XVII

Vertrek naar het jachtveld.Vertrek naar het jachtveld.Vreemde gasten en bezoekers zoowel als inheemsche schrijvers en moralisten zijn eenstemmig in hunne getuigenis omtrent den sterk ontwikkelden zin voor gezelligheid en feesten, onder alle klassen der bevolking in den Elzas. In vroeger tijd, meer nog dan tegenwoordig, werd de aangeboren smaak voor tafelgenot voortdurend geprikkeld en onderhouden, vooral ook omdat men ruimschoots over de middelen kon beschikken om aan die begeerte te voldoen. Elke eenigszins merkwaardige omstandigheid in het huiselijk leven, elk feest, hetzij van kerkelijken, burgerlijken of militairen aard, dat de menschen met elkaar in aanraking brengt, werd en wordt nog steeds onveranderlijk gevierd met een overvloedigen maaltijd. Wordt een kind ten doop gedragen, dan mag het vroolijke doopmaal, de welkomstgroete van den jonggeborene in het leven, niet achterblijven. Ter gelegenheid van een huwelijk is een enkel feestmaal natuurlijk niet voldoende: de beide familiën, vrienden en bekenden geven een reeks van feesten ter eere van het jeugdige paar. Maar ook bij het overlijden van een bloedverwant of vriend wordt nog steeds de overoude gewoonte van het begrafenismaal in eere gehouden. Geen congres of vergadering van welken kring ook is denkbaar zonder een banket—dat niet zelden het beste is van al wat er gedaan wordt. Wanneer een hooggeplaatst persoon, een bisschop of een prefect, eene stad bezoekt, wordt hem een maaltijd aangeboden. Doet een nieuwe pastoor of een nieuwe dominé zijn intrede, dan moet de gemeente hem toch behoorlijk ontvangen; aanvaardt een nieuwe burgemeester het bestuur, dan vraagt hij de leden van den raad en andere notabelen ten eten, om op de aangenaamste wijze kennis met hen te maken. Vandaag is het de dag van den patroon der plaats, morgen is het schuttersfeest; nu moet er een nieuwe klok worden gedoopt of een nieuw orgel ingewijd; dan weer moet de gemeentelijke rekening worden opgenomen, of wordt eene publieke verkooping gehouden, of is er een gouden of een zilveren bruiloft, of wel worden de maaiers onthaald, of het einde van den wijnoogst gevierd. Dat alles kan niet naar eisch geschieden, zonder dat er bij gegeten en gedronken wordt. Maar wij zijn nog niet aan het einde: vergeet Sint-Maarten niet met zijn gans, en den heerlijken Kerstboom, en Sint-Sylvester, en Drie-Koningen met zijn taart, en Vastenavond, en den Meidag, en Sint-Jan met zijn vuur, en de maaltijdenbijvischpartijtjes, en de drukke slacht in de sombere Novemberdagen: al die gelegenheden geven van zelf aanleiding tot partijtjes en maaltijden, waarvan boeren en burgers evenzeer houden, waarbij kapitaal gegeten en flink gedronken, luid gelachen en met volle borst gezongen wordt, en waarbij het ook aan vroolijke, hartige, soms wel wat gepeperde scherts niet ontbreekt.Op eilanden in den Rijn.Op eilanden in den Rijn.Een satiricus van de zestiende eeuw, Johann Fischart, de straatsburgsche Rabelais, die eene soort van duitschen of elzasser Gargantua geteekend heeft, geeft ons eene opsomming van de huiselijke en openbare feesten, die met maaltijden werden gevierd. Het in zijn boek geschetste tafereel vertoont ons een zeer sprekend beeld van de zeden en gebruiken des lands in zijn tijd. Hij telt niet minder dan drie-en-vijftig verschillende gelegenheden op, die voor onze feestlievende vaderen aanleiding gaven tot pret maken. Gérard neemt de lange lijst van Fischart over en voegt er zijne scherpe, bijtende aanmerkingen bij.—Was het om aan wezenlijke of voorgewende misbruiken een einde te maken, dan wel om het heilzaam onderscheid tusschen de standen te bewaren, gedachtig aan de wijze spreuk der oudheid:Quod licet Jovi, non licet bovi;—was het daarom dat wettelijke bepalingen tegen weelde en overdaad in het leven werden geroepen? De verzameling der politieverordeningen of keuren van de oude vrije rijkssteden in den Elzas geeft ons in ieder geval een aardig kijkje op de buitensporigheden van den vroegeren tijd en getuigt ook van den oprechten ijver om die misbruiken tegen te gaan. Te Straatsburg werd in 1628, onderderegeering van den stadtmeister Böckling von Böcklingshausen, bij keur verboden om ter gelegenheid van een bruiloft meer dan twintig personen, behalve de familieleden, uit te noodigen. “Om de misbruiken te weren van de verderfelijke weelde en overdaad, die overal is doorgedrongen en zelfs bij lieden van lagen stand,” was het aan personen uit de burgerklasse verboden om meer dan acht schotels op tafel te doen brengen; ook mochten de feesten niet langer dan twee dagen duren.Het uitvaardigen van verbodsbepalingen tegen overmatige tafelweelde is op zichzelve nog geen bewijs, dat de geheele bevolking des lands in overvloed leeft of van alle goederen der aarde genieten kan. Tijdens den bouw der kerk van Sint-Legerius te Gebweiler, ontvingen de werklieden als voedsel gedurende de geheele week “knoflook en brood zoo veel zij verlangden; maar des zondags hadden zij vleesch en alle andere zaken in overvloed.” Knoflook met roggebrood, gedurende de geheele week—dat mocht in waarheid geen overvloed heeten, vooral niet in een tijd, dien de kroniekschrijver van het jaar 1182, bij uitnemendheid een goeden tijd noemt. Nog in de achttiende eeuw aten de bergbewoners van Ban-de-la-Roche brood van boekweit, en was roggebrood voor hen eene lekkernij, waarvan de arbeiders slechts nu en dan konden genieten. Op het platteland eten de arbeiders thans voor het minst masteluinbrood, de werklieden in de stad, wit tarwebrood. Bij beider middagmaal ontbreekt maar zelden rund- of varkensvleesch. Een elzasser boer gebruikt geregeld per dag zijn vier maaltijden in den zomer en drie in den winter: ontbijt ten zeven uren ’s morgens, middagmaal tusschen elf en twaalf uur, vesperbrood ten vier uren, en avondmaal na zeven uren. Het middagmaal ten elf of twaalf uur is meestal de voornaamste maaltijd van den dag. Op de tafel der burgers verschijnen elke week, in regelmatige volgorde, ongeveer dezelfde spijzen, verschillend naar gelang van de saizoenen, en natuurlijk behoudens afwijkingen naar smaak of goedvinden. Voor de invoering van de aardappelen, at men te Straatsburg, ’s maandags, schnitze; dinsdags, koolrapen; woensdags, erwten of bonen; donderdags, rijst of gerst; vrijdags, spinazie of snijboonen; zaterdags, linzen; zondags zuurkool. Nog voor korten tijd was het te Colmar algemeen gebruik, ’s maandags aardappelen te eten; dinsdags zuurkool; woendags, peen, rapen of kool; donderdags, ingemaakte groente, rijst of gerst; vrijdags, meelspijs; zaterdags koolrapen; zondags zuurkool, waarvan het overschot dinsdags weer op tafel verscheen.Nu zijt ge vrij wel op de hoogte, hoe men in den Elzas eet. Ter wille der volledigheid zou ik nu nog het een en ander moeten zeggen over sommige spijzen, die meer bepaald aan het land eigen zijn. Maar wie kent niet, bij ervaring of bij gerucht, de zuurkool, de noedels en meelspijzen, de schnitze van gedroogde appelen of peren, de verschillende soorten van pannekoeken, de rijstenbrij en gortepap, de brij van ingemaakte groenten, de ganzeleverpasteitjes, de leberknöpfle of balletjes van kalfslever, de karpfenkröplin of balletjes van karpers, de velerhande gebakjes, taarten en koeken? Reeds in de vijftiende eeuw heeft Anna Keller, huisvrouw van Wecker, geneesheer te Colmar, een boek over de kookkunst uitgegeven, dat aan de prinses van Oranje was opgedragen en waarin de beste wijze werd omschreven voor het toebereiden der meest gebruikelijke spijzen. Een ander gastronomisch handboek, in 1671 te Molsheim verschenen onder den titel vanKochbuch so für geistliche als auch weltliche Haushaltungen, heeft niemand minder tot schrijver dan Bernardijn Buchinger, bij zijn leven abt van Lützel, kerkelijk ridder in den souvereinen raad van den Elzas, een geleerd en ernstig man, die het toch niet beneden zich achtte, een kookboek te schrijven voor geestelijke en wereldlijke keukens.En nu genoeg van de keuken en hetgeen daarmede in verband staat. Wij eindigen met den hartelijken wensch, dat de aloude zin voor gezelligheid in deze verre van opwekkende, aangename tijden niet moge verkoelen; dat de lange reeks der voorvaderlijke feestdagen, dagen van maaltijden en van hartelijke verkwikkende vroolijkheid, niet worde ingekrompen, hetzij dan omdat de middelen het volgen der overgeleverde gewoonte niet meer toelaten, wat treurig is; hetzij, wat nog veel treuriger en bedenkelijker is, omdat de rechte stemming tot feestvieren meer en meer gaat ontbreken, omdat de naïeve gulle,kinderlijke vroolijkheid, desnoods overslaande tot uitgelatenheid, meer en meer eene vreemdelinge dreigt te worden in onze eeuw, waarin het leven, ook nog in anderen dan bloot materieelen zin, voor duizenden bij duizenden in toenemende mate zoo zwaar en moeilijk wordt, en de koortsige opwinding van alle krachten en vermogens den glimlach wegvaagt van de lippen en het harte doet verdorren reeds in den opgang der jeugd.XVIIAls wij Colmar verlaten, strekt zich de vlakte voor ons uit, de vlakte van de Ill, effen en vlak en bij uitnemendheid vruchtbaar; de groote vlakte van den Elzas, die ten westen door de fraaie bergketen der Vogesen, ten oosten door de snelvlietende wateren van den Rijn wordt begrensd. Elzas beteekent eigenlijk het land van de Ill: door de aanspoelingen van de Ill en den Rijn werd het land zelf gevormd. De alluviaalgronden van den Rijn zijn echter veel minder vruchtbaar dan die van de Ill, langs wier boorden zich een vette kleigrond uitstrekt, waarop alle granen en andere produkten uitmuntend gedijen. Op de meer steenachtige gronden, door de aanspoelingen van den Rijn gevormd, ziet men bosschen en boomgroepen overal waar de noodige vochtigheid voor weilanden of korenakkers ontbreekt. De streken langs de Ill zijn dan ook tweemaal zoo sterk bevolkt als die langs den Rijn, hoewel in beiden de landbouw de hoofdbron van het bestaan is. Noch hier, noch daar heeft de industrie bijzonder veel te beteekenen. Mülhausen reikt met haar fabrieken niet verder dan de grenzen der vlakte en der heuvels van de Sundgau. Buiten de industriëele middelpunten, in en aan den uitgang van de valleien, neemt het aantal inwoners af naarmate de grond armer wordt. Toch biedt deze vlakte geen wijduitgestrekte vergezichten: overal, tusschen de dorpen en langs de beken en wateringen, verheffen zich boschjes en boomgroepen, die de eentonigheid van het landschap breken.Maar eer wij langs de stoffige wegen onzen wandeltocht voortzetten, willen wij een overzicht nemen van het land, dat zich voor ons uitbreidt. Wij zeiden reeds dat de vlakte vden Elzas begrensd wordt door de keten der Vogesen en door den Rijn, die beiden van het zuidwesten naar het noordoosten loopen. De vlakte zet zich voort aan de overzijde der rivier, waar zij door de bergen van het Schwarzwald wordt begrensd. De Ill, op de grenzen van Zwitserland, in de Jura ontsproten, vervolgt haar kronkelenden loop tusschen de heuvelen en de golvende vlakte der Sundgau, om van Mülhausen tot Straatsburg evenwijdig met den Rijn te vloeien. De geheele lengte der rivier bedraagt honderd-tachtig kilometer, waarvan honderd-twintig voor het gedeelte van Mülhausen tot de samenvloeiing met den Rijn. Haar verval, van haar oorsprong tot haar uitmonding, bedraagt omstreeks vierhonderd el. Mülhausen ligt tweehonderd-veertig el boven de zee, Straatsburg honderd-veertig, Colmar honderd-negentig, Altkirch driehonderd-drie-en-twintig. Te Altkirch neemt de Ill de Largue op, even als zij uit de Jura afkomstig; vervolgens ontvangt zij achtereenvolgens de Doller, de Thur, de Lauch, de Fecht, de Liepvrette, de Giesen, de Bruch en nog andere rivierkens, die allen uit de valleien van de Vogesen afstroomen. Terwijl de