XX

Een kreeftenvisscher.Een kreeftenvisscher.Bazel is gebouwd op een kiezelbank, bestaande uit keien gelijk aan die welke de Rijn medevoert, en waarvan het hoogste punt op vijf-en-zestig meters boven den tegenwoordigen middelbaren waterstand ligt. Deze kiezelbank verdeelt zich in en bij de stad in terrassen, die amphitheatersgewijze, soms met vrij steile hellingen, naar de rivier afdalen, en zich op regelmatige afstanden langs de beide oevers uitstrekken, tot ongeveer op de hoogte van Alt-Breisach.Boven de oude kiezel van deze terrassen vindt men, over groote uitgestrektheden, maar in zeer ongelijke dikte, de slib of klei, waaruit de vruchtbaarste velden in de vlakte van den Elzas bestaan. Deze slib, geheel verschillende van de mergelhoudende slib welke de rivier thans achterlaat, is vermoedelijk aangevoerd door het water, dat uit den ouden Rijngletscher stroomde, toen deze zich nog tot in de omstreken van Bazel uitstrekte. De Rijn moet destijds een veel vermogender rivier zijn geweest dan tegenwoordig: anders had hij onmogelijk tot op zoo verren afstand die massa’s slib kunnen medevoeren, waarvan de dikte op sommige punten vijftig meters bedraagt. Nog heden is de stroom ter hoogte van Bazel zoo sterk, dat de rivier keisteenen ter zwaarte van vijf-en-twintig pond en meer medevoert.Tusschen de beide natuurlijke terrassen of hooge gronden, die zich beneden Bazel langs de rivier uitstrekken, begrenzen de wederzijdsche bandijken eene vlakte van drie tot zes kilometers breed, die bij hoog water nog wordt overstroomd, en waardoorde Rijn vroeger zijn loop nam in eene telkens wisselende, door tallooze kanalen doorsneden bedding. Van afstand tot afstand ziet men nog, twee of drie mijlen van den tegenwoordigen thalweg verwijderd, kommen en killen, overblijfselen van oude riviertakken, voor het meerendeel thans van den hoofdstroom afgesloten: zij vormen de thans oneigenlijk zoo genoemde eilanden van den Rijn. Bosschen en kreupelhout, akkers en weilanden, onder den naam vanriedengrünbekend, volgen hier in bonte afwisseling op elkander: een waar paradijs voor de jagers. Zonder de kunstmatige normalisering van het rivierbed en de daarmede in verband staande bedijking, zou men ook nu nog kunnen zien gebeuren, wat vroeger herhaaldelijk plaats greep, dat de rivier bij overstrooming hare bedding verlegde. Zoo werd in 1570 het dorp Neuburg, bij Germersheim, van den rechter- naar den linkeroever verplaatst; zoo werd nog in het begin dezer eeuw het riviertje de Moder, bij Hagenau, gedwongen om zijn loop met omstreeks twintig mijlen te verlengen, ten einde den Rijn, nabij Fort-Louis, te bereiken. Hieruit blijkt, hoe moeilijk in den romeinschen tijd en in de middeleeuwen vaak de toegang tot de rivier was, en hoeveel strategisch gewicht werd gehecht aan die punten, waar het water van den Rijn in eene scherp begrensde bedding vloeide en dus de overtocht gemakkelijk viel.Op de killen.Op de killen.Daar waar de dus genoemde thalweg—dat is, de lijn van de grootste diepte—den oever raakt, bedraagt de diepte thans, gedurende het geheele jaar, minstens zes el beneden het nulpunt der peilschaal, overeenkomende met middelbaren waterstand. Op de ondiepten tusschen de kiezelbanken staat niet meer dan een el water en vaak nog minder. De pontons van de schipbruggen te Kehl en te Breisach rusten des winters dikwijls op de kiezel, in plaats van te drijven. Telken jare worden door de ingenieurs, met de werken van den Rijn belast, die banken opgenomen en de ondiepten gepeild. Deze ondiepten zijn eene zeer wezenlijke belemmering voor de scheepvaart, die zich niet ontwikkelen kan, zoolang het bed der rivier niet zal zijn gezuiverd en de banken en ondiepten weggeruimd.In de maand Februari begint de rivier te wassen. Deze aanvankelijk zeer geringe was houdt weder op in Maart, welke maand in onze streken doorgaans zeer droog is; te beginnen met April gaat de was echter sneller, om haar toppunt te bereiken in Juni. In Juli begint het water weder te zakken; de sterkste daling heeft plaats in de maand September. Natuurlijk komen er in de verschillende jaren meer of minder sterke afwijkingen voor, naar gelang het jaar droger of regenachtiger is.—Zoo als ik reeds zeide, nemen de ingenieurs telkenjare de ligging en de gesteldheid der kiezelbanken op, die het bed van den Rijn versperren. Bij hoog water worden die banken of platen overstroomd; als het water zakt, komen zij weer boven. Tusschen Lauterburg en Straatsburg telt men niet minder dan drie-en-zestig van zulke platen; boven Straatsburg tot Bazel is haar aantal vooral niet minder. Ten gevolge van de verplaatsing van de kiezel bij hoog opperwater en sterken stroom, ondergaan die platen gedurige verandering, waarmede de schippers op den Rijn rekening hebben te houden.Deze kiezelplaten in den Rijn, die ook voor de zalmvisscherij benuttigd worden, verschaffen mede bezigheid aan de goudzoekers. Een charter van het jaar 667, door een hertog van den Elzas, Etichon genoemd, verleend, geeft reeds aan een klooster het recht om goud te wasschen. Nog in de laatste tijden leverden de goudzoekers uit den Elzas en uit Baden jaarlijks aan de munt te Karlsruhe voor de waarde van veertig à vijftigduizend francs van het kostbare metaal. Men vindt dit goud vooral op de kiezelplaten, met zand vermengd. Maar de arme lieden, die het zoeken, verdienen zoo weinig met dien arbeid, dat zij daartoe alleen hunne toevlucht nemen als zij niets anders te doen hebben. Het goud komt niet voor in de gedaante van groote of kleine korrels, maar van zeer dunne loovertjes, die ter nauwernood een millimeter groot zijn. Doorgaans bevatten tienduizend pond kiezel niet meer dan zes grammen goud. Een hoop kiezel van tien kubiek meters levert bij de wassching niet meer op dan twee en een half gram goud. Gedurende de beste jaren ontving de munt te Karlsruhe van twaalf tot vijftien pond, vertegenwoordigende vier vijfden van de geheele produktie langs den loop der rivier van Bazel tot Philipsburg. Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat een goudzoeker nog geen twee francs per dag verdient, dan zal men lichtelijk begrijpen dat een zoo weinig winstgevend bedrijf al meer en meer verwaarloosd wordt. Het is veel voordeeliger zich als dijkwerker te verhuren of in de fabrieken te arbeiden, dan langs den Rijn goud te zoeken.Voor de uitoefening van dat bedrijf heeft de goudzoeker overigens niet veel gereedschap noodig. Het goudwasschen geschiedt tegenwoordig op vrij wel dezelfde manier, die Heberer, in 1582, te Seltz in praktijk zag brengen. Met een ijzeren schop voorzien, schept de goudzoeker eenige ponden kiezel op en schudt die in het water heen en weer, ze tevens oppervlakkig onderzoekende. Na de groote keien verwijderd te hebben, maakt hij eene beweging met de schop, zoodat het lichte zand door het water wordt medegespoeld. Vervolgens worden ook de kleine steentjes verwijderd. Na nog eenige bewegingen met de schop, houdt hij niets over dan zwart zand, dat eene groote hoeveelheid met titanium verbonden ijzer bevat, en waarin een geoefend oog al spoedig de verborgen goudloovertjes ontdekt. Als hij met iedere schop meer dan een dozijn loovertjes verkrijgt, heeft hij kans meer dan een franc per dag te verdienen. Na aldus eene zekere hoeveelheid zand verzameld te hebben, begint de operatie van het wasschen. Daartoe gebruikt hij eene twee el lange en een el breede schuine plank, die met een stuk grove wollen stof is bekleed, en aan welker boveneinde een soort van teenen horde is aangebracht, waarvan de traliën twee duim tusschenruimte hebben. Het kiezel wordt nu tegen die horde gelegd en vervolgens met water begoten: het zand en de nog overgebleven kleine steentjes worden door het afstroomende water medegevoerd, terwijl de goudloovertjes en het fijne zand in de wol blijven vastzitten. Het wollen kleed wordt nu van tijd tot tijd in eene tobbe uitgespoeld; en het op den bodem achtergebleven zand naar huis medegenomen om daar eene laatste zuivering te ondergaan. Ge ziet, het kost moeite genoeg, een weinig goud machtig te worden.Twee malen ben ik, te beginnen van Bazel, den Rijn afgevaren: eens met de ingenieurs, aan wie de uitvoering der rivierwerken isopgedragen, en eens in gezelschap van de leden van onzen provincialen landdag, die zich door eigen aanschouwing van den stand der werken wenschten te vergewissen.Bij den laatsten tocht was het bij uitnemendheid mooi weer met prachtigen zonneschijn. En de tocht was inderdaad een soort van triomftocht: overal werden wij met gejuich, met kanon- en geweerschoten ontvangen; steden en dorpen waren met vlaggen en groen versierd; overal werd ons de eerewijn aangeboden, en de heeren zelven waren in de beste en vroolijkste stemming. De vergadering was bijna kompleet, evenzoo als de regeeringscommissarissen. Slechts enkelen ontbraken, die tegen zulk eene vaart, met het oog op hunne gezondheid of hun gestel, meenden bezwaar te moeten maken. Daar gaat op den Rijn, zoo als men weet, een zeer snelle en sterke, bij wijlen zelfs een zeer hevige stroom; en al is iemand volksvertegenwoordiger, kan het hem toch overkomen, dat hij zich op het water minder op zijn gemak gevoelt.Maar liever dan u een officieel proces-verbaal aan te bieden van de stroombevaring door de leden van den landdag, wil ik u eenvoudig het verhaal doen van mijn eerste tochtje op de rivier met de ingenieurs. Op dien dag—het was Vrijdag, 28 September 1882—was het weer veel minder mooi: de hemel was grauw en donker en het regende hard. De hoog gezwollen wateren kookten en bruisten onder de oude brug te Bazel. Vader Rijn was blijkbaar niet in zijn humeur en scheen ons toe te roepen: “Vandaag niet! Komt mij een anderen dag bezoeken: ik ben nu niet te spreken.” Te spreken of niet, wij zijn in het schuitje en kunnen niet meer terug. Vader Rijn moet het nu maar voor lief nemen. In woeste snelle vaart voeren de voortgejaagde golven ons mede: eer wij het weten, varen wij onder de brug van Huningen door. Bazel verdwijnt welhaast uit het gezicht, met zijne torens en hooge oevers. Beneden de stad verheffen zich langs de rivier eenige fabrieken van chemischestoffen, met haar leelijke schoorsteenen, die ons hun rook en roet nazenden: even onaangenaam voor den reuk als het vuile water en de verwerkte stoffen dier fabrieken, die in den Rijn uitstroomen, verderfelijk zijn voor de zalmteelt.Dicht bij de schipbrug van Huningen verbindt een ijzeren brug de badensche spoorwegen met het spoorwegnet van Elzas-Lotharingen; deze verbinding heeft voornamelijk een strategisch doel: zij moet namelijk de beweging mogelijk maken van troepen, die uit Zwaben en Wurtemberg komen, zonder het neutrale grondgebied van Zwitserland te schenden. Dicht bij de brug ziet men ook den mond van het kanaal, dat den Rijn met de Rhône verbindt; vlotvoerders zijn bezig met houtvlotten, uit Zwitserland en het Schwarzwald afkomstig, binnen het kanaal te sturen. De pontons van de schipbrug zijn gedeeltelijk van hout, gedeeltelijk van zink; maar deze laatsten, die moeilijk te herstellen zijn, verdienen geene aanbeveling. Naast de brug staat een magazijn, waarin de noodige materialen voor herstellingen worden geborgen. Ten