TWEEDE BOEK.

121)Jakhalzen.122)Semieten, die in den tijd van ons verhaal het oostelijk Delta-land bewoonden. Zie Ebers,Aegypten und die Bücher Mose’s, alsmede het hoofdstuk: „Le Semitisme en Egypte” in de 2de uitgaaf van Brugsch,Histoire d’Egypte. Uit den ouden Amoe-naam is later die van Bi-amiten voortgekomen.123)„Vol (meh) van iemand zijn” werd ook in de Egyptische taal gebruikt voor: verliefd zijn op iemand.

121)Jakhalzen.

121)Jakhalzen.

122)Semieten, die in den tijd van ons verhaal het oostelijk Delta-land bewoonden. Zie Ebers,Aegypten und die Bücher Mose’s, alsmede het hoofdstuk: „Le Semitisme en Egypte” in de 2de uitgaaf van Brugsch,Histoire d’Egypte. Uit den ouden Amoe-naam is later die van Bi-amiten voortgekomen.

122)Semieten, die in den tijd van ons verhaal het oostelijk Delta-land bewoonden. Zie Ebers,Aegypten und die Bücher Mose’s, alsmede het hoofdstuk: „Le Semitisme en Egypte” in de 2de uitgaaf van Brugsch,Histoire d’Egypte. Uit den ouden Amoe-naam is later die van Bi-amiten voortgekomen.

123)„Vol (meh) van iemand zijn” werd ook in de Egyptische taal gebruikt voor: verliefd zijn op iemand.

123)„Vol (meh) van iemand zijn” werd ook in de Egyptische taal gebruikt voor: verliefd zijn op iemand.

De zon was ondergegaan en de doodenstad gehuld in nachtelijk duister. De maan scheen helder over het dal der koningsgraven, en de rotsblokken aan de wanden der bergkloven wierpen scherp geteekende schaduwen. Akelig stil was het in dit verlaten oord, en toch veel levendiger dan op den middag, want nu schoten vledermuizen als zwarte zijden draden onhoorbaar door de nachtlucht, uilen zweefden in den dampkring met breed ontplooide wieken, en jakhalzen slopen in kleine troepen, de een achter den ander, langs de bergwanden heen. Van tijd tot tijd stoorde hun akelig geblaf of het kermend gelach eener hyena, de diepe stilte van den nacht.

Het scheen dat ook de mensch nog niet tot rust was gekomen in het dal der graven. Uit het hol der tooveres Hekt schemerde een mat licht en vóor de hut van den Paraschiet brandde een vuur, dat Warda’s grootmoeder nu en dan met een stukje gedroogde koemest aanhield. Daarbij zaten twee mannen; zij tuurden zwijgend in de kwijnende vlammen, wier doffe gloed door het schitterend maanlicht werd overtroffen, terwijl een derde, Warda’s vader, bezig was een grooten hamel, waarvan hij den kop had afgesneden, te ontweien.

»Wat janken de jakhalzen!” zeide de oude Paraschiet, terwijl hij den gescheurden bruinen katoenen lap, dien hij tegen de koude en den nachtdauw had omgeslagen, steviger om zijne naakte schouders trok.

»Ze ruiken het versche vleesch,” antwoordde de arts Nebsecht. »Werp ze straks de ingewanden toe. De schenkels en den rug kunt gij braden. Snijd het hart, ja het hart zeer voorzichtig uit, soldaat. Daar is het. Wat een groot dier was het!”

Nebsecht nam het hart van den hamel in zijne hand enbeschouwde het met groote opmerkzaamheid. De oude Paraschiet zag hem daarbij angstig aan en zeide: »Ik heb beloofd voor u alles te zullen doen wat gij verlangt, als gij de kleine weder beter maakt. Maar gij vordert wat onmogelijk is.”

