Landmeisje uit de vallei van de Fecht.Landmeisje uit de vallei van de Fecht.Het is natuurlijk hier niet de plaats om ten aanzien van deze aangelegenheid in nadere bijzonderheden te treden; maar ge moogt de schilderachtige vallei van de Fecht niet verlaten, zonder een bezoek te brengen aan het goed van de familie Herzog, op de helling van den Letzenberg. Een reuzentrap van meer dan vierhonderd treden voert u in eens boven op den berg. Deze trap loopt uit op een ringmuur, die blijkens het opschrift boven de poort, in 1850 gezet werd, om aan de arme werklieden werk te verschaffen. Binnen getreden, wordt uwe aandacht getrokken door eene witte kapel, in italiaanschen stijl, op een hoogte gebouwd, die door acacia’s en dennen is omringd. Verder bespeurt ge een smaakvol chalet met sierlijke bloembedden; en overal langs de berghellingen wijnstokken. Op sommige plaatsen is dehelling zoo steil, dat zelfs de wijnstok er niet wortelen kan; de naakte rotswanden rijzen daar loodrecht omhoog boven een uitgestrekt park met lommerrijk geboomte en fluweelige grasperken. Van het terras voor de kapel overziet de blik de geheele vlakte van den Rijn en de vallei van de Fecht. De kathedraal van Straatsburg, de rotsen van den Kaiserstuhl, de besneeuwde toppen der Alpen, rondom de Jungfrau geschaard, zijn bij helder weer duidelijk zichtbaar, even als het Munsterthal en de volkrijke dorpen in het bassin van de Ill. Dit verrukkelijk panorama aanschouwende, zou men geneigd zijn, de aarde voor een paradijs te houden en de namelooze ellende te vergeten, die als een looden last op haar weegt. Maar zoo ge u voor een oogenblik door uwe droomen laat medevoeren, de zwarte rook uit de tallooze schoorsteenen langs het kanaal van Logelbach, waar het wemelt van spinnerijen en weverijen, allen door stoom gedreven, roept u aldra tot de werkelijkheid terug. Deze streek is een der middelpunten van de elzassche katoenindustrie, die hier op groote schaal gedreven wordt, en aan honderden gezinnen arbeid en brood verschaft.Aan den voet van den Letzenberg, aan de oevers van de Fecht en van het kanaal van Logelbach, werd de slag bij Turckheim geleverd, die de definitieve inlijving van den Elzas bij Frankrijk ten gevolge had. In het jaar 1674 trok een duitsch leger, onder aanvoering van omstreeks twintig vorsten, het land binnen, dat bij den vrede van Munster aan Frankrijk was afgestaan. Den vierden October, bij Entzheim, door het minder talrijke leger van Turenne geslagen, betrokken de Duitschers de winterkwartieren, om nieuwe versterkingen af te wachten, alvorens den veldtocht te heropenen. Het keizerlijke leger bezette geheel den Boven-Elzas, van Huningen tot Obernai, van Belfort tot Landskron; men leefde vroolijk en lustig in de winterkwartieren, volkomen gerust gesteld door den geveinsden terugtocht der Franschen naar de andere zijde van de Vogesen. Een aantal dames maakten, in het gevolg van de generaals en hoofdofficieren, den veldtocht mede. De keurvorstin Dorothea van Brandenburg hield haar hof te Colmar, waar de stedelijke regeering, de aanzienlijke burgers en de gilden wedijverden in huldebetoon, in geestdrift en toewijding. De geheele adel van den Elzas hield de zijde van Duitschland, zoowel als de oude vrije steden. De keurvorst Frederik Willem van Brandenburg, die de keizerlijken te hulp was gesneld, zwoer dat hij den grond van den Elzas niet zou verlaten, zoo lang hij nog een enkel man over had, in staat om de wapenen te voeren.—Maar—zoo als het in het duitsche leger doorgaans ging en overal gaan moet, waar eenheid van gezag ontbreekt,—de verschillende legerhoofden lagen voortdurend met elkander overhoop, en het algemeen belang werd aan persoonlijke hartstochten en berekeningen opgeofferd. Wangunst, naijver, kinderachtige veeten deden telkens nieuwe moeielijkheden uitbarsten; men twistte onderling, en bekommerde zich niet om de bewegingen van Turenne, die, naar men zich voorstelde, in Lotharingen werd opgehouden door den buitengewoon strengen winter.In de apotheek te Kaysersberg. (Blz. 114).In de apotheek te Kaysersberg. (Blz.114).Daar verspreidde zich eensklaps, in de laatste dagen van December, de tijding, dat het fransche leger, na een koenen marsch, om de bergen heen was getrokken en voor Belfort stond. Verrast, maar in het minst niet ongerust, trokken de keizerlijke veldheeren, Bournonville, Caprara en de keurvorst van Brandenburg, hun troepen samen bij Colmar. In der haast werden nu schansen en bolwerken opgeworpen langs het kanaal van Logelbach, tusschen Colmar en Turckheim, terwijl in de eerstgenoemde stad de gilden en de poorters zich wapenden om mede te helpen bij de verdediging. Iedereen verklaarde zich bereid, tot het uiterste weerstand te bieden: de magistraat, de geestelijkheid en het volk. Aan het hof van de keurvorstin Dorothea twijfelde niemand aan de overwinning; de vorstin zelve had de legerhoofden en de dames van het hof uitgenoodigd tot een schitterend feestmaal, dat den dag vóór Driekoningen zou worden gevierd.Inmiddels was Turenne reeds tot Colmar genaderd. Bij een voorpostengevecht had de fransche generaal, op den negen-en-twintigsten December, de keizerlijken genoodzaakt uit Mulhausen te wijken. Den derden Januari, na te Ensisheim krijgsraad te hebben gehouden, trok hij, langs den voet der bergen, naar Colmar. Twee dagen later, voor het aanbreken van den dageraad, brak het fransche leger van Pfaffenheim op, en trok, in drie evenwijdige kolonnes, voort, de infanterie voorop. Op den Letzenberg staande, ziet ge, ten zuiden, den heuvel van Egisheim, met de ruïnen van zijn drie torens: de troepen van Turenne trokken daar langs. Drie duitsche eskadrons, aan gene zijde van de beek, die den weg naar Belfort doorsnijdt, op den uitkijk gesteld, maakten rechtsom keert, toen zij de Franschen bespeurden. De twee kolonnes, die onder bevel van den graaf de Lorge door de vlakte marcheerden, hielden stil voorbij het kerkhof van Wettolsheim, en ontplooiden hun liniën tot tegenover Wintzenheim, de infanterie op den linker, de kavalerie op den rechter vleugel. Turenne zelf, die met de derde kolonne langs de bergen trok, had van de hoogten van Wettolsheim gezien, hoe de keizerlijken hunne stelling namen tusschen Colmar en Turckheim, achter het kanaal, waar langs hunne talrijke artillerie werd opgesteld. Eensklaps links afslaande, marcheerde Turenne, met veertien bataillons infanterie, eenige eskadrons gendarmes en lichte kavalerie, benevens vier kanonnen, over de steile, smalle paden der wijnbergen; trok vervolgens langs de hellingen van den boschrijken heuvel, waarop de ruïne troont van den Hohlandsburg, die reeds in den dertigjarigen oorlog verwoest was; en daalde, ondanks de sneeuw, die den weg versperde, achter den Plixburg, in het dal van de Fecht af. Tegenover Zimmerbach trok hij over de rivier; en weldra vertoonden de fransche soldaten zich op de beide oevers nabij Turckheim, tot groote verbazing der vijanden. In een oogwenk werd de stadspoort door de dragondersopen gebroken. De luitenant van Turenne, Foucault, viel, doodelijk getroffen, op de brug neder; maar een ander officier, Tilladet, bezette de stad met eenige honderden musketiers en grenadiers. Drie regimenten infanterie bezetten de heuvels en wijnbergen boven de stad, onder bevel van den markies de Mouchy. De lichte kavalerie plaatste zich aan den ingang van den weg naar Turckheim; andere afdeelingen bezetten het kerkhof en den molen aan gene zijde van het kanaal van Logelbach. De met beleid en spoed uitgevoerde beweging was volkomen gelukt: Turenne tastte den vijand in de flank aan.Een verwoed gevecht volgde: het kerkhof en de molen werden driemaal genomen en hernomen. De markies de Mouchy sneuvelde, en het paard van Turenne werd onder hem doodgeschoten. De duitsche artillerie teisterde de Franschen, die, ten gevolge van den moeilijken tocht over de wijnbergen, hunne kanonnen nog niet hadden kunnen opstellen. Inmiddels spoedde de korte Januaridag naar den avond: er moest een einde aan komen. Zonder op de overmacht der vijanden te letten, liet Turenne nu zijne soldaten, in gesloten gelederen, onder het slaan der trommels en het schetteren der trompetten, ondanks het geweldig vuur der duitsche kanonnen, naar de bevrozen rivier oprukken. Men trok over de rivier en viel op den vijand aan, die wankelde, week en weldra in wanorde terugtrok.Nu stormden de fransche soldaten den vluchtenden vijand na; maar Turenne, die wist dat de keizerlijken nog de overmacht hadden en de mogelijkheid van een vernieuwden aanval vreesde, riep zijne troepen terug. De voorzorgsmaatregel bleek onnoodig: de verwarring bij de keizerlijken was zoo groot en de verstandhouding tusschen de legeraanvoerders zoo slecht, dat aan een hervatting van den strijd niet werd gedacht. De aftocht ging weldra in volslagen vlucht over. Bournonville, de keurvorst van Brandenburg, de keurvorstin Dorothea maakten zich met alle anderen zoo haastig mogelijk uit de voeten. Van het aangekondigde feest kwam niets: in plaats van feestzangen hoorde men het gekerm der gewonden en de doodskreten der stervenden, uitgestrekt op den hard bevroren grond der weilanden langs de Fecht. De straten van Colmar weergalmden van het rumoer der vluchtende soldaten, van het geratel der haastig aangespannen kanonnen en ammunitiewagens. Doodelijke schrik vervulde de harten der burgers, die gemeene zaak hadden gemaakt met de keizerlijken, en nu de wraak van den overwinnaar vreesden. Turenne kwam den volgenden morgen in de stad, en nam zijn intrek in de herbergZum Schwarzen Berg; hij liet de inwoners met rust en strafte hen niet voor hunne vijandelijke houding. De keizerlijken trokken over den Rijn terug, en de Elzas was voor Duitschland verloren.Den veertienden Januari bracht de secretaris van den raad van Straatsburg aan Turenne brieven van de regeering dier stad, waarbij een beroep werd gedaan op de edelmoedigheid van den overwinnaar. De burgerij van Straatsburg was woedend tegen de keizerlijke generaals, die zich aan gene zijde van den Rijn hadden teruggetrokken en het land ten prooi lieten aan den vijand. De troepen, die door hunne stad trokken, werden door het gemeen uitgejouwd en beleedigd.De inlijving van de hoofdstad van den Elzas was nu nog slechts eene kwestie van tijd. Zij had, in vollen vrede, bij verdrag plaats: den dertigsten September 1681 hield Lodewijk XIV zijn intocht in Straatsburg, dat bij den vrede van Rijswijk, in 1697, aan Frankrijk werd afgestaan. Voor immer, zoo luidde de formule in het vredestraktaat. Evenzoo werd, bij den vrede van Frankfort, in 1871, de Elzas weder door Frankrijk aan Duitschland afgestaan, om voor immer met het nieuw herboren Duitsche rijk vereenigd te blijven.