Balkon van het commissariaat van policie.Balkon van het commissariaat van policie.Colmar draagt er roem op, ten tijde van het heilige Roomsche rijk eene vrije stad te zijn geweest, met eene eigene zelfstandige regeering. Haar oorsprong hangt samen met eene hoeve, die tot het domein der eerste frankische koningen behoorde; maar de ontdekking van steenen, potten en andere voorwerpen uit den romeinschen tijd levert het bewijs, dat hier reeds vroeger een centrum van bevolking was. Voor zoo veel wij weten, komt de naam der plaats het eerst voor in 823, in een giftbrief van Lodewijk den Vrome aan de abdij van Munster, gedagteekendad fiscum nostrum nomine Columbarium. Hadden wij over meer tijd en ruimte te beschikken, dan zouden wij ons verdiepen in de vraag, of deze naam Columbaria een latijnsche vorm is van het duitsche Kohlmarkt, dan wel of hij eenvoudig is afgeleid van de duiventil, die bij elke hoeve behoorde. De monnik van Sint-Gallen verhaalt in zijne kroniek van den tijd van Karel den Groote, dat de machtige Keizer, in een zijner oorlogen tegen de Saksers, de bijzondere dapperheid opmerkte van twee jonge soldaten, en bij navraag van hen vernam dat zij bastaarden waren, afkomstig uit het vrouwenhuis van Columbra. Men heeft daaruit afgeleid, dat tot de koninklijke hoeve van Columbarium ook een vrouwenhuis behoorde: dat wil zeggen, een lokaal waar de vrouwen arbeidden, die de wol en het linnen sponnen en weefden en de kleederen vervaardigden voor de lieden van het hofgezin. In 884 hield Keizer Karel de Dikke hier, omstreeks het feest van Maria-Zuivering, een algemeene vergadering van den adel en de geestelijkheid zijner staten, een soort van rijksdag, om te beraadslagen over de maatregelen tegen de invallen der Noormannen. Volgens onze geschiedschrijvers bevatte het koninklijk domein, de bakermat der toekomstige stad, twee hoeven, het Oberhof en het Niederhof. In 1160 werd de hoeve of de villa, zoo als zij in de jaarboeken van de abdij van Munster genoemd wordt, door brand vernield.De Madonna in de rozenhaag. (Blz. 207).De Madonna in de rozenhaag. (Blz.207).Deze brand mocht veeleer eene weldaad dan een ramp heeten. Niet alleen herrees de villa uit haar puin, maar reeds eene eeuw later had zij zoodanige beteekenis verworven, dat zij tot den rang van stad werd verheven en met een muur omgord. De vrije boeren, eigenaars of pachters van de verstrooide hoeven, waaruit Colmar toen bestond, en de werklieden—vrijgelatenen of vluchtelingen—die zich bij hen gevoegd hadden, gevoelden weldra de behoefte om hunne personen, hunne bezittingen en hunne vrijheid te kunnen verdedigentegen de aanvallen der adellijke heeren uit den omtrek. Daartoe was het noodig, de stad met stevige muren te omringen, die haar beveiligden tegen verrassing en overrompeling. De landvoogd Wölfelin gaf dus, in 1214, vergunning, de stad met muren en wallen te versterken. De ommuurde ruimte omvatte in de dertiende eeuw niet meer dan de zuidelijke en oostelijke wijken van de tegenwoordige stad, en toch was het er nog verre van af, dat deze ruimte geheel zou bebouwd zijn. De sedert gevolgde stichting van de kommanderij van Sint-Jan en van een paar kloosters bewijst, dat er nog genoeg onbezette terreinen binnen de muren te vinden waren.Bij een octrooi van 1226, door keizer Frederik II tot den rang eener vrije, keizerlijke rijksstad verheven, koos Colmar met warmte de partij van dien monarch in zijne geduchte worsteling met de Curie. De vrij verklaarde gemeente bleef met zoo trouwe gehechtheid aan haar weldoener verknocht, dat zij zelfs de partij koos van een avonturier, die zich, na ’s keizers dood, voor Frederik II wilde doen doorgaan, hetgeen der poorterij op eene zware boete te staan kwam ten behoeve van den levenden keizer, Rudolf van Habsburg. In dien tusschentijd had de bisschop van Bazel een kapittel ingesteld, om met den pastoor de goederen der Sint-Maartenskerk te beheeren. Aan het hoofd van dit kapittel, dat door twee bullen van Paus Gregorius IX, in Juni 1234, bevestigd werd, stond de domproost, die door de kanunniken werd verkozen, maar de investituur van den abt van Munster ontving. Een deken, door den abt benoemd, nam de dienst van pastoor waar; terwijl een der andere kanunniken met de leiding van het koor was belast. De kanunniken, die door het kapittel verkozen werden, waren niet aan het gezag van de poorterij onderworpen. Zij ontvingen zekere uitdeelingen in natura, onder voorwaarde dat zij te Colmar wonen zouden, maar met de bevoegdheid om elders de lessen aan eene universiteit te volgen, zonder daardoor de inkomsten van hunne prebende te verliezen. Bij giftbrief van 15 December 1283 schonk een der kanunniken, meester Jacob, die jaren lang gratis het ambt vanscholasterhad vervuld, veertig pond, waarbij het kapittel nog tien pond voegde: van welk kapitaal de jaarlijksche rente, ten bedrage van vijf pond, moest dienen om den scholaster te bezoldigen. Ook hier, als schier overal elders, was de school eene stichting der kerk en wies onder hare hoede op. Het zegel van een der scholasters van Sint-Maarten stelt den eerwaarden leeraar voor, gezeten voor zijn lessenaar en een schrijver verklarende, terwijl de leerlingen rondom hem op den grond zitten en met ingespannen aandacht luisteren.—In dien zelfden tijd was een aanvang gemaakt met den bouw der collegiale kerk, maar de voortgang van dien arbeid werd belemmerd door innerlijke verdeeldheid en burgertwist. Er waren toen twee partijen in de stad: de eene hield de zijde van den bisschop van Straatsburg, de andere stond voor den keizer en het rijk. Deze laatste partij werd aangevoerd door den provoost Johan Rösselmann, den zoon van een gewoon werkman uit Turckheim, die, ten koste van zijn leven, Colmar in handen leverde van Rudolf van Habsburg, geruimen tijd voor deze den keizerlijken troon beklommen had. Na zijne verkiezing tot Roomsch koning schonk het hoofd der dynastie van Habsburg, te Weenen, den 29 December 1278, aan de burgers van Colmar eene stedelijke keur, die de grondslag werd van hun recht en later tot regel diende ook voor andere steden. De keizer verbond zich daarbij, niemand dan een poorter van Colmar tot provoost of schout te benoemen; deze schout zou de bevoegdheid hebben om het burgerrecht te verleenen aan wien hij wilde, zelfs aan hoorigen, die, wanneer hun heer hen niet binnen het jaar opvorderde, niet meer van hun recht konden worden ontzet. De burgers mochten leenen bezitten; de edelen werden vrijgesteld van gewone belastingen, op grond van hunne bijzondere persoonlijke verplichtingen jegens het rijk.Weldra vinden wij, naast den schout, die door den keizer werd benoemd en als diens vertegenwoordiger gold, melding gemaakt van den burgemeester en de vertegenwoordigers der gilden. Naar het schijnt, was de burgemeester aanvankelijk niet anders dan een afgevaardigde van de gilden, dat is van de burgerij, bij het stedelijk bestuur. Door de burgers als hun hoofd erkend, hoogst waarschijnlijk rechtstreeks door hen gekozen, en geroepen om een tegenwicht te vormen tegenover het gezag van den keizerlijken schout, kon het niet anders of het gezag en de invloed van dezen magistraatspersoon moest zich gaandeweg uitbreiden. Onder den invloed der gilden won de demokratische geest steeds in kracht; en langzamerhand, met en zonder schokken en botsingen, ging ook hier het gezag en de leiding der zaken uit de handen van den schout over in die van den stedelijken raad, waarvan de burgemeester voorzitter was. Zoo als wij zagen, was reeds bij het octrooi van 1278 bepaald, dat de waardigheid van schout uitsluitend aan een poorter van Colmar kon worden opgedragen. Dat was een eerste stap; later kocht de stad van den keizer het recht der benoeming, en nu werd het schoutambt eenvoudig eene stedelijke betrekking, en de schout, in plaats van een keizerlijk, een stedelijk ambtenaar. Van toen af was de burgerij in het volle bezit der macht; maar daarmede was in geenen deele aan de stad het genot van rust en vrede verzekerd: evenals in bijna alle andere stedelijke republieken der middeleeuwen, waren ook te Colmar twisten en partijschappen aan de orde van den dag.De gilden namen, door hare hoofdmannen, rechtsstreeks aandeel aan de regeering; het getal dier gilden, die de gansche burgerij omvatten, was aanvankelijk twintig, later tien; daarnevens vormden de adellijke familiën, wier aantalomstreeksdertig bedroeg, twee curiën. De eerste, die op de lijst der burgemeesters voorkomt, is Walther von Sleztat, die in 1296magister burgensiumwas.—Uit een vonnis, des vrijdags na Sint-Nicolaas van het jaar 1323 gewezen, in een proces van de nonnen van Unterlinden tegen de edelen van Nortgasse, leeren wij de inrichting der rechtsplegingkennen. In eerste instantie werd recht gesproken door de schepenbank, onder voorzitting van een afgevaardigde van den keizerrijken schout; van de uitspraken van deze rechtbank was beroep op den stedelijken raad, die in hoogste ressort vonnis velde. Natuurlijk was de stedelijke raad, behalve met de hoogste rechterlijke macht, ook met wetgevende macht bekleed en berustte de regeering der stad in zijne handen.Na de inlijving bij Frankrijk, ging natuurlijk de zelfstandigheid en autonomie der oude vrije rijksstad verloren. De stedelijke regeering van Colmar werd ondergeschikt aan het gezag van den koninklijken raad, die binnen zijne muren zetelde. Eenpréteur, door den koning benoemd, verving de plaats van den ouden keizerlijken schout: de stedelijke regenten werden onafzetbaar verklaard en ontleenden dus hun mandaat niet langer aan de keuze der burgerij. Dit bleef zoo tot de omwenteling uitbrak, die de bestaande instellingen vernielde en der maatschappij een ander aanzien gaf.XVOnder de monumenten van de oude stad hebben wij ook het klooster Unterlinden genoemd: een eenvoudig, onaanzienlijk gebouw, in de nabijheid van de Korenbeurs, in de voormalige kerk der Dominikanen. Dit oude klooster is thans tot museum ingericht. Voor den hoofdingang staat het standbeeld van Pfeffel, door den beeldhouwer Friedrich vervaardigd. Een smal straatje of poortje, aan de beide einden met een ijzeren hek gesloten, geeft toegang tot het museum. Ondanks den frisschen, geurigen naam van Unterlinden, is nergens een linde te bespeuren. Boven de poort ziet gij het wapenschild van de orde van Sint-Dominicus: een hond, met een brandenden fakkel in den bek, waarmede hij de wereld verlicht. Behalve eene galerij van schilderijen uit de school van Schöngauer, die voor de geschiedenis der kunst in Duitschland van groot belang is, bevat het museum eene rijke verzameling van antiquiteiten en medailles, eene ethnografische collectie en eene van natuurlijke historie, benevens eene belangrijke bibliotheek. Het inwendige van het klooster is, op zich zelve, uit een architektonisch oogpunt bovendien wel de aandacht waard.Binnentredende, ziet ge een ruimen vierkanten hof, door eene sierlijke zuilengalerij omringd. In het midden van den hof verrijst het steenen standbeeld van den schilder-graveur Maarten Schöngauer; het voetstuk is tot fontein ingericht. Aan de eene zijde wordt de voormalige kloosterhof begrensd door het schip der kerk, aan de drie andere door gebouwen voor woning en andere doeleinden bestemd. Reeds vóór de revolutie heeft het schip zulke belangrijke veranderingen ondergaan, dat het niet meer mogelijk is, zich eene voorstelling te maken van zijne oorspronkelijke gedaante; daarentegen munt het koor uit door zuiverheid van stijl en edele soberheid. Maar ondanks de omgeving, is het toch de kloosterhof zelf, die bovenal uwe aandacht trekt. Met zijn sierlijke bogen, zijne zuiltjes, zijne opengewerkte rozetten, mag deze kloosterhof als een der schoonste gewrochten gelden uit den tijd der invoering van den franschen spitsbogenstijl in Duitschland. Misschien is dit het eenige zoo volledige exemplaar in den stijl der dertiende eeuw, dat wij bezitten. Drie dubbele rondbogen met gebloemde kapiteelen, in den westelijken kloostergang, zijn vermoedelijk van een vroegeren bouw afkomstig en behooren tot de eerste helft der dertiende eeuw. Het standbeeld van Schöngauer, een werk van Bartholdi, is in volkomen overeenstemming met het karakter van den hof. Het beeld stelt een middeleeuwschen kunstenaar voor, in de kleederdracht van zijn tijd, in een album bladerende. Het voetstuk is versierd met vier allerbevalligste figuurtjes: een schilder, kleuren mengende op zijn paneel; een graveur, met zijn stift op de plaat teekenende; een beeldhouwer, die zoo juist een prachtig wierookvat heeft voltooid; eindelijk een geleerde in de lezing van een boek verdiept. De wetenschap en de plastische kunst zijn dus vertegenwoordigd.