VIERDE HOOFDSTUK.

Hij wilde zich haastig verwijderen, doch Scheraoe hield hem bij zijn kleed vast en sprak schuchter: »Gij zegt dat gij een zoon van Ramses zijt. Nu, ook over dezen heeft de oude Hekt met hem gesproken. Zij vergeleek hem bij onzen ruienden sperwer.”

»Weldra zal hij de klauwen van den koningsadelaar gevoelen,” riep de prins. »Nog eenmaal, vaarwel!”

Hij reikte Warda de hand, en zij drukte hare brandende lippen erop. Doch hij trok de hand terug, kuste haar op het voorhoofd en ijlde heen.

Sprakeloos en bleek zag het meisje hem achterna. Zij merkte op hoe hij een man voorbij vloog, en herkende in dezen haren vader. Dadelijk ging zij hem te gemoet. De soldaat kwam om van haar afscheid te nemen, want hij moest gevangenen wegbrengen.

»Naar Chennoe?” vroeg Warda.

»Neen, naar het noorden,” antwoordde de roodbaard.

Zijne dochter vertelde hem nu wat zij gehoord had, en vroeg of hij den priester, die haar leven gered had, helpen kon.

»Ja, als ik geld had, als ik geld had!” prevelde Kaschta nadenkend.

»Dat hebben wij!” riep Warda. Zij vertelde hem wat Nebsecht haar geschonken had en zeide: »Breng mij over den Nijl, en in twee uren hebt gij wat een mensch rijk kan maken283).... Doch neen, ik kan mijne zieke grootmoeder toch niet alleen laten! Neem gijzelf den ring, en vergeet niet dat zij Pentaoer straffen, omdat hij het waagde mij in zijne bescherming te nemen.”

»Dat zal ik wel in gedachte houden,” zeide de soldaat. »Ik heb maar éen leven, en dat wil ik er gaarne aan wagen omhet zijne te redden. Aanslagen kan ik niet verzinnen, maar iets weet ik toch, en wanneer mij dat gelukt, behoeft hij niet naar de goudmijnen te gaan. Ik laat mijne wijnkruik hier; geef mij een dronk water, want in de eerstvolgende uren heb ik een nuchter hoofd noodig.”

»Daar hebt gij het water, maar ik giet er toch een scheut wijn bij! Komt gij weder om mij bericht te brengen?”

»Dat zal moeielijk gaan, want tegen middernacht breken wij op. Doch wanneer iemand u den ring terugbrengt, dan is mijn voornemen gelukt.”

Warda ging in de hut, gevolgd door haar vader, die afscheid nam van zijne zieke moeder en zijne dochter. Toen hij weer buiten kwam, zeide hij: »Gij kunt van de geschenken der prinses leven tot ik terugkom, en ik heb maar de helft noodig van het geschenk van den arts. — Maar waar zijn uwe granaatbloemen?”

»Die heb ik geplukt, en op een geliefkoosd plekje bewaard.”

»Wonderlijke wezens zijn die vrouwen toch!” prevelde de gebaarde man, kuste voorzichtig zijn kind op het voorhoofd, en keerde naar den Nijl terug, vanwaar hij gekomen was.

De prins was intusschen voortgesneld, en deed in de haven van de Nekropolis onderzoek — want van daar voeren gewoonlijk de schepen met gevangenen in den nacht af — waar het voor Chennoe bestemde vaartuig voor anker lag. Daarna liet hij zich den Nijl overzetten, en spoedde hij zich naar Bent-Anat. Hij vond haar en Nefert in buitengewone spanning, want de trouwe ceremoniemeester was door vrienden des konings in Ani’s omgeving te weten gekomen, dat de stadhouder alle naar Syrië bestemde brieven, en daaronder ook die van Ramses’ kinderen, in Thebe had opgehouden. Een kamerheer, die den koning geheel was toegedaan, had daarop, door den ceremoniemeester aangemoedigd, aan Bent-Anat nog een en ander medegedeeld, dat haar bijna niet langer kon doen twijfelen aan Ani’s eerzuchtige plannen.

Men had de prinses ook gebeden zich voor Nefert te wachten, wier moeder de vertrouwdste raadgeefster van den stadhouder was, doch Bent-Anat had bij deze mededeeling gelachen. Zij had terzelfder ure een bode tot Ani gezonden om hem mede te deelen, dat zij bereid was de bedevaart naar de Smaragden-Hathor te ondernemen, en zich in den tempel dezer godin te laten reinigen. Haar voornemen was vandaar boden naar haarvader te zenden, en hem, als hij het toestond, in het legerkamp te volgen. Zij had dit plan aan hare vriendin medegedeeld, en Nefert hield elken weg voor de beste, die haar nader zou brengen bij haar gemaal.

Rameri werd haastig in alles ingewijd. Hij berichtte daarentegen op zijn beurt al wat hij vernomen had, en liet Bent-Anat vermoeden, dat hij het geheim van haar hart doorzag. Zoo waardig was zijne houding, zoo ernstig waren de woorden, die de anders zoo overmoedige wildzang sprak, dat Bent-Anat bij zichzelve dacht: het gevaar dat dit huis bedreigt, heeft dezen knaap opeens tot een man doen rijpen.

Zij had dan ook niets tegen zijne beschikking in te brengen. Hijzelf wilde, alleen vergezeld door een enkel getrouw dienaar, na zonsondergang, met vlugge paarden naar Keft284)rijden, en vandaar in aller ijl door de woestijn naar de Schelfzee, ten einde daar een Phoenicisch schip te huren en naar Alia285)te zeilen. Vandaar wilde hij door het rotsgebergte van het Sinaïtisch schiereiland heen met versnelde marschen het Egyptisch leger en zijn vader trachten te bereiken, ten einde hem in kennis te stellen met Ani’s misdadige plannen.

Voorts werd aan Bent-Anat opgedragen, met behulp van den getrouwen ceremoniemeester Pentaoer te redden. Aan geld ontbrak het niet, want ook de schatmeester was haar toegedaan. Het kwam er nu maar op aan den scheepsgezagvoerder te bewegen in Chennoe te landen. Het lot van den dichter was in het ergste geval daar toch draaglijk. Te gelijker tijd zou een getrouwe bode met een schrijven naar den gouverneur van Chennoe worden gezonden, een bevel inhoudende, in naam van koning Ramses, om elk schip, dat bij nacht de stroomengte van Chennoe zou passeeren, aan te houden, alsmede om te beletten, dat de gevangenen, die tot den arbeid in de steengroeven van zijne stad waren veroordeeld, naar Ethiopië werden gesleept.

Rameri nam afscheid van de vrouwen, en het gelukte hem Thebe onopgemerkt te verlaten.