—De geschiedenis heeft overvloedig geleerd, dat de eeuwigheid der traktaten van zeer korten duur kan zijn; in onzen tijd vooral zijn zij ter nauwernood het papier waard, waarop zij geschreven zijn. Niemand acht zich door het bezworen verdrag, het plechtig gegeven woord, inderdaad verbonden; zoodra de partij, die bij het verdrag werd benadeeld, haar kans schoon ziet, verbreekt zij het, waartoe altijd een voorwendsel is te vinden, en doet op nieuw een beroep op de wapenen. Het besef van de onbetrouwbaarheid der traktaten, van de bijna volkomen vernietiging van het rechtsgevoel, is zeker niet de minste oorzaak van het vreeselijke feit, dat de staten van Europa, ook in vollen vrede, tot de tanden gewapend tegenover elkander staan, als roovers steeds loerende op elkanders bezit en geene veiligheid kennende dan die door vrees voor de overmacht wordt afgedwongen.Ik sprak zoo even van de katoenindustrie, die langs het kanaal van Logelbach een harer hoofdzetels in den Elzas heeft. Ik zal u niet uitnoodigen, een dier fabrieken, spinnerijen, weverijen, verwerijen of hoe ze meer heeten mogen, te bezoeken; maar ik mag niet verzwijgen wat den eigenaars dier groote industrieele inrichtingen—waaronder aan de familie Herzog eene eerste plaats toekomt—tot eer strekt: namelijk hetgeen zij in het belang hunner talrijke werklieden hebben gedaan. Allerlei inrichtingen zijn, op aansporing en met ijverige medewerking en ondersteuning van de patroons, in het leven geroepen. Vereenigingen tot ondersteuning van behoeftige kraamvrouwen, kinderbewaarplaatsen, speeltuinen, scholen voor kinderen en volwassenen, ambachtsscholen, volksbibliotheken, huizen voor jonge meisjes, weeshuizen, ziekenfondsen, coöperatieve winkelvereenigingen, spaarbanken, arbeiderswijken:—ziedaar de instellingen, die, onder verschillende namen, overal in den Elzas en ook hier, medewerken tot verbetering van het lot der fabriekarbeiders en tot hunne moreele en materieele verheffing.In de onmiddellijke nabijheid van Colmar vinden wij de arbeiderswijk, decité ouvrière, behoorende tot de katoenspinnerij Bagatelle. De naar één model gebouwde woningen hebben eene beneden- en eene bovenverdieping, een kelder en een zolder, benevens twee deuren, waarvan de eene op straat en de andereop het binnenplein van de wijk uitkomt; tot het huis behoort ook een kleine plaats met schuur. De ramen van den voorgevel zijn breed, ten einde gelegenheid te geven voor het houden van winkeltjes of voor het maken van kleine werkplaatsen. De huizen van de middengroep ontvangen hun licht alleen aan de voorzijde; daarentegen hebben zij op de bovenverdieping een soort van houten veranda. De benedenverdieping bevat eene zit- en eene slaapkamer, benevens eene keuken; op de bovenverdieping vindt men twee vertrekken, waarvan het grootste door een beschot in tweeën kan worden verdeeld.Eene katoenspinnerij aan de Logelbach.Eene katoenspinnerij aan de Logelbach.De bedoeling met de stichting van deze wijk was niet alleen om den arbeiders voor matigen prijs eene goede woning te bezorgen, maar ook om hen aan te moedigen tot spaarzaamheid: tegen eene geringe vergoeding boven de gewone huur, konden zij na verloop van zekeren tijd, eigenaar hunner woning worden. Dit doel is echter te Colmar niet dan bij uitzondering bereikt. Over het algemeen weten de arbeiders niet voor zoo langen tijd te sparen en voor de toekomst te zorgen; daar komt nog bij dat de meeste werklieden in de fabrieken van Logelbach in de omliggende dorpen wonen, waar zij in den regel hetzij een huisje, hetzij een stukje grond, hetzij eene koe of eenige geiten bezitten. Bijna iedereen is eigenaar, daardoor gehecht aan den grond, en tevens van nature en krachtens zijn eigen belang, een verdediger der maatschappelijke orde.Is dit een niet te hoog te waardeeren voorrecht, niet minder uitmuntend is het dat in al de tot de fabrieken behoorende scholen zeer goed onderwijs gegeven wordt. Een dezer scholen, tot Bagatelle behoorende, grenst aan het kosthuis waar de ongehuwde werklieden hun intrek kunnen nemen. Mevrouw Herzog, die dit huis heeft gesticht, neemt daarin ook de kranken op, die in hunne woning geene goede verpleging kunnen vinden; de verzorging der zieken is aan zusters van liefdadigheid, alzoo aan de beste handen, toevertrouwd. Elken morgen komt mevrouw Herzog, met een harer kinderen aan de hand, zelve hare zieken bezoeken, om hun woorden van troost en bemoediging toe te spreken, of, in ernstige gevallen, den geneesheer te raadplegen. Hulde, eerbiedige hulde aan de edele vrouw, wier voorbeeld meer nut sticht dan vele predikatiën en vertoogen, en die door hare eenvoudige daad krachtiger medewerkt tot oplossing van wat men de sociale kwestie noemt, dan alle staathuishoudkundigen te zamen met al hun theorieën en stelsels.Gezicht in Colmar.Gezicht in Colmar.XIIIColmar is eene open stad, met eene schilderachtige, schoone ligging, halverwege tusschen Basel en Straatsburg, aan de oevers van de Ill, en met een mooi uitzicht op de Vogesen. Om haar oude monumenten, haar historische herinneringen, haar fraaie wandelingen, verdient zij wel dat de reiziger hier ophoude, waar ik hem durf verzekeren dat hij eenige aangename dagen slijten kan. In de vorige eeuw had het hoogste regeeringscollege van den Elzas hier zijn zetel, en ook na de inlijving bij het Duitsche rijk heeft Colmar het hooggerechtshof van het nieuwe rijksland behouden. Met haar bevolking van zes-en-twintigduizend-tweehonderd inwoners, waaronder een aantal magistraatspersonen en rechterlijke ambtenaren, is Colmar juist zulk een rustig, kalm, gezellig stedeke, als men zich ten verblijve zou kunnen wenschen. Een deel der bevolking leeft van den landbouw; de meer rumoerige fabriekarbeiders wonen bijna allen in de voorsteden en langs het kanaal van Logelbach: de stad zelve bleef tot dusver van de plaag der fabrieken verschoond. Haar ligging aan het spoorwegnet, die haar in rechtstreeksche verbinding brengt met Zwitserland en Frankrijk en ook met het Schwarzwald, aan de overzijde van den Rijn, heeft op de ontwikkeling van haar handel en nijverheid zeer gunstig gewerkt.Maar deze ontwikkeling heeft ook tengevolge gehad, dat Colmar zich beklemd begon te gevoelen in haar gordel van oude muren, en dat zij dien muur stuk voor stuk is gaan afbreken, om zich ruimte te maken en versche lucht te scheppen. Gaandeweg ondergaat de stad eene herschepping. In plaats van de drie oude poorten, waarop weleer de wegen naar Basel, Breisach en Rufach uitliepen, ziet ge overal nieuwe straten, die u naar buiten voeren. De huizen, waarvan de bovenverdiepingen soms zoo schilderachtig in de straat plachten uit te steken, trekken zich terug en zwichten voor de onverbiddelijke rooilijn. De sloopingskoorts dreigtook de overgebleven gedeelte van de oude wallen, zonder eenige noodzaak, omver te halen; zelfs de boomen dier wallen loopen ernstig gevaar. De verfoeilijke speculatiewoede, voor wie niets heilig of eerbiedwaardig is, die zelfs met euvele hand in schandelijken overmoed Rome vernielt en schendt, is ook tot hier doorgedrongen. Men zegt, dat al deze veranderingen en verbouwingen in het belang der hygiëne zijn: de hygiëne speelt in deze onze dagen eene zeer gewichtige rol en in haren naam worden vele onzinnigheden, vele gruwelen zelfs gepleegd; ik weet niet, of zij ook inderdaad bij deze gedaanteverwisseling van Colmar is betrokken. Maar zooveel is ontwijfelbaar zeker, dat het pittoreske, dat de esthetica er zeer onder lijdt. Als de laatste gracht zal zijn gedempt met het puin van den laatsten muur; als alle toegangen naar de stad in breede, vlakke, rechte wegen zullen zijn herschapen; als alle huizen zooveel mogelijk naar hetzelfde model zullen zijn gebouwd en alle straten met de liniaal getrokken:—dan zal Colmar misschien, onder sommige opzichten, iets gewonnen hebben en beantwoorden aan de eischen eener moderne stad, maar dan zal het ook even eentonig, even karakterloos zijn, dan zal het alle oorspronkelijkheid, alle individualiteit hebben ingeboet, volmaakt onbeduidend zijn, plat, vulgair en vervelend in de hoogste mate.Maar—wat de toekomst moge brengen—thans is het, Goddank! nog zoover niet. Laat ons hopen, dat eene verstandige regeering een middel zal weten te vinden om aan de eischen en behoeften van den nieuwen tijd te voldoen, zonder te kort te komen in den eerbied, aan de monumenten van vroeger eeuw verschuldigd. Ondanks de pogingen van haar sloopers en verwoesters, biedt de goede stad Colmar nog genoeg merkwaardigs, om een belangstellend bezoeker te boeien. Wie met den spoorweg of langs den weg van Logelbach in de stad komt, wordt aanstonds getroffen door de prachtige boomgroepen, perken en standbeelden van het zoogenoemde Marsfeld, dat vroeger een deel uitmaakte van den stadswal en zijn krijgshaftigen naam ontleent aan de omstandigheid dat hier vroeger de militairen exerceerden. Op het midden van het plein prijkt het standbeeld van generaal Rapp. Een ander standbeeld, dat van admiraal Bruat, verrijst midden in de groote allée, die van het plein naar het Gouvernementshuis voert, een statig indrukwekkend gebouw, dat menig vorstelijk paleis in de schaduw stelt. In de Meimaand verspreiden de oude linden van het Marsfeld een verkwikkelijken lommer en vermengen den zoeten geur van hun bloesems met het doordringend parfum der bloeiende jasmijnen. Hoe vele uren heb ik, als gymnasiast, daar met mijne kameraden van buiten doorgebracht, aan den voet van het standbeeld van Bruat allerlei plannen besprekende van verre reizen, aan gene zijde van den oceaan. Wij kwamen daar samen op het etensuur, en gaven er ons middagmaal aan, tevreden met een stuk droog brood, waardoor wij vier stuivers uitspaarden: welke stuivers dan werden gebruikt voor het aankoopen van reisverhalen.Iederen morgen en iederen avond gingen wij te voet van Colmar naar Turckheim, met onzen tasch op den rug, onverschillig voor koude of warmte, regen of zonneschijn. Waar zijn die vroolijke gelukkige dagen, zoo vol zoete illusiën, gebleven!Aan het Marsfeld grenzen de met linden en kastanjes beplante wallen, die de stad omringen en door den muur worden omzoomd. Feitelijk vindt men die boomen nog slechts tusschen de Rufacher- en de Baselerpoort, of, om juister te spreken, tusschen de plaatsen waar die poorten hebben gestaan. Want alle oude poorten zijn verdwenen. Vroeger waren die poorten groote, zware, vierkante torens, gelijk aan die, welke nog te Turckheim in stand zijn gebleven. Bij de uitlegging van den muur werden die oude poorten afgebroken; in het begin van deze eeuw werden zij vervangen door ijzeren hekken, waarvan het laatste thans terecht is gekomen voor den ingang van het ziekenhuis. Aan alle kanten breidt de stad zich tegenwoordig buiten de oude wallen uit; het nieuwe aristokratische kwartier, met zijn door tuinen omgeven villa’s, ligt achter, het Gouvernementsgebouw, langs den weg naar Rufach. De oude muur, die in 1682 werd gebouwd, ter vervanging van de in 1673 gesloopte vestingwerken, is nog hier en daar staande gebleven, met name langs de Lauch; en die oude vervallen brokken maken een zeer schilderachtig effekt. Aardig en karakteristiek bij uitnemendheid is het gezicht, waar de Lauch—eene beek, die in de Ill uitloopt—de stad binnentreedt en bij de Vischmarkt een der takken van het kanaal van Logelbach ontmoet. Gij zoudt u bijna in Venetië verplaatst kunnen wanen: de huizen met hunne hooge spitse daken rijzen rechtstreeks uit het water op, afgewisseld door kleine smalle tuintjes, waar de vruchtboomen buigen onder den overvloedigen oogst en de wingerd zijne ranken uitspreidt langs de grauwe muren. Hoog geladen groenteschuiten glijden langzaam door het water; onder het boomen wisselen de schuitevoerders een groet met de vrouwen en meisjes, die langs den kant haar goed spoelen. Het water ziet er uit als chocolade en schijnt, ondanks den snellen stroom, dik en drabbig.De voornaamste straten van Colmar, breed genoeg voor de behoeften van het verkeer, volgen evenwel niet de rechte lijn, althans niet voor langen tijd. Een van de aardigste stadgezichten biedt de Lange-Gasse, van de protestantsche kerk tot het Hof van appèl. Een aantal oude huizen prijken hier nog met hunne torentjes en erkers. Na de openbare gebouwen en monumenten, zooals de Sint-Maartenskerk, het voormalige klooster Unterlinden, de Korenhal, het Kaufhaus, het Gouvernementsgebouw, wijden de vreemdelingen, meer dan de inwoners zelven, hunne aandacht aan deze oude huizen. Daaronder verdient in de eerste plaats vermelding het zoogenoemde Kopfhaus (Huis met de hoofden), met zijn puntgevel en zijn hoektorentje van gehouwen steen, met grijnzende koppen versierd; voorts het huis Pfister, dat met zijn uitstekenden traptoren, zijn erker, zijn houten balkon, zijn onlangs gerestaureerde freskoos, met recht de parel der burgerhuizen van het oude Colmar mag worden genoemd.De Schädelgasse, waarin dit huis uitkomt, smal, ter wederzijde omzoomd door huizen, waarvan de bovenverdiepingen uitspringen, was, naar men zegt, in de middeleeuwen de hoofdstraat der stad. Aan het einde der straat, naar den kant van de Lange-Gasse, ziet men nog een ander oud huis met een zwaren hoektoren, en in het voorportaal een opschrift in oud-duitsch, vermeldende dat dit huis, tot straf voor een oproer, moest worden gesloopt.