—Deze stille hof, met zijn groen en bloemen, zijne speling van licht en schaduw, zijne rust en kalmte en die omlijsting van sierlijke booggangen, stemt u onwillekeurig tot peinzen en nadenken; en het kost inderdaad moeite een gevoel van wangunst te onderdrukken jegens de gelukkigen, wien het in minder koortsige en bewogen tijden vergund was in zulke kalme verblijven hun leven aan studie en kunst, aan wetenschap en gebed te mogen wijden, zonder onophoudelijk door het rumoer der buitenwereld aan hun idealen levenskring ontrukt te worden.De stichting van het klooster Unterlinden valt in de eerste jaren der dertiende eeuw. Twee edele vrouwen, Agnes van Mittelheim en Agnes van Herckenheim, vestigden zich op de plaats van het tegenwoordige klooster, waar eene van haar een huis bezat, in de nabijheid van een lindenboschje. Op raad van eenige andere vrome dames, die zich bij haar aangesloten hadden en eene godsdienstige vereeniging vormden, brachten zij hare woning over buiten de stad, op eene plaatsUff Muhlingenaamd, nevens eene aan Sint-Jan den Dooper gewijde kapel. Broeder Walther, lezer der Dominikanen te Straatsburg, nam zelf de godvruchtige vrouwen in de orde op, op Sint-Andriesdag van het jaar 1232. Maar de toenemende onveiligheid buiten de stad noopte de nonnen, twintig jaren later, om haar oud verblijf binnen de muren weder te betrekken. Voor zoo ver zij nog mochten aarzelen, moest, naar de legende verhaalt, elke twijfel wijken tengevolge van een visioen van haar heiligen patroon, die in den eigen nacht aan alle zusters verscheen en haar gelastte naar de stad terug te keeren. Toen zij gereed stondenUff Muhlinte verlaten, hoorden zij eene stem, die smeekend zeide: “Neemt mij mede.” Verwonderd omziende, van waar dat verzoek komen mocht, bespeurden de nonnen een klein beeld van den Dooper. Zij verstonden den wenk en namen het beeld met zich: nog heden kunt gij het zien in de sakristij van de Sint-Maartenskerk, een der weinige monumenten van de kunst des houtsnijdersuit de dertiende eeuw. Het oude klooster moest aanzienlijk worden vergroot, en eene nieuwe kerk gebouwd, die in 1269 door Albrecht den Groote, bisschop van Regensburg, werd ingewijd. Weldra verwierf het klooster der Dominikaner nonnen van Colmar eene groote vermaardheid; in de geschiedenis van de duitsche mystiek neemt dit Unterlinden eene zeer voorname plaats in. Binnen de muren van dit klooster leefden, in de veertiende en de vijftiende eeuw, uitmuntende vrouwen, de geur van wier innige godsvrucht, heiligen levenswandel en hooge geestesgaven zich wijd en zijd verspreidde en niet weinig bijdroeg tot de edele glorie van het gewijde gesticht, omzweefd door liefelijke legenden en dichterlijke wonderverhalen.Eeuwen lang was het uitgestrekte, rijke klooster de roem van Colmar, tot de revolutie ook dit monument vernielde. Op den tweeden Maart van het jaar 1792 werden, op bevel van het departementaal bestuur, ondanks de tranen en smeekbeden der nonnen, de klokken weggenomen: zestig nationale garden beschermden de kerkschenners tegen de verbitterde bevolking. Reeds in Mei van het vorige jaar, bij de uitdrijving der Kapucijners, had de kavalerie eene charge moeten maken op de burgers, die dom en bekrompen genoeg waren om de zegeningen der revolutionaire vrijheid niet te begrijpen!—Tot staatseigendom verklaard, werden de gebouwen van Unterlinden tot in 1842 als kazerne gebruikt; in dat jaar gingen zij aan de stad over, als vergoeding voor de geldelijke bijdrage voor den bouw eener nieuwe kavalerie-kazerne. Een deel der gebouwen werd sedert afgebroken: een ander deel tot verschillende doeleinden gebruikt, om niet te zeggen vernederd. Eindelijk kwam men op het denkbeeld, om de eerbiedwaardige, zoo gruwelijk mishandelde en geschonden zalen en vertrekken van Unterlinden uit hun diep verval op te heffen, door er eene bestemming aan te geven, althans niet te zeer in strijd met de edele traditiën aan dit eenmaal zoo beroemde klooster verbonden. Er werd dan besloten, de stedelijke bibliotheek en de wetenschappelijke en artistieke collectiën van den Opper-Elzas in de nog gespaard gebleven gebouwen van Unterlinden te plaatsen: een besluit, dat op de ontwikkeling en den wetenschappelijken zin van deze geheele streek een zeer gelukkigen invloed heeft uitgeoefend.Sint-Hieronymus. (Altaar der Antoniten.)Sint-Hieronymus. (Altaar der Antoniten.)In de eerste plaats wordt de belangstelling der kenners gewekt door de schilderij-verzameling, bepaaldelijk door de werken van oude duitsche meesters, de voorgangers van Dürer en Holbein. Deze schilderijen zijn in het schip van de oude kloosterkerk geplaatst, dat, hoewel wat bekrompen, toch eene geschikte gelegenheid aanbiedt en door de smalle spitsboogvensters voldoende licht ontvangt. Achter in het koor staat het beroemde, geheel uit hout gesneden en vergulde altaar uit eene kerk van Isenheim afkomstig. De twee beschilderde vleugeldeuren van dit altaar vormen nu, in de kerk van Unterlinden, de scheiding tusschen de schilderijen in het koor en die in het schip. In het koor hangen de werken van de oude duitsche school; het schip is bestemd voor de schilderijen uit later tijd. De twee diptyken stellen voor, de eene Christus aan het kruis; de andere, de Moedermaagd met het Kind; en aan de keerzijde Maria-Boodschap en de Opstanding, en de Verzoeking van Sint-Antonius en Sint-Paulus, en Sint-Antonius in de woestijn. Volgens eene oude overlevering zouden deze schilderijen het werk zijn van Albrecht Dürer; maar de tegenwoordige kunstcritici kennen ze toe hetzij aan Hans Baldung Grün, hetzij aan Matthias Grünewald van Aschaffenburg, zonder dat echter voor de eene of de andere hypothese afdoende argumenten kunnen worden aangevoerd. Aan den linkerwand van het koorziet men eene reeks tafreelen uit het Lijden, met groote uitvoerigheid en nauwkeurigheid op gouden grond geschilderd: dit kunstwerk draagt het jaartal 1465. De tafreelen uit het leven van Jezus, uit de school van Schöngauer afkomstig, zijn van een anderen stijl: de teekening verraadt meer gevoel en de techniek staat hooger; getuige de zoo zeer bewonderde Pietà, de Maagd het Kind aanbiddende, de engel in Maria-Boodschap, de heilige Antonius, en de Heilige Maagd den engel ontvangende: al te gader uitmuntend geconserveerde schilderstukken. Men is het niet eens over de vraag, van wie deze stukken afkomstig zijn, en de vergelijking met de gravuren van Schöngauer schijnt eene andere hand te verraden. Wij zullen hierop nader terugkomen, na een blik op de galerij van moderne schilderijen, waarin sommige voortreffelijke stukken van nog levende meesters uit den Elzas de aandacht trekken en ten volle verdienen. Wij wijzen slechts op degenre-stukkenen op de tafreelen uit het elzasser leven van Pabst, van Jundt, van Brion; op de landschappen van de twee Salzmann’s en Bernier; het gezicht op Capri van Benner, den slapenden Bader en eene Magdalena van Henner; de zegekar des Doods van Schuller en vooral zijn Schlitters uit de Vogezen; eindelijk op de miniaturen van Michel Hertrich.Het Kaufhaus te Colmar.Het Kaufhaus te Colmar.In den vloer van het koor ziet men de fragmenten van een prachtig romeinsch mozaïek, te Bergheim, in den omtrek van Colmar, opgegraven. De vleugels van den kruisgang bevatten een aantal steenen monumenten en antiquiteiten, fragmenten van beeldhouwwerk uit alle tijdperken, beginnende met de gallo-romeinsche grafteekenen van Kempel, de eigenaardig bewerkte steenen van den ouden heidenschen muur van Frankenburg, de votief-altaren uit het Hattenerwoud, de stèles en grafzerken van Horburg, tot de romaansche basreliefs en de spuiers aan de gothische kerken der middeleeuwen. Deze fragmenten zijn uit verschillende deelen van den Elzas afkomstig. Het standbeeld van Schöngauer, dat daar zoo rustig en ernstig midden op den hof verrijst, die schepping van een onzer tijdgenooten, waardig eene plaats in te nemen onder de meesterstukken der kunst, schijnt te waken over deze overblijfselen van de beeldhouwkunst der vroegere eeuwen. Bij gebrek aan ruimte in den kruisgang rondom den kloosterhof, is men genoodzaakt geweest, eenige steenen monumenten buiten te plaatsen, op het square rondom het monument van Pfeffel. Eene afzonderlijke zaal bevat de afgietsels en pleisters van de meesterstukken der klassieke beeldhouwkunst. Overigens bevatten de gebouwen van het museum schier geene andere beeldwerken dan het blazoen van de orde der Dominikanen, boven den ouden ingang, waarvan wij reeds met een enkel woord gesproken hebben. Dit blazoen is ontleend aan de legende van Sint-Dominicus, waarin onder anderen verhaald wordt, dat zijne moeder, eenigen tijd voor zijne geboorte, een geheimzinnigen droom had: zij droomde namelijk, dat zij een hond ter wereld bracht, die de wereld verlichtte met een fakkel, welken hij in den bek hield. In het klooster van Santa-Maria del Fiore te Florence, dat aan de Dominikanen behoort, ziet men eene oude fresko, waarop de Paus is afgebeeld, omringd door kardinalen en prelaten, terwijl de geloovigen, onder de gedaante van eene kudde schapen, rondom hem op den grond liggen, terwijl honden, de Dominikanermonniken voorstellende, de kudde tegen de wolven der ketterij verdedigen. Deze voorstelling is, even als het blazoen, eene woordspeling: de jongeren van Sint-Dominicus noemden zich ookdomini canes, honden des Heeren.Behalve de beide genoemde galerijen van beeldwerken en schilderijen, bevat het museum ook nog eene verzameling antiquiteiten en medailles. Geheel het leven der voorgeslachten op den alouden bodem van den Elzas treedt ons hier aanschouwelijk voor oogen; en daar het museum voor ieder gratis openstaat, wordt het ook druk bezocht en wekt het de algemeene belangstelling. Wordt ergens in de stad of op het land, iets gevonden dat uit een artistiek of archeologisch oogpunt waarde heeft, aanstonds wordt het naar Colmar, naar Unterlinden gezonden. Een reeks van vitrines, wier aantal van jaar tot jaar toeneemt, bevat een schat van voorwerpen van allerlei aard, sieraden, gereedschappen, wapens, zooveel mogelijk naar geografische orde gerangschikt, en met opgave van de plaats, waar ze gevonden zijn. Men vindt hier gedenkteekenen van alle rassen, die den Elzas bewoond hebben, van de voorhistorische tijden en de vestiging der Kelten af, overblijfselen van alle beschavings-perioden. Hier zijn oude kleedingstukken en tapijtwerken, fraaie geschilderde glazen, prachtige meubelen van gesneden eikenhout, die nog tot voorbeeld voor onze kunstenaars kunnen dienen. Zie eens die reusachtige koffers en die vorstelijke, zoo uitnemend schoon bewerkte kasten, waarin bijna plaats is voor