Vogesen hun hoogste punt bereiken in den Gebweiler Belchen (1426 el), ligt de bedding van den Rijn, die langs den geheelen Elzas eene totale lengte heeft van tweehonderd kilometers, nabij Basel op tweehonderd-veertig meters boven de zee en te Lauterburg op honderd-vier. De totale oppervlakte van den Elzas bedraagt achtduizend-tweehonderd-zes-en-tachtig vierkante mijlen of acht-en-twintig-duizend-zeshonderd-zeven-en-zestig hektaren. Tusschen Sennheim en Ottmarheim, waar zij het breedst is, beslaat de vlakte van den Elzas acht-en-twintig kilometers, tegen twintig op de hoogte van Colmar of Straatsburg.Hetzij men van Colmar over Ensisheim naar het Hartwald gaat, hetzij men over Horburg en Breisach den weg naar den Rijn volgt, steeds vertoont de vlakte hetzelfde eigenaardige karakter. Ons oog ontmoet geen grootsche, majestueuse landschappen, zoo als de bergen en valleien der Vogesen ze in zoo ruimen overvloed aanbieden, en evenmin belangrijke monumenten; maar ter rechter- en ter linkerhand breidt zich het vruchtbare land uit, waarop altijd menschen aan den arbeid zijn en dat ons verheugt door het beeld van den gezegenden overvloed. Het eerste dorp, dat wij op den weg naar het Hartwald ontmoeten, is Heiligkreuz, dat achthonderd inwoners telt en zich in de veilige en weldadige schaduw van een voormalig nonnenklooster heeft gevormd. Dan volgt, tien mijlen verder, Meienheim, waar de weg over eene fraaie steenen brug naar den anderen oever van de Ill overgaat. Niederhergheim, Oberhergheim, Biltzheim, Niederentzen en Oberentzen beuren ter linkerhand langs de murmelende rivier hun fijne kerkspitsen ten hoogen. Dan ziet men, aan den anderen oever van de Ill, Regisheim en Ensisheim. Voor den tijd der spoorwegen werden deze dorpen, waar de paarden moesten drinken of verwisselen, dagelijks bezocht door twaalf of vijftien diligences, ongerekend de talrijke voertuigen en wagens. Tegenwoordig is de vroeger zoo drukke en levendige weg eenzaam en verlaten en wordt alleen nog maar gebruikt door boerekarren. Gelukkig heeft de vermindering van het verkeer geen afbreuk gedaan aan de welvaart der bevolking, dank zij de buitengewone vruchtbaarheid van den vetten kleigrond. Men ziet weinig boomen, hetgeen aan het landschap iets eentonigs en plats geeft. Bij de jongste normalisering van den loop der Ill heeft men hier en daar jonge wilgen en acacia’s geplant. Voor deze normalisering, waarmede nu omstreeks tien jaren geleden begonnen werd, veranderde de rivier dikwijls van bedding en wijzigde haar onregelmatigen loop na iederen was, tot groote schade van het bebouwde land.Horburg mag welhaast eene voorstad van Colmar worden genoemd, even als Logelbach. Evenboven de prachtige steenen brug van Horburg neemt de Ill de Thur op, en even benedenwaarts de Lauch: twee rivierkens, uit de valleien van Thann en Gebweiler afkomstig, en wier vereeniging met de Ill deze laatste, beneden den Ladhof bevaarbaar maakt. Deze Ladhof diende gedurende de middeleeuwen der stad tot haven: de scheepvaart op de Ill was toen, bij gemis van andere gemeenschapswegen, veel drukker dan tegenwoordig. Het dorp Horburg met eene bevolking van achttienhonderd-vijf-en-tachtig inwoners, behoort tot het kanton Andelsheim, met achttien andere gemeenten, die uitsluitend van landbouw leven, en die tusschen den weg langs den Rijn en de Ill verspreid liggen. De bevolking van het geheele kanton bedroeg in 1880 twaalfduizend-zes-honderd-twee-en-veertig zielen, omstreeks duizend minder dan twintig jaar vroeger. Die vermindering der bevolking van het platte land is een zeer ongunstig verschijnsel, maar dat zich overal voordoet waar geen industrie of fabrieken zijn. Toch bezitten alle gemeenten langs de Ill uitmuntende bouwgronden, waarvan de vruchtbaarheid door geen andere overtroffen wordt. Hoewel de opbrengst van den grond in kwantiteit toeneemt, vermindert het aantal personen, die van den landbouw leven: de reden hiervan ligt zoowel in de steeds klimmende eischen der arbeiders, als in het toenemend gebruik van werktuigen.Drijfjacht op hazen.Drijfjacht op hazen.Horburg, dat met zijn prachtige linden en zijne brug over de Ill geene onaardige vertooning maakt, is beroemd om zijn sperges, waarin hier een belangrijke handel gedreven wordt, en die onze boeren uit de vlakte van de Ill, naar het zeggen der kenners, uitnemend weten klaar te maken. Gedurende zeven of acht eeuwen was Horburg een graafschap, dat onder de vorsten van Wurtemberg stond. Zijn sterke burcht werd herhaalde malen verwoest en weder opgebouwd. Opgravingen hier ter plaatse hebben de overblijfselen aan het licht gebracht van een romeinsch castrum, benevens verschillende andere voorwerpen uit dien tijd. Beatus Rhenanus en andere geschiedschrijvers van den Elzas zoeken hier de plaats van het oude Argentovaria, waar de legioenen van keizer Gratianus de Allemannen versloegen, na de schitterende overwinning, waarvan Ammianus Marcellinus ons een zoo treffend verhaal heeft gegeven. De commissie van de op last van keizer Napoleon III vervaardigde historische kaart van Gallië plaatst daarentegen Argentovaria bij het tegenwoordige Grusenheim, terwijl d’Anville en Walckenaar het te Atzenheim zoeken. Er is een geruime tijd verloopen sedert het jaar 377 of 384, waarin de groote slachting plaats had, aan welke nauwelijks een tiende gedeelte van het leger der Allemannen ontkwam. Bij gebreke van afdoendebewijzen en bij mijne volkomen onbekwaamheid in het oplossen van etymologische raadseltjes, moet ik mij van een oordeel omtrent de verschillende aanwijzingen der archeologen onthouden. Trouwens, Artzenheim, Grusenheim en Horburg kunnen als de punten van een driehoek beschouwd worden, waarvan de oppervlakte niet grooter is dan die van het slagveld van Froschweiler-Wörth-Reichshofen, op 6 Augustus 1870. De afstand tusschen Horburg en Artzenheim, zoowel als tusschen Horburg en Grusenheim bedraagt in rechte lijn niet meer dan tien kilometers. Daar het germaansche leger, dat door Gratianus verslagen werd, op zestigduizend man wordt begroot, en dat der Romeinen op een derde of de helft, kunnen de beide legers zeer wel een terrein hebben ingenomen van zoodanige uitgestrektheid, dat de naam van Argentovaria op elk der drie genoemde dorpen kan worden toegepast. De verschillende meeningen omtrent de juiste ligging der plaats kunnen inderdaad vrij wat gemakkelijker met elkander in overeenstemming worden gebracht, dan die omtrent de etymologie van den naam Argentovaria en omtrent de wijze waarop daaruit de duitsche naam Horburgzouzijn gevormd of afgeleid. Beatus Rhenanus schreef in de zestiende eeuw, dat de Duitschers de laatste lettergrepen van Argentovaria hadden geschrapt, en aan de overblijvende syllabearhunburghadden toegevoegd; even als zij, op omgekeerde manier, vanArgentoractemeerstStoratiburgumhadden gemaakt, en wel door weglating van de eerste lettergrepen; vervolgens hadden zij door het schrappen der klinkersoeni,Stratburgumverkregen, waaruit dan ten slotte Straatsburg was gegroeid! Volgens Schöpflin is Argentovaria aan het keltisch ontleend en beteekent zooveel alsgesloten plaats des lands; hij geeft echter dadelijk toe, dat het ook kan beteekenen,stad op den doortocht door het land. Pater Bach, een geleerde Jezuïet, vertaalt Argentovaria, Argontarat, alsdoortochtofverblijf der ganzen; want in het keltisch wilratzeggen doortocht,ariverblijf, en de Galliërs noemden de wilde ganzengantae,gantes. Willen wij het bij deze aardigheden maar laten?Zalmvisscherij in den Rijn.Zalmvisscherij in den Rijn.Wat er ook zij van deze etymologische raadseltjes, zooveel is zeker dat nog heden ten dage, in iederen herfst de wilde ganzen in den Elzas verschijnen, vermoedelijk zonder zich het hoofd er mede te breken, of zij haar naam hebben gegeven aan eene keltisch-romeinsche nederzetting. In al de dorpen der vlakte van de Ill houden de bewoners ook tamme ganzen in groote menigte. De laatsten moeten haar lever offeren voor de beroemde pasteitjes; op de eersten wordt jacht gemaakt. Zij die de plaats bezoeken, waar de slag van Argentovaria geleverd werd, doen dit voor verreweg het meerendeel meer ter wille van de jacht, dan om archeologische studiën te maken.Het verdient wel opmerking, dat de Landesausschuss, die te Straatsburg zitting houdt, onlangs eene wet heeft uitgevaardigd, die den wildstand zeer ten goede komt en ten gevolge zal hebben dat het getal der hazen toeneemt, terwijl dat der plattelandsbewoners vermindert. De jagers en jachtliefhebbers zijn met deze wet zeer ingenomen; de boeren echter, meestal kleine grondbezitters, dwepen er minder mede. En niet geheel zonder reden. Veronderstel, gij bezit een kleinen tuin of akker, dien gij met kool hebt beplant, en nu komen de hazen de jonge groenten opeten. Staat u dit niet aan en slaat gij een dezer ongenoode gasten dood, dan maakt de jachtopziener proces-verbaal tegen u op en ge betaalt eene boete, behalve de beschadiging van uw eigendom. Slechts wanneer uw grond behoorlijk afgesloten is, of wel indien ge eigenaar zijt van een stuk land van minstens vijf-en-twintig hektaren, valt ge buiten de termen der wet. Het is den boeren niet gemakkelijk aan het verstand te brengen, dat zij eene onrechtmatige daad plegen, wanneer zij op hun eigen grond een stuk wild, dat aan niemand behoort en hun groenten vernielt, vangen of doodslaan.Inmiddels vermenigvuldigen zich, in de vlakte van de Ill tot den Rijn, hazen en fazanten, reeën en patrijzen en kwartels naar hartelust, zoo zelfs dat periodieke drijfjachten moeten gehouden worden om, in het belang van den landbouw, eene al te sterke vermenigvuldiging tegen te gaan. Na zulk een drijfjacht keeren de jagers soms met drie of vier vol geladen wagens terug, met een buit van vierhonderd hazen, dertig reeën en tachtig fazanten, naar de heer Engelhard in zijnSouvenirs d’Alsaceverhaalt.In onzen tijd van sentimenteele dierenbescherming ontbreekt het natuurlijk ook niet aan strafpredikatiën tegen het jachtvermaak. En toch, hoe heerlijk is zulk eene jachtpartij, hoe rijk aan afwisseling en genot! Met het krieken van den dag verlaat ge uwe dompige woning, en wandelt in de frissche, heerlijke morgenlucht, met drie of vier vrienden, naar de aangewezen loopplaats. Allengs komen daar, van verschillende zijden, kleine groepen opdagen; het getal liefhebbers groeit; weldra is het gezelschap kompleet. Nu schaart ge u, met twintig of dertig andere jagers, langs een sloot of een hollen weg; wegschuilende achter boomen of golvingen van den grond. Tegenover u, op betamelijken afstand, heeft zich eene andere lijn gevormd van mannen en jongens, die nu met luid geroep en geschreeuw, en het slaan met stokken tegen steenen en boomen, het verschrikte wild opjagen en heendrijven in de richting waar gij u bevindt. Daar komen ze aansnellen, in ijlende vlucht, de hazen en reeën, onwetend den dood te gemoet. Daar knallen de schoten; daar buitelen de hazen en springen de reeën omhoog, om dan neer te vallen onder het knetteren der geweren, onder de luide bravo’s bij welgelukte schoten, onder het tergend gefluit bij mislukte. Voorzeker, ik kan het niet tegenspreken, daar is iets.... nu ja, iets onridderlijks in dat neerschieten van weerlooze dieren, waartoe niet de minste moed wordt vereischt, niets dan zekere bekwaamheid in het schieten. Maar toch, de rook, het schieten, de reuk van het kruit, het gezicht van het bloed, het gekerm der getroffen dieren, het tellen van den buit, de vroolijke gesprekken,het verhaal van werkelijke of half werkelijke jachtavonturen:—al die beweging, dat rumoer, die opwinding, ze doen u het bloed sneller vlieten door de aderen, ze ontrukken u aan het alledaagsche, ze doen u met dubbel genot gevoelen dat gij leeft. En dan, dat heerlijke gevoel