»Wat onmogelijk is?” vroeg de arts. »Waarom onmogelijk? Gij opent lijken, en bij de balsemers loopt gij uit en in. Gij hebt juist met de kanopen124)te maken. Welnu, gij legt dit hart in de vaas en neemt in de plaats ervan het menschenhart er uit. Niemand, niemand zal het merken. Het behoeft ook niet dadelijk, morgen of overmorgen, te gebeuren. Wacht slechts eene geschikte gelegenheid af. Uw zoon mag elken dag voor mijn geld een hamel koopen en slachten, tot het u gelukken zal. Uw kleindochtertje zal spoedig in kracht toenemen door het gebruik van vleeschspijs. Houdt maar moed!”

»Voor het gevaar ben ik niet bang,” zeide de oude, »maar mag ik een gestorvene het leven ontstelen aan gene zijde des grafs? En dan!.... In ellende en schande heb ik mijne dagen doorgebracht, en gedurende zoovele jaren — niemand heeft ze voor mij geteld — de geboden opgevolgd, opdat ik in de andere wereld rechtvaardig bevonden zal worden, en in de velden van Aäloe125)en in de zonneschuit vergoeding mag vinden voor alles wat ik hier ontberen moest. Gij zijt goed en vriendelijk. Hoe kunt gij aan een luim de zaligheid van een man opofferen, die zoolang hij leefde geen geluk gekend en u nimmer leed gedaan heeft.”

»Wat ik met dat hart voorheb,” hernam de arts, »kunt gij niet begrijpen, doch wanneer gij het mij bezorgt, dan bevordert gij eene groote en nuttige zaak. Gij weet wel dat het geen luim van mij is, want ik ben geen leeglooper. En wat uwe zaligheid betreft, wees daarover allerminst bezorgd. Ik ben een priester en neem uwe daad met al hare gevolgen voor mijne rekening, verstaat gij: voor mijne rekening. Als priester geef ik u de verzekering, dat het goed is wat ik van u vorder. En als de doodenrechters u later vragen mochten: ‚Waarom naamt gij het hartvan een mensch uit de kanope?’ geef.... geef hun dan ten antwoord: ‚Wijl Nebsecht, de priester, het mij beval, en beloofde de verantwoordelijkheid van deze daad geheel op zich te nemen.’”

De oude keek peinzend naar den grond, de arts ging echter met te meer aandrang voort: »En wanneer gij mijn wensch vervult, dan-dan, dat zweer ik u, dan zal ik zorg dragen, dat men bij uw dood uwe mummie met alle amuletten bekleedt, en ikzelf zal voor u een ‚Boek van den uitgang in den dag’126), schrijven en dat laten wikkelen in uwe mummiewindsels127), alsof gij een der aanzienlijksten waart. Dat zal u kracht geven tegen alle boozen geesten, en u zal toegang worden verleend in den hofder beide gerechtigheden, de beloonende en de straffende, en men zal u zalig spreken.”

»Maar de roof van een menschenhart zal den last mijner zonden verzwaren, wanneer mijn eigen hart wordt gewogen,” zuchtte de oude man.

Nebsecht dacht een oogenblik na, waarop hij vervolgde: »Ik wil u een schriftelijk bewijs geven, waarin ik verklaren zal, dat de roof van dat hart u door mij werd bevolen. Dat moet gij in een zakje laten naaien, altijd op uw borst dragen en met u doen begraven. Wanneer dan Techoeti128), de pleitbezorger der ziel, uwe rechtvaardiging voor Osiris en de doodenrechters129)op zich neemt, overhandig hem dan dit geschrift. Hij zal het voorlezen en gij zult rechtvaardig bevonden worden.”

»Ik ben niet ervaren in het lezen en beoordeelen van geschriften,” zeide de oude half verstaanbaar, en in den toon zijner stem lag eenig mistrouwen.

»Doch bij de negen groote goden zweer ik u, dat ik niets op den papyrus zal schrijven, dan wat ik u beloofde. Ik zal verklaren dat ik, de priester Nebsecht, u geboden heb het hart te nemen, dat uwe schuld de mijne is.”

»Nu, breng mij het schrift dan,” prevelde de oude.

De arts veegde het zweet van zijn voorhoofd, reikte den Paraschiet de hand en zeide: »Morgen zult gij het hebben, en ik verzeker u, dat ik uwe kleindochter niet verlaten zal, tot zij gezond is.”

