ik zal het nooit leeren.Te gelijk met zijn doodbericht ontving ik het legaat, mij door hem gemaakt. Het zijn de brieven, die ik hem op onderscheidene tijden geschreven heb. Deze heeft hij in een groot pak gesloten, en zijn moeder verzocht ze mij na zijn dood terug te zenden.Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten.Zoo luidt het opschrift, dat hij er met eigen hand op geplaatst heeft. Ziedaar Rob geheel! nooit was er vroolijker godsvrucht, dan de zijne. Hij sprak van den hemel, zooals een kind er van spreekt, als of het alleen een hoogere verdieping van onze tegenwoordige woning was. Hij had niets van sommige menschen, die nooit het woord dood of eeuwigheid in den mond nemen, zonder eerst een benauwd gezicht te zetten, een hangenden lip te trekken, en hun stem zoo diep als zij kunnen uit hun onderbuik te doen opkomen. Dezulken spreken van den hemel met een gelaat, dat men er bang van wordt. Niet aldus mijn vriendRob. Midden in zijn grappigste scherts kon hij op eens aan zijn woorden een luimig-verheven wending geven, die u in het hart greep; maar in hetzelfde oogenblik was hij, als een eekhorentje,[77]dat langs een hoogen boom op en neder klautert, reeds weder beneden, en sprong u om de beenen. Met den dood was hij zoo familiaar als met zijn eigen geraamte. Hij kon sermoenen tegen hem houden, dat u de tranen over de wangen liepen. Dat noemde hij zijn gymnastische oefeningen om langs zijn ribben naar boven te leeren klimmen. „Och,†zei hij, „het geheele leven is niets dan een groote mastklimmerij; boven hangen de prijzen: beneden staan wij jongens te gapen. Het komt maar op het durven aan; één goede zet, en men is er! drommels, als de paal maar zoo glad niet was!â€â€”Maar gij zijt er nu toch, goedeRob! en uw prijs zal niet van de minste wezen.Ik dacht gister het lijkfeest van mijn vriend niet beter te kunnen vieren, dan door den ganschen dag aan het lezen van zijn Correspondentie te wijden. Ik rangschikte al de brieven, over en weêr geschreven, bij elkander, en had dus bijna de geheele geschiedenis voor mij. Dat was een aandoenlijke lektuur. Nooit had ik ROB zoo lief als gister; nooit voelde ik zijn waarde beter; hij won zeer bij de proef, die anders zoo hachelijk is, van op eens in zijn geheel gezien te worden. De meeste menschen, aldus opgezet, zouden al een vrij wonderlijk misgewas vormen. Bij menigeen zou het eene been het andere verloochenen, en de eene arm de anderen parodieeren. Geheel anders bijRob! Zijn geheele zedelijke gestalte was fiksch en frisch uit de kluiten gewassen, en droeg alles op de rechte plaats. Niets versteld of bedorven door ontijdige rijpheid of tragen groei, maar een geregelde en gelijkmatige ontwikkeling van kind tot knaap, van knaap tot jongeling, van jongeling tot man. Zijn hart had alle graden doorgeloopen, even als een soldaat van verdienste bij dearmée. Van daar was zijn gansche morele constitutie zoo gezond; zijn leven had niets van een verknoeide teekening, waarin de gom-elastiek beurt gehouden heeft met het zwart-krijt, en waaraan meer tijd is zoek gebracht met uitwisschen, dan met teekenen. Wat er stond, dat stond er, en dat stond er goed. Bij hem schreide de dag van heden niet over den dag van gister, noch verzamelde dampen voor den dag van morgen; maar de maandag gaf de hand aan den zondag, en de dinsdag aan den maandag. Toen ik dat zoo zag, werd ik bewogen bij de gedachte aan zijn afsterven. Het is jammer, weêrgaloos jammer, dat de Dood dit drama gestoord en de gordijn heeft doen vallen eer het was afgespeeld; er moesten nog zulke treffende passages komen. Mijn goedeRob! ik had u nog zoo gaarne eens alspère noblegezien! en, indien ikhethad mogen beleven, welk een beminnelijke vertooning zoudt gij als grijskop gemaakt hebben! Mij dunkt, ik zie u met een krans van jeugdige vroolijkheid om het rimpelig hoofd; met een vergenoegd lachje op de dorre wang, als een zonnestraal op herfstloover; met een schat van wijsheid verrijkt, als een honingkorf in den winter. Ja, een honingkorf! dat zoudt ge geweest zijn. Uw ondervinding zou niet, als bij zoo velen, zoete druiven in zure eek veranderd, maar uit de bloemen op uw levensweg enkel zoetheid gepuurd hebben: Gij hadt altijd een afkeer van menschen wier[78]ervaring het zure opschriftwinazijnmakerijaan het hoofd droeg. Gij, integendeel, zoudt uw vreugd genoten hebben als een Epicurist zijn wijn; hoe ouder, hoe beter. Ik vooral,Rob, ik had u zoo noodig gehad. Gij hadt voor mij de zware slippen van den rouwmantel, dien rijper leeftijd den menschen telkens om de schouderen hangt, (oude menschen zijn ongequalificeerde noodigers ter begrafenis) moeten ophouden. Gij hadt, als de komiek in de stukken vanKotzebue, met uw onschuldige scherts mijn treurige tooneelen moeten opvroolijken. Gij hadt mij moeten leeren, van mijn oudemans-stokje een zotskolf te snijden, om die den Dood als een duivelbannend teeken voor te houden.HeraclietenDemocriet—zoo zouden wij oudjes arm in arm het laatste eindje van onzen weg gegaan zijn, en malkaâr zachtjes de grafhelling hebben afgeholpen. Maar gij hebt mij leelijk laten zitten, met zoo hals over kop—daar gaat hij!—in de diepte te springen. Nu sta ik er alleen voor; en of ik nu, met onzen vriend uitBayreuth, den Dood al toeroep: „Schud maar toe, schud maar toe! dan kom ik bij mijn bravenRob!†het baat niet.—JongenRob! dat is een leelijke streek van u, zoo maar zonder waarschuwen heen te gaan, en mij met den boel te laten zitten. Daar zal iets over moeten vallen, als ik u weêrzie!Maar wat beschuldig ik u, eerlijke knaap! als of gij er schuld aan hadt? Neen, in u viel het nooit, uw vrienden in verlegenheid achter te laten; had het aan u gelegen, gij, goede ziel, gij hadt ons allen wel laten voorgaan, en gaarne de moeite genomen om, als de laatste van allen, de deur te sluiten. Maar de dood riep u op:en avant seul; en met onwillige kooten volgdet gij en danstet uwpas seul, terwijl gij ons op onze plaats moest achterlaten. En nu ben ik zeker, dat gij den dood nog wel eens een goed oog geeft om ons ook te komen halen. Trouwe vriend, die ge zijt!Wat liggen ze daar koel, die uitboezemingen van twee warme harten. Op het oogzoumen het even goed voor rekeningen kunnen aanzien.—En zijn het in zekeren zin geen rekeningen? rekeningen van hetgeen het hart aan de wereld, de verbeelding aan de wezenlijkheid betaald heeft? of liggen daar niet zoo veel gedachten, gewaarwordingen, wenschen en begeerten, die sedert als verouderd hebben moeten worden weggedaan, om, tot duren prijs, door andere te worden vervangen? En kon men er niet een zulke of dergelijke nota van maken?Een ouderwetsch kleed van UEd. nieuwmodisch en pasklaar gemaakt.Een grooteoptica-spiegel tot een scheerspiegeltje verkleind.Van een oude gedamasceerde kling een pennemes gemaakt.UEdelenszevenmijlslaarzentot pantoffels versneden.De glazen uit UEd. teleskoop verslepen en in een bril gezet.UEd. nationale vlag tot een vlaggendoek voor UEd. lendenen vermaakt.Een gewezen vrijheidsboom van UEd. voor een mangelrol in orde gebracht.Van een metalen standbeeldje een keukenvijzel gegoten.[79]Op onderscheidene tijden duiven uit UEd. vlucht geplukt en gelardeerd.Is het zoo niet? Ik kan het niet zonder droefheid aanzien. Anders geeft mij het gezicht van gekwiteerde rekeningen genoegen; het is voor mij altijd een vroolijk uur, als ik in het begin van de maand Januari mijn physiologische schuldvorderingen, die koningen van verschrikking, zoo alsBellamyze noemde, als tamgemaakte kwitanties aan een koord rijg, en nu zeggen kan, dat ik ten minste van dezen kant mijn rekening met het afgeloopen jaar gesloten heb. Maar deze psychologische kwijtbrieven, waarin het bewijs berust, wat ik al in den loop van verleden jaren aan de firma vanpubliek,mode,etiquette, kortom aan dien geheelen Jodenhoek betaald heb, doen mijn oog minder aangenaam aan. Het is wel goed, dat ze betaald zijn: het zij verre van mij te zeggen, dat ik insolvent had willen blijven; maar zij hebben mij evenwel veel gekost. Ik schijn hier de tering nietzoo welnaar de nering gezet te hebben, als ik in ’t burgerlijke leven gewoon ben. Hier en daar zijn kleine posten, waarvoor ik ongehoord veel betaald heb; en nu en dan viel mij zelfs de rekening zoo uit de gis, dat ik er nog krom om liggen moet. Dat deed mijn vriend Rob beter; hij wist altijd voor alles den juisten tijd, en slaagde er in, zich er bijna geheel zonder schade door te redden. Had hij naar zijn berekening zijn uitvliegduifjes lang genoeg gehad, dan was het met een vroolijk gezicht: „Komaan, jongens! de pan wacht!â€â€”en in een oogenblik had hij ze den kop omgedraaid, en zat ze op te peuzelen zonder er iets van te weten. Ik daarentegen hield de mijnen over den tijd, zoodat ze taai werden, en als ze dan eindelijk op tafel kwamen, at ik ze met tranen in het oog, en zag aan mij bevestigd, wat men zegt, dat duivengebraad zwaarmoedig maakt. Bemerkte hij, dat men hem vreemd begon aan te zien, omdat hij te lang met een rond buis liep, eer iemand er om dacht, had hij er een paar panden aan gezet, die hem deftig over de kuiten hingen. Op iedere auctie deed hij wat van zijn oudheden, en kocht daarvoor wat nieuws in de plaats, zoodat hij altijd in zijn doen bleef. Met één woord, hij wist zijn slag waar te nemen, en altijd ter rechter ure te verkoopen.Rob, Rob! dat gij heengegaan zijt, zonder mij die kunst te leeren.En ben ik dat nu? Met dat gevoel, waarmede een volwassene voor het portret staat, dat men van hem als kind gemaakt heeft, doorlas ik mijn eigen brieven, die mij het portret van mijn zedelijk Ik voorhielden. Immers, gelijkender kon ik mijzelven niet zien; hier zag ik mij niet in een teekening door anderen gemaakt, maar, even als bij de Daguerrotype, door de natuur zelve gemaald. Zoo verre iets, dat het wezen zelve niet is, van het wezen een denkbeeld geven kan, vond ik hier mijzelven terug. Wonderlijk, wonderlijk, hoe menigmaal was ik zonder mijn eigen beeld te herkennen! het was goed, dat mijn eigen hand daarop het onvervreemdbare zegel geplaatst had, anders zou ik het ruiterlijk voor eencontrefaçonhebben uitgemaakt. Maar ik kon mij niet bedriegen; het moest zoo zijn. Daar zag ik dan, even als in[80]een bewegelijk panorama, mijn gansche inwendige leven achtereenvolgens voor mijn oog voorbijgaan. Daar zag ik den knaap nog eens den vlieger oplaten en met den bal slaan: den jongeling nog eens droomen dichten en gedichten droomen; den jonkman aan de voeten vanBetsyzitten en van de voeten vanBetsylosscheuren; den man den strijd met het werkelijk leven aanvangen, beurtelings overwonnen worden en overwinnen. En op ieder tooneel vond ik, even als bij onze oude schilders, één zelfde geliefde figuur weder: de figuur vanRob. Hij was bij alles tegenwoordig; zijn snakerig gezicht stak overal door de een of andere opening: zijn stem klonk door alle zuchten en tranen heen:Du courage! Du courage!Les amis sont toujours là !De goedeRob! Ik heb nooit geweten, dat hij zoo zacht en week was. Maar als ik nu zie, hoe hij onder alle omstandigheden met mij heeft omgesprongen, vind ik daarin een gevoeligheid van ziel, die mij treft. Nergens een hard oor of een hard hart; maar overal een Jobs-geduld om mijn klachten aan te hooren, en een Jobs-gemoed om in mijn smart te deelen. Het is waar; hij gaf mij daarin nooit toe, noch kwam op den slijkhoop naast mij zitten, om de tweede partij van mijn Ach! en Wee! te zingen. Maar hij viel er ook niet met een onbarmhartig Ai! en Foei! tusschen. Hij versnelde de maat alleen een weinig, en zette het motief, dat hij trouw behield, eenvoudig wat luchtiger om. Eer ik er om dacht, had hij het sleependemaestosoin een deftigmoderatoveranderd. Van waar had de jongen dat verstand? ik weet het niet; maar nu, van achteren beschouwd, kan ik het niet dan met verwondering zien, hoe veel oordeel en levenswijsheid hij daarbij heeft aan den dag gelegd. O, nooit kan ik het genoeg erkennen, wat hij voor mij geweest is; de natuur had hem naast mij geplaatst, om, als een koperen naast een dunner snaar, mijn toon te steunen en te versterken. Als hij er niet geweest was, die toon ware lang valsch en ontstemd geworden, en de speler had mij als een onbruikbaar vod kunnen wegwerpen. Nu kan ik het des noods zonder u stellen, mijn trouwe bas, mijn tweelingsbroeder ROB.Is dat alles één mensch? Zoo vroeg ik verwonderd, wanneer ik soms een van mijn eerste naast een van mijn laatste brieven leide; ik had moeite het mij te overreden. Maar een oog op de verschillende trappen geslagen, die ik langs was geklommen, benam mij welhaast mijn bevreemding. Hoe langzaam en regelmatig is die overgang! niet ongelijk aan de beweging van onze aarde, die in vierentwintig uren toch ook een geheele wenteling om de spil maakt, zonder dat wij er evenwel iets van bemerken. Het is zonderling en treffend, die ontwikkeling na te gaan. Men lacht zoo dikwijls met dat spreekwoord:Een mensch verandert om de zeven jaar. Maar, naar mijn inzien,ligter een ware en diepe les in. Wie er om spotte, ik neem het alsthesisover en ben bereid diepublice etsolemniterte verdedigen.[81]Willen wij een proef nemen?1–7. Het kind in de kinderkamer.7–14. Gij zult erkennen, dat de jongen op de speelplaats een geheel ander wezen is. Ik ten minste zie kans u, na zeven jaar, het eene kind voor het andere in de hand te stoppen.14–21. Waar vindt gij nu den knaap in den jongeling? den woeligen, dartelen schalk in den peinzenden, verliefden Dichter?21–28. Hier hebt gij den overgang uit het dichterlijke in het wezenlijke leven: de eerste en heiligste verbintenis, de eerste vadervreugde. Wat dunkt u? de jongeling, met zijn armen uitgestrekt om de wereld aan zijn boezem te drukken, en de echtgenoot en vader, die niet weet hoe hij zijn armen eng genoeg om vrouw en kind klemmen zal,—zijn dat geen twee verschillende wezens?28–35. Nu worden zeker de overgangen minder scherp, maar evenwel blijven ze voor het fijne oog toch nog merkbaar genoeg. Nu maakt zich de eerzucht meester van het hart, waarin tot dusverre bijna alleen de liefde heerschte; de huiselijke kring wordt te nauw: men breidt zich naar buiten uit; men wil meê de hand aan ’t roer hebben. NB. De zon, die bij hare daging rozerood was, begint gedurig meer naar het goudkleurige te trekken.35–41. Zij is heel en al geel! de hebzucht is bij de eerzucht gekomen. Men heeft een grooten staat te voeren; men heeft zoons te plaatsen, dochters uit te huwelijken; men begeert zich door zijn kinderen, en zijn kinderen door zich te verheffen.42–49. Men heeft de gewenschte hoogte bereikt en geniet de gemaakte veroveringen. Men is buiten geëerd door het publiek, en binnen gelukkig in zijn betrekkingen. Men krijgt een onderkin en staat als peter over zijn kleinkinderen.49–56. Men vangt aan zich terug te trekken. Men ziet zijn vrienden sterven en begint naar rust te verlangen. Men bedankt voor alle lastposten en houdtalleende winstgevende aan.56–63. Men ziet in ’t geheel geen menschen meer; men wandelt veel en gaat trouw te kerk; men wordt hypochonder en neemt een lijfmedicus aan.63–70. Men begint zich gereed te maken voor de afreis. De rekening courant wordt opgemaakt, de overbodige lading over boord geworpen en stichtelijke artikels ingenomen.70–77. Men sterft, natuurlijk als men niet eer gestorven is.Ziedaar in eenige groote trekken de voornaamstenuancesopgegeven, die toch kennelijk genoeg van elkander onderscheiden zijn. En niemand meene, dat ik hem met deze beschrijving heb willen veroordeelen. Geen gedachte is verder van mij. Integendeel, zóó of zóó omtrent moet het gaan, indien alles wel zal gaan. Zóó moet men, als de zon, achtervolgens de verschillende teekens van zijn aardschen dierenriem doorloopen, en nu eens, in het teeken van Leeuw en Ram, zijn jongelingskracht in tegenstand tegen de wereld oefenen; dan in het[82]teeken van Maagd en Waterman, zijn minneleed beschreien; dan, in het teeken van Weegschaal en Schutter, mannelijk oordeel met mannelijke vaardigheid leeren paren, om ten laatste, in het teeken van Kreeft en Visschen gekomen, zijn vaart te vertragen, en zachtkens een weg ten einde te brengen, dien men met zoo veel vuur en geestdrift is opgestreefd.Dat is de orde en de wet der natuur, en ongelukkig, die haar wil omkeeren; hij wordt voor zichzelven even ellendig als nutteloos voor anderen. Er is een tijd van bloei, een tijd van dracht en een tijd van verval; die tijdperken moeten elkander vervangen, zonder op malkaârs grondgebied te treden. Ik wil kleur in de lente, geur in den zomer, en vrucht in het najaar. Eerst groen en wit, dan blauw en rood, dan geel en bruin. Zoo was het bijRob. Hij was altijd gelijk met de verschillende saizoenen: als men dacht, nu moet er haast dit of dat komen, dan kwam het ook. Hij was geen broeiplant, die zijn roode vruchten tusschen de sneeuw droeg, en even weinig een ziekelijke nablijver, die met zijn zure vruchten aankwam, als men hem al vergeten had; hij was een gezonde klant, die zoo precies op zijn tijd paste als de zon zelve. Ik moet bekennen, dat hij mijn traagheid wel eens heeft moeten voortduwen: „Toe dan,Jonathan! maak voort, jongen! waarblijf jedan?