“In het jaar toen men schreef na Gods geboorte dertienhonderd-acht-en-vijftig, des maandags na Sinte-Agnietedag, was de doorluchtige vorst, hertog Rudolf van Oostenrijk, stadhouder des rijks in den geheelen Elzas, en sprak vonnis ter zake van het oproer tegen den landvoogd, den burgemeester en den raad van Colmar, en beval deswege dat dit huis zou worden gebroken en nimmermeer opgebouwd worden, tot eene eeuwige gedachtenis.”In spijt van ’s hertogs vonnis, werd het toch weder opgebouwd; en als ten spot van zulke beslissingen voor de eeuwigheid, heeft men de vorstelijke uitspraak in steen gebeiteld en in den muur geplaatst van het huis zelf, waarvan hij de oprichting verboden had! Een aantal andere huizen prijken, behalve met beeldwerken en versieringen boven de deur, met vrome spreuken en opschriften, getuigen van den degelijken, godsdienstigen zin der voorgeslachten. Meestal beveelt de eigenaar zijne woning aan de hoede van God:Deus dedit incrementum, zegt een dezer opschriften;Deus quoque custodiet. Elders geldt het zoowel het huis als het gezin:Accrescat domui res simul et decus! “Moge dit huis groeien in kracht en in eere!” Juist, zoo behoort het. Eer zonder kracht of welvaart is eene halve zegen; welvaart zonder eer is, en was toen eene schande. Daaromres et decus: voorspoed en eere. Een ander huis richt zich tot de voorbijgangers: “Gij bewondert, zoo luidt het opschrift, mij en degenen, die mij gemaakt hebben: doe meer voor mij dan zij hebben kunnen doen: bid God dat hij mij beware.”—De bede is tot hiertoe verhoord. Hoe vele huizen, niet minder rijk aan beeld- en schilderwerken en opschriften, zijn sedert gevallen onder den hamer der sloopers! Het tegenwoordige geslacht, naar eigen smaak en op eigene wijze willende wonen, haalt de woningen van het voorgeslacht omver, om ze te vervangen door anderen, die gemakkelijker en doelmatiger zijn ingericht, die warmer en beter verlicht zijn. Die meerdere gemakken zijn niet te versmaden; maar in vele gevallen zouden zij ook in de bestaande oude huizen zijn aan te brengen, die althans dit ééne hebben wat de nieuwerwetsche woningen ten eenemale missen, namelijk karakter en stijl.Wie zich op een mooien avond, als de maan haar fantastisch schijnsel over de stad werpt en licht en schaduw zoo tooverachtig verdeelt, op den hoek plaatst van de oude Schädelgasse, tegenover de Groenmarkt, tusschen het Kaufhaus en het gebouw van het Hof van appèl, die kan zich gemakkelijk verbeelden eenige eeuwen terug te zijn gegaan. Voor zich ziet hij een huis met een puntgevel in renaissancestijl, versierd met gegroefde pilasters; en links daarnaast verrijst, met hare zware steenen leuning en haar koepelvormig dak, de buitentrap van het Kaufhaus, waarvan de smaakvolle balustrade zich tegen den hemel afteekent. Op de Groenmarkt zelve, ter rechterhand, beurt het Edelhof zijn hoogen trapgevel ten hemel, waarvan elke trede met een pinnakel is versierd. Links stuit de blik tegen den gelijksoortigen gevel van het huis met den zuilengang, waarvan de slanke achtkantige torentjes, met hun arabesken en spitse daken, door hun bevalligen vorm en schoone evenredigheden zoo te recht de bewondering opwekken.—Het Kaufhaus, dat vier eeuwen oud is, is meermalen in den loop der tijden van bestemming veranderd. In 1480 gebouwd, diende het aanvankelijk als entrepôt voor de wijnen, het graan en de verschillende koopwaren, waarvan de stad Colmar, krachtens octrooi van de Keizers Lodewijk van Beieren en Karel IV, belasting mocht heffen. Later vestigde de magistraat er zijn zetel; de tegenwoordigegymnastiekzaalin de benedenverdieping werd toen als folterkamer gebruikt; de bovenverdieping dient thans voor de vergaderingen van de Kamer van koophandel.De voormalige groentenmarkt, die weleer op het plein voor het Kaufhaus gehouden werd, is thans overgebracht naar eene overdekte markt, waar wij de fontein van den Wijnboer gaan bewonderen, die wel de aandacht verdient. Het voornaamste sieraad van die fontein is het beeld van een jongen wijnboer of arbeider, uitrustende van zijn werk. De warmte heeft hem zijne kleederen voor het grootste deel doen afwerpen; met zijne krachtige armen tilt hij een kleinen emmer omhoog, die bij de wijnboeren in den Elzas in gebruik is. Naast hem zit zijn trouwe metgezel, zijn hond. Dit fraai bewerkte bronzen beeld, een geschenk van de fransche regeering, is het werk van den heer Auguste Bartholdi, van Colmar geboortig, die ook de monumenten voor generaal Rapp en admiraal Bruat vervaardigd heeft. Dit laatste standbeeld, insgelijks van brons, versiert mede eene fontein; toen het in 1863 te Parijs werd tentoongesteld, droeg het de algemeene goedkeuring weg. In de lommerrijke lindenlaan, waarin het nu is geplaatst,—die laan waar ik mijne eerste lessen in de aardrijkskunde leerde;—staat het beeld van den admiraal in fiere rustige houding op een prachtig zandsteenen voetstuk, uitmuntende door zijne smaakvolle proportiën en door de vier groote allegorische figuren, vier werelddeelen voorstellende.Rapp en Bruat zijn beiden van Colmar geboortig, even als Pfeffel en Schöngauer, wier gedenkteekenen wij in het museum Unterlinden zullen zien. Rapp, tijdens het eerste keizerrijk opperbevelhebber van het Rijnleger, sedert pair van Frankrijk, bekend door zijne heldhaftige verdediging van Dantzig, aanschouwde op den 21stenApril 1771 het levenslicht in het Kaufhaus, waarvan zijn vader portier was. Op zestienjarigen leeftijd als vrijwilliger bij een regiment kavalerie in dienst getreden, nam hij een werkzaam aandeel aan deeerste veldtochten van Napoleon, die hem na den slag bij Marengo tot zijn adjudant benoemde. Geen andere generaal van het keizerrijk kan in persoonlijken moed en vooral in onafhankelijkheid van karakter met hem op eene lijn worden gesteld. Hij vervulde verschillende belangrijke zendingen en ontving op het slagveld twee-en-twintig wonden.—De admiraal Bruat, die jonger was dan generaal Kapp, trad in 1811 in dienst; hij stierf als opperbevelhebber van de fransche vloot in het Oosten, na de inneming van Sebastopol. Zijne onverschrokkenheid en vermetele moed verzekeren hem voor immer eene schitterende plaats in de geschiedboeken der fransche marine. Hij nam deel aan den slag van Navarino en vertoonde de fransche vlag zoowel in de Levant als in de Antilles en in de Stille-zee; aan hem dankt Frankrijk het protektoraat over, dat wil zeggen het bezit van de Taïti- of Sandwich eilanden; hij bestuurde de met zoo schitterenden uitslag bekroonde expedities in de zee van Azof, gedurende den Krim-oorlog. Even als Rapp onderscheidde ook admiraal Bruat zich als diplomaat en bekwaam administrateur.De Wijngaardenier (Blz. 195.)De Wijngaardenier (Blz.195.)XIVAls alle steden langs den Rijn, was Colmar eens zeer rijk aan kerken en godsdienstige gestichten, die tegenwoordig voor het meerendeel aan hunne oorspronkelijke bestemming zijn onttrokken. Behalve de collegiale kerk van Sint-Maarten, vinden wij het klooster van Unterlinden, het Franciskanerklooster, de kerk der Dominikanen; de kloosters van de Catherinetten, van de Kapucijnen, van de Augustijnen, de kommanderij van Sint-Jan, de priorie van Sint-Pieter; de filiaalhuizen der abdijen van Munster, van Marbarch, van Arlesheim en Alspach.—De priorie van Sint-Pieter is een lyceum geworden, maar waarin sedert de inlijving bij Duitschland, geen leerlingen meer worden opgenomen; de kerk is nog voor de katholieke eeredienst bestemd. Het Franciskanerklooster, in het midden der dertiende eeuw gesticht en door de pest van 1541 ontvolkt, dient tegenwoordig als stedelijk ziekenhuis; daar al de monniken, met uitzondering van den pater-gardiaan, aan de pest waren overleden, kocht de stad al de bezittingen van het klooster voor tweeduizend-zevenhonderd gulden, met de verplichting ten eeuwigen dage de monniken, op hun doortocht door Colmar, gastvrijheid te verleenen of anders twee zilveren batsen uit te keeren. Met het ziekenhuis is een weeshuis verbonden, benevens eene inrichting tot opleiding van vroedvrouwen, beiden door partikuliere liefdadigheid gesticht. Het oude Kapucijnerklooster is thans ook tot een ziekenhuis ingericht, onder leiding der zusters van Niederbronn; terwijl het klooster der dames Catherinetten sedert 1792 tot militair hospitaal, dient. Omstreeks den zelfden tijd werd het Dominikanerklooster tot gevangenis vernederd, terwijl de kerk als korenbeurs wordt gebruikt.De meeste kerken van de voormalige kloosters zijn echter nog steeds voor de eeredienst bestemd; zoo, bijvoorbeeld, de Franciskaner-kerk, waarvan het koor en het schip door een muur gescheiden zijn; het laatste is als protestantsche kerk ingericht, terwijl het koor bestemd is voor de Katholieken, die in het stedelijk gasthuis zijn opgenomen. Geene enkele van deze kloosterkerken verdient uit een architektonisch oogpunt bijzondere vermelding.De kollegiale kerk van Sint-Maarten zou een goed figuur maken als kathedraal, indien Colmar de zetel van een bisschop was. Zij verrijst midden in de stad, en vertoont, hoezeer uit verschillende tijdperken dagteekenend, niet die plotselinge overgangen in stijl en wijze van versiering, die elders zoo vaak den indruk van het geheel bederven. De oude uitgangen van het dwarsschip zijn toegemetseld. Onder de beelden, die den linkerboog van het portaal van Sint-Nikolaas, aan het zuidelijke dwarsschip, het oudste gedeelte van de kerk, versieren, ziet men ook het beeld van den architekt, kenbaar aan een winkelhaak, dien hij in de hand houdt. Bovendien staat daarnevens zijn naam in den steen gebeiteld, en wel in het fransch:Maistres Humbret. De bouwmeester van de Sint-Maartenskerk van Colmar was dus, even als de schepper van het groote portaal van de Sint-Theobaldskerk te Thann, een Franschman of misschien een Lotharinger. Het koor, een eeuw jonger dan het schip, werd, naar men zegt, gebouwd door Willem van Marburg, in 1366 overleden.Hoogaltaar in de Sint-Maartenskerk te Colmar. (Blz. 198).Hoogaltaar in de Sint-Maartenskerk te Colmar. (Blz.198).In de middeleeuwen, toen onze goede Elzassers,als trouwens al hunne tijdgenooten, rijker waren aan geloof dan aan geld, vorderde de voltooiing van een zoo belangrijk werk als de bouw van de collegiale kerk van Colmar, in eene nog weinig bevolkte stad, uit den aard der zaak zeer veel tijd, daar met de beschikbare middelen rekening moest worden gehouden. Het is dus niet te verwonderen, dat dergelijke monumenten—waaraan op verschillende tijden, verschillende architekten, anders gevormd en met andere denkbeelden bezield, hebben gewerkt,—die eenheid van stijl missen, die een kenmerk behoort te zijn van in hun soort volmaakte kunstgewrochten.—De oorsprong van de Sint-Maartenskerk was eene eenvoudige kapel, in de negende eeuw door de Benediktijner-monniken van Munster gebouwd. Het schip dagteekent uit het midden van de dertiende eeuw; de bouw van dit deel der kerk, waarvoor van alle kanten giften werden ingezameld, duurde niet minder dan vijftig jaren. Oorspronkelijk vervingen twee groote kapellen de plaats van het koor. Om dit laatste tot stand te brengen, moesten op nieuw, ook in den vreemde, giften worden ingezameld. Reeds in 1284 richtte de bisschop Hendrik van Basel eene oproeping tot de geloovigen, waarbij hij hen vermaande de kerk van Colmar niet onvoltooid te laten, maar haar tot een Gode waardig heiligdom te maken. Zijn vicaris Albrecht vroeg bijdragen van al de inwoners van Basel, omdat de inkomsten van de particuliere fondatie van Sint-Maarten ontoereikend waren. De tweede toren, die het groote portaal aan de noordzijde flankeeren moest, werd nooit voltooid en reikt niet hooger dan het dak van het schip. Het tegenwoordige bovenstuk van den bestaanden toren, aan de zuidzijde, werd na den brand van 23 Mei 1572 aangebracht.In 1798 door de revolutionaire horden geplunderd en gesloten, werd de kerk later aan de katholieke eerdienst teruggegeven; maar in dien tijd was zij bezoedeld door de dusgenoemde eeredienst van de Rede, hier, als elders in het republikeinsche Frankrijk, alleszins waardig vertegenwoordigd door eene veile deerne, die, zoo goed als naakt, op het altaar plaats nam. Pfeffel, de fabeldichter, wiens standbeeld wij straks voor Unterlinden zullen zien, zond aan een vriend, die hem het besluit tot instelling van de eeredienst der Rede had medegedeeld, dit puntdicht:“EinTempel der Vernunft soll unsere Städte zieren;Recht schön; doch macht’ ich gern, in Unterthänigkeit,Die kleine Motion: eh man ein Haus ihr weiht,Erst die Vernunft zu decretiren.”Toen de blinde dichter later, langs de kerk gaande, daar binnen hoorde kloppen en timmeren, vroeg hij, wat er nu weer gaande was. Men antwoordde hem, dat het stedelijk bestuur toebereidselen liet maken voor het feest van het Opperwezen, dat ook te Parijs, onder voorgang van Robespierre, was gevierd. Daarop antwoordde hij dadelijk met dit ex-tempore:“Darfst, lieber Gott, nun wieder sein;So will’s der Schach der Franken.