Bent-Anat lag biddend voor de beelden van hare Osirische moeder, van Hathor en de beschermgoden van haar huis, tot de ceremoniemeester terugkeerde en haar mededeelde, dat hij den gezagvoerder had overgehaald in Chennoe te landen, en voor Ani te verzwijgen, dat de geheele aanslag verraden was.

De prinses haalde weder vrij adem, toen zij dit hoorde, want zij was besloten, wanneer de zending van haar trouwen dienaarmocht mislukken, naar de Nekropolis over te steken, te verbieden dat het schip zou afvaren, en in het uiterste geval het volk dat haar trouw was tegen Ani op te roepen.

Den volgenden morgen liet vrouwe Katoeti aan de prinses verlof vragen, of zij haar dochter zou mogen spreken. Bent-Anat vertoonde zich echter niet aan de weduwe, wier poging, om namelijk haar kind van de reis met de koningsdochter terug te houden en weder in haar huis op te nemen, schipbreuk leed. De gekrenkte moeder was daarop verstoord en onrustig geworden, en ijlings naar Ani gegaan, teneinde hem te verzoeken Nefert met geweld terug te houden. Maar de stadhouder wilde alles vermijden wat opzien kon verwekken, en Bent-Anat laten vertrekken met een gevoel van volkomene gerustheid.

»Wees niet bezorgd,” zeide hij; »ik zal de vrouwen eene vertrouwde schare medegeven, die haar bij de Smaragden-Hathor zal terughouden, tot hier alles zijn beslag heeft gekregen. Dan moogt gij Nefert in de armen voeren van den ruwen Paäker, wanneer hij u als schoonzoon nog aangenaam zal zijn, na alles wat ik ten uitvoer zal hebben gebracht. Wat mij betreft, mogelijk beweeg ik ten slotte mijne trotsche nicht nog wel, in plaats van naar beneden, naar boven te zien. Ik zal haar tweede geliefde zijn, maar zij is ook niet mijne eerste!”

De beiden vrouwen braken den volgenden dag op. Ani nam afscheid van haar met zijne gewone vriendelijkheid, die koel en vormelijk werd beantwoord.

De priesterschap van den Amon-tempel te Thebe, met den ouden Bek-en-Choensoe aan het hoofd, deed haar tot aan de haven uitgeleide. Het volk aan den oever riep Bent-Anat’s naam en sprak luide vele zegenwenschen uit. Doch er werden ook honende woorden gehoord.

Het Nijlschip waarop zich de beide bedevaartgangsters bevonden, werd gevolgd door twee andere, beladen met soldaten, die de vrouwen moesten begeleiden »om haar te beschermen.” De zuidenwind deed de zeilen zwellen en voerde het vaartuig snel stroomafwaarts. De prinses zag nu eens op naar het paleis harer vaderen, dan weder naar de graven en tempels van de Nekropolis. Eindelijk verdwenen ook de kolossen van Amenophis en de laatste huizen van Thebe uit het oog. De anders zoo sterke jonkvrouw zuchtte smartelijk, en tranen rolden haar langs de wangen. Het was haar alsof zij de vlucht nam na een verloren veldslag, hoewel niet moedeloos, maar hopende op eene toekomstige zege.

Toen Bent-Anat zich omkeerde, om naar de kajuit te gaan, trad een gesluierd meisje haar te gemoet. Zij verwijderde het doek, dat haar aangezicht verborgen hield, en zeide: »Vergeefmij, prinses, ik ben Warda, die gij overreden hebt, en voor wie gij zoo goed zijt geweest. Mijne grootmoeder is gestorven, en ik ben nu geheel alleen. Ik sloop onder uwe dienstmaagden naar u toe, want ik wil u volgen en alles doen wat gij beveelt. Wijs mij nu niet terug!”

»Blijf, lief kind,” zeide de prinses, en bij deze woorden legde zij de hand op haar hoofd. Zij was getroffen over hare buitengewone lieftalligheid en dacht onwillekeurig aan haar broeder, en zijn wensch om Warda’s glanzende haarvlechten met eene roos te tooien.

281)De Persea is een der heilige boomen, en meer bepaald aan Hathor gewijd. Op de hartvormige vruchten, zooals de Persea op de gedenkteekenen is afgebeeld, schreven de goden de namen van den door hen begunstigden koning. In de benedenwereld wordt Hathor voorgesteld als in de Persea gezeten, en daaruit den overledene met spijs en drank lavende, op dezelfde wijze waarop dit door Noe in den aan haar gewijden vijgenboom (ficus sycomorus) geschiedt. De Persea, in het oud-Egyptisch „schaoeaboe, schoeab” geheeten, is de balanites aegyptiaca.282)De portretten op de gedenkteekenen, en vooral de koppen in profiel, die in bas-relief zijn uitgebeiteld, zijn bijzonder scherp en karakteristiek gemodelleerd. In de onvoltooide zaal van het graf van Seti I te Biban el Moeloek worden teekeningen in omtrek gevonden, die nog heden ten dage de bewondering van onze kunstenaars wekken. In Lepsius’Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien, is eene schoone verzameling van karakteristieke portretten der pharao’s opgenomen.283)Hier dient opgemerkt te worden, dat de vrouwen in Egypte over haar vermogen konden beschikken. Hierover kan men bijv. nazien den VIIden grooten papyrus in het Louvre te Parijs. Daarin toch sluiten de dochter van een schuldenaar en de zoon van een schuldeischer eene overeenkomst. Beiden behooren tot denzelfden kring waarin Warda leefde, want Arsiësis is de zoon van een Kolchyt in Thebe, en Asklepias, genaamd Senîmoethis, de vrouw of dienstmaagd van een lijkbezorger in dezelfde stad.284)Koptos, het tegenwoordige Qeft aan den Nijl.285)Bij het tegenwoordige Aqaba.

281)De Persea is een der heilige boomen, en meer bepaald aan Hathor gewijd. Op de hartvormige vruchten, zooals de Persea op de gedenkteekenen is afgebeeld, schreven de goden de namen van den door hen begunstigden koning. In de benedenwereld wordt Hathor voorgesteld als in de Persea gezeten, en daaruit den overledene met spijs en drank lavende, op dezelfde wijze waarop dit door Noe in den aan haar gewijden vijgenboom (ficus sycomorus) geschiedt. De Persea, in het oud-Egyptisch „schaoeaboe, schoeab” geheeten, is de balanites aegyptiaca.

281)De Persea is een der heilige boomen, en meer bepaald aan Hathor gewijd. Op de hartvormige vruchten, zooals de Persea op de gedenkteekenen is afgebeeld, schreven de goden de namen van den door hen begunstigden koning. In de benedenwereld wordt Hathor voorgesteld als in de Persea gezeten, en daaruit den overledene met spijs en drank lavende, op dezelfde wijze waarop dit door Noe in den aan haar gewijden vijgenboom (ficus sycomorus) geschiedt. De Persea, in het oud-Egyptisch „schaoeaboe, schoeab” geheeten, is de balanites aegyptiaca.