†en dan kwam hij als een moreleDonAntonio Maginomet zijn weêrtafel, en wees mij: „heden zonneschijn en mooi weer†of als een Tuinmans-Almanak: „heden deze of die vrucht!†en als die dan zoo spoedig niet uit den dop wou vallen, dan draaide hij mij een weinigje in de zon en was niet tevreden, eer ik mijncontingentgeleverd had. Mijn goedeRob! Wie zal nu het oog over mij houden?Gij maakt daarom uit het gezegde toch niet op, dat Rob een zoogenaamdsolidemensch was, die op zijn valhoed reeds met de kroon der zeven Grieksche wijzen liep, uit zijn tafelstoel les gaf over de differentiaal-rekening, en bij zijn opgeworpen bal de nuttigheid van laag gooien en dikwijls vangen betoogde. Gij zoudt u bedriegen. Daarvoor was hij veel te veel in de natuur. Neen, hij geloofde wel degelijk, even als ik, dat er een jeugd aan den mannelijken leeftijd, een tijdperk van bloei aan dat van vruchtbaarheid moet vooraf gaan. Ik zet het u, van die vroegrijpe menschen een mensch te maken als mijn Rob! Er moet in den jongen mensch wat overvloed van leven zijn. Als de kunstenaar een beeld wil gaan houwen, dan neemt hij geen blok, dat juist zoo groot is als het beeld, dat hij maken wil, maar hij neemt een vierkanten klomp, waar de ruwe kanten nog aan zitten. Daar zit dan het beeld, dat er uit moet komen, wel in, maar eerst moet de buitenste schors wegvallen. Ha! hoe er dan onder zijn krachtigen beitel de stukken afvliegen! hoe het beeld overal het marmer pijnlijk van het lijf wordtgescheurd! het zucht onder de ruwe slagen van zijn formeerder! maar let op! daar beginnen de houwen reeds af te nemen; telkens valt het wapen zachter neder; heerlijk komt het[83]beeld uit zijn ruw omkleedsel te voorschijn! Nu worden nog de laatste scherpe hoeken en kanten afgeslepen, geëffend en gerond, de proportiën gedeeld en de lijnen gebogen. Daar staat nu de koningsgestalte, glad als ijs en zacht als satijn! Dat is beeldhouwen! dat is menschen-formeren!Wilt gij hooren wat er de Wijze vanBayreuthvan zegt?Gij lieden wilt derhalve reeds bij den aanvang datgene krachteloos te velde doen trekken, hetwelk door den tijd en de wereld buitendien toch genoeg wordt ontzenuwd? Wat is al de winst, die de jongeling uit het vermijden van eenige mispassen en verkeerde inzagen trekt, gerekend tegen het ontzettend verlies, hierin gelegen, dat hij, zonder het heilige vuur der jeugd, zonder vleugels, zonder groote plannen, met één woord, zoo naakt het enge leven inkruipt als de meeste het uitkruipen? Hoe kan zonder den idealengloed der jeugd het leven tot rijpheid komen, of de wijnstok zonder den gloed der oogstmaand? Het schoonste, hetwelk door de menschen verricht werd, al ware het ook in hun koude jaarsaizoen, was nimmer iets anders, dan de slechts laat opkomende zaadkorrel, die door den boom des levens in het paradijs was voortgebracht. Of zaagt gijlieden nooit, hoe een mensch door eenig goddelijk beeld uit zijn jeugd, het geheele leven door, bestuurd en geleid werd?—En wat toch wilt gij in de plaats geven van dit leidende wagengestarnte?—wat anders dan den broodwagen der schrandere eigenbaat?Touchez là , mon ami!Dat is naar mijn hart gesproken. Zoo mag ik het hooren van iemand, wiens wijsgeerige geest hem boven de verdenking verheft, waaronder ik lig, van somtijds met molentjes te loopen. Sterk door uwe goedkeuring verhef ik mij dus moedigtegenhet kwaadwillig oog van zoo velen, die mij, om deze kruisvaart tegen den kunst-ouderdom, dien men den kinderen, even als de koepokken, wil inenten, voor een Socratischen jeugdbederver houden. En zoo dacht ook mijn vriend Rob, die mede een vriend van u was. Hij had een ingeroesten haat tegen de gepoeierde kinderknikkers en gewapende kinderdijtjes van vóór vijftig jaren! een jong mensch, die niet hooger zag dan zijn hoofd en niet verder reikte dan zijn armen, was hem een walg. Hij verlangde daarom niet, dat men juist tegen de maan stond te grijnen, en nooit dan met een natten neus naar de sterren keek. Zijn jongelings-geestdrift openbaarde zich geheel anders; zij ademde dienzelfden geest van losheid en vroolijkheid, die zijn geheel wezen kenmerkte. Hij kon in zijn dartele buien met de maan omspringen, als droeg hij ze, even als de tooneelspeler inShakespeare’sMidsummernights-dream, lantarensgewijze onder den arm en met de sterren leven als de Koningin der Nacht in deTooverfluit, die ze alspaillettenop haar zwarte japon draagt. Maar in die scherts lag daarom niettemin het geloof aan een hoogere wereld en het gevoel van behoefte daaraan. Als hij over de vele woningen, die de groote stad, welke wij Heelal noemen, vervullen, met zulk een[84]gemeenzame vertrouwelijkheid sprak, en dan, met zijn geest door al die geheimzinnige lichtpaden dwalende, liep raden, waar hij zijn huis vinden moest.…! maar ik zie er van af om er u eenig denkbeeld van te geven: gij hadt hem zelven moeten hooren! Zijn uitvallen waren van die, die men alleen met een gesternden hemel boven zich herhalen kan. Vraag er mij eens naar, als wij ooit samen op zulk een tooneel staan. Genoeg, dat het hem aan geen sentimentaliteit ontbrak. Er lag in zijn Zomernachts-droomen, onder den schertsenden toon waarin hij ze voordroeg, een diepe en verheven zin van heimwee en godvrucht, of, zoo als hij liefst zeide, omdat dit woord den geheelen geest van zijn vroomheid uitdrukte,Godzaligheid! Het gebeurde somtijds, dat ik daarbij geen lichten glimlach van mijn lippen weren kon, maar nooit, dat niet de tranen des innigsten gevoels zich naar mijn oog drongen! Geen woorden kunnen uitspreken, wat wij ontwaarden, als wij na zulk een hemelwandeling elkaâr de hand drukten.—Hoe zult gij nu wandelen,Rob!Vraagt ge dus, of ik alles, wat ik daar geschreven voor mij vind, nog met baat en schade op mijn tegenwoordige rekening zou willen overnemen, de goede Hemel beware mij! dat ware de paarden achter den wagen gespannen. Maar vraagt ge aan den anderen kant, of ik met hoogmoed en medelijden op die uitboezemingen van jeugdig gevoel en overvloeiend leven neêrzie, ook dit ontken ik volstrektelijk. De mensch had beter kunnen zijn, maar wat den weg betreft, dien hij gevolgd is, ben ik nog zoo ontevreden niet. Het is waar, dat er menige uitbarsting van dwaas jongelingsgevoel onder doorloopt. Te droes, hoe zoudt gij lachen, als ik die oude doos eens opendekte. Wat zou er al niet voor den dag komen! Welk een menigte van werelden en zonnestelsels! welk een drom van engelen en aartsengelen! welk een stoet van droombeelden in volle kostuum, met een zon op de borst, een halve maan op den tulband en een borduursel van sterren rondom den mantel! Welk een rommel van zangen, geuren, klanken, en wat verder zou worden te voorschijn gebracht! En toch schitterden er soms door dien verwarden hoop vonken van nuchter oordeel. Van dien aard zijn bij voorbeeld de volgende losse spreuken, die ik nog niet terugneem.Het is een schoon geloof, dat de Egyptenaars hunne graven met pyramiden deed dekken: geloof aan de Toekomst. Maar schooner nog is het geloof der Christenen, die hun grafheuvels met een houten kruis versieren: geloof aan de Onsterfelijkheid. Even zoo was er iets treffends in de gewoonte der eersten om hunne lijken te balsemen; maar dat wij ze niet balsemen, is treffender, wetende dat de Engel der opstanding uit verderf onverderfelijkheid scheppen zal.Geven en ontvangen is als de regen. Dezelfde regen, die frischheid aan de aarde geeft, geeft helderheid aan den hemel.[85]Als de vrucht zich gaat zetten, valt de bloesem af. Zoo ook met ons. Wij beginnen geen vrucht te dragen, eer de bloesems der jeugd verstrooid zijn.Voor sommige menschen is het leven een vastland, geheel aarde; dat zijn de aardsgezinden. Voor anderen een eiland, geheel zee, buiten verband met iets rondom of boven zich; dat zijn de egoïsten. Voor anderen een landtong tusschen den oceaan van twee eeuwigheden; dat zijn de ongeloovigen. Voor sommigen eindelijk eenBethel, door een ladder met den hemel verbonden; dat zijn de vromen.Men begeert zich met het geluk als met een gouden keten te versieren, en bedenkt niet, dat het slechts een gulden ader is, die door den zandgrond onzes levens loopt: het geluk is geen kleed, door anderen vervaardigd, dat men slechts heeft om te slaan; het is een zijden huis, als dat der wormen, uit onzen eigen boezem uitgesponnen.Betrekkingen zijn voor den mensch op aarde, wat de aardkluit, die met de bloem verplant wordt, voor deze is; zij doen hem vergeten, dat hij hier niet te huis behoort.Die een leven vol weldaden achter zich laat, vindt, even als klein Duimpje in de fabel, teruggaande, het spoor der uitgestrooide broodkruimen verdwenen. Alleen de beleedigingen blijven, even als de steentjes van den houthakkersknaap, getrouw liggen.De mensch wordt dikwijls wijs ten nadeele van zijn geloof. Het was een schoone onkunde, die den schepeling naar den hemel deed opzien, om er de star te zoeken, die zijn tocht regelde; nu heeft men het kompas, met andere woorden, men heeft den hemel niet meer noodig.Onlangs zag ik een kind, dat gedurig beproefde een ladder met de handen rechtop te plaatsen om er vervolgens op te klimmen. Natuurlijk sloeg de ladder telkens tegen den grond. „Jantje!†zei de vader, „gij moest dat laten! Ziet gij niet, dat gij u zelven niet houden kunt?†en daarop ging hij bedaardelijk voort met mij te betoogen, dat in zaken van godsdienst de rede volkomen voldoende was.Iemand, die louter godgeleerde is, ziet den hemel achter, de vrome vóór zich; de eerste ziet het kruis alleen in den Bijbel, de laatste, even alsKonstanstijn, in de wolken. De vrome staat tot den godgeleerde als een inboorling, die de taal des lands van kindsbeen af gesproken heeft tot een vreemde, die haar spraakkunstig heeft moeten aanleeren. Nu kan de vreemde de gronden van zulk een taal wel beter kennen, maar de inboorling verstaat en spreekt haar toch beter.[86]Het leven is als de hooge bergen: slechts aan den voet groeien bloemen.Hartstocht is zwakheid; daarom bemint de vrouw meer dan de man.De kritiek handelt met de geniën, even als de oude Schrijver van het Scheppingsverhaal met de hemelbollen; zij meent, dat de werelden des dichters om haar geschapen zijn.Zucht naar meerdere volkomenheid; ziedaar de ware behaagzucht.De verborgenheden Gods zijn even als de vlekken in den Melkweg; de gewone mensch ziet ze voor vlekken aan, en de sterrekundige vindt er bij onderzoek nieuwe wereldstelsels in.Schoonheid is voor den man een feest-, voor de vrouw een bruiloftskleed.Ware liefde ontleent, even als de moederliefde, kracht uit smart.Sommige menschen schijnen geboren omgelukkigte wezen: ze zien slechts licht en helderheid voor zich, en wanneer er als soms donkerheid op hen daalt, sluiten zij er de oogen voor, zoo als sommige bloemen zich ’s avonds sluiten, en eerst weêr opengaan als de morgen daagt.Trouw is het geheugen van een beminnend hart.De ware proefsteen der menschelijke deugd is detoetssteen, die zijn graf bedekt.De aardsgezinde is als regen, die één wordt met den grond, waarop hij neêrzijgt; de betere mensch verkeert op aarde als de sneeuw, die waar zij valt, den grond verzilvert.De schrijver kieze zich een geheel volk ten voorwerp zijner bemoeiingen, doch wachte zijn geluk alleen van zijn huiselijken kring. Maar daarom heeft dan ook zijn gezin een gewichtige taak te vervullen: van wege de goeden heeft het in last hem de liefde te bewijzen, die zij hem niet bewijzen kunnen; van wege de kwaden heeft het de zending, hem de bitterheid te vergoeden, die zij hem aandoen. Wee hem, als ook deze steun hem ontvalt: de Dertigen buiten, en Xantippe in huis!Rampen zijn den vrome even als hagelsteenen, die dreigend neervallen, maar die de aarde als heilzaam vocht in haar schoot opneemt.[87]Voor sommigen is de kruisberg een goudmijn: dat zijn de priesters. Voor anderen is hij deHelicon; dat zijn de geleerden. Voor anderen is hij de berg des Heeren: dat zijn de vromen. Voor anderen eindelijk is hij niets dan een berg: dat zijn de ongeloovigen.Ziet gij? deze losse gedachten, en nog veel meer andere van denzelfden aard, kan ik thans nog overnemen, zonder dat ik ze in mijn tegenwoordigen leeftijd en op mijn tegenwoordig standpunt behoef te verloochenen. Maar ik beken, dat daartegen menige bladzijde overstaat, die ik voor geen lief ding onder het oog van mijn deftigen lezer zou durven brengen. Ja, zal ik het bekennen! toen ik daar die brieven zoo zat te doorbladeren, verheugde ik mij, dat ze, door de kiesche beschikking vanRob, in mijne, en niet in een anders handen geraakt waren.En toen kwam ’t mij op eens met schrik in de gedachte, dat Rob niet de eenige is, die zulke brieven van mij ontvangen heeft.Wel, wel,dacht ik, indien het nu een van mijn vroegere Correspondenten eens inviel, al mijn brieven nog eens in te zien, hoe zal hij om de droomerijen van den kinderachtigenJonathanlachen! Hij is in staat mij in alle deftigheid voor een dwaas uit te maken. Wilt gij het gelooven? Dit denkbeeld greep mij met zulk een siddering aan, dat ik terstond op een middel begon te denken om hem tot betere gedachten omtrent mij te brengen. En waar vond ik dit eindelijk? In eenCirculaireaan al de vrienden, die ik hier plaatsen zal, hopende dat zij hun aldus onder de oogen mogen komen.(Met uw verlof, waarde Lezer, die niet tot dit getal behoort!)Mijnheer en Vriend!Daar de correspondentie, die ik vroeger de eer had met u te houden, sedert is afgebroken, ben ik zoo vrij mij langs dezen weg tot u te wenden. Het zou namelijk kunnen gebeuren, dat UEd.mijn brieven van vroegeren tijd—bijv. bij gelegenheid van het beplakken van een nieuw te behangen kamer, of dergelijke—nog eens onder de oogen kreeg. In dat geval zou ik reden hebben, mij voor UEd. te schamen. Want ik meen wel te weten, dat er in die brieven meer dwaasheden gevonden worden, dan met uw verstand en soliditeit strooken. Maar met uw verlof zou ik gaarne zien, dat UEd. daarnaar ook mijn verstand en soliditeit niet beoordeelde. Want, als het niet te onbescheiden is mijzelven te prijzen, mag ik wel zeggen, dat ik een geheel ander mensch geworden ben, en ofschoon niet volkomen zoo degelijk als UEd., toch strevende om UEd. daarin meer en meer nabij te komen. UEd. gelieve alleen te weten, dat ik tegenwoordig voor mijn correspondentie even zoowel mijn liassen heb met opschriften als:Rekeningen,kwitantiën,brieven, enz. als UEd. in uw kantoor. Zoodat UEd. ziet dat ik nu een bedaard en deftig burger ben. Indien UEd. dus[88]de goedheid wilde hebben, die bewuste brieven eens voor goed te verbranden? Doch al mocht UEd. daarin (uit zuinigheid) bezwaar vinden, hoop ik nogtans, dat UEd. na de gegeven inlichting, mij omtrent het bewuste artikel van uw oordeel over mijn verstand wel te wille zal willen zijn. In welke verwachting ik de eer heb met de meeste achting te zijn,Mijnheer en vriend,UEd. gehoorzame Dienaar en VriendJonathan,Zie zoo! Dat zou Rob nog goed doen, als hij het las! De arme Rob, hij zal het niet lezen! en hij zal het niet zien ook, hoe ik langzamerhand al verstandiger en verstandiger zal worden, zoodat ik eindelijk op den stroom der wereldsche dingen zal drijven als een pluim, hop-hop, van boven naar beneden, zoo als het de golven belieft. Dat zal het toppunt van mijn glorie zijn—en van de zijne ook. Want als ik ooit zoo ver kom, moet ik zeggen dat er hem de grootste eer van toekomt. Wat zal hij dan verwonderd opkijken, als hij mij weêr ziet! Hij zal zijn eigenJonathanniet meer kennen.—Wat heb ik gezegd,Rob? Neen, de menigte moge van mij zeggen: „Wat is MijnheerJonathanveranderd! hij is nu de ordelijkste man, die men zien kan!—†maar voor u, mijn vriend, verander ik niet. Is het niet zoo? Boven is een jong hart geen contrabande?Geen antwoord!Anders kreeg ik altijd antwoord.Foei mij!… goed datRoberthet niet ziet.Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten,—luidt het zoo niet? Welnu wat tob ik dan? Lig daar, mijn legaat! Gij zoudt mij week maken. Ik wil aan ’t werk. „Jongen,†zei Rob mij wel eens: „Wat zijn de menschen toch dwaas. Zij roepen om den hemel, en loopen er zoo hard van daan als zij kunnen. Wilt gij er heen, maak dan, dat gij hier beneden gedaan krijgt.Vandaagklaar, morgen t’huis; dat gaat vast! Er is geen accurater beurtman, dan de Snelheid, KapiteinMors.—Welaan dan! aan ’t werk. Zoo hoop ik welhaast mijn goeden vriend na te kunnen zeggen: Alles klaar! en dan—dan is er een einde aan mijn klacht:„Mijn goede vriendRob, hij is dood!â€[89]1Een uitdrukking vanClaudius, van wien hij veel hield.↑
HET LEGAAT.
