DERDE BOEK.

264)Uit den te Boelaq bewaarden papyrus IV. Zie boven blz.287.265)De amulet Thet in de gedaante van een strik, die gewoonlijk uit bloedjaspis vervaardigd was, en waarop men meestal hoofdst. 75 of 76 van het Doodenboek vindt. Zij wordt „bloed van Isis,” „tooversteen van Isis,” „wijsheid (Choe) van Isis” genoemd.

264)Uit den te Boelaq bewaarden papyrus IV. Zie boven blz.287.

264)Uit den te Boelaq bewaarden papyrus IV. Zie boven blz.287.

265)De amulet Thet in de gedaante van een strik, die gewoonlijk uit bloedjaspis vervaardigd was, en waarop men meestal hoofdst. 75 of 76 van het Doodenboek vindt. Zij wordt „bloed van Isis,” „tooversteen van Isis,” „wijsheid (Choe) van Isis” genoemd.

265)De amulet Thet in de gedaante van een strik, die gewoonlijk uit bloedjaspis vervaardigd was, en waarop men meestal hoofdst. 75 of 76 van het Doodenboek vindt. Zij wordt „bloed van Isis,” „tooversteen van Isis,” „wijsheid (Choe) van Isis” genoemd.

Drie dagen waren sedert het vertrek van den Mohar verloopen. Hoewel het nog vroeg was, bleek men toch in de werkzalen van Bent-Anat reeds druk in de weer te zijn. De beide vriendinnen hadden den stormachtigen nacht, die volgde op den feestavond, slapeloos doorgebracht. Wat toch hadden zij niet doorleefd! Nefert gevoelde zich den volgenden morgen afgemat en slaperig. Zij had de prinses verzocht, haar dien dag nog niet in haren nieuwen werkkring in te leiden. De dochter van Ramses had haar echter opwekkend toegesproken, zeggende dat men het goede nooit van heden tot morgen moest uitstellen, en Nefert bewogen haar te volgen naar de plaatsen, waar de verschillende werkzaamheden werden verricht.

»Wij moeten beiden tot andere gedachten komen,” zeide zij. »Nu en dan overvalt mij onwillekeurig eene rilling, en is het mij als droeg ik een brandmerk, als ware ik onteerd door eene vuile vlek hier aan den schouder, waar de ruwe hand van Paäker mij heeft aangeraakt.”

Den eersten werkdag had Nefert nog veel met zichzelve te strijden, doch den tweeden vond zij reeds eenige aantrekkelijkheid in dezen arbeid, en den derden dag mocht zij zich verheugen over de kleine vruchten van hare inspanning. Bent-Anat had haar dan ook recht op haar plaats gezet, toen zij haar het toezicht opdroeg over een groot aantal kleine meisjes en vrouwen, de dochters, de echtgenooten en de weduwen van mannen uit Thebe, die nog in het leger streden of reeds gevallen waren. Deze hielden zich bezig met het uitzoeken en schikken van genezende kruiden. Hare helpsters zaten in kleine kringen op den grond neergehurkt. In het midden van elke groep lag eene groote hoop versch geplukte en gedroogde planten, en vóorelke arbeidster zag men een groot aantal pakjes met de uitgezochte wortels, bladeren en bloemen. Een oude heelkundige was belast met de geheele leiding van dezen arbeid, en had Nefert den eersten dag bekend gemaakt met de verschillende planten, die men noodig had.

De vrouw van Mena, die zooveel van bloemen hield, had alles spoedig begrepen. Zij leerde gaarne, want zij had de kinderen lief. Weldra had zij zich onder die kleinen enkele lievelingen uitgezocht. Het duurde niet lang, of zij wist de ijverige en zorgvuldige arbeidsters te onderkennen van de trage, of die haar taak vluchtig volbrachten.

»Ei, ei,” zeide zij, terwijl zij zich voorover boog tot een klein halfnaakt meisje, met groote ovale oogen. »Gij werpt alles maar door elkaar! Je vader is immers in het leger, zooals ge mij gezegd hebt? Denk eens, zou het niet erg treurig zijn, wanneer men, zoo een pijl hem trof, dit kruid op zijne brandende wond legde, dat hem kwaad zou doen, in plaats van dat andere, dat hem genezen kan?”

Het meisje knikte met het hoofdje, en keek wat ze uitgezocht had nog eens na.

Nefert ging nu weder naar eene andere kleine, die zat te luieren. »Daar zit je nu weer te babbelen en niets te doen,” zeide zij, »en toch staat je vader in ’t veld! Als hij nu eens ziek is en geene geneesmiddelen heeft, en wanneer hij dan in den nacht, van zijn dochtertje droomende, je zóo ziet zitten, dan zegt hij zeker tot zichzelven: Nu zou ik gezond kunnen zijn, maar mijn kind heeft mij niet meer lief, want zij legt liever de handen in den schoot, dan dat zij voor haar zieken vader geneesmiddelen klaar maakt.”

Daarna richtte Nefert zich tot een grooteren kring van meisjes, die kruiden zaten uit te zoeken, en sprak: »Weet gij wel, kinderen, waar al deze vriendelijke en gezegende kruiden vandaan komen? De goede Horus was ten krijg getogen tegen Seth, den moordenaar van zijn vader, en in het gevecht sloeg de woedende vijand, Horus een oog uit266). Maar de zoon van Osiris overwon, want het goede is altijd machtiger dan het kwade. Toen Isis echter het arme gewonde oog zag, toen drukte zij het hoofd van haar zoon aan hare borst267). Het was haar zoo wee om ’t hart als eene ongelukkige menschelijke moeder, die haar lijdend kind in de armen houdt, en zij dacht: ‚Hoe gemakkelijk is het toch wonden te slaan, en hoe moeilijk valt het ze te heelen!’ Bij deze woordenweende zij. De eene traan voor, de andere na viel op de aarde, en overal waar deze in den bodem drongen, daar wies zulk een gezegend kruidje op”268).

»Isis is zeer goed,” riep nu een meisje, dat tegenover haar zat. »Moeder zegt altijd, dat Isis de kinderen ook liefheeft, wanneer zij goed oppassen.”

»Uwe moeder heeft gelijk,” antwoordde Nefert. »Isis heeft ook zelve haar lieve Horus-kindje. En ieder mensch die sterft, wordt, als hij braaf heeft geleefd, weder een kind, en de godin neemt hem tot zich, alsof hij haar eigen kind was, en legt hem aan hare borst en verpleegt hem met hare zuster Nephtys269), tot hij groot zal zijn en voor zijn vader strijden kan.”

Nefert had opgemerkt, dat onder deze woorden eene vrouw was begonnen te weenen. Zij ging tot haar om te vragen wat haar deerde, en kwam te weten dat haar man en haar zoon, de eerste in Syrië, de laatste op zijn terugreis naar Egypte, gestorven waren.

»Arme vrouw en moeder!” zeide Nefert. »Nu moogt gij wel dubbel uw best doen, opdat de wonden der anderen geheeld worden! Ik wil u nog iets anders van Isis vertellen. Zij had haar gemaal Osiris zeer liefgehad, zooals gij uw gestorven echtgenoot, en ik mijn Mena. Maar hij was gevallen als een offer van de listen van Seth. Zij kon niet eens het lijk vinden van den man, die haar op zoo wreede wijze was ontroofd, en gij kunt uw echtgenoot ten minste nog bij zijn graf bezoeken. Toen trok Isis klagende het land door, en ach, wat was er van Egypte geworden, het schoone land, dat al zijne vruchtbaarheid aan Osiris te danken heeft! De heilige Nijl lag droog, en geen grashalm groende er aan zijne oevers. De goede godin gevoelde hierovereene onuitsprekelijke smart. Zij weende een traan in het bed van den vloed en terstond begonnen de wateren weer te zwellen. Want gij weet toch wel dat elke overstrooming ontstaat door een traan van Isis270). Zoo werd de smart eener weduwe tot zegen voor vele millioenen geslachten.”

De vrouw had opmerkzaam naar haar geluisterd, en zeide, toen Nefert zweeg: »Maar ik heb nu ook de drie bloedjes van kinderen, die mijn zoon naliet, te onderhouden. Want zijne vrouw, eene waschvrouw, is helaas bij het verrichten van haar werk door een krokodil overvallen. Lieden van onze soort moeten in de eerste plaats voor zichzelven en niet voor anderen zorgen. Als de prinses ons niet betaalde, hoe kon ik dan aan de wonden der krijgslieden denken, die mij niets aangaan? Ik ben ook niet sterk meer en heb vier monden te voeden.”

Nefert gevoelde eene huivering, gelijk meermalen bij deze hare nieuwe werkzaamheid, en verzocht Bent-Anat het loon van deze vrouw te verhoogen.

»Gaarne,” zeide de prinses, »Wat zou ik eene helpster als gij zijt kunnen weigeren! Kom thans eens mede in mijne keuken. Ik laat vruchten inpakken voor mijn vader en broeders. Daar mag nu toch ook wel een kistje voor Mena bij.”

Nefert volgde hare vorstelijke vriendin, en zag hoe men juist in eene kist goudgele dadels van de oase van Amon271)en in eene andere donkere van Nubië, de lievelingssoorten van den koning, had gelegd.

»Laat mij dat pakken!” riep Nefert, beval de dienstmaagd, die er mede bezig was, de kistjes weder te ledigen, en legde nu de dadels van verschillende kleuren, benevens eenige andere in suiker gekookte vruchten, in sierlijke figuren bijeen.

Bent-Anat zag dit met welgevallen, reikte haar toen zij gereed was de hand en zeide: »Wat uwe vingers maar aanroeren, dat krijgt dadelijk een vriendelijk aanzien. Geef me dat stuk papyrus! Ik zal het in dit kistje leggen en er op schrijven: Dit heeft de vlijtige medehelpster van zijne dochter Bent-Anat, de vrouw van Mena, voor koning Ramses ingepakt.”

Na de rust van den middag werd de prinses weggeroepen, en Nefert bleef nog eenige uren met hare arbeidsters alleen. Toende zon onderging en de vlijtige schare wilde opbreken, hield Nefert de vrouwen en meisjes nog terug en zeide: »De zonneschuit verdwijnt ginds achter de westelijke bergen. Komt, laat ons te zamen bidden voor den koning en onze geliefden in ’t veld. Ieder denke aan de zijnen, gij kinderen aan uwe vaders, gij vrouwen aan uwe zonen, en wij echtgenooten aan onze mannen, die verre van ons zijn. Wij bidden Amon, dat zij zoo zeker tot ons mogen wederkomen, als de zon, die thans van ons scheidt, maar morgen vroeg zich opnieuw zal vertoonen.”

