DERTIENDE HOOFDSTUK.

102)Wij zijn in de eerste dagen van November. Bij het begin van Juni begint de Nijl langzaam te wassen, tusschen den 15denen 20stenJuli zwellen zijne wateren op eens zeer hoog, en in de eerste helft van October (niet op het eind van September, gelijk men vroeger meende) bereikt de overstrooming haar hoogsten stand. Heinrich Barth heeft dit stellig uitgemaakt. Nadat het water in September is begonnen te dalen, tracht het in October zijn hoogste punt nog eens te bereiken, ja zelfs daarboven te stijgen. Spoedig daarop neemt het, eerst langzaam, vervolgens steeds sneller af.103)Poppen worden in verschillende museën bewaard, o.a. een ledepop te Leiden.104)Zie boven blz.61.

102)Wij zijn in de eerste dagen van November. Bij het begin van Juni begint de Nijl langzaam te wassen, tusschen den 15denen 20stenJuli zwellen zijne wateren op eens zeer hoog, en in de eerste helft van October (niet op het eind van September, gelijk men vroeger meende) bereikt de overstrooming haar hoogsten stand. Heinrich Barth heeft dit stellig uitgemaakt. Nadat het water in September is begonnen te dalen, tracht het in October zijn hoogste punt nog eens te bereiken, ja zelfs daarboven te stijgen. Spoedig daarop neemt het, eerst langzaam, vervolgens steeds sneller af.

102)Wij zijn in de eerste dagen van November. Bij het begin van Juni begint de Nijl langzaam te wassen, tusschen den 15denen 20stenJuli zwellen zijne wateren op eens zeer hoog, en in de eerste helft van October (niet op het eind van September, gelijk men vroeger meende) bereikt de overstrooming haar hoogsten stand. Heinrich Barth heeft dit stellig uitgemaakt. Nadat het water in September is begonnen te dalen, tracht het in October zijn hoogste punt nog eens te bereiken, ja zelfs daarboven te stijgen. Spoedig daarop neemt het, eerst langzaam, vervolgens steeds sneller af.

103)Poppen worden in verschillende museën bewaard, o.a. een ledepop te Leiden.

103)Poppen worden in verschillende museën bewaard, o.a. een ledepop te Leiden.

104)Zie boven blz.61.

104)Zie boven blz.61.

Terwijl dit gesprek werd gevoerd, waren voor de hut van den Paraschiet twee mannen druk bezig met palen in den grond te bevestigen, en daarover een gescheurden linnen lap uit te spannen. Een hunner, de oude Pinem, dien wij als pleegvader zijner kleindochter hebben leeren kennen, vermaande den ander van tijd tot tijd aan de kranke te denken, en wat minder leven te maken. Toen zij hun eenvoudig werk voltooid en onder deze tent eene ligplaats van frisch stroo gemaakt hadden, gingen beiden op den grond zitten met het gezicht naar de hut, waarvoor de arts Nebsecht zich had nedergezet, wachtende op het ontwaken van de sluimerende kranke.

»Wie is die man?” vroeg de heelmeester den oude, doelende op diens jongeren metgezel, een stevig bruinkleurig soldaat, met dikken ronden baard.

»Mijn zoon,” antwoordde de Paraschiet, »die uit Syrië is teruggekeerd.”

»Warda’s vader?” vroeg de arts.

De soldaat knikte toestemmend en zeide met een ruwe stem, maar toch op trouwhartigen toon: »Men kan het mij wel niet aanzien, want zij is zoo blank en blozend. Doch hare moeder was eene vreemdelinge, en zij is ook zoo teer geworden als deze was. Ik was schier te bevreesd haar met mijn pink aan te raken, en daar rijdt me nu een wagen over het tengere popje, en zij houdt het uit en blijft leven.”

»Zonder de hulp van dezen heiligen vader,” zeide de Paraschiet, terwijl hij den arts naderde en diens gewaad kuste, »zoudt gij haar niet levend hebben weergezien. De goden mogen u loonen voor hetgeen gij aan ons armen gedaan hebt.”

»En wij kunnen ook betalen,” riep de soldaat, slaande op den vollen buidel die aan zijn gordel hing. »Wij hebben in Syrië buit gemaakt, en ik zal een kalf koopen om het uw tempel te wijden.”

»Offer liever een dier van deeg,”105)zeide de arts, »en wanneer gij u dankbaar wilt toonen, geeft dan uw vader het geld, opdat hij uw zwak dochtertje volgens mijn voorschrift voede en verplege.”

»Hm,” bromde de soldaat, nam den buidel van zijn gordel, woog dien met de hand en zeide, terwijl hij hem den Paraschiet overhandigde: »Ik zou het toch verbrassen! Daar vader, neem het geld voor de kleine en voor moeder.”

Terwijl de oude aarzelend de hand uitstak naar het kostelijk geschenk, bezon de soldaat zich en zeide, den buidel openende: »Laat mij er toch eenige ringen uitnemen, want heden kan ik nog niet op een droogje liggen. Ik heb een paar kameraden besteld in den Rooden kroeg. Dat is ook voldoende voor morgen en overmorgen. Zoo zal het goed zijn. Daar, neem het andere bagatel!”

Nebsecht gaf den soldaat een teeken van goedkeuring; deze riep echter, toen de Paraschiet uit dankbaarheid den arts de hand kuste: »Maak me die kleine gezond, heilige vader! Met geschenken en offers is het nu uit, want ik heb niets meer, maar hier zijn een paar ijzeren vuisten en een borst als een vestingmuur! Als gij eens hulp noodig hebt, laat mij dan roepen, en ik zal u tegen twintig vijanden beschermen. Gij hebt mijn kind gered. Goed! Leven om leven! Ik verklaar met mijn eigen bloed dat ik uw schuldenaar ben. Dáar!”

Onder het uitspreken dezer woorden had hij een dolkmes uit zijn gordel getrokken. Hij gaf zich eene snede in den arm en liet eenige droppels van zijn bloed vallen op een steen voor de voeten van den arts. »Ziedaar,” vervolgde hij, »dit is mijne schuldbekentenis! Kaschta heeft zich tot uw schuldenaar verklaard en gij kunt over zijn leven beschikken als over het uwe. Wat ik gezegd heb, dat heb ik gezegd!”

»Ik ben een man des vredes,” stamelde Nebsecht, »en mijn wit gewaad beschermt mij. Maar — ik geloof dat onze kranke ontwaakt is.”

De arts stond op en ging de hut binnen. Warda’s lieve hoofdje lag in den schoot harer grootmoeder, en hare groote blauwe oogen keerden zich rustig naar den priester.

»Zij zou nu wel mogen opstaan en buiten komen,” zeide de oude. »Zij heeft lang en zacht geslapen.”

De arts onderzocht haar pols en de wond, waarop groene bladeren lagen, en zeide: »Voortreffelijk! Wie heeft u toch dit kruid gegeven dat zulk eene genezende kracht bezit?”

De Paraschiet werd verlegen en draalde met het antwoord. Warda zeide echter zonder schroom: »De oude Hekt, die daar ginds woont in het zwarte hol.”

»De tooveres!” prevelde de arts. »Wij zullen de bladeren toch maar laten liggen; daar zij helpen, komt het er niet op aan vanwaar zij komen.”

»Hekt heeft ook de druppels geproefd, die gij haar geeft,” zeide de oude vrouw, »en toegestemd dat zij goed waren.”

»Dan zijn wij over elkaar tevreden,” gaf Nebsecht met een schalksch lachje ten antwoord. »Meisje, wij zullen u nu naar buiten dragen, want de lucht hier binnen is zoo zwaar als lood, en uwe teedere longen hebben lichter voedsel noodig.”

»Ja, laat mij in frisscher lucht,” smeekte de kranke. »Het is goed, dat gij dien andere niet weder hebt medegebracht, die mij met zijne bezweringen zoo bang maakte.”

»Gij meent den blinden Teta?” hernam Nebsecht. »Die zal niet terugkomen. Maar de jonge priester, die uw grootvader tot bedaren bracht, toen hij de prinses terugwees, hij zal u bezoeken. Hij is zoo vriendelijk, en gij moest, moest....”

»Zal Pentaoer komen?” vroeg het meisje levendig.

»Voor den middag. Maar hoe kent gij zijn naam?”

»Ik ken hem,” zeide Warda op een toon die geen twijfel overliet.

De arts zag haar verwonderd aan en zeide: »Gij moogt niet meer spreken, want uwe wangen gloeien, en de koorts mag niet wederkeeren. Wij hebben eene tent voor u gereed gemaakt en zullen u naar buiten dragen.”

»Nog niet,” bad het meisje. »Grootmoeder, maak mijn haar wat op; het hangt zoo zwaar.”

Dit zeggende greep zij zelve hare dikke roodblonde haren, en trachtte ze met hare kleine handen te scheiden en te ontdoen van de stroohalmen, die er in vast geraakt waren.

»Houd u toch stil,” vermaande de arts.

»Het is zoo zwaar,” zeide het meisje lachend, en toonde Nebsecht den weelderigen rijkdom harer goudgele haren, als ware zij met zulk een last verlegen. »Kom grootmoeder, help mij toch!”

De oude vrouw boog zich over het hoofd der kranke en haalde voorzichtig een groven grijzen hoornen kam door hare lange lokken, maakte zeer behoedzaam de stroohalmen los uit die gulden verwarringen legde ten laatste twee dichte glanzende vlechten over de schouders harer kleindochter. Nebsecht wist, dat iedere beweging de lijderes kwaad kon doen, en dit drong hem beiden dit werk te verbieden. Doch zijne tong was als verlamd. Verbaasd, onbeweeglijk en met blozende wangen stond hij tegenover het meisje, en zijne blikken volgden met angstige opmerkzaamheid elke beweging harer handen.