Mijn arme vriendRob, hij is dood!De goede jongen! Of hij stervend nog tegen den dood zal gelachen hebben, gelijk hij altijd zeide, dat hij doen zou? Zeker, vriendHein! gij zijt een ijzegrim, als gij er niets van gevoeld hebt, toen gij dezen eerlijken, trouwen knaap den hals braakt. Zulk graan krijgt gij zelden onder uw zeis. Mijn armevriendRob, hij is dood!Grooter snaak dan hij liep er niet. Gelijk sommige menschen veel hebben van een gestolden traan, was zijn voorkomen een onophoudelijke glimlach. Hij ging de wereld door als een vroolijk kind, schertsende en grappenmakende: reeds toen ik met hem school ging, was hij de vreugde van al de jongens. Als zijRobmaar zagen, begonnen zij reeds te lachen; zelfs de meester kon het niet tegen hem uithouden, maar schoof van vroolijkheid zijn pruik op één oor, als hij recht aan den gang was. Ofschoon hij de eene dwaasheid na de andere uitvoerde, geloof ik niet, dat hij ooit iemand ernstig boos gemaakt heeft. Hij was als Arlequin; ieder kreeg slaag van hem; maar het was een houten zwaard, dat hij zwaaide! en een zwaard daarenboven, dat als een tooverstaf, de macht had om slapenden wakker en treurenden vroolijk te maken. En toch, toen hij de school verliet, schreiden allen; ofschoon hij allerlei bokkesprongen maakte om zich zelven en de anderen op te vroolijken. Zoo was hij altijd. Hij kon geen tranen zien, of hij moest ze wegschertsen. Ik ben zeker, dat hij zijn ziekenoppasser meermalen aan ’t lachen gemaakt heeft. ArmeRob! Nu moet hij ze laten uitweenen.O, ik had hem zoo lief! zoodra wij elkander op de school ontmoetten, werden wij vrienden. Hoe, begreep niemand. Want ofschoon ik toen nog zoo bleek en strak niet zag als nu, was ik toch lang geen blozende lachebek gelijk hij. Maar ik geloof, dat hij al dadelijk aan mij zag, dat ik het rechte wild voor hen was. Want hij was geen van die grappenmakers, die alleen aardig zijn onder huns gelijken: hoe treuriger hoe liever; des te meer eer was er aan te behalen. Of laat ik liever zeggen, zijn goed hart gebood hem het eerst dezulken op te zoeken, die hij begreep dat aan een opgeruimd woord de meeste behoefte hadden. Hij beschouwde het vervroolijken van anderen als een soort van bestemming voor hem.[75]Geen aanleg hebbende om te weenen met de weenenden, zocht hij weenenden met zich blij te maken. Daarbij ging hij evenwel niet zoo te werk, dat hij zijn narrebellen aan ieder rouwfloers bond. Als bij instinkt wist hij te raden, waar zijn luim op de smart schipbreuk zou lijden; en dan kon hij tot zichzelven, als tot een speelschen hond, die tegen iedereen opspringt, zeggen: „Stil,Rob!stil jongen!†en dan wasRobzoo stil als een muis! of zoo hij sprak, het was met een enkel woord van diep gevoel, zoo als men nooit van zijn dartele lippen zou verwacht hebben. Is het niet vreemd? terwijl niemand mij beter aan ’t lachen kon maken, schreide ik om niemand eerder, dan omRob!Maar ik heb niet dikwijls om hem geschreid. Duizendmaal meer heb ik om hem gelachen. Nauwelijks ging de school uit, of hij pakte mij onder den arm; dan volgde de eene kwinkslag op den anderen, zoodat ik dikwijls, als ik thuis kwam, niet tot mijzelven kon komen; en toch was hij zoo zacht voor den weemoed, waartoe ik reeds als knaap en jongeling neigde. Dit kwam daaruit voort, dat hij er zelf niet vrij van was. De grondtonen onzer ziel klonken gelijk, maar wij droegen ons leed anders. Terwijl ik in mijn kooi zat te kirren als een tortel, met een lang uitgehaald: koe-ke-roe-oe!—zat hij, ofschoon even zoo goed gevangen als ik, tegenover mij in zijn kevie te zingen als een kanarievogel. Met iedere smart, die ik hem als een harde noot te kraken gaf, sprong hij om als Jocko: krak-krak! had hij haar stuk, hij wierp mij de schellen naar den kop, en peuzelde de zoete kern, die hij er uithaalde, met een vergenoegd gezicht op. Men zegt vanRubbens(als ik wel heb), dat men nooit vier of vijf schreefjes zoo plaatsen kon, of hij maakte er een menschengezicht van. Welnu, zoo kwam hem geen smartelijke trek voor of, kriskras! had hij hem in een glimlach veranderd, zonder iets uitgewischt te hebben. O, het is niet moeielijk, dissonnanten te overschreeuwen: dat kan ieder; maar ze op te lossen, dat is de kunst! en dat kon mijn vriendRob.Hij had geen gelukkig lot in de wereld. Een arme moeder, waarvoor hij te zorgen had, bij geringe verdiensten. Maar dit maakte hem nooit treurig; hij kon zijn droog brood met zulk een goede gratie eten, dat gij aan zijn gezicht zoudt gezegd hebben dat hij een reeboutje kloof. „Vroolijkheid, jongen!†kon hij wel tegen mij zeggen, „is de beste kruiddoos.†Daarbij kwam, dat hij een voorgevoel had, dat hij niet oud zou worden. Dus moest hij zorgen in de voorbaat te zijn, om zijn moeder niet hulpeloos achter te laten. „Gij zult het wel zien,†zeide hij,„Robloopt niet lang. De zwarte man mag hem niet lijden. Ik maak het hier de menschen veel te pleizierig. Nu laat hem komen! ik zal hem in zijn gezicht uitlachen, of mijn naam is geenRob!â€â€žDaar hebben we ’t al!†schreef hij onlangs. „Jonathan, ik lig er voor; de magere man heeft mijn vet al beet, en zal nu aan de beenders gaan. Kom mij nog eens zien, als gij kunt. Ik wil den Dood al mijn vrienden presenteeren; dan kan hij van nijd vergaan, dat hij er zoo veel niet heeft.â€[76]P.S. „Kom gauw, want hij wacht niet.â€Ik kwam. Daar lag hij, de armeRob! bleek als de dood, en mager als een geraamte.„Welkom!†juichte hij met een gebroken stem tegen. „Neem mij niet kwalijk, dat ik u zoo familiaar in mijn beendernegligéontvang, mijn vleeschrok1is bij den snijder om te vermaken.†Zoo schertste hij voort met woorden vol diepen zin en aandoenlijken luim.„Schrei zoo niet!†zeide hij, terwijl ik in tranen stikte. „Gij maakt mijn vleugels nat, en ik zal straks niet kunnen vliegen.—Goeden nacht!†riep hij mij na, toen ik mij in stomme smart van zijn leger losrukte. „Wat vroolijker gezicht, als ik u weêrzie, hoor!â€Gister morgen kreeg ik de tijding van zijn dood. Hij had tot zijn jongste oogenblikken zijn bewustheid en dezelfde stemming van geest behouden. „Alles klaar!†was zijn laatste woord. Wat zullen er toen veel tranen op het vroolijkste gezicht der wereld gestort zijn.Alas, poorRob!Wie zal ons nu troosten? Het ongelukkigste is, datRoballeen voor zulk een ramp raad had geweten. Ja, dat is het ergste; nooit is men troosteloozer dan bij den dood van hen, die ons het besthaddenkunnen troosten. Als niets mij bemoedigen kon, had Rob altijd nog een paar woorden achter de hand. Maar nu hij dood is…. ik zal naar zijn graf gaan, en zien of ik daar baat kan vinden; de vrome ziel kon zelf op een graf zoo vroolijk lachen. „Onder het lamfer,†placht hij te zeggen, „behoort een gezicht vanJean qui pleure et Jean qui rit. Voor ieder, die gaat en die blijft, de helft.†Ach, ik zal het nooit leeren.Te gelijk met zijn doodbericht ontving ik het legaat, mij door hem gemaakt. Het zijn de brieven, die ik hem op onderscheidene tijden geschreven heb. Deze heeft hij in een groot pak gesloten, en zijn moeder verzocht ze mij na zijn dood terug te zenden.Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten.Zoo luidt het opschrift, dat hij er met eigen hand op geplaatst heeft. Ziedaar Rob geheel! nooit was er vroolijker godsvrucht, dan de zijne. Hij sprak van den hemel, zooals een kind er van spreekt, als of het alleen een hoogere verdieping van onze tegenwoordige woning was. Hij had niets van sommige menschen, die nooit het woord dood of eeuwigheid in den mond nemen, zonder eerst een benauwd gezicht te zetten, een hangenden lip te trekken, en hun stem zoo diep als zij kunnen uit hun onderbuik te doen opkomen. Dezulken spreken van den hemel met een gelaat, dat men er bang van wordt. Niet aldus mijn vriendRob. Midden in zijn grappigste scherts kon hij op eens aan zijn woorden een luimig-verheven wending geven, die u in het hart greep; maar in hetzelfde oogenblik was hij, als een eekhorentje,[77]dat langs een hoogen boom op en neder klautert, reeds weder beneden, en sprong u om de beenen. Met den dood was hij zoo familiaar als met zijn eigen geraamte. Hij kon sermoenen tegen hem houden, dat u de tranen over de wangen liepen. Dat noemde hij zijn gymnastische oefeningen om langs zijn ribben naar boven te leeren klimmen. „Och,†zei hij, „het geheele leven is niets dan een groote mastklimmerij; boven hangen de prijzen: beneden staan wij jongens te gapen. Het komt maar op het durven aan; één goede zet, en men is er! drommels, als de paal maar zoo glad niet was!â€â€”Maar gij zijt er nu toch, goedeRob! en uw prijs zal niet van de minste wezen.Ik dacht gister het lijkfeest van mijn vriend niet beter te kunnen vieren, dan door den ganschen dag aan het lezen van zijn Correspondentie te wijden. Ik rangschikte al de brieven, over en weêr geschreven, bij elkander, en had dus bijna de geheele geschiedenis voor mij. Dat was een aandoenlijke lektuur. Nooit had ik ROB zoo lief als gister; nooit voelde ik zijn waarde beter; hij won zeer bij de proef, die anders zoo hachelijk is, van op eens in zijn geheel gezien te worden. De meeste menschen, aldus opgezet, zouden al een vrij wonderlijk misgewas vormen. Bij menigeen zou het eene been het andere verloochenen, en de eene arm de anderen parodieeren. Geheel anders bijRob! Zijn geheele zedelijke gestalte was fiksch en frisch uit de kluiten gewassen, en droeg alles op de rechte plaats. Niets versteld of bedorven door ontijdige rijpheid of tragen groei, maar een geregelde en gelijkmatige ontwikkeling van kind tot knaap, van knaap tot jongeling, van jongeling tot man. Zijn hart had alle graden doorgeloopen, even als een soldaat van verdienste bij dearmée. Van daar was zijn gansche morele constitutie zoo gezond; zijn leven had niets van een verknoeide teekening, waarin de gom-elastiek beurt gehouden heeft met het zwart-krijt, en waaraan meer tijd is zoek gebracht met uitwisschen, dan met teekenen. Wat er stond, dat stond er, en dat stond er goed. Bij hem schreide de dag van heden niet over den dag van gister, noch verzamelde dampen voor den dag van morgen; maar de maandag gaf de hand aan den zondag, en de dinsdag aan den maandag. Toen ik dat zoo zag, werd ik bewogen bij de gedachte aan zijn afsterven. Het is jammer, weêrgaloos jammer, dat de Dood dit drama gestoord en de gordijn heeft doen vallen eer het was afgespeeld; er moesten nog zulke treffende passages komen. Mijn goedeRob! ik had u nog zoo gaarne eens alspère noblegezien! en, indien ikhethad mogen beleven, welk een beminnelijke vertooning zoudt gij als grijskop gemaakt hebben! Mij dunkt, ik zie u met een krans van jeugdige vroolijkheid om het rimpelig hoofd; met een vergenoegd lachje op de dorre wang, als een zonnestraal op herfstloover; met een schat van wijsheid verrijkt, als een honingkorf in den winter. Ja, een honingkorf! dat zoudt ge geweest zijn. Uw ondervinding zou niet, als bij zoo velen, zoete druiven in zure eek veranderd, maar uit de bloemen op uw levensweg enkel zoetheid gepuurd hebben: Gij hadt altijd een afkeer van menschen wier[78]ervaring het zure opschriftwinazijnmakerijaan het hoofd droeg. Gij, integendeel, zoudt uw vreugd genoten hebben als een Epicurist zijn wijn; hoe ouder, hoe beter. Ik vooral,Rob, ik had u zoo noodig gehad. Gij hadt voor mij de zware slippen van den rouwmantel, dien rijper leeftijd den menschen telkens om de schouderen hangt, (oude menschen zijn ongequalificeerde noodigers ter begrafenis) moeten ophouden. Gij hadt, als de komiek in de stukken vanKotzebue, met uw onschuldige scherts mijn treurige tooneelen moeten opvroolijken. Gij hadt mij moeten leeren, van mijn oudemans-stokje een zotskolf te snijden, om die den Dood als een duivelbannend teeken voor te houden.HeraclietenDemocriet—zoo zouden wij oudjes arm in arm het laatste eindje van onzen weg gegaan zijn, en malkaâr zachtjes de grafhelling hebben afgeholpen. Maar gij hebt mij leelijk laten zitten, met zoo hals over kop—daar gaat hij!—in de diepte te springen. Nu sta ik er alleen voor; en of ik nu, met onzen vriend uitBayreuth, den Dood al toeroep: „Schud maar toe, schud maar toe! dan kom ik bij mijn bravenRob!†het baat niet.—JongenRob! dat is een leelijke streek van u, zoo maar zonder waarschuwen heen te gaan, en mij met den boel te laten zitten. Daar zal iets over moeten vallen, als ik u weêrzie!Maar wat beschuldig ik u, eerlijke knaap! als of gij er schuld aan hadt? Neen, in u viel het nooit, uw vrienden in verlegenheid achter te laten; had het aan u gelegen, gij, goede ziel, gij hadt ons allen wel laten voorgaan, en gaarne de moeite genomen om, als de laatste van allen, de deur te sluiten. Maar de dood riep u op:en avant seul; en met onwillige kooten volgdet gij en danstet uwpas seul, terwijl gij ons op onze plaats moest achterlaten. En nu ben ik zeker, dat gij den dood nog wel eens een goed oog geeft om ons ook te komen halen. Trouwe vriend, die ge zijt!Wat liggen ze daar koel, die uitboezemingen van twee warme harten. Op het oogzoumen het even goed voor rekeningen kunnen aanzien.—En zijn het in zekeren zin geen rekeningen? rekeningen van hetgeen het hart aan de wereld, de verbeelding aan de wezenlijkheid betaald heeft? of liggen daar niet zoo veel gedachten, gewaarwordingen, wenschen en begeerten, die sedert als verouderd hebben moeten worden weggedaan, om, tot duren prijs, door andere te worden vervangen? En kon men er niet een zulke of dergelijke nota van maken?Een ouderwetsch kleed van UEd. nieuwmodisch en pasklaar gemaakt.Een grooteoptica-spiegel tot een scheerspiegeltje verkleind.Van een oude gedamasceerde kling een pennemes gemaakt.UEdelenszevenmijlslaarzentot pantoffels versneden.De glazen uit UEd. teleskoop verslepen en in een bril gezet.UEd. nationale vlag tot een vlaggendoek voor UEd. lendenen vermaakt.Een gewezen vrijheidsboom van UEd. voor een mangelrol in orde gebracht.Van een metalen standbeeldje een keukenvijzel gegoten.