van vrijheid; die beweging en oefening in de frissche vrije lucht; het genot der telkens afwisselende tooneelen en landschappen, naar gelang van den tijd des jaars, van het weer, van plaats en uur, bij zonneschijn of nevel, bij regen of felle vorst, in het dichte bosch of op een open, zonnige plek in het woud, of wel in de vlakte, op het open kale veld zich uitstrekkende tot den schemerenden gezichteinder. Kunt ge niet begrijpen, dat het jachtvermaak, eens in vollen omvang gesmaakt, welhaast een hartstocht wordt?Een drijfjacht op hazen wordt doorgaans gehouden in eene vlakte van eene halve vierkante mijl. De jagers omsingelen het terrein, dat door de drijvers onder geleide van eenige jachtopzieners is afgezet. Bij de eerste geweerschoten trachten de meest achterdochtige hazen, opgeschrikt door het rumoer van de drijvers, die naar de jagers toe gaan, door den doodelijken cirkel heen te breken, en vallen als slachtoffers van hunne onvoorzichtigheid. Anderen zijn minder roekeloos en maken minder haast; zij gaan kalm op hun achterpooten zitten om den toestand te overzien. Zoo opzittende, zijn hunne voor- en achterpooten onophoudelijk in beweging, als trachtten zij in zenuwachtige spanning, onder de hen omsingelende vijanden de slechtste schutters uit te zoeken. Somwijlen raden zij goed, en gelukt het hun tusschen de nieuwelingen door te ontsnappen. Blijkt het dat zij zich vergissen, dan keeren zij terug, niet wetende waarheen zich te wenden, loopen heen en weer, gaan weer zitten, tot zij eindelijk meenen een vrijen uitgang, eene onbewaakte plek gevonden te hebben. Daar stormen zij dan op los: helaas, meestal om te vallen onder de kogels van dezen of genen rustenden jager. De schrik en de verbijstering van de arme dieren bereiken hun toppunt, wanneer de drijvers, die met hunne stokken zwaaien en luid schreeuwen, tot op eenige honderden schreden van de schutters genaderd zijn. Dan is het oogenblik gekomen van de groote slachting, het laatste oogenblik voor een honderdtal hazen, op eene kleine ruimte saamgedrongen. Zij kunnen niet teruggaan, zonder zich aan het gevaar bloot te stellen, dood geslagen te worden. Razend van schrik, overschrijden zij den noodlottigen cirkel, waarin de jagers, die zich nu saamgetrokken hebben en zonder tusschenpoozen hunne geweren laden, afvuren en weder laden, hen opsluiten. De meesten vallen dood op de plek of sterven, gewond, op eenigen afstand. Zoodra de gevallenen bijeen zijn verzameld, wordt de drijfjacht elders voortgezet.Maar het gebeurt niet altijd, dat na afloop van zulk een jacht eenige honderden hazen als buit worden medegevoerd: somwijlen keeren de jagers platzak terug, zelfs in de vlakte van den Rijn. Dit is mij zelven overkomen bij de eerste drijfjacht, waaraan ik deel nam, te Widensohlen, waar het jachtveld toch als goed bekend is. Volgens het zeggen van mijne medejagers, hadden de hazen zich in het kreupelhout verscholen, en wij konden het bosch niet laten afloopen, omdat de bladeren nog aan de boomen zaten. Om mijn weitasch te vullen, moest ik op eene boeren hofstede een kalkoen doodschieten, natuurlijk tegen betaling van schadevergoeding aan den eigenaar.Nog meer dan de vlakte, lokken de eilanden in den Rijn zoowel de jachtliefhebbers als de natuurkenners tot een bezoek uit. De machtige rivier, die de groote zwitsersche meren met de Noordzee verbindt, is eene door de natuur aangewezen heerbaan voor de tochten en verhuizingen der watervogels van allerlei pluimage. Platvoetige zwemmers, langbeenige steltloopers, breedgewiekte zeilers, allerlei soorten van vogels, grooten en kleinen, die de strenge winter van de noordpoolstreken naar zachter klimaat drijft, strijken vaak in dichte drommen neder op onzen Rijn. Daar is dan ook geen beter en gemakkelijker weg te bedenken voor de tallooze zwermen van eenden, wilde ganzen, raafeenden en talingen, uit de golf van Finland en van de klippen der IJszee afkomstig. Die weg wordt echter ook, maar zeldzamer, bezocht door den prachtigen zwarten zwaan, den noordschen vischarend, den kormoran: zeldzame, afgedwaalde bezoekers, die door stormen of heftige beroeringen in den dampkring uit hun baan zijn gedreven en het spoor bijster geraakt, maar die nu hun reis vervolgen in de richting der groenachtige wateren van het dal. De stilstaande wateren van voormalige rivierarmen, door de normaliseringswerken afgesneden en langzamerhand in dicht begroeide moerassen veranderd, bieden een uitgezocht verblijf voor de steltloopers: watersnippen, roerdompen, reigers, waterhoenders, en hoe ze verder heeten mogen, wier lange teenen hen in staat stellen over de weeke modder te loopen. Welwillend en gastvrij, deelen de steltloopers hun rijk met de plassers en ploeteraars, de zwempootigen, die in het water plompen en duiken. Als des avonds het zilveren vesperklokje luidt, verlaten de eenden de groote vijvers en kommen in de diepere gedeelten en in de overstroomde weilanden, waar zij zich veiligheidshalve overdag ophouden, en strijken onder luid gekwaak neder in de modderige poelen. De kievitten, van hun kant, vliegen des morgens en des avonds bij honderden heen en weer over de naastbijgelegen bebouwde akkers, maar koesteren zich, gedurende de warme uren van den dag, op de zandbanken en de kiezelsteenen in de oude bedding der rivier. De pluvieren, die in het naakte zand nestelen, zijn niet minder talrijk dan de spreeuwen in het riet. Twee of drie soorten van zeezwaluwen, die hier slechts tijdelijk toeven om haar jongen op te kweeken, beschrijven in het schoone jaargetijde, langs de oevers der rivier, haar bevallige lijnen en wendingen.Schippersdeerne op den Rijn.Schippersdeerne op den Rijn.De Rijn was vroeger, ja eeuwen lang, zoo nukkig en grillig als een jong meisje, telkens van bedding veranderende, zich nu eens op dezen, dan op genen oever richtende, dan zich terugtrekkende van den Elzas om Baden te begunstigen, straksweer omgekeerd, zonder regel of naspeurlijke reden. Alt-Breisach, op zijn vulkanische rots tronende, lag nu eens op den rechter, dan weer op den linker oever van de veranderlijke, onstandvastige rivier, die haar luimen bot vierde. Om aan dien onhoudbaren toestand een einde te maken, zijn de regeeringen der oeverstaten in overleg getreden, en hebben den stroom eene kunstmatige bedding aangewezen, waarbuiten hij niet meer treden kan of mag. Vóór den aanvang der normaliseeringswerken, die nu langs den geheelen Elzas welhaast voltooid zijn, had de hoofdstroom, ter rechter en ter linker zijde, een groot aantal zijtakken of armen uitgezonden, die deels tot de rivier terugkeerden, deels zich in het land verloren. Deze nu afgesloten takken, die telkens meer aanslibben, deze onwettige kinderen van den Rijn, volgens de uitspraak van de moderne wetenschap, vormen nog een net van eilanden, de woon- en wijkplaats der bovengenoemde vogelen. Veroordeeld om te verdwijnen, naar gelang van de aanslibbing der afgedamde riviertakken, nemen deze eilanden van jaar tot jaar in omvang toe en naderen steeds meer tot elkander, tot groote ergernis van de toekomstige jagers. Sommige van deze eilanden zijn niet meer dan kiezelbanken, waarop niets groeit en die bij hoog water overstroomd worden. Anderen, van meer omvang, door breede en diepe wateren gescheiden, hebben hooge, zandige oevers, omzoomd met eeuwenoude wilgen, dichte bosschen van eikenopslag en hoog hout, weilanden, en op de hoogere gedeelten bebouwde akkers. Reeën zwerven bij troepjes om door het bosch en tusschen de hooge heesters en varens, waar de jonge boerinnetjes, uit het frissche bad gekomen, ze in den zomer beloeren. Het wilde zwijn kiest zich een leger in de lagere gedeelten, te midden van doornen en distelstruiken, waar de haas eene rust en veiligheid vindt, welke hij in de vlakte te vergeefs zou zoeken. In den herfst, wanneer elders, in de groote bosschen tusschen de Ill en den Rijn, vaak gebrek aan water is, wemelt het hier van fazanten, en zoekt de patrijs hier eene schuilplaats, waarin zij zich ongenaakbaar acht. Bij drijfjachten levert deze streek voor de jagers zeer groote moeilijkheden op, uithoofde van de zoo talrijke stroompjes en beken, die elkander in alle mogelijke richtingen kruisen. Wenscht gij u van het eene eiland naar het andere te laten overzetten, vertrouw u dan gerust aan een dier flinke deernen toe, die volkomen voor hare taak berekend zijn en met vaste hand het ranke bootje weten te besturen.Straat te Neu-Breisach.Straat te Neu-Breisach.XVIIIOndanks haar rang van vesting, is Neu-Breisach er erg aan toe: geene andere stad in den geheelen Elzas heeft misschien zooveel geleden door de inlijving bij Duitschland als zij. Hare bevolking, die in 1871 nog negentienhonderd-een-en-zeventig zielen bedroeg, was in 1885 tot op veertienhonderd-zeven gedaald; het garnizoen, vroeger zestienhonderd man sterk, telt thans niet meer dan ruim vierhonderd man. Van de tweehonderd-zeventig huizen van het stedeke staan er vijf-en-vijftig ledig, ten gevolge van het vertrek hunner eigenaars, zonder dat zich iemand opdoet om ze te koopen. Deze achteruitgang is het gevolg van geheel eigenaardige omstandigheden: Neu-Breisach is geene handeldrijvende, industrieele of landbouwende stad: zij is niets meer dan eene vesting, een groot fort. In de laatste jaren van de zeventiende eeuw werd deze vesting door Vauban gebouwd, tegenover de vesting Alt-Breisach, het oude Mons Brisacus, aan den anderen oever, dat krachtens den vrede van Rijswijk aan Duitschland gebleven was. De nieuwe stad moest dan ook bepaaldelijk dienen tot huisvesting van soldaten. Bij koninklijke brieven van September 1698 werden, ten einde inwoners te lokken, aan de gezinnen, die zich in Neu-Breisach vestigen zouden, zekere vrijdommen en voorrechten toegestaan. De burgerlijke bevolking leefde dan ook bijna uitsluitend van het garnizoen, en nu dit laatste zoo sterk verminderd is, zien de inwoners zich gedwongen, naar elders te vertrekken, willen zij niet van gebrek omkomen. Daar komt nog bij, dat de duitsche ambtenaren in den Elzas veelal de slechte gewoonte hebben, om hunne huishoudelijke benoodigdheden, voor zoo ver dit per post geschieden kan, uit hun geboorteland te laten komen. In de uitgestorven straten van Neu-Breisach tiert het gras dan ook zoo welig, dat men sommige buurten als weilandzou kunnen verpachten. Ja, men zou zich des noods midden op de straat kunnen verkleeden, zonder iemands aandacht te trekken of door de policie lastig te worden gevallen.Op het midden van het plein staande, ziet de bezoeker te gelijk de vier poorten der vesting, die vlak tegenover elkander zijn gebouwd. De stad heeft de gedaante van een regelmatigen achthoek. Alle straten loopen lijnrecht, en de huizen vormen regelmatige vierkante blokken; zij zijn bovendien genoegzaam allen naar hetzelfde model gebouwd en hebben niet meer dan eene verdieping. Tijdens het bombardement van 1870 werd ongeveer een vierde gedeelte der bestaande woningen vernield. Na den oorlog werden de eigenaren schadeloos gesteld, onder voorwaarde dat zij hunne huizen zouden herbouwen, die nu voor een deel leeg staan. Het groote Paradeplein, in het midden der stad, is vierkant, en heeft eene oppervlakte van dertienduizend-vierhonderd-zes-en-vijftig vierkante ellen; het plein is omringd door eene driedubbele rij van lindeboomen, waarvan sommigen nog sporen van kogels vertoonen. Aan iederen hoek bevindt een diepe waterput; onder de boomen zijn van afstand tot afstand banken geplaatst. Op dit ruime plein kunnen tweeduizend man met gemak manoeuvreeren; tegenwoordig is het er doodstil; slechts des avonds ontmoet men er enkele eerzame oude-jongejuffrouwen, die met elkander een praatje komen houden. De vier kazernen van de vesting bevatten huisvesting voor meer dan