Zij gaf op hem echter geen acht. Toen de oude vrouw den kam uit de hand legde, haalde Warda diep adem en vroeg: »Grootmoeder, de spiegel!”

De grijze pleegmoeder bracht een scherf van donker verglaasd aardewerk. De kranke draaide de glanzige binnenzijde naar het licht, staarde een oogenblik het onduidelijk spiegelbeeld aan en zeide: »Ik heb in zoolang geen bloem gezien, grootmoeder!”

»Wacht, mijn kind!” zeide de oude, nam uit eene kan de roos die de prinses Bent-Anat op de borst harer kleindochter had gelegd, en stak haar die toe. Doch alvorens Warda haar grijpen kon, vielen de verdorde bloemblaadjes uit elkander en op haar neder. De arts bukte, raapte ze bij elkaar en gaf ze de kranke in de hand.

»Wat zijt ge toch goed,” zeide zij. »Ik heet Warda als deze bloem, en ik houd zooveel van de rozen en van frissche lucht. Kom, draag mij naar buiten.”

Zoodra Nebsecht riep, trad de Paraschiet met zijn zoon de hut binnen; beide droegen de lijderes buiten de deur en legden haar onder de eenvoudige door hen gespannen tent. De voeten van den soldaat knikten, toen hij den lichten last van zijn dochtertje in zijne sterke handen hield, en hij haalde weder adem, zoodra zij op de mat rustte.

»Wat is de hemel heerlijk blauw!” zeide Warda. »En grootvader heeft mijne granaatstruik begoten. Ja, dat dacht ik wel! — Ach, daar zijn mijne duifjes ook, daar komen ze! Geef mij wat graan in de hand, grootmoeder! — Wat zijn ze blijde!”

De sierlijke vogeltjes, met zwarte ringen om den roodgrijzen hals, klapwiekten zorgeloos om haar heen en pikten de graankorrels, die zij spelende op hare lippen legde, van haar mondje weg. Nebsecht zag dit tooneel met stille bewondering aan. Het was hem alsof eene nieuwe wereld zich voor hem opende, als was er een nieuw orgaan, dat hem tot hiertoe vreemd was gebleven, gewekt in zijne borst. Zwijgend zette hij zich voor de hut neder en teekende het beeld eener roos met een door hem opgenomen rietstaafje in het zand.

Alles bleef stil in den omtrek, ook toen de duifjes de kranke verlaten en het dak van de hut weder opgezocht hadden. Op eens sloeg de hond van den Paraschiet aan; men hoorde voetstappennaderen. Warda richtte zich op en zeide: »Grootmoeder, de priester Pentaoer!”

»Wie zegt u dat?” vroeg de oude.

»Ik weet het,” antwoordde het meisje op stelligen toon. Weinige oogenblikken later riep een heldere stem: »Heil u! Hoe gaat het uwe kranke?”

Weldra stond Pentaoer naast Warda, zich verheugende over het gunstig bericht van den arts Nebsecht en het vriendelijk gelaat van het meisje. Hij had bloemen in de hand, door eene gelukkige jonkvrouw gelegd op het altaar der godin Hathor, die hij sedert gisteren als priester diende. Hij overhandigde ze de kranke, die ze blozend aannam en in de gevouwen handen vasthield.

»Dat zendt u de hooge godin, die ik thans dien,” zeide Pentaoer, »en zij zal u genezing schenken. Blijf haar gelijk! Gij zijt als zij rein en lieflijk; moge ook verder uw handel met den haren overeenstemmen. Gelijk de zon leven geeft aan den nevelachtigen horizont, zoo brengt gij vreugde in deze donkere hut. Bewaar uwe onschuld, en overal waar gij uwe schreden richt zult gij liefde wekken, evenals er bloemen ontluiken op elke plek, die Hathors gouden voet106)betreedt. Haar zegen rust op u!”

Hij had de laatste woorden half tot het Paraschieten-paar, half tot Warda gericht. Reeds maakte hij zich gereed om terug te keeren, toen zich achter het maïs-stroo, dat dicht bij de tent van de kranke lag, eene angstige kreet van een kind deed hooren. Spoedig daarop kwam een knaapje te voorschijn, dat in de hoogopgeheven hand een koek hield, door den hond, die het kind overigens wel scheen te kennen, voor de helft afgebeten.

»Hoe komt gij hierheen, Scheraoe?” vroeg de Paraschiet aan het pruilende ongelukkige kind, dat door de oude Hekt tot een dwerg werd misvormd.

»Ik wilde,” zeide de kleine al snikkende, »ik wilde Warda de koek brengen. Zij is ziek en ik had zooveel....”

»Arm kind,” haastte de Paraschiet zich te zeggen, terwijl hij het haar van den kleine streelde. »Daar, geef het aan Warda.” Scheraoe naderde de lijderes, knielde naast haar neer en fluisterde met van blijdschap stralende oogen: »Toe neem het! De koek is goed en zeer zoet, en wanneer ik er weder een krijg en Hekt laat mij vrij, dan breng ik die naar u.”

»Ik dank u beste Scheraoe,” antwoordde Warda en gaf denknaap een kus. Toen richtte zij zich tot Pentaoer en zeide: »Sedert weken heeft hij niets gehad dan papyrus-merg107)en lotus-brood108), en nu brengt hij mij den koek, die moeder gisteren de oude Hekt mede naar huis gaf.”

Het knaapje bloosde tot over de ooren en stamelde: »Hij is nog maar half, en toch heb ik hem niet aangeroerd; uw hond beet dit stuk hier af, en dáar.” Het kind raakte even met zijn vinger de honig aan en bracht dien aan zijne lippen. »Ik zat reeds lang achter het stroo te wachten, want ik durfde niet voor die vreemde heeren daar.” Hij wees daarbij op den arts en Pentaoer, en zeide daarop: »Maar nu moet ik naar huis.”

Toen het kind wilde heengaan, hield Pentaoer het tegen, pakte het op, wiegde het op zijne armen en zeide, zich daarbij tot den arts wendende: »Zij waren wel wijs, die Horus, den god die het goede doet zegepralen over het kwade en het reine over het onreine, de gestalte van een kind hebben gegeven. Wees gezegend, mijn kleine vriend, blijf goed en geef maar altijd het uwe weg om anderen gelukkig te maken. Uw huis zal daardoor niet rijk worden maar uw hart des te rijker!”

Scheraoe drong zich tegen den priester aan en onwillekeurig verhief zich daarbij zijne kleine hand, om Pentaoers wangen te streelen. Een ongekend gevoel van teederheid welde in hem op, en het was hem al moest hij zijne armpjes om ’s dichters hals slaan en aan diens borst uitweenen. Pentaoer zette hem weer op den grond en hij trippelde het dal in. Daar bleef hij staan. De zon had bijna haar middaghoogte bereikt en vóor dien tijd moest hij weder in het hol van de tooveres en tusschen de planken terug. Hij had zoo gaarne verder gegaan tot aan het graf, dat voor den koning werd aangelegd. Dicht bij de poort ervan stond een schutdak van palmtakken, waaronder de beeldhouwer Bataoe, een hoogbejaarde grijsaard, gewoonlijk rustte. De oude man was doof, maar hij werd te recht voor den eersten kunstenaar van zijn tijd gehouden. Hij was de ontwerper van de voortreffelijke afbeeldingen en de rijen hiëroglyphen op depraalgebouwen van Seti te Abydus en te Thebe, alsmede van die in het graf van genoemden vorst. Thans hield hij zich bezig met de versiering van de wanden van Ramses’ groeve.

Dikwijls was Scheraoe in zijne nabijheid geslopen, had hij aandachtig gekeken naar het werk van den beeldhouwer en dan zelf beproefd, of hij uit een stukje klei ook dierlijke en menschelijke figuren kon maken. Eens had de grijsaard hem opgemerkt, hem zwijgend zijn knutselwerk uit de hand genomen, en het daarna teruggeven met een goedkeurend lachje. Sedert was er tusschen deze twee eene eigenaardige betrekking ontstaan. Scheraoe kreeg vergunning zich naast den beeldhouwer neer te zetten en de door hem voltooide beeldwerken na te volgen. Geen woord werd daarbij gewisseld, doch de doove grijsaard vernietigde nu eens het werk van den knaap, dan weder verbeterde hij het met een enkelen vingerdruk, en niet zelden gaf hij met een lachje zijn bijval te kennen. Zoo vaak de kleine uitbleef, werd hij werkelijk door zijn leermeester gemist, en het waren Scheraoe’s heerlijkste uren, die hij aan de zijde van Bataoe mocht doorleven. Het stond hem ook vrij klei mede naar huis te nemen, waar hij achter den rug van de oude Hekt menig beeldje vormde, dat echter na de voltooiing terstond werd vernietigd. Als hij op zijn martelbed lag, beproefde hij met zijne ongebonden handjes de verschillende gestalten na te maken, die er in zijne verbeelding leefden. Onder deze scheppenden kunstenaarsarbeid vergat hij het tegenwoordige, en zijn bitter lot kreeg althans een bijsmaak van zoet geluk.

Heden was het zoo laat geworden, dat hij zijn bezoek aan het Ramses-graf moest opgeven. Nog eenmaal keerde hij zich om naar de hut, en toen liep hij op een drafje naar het zwarte hol.