[79]Op onderscheidene tijden duiven uit UEd. vlucht geplukt en gelardeerd.Is het zoo niet? Ik kan het niet zonder droefheid aanzien. Anders geeft mij het gezicht van gekwiteerde rekeningen genoegen; het is voor mij altijd een vroolijk uur, als ik in het begin van de maand Januari mijn physiologische schuldvorderingen, die koningen van verschrikking, zoo alsBellamyze noemde, als tamgemaakte kwitanties aan een koord rijg, en nu zeggen kan, dat ik ten minste van dezen kant mijn rekening met het afgeloopen jaar gesloten heb. Maar deze psychologische kwijtbrieven, waarin het bewijs berust, wat ik al in den loop van verleden jaren aan de firma vanpubliek,mode,etiquette, kortom aan dien geheelen Jodenhoek betaald heb, doen mijn oog minder aangenaam aan. Het is wel goed, dat ze betaald zijn: het zij verre van mij te zeggen, dat ik insolvent had willen blijven; maar zij hebben mij evenwel veel gekost. Ik schijn hier de tering nietzoo welnaar de nering gezet te hebben, als ik in ’t burgerlijke leven gewoon ben. Hier en daar zijn kleine posten, waarvoor ik ongehoord veel betaald heb; en nu en dan viel mij zelfs de rekening zoo uit de gis, dat ik er nog krom om liggen moet. Dat deed mijn vriend Rob beter; hij wist altijd voor alles den juisten tijd, en slaagde er in, zich er bijna geheel zonder schade door te redden. Had hij naar zijn berekening zijn uitvliegduifjes lang genoeg gehad, dan was het met een vroolijk gezicht: „Komaan, jongens! de pan wacht!â€â€”en in een oogenblik had hij ze den kop omgedraaid, en zat ze op te peuzelen zonder er iets van te weten. Ik daarentegen hield de mijnen over den tijd, zoodat ze taai werden, en als ze dan eindelijk op tafel kwamen, at ik ze met tranen in het oog, en zag aan mij bevestigd, wat men zegt, dat duivengebraad zwaarmoedig maakt. Bemerkte hij, dat men hem vreemd begon aan te zien, omdat hij te lang met een rond buis liep, eer iemand er om dacht, had hij er een paar panden aan gezet, die hem deftig over de kuiten hingen. Op iedere auctie deed hij wat van zijn oudheden, en kocht daarvoor wat nieuws in de plaats, zoodat hij altijd in zijn doen bleef. Met één woord, hij wist zijn slag waar te nemen, en altijd ter rechter ure te verkoopen.Rob, Rob! dat gij heengegaan zijt, zonder mij die kunst te leeren.En ben ik dat nu? Met dat gevoel, waarmede een volwassene voor het portret staat, dat men van hem als kind gemaakt heeft, doorlas ik mijn eigen brieven, die mij het portret van mijn zedelijk Ik voorhielden. Immers, gelijkender kon ik mijzelven niet zien; hier zag ik mij niet in een teekening door anderen gemaakt, maar, even als bij de Daguerrotype, door de natuur zelve gemaald. Zoo verre iets, dat het wezen zelve niet is, van het wezen een denkbeeld geven kan, vond ik hier mijzelven terug. Wonderlijk, wonderlijk, hoe menigmaal was ik zonder mijn eigen beeld te herkennen! het was goed, dat mijn eigen hand daarop het onvervreemdbare zegel geplaatst had, anders zou ik het ruiterlijk voor eencontrefaçonhebben uitgemaakt. Maar ik kon mij niet bedriegen; het moest zoo zijn. Daar zag ik dan, even als in[80]een bewegelijk panorama, mijn gansche inwendige leven achtereenvolgens voor mijn oog voorbijgaan. Daar zag ik den knaap nog eens den vlieger oplaten en met den bal slaan: den jongeling nog eens droomen dichten en gedichten droomen; den jonkman aan de voeten vanBetsyzitten en van de voeten vanBetsylosscheuren; den man den strijd met het werkelijk leven aanvangen, beurtelings overwonnen worden en overwinnen. En op ieder tooneel vond ik, even als bij onze oude schilders, één zelfde geliefde figuur weder: de figuur vanRob. Hij was bij alles tegenwoordig; zijn snakerig gezicht stak overal door de een of andere opening: zijn stem klonk door alle zuchten en tranen heen:Du courage! Du courage!Les amis sont toujours là !De goedeRob! Ik heb nooit geweten, dat hij zoo zacht en week was. Maar als ik nu zie, hoe hij onder alle omstandigheden met mij heeft omgesprongen, vind ik daarin een gevoeligheid van ziel, die mij treft. Nergens een hard oor of een hard hart; maar overal een Jobs-geduld om mijn klachten aan te hooren, en een Jobs-gemoed om in mijn smart te deelen. Het is waar; hij gaf mij daarin nooit toe, noch kwam op den slijkhoop naast mij zitten, om de tweede partij van mijn Ach! en Wee! te zingen. Maar hij viel er ook niet met een onbarmhartig Ai! en Foei! tusschen. Hij versnelde de maat alleen een weinig, en zette het motief, dat hij trouw behield, eenvoudig wat luchtiger om. Eer ik er om dacht, had hij het sleependemaestosoin een deftigmoderatoveranderd. Van waar had de jongen dat verstand? ik weet het niet; maar nu, van achteren beschouwd, kan ik het niet dan met verwondering zien, hoe veel oordeel en levenswijsheid hij daarbij heeft aan den dag gelegd. O, nooit kan ik het genoeg erkennen, wat hij voor mij geweest is; de natuur had hem naast mij geplaatst, om, als een koperen naast een dunner snaar, mijn toon te steunen en te versterken. Als hij er niet geweest was, die toon ware lang valsch en ontstemd geworden, en de speler had mij als een onbruikbaar vod kunnen wegwerpen. Nu kan ik het des noods zonder u stellen, mijn trouwe bas, mijn tweelingsbroeder ROB.Is dat alles één mensch? Zoo vroeg ik verwonderd, wanneer ik soms een van mijn eerste naast een van mijn laatste brieven leide; ik had moeite het mij te overreden. Maar een oog op de verschillende trappen geslagen, die ik langs was geklommen, benam mij welhaast mijn bevreemding. Hoe langzaam en regelmatig is die overgang! niet ongelijk aan de beweging van onze aarde, die in vierentwintig uren toch ook een geheele wenteling om de spil maakt, zonder dat wij er evenwel iets van bemerken. Het is zonderling en treffend, die ontwikkeling na te gaan. Men lacht zoo dikwijls met dat spreekwoord:Een mensch verandert om de zeven jaar. Maar, naar mijn inzien,ligter een ware en diepe les in. Wie er om spotte, ik neem het alsthesisover en ben bereid diepublice etsolemniterte verdedigen.[81]Willen wij een proef nemen?1–7. Het kind in de kinderkamer.7–14. Gij zult erkennen, dat de jongen op de speelplaats een geheel ander wezen is. Ik ten minste zie kans u, na zeven jaar, het eene kind voor het andere in de hand te stoppen.14–21. Waar vindt gij nu den knaap in den jongeling? den woeligen, dartelen schalk in den peinzenden, verliefden Dichter?21–28. Hier hebt gij den overgang uit het dichterlijke in het wezenlijke leven: de eerste en heiligste verbintenis, de eerste vadervreugde. Wat dunkt u? de jongeling, met zijn armen uitgestrekt om de wereld aan zijn boezem te drukken, en de echtgenoot en vader, die niet weet hoe hij zijn armen eng genoeg om vrouw en kind klemmen zal,—zijn dat geen twee verschillende wezens?28–35. Nu worden zeker de overgangen minder scherp, maar evenwel blijven ze voor het fijne oog toch nog merkbaar genoeg. Nu maakt zich de eerzucht meester van het hart, waarin tot dusverre bijna alleen de liefde heerschte; de huiselijke kring wordt te nauw: men breidt zich naar buiten uit; men wil meê de hand aan ’t roer hebben. NB. De zon, die bij hare daging rozerood was, begint gedurig meer naar het goudkleurige te trekken.35–41. Zij is heel en al geel! de hebzucht is bij de eerzucht gekomen. Men heeft een grooten staat te voeren; men heeft zoons te plaatsen, dochters uit te huwelijken; men begeert zich door zijn kinderen, en zijn kinderen door zich te verheffen.42–49. Men heeft de gewenschte hoogte bereikt en geniet de gemaakte veroveringen. Men is buiten geëerd door het publiek, en binnen gelukkig in zijn betrekkingen. Men krijgt een onderkin en staat als peter over zijn kleinkinderen.49–56. Men vangt aan zich terug te trekken. Men ziet zijn vrienden sterven en begint naar rust te verlangen. Men bedankt voor alle lastposten en houdtalleende winstgevende aan.56–63. Men ziet in ’t geheel geen menschen meer; men wandelt veel en gaat trouw te kerk; men wordt hypochonder en neemt een lijfmedicus aan.63–70. Men begint zich gereed te maken voor de afreis. De rekening courant wordt opgemaakt, de overbodige lading over boord geworpen en stichtelijke artikels ingenomen.70–77. Men sterft, natuurlijk als men niet eer gestorven is.Ziedaar in eenige groote trekken de voornaamstenuancesopgegeven, die toch kennelijk genoeg van elkander onderscheiden zijn. En niemand meene, dat ik hem met deze beschrijving heb willen veroordeelen. Geen gedachte is verder van mij. Integendeel, zóó of zóó omtrent moet het gaan, indien alles wel zal gaan. Zóó moet men, als de zon, achtervolgens de verschillende teekens van zijn aardschen dierenriem doorloopen, en nu eens, in het teeken van Leeuw en Ram, zijn jongelingskracht in tegenstand tegen de wereld oefenen; dan in het[82]teeken van Maagd en Waterman, zijn minneleed beschreien; dan, in het teeken van Weegschaal en Schutter, mannelijk oordeel met mannelijke vaardigheid leeren paren, om ten laatste, in het teeken van Kreeft en Visschen gekomen, zijn vaart te vertragen, en zachtkens een weg ten einde te brengen, dien men met zoo veel vuur en geestdrift is opgestreefd.Dat is de orde en de wet der natuur, en ongelukkig, die haar wil omkeeren; hij wordt voor zichzelven even ellendig als nutteloos voor anderen. Er is een tijd van bloei, een tijd van dracht en een tijd van verval; die tijdperken moeten elkander vervangen, zonder op malkaârs grondgebied te treden. Ik wil kleur in de lente, geur in den zomer, en vrucht in het najaar. Eerst groen en wit, dan blauw en rood, dan geel en bruin. Zoo was het bijRob. Hij was altijd gelijk met de verschillende saizoenen: als men dacht, nu moet er haast dit of dat komen, dan kwam het ook. Hij was geen broeiplant, die zijn roode vruchten tusschen de sneeuw droeg, en even weinig een ziekelijke nablijver, die met zijn zure vruchten aankwam, als men hem al vergeten had; hij was een gezonde klant, die zoo precies op zijn tijd paste als de zon zelve. Ik moet bekennen, dat hij mijn traagheid wel eens heeft moeten voortduwen: „Toe dan,Jonathan! maak voort, jongen! waarblijf jedan?†en dan kwam hij als een moreleDonAntonio Maginomet zijn weêrtafel, en wees mij: „heden zonneschijn en mooi weer†of als een Tuinmans-Almanak: „heden deze of die vrucht!†en als die dan zoo spoedig niet uit den dop wou vallen, dan draaide hij mij een weinigje in de zon en was niet tevreden, eer ik mijncontingentgeleverd had. Mijn goedeRob! Wie zal nu het oog over mij houden?Gij maakt daarom uit het gezegde toch niet op, dat Rob een zoogenaamdsolidemensch was, die op zijn valhoed reeds met de kroon der zeven Grieksche wijzen liep, uit zijn tafelstoel les gaf over de differentiaal-rekening, en bij zijn opgeworpen bal de nuttigheid van laag gooien en dikwijls vangen betoogde. Gij zoudt u bedriegen. Daarvoor was hij veel te veel in de natuur. Neen, hij geloofde wel degelijk, even als ik, dat er een jeugd aan den mannelijken leeftijd, een tijdperk van bloei aan dat van vruchtbaarheid moet vooraf gaan. Ik zet het u, van die vroegrijpe menschen een mensch te maken als mijn Rob! Er moet in den jongen mensch wat overvloed van leven zijn. Als de kunstenaar een beeld wil gaan houwen, dan neemt hij geen blok, dat juist zoo groot is als het beeld, dat hij maken wil, maar hij neemt een vierkanten klomp, waar de ruwe kanten nog aan zitten. Daar zit dan het beeld, dat er uit moet komen, wel in, maar eerst moet de buitenste schors wegvallen. Ha! hoe er dan onder zijn krachtigen beitel de stukken afvliegen! hoe het beeld overal het marmer pijnlijk van het lijf wordtgescheurd! het zucht onder de ruwe slagen van zijn formeerder! maar let op! daar beginnen de houwen reeds af te nemen; telkens valt het wapen zachter neder; heerlijk komt het[83]beeld uit zijn ruw omkleedsel te voorschijn! Nu worden nog de laatste scherpe hoeken en kanten afgeslepen, geëffend en gerond, de proportiën gedeeld en de lijnen gebogen. Daar staat nu de koningsgestalte, glad als ijs en zacht als satijn! Dat is beeldhouwen! dat is menschen-formeren!Wilt gij hooren wat er de Wijze vanBayreuthvan zegt?Gij lieden wilt derhalve reeds bij den aanvang datgene krachteloos te velde doen trekken, hetwelk door den tijd en de wereld buitendien toch genoeg wordt ontzenuwd? Wat is al de winst, die de jongeling uit het vermijden van eenige mispassen en verkeerde inzagen trekt, gerekend tegen het ontzettend verlies, hierin gelegen, dat hij, zonder het heilige vuur der jeugd, zonder vleugels, zonder groote plannen, met één woord, zoo naakt het enge leven inkruipt als de meeste het uitkruipen? Hoe kan zonder den idealengloed der jeugd het leven tot rijpheid komen, of de wijnstok zonder den gloed der oogstmaand? Het schoonste, hetwelk door de menschen verricht werd, al ware het ook in hun koude jaarsaizoen, was nimmer iets anders, dan de slechts laat opkomende zaadkorrel, die door den boom des levens in het paradijs was voortgebracht. Of zaagt gijlieden nooit, hoe een mensch door eenig goddelijk beeld uit zijn jeugd, het geheele leven door, bestuurd en geleid werd?