282)De portretten op de gedenkteekenen, en vooral de koppen in profiel, die in bas-relief zijn uitgebeiteld, zijn bijzonder scherp en karakteristiek gemodelleerd. In de onvoltooide zaal van het graf van Seti I te Biban el Moeloek worden teekeningen in omtrek gevonden, die nog heden ten dage de bewondering van onze kunstenaars wekken. In Lepsius’Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien, is eene schoone verzameling van karakteristieke portretten der pharao’s opgenomen.

282)De portretten op de gedenkteekenen, en vooral de koppen in profiel, die in bas-relief zijn uitgebeiteld, zijn bijzonder scherp en karakteristiek gemodelleerd. In de onvoltooide zaal van het graf van Seti I te Biban el Moeloek worden teekeningen in omtrek gevonden, die nog heden ten dage de bewondering van onze kunstenaars wekken. In Lepsius’Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien, is eene schoone verzameling van karakteristieke portretten der pharao’s opgenomen.

283)Hier dient opgemerkt te worden, dat de vrouwen in Egypte over haar vermogen konden beschikken. Hierover kan men bijv. nazien den VIIden grooten papyrus in het Louvre te Parijs. Daarin toch sluiten de dochter van een schuldenaar en de zoon van een schuldeischer eene overeenkomst. Beiden behooren tot denzelfden kring waarin Warda leefde, want Arsiësis is de zoon van een Kolchyt in Thebe, en Asklepias, genaamd Senîmoethis, de vrouw of dienstmaagd van een lijkbezorger in dezelfde stad.

283)Hier dient opgemerkt te worden, dat de vrouwen in Egypte over haar vermogen konden beschikken. Hierover kan men bijv. nazien den VIIden grooten papyrus in het Louvre te Parijs. Daarin toch sluiten de dochter van een schuldenaar en de zoon van een schuldeischer eene overeenkomst. Beiden behooren tot denzelfden kring waarin Warda leefde, want Arsiësis is de zoon van een Kolchyt in Thebe, en Asklepias, genaamd Senîmoethis, de vrouw of dienstmaagd van een lijkbezorger in dezelfde stad.

284)Koptos, het tegenwoordige Qeft aan den Nijl.

284)Koptos, het tegenwoordige Qeft aan den Nijl.

285)Bij het tegenwoordige Aqaba.

285)Bij het tegenwoordige Aqaba.

Twee maanden waren er sedert het vertrek van Bent-Anat uit Thebe en de gevangenneming van Pentaoer verloopen, toen een lange trein van lastdieren en menschen voorttrok door het dal, Ant-Baba geheeten, in het westelijk deel van het Sinaïtisch schiereiland286).

Het was winter en toch schoot de middagzon brandende stralen, die door de naakte rotsen werden teruggekaatst.

De trein werd geopend en ook gesloten door eene afdeeling Libysche soldaten. Elk hunner was met een dolk en een strijdbijl, met schild en lans gewapend, en gereed van die wapenen gebruik te maken, als het noodig was. Want deze krijgslieden geleidden een transport gevangenen uit de mafkatgroeven, die zij naar het strand van de Schelfzee hadden gebracht287), om af te leveren wat uit de mijnen was gedolven, en om den uit Egypte aangekomen voorraad in ontvangst te nemen, die naar de magazijnen der bergwerken moest worden gevoerd.

Gebogen onder hun last en hijgend stapten die ongelukkigen voort. Elke gevangene sleepte een koperen ketting mede, die aan zijne enkels was vastgesmeed. Hunne eenige kleeding bestond uitgescheurde lompen, die zij om de heupen hadden geslagen. Schier bezwijkend onder de vracht der zakken, staarden zij met strakke blikken naar den grond. Als de een of ander dreigde ineen te zijgen, werd hij weer opgewekt door de zweep van een der ruiters, die langs den trein op en neer reden. Voor velen was de keus blijkbaar niet gemakkelijk, of zij onder de vermoeienis dan onder de zweepslagen zouden bezwijken.

Niemand, noch de gevangenen noch van die hen geleidden, sprak een enkel woord. Zelfs zij die geslagen werden schreeuwden niet, want hunne stemorganen waren als uitgedroogd, en in de harten hunner drijvers welde zoo min een gevoel van medelijden op, als er een kruidje groende op de rotsen aan den weg.

De sombere schare bewoog zich voorwaarts alsof het zoovele schimmen waren, dàn alleen met het oor waar te nemen, wanneer een zacht gesteun aan de borst van een der gemartelden werd ontperst. De zandige weg maakte geen geluid, als de naakte voet van den wandelaar dien betrad. De bergen weigerden schaduw te geven. Het licht was hier eene plaag. Alles in het rond scheen onbezield, en toch den mensch vijandig. Wijd en zijd vertoonde zich op deze doodsche grauwe en bruine oppervlakte geen plant, geen worm. Zelfs geen vogel, die klapwiekend zich in de lucht verheft, lokte de bedrukten uit den blik eens omhoog te heffen.

Daags te voren, op den middag, waren zij met hunne lading van de havenbocht opgebroken. Twee uren lang waren zij voortgetrokken langs den oever van de Schelfzee, met hare helder blauwgroene wateren288). Zij hadden eene vooruitspringende rots moeten overtrekken, om daarna door eene smalle vlakte te marcheeren. Bij den ingang van het dal, dat naar de groeve leidde, werd nachtkwartier gehouden. De aanvoerders en de soldaten ontstaken vuren, schaarden zich daarom en legden zich in de bocht van eene rots te slapen neder. De gevangenen strekten zich midden in het dal op den bodem uit, ongedekt, ofschoon de vorst hen deed verstijven, toen de bittere koude van den nacht plotseling de gloeiende hitte van den dag verving. De half bevrozenen begroetten waarlijk de drukkende ellende van den dagelijkschen arbeid weder als eene verlossing, hoewel zij weinige uren te voren naar de rust van den nacht hadden gesmacht.

Alvorens men opbrak, werd onder de gevangenen linzenbrij en hard brood in overvloed uitgedeeld, maar het water werd hun toegemeten. Dan ging het weder verder door de bergengte, die al heeter en heeter werd, van het eene keteldal in het andere. In elk scheen het pad dood te loopen, maar overal werd een uitweg gevonden. Het pad liep onafgebroken door; het had geen einde, zoo min als de kwelling der ongelukkigen.

Sommige reusachtige rotswanden zagen er uit, als waren zij uit vierkante, rechthoekig gehouwen steenblokken laagsgewijze opgestapeld. Doch er was maar éen onder de mijnwerkers, maar éen die een oog had voor deze wonderbare vormen te midden van zoovele andere, waar in de natuur zich openbaarde. De schouders van dien éenen schenen sterker te zijn dan die zijner lotgenooten, en zijn last drukte maar weinig.