einde in geval van snellen was of hoog opperwater tijdig te kunnen waarschuwen, heeft men eene telegraaflijn aangelegd, waardoor de bureaux van de ingenieurs te Colmar en te Straatsburg in rechtstreeksche verbinding staan met de brug- en dijkwachters, die onderling telefonisch verbonden zijn. Minder goed geregeld is de dijkverdediging door de oeverbewoners, wanneer er gevaar is voor doorbraak; het ware zeer wenschelijk, dat de regeering zich die zaak aantrok en eene behoorlijke organisatie met een vast personeel invoerde.Een paalregel, uit houten en ijzeren palen samengesteld en die in schuine lijn, van het midden der schipbrug, in de richting van den linker oever loopt, beschermt de pontons tegen het geweld van den stroom, wanneer bij hoog water de brug moet worden weggenomen. Ook de houtvlotten zoeken vaak in deze soort van haven eene wijkplaats. Hier verlaten wij het bootje, waarmede wij van Bazel zijn gekomen, om over te gaan in de gouvernementsboot voor den dienst der rivierwerken. Deze boot, die met vier roeiers is bemand, heeft in het midden een overdekte kajuit, waar wij althans voor regen en zonneschijn veilig zijn. De regen heeft trouwens voor het oogenblik opgehouden, maar de lucht blijft betrokken. Veel liever hadden wij helder en warm weer gehad: doch daar is niets aan te doen, en pruttelen maakt de zaak niet beter.Terwijl de boot met groote snelheid door het water glijdt, hooren wij in onze onmiddellijke nabijheid een zonderling geluid, het best tevergelijkenbij het kletteren van hagel tegen de ruiten. Een der ingenieurs deelde mij mede, dat dit geluid werd veroorzaakt door de beweging der steenen op de kiezelbanken. Voor het oogenblik is geen van deze platen zichtbaar: bij zulk een hoogen waterstand zijn zij allen overstroomd. Eerst later, als het water zakt, komen zij weer voor den dag, maar dan op andere plaatsen dan waar zij zich vóór den was bevonden. Die platen zijn dus in beweging, en die beweging is sneller, naarmate in den Rijn sterker stroom gaat. De wrijving en schuring van die kiezel veroorzaakt het slib, dat het water troebel maakt. Op sommige plaatsen worden de kiezelsteenen, door de kracht van den stroom, over de lage kribben en dammen heengeworpen, hoewel die minstens een el boven de kiezelplaten reiken. De normaallijnen, die een kunstmatig bed bij middelbaren rivierstand moeten vormen, zijn aangewezen door rijswerk en steenglooiingen; deze kunstmatige bedding doorsnijdt op verschillende punten den ouden thalweg. Langs de afgesneden rivierarmen zien wij bootslieden, die hunne schuiten voorttrekken; visschers maken daar, vooral bij regenachtig weer, hunne beste vangst, want dan zwemmen de visschen, door de openingen in de oeverwerken, de zijtakken in, waar zij in menigte gevangen worden. Het rijsbeslagwerk is bijna overal langs de normaallijnen aangebracht en met steen bestort; de oude zijtakken zijn op die wijze voor het meerendeel afgedamd; bij hooge waterstanden stroomt het water over die dammen heen en ontlast zich in de afgesneden killen.Wij varen onder de brug van Rheinau door en roeien voort, nu met de zon vlak in het gezicht. Gelukkig! want bij zulk eene vaart op den Rijn is mooi weer eigenlijk een vereischte. Zonder eenige inspanning bereiken wij omstreeks vier uren in den namiddag de uitmonding van de Kraft, eigenlijk een tak van de Ill, die zich bij Erstein van deze rivier afscheidt. Twee mijlen verder ligt de fraaie hoeve Altenheimer Hof schilderachtig tusschen het geboomte. Troepen soldaten oefenen zich in het zeilen en sturen, in de nabijheid van een fort, dat onlangs aan den oever der rivier is gemaakt en waarvan niets zichtbaar is dan de met gras begroeide taluds. Slechts de punthelmen der schildwachten op den wal verkondigen u, dat wat ge daar ziet, een fort is. Niet ver van daar, op den badenschen oever, ligt een tweede fort: beiden maken deel uit van de lijn van defensie der stelling Straatsburg. Rondom het fort Altenheim sluiten bosschen den horizon af, maar de Rijn zelf opent heerlijke gezichtspunten. De rivier heeft hier eene breedte van tweehonderd-vijftig el; de kalme watervlakte wordt door geen enkele bank of plaat gebroken. De stroom is hier veel minder snel; bij wijlen schijnt de koninklijke stroom een effen meer. Eene kleine boot, vol heeren en dames, steekt vlug en licht, vlak langs ons heen, de rivier over. In de verte beurt de kathedraal van Straatsburg haar fijne torenspits in de nu helder blauwe lucht. Welk eene afwisseling van gezichten en landschappen, bij iedere kromming van de rivier! Toch valt het niet tegen te spreken, dat de rivierverbetering, hoe nuttig ook onder andere opzichten, niet aan het schilderachtige bevorderlijk is geweest: trouwens de ingenieurs-wetenschap heeft niets te maken met schoonheid. Haar ideaal is eene zooveel mogelijk rechte rivier, tusschen regelmatige, rechtlijnige oevers ingesloten; en dit ideaal is gewis een geheel ander dan dat van dichters en kunstenaars, ja ook van hen, voor wie de schoonheid der levende natuur zeer, zeer veel meer waard is dan de mooiste mathematischefiguur. Zoo was dan ook, vóór de normaliseering, de Rijn onbetwistbaar veel schooner en pittoresker. Toen vormden, bij hoog water, de verschillende vertakkingen van de rivier een majestueusen, uitgestrekten waterplas, die op sommige plaatsen eene breedte had van ettelijke mijlen. Ook nu nog biedt de rivier juist daar de schoonste gezichtspunten, waar de nog niet afgedamde zijtakken diep landwaarts indringen, te midden der statige, eeuwenheugende bosschen. Welke prachtexemplaren van eiken en ahornen vindt men nog op de voormalige eilanden, voor het meerendeel begroeid met schier ondoordringbaar kreupelhout, de geliefkoosde verblijfplaats van wilde zwijnen en fazanten. In de lagere gedeelten betwisten riet en biezen en gras de plaats aan het kreupelhout, tenzij een warnet van doornstruiken en wilde moerbeziën het geheele terrein inneme. Hier en daar vindt men, op de dichtst begroeide eilanden, nog enkele bevers, maar zij worden van jaar tot jaar zeldzamer. In het museum van natuurlijke historie te Mainz zag ik een grooten opgezetten bever, die aan den oever van Rijn gevangen was.Een regenachtige dag.Een regenachtige dag.Omstreeks vijf uren in den namiddag varen wij onder de brug van den spoorweg van Straatsburg naar Kehl, en komen even daarna aan den mond van den zoogenoemden Kleinen-Rijn, waar wij aan land gaan. Wij zijn te Straatsburg.XXEen ander maal zullen wij het gedeelte van den Rijn tusschen Straatsburg en Lauterburg bevaren. Wij moeten nu eerst den stroom weer opvaren enonze wandeling voortzetten door de Sundgau en het Hartwald. Maar alvorens daarheen te gaan, kan ik den lust niet bedwingen, nog weer eens om te dolen op de eilanden in de oude rivier: laat het zijn om te teekenen en, lukt het, ook te jagen. Wie op de manier van onze moderne toeristen door een land heenvliegt, leert het immers nooit kennen; en onze schoone Elzas is het inderdaad wel waard, goed bezien en gekend te worden.Goudzoekers aan den Rijn. (Blz. 394).Goudzoekers aan den Rijn. (Blz.394).In den vroegen morgen van den 24stenSeptember ging ik met den schilder Lix op weg naar Plobsheim, om daar onzen gemeenschappelijken vriend Louis Schutzenberger op te zoeken, die op zoo menige schilderij de natuur en het leven langs de boorden en op de eilanden van den Rijn met treffende waarheid en diep gevoel heeft weergegeven. De kunstenaar, die naar buiten was gegaan om te jagen, had voor het oogenblik zijn intrek genomen bij de villa Finck. De villa Finck, wel bekend bij alle jachtliefhebbers in Straatsburg, is eene eenvoudige visschershut, verbonden met eene tapperij. De huurders der omringende jachtterreinen hebben daarnaast een witgepleisterd huisje gebouwd, waarin ieder van de gasten, naar eigen lust en smaak, zijn nachtlogies inricht, hetzij in een hangmat, hetzij op eene eenvoudige matras. Als de regen lang aanhoudt, of als het te koud wordt, kan men zich bij het vuur warmen. Moeder Finck, de kookvrouw, heeft in haar kelder een zekeren witten wijn, waarvan de goede oude vrouw zelve wel wat druk proeft. Over het eten behoeft men zich niet bekommerd te maken: de stille wateren van de voormalige Rijntakken wemelen van visch, en het wild van allerlei soort is niet minder overvloedig. Zelfs de minst geoefende jagers kunnen zooveel wilde zwijnen en reeën, hazen, otters, dassen, eenden, kievitten, patrijzen en fazanten, snippen en pluvieren schieten, als zij maar verkiezen.Wellicht kunnen niet al mijne lezers zich eene duidelijke voorstelling maken van de villa Finck, ook al deel ik hun mede, dat zij op vijftien mijlen afstands van Straatsburg ligt, in de gemeente Plobsheim, op een eiland in den Rijn. Welnu, verbeeld u een open plek in het bosch, ter uitgestrektheid van een bunder, aan den eenen kant besproeid door een voormaligen arm der rivier, aan de andere zijde ingenomen door het jachthuis en de visschershut; rondom die woningen een moestuin met vruchtboomen en een op latwerk rustende wingerd, waaraan donkerblauwe druiven hangen. Tegen den muur van het huis hangen een aantal fuiken; terwijl aan den waterkant een groot, op palen uitgespannen kruisnet hangt te drogen. Eenige blondharige kinderen, flink en gezond van uitzicht, barrevoets, spelen met een troepje tamme eenden, die zich voor de deur hebben verzameld, maar zoo straks weder te water zullen gaan. Een gedeelte van dit terrein behoort aan den visscher Finck, die hier woont met zijne zonen en kleinkinderen; het overige wordt bebouwd door boeren uit het naburige dorp. Een koel en lommerrijk pad voert, midden door het eikenbosch, naar Plobsheim. Hier en daar worden de eiken afgewisseld door populieren, elzen en wilgen, als ook door de heesters en struiken, die gemeenlijk op lage vochtige plaatsen groeien.Toen wij aankwamen scheen het mooi weer. Bij ons vertrek van Straatsburg, omstreeks zes uren in den morgen, hing er een dikke nevel over de weilanden en over het water. Nu schijnt de zon helder en warm, en ondanks eenige min of meer verdachte wolken, zal de zon ook den geheelen dag blijven schijnen:—althans naar de verzekering van vader Finck, die ons zeer hartelijk ontvangen heeft en dien ik u nog moet voorstellen. Vader Finck is visscher van beroep, maar oefent daarnevens, als de gelegenheid gunstig is, ook het bedrijf van strooper uit. Hij is altijd op den uitkijk: geen schepsel kan zich boven, op, of in de wateren onder de aarde bewegen, of hij merkt het op met zijn scherpen, doordringenden, loerenden valkenblik, die altijd naar eene prooi schijnt te speuren. Naar men ons verhaalde, had die brave man eertijds een bijzonder zwak voor het wild op den badenschen oever. De hemel mag weten, hoeveel reeën en fazanten hij, zonder jachtakte of vergunning, aan den overkant van den Rijn gevangen heeft! Geen wonder dat hij nu en dan in botsing kwam met de jachtopzieners en veldwachters, die op hem loerden. Op zekeren dag of in zekeren nacht—de kroniek vermeldt niet of het feit bij zon- of bij maanlicht plaats greep,—keerde de visscher-strooper naar huis terug met een portie ganzenhagel in zeker lichaamsdeel. Zoo iets vergeet men niet licht, vooral omdat Finck wist welke jachtopziener hem die poets gebakken had. Eenigen tijd daarna lag onze vriend, wiens wonden waren geheeld, maar die even onbekeerlijk was gebleven, op de loer in de biezen. Hij zag den jachtopziener, die hem zoo goed geraakt had, zijn geweer op een zonnig plekje in het gras nederleggen, vervolgens zijne kleederen uittrekken en bij zijn geweer leggen, en eindelijk in het water afdalen. Nauwelijks was de jachtopziener in het bad, of de strooper sprong uit zijn schuilhoek te voorschijn, en maakte zich in een oogwenk meester van de kleederen en ook van het geladen geweer. Toen riep hij op spottenden toon den onthutsten jachtopziener toe, dat hij hem de keus liet, waar hij den kogel, dien hij, Finck, hem nog schuldig was, wilde ontvangen, in zijn hoofd of ergens anders. De badensche jachtopziener, die bij ondervinding wist dat de strooper nooit zijn doel miste, stond daar, ter dood verschrikt... “Kom aan, neen!” voer Finck voort, “ik zal u niet dooden. Maar vergeet niet dat ik uw leven in mijne hand heb gehad.”