De soldaat had, terwijl hij den hamel ontleedde, van dit gesprek niets gehoord. Hij had nu den achterbout aan de punt van een houten spit gestoken, en hield dien boven het vuur om te braden. De jakhalzen begonnen harder te huilen, toen de reuk van het smeltende vet zich door de lucht verbreidde. De oude man vergat den vreeselijken last, dien hij op zich nam, zoodra hij het vleesch zag braden; sedert jaren toch had hij in zijn huis geen vleesch geproefd. Nebsecht zat het aan te zien hoe zij smulden, terwijl hijzelf een stukje brood at. Zij reten het vleesch van de beenderen; de soldaat vooral verslond het ongewoon en kostelijkmaal met dierlijke vraatzucht. Men hoorde hem kauwen als een paard aan de kribbe.

Geen wonder dat dit tooneel den priester met weerzin vervulde. »Zinnelijke menschen,” sprak hij in zichzelf; »dieren met bewustzijn! En toch menschen! Zonderling! Zij smachten in de banden der zinnelijkheid, waarvan zij zich nog niet los konden maken; en toch, hoeveel vuriger verlangen zij naar het bovenzinnelijke dan wij, hoeveel gemakkelijker maken zij er zich gemeenzaam mede!”

»Wilt gij vleesch?” vroeg de soldaat, die had opgemerkt dat de lippen van den arts zich bewogen. Tegelijk scheurde hij een stuk gebraad van den bout, waaraan hij zat te kluiven, en hield het den heelmeester voor.

Deze ging onwillekeurig achteruit; de vraatzuchtige blik, de glinsterende tanden en de ruwe donkere trekken van den man deden hem schrikken. Daarbij dacht hij aan de teedere blanke zieke daarbinnen op de mat, en als vanzelf kwam de vraag op zijne lippen: »Is dat meisje, is Warda uw eigen kind?”

De soldaat sloeg zich op de borst en zeide: »Zoo waarachtig als koning Ramses een zoon van Seti is.”

Toen de mannen met hun maal gereed en de platte broodkoeken, die de Paraschieten-vrouw hun had gegeven en waarmede zij tevens hunne handen van het vet gereinigd hadden, opgegeten waren, zeide de soldaat, wiens langzaam werkende hersenen zich nog altijd met de vraag bezighielden, diep zuchtende: »Haar moeder was een vreemde. Zij heeft het witte duifje in het ravennest gelegd.”

»Uit welk land was uwe vrouw afkomstig?” vroeg de arts.

»Dat weet ik niet,” gaf de soldaat ten antwoord.

»Hebt gij haar dan niet gevraagd, van waar zij kwam? Zij was toch uwe vrouw.”

»Wel zeker. Maar hoe kon zij mij een antwoord geven? — Dat is eene lange, vreemde geschiedenis.”

»Kom, vertel mij de geschiedenis,” vroeg Nebsecht. »De nacht is lang, en hooren is mij liever dan spreken. Maar ik wil eerst eens naar onze kranke gaan zien.”

Nadat de arts zich overtuigd had, dat Warda rustig sliep en regelmatig ademhaalde, zette hij zich weder bij vader en zoon neder. De laatste begon nu het volgende te vertellen: »Het is al heel lang geleden. Koning Seti leefde nog, maar Ramses regeerde reeds in zijn plaats. In dien tijd kwam ik terug uit het Noorderland. Zij hadden mij naar de werklieden gestuurd, die de vestingwerken van Zoan, de Ramses-stad130), moestenbouwen. Ik was over zes man gesteld, uitsluitend Amoe131), van den stam der Hebreën132), die Ramses streng onder den duim hield. Onder de arbeiders waren de zonen van lieden, die rijke kudden bezaten. Bij de lichting van werkvolk werd echter niet gevraagd: wat bezit gij? maar alleen: tot welken stam behoort gij? De vestingwerken en het kanaal, dat den Nijl met de Schelfzee verbinden zou, moesten voltooid worden, en de koning, wien leven, heil en kracht gedijen mogen! nam de Egyptische jongelingen mede in den krijg, en liet de Amoe, stamverwanten van zijne vijanden in het oosten, handen aan den arbeid slaan. Het ging daar rijkelijk toe in Gosen133), want het land is schoon en men vindt er overvloed van gras, groenten, visch en gevogelte. Het ontbrak mij dus niet aan het beste wat ik verlangen kon, want onder mijne zes lieden waren twee troetelkinderen, wier ouders mij menig stuk zilver gaven. Ieder heeft zijne kinderen lief, maar de Hebreën beminnen ze toch teederder dan andere menschen. Wij moesten dagelijks het bepaalde getal tegels leveren134); ik hielp dan de jongens, als de zon zoo stak, en bracht in éen uur alleen meer stuks samen, dan zij in drie. Want ik ben sterk, en was het toen nog meer dan nu.