—En wat toch wilt gij in de plaats geven van dit leidende wagengestarnte?—wat anders dan den broodwagen der schrandere eigenbaat?Touchez là , mon ami!Dat is naar mijn hart gesproken. Zoo mag ik het hooren van iemand, wiens wijsgeerige geest hem boven de verdenking verheft, waaronder ik lig, van somtijds met molentjes te loopen. Sterk door uwe goedkeuring verhef ik mij dus moedigtegenhet kwaadwillig oog van zoo velen, die mij, om deze kruisvaart tegen den kunst-ouderdom, dien men den kinderen, even als de koepokken, wil inenten, voor een Socratischen jeugdbederver houden. En zoo dacht ook mijn vriend Rob, die mede een vriend van u was. Hij had een ingeroesten haat tegen de gepoeierde kinderknikkers en gewapende kinderdijtjes van vóór vijftig jaren! een jong mensch, die niet hooger zag dan zijn hoofd en niet verder reikte dan zijn armen, was hem een walg. Hij verlangde daarom niet, dat men juist tegen de maan stond te grijnen, en nooit dan met een natten neus naar de sterren keek. Zijn jongelings-geestdrift openbaarde zich geheel anders; zij ademde dienzelfden geest van losheid en vroolijkheid, die zijn geheel wezen kenmerkte. Hij kon in zijn dartele buien met de maan omspringen, als droeg hij ze, even als de tooneelspeler inShakespeare’sMidsummernights-dream, lantarensgewijze onder den arm en met de sterren leven als de Koningin der Nacht in deTooverfluit, die ze alspaillettenop haar zwarte japon draagt. Maar in die scherts lag daarom niettemin het geloof aan een hoogere wereld en het gevoel van behoefte daaraan. Als hij over de vele woningen, die de groote stad, welke wij Heelal noemen, vervullen, met zulk een[84]gemeenzame vertrouwelijkheid sprak, en dan, met zijn geest door al die geheimzinnige lichtpaden dwalende, liep raden, waar hij zijn huis vinden moest.…! maar ik zie er van af om er u eenig denkbeeld van te geven: gij hadt hem zelven moeten hooren! Zijn uitvallen waren van die, die men alleen met een gesternden hemel boven zich herhalen kan. Vraag er mij eens naar, als wij ooit samen op zulk een tooneel staan. Genoeg, dat het hem aan geen sentimentaliteit ontbrak. Er lag in zijn Zomernachts-droomen, onder den schertsenden toon waarin hij ze voordroeg, een diepe en verheven zin van heimwee en godvrucht, of, zoo als hij liefst zeide, omdat dit woord den geheelen geest van zijn vroomheid uitdrukte,Godzaligheid! Het gebeurde somtijds, dat ik daarbij geen lichten glimlach van mijn lippen weren kon, maar nooit, dat niet de tranen des innigsten gevoels zich naar mijn oog drongen! Geen woorden kunnen uitspreken, wat wij ontwaarden, als wij na zulk een hemelwandeling elkaâr de hand drukten.—Hoe zult gij nu wandelen,Rob!Vraagt ge dus, of ik alles, wat ik daar geschreven voor mij vind, nog met baat en schade op mijn tegenwoordige rekening zou willen overnemen, de goede Hemel beware mij! dat ware de paarden achter den wagen gespannen. Maar vraagt ge aan den anderen kant, of ik met hoogmoed en medelijden op die uitboezemingen van jeugdig gevoel en overvloeiend leven neêrzie, ook dit ontken ik volstrektelijk. De mensch had beter kunnen zijn, maar wat den weg betreft, dien hij gevolgd is, ben ik nog zoo ontevreden niet. Het is waar, dat er menige uitbarsting van dwaas jongelingsgevoel onder doorloopt. Te droes, hoe zoudt gij lachen, als ik die oude doos eens opendekte. Wat zou er al niet voor den dag komen! Welk een menigte van werelden en zonnestelsels! welk een drom van engelen en aartsengelen! welk een stoet van droombeelden in volle kostuum, met een zon op de borst, een halve maan op den tulband en een borduursel van sterren rondom den mantel! Welk een rommel van zangen, geuren, klanken, en wat verder zou worden te voorschijn gebracht! En toch schitterden er soms door dien verwarden hoop vonken van nuchter oordeel. Van dien aard zijn bij voorbeeld de volgende losse spreuken, die ik nog niet terugneem.Het is een schoon geloof, dat de Egyptenaars hunne graven met pyramiden deed dekken: geloof aan de Toekomst. Maar schooner nog is het geloof der Christenen, die hun grafheuvels met een houten kruis versieren: geloof aan de Onsterfelijkheid. Even zoo was er iets treffends in de gewoonte der eersten om hunne lijken te balsemen; maar dat wij ze niet balsemen, is treffender, wetende dat de Engel der opstanding uit verderf onverderfelijkheid scheppen zal.Geven en ontvangen is als de regen. Dezelfde regen, die frischheid aan de aarde geeft, geeft helderheid aan den hemel.[85]Als de vrucht zich gaat zetten, valt de bloesem af. Zoo ook met ons. Wij beginnen geen vrucht te dragen, eer de bloesems der jeugd verstrooid zijn.Voor sommige menschen is het leven een vastland, geheel aarde; dat zijn de aardsgezinden. Voor anderen een eiland, geheel zee, buiten verband met iets rondom of boven zich; dat zijn de egoïsten. Voor anderen een landtong tusschen den oceaan van twee eeuwigheden; dat zijn de ongeloovigen. Voor sommigen eindelijk eenBethel, door een ladder met den hemel verbonden; dat zijn de vromen.Men begeert zich met het geluk als met een gouden keten te versieren, en bedenkt niet, dat het slechts een gulden ader is, die door den zandgrond onzes levens loopt: het geluk is geen kleed, door anderen vervaardigd, dat men slechts heeft om te slaan; het is een zijden huis, als dat der wormen, uit onzen eigen boezem uitgesponnen.Betrekkingen zijn voor den mensch op aarde, wat de aardkluit, die met de bloem verplant wordt, voor deze is; zij doen hem vergeten, dat hij hier niet te huis behoort.Die een leven vol weldaden achter zich laat, vindt, even als klein Duimpje in de fabel, teruggaande, het spoor der uitgestrooide broodkruimen verdwenen. Alleen de beleedigingen blijven, even als de steentjes van den houthakkersknaap, getrouw liggen.De mensch wordt dikwijls wijs ten nadeele van zijn geloof. Het was een schoone onkunde, die den schepeling naar den hemel deed opzien, om er de star te zoeken, die zijn tocht regelde; nu heeft men het kompas, met andere woorden, men heeft den hemel niet meer noodig.Onlangs zag ik een kind, dat gedurig beproefde een ladder met de handen rechtop te plaatsen om er vervolgens op te klimmen. Natuurlijk sloeg de ladder telkens tegen den grond. „Jantje!†zei de vader, „gij moest dat laten! Ziet gij niet, dat gij u zelven niet houden kunt?†en daarop ging hij bedaardelijk voort met mij te betoogen, dat in zaken van godsdienst de rede volkomen voldoende was.Iemand, die louter godgeleerde is, ziet den hemel achter, de vrome vóór zich; de eerste ziet het kruis alleen in den Bijbel, de laatste, even alsKonstanstijn, in de wolken. De vrome staat tot den godgeleerde als een inboorling, die de taal des lands van kindsbeen af gesproken heeft tot een vreemde, die haar spraakkunstig heeft moeten aanleeren. Nu kan de vreemde de gronden van zulk een taal wel beter kennen, maar de inboorling verstaat en spreekt haar toch beter.[86]Het leven is als de hooge bergen: slechts aan den voet groeien bloemen.Hartstocht is zwakheid; daarom bemint de vrouw meer dan de man.De kritiek handelt met de geniën, even als de oude Schrijver van het Scheppingsverhaal met de hemelbollen; zij meent, dat de werelden des dichters om haar geschapen zijn.Zucht naar meerdere volkomenheid; ziedaar de ware behaagzucht.De verborgenheden Gods zijn even als de vlekken in den Melkweg; de gewone mensch ziet ze voor vlekken aan, en de sterrekundige vindt er bij onderzoek nieuwe wereldstelsels in.Schoonheid is voor den man een feest-, voor de vrouw een bruiloftskleed.Ware liefde ontleent, even als de moederliefde, kracht uit smart.Sommige menschen schijnen geboren omgelukkigte wezen: ze zien slechts licht en helderheid voor zich, en wanneer er als soms donkerheid op hen daalt, sluiten zij er de oogen voor, zoo als sommige bloemen zich ’s avonds sluiten, en eerst weêr opengaan als de morgen daagt.Trouw is het geheugen van een beminnend hart.De ware proefsteen der menschelijke deugd is detoetssteen, die zijn graf bedekt.De aardsgezinde is als regen, die één wordt met den grond, waarop hij neêrzijgt; de betere mensch verkeert op aarde als de sneeuw, die waar zij valt, den grond verzilvert.De schrijver kieze zich een geheel volk ten voorwerp zijner bemoeiingen, doch wachte zijn geluk alleen van zijn huiselijken kring. Maar daarom heeft dan ook zijn gezin een gewichtige taak te vervullen: van wege de goeden heeft het in last hem de liefde te bewijzen, die zij hem niet bewijzen kunnen; van wege de kwaden heeft het de zending, hem de bitterheid te vergoeden, die zij hem aandoen. Wee hem, als ook deze steun hem ontvalt: de Dertigen buiten, en Xantippe in huis!Rampen zijn den vrome even als hagelsteenen, die dreigend neervallen, maar die de aarde als heilzaam vocht in haar schoot opneemt.[87]Voor sommigen is de kruisberg een goudmijn: dat zijn de priesters. Voor anderen is hij deHelicon; dat zijn de geleerden. Voor anderen is hij de berg des Heeren: dat zijn de vromen. Voor anderen eindelijk is hij niets dan een berg: dat zijn de ongeloovigen.Ziet gij? deze losse gedachten, en nog veel meer andere van denzelfden aard, kan ik thans nog overnemen, zonder dat ik ze in mijn tegenwoordigen leeftijd en op mijn tegenwoordig standpunt behoef te verloochenen. Maar ik beken, dat daartegen menige bladzijde overstaat, die ik voor geen lief ding onder het oog van mijn deftigen lezer zou durven brengen. Ja, zal ik het bekennen! toen ik daar die brieven zoo zat te doorbladeren, verheugde ik mij, dat ze, door de kiesche beschikking vanRob, in mijne, en niet in een anders handen geraakt waren.En toen kwam ’t mij op eens met schrik in de gedachte, dat Rob niet de eenige is, die zulke brieven van mij ontvangen heeft.Wel, wel,dacht ik, indien het nu een van mijn vroegere Correspondenten eens inviel, al mijn brieven nog eens in te zien, hoe zal hij om de droomerijen van den kinderachtigenJonathanlachen! Hij is in staat mij in alle deftigheid voor een dwaas uit te maken. Wilt gij het gelooven? Dit denkbeeld greep mij met zulk een siddering aan, dat ik terstond op een middel begon te denken om hem tot betere gedachten omtrent mij te brengen. En waar vond ik dit eindelijk? In eenCirculaireaan al de vrienden, die ik hier plaatsen zal, hopende dat zij hun aldus onder de oogen mogen komen.(Met uw verlof, waarde Lezer, die niet tot dit getal behoort!)Mijnheer en Vriend!Daar de correspondentie, die ik vroeger de eer had met u te houden, sedert is afgebroken, ben ik zoo vrij mij langs dezen weg tot u te wenden. Het zou namelijk kunnen gebeuren, dat UEd.mijn brieven van vroegeren tijd—bijv. bij gelegenheid van het beplakken van een nieuw te behangen kamer, of dergelijke—nog eens onder de oogen kreeg. In dat geval zou ik reden hebben, mij voor UEd. te schamen. Want ik meen wel te weten, dat er in die brieven meer dwaasheden gevonden worden, dan met uw verstand en soliditeit strooken. Maar met uw verlof zou ik gaarne zien, dat UEd. daarnaar ook mijn verstand en soliditeit niet beoordeelde. Want, als het niet te onbescheiden is mijzelven te prijzen, mag ik wel zeggen, dat ik een geheel ander mensch geworden ben, en ofschoon niet volkomen zoo degelijk als UEd., toch strevende om UEd. daarin meer en meer nabij te komen. UEd. gelieve alleen te weten, dat ik tegenwoordig voor mijn correspondentie even zoowel mijn liassen heb met opschriften als:Rekeningen,kwitantiën,brieven, enz. als UEd. in uw kantoor. Zoodat UEd. ziet dat ik nu een bedaard en deftig burger ben. Indien UEd. dus[88]de goedheid wilde hebben, die bewuste brieven eens voor goed te verbranden? Doch al mocht UEd. daarin (uit zuinigheid) bezwaar vinden, hoop ik nogtans, dat UEd. na de gegeven inlichting, mij omtrent het bewuste artikel van uw oordeel over mijn verstand wel te wille zal willen zijn. In welke verwachting ik de eer heb met de meeste achting te zijn,Mijnheer en vriend,UEd. gehoorzame Dienaar en VriendJonathan,Zie zoo! Dat zou Rob nog goed doen, als hij het las! De arme Rob, hij zal het niet lezen! en hij zal het niet zien ook, hoe ik langzamerhand al verstandiger en verstandiger zal worden, zoodat ik eindelijk op den stroom der wereldsche dingen zal drijven als een pluim, hop-hop, van boven naar beneden, zoo als het de golven belieft. Dat zal het toppunt van mijn glorie zijn—en van de zijne ook. Want als ik ooit zoo ver kom, moet ik zeggen dat er hem de grootste eer van toekomt. Wat zal hij dan verwonderd opkijken, als hij mij weêr ziet! Hij zal zijn eigenJonathanniet meer kennen.—Wat heb ik gezegd,Rob? Neen, de menigte moge van mij zeggen: „Wat is MijnheerJonathanveranderd! hij is nu de ordelijkste man, die men zien kan!—†maar voor u, mijn vriend, verander ik niet. Is het niet zoo? Boven is een jong hart geen contrabande?Geen antwoord!Anders kreeg ik altijd antwoord.Foei mij!… goed datRoberthet niet ziet.Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten,—luidt het zoo niet? Welnu wat tob ik dan? Lig daar, mijn legaat! Gij zoudt mij week maken. Ik wil aan ’t werk. „Jongen,†zei Rob mij wel eens: „Wat zijn de menschen toch dwaas. Zij roepen om den hemel, en loopen er zoo hard van daan als zij kunnen. Wilt gij er heen, maak dan, dat gij hier beneden gedaan krijgt.Vandaagklaar, morgen t’huis; dat gaat vast! Er is geen accurater beurtman, dan de Snelheid, KapiteinMors.—Welaan dan! aan ’t werk. Zoo hoop ik welhaast mijn goeden vriend na te kunnen zeggen: Alles klaar! en dan—dan is er een einde aan mijn klacht:„Mijn goede vriendRob, hij is dood!â€[89]
Mijn arme vriendRob, hij is dood!