»In deze eenzame woestenij, die de menschen alle levensonderhoud weigert en hen van zich weert,” dacht hij bij zichzelven, »hebben de Chnemoe289), de werklieden die de aarde bouwden, zich de moeite bespaard de voegen aan te vullen en de vormen behoorlijk af te ronden. Hoe komt het toch, dat men dit gruwzaam oord, waarin ook de menschenharten zonder eenig gevoel van medelijden schijnen te versteenen, gewijd heeft aan de goedige Hathor290)? Misschien wel omdat deze plek het meest behoefte heeft aan de gaven van de vriendelijke godin der liefde en der vreugde.”

»Blijf in het gelid, Hoeni!” riep een der drijvers op strengen toon.

Hij die alzoo toegesproken werd, sloot zich dichter aan bij den man die naast hem liep, den zuchtenden arts Nebsecht.

Wij kennen den sterken gevangene. Het is Pentaoer, die op de lijst der mijnwerkers onder den naam Hoeni voorkwam, en alzoo aangeroepen werd.

De tocht ging verder. De rotsen werden steeds steiler. Op den weg, die onmerkbaar meer en meer klom, lagen groote hoopen roode en zwarte steenbrokken, zoo klein alsof de menschelijke hand ze had afgeslagen. Wederom opende zich een nieuw keteldal, maar ditmaal was er geen uitweg.

»De last der ezels verlichten!” riep de aanvoerder van het transport den gevangenen toe. Daarop wendde hij zich tot de soldaten en beval hen, nadat zij de lastdieren hadden afgeladen, de mannen zwaarder te belasten. Onder de uiterste inspanning hunner krachtenklouterden de arme lieden, die tot bezwijkens overladen waren, het bergpad op291), dat nauwelijks te onderkennen was.

Pentaoer’s voorman, een magere grijsaard, zonk ter halver hoogte onder zijn last ineen. Een drijver, die op het smalle pad de dragers niet voorbij kon loopen, wierp hem met steenen, om den oude te dwingen opnieuw al zijne krachten te verzamelen. De grijsaard schreeuwde van pijn. Pentaoer dacht aan den Paraschiet, die onder de slagen der woedende volksmenigte neerzonk, aan zijne worsteling en aan Bent-Anat. Met innig medelijden vervuld, en in het gevoel van zijne eigene gezonde kracht, was zijn besluit spoedig genomen. Hij tilde de zakken van ’s grijsaards schouders, wierp hen op de zijne, en hielp den oude weer op de been. Menschen en dieren kwamen gelukkig ongedeerd over den berg heen.

Pentaoer’s slapen klopten geweldig. Hij hijgde naar adem en huiverde, toen hij van den hoogen bergpas neerzag in den bergketel beneden hem, en zijn oog liet gaan langs de hem omringende scherp getande rotspunten, de klippen en hoogten, hier wit en grauw of zwavelgeel, daar bloedig rood en akelig zwart gekleurd. Hij dacht aan het heilige meer van Moeth te Thebe292), met de honderden beelden van de godin met den leeuwenkop, uit zwart bazalt gehouwen, op hunne postamenten. De klippen die dit dal omgaven namen dergelijke vormen aan, zij schenen zich te bewegen en den muil te openen. Het was hem of hij in het wild gesuis om zijne ooren haar gebrul hoorde, en de dubbele last, die ook voor zijne schouders te zwaar was, gaf hem het gevoel, als drukten zij hare handen tegen zijn borst.

Eindelijk bereikte hij toch zijn doel. De andere gevangenen wierpen de zakken van hunne schouders en gingen rusten. Hij deed werktuigelijk hetzelfde. Zijn bloed kwam tot bedaren, de visioenen verdwenen, zijne oogen zagen, zijne ooren hoorden weder, en in zijne hersenen keerde de oude denkkracht terug. De grijsaard en de arts Nebsecht rustten naast hem uit.

De oude man streelde de hooggezwollen aderen van zijn hals en bad den zegen aller goden over hem af. Doch de aanvoerder van de wachters sneed den grijsaard de gelegenheid af verder te spreken, daar hij, de rustende voorbij wandelende, riep: »Gij hebt kracht voor drie, Hoeni; wij zullen je in het vervolg zwaarder belasten!”

»Hoe liefderijk verhooren toch uwe vriendelijke goden de vrome zegenwenschen,” zeide de arts Nebsecht scherp, »en hoe weten zij eene goede daad te beloonen!”

»Ik ben genoeg beloond,” antwoordde Pentaoer, terwijl hij den grijsaard vriendelijk aanzag. »Maar gij eeuwige spotter, hoe gevoelt gij u? Gij ziet er zoo bleek uit.”

»Ik gevoel mij als een dier ezels daar,” antwoordde de natuurvorscher. »Mijne knieën beven, evenals de hunne, en ik denk aan niets anders dan waaraan zij denken, en ik wensch niets meer of niets minder dan zij. Dat wil zeggen: ik wenschte dat wij in den stal lagen.”

»Nu, als gij nog denken kunt,” zeide Pentaoer lachend, »dan ziet het er nog zoo kwaad niet uit.”

»Eéne wijze gedachte had ik ten minste, terwijl gij zooeven in de lucht tuurdet. Het verstand, zoo leeren de priesters, is een lichtende adem van den eeuwigen wereldgeest, en onze ziel is de vorm van het stuk materie, dat men mensch noemt. Ik zocht den geest eerst in het hart, vervolgens in de hersenen: maar nu weet ik dat zij in armen en beenen schuilt, want sedert ik deze lichaamsdeelen bovenmatig moet vermoeien, is het gedaan met het denken. Ik ben te lui om mij met verdere bewijzen in te laten, maar zal in het vervolg mijne beenen met meer achting behandelen.”

»Zijt gij beiden weer aan ’t twisten? — Op mannen!” riep de drijver.

De vermoeide ongelukkigen stonden langzaam op, de dieren werden opnieuw beladen, en de beklagenswaardige troep zette zich weder in beweging, om tegen den avond bij de mafkat-groeven aan te komen.

Het einddoel van den tocht der gevangenen was een breed dal, door twee hooge en rotsachtige berghellingen ingesloten. De Egyptenaren noemden die plaats Ta Mafka, de Hebreën Dophka293). De zuidelijke rotswand bestond uit donker graniet, de noordelijke, waarin de turkoois-mijnen werden gevonden, uit ronden zandsteen. In een dwarsdal op eenigen afstand lagen de metaalgroeven294), waarin vooral koper werd gevonden. Midden in het dal verhief zich een heuvel295), door een muur omgeven, waarop kleine van steen opgetrokken huisjes stonden voor de wachters, officieren en opzichters296). Volgens een oud voorschriftmoesten zij van boven open zijn, doch daar vele arbeiders door den nachtvorst waren ziek geworden en gestorven, had men ze een weinig gedekt, met palmtakken uit de oase der Amalekieten in de nabijheid.