—Lass flugs durch ein paar EngeleinDich schön bij ihm bedanken.”Van binnen is de kerk zeer eenvoudig. De steenen muren zijn kaal, uitgezonderd alleen in de kapel van Onze-Lieve-Vrouwe, rechts van het koor. Men heeft die kapel onlangs in den stijl der dertiende eeuw gerestaureerd, en haar met muurschilderingen versierd, die een zeer goed effekt maken. Ook het zeer fraaie en bevallige beeld der Madonna, op het altaar, is in denzelfden stijl beschilderd.—Het hoogaltaar van gesneden hout, zonder eenig schilderwerk hoegenaamd, is in volkomen overeenstemming met de eigenaardige verlichting der kerk, terwijl het beeldwerk zelf geheel past bij den architektonischen stijl van het gebouw. Dit altaar is het meesterstuk van een uit Colmar geboortigen kunstenaar, den heer Klem, wiens werk men in verschillende kerken in den Elzas terugvindt. Er is een oogenblik sprake van geweest, dit altaar te vergulden of te kleuren, maar men heeft zeer te recht van dat voornemen afgezien. Alle figuren zijn in relief en in rond beeldwerk. Zes zuiltjes met gebeeldhouwde kapiteelen dragen het altaarblad. In de twee bogen ter weerszijde van de middelste nis, waarin de relikwiënkast van Sint-Maarten moet worden geborgen, zijn de zinnebeelden van de vier Evangelisten geplaatst. De trapjes van de altaartafel prijken met eene uitmuntend gebeeldhouwde fries: een slinger van wingerdbladen met druiventrossen en korenschoven vermengd, de symbolen van de eucharistie. In het midden verrijst de tabernakel, die door eene kleine deur van verguld brons, met het Lam Gods versierd, gesloten wordt; ter wederzijde van den tabernakel ligt een engel in knielende houding. Pilasters, door eene open gewerkte galerij verbonden, vormen, ter hoogte van den tabernakel, vier paneelen en verdeelen in drie ongelijke vakken eene prachtig gewelfde en rijk gebeeldhouwde nis, die de geheele breedte van het altaar inneemt. In het midden ziet men het Avondmaal: de figuren, op de helft der natuurlijke grootte, vertoonen den traditioneelen type en teekenen zich uitmuntend af tegen den donkeren achtergrond. In het bovenste gedeelte van het altaar wordt de aandacht dadelijk getrokken door de hoofdgroep, Christus voorstellende, omringd door heiligen uit den Elzas. In de iets lager gelegen zijnissen—even als de middelste nis bekroond door kunstig gesneden bloemen en spitsen en naalden, door al den weelderigen rijkdom der gothiek,—ziet men tafreelen uit het leven van Sint-Maarten den patroon der kerk, en van Sint-Arbogast, den patroon van het bisdom. In de groep ter linkerhand is Sint-Arbogast voorgesteld, door zijn gebed het leven terug gevende aan Siegbert, den zoon van koning Dagobert. De rechter groep verbeeldt Sint-Maarten, met zijn zwaard zijn mantel doorsnijdende om daarmede een naakten bedelaar te kleeden.—De personen in de middelste nis rondom den Heiland gegroepeerd, verbeelden Sint-Fidelius van Sigmaringen, eerst advokaat te Colmar, vervolgens Kapucijner-monnik en martelaar; Sint-Firminus, bisschop, stichter van deabdijvan Murbach, met het model zijner abdijkerk in de hand; Sinte-Odilia, de maagd van Hohenburg, in knielende houding, inhet gewaad eener non, het geopende boek in de hand, waarin twee oogen zijn afgebeeld, ter herinnering aan het wonder, waardoor zij het gezicht herkreeg; Sinte-Richardis, echtgenoote van Keizer Karel den Dikke, met een hermelijnen mantel bekleed en haar kroon nederleggende voor de voeten van den Zaligmaker; Sint-Maternus, de eerste apostel van den Elzas, die eene kerk met drie torens in de hand houdt, ten teeken van de drie door hem gestichte bisdommen; Sint-Morand, de apostel van de Sundgau, met een wingerdrank in de hand, ter herinnering aan de legende, volgens welke hij den wijnstok in den Elzas zou hebben ingevoerd; Sinte-Huna, de godvruchtige edelvrouwe van Hunaweier, in aanbidding neergebogen; eindelijk Sint-Leo IX, de groote Paus; tegenover Sinte-Richardis neergeknield, biedt hij den Heiland het wapenschild van Colmar aan, als om ’s Heeren zegen af te smeeken over de stad, in wier nabijheid de doorluchtige opperpriester geboren werd.—Geheel uit hout gesneden, in de stijl der veertiende eeuw, heeft het hoogaltaar van Sint-Maarten eene hoogte van zestien el, en mag met volle recht, om den rijkdom en de onberispelijke bewerking der ornementen, om het diepe, fijne gevoel dat uit alle beelden en groepen spreekt, onder de kunstwerken een hoogen rang innemen; zeer zeker is het het beste van dien aard, dat wij in het geheele land bezitten.Alvorens wij een blik werpen op het verleden van Colmar, willen wij den toren van de Sint-Maarten beklimmen om van daar de stad te overzien.—Een aardig gezicht, niet waar, waarvoor ge u wel de moeite wilt getroosten om de tweehonderd-drie-en-veertig treden te beklimmen van de wenteltrap, die naar den omgang van den toren leidt. Volgens eene plaatselijke traditie, zou die omgang een vereenigingspunt zijn geweest van de tooverheksen: vandaar de naam van Hexenplatz, waaronder dit plat nog heden bekend is. Ter wille van de gewone stervelingen, die aan duizeligheid onderhevig kunnen zijn, heeft men in het jaar 1766 dit torenplat van een steenen balustrade voorzien. De hoogte van het plat bedraagt niet meer dan acht-en-veertig el boven het kerkplein: juist voldoende om in het rond, in het oude Colmar, de voornaamste gebouwen te herkennen, aangewezen op den plattegrond van Merian uit het jaar 1643. Het meer verwijderde uitzicht is ook wel de moeite waard. Aan de eene zijde overzien wij de geheele keten der Vogesen, aan de andere de berggroep van den Kayserstuhl, en tusschen die beiden de vlakte van de Ill en van den Rijn; de twee rivieren zelven zien wij niet: zij duiken weg in het groen; de bergen van het Scharzwald, doorgaans zeer duidelijk zichtbaar, zijn nu op het heete middaguur, in een trillenden nevel gehuld. Er is geen wolkje aan den hemel: de brandende Junizon straalt in volle kracht en stooft de bloeiende aarde, die in vollen zomerdos prijkt. Hoe vol en rijk zijn de boomgroepen van het Marsfeld, en de moestuinen van de Aue, in het vochtige dal van de Lauch! Achter de tuinen beginnen de bosschen, begrensd door steenachtige terreinen, die voor bebouwing ongeschikt zijn. De akkers, in de vlakte van de Ill, zoo bij uitnemendheid vruchtbaar, zijn thans bedekt met blonde halmen, afgewisseld door wijngaarden, overal waar de nachtvorsten in de lente zich niet al te streng doen gevoelen. Aan den voet der heuvelen beginnen de wijnstokken over de geheele lengte der vallei van de Fecht, achter de Logelbach, waarvan de uitgestrekte fabriekgebouwen als het ware eene voorstad van Colmar vormen. En welk een prachtige omlijsting vormen de Vogesen, zoo schoon en bevallig met hunne fraai geteekende, schilderachtig afgeronde hellingen, niet te steil en niet te flauw, geheel met bosch bekleed tot aan de groene weiden in de hoogte; met hunne stout gevormde toppen, hier en daar oprijzende en den blik tot zich trekkende. De Letzenberg met zijne witte kapel, de ruïnen van den Hohenlandsburg, de drie torens van Egisheim, de bedevaartskapel der Drei Aehren, het kasteel Hageneck met de scherp geteekende zigzags van den nieuwen weg:—ze zijn allen duidelijk zichtbaar. Voorts overal, waarheen wij den blik ook wenden, volkrijke dorpen en vlekken met hunne torens, ver en nabij, sommigen opdoemende aan den gezichteinder, tusschen den Rijn en de bergen, van Schlettstadt tot Rufach en nog verder. In waarheid, mijne vrienden, de Elzas is een mooi land.Het doet er dan ook weinig toe, dat op het bovenstuk van den toren van Colmar gegronde aanmerkingen te maken zijn. De torenwachter, die hier woont, en die de klok moet luiden, zoodra er in de stad of in den onmiddellijken omtrek brand uitbarst, is tevreden met zijne hooge positie. Niet zonder kennelijk welbehagen noemt hij ons de namen van alle dorpen en vlekken in het ronde, benevens die van de bergen en rivieren. Met de zekerheid van iemand die er alles van weet, zal hij u uitleggen dat de voorgevel van zijne kerk minder kaal en rijker versierd zou zijn, indien de bouwmeesters over meer geld hadden kunnen beschikken. De aan zijne zorg toevertrouwde klokken zijn meest allen uit het jaar na den brand, en voeren als wapenteeken den ouden tweehoofdigen adelaar van het heilige Roomsche rijk. Met een dezer klokken moest, van Allerheiligen tot Sint-Mathias, elken avond van zeven tot acht uren worden geluid: en dat wel krachtens eene keure van de magistraat, houdende bevel dat geen enkel herbergier of koekbakker zijne klanten na dat uur mocht houden, met bedreiging van ernstige straf en schande. Dat in den goeden ouden tijd aan deze keur van de zorgzame burgervaderen stipt de hand werd gehouden, zou ik niet durven verzekeren. De statuten van de Waagkeller-vereeniging, opgericht, “om te drinken, te eten en zich onderling te vermaken”, geven wel grond voor het vermoeden, dat ook vroeger, evenals tegenwoordig, depolicieverordeningenuitzonderingen toelieten.Elk gebouw van het oude Colmar, de burgerhuizen daaronder begrepen, is als het ware een levende getuige van het verleden der stad, eene leesbare bladzijde uit haar geschiedboek. Een aantal huizen dagteekenen uit de middeleeuwen, toenhet poorterschap van de oude vrije stad verbonden was aan den eigendom van eene woning aan ’s heeren straat. Daartoe behoort onder anderen het gothische huis op het plein, tegenover het Sint-Nikolaas portaal van de parochiale kerk, door den passementwerker Adolph met groote kennis en keurigen smaak gerestaureerd.—Daarnaast prijkt het commissariaat van policie met een fraai uitstekend balkon, een zoogenaamden erker, boven een portaal met het jaartal 1597. De duitsche renaissance heeft niets volmaakters in zijne soort geschapen dan dit balkon. Op dat balkon legden de heeren der stedelijke regeering en de groot-baljuw van den Elzas, tegenover de burgerij, den eed af, dat zij de stad bij hare vrijheden en privilegiën zouden handhaven. Vroeger stond op de plaats van dit gebouw eene aan Sint-Jacobus gewijde kapel, waarvan de krypt, die tot knekelhuis diende, nog bestaat. Rechts, onder den grooten boog die toegang geeft naar de Schädelgasse, werd door den provoost recht gesproken. De koetspoort, bij dien boog, vormde den ingang naar de herberg van de schoenmakers, waar de dichter George Wickram zijne zangerschool stichtte, van waar het handschrift der Minnesinger en Meistersinger, dat op de koninklijke bibliotheek te Munchen bewaard wordt, afkomstig is. Alle ambachtsgilden hadden zulk eene eigene herberg of plaats van bijeenkomst, die aan een bijzonder uithangteeken kenbaar was; even als de godsdienstige corporatiën, die van buiten daaronder begrepen, haar hof of huis in de stad hadden, waar de tienden en de opbrengsten der landerijen werden geborgen en waar haar rentmeester woonde. Die huizen onderscheidden zich doorgaans door bijzonder fraai beeldwerk: zoo als bij voorbeeld het Huis met de hoofden, weleer de herberg voor de gasten en bezoekers van het Dominikanerklooster.
Landmeisje uit de vallei van de Fecht.Landmeisje uit de vallei van de Fecht.
Landmeisje uit de vallei van de Fecht.
Landmeisje uit de vallei van de Fecht.