De goede jongen! Of hij stervend nog tegen den dood zal gelachen hebben, gelijk hij altijd zeide, dat hij doen zou? Zeker, vriendHein! gij zijt een ijzegrim, als gij er niets van gevoeld hebt, toen gij dezen eerlijken, trouwen knaap den hals braakt. Zulk graan krijgt gij zelden onder uw zeis. Mijn armevriendRob, hij is dood!
Grooter snaak dan hij liep er niet. Gelijk sommige menschen veel hebben van een gestolden traan, was zijn voorkomen een onophoudelijke glimlach. Hij ging de wereld door als een vroolijk kind, schertsende en grappenmakende: reeds toen ik met hem school ging, was hij de vreugde van al de jongens. Als zijRobmaar zagen, begonnen zij reeds te lachen; zelfs de meester kon het niet tegen hem uithouden, maar schoof van vroolijkheid zijn pruik op één oor, als hij recht aan den gang was. Ofschoon hij de eene dwaasheid na de andere uitvoerde, geloof ik niet, dat hij ooit iemand ernstig boos gemaakt heeft. Hij was als Arlequin; ieder kreeg slaag van hem; maar het was een houten zwaard, dat hij zwaaide! en een zwaard daarenboven, dat als een tooverstaf, de macht had om slapenden wakker en treurenden vroolijk te maken. En toch, toen hij de school verliet, schreiden allen; ofschoon hij allerlei bokkesprongen maakte om zich zelven en de anderen op te vroolijken. Zoo was hij altijd. Hij kon geen tranen zien, of hij moest ze wegschertsen. Ik ben zeker, dat hij zijn ziekenoppasser meermalen aan ’t lachen gemaakt heeft. ArmeRob! Nu moet hij ze laten uitweenen.
O, ik had hem zoo lief! zoodra wij elkander op de school ontmoetten, werden wij vrienden. Hoe, begreep niemand. Want ofschoon ik toen nog zoo bleek en strak niet zag als nu, was ik toch lang geen blozende lachebek gelijk hij. Maar ik geloof, dat hij al dadelijk aan mij zag, dat ik het rechte wild voor hen was. Want hij was geen van die grappenmakers, die alleen aardig zijn onder huns gelijken: hoe treuriger hoe liever; des te meer eer was er aan te behalen. Of laat ik liever zeggen, zijn goed hart gebood hem het eerst dezulken op te zoeken, die hij begreep dat aan een opgeruimd woord de meeste behoefte hadden. Hij beschouwde het vervroolijken van anderen als een soort van bestemming voor hem.[75]Geen aanleg hebbende om te weenen met de weenenden, zocht hij weenenden met zich blij te maken. Daarbij ging hij evenwel niet zoo te werk, dat hij zijn narrebellen aan ieder rouwfloers bond. Als bij instinkt wist hij te raden, waar zijn luim op de smart schipbreuk zou lijden; en dan kon hij tot zichzelven, als tot een speelschen hond, die tegen iedereen opspringt, zeggen: „Stil,Rob!stil jongen!†en dan wasRobzoo stil als een muis! of zoo hij sprak, het was met een enkel woord van diep gevoel, zoo als men nooit van zijn dartele lippen zou verwacht hebben. Is het niet vreemd? terwijl niemand mij beter aan ’t lachen kon maken, schreide ik om niemand eerder, dan omRob!
Maar ik heb niet dikwijls om hem geschreid. Duizendmaal meer heb ik om hem gelachen. Nauwelijks ging de school uit, of hij pakte mij onder den arm; dan volgde de eene kwinkslag op den anderen, zoodat ik dikwijls, als ik thuis kwam, niet tot mijzelven kon komen; en toch was hij zoo zacht voor den weemoed, waartoe ik reeds als knaap en jongeling neigde. Dit kwam daaruit voort, dat hij er zelf niet vrij van was. De grondtonen onzer ziel klonken gelijk, maar wij droegen ons leed anders. Terwijl ik in mijn kooi zat te kirren als een tortel, met een lang uitgehaald: koe-ke-roe-oe!—zat hij, ofschoon even zoo goed gevangen als ik, tegenover mij in zijn kevie te zingen als een kanarievogel. Met iedere smart, die ik hem als een harde noot te kraken gaf, sprong hij om als Jocko: krak-krak! had hij haar stuk, hij wierp mij de schellen naar den kop, en peuzelde de zoete kern, die hij er uithaalde, met een vergenoegd gezicht op. Men zegt vanRubbens(als ik wel heb), dat men nooit vier of vijf schreefjes zoo plaatsen kon, of hij maakte er een menschengezicht van. Welnu, zoo kwam hem geen smartelijke trek voor of, kriskras! had hij hem in een glimlach veranderd, zonder iets uitgewischt te hebben. O, het is niet moeielijk, dissonnanten te overschreeuwen: dat kan ieder; maar ze op te lossen, dat is de kunst! en dat kon mijn vriendRob.
Hij had geen gelukkig lot in de wereld. Een arme moeder, waarvoor hij te zorgen had, bij geringe verdiensten. Maar dit maakte hem nooit treurig; hij kon zijn droog brood met zulk een goede gratie eten, dat gij aan zijn gezicht zoudt gezegd hebben dat hij een reeboutje kloof. „Vroolijkheid, jongen!†kon hij wel tegen mij zeggen, „is de beste kruiddoos.†Daarbij kwam, dat hij een voorgevoel had, dat hij niet oud zou worden. Dus moest hij zorgen in de voorbaat te zijn, om zijn moeder niet hulpeloos achter te laten. „Gij zult het wel zien,†zeide hij,„Robloopt niet lang. De zwarte man mag hem niet lijden. Ik maak het hier de menschen veel te pleizierig. Nu laat hem komen! ik zal hem in zijn gezicht uitlachen, of mijn naam is geenRob!â€
„Daar hebben we ’t al!†schreef hij onlangs. „Jonathan, ik lig er voor; de magere man heeft mijn vet al beet, en zal nu aan de beenders gaan. Kom mij nog eens zien, als gij kunt. Ik wil den Dood al mijn vrienden presenteeren; dan kan hij van nijd vergaan, dat hij er zoo veel niet heeft.â€[76]
P.S. „Kom gauw, want hij wacht niet.â€
Ik kwam. Daar lag hij, de armeRob! bleek als de dood, en mager als een geraamte.
„Welkom!†juichte hij met een gebroken stem tegen. „Neem mij niet kwalijk, dat ik u zoo familiaar in mijn beendernegligéontvang, mijn vleeschrok1is bij den snijder om te vermaken.†Zoo schertste hij voort met woorden vol diepen zin en aandoenlijken luim.
„Schrei zoo niet!†zeide hij, terwijl ik in tranen stikte. „Gij maakt mijn vleugels nat, en ik zal straks niet kunnen vliegen.—Goeden nacht!†riep hij mij na, toen ik mij in stomme smart van zijn leger losrukte. „Wat vroolijker gezicht, als ik u weêrzie, hoor!â€
Gister morgen kreeg ik de tijding van zijn dood. Hij had tot zijn jongste oogenblikken zijn bewustheid en dezelfde stemming van geest behouden. „Alles klaar!†was zijn laatste woord. Wat zullen er toen veel tranen op het vroolijkste gezicht der wereld gestort zijn.Alas, poorRob!
Wie zal ons nu troosten? Het ongelukkigste is, datRoballeen voor zulk een ramp raad had geweten. Ja, dat is het ergste; nooit is men troosteloozer dan bij den dood van hen, die ons het besthaddenkunnen troosten. Als niets mij bemoedigen kon, had Rob altijd nog een paar woorden achter de hand. Maar nu hij dood is…. ik zal naar zijn graf gaan, en zien of ik daar baat kan vinden; de vrome ziel kon zelf op een graf zoo vroolijk lachen. „Onder het lamfer,†placht hij te zeggen, „behoort een gezicht vanJean qui pleure et Jean qui rit. Voor ieder, die gaat en die blijft, de helft.†Ach, ik zal het nooit leeren.
Te gelijk met zijn doodbericht ontving ik het legaat, mij door hem gemaakt. Het zijn de brieven, die ik hem op onderscheidene tijden geschreven heb. Deze heeft hij in een groot pak gesloten, en zijn moeder verzocht ze mij na zijn dood terug te zenden.
Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten.Zoo luidt het opschrift, dat hij er met eigen hand op geplaatst heeft. Ziedaar Rob geheel! nooit was er vroolijker godsvrucht, dan de zijne. Hij sprak van den hemel, zooals een kind er van spreekt, als of het alleen een hoogere verdieping van onze tegenwoordige woning was. Hij had niets van sommige menschen, die nooit het woord dood of eeuwigheid in den mond nemen, zonder eerst een benauwd gezicht te zetten, een hangenden lip te trekken, en hun stem zoo diep als zij kunnen uit hun onderbuik te doen opkomen. Dezulken spreken van den hemel met een gelaat, dat men er bang van wordt. Niet aldus mijn vriendRob. Midden in zijn grappigste scherts kon hij op eens aan zijn woorden een luimig-verheven wending geven, die u in het hart greep; maar in hetzelfde oogenblik was hij, als een eekhorentje,[77]dat langs een hoogen boom op en neder klautert, reeds weder beneden, en sprong u om de beenen. Met den dood was hij zoo familiaar als met zijn eigen geraamte. Hij kon sermoenen tegen hem houden, dat u de tranen over de wangen liepen. Dat noemde hij zijn gymnastische oefeningen om langs zijn ribben naar boven te leeren klimmen. „Och,†zei hij, „het geheele leven is niets dan een groote mastklimmerij; boven hangen de prijzen: beneden staan wij jongens te gapen. Het komt maar op het durven aan; één goede zet, en men is er! drommels, als de paal maar zoo glad niet was!â€â€”Maar gij zijt er nu toch, goedeRob! en uw prijs zal niet van de minste wezen.
Ik dacht gister het lijkfeest van mijn vriend niet beter te kunnen vieren, dan door den ganschen dag aan het lezen van zijn Correspondentie te wijden. Ik rangschikte al de brieven, over en weêr geschreven, bij elkander, en had dus bijna de geheele geschiedenis voor mij. Dat was een aandoenlijke lektuur. Nooit had ik ROB zoo lief als gister; nooit voelde ik zijn waarde beter; hij won zeer bij de proef, die anders zoo hachelijk is, van op eens in zijn geheel gezien te worden. De meeste menschen, aldus opgezet, zouden al een vrij wonderlijk misgewas vormen. Bij menigeen zou het eene been het andere verloochenen, en de eene arm de anderen parodieeren. Geheel anders bijRob! Zijn geheele zedelijke gestalte was fiksch en frisch uit de kluiten gewassen, en droeg alles op de rechte plaats. Niets versteld of bedorven door ontijdige rijpheid of tragen groei, maar een geregelde en gelijkmatige ontwikkeling van kind tot knaap, van knaap tot jongeling, van jongeling tot man. Zijn hart had alle graden doorgeloopen, even als een soldaat van verdienste bij dearmée. Van daar was zijn gansche morele constitutie zoo gezond; zijn leven had niets van een verknoeide teekening, waarin de gom-elastiek beurt gehouden heeft met het zwart-krijt, en waaraan meer tijd is zoek gebracht met uitwisschen, dan met teekenen. Wat er stond, dat stond er, en dat stond er goed. Bij hem schreide de dag van heden niet over den dag van gister, noch verzamelde dampen voor den dag van morgen; maar de maandag gaf de hand aan den zondag, en de dinsdag aan den maandag. Toen ik dat zoo zag, werd ik bewogen bij de gedachte aan zijn afsterven. Het is jammer, weêrgaloos jammer, dat de Dood dit drama gestoord en de gordijn heeft doen vallen eer het was afgespeeld; er moesten nog zulke treffende passages komen. Mijn goedeRob! ik had u nog zoo gaarne eens alspère noblegezien! en, indien ikhethad mogen beleven, welk een beminnelijke vertooning zoudt gij als grijskop gemaakt hebben! Mij dunkt, ik zie u met een krans van jeugdige vroolijkheid om het rimpelig hoofd; met een vergenoegd lachje op de dorre wang, als een zonnestraal op herfstloover; met een schat van wijsheid verrijkt, als een honingkorf in den winter. Ja, een honingkorf! dat zoudt ge geweest zijn. Uw ondervinding zou niet, als bij zoo velen, zoete druiven in zure eek veranderd, maar uit de bloemen op uw levensweg enkel zoetheid gepuurd hebben: Gij hadt altijd een afkeer van menschen wier[78]ervaring het zure opschriftwinazijnmakerijaan het hoofd droeg. Gij, integendeel, zoudt uw vreugd genoten hebben als een Epicurist zijn wijn; hoe ouder, hoe beter. Ik vooral,Rob, ik had u zoo noodig gehad. Gij hadt voor mij de zware slippen van den rouwmantel, dien rijper leeftijd den menschen telkens om de schouderen hangt, (oude menschen zijn ongequalificeerde noodigers ter begrafenis) moeten ophouden. Gij hadt, als de komiek in de stukken vanKotzebue, met uw onschuldige scherts mijn treurige tooneelen moeten opvroolijken. Gij hadt mij moeten leeren, van mijn oudemans-stokje een zotskolf te snijden, om die den Dood als een duivelbannend teeken voor te houden.HeraclietenDemocriet—zoo zouden wij oudjes arm in arm het laatste eindje van onzen weg gegaan zijn, en malkaâr zachtjes de grafhelling hebben afgeholpen. Maar gij hebt mij leelijk laten zitten, met zoo hals over kop—daar gaat hij!—in de diepte te springen. Nu sta ik er alleen voor; en of ik nu, met onzen vriend uitBayreuth, den Dood al toeroep: „Schud maar toe, schud maar toe! dan kom ik bij mijn bravenRob!†het baat niet.—JongenRob! dat is een leelijke streek van u, zoo maar zonder waarschuwen heen te gaan, en mij met den boel te laten zitten. Daar zal iets over moeten vallen, als ik u weêrzie!
Maar wat beschuldig ik u, eerlijke knaap! als of gij er schuld aan hadt? Neen, in u viel het nooit, uw vrienden in verlegenheid achter te laten; had het aan u gelegen, gij, goede ziel, gij hadt ons allen wel laten voorgaan, en gaarne de moeite genomen om, als de laatste van allen, de deur te sluiten. Maar de dood riep u op:en avant seul; en met onwillige kooten volgdet gij en danstet uwpas seul, terwijl gij ons op onze plaats moest achterlaten. En nu ben ik zeker, dat gij den dood nog wel eens een goed oog geeft om ons ook te komen halen. Trouwe vriend, die ge zijt!
Wat liggen ze daar koel, die uitboezemingen van twee warme harten. Op het oogzoumen het even goed voor rekeningen kunnen aanzien.—En zijn het in zekeren zin geen rekeningen? rekeningen van hetgeen het hart aan de wereld, de verbeelding aan de wezenlijkheid betaald heeft? of liggen daar niet zoo veel gedachten, gewaarwordingen, wenschen en begeerten, die sedert als verouderd hebben moeten worden weggedaan, om, tot duren prijs, door andere te worden vervangen? En kon men er niet een zulke of dergelijke nota van maken?