De smeltovens bevonden zich op de uiterste toppen van den heuvel, die het meest aan den wind blootstonden. Daar stond ook de fabriek, waarin men het groene vloeispaath vervaardigde, dat onder den naam mafkat, dat is smaragd, in den handel werd gebracht. De echte edelsteen van dezen naam werd aan de westkust van de Schelfzee, verder naar het zuiden gevonden, en in Egypte hoog gewaardeerd.

Onze vrienden behoorden reeds langer dan een maand onder de mijnwerkers van het mafkat-dal, en Pentaoer wist nog altijd niet, hoe hij, in plaats van in de zandsteen-groeven van Chennoe, hierheen en met Nebsecht samen was gekomen. Ongetwijfeld had Warda’s vader deze verwisseling bewerkt, en de dichter kon niet anders gelooven, of de ruwe maar eerlijke soldaat had dit met de beste bedoelingen gedaan. Hij was nog altijd in zijne nabijheid, maar sedert zij van Thebe waren opgebroken, had hij nog maar een enkele maal gelegenheid gehad hem te naderen.

Dadelijk, in den eersten nacht, was de zoon van den Paraschiet bij hem gekomen, en had hem in het oor gefluisterd: »Ik zal voor u zorgen! Gij zult den arts Nebsecht hier wedervinden. Doet alsof gij elkander vijandig zijt, indien gij niet wilt, dat men u van elkander zal scheiden.”

Pentaoer had zijn vriend den raad van den soldaat medegedeeld, en de arts volgde dien op zijne manier. Heimelijk schepte hij er behagen in, te zien, hoe de werkelijkheid thans Pentaoer’s geloof aan eene rechtvaardige en liefderijke beschikking van ’s menschen lotgevallen logenstrafte. Hoe zwaarder werkzaamheden hem en den dichter werden opgelegd, met des te meer verbittering, ja, met eene tot het uiterste gedrevene ironie viel de anders zoo vreedzame natuuronderzoeker, den laatste telkens aan.

Nebsecht had Pentaoer lief, want deze bewaarde in zijne ziel de sleutels, die toegang verleenden tot eene schoonere wereld, helaas, voor het oog zijns geestes altijd gesloten. Toch viel het hem gemakkelijk, zoo vaak hij bemerkte dat men het oog op hem had, zijne rol te spelen en den dichter allerlei woorden naar het hoofd te werpen, die de drijvers voor onzinnig hielden en hun lachlust opwekten, omdat zij hun zoo zonderling in de ooren klonken, en zoo hortend en stootend over zijne stamelende lippen kwamen. »Afgeranseld omhulsel van goddelijk zelfbewustzijn;” »Op den bek geslagen advocaat der gerechtigheid;” »Goochelaar,die deze wereld, de slechtste die men zich bij mogelijkheid denken kan, op den kop zet, om te bewijzen dat zij de beste is;” »Bewonderaar van de schoone kleur zijner blauwe plekken!” zulke en dergelijke schimpwoorden, die alleen voor hemzelven en den gesmaden verstaanbaar waren, kon hij gedurig uitwerpen, onuitputtelijk in nieuwe combinatiën.

Daardoor prikkelde hij Pentaoer tot antwoorden, die altijd doel troffen, niet zelden zeer puntig waren, en door oningewijden niet konden begrepen worden. Dikwijls gingen hunne smaadredenen in een formeel twistgesprek over. En dit had een dubbel nut. Vooreerst vond hun geest, aan ernstig denken gewoon, gelegenheid tot vrije beweging, ondanks den last van den dwangarbeid, die alle geestelijk leven dreigde te vermoorden. Ten andere hield men hen hierdoor werkelijk voor vijanden.

Beiden sliepen in denzelfden hof, en wisten elkander daar nu en dan heimelijk te spreken. Overdag werkte Nebsecht in de turkoois-groeven, Pentaoer echter in de kopermijnen. De zwakkere arts was juist berekend voor het omzichtig uitbeitelen van het edelgesteente uit de rotslagen. Het verbrijzelen van den harden steen was eene bezigheid, die meer geschikt was voor Pentaoer’s reuzenkracht. De drijvers beschouwden den geweldigen jongeling niet zelden met verbazing, wanneer hij met het houweel wild op het gesteente lossloeg.

Niemand kon vermoeden welke beelden zich in zulke uren van woedenden arbeid voor de ziel des dichters plaatsten, welke vreeselijke en tevens verleidelijke tonen hij in zijn binnenste vernam. Gewoonlijk vertoonde Bent-Anat’s gestalte zich voor zijne levendige verbeeldingskracht, omringd door een leger, dat hij meende te verslaan, man voor man, terwijl hij op de rotsen hamerde. Soms wierp hij te midden van zulk een arbeid het houweel weg en breidde hij zijne armen uit, maar om diep te steunen, en het zweet, dat van zijn voorhoofd gutste, met de hand weg te vegen.

De opzichters wisten eigenlijk niet, waarvoor zij dezen sterken jongeling moesten houden, die soms zoo vriendelijk was als een kind, maar toch reeds onder den invloed bleek te komen van den demon, waarvan zoovele dwangarbeiders het slachtoffer werden297).

Hij was zichzelven een raadsel geworden, want vanwaar kwam in hem, den in den vrede van het Seti-huis opgevoeden tuinmanszoon, sedert het gebeurde van dien nacht voor de hut van den Paraschiet, dat altijddurend verlangen naar worsteling en strijd?

De afgematte werklieden hadden zich ter ruste begeven; vóor het huis van den overste der bergwerkers brandde echter nog een helder vuur. De opzichters en onderbevelhebbers der soldaten waren in een kring er om neergehurkt.

»Doe thans de bekers weg,” zeide de overste, »want wij hebben ernstig raad te houden. Gisteren heb ik, op bevel van den stadhouder, de helft der manschappen van de wacht naar Pelusium moeten zenden. Hij heeft soldaten noodig. Maar wij zijn zoo zwak in aantal geworden, dat, als de veroordeelden het wisten, zij zelfs zonder wapenen ons te sterk zouden worden. Steenen liggen er hier beneden genoeg, en overdag hebben zij beitel298)en hamer. Het ergst ziet het er uit bij de Hebreën in de kopermijn. Het is een zeer oproerig volk, dat men kort moet houden. Gij kent mij genoeg, om te weten dat ik waarlijk niet bang ben. Maar ik maak mij over iets bezorgd. Hier in dit vuur branden de laatste kolen, en de smeltovens en glasgieterijen mogen niet stilstaan. Morgen moeten er dus lieden naar Raphidim299)worden uitgezonden, om kolen van de Amalekieten te eischen. Zij zijn ons nog honderd ladingen schuldig300). Belast de gevangenen met wat koper, om ze te vermoeien en de bewoners der oase welwillend te stemmen. — Wat zullen wij echter aanvangen om te verkrijgen wat wij noodig hebben, en de manschappen hier toch niet al te zeer te verzwakken?”