105)Bij de feesten van Selene (Egyptisch Nechebt) werden zwijnen geofferd. Herodotus zegt (II, 47): „De onbemiddelden bakken uit armoede zwijnen van tarwedeeg, en brengen die ten offer.” Op de gedenkteekenen vindt men zulk gebak afgebeeld, in allerlei gedaanten van dieren.106)Hathor wordt meermalen, bijv. te Dendera de „gouden” genaamd. Deze godin heeft veel overeenkomst met de „Gouden Aphrodite.”107)Volgens Herodotus II, 92, Diodorus I, 80 en Plinius XIII, 10, aten de Egyptenaars het beneden deel van den papyrus-stengel, d. w. z. het merg dezer plant, en wel het liefst op den oven geroosterd.108)„Zij stooten de kern van den lotus, die uiterlijk gelijkt op een maankop, fijn en bakken daarvan brood” (Herodotus II, 92). Daar, zooals de gedenkteekenen ons leeren, de lotus-planten in overgroote menigte op het water en de papyrus-struiken aan den Nijloever wiesen, is de opteekening van Diodorus dat, namelijk een kind, tot het volwassen is, zijne ouders niet meer dan 20 drachmen (ongeveer 9 gulden) heeft gekost, wel te gelooven. Het is zeker vreemd, dat ondanks de nuttigheid van beide planten, met name van den papyrus, de eene zoowel als de andere in Egypte niet meer vóorkomen.

105)Bij de feesten van Selene (Egyptisch Nechebt) werden zwijnen geofferd. Herodotus zegt (II, 47): „De onbemiddelden bakken uit armoede zwijnen van tarwedeeg, en brengen die ten offer.” Op de gedenkteekenen vindt men zulk gebak afgebeeld, in allerlei gedaanten van dieren.

105)Bij de feesten van Selene (Egyptisch Nechebt) werden zwijnen geofferd. Herodotus zegt (II, 47): „De onbemiddelden bakken uit armoede zwijnen van tarwedeeg, en brengen die ten offer.” Op de gedenkteekenen vindt men zulk gebak afgebeeld, in allerlei gedaanten van dieren.

106)Hathor wordt meermalen, bijv. te Dendera de „gouden” genaamd. Deze godin heeft veel overeenkomst met de „Gouden Aphrodite.”

106)Hathor wordt meermalen, bijv. te Dendera de „gouden” genaamd. Deze godin heeft veel overeenkomst met de „Gouden Aphrodite.”

107)Volgens Herodotus II, 92, Diodorus I, 80 en Plinius XIII, 10, aten de Egyptenaars het beneden deel van den papyrus-stengel, d. w. z. het merg dezer plant, en wel het liefst op den oven geroosterd.

107)Volgens Herodotus II, 92, Diodorus I, 80 en Plinius XIII, 10, aten de Egyptenaars het beneden deel van den papyrus-stengel, d. w. z. het merg dezer plant, en wel het liefst op den oven geroosterd.

108)„Zij stooten de kern van den lotus, die uiterlijk gelijkt op een maankop, fijn en bakken daarvan brood” (Herodotus II, 92). Daar, zooals de gedenkteekenen ons leeren, de lotus-planten in overgroote menigte op het water en de papyrus-struiken aan den Nijloever wiesen, is de opteekening van Diodorus dat, namelijk een kind, tot het volwassen is, zijne ouders niet meer dan 20 drachmen (ongeveer 9 gulden) heeft gekost, wel te gelooven. Het is zeker vreemd, dat ondanks de nuttigheid van beide planten, met name van den papyrus, de eene zoowel als de andere in Egypte niet meer vóorkomen.

108)„Zij stooten de kern van den lotus, die uiterlijk gelijkt op een maankop, fijn en bakken daarvan brood” (Herodotus II, 92). Daar, zooals de gedenkteekenen ons leeren, de lotus-planten in overgroote menigte op het water en de papyrus-struiken aan den Nijloever wiesen, is de opteekening van Diodorus dat, namelijk een kind, tot het volwassen is, zijne ouders niet meer dan 20 drachmen (ongeveer 9 gulden) heeft gekost, wel te gelooven. Het is zeker vreemd, dat ondanks de nuttigheid van beide planten, met name van den papyrus, de eene zoowel als de andere in Egypte niet meer vóorkomen.

Ook Pentaoer had weldra de hut van den Paraschiet verlaten. Peinzend sloeg hij het bergpad in, dat naar den tempel109)leidde, waarover Ameni hem het bestuur had opgedragen. Hij zag alles behalve verkwikkelijke, ja donkere uren naderen. Het heiligdom, aan zijne zorg toevertrouwd, was door koningin Hatasoe110), die tot de onttroonde dynastie behoorde, gewijd aan hare eigene nagedachtenis en aan de godin Hathor. De priesters die het bedienden, waren in het bezit van bijzondere, bij gezegelde oorkonden gewaarborgde privilegiën, die tot hiertoe streng ontzien werden. Hunne waardigheid was erfelijk, en ging dus over van den vader op den zoon; ook mochten zij uit hun eigen midden een hoofd kiezen. Roeï, die thans deze waardigheid bekleedde, was doodelijk ziek, en Ameni, wien het oppertoezicht over deze priesters toekwam, had, zonder hen te raadplegen, hun den jongen Pentaoer als plaatsvervanger toegezonden. Zij ontvingen den indringer met tegenzin en sloten zich vast aaneen, toen hun bleek dat hij voornemens was zijne taak ernstig op te nemen en vele onder hen bestaande misbruiken af te schaffen. Zij hadden de begroeting van de opgaande zon aan de tempeldienaars opgedragen; Pentaoer verlangde echter, dat ten minste de jongeren onder hen aan hetgezang van de morgenhymne zouden deelnemen, terwijl hijzelf de koren bestuurde. Tot hiertoe hadden zij handel gedreven met de rijke op het altaar der goden neergelegde offers, doch hun nieuwe meester verzette zich tegen deze onbetamelijke handelwijs, alsmede tegen de afpersingen, waaraan zij zich schuldig maakten ten opzichte van beangstigde vrouwen, die den tempel van Hathor in grooter getal bezochten dan eenig ander heiligdom.

De dichter, in het Seti-huis opgevoed tot zelfbeheersching, orde, stiptheid en reinheid van zeden, diep doorgedrongen van de beteekenis der priesterlijke waardigheid, en gewoon, met bijzonderen ijver te velde te trekken, tegen traagheid van lichaam en geest, had een walg van dat luie lekkere leven en de bedriegerijen dergenen, die onder hem gesteld waren. Hij besloot daarom met te grooter ijver hier een nieuw leven te wekken, sedert de dag van gisteren hem een diepen blik had doen slaan in de ellende en de zorgen van het menschelijk leven. De overtuiging dat de trage priesterschaar, die hem gehoorzamen moest, geroepen was troostrijken balsem te gieten in duizend beknelde harten, ontelbare tranen te drogen en aan het dorre hout der vertwijfeling het frissche groen der hoop te doen ontspruiten, drong hem krachtig door te tasten. Gisteren had hij gezien, hoe zijne onderhoorigen de klachten van eene verlatene, van een bedrogen meisje, van eene vrouw, die den kinderzegen, haar tot dusver ontzegd, kwam afbidden, van een zorgvolle moeder en eene eenzame weduwe, met koele onverschilligheid hadden aangehoord. Zij bleken op niets anders bedacht te zijn dan om het leed van anderen winstgevend te maken voor de godin Hathor, of liever, om geschenken af te persen ten behoeve van hun eigen zak en hun eigen buik.

Thans naderde hij weder het tooneel zijner nieuwe werkzaamheid. Dáar lag het eerwaardig heiligdom, uit het dal in vier terrassen statig oprijzende, aan de westzijde geleund tegen den halfronden hemelhoogen wand van het steile geelachtige kalkgebergte; daar lag het zoo regelmatig en eigenaardig afgedeeld. Op den met zorg gevoegden onderbouw prijkten reusachtige in den steen uitgehouwen sperwers, met het teeken des levens. Zij waren eene symbolische voorstelling van Horus, den zoon der godin, die al wat verwelkt op nieuw doet bloeien, al het stervende weder doet opstaan. Op elk terras verhief zich eene naar het oosten geopende overdekte ruimte, elk met twee en twintig zuilen in ouden stijl111). De schoone schilderwerken en opschriftenin fijn beeldhouwwerk op de achterwanden, verkondigde aan de nakomelingschap wat groote dingen Hatasoe met hulp der goden van Thebe had gedaan. Dáar zag men de schepen, die zij naar Poent112)had gezonden, om Egypte te verrijken met de schatten van het oosten. Dáar waren de naar Thebe overgebrachte wonderen van Arabië te zien. Dáar kon men de afbeeldingen vinden van de huizen113)der bewoners van het wierookland, en alle visschen van de Roode zee in scherpe en karakteristieke omtrekken114). Op het derde en vierde terras bevonden zich kleinere door Hatasoe en hare broeders Thotmes II en III aangelegde vertrekken, die tegen de rotsen waren aangebouwd, en waartoe poorten van graniet den toegang verleenden. Daar moesten de reinigingen volbracht, de standbeelden der godin vereerd, aan de schim der koningin geofferd en van bevoorrechte smeekelingen de biecht gehoord worden. In een zijgebouw werd de heilige koe der godin verpleegd.

Toen Pentaoer aan den hoofdpoort van den terrassentempel was gekomen, moest hij getuige zijn van een schouwspel, dat hem met verontwaardiging vervulde. Eene vrouw wenschte den voorhof binnengelaten te worden, om aan het altaar der godin te bidden voor haar man, die ernstig ziek was. Doch de dikke portier wees haar met ruwe woorden af. »Daar staat het,” zeide hij, wijzende op het opschrift boven de poort; »de reine alleen mag zijn voet over dezen drempel zetten, en men kan slechts rein worden door het bewierooken.”

»Slinger dan het wierookvat,” bad de vrouw, »en neem daarvoor dezen zilverring. Ik heb niet meer.”