—En zonder de dankbetuiging van den opziener af te wachten, verwijderde de strooper zich. Later zijn beiden goede vrienden geworden: volgens booze tongen zelfs zoo goed, dat zij voor gezamenlijke rekening stroopten.Al was ons bezoek bij Schutzenberger onverwacht, de ontvangst was er niet minder hartelijk om. De jagers lagen nog in bed; terwijl zij zich gereed maakten om op te staan, namen wij een kijkje voor het venster. O ramp! het is eensklaps gedaan met het mooie weer: de lucht is geheel betrokken.Terwijl onze vrienden zich aankleeden, regent het reeds vrij hard. En nog geen uur geleden, verzekerde vader Finck ons dat de zon den geheelen dag schijnen zou! Wij vertrouwden op zijn woord en rekenden op zijne weerkennis. Immers, een inboorling van de eilanden in den Rijn, die zijn leven lang in de buitenlucht heeft verkeerd, die vijftig jaren achtereen het beroep van visscher en strooper heeft uitgeoefend, zoo iemand dient toch de voorteekenen van goed of slecht weer te kunnen onderscheiden! Nu, als ware hij een almanak, antwoordt hij, dat het best mogelijk den geheelen dag kan regenen. Natuurlijk, als het geen mooi weer is, zal het wel regenen! Maar, als om den spot te drijven met den profeet, keert de wind en de regen houdt op. Na verloop van eenige oogenblikken schijnt de zon weer zoo helder als ooit. Na een landelijk ontbijt gebruikt te hebben, gaan Schutzenberger en de andere heeren op de patrijzenjacht, om voor het diner te zorgen. Lix en ik gaan met den zoon van Finck een watertochtje op den rivierarm maken, vooral met het doel om te teekenen en te schetsen.Hoe heerlijk is toch zulk een watertochtje, onder den lommer der overhangende takken. Op dezen grillig kronkelenden voormaligen arm van den Rijn behoeven wij niet eens de riemen te gebruiken; met een eenvoudigen boom kan onze schipper aan de boot de gewenschte richting en beweging geven. Bij de villa Finck verheft zich de oever ter hoogte van drie el boven het kristalheldere water, rustig kabbelend over eene bedding van fijn kiezelzand. Verscheidene bootjes liggen hier aan den oever, voorzien van teenen korven, waarin de visch geborgen wordt. Langs den oever staan oude knoestige wilgen naast kleine knotwilgen, beiden nog prijkende in den dos hunner grijsachtig zilveren bladeren. Op den achtergrond breiden krachtvolle eiken hunne zware takken over het kreupelhout uit. Het hooge geboomte en het lage hout, doornstruiken en heesters, het heldere water, de weilanden en akkers—wat bieden ze een rijkdom van telkens afwisselende gezichten. Voeg daarbij de volmaakte kalmte, de vredige stilte en rust, een zeker geheimzinnig iets, dat onwillekeurig tot ernst stemt en zoo weldadig aandoet.—De Rijn is voor het oogenblik laag. In den vroegeren arm der rivier, waarop wij zachtkens voortglijden tusschen beurtelings kale en boschrijke oevers, nu eens in den vollen zonneschijn, dan wegduikende in den half doorzichtigen lommer, is de stroom vrij zwak. Somwijlen nemen riet en biezen de plaats in der boomen: hun vezelige wortels bedekken de hellingen en zweven boven het gedaalde water.Na een half uur gevaren te hebben komen wij aan de uitmonding van dezen arm, die nog niet geheel van den genormaliseerden Rijn is afgesloten. Dit is op meer plaatsen het geval, maar die openingen verminderen van jaar tot jaar, en binnen een niet al te langen tijd zal de geheele Rijn ter wederzijde met eene bijna onafgebroken doorloopende kaai of oeverbekleeding zijn voorzien.—Terwijl mijn vriend Lix eene schets maakt van de dijk- en oeverwerken, ga ik bij de hoeve van Altenheim, tegenover het nieuwe fort, aan wal. Men is daar bezig eene nieuwe dijkwachterswoning te bouwen. Daar de stand van den Rijn op dit oogenblik vrij laag is, zijn hier en daar de kiezelplaten ook weder zichtbaar. Op een dezer platen is een geheele zwerm van kievitten, minstens vijftig in getal, neergestreken: zij verzamelen zich daar voor de verhuizing naar zuidelijker klimaat, warrelen door elkaar en zwieren nu en dan boven de rivier. Een andermaal hoop ik over de fauna van de Rijnoevers te spreken.De zon steekt vinnig, als broeide er een onweder; ik beklim den bandijk, die hier dicht langs den genormaliseerden oever loopt en dicht bij het fort Altenheim wordt afgebroken door een breed kanaal, dat door eene sluis met den Rijn in gemeenschap staat. Te midden van het groen teekenen zich hier en daar de witte muren van eenige verspreide boerenwoningen. Aan den oever teruggekeerd, vind ik Lix, die zijne schets voltooid heeft, waarna wij weder in de boot plaats nemen.De hemel, die eenige uren helder is geweest, is op nieuw met wolken overdekt: het dondert reeds in de verte, en weldra valt de regen bij stroomen neder. Doornat nemen wij afscheid van Schutzenberger, ten einde over Breisach naar den Rijn terug te keeren.—De volgende morgen vindt ons dan ook in een char-à-bancs op den grooten weg tusschen Neu-Breisach en Geiswasser. Overal langs den weg zijn nog de sporen zichtbaar van den geweldigen orkaan, die den 16denJuli van het vorige jaar hier heeft gewoed. Een aantal boomen liggen tegen den grond, hetzij ontworteld, hetzij halverwege den stam afgebroken. Zoo groot was de kracht van den wind, dat het te veld staande koren letterlijk werd gedorscht en het graan uit de halmen weggedreven. Daken werden weggeslagen, en eene geduchte hoos vernielde op haar weg alle gewassen en een goed deel van den oogst.Niet ver van Ober-Saasheim wordt onze aandacht getrokken door een afgebranden molen naast een uitgedroogd kanaal. De voortgaande verdieping van het bed van den Rijn, tengevolge van de verbeteringswerken, is oorzaak dat gaandeweg de toevoerkanalen naar de molens droog loopen, waardoor de molenaars hunne broodwinning verliezen. Dit is eene zeer ernstige schaduwzijde van een overigens zoo nuttig werk, waardoor het algemeen belang ongetwijfeld gebaat wordt. Achter den afgebranden en verlaten molen verrijst het prachtige bosch met zijn hoogstammig geboomte en rijk geschakeerden groenen dos. Midden door het bosch brengt een zijpad ons in weinige oogenblikken naar Geiswasser.—Daar bevinden wij ons weer binnen de grenzen van het gebied der eilanden.—Geiswasser is in het najaar een allerbevalligst dorp, wegschuilende tusschen het groen, zonder eigenlijke straten, dicht bij den Rijn, en toch door den bandijk tegen overstrooming beveiligd. De huisjes staan in schilderachtige wanorde overal verspreid: ieder bouwt zich zijne woning waar en zoo als hij verkiest, zonder zich in het minst om regelmaatof rooilijn te bekommeren. De meesten zijn omringd van een boomgaard met een schat van vruchtboomen, door groenende hagen omsloten. De dorpelingen bebouwen hun akkers, visschen in de oude rivierarmen of werken aan de dijken, wanneer die herstelling behoeven. In het voorbijgaan werpen wij door een openstaand venster een blik in een dier eenvoudige, echt landelijke woningen: de familie staat gereed aan tafel te gaan, en naar vroom gebruik spreekt de eerwaardige vader des gezins hetBenedicite, het gebed voor het eten.Stadhuis te Eusisheim.Stadhuis te Eusisheim.Wij slaan al wandelend de onophoudelijke afwisselingen in het landschap gade. Straks dwaalden onze blikken over de ruime, wijde vlakte, aan den horizon begrensd door eene lijn van bosschen, waarboven zich in de verte de schemerende top van den Kayserstuhl verhief.—Merk nu op dit breede water, nog altijd eene vertakking van den vroegeren Rijn, op sommige plaatsen zeer diep, terwijl ge het op andere punten met baggerlaarzen aan kunt doorwaden. Hier en daar verdwijnt het water schier geheel onder riet en biezen; elders vloeit het met nauw hoorbaar murmelen over fijn kiezelzand, terwijl van achter de boomen op naburige eilandjes, het plechtstatig ruischen van den koninklijken stroom ons in de ooren klinkt.Het water is buitengewoon doorschijnend, helder als kristal: nu althans, nu de Rijn laag is. Witte kiezelplaten, hier en daar uit het water oprijzende, steken scherp af tegen het donkergroen der boomen, waarboven zich weder de schemerende omtrekken van den Kayserstuhl teekenen. De boomen op de aan overstrooming blootgestelde uiterwaarden zijn voornamelijk wilgen, olmen, elzen, die met doornstruiken en lage heesters vermengd een schier ondoordringbaar kreupelbosch vormen, waarin de wilde zwijnen hun leger hebben. Bij den oever ziet men sierlijke groepen van populieren, afgewisseld met eiken en ahornboomen. Om de hoogste stammen slingeren zich verschillende woekerplanten, zoo als de wilde hop en anderen, die met haar grillige slingers en bloemen de takken omranken. In het diepe gedeelte van de kil liggen twee schuiten aan den oever gemeerd: eene schilderachtige stoffage te midden van dit herfstlandschap, beschenen door het kalme, stemmige licht van de dalende najaarszon.Landlieden van de Rijnoevers.Landlieden van de Rijnoevers.Even als in de geheele eilandenstreek, vindt men ook hier enkele verstrooide boerenwoningen, die elk een eigen naam dragen.