Men overwoog nu eens dit, dan weder dat. Eindelijk werd besloten, dat dagelijks eene zeer kleine afdeeling, door weinige soldaten geëscorteerd, zou opmarcheeren, om zoo van den eenen dag op den anderen in behoefte aan kolen te voorzien. Men achtte het voorts geraden, dat de gevaarlijkste dezen vrachtdienstzouden verrichten, twee aan twee met ketens aan elkander geklonken.

De overste gaf in bedenking, dat twee sterke mannen, aan elkander verbonden, dubbel gevaarlijk konden worden, wanneer zij eendrachtig handelden.

»Zoo verbinde men een sterken met een zwakken,” zeide de man die de rekening van de mijnen hield en dien men den schrijver der metalen noemde. »Smeed ook zooveel mogelijk de zoodanigen aaneen, die elkander vijandig zijn.”

»Hoeni bij voorbeeld, die zoo sterk is als een boom, aan den spottenden musch, den stotterenden Nebsecht,” riep een onderbevelhebber.

»Aan die twee dacht ik ook juist,” zeide de schrijver lachend.

Nog drie andere paren werden eerst al schertsend maar daarna met klimmenden ernst gekozen, en eindelijk ook Warda’s vader onder de drijvers opgenomen.

Den volgenden morgen smeedde men Nebsecht en Pentaoer met een koperen keten aan elkander vast. Toen de zon ter middaghoogte stond, braken vier paar gevangenen op, met zware baren koper belast, om door zes soldaten en den Paraschieten-zoon geleid, uit de oase der Amalekieten brandstof voor de smeltovens te halen.

Bij de halt Aloes301)hielden zij rust. Daarna trokken zij verder tusschen kale, steeds hooger oprijzende, grauwachtig groene en bruine rotswanden van porfier. Van tijd tot tijd konden zij den scherpen top van een reus in dit gebergte waarnemen, die hoog boven de lagere bergen uitstak. Doch daar zij gebukt gingen onder den zwaren last van het koper dat zij droegen, hadden zij weinig lust er acht op te slaan. De zon neigde reeds ten avond, toen zij het kleine heiligdom van de Smaragden-Hathor voorbijkwamen.

Hier vlogen eenige grijze en zwarte vogels klapwiekend hun te gemoet. Pentaoer zag met blijdschap naar hen op. Hoe lang had hij reeds het gezicht dezer dieren en het geluid hunner stem moeten missen!

»Daar zijn vogels,” sprak Nebsecht, »wij moeten dus in de nabijheid van water zijn.”

Daar stond werkelijk de eerste palmboom. Weldra hoorde men duidelijk het murmelen eener beek, en deze zachte tonen deden de gemoederen der woestijn-wandelaars even weldadig aan, als de regen het dorrende gras.

Aan de linkerzijde van het water was, in een wijden kring, eene afdeeling Egyptische soldaten gelegerd, in wier midden zich driegroote tenten verhieven, van kostbare, blauw en rood gestreepte en met goud doorwerkte stoffen. Van de bewoners der tenten was niets te zien; toen de gevangenen er echter voorbij waren, en hunne drijvers de wachtposten hadden begroet, kwam hun een meisje te gemoet in het lange gewaad eener Egyptische, en beschouwde hen met opmerkzaamheid.

Pentaoer ging van schrik achteruit, als ware er een geest voor hem opgerezen; maar Nebsecht kon niet nalaten een luiden kreet van verrassing te doen hooren, daarbij eene beweging met zijne handen makende.

Op hetzelfde oogenblik zwaaide een drijver zijn zweep over de schouders der twee vrienden, hun lachend toeroepende: »Met je tongen mag je elkaar klappen toedienen, zoo veel je wilt, maar niet met je handen!”

Daarop keerde de soldaat zich tot een zijner metgezellen, vragende: »Hebt ge dat mooie meisje daar bij de tent gezien?”

»’t Geeft ons niet veel!” antwoordde de ander. »Zij behoort tot het gevolg der prinses, die reeds sedert drie weken den tempel van de Smaragden-Hathor bezoekt.”

»Zij moet zware misdaden begaan hebben,” hernam de eerste spreker. »Behoorde zij tot ons gelijken, dan zou zij bij de groeven zand moeten spitten of kleurstoffen fijnstooten, en zeker niet hier in vergulde tenten wonen. — Waar is de roodbaard?”

Warda’s vader was een weinig achter den trein gebleven, want het meisje had hem gewenkt en eenige woorden met hem gewisseld.

»Hebt ge ook nog oogen voor de meisjes?” vroeg hem de jongste der drijvers, toen hij zich weder bij hen had gevoegd.

»Zij is eene dienstmaagd der prinses,” antwoordde Kaschta, niet zonder verlegenheid. »Wij zullen morgen van haar een brief aan den schrijver der metalen medenemen, en daarvoor wil zij ons wijn schenken, wanneer wij ons ten minste legeren in de nabijheid der tenten.”

»Zie me dien ouden roodbaard!” riep een der jongere drijvers. »Hij ruikt den wijn als een vos de ganzen. Laat ons hier rusten! Men weet bovendien nimmer, hoe men het met de Mentoe302)heeft, en de overste heeft bevolen, dat wij buiten de oase ons nachtkwartier zullen houden. — De zakken af, mannen! Hier is frisch water, en misschien vallen er nog wel wat dadels voor je af, en zoet Man303)op het brood. Maar pas op dat je vrede onder elkaar houdt, gij kemphanen Hoeni en Nebsecht!”

Bent-Anat’s reis naar de Smaragden-Hathor had lang geduurd. Zij was met die haar begeleidden tot Keft304)den Nijl afgezakt. Vandaar waren zij in kleine dagmarschen de woestijn dwars doorgetrokken. Eindelijk aangekomen in de grootendeels door Phoeniciërs bewoonde havenstad aan de Schelfzee305)hadden zij aldaar eene volle week moeten wachten op het schip, dat hen naar Pharon overbracht, een dorpje alleen door visschers bewoond. Vandaar trokken zij door het gebergte naar de oase, bij welker noordelijken toegang het heiligdom van de Smaragden-Hathor werd gevonden.