»Eén zilverring?” riep de portier verbaasd. »Zal de godin om uwentwil armoe lijden? de anta-korrels115), die wij voor de reiniging noodig hebben, kosten wel tienmaal meer.”

»Maar ik bezit niets meer,” herhaalde de vrouw. »Mijn man, waarvoor ik kom bidden, is ziek. Hij kan niet werken, en mijne kinderen....”

»Die wilt gij zeker vetmesten, en daarom der godin onthouden wat haar toekomt,” sprak de portier. »Komaan, drie ringen, of ik sluit de poort.”

»Wees barmhartig!” hernam de vrouw weenend. »Wat moet er van ons worden, wanneer Hathor mijn man niet bijstaat?”

»Moet onze godin hem een geneesmiddel geven?” vroeg de portier. »Waarlijk zij heeft wel wat anders te doen dan kranke hongerlijders beter te maken. Dat behoort ook niet tot haar ambt. Ga naar Imhotep116), of naar Choensoe den plannenmaker117)of tot den grooten Techoeti zelven; zij zijn het die kranken helpen. Hier houdt men zich niet op met kwakzalverij.”

»Ik verlang niet anders dan troost in mijn kommer,” snikte de vrouw.

»Troost?” zeide de portier lachend, terwijl hij de vrouw, die er nog jong en frisch uitzag, met zijne blikken opnam. »Die kunt gij goedkooper krijgen!”

De vrouw werd doodsbleek en sloeg den portier, die zijn hand naar haar uitstrekte, terug. Op dit oogenblik trad Pentaoer gloeiend van verontwaardiging tusschen beiden. Zegenend breidde hij zijne handen uit over het hoofd der vrouw, die zich diep voor hem boog en zeide: »Wie de godheid uit den diepsten grond des harten aanroept, dien is zij nabij. Gij zijt rein. Treedt den voorhof binnen!”

Zoodra zij in den tempel verdwenen was, richtte de priester zich tot den portier en zeide: »Zóo dient gij de godheid dus; maakt gij zóo misbruik van den nood der beklemde gemoederen? Geef over de sleutels van deze poort! Dit ambt is u ontnomen, en morgen reeds gaat gij naar buiten op de weide, om de ganzen van Hathor te hoeden.”

De portier wierp zich onder een vreeselijk misbaar op de knieën, maar Pentaoer keerde hem den rug toe, trad het heiligdombinnen en ging den trap op, die naar zijne op het hoogste terras gelegene woning leidde. Eenige priesters, die hij tegenkwam, draaiden zich om; anderen keken voor zich, hoorbaar smakkende en kauwende, en deden alsof zij hem niet zagen. Zij hadden een complot gemaakt en het stellig besluit genomen, zich tegen elken prijs van den lastigen indringer te ontslaan. Toen Pentaoer het vertrek had bereikt, dat voor zijn zieken voorganger met zooveel weelde was gemeubeld, deed hij zijn nieuw ambtsgewaad aan, en kon niet nalaten onder smartelijke gewaarwordingen eene vergelijking te maken tusschen voorheen en thans. Tot welk eene verwisseling had Ameni hem gedoemd! Hier vond hij niet anders dan stompheid en weerzin, waarheen hij ook de blikken richtte, terwijl honderd knapen hem tegemoet ijlden en uit genegenheid aan zijn kleed hingen, wanneer hij door de hoven van het Seti-huis wandelde. Door grooten en kleinen geëerd, vond daar elk zijner woorden een plaats, en wanneer hij dag aan dag zijne denkbeelden uitsprak, ontving hij ze in ernstige gesprekken met zijne metgezellen en kweekelingen gelouterd terug, en legde zoo schatten op voor zijn innerlijk leven. »Het vreemde,” zeide hij tot zichzelf, »is vaak het aantrekkelijkste. En toch: hoe zwaar valt het te missen, waaraan men gewoon is.”

Pentaoer doorleefde weder in de verbeelding de gebeurtenissen van de laatste dagen. Het beeld van Bent-Anat stond hem levendig voor den geest, en nam steeds duidelijker en bekoorlijker vormen aan. Zijn hart begon harder te kloppen en het bloed stroomde sneller door zijne aderen. Hij verborg zijn aangezicht in zijne handen en herdacht elk harer blikken en ieder woord van hare lippen. »U volg ik gaarne,” had zij hem vóor de hut van den Paraschiet gezegd. Nu vroeg hij zichzelven af, of hij nog waardig was haar leidsman te zijn. Wel is waar was hij alle perken te buiten gegaan, maar niet om het huis, dat hem dierbaar was, te benadeelen, maar om nieuw licht binnen te laten in zijne sombere ruimte. »Te doen, wat wij na ernstig nadenken als recht beschouwen,” zeide hij tot zichzelf, »kan strafbaar schijnen voor de menschen, maar is het niet voor God.” Hij voelde zijn borst verruimd en trad naar buiten op het terras, met opgeheven hoofd en den vasten wil, hier niet alleen zelf te doen wat recht is, maar ook voor recht en billijkheid een zetel op te richten. »Wij menschen,” dacht hij, »veroorzaken reeds smart bij onze intrede in de wereld, en wederom droefheid wanneer wij haar verlaten. Derhalve zijn wij verplicht in den tijd die daar tusschen ligt het lijden te onderdrukken en vreugde te zaaien. Hier zijn vele tranen te drogen. Welaan dan, aan ’t werk.”

De dichter vond niemand van zijne onderhoorigen op de bovenste terrassen. Alle priesters waren vereenigd in den tempelvoorhof, en luisterden naar het verhaal van den portier, in wiens wrok zij deelden. Hij wist op wien zij het gemunt hadden. Daarom ging hij met vasten tred naar hen toe en zeide: »Ik heb dezen man uit ons midden gebannen, omdat hij ons tot schande maakt. Morgen verlaat hij den tempel.”

»Ik ga dadelijk,” antwoordde de portier op hoogen toon, »en zal overeenkomstig den last dezer heilige vaders,” — en de blik dien hij daarbij op de priesters sloeg, toonde duidelijk dat zij het eens waren, »den opperpriester Ameni vragen, of het in het vervolg ook onreinen zal vrijstaan dit heiligdom te betreden.”

Reeds naderde hij de poort; Pentaoer trad hem echter in den weg en zeide op beslisten toon: »Gij blijft hier en zult morgen, overmorgen en altijd de ganzen hoeden, tot het mij zal goeddunken u vergiffenis te schenken.”

De portier zag de priesters aan, maar geen hunner bewoog zich. »Ga terug in uw vertrek!” riep de dichter op hem toetredende.

De portier gehoorzaamde. Pentaoer sloot de deur van de kleine kamer, gaf den sleutel aan een tempeldienaar en zeide: »Gij verricht zijn dienst, bewaakt den man, wanneer hij ontvlucht dan volgt gij hem morgen achter de ganzen. Ziet mijne vrienden, hoevele biddende daar voor onze altaren knielen; gaat heen en doet wat uw ambt is. Ik wacht in de biechtzaal om klachten te vernemen en te troosten.”

De priesters gingen uit elkaar, allen naar de offeranden. Pentaoer besteeg opnieuw de trap, en nam plaats in de smalle door een voorhangsel afgeslotene biechtkamer, op welker wanden eene voorstelling was te zien van Hatasoe, die uit den uier van de Hathor-koe118)de melk des eeuwigen levens ontving. Nauwelijks had hij zich daar neergezet, of een Neokore119)kondigde hem de komst aan van eene aanzienlijke gesluierde vrouw. Ook de dragers van haar draagstoel hadden het hoofd geheel bedekt. Zij verlangde in het biechtvertrek gebracht te worden. De dienaars overhandigden Pentaoer een bewijs, waardoor de opperpriester van den grooten Amon-tempel aan de overzijde van den Nijl, haar het voorrecht toekende met de Rechioe120)het binnenstevan den tempel te betreden en met alle priesters, ja zelfs met den hoogsten onder de ingewijden te verkeeren.

De dichter trok zich achter een voorhangsel terug en verwachtte de vreemdelinge met eene onrust, die hemzelf te meer bevreemden moest, naarmate hij zich dikwijls in dergelijke omstandigheden had bevonden. Ameni had zelfs de voornaamste onder de grootwaardigheidsbekleeders aan hem overgelaten, wanneer zij zich naar het Seti-huis begaven, om daar hunne droomen te doen uitleggen. Eene hooge vrouwengestalte betrad het stille koele steenen vertrek, zonk op de knieën neder en bad lang en geheel in zichzelve gekeerd voor het beeld van Hathor. Ook Pentaoer hief, zonder door iemand gezien te worden, zijne handen op, en richtte zich met geestdrift tot den geest die het heelal vervult, met de bede om kracht en reinheid. Toen hij zijne armen liet nederzinken, hief de vrouw haar hoofd op. Het was alsof de gebeden van beiden zich vereenigd hadden om gemeenschappelijk ten hemel te stijgen. Nu stond de onbekende op en liet haar sluier vallen.

Het was Bent-Anat.

Zij had in de onrust harer ziel de godin Hathor opgezocht, die den harteslag der vrouwen regelde en de draden weefde, die man en vrouw verbonden. »Hooge vorstin des hemels, veelnamige en schoone van aangezicht,” begon zij overluid te bidden, »gouden Hathor, gij die de smart kent en de vreugde, het tegenwoordige en de toekomst, nader tot uw kind en leid den geest uws dienaars, dat hij mij rade! — Ik ben de dochter eens vaders, die groot is en edel en waarachtig als een der goden. Hij raadt mij, zonder mij te dwingen, een man te volgen, dien ik nimmer zal kunnen liefhebben. Doch ik heb op mijn weg een man ontmoet, eenvoudig van geboorte, maar groot van geest en gaven....”