Een ouderwetsch kleed van UEd. nieuwmodisch en pasklaar gemaakt.
Een grooteoptica-spiegel tot een scheerspiegeltje verkleind.
Van een oude gedamasceerde kling een pennemes gemaakt.
UEdelenszevenmijlslaarzentot pantoffels versneden.
De glazen uit UEd. teleskoop verslepen en in een bril gezet.
UEd. nationale vlag tot een vlaggendoek voor UEd. lendenen vermaakt.
Een gewezen vrijheidsboom van UEd. voor een mangelrol in orde gebracht.
Van een metalen standbeeldje een keukenvijzel gegoten.[79]
Op onderscheidene tijden duiven uit UEd. vlucht geplukt en gelardeerd.
Is het zoo niet? Ik kan het niet zonder droefheid aanzien. Anders geeft mij het gezicht van gekwiteerde rekeningen genoegen; het is voor mij altijd een vroolijk uur, als ik in het begin van de maand Januari mijn physiologische schuldvorderingen, die koningen van verschrikking, zoo alsBellamyze noemde, als tamgemaakte kwitanties aan een koord rijg, en nu zeggen kan, dat ik ten minste van dezen kant mijn rekening met het afgeloopen jaar gesloten heb. Maar deze psychologische kwijtbrieven, waarin het bewijs berust, wat ik al in den loop van verleden jaren aan de firma vanpubliek,mode,etiquette, kortom aan dien geheelen Jodenhoek betaald heb, doen mijn oog minder aangenaam aan. Het is wel goed, dat ze betaald zijn: het zij verre van mij te zeggen, dat ik insolvent had willen blijven; maar zij hebben mij evenwel veel gekost. Ik schijn hier de tering nietzoo welnaar de nering gezet te hebben, als ik in ’t burgerlijke leven gewoon ben. Hier en daar zijn kleine posten, waarvoor ik ongehoord veel betaald heb; en nu en dan viel mij zelfs de rekening zoo uit de gis, dat ik er nog krom om liggen moet. Dat deed mijn vriend Rob beter; hij wist altijd voor alles den juisten tijd, en slaagde er in, zich er bijna geheel zonder schade door te redden. Had hij naar zijn berekening zijn uitvliegduifjes lang genoeg gehad, dan was het met een vroolijk gezicht: „Komaan, jongens! de pan wacht!â€â€”en in een oogenblik had hij ze den kop omgedraaid, en zat ze op te peuzelen zonder er iets van te weten. Ik daarentegen hield de mijnen over den tijd, zoodat ze taai werden, en als ze dan eindelijk op tafel kwamen, at ik ze met tranen in het oog, en zag aan mij bevestigd, wat men zegt, dat duivengebraad zwaarmoedig maakt. Bemerkte hij, dat men hem vreemd begon aan te zien, omdat hij te lang met een rond buis liep, eer iemand er om dacht, had hij er een paar panden aan gezet, die hem deftig over de kuiten hingen. Op iedere auctie deed hij wat van zijn oudheden, en kocht daarvoor wat nieuws in de plaats, zoodat hij altijd in zijn doen bleef. Met één woord, hij wist zijn slag waar te nemen, en altijd ter rechter ure te verkoopen.Rob, Rob! dat gij heengegaan zijt, zonder mij die kunst te leeren.
En ben ik dat nu? Met dat gevoel, waarmede een volwassene voor het portret staat, dat men van hem als kind gemaakt heeft, doorlas ik mijn eigen brieven, die mij het portret van mijn zedelijk Ik voorhielden. Immers, gelijkender kon ik mijzelven niet zien; hier zag ik mij niet in een teekening door anderen gemaakt, maar, even als bij de Daguerrotype, door de natuur zelve gemaald. Zoo verre iets, dat het wezen zelve niet is, van het wezen een denkbeeld geven kan, vond ik hier mijzelven terug. Wonderlijk, wonderlijk, hoe menigmaal was ik zonder mijn eigen beeld te herkennen! het was goed, dat mijn eigen hand daarop het onvervreemdbare zegel geplaatst had, anders zou ik het ruiterlijk voor eencontrefaçonhebben uitgemaakt. Maar ik kon mij niet bedriegen; het moest zoo zijn. Daar zag ik dan, even als in[80]een bewegelijk panorama, mijn gansche inwendige leven achtereenvolgens voor mijn oog voorbijgaan. Daar zag ik den knaap nog eens den vlieger oplaten en met den bal slaan: den jongeling nog eens droomen dichten en gedichten droomen; den jonkman aan de voeten vanBetsyzitten en van de voeten vanBetsylosscheuren; den man den strijd met het werkelijk leven aanvangen, beurtelings overwonnen worden en overwinnen. En op ieder tooneel vond ik, even als bij onze oude schilders, één zelfde geliefde figuur weder: de figuur vanRob. Hij was bij alles tegenwoordig; zijn snakerig gezicht stak overal door de een of andere opening: zijn stem klonk door alle zuchten en tranen heen:
Du courage! Du courage!Les amis sont toujours là !
Du courage! Du courage!
Les amis sont toujours là !
De goedeRob! Ik heb nooit geweten, dat hij zoo zacht en week was. Maar als ik nu zie, hoe hij onder alle omstandigheden met mij heeft omgesprongen, vind ik daarin een gevoeligheid van ziel, die mij treft. Nergens een hard oor of een hard hart; maar overal een Jobs-geduld om mijn klachten aan te hooren, en een Jobs-gemoed om in mijn smart te deelen. Het is waar; hij gaf mij daarin nooit toe, noch kwam op den slijkhoop naast mij zitten, om de tweede partij van mijn Ach! en Wee! te zingen. Maar hij viel er ook niet met een onbarmhartig Ai! en Foei! tusschen. Hij versnelde de maat alleen een weinig, en zette het motief, dat hij trouw behield, eenvoudig wat luchtiger om. Eer ik er om dacht, had hij het sleependemaestosoin een deftigmoderatoveranderd. Van waar had de jongen dat verstand? ik weet het niet; maar nu, van achteren beschouwd, kan ik het niet dan met verwondering zien, hoe veel oordeel en levenswijsheid hij daarbij heeft aan den dag gelegd. O, nooit kan ik het genoeg erkennen, wat hij voor mij geweest is; de natuur had hem naast mij geplaatst, om, als een koperen naast een dunner snaar, mijn toon te steunen en te versterken. Als hij er niet geweest was, die toon ware lang valsch en ontstemd geworden, en de speler had mij als een onbruikbaar vod kunnen wegwerpen. Nu kan ik het des noods zonder u stellen, mijn trouwe bas, mijn tweelingsbroeder ROB.
Is dat alles één mensch? Zoo vroeg ik verwonderd, wanneer ik soms een van mijn eerste naast een van mijn laatste brieven leide; ik had moeite het mij te overreden. Maar een oog op de verschillende trappen geslagen, die ik langs was geklommen, benam mij welhaast mijn bevreemding. Hoe langzaam en regelmatig is die overgang! niet ongelijk aan de beweging van onze aarde, die in vierentwintig uren toch ook een geheele wenteling om de spil maakt, zonder dat wij er evenwel iets van bemerken. Het is zonderling en treffend, die ontwikkeling na te gaan. Men lacht zoo dikwijls met dat spreekwoord:Een mensch verandert om de zeven jaar. Maar, naar mijn inzien,ligter een ware en diepe les in. Wie er om spotte, ik neem het alsthesisover en ben bereid diepublice etsolemniterte verdedigen.[81]
Willen wij een proef nemen?
1–7. Het kind in de kinderkamer.
7–14. Gij zult erkennen, dat de jongen op de speelplaats een geheel ander wezen is. Ik ten minste zie kans u, na zeven jaar, het eene kind voor het andere in de hand te stoppen.
14–21. Waar vindt gij nu den knaap in den jongeling? den woeligen, dartelen schalk in den peinzenden, verliefden Dichter?
21–28. Hier hebt gij den overgang uit het dichterlijke in het wezenlijke leven: de eerste en heiligste verbintenis, de eerste vadervreugde. Wat dunkt u? de jongeling, met zijn armen uitgestrekt om de wereld aan zijn boezem te drukken, en de echtgenoot en vader, die niet weet hoe hij zijn armen eng genoeg om vrouw en kind klemmen zal,—zijn dat geen twee verschillende wezens?
28–35. Nu worden zeker de overgangen minder scherp, maar evenwel blijven ze voor het fijne oog toch nog merkbaar genoeg. Nu maakt zich de eerzucht meester van het hart, waarin tot dusverre bijna alleen de liefde heerschte; de huiselijke kring wordt te nauw: men breidt zich naar buiten uit; men wil meê de hand aan ’t roer hebben. NB. De zon, die bij hare daging rozerood was, begint gedurig meer naar het goudkleurige te trekken.
35–41. Zij is heel en al geel! de hebzucht is bij de eerzucht gekomen. Men heeft een grooten staat te voeren; men heeft zoons te plaatsen, dochters uit te huwelijken; men begeert zich door zijn kinderen, en zijn kinderen door zich te verheffen.
42–49. Men heeft de gewenschte hoogte bereikt en geniet de gemaakte veroveringen. Men is buiten geëerd door het publiek, en binnen gelukkig in zijn betrekkingen. Men krijgt een onderkin en staat als peter over zijn kleinkinderen.
49–56. Men vangt aan zich terug te trekken. Men ziet zijn vrienden sterven en begint naar rust te verlangen. Men bedankt voor alle lastposten en houdtalleende winstgevende aan.
56–63. Men ziet in ’t geheel geen menschen meer; men wandelt veel en gaat trouw te kerk; men wordt hypochonder en neemt een lijfmedicus aan.
63–70. Men begint zich gereed te maken voor de afreis. De rekening courant wordt opgemaakt, de overbodige lading over boord geworpen en stichtelijke artikels ingenomen.
70–77. Men sterft, natuurlijk als men niet eer gestorven is.
Ziedaar in eenige groote trekken de voornaamstenuancesopgegeven, die toch kennelijk genoeg van elkander onderscheiden zijn. En niemand meene, dat ik hem met deze beschrijving heb willen veroordeelen. Geen gedachte is verder van mij. Integendeel, zóó of zóó omtrent moet het gaan, indien alles wel zal gaan. Zóó moet men, als de zon, achtervolgens de verschillende teekens van zijn aardschen dierenriem doorloopen, en nu eens, in het teeken van Leeuw en Ram, zijn jongelingskracht in tegenstand tegen de wereld oefenen; dan in het[82]teeken van Maagd en Waterman, zijn minneleed beschreien; dan, in het teeken van Weegschaal en Schutter, mannelijk oordeel met mannelijke vaardigheid leeren paren, om ten laatste, in het teeken van Kreeft en Visschen gekomen, zijn vaart te vertragen, en zachtkens een weg ten einde te brengen, dien men met zoo veel vuur en geestdrift is opgestreefd.
Dat is de orde en de wet der natuur, en ongelukkig, die haar wil omkeeren; hij wordt voor zichzelven even ellendig als nutteloos voor anderen. Er is een tijd van bloei, een tijd van dracht en een tijd van verval; die tijdperken moeten elkander vervangen, zonder op malkaârs grondgebied te treden. Ik wil kleur in de lente, geur in den zomer, en vrucht in het najaar. Eerst groen en wit, dan blauw en rood, dan geel en bruin. Zoo was het bijRob. Hij was altijd gelijk met de verschillende saizoenen: als men dacht, nu moet er haast dit of dat komen, dan kwam het ook. Hij was geen broeiplant, die zijn roode vruchten tusschen de sneeuw droeg, en even weinig een ziekelijke nablijver, die met zijn zure vruchten aankwam, als men hem al vergeten had; hij was een gezonde klant, die zoo precies op zijn tijd paste als de zon zelve. Ik moet bekennen, dat hij mijn traagheid wel eens heeft moeten voortduwen: „Toe dan,Jonathan! maak voort, jongen! waarblijf jedan?†en dan kwam hij als een moreleDonAntonio Maginomet zijn weêrtafel, en wees mij: „heden zonneschijn en mooi weer†of als een Tuinmans-Almanak: „heden deze of die vrucht!†en als die dan zoo spoedig niet uit den dop wou vallen, dan draaide hij mij een weinigje in de zon en was niet tevreden, eer ik mijncontingentgeleverd had. Mijn goedeRob! Wie zal nu het oog over mij houden?
Gij maakt daarom uit het gezegde toch niet op, dat Rob een zoogenaamdsolidemensch was, die op zijn valhoed reeds met de kroon der zeven Grieksche wijzen liep, uit zijn tafelstoel les gaf over de differentiaal-rekening, en bij zijn opgeworpen bal de nuttigheid van laag gooien en dikwijls vangen betoogde. Gij zoudt u bedriegen. Daarvoor was hij veel te veel in de natuur. Neen, hij geloofde wel degelijk, even als ik, dat er een jeugd aan den mannelijken leeftijd, een tijdperk van bloei aan dat van vruchtbaarheid moet vooraf gaan. Ik zet het u, van die vroegrijpe menschen een mensch te maken als mijn Rob! Er moet in den jongen mensch wat overvloed van leven zijn. Als de kunstenaar een beeld wil gaan houwen, dan neemt hij geen blok, dat juist zoo groot is als het beeld, dat hij maken wil, maar hij neemt een vierkanten klomp, waar de ruwe kanten nog aan zitten. Daar zit dan het beeld, dat er uit moet komen, wel in, maar eerst moet de buitenste schors wegvallen. Ha! hoe er dan onder zijn krachtigen beitel de stukken afvliegen! hoe het beeld overal het marmer pijnlijk van het lijf wordtgescheurd! het zucht onder de ruwe slagen van zijn formeerder! maar let op! daar beginnen de houwen reeds af te nemen; telkens valt het wapen zachter neder; heerlijk komt het[83]beeld uit zijn ruw omkleedsel te voorschijn! Nu worden nog de laatste scherpe hoeken en kanten afgeslepen, geëffend en gerond, de proportiën gedeeld en de lijnen gebogen. Daar staat nu de koningsgestalte, glad als ijs en zacht als satijn! Dat is beeldhouwen! dat is menschen-formeren!
Wilt gij hooren wat er de Wijze vanBayreuthvan zegt?
Gij lieden wilt derhalve reeds bij den aanvang datgene krachteloos te velde doen trekken, hetwelk door den tijd en de wereld buitendien toch genoeg wordt ontzenuwd? Wat is al de winst, die de jongeling uit het vermijden van eenige mispassen en verkeerde inzagen trekt, gerekend tegen het ontzettend verlies, hierin gelegen, dat hij, zonder het heilige vuur der jeugd, zonder vleugels, zonder groote plannen, met één woord, zoo naakt het enge leven inkruipt als de meeste het uitkruipen? Hoe kan zonder den idealengloed der jeugd het leven tot rijpheid komen, of de wijnstok zonder den gloed der oogstmaand? Het schoonste, hetwelk door de menschen verricht werd, al ware het ook in hun koude jaarsaizoen, was nimmer iets anders, dan de slechts laat opkomende zaadkorrel, die door den boom des levens in het paradijs was voortgebracht. Of zaagt gijlieden nooit, hoe een mensch door eenig goddelijk beeld uit zijn jeugd, het geheele leven door, bestuurd en geleid werd?—En wat toch wilt gij in de plaats geven van dit leidende wagengestarnte?—wat anders dan den broodwagen der schrandere eigenbaat?