De oude priesters, die met den dienst der godin belast waren, hadden de dochter van Ramses eerbiedig ontvangen. Door middel van het heldere en koele water der beek uit het gebergte, die de palmen der Amalekieten drenkte, door berookingen, vrome spreuken en ontelbare ceremoniën, hadden zij getracht aan de prinses hare reinheid terug te geven. Ten laatste verklaarde de godin zich bevredigd, en Bent-Anat wilde nu opbreken, ten einde noordwaarts naar haren vader te trekken. Doch de bevelhebber der soldaten, die haar geleide uitmaakten, een in den dienst vergrijsd Ethiopisch veldoverste, wiens zonen Ani tot hooge rangen had bevorderd, verklaarde den ceremoniemeester, dat hij bevel had de prinses zoolang in de oase terug te houden, tot de stadhouder haar zou toestaan te vertrekken. Bent-Anat hoopte nu op den bijstand haars vaders, die dagelijks kon verwacht worden, wanneer Rameri ten minste geen onheil was overkomen. Maar, te vergeefs!

De vrouwen verkeerden inderdaad in een zeer pijnlijken toestand, want zij gevoelden, dat men haar in een hinderlaag had gelokt en dat zij gevangenen waren. Er kwam nog bij, dat de Ethiopische soldaten zich tegen de bewoners der oase vergrepen hadden. Dagelijks hadden er onder hunne oogen vechtpartijen plaats, waarbij in de laatste dagen zelfs bloed had gevloeid.

Bent-Anat was krank naar de ziel. De beide machtige vleugels, die haar in staat hadden gesteld zich zoo hoog te verheffen boven al hare zusters, namelijk haar vorstelijke trots en hare opgeruimde helderheid van geest, schenen gebroken te zijn. Zij gevoelde dat zij eenmaal had liefgehad, om nimmer weder lief te hebben; dat zij, die geene luchtkasteelen had willen bouwen,maar alles gezocht in de werkelijkheid, ten slotte toch het beste deel van haar wezen had gewijd aan een droombeeld. Het beeld van Pentaoer stond haar nog altijd levendig voor den geest, en scheen steeds grootere en reinere vormen aan te nemen. Hijzelf was voor haar als gestorven. Er was nog maar een enkele brief uit Egypte tot haar gekomen, en deze had vrouwe Katoeti aan Nefert gericht, om haar mede te deelen, hoe nieuwe berichten hadden bevestigd, dat haar echtgenoot eene gevangene vorstendochter als zijn aandeel in den buit in zijne tent had genomen. Het schrijven van de weduwe hield verder in, dat de tot dwangarbeid veroordeelde dichter Pentaoer niet in de steengroeven van Chennoe was aangekomen, zoodat men allen grond had om te onderstellen, dat hij onderweg gestorven was.

Nefert wankelde ook ditmaal geen oogenblik in de overtuiging, dat haar echtgenoot haar trouw was gebleven. Zij hield onveranderlijk vast aan het geloof in zijne liefde. De veerkracht harer natuur, die door een grooten en reinen hartstocht geheel werd beheerscht, en daarom meer harmonisch was ontwikkeld, bleek juist in deze bange en moeielijke dagen. Het scheen wel dat zij en Bent-Anat van rollen hadden verwisseld. Altijd vol hoop, verzekerde zij van den eenen dag op den anderen, dat er wel hulp van den koning zou opdagen. Daarbij vleide zij zich dan dat Mena, als hij van Rameri vernam dat zij bij Bent-Anat was, zelf zou komen om haar te halen, wanneer zijn dienst het ten minste toeliet. In uren van blijmoedige verwachting ging zij zelfs zoover, dat zij zich voorstelde hoe de bewoners van de tent verdeeld moesten worden: wie Bent-Anat gezelschap zou moeten houden, wanneer Mena haar bij zich in zijne legerplaats nam; in welk gedeelte van de oase hij het best zijne tenten zou opslaan; en zoo al verder.

Warda, meende Nefert, kon gevoeglijk bij Bent-Anat haar plaats vervangen, want het meisje had zich op deze reis merkwaardig ontwikkeld. Zij droeg de deftige gewaden, die de prinses haar gaf, alsof zij nooit andere had gedragen. Zij wist met bescheidenheid te luisteren, zich ter rechter tijd te verwijderen, en aardig te praten, wanneer men met haar in gesprek trad. Daar was een reine zilvertoon in haar lachje, dat meer dan iets anders Bent-Anat kon vertroosten. Ook luisterden de vriendinnen gaarne naar hare gezangen, hoewel de weinige liederen, die het meisje kende, ernstig en zwaarmoedig waren. Zij had ze afgeluisterd van de oude Hekt, die dikwijls in ’t donker op eene luit speelde. Toen de tooveres opmerkte, dat Warda hare melodieën nazong, wees zij haar op enkele gebreken, en gaf haar goede wenken. »Zij valt toch eens in mijne handen,” dacht de heks, »en hoe beter zij zingen kan, des te duurder wordt zij betaald.”

Bent-Anat beproefde ook Warda onderwijs te geven, maar het viel de jeugdige leerlinge bijzonder zwaar te leeren lezen, hoeveel moeite zij zich ook gaf. Toch liet de prinses de lessen in de spelkunst niet varen. De werkeloosheid waartoe zij gedoemd was, hier aan den voet van dien majestueuzen heiligen berg, tot welks toppen zij dikwijls met huivering zoowel als met verlangen opzag, drukte haar des te zwaarder, naarmate er meer in hare ziel omging, dan zij zou wenschen te uiten. Warda kende de oorzaak van de smart harer meesteres, en zij had haar om zijnentwil lief als eene heilige. Dikwijls vertelde zij van Pentaoer en zijn vader al wat zij wist, en altijd zóo, dat de prinses niet vermoeden kon hoezeer zij was ingewijd in het geheim harer liefde.

Toen de gevangenen voorbij Bent-Anat’s tent werden gevoerd, zat zij met Nefert daar binnen, en sprak, zooals gewoonlijk in de schemering geschiedde, over haar vader en zijn wagenmenner Mena, over Rameri en Pentaoer.

»Hij leeft nog,” zeide Nefert, doelende op den dichter, »al schrijft mijne moeder ook, dat men niet zeker weet waar hij gebleven is. Wanneer hij ontkomen is, dan tracht hij ongetwijfeld het leger van den koning te bereiken, wanneer wij daar eens zijn, dan vindt ge hem zeker bij uw vader.”

De prinses staarde met een droef gelaat op den grond. Doch Nefert zag haar vriendelijk aan en vroeg: »Denkt gij misschien aan het onderscheid van stand, dat u scheidt van den uitverkorene uws harten?”

»Wien ik mijne hand schenk,” antwoordde Bent-Anat met vastheid, »dien maak ik tot een vorst. Doch al kon ik Pentaoer ook verheffen tot heerscher over de geheele wereld, zoo zou hij toch altijd meer zijn en beter dan ik.”

»Maar uw vader?” vroeg Nefert bescheiden.