Nefert knielde neder, en met haar de kinderen en vrouwen.

Toen zij weder opstonden, liep een klein meisje naar de vrouw van Mena en zeide schuchter, terwijl zij haar kleedje frommelde: »Gij hebt ons ook gisteren hier laten knielen, en stellig zal het ook heden met mijne moeder wat beter gaan, nu ik voor haar gebeden heb.”

»O zeker,” zeide Nefert, en zij streelde de zwarte haren van het kind.

Zij vond Bent-Anat op het balkon, peinzend starende over den stroom naar de doodenstad, die al meer en meer in duisternis werd gehuld. Toen zij de zachte schreden harer vriendin achter zich hoorde, schrikte zij een oogenblik.

»Ik stoor u zeker,” zeide Nefert, en trad terug.

»Neen blijf,” smeekte Bent-Anat. »Ik dank de goden dat ik u heb, want het is mij zoo wee, zoo akelig wee om ’t hart.”

»Ik weet waaraan gij dacht,” sprak Nefert zacht.

»Welnu?” vroeg de prinses.

»Aan Pentaoer.”

»Ik denk aan hem en altijd aan hem,” antwoordde de prinses, »en toch is er nog iets anders wat mijn gemoed beweegt. Ik ben mij zelve niet meer. Wat ik denk moest ik niet denken, wat ik gevoel niet gevoelen, en toch kan ik het niet van mij zetten. Ik geloof dat mijn hart zou doodbloeden, wanneer ik het er met geweld uit wilde verwijderen. Vreemd, ja onbetamelijk heb ik gehandeld, en nu hangt mij iets boven het hoofd, dat mijne schouders bijna niet kunnen dragen, iets buitengewoons, dat u misschien weder van mijne zijde wegneemt en naar uwe moeder terugvoert.”

»Alles wil ik met u deelen,” riep Nefert. »Maar wat verlangt men dan van u? Zijt gij dan de dochter van Ramses niet meer?”

»Als eene burgervrouw heb ik mij aan het volk vertoond,” antwoordde Bent-Anat, »en nu heb ik de gevolgen van deze daad te dragen. Bek-en-Choensoe, de opperpriester van Amon, was zooeven bij mij, en ik heb mij lang met hem onderhouden. De eerwaardige man is mij welgezind, dat weet ik, en mijn vaderheeft mij geboden zijn raad boven dien van alle anderen te volgen. Hij bracht mij onder het oog, dat ik zwaar misdreven had. Terwijl ik nog in den staat der onreinheid verkeerde, heb ik een tempel in de Nekropolis betreden, en nadat ik mij reeds eens had gewaagd op het erf van een Paraschiet, en mij daarover de berisping van Ameni op den hals gehaald, deed ik het toch andermaal. Zij weten aan de overzijde alles, wat ons daar bejegend is! Nu moet ik mij laten reinigen, óf door Ameni zelven in het Seti-huis, in tegenwoordigheid van alle priesters en rijksgrooten, met buitengewone plechtigheid, óf door eene bedevaart te ondernemen tot de Smaragden-Hathor272), onder welker bescherming men de edelgesteenten uit de rotsen houwt, en het erts vindt, dat door smelting wordt gelouterd. De godin, die het echte van het onechte scheidt, zal, zoo zeggen zij, de onreinheid van mij nemen, gelijk zij het edel metaal van de slakken zuivert. Eene dagreize of iets verder van de steengroeven vloeit van den heiligen berg des Heeren, den Sinaï273), zooals de Mentoe274)hem noemen, eene diepe beek275), en daarbij verheft zich het heiligdom der godin, waarin de priesters reiniging verleenen. De tocht is lang; de weg leidt door de woestijn en over de zee; maar Bek-en-Choensoe raadt mij, dat ik het wagen zal. Ameni, zegt hij, is mij niet gunstig gezind, omdat ik de inzettingen overtreed, die hij boven alles in eere gehouden wil hebben. Hij meent, dat ik het mij moet laten welgevallen, zoo deze met dubbele gestrengheid handelt, want het volk ziet allereerst naar hen op die het hoogste staan, en wanneer ik de inzettingen ongestraft minacht, zoo zal ik onder de menigte navolgers vinden. Hij handelt in naam der goden, die de harten der menschen meten met gelijke maat. De el behoort aan de godin der waarheid276).Ik gevoel wel dat dit alles niet onjuist is, en toch kan ik mij moeilijk schikken naar de uitspraak van den opperpriester, omdat ik de dochter van Ramses ben!”

»Dat zijt gij,” sprak Nefert, »en uw vader is een god!”

»Maar,” ging de prinses voort, »hij heeft mij ook altijd geleerd de inzettingen te eeren. Ook heb ik met Bek-en-Choensoe nog wat anders besproken. Gij weet dat ik de hand van den stadhouder afwees. Hij zal in stilte boos op mij zijn. Dat nu zou mij geen schrik aanjagen, maar hij is door mijn vader als voogd over mij aangesteld; hij is mijn beschermer. Kan ik hem dan nog vertrouwelijk raad en hulp vragen? Neen! Ik ben toch maar eene vrouw en bovendien de dochter van Ramses. Eer trek ik door duizend woestijnen, eer dat ik mijn vader en zijn kind laat vernederen. Tot morgen zal ik mij beraden, doch ik ben reeds nu besloten de reis te aanvaarden, wat het mij ook zal kosten zooveel hier te verlaten. — Vrees niets, lieve, gij zijt te teeder voor zulk een verren tocht; ik zou....”

»Neen, neen,” riep Nefert, »ik trek met u, al ging de reis ook tot aan de vier zuilen des hemels aan de uiteinden der aarde277). Gij hebt een nieuw leven in mij gewekt, en wat thans in mijn binnenste zoo frisch ontkiemt, zou weder verdorren, als ik tot mijne moeder terugkeerde. Of zij, óf ik moet meesteres zijn in onze woning. Alleen met Mena wil ik haar weder betreden!”

»Zoo is dan besloten, ik vertrek!” zeide de prinses. »O ware mijn vader maar niet zoo ver; kon ik hem maar raad vragen en zijne stem hooren!”

»Ja, die krijg, die eeuwigdurende krijg!” zuchtte Nefert. »Waarom stellen de mannen zich toch nooit tevreden met hetgeen zij hebben, en verkiezen zij een ijdelen roem boven den stillen vrede, die het leven siert!”

»Zouden zij dan mannen zijn? Zouden wij hen kunnen liefhebben, indien zij anders waren?” vroeg Bent-Anat levendig. »Scheppen de goden ook in den strijd geen behagen? Hebt gij ooit een verhevener beeld gezien, dan dat van Pentaoer, toen hijdien onbehouwen paal hoog door de lucht slingerde, en zijn leven waagde om de bedreigde onschuld te beschermen?”

»Ik waagde maar even een blik in den hof te slaan,” antwoordde Nefert, »want ik maakte mij zoo angstig. Maar zijn luid geroep klinkt mij nog in de ooren.”

»Zoo klinkt ook het krijgsgeschreeuw der helden in den slag, die de vijanden doet beven!” zeide Bent-Anat.

»Ja zeker, zoo klinkt het!” riep prins Rameri, die zonder door de vrouwen opgemerkt te zijn, het halfdonkere vertrek van zijne zuster was binnengetreden.

De prinses keerde zich naar haar broeder om, zeggende: »Wat doet ge mij daar schrikken!”

»U?” vroeg de prins verwonderd.

»Ja mij. Vroeger was ik kloek van hart, maar sedert dien avond beef ik telkens, en overvalt mij gedurig een pijnlijke angst, ik weet zelve niet waarvoor. Ik geloof dat een demon mij beheerscht.”

»Gij heerscht, waar gij u vertoont, en gij wordt door niets beheerscht,” zeide Rameri. »De ontsteltenis, en het verdriet dat gij in het dal hebt geleden, en daarna aan de landingstrap, dat alles zit u nog in de leden. Ook ik begin te knarsetanden, als ik eraan denk, hoe zij mij uit de school hebben gebannen, en hoe die Paäker zijn hond tegen mij aanhitste. Ik heb heden vrij wat ondervonden.”

»Waar zijt gij toch zoolang geweest?” vroeg Bent-Anat. »Neef Ani had toch bevolen, dat gij het paleis niet mocht verlaten.”

»Ik zal in de volgende maand mijn achttiende jaar intreden,” antwoordde de prins, »en heb geen voogd meer noodig!”

»Maar onze vader....” wilde Bent-Anat hem vermanen.

»Onze vader,” viel Rameri haar in de reden, »kent den stadhouder slecht. Doch ik zal hem schrijven, al wat ik heden onder het volk heb hooren vertellen. Men zegt dat zij Ani op het feest van het dal zoo goed als gehuldigd hebben, en de een vertelt den ander openlijk, dat het den stadhouder om de kroon te doen is, en dat hij voornemens is den koning van den troon te stooten. — Gij hebt gelijk, dat is onzinnig, maar er moet toch wel iets van waar zijn.”

Nefert verbleekte. Bent-Anat vroeg eenige nadere bijzonderheden, waarop de prins vertelde wat hij vernomen had, om dan lachend uit te roepen: »Ani zou mijn vader doen vallen! Dat is zooveel alsof ik de Isis-ster van den hemel wilde losrukken, om daarmede de lampen te ontsteken, die hier nog altijd ontbreken!”

»Ik vind het vertrouwelijker in donker te zitten,” zeide Nefert.

»Neen, laat het licht komen,” zeide Bent-Anat. »Men kan beter spreken, wanneer men hen tot wie men spreekt in deoogen kan zien. — Wat die dwaze volkspraatjes betreft, ik geloof er niet aan. Maar gij hebt gelijk, wij moeten er onzen vader kennis van geven.”

»In de doodenstad hoorde ik de dolzinnigste zwetserij,” zeide Rameri.

»Hebt gij u dan aan de overzijde gewaagd? Hoe verkeerd hebt gij gedaan!”

»Ik had mij weder een weinig verkleed, en heb heel veel goeds te vertellen. Het gaat met de lieve Warda veel beter. Zij heeft uwe geschenken ontvangen, en woont weder in haar eigen huis. Naast de afgebrande stond een vervallen hut, die haar vader, een soldaat met een grooten baard, die evenveel op haar gelijkt als een egel op een witte duif, met eenige gezellen in een oogenblik weder in orde heeft gebracht. Ik bood haar aan met de andere meisjes in het paleis voor u te werken, tegen hoog loon. Maar zij wilde niet, want zij moet hare zieke grootmoeder verplegen. Ook is zij trotsch en wil niemand dienen.”