Touchez là , mon ami!Dat is naar mijn hart gesproken. Zoo mag ik het hooren van iemand, wiens wijsgeerige geest hem boven de verdenking verheft, waaronder ik lig, van somtijds met molentjes te loopen. Sterk door uwe goedkeuring verhef ik mij dus moedigtegenhet kwaadwillig oog van zoo velen, die mij, om deze kruisvaart tegen den kunst-ouderdom, dien men den kinderen, even als de koepokken, wil inenten, voor een Socratischen jeugdbederver houden. En zoo dacht ook mijn vriend Rob, die mede een vriend van u was. Hij had een ingeroesten haat tegen de gepoeierde kinderknikkers en gewapende kinderdijtjes van vóór vijftig jaren! een jong mensch, die niet hooger zag dan zijn hoofd en niet verder reikte dan zijn armen, was hem een walg. Hij verlangde daarom niet, dat men juist tegen de maan stond te grijnen, en nooit dan met een natten neus naar de sterren keek. Zijn jongelings-geestdrift openbaarde zich geheel anders; zij ademde dienzelfden geest van losheid en vroolijkheid, die zijn geheel wezen kenmerkte. Hij kon in zijn dartele buien met de maan omspringen, als droeg hij ze, even als de tooneelspeler inShakespeare’sMidsummernights-dream, lantarensgewijze onder den arm en met de sterren leven als de Koningin der Nacht in deTooverfluit, die ze alspaillettenop haar zwarte japon draagt. Maar in die scherts lag daarom niettemin het geloof aan een hoogere wereld en het gevoel van behoefte daaraan. Als hij over de vele woningen, die de groote stad, welke wij Heelal noemen, vervullen, met zulk een[84]gemeenzame vertrouwelijkheid sprak, en dan, met zijn geest door al die geheimzinnige lichtpaden dwalende, liep raden, waar hij zijn huis vinden moest.…! maar ik zie er van af om er u eenig denkbeeld van te geven: gij hadt hem zelven moeten hooren! Zijn uitvallen waren van die, die men alleen met een gesternden hemel boven zich herhalen kan. Vraag er mij eens naar, als wij ooit samen op zulk een tooneel staan. Genoeg, dat het hem aan geen sentimentaliteit ontbrak. Er lag in zijn Zomernachts-droomen, onder den schertsenden toon waarin hij ze voordroeg, een diepe en verheven zin van heimwee en godvrucht, of, zoo als hij liefst zeide, omdat dit woord den geheelen geest van zijn vroomheid uitdrukte,Godzaligheid! Het gebeurde somtijds, dat ik daarbij geen lichten glimlach van mijn lippen weren kon, maar nooit, dat niet de tranen des innigsten gevoels zich naar mijn oog drongen! Geen woorden kunnen uitspreken, wat wij ontwaarden, als wij na zulk een hemelwandeling elkaâr de hand drukten.—Hoe zult gij nu wandelen,Rob!
Vraagt ge dus, of ik alles, wat ik daar geschreven voor mij vind, nog met baat en schade op mijn tegenwoordige rekening zou willen overnemen, de goede Hemel beware mij! dat ware de paarden achter den wagen gespannen. Maar vraagt ge aan den anderen kant, of ik met hoogmoed en medelijden op die uitboezemingen van jeugdig gevoel en overvloeiend leven neêrzie, ook dit ontken ik volstrektelijk. De mensch had beter kunnen zijn, maar wat den weg betreft, dien hij gevolgd is, ben ik nog zoo ontevreden niet. Het is waar, dat er menige uitbarsting van dwaas jongelingsgevoel onder doorloopt. Te droes, hoe zoudt gij lachen, als ik die oude doos eens opendekte. Wat zou er al niet voor den dag komen! Welk een menigte van werelden en zonnestelsels! welk een drom van engelen en aartsengelen! welk een stoet van droombeelden in volle kostuum, met een zon op de borst, een halve maan op den tulband en een borduursel van sterren rondom den mantel! Welk een rommel van zangen, geuren, klanken, en wat verder zou worden te voorschijn gebracht! En toch schitterden er soms door dien verwarden hoop vonken van nuchter oordeel. Van dien aard zijn bij voorbeeld de volgende losse spreuken, die ik nog niet terugneem.
Het is een schoon geloof, dat de Egyptenaars hunne graven met pyramiden deed dekken: geloof aan de Toekomst. Maar schooner nog is het geloof der Christenen, die hun grafheuvels met een houten kruis versieren: geloof aan de Onsterfelijkheid. Even zoo was er iets treffends in de gewoonte der eersten om hunne lijken te balsemen; maar dat wij ze niet balsemen, is treffender, wetende dat de Engel der opstanding uit verderf onverderfelijkheid scheppen zal.
Geven en ontvangen is als de regen. Dezelfde regen, die frischheid aan de aarde geeft, geeft helderheid aan den hemel.[85]
Als de vrucht zich gaat zetten, valt de bloesem af. Zoo ook met ons. Wij beginnen geen vrucht te dragen, eer de bloesems der jeugd verstrooid zijn.
Voor sommige menschen is het leven een vastland, geheel aarde; dat zijn de aardsgezinden. Voor anderen een eiland, geheel zee, buiten verband met iets rondom of boven zich; dat zijn de egoïsten. Voor anderen een landtong tusschen den oceaan van twee eeuwigheden; dat zijn de ongeloovigen. Voor sommigen eindelijk eenBethel, door een ladder met den hemel verbonden; dat zijn de vromen.
Men begeert zich met het geluk als met een gouden keten te versieren, en bedenkt niet, dat het slechts een gulden ader is, die door den zandgrond onzes levens loopt: het geluk is geen kleed, door anderen vervaardigd, dat men slechts heeft om te slaan; het is een zijden huis, als dat der wormen, uit onzen eigen boezem uitgesponnen.
Betrekkingen zijn voor den mensch op aarde, wat de aardkluit, die met de bloem verplant wordt, voor deze is; zij doen hem vergeten, dat hij hier niet te huis behoort.
Die een leven vol weldaden achter zich laat, vindt, even als klein Duimpje in de fabel, teruggaande, het spoor der uitgestrooide broodkruimen verdwenen. Alleen de beleedigingen blijven, even als de steentjes van den houthakkersknaap, getrouw liggen.
De mensch wordt dikwijls wijs ten nadeele van zijn geloof. Het was een schoone onkunde, die den schepeling naar den hemel deed opzien, om er de star te zoeken, die zijn tocht regelde; nu heeft men het kompas, met andere woorden, men heeft den hemel niet meer noodig.
Onlangs zag ik een kind, dat gedurig beproefde een ladder met de handen rechtop te plaatsen om er vervolgens op te klimmen. Natuurlijk sloeg de ladder telkens tegen den grond. „Jantje!†zei de vader, „gij moest dat laten! Ziet gij niet, dat gij u zelven niet houden kunt?†en daarop ging hij bedaardelijk voort met mij te betoogen, dat in zaken van godsdienst de rede volkomen voldoende was.
Iemand, die louter godgeleerde is, ziet den hemel achter, de vrome vóór zich; de eerste ziet het kruis alleen in den Bijbel, de laatste, even alsKonstanstijn, in de wolken. De vrome staat tot den godgeleerde als een inboorling, die de taal des lands van kindsbeen af gesproken heeft tot een vreemde, die haar spraakkunstig heeft moeten aanleeren. Nu kan de vreemde de gronden van zulk een taal wel beter kennen, maar de inboorling verstaat en spreekt haar toch beter.[86]
Het leven is als de hooge bergen: slechts aan den voet groeien bloemen.
Hartstocht is zwakheid; daarom bemint de vrouw meer dan de man.
De kritiek handelt met de geniën, even als de oude Schrijver van het Scheppingsverhaal met de hemelbollen; zij meent, dat de werelden des dichters om haar geschapen zijn.
Zucht naar meerdere volkomenheid; ziedaar de ware behaagzucht.
De verborgenheden Gods zijn even als de vlekken in den Melkweg; de gewone mensch ziet ze voor vlekken aan, en de sterrekundige vindt er bij onderzoek nieuwe wereldstelsels in.
Schoonheid is voor den man een feest-, voor de vrouw een bruiloftskleed.
Ware liefde ontleent, even als de moederliefde, kracht uit smart.
Sommige menschen schijnen geboren omgelukkigte wezen: ze zien slechts licht en helderheid voor zich, en wanneer er als soms donkerheid op hen daalt, sluiten zij er de oogen voor, zoo als sommige bloemen zich ’s avonds sluiten, en eerst weêr opengaan als de morgen daagt.
Trouw is het geheugen van een beminnend hart.
De ware proefsteen der menschelijke deugd is detoetssteen, die zijn graf bedekt.
De aardsgezinde is als regen, die één wordt met den grond, waarop hij neêrzijgt; de betere mensch verkeert op aarde als de sneeuw, die waar zij valt, den grond verzilvert.
De schrijver kieze zich een geheel volk ten voorwerp zijner bemoeiingen, doch wachte zijn geluk alleen van zijn huiselijken kring. Maar daarom heeft dan ook zijn gezin een gewichtige taak te vervullen: van wege de goeden heeft het in last hem de liefde te bewijzen, die zij hem niet bewijzen kunnen; van wege de kwaden heeft het de zending, hem de bitterheid te vergoeden, die zij hem aandoen. Wee hem, als ook deze steun hem ontvalt: de Dertigen buiten, en Xantippe in huis!
Rampen zijn den vrome even als hagelsteenen, die dreigend neervallen, maar die de aarde als heilzaam vocht in haar schoot opneemt.[87]
Voor sommigen is de kruisberg een goudmijn: dat zijn de priesters. Voor anderen is hij deHelicon; dat zijn de geleerden. Voor anderen is hij de berg des Heeren: dat zijn de vromen. Voor anderen eindelijk is hij niets dan een berg: dat zijn de ongeloovigen.
Ziet gij? deze losse gedachten, en nog veel meer andere van denzelfden aard, kan ik thans nog overnemen, zonder dat ik ze in mijn tegenwoordigen leeftijd en op mijn tegenwoordig standpunt behoef te verloochenen. Maar ik beken, dat daartegen menige bladzijde overstaat, die ik voor geen lief ding onder het oog van mijn deftigen lezer zou durven brengen. Ja, zal ik het bekennen! toen ik daar die brieven zoo zat te doorbladeren, verheugde ik mij, dat ze, door de kiesche beschikking vanRob, in mijne, en niet in een anders handen geraakt waren.
En toen kwam ’t mij op eens met schrik in de gedachte, dat Rob niet de eenige is, die zulke brieven van mij ontvangen heeft.Wel, wel,dacht ik, indien het nu een van mijn vroegere Correspondenten eens inviel, al mijn brieven nog eens in te zien, hoe zal hij om de droomerijen van den kinderachtigenJonathanlachen! Hij is in staat mij in alle deftigheid voor een dwaas uit te maken. Wilt gij het gelooven? Dit denkbeeld greep mij met zulk een siddering aan, dat ik terstond op een middel begon te denken om hem tot betere gedachten omtrent mij te brengen. En waar vond ik dit eindelijk? In eenCirculaireaan al de vrienden, die ik hier plaatsen zal, hopende dat zij hun aldus onder de oogen mogen komen.
(Met uw verlof, waarde Lezer, die niet tot dit getal behoort!)
Mijnheer en Vriend!Daar de correspondentie, die ik vroeger de eer had met u te houden, sedert is afgebroken, ben ik zoo vrij mij langs dezen weg tot u te wenden. Het zou namelijk kunnen gebeuren, dat UEd.mijn brieven van vroegeren tijd—bijv. bij gelegenheid van het beplakken van een nieuw te behangen kamer, of dergelijke—nog eens onder de oogen kreeg. In dat geval zou ik reden hebben, mij voor UEd. te schamen. Want ik meen wel te weten, dat er in die brieven meer dwaasheden gevonden worden, dan met uw verstand en soliditeit strooken. Maar met uw verlof zou ik gaarne zien, dat UEd. daarnaar ook mijn verstand en soliditeit niet beoordeelde. Want, als het niet te onbescheiden is mijzelven te prijzen, mag ik wel zeggen, dat ik een geheel ander mensch geworden ben, en ofschoon niet volkomen zoo degelijk als UEd., toch strevende om UEd. daarin meer en meer nabij te komen. UEd. gelieve alleen te weten, dat ik tegenwoordig voor mijn correspondentie even zoowel mijn liassen heb met opschriften als:Rekeningen,kwitantiën,brieven, enz. als UEd. in uw kantoor. Zoodat UEd. ziet dat ik nu een bedaard en deftig burger ben. Indien UEd. dus[88]de goedheid wilde hebben, die bewuste brieven eens voor goed te verbranden? Doch al mocht UEd. daarin (uit zuinigheid) bezwaar vinden, hoop ik nogtans, dat UEd. na de gegeven inlichting, mij omtrent het bewuste artikel van uw oordeel over mijn verstand wel te wille zal willen zijn. In welke verwachting ik de eer heb met de meeste achting te zijn,Mijnheer en vriend,UEd. gehoorzame Dienaar en VriendJonathan,
Mijnheer en Vriend!
Daar de correspondentie, die ik vroeger de eer had met u te houden, sedert is afgebroken, ben ik zoo vrij mij langs dezen weg tot u te wenden. Het zou namelijk kunnen gebeuren, dat UEd.mijn brieven van vroegeren tijd—bijv. bij gelegenheid van het beplakken van een nieuw te behangen kamer, of dergelijke—nog eens onder de oogen kreeg. In dat geval zou ik reden hebben, mij voor UEd. te schamen. Want ik meen wel te weten, dat er in die brieven meer dwaasheden gevonden worden, dan met uw verstand en soliditeit strooken. Maar met uw verlof zou ik gaarne zien, dat UEd. daarnaar ook mijn verstand en soliditeit niet beoordeelde. Want, als het niet te onbescheiden is mijzelven te prijzen, mag ik wel zeggen, dat ik een geheel ander mensch geworden ben, en ofschoon niet volkomen zoo degelijk als UEd., toch strevende om UEd. daarin meer en meer nabij te komen. UEd. gelieve alleen te weten, dat ik tegenwoordig voor mijn correspondentie even zoowel mijn liassen heb met opschriften als:Rekeningen,kwitantiën,brieven, enz. als UEd. in uw kantoor. Zoodat UEd. ziet dat ik nu een bedaard en deftig burger ben. Indien UEd. dus[88]de goedheid wilde hebben, die bewuste brieven eens voor goed te verbranden? Doch al mocht UEd. daarin (uit zuinigheid) bezwaar vinden, hoop ik nogtans, dat UEd. na de gegeven inlichting, mij omtrent het bewuste artikel van uw oordeel over mijn verstand wel te wille zal willen zijn. In welke verwachting ik de eer heb met de meeste achting te zijn,
Mijnheer en vriend,UEd. gehoorzame Dienaar en VriendJonathan,
Zie zoo! Dat zou Rob nog goed doen, als hij het las! De arme Rob, hij zal het niet lezen! en hij zal het niet zien ook, hoe ik langzamerhand al verstandiger en verstandiger zal worden, zoodat ik eindelijk op den stroom der wereldsche dingen zal drijven als een pluim, hop-hop, van boven naar beneden, zoo als het de golven belieft. Dat zal het toppunt van mijn glorie zijn—en van de zijne ook. Want als ik ooit zoo ver kom, moet ik zeggen dat er hem de grootste eer van toekomt. Wat zal hij dan verwonderd opkijken, als hij mij weêr ziet! Hij zal zijn eigenJonathanniet meer kennen.—Wat heb ik gezegd,Rob? Neen, de menigte moge van mij zeggen: „Wat is MijnheerJonathanveranderd! hij is nu de ordelijkste man, die men zien kan!—†maar voor u, mijn vriend, verander ik niet. Is het niet zoo? Boven is een jong hart geen contrabande?
Geen antwoord!
Anders kreeg ik altijd antwoord.
Foei mij!… goed datRoberthet niet ziet.Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten,—luidt het zoo niet? Welnu wat tob ik dan? Lig daar, mijn legaat! Gij zoudt mij week maken. Ik wil aan ’t werk. „Jongen,†zei Rob mij wel eens: „Wat zijn de menschen toch dwaas. Zij roepen om den hemel, en loopen er zoo hard van daan als zij kunnen. Wilt gij er heen, maak dan, dat gij hier beneden gedaan krijgt.Vandaagklaar, morgen t’huis; dat gaat vast! Er is geen accurater beurtman, dan de Snelheid, KapiteinMors.—Welaan dan! aan ’t werk. Zoo hoop ik welhaast mijn goeden vriend na te kunnen zeggen: Alles klaar! en dan—dan is er een einde aan mijn klacht:
„Mijn goede vriendRob, hij is dood!â€[89]
1Een uitdrukking vanClaudius, van wien hij veel hield.↑
1Een uitdrukking vanClaudius, van wien hij veel hield.↑
1Een uitdrukking vanClaudius, van wien hij veel hield.↑
1Een uitdrukking vanClaudius, van wien hij veel hield.↑