»Hij is mijn vriend; hij hoort en verstaat mij. Als ik bij hem ben, zal hij alles vernemen. Ik ken zijn vaderlijk en koninklijk hart.”

Beiden zwegen een geruimen tijd. Eindelijk zeide Bent-Anat: »Ik verzoek u licht te laten brengen, want ik wil mijn weefsel afmaken.”

De vrouw van Mena stond op. Buiten de deur van de tent kwam zij Warda tegen, die dadelijk haar hand greep en haar zwijgend met zich mede trok.

»Wat hebt gij, meisje? Gij beeft,” zeide Nefert.

»Mijn vader is hier,” antwoordde Warda gejaagd. »Hij bewaakt gevangenen uit de mafkat-groeven. Onder hen zijn twee aan elkander vastgeketende mannen. Een van dezen — gij moet niet schrikken — een van dezen is de dichter Pentaoer. — Blijf!om den wil der goden, blijf, en hoor mij verder! Ik heb mijn vader reeds tweemaal gezien en met hem gesproken, toen hij met andere dwangarbeiders hierlangs kwam. Pentaoer moet heden bevrijd worden, maar Bent-Anat mag nog van niets weten; want wanneer mijn plan mislukt....”

»Kind! Meisje!” viel Nefert haar met levendigheid in de rede. »Hoe kan ik u helpen?”

»Beveel den hofmeester, dat hij aan den drijver der gevangenen, uit naam der prinses, een vollen lederen zak wijn moet brengen. Neem dan uit Bent-Anat’s reis-apotheek306)het fleschje, dat den drank tegen de slapeloosheid bevat, waarvan zij ondanks uw herhaald verzoek nooit iets wil nemen. Ik wacht hier buiten en zal er gebruik van weten te maken.”

Nefert vond den hofmeester dadelijk en beval hem Warda met een zak wijn te volgen. Daarna keerde zij tot de prinses terug en opende de reis-apotheek.

»Wat zoekt gij?” vroeg Bent-Anat.

»Een middel tegen hartkloppingen,” antwoordde Nefert. Zij stak heimelijk het verlangde fleschje hij zich, dat eenige oogenblikken later in Warda’s handen was overgegaan. Het meisje verzocht den hofmeester den zak te willen openen, en haar den wijn te laten proeven. Terwijl zij scheen te drinken, goot zij den slaapdrank in het druivensap, en liet vervolgens het geschenk van Bent-Anat aan de dorstige drijvers brengen.

Toen dit bezorgd was, ging Warda naar de keukentent, waarvoor zij een jongen Amalekiet op den grond vond zitten, te midden van de dienaars der prinses. Hij sprong op, zoodra hij het meisje gewaar werd, en zeide: »Heden breng ik vier schoone patrijzen307), die ik zelf heb geschoten, en voor u dezen fraaien turkoois, dien mijn broeder bij eene rots heeft gevonden308). Deze steen brengt geluk en is goed voor de oogen. Hij schenkt overwinning op vijanden en verdrijft booze droomen”309).

»Ik dank u,” zeide Warda en vatte, terwijl zij den hemelsblauwen steen aannam, den jongeling bij de hand en trok hem met zich in het donker.

»Hoor eens, Salich!” sprak zij zacht, zoodra zij zich ver genoeg van de anderen meende verwijderd te hebben. »Gij zijt een brave jongen, en de dienstmaagden hebben mij verteld, dat ge mij eene ster310)hebt genoemd, die van den hemel op aarde was gevallen om eene vrouw te worden. Dat zegt men alleen van iemand, die men gaarne mag lijden. Dat ge mij genegen zijt en aan mij denkt, toont gij dagelijks, door de bloemen die ge mij brengt, als gij het wild, dat uw vader heeft geschoten, aan den hofmeester aflevert. Zeg mij nu eens: wilt ge mij en tevens de prinses een grooten dienst bewijzen? Ja? En gaarne?” — »Ja! O, dat wist ik wel. Nu hoor dan. Een vriend van de verhevene vrouw Bent-Anat, die heden nacht hierheen zal komen, moet éen dag, misschien wel gedurende meerdere dagen, voor zijne vervolgers verborgen worden gehouden. Zou hij, of zouden zij, want het zijn er misschien twee, in het huis van uw vader, dat hoog boven aan den heiligen berg moet liggen, een onderkomen en bescherming kunnen vinden?”

»Wien ik mijn vader breng,” zeide de jongeling, »is hem welkom, en wij verdedigen eerst onze gasten en dan ons zelven. — Waar zijn die vreemdelingen?”

»Zij zullen binnen weinige uren komen. Wilt gij hier wachten tot de maan hoog aan den hemel staat?”

»Totdat de laatste van al de duizende manen, die achter de bergen verdwijnen, ondergaat.”

»Goed dan. Wacht aan gene zijde van de beek, en breng hen naar uw huis, die u driemaal mijn naam noemen. Gij weet toch hoe ik heet?”

»Ik noem u de zilverster, maar zij noemen u met den naam Warda.”

»Juist! Gij brengt de vreemdelingen naar uwe hut, en wanneer zij daar door uw vader zijn opgenomen, komt gij terug om het mij mede te deelen. Ik houd hier aan de deur van de tent de wacht. Het spijt mij dat ik arm ben en het u niet vergelden kan, maar de prinses zal uw vader vorstelijk weten te beloonen. Wees waakzaam, Salich.”

Het meisje verdween en begaf zich naar de drijvers der gevangenen, wenschte hen even een genotvollen avond en ijlde daarna naar Bent-Anat terug, die haar met bezorgdheid over de volle lokken streek, en vroeg waarom zij toch zoo bleek zag. »Ga wat liggen,” zeide de prinses vriendelijk. »Gij hebt de koorts. Zie maar, Nefert, men kan de beweging van het bloed zien in de blauwe aderen op haar voorhoofd!”

Intusschen waren de drijvers aan het drinken. Zij prezen den koninklijken wijn en dezen gelukkigen dag. Toen Warda’s vader voorsloeg ook de gevangenen een slokje te laten proeven, riep een zijner gezellen: »Komaan dan, het arme vee mag zich ook wel eens vroolijk maken.”

De roodbaard vulde een grooten beker en reikte dezen het eerst aan een falsaris, die met den man die hem had aangegeven was saamgeklonken. Daarop naderde hij Pentaoer en fluisterde hem in het oor: »Drink niet, maar blijf wakker!” Toen hij ook naar den arts wilde gaan om dezen te waarschuwen, kwam een zijner gezellen hem voor en riep, terwijl hij Nebsecht den beker toestak: »Daar roerdomp, drink ook eens! — Kijk eens hoe hij slurpt! Thans kan zich zijn stotterend mondwerk vlug genoeg bewegen.”


Back to IndexNext