een geheel huishouden. Op de beschilderde glazen de portretten van aanzienlijke burgers van Colmar in ouderwetsche kleederdracht, en de wapens der steden van den elzasser stedenbond, afkomstig van vensters der groote zaal van het Kaufhaus, waar zij eigenlijk hadden behooren te blijven; in den ijver om het museum van Unterlinden te verrijken, is men hier te ver gegaan. Een smaakvol en ijverig verzamelaar, de heer Fleischhauer, de tegenwoordige president van de Schöngauer-Vereeniging, wier schepping het museum is, heeft al deze voorwerpen met grooten takt gerangschikt, zoodat zij rondom denschoorsteenvan den Waagkeller, eene soort van antiek gemeubeld vertrek vormen. De groote moderne vensters, die men in deze zaal heeft aangebracht, passen echter ten eenemale niet bij de omgeving, en maken in een gothisch monument een allerongelukkigst effekt.Wij moeten nog terugkomen op de schilderijen van de oude school, in het museum van Unterlinden bewaard, die vooral voor de geschiedenis der kunst van zoo groote waarde zijn. Trouwens, al hadden zij geene andere verdienste, dan haar wondervol, schitterend koloriet, dat ondanks den tijd nog al zijn frischheid en glans behouden heeft, dan nog zouden deze schilderijen ten volle de belangstellingverdienen. Het is voorwaar geen kleine lof voor den ouden kunstenaar, dat vier eeuwen niets hebben ontnomen aan den gloed en de pracht zijner verwen, wanneer wij zien, dat moderne schilderijen, in ditzelfde museum aanwezig, binnen de korte spanne tijds van een menschenleven, geheel van toon en kleur veranderen. De vorderingen der scheikunde, waarvan de industrie in zoo velerlei opzicht voordeel trekt, hebben onze hedendaagsche schilders nog niet in staat gesteld, het koloriet der meesters uit de vijftiende eeuw ook maar nabij te komen.Wanneer wij de oude schilderijen in het museum van Colmar aan Schöngauer toeschrijven, dan volgen wij daarin de traditie en de algemeen aangenomen meening. Wij kunnen ons hier niet verdiepen in de kritische beschouwingen en geleerde vertoogen, waartoe de veel besproken kwestie omtrent Schöngauer en zijn werk aanleiding heeft gegeven. Noch de meester zelf, noch zijne leerlingen hebben de moeite genomen de schilderijen te teekenen, waarvan de echtheid zoo hevig betwist of betwijfeld wordt. De verdienste van deze stukken is geheel afgescheiden van den naam des schilders: zij ligt in haar beteekenis voor de geschiedenis der kunst en in haar verwonderlijk koloriet. Sommigen getuigen van diep gevoel en verdienen ook om de uitdrukking waardeering: maar afgescheiden van de kleur, zijn de meesten, althans met onzen tegenwoordigen maatstaf gemeten, niet meer dan middelmatig, vooral door de gebrekkige teekening.Bij gebreke van authentieke bewijzen moeten ook de bekwaamste en scherpzinnigste critici zich bepalen tot gissingen omtrent de vervaardigers van de schilderijen uit de school van Colmar. Daar de meest bevoegde rechters elkander op bijna alle punten tegenspreken, is het zaak zich van elk gewaagd oordeel te onthouden. De heer Goetswiller noemt in zijn boek over het museum van Colmar een tiental schilderijen op, in deze verzameling en in de Sint-Maartenskerk aanwezig, die hij voor het werk van Schöngauer houdt. In de sakristij van St. Maarten hebben wij deMadonna in de rozenhaag, een stuk dat door sommigen uitbundig is geprezen en eene voorname plaats inneemt in de historie der kunst. De Moedermaagd zit met het kind Jezus in haar armen op eene bank, omringd door bloeiende rozenstruiken. Schitterend gekleurde vogels zingen in het gebladerte, terwijl twee in het blauw gekleede zwevende engelen eene kroon boven haar hoofd houden. De gouden grond doet den glans van het koloriet, dat hoofdzakelijk uit verschillende nuancen van rood bestaat, nog te meer uitkomen. De uitdrukking van reinheid en onschuld in het gelaat en de geheele houding der Madonna, de levendige beweging van het kind en de beide zwevende engelen overtreffen alles,watin dit opzicht door de tijdgenooten van Schöngauer is geleverd. Maar met de Madonna’s van Rafaël of van Murillo is deze Lieve Vrouwe niet op eene lijn te stellen, zij is en blijft een duitsch burgermeisje, met eene blozende kleur en een gezond voorkomen, maar zonder hoogere idealiteit: de Moeder des Heeren denkt men zich anders. De schilder moest zijne modellen kiezen in de omgeving waarin hij leefde. Schöngauer heeft een aantal Madonna’s gegraveerd, zij onderscheiden zich van de geschilderde door meer bevalligheid en dieper gevoel. In het museum bevinden zich nog eenige andere schilderijen, die met meer of minder recht aan den meester worden toegeschreven, maar waarvan wij hier geene nadere omschrijving geven kunnen.Zeker niet van Schöngauer zijn de zestien tafereelen uit het Lijden, waarvan wij reeds vroeger spraken, en die uit de oude kerk der Dominikanen afkomstig zijn. De ruwe en onbeholpen wijze van teekenen zou alleen reeds voldoende zijn om ons te overtuigen, dat wij hier niet het werk van dien meester voor ons hebben, al stond de vervaardiger van deze stukken niet buiten zijn invloed. Daar is toch zekere overeenkomst, zekere verwijderde verwantschap tusschen deze schilderijen en de gravuren van Schöngauer, die allen van zijn naamteeken zijn voorzien. Het museum van Colmar bezit maar zeer weinig origineele gravuren van den beroemden kunstenaar, slechts enkele platen in deze verzameling dragen zijn monogram. De heer Amand-Durand heeft in 1881, te Parijs, eene volledige verzameling phototypiën van al de platen van Schöngauer uitgegeven. Het aantal dier platen bedraagt ruim honderd, voor het meerendeel godsdienstige voorstellingen behelzende, waaronder vele meesterstukken. Albrecht Dürer heeft meer dan eens Schöngauer gevolgd en hem onder anderen een zijner schoonste Madonna-typen ontleend. Wie de teekeningen en gravuren van den colmarschen meester naast de hem toegeschreven schilderijen legt, kan niet nalaten getroffen te worden door de meerdere voortreffelijkheid der eersten, zoo wat teekening als uitdrukking en levensvolle bezieling betreft.Altaar der Antoniten. (Museum te Colmar.)Altaar der Antoniten. (Museum te Colmar.)Wij kunnen ons bij de schilderijen niet langer ophouden, maar moeten nog een blik werpen op het altaar van gesneden hout, dat een der sieraden van het museum is en uit het klooster der Antoniten van Isenheim afkomstig is. Langen tijd gold dit altaar voor een der schoonste monumenten van dien aard in de geheele Christenheid; in de vorige eeuw kwamen reizigers en kunstenaars van heinde en verre naar Isenheim om dat kunstwerk te bewonderen. Wat wij nu in het koor der voormalige kerk van Unterlinden zien, is slechts een gedeelte der vroegere heerlijkheid, maar wat gespaard bleef, is voldoende om een denkbeeld te geven van het wonderschoon geheel. Vlak boven de altaartafel zien wij, in drie nissen, de borstbeelden van Christus en van de twaalf apostelen. Hooger prijkt, in het midden van het blad, het beeld van Sint-Antonius, den patroon der orde, met Sint-Augustinus aan zijne rechter, en Sint-Hieronymus aan zijne linkerhand, alle drie in natuurlijke grootte en hoog relief. Sint-Antonius is zittende afgebeeld, bekleed met eene tuniek en een wijden mantel, in de eene hand den zoogenoemden Sint-Antonieskruk, in de andere een gesloten boek houdende. De kleine knielende figuur aan de voetenvan Sint-Augustinus verbeeldt zeer waarschijnlijk den schenker van het altaar. Al de beelden die gekleurd zijn, verkeeren in uitmuntenden toestand. Zij behooren ongetwijfeld tot de uitnemendste scheppingen der duitsche kunst in een tijd, toen het ideaal der middeleeuwen met zijne naïeviteit, en zijne hooge opvatting en diep gevoel nog de gemoederen beheerschte en vervulde, maar tegelijk de invloed van eene meer realistische opvatting zich begon te doen gevoelen en het streven naar individualiteit meer op den voorgrond trad. Let op de uitdrukking van majesteit en kalmte in de figuur van Sint-Antonius, dien eerwaardigen grijsaard, die als een vorst troont te midden van het altaar. Sint-Augustinus, in vol bisschoppelijk ornaat, met de mijter en den staf, is niet minder uitmuntend dan het beeld van den patroon der orde. Het hoofd van Sint Hieronymus verdient niet minder de aandacht; wat kracht en diepte van uitdrukking betreft, zoekt deze kop zijne wedergade in de kunstscheppingen van dien tijd. In het kleed van een romeinsch kardinaal gedost, met den hoed op het hoofd, slaat de beroemde kerkvader een smeekenden blik ten hemel; het vermagerde, edele gelaat getuigt van arbeid, zelfverloochening en zielestrijd. In de linkerhand houdt hij de Heilige Schrift, aan welker vertaling en verklaring hij het grootste deel van zijn leven heeft gewijd; de rechterhand is opgeheven, als om de toehoorders te vermanen en te waarschuwen. Aan zijne voeten slaapt de leeuw, de metgezel van den grooten kluizenaar.Korenbeurs te Colmar.Korenbeurs te Colmar.XVIWij hebben lang in het museum van Colmar getoefd, misschien wel te lang naar de meening van sommigen onder onze lezers, die van niets zoozeer overtuigd zijn als van de waarheid, dat de mensch van kunstgenot alleen niet leven kan. Daarom, hoe gaarne wij ook verder de zeer ingewikkelde vraag zouden wenschen te bespreken, van welken meester de voornaamste schilderijen in de galerij van Unterlinden zijn, wij mogen hier niet langer toeven. Maar toch zou ik achten, aan mijn plicht te kort te hebben gedaan, indien ik mijn lezers niet op de hoogte bracht van het weinige, dat ons omtrent het leven van den beroemden schilder-graveur Martin Schöngauer, het hoofd der school van Colmar, bekend is. Tot dusver zijn de geleerden het ten eenemale oneens, zoowel omtrent den tijd waarin hij geleefd heeft, als omtrent den juisten vorm van zijn naam en omtrent de waarde van zijne kunstwerken.—Over zijne werken hebben wij reeds in alle bescheidenheid onze meening gezegd. Ten aanzien van zijn sterfdag houden wij ons aan eene geschreven aanteekening in het register der jaargetijden, die in de parochiale kerk van Sint-Maarten waren gesticht. Dit register, door den heer Hugot ontdekt, wordt in het stedelijk archief bewaard. Opbladz.29 van dit register leest men de volgende aanteekening in het latijn: “Martin Schöngauer, de roem der schilders, vermaakte vijf stuivers voor zijn jaargetijde en voegde er negentien stuivers en zeven penningen bij voor het jaargetijde van zijn vader, waarvoor hij verkreeg een jaargetijde zonder vigiliën. Hij stierf op Maria-Zuivering, in het jaar 1488.”—Een opschrift op het portret van Schöngauer in de Pinakotheek van Munchen, afkomstig van de hand van Hans Burgkmaier, noemt den tweeden Februari 1499 als den sterfdag van den ouden meester. “Mayster Martin Schongawer, Maler, genent Hipsch Martin von wegen seiner Kunst, geboren zu Kolmar, aber von seinenAeltern ein Augsburger Bu(rger) des Geschlechts vo Her Casparn, und is (gest)orben zu Kolmar anno 1499 auf den 2t(en tag) Hornings, dem Got Genad.—Ich sein Junger Hans Burgkmair im Jar 1488”.