»Het komt mij voor, dat gij lang bij die onreine hebt vertoefd,” zeide Bent-Anat verwijtend. »Ik had gedacht, dat hetgeen mij is wedervaren, u tot eene waarschuwing geweest zou zijn.”

»Ik wil niet beter zijn dan gij!” hernam de prins. »Bovendien is de Paraschiet dood, en Warda’s vader is een eerlijk soldaat die niemand verontreinigt. Voorts hield ik mij op een afstand van de oude vrouw. Morgen steek ik weder over; dat heb ik haar beloofd.”

»Aan wie?” vroeg Bent-Anat.

»Aan wie anders dan aan Warda! Zij houdt veel van bloemen, en na de roos, die gij haar hebt geschonken, heeft zij er geene meer gezien. Ik heb den hovenier reeds bevolen, dat hij mij tegen morgen een korf vol rozen moet snijden, die ikzelf haar brengen zal.”

»Dat zult gij niet doen!” riep Bent-Anat. »Gij zijt nog half een kind, en al ware dit niet zoo, ook om den wil van het meisje zult gij het laten.”

»Wij zitten samen alleen wat te keuvelen,” zeide de prins terwijl hij bloosde, »en niemand zal mij herkennen. Ja, als gij het volstrekt verlangt dan zal ik niet met dien korf vol rozen oversteken, maar alleen ga ik toch tot haar. — Neen, zuster, dat laat ik mij niet verbieden! Zij is zoo bekoorlijk, zoo blank, zoo teeder, en haar stemmetje klinkt zoo zacht en lieflijk! En zij heeft voetjes, ja, hoe zal ik het zeggen, zoo klein en sierlijk als Neferts hand! Wij hebben het meest gesproken over Pentaoer. Zij kent zijn vader, die hovenier is, en weet zeer veel van hem. Denk eens aan, zij zegt dat Pentaoer geen kind van zijne ouders is maar een goede geest, die op aarde is gekomen, misschien weleene godheid. In het begin was zij zeer schuchter, maar toen ik over Pentaoer begon, werd zij spraakzaam. Zij vereert hem bijna afgodisch, en dat juist heeft mij geërgerd.”

»Gij zoudt zeker liever willen, dat zij u zoo vereerde?” zeide Nefert lachende.

»Volstrekt niet!” hernam Rameri. »Maar ik heb haar mede gered en het doet mij zoo goed als ik bij haar zit. Morgen, dat heb ik stellig voorgenomen, steek ikzelf haar eene bloem in het haar. Dat is wel rood, maar zoo zwaar als het uwe, Bent-Anat, en het moet verrukkelijk zijn het met de hand te mogen aanraken en streelen!”

De vrouwen zagen elkander aan met een blik, waaruit duidelijk bleek dat zij elkander verstonden. De prinses zeide dan ook op beslissenden toon: »Gij gaat morgen niet naar de doodenstad, mijn pleegzoon.”

»Dat zullen wij eens zien, mijn pleegmoedertje!”

Dit zeide hij schertsend. Doch hierna werd hij ernstig en vervolgde: »Ik heb ook mijn schoolvriend Anana gesproken. In het Seti-huis heerscht thans de ongerechtigheid! Pentaoer zit in de gevangenis en gisteren avond hebben zij gericht over hem gehouden. Onze neef Ani was ook daarbij, en heeft den dichter heftig aangevallen. Ameni moet hem in zijne bescherming hebben genomen. Welk besluit er eindelijk gevallen is, konden de kweekelingen niet te weten komen, maar het moet wel iets heel bedenkelijks zijn geweest, want de zoon van den schatmeester hoorde, hoe Ameni na de zitting tot den ouden Gagaboe zeide; ‚Straf verdient hij, maar ik laat zijn ondergang niet toe!’ Met deze woorden kon hij niemand anders bedoelen dan Pentaoer. Morgen ga ik weder naar de overzijde, en zal nog wel meer te weten komen, misschien wel iets verschrikkelijks, denk ik. Op zijn minst zal hij voor vele jaren worden gevangen gezet.”

Bent-Anat was doodsbleek geworden. »Wat zij hem aandoen,” riep zij uit, »lijdt hij om mijnentwil! O gij almachtige goden, helpt hem, helpt mij en weest mij genadig!”

Zij sloeg de handen voor het aangezicht en verliet het vertrek.

»Wat mag mijne zuster toch wel overkomen zijn,” vroeg Rameri aan Nefert; »zij komt mij zoo vreemd voor, en ook gij zijt anders dan gewoonlijk!”

»Wij beiden hebben ons in zekeren nieuwen toestand te verplaatsen.”

»Wat bedoelt gij hiermede?”

»Dat kan ik u zoo niet in een paar woorden verklaren. Maar het komt mij voor als zult gijzelf weldra iets dergelijks ondervinden. — Rameri! Ga niet weder naar de Paraschieten!”

266)Naar de teksten van het Doodenboek.267)Volgens de teksten van het Doodenboek en de inleiding van den papyrus-Ebers, geneest Isis het oog van Horus.268)De Egyptenaren schreven aan het bloed en de tranen der goden scheppende krachten toe. Hierover kan men het best raadplegen Lefébure.Le mythe osirien.Première partie: Les yeux d’Horus. In de door Naville uitgegeven „Lofverheffingen van Ra” wordt deze godheid in de 21ste aanroeping „Remi”, d. i. „de weenende” genoemd, en in de teksten, die gevonden worden bij de voorstelling van de vier menschenrassen, in het graf van Seti I in Biban el Moeloek, komt eene plaats voor, waaruit blijkt, dat ook wel menschen uit goddelijke tranen geboren zijn. Want daar spreekt de godheid op de volgende wijze de volken toe: „Gij zijt een traan uit mijn oog, gij die menschen heet.”269)Gelijk Isis als moeder, zoo wordt Nephtys als zoogmoeder en opvoedster van Horus voorgesteld. Op het eiland Philak zien wij een der Ptolemaeën als een jeugdige god afgebeeld, die van Nephtys onderwijs ontvangt in het harpspel. Osiris heeft beide godinnen lief, en beiden worden afgebeeld, weeklagende aan het hoofd- en aan het voeteinde van zijne lijkbaar. Haar klaaglied is bewaard gebleven in een papyrus van het Berlijnsch museum, die door De Horrack werd uitgegeven.270)Onder de Arabieren is nog het oude geloof bewaard gebleven, dat de Nijl wast door een goddelijken traan, die in den stroom valt. Nog heden wordt den nacht van den 11den Baoeneh „de nacht van den druppel” genoemd, omdat in dien nacht de Nijl zijn laagste standpunt bereikt en langzaam begint te stijgen.271)De tegenwoordige oase Siwah, waar de dadelboomen nog altijd vruchten dragen, die wijd en zijd beroemd zijn.272)De Hathor van het maskat was de godin, die voornamelijk op het Sinaïtisch schiereiland werd vereerd. Na de grondige verhandeling van Lepsius, over de metalen bij de oude Egyptenaars, staat het vast, dat maskat noch koper beteekent, noch de turkoois, maar een groenen steen. Wordt het maskat echt geheeten, dan bedoelt men smaragd; soms ook wel malachiet, berggroen en groene vloeispaath, die veelvuldig in de graven worden gevonden. Sieraden van malachiet komen zelden voor. Wij vestigen hier de aandacht op een allerliefst beeldje van den god Ptah (zie Dl. I. bl.82, v.) uit dezen steen vervaardigd, dat bewaard wordt in het Japansch paleis te Dresden.273)Niet de berg Sinaï, waar de monniken wonen, maar het reusachtig gebergte, dat thans Serbal heet, houden wij voor den Sinaï van den Bijbel. Wij hebben deze opvatting uitvoerig verdedigd in ons werk:Durch Gosen zum Sinaï, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek.274)De bergvolken van het Sinaïtisch schiereiland.275)In de tegenwoordige oase Feirân.276)De naam van de godin der waarheid (Ma) wordt ook geschreven met de hiëroglyphe, die eene el voorstelt. Van de oude heilige ellematen zijn er verschillende bewaard gebleven. Men kan alles hierover vinden in Lepsius’ verhandeling: „Die altägyptische Elle und ihre Eintheilung” in deAbhandl. der k. Akademie der Wissenschaften, Berlin, 1865, s. 33.277)De zuilen des hemels (sechent pet) komen in verschillende teksten voor. Op de schoone overwinnings-stêle van Thotmes III te Boelaq leest men: „Ik (Amon) verbreid ... de vrees voor u tot de vier zuilen des hemels.” Men stelde zich voor, dat deze zuilen aan de uiterste einden van het zuiden, noorden, westen en oosten werden gevonden. Daarom worden ook in vele teksten, in plaats van de vier windstreken, de vier zuilen des hemels genoemd.

266)Naar de teksten van het Doodenboek.

266)Naar de teksten van het Doodenboek.

267)Volgens de teksten van het Doodenboek en de inleiding van den papyrus-Ebers, geneest Isis het oog van Horus.

267)Volgens de teksten van het Doodenboek en de inleiding van den papyrus-Ebers, geneest Isis het oog van Horus.

268)De Egyptenaren schreven aan het bloed en de tranen der goden scheppende krachten toe. Hierover kan men het best raadplegen Lefébure.Le mythe osirien.Première partie: Les yeux d’Horus. In de door Naville uitgegeven „Lofverheffingen van Ra” wordt deze godheid in de 21ste aanroeping „Remi”, d. i. „de weenende” genoemd, en in de teksten, die gevonden worden bij de voorstelling van de vier menschenrassen, in het graf van Seti I in Biban el Moeloek, komt eene plaats voor, waaruit blijkt, dat ook wel menschen uit goddelijke tranen geboren zijn. Want daar spreekt de godheid op de volgende wijze de volken toe: „Gij zijt een traan uit mijn oog, gij die menschen heet.”

268)De Egyptenaren schreven aan het bloed en de tranen der goden scheppende krachten toe. Hierover kan men het best raadplegen Lefébure.Le mythe osirien.Première partie: Les yeux d’Horus. In de door Naville uitgegeven „Lofverheffingen van Ra” wordt deze godheid in de 21ste aanroeping „Remi”, d. i. „de weenende” genoemd, en in de teksten, die gevonden worden bij de voorstelling van de vier menschenrassen, in het graf van Seti I in Biban el Moeloek, komt eene plaats voor, waaruit blijkt, dat ook wel menschen uit goddelijke tranen geboren zijn. Want daar spreekt de godheid op de volgende wijze de volken toe: „Gij zijt een traan uit mijn oog, gij die menschen heet.”