Het is natuurlijk hier niet de plaats om ten aanzien van deze aangelegenheid in nadere bijzonderheden te treden; maar ge moogt de schilderachtige vallei van de Fecht niet verlaten, zonder een bezoek te brengen aan het goed van de familie Herzog, op de helling van den Letzenberg. Een reuzentrap van meer dan vierhonderd treden voert u in eens boven op den berg. Deze trap loopt uit op een ringmuur, die blijkens het opschrift boven de poort, in 1850 gezet werd, om aan de arme werklieden werk te verschaffen. Binnen getreden, wordt uwe aandacht getrokken door eene witte kapel, in italiaanschen stijl, op een hoogte gebouwd, die door acacia’s en dennen is omringd. Verder bespeurt ge een smaakvol chalet met sierlijke bloembedden; en overal langs de berghellingen wijnstokken. Op sommige plaatsen is dehelling zoo steil, dat zelfs de wijnstok er niet wortelen kan; de naakte rotswanden rijzen daar loodrecht omhoog boven een uitgestrekt park met lommerrijk geboomte en fluweelige grasperken. Van het terras voor de kapel overziet de blik de geheele vlakte van den Rijn en de vallei van de Fecht. De kathedraal van Straatsburg, de rotsen van den Kaiserstuhl, de besneeuwde toppen der Alpen, rondom de Jungfrau geschaard, zijn bij helder weer duidelijk zichtbaar, even als het Munsterthal en de volkrijke dorpen in het bassin van de Ill. Dit verrukkelijk panorama aanschouwende, zou men geneigd zijn, de aarde voor een paradijs te houden en de namelooze ellende te vergeten, die als een looden last op haar weegt. Maar zoo ge u voor een oogenblik door uwe droomen laat medevoeren, de zwarte rook uit de tallooze schoorsteenen langs het kanaal van Logelbach, waar het wemelt van spinnerijen en weverijen, allen door stoom gedreven, roept u aldra tot de werkelijkheid terug. Deze streek is een der middelpunten van de elzassche katoenindustrie, die hier op groote schaal gedreven wordt, en aan honderden gezinnen arbeid en brood verschaft.
Aan den voet van den Letzenberg, aan de oevers van de Fecht en van het kanaal van Logelbach, werd de slag bij Turckheim geleverd, die de definitieve inlijving van den Elzas bij Frankrijk ten gevolge had. In het jaar 1674 trok een duitsch leger, onder aanvoering van omstreeks twintig vorsten, het land binnen, dat bij den vrede van Munster aan Frankrijk was afgestaan. Den vierden October, bij Entzheim, door het minder talrijke leger van Turenne geslagen, betrokken de Duitschers de winterkwartieren, om nieuwe versterkingen af te wachten, alvorens den veldtocht te heropenen. Het keizerlijke leger bezette geheel den Boven-Elzas, van Huningen tot Obernai, van Belfort tot Landskron; men leefde vroolijk en lustig in de winterkwartieren, volkomen gerust gesteld door den geveinsden terugtocht der Franschen naar de andere zijde van de Vogesen. Een aantal dames maakten, in het gevolg van de generaals en hoofdofficieren, den veldtocht mede. De keurvorstin Dorothea van Brandenburg hield haar hof te Colmar, waar de stedelijke regeering, de aanzienlijke burgers en de gilden wedijverden in huldebetoon, in geestdrift en toewijding. De geheele adel van den Elzas hield de zijde van Duitschland, zoowel als de oude vrije steden. De keurvorst Frederik Willem van Brandenburg, die de keizerlijken te hulp was gesneld, zwoer dat hij den grond van den Elzas niet zou verlaten, zoo lang hij nog een enkel man over had, in staat om de wapenen te voeren.—Maar—zoo als het in het duitsche leger doorgaans ging en overal gaan moet, waar eenheid van gezag ontbreekt,—de verschillende legerhoofden lagen voortdurend met elkander overhoop, en het algemeen belang werd aan persoonlijke hartstochten en berekeningen opgeofferd. Wangunst, naijver, kinderachtige veeten deden telkens nieuwe moeielijkheden uitbarsten; men twistte onderling, en bekommerde zich niet om de bewegingen van Turenne, die, naar men zich voorstelde, in Lotharingen werd opgehouden door den buitengewoon strengen winter.
In de apotheek te Kaysersberg. (Blz. 114).In de apotheek te Kaysersberg. (Blz.114).
In de apotheek te Kaysersberg. (Blz. 114).
In de apotheek te Kaysersberg. (Blz.114).
Daar verspreidde zich eensklaps, in de laatste dagen van December, de tijding, dat het fransche leger, na een koenen marsch, om de bergen heen was getrokken en voor Belfort stond. Verrast, maar in het minst niet ongerust, trokken de keizerlijke veldheeren, Bournonville, Caprara en de keurvorst van Brandenburg, hun troepen samen bij Colmar. In der haast werden nu schansen en bolwerken opgeworpen langs het kanaal van Logelbach, tusschen Colmar en Turckheim, terwijl in de eerstgenoemde stad de gilden en de poorters zich wapenden om mede te helpen bij de verdediging. Iedereen verklaarde zich bereid, tot het uiterste weerstand te bieden: de magistraat, de geestelijkheid en het volk. Aan het hof van de keurvorstin Dorothea twijfelde niemand aan de overwinning; de vorstin zelve had de legerhoofden en de dames van het hof uitgenoodigd tot een schitterend feestmaal, dat den dag vóór Driekoningen zou worden gevierd.
Inmiddels was Turenne reeds tot Colmar genaderd. Bij een voorpostengevecht had de fransche generaal, op den negen-en-twintigsten December, de keizerlijken genoodzaakt uit Mulhausen te wijken. Den derden Januari, na te Ensisheim krijgsraad te hebben gehouden, trok hij, langs den voet der bergen, naar Colmar. Twee dagen later, voor het aanbreken van den dageraad, brak het fransche leger van Pfaffenheim op, en trok, in drie evenwijdige kolonnes, voort, de infanterie voorop. Op den Letzenberg staande, ziet ge, ten zuiden, den heuvel van Egisheim, met de ruïnen van zijn drie torens: de troepen van Turenne trokken daar langs. Drie duitsche eskadrons, aan gene zijde van de beek, die den weg naar Belfort doorsnijdt, op den uitkijk gesteld, maakten rechtsom keert, toen zij de Franschen bespeurden. De twee kolonnes, die onder bevel van den graaf de Lorge door de vlakte marcheerden, hielden stil voorbij het kerkhof van Wettolsheim, en ontplooiden hun liniën tot tegenover Wintzenheim, de infanterie op den linker, de kavalerie op den rechter vleugel. Turenne zelf, die met de derde kolonne langs de bergen trok, had van de hoogten van Wettolsheim gezien, hoe de keizerlijken hunne stelling namen tusschen Colmar en Turckheim, achter het kanaal, waar langs hunne talrijke artillerie werd opgesteld. Eensklaps links afslaande, marcheerde Turenne, met veertien bataillons infanterie, eenige eskadrons gendarmes en lichte kavalerie, benevens vier kanonnen, over de steile, smalle paden der wijnbergen; trok vervolgens langs de hellingen van den boschrijken heuvel, waarop de ruïne troont van den Hohlandsburg, die reeds in den dertigjarigen oorlog verwoest was; en daalde, ondanks de sneeuw, die den weg versperde, achter den Plixburg, in het dal van de Fecht af. Tegenover Zimmerbach trok hij over de rivier; en weldra vertoonden de fransche soldaten zich op de beide oevers nabij Turckheim, tot groote verbazing der vijanden. In een oogwenk werd de stadspoort door de dragondersopen gebroken. De luitenant van Turenne, Foucault, viel, doodelijk getroffen, op de brug neder; maar een ander officier, Tilladet, bezette de stad met eenige honderden musketiers en grenadiers. Drie regimenten infanterie bezetten de heuvels en wijnbergen boven de stad, onder bevel van den markies de Mouchy. De lichte kavalerie plaatste zich aan den ingang van den weg naar Turckheim; andere afdeelingen bezetten het kerkhof en den molen aan gene zijde van het kanaal van Logelbach. De met beleid en spoed uitgevoerde beweging was volkomen gelukt: Turenne tastte den vijand in de flank aan.
Een verwoed gevecht volgde: het kerkhof en de molen werden driemaal genomen en hernomen. De markies de Mouchy sneuvelde, en het paard van Turenne werd onder hem doodgeschoten. De duitsche artillerie teisterde de Franschen, die, ten gevolge van den moeilijken tocht over de wijnbergen, hunne kanonnen nog niet hadden kunnen opstellen. Inmiddels spoedde de korte Januaridag naar den avond: er moest een einde aan komen. Zonder op de overmacht der vijanden te letten, liet Turenne nu zijne soldaten, in gesloten gelederen, onder het slaan der trommels en het schetteren der trompetten, ondanks het geweldig vuur der duitsche kanonnen, naar de bevrozen rivier oprukken. Men trok over de rivier en viel op den vijand aan, die wankelde, week en weldra in wanorde terugtrok.
Nu stormden de fransche soldaten den vluchtenden vijand na; maar Turenne, die wist dat de keizerlijken nog de overmacht hadden en de mogelijkheid van een vernieuwden aanval vreesde, riep zijne troepen terug. De voorzorgsmaatregel bleek onnoodig: de verwarring bij de keizerlijken was zoo groot en de verstandhouding tusschen de legeraanvoerders zoo slecht, dat aan een hervatting van den strijd niet werd gedacht. De aftocht ging weldra in volslagen vlucht over. Bournonville, de keurvorst van Brandenburg, de keurvorstin Dorothea maakten zich met alle anderen zoo haastig mogelijk uit de voeten. Van het aangekondigde feest kwam niets: in plaats van feestzangen hoorde men het gekerm der gewonden en de doodskreten der stervenden, uitgestrekt op den hard bevroren grond der weilanden langs de Fecht. De straten van Colmar weergalmden van het rumoer der vluchtende soldaten, van het geratel der haastig aangespannen kanonnen en ammunitiewagens. Doodelijke schrik vervulde de harten der burgers, die gemeene zaak hadden gemaakt met de keizerlijken, en nu de wraak van den overwinnaar vreesden. Turenne kwam den volgenden morgen in de stad, en nam zijn intrek in de herbergZum Schwarzen Berg; hij liet de inwoners met rust en strafte hen niet voor hunne vijandelijke houding. De keizerlijken trokken over den Rijn terug, en de Elzas was voor Duitschland verloren.
Den veertienden Januari bracht de secretaris van den raad van Straatsburg aan Turenne brieven van de regeering dier stad, waarbij een beroep werd gedaan op de edelmoedigheid van den overwinnaar. De burgerij van Straatsburg was woedend tegen de keizerlijke generaals, die zich aan gene zijde van den Rijn hadden teruggetrokken en het land ten prooi lieten aan den vijand. De troepen, die door hunne stad trokken, werden door het gemeen uitgejouwd en beleedigd.
De inlijving van de hoofdstad van den Elzas was nu nog slechts eene kwestie van tijd. Zij had, in vollen vrede, bij verdrag plaats: den dertigsten September 1681 hield Lodewijk XIV zijn intocht in Straatsburg, dat bij den vrede van Rijswijk, in 1697, aan Frankrijk werd afgestaan. Voor immer, zoo luidde de formule in het vredestraktaat. Evenzoo werd, bij den vrede van Frankfort, in 1871, de Elzas weder door Frankrijk aan Duitschland afgestaan, om voor immer met het nieuw herboren Duitsche rijk vereenigd te blijven.—De geschiedenis heeft overvloedig geleerd, dat de eeuwigheid der traktaten van zeer korten duur kan zijn; in onzen tijd vooral zijn zij ter nauwernood het papier waard, waarop zij geschreven zijn. Niemand acht zich door het bezworen verdrag, het plechtig gegeven woord, inderdaad verbonden; zoodra de partij, die bij het verdrag werd benadeeld, haar kans schoon ziet, verbreekt zij het, waartoe altijd een voorwendsel is te vinden, en doet op nieuw een beroep op de wapenen. Het besef van de onbetrouwbaarheid der traktaten, van de bijna volkomen vernietiging van het rechtsgevoel, is zeker niet de minste oorzaak van het vreeselijke feit, dat de staten van Europa, ook in vollen vrede, tot de tanden gewapend tegenover elkander staan, als roovers steeds loerende op elkanders bezit en geene veiligheid kennende dan die door vrees voor de overmacht wordt afgedwongen.
Ik sprak zoo even van de katoenindustrie, die langs het kanaal van Logelbach een harer hoofdzetels in den Elzas heeft. Ik zal u niet uitnoodigen, een dier fabrieken, spinnerijen, weverijen, verwerijen of hoe ze meer heeten mogen, te bezoeken; maar ik mag niet verzwijgen wat den eigenaars dier groote industrieele inrichtingen—waaronder aan de familie Herzog eene eerste plaats toekomt—tot eer strekt: namelijk hetgeen zij in het belang hunner talrijke werklieden hebben gedaan. Allerlei inrichtingen zijn, op aansporing en met ijverige medewerking en ondersteuning van de patroons, in het leven geroepen. Vereenigingen tot ondersteuning van behoeftige kraamvrouwen, kinderbewaarplaatsen, speeltuinen, scholen voor kinderen en volwassenen, ambachtsscholen, volksbibliotheken, huizen voor jonge meisjes, weeshuizen, ziekenfondsen, coöperatieve winkelvereenigingen, spaarbanken, arbeiderswijken:—ziedaar de instellingen, die, onder verschillende namen, overal in den Elzas en ook hier, medewerken tot verbetering van het lot der fabriekarbeiders en tot hunne moreele en materieele verheffing.