—Deze twee aanteekeningen, waaruit in ieder geval blijkt dat Martin Schöngauer of Schöngouwer te Colmar werd geboren en in de laatste jaren der vijftiende eeuw aldaar is gestorven, zijn eigenlijk alles wat wij omtrent den kunstenaar weten: de bijzonderheden van zijn leven zijn ons onbekend.De plaatselijke overleveringen maken melding van het huisZum Schwanen, in de kleine Augustijnerstraat, achter de Sint-Maartenskerk, als zijnde het eigendom van Schöngauer. Door hetgeen nog van de voormalige versiering van deuren en vensters over is, geeft dit huis ons nog een staaltje van de burgerlijke bouwkunst der vijftiende eeuw te Colmar; ongelukkig is ook dit huis misvormd en geschonden, om aan de eischen van den modernen smaak te voldoen. Te oordeelen naar zijn portret in de Pinakotheek van Munchen, dat het jaartal 1453 draagt, was Schöngauer toen een man van ongeveer dertig jaar; hij zou dus omstreeks het jaar 1420 geboren zijn. Albrecht Dürer, die in 1492 te Colmar kwam om in het atelier van Schöngauer te studeeren, vond hem, volgens de verklaring van Christian Scheurl in zijnVita Antonie Kressen, in 1515 gedrukt, niet meer in leven. Schöngauer zelf was een leerling van Rogier Van der Weyde. Met Albrecht Dürer een der scheppers van de duitsche kunst, heeft hij door zijne talrijke leerlingen en navolgers de beginselen en de techniek der vlaamsche school in Duitschland ingevoerd en bekend gemaakt. Geen enkel duitsch schilder voor hem heeft in dezelfde mate het talent bezeten om de schoonheid van het menschelijk gelaat weer te geven. Zijne schilderijen, vooral in de steden langs den Boven-Rijn verspreid, vonden grooten aftrek in Italië en Frankrijk, in Engeland en Spanje. Onder de werken, die aan hem worden toegeschreven, zag ik er een in het museum te Madrid: een altaarstuk, door gothische bogen in drie vakken of nissen verdeeld, voorstellende den Zaligmaker, de Madonna en Sint-Jan; in de galerij van het paleis Sciarra Colonna te Rome, de Dood van Onze-Lieve-Vrouwe; in de Pinakotheek te Munchen, de Intocht van David in Jerusalem met het hoofd van Goliath; in de National Gallery te Londen, nogmaals de Dood van Onze-Lieve-Vrouwe, van veel kleiner afmetingen dan onze schilderijen te Colmar, maar met eene fijnheid van uitdrukking, een diepte van gevoel en een meesterschap van bewerking, die Schöngauer anders slechts in zijne gravuren toont te bezitten.En nu, na dit kunstpraatje, begeven wij ons tot lager sfeer en dalen wij af naar de keuken, van welke het niet valt tegen te spreken, dat zij in ons leven nog meer plaats inneemt dan de schilder- of beeldhouwkunst. En door dit te erkennen, willen wij allerminst geacht worden, de materieele behoeften en begeerten te verheffen boven de geestelijke goederen en den smaak voor het schoone; noch ook op eenige wijze afbreuk te doen aan de rechten der gedachte en van het ideaal op de leiding en het bestuur des levens. Maar, wat ik u bidden mag, deftige heeren, ernstige lieden uit elken stand, gij die hoegenaamd geen prijs stelt op een goed diner, die uitsluitend leeft in hoogere, ideale sfeer en nimmer bezweken zijt voor do verlokkingen van een keurige tafel;—wat ik u bidden mag, weest niet te haastig met uw anathema! Vergunt mij, aan mijne vrienden, die belang stellen in alles wat ons mooi en goed vaderland, onzen Elzas, betreft, ook eens te vertellen, hoe en wat men er alzoo eet. Toen ik mij voorstelde als uw gids, om u al het merkwaardige en belangwekkende, al het schoone en loffelijke van ons land te toonen, heb ik mij zelven de dure verplichting opgelegd om niets dan de waarheid te zeggen. En nu is het eene onbetwistbare waarheid, dat de wijze van voeding altijd eene vrij belangrijke rol heeft gespeeld in de zeden en gewoonten, in de geheele manier van leven ook der Elzassers van vroeger en later tijd. Arbeidzaam, verstandig, moedig als het noodig is, trouw in zijne liefde, gehecht aan zijne voorvaderlijke godsdienst, bereid tot ieder offer ten behoeve van zijn geloof, zijn vaderland en zijne eer, is het goede volk van den Elzas ook gansch niet onverschillig voor de genietingen en voorrechten van hetgeen men een goed leven noemt.Bij een vrij zacht klimaat laat de grond van den Elzas de kultuur toe van alle planten der gematigde luchtstreek. Zijne rijke golvende korenakkers zijn sinds ouden tijd beroemd; zijn moestuinen en boomgaarden zijn de rijkste en schoonste van geheel Duitschland geweest; zijn bekende wijnbergen hebben het edele druivensap geleverd, dat tot in de best voorziene kelders van Engeland en Zweden wordt bewaard. Reeds de oude schrijvers prijzen om strijd de aangenaamheden en voorrechten van deze gezegende streek, die zij den wijnkelder, de korenschuur, de voorraadkamer der omliggende landen noemen, en waarvan zij de vruchtbaarheid met die van Touraine en Lombardije vergelijken. Weinig landen, zegt deGéographie françaisevan Duval, leveren zoo veel gemakken en aangenaamheden voor het leven op. Wild en visch van allerlei soort dragen rijkelijk bij tot de voeding der menschen.—Het is geen wonder, dat Duitschland nooit heeft opgehouden, naar de herovering van dit door de natuur zoo rijk gezegende land te trachten.De uitbreiding van den landbouw, de ontwikkeling der industrie, in het algemeen de voortgang der beschaving is van nadeeligen invloed geweest op den wildstand en op de vischrijkheid der wateren. Wij zullen nader gelegenheid hebben om van de uitgestorven soorten te spreken en de nog levende te bestudeeren. Daarentegen was het land nooit zoo rijk als tegenwoordig aan huisdieren, noch bezat het immer daarvan zoo voortreffelijke exemplaren.—De meeste groenten, die wij nog heden, naargelang der verschillende jaargetijden, op de spijskaarten vermeld vinden, worden reeds in de capitulariën van Karel den Groote genoemd. Als nu, bracht toen de lente spinazie, bieten, bernagie,ossetong, boerekool, zuring, chicorei, berenklauw, paardebloemen (molsla), waarvan de bladeren, evenals die van de papaver en de winterbonen, gegeten werden. Een in de middeleeuwen zeer geliefde spijs, die bij ons in onbruik is geraakt, leverden de bladeren van de maartsche viooltjes, vermengd met jonge brandnetels, wilde latuw en de eerste uitspruitsels van wilde hop, die echter minder hoog stonden aangeschreven dan rapousjes en sperges. Met den zomer kwamen pieterselie, worteltjes, suikerwortels, radijs, peulen, doperwten, snijbonen, rogge en spelt, waarvan men de onrijpe korrels als groente at. De herfst bracht op zijn beurt witte kool, bonen, komkommers, pompoenen, waarbij zich sedert het laatst der zeventiende eeuw de aardappel voegde, die het brood der armen geworden is; vervolgens bloemkool, artisjokken, tomaten en meloenen. De winter voorzag nog de tafel van ingemaakte groenten, zoo als erwten, snijbonen, linzen en andere, de onvermijdelijke zuurkool vooral niet te vergeten. Behoudens enkele uitzonderingen, maken al deze groenten ook tegenwoordig nog deel uit van de volksvoeding. Sommige grovere soorten zijn in onbruik geraakt, andere fijnere groenten vallen thans binnen ieders bereik.Vraag eens het oordeel van onze lekkerbekken in den Elzas en Lotharingen. De fijnste kenners, zij die door het gansche land aan de beste tafels hebben aangezeten, zullen u dan wel, in vertrouwen, enkele bevoorrechte plekjes noemen, beroemd hetzij door de voortreffelijkheid der keuken in het algemeen, hetzij door de ongeëvenaarde wijze, waarop men sommige schotels weet te bereiden. Ondanks het stelsel van verplicht onderwijs, ondanks de algemeene bekendheid der recepten van denBon Cuisinier français, ondanks de sneltreinen, die ons de weelde vergunnen, gebakken schol uit de Noordzee of ingelegde groenten uit Amerika op onze tafel te zien verschijnen; ondanks dat alles, kennen wij toch, hier en daar verspreid, sommige huizen, waar zekere uitgezochte spijzen beter dan ergens elders worden toebereid en beter smaken ook. Niet zonder innige ontroering gewagen onze gastronomen van de wonderen van Vader Jundt, in zijn restaurant dePoêle-des-Vigneronste Straatsburg, en van de weleer, ten tijde van Rieffenach, zoo beroemdeDeux-Clefste Colmar. In deze beide huizen, waar de moderne weelde geen toegang had en nieuwigheden niet spoedig werden ingevoerd, wijdde de meester in eigen persoon al zijne zorg en aandacht aan de keuken en wist men van de nieuwere ontdekkingen partij te trekken, zonder met de goede oude traditie te breken. Nergens at men zoo goed, nergens vond men eene zoo keurige tafel en zoo voortreffelijken wijn; nergens voelde men zich zoo volkomen op zijn gemak. Tijdens de restauratie, vóór het noodlottige jaar 1830, was hetHotel des Deux-Clefste Colmar, juist om zijne uitmuntende tafel, een van de vereenigingspunten der elzasser oppositie. De generaal Foy, Benjamin Constant, Marcel Barthe, Voyer d’Argenson, als gasten van den toekomstigen pair van Frankrijk Hartmann, hebben daar mede de vierschaar gespannen van het fransche liberalisme. Ach, waarom hebben zij niet liever al hunne aandacht gewijd aan de pasteitjes van ganzelever en aan de uitgelezen merken der elzasser wijnen, in plaats van Frankrijk te helpen storten in de roekelooze omwenteling van Juli 1830! Hoe geheel anders zou de loop der geschiedenis voor het ongelukkige land zijn geweest, hadde men deze onvergefelijke domheid niet begaan.... Maar wij zouden vergeten, dat wij nog aan tafel zitten.Wanneer ik u de spijskaart van de table d’hôte in deDeux-Clefsvoorlegde, dan zoudt ge moeten toestemmen, dat men daar, voor den in het minst niet buitensporigen prijs van twee marken en tachtig pfenningen, een uitmuntend diner kan krijgen, met inbegrip van een halve flesch wijn. In de herberg van het Stubengeselschaft vanSchlettstadt, overeenkomende met den Waagkeller te Colmar, betaalden de klanten, in 1520, zeven of acht penningen voor een goeden maaltijd, met inbegrip van wijn. Dit verhaalt ons de eerzame kroniekschrijver Hieronymus Gebweiler, die er bijvoegt dat de wijn voortreffelijk, en de spijzen overvloedig en heerlijk klaar gemaakt waren; hij deelt ons echter het menu niet mede. Ten gevalle van liefhebbers van oude menus, nemen wij er een over uit deEdelsassische Chronick, in het jaar 1592 door Herzog te Straatsburg gedrukt. Het geldt de beschrijving van een feestmaal, op dinsdag vóór Sint-Valentijn, in 1439 gegeven, ter gelegenheid van de blijde inkomste van den bisschop Robrecht van Beieren. Het feestmaal, waaraan meer dan driehonderd geestelijken deelnamen, bestond uit drie reeksen van gerechten, ieder van vijf schotels.Eerste gerecht: 1º kool; 2º gekookt ossevleesch; 3º ragout van kippen met zoete amandelen; 4º visch in zwarte gelei; 5º vlapastei.Tweede gerecht: 1º ragout van wilde zwijnevleesch; 2º hertepastei; 3º gruttepap met gerstsuiker; 4º gebak; 5º blanc-manger.Derde gerecht: 1º rijst met suiker; 2º kapoenen, kippen en gebraden speenvarkentjes; 3º gelei van gevogelte en kalfsvleesch met saus; 4º gebak in den vorm van peren; 5º compote van pruimen. Onder de versierde schotels, die op de tafel van den bisschop werden geplaatst, wordt een kasteel genoemd van fijn gebak, waaruit een zwerm levende vogeltjes fladderde, met een vijvertje waarin kleine vischjes zwommen. Nog twee andere prachtschotels verdienen vermelding: een gebraden speenvarkentje, aan de eene zijde verguld en aan de andere verzilverd, en een gebraden pauw in zijn vollen vederdos.—Van een diner, den 19 November 1705, op het stadhuis van Mülhausen gegeven door een dertigtal burgers, aan wie pas het stedelijk burgerrecht was toegekend, is ons het volgende menu bewaard gebleven: 1º kippesoep, gekookt rundvleesch, kippenpastei, een kalkoen, niet genoemde groente, bloemkool; 2º gebraden kalfsschijf, gebraden haas, ragout van hertevleesch, kapoen, duiven, snippen, zwaluwen, ganzen, eenden, compote van peren en pruimen; 3º twee schotels met beignets, taarten, gebak, confituren,enz. Aan dezen maaltijd namen vijf-en-zestiggasten deel; de nieuw opgenomen burgers, die de kosten betaalden, hadden met den waard van denWildemaneene overeenkomst gesloten tegen acht pfundstäbler—zegge, tien pond veertig stuivers—per hoofd, waaronder veertig pfundstäbler voor wijn.
Balkon van het commissariaat van policie.Balkon van het commissariaat van policie.
Balkon van het commissariaat van policie.
Balkon van het commissariaat van policie.