Tot hiertoe had Pentaoer, niet in staat een woord te spreken, de prinses aangehoord. Zou hij verborgen blijven en haar geheim afluisteren, of zou hij te voorschijn komen en zich aan haar vertoonen? Zijn trots riep luide in zijn binnenste: »Thans noemt zij uw naam, gij zijt de uitverkorene boven alle schoonen en grooten.” Maar eene andere stem, waarnaar hij zich door menige zelfbeproeving gewend had te luisteren, verhief zich en zeide: »Laat de onwetende niets zeggen, waarover de wetende zich zou moeten schamen.” Blozende voor die stem, schoof hij het voorhangsel open en trad Bent-Anat te gemoet.

De prinses week verschrikt terug en vroeg: »Zijt gij Pentaoer, of een der hemelsche goden!”

»Ik ben Pentaoer,” zeide hij met vaste stem, »een mensch met al de zwakheden van mijn geslacht, maar met den wil om hetgoede te doen. Verwijl hier en stort uw hart uit voor onze godin; mijn gansche leven zal een gebed zijn voor u!”

Hij zag haar hierbij met heldere oogen aan, en keerde zich daarop, zoo snel alsof hij een gevaar te ontwijken had, naar den uitgang van het biecht vertrek.

Bent-Anat riep hem bij zijn naam, en hij stond stil. »De dochter van Ramses,” zeide zij, »behoeft hare verschijning aan deze plaats niet te rechtvaardigen. Maar de jonkvrouw Bent-Anat,” en bij deze woorden bloosde zij, »vermoedde in plaats van u, den ouden Roeï hier te vinden, en zij verlangde zijn raad. Laat mij thans bidden!”

Bent-Anat zonk op de knieën en Pentaoer trad naar buiten. Toen ook de prinses de biechtkamer weder verlaten had, lieten zich aan de zuidzijde van het terras waarop zij stond, luide stemmen hooren. Zij vloog naar de borstwering. »Heil Pentaoer!” klonk het van beneden. De dichter liep insgelijks toe en plaatste zich naast de koningsdochter. Beiden zagen neder in het dal en werden door allen gezien.

»Heil Pentaoer!” klonk het nu nog eens zoo luide. »Heil onzen leermeester! Keer terug in het Seti-huis. Weg met de vervolgers van Pentaoer! Weg met onze onderdrukkers!”

Aan het hoofd der jongelieden, die, zoodra zij vernomen hadden waarheen de dichter gebannen was, uit het Seti-huis gevlucht waren, om hem te zeggen dat zij hem bleven aanhangen, stond de prins Rameri. Zegepralend wuifde hij zijne zuster toe. De jonge Anana, mede een der aanvoerders, trad vooruit, om in eene plechtige en goed bestudeerde aanspraak den vereerden meester mede te deelen, dat zij, ingeval Ameni weigeren mocht hem in het Seti-huis terug te roepen, besloten waren hunne vaders te verzoeken hen naar eene andere school over te plaatsen.

De jeugdige geleerde sprak goed en Bent-Anat volgde niet zonder bijval zijne rede. Pentaoer echter fronste al meer en meer het voorhoofd, en eer zijn geliefkoosde leerling zijne toespraak ten einde had gebracht, viel hij hem in de rede met ernstige woorden. Eerst wees hij den lof hem toegebracht af, daarna sprak hij zijn ongenoegen uit over hunne daad. Doch hoe luide hij ook zijne stem verhief, er lag in zijne taal geen toorn maar veeleer smart. »Waarlijk,” zoo besloot hij, »ik zou mij beklagen over elk woord, weleer tot u gesproken, wanneer het uw moed versterkte tot zulk eene onbezonnen daad. Gij zijt in paleizen geboren; leert gehoorzamen, opdat gij later zult kunnen bevelen. Terug naar de school! — Talmt gij nog? Dan treed ik u met mijne wachters tegemoet, en drijf u, die mij en uzelven door zulke bewijzen van liefde weinig eer aandoet, naar de school terug, waar gij tehuis behoort!”

De leerlingen waagden geen tegenspraak, maar verbluft en ontnuchterd keerden zij zich om.

Bent-Anat sloeg de oogen neder, toen zij den blik opving van haren schouderophalenden broeder, en zag half schuw, half met hoogachting naar den dichter. Doch weldra werd hare aandacht weder naar de vlakte getrokken. Want dichte stofwolken verhieven zich; het getrappel van hoeven en het geratel van wielen liet zich hooren en op hetzelfde oogenblik hielden de wagen van Septah, de overste der Horoscopen, en een voertuig met zwaar gewapende veiligheidswachters van het Seti-huis bij het terras stil. De ijverige grijsaard sprong haastig op den grond, riep de bende ontvloden jongelingen eenige strenge woorden toe, gaf de manschappen van de wacht bevel ze naar de school terug te brengen, en ijlde haastig als een jonkman naar de tempelpoort. De priesters ontvingen hem daar met diepen eerbied, en droegen hem terstond hunne klachten voor. Hij hoorde ze met welgevallen aan, liet hen echter niet uitspreken, maar steeg snel hoewel met inspanning de trappen op.

Daar kwam Bent-Anat hem tegemoet. De prinses voelde, dat zij zich, als de Horoscoop haar herkende, aan berisping en verkeerde vermoedens zou bloot stellen. Reeds strekte hare hand zich uit naar den dichten sluier, doch zij trok dien dadelijk terug, zag den oude met kalme waardigheid in de oogen, weerstond zijn toornigen blik en ging hem trotsch voorbij. De Horoscoop boog, zonder haar te zegenen, en beval Pentaoer, dien hij op het tweede terras aantrof, alle smeekelingen den tempel te doen verlaten. Dit was in weinige minuten afgeloopen en de priesters waren getuigen van een pijnlijk tooneel, zooals zich sedert jaren in dit stille heiligdom niet had voorgedaan.

De eerste der Horoscopen van het Seti-huis was een der ergste tegenstanders van den zoo vroeg in de mysteriën ingewijden dichter, wiens vermetele geest niet zelden aan de oude inzettingen tornde, terwijl de ijverige grijsaard van der jeugd af aan uit overtuiging had gearbeid om ze te bevestigen. De ergerlijke gebeurtenissen, waarvan hij in het Seti-huis en weinige oogenblikken geleden hier getuige was geweest, hield hij voor de gevolgen van de teugelloosheid van een verdoolden fantast, en onder harde woorden stelde hij Pentaoer verantwoordelijk voor den opstand der kweekelingen. »Gelijk onze knapen,” riep hij, »hebt gij ook de dochter van Ramses verleid. De onreinheid is nog niet van haar weggenomen, en toch lokt gij haar tot eene samenkomst, niet in het vreemdenkwartier, maar in het heilige huis dezer reine godin!”

Onverdiende lof kan zwakken in gevaar brengen, eene onrechtvaardige berisping ook sterken van den goeden weg afleiden.Pentaoer wees de verwijten van den grijsaard vol toorn van zich af, noemde ze een man van zulk een leeftijd, stand en naam onwaardig, en opdat zijne verbolgenheid hem niet overmeesteren zou, keerde hij Septah den rug toe. Doch de Horoscoop beval hem te blijven, en verhoorde in zijne tegenwoordigheid de priesters, die eenstemmig den dichter beschuldigden, dat hij, behalve Bent-Anat, nog eene andere onreine vrouw in den tempel gebracht en den portier, die zich tegen zulk eene heiligschennis verzette, afgezet en in de gevangenis geworpen had. De Horoscoop beval den mishandelde te bevrijden. Doch Pentaoer verzette zich tegen dezen last, deed zijn recht om hier te bevelen gelden, en eischte met bevende stem, dat de Horoscoop den tempel zou verlaten. Daarop toonde Septah Ameni’s ring, waarmede de opperpriester hem, zoolang hij zich in Thebe ophield, tot zijn gevolmachtigde had gemaakt, ontzette den dichter van zijne waardigheid, beval hem echter tot nader order het heiligdom niet te verlaten, en verliet toen den Hatasoe-tempel.

Pentaoer had zich voor den ring zijns meesters zwijgend gebogen en zich toen teruggetrokken in de biechtkamer, waarin hij Bent-Anat had ontmoet. Hij was in zijne overtuiging geschokt; zijne gedachten kruisten, zijne gevoelens bestreden elkander. Hij huiverde, en toen de schaterlach der priesters en van den portier, die zich vroolijk maakten over hunne gemakkelijke overwinning, tot zijn oor doordrong, kromp hij ineen als een onteerde, die zijn brandmerk in den spiegel ziet. Maar langzamerhand kwam hij weder tot zichzelf en begon het op te klaren in zijne ziel. Toen hij het stille biechtvertrek verliet om naar het oosten te zien, waar zich aan genen oever van den Nijl het paleis verhief, waarin Bent-Anat haar verblijf hield, toen voelde hij eene diepe verachting voor zijne vijanden en doortintelde hem het trotsch gevoel zijner mannelijke kracht. Hij kon het zich niet verhelen, dat hij vijanden had, dat een tijdperk van strijd voor hem was aangebroken. Doch hij zag dien tegemoet als een jonge held den morgen van den dag, waarop hij voor het eerst slag zal leveren.