—Niet verre van Geiswasser ligt, midden in het lommer, een dorpje met den dichterlijken naam van Vogelgrün, waarvan de aardige huisjes wegkruipertje schijnen te spelen tusschen tuinen en boomgaarden. De minste huisjes veroorloven zich de weelde van eene bovenverdieping; maar allen hebben een eigen tuin, door eene bloeiende haag of soms ook door een muur van groote roode keien omringd. Te Biesheim, een grooter dorp voorbij Neu-Breisach, op den weg naar den Rijn, wonen een aantal Joden, die handel drijven in vee en in allerlei andere zaken, ook in huizen en land. Eene buurt van dit dorp ligt aan de Giessen, een ouden arm van den Rijn, die nog vrij diep is en beroemd om zijn smakelijke visch en zijne kreeften. Even voor dat ge te Biesheim komt, ziet ge op een kruispunt van den weg het monument ter eere van den generaal Beaupuy. Het is een cenotaphium, in antieken stijl, maar tamelijk plomp, evenals het monument van Desaix, bij de brug van Kehl. De generaal de Beauchartie de Beaupuy werd den 19denOctober 1796, nabij Emmendingen, op badensch grondgebied, gedood, bij de verdediging van den bergpas van het Höllenthal, tijdens den terugtocht van Moreau. Op dit gedeelte van den weg heeft men een allerschilderachtigst gezicht op Alt-Breisach, zoo schoon gelegen op zijn dubbelen vulkanischen heuvel, waarvan de eene zijde geheel met wijnbergen is bekleed, terwijl op den hoogsten top de oude eerwaardige kerk troont.Wij zouden nog lang kunnen ronddwalen op deze eilanden en uiterwaarden, die vooral in dezen tijd des jaars, nu de herfst het landschap met zijne rijke kleuren en tinten begint te tooien, eene zoo eigenaardige schoonheid en bekoorlijkheid bezitten; maar wij mogen hier niet langer toeven. Den wandelstaf ter hand genomen, naar elders heen.XXIDe onvruchtbare streek tusschen den Rijn en de Ill, zich uitstrekkende van de heuvels van de Sundgau tot aan de Ried, anders gezegd van Blotzheim en Huningen tot aan de grensscheiding tusschen den Opper- en den Neder-Elzas, draagt den algemeenen naam van de Hart of het Hartwald. In het oud-duitsch beteekent Hart, ook Haardt of Harth gespeld, een bosch of eene boschrijke streek; het woord komt in de samenstelling van verschillende plaatsnamen voor. Op vele plaatsen echter heeft de naam het bosch zelf overleefd; de aanwas der bevolking en de behoefte aan beter verzekerd levensonderhoud dan de jacht kon opleveren, heeft gaandeweg geleid tot het uitroeien der bosschen en de ontginning van alle gronden, die maar eenigszins voor meer winstgevende bebouwing geschikt waren. Zonder op te klimmen tot den tijd, toen de romeinsche heirweg van Augusta Rauracorum naar Argentoratum, langs den Rijn en de Ill, midden door een dubbelen gordel van wouden liep, weten wij dat de Hart van de Sundgau nog in de elfde eeuw uit een onafgebroken bosch bestond, zich uitstrekkende van Bazel tot Blodelsheim en Ruocheim, over eene lengte van acht en eene breedte van twee mijlen. Op de kaart van Daniel Speckle, in 1576 uitgegeven, beslaan de bosschen van de Sundgau, in de streek van de Hart, ook eene veel grootere oppervlakte dan tegenwoordig. Tegen eene geringe betaling verkregen de bewoners der omliggende dorpen van de landheeren de vergunning om den grond te ontginnen: nu slonk weldra het bosch aan alle kanten, en niet zelden wisten de bezitters der aldus ontgonnen gronden, die eigenlijk deel uitmaakten van het landsheerlijk domein, zich als eigenaars te doen erkennen, zij het ook maar krachtens langdurig bezit en overgang van het eene geslacht op het andere. Om een einde te maken aan deze schending van de domaniale bosschen, gelastte koning Lodewijk XV, in den jare 1768, de afbakening der grenzen van de Hart, beslaande ongeveer een-en-dertigduizend bunders, die over de geheele lengte niet meer dan een vierde mijl van den Rijn verwijderd is. De koninklijke ordonnantie spreekt van dit woud, als van “een van de kostbaarte domeinen der kroon, zoowel wat betreft de jaarlijksche opbrengst, als ten opzichte van de voordeelen, die het op kan leveren, hetzij voor de proviandeering van een aantal vestingen in de nabijheid, hetzij om te voorzien in de behoeften des legers in oorlogstijd”.Tegenwoordig vormt het Hartwald nog een aaneengesloten geheel ter oppervlakte van omstreeks veertienduizend hektaren, bij eene lengte van twee-en-dertig kilometers en eene breedte afwisselende tusschen de twee en twaalf. Ongeveer halverwege de lengte wordt het woud doorsneden door het Rijn-Rhône-kanaal, in de richting van het noorden naar het zuiden, tusschen Munchhausen en het Napoleonseiland, van waar zich een zijtak naar Huningen richt. Het woud grenst aan het rechtsgebied van niet minder dan drie-en-twintig gemeenten, waarvan de bebouwbare gronden langs denzoom van het bosch den gemeenschappelijken naam van Hartfeld dragen. De plattelandsbevolking bestempelt met den naam van Hart de beide kantons Ensisheim en Habsheim in hun geheel, en een deel der kantons Landser en Huningen, waartoe de verschillende gemeenten behooren. Het Kastenwald, naar den kant van Breisach, en andere, minder uitgestrekte in die streek verspreide bosschen, zijn nog overblijfselen van het oude oorspronkelijke Hartwald, die voor ontginning en bebouwing niet geschikt schijnen.—De bosschen van de Hart doen in schoonheid verre onder voor het woud van Hageman en vooral voor de wouden der bergen; zij bestaan hoofdzakelijk uit hakhout van eiken en hagebeuken. In het begin van de vorige eeuw werd het hout om de twee-en-vijftig jaren geveld en verkocht; de hak geschiedde bij partijen van zeshonderd bunders. Tegenwoordig laat men de boomen niet langer dan vijf-en-dertig jaren staan: het gevolg daarvan is, dat het jonge hakhout meer en meer de overhand krijgt en het woud alle karakter verliest. Op verschillende plaatsen, waar het jonge plantsoen niet is opgekomen of het weder inplanten is verzuimd, worden de omgehakte boomen vervangen door welig kreupelhout en struikgewas, dat soms eene hoogte van acht tot tien el bereikt. En daar, waar de eiken zich ter hoogte van eenige ellen boven het hakhout verheffen, wekken die eiken, door hun ziekelijk voorkomen, het aantal doode takken en het schraal gebladerte, veelmeer medelijden dan bewondering. Als die ongelukkige boomen niet tijdig worden geveld, dan beginnen zij in het hart te rotten en verliest het hout voor een goed deel zijne waarde. Misschien ware het raadzaam, hier van het kweeken van eiken af te zien, om zich te bepalen tot het hakhout van hagebeuken; maar de streken, waar de wijnbouw gedreven wordt, vragen van de Hart den noodigen voorraad van eikenhouten staketsels, en om de exploitatie van het bosch zoo voordeelig mogelijk te maken, moet met deze eischen rekening worden gehouden.Een truffelzoeker.Een truffelzoeker.Waarom groeien de eiken in de Hart- en in het Kastenwald niet zoo goed als elders? Om de eenvoudige reden dat zij uit den schralen, mageren grond geen voldoend voedsel kunnen ontleenen om hun vollen wasdom te bereiken en lang te leven. Op een zekeren leeftijd gekomen, wordt de verdere ontwikkeling der wortels gestuit door de keisteenen, die tot eene vaste, samenhangende massa vereenigd zijn en waar de wortels niet kunnen doordringen. De teelaarde aan de oppervlakte is niet meer dan eene dunne laag, waarin ook de noodige vochtigheid ontbreekt, en die voor bebouwing ongeschikt is. Men heeft het denkbeeld geopperd om het grootste gedeelte van het woud in weiland te herscheppen; maar zoo dit plan eenmaal verwezenlijkt mocht worden, zouden daar toch geene goede uitkomsten van te wachten zijn. Veeleer zou men de ontginningen, die reeds te veel uitbreiding gekregen hebben, moeten staken, en een gedeelte van het thans voor den graanbouw gebruikte land weer met hout beplanten, of althans, met behulp van bevloeiing uit den Rijn, in weiland herscheppen. Een bezoek in eene boerderij van de Hart is voldoende om ieder deskundige hiervan te overtuigen.Ondanks zijne dorheid en zijn schralen plantengroei heeft het Hartwald, gedurende de laatste tien jaren van het fransche bestuur, aan de schatkist een jaarlijksch inkomen opgeleverd van een half millioen francs, ongerekend het doode hout, dat aan de arme gezinnen in de omliggende dorpen wordt gegeven. Voorts beschermt het woud de stad Mülhausen en de omliggende vlakte tegen de schrale en koude noord-oosten winden; terwijl eindelijk de truffels, die op open plekken rondom de eiken groeien, eene gezochte lekkernij zijn voor de liefhebbers.Gedurende de maanden September en October houden de bewoners der dorpen van de Hart zich ijverig bezig met het zoeken van truffels. Daar het verboden is met varkens in het bosch te komen, richten de truffelzoekers honden af, om hen bij hunne nasporingen behulpzaam te zijn. Om de scherpte en fijnheid van hun reukorgaan ongeschonden te bewaren, houdt men die honden opgesloten tot de tijd voor het inzamelen der truffels gekomen is. Bij voorkeur worden poedels en mopshonden voor dit werk gebruikt; zij toonen daarbij veeloverleg en ijver, en hebben dit voor boven de varkens, dat zij de opgegraven truffels niet opeten.—De truffels van de Hart zijn minder geurig en bleeker van kleur dan die uit het zuiden van Frankrijk. De onderscheidene soorten verschillen aanmerkelijk in waarde en ook in prijs; naar het oordeel der gastronomen zijn die uit de eikenbosschen van den Opper-Elzas de besten.Raadzaal in het stadhuis te Ensisheim.Raadzaal in het stadhuis te Ensisheim.XXIINiet ver van de Hart, aan de oevers van de Ill, ligt Ensisheim, een klein landstadje, weleer de zetel van de oostenrijksche regeering en later van den souvereinen raad van den Elzas, tegenwoordig slechts de nederige hoofdplaats van een kanton. Daar ontmoeten elkander ook alle boosdoeners van het rijksland, in de centrale strafgevangenis. Op eene bevolking van drieduizend-tweehonderd-zes inwoners, volgens de volkstelling van 1 December 1880, waren er toen zeven-en-zeventig militairen en achthonderd veroordeelden, hetzij tot dwangarbeid, hetzij enkel tot hechtenis. In den loop van het vorige jaar (1885) werden in de centrale strafgevangenis tweehonderd-zeven-en-veertig veroordeelden opgenomen, en werden tweehonderd-acht-en-dertig ontslagen. Sedert November 1884 worden te Ensisheim alleen diegenen opgenomen, wier straftijd meer dan drie jaren bedraagt. Zij die tot een hechtenis van minder dan drie jaren zijn veroordeeld, zullen voortaan hunne straf moeten ondergaan in een der zes departementale gevangenissen te Straatsburg, Zabern, Colmar, Mulhausen, Metz of Saargemund, naar gelang zij door een der aldaar zetelende gerechtshoven zijn veroordeeld.Wie het oude stedeke nadert, ziet het eerst, half verborgen door wingerden en tuinen, de overblijfselen van eene dubbele versterkte omwalling, met breede grachten en torens. Langs den voet der muren, die gedeeltelijk zijn ingestort en nergens meer hunne oorspronkelijke hoogte bereiken, vloeit het kanaal van Quatelbach, dat door het water van de Ill gevoed wordt. Het bed zelf van de Ill ligt droog, althans op het oogenblik, even als het kanaal van de Twaalf-Molens, dat zijn water van de Thur ontvangt. Van de oude wallen, en nog beter van den toren der parochiekerk, heeft men een heerlijk uitzicht, zoowel op de keten der Vogesen als op de bergen van het Schwarzwald. In de voornaamste straat van het stadje, in de nabijheid van het raadhuis, wordt de aandacht getrokken door een aantal antieke huizen, zoowel in gothischen als in duitschen renaissance-stijl. Vele van die burgerwoningen zijn versierd met bevallige torentjes en erkers, zoo als de brouwerij Schmidt en het logement de Kroon. De erker van genoemd logement, waar Turenne daags vóór den veldslag bij Turckheim zijn intrek nam, rust op eene kegelvormige halve kolom, tegen den voorgevel aangebracht. De beide verdiepingen van den voorgevelhebben gothische vensters, en boven den hoofdingang staat het jaartalMDCIXgebeiteld. Onder den erker van de brouwerij Schmidt, vroeger de kommanderij van Sint-Jan, uit het begin der zestiende eeuw en in gothischen stijl gebouwd, ziet men twee medaillons met de beeltenissen van den Keizer en den Roomsch-Koning. Nog andere huizen prijken met erkers en torentjes met wenteltrappen en kruisramen met houtsnijwerk. Overal verrijzen hooge puntgevels in menigte. De ruime parochiekerk is modern en alles behalve soliede gebouwd.