Colmar draagt er roem op, ten tijde van het heilige Roomsche rijk eene vrije stad te zijn geweest, met eene eigene zelfstandige regeering. Haar oorsprong hangt samen met eene hoeve, die tot het domein der eerste frankische koningen behoorde; maar de ontdekking van steenen, potten en andere voorwerpen uit den romeinschen tijd levert het bewijs, dat hier reeds vroeger een centrum van bevolking was. Voor zoo veel wij weten, komt de naam der plaats het eerst voor in 823, in een giftbrief van Lodewijk den Vrome aan de abdij van Munster, gedagteekendad fiscum nostrum nomine Columbarium. Hadden wij over meer tijd en ruimte te beschikken, dan zouden wij ons verdiepen in de vraag, of deze naam Columbaria een latijnsche vorm is van het duitsche Kohlmarkt, dan wel of hij eenvoudig is afgeleid van de duiventil, die bij elke hoeve behoorde. De monnik van Sint-Gallen verhaalt in zijne kroniek van den tijd van Karel den Groote, dat de machtige Keizer, in een zijner oorlogen tegen de Saksers, de bijzondere dapperheid opmerkte van twee jonge soldaten, en bij navraag van hen vernam dat zij bastaarden waren, afkomstig uit het vrouwenhuis van Columbra. Men heeft daaruit afgeleid, dat tot de koninklijke hoeve van Columbarium ook een vrouwenhuis behoorde: dat wil zeggen, een lokaal waar de vrouwen arbeidden, die de wol en het linnen sponnen en weefden en de kleederen vervaardigden voor de lieden van het hofgezin. In 884 hield Keizer Karel de Dikke hier, omstreeks het feest van Maria-Zuivering, een algemeene vergadering van den adel en de geestelijkheid zijner staten, een soort van rijksdag, om te beraadslagen over de maatregelen tegen de invallen der Noormannen. Volgens onze geschiedschrijvers bevatte het koninklijk domein, de bakermat der toekomstige stad, twee hoeven, het Oberhof en het Niederhof. In 1160 werd de hoeve of de villa, zoo als zij in de jaarboeken van de abdij van Munster genoemd wordt, door brand vernield.
De Madonna in de rozenhaag. (Blz. 207).De Madonna in de rozenhaag. (Blz.207).
De Madonna in de rozenhaag. (Blz. 207).
De Madonna in de rozenhaag. (Blz.207).
Deze brand mocht veeleer eene weldaad dan een ramp heeten. Niet alleen herrees de villa uit haar puin, maar reeds eene eeuw later had zij zoodanige beteekenis verworven, dat zij tot den rang van stad werd verheven en met een muur omgord. De vrije boeren, eigenaars of pachters van de verstrooide hoeven, waaruit Colmar toen bestond, en de werklieden—vrijgelatenen of vluchtelingen—die zich bij hen gevoegd hadden, gevoelden weldra de behoefte om hunne personen, hunne bezittingen en hunne vrijheid te kunnen verdedigentegen de aanvallen der adellijke heeren uit den omtrek. Daartoe was het noodig, de stad met stevige muren te omringen, die haar beveiligden tegen verrassing en overrompeling. De landvoogd Wölfelin gaf dus, in 1214, vergunning, de stad met muren en wallen te versterken. De ommuurde ruimte omvatte in de dertiende eeuw niet meer dan de zuidelijke en oostelijke wijken van de tegenwoordige stad, en toch was het er nog verre van af, dat deze ruimte geheel zou bebouwd zijn. De sedert gevolgde stichting van de kommanderij van Sint-Jan en van een paar kloosters bewijst, dat er nog genoeg onbezette terreinen binnen de muren te vinden waren.
Bij een octrooi van 1226, door keizer Frederik II tot den rang eener vrije, keizerlijke rijksstad verheven, koos Colmar met warmte de partij van dien monarch in zijne geduchte worsteling met de Curie. De vrij verklaarde gemeente bleef met zoo trouwe gehechtheid aan haar weldoener verknocht, dat zij zelfs de partij koos van een avonturier, die zich, na ’s keizers dood, voor Frederik II wilde doen doorgaan, hetgeen der poorterij op eene zware boete te staan kwam ten behoeve van den levenden keizer, Rudolf van Habsburg. In dien tusschentijd had de bisschop van Bazel een kapittel ingesteld, om met den pastoor de goederen der Sint-Maartenskerk te beheeren. Aan het hoofd van dit kapittel, dat door twee bullen van Paus Gregorius IX, in Juni 1234, bevestigd werd, stond de domproost, die door de kanunniken werd verkozen, maar de investituur van den abt van Munster ontving. Een deken, door den abt benoemd, nam de dienst van pastoor waar; terwijl een der andere kanunniken met de leiding van het koor was belast. De kanunniken, die door het kapittel verkozen werden, waren niet aan het gezag van de poorterij onderworpen. Zij ontvingen zekere uitdeelingen in natura, onder voorwaarde dat zij te Colmar wonen zouden, maar met de bevoegdheid om elders de lessen aan eene universiteit te volgen, zonder daardoor de inkomsten van hunne prebende te verliezen. Bij giftbrief van 15 December 1283 schonk een der kanunniken, meester Jacob, die jaren lang gratis het ambt vanscholasterhad vervuld, veertig pond, waarbij het kapittel nog tien pond voegde: van welk kapitaal de jaarlijksche rente, ten bedrage van vijf pond, moest dienen om den scholaster te bezoldigen. Ook hier, als schier overal elders, was de school eene stichting der kerk en wies onder hare hoede op. Het zegel van een der scholasters van Sint-Maarten stelt den eerwaarden leeraar voor, gezeten voor zijn lessenaar en een schrijver verklarende, terwijl de leerlingen rondom hem op den grond zitten en met ingespannen aandacht luisteren.—In dien zelfden tijd was een aanvang gemaakt met den bouw der collegiale kerk, maar de voortgang van dien arbeid werd belemmerd door innerlijke verdeeldheid en burgertwist. Er waren toen twee partijen in de stad: de eene hield de zijde van den bisschop van Straatsburg, de andere stond voor den keizer en het rijk. Deze laatste partij werd aangevoerd door den provoost Johan Rösselmann, den zoon van een gewoon werkman uit Turckheim, die, ten koste van zijn leven, Colmar in handen leverde van Rudolf van Habsburg, geruimen tijd voor deze den keizerlijken troon beklommen had. Na zijne verkiezing tot Roomsch koning schonk het hoofd der dynastie van Habsburg, te Weenen, den 29 December 1278, aan de burgers van Colmar eene stedelijke keur, die de grondslag werd van hun recht en later tot regel diende ook voor andere steden. De keizer verbond zich daarbij, niemand dan een poorter van Colmar tot provoost of schout te benoemen; deze schout zou de bevoegdheid hebben om het burgerrecht te verleenen aan wien hij wilde, zelfs aan hoorigen, die, wanneer hun heer hen niet binnen het jaar opvorderde, niet meer van hun recht konden worden ontzet. De burgers mochten leenen bezitten; de edelen werden vrijgesteld van gewone belastingen, op grond van hunne bijzondere persoonlijke verplichtingen jegens het rijk.
Weldra vinden wij, naast den schout, die door den keizer werd benoemd en als diens vertegenwoordiger gold, melding gemaakt van den burgemeester en de vertegenwoordigers der gilden. Naar het schijnt, was de burgemeester aanvankelijk niet anders dan een afgevaardigde van de gilden, dat is van de burgerij, bij het stedelijk bestuur. Door de burgers als hun hoofd erkend, hoogst waarschijnlijk rechtstreeks door hen gekozen, en geroepen om een tegenwicht te vormen tegenover het gezag van den keizerlijken schout, kon het niet anders of het gezag en de invloed van dezen magistraatspersoon moest zich gaandeweg uitbreiden. Onder den invloed der gilden won de demokratische geest steeds in kracht; en langzamerhand, met en zonder schokken en botsingen, ging ook hier het gezag en de leiding der zaken uit de handen van den schout over in die van den stedelijken raad, waarvan de burgemeester voorzitter was. Zoo als wij zagen, was reeds bij het octrooi van 1278 bepaald, dat de waardigheid van schout uitsluitend aan een poorter van Colmar kon worden opgedragen. Dat was een eerste stap; later kocht de stad van den keizer het recht der benoeming, en nu werd het schoutambt eenvoudig eene stedelijke betrekking, en de schout, in plaats van een keizerlijk, een stedelijk ambtenaar. Van toen af was de burgerij in het volle bezit der macht; maar daarmede was in geenen deele aan de stad het genot van rust en vrede verzekerd: evenals in bijna alle andere stedelijke republieken der middeleeuwen, waren ook te Colmar twisten en partijschappen aan de orde van den dag.
De gilden namen, door hare hoofdmannen, rechtsstreeks aandeel aan de regeering; het getal dier gilden, die de gansche burgerij omvatten, was aanvankelijk twintig, later tien; daarnevens vormden de adellijke familiën, wier aantalomstreeksdertig bedroeg, twee curiën. De eerste, die op de lijst der burgemeesters voorkomt, is Walther von Sleztat, die in 1296magister burgensiumwas.—Uit een vonnis, des vrijdags na Sint-Nicolaas van het jaar 1323 gewezen, in een proces van de nonnen van Unterlinden tegen de edelen van Nortgasse, leeren wij de inrichting der rechtsplegingkennen. In eerste instantie werd recht gesproken door de schepenbank, onder voorzitting van een afgevaardigde van den keizerrijken schout; van de uitspraken van deze rechtbank was beroep op den stedelijken raad, die in hoogste ressort vonnis velde. Natuurlijk was de stedelijke raad, behalve met de hoogste rechterlijke macht, ook met wetgevende macht bekleed en berustte de regeering der stad in zijne handen.
Na de inlijving bij Frankrijk, ging natuurlijk de zelfstandigheid en autonomie der oude vrije rijksstad verloren. De stedelijke regeering van Colmar werd ondergeschikt aan het gezag van den koninklijken raad, die binnen zijne muren zetelde. Eenpréteur, door den koning benoemd, verving de plaats van den ouden keizerlijken schout: de stedelijke regenten werden onafzetbaar verklaard en ontleenden dus hun mandaat niet langer aan de keuze der burgerij. Dit bleef zoo tot de omwenteling uitbrak, die de bestaande instellingen vernielde en der maatschappij een ander aanzien gaf.
Onder de monumenten van de oude stad hebben wij ook het klooster Unterlinden genoemd: een eenvoudig, onaanzienlijk gebouw, in de nabijheid van de Korenbeurs, in de voormalige kerk der Dominikanen. Dit oude klooster is thans tot museum ingericht. Voor den hoofdingang staat het standbeeld van Pfeffel, door den beeldhouwer Friedrich vervaardigd. Een smal straatje of poortje, aan de beide einden met een ijzeren hek gesloten, geeft toegang tot het museum. Ondanks den frisschen, geurigen naam van Unterlinden, is nergens een linde te bespeuren. Boven de poort ziet gij het wapenschild van de orde van Sint-Dominicus: een hond, met een brandenden fakkel in den bek, waarmede hij de wereld verlicht. Behalve eene galerij van schilderijen uit de school van Schöngauer, die voor de geschiedenis der kunst in Duitschland van groot belang is, bevat het museum eene rijke verzameling van antiquiteiten en medailles, eene ethnografische collectie en eene van natuurlijke historie, benevens eene belangrijke bibliotheek. Het inwendige van het klooster is, op zich zelve, uit een architektonisch oogpunt bovendien wel de aandacht waard.
Binnentredende, ziet ge een ruimen vierkanten hof, door eene sierlijke zuilengalerij omringd. In het midden van den hof verrijst het steenen standbeeld van den schilder-graveur Maarten Schöngauer; het voetstuk is tot fontein ingericht. Aan de eene zijde wordt de voormalige kloosterhof begrensd door het schip der kerk, aan de drie andere door gebouwen voor woning en andere doeleinden bestemd. Reeds vóór de revolutie heeft het schip zulke belangrijke veranderingen ondergaan, dat het niet meer mogelijk is, zich eene voorstelling te maken van zijne oorspronkelijke gedaante; daarentegen munt het koor uit door zuiverheid van stijl en edele soberheid. Maar ondanks de omgeving, is het toch de kloosterhof zelf, die bovenal uwe aandacht trekt. Met zijn sierlijke bogen, zijne zuiltjes, zijne opengewerkte rozetten, mag deze kloosterhof als een der schoonste gewrochten gelden uit den tijd der invoering van den franschen spitsbogenstijl in Duitschland. Misschien is dit het eenige zoo volledige exemplaar in den stijl der dertiende eeuw, dat wij bezitten. Drie dubbele rondbogen met gebloemde kapiteelen, in den westelijken kloostergang, zijn vermoedelijk van een vroegeren bouw afkomstig en behooren tot de eerste helft der dertiende eeuw. Het standbeeld van Schöngauer, een werk van Bartholdi, is in volkomen overeenstemming met het karakter van den hof. Het beeld stelt een middeleeuwschen kunstenaar voor, in de kleederdracht van zijn tijd, in een album bladerende. Het voetstuk is versierd met vier allerbevalligste figuurtjes: een schilder, kleuren mengende op zijn paneel; een graveur, met zijn stift op de plaat teekenende; een beeldhouwer, die zoo juist een prachtig wierookvat heeft voltooid; eindelijk een geleerde in de lezing van een boek verdiept. De wetenschap en de plastische kunst zijn dus vertegenwoordigd.—Deze stille hof, met zijn groen en bloemen, zijne speling van licht en schaduw, zijne rust en kalmte en die omlijsting van sierlijke booggangen, stemt u onwillekeurig tot peinzen en nadenken; en het kost inderdaad moeite een gevoel van wangunst te onderdrukken jegens de gelukkigen, wien het in minder koortsige en bewogen tijden vergund was in zulke kalme verblijven hun leven aan studie en kunst, aan wetenschap en gebed te mogen wijden, zonder onophoudelijk door het rumoer der buitenwereld aan hun idealen levenskring ontrukt te worden.