109)Deze tempel is betrekkelijk goed bewaard gebleven. In Dümichen’sFlotte einer aegyptischen Königinzijn de belangrijkste voorstellingen, die men daar gevonden heeft, afgebeeld. De platte grond, door Lepsius gegeven in zijneDenkmäler aus Aegypten und Aethiopienkan aangevuld worden, na de uitgravingen van Mariëtte.110)Dochter van Thotmes I, gemalin van haar broeder Thotmes II, voogdes van haar tweeden broeder Thotmes III. Zij was een krachtig handelende vrouw, die groote werken deed uitvoeren, en zich liet afbeelden met den helm en den baard van een man.111)Het waren veelhoekige zuilen, zooals die voorkomen in graven uit de 12edynastie (2354 tot 2194 v. Chr.). Na de verdrijving der Hyksos door de koningen uit de 17een 18edynastie werden zij ook voor op zichzelf staande gebouwen gebruikt, doch onder de volgende koningen komen zij niet meer voor.112)Arabië, waarschijnlijk ook het kustland van Oost-Afrika ten zuiden van Egypte, tot aan het Somali-land. Hiervoor pleiten namelijk de onlangs door Mariëtte uitgegeven lijsten der zuidelijke volken, die Thotmes III onderwierp, en die op de pylonen van den tempel van Karnak waren uitgehouwen.113)Zij stonden op palen, en men kon er alleen inkomen met hulp van ladders.114)De verschillende soorten zijn zeer goed te onderscheiden. Het is Dr. Donitz gelukt aan vele de juiste naam te geven.115)Eene zeer dikwijls voorkomende soort van wierook.116)Zoon van Ptah. De Grieken noemden hem Asklepios (Aesculapius). Memphis was de hoofdplaats zijner vereering. Gewoonlijk wordt hij afgebeeld met een kap over het hoofd en een boek op de knieën. Men vindt van hem zeer schoone standbeelden te Berlijn, in het Louvre, te Boelaq en in andere museën. Een bronzen beeldje van buitengewone schoonheid is in het bezit van den predikant Haken te Riga.117)De derde god in de trias van Thebe. Choensoe, steeds met de lok der jeugd getooid, is de zoon van Amon en Moeth; hij wordt bovendien met Toth vereenzelvigd en aangeroepen als goeden raad gevende bij genezing van kranken. Zijn groote tempel te Thebe (Karnak) is goed bewaard gebleven. Onder de 20ste dynastie (1273-1095 v. Chr.) werd, gelijk E. de Rougé heeft aangetoond uit een voortreffelijk verklaarden papyrus op de bibliotheek van Parijs, zijn standbeeld naar Azië gezonden, om de door demonen bezetene zuster der vrouw van Ramses XII, eene Aziatische vorstendochter, te genezen.118)Een buitengewoon levendig, volkomen goed bewaard relief-beeld.119)De Neokoren maakten de laagste priesterorde uit. Onder hen behoorden ook de tempeldienaars.120)Egyptenaars, die tot de binnenste gedeelten van den tempel en tot de hoogere graden van kennis werden toegelaten.

109)Deze tempel is betrekkelijk goed bewaard gebleven. In Dümichen’sFlotte einer aegyptischen Königinzijn de belangrijkste voorstellingen, die men daar gevonden heeft, afgebeeld. De platte grond, door Lepsius gegeven in zijneDenkmäler aus Aegypten und Aethiopienkan aangevuld worden, na de uitgravingen van Mariëtte.

109)Deze tempel is betrekkelijk goed bewaard gebleven. In Dümichen’sFlotte einer aegyptischen Königinzijn de belangrijkste voorstellingen, die men daar gevonden heeft, afgebeeld. De platte grond, door Lepsius gegeven in zijneDenkmäler aus Aegypten und Aethiopienkan aangevuld worden, na de uitgravingen van Mariëtte.

110)Dochter van Thotmes I, gemalin van haar broeder Thotmes II, voogdes van haar tweeden broeder Thotmes III. Zij was een krachtig handelende vrouw, die groote werken deed uitvoeren, en zich liet afbeelden met den helm en den baard van een man.

110)Dochter van Thotmes I, gemalin van haar broeder Thotmes II, voogdes van haar tweeden broeder Thotmes III. Zij was een krachtig handelende vrouw, die groote werken deed uitvoeren, en zich liet afbeelden met den helm en den baard van een man.

111)Het waren veelhoekige zuilen, zooals die voorkomen in graven uit de 12edynastie (2354 tot 2194 v. Chr.). Na de verdrijving der Hyksos door de koningen uit de 17een 18edynastie werden zij ook voor op zichzelf staande gebouwen gebruikt, doch onder de volgende koningen komen zij niet meer voor.

111)Het waren veelhoekige zuilen, zooals die voorkomen in graven uit de 12edynastie (2354 tot 2194 v. Chr.). Na de verdrijving der Hyksos door de koningen uit de 17een 18edynastie werden zij ook voor op zichzelf staande gebouwen gebruikt, doch onder de volgende koningen komen zij niet meer voor.

112)Arabië, waarschijnlijk ook het kustland van Oost-Afrika ten zuiden van Egypte, tot aan het Somali-land. Hiervoor pleiten namelijk de onlangs door Mariëtte uitgegeven lijsten der zuidelijke volken, die Thotmes III onderwierp, en die op de pylonen van den tempel van Karnak waren uitgehouwen.

112)Arabië, waarschijnlijk ook het kustland van Oost-Afrika ten zuiden van Egypte, tot aan het Somali-land. Hiervoor pleiten namelijk de onlangs door Mariëtte uitgegeven lijsten der zuidelijke volken, die Thotmes III onderwierp, en die op de pylonen van den tempel van Karnak waren uitgehouwen.

113)Zij stonden op palen, en men kon er alleen inkomen met hulp van ladders.

113)Zij stonden op palen, en men kon er alleen inkomen met hulp van ladders.

114)De verschillende soorten zijn zeer goed te onderscheiden. Het is Dr. Donitz gelukt aan vele de juiste naam te geven.

114)De verschillende soorten zijn zeer goed te onderscheiden. Het is Dr. Donitz gelukt aan vele de juiste naam te geven.

115)Eene zeer dikwijls voorkomende soort van wierook.

115)Eene zeer dikwijls voorkomende soort van wierook.

116)Zoon van Ptah. De Grieken noemden hem Asklepios (Aesculapius). Memphis was de hoofdplaats zijner vereering. Gewoonlijk wordt hij afgebeeld met een kap over het hoofd en een boek op de knieën. Men vindt van hem zeer schoone standbeelden te Berlijn, in het Louvre, te Boelaq en in andere museën. Een bronzen beeldje van buitengewone schoonheid is in het bezit van den predikant Haken te Riga.

116)Zoon van Ptah. De Grieken noemden hem Asklepios (Aesculapius). Memphis was de hoofdplaats zijner vereering. Gewoonlijk wordt hij afgebeeld met een kap over het hoofd en een boek op de knieën. Men vindt van hem zeer schoone standbeelden te Berlijn, in het Louvre, te Boelaq en in andere museën. Een bronzen beeldje van buitengewone schoonheid is in het bezit van den predikant Haken te Riga.

117)De derde god in de trias van Thebe. Choensoe, steeds met de lok der jeugd getooid, is de zoon van Amon en Moeth; hij wordt bovendien met Toth vereenzelvigd en aangeroepen als goeden raad gevende bij genezing van kranken. Zijn groote tempel te Thebe (Karnak) is goed bewaard gebleven. Onder de 20ste dynastie (1273-1095 v. Chr.) werd, gelijk E. de Rougé heeft aangetoond uit een voortreffelijk verklaarden papyrus op de bibliotheek van Parijs, zijn standbeeld naar Azië gezonden, om de door demonen bezetene zuster der vrouw van Ramses XII, eene Aziatische vorstendochter, te genezen.

117)De derde god in de trias van Thebe. Choensoe, steeds met de lok der jeugd getooid, is de zoon van Amon en Moeth; hij wordt bovendien met Toth vereenzelvigd en aangeroepen als goeden raad gevende bij genezing van kranken. Zijn groote tempel te Thebe (Karnak) is goed bewaard gebleven. Onder de 20ste dynastie (1273-1095 v. Chr.) werd, gelijk E. de Rougé heeft aangetoond uit een voortreffelijk verklaarden papyrus op de bibliotheek van Parijs, zijn standbeeld naar Azië gezonden, om de door demonen bezetene zuster der vrouw van Ramses XII, eene Aziatische vorstendochter, te genezen.

118)Een buitengewoon levendig, volkomen goed bewaard relief-beeld.

118)Een buitengewoon levendig, volkomen goed bewaard relief-beeld.

119)De Neokoren maakten de laagste priesterorde uit. Onder hen behoorden ook de tempeldienaars.

119)De Neokoren maakten de laagste priesterorde uit. Onder hen behoorden ook de tempeldienaars.

120)Egyptenaars, die tot de binnenste gedeelten van den tempel en tot de hoogere graden van kennis werden toegelaten.

120)Egyptenaars, die tot de binnenste gedeelten van den tempel en tot de hoogere graden van kennis werden toegelaten.

De namiddagschaduwen begonnen reeds langer te worden, toen een prachtige wagen de poort van den terrassentempel naderde. De koninklijke gids Paäker stond er op, en bestuurde zijne vurige Syrische rossen. Zijn oude Ethiopische slaaf stond achter hem, en zijn groote dog volgde het harddravende tweespan, met de tong uit den bek. Niet verre van de tempelpoort werd hij aangeroepen en hield hij zijne paarden in. Een klein mannetje ijlde hem tegemoet, en toen hij daarin den dwerg Nemoe herkende, riep hij onwillig: »Moet ik om uwentwil stilhouden, dreumes? Wat wilt ge?”

»U smeeken,” zeide de kleine, terwijl hij zich deemoedig boog, »mij, als gij uwe zaken in de doodenstad hebt afgedaan, mede te nemen naar de overzijde van Thebe.”

»Gij zijt de dwerg van den wagenmenner Mena?” vroeg de gids.