tweeduizend man; in de partikuliere huizen kunnen nog vijfhonderd manschappen en honderd-twintig paarden worden geborgen, ongerekend de kasematten van de wallen, die nog vierduizend man konden bevatten, en de stallen van de kazernen, die ruimte hadden voor tweehonderd-veertig paarden. Behalve de tweehonderd-zeventig partikuliere huizen, vindt men te Neu-Breisach dertig woonhuizen, die aan den staat behooren en waarin de chefs van de militaire administratie waren gevestigd, benevens arsenalen. De kerk, hoewel netjes onderhouden, is een modern gebouw zonder eenig karakter. Het militaire hospitaal is thans gevestigd in de lokalen van een voormalig Kapucijnerklooster, dat tijdens de revolutie gesloten werd. De gemeente Neu-Breisach reikt niet verder dan de wallen der vesting; de grond, waarop de stad is gebouwd, werd door den staat van de gemeente Wolfganzen gekocht.Voor de stichting van Neu-Breisach stond, op het toenmalige Stroo-eiland, dat thans met den vasten wal verbonden is, gedurende het laatste vierde der zeventiende eeuw, de kleine stad Saint-Louis, waar van 1681 tot 1698 de souvereine Raad van den Elzas zijn zetel hield. Van dit stadje is tegenwoordig geen spoor meer te vinden; de landlieden uit den omtrek noemden het Strohstadt, uit hoofde van de strooien daken der huizen. Zoo als men weet, was bij den vrede van Rijswijk bepaald, dat de tegenover Alt-Breisach gebouwde nieuwe stad moest worden gesloopt. Deze stad, die vlak aan den Rijn lag, werd ook inderdaad gesloopt, on daarmede aan de letter van traktaat voldaan; maar vlak daarnaast bouwde Vauban de vesting, die thans nog op eenige kilometers afstands van den genormaliseerden stroom ligt. Op de plaats van een bolwerk, dat vroeger den toegang verdedigde tot eene vaste brug over den Rijn, werd het fort Mortier gebouwd, vlak aan den oever der rivier. Tengevolge van de normaliseeringswerken, waarop wij straks terugkomen, werd het bed van den Rijn kunstmatig versmald en verlegd. Eene schipbrug is in de plaats gekomen van de oude houten brug uit de dertiende eeuw, die over een eiland was gelegd. Sedert 1875 is een weinig meer bovenwaarts een nieuwe ijzeren brug gebouwd ten behoeve van den spoorweg van Colmar naar Freiburg. Dicht bij de schipbrug, aan den kant van den Elzas, staat eene oude herberg, waar de liefhebbers altijd uitmuntenden visch kunnen vinden, benevens rivierkreeften uit de Giesen en smakelijk wildbraad, met witten wijn die niet te versmaden is.Voor de vensters dezer herberg gezeten, kunt ge, in afwachting van uw vischmaal, van het uitzicht genieten op Alt-Breisach. Hoe geheel anders ziet die stad er nu uit, dan wij haar op prenten uit de zeventiende eeuw vinden afgebeeld! Verdwenen zijn de bolwerken en de driedubbele muren; verdwenen de hooge toren aan het einde van de brug, de zware gekanteelde slottoren, en de vroolijk zingende klokken van het Franciskaner- en het Dominikanerklooster, en ook de oude toren bij den waterput in de bovenstad. Slechts de statige, indrukwekkende Sint-Stefanuskerk verrijst nog in al hare majesteit op het hoogste punt van den vulkanischen heuvel, omringd door brokken muurs en geraamten van huizen: eene herinnering aan het bombardement van 1793, toen de vestingwerken der oude stad door het fransche geschut geheel werden vernield.Tijdens de romeinsche heerschappij lag, volgens Beatus Rhenanus en Schöpflin, de Mons Brisacus of Alt-Breisach op den linker Rijnoever, hetgeen echter door Cluvier en Zeiler wordt tegengesproken. Onwaarschijnlijk is het evenwel niet. De jaarboeken der Dominikanen van Colmar berichten dat in 1295 de rivier, die sedert langen tijd de stad Breisach van den Elzas gescheiden had, hare bedding gedeeltelijk overbracht naar de andere zijde van den berg. Reeds in de tiende eeuw spreekt Luitprand van Breisach als van een eiland, terwijl de stad op de kaart van den Elzas, in 1576 door Daniel Speckle vervaardigd, door een tak van den Rijn wordt omringd. Voor den geoloog, die de gesteldheid van het terrein onderzoekt, is de aanwezigheid van voormalige bermen en geulen aan de oostzijde van den rotsheuvel waarop Alt-Breisach is gebouwd, een afdoend bewijs, dat de rivier vroeger daar haar loop had. Eene wet van Valentinianus, opgenomen in den codex van Theodosius, is gedagteekend van de romeinsche vesting Brisacus, den dertigsten Augustus 369. Tegenwoordig kunnen wij op het terrein zelf, veel duidelijker dan in charters en kronieken, het spoor volgen van de verschillende beddingen, die de rivier achtereenvolgens innam en weder verliet, naarmate de insnijdingen in den bodem der vallei dieper werden, terwijl de oevers trapsgewijze omhoog stegen. Dewijde krommingen en bochten van de oude beddingen de gesteldheid van den bloot gekomen rivierbodem, nog kenbaar aan plassen en rietbosschen, waar de liefhebbers ter eendenjacht gaan; de ligging der kiezelbeddingen,—dit alles stelt ons in staat, het vermogen en de stroomsnelheid van den Rijn in verschillende tijdperken te berekenen en de langzamerhand toenemende versmalling van zijn bed na te gaan. In historische tijden lag, naar men bijna met zekerheid mag aannemen, het oude Mons Brisacus nu eens op den eenen, dan weder op den anderen oever der rivier, naar gelang deze, ten gevolge van sterken was, haar loop veranderde.Wanneer wij met opmerkzaamheid de gesteldheid van de Rijnoevers in den Elzas en in Baden gadeslaan, kunnen wij nog de sporen ontdekken van drie groote takken of hoofdbeddingen, die betrekkelijk nog van jongen datum zijn en beurtelings door een net van zijarmen met elkander verbonden waren. Beneden Kembs liep de groote linkerarm van de rivier door de tegenwoordige vallei van de Ill tot aan Straatsburg. Naar het schijnt, zou de verzanding aan den bovenmond en de scheiding van den tegenwoordigen Rijn het gevolg zijn geweest van de natuurlijke werking der stroomingen, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn in de aanspoelingen van keien, die van de Alpen zijn medegevoerd. Boven den Kaiserstuhl scheidde zich de rechterarm van den hoofdstroom af, liep om dien vulkanischen berg heen, en volgde dan den zoom van het Schwarzwald, waar de oude loop nog te herkennen is tot voorbij Ettlingen. Verzandingen in het bovenste gedeelte van dezen rivierarm en de voortgaande aanslibbing langs de verschillende beken en rivierkens, die van het Schwarzwald afdalen, hebben eindelijk het water van dezen tak teruggedrongen naar de hoofdbedding. Dit is ook ten slotte het geval geweest met de andere zijtakken; maar de vereeniging met de hoofdrivier schonk het aanzijn aan eene groote menigte eilanden en een warnet van grootere en kleinere kanalen en killen. Ten tijde van de romeinsche heerschappij waren Schlettstadt en Colmar misschien nog rechtstreeks met den hoofdstroom van den Rijn verbonden, hoewel dit niet uit geschreven dokumenten blijkt. Zeker is het echter, dat men te Ettlingen en te Durlach onmiskenbare sporen heeft gevonden van oude aanlegplaatsen uit den romeinschen tijd. De groote afstanden tusschen de hooge gronden ter wederzijde van de rivier, de scherpe bochten midden door het land, de talrijke greppels en killen, ten deele nog met water gevuld, de moerassen en veenen leeren ons nog heden, welke groote veranderingen, zelfs nog in betrekkelijk jongeren tijd, de loop van den Rijn heeft ondergaan. De vlekken en dorpen, in het overstroomingsgebied gelegen, zijn dan ook bij herhaling het slachtoffer geweest van deze wisselingen. Op den linkeroever werden Rheinau en Wörth in de middeleeuwen geheel verwoest en sedert herbouwd; het klooster Arnulfsau, in den omtrek van Drusenheim, is spoorloos verdwenen. Gelijk lot trof op den duitschen oever de dorpen Tringheim en Hundfeld nabij Kehl, en de kloosters Höhnua, Thumhauser en Mufflenheim boven Seltz.Maar de Rijn is eene te belangrijke, te beroemde rivier ook, om hem niet meer van nabij te beschouwen en eene opzettelijke studie te wijden.XIXEr bestaat geene vertrouwbare kaart, waarop men de veranderingen in den loop van den Rijn, sedert de middeleeuwen tot op onzen tijd, zou kunnen nagaan. Eene kaart van den ridder Beaurain, in Frankrijk vervaardigd om daarop de veldtochten van Turenne langs den Rijn, in de jaren 1674 en 1675, aan te wijzen, toont ons de rivier bezaaid met een groot aantal boschrijke eilandjes, door meer of minder breede armen gescheiden; zoo zelfs, dat eene militaire brug tusschen het dorp Plobsheim en het fort Altenheim gelegd, over acht armen van de rivier moest gaan om Baden met den Elzas te verbinden. Schönau, Rheinau, Drusenheim, Schattmatten en Seltz, tegenwoordig een à twee kilometers van den Rijn verwijderd, lagen toen vlak aan den oever. Vrij breede riviertakken vloeiden langs Wanzenau en Gambsheim, terwijl Dalhunden op den rechter oever lag. Voor den aanleg van het kanaal van de Ill naar den Rijn, dat in 1838 voltooid werd, was Straatsburg door drie dwarskanalen met den hoofdstroom verbonden. De normaliseringswerken, in de jongste tijden door de regeeringen der oeverstaten naar een vast plan uitgevoerd, hebben der rivier eene regelmatige en minder wisselvallige bedding aangewezen.Dadelijk nadat de Rijn, bij Bazel, de breede kloof tusschen de uitloopers van den Jura en het Schwarzwald verlaten heeft, raakt hij de grens van den Elzas. Op de Alpengletschers geboren en gevoed door talrijke beken en stroomen, die aan alle zijden van den Sint-Gothard, het centraalpunt der zwitsersche Alpenketen, afdalen, richt de prachtige rivier haar loop naar het meer Constanz, waarin zij zich tijdelijk verliest en als het ware de eerste periode van haar leven afsluit. Het schilderachtige zwabische meer verlatende, stroomt de Rijn naar het groote keerpunt bij Bazel, na vooraf de Limmatt en de Reuss, onder den naam van Aar tot eene belangrijke rivier vereenigd, te hebben opgenomen. De lengte van den Rijn, van zijn oorsprong in Grauwbunderland tot aan zijn uitloop in de Noordzee, bedraagt dertienhonderd-zes-en-twintig kilometers, waarvan vierhonderd-veertig tot de kromming bij Bazel en tweehonderd langs do grenzen van den Elzas. Bij het Tomameer in Grauwbunderland, dartelt de pas geboren rivier op eene hoogte van tweeduizend-driehonderd-vier-en-veertig meter boven de zee; in het meer van Constanz bedraagt die hoogte driehonderd-vier-en-tachtig meter; bij de brug te Bazel, tweehonderd-zes-en-twintig meter; bij de brug te Kehl, honderd-vijf-en-dertig meter, en te Lauterburg honderd meter: alles berekend naar het nulpunt van het amsterdamsche peil.—Het vermogen der rivier bedraagt tegenwoordig ter hoogte van Bazel, gemiddeld achthonderd kubiek meter, maar wisselt tusschen de tweehonderd entwaalfhonderd kubiek meters en meer. Bij sterken was heeft men, in het einde van December 1882, te Kehl een afvoer gehad van vijf- tot zesduizend kubiek meter per sekonde.Men kan eigenlijk niet zeggen dat de Rijn eene natuurlijke grens is, want in de eeuwen der volksverhuizing zijn stam bij stam de rivier overgetrokken; maar toch is de Rijn, sedert den aanvang der historische tijden in Midden-Europa, eene grens geweest, welker bezit de machtigste rijken elkander bij herhaling hebben betwist. Welk eene reeks van groote en gewichtige gebeurtenissen hebben, sedert de verschijning der Romeinen, zijne oevers niet aanschouwd! Hoe veel bloed heeft er niet gestroomd om het bezit van het schoone, gezegende land, waardoor hij zijne blonde wateren stuwt, zijne blonde wateren, waarin wijd beroemde steden zich spiegelen! En ook, welk een bron van zegen en welvaart was hij, de eeuwen door, voor de bevolking langs zijn zoom! Geene andere rivier misschien werd zoo vaak bezongen; voor geene andere klopt het hart van den Duitscher zoo warm als voorVater Rhein, geëerd en gevierd als ware hij de schepper des lands.