De stichting van het klooster Unterlinden valt in de eerste jaren der dertiende eeuw. Twee edele vrouwen, Agnes van Mittelheim en Agnes van Herckenheim, vestigden zich op de plaats van het tegenwoordige klooster, waar eene van haar een huis bezat, in de nabijheid van een lindenboschje. Op raad van eenige andere vrome dames, die zich bij haar aangesloten hadden en eene godsdienstige vereeniging vormden, brachten zij hare woning over buiten de stad, op eene plaatsUff Muhlingenaamd, nevens eene aan Sint-Jan den Dooper gewijde kapel. Broeder Walther, lezer der Dominikanen te Straatsburg, nam zelf de godvruchtige vrouwen in de orde op, op Sint-Andriesdag van het jaar 1232. Maar de toenemende onveiligheid buiten de stad noopte de nonnen, twintig jaren later, om haar oud verblijf binnen de muren weder te betrekken. Voor zoo ver zij nog mochten aarzelen, moest, naar de legende verhaalt, elke twijfel wijken tengevolge van een visioen van haar heiligen patroon, die in den eigen nacht aan alle zusters verscheen en haar gelastte naar de stad terug te keeren. Toen zij gereed stondenUff Muhlinte verlaten, hoorden zij eene stem, die smeekend zeide: “Neemt mij mede.” Verwonderd omziende, van waar dat verzoek komen mocht, bespeurden de nonnen een klein beeld van den Dooper. Zij verstonden den wenk en namen het beeld met zich: nog heden kunt gij het zien in de sakristij van de Sint-Maartenskerk, een der weinige monumenten van de kunst des houtsnijdersuit de dertiende eeuw. Het oude klooster moest aanzienlijk worden vergroot, en eene nieuwe kerk gebouwd, die in 1269 door Albrecht den Groote, bisschop van Regensburg, werd ingewijd. Weldra verwierf het klooster der Dominikaner nonnen van Colmar eene groote vermaardheid; in de geschiedenis van de duitsche mystiek neemt dit Unterlinden eene zeer voorname plaats in. Binnen de muren van dit klooster leefden, in de veertiende en de vijftiende eeuw, uitmuntende vrouwen, de geur van wier innige godsvrucht, heiligen levenswandel en hooge geestesgaven zich wijd en zijd verspreidde en niet weinig bijdroeg tot de edele glorie van het gewijde gesticht, omzweefd door liefelijke legenden en dichterlijke wonderverhalen.
Eeuwen lang was het uitgestrekte, rijke klooster de roem van Colmar, tot de revolutie ook dit monument vernielde. Op den tweeden Maart van het jaar 1792 werden, op bevel van het departementaal bestuur, ondanks de tranen en smeekbeden der nonnen, de klokken weggenomen: zestig nationale garden beschermden de kerkschenners tegen de verbitterde bevolking. Reeds in Mei van het vorige jaar, bij de uitdrijving der Kapucijners, had de kavalerie eene charge moeten maken op de burgers, die dom en bekrompen genoeg waren om de zegeningen der revolutionaire vrijheid niet te begrijpen!—Tot staatseigendom verklaard, werden de gebouwen van Unterlinden tot in 1842 als kazerne gebruikt; in dat jaar gingen zij aan de stad over, als vergoeding voor de geldelijke bijdrage voor den bouw eener nieuwe kavalerie-kazerne. Een deel der gebouwen werd sedert afgebroken: een ander deel tot verschillende doeleinden gebruikt, om niet te zeggen vernederd. Eindelijk kwam men op het denkbeeld, om de eerbiedwaardige, zoo gruwelijk mishandelde en geschonden zalen en vertrekken van Unterlinden uit hun diep verval op te heffen, door er eene bestemming aan te geven, althans niet te zeer in strijd met de edele traditiën aan dit eenmaal zoo beroemde klooster verbonden. Er werd dan besloten, de stedelijke bibliotheek en de wetenschappelijke en artistieke collectiën van den Opper-Elzas in de nog gespaard gebleven gebouwen van Unterlinden te plaatsen: een besluit, dat op de ontwikkeling en den wetenschappelijken zin van deze geheele streek een zeer gelukkigen invloed heeft uitgeoefend.
Sint-Hieronymus. (Altaar der Antoniten.)Sint-Hieronymus. (Altaar der Antoniten.)
Sint-Hieronymus. (Altaar der Antoniten.)
Sint-Hieronymus. (Altaar der Antoniten.)
In de eerste plaats wordt de belangstelling der kenners gewekt door de schilderij-verzameling, bepaaldelijk door de werken van oude duitsche meesters, de voorgangers van Dürer en Holbein. Deze schilderijen zijn in het schip van de oude kloosterkerk geplaatst, dat, hoewel wat bekrompen, toch eene geschikte gelegenheid aanbiedt en door de smalle spitsboogvensters voldoende licht ontvangt. Achter in het koor staat het beroemde, geheel uit hout gesneden en vergulde altaar uit eene kerk van Isenheim afkomstig. De twee beschilderde vleugeldeuren van dit altaar vormen nu, in de kerk van Unterlinden, de scheiding tusschen de schilderijen in het koor en die in het schip. In het koor hangen de werken van de oude duitsche school; het schip is bestemd voor de schilderijen uit later tijd. De twee diptyken stellen voor, de eene Christus aan het kruis; de andere, de Moedermaagd met het Kind; en aan de keerzijde Maria-Boodschap en de Opstanding, en de Verzoeking van Sint-Antonius en Sint-Paulus, en Sint-Antonius in de woestijn. Volgens eene oude overlevering zouden deze schilderijen het werk zijn van Albrecht Dürer; maar de tegenwoordige kunstcritici kennen ze toe hetzij aan Hans Baldung Grün, hetzij aan Matthias Grünewald van Aschaffenburg, zonder dat echter voor de eene of de andere hypothese afdoende argumenten kunnen worden aangevoerd. Aan den linkerwand van het koorziet men eene reeks tafreelen uit het Lijden, met groote uitvoerigheid en nauwkeurigheid op gouden grond geschilderd: dit kunstwerk draagt het jaartal 1465. De tafreelen uit het leven van Jezus, uit de school van Schöngauer afkomstig, zijn van een anderen stijl: de teekening verraadt meer gevoel en de techniek staat hooger; getuige de zoo zeer bewonderde Pietà, de Maagd het Kind aanbiddende, de engel in Maria-Boodschap, de heilige Antonius, en de Heilige Maagd den engel ontvangende: al te gader uitmuntend geconserveerde schilderstukken. Men is het niet eens over de vraag, van wie deze stukken afkomstig zijn, en de vergelijking met de gravuren van Schöngauer schijnt eene andere hand te verraden. Wij zullen hierop nader terugkomen, na een blik op de galerij van moderne schilderijen, waarin sommige voortreffelijke stukken van nog levende meesters uit den Elzas de aandacht trekken en ten volle verdienen. Wij wijzen slechts op degenre-stukkenen op de tafreelen uit het elzasser leven van Pabst, van Jundt, van Brion; op de landschappen van de twee Salzmann’s en Bernier; het gezicht op Capri van Benner, den slapenden Bader en eene Magdalena van Henner; de zegekar des Doods van Schuller en vooral zijn Schlitters uit de Vogezen; eindelijk op de miniaturen van Michel Hertrich.
Het Kaufhaus te Colmar.Het Kaufhaus te Colmar.
Het Kaufhaus te Colmar.
Het Kaufhaus te Colmar.
In den vloer van het koor ziet men de fragmenten van een prachtig romeinsch mozaïek, te Bergheim, in den omtrek van Colmar, opgegraven. De vleugels van den kruisgang bevatten een aantal steenen monumenten en antiquiteiten, fragmenten van beeldhouwwerk uit alle tijdperken, beginnende met de gallo-romeinsche grafteekenen van Kempel, de eigenaardig bewerkte steenen van den ouden heidenschen muur van Frankenburg, de votief-altaren uit het Hattenerwoud, de stèles en grafzerken van Horburg, tot de romaansche basreliefs en de spuiers aan de gothische kerken der middeleeuwen. Deze fragmenten zijn uit verschillende deelen van den Elzas afkomstig. Het standbeeld van Schöngauer, dat daar zoo rustig en ernstig midden op den hof verrijst, die schepping van een onzer tijdgenooten, waardig eene plaats in te nemen onder de meesterstukken der kunst, schijnt te waken over deze overblijfselen van de beeldhouwkunst der vroegere eeuwen. Bij gebrek aan ruimte in den kruisgang rondom den kloosterhof, is men genoodzaakt geweest, eenige steenen monumenten buiten te plaatsen, op het square rondom het monument van Pfeffel. Eene afzonderlijke zaal bevat de afgietsels en pleisters van de meesterstukken der klassieke beeldhouwkunst. Overigens bevatten de gebouwen van het museum schier geene andere beeldwerken dan het blazoen van de orde der Dominikanen, boven den ouden ingang, waarvan wij reeds met een enkel woord gesproken hebben. Dit blazoen is ontleend aan de legende van Sint-Dominicus, waarin onder anderen verhaald wordt, dat zijne moeder, eenigen tijd voor zijne geboorte, een geheimzinnigen droom had: zij droomde namelijk, dat zij een hond ter wereld bracht, die de wereld verlichtte met een fakkel, welken hij in den bek hield. In het klooster van Santa-Maria del Fiore te Florence, dat aan de Dominikanen behoort, ziet men eene oude fresko, waarop de Paus is afgebeeld, omringd door kardinalen en prelaten, terwijl de geloovigen, onder de gedaante van eene kudde schapen, rondom hem op den grond liggen, terwijl honden, de Dominikanermonniken voorstellende, de kudde tegen de wolven der ketterij verdedigen. Deze voorstelling is, even als het blazoen, eene woordspeling: de jongeren van Sint-Dominicus noemden zich ookdomini canes, honden des Heeren.
Behalve de beide genoemde galerijen van beeldwerken en schilderijen, bevat het museum ook nog eene verzameling antiquiteiten en medailles. Geheel het leven der voorgeslachten op den alouden bodem van den Elzas treedt ons hier aanschouwelijk voor oogen; en daar het museum voor ieder gratis openstaat, wordt het ook druk bezocht en wekt het de algemeene belangstelling. Wordt ergens in de stad of op het land, iets gevonden dat uit een artistiek of archeologisch oogpunt waarde heeft, aanstonds wordt het naar Colmar, naar Unterlinden gezonden. Een reeks van vitrines, wier aantal van jaar tot jaar toeneemt, bevat een schat van voorwerpen van allerlei aard, sieraden, gereedschappen, wapens, zooveel mogelijk naar geografische orde gerangschikt, en met opgave van de plaats, waar ze gevonden zijn. Men vindt hier gedenkteekenen van alle rassen, die den Elzas bewoond hebben, van de voorhistorische tijden en de vestiging der Kelten af, overblijfselen van alle beschavings-perioden. Hier zijn oude kleedingstukken en tapijtwerken, fraaie geschilderde glazen, prachtige meubelen van gesneden eikenhout, die nog tot voorbeeld voor onze kunstenaars kunnen dienen. Zie eens die reusachtige koffers en die vorstelijke, zoo uitnemend schoon bewerkte kasten, waarin bijna plaats is voor een geheel huishouden. Op de beschilderde glazen de portretten van aanzienlijke burgers van Colmar in ouderwetsche kleederdracht, en de wapens der steden van den elzasser stedenbond, afkomstig van vensters der groote zaal van het Kaufhaus, waar zij eigenlijk hadden behooren te blijven; in den ijver om het museum van Unterlinden te verrijken, is men hier te ver gegaan. Een smaakvol en ijverig verzamelaar, de heer Fleischhauer, de tegenwoordige president van de Schöngauer-Vereeniging, wier schepping het museum is, heeft al deze voorwerpen met grooten takt gerangschikt, zoodat zij rondom denschoorsteenvan den Waagkeller, eene soort van antiek gemeubeld vertrek vormen. De groote moderne vensters, die men in deze zaal heeft aangebracht, passen echter ten eenemale niet bij de omgeving, en maken in een gothisch monument een allerongelukkigst effekt.