In de onmiddellijke nabijheid van Colmar vinden wij de arbeiderswijk, decité ouvrière, behoorende tot de katoenspinnerij Bagatelle. De naar één model gebouwde woningen hebben eene beneden- en eene bovenverdieping, een kelder en een zolder, benevens twee deuren, waarvan de eene op straat en de andereop het binnenplein van de wijk uitkomt; tot het huis behoort ook een kleine plaats met schuur. De ramen van den voorgevel zijn breed, ten einde gelegenheid te geven voor het houden van winkeltjes of voor het maken van kleine werkplaatsen. De huizen van de middengroep ontvangen hun licht alleen aan de voorzijde; daarentegen hebben zij op de bovenverdieping een soort van houten veranda. De benedenverdieping bevat eene zit- en eene slaapkamer, benevens eene keuken; op de bovenverdieping vindt men twee vertrekken, waarvan het grootste door een beschot in tweeën kan worden verdeeld.
Eene katoenspinnerij aan de Logelbach.Eene katoenspinnerij aan de Logelbach.
Eene katoenspinnerij aan de Logelbach.
Eene katoenspinnerij aan de Logelbach.
De bedoeling met de stichting van deze wijk was niet alleen om den arbeiders voor matigen prijs eene goede woning te bezorgen, maar ook om hen aan te moedigen tot spaarzaamheid: tegen eene geringe vergoeding boven de gewone huur, konden zij na verloop van zekeren tijd, eigenaar hunner woning worden. Dit doel is echter te Colmar niet dan bij uitzondering bereikt. Over het algemeen weten de arbeiders niet voor zoo langen tijd te sparen en voor de toekomst te zorgen; daar komt nog bij dat de meeste werklieden in de fabrieken van Logelbach in de omliggende dorpen wonen, waar zij in den regel hetzij een huisje, hetzij een stukje grond, hetzij eene koe of eenige geiten bezitten. Bijna iedereen is eigenaar, daardoor gehecht aan den grond, en tevens van nature en krachtens zijn eigen belang, een verdediger der maatschappelijke orde.
Is dit een niet te hoog te waardeeren voorrecht, niet minder uitmuntend is het dat in al de tot de fabrieken behoorende scholen zeer goed onderwijs gegeven wordt. Een dezer scholen, tot Bagatelle behoorende, grenst aan het kosthuis waar de ongehuwde werklieden hun intrek kunnen nemen. Mevrouw Herzog, die dit huis heeft gesticht, neemt daarin ook de kranken op, die in hunne woning geene goede verpleging kunnen vinden; de verzorging der zieken is aan zusters van liefdadigheid, alzoo aan de beste handen, toevertrouwd. Elken morgen komt mevrouw Herzog, met een harer kinderen aan de hand, zelve hare zieken bezoeken, om hun woorden van troost en bemoediging toe te spreken, of, in ernstige gevallen, den geneesheer te raadplegen. Hulde, eerbiedige hulde aan de edele vrouw, wier voorbeeld meer nut sticht dan vele predikatiën en vertoogen, en die door hare eenvoudige daad krachtiger medewerkt tot oplossing van wat men de sociale kwestie noemt, dan alle staathuishoudkundigen te zamen met al hun theorieën en stelsels.
Gezicht in Colmar.Gezicht in Colmar.
Gezicht in Colmar.
Gezicht in Colmar.
Colmar is eene open stad, met eene schilderachtige, schoone ligging, halverwege tusschen Basel en Straatsburg, aan de oevers van de Ill, en met een mooi uitzicht op de Vogesen. Om haar oude monumenten, haar historische herinneringen, haar fraaie wandelingen, verdient zij wel dat de reiziger hier ophoude, waar ik hem durf verzekeren dat hij eenige aangename dagen slijten kan. In de vorige eeuw had het hoogste regeeringscollege van den Elzas hier zijn zetel, en ook na de inlijving bij het Duitsche rijk heeft Colmar het hooggerechtshof van het nieuwe rijksland behouden. Met haar bevolking van zes-en-twintigduizend-tweehonderd inwoners, waaronder een aantal magistraatspersonen en rechterlijke ambtenaren, is Colmar juist zulk een rustig, kalm, gezellig stedeke, als men zich ten verblijve zou kunnen wenschen. Een deel der bevolking leeft van den landbouw; de meer rumoerige fabriekarbeiders wonen bijna allen in de voorsteden en langs het kanaal van Logelbach: de stad zelve bleef tot dusver van de plaag der fabrieken verschoond. Haar ligging aan het spoorwegnet, die haar in rechtstreeksche verbinding brengt met Zwitserland en Frankrijk en ook met het Schwarzwald, aan de overzijde van den Rijn, heeft op de ontwikkeling van haar handel en nijverheid zeer gunstig gewerkt.
Maar deze ontwikkeling heeft ook tengevolge gehad, dat Colmar zich beklemd begon te gevoelen in haar gordel van oude muren, en dat zij dien muur stuk voor stuk is gaan afbreken, om zich ruimte te maken en versche lucht te scheppen. Gaandeweg ondergaat de stad eene herschepping. In plaats van de drie oude poorten, waarop weleer de wegen naar Basel, Breisach en Rufach uitliepen, ziet ge overal nieuwe straten, die u naar buiten voeren. De huizen, waarvan de bovenverdiepingen soms zoo schilderachtig in de straat plachten uit te steken, trekken zich terug en zwichten voor de onverbiddelijke rooilijn. De sloopingskoorts dreigtook de overgebleven gedeelte van de oude wallen, zonder eenige noodzaak, omver te halen; zelfs de boomen dier wallen loopen ernstig gevaar. De verfoeilijke speculatiewoede, voor wie niets heilig of eerbiedwaardig is, die zelfs met euvele hand in schandelijken overmoed Rome vernielt en schendt, is ook tot hier doorgedrongen. Men zegt, dat al deze veranderingen en verbouwingen in het belang der hygiëne zijn: de hygiëne speelt in deze onze dagen eene zeer gewichtige rol en in haren naam worden vele onzinnigheden, vele gruwelen zelfs gepleegd; ik weet niet, of zij ook inderdaad bij deze gedaanteverwisseling van Colmar is betrokken. Maar zooveel is ontwijfelbaar zeker, dat het pittoreske, dat de esthetica er zeer onder lijdt. Als de laatste gracht zal zijn gedempt met het puin van den laatsten muur; als alle toegangen naar de stad in breede, vlakke, rechte wegen zullen zijn herschapen; als alle huizen zooveel mogelijk naar hetzelfde model zullen zijn gebouwd en alle straten met de liniaal getrokken:—dan zal Colmar misschien, onder sommige opzichten, iets gewonnen hebben en beantwoorden aan de eischen eener moderne stad, maar dan zal het ook even eentonig, even karakterloos zijn, dan zal het alle oorspronkelijkheid, alle individualiteit hebben ingeboet, volmaakt onbeduidend zijn, plat, vulgair en vervelend in de hoogste mate.
Maar—wat de toekomst moge brengen—thans is het, Goddank! nog zoover niet. Laat ons hopen, dat eene verstandige regeering een middel zal weten te vinden om aan de eischen en behoeften van den nieuwen tijd te voldoen, zonder te kort te komen in den eerbied, aan de monumenten van vroeger eeuw verschuldigd. Ondanks de pogingen van haar sloopers en verwoesters, biedt de goede stad Colmar nog genoeg merkwaardigs, om een belangstellend bezoeker te boeien. Wie met den spoorweg of langs den weg van Logelbach in de stad komt, wordt aanstonds getroffen door de prachtige boomgroepen, perken en standbeelden van het zoogenoemde Marsfeld, dat vroeger een deel uitmaakte van den stadswal en zijn krijgshaftigen naam ontleent aan de omstandigheid dat hier vroeger de militairen exerceerden. Op het midden van het plein prijkt het standbeeld van generaal Rapp. Een ander standbeeld, dat van admiraal Bruat, verrijst midden in de groote allée, die van het plein naar het Gouvernementshuis voert, een statig indrukwekkend gebouw, dat menig vorstelijk paleis in de schaduw stelt. In de Meimaand verspreiden de oude linden van het Marsfeld een verkwikkelijken lommer en vermengen den zoeten geur van hun bloesems met het doordringend parfum der bloeiende jasmijnen. Hoe vele uren heb ik, als gymnasiast, daar met mijne kameraden van buiten doorgebracht, aan den voet van het standbeeld van Bruat allerlei plannen besprekende van verre reizen, aan gene zijde van den oceaan. Wij kwamen daar samen op het etensuur, en gaven er ons middagmaal aan, tevreden met een stuk droog brood, waardoor wij vier stuivers uitspaarden: welke stuivers dan werden gebruikt voor het aankoopen van reisverhalen.
Iederen morgen en iederen avond gingen wij te voet van Colmar naar Turckheim, met onzen tasch op den rug, onverschillig voor koude of warmte, regen of zonneschijn. Waar zijn die vroolijke gelukkige dagen, zoo vol zoete illusiën, gebleven!
Aan het Marsfeld grenzen de met linden en kastanjes beplante wallen, die de stad omringen en door den muur worden omzoomd. Feitelijk vindt men die boomen nog slechts tusschen de Rufacher- en de Baselerpoort, of, om juister te spreken, tusschen de plaatsen waar die poorten hebben gestaan. Want alle oude poorten zijn verdwenen. Vroeger waren die poorten groote, zware, vierkante torens, gelijk aan die, welke nog te Turckheim in stand zijn gebleven. Bij de uitlegging van den muur werden die oude poorten afgebroken; in het begin van deze eeuw werden zij vervangen door ijzeren hekken, waarvan het laatste thans terecht is gekomen voor den ingang van het ziekenhuis. Aan alle kanten breidt de stad zich tegenwoordig buiten de oude wallen uit; het nieuwe aristokratische kwartier, met zijn door tuinen omgeven villa’s, ligt achter, het Gouvernementsgebouw, langs den weg naar Rufach. De oude muur, die in 1682 werd gebouwd, ter vervanging van de in 1673 gesloopte vestingwerken, is nog hier en daar staande gebleven, met name langs de Lauch; en die oude vervallen brokken maken een zeer schilderachtig effekt. Aardig en karakteristiek bij uitnemendheid is het gezicht, waar de Lauch—eene beek, die in de Ill uitloopt—de stad binnentreedt en bij de Vischmarkt een der takken van het kanaal van Logelbach ontmoet. Gij zoudt u bijna in Venetië verplaatst kunnen wanen: de huizen met hunne hooge spitse daken rijzen rechtstreeks uit het water op, afgewisseld door kleine smalle tuintjes, waar de vruchtboomen buigen onder den overvloedigen oogst en de wingerd zijne ranken uitspreidt langs de grauwe muren. Hoog geladen groenteschuiten glijden langzaam door het water; onder het boomen wisselen de schuitevoerders een groet met de vrouwen en meisjes, die langs den kant haar goed spoelen. Het water ziet er uit als chocolade en schijnt, ondanks den snellen stroom, dik en drabbig.
De voornaamste straten van Colmar, breed genoeg voor de behoeften van het verkeer, volgen evenwel niet de rechte lijn, althans niet voor langen tijd. Een van de aardigste stadgezichten biedt de Lange-Gasse, van de protestantsche kerk tot het Hof van appèl. Een aantal oude huizen prijken hier nog met hunne torentjes en erkers. Na de openbare gebouwen en monumenten, zooals de Sint-Maartenskerk, het voormalige klooster Unterlinden, de Korenhal, het Kaufhaus, het Gouvernementsgebouw, wijden de vreemdelingen, meer dan de inwoners zelven, hunne aandacht aan deze oude huizen. Daaronder verdient in de eerste plaats vermelding het zoogenoemde Kopfhaus (Huis met de hoofden), met zijn puntgevel en zijn hoektorentje van gehouwen steen, met grijnzende koppen versierd; voorts het huis Pfister, dat met zijn uitstekenden traptoren, zijn erker, zijn houten balkon, zijn onlangs gerestaureerde freskoos, met recht de parel der burgerhuizen van het oude Colmar mag worden genoemd.De Schädelgasse, waarin dit huis uitkomt, smal, ter wederzijde omzoomd door huizen, waarvan de bovenverdiepingen uitspringen, was, naar men zegt, in de middeleeuwen de hoofdstraat der stad. Aan het einde der straat, naar den kant van de Lange-Gasse, ziet men nog een ander oud huis met een zwaren hoektoren, en in het voorportaal een opschrift in oud-duitsch, vermeldende dat dit huis, tot straf voor een oproer, moest worden gesloopt.
“In het jaar toen men schreef na Gods geboorte dertienhonderd-acht-en-vijftig, des maandags na Sinte-Agnietedag, was de doorluchtige vorst, hertog Rudolf van Oostenrijk, stadhouder des rijks in den geheelen Elzas, en sprak vonnis ter zake van het oproer tegen den landvoogd, den burgemeester en den raad van Colmar, en beval deswege dat dit huis zou worden gebroken en nimmermeer opgebouwd worden, tot eene eeuwige gedachtenis.”