Vertrek naar het jachtveld.Vertrek naar het jachtveld.

Vertrek naar het jachtveld.

Vertrek naar het jachtveld.

Vreemde gasten en bezoekers zoowel als inheemsche schrijvers en moralisten zijn eenstemmig in hunne getuigenis omtrent den sterk ontwikkelden zin voor gezelligheid en feesten, onder alle klassen der bevolking in den Elzas. In vroeger tijd, meer nog dan tegenwoordig, werd de aangeboren smaak voor tafelgenot voortdurend geprikkeld en onderhouden, vooral ook omdat men ruimschoots over de middelen kon beschikken om aan die begeerte te voldoen. Elke eenigszins merkwaardige omstandigheid in het huiselijk leven, elk feest, hetzij van kerkelijken, burgerlijken of militairen aard, dat de menschen met elkaar in aanraking brengt, werd en wordt nog steeds onveranderlijk gevierd met een overvloedigen maaltijd. Wordt een kind ten doop gedragen, dan mag het vroolijke doopmaal, de welkomstgroete van den jonggeborene in het leven, niet achterblijven. Ter gelegenheid van een huwelijk is een enkel feestmaal natuurlijk niet voldoende: de beide familiën, vrienden en bekenden geven een reeks van feesten ter eere van het jeugdige paar. Maar ook bij het overlijden van een bloedverwant of vriend wordt nog steeds de overoude gewoonte van het begrafenismaal in eere gehouden. Geen congres of vergadering van welken kring ook is denkbaar zonder een banket—dat niet zelden het beste is van al wat er gedaan wordt. Wanneer een hooggeplaatst persoon, een bisschop of een prefect, eene stad bezoekt, wordt hem een maaltijd aangeboden. Doet een nieuwe pastoor of een nieuwe dominé zijn intrede, dan moet de gemeente hem toch behoorlijk ontvangen; aanvaardt een nieuwe burgemeester het bestuur, dan vraagt hij de leden van den raad en andere notabelen ten eten, om op de aangenaamste wijze kennis met hen te maken. Vandaag is het de dag van den patroon der plaats, morgen is het schuttersfeest; nu moet er een nieuwe klok worden gedoopt of een nieuw orgel ingewijd; dan weer moet de gemeentelijke rekening worden opgenomen, of wordt eene publieke verkooping gehouden, of is er een gouden of een zilveren bruiloft, of wel worden de maaiers onthaald, of het einde van den wijnoogst gevierd. Dat alles kan niet naar eisch geschieden, zonder dat er bij gegeten en gedronken wordt. Maar wij zijn nog niet aan het einde: vergeet Sint-Maarten niet met zijn gans, en den heerlijken Kerstboom, en Sint-Sylvester, en Drie-Koningen met zijn taart, en Vastenavond, en den Meidag, en Sint-Jan met zijn vuur, en de maaltijdenbijvischpartijtjes, en de drukke slacht in de sombere Novemberdagen: al die gelegenheden geven van zelf aanleiding tot partijtjes en maaltijden, waarvan boeren en burgers evenzeer houden, waarbij kapitaal gegeten en flink gedronken, luid gelachen en met volle borst gezongen wordt, en waarbij het ook aan vroolijke, hartige, soms wel wat gepeperde scherts niet ontbreekt.

Op eilanden in den Rijn.Op eilanden in den Rijn.

Op eilanden in den Rijn.

Op eilanden in den Rijn.

Een satiricus van de zestiende eeuw, Johann Fischart, de straatsburgsche Rabelais, die eene soort van duitschen of elzasser Gargantua geteekend heeft, geeft ons eene opsomming van de huiselijke en openbare feesten, die met maaltijden werden gevierd. Het in zijn boek geschetste tafereel vertoont ons een zeer sprekend beeld van de zeden en gebruiken des lands in zijn tijd. Hij telt niet minder dan drie-en-vijftig verschillende gelegenheden op, die voor onze feestlievende vaderen aanleiding gaven tot pret maken. Gérard neemt de lange lijst van Fischart over en voegt er zijne scherpe, bijtende aanmerkingen bij.—Was het om aan wezenlijke of voorgewende misbruiken een einde te maken, dan wel om het heilzaam onderscheid tusschen de standen te bewaren, gedachtig aan de wijze spreuk der oudheid:Quod licet Jovi, non licet bovi;—was het daarom dat wettelijke bepalingen tegen weelde en overdaad in het leven werden geroepen? De verzameling der politieverordeningen of keuren van de oude vrije rijkssteden in den Elzas geeft ons in ieder geval een aardig kijkje op de buitensporigheden van den vroegeren tijd en getuigt ook van den oprechten ijver om die misbruiken tegen te gaan. Te Straatsburg werd in 1628, onderderegeering van den stadtmeister Böckling von Böcklingshausen, bij keur verboden om ter gelegenheid van een bruiloft meer dan twintig personen, behalve de familieleden, uit te noodigen. “Om de misbruiken te weren van de verderfelijke weelde en overdaad, die overal is doorgedrongen en zelfs bij lieden van lagen stand,” was het aan personen uit de burgerklasse verboden om meer dan acht schotels op tafel te doen brengen; ook mochten de feesten niet langer dan twee dagen duren.

Het uitvaardigen van verbodsbepalingen tegen overmatige tafelweelde is op zichzelve nog geen bewijs, dat de geheele bevolking des lands in overvloed leeft of van alle goederen der aarde genieten kan. Tijdens den bouw der kerk van Sint-Legerius te Gebweiler, ontvingen de werklieden als voedsel gedurende de geheele week “knoflook en brood zoo veel zij verlangden; maar des zondags hadden zij vleesch en alle andere zaken in overvloed.” Knoflook met roggebrood, gedurende de geheele week—dat mocht in waarheid geen overvloed heeten, vooral niet in een tijd, dien de kroniekschrijver van het jaar 1182, bij uitnemendheid een goeden tijd noemt. Nog in de achttiende eeuw aten de bergbewoners van Ban-de-la-Roche brood van boekweit, en was roggebrood voor hen eene lekkernij, waarvan de arbeiders slechts nu en dan konden genieten. Op het platteland eten de arbeiders thans voor het minst masteluinbrood, de werklieden in de stad, wit tarwebrood. Bij beider middagmaal ontbreekt maar zelden rund- of varkensvleesch. Een elzasser boer gebruikt geregeld per dag zijn vier maaltijden in den zomer en drie in den winter: ontbijt ten zeven uren ’s morgens, middagmaal tusschen elf en twaalf uur, vesperbrood ten vier uren, en avondmaal na zeven uren. Het middagmaal ten elf of twaalf uur is meestal de voornaamste maaltijd van den dag. Op de tafel der burgers verschijnen elke week, in regelmatige volgorde, ongeveer dezelfde spijzen, verschillend naar gelang van de saizoenen, en natuurlijk behoudens afwijkingen naar smaak of goedvinden. Voor de invoering van de aardappelen, at men te Straatsburg, ’s maandags, schnitze; dinsdags, koolrapen; woensdags, erwten of bonen; donderdags, rijst of gerst; vrijdags, spinazie of snijboonen; zaterdags, linzen; zondags zuurkool. Nog voor korten tijd was het te Colmar algemeen gebruik, ’s maandags aardappelen te eten; dinsdags zuurkool; woendags, peen, rapen of kool; donderdags, ingemaakte groente, rijst of gerst; vrijdags, meelspijs; zaterdags koolrapen; zondags zuurkool, waarvan het overschot dinsdags weer op tafel verscheen.

Nu zijt ge vrij wel op de hoogte, hoe men in den Elzas eet. Ter wille der volledigheid zou ik nu nog het een en ander moeten zeggen over sommige spijzen, die meer bepaald aan het land eigen zijn. Maar wie kent niet, bij ervaring of bij gerucht, de zuurkool, de noedels en meelspijzen, de schnitze van gedroogde appelen of peren, de verschillende soorten van pannekoeken, de rijstenbrij en gortepap, de brij van ingemaakte groenten, de ganzeleverpasteitjes, de leberknöpfle of balletjes van kalfslever, de karpfenkröplin of balletjes van karpers, de velerhande gebakjes, taarten en koeken? Reeds in de vijftiende eeuw heeft Anna Keller, huisvrouw van Wecker, geneesheer te Colmar, een boek over de kookkunst uitgegeven, dat aan de prinses van Oranje was opgedragen en waarin de beste wijze werd omschreven voor het toebereiden der meest gebruikelijke spijzen. Een ander gastronomisch handboek, in 1671 te Molsheim verschenen onder den titel vanKochbuch so für geistliche als auch weltliche Haushaltungen, heeft niemand minder tot schrijver dan Bernardijn Buchinger, bij zijn leven abt van Lützel, kerkelijk ridder in den souvereinen raad van den Elzas, een geleerd en ernstig man, die het toch niet beneden zich achtte, een kookboek te schrijven voor geestelijke en wereldlijke keukens.

En nu genoeg van de keuken en hetgeen daarmede in verband staat. Wij eindigen met den hartelijken wensch, dat de aloude zin voor gezelligheid in deze verre van opwekkende, aangename tijden niet moge verkoelen; dat de lange reeks der voorvaderlijke feestdagen, dagen van maaltijden en van hartelijke verkwikkende vroolijkheid, niet worde ingekrompen, hetzij dan omdat de middelen het volgen der overgeleverde gewoonte niet meer toelaten, wat treurig is; hetzij, wat nog veel treuriger en bedenkelijker is, omdat de rechte stemming tot feestvieren meer en meer gaat ontbreken, omdat de naïeve gulle,kinderlijke vroolijkheid, desnoods overslaande tot uitgelatenheid, meer en meer eene vreemdelinge dreigt te worden in onze eeuw, waarin het leven, ook nog in anderen dan bloot materieelen zin, voor duizenden bij duizenden in toenemende mate zoo zwaar en moeilijk wordt, en de koortsige opwinding van alle krachten en vermogens den glimlach wegvaagt van de lippen en het harte doet verdorren reeds in den opgang der jeugd.

Als wij Colmar verlaten, strekt zich de vlakte voor ons uit, de vlakte van de Ill, effen en vlak en bij uitnemendheid vruchtbaar; de groote vlakte van den Elzas, die ten westen door de fraaie bergketen der Vogesen, ten oosten door de snelvlietende wateren van den Rijn wordt begrensd. Elzas beteekent eigenlijk het land van de Ill: door de aanspoelingen van de Ill en den Rijn werd het land zelf gevormd. De alluviaalgronden van den Rijn zijn echter veel minder vruchtbaar dan die van de Ill, langs wier boorden zich een vette kleigrond uitstrekt, waarop alle granen en andere produkten uitmuntend gedijen. Op de meer steenachtige gronden, door de aanspoelingen van den Rijn gevormd, ziet men bosschen en boomgroepen overal waar de noodige vochtigheid voor weilanden of korenakkers ontbreekt. De streken langs de Ill zijn dan ook tweemaal zoo sterk bevolkt als die langs den Rijn, hoewel in beiden de landbouw de hoofdbron van het bestaan is. Noch hier, noch daar heeft de industrie bijzonder veel te beteekenen. Mülhausen reikt met haar fabrieken niet verder dan de grenzen der vlakte en der heuvels van de Sundgau. Buiten de industriëele middelpunten, in en aan den uitgang van de valleien, neemt het aantal inwoners af naarmate de grond armer wordt. Toch biedt deze vlakte geen wijduitgestrekte vergezichten: overal, tusschen de dorpen en langs de beken en wateringen, verheffen zich boschjes en boomgroepen, die de eentonigheid van het landschap breken.

Maar eer wij langs de stoffige wegen onzen wandeltocht voortzetten, willen wij een overzicht nemen van het land, dat zich voor ons uitbreidt. Wij zeiden reeds dat de vlakte vden Elzas begrensd wordt door de keten der Vogesen en door den Rijn, die beiden van het zuidwesten naar het noordoosten loopen. De vlakte zet zich voort aan de overzijde der rivier, waar zij door de bergen van het Schwarzwald wordt begrensd. De Ill, op de grenzen van Zwitserland, in de Jura ontsproten, vervolgt haar kronkelenden loop tusschen de heuvelen en de golvende vlakte der Sundgau, om van Mülhausen tot Straatsburg evenwijdig met den Rijn te vloeien. De geheele lengte der rivier bedraagt honderd-tachtig kilometer, waarvan honderd-twintig voor het gedeelte van Mülhausen tot de samenvloeiing met den Rijn. Haar verval, van haar oorsprong tot haar uitmonding, bedraagt omstreeks vierhonderd el. Mülhausen ligt tweehonderd-veertig el boven de zee, Straatsburg honderd-veertig, Colmar honderd-negentig, Altkirch driehonderd-drie-en-twintig. Te Altkirch neemt de Ill de Largue op, even als zij uit de Jura afkomstig; vervolgens ontvangt zij achtereenvolgens de Doller, de Thur, de Lauch, de Fecht, de Liepvrette, de Giesen, de Bruch en nog andere rivierkens, die allen uit de valleien van de Vogesen afstroomen. Terwijl de Vogesen hun hoogste punt bereiken in den Gebweiler Belchen (1426 el), ligt de bedding van den Rijn, die langs den geheelen Elzas eene totale lengte heeft van tweehonderd kilometers, nabij Basel op tweehonderd-veertig meters boven de zee en te Lauterburg op honderd-vier. De totale oppervlakte van den Elzas bedraagt achtduizend-tweehonderd-zes-en-tachtig vierkante mijlen of acht-en-twintig-duizend-zeshonderd-zeven-en-zestig hektaren. Tusschen Sennheim en Ottmarheim, waar zij het breedst is, beslaat de vlakte van den Elzas acht-en-twintig kilometers, tegen twintig op de hoogte van Colmar of Straatsburg.