»In het geheel niet,” antwoordde Nemoe. »Ik behoor aan zijne verlatene vrouw, aan mijne meesteres Nefert. Ik kan met mijne kleine beenen den weg maar langzaam verteren, terwijl de hoeven uwer paarden dien verslinden, als een krokodil zijn buit.”

»Sta op,” beval Paäker. »Zijt gij te voet in de doodenstad gekomen?”

»Neen heer,” antwoordde Nemoe, »op een ezel, maar een demon is in dat beest gevaren en heeft het met krankheid geslagen. Ik moest het midden op den weg laten liggen. De dieren van Anubis121)zullen het hedenavond beter hebben dan wij.”

»Gaat het dan bij uwe meesteres niet altijd rijkelijk toe?” vroeg de gids.

»Brood hebben wij nog,” antwoordde Nemoe, »en de Nijl is vol water. Voor vrouwen en dwergen is niet veel vleesch noodig; maar ons laatste vee begint er uit te zien, dat het voor menschentanden te hard wordt om te vermalen.”

De gids begreep de aardigheid van den dwerg niet, en zag hem vragend aan.

»Het wordt geld,” zeide de dwerg, »en dat laat zich niet kauwen. Weldra zal ook dat op zijn, en dan is de vraag hoe wij een recept uitvinden, om uit aarde, water en palmbladen voedzame koeken te bakken. ’t Kan mij niet veel schelen, een dwerg heeft niet veel noodig; maar mijne arme, teedere meesteres!”

Paäker zette zijne paarden aan met zulk een geweldigen zweepslag, dat zij begonnen te steigeren en hij al zijn kracht noodig had om hun vuur te beteugelen.

»Gij zult de kaken der paarden verbrijzelen,” waarschuwde de oude slaaf achter den gids. »’t Zou jammer zijn van die schoone dieren.”

»Moet gij ze betalen?” vroeg Paäker op hoogen toon. Daarop wendde hij zich weder tot Nemoe en vroeg verstoord: »Waarom laat Mena de vrouwen gebrek lijden?”

»Hij heeft zijne gade niet meer lief,” antwoordde de dwerg, terwijl hij de oogen droevig nedersloeg. »Bij de laatste buitverdeeling versmaadde hij goud en zilver, en haalde in plaats daarvan vreemde vrouwen in zijne tent. Booze geesten hebben hem verblind, want waar ter wereld leefde eene vrouw schooner dan Nefert?”

»Gij hebt uwe meesteres lief?”

»Als mijne oogen.”

Onder dit gesprek waren zij bij den terrassentempel gekomen. Paäker wierp zijn slaaf de teugels toe en beval hem met Nemoe te wachten. Hij meldde zich aan bij den portier met het verzoek, dat door een handvol geld werd ondersteund, hem bij Pentaoer, het opperhoofd van den tempel, te brengen. Na met eene vluchtige beweging van de hand het wierookbekken voor den gids heen en weder geslingerd te hebben, liet de deurwachter hem in het heiligdom, zeggende: »Gij zult hem op het derde terras vinden. Maar hij is onze overste niet.”

»Zoo noemde men hem toch in het Seti-huis, vanwaar ik kom,” antwoordde Paäker.

De portier haalde onder een spottend lachje de schouders op, en met de woorden: »Een palmboom beklimt men snel, maar men valt nog sneller naar beneden,” liet hij den bezoeker door een tempeldienaar naar Pentaoer brengen. Deze herkende den Mohar terstond, vroeg wat hij verlangde, en vernam dat hij gekomenwas om een zonderling droomgezicht door hem te laten verklaren. Vóor hij begon te vertellen, betuigde Paäker dat hij dezen dienst niet om niet verlangde; toen hij echter bespeurde, dat er eene donkere wolk kwam op het aangezicht van den priester, voegde hij er bij: »ik zal uwe godin een kostelijk offerdier zenden, als hare uitlegging mij iets gunstigs voorspelt.”

»En in het tegenovergesteld geval?” vroeg de dichter, die in het Seti-huis nooit zelfs het minste had te doen gehad met de betaling der smeekelingen en de gaven der vromen.

»Dan stuur ik een hamel,” antwoordde Paäker, wien de fijne spot in ’s dichters woorden was ontgaan, en bovendien aan de godheid de gaven, naar de waarde die zij voor hem persoonlijk hadden, gewoon was te betalen.

Pentaoer dacht aan het oordeel, dat de oude Gagaboe een paar avonden geleden over den Mohar had geveld, en hij gevoelde lust eens te onderzoeken, hoever de verblinding van dezen man wel ging. Daarom vroeg hij, zijn lachlust bedwingende: »En wanneer ik u nu eens niets wat bepaald slecht, maar ook niets dat in alle opzichten goed is, voorspellen kan?”

»Eene antiloop en vier ganzen,” antwoordde Paäker haastig.

»Doch gesteld dat ik u nu eens niet genegen was van dienst te zijn?” vroeg Pentaoer. »Als ik bijvoorbeeld eens dacht, dat het beneden de waardigheid van een priester is, de goden, elk naar den graad hunner gunst jegens den enkelen mensch, gelijk omkoopbare beambten te laten betalen? Als ik u — en ik ken u van de schoolbanken — en juist u eens aan het verstand mocht brengen, dat er dingen zijn, die zich niet voor geërfde rijkdommen laten koopen.”

De gids deed verrast en spijtig een paar stappen achterwaarts. Pentaoer ging echter met dezelfde bedaardheid voort: »Ik sta hier als een dienaar van de godheid, en toch, ik lees het op uw aangezicht, scheelt het niet veel, of gij wilt ook tot uw eigen schade op mij de proef nemen, hoever gij het brengen kunt door geweld. De hemelsche goden zenden ons geene droomen toe, om ons den voorsmaak van vreugde te bezorgen of ons voor kwaad te waarschuwen, maar om ons te vermanen, dat wij onze zielen moeten bereiden, opdat wij in staat zullen zijn het kwade met gelatenheid te dragen, het goede met hartelijke dankbaarheid te ontvangen, en met beide winst te doen voor ons innerlijk leven. — Ik wil uw droomen niet uitleggen! Kom weder zonder gaven, maar met een deemoedig hart en een innig verlangen naar inwendige loutering, en ik zal de goden bidden dat zij mij verlichten, en ook den kwaden droom voor u zóo uitleggen, dat hij u ten zegen zal zijn. — Verlaat mij en dezen tempel!”

Paäker knarsetandde van boosheid, doch hij bedwong zich enzeide alleen, terwijl hij zich langzaam verwijderde: »Als men u niet reeds van uw ambt had ontzet, dan zoudt gij het toch wellicht verbeurd hebben door de onbeschaamdheid, waarmede ge mij afwijst. Wij ontmoeten elkander weder, en dan zult gij ondervinden, dat geërfd geld, in de hand die het weet te gebruiken, meer vermag dan u lief is.”

»Nog een vijand te meer!” dacht de dichter, toen hij alleen was, en hij richtte zich op in al zijne lengte, met het blijmoedig gevoel, dat hij het recht diende.

Gedurende het onderhoud van den gids met Pentaoer, had de dwerg een praatje aangeknoopt met den deurwaarder des tempels, en van dezen vernomen wat er was voorgevallen. Paäker besteeg bleek van woede den wagen, en legde de zweep op zijne rossen, vóor Nemoe de treeplank had kunnen opklauteren. Gelukkig dat de Ethiopische slaaf het manneke nog tijdig greep en voorzichtig achter zijn meester op de been bracht.

»Die schurk! die ellendeling! Daar zal hij voor boeten. Pentaoer heet hij, die hond!” zoo raasde de gids in zichzelf.

Den dwerg ontging geen woord, en zoodra hij den naam van den dichter vernomen had, sprak hij Paäker aan, zeggende: »Ze hebben een gemeenen vent tot overste van dezen tempel aangesteld. Hij heet Pentaoer. Hij is wegens zijn zedeloos gedrag uit het Seti-huis verbannen, en nu moet hij de leerlingen in opstand gebracht en onreine vrouwen in het heiligdom gelokt hebben. Mijne lippen zouden het niet wagen uit te spreken, maar de portier heeft het mij bezworen, dat de eerste Horoscoop uit het Seti-huis hem betrapt heeft bij eene samenkomst met Bent-Anat, de dochter des konings, en hem onmiddellijk van zijn ambt heeft ontzet.”

Paäker herhaalde vragend: »Met Bent-Anat?” en prevelde, nog vóor de dwerg tijd kon vinden tot een antwoord: »Ja met Bent-Anat!” Want hij dacht aan eergisteren en hoe lang de prinses met den priester in de hut van den Paraschiet was gebleven, terwijl hij met Nefert gesproken en de tooveres opgezocht had.

»Ik zou niet gaarne in het vel van dien priester steken,” zeide Nemoe; »want al is Ramses ver af, de stadhouder Ani is toch nabij genoeg. Dit is echter een heer, die zelden flink doortast. Maar zelfs de doffer laat zich niet grijpen in zijn eigen nest.”

Paäker zag hem vragend aan.

»Ik weet het,” sprak de dwerg op stelligen toon. »De stadhouder doet bij Ramses aanzoek om de hand zijner dochter. — Ja hij heeft dat reeds gedaan,” verzekerde Nemoe, toen de gids ongeloovig lachte; »en de koning is niet ongenegen zijne toestemming te geven. Hij sluit gaarne huwelijken, dat weet gij het best.”

»Ik?” vroeg de gids verbaasd.

»Hij heeft immers Katoeti gedwongen hare dochter Nefert aan zijn wagenmenner tot vrouw te geven? Dat weet ik van haar zelve. Zij kan het u bevestigen.”