269)Gelijk Isis als moeder, zoo wordt Nephtys als zoogmoeder en opvoedster van Horus voorgesteld. Op het eiland Philak zien wij een der Ptolemaeën als een jeugdige god afgebeeld, die van Nephtys onderwijs ontvangt in het harpspel. Osiris heeft beide godinnen lief, en beiden worden afgebeeld, weeklagende aan het hoofd- en aan het voeteinde van zijne lijkbaar. Haar klaaglied is bewaard gebleven in een papyrus van het Berlijnsch museum, die door De Horrack werd uitgegeven.

269)Gelijk Isis als moeder, zoo wordt Nephtys als zoogmoeder en opvoedster van Horus voorgesteld. Op het eiland Philak zien wij een der Ptolemaeën als een jeugdige god afgebeeld, die van Nephtys onderwijs ontvangt in het harpspel. Osiris heeft beide godinnen lief, en beiden worden afgebeeld, weeklagende aan het hoofd- en aan het voeteinde van zijne lijkbaar. Haar klaaglied is bewaard gebleven in een papyrus van het Berlijnsch museum, die door De Horrack werd uitgegeven.

270)Onder de Arabieren is nog het oude geloof bewaard gebleven, dat de Nijl wast door een goddelijken traan, die in den stroom valt. Nog heden wordt den nacht van den 11den Baoeneh „de nacht van den druppel” genoemd, omdat in dien nacht de Nijl zijn laagste standpunt bereikt en langzaam begint te stijgen.

270)Onder de Arabieren is nog het oude geloof bewaard gebleven, dat de Nijl wast door een goddelijken traan, die in den stroom valt. Nog heden wordt den nacht van den 11den Baoeneh „de nacht van den druppel” genoemd, omdat in dien nacht de Nijl zijn laagste standpunt bereikt en langzaam begint te stijgen.

271)De tegenwoordige oase Siwah, waar de dadelboomen nog altijd vruchten dragen, die wijd en zijd beroemd zijn.

271)De tegenwoordige oase Siwah, waar de dadelboomen nog altijd vruchten dragen, die wijd en zijd beroemd zijn.

272)De Hathor van het maskat was de godin, die voornamelijk op het Sinaïtisch schiereiland werd vereerd. Na de grondige verhandeling van Lepsius, over de metalen bij de oude Egyptenaars, staat het vast, dat maskat noch koper beteekent, noch de turkoois, maar een groenen steen. Wordt het maskat echt geheeten, dan bedoelt men smaragd; soms ook wel malachiet, berggroen en groene vloeispaath, die veelvuldig in de graven worden gevonden. Sieraden van malachiet komen zelden voor. Wij vestigen hier de aandacht op een allerliefst beeldje van den god Ptah (zie Dl. I. bl.82, v.) uit dezen steen vervaardigd, dat bewaard wordt in het Japansch paleis te Dresden.

272)De Hathor van het maskat was de godin, die voornamelijk op het Sinaïtisch schiereiland werd vereerd. Na de grondige verhandeling van Lepsius, over de metalen bij de oude Egyptenaars, staat het vast, dat maskat noch koper beteekent, noch de turkoois, maar een groenen steen. Wordt het maskat echt geheeten, dan bedoelt men smaragd; soms ook wel malachiet, berggroen en groene vloeispaath, die veelvuldig in de graven worden gevonden. Sieraden van malachiet komen zelden voor. Wij vestigen hier de aandacht op een allerliefst beeldje van den god Ptah (zie Dl. I. bl.82, v.) uit dezen steen vervaardigd, dat bewaard wordt in het Japansch paleis te Dresden.

273)Niet de berg Sinaï, waar de monniken wonen, maar het reusachtig gebergte, dat thans Serbal heet, houden wij voor den Sinaï van den Bijbel. Wij hebben deze opvatting uitvoerig verdedigd in ons werk:Durch Gosen zum Sinaï, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek.

273)Niet de berg Sinaï, waar de monniken wonen, maar het reusachtig gebergte, dat thans Serbal heet, houden wij voor den Sinaï van den Bijbel. Wij hebben deze opvatting uitvoerig verdedigd in ons werk:Durch Gosen zum Sinaï, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek.

274)De bergvolken van het Sinaïtisch schiereiland.

274)De bergvolken van het Sinaïtisch schiereiland.

275)In de tegenwoordige oase Feirân.

275)In de tegenwoordige oase Feirân.

276)De naam van de godin der waarheid (Ma) wordt ook geschreven met de hiëroglyphe, die eene el voorstelt. Van de oude heilige ellematen zijn er verschillende bewaard gebleven. Men kan alles hierover vinden in Lepsius’ verhandeling: „Die altägyptische Elle und ihre Eintheilung” in deAbhandl. der k. Akademie der Wissenschaften, Berlin, 1865, s. 33.

276)De naam van de godin der waarheid (Ma) wordt ook geschreven met de hiëroglyphe, die eene el voorstelt. Van de oude heilige ellematen zijn er verschillende bewaard gebleven. Men kan alles hierover vinden in Lepsius’ verhandeling: „Die altägyptische Elle und ihre Eintheilung” in deAbhandl. der k. Akademie der Wissenschaften, Berlin, 1865, s. 33.

277)De zuilen des hemels (sechent pet) komen in verschillende teksten voor. Op de schoone overwinnings-stêle van Thotmes III te Boelaq leest men: „Ik (Amon) verbreid ... de vrees voor u tot de vier zuilen des hemels.” Men stelde zich voor, dat deze zuilen aan de uiterste einden van het zuiden, noorden, westen en oosten werden gevonden. Daarom worden ook in vele teksten, in plaats van de vier windstreken, de vier zuilen des hemels genoemd.

277)De zuilen des hemels (sechent pet) komen in verschillende teksten voor. Op de schoone overwinnings-stêle van Thotmes III te Boelaq leest men: „Ik (Amon) verbreid ... de vrees voor u tot de vier zuilen des hemels.” Men stelde zich voor, dat deze zuilen aan de uiterste einden van het zuiden, noorden, westen en oosten werden gevonden. Daarom worden ook in vele teksten, in plaats van de vier windstreken, de vier zuilen des hemels genoemd.

Vroeg op den volgenden dag ging de dwerg Nemoe met een man in een eenvoudig lang kleed, naar het scheen de hofmeester van eene aanzienlijke familie, de hut voorbij, die door Warda’s vader weder in orde was gebracht, de hut waarin de soldaat eens met zijne vrouw had gewoond. Zij richtten hunne schreden naar het hol van de oude Hekt.

»Hier omlaag, edele heer,” zeide de dwerg, »verzoek ik u eenige oogenblikken te wachten, om u bij mijne moeder aan te melden.”

»Dat klinkt zeker heel deftig,” antwoordde de ander, »maar het zij zoo! Nog éene voorwaarde! De oude mag mij niet bij mijn naam noemen, noch mijn titel op hare lippen nemen. Zij noeme mij hofmeester, want men kan nooit weten... Ik meen echter, dat niemand mij in deze vermomming zal herkennen.”

Nemoe haastte zich naar het hol te gaan, waarvoor hij zijne moeder vond zitten, die reeds van verre hem tegenriep: »Laat dien heer nu niet wachten, ik weet maar al te goed wie het is!”

De kleine man legde den vinger op den mond en zeide: »Gij moet hem als hofmeester aanspreken.”

»Goed,” prevelde de tooveres. »Zoo steekt ook een struisvogel zijn kop in de veeren, wanneer hij wil dat men hem niet zien zal.”

»Is het prinsje gisteren nog lang bij Warda geweest?”

»Neen, gek!” zeide de heks lachend. »Die kinderen spelen met elkander. Rameri is een jonge ram, die nog geen horens heeft, maar toch de plek voelt, waar ze zullen uitgroeien, en reeds beproeft of hij ze ook gebruiken kan. Pentaoer kan u bij dat roodharig kopje veel gevaarlijker worden. Loop nu een-twee-drie heen; men laat zulk een hofmeester zoolang niet wachten.”

De oude gaf den dwerg een duw, en deze vloog naar Ani terug, terwijl zij den kleinen, weder op zijne plank gebonden Scheraoe in de hut droeg, en den bruinen zak over hem heen wierp.

Eenige oogenblikken later stond de stadhouder voor haar. Zij boog met eene sierlijkheid, die meer aan de zangeres Beki dan aan de tooveres Hekt deed denken, en bad hem plaats te nemen op den eenigen stoel, dien zij bezat.

Toen hij door eene beweging met de hand te kennen gaf, dat hij niet verlangde te gaan zitten, zeide zij: »Wel zeker, gij moet u nederzetten! Dan kan men u uit het dal niet zien, omdat gij achter deze rots hier verborgen zijt. Maar waarom hebt gij dit uur toch voor uw bezoek gekozen?”

»Omdat hetgeen ik met u wensch te bespreken haast heeft,” zeide Ani, »en ik in den avond licht door de wachters zou kunnen worden aangeroepen. Mijne vermomming is voldoende. Onder dit overkleed draag ik mijn gewoon gewaad. Van hier ga ik het dal in naar het graf mijner vaderen, om daar den groven rok en wat mij verder nog onkenbaar maakt af te leggen, en mijn wagen te wachten, die reeds besteld is. Ik zal aan de menschen zeggen, dat ik heden eene gelofte heb vervuld, om namelijk de groeve te voet en als een deemoedige te bezoeken.”

»Goed bedacht,” prevelde de oude. Doch Ani wees op den dwerg en zeide op beleefden toon: »Uw leerling!”

Sedert de onthulling die zij gedaan had, was Hekt voor hem niet langer de gewone tooveres. De oude vrouw gevoelde het, en neigde zich voor hem met eene buiging, die zoo geheel in de vormen, zoo hoffelijk was, dat een tamme raaf aan hare voeten zijn verbazing hierover niet kon inhouden, maar zijn zwarten snavel wijd opensperde en een gekras deed hooren. Zij wierp er een stuk kaas in, en de vogel huppelde weg, zijne geknotte vleugels naslepende, en zweeg.

»Ik moet u over Pentaoer spreken,” zeide Ani.

De oogen van de oude schoten vuur, en vol belangstelling vroeg zij: »Wat is er dan met hem?”