Een kreeftenvisscher.Een kreeftenvisscher.

Een kreeftenvisscher.

Een kreeftenvisscher.

Bazel is gebouwd op een kiezelbank, bestaande uit keien gelijk aan die welke de Rijn medevoert, en waarvan het hoogste punt op vijf-en-zestig meters boven den tegenwoordigen middelbaren waterstand ligt. Deze kiezelbank verdeelt zich in en bij de stad in terrassen, die amphitheatersgewijze, soms met vrij steile hellingen, naar de rivier afdalen, en zich op regelmatige afstanden langs de beide oevers uitstrekken, tot ongeveer op de hoogte van Alt-Breisach.

Boven de oude kiezel van deze terrassen vindt men, over groote uitgestrektheden, maar in zeer ongelijke dikte, de slib of klei, waaruit de vruchtbaarste velden in de vlakte van den Elzas bestaan. Deze slib, geheel verschillende van de mergelhoudende slib welke de rivier thans achterlaat, is vermoedelijk aangevoerd door het water, dat uit den ouden Rijngletscher stroomde, toen deze zich nog tot in de omstreken van Bazel uitstrekte. De Rijn moet destijds een veel vermogender rivier zijn geweest dan tegenwoordig: anders had hij onmogelijk tot op zoo verren afstand die massa’s slib kunnen medevoeren, waarvan de dikte op sommige punten vijftig meters bedraagt. Nog heden is de stroom ter hoogte van Bazel zoo sterk, dat de rivier keisteenen ter zwaarte van vijf-en-twintig pond en meer medevoert.

Tusschen de beide natuurlijke terrassen of hooge gronden, die zich beneden Bazel langs de rivier uitstrekken, begrenzen de wederzijdsche bandijken eene vlakte van drie tot zes kilometers breed, die bij hoog water nog wordt overstroomd, en waardoorde Rijn vroeger zijn loop nam in eene telkens wisselende, door tallooze kanalen doorsneden bedding. Van afstand tot afstand ziet men nog, twee of drie mijlen van den tegenwoordigen thalweg verwijderd, kommen en killen, overblijfselen van oude riviertakken, voor het meerendeel thans van den hoofdstroom afgesloten: zij vormen de thans oneigenlijk zoo genoemde eilanden van den Rijn. Bosschen en kreupelhout, akkers en weilanden, onder den naam vanriedengrünbekend, volgen hier in bonte afwisseling op elkander: een waar paradijs voor de jagers. Zonder de kunstmatige normalisering van het rivierbed en de daarmede in verband staande bedijking, zou men ook nu nog kunnen zien gebeuren, wat vroeger herhaaldelijk plaats greep, dat de rivier bij overstrooming hare bedding verlegde. Zoo werd in 1570 het dorp Neuburg, bij Germersheim, van den rechter- naar den linkeroever verplaatst; zoo werd nog in het begin dezer eeuw het riviertje de Moder, bij Hagenau, gedwongen om zijn loop met omstreeks twintig mijlen te verlengen, ten einde den Rijn, nabij Fort-Louis, te bereiken. Hieruit blijkt, hoe moeilijk in den romeinschen tijd en in de middeleeuwen vaak de toegang tot de rivier was, en hoeveel strategisch gewicht werd gehecht aan die punten, waar het water van den Rijn in eene scherp begrensde bedding vloeide en dus de overtocht gemakkelijk viel.

Op de killen.Op de killen.

Op de killen.

Op de killen.

Daar waar de dus genoemde thalweg—dat is, de lijn van de grootste diepte—den oever raakt, bedraagt de diepte thans, gedurende het geheele jaar, minstens zes el beneden het nulpunt der peilschaal, overeenkomende met middelbaren waterstand. Op de ondiepten tusschen de kiezelbanken staat niet meer dan een el water en vaak nog minder. De pontons van de schipbruggen te Kehl en te Breisach rusten des winters dikwijls op de kiezel, in plaats van te drijven. Telken jare worden door de ingenieurs, met de werken van den Rijn belast, die banken opgenomen en de ondiepten gepeild. Deze ondiepten zijn eene zeer wezenlijke belemmering voor de scheepvaart, die zich niet ontwikkelen kan, zoolang het bed der rivier niet zal zijn gezuiverd en de banken en ondiepten weggeruimd.

In de maand Februari begint de rivier te wassen. Deze aanvankelijk zeer geringe was houdt weder op in Maart, welke maand in onze streken doorgaans zeer droog is; te beginnen met April gaat de was echter sneller, om haar toppunt te bereiken in Juni. In Juli begint het water weder te zakken; de sterkste daling heeft plaats in de maand September. Natuurlijk komen er in de verschillende jaren meer of minder sterke afwijkingen voor, naar gelang het jaar droger of regenachtiger is.—Zoo als ik reeds zeide, nemen de ingenieurs telkenjare de ligging en de gesteldheid der kiezelbanken op, die het bed van den Rijn versperren. Bij hoog water worden die banken of platen overstroomd; als het water zakt, komen zij weer boven. Tusschen Lauterburg en Straatsburg telt men niet minder dan drie-en-zestig van zulke platen; boven Straatsburg tot Bazel is haar aantal vooral niet minder. Ten gevolge van de verplaatsing van de kiezel bij hoog opperwater en sterken stroom, ondergaan die platen gedurige verandering, waarmede de schippers op den Rijn rekening hebben te houden.

Deze kiezelplaten in den Rijn, die ook voor de zalmvisscherij benuttigd worden, verschaffen mede bezigheid aan de goudzoekers. Een charter van het jaar 667, door een hertog van den Elzas, Etichon genoemd, verleend, geeft reeds aan een klooster het recht om goud te wasschen. Nog in de laatste tijden leverden de goudzoekers uit den Elzas en uit Baden jaarlijks aan de munt te Karlsruhe voor de waarde van veertig à vijftigduizend francs van het kostbare metaal. Men vindt dit goud vooral op de kiezelplaten, met zand vermengd. Maar de arme lieden, die het zoeken, verdienen zoo weinig met dien arbeid, dat zij daartoe alleen hunne toevlucht nemen als zij niets anders te doen hebben. Het goud komt niet voor in de gedaante van groote of kleine korrels, maar van zeer dunne loovertjes, die ter nauwernood een millimeter groot zijn. Doorgaans bevatten tienduizend pond kiezel niet meer dan zes grammen goud. Een hoop kiezel van tien kubiek meters levert bij de wassching niet meer op dan twee en een half gram goud. Gedurende de beste jaren ontving de munt te Karlsruhe van twaalf tot vijftien pond, vertegenwoordigende vier vijfden van de geheele produktie langs den loop der rivier van Bazel tot Philipsburg. Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat een goudzoeker nog geen twee francs per dag verdient, dan zal men lichtelijk begrijpen dat een zoo weinig winstgevend bedrijf al meer en meer verwaarloosd wordt. Het is veel voordeeliger zich als dijkwerker te verhuren of in de fabrieken te arbeiden, dan langs den Rijn goud te zoeken.

Voor de uitoefening van dat bedrijf heeft de goudzoeker overigens niet veel gereedschap noodig. Het goudwasschen geschiedt tegenwoordig op vrij wel dezelfde manier, die Heberer, in 1582, te Seltz in praktijk zag brengen. Met een ijzeren schop voorzien, schept de goudzoeker eenige ponden kiezel op en schudt die in het water heen en weer, ze tevens oppervlakkig onderzoekende. Na de groote keien verwijderd te hebben, maakt hij eene beweging met de schop, zoodat het lichte zand door het water wordt medegespoeld. Vervolgens worden ook de kleine steentjes verwijderd. Na nog eenige bewegingen met de schop, houdt hij niets over dan zwart zand, dat eene groote hoeveelheid met titanium verbonden ijzer bevat, en waarin een geoefend oog al spoedig de verborgen goudloovertjes ontdekt. Als hij met iedere schop meer dan een dozijn loovertjes verkrijgt, heeft hij kans meer dan een franc per dag te verdienen. Na aldus eene zekere hoeveelheid zand verzameld te hebben, begint de operatie van het wasschen. Daartoe gebruikt hij eene twee el lange en een el breede schuine plank, die met een stuk grove wollen stof is bekleed, en aan welker boveneinde een soort van teenen horde is aangebracht, waarvan de traliën twee duim tusschenruimte hebben. Het kiezel wordt nu tegen die horde gelegd en vervolgens met water begoten: het zand en de nog overgebleven kleine steentjes worden door het afstroomende water medegevoerd, terwijl de goudloovertjes en het fijne zand in de wol blijven vastzitten. Het wollen kleed wordt nu van tijd tot tijd in eene tobbe uitgespoeld; en het op den bodem achtergebleven zand naar huis medegenomen om daar eene laatste zuivering te ondergaan. Ge ziet, het kost moeite genoeg, een weinig goud machtig te worden.

Twee malen ben ik, te beginnen van Bazel, den Rijn afgevaren: eens met de ingenieurs, aan wie de uitvoering der rivierwerken isopgedragen, en eens in gezelschap van de leden van onzen provincialen landdag, die zich door eigen aanschouwing van den stand der werken wenschten te vergewissen.

Bij den laatsten tocht was het bij uitnemendheid mooi weer met prachtigen zonneschijn. En de tocht was inderdaad een soort van triomftocht: overal werden wij met gejuich, met kanon- en geweerschoten ontvangen; steden en dorpen waren met vlaggen en groen versierd; overal werd ons de eerewijn aangeboden, en de heeren zelven waren in de beste en vroolijkste stemming. De vergadering was bijna kompleet, evenzoo als de regeeringscommissarissen. Slechts enkelen ontbraken, die tegen zulk eene vaart, met het oog op hunne gezondheid of hun gestel, meenden bezwaar te moeten maken. Daar gaat op den Rijn, zoo als men weet, een zeer snelle en sterke, bij wijlen zelfs een zeer hevige stroom; en al is iemand volksvertegenwoordiger, kan het hem toch overkomen, dat hij zich op het water minder op zijn gemak gevoelt.

Maar liever dan u een officieel proces-verbaal aan te bieden van de stroombevaring door de leden van den landdag, wil ik u eenvoudig het verhaal doen van mijn eerste tochtje op de rivier met de ingenieurs. Op dien dag—het was Vrijdag, 28 September 1882—was het weer veel minder mooi: de hemel was grauw en donker en het regende hard. De hoog gezwollen wateren kookten en bruisten onder de oude brug te Bazel. Vader Rijn was blijkbaar niet in zijn humeur en scheen ons toe te roepen: “Vandaag niet! Komt mij een anderen dag bezoeken: ik ben nu niet te spreken.” Te spreken of niet, wij zijn in het schuitje en kunnen niet meer terug. Vader Rijn moet het nu maar voor lief nemen. In woeste snelle vaart voeren de voortgejaagde golven ons mede: eer wij het weten, varen wij onder de brug van Huningen door. Bazel verdwijnt welhaast uit het gezicht, met zijne torens en hooge oevers. Beneden de stad verheffen zich langs de rivier eenige fabrieken van chemischestoffen, met haar leelijke schoorsteenen, die ons hun rook en roet nazenden: even onaangenaam voor den reuk als het vuile water en de verwerkte stoffen dier fabrieken, die in den Rijn uitstroomen, verderfelijk zijn voor de zalmteelt.

Dicht bij de schipbrug van Huningen verbindt een ijzeren brug de badensche spoorwegen met het spoorwegnet van Elzas-Lotharingen; deze verbinding heeft voornamelijk een strategisch doel: zij moet namelijk de beweging mogelijk maken van troepen, die uit Zwaben en Wurtemberg komen, zonder het neutrale grondgebied van Zwitserland te schenden. Dicht bij de brug ziet men ook den mond van het kanaal, dat den Rijn met de Rhône verbindt; vlotvoerders zijn bezig met houtvlotten, uit Zwitserland en het Schwarzwald afkomstig, binnen het kanaal te sturen. De pontons van de schipbrug zijn gedeeltelijk van hout, gedeeltelijk van zink; maar deze laatsten, die moeilijk te herstellen zijn, verdienen geene aanbeveling. Naast de brug staat een magazijn, waarin de noodige materialen voor herstellingen worden geborgen. Ten einde in geval van snellen was of hoog opperwater tijdig te kunnen waarschuwen, heeft men eene telegraaflijn aangelegd, waardoor de bureaux van de ingenieurs te Colmar en te Straatsburg in rechtstreeksche verbinding staan met de brug- en dijkwachters, die onderling telefonisch verbonden zijn. Minder goed geregeld is de dijkverdediging door de oeverbewoners, wanneer er gevaar is voor doorbraak; het ware zeer wenschelijk, dat de regeering zich die zaak aantrok en eene behoorlijke organisatie met een vast personeel invoerde.