In spijt van ’s hertogs vonnis, werd het toch weder opgebouwd; en als ten spot van zulke beslissingen voor de eeuwigheid, heeft men de vorstelijke uitspraak in steen gebeiteld en in den muur geplaatst van het huis zelf, waarvan hij de oprichting verboden had! Een aantal andere huizen prijken, behalve met beeldwerken en versieringen boven de deur, met vrome spreuken en opschriften, getuigen van den degelijken, godsdienstigen zin der voorgeslachten. Meestal beveelt de eigenaar zijne woning aan de hoede van God:Deus dedit incrementum, zegt een dezer opschriften;Deus quoque custodiet. Elders geldt het zoowel het huis als het gezin:Accrescat domui res simul et decus! “Moge dit huis groeien in kracht en in eere!” Juist, zoo behoort het. Eer zonder kracht of welvaart is eene halve zegen; welvaart zonder eer is, en was toen eene schande. Daaromres et decus: voorspoed en eere. Een ander huis richt zich tot de voorbijgangers: “Gij bewondert, zoo luidt het opschrift, mij en degenen, die mij gemaakt hebben: doe meer voor mij dan zij hebben kunnen doen: bid God dat hij mij beware.”—De bede is tot hiertoe verhoord. Hoe vele huizen, niet minder rijk aan beeld- en schilderwerken en opschriften, zijn sedert gevallen onder den hamer der sloopers! Het tegenwoordige geslacht, naar eigen smaak en op eigene wijze willende wonen, haalt de woningen van het voorgeslacht omver, om ze te vervangen door anderen, die gemakkelijker en doelmatiger zijn ingericht, die warmer en beter verlicht zijn. Die meerdere gemakken zijn niet te versmaden; maar in vele gevallen zouden zij ook in de bestaande oude huizen zijn aan te brengen, die althans dit ééne hebben wat de nieuwerwetsche woningen ten eenemale missen, namelijk karakter en stijl.
Wie zich op een mooien avond, als de maan haar fantastisch schijnsel over de stad werpt en licht en schaduw zoo tooverachtig verdeelt, op den hoek plaatst van de oude Schädelgasse, tegenover de Groenmarkt, tusschen het Kaufhaus en het gebouw van het Hof van appèl, die kan zich gemakkelijk verbeelden eenige eeuwen terug te zijn gegaan. Voor zich ziet hij een huis met een puntgevel in renaissancestijl, versierd met gegroefde pilasters; en links daarnaast verrijst, met hare zware steenen leuning en haar koepelvormig dak, de buitentrap van het Kaufhaus, waarvan de smaakvolle balustrade zich tegen den hemel afteekent. Op de Groenmarkt zelve, ter rechterhand, beurt het Edelhof zijn hoogen trapgevel ten hemel, waarvan elke trede met een pinnakel is versierd. Links stuit de blik tegen den gelijksoortigen gevel van het huis met den zuilengang, waarvan de slanke achtkantige torentjes, met hun arabesken en spitse daken, door hun bevalligen vorm en schoone evenredigheden zoo te recht de bewondering opwekken.—Het Kaufhaus, dat vier eeuwen oud is, is meermalen in den loop der tijden van bestemming veranderd. In 1480 gebouwd, diende het aanvankelijk als entrepôt voor de wijnen, het graan en de verschillende koopwaren, waarvan de stad Colmar, krachtens octrooi van de Keizers Lodewijk van Beieren en Karel IV, belasting mocht heffen. Later vestigde de magistraat er zijn zetel; de tegenwoordigegymnastiekzaalin de benedenverdieping werd toen als folterkamer gebruikt; de bovenverdieping dient thans voor de vergaderingen van de Kamer van koophandel.
De voormalige groentenmarkt, die weleer op het plein voor het Kaufhaus gehouden werd, is thans overgebracht naar eene overdekte markt, waar wij de fontein van den Wijnboer gaan bewonderen, die wel de aandacht verdient. Het voornaamste sieraad van die fontein is het beeld van een jongen wijnboer of arbeider, uitrustende van zijn werk. De warmte heeft hem zijne kleederen voor het grootste deel doen afwerpen; met zijne krachtige armen tilt hij een kleinen emmer omhoog, die bij de wijnboeren in den Elzas in gebruik is. Naast hem zit zijn trouwe metgezel, zijn hond. Dit fraai bewerkte bronzen beeld, een geschenk van de fransche regeering, is het werk van den heer Auguste Bartholdi, van Colmar geboortig, die ook de monumenten voor generaal Rapp en admiraal Bruat vervaardigd heeft. Dit laatste standbeeld, insgelijks van brons, versiert mede eene fontein; toen het in 1863 te Parijs werd tentoongesteld, droeg het de algemeene goedkeuring weg. In de lommerrijke lindenlaan, waarin het nu is geplaatst,—die laan waar ik mijne eerste lessen in de aardrijkskunde leerde;—staat het beeld van den admiraal in fiere rustige houding op een prachtig zandsteenen voetstuk, uitmuntende door zijne smaakvolle proportiën en door de vier groote allegorische figuren, vier werelddeelen voorstellende.
Rapp en Bruat zijn beiden van Colmar geboortig, even als Pfeffel en Schöngauer, wier gedenkteekenen wij in het museum Unterlinden zullen zien. Rapp, tijdens het eerste keizerrijk opperbevelhebber van het Rijnleger, sedert pair van Frankrijk, bekend door zijne heldhaftige verdediging van Dantzig, aanschouwde op den 21stenApril 1771 het levenslicht in het Kaufhaus, waarvan zijn vader portier was. Op zestienjarigen leeftijd als vrijwilliger bij een regiment kavalerie in dienst getreden, nam hij een werkzaam aandeel aan deeerste veldtochten van Napoleon, die hem na den slag bij Marengo tot zijn adjudant benoemde. Geen andere generaal van het keizerrijk kan in persoonlijken moed en vooral in onafhankelijkheid van karakter met hem op eene lijn worden gesteld. Hij vervulde verschillende belangrijke zendingen en ontving op het slagveld twee-en-twintig wonden.—De admiraal Bruat, die jonger was dan generaal Kapp, trad in 1811 in dienst; hij stierf als opperbevelhebber van de fransche vloot in het Oosten, na de inneming van Sebastopol. Zijne onverschrokkenheid en vermetele moed verzekeren hem voor immer eene schitterende plaats in de geschiedboeken der fransche marine. Hij nam deel aan den slag van Navarino en vertoonde de fransche vlag zoowel in de Levant als in de Antilles en in de Stille-zee; aan hem dankt Frankrijk het protektoraat over, dat wil zeggen het bezit van de Taïti- of Sandwich eilanden; hij bestuurde de met zoo schitterenden uitslag bekroonde expedities in de zee van Azof, gedurende den Krim-oorlog. Even als Rapp onderscheidde ook admiraal Bruat zich als diplomaat en bekwaam administrateur.
De Wijngaardenier (Blz. 195.)De Wijngaardenier (Blz.195.)
De Wijngaardenier (Blz. 195.)
De Wijngaardenier (Blz.195.)
Als alle steden langs den Rijn, was Colmar eens zeer rijk aan kerken en godsdienstige gestichten, die tegenwoordig voor het meerendeel aan hunne oorspronkelijke bestemming zijn onttrokken. Behalve de collegiale kerk van Sint-Maarten, vinden wij het klooster van Unterlinden, het Franciskanerklooster, de kerk der Dominikanen; de kloosters van de Catherinetten, van de Kapucijnen, van de Augustijnen, de kommanderij van Sint-Jan, de priorie van Sint-Pieter; de filiaalhuizen der abdijen van Munster, van Marbarch, van Arlesheim en Alspach.—De priorie van Sint-Pieter is een lyceum geworden, maar waarin sedert de inlijving bij Duitschland, geen leerlingen meer worden opgenomen; de kerk is nog voor de katholieke eeredienst bestemd. Het Franciskanerklooster, in het midden der dertiende eeuw gesticht en door de pest van 1541 ontvolkt, dient tegenwoordig als stedelijk ziekenhuis; daar al de monniken, met uitzondering van den pater-gardiaan, aan de pest waren overleden, kocht de stad al de bezittingen van het klooster voor tweeduizend-zevenhonderd gulden, met de verplichting ten eeuwigen dage de monniken, op hun doortocht door Colmar, gastvrijheid te verleenen of anders twee zilveren batsen uit te keeren. Met het ziekenhuis is een weeshuis verbonden, benevens eene inrichting tot opleiding van vroedvrouwen, beiden door partikuliere liefdadigheid gesticht. Het oude Kapucijnerklooster is thans ook tot een ziekenhuis ingericht, onder leiding der zusters van Niederbronn; terwijl het klooster der dames Catherinetten sedert 1792 tot militair hospitaal, dient. Omstreeks den zelfden tijd werd het Dominikanerklooster tot gevangenis vernederd, terwijl de kerk als korenbeurs wordt gebruikt.
De meeste kerken van de voormalige kloosters zijn echter nog steeds voor de eeredienst bestemd; zoo, bijvoorbeeld, de Franciskaner-kerk, waarvan het koor en het schip door een muur gescheiden zijn; het laatste is als protestantsche kerk ingericht, terwijl het koor bestemd is voor de Katholieken, die in het stedelijk gasthuis zijn opgenomen. Geene enkele van deze kloosterkerken verdient uit een architektonisch oogpunt bijzondere vermelding.
De kollegiale kerk van Sint-Maarten zou een goed figuur maken als kathedraal, indien Colmar de zetel van een bisschop was. Zij verrijst midden in de stad, en vertoont, hoezeer uit verschillende tijdperken dagteekenend, niet die plotselinge overgangen in stijl en wijze van versiering, die elders zoo vaak den indruk van het geheel bederven. De oude uitgangen van het dwarsschip zijn toegemetseld. Onder de beelden, die den linkerboog van het portaal van Sint-Nikolaas, aan het zuidelijke dwarsschip, het oudste gedeelte van de kerk, versieren, ziet men ook het beeld van den architekt, kenbaar aan een winkelhaak, dien hij in de hand houdt. Bovendien staat daarnevens zijn naam in den steen gebeiteld, en wel in het fransch:Maistres Humbret. De bouwmeester van de Sint-Maartenskerk van Colmar was dus, even als de schepper van het groote portaal van de Sint-Theobaldskerk te Thann, een Franschman of misschien een Lotharinger. Het koor, een eeuw jonger dan het schip, werd, naar men zegt, gebouwd door Willem van Marburg, in 1366 overleden.
Hoogaltaar in de Sint-Maartenskerk te Colmar. (Blz. 198).Hoogaltaar in de Sint-Maartenskerk te Colmar. (Blz.198).
Hoogaltaar in de Sint-Maartenskerk te Colmar. (Blz. 198).
Hoogaltaar in de Sint-Maartenskerk te Colmar. (Blz.198).
In de middeleeuwen, toen onze goede Elzassers,als trouwens al hunne tijdgenooten, rijker waren aan geloof dan aan geld, vorderde de voltooiing van een zoo belangrijk werk als de bouw van de collegiale kerk van Colmar, in eene nog weinig bevolkte stad, uit den aard der zaak zeer veel tijd, daar met de beschikbare middelen rekening moest worden gehouden. Het is dus niet te verwonderen, dat dergelijke monumenten—waaraan op verschillende tijden, verschillende architekten, anders gevormd en met andere denkbeelden bezield, hebben gewerkt,—die eenheid van stijl missen, die een kenmerk behoort te zijn van in hun soort volmaakte kunstgewrochten.—De oorsprong van de Sint-Maartenskerk was eene eenvoudige kapel, in de negende eeuw door de Benediktijner-monniken van Munster gebouwd. Het schip dagteekent uit het midden van de dertiende eeuw; de bouw van dit deel der kerk, waarvoor van alle kanten giften werden ingezameld, duurde niet minder dan vijftig jaren. Oorspronkelijk vervingen twee groote kapellen de plaats van het koor. Om dit laatste tot stand te brengen, moesten op nieuw, ook in den vreemde, giften worden ingezameld. Reeds in 1284 richtte de bisschop Hendrik van Basel eene oproeping tot de geloovigen, waarbij hij hen vermaande de kerk van Colmar niet onvoltooid te laten, maar haar tot een Gode waardig heiligdom te maken. Zijn vicaris Albrecht vroeg bijdragen van al de inwoners van Basel, omdat de inkomsten van de particuliere fondatie van Sint-Maarten ontoereikend waren. De tweede toren, die het groote portaal aan de noordzijde flankeeren moest, werd nooit voltooid en reikt niet hooger dan het dak van het schip. Het tegenwoordige bovenstuk van den bestaanden toren, aan de zuidzijde, werd na den brand van 23 Mei 1572 aangebracht.
In 1798 door de revolutionaire horden geplunderd en gesloten, werd de kerk later aan de katholieke eerdienst teruggegeven; maar in dien tijd was zij bezoedeld door de dusgenoemde eeredienst van de Rede, hier, als elders in het republikeinsche Frankrijk, alleszins waardig vertegenwoordigd door eene veile deerne, die, zoo goed als naakt, op het altaar plaats nam. Pfeffel, de fabeldichter, wiens standbeeld wij straks voor Unterlinden zullen zien, zond aan een vriend, die hem het besluit tot instelling van de eeredienst der Rede had medegedeeld, dit puntdicht:
“EinTempel der Vernunft soll unsere Städte zieren;Recht schön; doch macht’ ich gern, in Unterthänigkeit,Die kleine Motion: eh man ein Haus ihr weiht,Erst die Vernunft zu decretiren.”