»Toen het tijdstip kwam, waarop ik door een ander werd afgelost, moest ik naar Thebe terug, ten einde opzicht te houden over de krijgsgevangenen, die als werklieden werden gebruikt om den grooten Amon-tempel aan de overzijde te bouwen. Daar ik een aardigen duit geld mede naar huis had gebracht, en de voltooiing van de groote woning van den koning der goden nog den tijd had, begon ik er aan te denken eene vrouw te nemen. Maar geene Egyptische. Paraschieten-meisjes waren er genoeg, maar ik wilde geen meisje uit die gevloekte caste mijns vaders, en de andere hier, dat wist ik al te goed, waren te bevreesd voor onze onreinheid. Ginds in het benedenland was ik beter gevaren; menige Amoe- en Schasoevrouw135)kwam gaarne inmijne tent. Ik had van den beginne reeds mijn zin op een Aziatisch meisje gezet. Telkens kwamen er krijgsgevangen meisjes te koop, maar zij bevielen mij niet, of waren mij te duur. Inmiddels versmolt mijn geld, want in de vrije uren, die op den bouwtijd volgden, leefden wij er vroolijk van. Aan danseressen was in het vreemden-kwartier zeker geen gebrek.

»Op zekeren dag kwam er een nieuw transport krijgsgevangenen. Het was juist in den tijd van het heilige feest van den trap136). Er waren vele vrouwen onder, die bij de groote haven aan den meestbiedende verkocht werden. Voor haar die er werkelijk schoon en nog jong uitzagen werden hooge prijzen besteed, maar ook de meer bejaarden waren mij te duur. Geheel op het laatst werd er eene blinde vrouw voorgebracht en nog eene broodmagere, die bovendien stom was, zooals de afslager den kooplustigen mededeelde, ofschoon hij anders de goede hoedanigheden der gevangenen hoog ophemelde. De blinde had flinke handen aan ’t lijf; zij werd gekocht door een kroeghouder, bij wien zij thans nog den handmolen draait. De stomme, van welke niemand eigenlijk zeggen kon of zij jong of oud was, hield een kind in de armen. Zij zag er uit, alsof zij reeds in de doodkist lag, en het kind, alsof het haar in ’t graf nog voor wilde gaan. Bovendien had zij rood, vuurrood haar, juist als de kleur van Typhon. Maar haar sneeuwwit gezicht zag er niet kwaad uit, ook wel niet goed, maar moede, dood moede. Rondom hare magere blanke armen liepen blauwe aderen als donkere koorden, de handen hingen mat naar beneden, en hielden de kleine. Als er een windvlaag opsteekt, dacht ik, waait zij nog weg met kind en al.