Paäker schudde ontkennend het hoofd, de dwerg herhaalde echter met nadruk: »Ja toch, zoo is het! Katoeti wilde u en u alleen tot schoonzoon, en de koning, niet zij, heeft de verloving verbroken. Gij waart toen zeker slecht aangeschreven bij het Groote Huis, want Ramses moet harde woorden over u gesproken hebben. Lieden van ons slag zijn als de muizen achter het gordijn, die ongemerkt veel te weten komen.”

Eensklaps hield Paäker zijne rossen staande, sprong van den wagen, wierp den slaaf de teugels in de hand, riep den dwerg terzijde en sprak: »Wij wandelen van hier tot aan den stroom en gij zegt mij wat gij weet. Doch wanneer éen leugenachtig woord over uwe lippen komt, dan laat ik u door mijne honden verscheuren.”

»Ik weet dat gij woord zult houden,” zuchtte de kleine. »Maar loop wat minder hard, als het u belieft, opdat ik niet buiten adem gerake. Laat u door Katoeti zelve verhalen, hoe alles zoo gelopen is. Ramses heeft haar gedwongen Nefert aan den wagenmenner te geven, ik weet niet wat hij van u gezegd heeft, maar vleiend is het zeker niet geweest. Mijne arme meesteres! Zij liet zich door den laffen vrouwenheld verlokken, en nu klaagt en weent zij.”

»Als ik met Katoeti de hooge poort van uw huis voorbijga, dan zucht zij dikwijls bitter en klaagt met reden want weldra zal het met onze heerlijkheid gedaan zijn, en zullen wij onder de Amoe122)in het noordelijke laagland eene bescheidene vrijplaats opzoeken, want de edelen hier zullen ons als melaatschen vermijden. Gij moogt blijde zijn, dat gij uw lot niet aan het onze hebt verbonden. Doch ik ben trouwhartig en volg mijne meesteres in hare ellende.”

»Gij spreekt in raadselen,” hernam Paäker. »Wat hebt gij te vreezen?”

De dwerg vertelde nu, dat Nefert’s broeder de mummie zijns vaders had verspeeld, hoe kolossaal de verloren som was, en dat Katoeti met hare dochter tot eerloosheid waren vervallen. »Wie zal hen redden?” jammerde hij. »Haar schandelijke echtgenoot verbrast zijn erfgoed en zijn buit. Katoeti is arm en het woordjegeef mijjaagt de vrienden op de vlucht, evenals het gekras van een havik de hoenders. Mijne arme meesteres!”

»De som is groot!” prevelde Paäker in zichzelf.

»Verschrikkelijk groot is zij,” zuchtte de dwerg, »en waar kan men haar vinden in dezen benarden tijd? Hoe anders was het met ons gesteld, toen, ja toen....en daarbij — het is om dol te worden! — daarbij geloof ik niet, dat Nefert iets meer om dien praalhans geeft. Zij denkt althans zooveel aan u, als aan hem!”

Paäker zag den dwerg deels ongeloovig, deels dreigend aan.

»Ja aan u,” verzekerde Nemoe. »Sedert uw tocht naar de doodenstad, eergisteren meen ik, spreekt zij alleen over u, en prijst zij uwe degelijkheid en uw streng mannelijk karakter. Het is alsof eene zekere tooverkracht haar dringt aan u te denken.”

De gids begon zoo hard te stappen, dat de dwerg hem opnieuw moest verzoeken, zijne schreden te matigen. Zwijgend kwamen zij aan den Nijl, waar Paäkers rijke bark wachtte, die ook zijn tweespan innam. Hij vleide zich neder in de kajuit, riep den dwerg ter zijde en sprak: »Ik ben Katoeti’s naaste bloedverwant. Wij hebben ons verzoend, waarom wendt zij zich in haar nood niet tot mij?”

»Omdat zij te fier is en uw bloed ook in hare aderen vloeit. Liever wilde zij met haar kind sterven, heeft zij gezegd, dan u, tegen wien zij gezondigd heeft, om een aalmoes te smeeken.”

»Zoo, heeft zij aan mij gedacht?”

»Voorzeker, en ook geen oogenblik getwijfeld aan uwe edelmoedigheid. Zij acht u hoog, en wanneer Mena getroffen mocht worden door een pijl der Cheta of de wraak der goden, dan voerde zij haar kind met blijdschap in uwe armen. Nefert, geloof mij, heeft haar speelmakker ook nog niet vergeten. Eergisterenavond, toen zij uit den doodenstad terugkeerde, eer nog de brieven uit het leger ons in handen waren gekomen was zij geheel van u vervuld123). Ja, zij heeft uw naam in den droom uitgeroepen, dat weet ik van Kandake, hare zwarte kamenier.”

De gids keek voor zich en zeide: »Zonderling! in dien zelfdennacht had ik ook een droomgezicht, waarin uwe meesteres mij verscheen. Die onbeschaamde priester in den Hathor-tempel moest het mij uitleggen....”

»En hij weigerde u dit, die gek? Maar daar zijn nog wel andere lieden, die deze kunst verstaan, en ik ben niet de minste onder hen. Vraag het uw dienaar maar! Negen en negentig maal van de honderd komen mijne uitleggingen uit. Wat was het voor een gezicht?”

»Ik stond aan den Nijl,” zeide Paäker, de oogen neerslaande en met zijne zweep lijnen trekkende in de wol van het veelkleurig tapijt, dat in de kajuit lag. »Het water was stil en ik zag Nefert aan den anderen oever mij staan wenken. Ik riep haar, en zij wandelde op het water dat haar droeg, als ware het dit tapijt. Zij schreed droogvoets over de golfjes heen, als over steenen die in de woestijn liggen. Een vreemd gezicht! Zij kwam mij al nader en nader, reeds meende ik hare hand te grijpen; daar dook zij onder als eene zwaan. Ik daalde in het water af om haar te ontvangen, en toen zij weder naar boven steeg, omvatte ik haar met mijne armen. Doch wat daarop gebeurde was nog zonderlinger. Zij vervloeide; zij smolt weg als de sneeuw in de Syrische bergen, wanneer men die in de hand neemt. Maar toch op eene andere manier, want uit hare haren werden waterleliën, uit hare oogen twee blanke visschen, die dartelend wegzwommen, uit hare lippen twee koraaltakken, die dadelijk wegzonken, en haar lichaam veranderde in een krokodil met den kop van Mena, die mij schaterlachend aangrijnsde. Blinde woede greep mij aan. Ik stormde met opgetogen zwaard op hem in. Hij sloeg zijne tanden in mijn vleesch; ik stiet mijn wapen in zijn muil. De Nijl werd donder gekleurd door onze bloedstroomen. En zóo worstelden wij met elkander, en streden voort — ’t was of het eene eeuwigheid duurde — tot ik ontwaakte.”

Eerst bij de laatste woorden haalde de gids diep adem, en het scheen als beangstigde hem die wilde droom opnieuw.

De dwerg had met gespannen opmerkzaamheid geluisterd. Er verliepen echter enkele minuten, eer hij begon te zeggen: »Een vreemde droom, gewis! Doch de beteekenis kan niet moeilijk te gissen zijn voor wie zich op deze kunst verstaat. Nefert komt u tegemoet, zij wil de uwe worden. Maar al waant gij ook, dat gij haar in uwe armen houdt, zal zij zich aan u onttrekken, uwe hoop zal als ijs versmelten en als zand verwaaien, wanneer gij den krokodil niet uit den weg weet te ruimen.”

Op dit oogenblik kwam de boot aan de landingsbrug. De gids rees op, zeggende: »Wij zijn er.”

»Wij zijn er!” herhaalde het manneke met nadruk. »Alleen moeten wij nog die smalle brug daar over.”

Toen beiden op den oever stonden, zeide de dwerg: »Heb dank voor uwe gastvrijheid, en als ik u dienen kan, hebt gij slechts te bevelen.”

»Kom hierheen,” riep de gids, en hij trok Nemoe met zich mede onder de schaduw van eene sykomoor, die zich baadde in het schemerlicht der ondergaande zon.

»Wat bedoeldet gij met de brug, die wij nog over moesten! Ik versta die verbloemde taal slecht en verlang duidelijke woorden.”

De dwerg bezon zich een oogenblik en zeide toen: »Mag ik onverbloemd, naakt en open zeggen, wat ik meen, en zult gij niet boos op mij zijn?”

»Spreek!”

»Mena is de krokodil. Maak dat hij uit de wereld komt, en gij hebt de brug overschreden; want Nefert zal de uwe zijn — als ge mijn raad volgt.”

»Wat moet ik doen?”

»Zorg dat de wagenmenner uit de wereld komt!”

Paäker maakte eene beweging als wilde hij zeggen, dat dit reeds lang bij hem besloten was. Hij wendde nu, ter wille van het goede voorteeken, zijn aangezicht zóo, dat de opgaande maan aan zijne rechterhand stond.

»Verzeker u van Nefert,” ging de dwerg intusschen voort, »opdat zij niet voor u vervloeie als uw droombeeld, vóor gij het doel hebt bereikt. Dat wil zeggen: red de eer van uwe toekomstige moeder en vrouw, want gij zult toch geene gebrandmerkte uw huis willen binnenleiden?”

Paäker bleef nadenkend staan, met de oogen naar den grond geslagen. Nemoe vervolgde dus: »Mag ik mijne meesteres gaan melden, dat gij haar redden wilt? Ik mag, niet waar?! Nu, dan komt alles te recht, want wie voor zijne liefde een vermogen overheeft, die zal ook niet aarzelen voor zijne liefde en zijn haat tegelijk een koperen spits en een rietschacht te offeren!”


Back to IndexNext