»Ik heb allen grond,” antwoordde de stadhouder, »dezen man voor gevaarlijk te houden. Hij staat mij in den weg. Allerlei kwaad heeft hij gedaan; wat erger is, hij heeft moorden begaan. Maar in het Seti-huis mogen zij hem gaarne lijden, en daar zouden zij hem liefst ongestraft laten. Die heeren bezitten het recht over elkander alleen de vierschaar te spannen, en ik kan aan hunne uitspraak niets veranderen. Eergisteren hebben zij vonnis geveld. Zij willen hem naar de steengroeven van Chennoe zenden278). Op al wat ik hiertegen inbracht heeft men geen achtgeslagen, en, nu ja.... Nemoe, ga naar de overzijde in het graf van Amenophis, en wacht daar op mij! Ik heb iets met uwe moeder alleen te bespreken!”

Nemoe boog en daalde den berg af, wel-is-waar verdrietig, maar toch in de zekere overtuiging, dat hij later alles zou vernemen, wat tusschen die twee verhandeld werd.

Toen de kleine verdwenen was, vroeg Ani: »Gevoelt gij nog iets voor het oude koningshuis, dat uwe ouders zoo met hart en ziel waren toegedaan?”

De oude boog toestemmend het hoofd.

»Welnu, zoo zult gij mij uw hulp niet ontzeggen, wanneer ik trachten wil het weder op te richten. Gij begrijpt hoezeer ik de priesters daarbij noodig heb, en ik heb Ameni gezworen Pentaoer niet naar het leven te zullen staan. Doch ik herhaal nog eens: hij staat mij in den weg! Ik heb mijne verspieders ook in het Seti-huis, en door dezen weet ik, wat het wegzenden van den dichter naar de steengroeven van Chennoe te beteekenen heeft. Een tijdlang laten zij hem zandsteenen houwen, en dat zal aan de gezondheid van dezen ijzersterken man eer goed dan kwaad doen. Zooals gij weet, vindt men te Chennoe, behalve die groeven, ook het groote priestercollege, dat in zeer nauwe verbinding staat met het Seti-huis. Wanneer de vloed begint te wassen en in Chennoe het grootste Nijlfeest wordt gevierd279), dan hebben de priesters daar het recht zich die misdadigers, die in de steengroeven werken, uit te kiezen tot hun eigen dienst. Het spreekt vanzelf, dat zij in het volgend jaar Pentaoer kiezen. Dan laten zij hem vrij en men lacht mij uit.”

»Niet kwaad verzonnen,” zeide de Heks!

»Ik heb nu met mijzelven, met Katoeti en ook met Nemoe raad gehouden,” ging Ani voort, »maar alles wat zij bedachtenwas, ja, wel uitvoerbaar, doch onraadzaam, en zou voor het minst tot vermoedens leiden, die ik thans zorgvuldig moet trachten te vermijden. Wat is uw raad?”

»Assa’s stam moet ondergaan!” prevelde de oude somber. Daarna staarde zij een poos nadenkend op den grond en zeide eindelijk: »Laat een gat in het schip boren, en voor het in Chennoe aankomt, met de geboeide gevangenen verzinken.”

»Neen, neen, daaraan heb ikzelf al gedacht, en ook Nemoe heeft het aangeraden,” zeide Ani. »Zoo iets is wel honderdmaal gebeurd. Ameni mag mij ook niet voor meineedig houden, en ik heb gezworen Pentaoer niet naar het leven te zullen staan.”

»O ja, dat hebt gij gezworen, en gij mannen zijt gewoon onder elkander woord te houden. Wacht eens even, hoe was het ook weer? — Gij laat het schip met de gevangenen naar Chennoe onder zeil gaan, doch gij geeft in ’t geheim aan den gezagvoerder bevel, dat hij in den nacht zoo snel mogelijk de steengroeven voorbij moet varen, en verder koers zetten naar Ethiopië. Van Soean280)laat gij de gevangenen door de woestijn naar de goudmijnen voeren. Er kunnen vier, ja misschien wel acht weken verloopen, eer men verneemt wat er gebeurd is. Spreekt Ameni u dan hierover aan, dan houdt gij u alsof gij vertoornd zijt over dit misverstand, en gij kunt bij alle goden van hemel en onderwereld zweren, dat gij Pentaoer niet naar het leven hebt gestaan. Met het doen van onderzoek verloopen weder eenige weken. Inmiddels doet Paäker het zijne en gij het uwe, en — gij zijt koning. Eene gelofte laat zich, dunkt mij, wel met een schepter verbrijzelen. En wilt gij volstrekt uw woord houden, welnu, laat Pentaoer dan in de goudmijnen. Van daar is nog nooit iemand teruggekeerd. Ook de gebeenten van mijn vader en mijne broeders zijn daar in de zon gebleekt.”

»Maar Ameni zal niet willen gelooven, dat het een misverstand is geweest,” viel Ani de tooveres angstig in de rede.

»Beken dan, dat gij dien tocht hebt bevolen!” hernam Hekt. »Verklaar dat gij te weten zijt gekomen, wat zij in Chennoe met Pentaoer voorhadden; dat gij uw woord hebt gehouden, maar dat gij een misdadiger niet straffeloos wildet laten. Zij zullen berichten inwinnen, en vinden zij den kleinzoon van Assa in het leven, dan zijt gij gerechtvaardigd. Volg mijn raad, wanneer gij waarlijk wilt toonen de belangen van uw huis ernstig te behartigen, en meester blijven van hetgeen gij bezit.”

»Het gaat niet,” zeide de stadhouder. »Ik heb den steun van Ameni niet enkel heden en morgen noodig. Ik wil geen blindwerktuig van hem worden, maar voor het oogenblik moet hij mij daarvoor houden.”

De oude haalde de schouders op, stond op, ging haar hol binnen, en kwam terug met een fleschje. »Neem dit mede,” zeide zij. »Men behoeft slechts vier druppels van dit vocht in den wijn te gieten, en het kan niet missen of die er van drinkt verliest zijn verstand. Neem de proef van dezen drank bij een slaaf, en gij zult zien dat hij uitnemend werkt.”

»Wat moet ik daarmede aanvangen?” vroeg Ani.

»U rechtvaardigen voor Ameni,” zeide de tooveres lachend. »Gij beveelt den gezagvoerder van het schip dadelijk na zijn terugkeer bij u te komen. Gij onthaalt hem op wijn, en waarom zou Ameni, als hij den half waanzinnige ziet, niet gelooven, dat deze in zijne zinsverbijstering Chennoe is voorbij gevaren?”

»Dat is verstandig, dat is voortreffelijk!” riep Ani. »Het buitengewone daalt toch nimmer af tot het platte alledaagsche. Gij waart eens de schoonste der zangeressen, en thans zijt gij de wijste der vrouwen, vrouw Beki!”

»Ik ben thans Beki niet meer, ik heet Hekt,” zeide de oude op ruwen toon.

»Zoo als gij wilt! Inderdaad, had ik Beki’s gezang gehoord, zoo zou ik mij aan haar tot grooter dank verplicht achten, dan nu aan Hekt,” zeide Ani met een glimlach. »Doch ik mag de verstandigste vrouw van Thebe niet verlaten, zonder eene ernstige vraag tot haar te richten. Is het u werkelijk gegeven een blik in de toekomst te slaan? Staan u middelen ten dienste, waardoor gij weten kunt, of het groote waagstuk — gij weet reeds wat ik bedoel, gelukken of mislukken zal?”

Hekt zag weder naar den grond, en zeide, na een kortstondig overleg: »Ik kan nog niets met zekerheid zeggen, maar uw zaak staat goed. Ziet gij daar die twee sperwers met het kettinkje aan de pooten? Zij nemen van niemand voedsel aan dan van mij. Die ruiende met zijne grauwe geslotene oogen is Ramses; die mooie en glimmende met zijne bliksemende oogen zijt gij! Het komt er nu maar op aan wie van beiden het langst leeft. Tot dusverre is het voordeel aan uwe zijde, gelijk gij ziet.”

Ani sloeg een boozen blik op den ziekelijken sperwer des konings. Hekt zeide echter: »Men moet beiden geheel gelijk behandelen, want men kan het noodlot niet dwingen.”

»Voeder ze dan goed!” riep de stadhouder, terwijl hij Hekt zijne beurs in den schoot wierp. Hij voegde er bij, zich gereedmakende om te vertrekken: »Wanneer een van beide vogels iets overkomt, laat het mij dan intijds door Nemoe weten.”

Ani daalde van den berg af, om zijne schreden te richten naar het naastbijzijnde graf zijner vaderen. Hekt kon niet nalaten hemuit te lachen, terwijl zij hem nazag, »Thans,” prevelde zij in zich zelve, »thans beschermt die gek mij, ter wille van zijn vogeltje! Die glimlachende en moedelooze man, die te lui is om voor zichzelven te denken, wil Egypte beheerschen! Ben ik dan zooveel wijzer dan andere menschen, of komen alleen de dwazen tot de oude Hekt? Doch Ramses heeft Ani toch tot zijne plaatsvervanger gekozen! Mogelijk ook wel, omdat hij den niet zeer slimmen man voor niet bijzonder gevaarlijk hield. Maar als hij zoo gedacht heeft, dan handelde hij niet wijs, want niemand is in den regel zelfzuchtiger en onbeschaamder dan de domme!”

278)De steengroeven van Chennoe, thans Gebel Silsileh, waren van buitengewonen omvang. Bijna al de zandsteen, dien men noodig heeft gehad voor het bouwen der tempels in Opper-Egypte, is daar uitgehouwen.279)Bij Chennoe wordt de stroom smaller. Onder Ramses II en zijn opvolger Mernephtah werden daar groote gedenksteenen opgericht, die schoone hymnen bevatten aan den Nijl en de lijsten der offers, die op de Nijlfeesten moesten worden gebracht. De opschriften kunnen door onderlinge vergelijking worden aangevuld. Dit is geschied door mijn vriend Stern en ook door mij op de plaats zelve. De eerste heeft ze daarna voortreffelijk verklaard in deZeitschrift für ägyptische Sprache und Altertumskunde, 1873, s. 129. Ramses de groote heeft twee Nijlfeesten ingesteld. Stern vergelijkt ze met de beide feesten, die thans nog gevierd worden, namelijk: „De nacht van den druppel,” die altijd op den 11den Baoeneh (in 1873 den 17den Juni) valt, op welk tijdstip de stand van den Nijl het laagst is, (Zie boven bl.346.), en „De doorsteking van den dam,” een feest dat geregeld wordt naar den waterstand. De twee maanden die thans nog als feestmaanden worden beschouwd, liggen even ver uit elkander als weleer de Nijlfeesten van Chennoe.280)Het oude Syene, het heilige Assoean, bij den eersten waterval.