Een paalregel, uit houten en ijzeren palen samengesteld en die in schuine lijn, van het midden der schipbrug, in de richting van den linker oever loopt, beschermt de pontons tegen het geweld van den stroom, wanneer bij hoog water de brug moet worden weggenomen. Ook de houtvlotten zoeken vaak in deze soort van haven eene wijkplaats. Hier verlaten wij het bootje, waarmede wij van Bazel zijn gekomen, om over te gaan in de gouvernementsboot voor den dienst der rivierwerken. Deze boot, die met vier roeiers is bemand, heeft in het midden een overdekte kajuit, waar wij althans voor regen en zonneschijn veilig zijn. De regen heeft trouwens voor het oogenblik opgehouden, maar de lucht blijft betrokken. Veel liever hadden wij helder en warm weer gehad: doch daar is niets aan te doen, en pruttelen maakt de zaak niet beter.

Terwijl de boot met groote snelheid door het water glijdt, hooren wij in onze onmiddellijke nabijheid een zonderling geluid, het best tevergelijkenbij het kletteren van hagel tegen de ruiten. Een der ingenieurs deelde mij mede, dat dit geluid werd veroorzaakt door de beweging der steenen op de kiezelbanken. Voor het oogenblik is geen van deze platen zichtbaar: bij zulk een hoogen waterstand zijn zij allen overstroomd. Eerst later, als het water zakt, komen zij weer voor den dag, maar dan op andere plaatsen dan waar zij zich vóór den was bevonden. Die platen zijn dus in beweging, en die beweging is sneller, naarmate in den Rijn sterker stroom gaat. De wrijving en schuring van die kiezel veroorzaakt het slib, dat het water troebel maakt. Op sommige plaatsen worden de kiezelsteenen, door de kracht van den stroom, over de lage kribben en dammen heengeworpen, hoewel die minstens een el boven de kiezelplaten reiken. De normaallijnen, die een kunstmatig bed bij middelbaren rivierstand moeten vormen, zijn aangewezen door rijswerk en steenglooiingen; deze kunstmatige bedding doorsnijdt op verschillende punten den ouden thalweg. Langs de afgesneden rivierarmen zien wij bootslieden, die hunne schuiten voorttrekken; visschers maken daar, vooral bij regenachtig weer, hunne beste vangst, want dan zwemmen de visschen, door de openingen in de oeverwerken, de zijtakken in, waar zij in menigte gevangen worden. Het rijsbeslagwerk is bijna overal langs de normaallijnen aangebracht en met steen bestort; de oude zijtakken zijn op die wijze voor het meerendeel afgedamd; bij hooge waterstanden stroomt het water over die dammen heen en ontlast zich in de afgesneden killen.

Wij varen onder de brug van Rheinau door en roeien voort, nu met de zon vlak in het gezicht. Gelukkig! want bij zulk eene vaart op den Rijn is mooi weer eigenlijk een vereischte. Zonder eenige inspanning bereiken wij omstreeks vier uren in den namiddag de uitmonding van de Kraft, eigenlijk een tak van de Ill, die zich bij Erstein van deze rivier afscheidt. Twee mijlen verder ligt de fraaie hoeve Altenheimer Hof schilderachtig tusschen het geboomte. Troepen soldaten oefenen zich in het zeilen en sturen, in de nabijheid van een fort, dat onlangs aan den oever der rivier is gemaakt en waarvan niets zichtbaar is dan de met gras begroeide taluds. Slechts de punthelmen der schildwachten op den wal verkondigen u, dat wat ge daar ziet, een fort is. Niet ver van daar, op den badenschen oever, ligt een tweede fort: beiden maken deel uit van de lijn van defensie der stelling Straatsburg. Rondom het fort Altenheim sluiten bosschen den horizon af, maar de Rijn zelf opent heerlijke gezichtspunten. De rivier heeft hier eene breedte van tweehonderd-vijftig el; de kalme watervlakte wordt door geen enkele bank of plaat gebroken. De stroom is hier veel minder snel; bij wijlen schijnt de koninklijke stroom een effen meer. Eene kleine boot, vol heeren en dames, steekt vlug en licht, vlak langs ons heen, de rivier over. In de verte beurt de kathedraal van Straatsburg haar fijne torenspits in de nu helder blauwe lucht. Welk eene afwisseling van gezichten en landschappen, bij iedere kromming van de rivier! Toch valt het niet tegen te spreken, dat de rivierverbetering, hoe nuttig ook onder andere opzichten, niet aan het schilderachtige bevorderlijk is geweest: trouwens de ingenieurs-wetenschap heeft niets te maken met schoonheid. Haar ideaal is eene zooveel mogelijk rechte rivier, tusschen regelmatige, rechtlijnige oevers ingesloten; en dit ideaal is gewis een geheel ander dan dat van dichters en kunstenaars, ja ook van hen, voor wie de schoonheid der levende natuur zeer, zeer veel meer waard is dan de mooiste mathematischefiguur. Zoo was dan ook, vóór de normaliseering, de Rijn onbetwistbaar veel schooner en pittoresker. Toen vormden, bij hoog water, de verschillende vertakkingen van de rivier een majestueusen, uitgestrekten waterplas, die op sommige plaatsen eene breedte had van ettelijke mijlen. Ook nu nog biedt de rivier juist daar de schoonste gezichtspunten, waar de nog niet afgedamde zijtakken diep landwaarts indringen, te midden der statige, eeuwenheugende bosschen. Welke prachtexemplaren van eiken en ahornen vindt men nog op de voormalige eilanden, voor het meerendeel begroeid met schier ondoordringbaar kreupelhout, de geliefkoosde verblijfplaats van wilde zwijnen en fazanten. In de lagere gedeelten betwisten riet en biezen en gras de plaats aan het kreupelhout, tenzij een warnet van doornstruiken en wilde moerbeziën het geheele terrein inneme. Hier en daar vindt men, op de dichtst begroeide eilanden, nog enkele bevers, maar zij worden van jaar tot jaar zeldzamer. In het museum van natuurlijke historie te Mainz zag ik een grooten opgezetten bever, die aan den oever van Rijn gevangen was.

Een regenachtige dag.Een regenachtige dag.

Een regenachtige dag.

Een regenachtige dag.

Omstreeks vijf uren in den namiddag varen wij onder de brug van den spoorweg van Straatsburg naar Kehl, en komen even daarna aan den mond van den zoogenoemden Kleinen-Rijn, waar wij aan land gaan. Wij zijn te Straatsburg.

Een ander maal zullen wij het gedeelte van den Rijn tusschen Straatsburg en Lauterburg bevaren. Wij moeten nu eerst den stroom weer opvaren enonze wandeling voortzetten door de Sundgau en het Hartwald. Maar alvorens daarheen te gaan, kan ik den lust niet bedwingen, nog weer eens om te dolen op de eilanden in de oude rivier: laat het zijn om te teekenen en, lukt het, ook te jagen. Wie op de manier van onze moderne toeristen door een land heenvliegt, leert het immers nooit kennen; en onze schoone Elzas is het inderdaad wel waard, goed bezien en gekend te worden.

Goudzoekers aan den Rijn. (Blz. 394).Goudzoekers aan den Rijn. (Blz.394).

Goudzoekers aan den Rijn. (Blz. 394).

Goudzoekers aan den Rijn. (Blz.394).

In den vroegen morgen van den 24stenSeptember ging ik met den schilder Lix op weg naar Plobsheim, om daar onzen gemeenschappelijken vriend Louis Schutzenberger op te zoeken, die op zoo menige schilderij de natuur en het leven langs de boorden en op de eilanden van den Rijn met treffende waarheid en diep gevoel heeft weergegeven. De kunstenaar, die naar buiten was gegaan om te jagen, had voor het oogenblik zijn intrek genomen bij de villa Finck. De villa Finck, wel bekend bij alle jachtliefhebbers in Straatsburg, is eene eenvoudige visschershut, verbonden met eene tapperij. De huurders der omringende jachtterreinen hebben daarnaast een witgepleisterd huisje gebouwd, waarin ieder van de gasten, naar eigen lust en smaak, zijn nachtlogies inricht, hetzij in een hangmat, hetzij op eene eenvoudige matras. Als de regen lang aanhoudt, of als het te koud wordt, kan men zich bij het vuur warmen. Moeder Finck, de kookvrouw, heeft in haar kelder een zekeren witten wijn, waarvan de goede oude vrouw zelve wel wat druk proeft. Over het eten behoeft men zich niet bekommerd te maken: de stille wateren van de voormalige Rijntakken wemelen van visch, en het wild van allerlei soort is niet minder overvloedig. Zelfs de minst geoefende jagers kunnen zooveel wilde zwijnen en reeën, hazen, otters, dassen, eenden, kievitten, patrijzen en fazanten, snippen en pluvieren schieten, als zij maar verkiezen.

Wellicht kunnen niet al mijne lezers zich eene duidelijke voorstelling maken van de villa Finck, ook al deel ik hun mede, dat zij op vijftien mijlen afstands van Straatsburg ligt, in de gemeente Plobsheim, op een eiland in den Rijn. Welnu, verbeeld u een open plek in het bosch, ter uitgestrektheid van een bunder, aan den eenen kant besproeid door een voormaligen arm der rivier, aan de andere zijde ingenomen door het jachthuis en de visschershut; rondom die woningen een moestuin met vruchtboomen en een op latwerk rustende wingerd, waaraan donkerblauwe druiven hangen. Tegen den muur van het huis hangen een aantal fuiken; terwijl aan den waterkant een groot, op palen uitgespannen kruisnet hangt te drogen. Eenige blondharige kinderen, flink en gezond van uitzicht, barrevoets, spelen met een troepje tamme eenden, die zich voor de deur hebben verzameld, maar zoo straks weder te water zullen gaan. Een gedeelte van dit terrein behoort aan den visscher Finck, die hier woont met zijne zonen en kleinkinderen; het overige wordt bebouwd door boeren uit het naburige dorp. Een koel en lommerrijk pad voert, midden door het eikenbosch, naar Plobsheim. Hier en daar worden de eiken afgewisseld door populieren, elzen en wilgen, als ook door de heesters en struiken, die gemeenlijk op lage vochtige plaatsen groeien.

Toen wij aankwamen scheen het mooi weer. Bij ons vertrek van Straatsburg, omstreeks zes uren in den morgen, hing er een dikke nevel over de weilanden en over het water. Nu schijnt de zon helder en warm, en ondanks eenige min of meer verdachte wolken, zal de zon ook den geheelen dag blijven schijnen:—althans naar de verzekering van vader Finck, die ons zeer hartelijk ontvangen heeft en dien ik u nog moet voorstellen. Vader Finck is visscher van beroep, maar oefent daarnevens, als de gelegenheid gunstig is, ook het bedrijf van strooper uit. Hij is altijd op den uitkijk: geen schepsel kan zich boven, op, of in de wateren onder de aarde bewegen, of hij merkt het op met zijn scherpen, doordringenden, loerenden valkenblik, die altijd naar eene prooi schijnt te speuren. Naar men ons verhaalde, had die brave man eertijds een bijzonder zwak voor het wild op den badenschen oever. De hemel mag weten, hoeveel reeën en fazanten hij, zonder jachtakte of vergunning, aan den overkant van den Rijn gevangen heeft! Geen wonder dat hij nu en dan in botsing kwam met de jachtopzieners en veldwachters, die op hem loerden. Op zekeren dag of in zekeren nacht—de kroniek vermeldt niet of het feit bij zon- of bij maanlicht plaats greep,—keerde de visscher-strooper naar huis terug met een portie ganzenhagel in zeker lichaamsdeel. Zoo iets vergeet men niet licht, vooral omdat Finck wist welke jachtopziener hem die poets gebakken had. Eenigen tijd daarna lag onze vriend, wiens wonden waren geheeld, maar die even onbekeerlijk was gebleven, op de loer in de biezen. Hij zag den jachtopziener, die hem zoo goed geraakt had, zijn geweer op een zonnig plekje in het gras nederleggen, vervolgens zijne kleederen uittrekken en bij zijn geweer leggen, en eindelijk in het water afdalen. Nauwelijks was de jachtopziener in het bad, of de strooper sprong uit zijn schuilhoek te voorschijn, en maakte zich in een oogwenk meester van de kleederen en ook van het geladen geweer. Toen riep hij op spottenden toon den onthutsten jachtopziener toe, dat hij hem de keus liet, waar hij den kogel, dien hij, Finck, hem nog schuldig was, wilde ontvangen, in zijn hoofd of ergens anders. De badensche jachtopziener, die bij ondervinding wist dat de strooper nooit zijn doel miste, stond daar, ter dood verschrikt... “Kom aan, neen!” voer Finck voort, “ik zal u niet dooden. Maar vergeet niet dat ik uw leven in mijne hand heb gehad.”—En zonder de dankbetuiging van den opziener af te wachten, verwijderde de strooper zich. Later zijn beiden goede vrienden geworden: volgens booze tongen zelfs zoo goed, dat zij voor gezamenlijke rekening stroopten.