Hetzij men van Colmar over Ensisheim naar het Hartwald gaat, hetzij men over Horburg en Breisach den weg naar den Rijn volgt, steeds vertoont de vlakte hetzelfde eigenaardige karakter. Ons oog ontmoet geen grootsche, majestueuse landschappen, zoo als de bergen en valleien der Vogesen ze in zoo ruimen overvloed aanbieden, en evenmin belangrijke monumenten; maar ter rechter- en ter linkerhand breidt zich het vruchtbare land uit, waarop altijd menschen aan den arbeid zijn en dat ons verheugt door het beeld van den gezegenden overvloed. Het eerste dorp, dat wij op den weg naar het Hartwald ontmoeten, is Heiligkreuz, dat achthonderd inwoners telt en zich in de veilige en weldadige schaduw van een voormalig nonnenklooster heeft gevormd. Dan volgt, tien mijlen verder, Meienheim, waar de weg over eene fraaie steenen brug naar den anderen oever van de Ill overgaat. Niederhergheim, Oberhergheim, Biltzheim, Niederentzen en Oberentzen beuren ter linkerhand langs de murmelende rivier hun fijne kerkspitsen ten hoogen. Dan ziet men, aan den anderen oever van de Ill, Regisheim en Ensisheim. Voor den tijd der spoorwegen werden deze dorpen, waar de paarden moesten drinken of verwisselen, dagelijks bezocht door twaalf of vijftien diligences, ongerekend de talrijke voertuigen en wagens. Tegenwoordig is de vroeger zoo drukke en levendige weg eenzaam en verlaten en wordt alleen nog maar gebruikt door boerekarren. Gelukkig heeft de vermindering van het verkeer geen afbreuk gedaan aan de welvaart der bevolking, dank zij de buitengewone vruchtbaarheid van den vetten kleigrond. Men ziet weinig boomen, hetgeen aan het landschap iets eentonigs en plats geeft. Bij de jongste normalisering van den loop der Ill heeft men hier en daar jonge wilgen en acacia’s geplant. Voor deze normalisering, waarmede nu omstreeks tien jaren geleden begonnen werd, veranderde de rivier dikwijls van bedding en wijzigde haar onregelmatigen loop na iederen was, tot groote schade van het bebouwde land.

Horburg mag welhaast eene voorstad van Colmar worden genoemd, even als Logelbach. Evenboven de prachtige steenen brug van Horburg neemt de Ill de Thur op, en even benedenwaarts de Lauch: twee rivierkens, uit de valleien van Thann en Gebweiler afkomstig, en wier vereeniging met de Ill deze laatste, beneden den Ladhof bevaarbaar maakt. Deze Ladhof diende gedurende de middeleeuwen der stad tot haven: de scheepvaart op de Ill was toen, bij gemis van andere gemeenschapswegen, veel drukker dan tegenwoordig. Het dorp Horburg met eene bevolking van achttienhonderd-vijf-en-tachtig inwoners, behoort tot het kanton Andelsheim, met achttien andere gemeenten, die uitsluitend van landbouw leven, en die tusschen den weg langs den Rijn en de Ill verspreid liggen. De bevolking van het geheele kanton bedroeg in 1880 twaalfduizend-zes-honderd-twee-en-veertig zielen, omstreeks duizend minder dan twintig jaar vroeger. Die vermindering der bevolking van het platte land is een zeer ongunstig verschijnsel, maar dat zich overal voordoet waar geen industrie of fabrieken zijn. Toch bezitten alle gemeenten langs de Ill uitmuntende bouwgronden, waarvan de vruchtbaarheid door geen andere overtroffen wordt. Hoewel de opbrengst van den grond in kwantiteit toeneemt, vermindert het aantal personen, die van den landbouw leven: de reden hiervan ligt zoowel in de steeds klimmende eischen der arbeiders, als in het toenemend gebruik van werktuigen.

Drijfjacht op hazen.Drijfjacht op hazen.

Drijfjacht op hazen.

Drijfjacht op hazen.

Horburg, dat met zijn prachtige linden en zijne brug over de Ill geene onaardige vertooning maakt, is beroemd om zijn sperges, waarin hier een belangrijke handel gedreven wordt, en die onze boeren uit de vlakte van de Ill, naar het zeggen der kenners, uitnemend weten klaar te maken. Gedurende zeven of acht eeuwen was Horburg een graafschap, dat onder de vorsten van Wurtemberg stond. Zijn sterke burcht werd herhaalde malen verwoest en weder opgebouwd. Opgravingen hier ter plaatse hebben de overblijfselen aan het licht gebracht van een romeinsch castrum, benevens verschillende andere voorwerpen uit dien tijd. Beatus Rhenanus en andere geschiedschrijvers van den Elzas zoeken hier de plaats van het oude Argentovaria, waar de legioenen van keizer Gratianus de Allemannen versloegen, na de schitterende overwinning, waarvan Ammianus Marcellinus ons een zoo treffend verhaal heeft gegeven. De commissie van de op last van keizer Napoleon III vervaardigde historische kaart van Gallië plaatst daarentegen Argentovaria bij het tegenwoordige Grusenheim, terwijl d’Anville en Walckenaar het te Atzenheim zoeken. Er is een geruime tijd verloopen sedert het jaar 377 of 384, waarin de groote slachting plaats had, aan welke nauwelijks een tiende gedeelte van het leger der Allemannen ontkwam. Bij gebreke van afdoendebewijzen en bij mijne volkomen onbekwaamheid in het oplossen van etymologische raadseltjes, moet ik mij van een oordeel omtrent de verschillende aanwijzingen der archeologen onthouden. Trouwens, Artzenheim, Grusenheim en Horburg kunnen als de punten van een driehoek beschouwd worden, waarvan de oppervlakte niet grooter is dan die van het slagveld van Froschweiler-Wörth-Reichshofen, op 6 Augustus 1870. De afstand tusschen Horburg en Artzenheim, zoowel als tusschen Horburg en Grusenheim bedraagt in rechte lijn niet meer dan tien kilometers. Daar het germaansche leger, dat door Gratianus verslagen werd, op zestigduizend man wordt begroot, en dat der Romeinen op een derde of de helft, kunnen de beide legers zeer wel een terrein hebben ingenomen van zoodanige uitgestrektheid, dat de naam van Argentovaria op elk der drie genoemde dorpen kan worden toegepast. De verschillende meeningen omtrent de juiste ligging der plaats kunnen inderdaad vrij wat gemakkelijker met elkander in overeenstemming worden gebracht, dan die omtrent de etymologie van den naam Argentovaria en omtrent de wijze waarop daaruit de duitsche naam Horburgzouzijn gevormd of afgeleid. Beatus Rhenanus schreef in de zestiende eeuw, dat de Duitschers de laatste lettergrepen van Argentovaria hadden geschrapt, en aan de overblijvende syllabearhunburghadden toegevoegd; even als zij, op omgekeerde manier, vanArgentoractemeerstStoratiburgumhadden gemaakt, en wel door weglating van de eerste lettergrepen; vervolgens hadden zij door het schrappen der klinkersoeni,Stratburgumverkregen, waaruit dan ten slotte Straatsburg was gegroeid! Volgens Schöpflin is Argentovaria aan het keltisch ontleend en beteekent zooveel alsgesloten plaats des lands; hij geeft echter dadelijk toe, dat het ook kan beteekenen,stad op den doortocht door het land. Pater Bach, een geleerde Jezuïet, vertaalt Argentovaria, Argontarat, alsdoortochtofverblijf der ganzen; want in het keltisch wilratzeggen doortocht,ariverblijf, en de Galliërs noemden de wilde ganzengantae,gantes. Willen wij het bij deze aardigheden maar laten?

Zalmvisscherij in den Rijn.Zalmvisscherij in den Rijn.

Zalmvisscherij in den Rijn.

Zalmvisscherij in den Rijn.

Wat er ook zij van deze etymologische raadseltjes, zooveel is zeker dat nog heden ten dage, in iederen herfst de wilde ganzen in den Elzas verschijnen, vermoedelijk zonder zich het hoofd er mede te breken, of zij haar naam hebben gegeven aan eene keltisch-romeinsche nederzetting. In al de dorpen der vlakte van de Ill houden de bewoners ook tamme ganzen in groote menigte. De laatsten moeten haar lever offeren voor de beroemde pasteitjes; op de eersten wordt jacht gemaakt. Zij die de plaats bezoeken, waar de slag van Argentovaria geleverd werd, doen dit voor verreweg het meerendeel meer ter wille van de jacht, dan om archeologische studiën te maken.

Het verdient wel opmerking, dat de Landesausschuss, die te Straatsburg zitting houdt, onlangs eene wet heeft uitgevaardigd, die den wildstand zeer ten goede komt en ten gevolge zal hebben dat het getal der hazen toeneemt, terwijl dat der plattelandsbewoners vermindert. De jagers en jachtliefhebbers zijn met deze wet zeer ingenomen; de boeren echter, meestal kleine grondbezitters, dwepen er minder mede. En niet geheel zonder reden. Veronderstel, gij bezit een kleinen tuin of akker, dien gij met kool hebt beplant, en nu komen de hazen de jonge groenten opeten. Staat u dit niet aan en slaat gij een dezer ongenoode gasten dood, dan maakt de jachtopziener proces-verbaal tegen u op en ge betaalt eene boete, behalve de beschadiging van uw eigendom. Slechts wanneer uw grond behoorlijk afgesloten is, of wel indien ge eigenaar zijt van een stuk land van minstens vijf-en-twintig hektaren, valt ge buiten de termen der wet. Het is den boeren niet gemakkelijk aan het verstand te brengen, dat zij eene onrechtmatige daad plegen, wanneer zij op hun eigen grond een stuk wild, dat aan niemand behoort en hun groenten vernielt, vangen of doodslaan.

Inmiddels vermenigvuldigen zich, in de vlakte van de Ill tot den Rijn, hazen en fazanten, reeën en patrijzen en kwartels naar hartelust, zoo zelfs dat periodieke drijfjachten moeten gehouden worden om, in het belang van den landbouw, eene al te sterke vermenigvuldiging tegen te gaan. Na zulk een drijfjacht keeren de jagers soms met drie of vier vol geladen wagens terug, met een buit van vierhonderd hazen, dertig reeën en tachtig fazanten, naar de heer Engelhard in zijnSouvenirs d’Alsaceverhaalt.

In onzen tijd van sentimenteele dierenbescherming ontbreekt het natuurlijk ook niet aan strafpredikatiën tegen het jachtvermaak. En toch, hoe heerlijk is zulk eene jachtpartij, hoe rijk aan afwisseling en genot! Met het krieken van den dag verlaat ge uwe dompige woning, en wandelt in de frissche, heerlijke morgenlucht, met drie of vier vrienden, naar de aangewezen loopplaats. Allengs komen daar, van verschillende zijden, kleine groepen opdagen; het getal liefhebbers groeit; weldra is het gezelschap kompleet. Nu schaart ge u, met twintig of dertig andere jagers, langs een sloot of een hollen weg; wegschuilende achter boomen of golvingen van den grond. Tegenover u, op betamelijken afstand, heeft zich eene andere lijn gevormd van mannen en jongens, die nu met luid geroep en geschreeuw, en het slaan met stokken tegen steenen en boomen, het verschrikte wild opjagen en heendrijven in de richting waar gij u bevindt. Daar komen ze aansnellen, in ijlende vlucht, de hazen en reeën, onwetend den dood te gemoet. Daar knallen de schoten; daar buitelen de hazen en springen de reeën omhoog, om dan neer te vallen onder het knetteren der geweren, onder de luide bravo’s bij welgelukte schoten, onder het tergend gefluit bij mislukte. Voorzeker, ik kan het niet tegenspreken, daar is iets.... nu ja, iets onridderlijks in dat neerschieten van weerlooze dieren, waartoe niet de minste moed wordt vereischt, niets dan zekere bekwaamheid in het schieten. Maar toch, de rook, het schieten, de reuk van het kruit, het gezicht van het bloed, het gekerm der getroffen dieren, het tellen van den buit, de vroolijke gesprekken,het verhaal van werkelijke of half werkelijke jachtavonturen:—al die beweging, dat rumoer, die opwinding, ze doen u het bloed sneller vlieten door de aderen, ze ontrukken u aan het alledaagsche, ze doen u met dubbel genot gevoelen dat gij leeft. En dan, dat heerlijke gevoel van vrijheid; die beweging en oefening in de frissche vrije lucht; het genot der telkens afwisselende tooneelen en landschappen, naar gelang van den tijd des jaars, van het weer, van plaats en uur, bij zonneschijn of nevel, bij regen of felle vorst, in het dichte bosch of op een open, zonnige plek in het woud, of wel in de vlakte, op het open kale veld zich uitstrekkende tot den schemerenden gezichteinder. Kunt ge niet begrijpen, dat het jachtvermaak, eens in vollen omvang gesmaakt, welhaast een hartstocht wordt?