278)De steengroeven van Chennoe, thans Gebel Silsileh, waren van buitengewonen omvang. Bijna al de zandsteen, dien men noodig heeft gehad voor het bouwen der tempels in Opper-Egypte, is daar uitgehouwen.

278)De steengroeven van Chennoe, thans Gebel Silsileh, waren van buitengewonen omvang. Bijna al de zandsteen, dien men noodig heeft gehad voor het bouwen der tempels in Opper-Egypte, is daar uitgehouwen.

279)Bij Chennoe wordt de stroom smaller. Onder Ramses II en zijn opvolger Mernephtah werden daar groote gedenksteenen opgericht, die schoone hymnen bevatten aan den Nijl en de lijsten der offers, die op de Nijlfeesten moesten worden gebracht. De opschriften kunnen door onderlinge vergelijking worden aangevuld. Dit is geschied door mijn vriend Stern en ook door mij op de plaats zelve. De eerste heeft ze daarna voortreffelijk verklaard in deZeitschrift für ägyptische Sprache und Altertumskunde, 1873, s. 129. Ramses de groote heeft twee Nijlfeesten ingesteld. Stern vergelijkt ze met de beide feesten, die thans nog gevierd worden, namelijk: „De nacht van den druppel,” die altijd op den 11den Baoeneh (in 1873 den 17den Juni) valt, op welk tijdstip de stand van den Nijl het laagst is, (Zie boven bl.346.), en „De doorsteking van den dam,” een feest dat geregeld wordt naar den waterstand. De twee maanden die thans nog als feestmaanden worden beschouwd, liggen even ver uit elkander als weleer de Nijlfeesten van Chennoe.

279)Bij Chennoe wordt de stroom smaller. Onder Ramses II en zijn opvolger Mernephtah werden daar groote gedenksteenen opgericht, die schoone hymnen bevatten aan den Nijl en de lijsten der offers, die op de Nijlfeesten moesten worden gebracht. De opschriften kunnen door onderlinge vergelijking worden aangevuld. Dit is geschied door mijn vriend Stern en ook door mij op de plaats zelve. De eerste heeft ze daarna voortreffelijk verklaard in deZeitschrift für ägyptische Sprache und Altertumskunde, 1873, s. 129. Ramses de groote heeft twee Nijlfeesten ingesteld. Stern vergelijkt ze met de beide feesten, die thans nog gevierd worden, namelijk: „De nacht van den druppel,” die altijd op den 11den Baoeneh (in 1873 den 17den Juni) valt, op welk tijdstip de stand van den Nijl het laagst is, (Zie boven bl.346.), en „De doorsteking van den dam,” een feest dat geregeld wordt naar den waterstand. De twee maanden die thans nog als feestmaanden worden beschouwd, liggen even ver uit elkander als weleer de Nijlfeesten van Chennoe.

280)Het oude Syene, het heilige Assoean, bij den eersten waterval.

280)Het oude Syene, het heilige Assoean, bij den eersten waterval.

Een uur later reed Ani, uit het graf zijner vaderen komende, rijk gekleed, op zijn schitterender wagen, het hol van de tooveres en de hut van Warda’s vader voorbij. Nemoe zat neergehurkt op de trede, de gewone zitplaats der dwergen. De kleine sloeg een blik op de herstelde hut en knarsetandde, toen hij bij Warda een man zag zitten, wiens wit gewaad door de openingen van de heining schemerde.

De bezoeker van het schoone kind was niemand anders dan prins Rameri, die in het wit gewaad van een jong schrijver van het schathuis, reeds vroeg in den morgen den Nijl was overgevaren, ten einde berichten in te winnen omtrent Pentaoer, en Warda eene roos in het haar te steken. Dit laatste voornemen was zeker wel het gewichtigste, het eerste moest ten minste daarbij achterstaan, wat aangaat de volgorde van tijd. Hij vond het dan ook noodig deze zijne handelwijze voor zichzelven op allerlei deugdelijke gronden te verontschuldigen. Vooreerst liep de roos, die goed geborgen was in de plooien van zijn gewaad gevaar te verwelken, wanneer hij allereerst bij het Seti-huis op zijne makkers bleef wachten. Vervolgens had zich bij het Seti-huis iets kunnen voordoen, dat hem zou hebben gedwongen haastig naar Thebe terug te keeren. Ten laatste was het ook niet onmogelijk, dat Bent-Anat hem den ceremoniemeester achterna zond, en in dat geval zou elke vertraging zijn voornemen geheel kunnen verijdelen.

Geen wonder dus dat zijn hart hevig klopte, toen hij zich spoedde naar de hut, niet alleen ter wille van het meisje, maar ook omdat hij zichzelven bekennen moest niet goed te handelen. De plaats die hij betreden zou was onrein, en tegenover Warda had hij voor het eerst gelogen. Hij had zich uitgegeven voor een edelknaap uit het gevolg van Bent-Anat, en daar de eeneonwaarheid de andere meestal na zich sleept, had hij op hare vragen naar zijne ouders en zijn leven allerlei logenachtige antwoorden moeten verzinnen. Was dan het booze aan die onreine plaats machtiger over hem, dan in het Seti-huis en in het paleis zijns vaders? Zoo scheen het wel te zijn, want de booze Seth veroorzaakte alle beroering in de natuur en in elke menschelijke ziel, en — hoe stormde het in zijn borst! En toch, hij wilde Warda enkel goed doen. Zij was zoo schoon, zoo vriendelijk! Zij zag er uit als ware zij het kind van eene godheid! Voorzeker, dat blanke meisje was geroofd en behoorde niet te huis onder de onreinen.

Toen de prins den tuin van de hut intrad, was Warda niet te zien. Doch weldra vernam hij hare stem van binnen door de geopende deur. Zoodra zij hoorde dat de hond vijandig tegen Rameri begon te blaffen, liep zij naar buiten.

Op het gezicht van den prins verschrikte zij, en zeide: »Zijt gij daar nu weder? Maar ik heb u immers gewaarschuwd? Mijne grootmoeder daarbinnen is de vrouw van een Paraschiet.”

»Haar breng ik ook geen bezoek,” antwoordde de prins, »maar u alleen. En gij behoort niet tot deze onreinen, heb ik zoo juist tot mijzelven gezegd. In de woestijn groeien geen rozen.”

»En toch,” hernam Warda met zekerheid, »ben ik het kind van mijn vader, en de kleindochter van mijn armen verslagen grootvader. Wis-en-zeker behoor ik bij hen, en ben ik voor iemand daarom te gering, dan blijve hij verre van mij.”

Dit zeggende maakte zij zich gereed om de hut weder binnen te gaan. Doch Rameri greep hare hand, hield haar terug en zeide: »Wat zijt gij boos! Heb ik dan niet getracht u te redden, en ben ik niet tot u gekomen, eer de gedachte in mij opkwam, dat gij zoudt kunnen.... nu ja, dat gij toch zoo geheel ongelijk waart aan hen, die gij uwe bloedverwanten noemt? Gij moet mij niet verkeerd verstaan; het was mij alleen eene schrikkelijke gedachte, dat gij, zoo blank als eene lelie en zoo schoon, mede zoudt lijden onder dien vreeselijken vloek. Iedereen, zelfs mijne meesteres Bent-Anat, wordt door u aangetrokken, en zoo kwam het mij onmogelijk voor, dat....”

»Dat ik tot de onreinen zou behooren. Spreek het maar uit!” zeide Warda zacht, terwijl zij hare oogen nedersloeg. Daarop vervolgde zij op levendiger toon: »Maar die vloek is onrechtvaardig, zeg ik u, want er is nooit beter mensch geweest, dan mijn arme grootvader was.” En bij deze woorden rolden de tranen haar langs de wangen.

»Ik wil het gaarne gelooven,” sprak Rameri, »en het moet zeer moeielijk vallen goed te blijven, als de menschen u verachtenen schelden. Wat mij betreft, ik laat mij door verwijten tot niets dwingen, maar door lof kan men alles goeds van mij gedaan krijgen. Doch ik moet bekennen, dat de menschen wel genoodzaakt zijn, mij en de mijnen met achting te bejegenen.”

»En ons met minachting,” viel Warda hem in de rede. »Doch ik wil u eens wat zeggen. Als men weet dat men goed is, dan is het ons onverschillig, of wij door anderen veracht worden of geëerd. Ja, wij mogen trotscher zijn dan gijlieden, want gij, groote heeren, moet dikwijls voor u zelven bekennen, dat gij minder waard zijt dan de menschen u schatten, maar wij weten dat wij meer gelden.”

»Juist, zóo heb ik mij u voorgesteld!” riep Rameri eensklaps uit. »En daar is toch éen, die uwe waarde erkent, en dat ben ik! Zou ik anders wel gedurig en altijd weder aan u denken?”

»Maar ik heb ook aan u gedacht,” zeide Warda. »Zooeven, toen ik bij mijne zieke grootmoeder zat, kwam het voor ’t eerst in mijne ziel op, hoe heerlijk het zou zijn, wanneer ik eens een broeder had die op u geleek. Weet gij wel wat ik doen zou, als gij mijn broeder waart?”

»Welnu?”

»Ik zou een wagen voor u koopen en paarden, en dan zoudt gij met ’s konings dapperen moeten uittrekken.”

»Zijt gij dan zoo rijk?” vroeg Rameri lachend.

»O ja,” antwoordde Warda. »Hoewel eerst sedert een uur. Kunt gij lezen?”

»Ja.”

»Denk eens, toen ik ziek was, zonden zij mij een arts uit het Seti-huis. Hij was zeer bekwaam, maar een wonderlijk man. Hij zag mij dikwijls zoo vreemd met zijne oogen aan, alsof hij dronken was, en als hij sprak stotterde hij.”

»Heet hij Nebsecht?” vroeg de prins.

»Ja, Nebsecht. Hij had ook iets zonderlings voor met grootvader, en bij dien schrikkelijken aanval op ons, sprong hij, nadat Pentaoer en gij ons hadt gered, mede voor ons in de bres. Sedert is hij niet weder gekomen; ik werd dan ook veel beter. Doch heden, zoowat een paar uren geleden, blafte de hond, en een vreemde bejaarde man trad mij te gemoet. Hij gaf voor Nebsecht’s broeder te zijn, en zeide dat hij veel geld voor mij bewaarde. Hij schonk mij ook een ring en voegde daarbij, dat hij aan ieder, die dezen aan hem van mijnentwege terug kwam brengen, het geld zou uitbetalen. Vervolgens las hij mij dezen brief voor.”