Al was ons bezoek bij Schutzenberger onverwacht, de ontvangst was er niet minder hartelijk om. De jagers lagen nog in bed; terwijl zij zich gereed maakten om op te staan, namen wij een kijkje voor het venster. O ramp! het is eensklaps gedaan met het mooie weer: de lucht is geheel betrokken.Terwijl onze vrienden zich aankleeden, regent het reeds vrij hard. En nog geen uur geleden, verzekerde vader Finck ons dat de zon den geheelen dag schijnen zou! Wij vertrouwden op zijn woord en rekenden op zijne weerkennis. Immers, een inboorling van de eilanden in den Rijn, die zijn leven lang in de buitenlucht heeft verkeerd, die vijftig jaren achtereen het beroep van visscher en strooper heeft uitgeoefend, zoo iemand dient toch de voorteekenen van goed of slecht weer te kunnen onderscheiden! Nu, als ware hij een almanak, antwoordt hij, dat het best mogelijk den geheelen dag kan regenen. Natuurlijk, als het geen mooi weer is, zal het wel regenen! Maar, als om den spot te drijven met den profeet, keert de wind en de regen houdt op. Na verloop van eenige oogenblikken schijnt de zon weer zoo helder als ooit. Na een landelijk ontbijt gebruikt te hebben, gaan Schutzenberger en de andere heeren op de patrijzenjacht, om voor het diner te zorgen. Lix en ik gaan met den zoon van Finck een watertochtje op den rivierarm maken, vooral met het doel om te teekenen en te schetsen.

Hoe heerlijk is toch zulk een watertochtje, onder den lommer der overhangende takken. Op dezen grillig kronkelenden voormaligen arm van den Rijn behoeven wij niet eens de riemen te gebruiken; met een eenvoudigen boom kan onze schipper aan de boot de gewenschte richting en beweging geven. Bij de villa Finck verheft zich de oever ter hoogte van drie el boven het kristalheldere water, rustig kabbelend over eene bedding van fijn kiezelzand. Verscheidene bootjes liggen hier aan den oever, voorzien van teenen korven, waarin de visch geborgen wordt. Langs den oever staan oude knoestige wilgen naast kleine knotwilgen, beiden nog prijkende in den dos hunner grijsachtig zilveren bladeren. Op den achtergrond breiden krachtvolle eiken hunne zware takken over het kreupelhout uit. Het hooge geboomte en het lage hout, doornstruiken en heesters, het heldere water, de weilanden en akkers—wat bieden ze een rijkdom van telkens afwisselende gezichten. Voeg daarbij de volmaakte kalmte, de vredige stilte en rust, een zeker geheimzinnig iets, dat onwillekeurig tot ernst stemt en zoo weldadig aandoet.—De Rijn is voor het oogenblik laag. In den vroegeren arm der rivier, waarop wij zachtkens voortglijden tusschen beurtelings kale en boschrijke oevers, nu eens in den vollen zonneschijn, dan wegduikende in den half doorzichtigen lommer, is de stroom vrij zwak. Somwijlen nemen riet en biezen de plaats in der boomen: hun vezelige wortels bedekken de hellingen en zweven boven het gedaalde water.

Na een half uur gevaren te hebben komen wij aan de uitmonding van dezen arm, die nog niet geheel van den genormaliseerden Rijn is afgesloten. Dit is op meer plaatsen het geval, maar die openingen verminderen van jaar tot jaar, en binnen een niet al te langen tijd zal de geheele Rijn ter wederzijde met eene bijna onafgebroken doorloopende kaai of oeverbekleeding zijn voorzien.—Terwijl mijn vriend Lix eene schets maakt van de dijk- en oeverwerken, ga ik bij de hoeve van Altenheim, tegenover het nieuwe fort, aan wal. Men is daar bezig eene nieuwe dijkwachterswoning te bouwen. Daar de stand van den Rijn op dit oogenblik vrij laag is, zijn hier en daar de kiezelplaten ook weder zichtbaar. Op een dezer platen is een geheele zwerm van kievitten, minstens vijftig in getal, neergestreken: zij verzamelen zich daar voor de verhuizing naar zuidelijker klimaat, warrelen door elkaar en zwieren nu en dan boven de rivier. Een andermaal hoop ik over de fauna van de Rijnoevers te spreken.

De zon steekt vinnig, als broeide er een onweder; ik beklim den bandijk, die hier dicht langs den genormaliseerden oever loopt en dicht bij het fort Altenheim wordt afgebroken door een breed kanaal, dat door eene sluis met den Rijn in gemeenschap staat. Te midden van het groen teekenen zich hier en daar de witte muren van eenige verspreide boerenwoningen. Aan den oever teruggekeerd, vind ik Lix, die zijne schets voltooid heeft, waarna wij weder in de boot plaats nemen.

De hemel, die eenige uren helder is geweest, is op nieuw met wolken overdekt: het dondert reeds in de verte, en weldra valt de regen bij stroomen neder. Doornat nemen wij afscheid van Schutzenberger, ten einde over Breisach naar den Rijn terug te keeren.—De volgende morgen vindt ons dan ook in een char-à-bancs op den grooten weg tusschen Neu-Breisach en Geiswasser. Overal langs den weg zijn nog de sporen zichtbaar van den geweldigen orkaan, die den 16denJuli van het vorige jaar hier heeft gewoed. Een aantal boomen liggen tegen den grond, hetzij ontworteld, hetzij halverwege den stam afgebroken. Zoo groot was de kracht van den wind, dat het te veld staande koren letterlijk werd gedorscht en het graan uit de halmen weggedreven. Daken werden weggeslagen, en eene geduchte hoos vernielde op haar weg alle gewassen en een goed deel van den oogst.

Niet ver van Ober-Saasheim wordt onze aandacht getrokken door een afgebranden molen naast een uitgedroogd kanaal. De voortgaande verdieping van het bed van den Rijn, tengevolge van de verbeteringswerken, is oorzaak dat gaandeweg de toevoerkanalen naar de molens droog loopen, waardoor de molenaars hunne broodwinning verliezen. Dit is eene zeer ernstige schaduwzijde van een overigens zoo nuttig werk, waardoor het algemeen belang ongetwijfeld gebaat wordt. Achter den afgebranden en verlaten molen verrijst het prachtige bosch met zijn hoogstammig geboomte en rijk geschakeerden groenen dos. Midden door het bosch brengt een zijpad ons in weinige oogenblikken naar Geiswasser.—Daar bevinden wij ons weer binnen de grenzen van het gebied der eilanden.—Geiswasser is in het najaar een allerbevalligst dorp, wegschuilende tusschen het groen, zonder eigenlijke straten, dicht bij den Rijn, en toch door den bandijk tegen overstrooming beveiligd. De huisjes staan in schilderachtige wanorde overal verspreid: ieder bouwt zich zijne woning waar en zoo als hij verkiest, zonder zich in het minst om regelmaatof rooilijn te bekommeren. De meesten zijn omringd van een boomgaard met een schat van vruchtboomen, door groenende hagen omsloten. De dorpelingen bebouwen hun akkers, visschen in de oude rivierarmen of werken aan de dijken, wanneer die herstelling behoeven. In het voorbijgaan werpen wij door een openstaand venster een blik in een dier eenvoudige, echt landelijke woningen: de familie staat gereed aan tafel te gaan, en naar vroom gebruik spreekt de eerwaardige vader des gezins hetBenedicite, het gebed voor het eten.

Stadhuis te Eusisheim.Stadhuis te Eusisheim.

Stadhuis te Eusisheim.

Stadhuis te Eusisheim.

Wij slaan al wandelend de onophoudelijke afwisselingen in het landschap gade. Straks dwaalden onze blikken over de ruime, wijde vlakte, aan den horizon begrensd door eene lijn van bosschen, waarboven zich in de verte de schemerende top van den Kayserstuhl verhief.—Merk nu op dit breede water, nog altijd eene vertakking van den vroegeren Rijn, op sommige plaatsen zeer diep, terwijl ge het op andere punten met baggerlaarzen aan kunt doorwaden. Hier en daar verdwijnt het water schier geheel onder riet en biezen; elders vloeit het met nauw hoorbaar murmelen over fijn kiezelzand, terwijl van achter de boomen op naburige eilandjes, het plechtstatig ruischen van den koninklijken stroom ons in de ooren klinkt.Het water is buitengewoon doorschijnend, helder als kristal: nu althans, nu de Rijn laag is. Witte kiezelplaten, hier en daar uit het water oprijzende, steken scherp af tegen het donkergroen der boomen, waarboven zich weder de schemerende omtrekken van den Kayserstuhl teekenen. De boomen op de aan overstrooming blootgestelde uiterwaarden zijn voornamelijk wilgen, olmen, elzen, die met doornstruiken en lage heesters vermengd een schier ondoordringbaar kreupelbosch vormen, waarin de wilde zwijnen hun leger hebben. Bij den oever ziet men sierlijke groepen van populieren, afgewisseld met eiken en ahornboomen. Om de hoogste stammen slingeren zich verschillende woekerplanten, zoo als de wilde hop en anderen, die met haar grillige slingers en bloemen de takken omranken. In het diepe gedeelte van de kil liggen twee schuiten aan den oever gemeerd: eene schilderachtige stoffage te midden van dit herfstlandschap, beschenen door het kalme, stemmige licht van de dalende najaarszon.

Landlieden van de Rijnoevers.Landlieden van de Rijnoevers.

Landlieden van de Rijnoevers.

Landlieden van de Rijnoevers.

Even als in de geheele eilandenstreek, vindt men ook hier enkele verstrooide boerenwoningen, die elk een eigen naam dragen.—Niet verre van Geiswasser ligt, midden in het lommer, een dorpje met den dichterlijken naam van Vogelgrün, waarvan de aardige huisjes wegkruipertje schijnen te spelen tusschen tuinen en boomgaarden. De minste huisjes veroorloven zich de weelde van eene bovenverdieping; maar allen hebben een eigen tuin, door eene bloeiende haag of soms ook door een muur van groote roode keien omringd. Te Biesheim, een grooter dorp voorbij Neu-Breisach, op den weg naar den Rijn, wonen een aantal Joden, die handel drijven in vee en in allerlei andere zaken, ook in huizen en land. Eene buurt van dit dorp ligt aan de Giessen, een ouden arm van den Rijn, die nog vrij diep is en beroemd om zijn smakelijke visch en zijne kreeften. Even voor dat ge te Biesheim komt, ziet ge op een kruispunt van den weg het monument ter eere van den generaal Beaupuy. Het is een cenotaphium, in antieken stijl, maar tamelijk plomp, evenals het monument van Desaix, bij de brug van Kehl. De generaal de Beauchartie de Beaupuy werd den 19denOctober 1796, nabij Emmendingen, op badensch grondgebied, gedood, bij de verdediging van den bergpas van het Höllenthal, tijdens den terugtocht van Moreau. Op dit gedeelte van den weg heeft men een allerschilderachtigst gezicht op Alt-Breisach, zoo schoon gelegen op zijn dubbelen vulkanischen heuvel, waarvan de eene zijde geheel met wijnbergen is bekleed, terwijl op den hoogsten top de oude eerwaardige kerk troont.