Een drijfjacht op hazen wordt doorgaans gehouden in eene vlakte van eene halve vierkante mijl. De jagers omsingelen het terrein, dat door de drijvers onder geleide van eenige jachtopzieners is afgezet. Bij de eerste geweerschoten trachten de meest achterdochtige hazen, opgeschrikt door het rumoer van de drijvers, die naar de jagers toe gaan, door den doodelijken cirkel heen te breken, en vallen als slachtoffers van hunne onvoorzichtigheid. Anderen zijn minder roekeloos en maken minder haast; zij gaan kalm op hun achterpooten zitten om den toestand te overzien. Zoo opzittende, zijn hunne voor- en achterpooten onophoudelijk in beweging, als trachtten zij in zenuwachtige spanning, onder de hen omsingelende vijanden de slechtste schutters uit te zoeken. Somwijlen raden zij goed, en gelukt het hun tusschen de nieuwelingen door te ontsnappen. Blijkt het dat zij zich vergissen, dan keeren zij terug, niet wetende waarheen zich te wenden, loopen heen en weer, gaan weer zitten, tot zij eindelijk meenen een vrijen uitgang, eene onbewaakte plek gevonden te hebben. Daar stormen zij dan op los: helaas, meestal om te vallen onder de kogels van dezen of genen rustenden jager. De schrik en de verbijstering van de arme dieren bereiken hun toppunt, wanneer de drijvers, die met hunne stokken zwaaien en luid schreeuwen, tot op eenige honderden schreden van de schutters genaderd zijn. Dan is het oogenblik gekomen van de groote slachting, het laatste oogenblik voor een honderdtal hazen, op eene kleine ruimte saamgedrongen. Zij kunnen niet teruggaan, zonder zich aan het gevaar bloot te stellen, dood geslagen te worden. Razend van schrik, overschrijden zij den noodlottigen cirkel, waarin de jagers, die zich nu saamgetrokken hebben en zonder tusschenpoozen hunne geweren laden, afvuren en weder laden, hen opsluiten. De meesten vallen dood op de plek of sterven, gewond, op eenigen afstand. Zoodra de gevallenen bijeen zijn verzameld, wordt de drijfjacht elders voortgezet.

Maar het gebeurt niet altijd, dat na afloop van zulk een jacht eenige honderden hazen als buit worden medegevoerd: somwijlen keeren de jagers platzak terug, zelfs in de vlakte van den Rijn. Dit is mij zelven overkomen bij de eerste drijfjacht, waaraan ik deel nam, te Widensohlen, waar het jachtveld toch als goed bekend is. Volgens het zeggen van mijne medejagers, hadden de hazen zich in het kreupelhout verscholen, en wij konden het bosch niet laten afloopen, omdat de bladeren nog aan de boomen zaten. Om mijn weitasch te vullen, moest ik op eene boeren hofstede een kalkoen doodschieten, natuurlijk tegen betaling van schadevergoeding aan den eigenaar.

Nog meer dan de vlakte, lokken de eilanden in den Rijn zoowel de jachtliefhebbers als de natuurkenners tot een bezoek uit. De machtige rivier, die de groote zwitsersche meren met de Noordzee verbindt, is eene door de natuur aangewezen heerbaan voor de tochten en verhuizingen der watervogels van allerlei pluimage. Platvoetige zwemmers, langbeenige steltloopers, breedgewiekte zeilers, allerlei soorten van vogels, grooten en kleinen, die de strenge winter van de noordpoolstreken naar zachter klimaat drijft, strijken vaak in dichte drommen neder op onzen Rijn. Daar is dan ook geen beter en gemakkelijker weg te bedenken voor de tallooze zwermen van eenden, wilde ganzen, raafeenden en talingen, uit de golf van Finland en van de klippen der IJszee afkomstig. Die weg wordt echter ook, maar zeldzamer, bezocht door den prachtigen zwarten zwaan, den noordschen vischarend, den kormoran: zeldzame, afgedwaalde bezoekers, die door stormen of heftige beroeringen in den dampkring uit hun baan zijn gedreven en het spoor bijster geraakt, maar die nu hun reis vervolgen in de richting der groenachtige wateren van het dal. De stilstaande wateren van voormalige rivierarmen, door de normaliseringswerken afgesneden en langzamerhand in dicht begroeide moerassen veranderd, bieden een uitgezocht verblijf voor de steltloopers: watersnippen, roerdompen, reigers, waterhoenders, en hoe ze verder heeten mogen, wier lange teenen hen in staat stellen over de weeke modder te loopen. Welwillend en gastvrij, deelen de steltloopers hun rijk met de plassers en ploeteraars, de zwempootigen, die in het water plompen en duiken. Als des avonds het zilveren vesperklokje luidt, verlaten de eenden de groote vijvers en kommen in de diepere gedeelten en in de overstroomde weilanden, waar zij zich veiligheidshalve overdag ophouden, en strijken onder luid gekwaak neder in de modderige poelen. De kievitten, van hun kant, vliegen des morgens en des avonds bij honderden heen en weer over de naastbijgelegen bebouwde akkers, maar koesteren zich, gedurende de warme uren van den dag, op de zandbanken en de kiezelsteenen in de oude bedding der rivier. De pluvieren, die in het naakte zand nestelen, zijn niet minder talrijk dan de spreeuwen in het riet. Twee of drie soorten van zeezwaluwen, die hier slechts tijdelijk toeven om haar jongen op te kweeken, beschrijven in het schoone jaargetijde, langs de oevers der rivier, haar bevallige lijnen en wendingen.

Schippersdeerne op den Rijn.Schippersdeerne op den Rijn.

Schippersdeerne op den Rijn.

Schippersdeerne op den Rijn.

De Rijn was vroeger, ja eeuwen lang, zoo nukkig en grillig als een jong meisje, telkens van bedding veranderende, zich nu eens op dezen, dan op genen oever richtende, dan zich terugtrekkende van den Elzas om Baden te begunstigen, straksweer omgekeerd, zonder regel of naspeurlijke reden. Alt-Breisach, op zijn vulkanische rots tronende, lag nu eens op den rechter, dan weer op den linker oever van de veranderlijke, onstandvastige rivier, die haar luimen bot vierde. Om aan dien onhoudbaren toestand een einde te maken, zijn de regeeringen der oeverstaten in overleg getreden, en hebben den stroom eene kunstmatige bedding aangewezen, waarbuiten hij niet meer treden kan of mag. Vóór den aanvang der normaliseeringswerken, die nu langs den geheelen Elzas welhaast voltooid zijn, had de hoofdstroom, ter rechter en ter linker zijde, een groot aantal zijtakken of armen uitgezonden, die deels tot de rivier terugkeerden, deels zich in het land verloren. Deze nu afgesloten takken, die telkens meer aanslibben, deze onwettige kinderen van den Rijn, volgens de uitspraak van de moderne wetenschap, vormen nog een net van eilanden, de woon- en wijkplaats der bovengenoemde vogelen. Veroordeeld om te verdwijnen, naar gelang van de aanslibbing der afgedamde riviertakken, nemen deze eilanden van jaar tot jaar in omvang toe en naderen steeds meer tot elkander, tot groote ergernis van de toekomstige jagers. Sommige van deze eilanden zijn niet meer dan kiezelbanken, waarop niets groeit en die bij hoog water overstroomd worden. Anderen, van meer omvang, door breede en diepe wateren gescheiden, hebben hooge, zandige oevers, omzoomd met eeuwenoude wilgen, dichte bosschen van eikenopslag en hoog hout, weilanden, en op de hoogere gedeelten bebouwde akkers. Reeën zwerven bij troepjes om door het bosch en tusschen de hooge heesters en varens, waar de jonge boerinnetjes, uit het frissche bad gekomen, ze in den zomer beloeren. Het wilde zwijn kiest zich een leger in de lagere gedeelten, te midden van doornen en distelstruiken, waar de haas eene rust en veiligheid vindt, welke hij in de vlakte te vergeefs zou zoeken. In den herfst, wanneer elders, in de groote bosschen tusschen de Ill en den Rijn, vaak gebrek aan water is, wemelt het hier van fazanten, en zoekt de patrijs hier eene schuilplaats, waarin zij zich ongenaakbaar acht. Bij drijfjachten levert deze streek voor de jagers zeer groote moeilijkheden op, uithoofde van de zoo talrijke stroompjes en beken, die elkander in alle mogelijke richtingen kruisen. Wenscht gij u van het eene eiland naar het andere te laten overzetten, vertrouw u dan gerust aan een dier flinke deernen toe, die volkomen voor hare taak berekend zijn en met vaste hand het ranke bootje weten te besturen.

Straat te Neu-Breisach.Straat te Neu-Breisach.

Straat te Neu-Breisach.

Straat te Neu-Breisach.

Ondanks haar rang van vesting, is Neu-Breisach er erg aan toe: geene andere stad in den geheelen Elzas heeft misschien zooveel geleden door de inlijving bij Duitschland als zij. Hare bevolking, die in 1871 nog negentienhonderd-een-en-zeventig zielen bedroeg, was in 1885 tot op veertienhonderd-zeven gedaald; het garnizoen, vroeger zestienhonderd man sterk, telt thans niet meer dan ruim vierhonderd man. Van de tweehonderd-zeventig huizen van het stedeke staan er vijf-en-vijftig ledig, ten gevolge van het vertrek hunner eigenaars, zonder dat zich iemand opdoet om ze te koopen. Deze achteruitgang is het gevolg van geheel eigenaardige omstandigheden: Neu-Breisach is geene handeldrijvende, industrieele of landbouwende stad: zij is niets meer dan eene vesting, een groot fort. In de laatste jaren van de zeventiende eeuw werd deze vesting door Vauban gebouwd, tegenover de vesting Alt-Breisach, het oude Mons Brisacus, aan den anderen oever, dat krachtens den vrede van Rijswijk aan Duitschland gebleven was. De nieuwe stad moest dan ook bepaaldelijk dienen tot huisvesting van soldaten. Bij koninklijke brieven van September 1698 werden, ten einde inwoners te lokken, aan de gezinnen, die zich in Neu-Breisach vestigen zouden, zekere vrijdommen en voorrechten toegestaan. De burgerlijke bevolking leefde dan ook bijna uitsluitend van het garnizoen, en nu dit laatste zoo sterk verminderd is, zien de inwoners zich gedwongen, naar elders te vertrekken, willen zij niet van gebrek omkomen. Daar komt nog bij, dat de duitsche ambtenaren in den Elzas veelal de slechte gewoonte hebben, om hunne huishoudelijke benoodigdheden, voor zoo ver dit per post geschieden kan, uit hun geboorteland te laten komen. In de uitgestorven straten van Neu-Breisach tiert het gras dan ook zoo welig, dat men sommige buurten als weilandzou kunnen verpachten. Ja, men zou zich des noods midden op de straat kunnen verkleeden, zonder iemands aandacht te trekken of door de policie lastig te worden gevallen.

Op het midden van het plein staande, ziet de bezoeker te gelijk de vier poorten der vesting, die vlak tegenover elkander zijn gebouwd. De stad heeft de gedaante van een regelmatigen achthoek. Alle straten loopen lijnrecht, en de huizen vormen regelmatige vierkante blokken; zij zijn bovendien genoegzaam allen naar hetzelfde model gebouwd en hebben niet meer dan eene verdieping. Tijdens het bombardement van 1870 werd ongeveer een vierde gedeelte der bestaande woningen vernield. Na den oorlog werden de eigenaren schadeloos gesteld, onder voorwaarde dat zij hunne huizen zouden herbouwen, die nu voor een deel leeg staan. Het groote Paradeplein, in het midden der stad, is vierkant, en heeft eene oppervlakte van dertienduizend-vierhonderd-zes-en-vijftig vierkante ellen; het plein is omringd door eene driedubbele rij van lindeboomen, waarvan sommigen nog sporen van kogels vertoonen. Aan iederen hoek bevindt een diepe waterput; onder de boomen zijn van afstand tot afstand banken geplaatst. Op dit ruime plein kunnen tweeduizend man met gemak manoeuvreeren; tegenwoordig is het er doodstil; slechts des avonds ontmoet men er enkele eerzame oude-jongejuffrouwen, die met elkander een praatje komen houden. De vier kazernen van de vesting bevatten huisvesting voor meer dan tweeduizend man; in de partikuliere huizen kunnen nog vijfhonderd manschappen en honderd-twintig paarden worden geborgen, ongerekend de kasematten van de wallen, die nog vierduizend man konden bevatten, en de stallen van de kazernen, die ruimte hadden voor tweehonderd-veertig paarden. Behalve de tweehonderd-zeventig partikuliere huizen, vindt men te Neu-Breisach dertig woonhuizen, die aan den staat behooren en waarin de chefs van de militaire administratie waren gevestigd, benevens arsenalen. De kerk, hoewel netjes onderhouden, is een modern gebouw zonder eenig karakter. Het militaire hospitaal is thans gevestigd in de lokalen van een voormalig Kapucijnerklooster, dat tijdens de revolutie gesloten werd. De gemeente Neu-Breisach reikt niet verder dan de wallen der vesting; de grond, waarop de stad is gebouwd, werd door den staat van de gemeente Wolfganzen gekocht.