Rameri nam den brief van haar aan, en las:

»Nebsecht aan de schoone Warda!

»Nebsecht groet Warda en deelt haar mede, dat hij harenOsiris geworden grootvader Pinem, wiens lijk de Kolchyten balsemen, alsof hij een der aanzienlijksten was geweest, een som van duizend gouden ringen schuldig is. Hij heeft zijn broeder Teta opgedragen, deze som ten allen tijde voor haar gereed te houden. Zij kan zich geheel aan Teta toevertrouwen, want hij is rechtschapen. Het staat haar vrij hem om geld te vragen, zoo vaak zij het noodig heeft. Het zou ’t beste zijn, wanneer zij aan mijn broeder overliet het geld voor haar te beheeren, en voor haar een huis met een stuk bouwland te koopen. Dan moet zij dat huis met hare grootmoeder betrekken, om er zonder zorgen in te wonen. Hij wenscht dat zij nog éen jaar zal wachten, vóor zij een man volgt, die haar tot vrouw begeert. Nebsecht heeft Warda hartelijk lief. Is hij na verloop van dertien maanden niet bij haar geweest, zoo mag zij zich tot echtgenoot kiezen wien zij wil, maar niet voordat zij den tolk des konings het kleinood heeft getoond, dat hare moeder haar naliet.”

»Vreemd!” zeide Rameri. »Wie had gedacht dat die wonderlijke arts, die altijd vuile kleederen droeg, zoo edelmoedig kon zijn! Maar wat voor kleinood bezit gij?”

Warda maakte haar kleedje open, en toonde den prins het schitterend juweel.

»Dat zijn diamanten! Inderdaad, dat is zeer kostbaar!” riep de prins. »Daar in het midden, in dat half ovaal van onyx, staan scherp gesneden schriftteekens. Ik kan ze niet lezen, maar ik wil ze den tolk laten zien! — Heeft uwe moeder dat kleinood gedragen?”

»Vader vond het bij haar, toen zij stierf,” antwoordde Warda. »Zij kwam als krijgsgevangene naar Egypte, en was zoo blank als ik, maar stom, zoodat zij den naam van haar vaderland niet noemen kon.”

»Dan behoorde zij zeker tot eene aanzienlijke familie in het buitenland, en de moeder bepaalt de afkomst der kinderen,” hernam Rameri levendig. »Gij zijt een prinsesje, Warda! O, ik kan u niet zeggen, hoeveel genoegen mij dit doet en hoe lief ik u heb!”

Het meisje glimlachte en zeide: »Dan behoeft gij nu ook niet meer te vreezen het onreine meisje aan te raken.”

»Gij zijt hard!” gaf de prins haar ten antwoord. »Wil ik u eens zeggen, wat ik gisteren voornam, wat mij heden nacht belette te slapen, en waarom ik eigenlijk hier kwam?”

»Nu?”

Rameri haalde de schoone witte roos uit zijn kleed te voorschijn, en zeide: »Het is misschien kinderachtig, maar ik dacht hoe het wel staan zou, als ik deze bloem eens met mijne eigene vingers in uw glanzend haar kon steken. Mag ik?”

»Die roos is kostelijk. Zoo schoon heb ik er nog nooit eene gezien!”

»Zij is dan voor mijn trotsch prinsesje. Kom, laat mij u nu eens opsieren. Als de zijde van Tyrus, als de borst van een zwaan, als de stralen der gouden sterren, zoo zacht zijn uwe glanzende haren! — Daar steekt zij vast! — Neen, laat de roos nu zoo zitten. Als de zeven Hathors u zien, moeten zij u wel benijden, want gij zijt schooner dan zij allen te zamen.”

»Foei, gij vleier!” zeide Warda, een weinig beschaamd en blozend. Toch zag zij Rameri in de heldere oogen.

»Ach, Warda!” riep de prins, terwijl hij de hand op zijn hart legde, »nu heb ik nog een enkele wensch. Voel maar hoe het hier bonst en klopt. Ik geloof, dat dit niet eer tot rust zal komen, voor ge mij.... nu ja, Warda — voor ge mij veroorlooft u een kus, maar een enkelen, te geven.”

Het meisje ging achteruit en zeide ernstig: »Neen! Nu zie ik waar gij heen wilt. De oude Hekt kent de menschen en heeft mij gewaarschuwd.”

»Wie is Hekt, en wat kan zij dan van mij weten?”

»Zij heeft mij gezegd, dat er een tijd zal komen, waarop een man mij zal naderen. Zijn oog zal het mijne zoeken, en wanneer ik zijn blik zal beantwoorden, dan zal hij naar mijne lippen verlangen. Dan moest ik, zeide zij, weigeren, want wanneer ik mij zijn kus liet welgevallen, dan zou hij naar mijne ziel grijpen en haar rooven. Ik zou zielloos moeten ronddwalen, als de rustelooze geesten, die de diepte opwerpt en de stormwind wegdrijft, die de zee uitspuwt en de hemel niet hebben wil. Ga daarom van mij weg, want ik zou u een kus niet kunnen weigeren, en wil toch niet rusteloos zonder ziel omdwalen!”

»Is die oude goed, die u dat geleerd heeft?” vroeg de prins.

Warda schudde ontkennend het hoofd.

»Dat kan zij ook niet zijn!” hernam Rameri, »want zij heeft onwaarheid gesproken. Ik wil uwe ziel niet wegnemen, integendeel: ik wil u de mijne bij de uwe geven, en gij zult mij de uwe geven bij de mijne, en zoo zullen wij beide niet armer maar rijker worden!”

»Hoe gaarne zou ik dat willen gelooven,” zeide Warda nadenkend. »Iets dergelijks heb ikzelve ook reeds gedacht. Toen ik nog gezond was, moest ik dikwijls ’s avonds laat naar den Nijl om water te scheppen bij de landingsplaats, waar het groote scheprad staat. Duizende druppels vielen er neder van den aarden emmer, en in elken spiegelde zich eene maan, en toch stond er maar éene aan den hemel. Dan dacht ik zoo bij mij zelve: Zoo zal het ook zijn met de liefde in het hart. Men heeft toch maar éene liefde, en wij storten haar toch over in verschillende harten, zonder dat zij vermindert in kracht of matter wordt van glans. Ik dacht aan mijne grootouders, aan vader, aan den kleinenScheraoe, aan den goden en aan Pentaoer. Nu kan ik ook u wel een deel ervan geven?”

»Maar een deel?” vroeg Rameri.

»Neen,” zeide Warda, »zij zal zich geheel in u afspiegelen, zooals de geheele maan zich vertoonde in elken druppel..”

»Dat zal zij,” riep de koningszoon, sloeg zijn arm om het slanke middel van het bevende meisje, en de beide jeugdige menschenzielen, verbonden zich aan elkander door een eersten kus.

»Ga nu ook heen!” smeekte Warda.

»Laat mij nog een oogenblik blijven!” vroeg de prins. »Zet u naast mij op de bank voor de hut. De heining verbergt ons voor het oog der wandelaars. Bovendien, het dal is nu eenzaam en verlaten.”

»Wat wij doen is niet goed,” zeide Warda nadenkend, »anders zouden wij niet noodig hebben ons te verbergen.”

»Houdt gij dan voor kwaad, wat de priester in het allerheiligste verricht?” vroeg Rameri. »En toch wordt dit onttrokken aan aller oogen.”

»Wat zijt gij bedreven in de kunst van te overreden!” zeide Warda lachend. »Ik begrijp het: gij kunt schrijven, en gij zijt zijn leerling geweest.”

»Zijn! zijn!” riep Rameri. »Gij bedoelt zeker Pentaoer. Van al mijne leermeesters heb ik hem altijd het meest liefgehad, maar het hindert mij toch als gij zoo over hem spreekt, als lag hij u nader aan het hart dan ik en die anderen. De dichter, zeidet gij, was een der druppels, waarin het maanlicht uwer liefde zich afspiegelde, en ik wil niet met velen deelen!”

»Hoe kunt gij zoo spreken!” viel Warda hem in de rede. »Eert gij dan uw vader niet en de goden? Zooals ik u liefheb, bemin ik geen ander, en wat ik zooeven gevoelde, toen gij mij hebt gekust, dat was ook niet als het maanlicht, maar brandend als de zon op dit middaguur. Zoo vaak ik aan u dacht, was mijne rust geweken. Ik wil het u wel bekennen, wel twintigmaal zag ik te voren naar buiten, in stilte vragende: ‚Zou mijn redder, die lieve en vriendelijke krullebol ook komen, of zou hij mij, arm meisje, versmaden?’ Gij zijt gekomen, en ik ben zoo gelukkig! Ik zou met u van ganscher harte kunnen jubelen! Kom, wees weer vriendelijk, anders trek ik u bij de lokken!”

»Ga je gang maar!” hernam Rameri. »Gij kunt met uw kleine hand geen zeer doen, maar — wel met woorden. Pentaoer is zeker wijzer en beter dan ik. Gij zijt ook veel aan hem verschuldigd en ik mocht wel....”

»Ga niet verder!” viel Warda hem in de rede. Op ernstigen toon ging zij voort: »Er zijn geen twee menschen geheel aanelkander gelijk. Als hij mij wilde kussen, dan zou ik als stof ineen vallen, gelijk door de zon geblakerde asch, die men met den vinger aanraakt. Ik zou zijn lippen kunnen vreezen als die van een leeuw. Al drijft gij er misschien den spot mede, zoo geloof ik toch altijd, dat hij een van de hemelsche goden is. Zijn eigen vader heeft mij gezegd, dat er reeds op den dag zijner geboorte een groot wonder met hem heeft plaats gehad. De oude Hekt heeft mij dikwijls naar den hovenier gezonden met den last naar zijn zoon te vragen. De man is wat ruw, maar goed. In den beginne was hij niet vriendelijk, maar toen hij zag hoeveel schik ik had in zijne bloemen, kreeg hij mij lief en gaf mij wat te doen. Want hij liet mij kransen vlechten en ruikers maken, en dan naar zijne klanten brengen.