“EinTempel der Vernunft soll unsere Städte zieren;Recht schön; doch macht’ ich gern, in Unterthänigkeit,Die kleine Motion: eh man ein Haus ihr weiht,Erst die Vernunft zu decretiren.”
“EinTempel der Vernunft soll unsere Städte zieren;
Recht schön; doch macht’ ich gern, in Unterthänigkeit,
Die kleine Motion: eh man ein Haus ihr weiht,
Erst die Vernunft zu decretiren.”
Toen de blinde dichter later, langs de kerk gaande, daar binnen hoorde kloppen en timmeren, vroeg hij, wat er nu weer gaande was. Men antwoordde hem, dat het stedelijk bestuur toebereidselen liet maken voor het feest van het Opperwezen, dat ook te Parijs, onder voorgang van Robespierre, was gevierd. Daarop antwoordde hij dadelijk met dit ex-tempore:
“Darfst, lieber Gott, nun wieder sein;So will’s der Schach der Franken.—Lass flugs durch ein paar EngeleinDich schön bij ihm bedanken.”
“Darfst, lieber Gott, nun wieder sein;So will’s der Schach der Franken.—Lass flugs durch ein paar EngeleinDich schön bij ihm bedanken.”
“Darfst, lieber Gott, nun wieder sein;
So will’s der Schach der Franken.—
Lass flugs durch ein paar Engelein
Dich schön bij ihm bedanken.”
Van binnen is de kerk zeer eenvoudig. De steenen muren zijn kaal, uitgezonderd alleen in de kapel van Onze-Lieve-Vrouwe, rechts van het koor. Men heeft die kapel onlangs in den stijl der dertiende eeuw gerestaureerd, en haar met muurschilderingen versierd, die een zeer goed effekt maken. Ook het zeer fraaie en bevallige beeld der Madonna, op het altaar, is in denzelfden stijl beschilderd.—Het hoogaltaar van gesneden hout, zonder eenig schilderwerk hoegenaamd, is in volkomen overeenstemming met de eigenaardige verlichting der kerk, terwijl het beeldwerk zelf geheel past bij den architektonischen stijl van het gebouw. Dit altaar is het meesterstuk van een uit Colmar geboortigen kunstenaar, den heer Klem, wiens werk men in verschillende kerken in den Elzas terugvindt. Er is een oogenblik sprake van geweest, dit altaar te vergulden of te kleuren, maar men heeft zeer te recht van dat voornemen afgezien. Alle figuren zijn in relief en in rond beeldwerk. Zes zuiltjes met gebeeldhouwde kapiteelen dragen het altaarblad. In de twee bogen ter weerszijde van de middelste nis, waarin de relikwiënkast van Sint-Maarten moet worden geborgen, zijn de zinnebeelden van de vier Evangelisten geplaatst. De trapjes van de altaartafel prijken met eene uitmuntend gebeeldhouwde fries: een slinger van wingerdbladen met druiventrossen en korenschoven vermengd, de symbolen van de eucharistie. In het midden verrijst de tabernakel, die door eene kleine deur van verguld brons, met het Lam Gods versierd, gesloten wordt; ter wederzijde van den tabernakel ligt een engel in knielende houding. Pilasters, door eene open gewerkte galerij verbonden, vormen, ter hoogte van den tabernakel, vier paneelen en verdeelen in drie ongelijke vakken eene prachtig gewelfde en rijk gebeeldhouwde nis, die de geheele breedte van het altaar inneemt. In het midden ziet men het Avondmaal: de figuren, op de helft der natuurlijke grootte, vertoonen den traditioneelen type en teekenen zich uitmuntend af tegen den donkeren achtergrond. In het bovenste gedeelte van het altaar wordt de aandacht dadelijk getrokken door de hoofdgroep, Christus voorstellende, omringd door heiligen uit den Elzas. In de iets lager gelegen zijnissen—even als de middelste nis bekroond door kunstig gesneden bloemen en spitsen en naalden, door al den weelderigen rijkdom der gothiek,—ziet men tafreelen uit het leven van Sint-Maarten den patroon der kerk, en van Sint-Arbogast, den patroon van het bisdom. In de groep ter linkerhand is Sint-Arbogast voorgesteld, door zijn gebed het leven terug gevende aan Siegbert, den zoon van koning Dagobert. De rechter groep verbeeldt Sint-Maarten, met zijn zwaard zijn mantel doorsnijdende om daarmede een naakten bedelaar te kleeden.—De personen in de middelste nis rondom den Heiland gegroepeerd, verbeelden Sint-Fidelius van Sigmaringen, eerst advokaat te Colmar, vervolgens Kapucijner-monnik en martelaar; Sint-Firminus, bisschop, stichter van deabdijvan Murbach, met het model zijner abdijkerk in de hand; Sinte-Odilia, de maagd van Hohenburg, in knielende houding, inhet gewaad eener non, het geopende boek in de hand, waarin twee oogen zijn afgebeeld, ter herinnering aan het wonder, waardoor zij het gezicht herkreeg; Sinte-Richardis, echtgenoote van Keizer Karel den Dikke, met een hermelijnen mantel bekleed en haar kroon nederleggende voor de voeten van den Zaligmaker; Sint-Maternus, de eerste apostel van den Elzas, die eene kerk met drie torens in de hand houdt, ten teeken van de drie door hem gestichte bisdommen; Sint-Morand, de apostel van de Sundgau, met een wingerdrank in de hand, ter herinnering aan de legende, volgens welke hij den wijnstok in den Elzas zou hebben ingevoerd; Sinte-Huna, de godvruchtige edelvrouwe van Hunaweier, in aanbidding neergebogen; eindelijk Sint-Leo IX, de groote Paus; tegenover Sinte-Richardis neergeknield, biedt hij den Heiland het wapenschild van Colmar aan, als om ’s Heeren zegen af te smeeken over de stad, in wier nabijheid de doorluchtige opperpriester geboren werd.—Geheel uit hout gesneden, in de stijl der veertiende eeuw, heeft het hoogaltaar van Sint-Maarten eene hoogte van zestien el, en mag met volle recht, om den rijkdom en de onberispelijke bewerking der ornementen, om het diepe, fijne gevoel dat uit alle beelden en groepen spreekt, onder de kunstwerken een hoogen rang innemen; zeer zeker is het het beste van dien aard, dat wij in het geheele land bezitten.
Alvorens wij een blik werpen op het verleden van Colmar, willen wij den toren van de Sint-Maarten beklimmen om van daar de stad te overzien.—Een aardig gezicht, niet waar, waarvoor ge u wel de moeite wilt getroosten om de tweehonderd-drie-en-veertig treden te beklimmen van de wenteltrap, die naar den omgang van den toren leidt. Volgens eene plaatselijke traditie, zou die omgang een vereenigingspunt zijn geweest van de tooverheksen: vandaar de naam van Hexenplatz, waaronder dit plat nog heden bekend is. Ter wille van de gewone stervelingen, die aan duizeligheid onderhevig kunnen zijn, heeft men in het jaar 1766 dit torenplat van een steenen balustrade voorzien. De hoogte van het plat bedraagt niet meer dan acht-en-veertig el boven het kerkplein: juist voldoende om in het rond, in het oude Colmar, de voornaamste gebouwen te herkennen, aangewezen op den plattegrond van Merian uit het jaar 1643. Het meer verwijderde uitzicht is ook wel de moeite waard. Aan de eene zijde overzien wij de geheele keten der Vogesen, aan de andere de berggroep van den Kayserstuhl, en tusschen die beiden de vlakte van de Ill en van den Rijn; de twee rivieren zelven zien wij niet: zij duiken weg in het groen; de bergen van het Scharzwald, doorgaans zeer duidelijk zichtbaar, zijn nu op het heete middaguur, in een trillenden nevel gehuld. Er is geen wolkje aan den hemel: de brandende Junizon straalt in volle kracht en stooft de bloeiende aarde, die in vollen zomerdos prijkt. Hoe vol en rijk zijn de boomgroepen van het Marsfeld, en de moestuinen van de Aue, in het vochtige dal van de Lauch! Achter de tuinen beginnen de bosschen, begrensd door steenachtige terreinen, die voor bebouwing ongeschikt zijn. De akkers, in de vlakte van de Ill, zoo bij uitnemendheid vruchtbaar, zijn thans bedekt met blonde halmen, afgewisseld door wijngaarden, overal waar de nachtvorsten in de lente zich niet al te streng doen gevoelen. Aan den voet der heuvelen beginnen de wijnstokken over de geheele lengte der vallei van de Fecht, achter de Logelbach, waarvan de uitgestrekte fabriekgebouwen als het ware eene voorstad van Colmar vormen. En welk een prachtige omlijsting vormen de Vogesen, zoo schoon en bevallig met hunne fraai geteekende, schilderachtig afgeronde hellingen, niet te steil en niet te flauw, geheel met bosch bekleed tot aan de groene weiden in de hoogte; met hunne stout gevormde toppen, hier en daar oprijzende en den blik tot zich trekkende. De Letzenberg met zijne witte kapel, de ruïnen van den Hohenlandsburg, de drie torens van Egisheim, de bedevaartskapel der Drei Aehren, het kasteel Hageneck met de scherp geteekende zigzags van den nieuwen weg:—ze zijn allen duidelijk zichtbaar. Voorts overal, waarheen wij den blik ook wenden, volkrijke dorpen en vlekken met hunne torens, ver en nabij, sommigen opdoemende aan den gezichteinder, tusschen den Rijn en de bergen, van Schlettstadt tot Rufach en nog verder. In waarheid, mijne vrienden, de Elzas is een mooi land.
Het doet er dan ook weinig toe, dat op het bovenstuk van den toren van Colmar gegronde aanmerkingen te maken zijn. De torenwachter, die hier woont, en die de klok moet luiden, zoodra er in de stad of in den onmiddellijken omtrek brand uitbarst, is tevreden met zijne hooge positie. Niet zonder kennelijk welbehagen noemt hij ons de namen van alle dorpen en vlekken in het ronde, benevens die van de bergen en rivieren. Met de zekerheid van iemand die er alles van weet, zal hij u uitleggen dat de voorgevel van zijne kerk minder kaal en rijker versierd zou zijn, indien de bouwmeesters over meer geld hadden kunnen beschikken. De aan zijne zorg toevertrouwde klokken zijn meest allen uit het jaar na den brand, en voeren als wapenteeken den ouden tweehoofdigen adelaar van het heilige Roomsche rijk. Met een dezer klokken moest, van Allerheiligen tot Sint-Mathias, elken avond van zeven tot acht uren worden geluid: en dat wel krachtens eene keure van de magistraat, houdende bevel dat geen enkel herbergier of koekbakker zijne klanten na dat uur mocht houden, met bedreiging van ernstige straf en schande. Dat in den goeden ouden tijd aan deze keur van de zorgzame burgervaderen stipt de hand werd gehouden, zou ik niet durven verzekeren. De statuten van de Waagkeller-vereeniging, opgericht, “om te drinken, te eten en zich onderling te vermaken”, geven wel grond voor het vermoeden, dat ook vroeger, evenals tegenwoordig, depolicieverordeningenuitzonderingen toelieten.
Elk gebouw van het oude Colmar, de burgerhuizen daaronder begrepen, is als het ware een levende getuige van het verleden der stad, eene leesbare bladzijde uit haar geschiedboek. Een aantal huizen dagteekenen uit de middeleeuwen, toenhet poorterschap van de oude vrije stad verbonden was aan den eigendom van eene woning aan ’s heeren straat. Daartoe behoort onder anderen het gothische huis op het plein, tegenover het Sint-Nikolaas portaal van de parochiale kerk, door den passementwerker Adolph met groote kennis en keurigen smaak gerestaureerd.—Daarnaast prijkt het commissariaat van policie met een fraai uitstekend balkon, een zoogenaamden erker, boven een portaal met het jaartal 1597. De duitsche renaissance heeft niets volmaakters in zijne soort geschapen dan dit balkon. Op dat balkon legden de heeren der stedelijke regeering en de groot-baljuw van den Elzas, tegenover de burgerij, den eed af, dat zij de stad bij hare vrijheden en privilegiën zouden handhaven. Vroeger stond op de plaats van dit gebouw eene aan Sint-Jacobus gewijde kapel, waarvan de krypt, die tot knekelhuis diende, nog bestaat. Rechts, onder den grooten boog die toegang geeft naar de Schädelgasse, werd door den provoost recht gesproken. De koetspoort, bij dien boog, vormde den ingang naar de herberg van de schoenmakers, waar de dichter George Wickram zijne zangerschool stichtte, van waar het handschrift der Minnesinger en Meistersinger, dat op de koninklijke bibliotheek te Munchen bewaard wordt, afkomstig is. Alle ambachtsgilden hadden zulk eene eigene herberg of plaats van bijeenkomst, die aan een bijzonder uithangteeken kenbaar was; even als de godsdienstige corporatiën, die van buiten daaronder begrepen, haar hof of huis in de stad hadden, waar de tienden en de opbrengsten der landerijen werden geborgen en waar haar rentmeester woonde. Die huizen onderscheidden zich doorgaans door bijzonder fraai beeldwerk: zoo als bij voorbeeld het Huis met de hoofden, weleer de herberg voor de gasten en bezoekers van het Dominikanerklooster.