Voor de stichting van Neu-Breisach stond, op het toenmalige Stroo-eiland, dat thans met den vasten wal verbonden is, gedurende het laatste vierde der zeventiende eeuw, de kleine stad Saint-Louis, waar van 1681 tot 1698 de souvereine Raad van den Elzas zijn zetel hield. Van dit stadje is tegenwoordig geen spoor meer te vinden; de landlieden uit den omtrek noemden het Strohstadt, uit hoofde van de strooien daken der huizen. Zoo als men weet, was bij den vrede van Rijswijk bepaald, dat de tegenover Alt-Breisach gebouwde nieuwe stad moest worden gesloopt. Deze stad, die vlak aan den Rijn lag, werd ook inderdaad gesloopt, on daarmede aan de letter van traktaat voldaan; maar vlak daarnaast bouwde Vauban de vesting, die thans nog op eenige kilometers afstands van den genormaliseerden stroom ligt. Op de plaats van een bolwerk, dat vroeger den toegang verdedigde tot eene vaste brug over den Rijn, werd het fort Mortier gebouwd, vlak aan den oever der rivier. Tengevolge van de normaliseeringswerken, waarop wij straks terugkomen, werd het bed van den Rijn kunstmatig versmald en verlegd. Eene schipbrug is in de plaats gekomen van de oude houten brug uit de dertiende eeuw, die over een eiland was gelegd. Sedert 1875 is een weinig meer bovenwaarts een nieuwe ijzeren brug gebouwd ten behoeve van den spoorweg van Colmar naar Freiburg. Dicht bij de schipbrug, aan den kant van den Elzas, staat eene oude herberg, waar de liefhebbers altijd uitmuntenden visch kunnen vinden, benevens rivierkreeften uit de Giesen en smakelijk wildbraad, met witten wijn die niet te versmaden is.

Voor de vensters dezer herberg gezeten, kunt ge, in afwachting van uw vischmaal, van het uitzicht genieten op Alt-Breisach. Hoe geheel anders ziet die stad er nu uit, dan wij haar op prenten uit de zeventiende eeuw vinden afgebeeld! Verdwenen zijn de bolwerken en de driedubbele muren; verdwenen de hooge toren aan het einde van de brug, de zware gekanteelde slottoren, en de vroolijk zingende klokken van het Franciskaner- en het Dominikanerklooster, en ook de oude toren bij den waterput in de bovenstad. Slechts de statige, indrukwekkende Sint-Stefanuskerk verrijst nog in al hare majesteit op het hoogste punt van den vulkanischen heuvel, omringd door brokken muurs en geraamten van huizen: eene herinnering aan het bombardement van 1793, toen de vestingwerken der oude stad door het fransche geschut geheel werden vernield.

Tijdens de romeinsche heerschappij lag, volgens Beatus Rhenanus en Schöpflin, de Mons Brisacus of Alt-Breisach op den linker Rijnoever, hetgeen echter door Cluvier en Zeiler wordt tegengesproken. Onwaarschijnlijk is het evenwel niet. De jaarboeken der Dominikanen van Colmar berichten dat in 1295 de rivier, die sedert langen tijd de stad Breisach van den Elzas gescheiden had, hare bedding gedeeltelijk overbracht naar de andere zijde van den berg. Reeds in de tiende eeuw spreekt Luitprand van Breisach als van een eiland, terwijl de stad op de kaart van den Elzas, in 1576 door Daniel Speckle vervaardigd, door een tak van den Rijn wordt omringd. Voor den geoloog, die de gesteldheid van het terrein onderzoekt, is de aanwezigheid van voormalige bermen en geulen aan de oostzijde van den rotsheuvel waarop Alt-Breisach is gebouwd, een afdoend bewijs, dat de rivier vroeger daar haar loop had. Eene wet van Valentinianus, opgenomen in den codex van Theodosius, is gedagteekend van de romeinsche vesting Brisacus, den dertigsten Augustus 369. Tegenwoordig kunnen wij op het terrein zelf, veel duidelijker dan in charters en kronieken, het spoor volgen van de verschillende beddingen, die de rivier achtereenvolgens innam en weder verliet, naarmate de insnijdingen in den bodem der vallei dieper werden, terwijl de oevers trapsgewijze omhoog stegen. Dewijde krommingen en bochten van de oude beddingen de gesteldheid van den bloot gekomen rivierbodem, nog kenbaar aan plassen en rietbosschen, waar de liefhebbers ter eendenjacht gaan; de ligging der kiezelbeddingen,—dit alles stelt ons in staat, het vermogen en de stroomsnelheid van den Rijn in verschillende tijdperken te berekenen en de langzamerhand toenemende versmalling van zijn bed na te gaan. In historische tijden lag, naar men bijna met zekerheid mag aannemen, het oude Mons Brisacus nu eens op den eenen, dan weder op den anderen oever der rivier, naar gelang deze, ten gevolge van sterken was, haar loop veranderde.

Wanneer wij met opmerkzaamheid de gesteldheid van de Rijnoevers in den Elzas en in Baden gadeslaan, kunnen wij nog de sporen ontdekken van drie groote takken of hoofdbeddingen, die betrekkelijk nog van jongen datum zijn en beurtelings door een net van zijarmen met elkander verbonden waren. Beneden Kembs liep de groote linkerarm van de rivier door de tegenwoordige vallei van de Ill tot aan Straatsburg. Naar het schijnt, zou de verzanding aan den bovenmond en de scheiding van den tegenwoordigen Rijn het gevolg zijn geweest van de natuurlijke werking der stroomingen, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn in de aanspoelingen van keien, die van de Alpen zijn medegevoerd. Boven den Kaiserstuhl scheidde zich de rechterarm van den hoofdstroom af, liep om dien vulkanischen berg heen, en volgde dan den zoom van het Schwarzwald, waar de oude loop nog te herkennen is tot voorbij Ettlingen. Verzandingen in het bovenste gedeelte van dezen rivierarm en de voortgaande aanslibbing langs de verschillende beken en rivierkens, die van het Schwarzwald afdalen, hebben eindelijk het water van dezen tak teruggedrongen naar de hoofdbedding. Dit is ook ten slotte het geval geweest met de andere zijtakken; maar de vereeniging met de hoofdrivier schonk het aanzijn aan eene groote menigte eilanden en een warnet van grootere en kleinere kanalen en killen. Ten tijde van de romeinsche heerschappij waren Schlettstadt en Colmar misschien nog rechtstreeks met den hoofdstroom van den Rijn verbonden, hoewel dit niet uit geschreven dokumenten blijkt. Zeker is het echter, dat men te Ettlingen en te Durlach onmiskenbare sporen heeft gevonden van oude aanlegplaatsen uit den romeinschen tijd. De groote afstanden tusschen de hooge gronden ter wederzijde van de rivier, de scherpe bochten midden door het land, de talrijke greppels en killen, ten deele nog met water gevuld, de moerassen en veenen leeren ons nog heden, welke groote veranderingen, zelfs nog in betrekkelijk jongeren tijd, de loop van den Rijn heeft ondergaan. De vlekken en dorpen, in het overstroomingsgebied gelegen, zijn dan ook bij herhaling het slachtoffer geweest van deze wisselingen. Op den linkeroever werden Rheinau en Wörth in de middeleeuwen geheel verwoest en sedert herbouwd; het klooster Arnulfsau, in den omtrek van Drusenheim, is spoorloos verdwenen. Gelijk lot trof op den duitschen oever de dorpen Tringheim en Hundfeld nabij Kehl, en de kloosters Höhnua, Thumhauser en Mufflenheim boven Seltz.

Maar de Rijn is eene te belangrijke, te beroemde rivier ook, om hem niet meer van nabij te beschouwen en eene opzettelijke studie te wijden.

Er bestaat geene vertrouwbare kaart, waarop men de veranderingen in den loop van den Rijn, sedert de middeleeuwen tot op onzen tijd, zou kunnen nagaan. Eene kaart van den ridder Beaurain, in Frankrijk vervaardigd om daarop de veldtochten van Turenne langs den Rijn, in de jaren 1674 en 1675, aan te wijzen, toont ons de rivier bezaaid met een groot aantal boschrijke eilandjes, door meer of minder breede armen gescheiden; zoo zelfs, dat eene militaire brug tusschen het dorp Plobsheim en het fort Altenheim gelegd, over acht armen van de rivier moest gaan om Baden met den Elzas te verbinden. Schönau, Rheinau, Drusenheim, Schattmatten en Seltz, tegenwoordig een à twee kilometers van den Rijn verwijderd, lagen toen vlak aan den oever. Vrij breede riviertakken vloeiden langs Wanzenau en Gambsheim, terwijl Dalhunden op den rechter oever lag. Voor den aanleg van het kanaal van de Ill naar den Rijn, dat in 1838 voltooid werd, was Straatsburg door drie dwarskanalen met den hoofdstroom verbonden. De normaliseringswerken, in de jongste tijden door de regeeringen der oeverstaten naar een vast plan uitgevoerd, hebben der rivier eene regelmatige en minder wisselvallige bedding aangewezen.

Dadelijk nadat de Rijn, bij Bazel, de breede kloof tusschen de uitloopers van den Jura en het Schwarzwald verlaten heeft, raakt hij de grens van den Elzas. Op de Alpengletschers geboren en gevoed door talrijke beken en stroomen, die aan alle zijden van den Sint-Gothard, het centraalpunt der zwitsersche Alpenketen, afdalen, richt de prachtige rivier haar loop naar het meer Constanz, waarin zij zich tijdelijk verliest en als het ware de eerste periode van haar leven afsluit. Het schilderachtige zwabische meer verlatende, stroomt de Rijn naar het groote keerpunt bij Bazel, na vooraf de Limmatt en de Reuss, onder den naam van Aar tot eene belangrijke rivier vereenigd, te hebben opgenomen. De lengte van den Rijn, van zijn oorsprong in Grauwbunderland tot aan zijn uitloop in de Noordzee, bedraagt dertienhonderd-zes-en-twintig kilometers, waarvan vierhonderd-veertig tot de kromming bij Bazel en tweehonderd langs do grenzen van den Elzas. Bij het Tomameer in Grauwbunderland, dartelt de pas geboren rivier op eene hoogte van tweeduizend-driehonderd-vier-en-veertig meter boven de zee; in het meer van Constanz bedraagt die hoogte driehonderd-vier-en-tachtig meter; bij de brug te Bazel, tweehonderd-zes-en-twintig meter; bij de brug te Kehl, honderd-vijf-en-dertig meter, en te Lauterburg honderd meter: alles berekend naar het nulpunt van het amsterdamsche peil.—Het vermogen der rivier bedraagt tegenwoordig ter hoogte van Bazel, gemiddeld achthonderd kubiek meter, maar wisselt tusschen de tweehonderd entwaalfhonderd kubiek meters en meer. Bij sterken was heeft men, in het einde van December 1882, te Kehl een afvoer gehad van vijf- tot zesduizend kubiek meter per sekonde.

Men kan eigenlijk niet zeggen dat de Rijn eene natuurlijke grens is, want in de eeuwen der volksverhuizing zijn stam bij stam de rivier overgetrokken; maar toch is de Rijn, sedert den aanvang der historische tijden in Midden-Europa, eene grens geweest, welker bezit de machtigste rijken elkander bij herhaling hebben betwist. Welk eene reeks van groote en gewichtige gebeurtenissen hebben, sedert de verschijning der Romeinen, zijne oevers niet aanschouwd! Hoe veel bloed heeft er niet gestroomd om het bezit van het schoone, gezegende land, waardoor hij zijne blonde wateren stuwt, zijne blonde wateren, waarin wijd beroemde steden zich spiegelen! En ook, welk een bron van zegen en welvaart was hij, de eeuwen door, voor de bevolking langs zijn zoom! Geene andere rivier misschien werd zoo vaak bezongen; voor geene andere klopt het hart van den Duitscher zoo warm als voorVater Rhein, geëerd en gevierd als ware hij de schepper des lands.


Back to IndexNext