Wij moeten nog terugkomen op de schilderijen van de oude school, in het museum van Unterlinden bewaard, die vooral voor de geschiedenis der kunst van zoo groote waarde zijn. Trouwens, al hadden zij geene andere verdienste, dan haar wondervol, schitterend koloriet, dat ondanks den tijd nog al zijn frischheid en glans behouden heeft, dan nog zouden deze schilderijen ten volle de belangstellingverdienen. Het is voorwaar geen kleine lof voor den ouden kunstenaar, dat vier eeuwen niets hebben ontnomen aan den gloed en de pracht zijner verwen, wanneer wij zien, dat moderne schilderijen, in ditzelfde museum aanwezig, binnen de korte spanne tijds van een menschenleven, geheel van toon en kleur veranderen. De vorderingen der scheikunde, waarvan de industrie in zoo velerlei opzicht voordeel trekt, hebben onze hedendaagsche schilders nog niet in staat gesteld, het koloriet der meesters uit de vijftiende eeuw ook maar nabij te komen.
Wanneer wij de oude schilderijen in het museum van Colmar aan Schöngauer toeschrijven, dan volgen wij daarin de traditie en de algemeen aangenomen meening. Wij kunnen ons hier niet verdiepen in de kritische beschouwingen en geleerde vertoogen, waartoe de veel besproken kwestie omtrent Schöngauer en zijn werk aanleiding heeft gegeven. Noch de meester zelf, noch zijne leerlingen hebben de moeite genomen de schilderijen te teekenen, waarvan de echtheid zoo hevig betwist of betwijfeld wordt. De verdienste van deze stukken is geheel afgescheiden van den naam des schilders: zij ligt in haar beteekenis voor de geschiedenis der kunst en in haar verwonderlijk koloriet. Sommigen getuigen van diep gevoel en verdienen ook om de uitdrukking waardeering: maar afgescheiden van de kleur, zijn de meesten, althans met onzen tegenwoordigen maatstaf gemeten, niet meer dan middelmatig, vooral door de gebrekkige teekening.
Bij gebreke van authentieke bewijzen moeten ook de bekwaamste en scherpzinnigste critici zich bepalen tot gissingen omtrent de vervaardigers van de schilderijen uit de school van Colmar. Daar de meest bevoegde rechters elkander op bijna alle punten tegenspreken, is het zaak zich van elk gewaagd oordeel te onthouden. De heer Goetswiller noemt in zijn boek over het museum van Colmar een tiental schilderijen op, in deze verzameling en in de Sint-Maartenskerk aanwezig, die hij voor het werk van Schöngauer houdt. In de sakristij van St. Maarten hebben wij deMadonna in de rozenhaag, een stuk dat door sommigen uitbundig is geprezen en eene voorname plaats inneemt in de historie der kunst. De Moedermaagd zit met het kind Jezus in haar armen op eene bank, omringd door bloeiende rozenstruiken. Schitterend gekleurde vogels zingen in het gebladerte, terwijl twee in het blauw gekleede zwevende engelen eene kroon boven haar hoofd houden. De gouden grond doet den glans van het koloriet, dat hoofdzakelijk uit verschillende nuancen van rood bestaat, nog te meer uitkomen. De uitdrukking van reinheid en onschuld in het gelaat en de geheele houding der Madonna, de levendige beweging van het kind en de beide zwevende engelen overtreffen alles,watin dit opzicht door de tijdgenooten van Schöngauer is geleverd. Maar met de Madonna’s van Rafaël of van Murillo is deze Lieve Vrouwe niet op eene lijn te stellen, zij is en blijft een duitsch burgermeisje, met eene blozende kleur en een gezond voorkomen, maar zonder hoogere idealiteit: de Moeder des Heeren denkt men zich anders. De schilder moest zijne modellen kiezen in de omgeving waarin hij leefde. Schöngauer heeft een aantal Madonna’s gegraveerd, zij onderscheiden zich van de geschilderde door meer bevalligheid en dieper gevoel. In het museum bevinden zich nog eenige andere schilderijen, die met meer of minder recht aan den meester worden toegeschreven, maar waarvan wij hier geene nadere omschrijving geven kunnen.
Zeker niet van Schöngauer zijn de zestien tafereelen uit het Lijden, waarvan wij reeds vroeger spraken, en die uit de oude kerk der Dominikanen afkomstig zijn. De ruwe en onbeholpen wijze van teekenen zou alleen reeds voldoende zijn om ons te overtuigen, dat wij hier niet het werk van dien meester voor ons hebben, al stond de vervaardiger van deze stukken niet buiten zijn invloed. Daar is toch zekere overeenkomst, zekere verwijderde verwantschap tusschen deze schilderijen en de gravuren van Schöngauer, die allen van zijn naamteeken zijn voorzien. Het museum van Colmar bezit maar zeer weinig origineele gravuren van den beroemden kunstenaar, slechts enkele platen in deze verzameling dragen zijn monogram. De heer Amand-Durand heeft in 1881, te Parijs, eene volledige verzameling phototypiën van al de platen van Schöngauer uitgegeven. Het aantal dier platen bedraagt ruim honderd, voor het meerendeel godsdienstige voorstellingen behelzende, waaronder vele meesterstukken. Albrecht Dürer heeft meer dan eens Schöngauer gevolgd en hem onder anderen een zijner schoonste Madonna-typen ontleend. Wie de teekeningen en gravuren van den colmarschen meester naast de hem toegeschreven schilderijen legt, kan niet nalaten getroffen te worden door de meerdere voortreffelijkheid der eersten, zoo wat teekening als uitdrukking en levensvolle bezieling betreft.
Altaar der Antoniten. (Museum te Colmar.)Altaar der Antoniten. (Museum te Colmar.)
Altaar der Antoniten. (Museum te Colmar.)
Altaar der Antoniten. (Museum te Colmar.)
Wij kunnen ons bij de schilderijen niet langer ophouden, maar moeten nog een blik werpen op het altaar van gesneden hout, dat een der sieraden van het museum is en uit het klooster der Antoniten van Isenheim afkomstig is. Langen tijd gold dit altaar voor een der schoonste monumenten van dien aard in de geheele Christenheid; in de vorige eeuw kwamen reizigers en kunstenaars van heinde en verre naar Isenheim om dat kunstwerk te bewonderen. Wat wij nu in het koor der voormalige kerk van Unterlinden zien, is slechts een gedeelte der vroegere heerlijkheid, maar wat gespaard bleef, is voldoende om een denkbeeld te geven van het wonderschoon geheel. Vlak boven de altaartafel zien wij, in drie nissen, de borstbeelden van Christus en van de twaalf apostelen. Hooger prijkt, in het midden van het blad, het beeld van Sint-Antonius, den patroon der orde, met Sint-Augustinus aan zijne rechter, en Sint-Hieronymus aan zijne linkerhand, alle drie in natuurlijke grootte en hoog relief. Sint-Antonius is zittende afgebeeld, bekleed met eene tuniek en een wijden mantel, in de eene hand den zoogenoemden Sint-Antonieskruk, in de andere een gesloten boek houdende. De kleine knielende figuur aan de voetenvan Sint-Augustinus verbeeldt zeer waarschijnlijk den schenker van het altaar. Al de beelden die gekleurd zijn, verkeeren in uitmuntenden toestand. Zij behooren ongetwijfeld tot de uitnemendste scheppingen der duitsche kunst in een tijd, toen het ideaal der middeleeuwen met zijne naïeviteit, en zijne hooge opvatting en diep gevoel nog de gemoederen beheerschte en vervulde, maar tegelijk de invloed van eene meer realistische opvatting zich begon te doen gevoelen en het streven naar individualiteit meer op den voorgrond trad. Let op de uitdrukking van majesteit en kalmte in de figuur van Sint-Antonius, dien eerwaardigen grijsaard, die als een vorst troont te midden van het altaar. Sint-Augustinus, in vol bisschoppelijk ornaat, met de mijter en den staf, is niet minder uitmuntend dan het beeld van den patroon der orde. Het hoofd van Sint Hieronymus verdient niet minder de aandacht; wat kracht en diepte van uitdrukking betreft, zoekt deze kop zijne wedergade in de kunstscheppingen van dien tijd. In het kleed van een romeinsch kardinaal gedost, met den hoed op het hoofd, slaat de beroemde kerkvader een smeekenden blik ten hemel; het vermagerde, edele gelaat getuigt van arbeid, zelfverloochening en zielestrijd. In de linkerhand houdt hij de Heilige Schrift, aan welker vertaling en verklaring hij het grootste deel van zijn leven heeft gewijd; de rechterhand is opgeheven, als om de toehoorders te vermanen en te waarschuwen. Aan zijne voeten slaapt de leeuw, de metgezel van den grooten kluizenaar.
Korenbeurs te Colmar.Korenbeurs te Colmar.
Korenbeurs te Colmar.
Korenbeurs te Colmar.
Wij hebben lang in het museum van Colmar getoefd, misschien wel te lang naar de meening van sommigen onder onze lezers, die van niets zoozeer overtuigd zijn als van de waarheid, dat de mensch van kunstgenot alleen niet leven kan. Daarom, hoe gaarne wij ook verder de zeer ingewikkelde vraag zouden wenschen te bespreken, van welken meester de voornaamste schilderijen in de galerij van Unterlinden zijn, wij mogen hier niet langer toeven. Maar toch zou ik achten, aan mijn plicht te kort te hebben gedaan, indien ik mijn lezers niet op de hoogte bracht van het weinige, dat ons omtrent het leven van den beroemden schilder-graveur Martin Schöngauer, het hoofd der school van Colmar, bekend is. Tot dusver zijn de geleerden het ten eenemale oneens, zoowel omtrent den tijd waarin hij geleefd heeft, als omtrent den juisten vorm van zijn naam en omtrent de waarde van zijne kunstwerken.—Over zijne werken hebben wij reeds in alle bescheidenheid onze meening gezegd. Ten aanzien van zijn sterfdag houden wij ons aan eene geschreven aanteekening in het register der jaargetijden, die in de parochiale kerk van Sint-Maarten waren gesticht. Dit register, door den heer Hugot ontdekt, wordt in het stedelijk archief bewaard. Opbladz.29 van dit register leest men de volgende aanteekening in het latijn: “Martin Schöngauer, de roem der schilders, vermaakte vijf stuivers voor zijn jaargetijde en voegde er negentien stuivers en zeven penningen bij voor het jaargetijde van zijn vader, waarvoor hij verkreeg een jaargetijde zonder vigiliën. Hij stierf op Maria-Zuivering, in het jaar 1488.”—Een opschrift op het portret van Schöngauer in de Pinakotheek van Munchen, afkomstig van de hand van Hans Burgkmaier, noemt den tweeden Februari 1499 als den sterfdag van den ouden meester. “Mayster Martin Schongawer, Maler, genent Hipsch Martin von wegen seiner Kunst, geboren zu Kolmar, aber von seinenAeltern ein Augsburger Bu(rger) des Geschlechts vo Her Casparn, und is (gest)orben zu Kolmar anno 1499 auf den 2t(en tag) Hornings, dem Got Genad.—Ich sein Junger Hans Burgkmair im Jar 1488”.—Deze twee aanteekeningen, waaruit in ieder geval blijkt dat Martin Schöngauer of Schöngouwer te Colmar werd geboren en in de laatste jaren der vijftiende eeuw aldaar is gestorven, zijn eigenlijk alles wat wij omtrent den kunstenaar weten: de bijzonderheden van zijn leven zijn ons onbekend.