»Als wij zoo bij elkander zaten en het eene bloempje naast het andere legden, vertelde hij altijd van zijn zoon, en van zijne schoonheid, wijsheid en goedheid. Toen hij nog een kleine jongen was, kon hij reeds dichten. Hij heeft leeren lezen, zonder dat iemand hem daarin onderwezen had. De opperpriester Ameni kwam dit te weten, en daarom nam hij hem in het Seti-huis op. Daar ontwikkelde hij zich zoo buitengewoon, dat de hovenier ervan verbaasd stond. Nog kort geleden wandelde ik met den ouden man langs de bloembedden. Hij sprak over Pentaoer als altijd, en bleef staan voor een heerlijken heester met breede bladeren, zeggende: ‚Mijn zoon is gelijk aan deze plant, die bij mij opgroeide, ik weet zelf niet hoe. Het zaad ervan heb ik tegelijk met andere zaadkorrels, die ik in Thebe had gekocht, in den grond gelegd. En nu kan niemand zeggen, van waar die struik afkomstig is, en toch is hij mijn eigendom. Uit Egypte is hij zeker niet afkomstig. En overtreft Pentaoer niet mij en zijne moeder, en zijne broeders en zusters, gelijk deze struik de andere bloemen? Wij zijn allen grof en klein, en hij is slank; onze huidkleur is donker en de zijne is roodachtig; ruw is onze spraak en zijne stem klinkt als gezang. Ik blijf er bij, hij is het kind eener godheid, dat de hemelsche goden in mijn nederig huis hebben neergelegd. Wie begrijpt hunne raadsbesluiten?’

»Menigmaal heb ik Pentaoer bij de feesten gezien, en dan zeide ik tot mij zelve: Welke andere priester uit het Seti-huis kan in houding en gestalte met hem vergeleken worden? Ik hield hem voor een god, en nu ik gezien heb, toen hij mijn leven redde, hoe hij door bovenmenschelijke kracht gansche scharen van aanvallers weerstond, zou ik hem niet als een hooger wezen, beschouwen? Ik zie tot hem op als tot zulk een goddelijk wezen maar ik zou hem nooit in de oogen kunnen zien als u. Deed ik het, dan zou mij het bloed in de aderen stollen, in plaats van sneller te vloeien. Hoe zal ik het uitdrukken? U vindt mijne ziel,wanneer ik vooruit zie, maar om hem te vinden, moet zij den blik naar boven richten. Gij zijt voor mij een frissche rozenkrans, waarmede ik mij tooi, en hij is een heilige Persaboom281), waarvoor ik mij nederbuig!”

Rameri had zwijgend naar haar geluisterd en zeide nu: »Ik ben nog jong, en heb nog geen gelegenheid gehad te toonen wie ik ben. Doch er zal een tijd komen, waarin gij ook tot mij zult opzien als tot een boom, wel niet als tot een heiligen, maar als tot een sykomore, onder welks schaduw wij het liefst rusten. Ik ben niet vroolijk meer en wil u verlaten, want ik heb een heiligen plicht te vervullen. Pentaoer is in allen deele een man, en dat wil ik ook worden. Gij zult echter de rozenkrans zijn, die mij siert. Mannen, die men met bloemen vergelijkt, staan mij tegen.”

De prins stond op en reikte Warda zijne rechterhand.

»Gij hebt eene sterke hand,” zeide het meisje. »Gij zult zeker een voortreffelijk man worden, en deze hand gebruiken tot iets goeds en iets groots. Zie maar, mijne vingers zijn rood geworden van uw handdruk. Al zijn zij teeder, zij zijn toch niet geheel onnut. Het is zoo, zij hebben nooit zware dingen gehanteerd, maar wat zij aanraken en verzorgen, zeide grootvader dikwijls, dat gedijt, en hij noemde ze daarom ‚gelukkig.’ Zie maar eens die schoone leliën en dien granaatstruik dáar in den hoek. Grootvader heeft voor mij aarde van den Nijl hierheen gedragen. Pentaoer’s vader heeft mij de zaden geschonken en elk plantje, dat waagde boven den grond als een groen scheutje zich te vertoonen, heb ik zoo lang gekoesterd, verpleegd en met moeite begoten — want ik moest er in mijn kruikje het water voor gaan halen — tot het levenskracht bezat om voor zichzelve te zorgen en mij met bloemen kon danken. Neem deze granaat. Zij is de eerste, die aan mijn struik bloeide, en heeft eene bijzondere beteekenis. Want toen de stevige knop in de lengte uitgroeide, zich begon te ronden en van dag tot dag zich rooder kleurde, toen heeft grootmoeder gezegd: Nu zal uw hartje ook weldra kloppen en beginnen lief te hebben. Thans begrijp ik ook wat zij bedoelde. U komen dan ook de beide eerste bloementoe, die roode van dezen struik hier, en die andere, die men wel niet ziet, maar die nog oneindig vuriger schittert.”

Rameri drukte den granaatbloesem aan zijne lippen, en strekte zijne hand naar Warda uit, maar zij week terug, want er sloop onverwacht iemand door de opening van de heining.

Het was niemand anders dan de kleine Scheraoe, die de oude Hekt tot dwerg opvoedde. Zijn aardig gezichtje gloeide, en hij haalde snel adem, omdat hij zoo hard geloopen had. Een tijdlang deed hij te vergeefs zijn best om woorden uit te brengen, terwijl hij angstig tot den prins opzag.

Warda zag het den kleine wel aan, dat hij iets bijzonders op het hart had. Zij sprak hem vriendelijk toe, en zeide, toen hij verlangde haar te spreken, dat Rameri haar beste vriend was, waarvoor hij niet bang behoefde te zijn.

»Maar het betreft niet u of mij,” antwoordde het knaapje, »maar den goeden heiligen vader Pentaoer, die zoo vriendelijk voor mij was, en die u het leven heeft gered.”

»Ik ben Pentaoer zeer genegen,” zeide de prins. »Niet waar, Warda? Hij mag gerust in mijne tegenwoordigheid over hem spreken.”

»Mag ik?” vroeg Scheraoe. »Dan is het goed. Ik ben stillekens weggeslopen. Hekt kan ieder oogenblik terugkomen, en wanneer zij bemerkt, dat ik van huis ben gegaan, dan krijg ik zeker slagen en geen eten.”

»Wie is dan toch die schandelijke Hekt?” vroeg de prins met eenige ongerustheid.

»Dat mag Warda u later vertellen,” zeide de kleine hijgend. »Hoort nu naar mij. Zij had mij op mijn plank in de hut gelegd, en mij met een zak verborgen. Eerst kwam Nemoe en toen een ander man, dien zij hofmeester noemde. Met dezen heeft zij veel gesproken. In den beginne luisterde ik niet, maar toen ik den naam van Pentaoer verstond, maakte ik mijn hoofd vrij en hoorde alles. De hofmeester zeide, dat Pentaoer een slecht man was, en dat hij hem in den weg stond. Hij vertelde dat de opperpriester Ameni hem naar de steengroeven van Chennoe wilde zenden, maar dat die straf veel te gering was. Toen heeft Hekt hem aangeraden, dat hij den scheepsgezagvoerder heimelijk zou bevelen, hem voorbij Chennoe en naar Ethiopië te brengen, naar die vreeselijke mijnwerken, waarvan zij mij dikwijls verteld heeft. Want haar vader en haar broeder zijn daar zoo lang gemarteld tot zij dood waren.”

»Van allen die daarheen gingen is nooit iemand wedergekeerd,” riep de prins. »Maar vertel verder!”

»Ja, wat er nu kwam, dat kon ik maar half verstaan. Maar zij sprak van een drank, die waanzinnig maakt. O, wat heb ikal niet moeten zien en hooren! Ik zou liever levenslang op mijn plank willen liggen, maar dit alles is toch te afgrijselijk. Ik wou dat ik dood was!”

De kleine begon bitter te weenen. Warda, die onder zijn verhaal al bleeker en bleeker was geworden, streelde hem liefderijk.

»Dat is vreeselijk en ongehoord,” riep Rameri echter. »Wie was dan toch die hofmeester? Hebt gij zijn naam niet verstaan? Kom wat tot u zelven, beste jongen, en houd op met weenen. Het is hier om eens menschen leven te doen. Wie was die schurk? Noemde hij zich niet? Bedenk u eens wel!”

Scheraoe beet zich op de roode lippen, en deed al zijn best om tot bedaren te komen. Zijne tranen hielden op te vloeien en plotseling riep hij, terwijl hij in de borstopening van zijn versleten kleedje greep: »Wacht even, misschien zult gij hem wel herkennen. Ik heb hem nagemaakt.”

»Wat hebt gij?” vroeg de prins.

»Wel, ik heb hem nagemaakt,” vervolgde Scheraoe, en haalde voorzichtig eene in een lapje gewikkelde massa te voorschijn. »Ik kon zijn hoofd juist zeer scherp van terzijde zien, terwijl hij sprak, en mijne klei lag naast mij. Ik moet altijd boetseeren, als mijn hart zoo klopt, en ditmaal maakte ik haastig zijn gezicht na. Daar het portret niet slecht gelukt was, stak ik het bij mij, om het als Hekt de hielen zou lichten, aan mijn meester te toonen”282)!

De kleine had, terwijl hij deze woorden sprak, met bevende vingers de lappen van het model afgenomen, dat hij thans aan Warda overhandigde.

»Ani!” riep de prins. »Hij is ’t en geen ander! Wie had het kunnen denken! Wat wil hij van Pentaoer? Wat heeft de priester hem in den weg gelegd?”

Een oogenblik stond hij na te denken; toen sloeg hij zich met de hand voor het voorhoofd en riep in heftige beweging: »Ik gek! Kind, dat ik ben! — Ja, zoo is ’t, zoo is ’t! Ik weet alles! Ani heeft aanzoek gedaan om de hand van Bent-Anat, en zij.... Ja, nu eerst, sedert ik u liefheb, Warda, begrijp ik wat er in haar omgaat. — Weg met alle bedrog! Ik wil niet langerliegen. Ik hen geen edelknaap van Bent-Anat; ik ben haar broeder, koning Ramses’ eigen zoon. — Bedek uw aangezicht niet met uwe handen, Warda, want al had ik ook niet het kleinood uwer moeder gezien, al ware ik geen prins, maar Horus zelf, de zoon van Isis in eigen persoon, dan zou ik u toch moeten liefhebben en niet loslaten. Maar thans heb ik wat anders te doen dan met u te keuvelen. Thans zal ik u toonen dat ik een man ben. Thans is de vraag Pentaoer te redden. Vaarwel, Warda, blijf aan mij denken!”


Back to IndexNext