Wij zouden nog lang kunnen ronddwalen op deze eilanden en uiterwaarden, die vooral in dezen tijd des jaars, nu de herfst het landschap met zijne rijke kleuren en tinten begint te tooien, eene zoo eigenaardige schoonheid en bekoorlijkheid bezitten; maar wij mogen hier niet langer toeven. Den wandelstaf ter hand genomen, naar elders heen.

De onvruchtbare streek tusschen den Rijn en de Ill, zich uitstrekkende van de heuvels van de Sundgau tot aan de Ried, anders gezegd van Blotzheim en Huningen tot aan de grensscheiding tusschen den Opper- en den Neder-Elzas, draagt den algemeenen naam van de Hart of het Hartwald. In het oud-duitsch beteekent Hart, ook Haardt of Harth gespeld, een bosch of eene boschrijke streek; het woord komt in de samenstelling van verschillende plaatsnamen voor. Op vele plaatsen echter heeft de naam het bosch zelf overleefd; de aanwas der bevolking en de behoefte aan beter verzekerd levensonderhoud dan de jacht kon opleveren, heeft gaandeweg geleid tot het uitroeien der bosschen en de ontginning van alle gronden, die maar eenigszins voor meer winstgevende bebouwing geschikt waren. Zonder op te klimmen tot den tijd, toen de romeinsche heirweg van Augusta Rauracorum naar Argentoratum, langs den Rijn en de Ill, midden door een dubbelen gordel van wouden liep, weten wij dat de Hart van de Sundgau nog in de elfde eeuw uit een onafgebroken bosch bestond, zich uitstrekkende van Bazel tot Blodelsheim en Ruocheim, over eene lengte van acht en eene breedte van twee mijlen. Op de kaart van Daniel Speckle, in 1576 uitgegeven, beslaan de bosschen van de Sundgau, in de streek van de Hart, ook eene veel grootere oppervlakte dan tegenwoordig. Tegen eene geringe betaling verkregen de bewoners der omliggende dorpen van de landheeren de vergunning om den grond te ontginnen: nu slonk weldra het bosch aan alle kanten, en niet zelden wisten de bezitters der aldus ontgonnen gronden, die eigenlijk deel uitmaakten van het landsheerlijk domein, zich als eigenaars te doen erkennen, zij het ook maar krachtens langdurig bezit en overgang van het eene geslacht op het andere. Om een einde te maken aan deze schending van de domaniale bosschen, gelastte koning Lodewijk XV, in den jare 1768, de afbakening der grenzen van de Hart, beslaande ongeveer een-en-dertigduizend bunders, die over de geheele lengte niet meer dan een vierde mijl van den Rijn verwijderd is. De koninklijke ordonnantie spreekt van dit woud, als van “een van de kostbaarte domeinen der kroon, zoowel wat betreft de jaarlijksche opbrengst, als ten opzichte van de voordeelen, die het op kan leveren, hetzij voor de proviandeering van een aantal vestingen in de nabijheid, hetzij om te voorzien in de behoeften des legers in oorlogstijd”.

Tegenwoordig vormt het Hartwald nog een aaneengesloten geheel ter oppervlakte van omstreeks veertienduizend hektaren, bij eene lengte van twee-en-dertig kilometers en eene breedte afwisselende tusschen de twee en twaalf. Ongeveer halverwege de lengte wordt het woud doorsneden door het Rijn-Rhône-kanaal, in de richting van het noorden naar het zuiden, tusschen Munchhausen en het Napoleonseiland, van waar zich een zijtak naar Huningen richt. Het woud grenst aan het rechtsgebied van niet minder dan drie-en-twintig gemeenten, waarvan de bebouwbare gronden langs denzoom van het bosch den gemeenschappelijken naam van Hartfeld dragen. De plattelandsbevolking bestempelt met den naam van Hart de beide kantons Ensisheim en Habsheim in hun geheel, en een deel der kantons Landser en Huningen, waartoe de verschillende gemeenten behooren. Het Kastenwald, naar den kant van Breisach, en andere, minder uitgestrekte in die streek verspreide bosschen, zijn nog overblijfselen van het oude oorspronkelijke Hartwald, die voor ontginning en bebouwing niet geschikt schijnen.—De bosschen van de Hart doen in schoonheid verre onder voor het woud van Hageman en vooral voor de wouden der bergen; zij bestaan hoofdzakelijk uit hakhout van eiken en hagebeuken. In het begin van de vorige eeuw werd het hout om de twee-en-vijftig jaren geveld en verkocht; de hak geschiedde bij partijen van zeshonderd bunders. Tegenwoordig laat men de boomen niet langer dan vijf-en-dertig jaren staan: het gevolg daarvan is, dat het jonge hakhout meer en meer de overhand krijgt en het woud alle karakter verliest. Op verschillende plaatsen, waar het jonge plantsoen niet is opgekomen of het weder inplanten is verzuimd, worden de omgehakte boomen vervangen door welig kreupelhout en struikgewas, dat soms eene hoogte van acht tot tien el bereikt. En daar, waar de eiken zich ter hoogte van eenige ellen boven het hakhout verheffen, wekken die eiken, door hun ziekelijk voorkomen, het aantal doode takken en het schraal gebladerte, veelmeer medelijden dan bewondering. Als die ongelukkige boomen niet tijdig worden geveld, dan beginnen zij in het hart te rotten en verliest het hout voor een goed deel zijne waarde. Misschien ware het raadzaam, hier van het kweeken van eiken af te zien, om zich te bepalen tot het hakhout van hagebeuken; maar de streken, waar de wijnbouw gedreven wordt, vragen van de Hart den noodigen voorraad van eikenhouten staketsels, en om de exploitatie van het bosch zoo voordeelig mogelijk te maken, moet met deze eischen rekening worden gehouden.

Een truffelzoeker.Een truffelzoeker.

Een truffelzoeker.

Een truffelzoeker.

Waarom groeien de eiken in de Hart- en in het Kastenwald niet zoo goed als elders? Om de eenvoudige reden dat zij uit den schralen, mageren grond geen voldoend voedsel kunnen ontleenen om hun vollen wasdom te bereiken en lang te leven. Op een zekeren leeftijd gekomen, wordt de verdere ontwikkeling der wortels gestuit door de keisteenen, die tot eene vaste, samenhangende massa vereenigd zijn en waar de wortels niet kunnen doordringen. De teelaarde aan de oppervlakte is niet meer dan eene dunne laag, waarin ook de noodige vochtigheid ontbreekt, en die voor bebouwing ongeschikt is. Men heeft het denkbeeld geopperd om het grootste gedeelte van het woud in weiland te herscheppen; maar zoo dit plan eenmaal verwezenlijkt mocht worden, zouden daar toch geene goede uitkomsten van te wachten zijn. Veeleer zou men de ontginningen, die reeds te veel uitbreiding gekregen hebben, moeten staken, en een gedeelte van het thans voor den graanbouw gebruikte land weer met hout beplanten, of althans, met behulp van bevloeiing uit den Rijn, in weiland herscheppen. Een bezoek in eene boerderij van de Hart is voldoende om ieder deskundige hiervan te overtuigen.

Ondanks zijne dorheid en zijn schralen plantengroei heeft het Hartwald, gedurende de laatste tien jaren van het fransche bestuur, aan de schatkist een jaarlijksch inkomen opgeleverd van een half millioen francs, ongerekend het doode hout, dat aan de arme gezinnen in de omliggende dorpen wordt gegeven. Voorts beschermt het woud de stad Mülhausen en de omliggende vlakte tegen de schrale en koude noord-oosten winden; terwijl eindelijk de truffels, die op open plekken rondom de eiken groeien, eene gezochte lekkernij zijn voor de liefhebbers.

Gedurende de maanden September en October houden de bewoners der dorpen van de Hart zich ijverig bezig met het zoeken van truffels. Daar het verboden is met varkens in het bosch te komen, richten de truffelzoekers honden af, om hen bij hunne nasporingen behulpzaam te zijn. Om de scherpte en fijnheid van hun reukorgaan ongeschonden te bewaren, houdt men die honden opgesloten tot de tijd voor het inzamelen der truffels gekomen is. Bij voorkeur worden poedels en mopshonden voor dit werk gebruikt; zij toonen daarbij veeloverleg en ijver, en hebben dit voor boven de varkens, dat zij de opgegraven truffels niet opeten.—De truffels van de Hart zijn minder geurig en bleeker van kleur dan die uit het zuiden van Frankrijk. De onderscheidene soorten verschillen aanmerkelijk in waarde en ook in prijs; naar het oordeel der gastronomen zijn die uit de eikenbosschen van den Opper-Elzas de besten.

Raadzaal in het stadhuis te Ensisheim.Raadzaal in het stadhuis te Ensisheim.

Raadzaal in het stadhuis te Ensisheim.

Raadzaal in het stadhuis te Ensisheim.

Niet ver van de Hart, aan de oevers van de Ill, ligt Ensisheim, een klein landstadje, weleer de zetel van de oostenrijksche regeering en later van den souvereinen raad van den Elzas, tegenwoordig slechts de nederige hoofdplaats van een kanton. Daar ontmoeten elkander ook alle boosdoeners van het rijksland, in de centrale strafgevangenis. Op eene bevolking van drieduizend-tweehonderd-zes inwoners, volgens de volkstelling van 1 December 1880, waren er toen zeven-en-zeventig militairen en achthonderd veroordeelden, hetzij tot dwangarbeid, hetzij enkel tot hechtenis. In den loop van het vorige jaar (1885) werden in de centrale strafgevangenis tweehonderd-zeven-en-veertig veroordeelden opgenomen, en werden tweehonderd-acht-en-dertig ontslagen. Sedert November 1884 worden te Ensisheim alleen diegenen opgenomen, wier straftijd meer dan drie jaren bedraagt. Zij die tot een hechtenis van minder dan drie jaren zijn veroordeeld, zullen voortaan hunne straf moeten ondergaan in een der zes departementale gevangenissen te Straatsburg, Zabern, Colmar, Mulhausen, Metz of Saargemund, naar gelang zij door een der aldaar zetelende gerechtshoven zijn veroordeeld.

Wie het oude stedeke nadert, ziet het eerst, half verborgen door wingerden en tuinen, de overblijfselen van eene dubbele versterkte omwalling, met breede grachten en torens. Langs den voet der muren, die gedeeltelijk zijn ingestort en nergens meer hunne oorspronkelijke hoogte bereiken, vloeit het kanaal van Quatelbach, dat door het water van de Ill gevoed wordt. Het bed zelf van de Ill ligt droog, althans op het oogenblik, even als het kanaal van de Twaalf-Molens, dat zijn water van de Thur ontvangt. Van de oude wallen, en nog beter van den toren der parochiekerk, heeft men een heerlijk uitzicht, zoowel op de keten der Vogesen als op de bergen van het Schwarzwald. In de voornaamste straat van het stadje, in de nabijheid van het raadhuis, wordt de aandacht getrokken door een aantal antieke huizen, zoowel in gothischen als in duitschen renaissance-stijl. Vele van die burgerwoningen zijn versierd met bevallige torentjes en erkers, zoo als de brouwerij Schmidt en het logement de Kroon. De erker van genoemd logement, waar Turenne daags vóór den veldslag bij Turckheim zijn intrek nam, rust op eene kegelvormige halve kolom, tegen den voorgevel aangebracht. De beide verdiepingen van den voorgevelhebben gothische vensters, en boven den hoofdingang staat het jaartalMDCIXgebeiteld. Onder den erker van de brouwerij Schmidt, vroeger de kommanderij van Sint-Jan, uit het begin der zestiende eeuw en in gothischen stijl gebouwd, ziet men twee medaillons met de beeltenissen van den Keizer en den Roomsch-Koning. Nog andere huizen prijken met erkers en torentjes met wenteltrappen en kruisramen met houtsnijwerk. Overal verrijzen hooge puntgevels in menigte. De ruime parochiekerk is modern en alles behalve soliede gebouwd.


Back to IndexNext