De plaatselijke overleveringen maken melding van het huisZum Schwanen, in de kleine Augustijnerstraat, achter de Sint-Maartenskerk, als zijnde het eigendom van Schöngauer. Door hetgeen nog van de voormalige versiering van deuren en vensters over is, geeft dit huis ons nog een staaltje van de burgerlijke bouwkunst der vijftiende eeuw te Colmar; ongelukkig is ook dit huis misvormd en geschonden, om aan de eischen van den modernen smaak te voldoen. Te oordeelen naar zijn portret in de Pinakotheek van Munchen, dat het jaartal 1453 draagt, was Schöngauer toen een man van ongeveer dertig jaar; hij zou dus omstreeks het jaar 1420 geboren zijn. Albrecht Dürer, die in 1492 te Colmar kwam om in het atelier van Schöngauer te studeeren, vond hem, volgens de verklaring van Christian Scheurl in zijnVita Antonie Kressen, in 1515 gedrukt, niet meer in leven. Schöngauer zelf was een leerling van Rogier Van der Weyde. Met Albrecht Dürer een der scheppers van de duitsche kunst, heeft hij door zijne talrijke leerlingen en navolgers de beginselen en de techniek der vlaamsche school in Duitschland ingevoerd en bekend gemaakt. Geen enkel duitsch schilder voor hem heeft in dezelfde mate het talent bezeten om de schoonheid van het menschelijk gelaat weer te geven. Zijne schilderijen, vooral in de steden langs den Boven-Rijn verspreid, vonden grooten aftrek in Italië en Frankrijk, in Engeland en Spanje. Onder de werken, die aan hem worden toegeschreven, zag ik er een in het museum te Madrid: een altaarstuk, door gothische bogen in drie vakken of nissen verdeeld, voorstellende den Zaligmaker, de Madonna en Sint-Jan; in de galerij van het paleis Sciarra Colonna te Rome, de Dood van Onze-Lieve-Vrouwe; in de Pinakotheek te Munchen, de Intocht van David in Jerusalem met het hoofd van Goliath; in de National Gallery te Londen, nogmaals de Dood van Onze-Lieve-Vrouwe, van veel kleiner afmetingen dan onze schilderijen te Colmar, maar met eene fijnheid van uitdrukking, een diepte van gevoel en een meesterschap van bewerking, die Schöngauer anders slechts in zijne gravuren toont te bezitten.
En nu, na dit kunstpraatje, begeven wij ons tot lager sfeer en dalen wij af naar de keuken, van welke het niet valt tegen te spreken, dat zij in ons leven nog meer plaats inneemt dan de schilder- of beeldhouwkunst. En door dit te erkennen, willen wij allerminst geacht worden, de materieele behoeften en begeerten te verheffen boven de geestelijke goederen en den smaak voor het schoone; noch ook op eenige wijze afbreuk te doen aan de rechten der gedachte en van het ideaal op de leiding en het bestuur des levens. Maar, wat ik u bidden mag, deftige heeren, ernstige lieden uit elken stand, gij die hoegenaamd geen prijs stelt op een goed diner, die uitsluitend leeft in hoogere, ideale sfeer en nimmer bezweken zijt voor do verlokkingen van een keurige tafel;—wat ik u bidden mag, weest niet te haastig met uw anathema! Vergunt mij, aan mijne vrienden, die belang stellen in alles wat ons mooi en goed vaderland, onzen Elzas, betreft, ook eens te vertellen, hoe en wat men er alzoo eet. Toen ik mij voorstelde als uw gids, om u al het merkwaardige en belangwekkende, al het schoone en loffelijke van ons land te toonen, heb ik mij zelven de dure verplichting opgelegd om niets dan de waarheid te zeggen. En nu is het eene onbetwistbare waarheid, dat de wijze van voeding altijd eene vrij belangrijke rol heeft gespeeld in de zeden en gewoonten, in de geheele manier van leven ook der Elzassers van vroeger en later tijd. Arbeidzaam, verstandig, moedig als het noodig is, trouw in zijne liefde, gehecht aan zijne voorvaderlijke godsdienst, bereid tot ieder offer ten behoeve van zijn geloof, zijn vaderland en zijne eer, is het goede volk van den Elzas ook gansch niet onverschillig voor de genietingen en voorrechten van hetgeen men een goed leven noemt.
Bij een vrij zacht klimaat laat de grond van den Elzas de kultuur toe van alle planten der gematigde luchtstreek. Zijne rijke golvende korenakkers zijn sinds ouden tijd beroemd; zijn moestuinen en boomgaarden zijn de rijkste en schoonste van geheel Duitschland geweest; zijn bekende wijnbergen hebben het edele druivensap geleverd, dat tot in de best voorziene kelders van Engeland en Zweden wordt bewaard. Reeds de oude schrijvers prijzen om strijd de aangenaamheden en voorrechten van deze gezegende streek, die zij den wijnkelder, de korenschuur, de voorraadkamer der omliggende landen noemen, en waarvan zij de vruchtbaarheid met die van Touraine en Lombardije vergelijken. Weinig landen, zegt deGéographie françaisevan Duval, leveren zoo veel gemakken en aangenaamheden voor het leven op. Wild en visch van allerlei soort dragen rijkelijk bij tot de voeding der menschen.—Het is geen wonder, dat Duitschland nooit heeft opgehouden, naar de herovering van dit door de natuur zoo rijk gezegende land te trachten.
De uitbreiding van den landbouw, de ontwikkeling der industrie, in het algemeen de voortgang der beschaving is van nadeeligen invloed geweest op den wildstand en op de vischrijkheid der wateren. Wij zullen nader gelegenheid hebben om van de uitgestorven soorten te spreken en de nog levende te bestudeeren. Daarentegen was het land nooit zoo rijk als tegenwoordig aan huisdieren, noch bezat het immer daarvan zoo voortreffelijke exemplaren.—De meeste groenten, die wij nog heden, naargelang der verschillende jaargetijden, op de spijskaarten vermeld vinden, worden reeds in de capitulariën van Karel den Groote genoemd. Als nu, bracht toen de lente spinazie, bieten, bernagie,ossetong, boerekool, zuring, chicorei, berenklauw, paardebloemen (molsla), waarvan de bladeren, evenals die van de papaver en de winterbonen, gegeten werden. Een in de middeleeuwen zeer geliefde spijs, die bij ons in onbruik is geraakt, leverden de bladeren van de maartsche viooltjes, vermengd met jonge brandnetels, wilde latuw en de eerste uitspruitsels van wilde hop, die echter minder hoog stonden aangeschreven dan rapousjes en sperges. Met den zomer kwamen pieterselie, worteltjes, suikerwortels, radijs, peulen, doperwten, snijbonen, rogge en spelt, waarvan men de onrijpe korrels als groente at. De herfst bracht op zijn beurt witte kool, bonen, komkommers, pompoenen, waarbij zich sedert het laatst der zeventiende eeuw de aardappel voegde, die het brood der armen geworden is; vervolgens bloemkool, artisjokken, tomaten en meloenen. De winter voorzag nog de tafel van ingemaakte groenten, zoo als erwten, snijbonen, linzen en andere, de onvermijdelijke zuurkool vooral niet te vergeten. Behoudens enkele uitzonderingen, maken al deze groenten ook tegenwoordig nog deel uit van de volksvoeding. Sommige grovere soorten zijn in onbruik geraakt, andere fijnere groenten vallen thans binnen ieders bereik.
Vraag eens het oordeel van onze lekkerbekken in den Elzas en Lotharingen. De fijnste kenners, zij die door het gansche land aan de beste tafels hebben aangezeten, zullen u dan wel, in vertrouwen, enkele bevoorrechte plekjes noemen, beroemd hetzij door de voortreffelijkheid der keuken in het algemeen, hetzij door de ongeëvenaarde wijze, waarop men sommige schotels weet te bereiden. Ondanks het stelsel van verplicht onderwijs, ondanks de algemeene bekendheid der recepten van denBon Cuisinier français, ondanks de sneltreinen, die ons de weelde vergunnen, gebakken schol uit de Noordzee of ingelegde groenten uit Amerika op onze tafel te zien verschijnen; ondanks dat alles, kennen wij toch, hier en daar verspreid, sommige huizen, waar zekere uitgezochte spijzen beter dan ergens elders worden toebereid en beter smaken ook. Niet zonder innige ontroering gewagen onze gastronomen van de wonderen van Vader Jundt, in zijn restaurant dePoêle-des-Vigneronste Straatsburg, en van de weleer, ten tijde van Rieffenach, zoo beroemdeDeux-Clefste Colmar. In deze beide huizen, waar de moderne weelde geen toegang had en nieuwigheden niet spoedig werden ingevoerd, wijdde de meester in eigen persoon al zijne zorg en aandacht aan de keuken en wist men van de nieuwere ontdekkingen partij te trekken, zonder met de goede oude traditie te breken. Nergens at men zoo goed, nergens vond men eene zoo keurige tafel en zoo voortreffelijken wijn; nergens voelde men zich zoo volkomen op zijn gemak. Tijdens de restauratie, vóór het noodlottige jaar 1830, was hetHotel des Deux-Clefste Colmar, juist om zijne uitmuntende tafel, een van de vereenigingspunten der elzasser oppositie. De generaal Foy, Benjamin Constant, Marcel Barthe, Voyer d’Argenson, als gasten van den toekomstigen pair van Frankrijk Hartmann, hebben daar mede de vierschaar gespannen van het fransche liberalisme. Ach, waarom hebben zij niet liever al hunne aandacht gewijd aan de pasteitjes van ganzelever en aan de uitgelezen merken der elzasser wijnen, in plaats van Frankrijk te helpen storten in de roekelooze omwenteling van Juli 1830! Hoe geheel anders zou de loop der geschiedenis voor het ongelukkige land zijn geweest, hadde men deze onvergefelijke domheid niet begaan.... Maar wij zouden vergeten, dat wij nog aan tafel zitten.
Wanneer ik u de spijskaart van de table d’hôte in deDeux-Clefsvoorlegde, dan zoudt ge moeten toestemmen, dat men daar, voor den in het minst niet buitensporigen prijs van twee marken en tachtig pfenningen, een uitmuntend diner kan krijgen, met inbegrip van een halve flesch wijn. In de herberg van het Stubengeselschaft vanSchlettstadt, overeenkomende met den Waagkeller te Colmar, betaalden de klanten, in 1520, zeven of acht penningen voor een goeden maaltijd, met inbegrip van wijn. Dit verhaalt ons de eerzame kroniekschrijver Hieronymus Gebweiler, die er bijvoegt dat de wijn voortreffelijk, en de spijzen overvloedig en heerlijk klaar gemaakt waren; hij deelt ons echter het menu niet mede. Ten gevalle van liefhebbers van oude menus, nemen wij er een over uit deEdelsassische Chronick, in het jaar 1592 door Herzog te Straatsburg gedrukt. Het geldt de beschrijving van een feestmaal, op dinsdag vóór Sint-Valentijn, in 1439 gegeven, ter gelegenheid van de blijde inkomste van den bisschop Robrecht van Beieren. Het feestmaal, waaraan meer dan driehonderd geestelijken deelnamen, bestond uit drie reeksen van gerechten, ieder van vijf schotels.Eerste gerecht: 1º kool; 2º gekookt ossevleesch; 3º ragout van kippen met zoete amandelen; 4º visch in zwarte gelei; 5º vlapastei.Tweede gerecht: 1º ragout van wilde zwijnevleesch; 2º hertepastei; 3º gruttepap met gerstsuiker; 4º gebak; 5º blanc-manger.Derde gerecht: 1º rijst met suiker; 2º kapoenen, kippen en gebraden speenvarkentjes; 3º gelei van gevogelte en kalfsvleesch met saus; 4º gebak in den vorm van peren; 5º compote van pruimen. Onder de versierde schotels, die op de tafel van den bisschop werden geplaatst, wordt een kasteel genoemd van fijn gebak, waaruit een zwerm levende vogeltjes fladderde, met een vijvertje waarin kleine vischjes zwommen. Nog twee andere prachtschotels verdienen vermelding: een gebraden speenvarkentje, aan de eene zijde verguld en aan de andere verzilverd, en een gebraden pauw in zijn vollen vederdos.—Van een diner, den 19 November 1705, op het stadhuis van Mülhausen gegeven door een dertigtal burgers, aan wie pas het stedelijk burgerrecht was toegekend, is ons het volgende menu bewaard gebleven: 1º kippesoep, gekookt rundvleesch, kippenpastei, een kalkoen, niet genoemde groente, bloemkool; 2º gebraden kalfsschijf, gebraden haas, ragout van hertevleesch, kapoen, duiven, snippen, zwaluwen, ganzen, eenden, compote van peren en pruimen; 3º twee schotels met beignets, taarten, gebak, confituren,enz. Aan dezen maaltijd namen vijf-en-zestiggasten deel; de nieuw opgenomen burgers, die de kosten betaalden, hadden met den waard van denWildemaneene overeenkomst gesloten tegen acht pfundstäbler—zegge, tien pond veertig stuivers—per hoofd, waaronder veertig pfundstäbler voor wijn.