»De afslager verlangde een bod, doch alles zweeg. Natuurlijk, want die stomme schim was voor den arbeid niet bruikbaar. Ze was reeds half dood en eene begrafenis is duur. Zoo verliepen er eenige oogenblikken. De afslager liep eindelijk op haar toe en gaf haar een slag met den zweep, om haar wat opgewekter, wat minder ellendig aan de koopers te doen voorkomen. Zij kromp ineen als iemand die de koorts heeft, drukte het kind vaster tegen zich aan en keek rond alsof zij hulp zocht. Zij zag mij juist in het aangezicht. Wat mij toen overkwam was als een wonder. Haar oog was grooter dan ik er ooit een heb gezien. Daar huisde een demon in, die macht over mij had en tot het laatst toe mijn handel en wandel heeft bestuurd. Het was op dien dag dat die demon mij het eerst betooverde. Want ziet: het was volstrekt niet heet, ik had niets gedronken, en toch handelde ik tegen mijn wil, tegen beter inzichten in, toen ik, zoodra haarblik mij getroffen had, alles wat ik bezat bood om haar te koopen. Ik had haar veel goedkooper kunnen krijgen! Mijne metgezellen lachten mij hartelijk uit, en de afslager streek schouderophalend het geld op. Maar ik hielp de vrouw overeind, nam het kind op mijn arm, bracht haar in eene boot over den Nijl, laadde mijn jammerlijk eigendom op een steenwagen en trok zelf het schepsel als een blok kalksteen hierheen naar den oude.

»Moeder schudde bedenkelijk het hoofd, en vader keek mij aan of ik krankzinnig was; zij zeiden echter geen van beiden een woord. Men spreidde haar een leger, en ik bouwde in mijne vrije nachten het vervallen ding hiernaast, dat eens eene fatsoenlijke hut is geweest. Moeder kreeg het kindje spoedig lief. Het was nog heel klein en wij noemden het Pennoe137), omdat het zoo snoesig was als een muisje. Ik vermeed sedert het vreemden-kwartier, bespaarde wat ik verdiende en kocht eene geit, die voor onze deur stond, toen ik de vrouw overdroeg naar hare eigene hut. Zij was wel stom, maar niet doof. Zij verstond onze taal niet, doch de demon in hare oogen sprak voor haar en vatte wat ik zeide. Alles begreep zij en kon zij ook met hare blikken zeggen. Het allerbeste wel kon zij danken. Geen opperpriester, die de goden op het groote Nijlfeest voor hunne weldaden in lange liederen prijst, kon zoo innig met zijne welsprekende lippen danken, als zij het kon met hare stomme oogen. Als zij bidden wilde, dan was het of de demon in haar blik nog machtiger was dan anders. In den beginne werd ik wel eens ongeduldig als zij daar zoo mat en sprakeloos tegen den wand leunde, of als de kleine schreeuwde en mij geen nachtrust liet. Zij had echter alleen de oogen te openen, en dan onderdrukte de demon elke klacht in mijn gemoed en bracht mij aan het verstand, dat het krijten niet anders was dan lieflijk gezang. Pennoe schreide werkelijk lieflijker dan alle andere kinderen, en hij had zulke kleine poezelige blanke vingertjes.

»Eens had hij een tijd lang geschreeuwd. Toen boog ik mij over het jongske neder en wilde hem toespreken; maar hij greep mij in den baard. Dat was wat! Sedert moest hij mij telkens plukharen en zijne moeder merkte dat het mij pleizier deed. Want als ik wat moois of lekkers had medegebracht, een ei, of eene bloem, of een koekje, dan hield zij hem in de hoogte, en stak zijne handjes in mijn baard. Ja binnen weinige maanden had de vrouw geleerd het kind te waardeeren, want zij werd rustiger en besteedde meer zorg aan zijne verpleging. Zij isaltijd blank en teer gebleven, maar het scheen of zij van dag tot dag jonger en schooner werd. Zij kon ternauwernood twintig jaren geweest zijn, toen ik haar kocht. Hoe zij heette heb ik nooit te weten kunnen komen. Wij gaven haar ook geen naam: zij was ‚de vrouw’ en zoo spraken wij haar aan. Toen zij acht maanden bij ons geweest was, stierf het muisje. Ik heb geweend als zij, en terwijl ik zoo, over het kleine lijkje gebogen, aan mijne tranen den vrijen loop liet en dacht: nu kan hij zijn vingertjes niet meer naar je uitsteken, toen voelde ik voor het eerst de zachte hand van de vrouw over mijne wangen. Zij streelde als een kind mijn ruwen baard, en daarbij zag ze mij zoo dankbaar aan, dat ik te moede was alsof de pharao mij Opper- en Neder-Egypte op eens ten geschenke had gegeven.

»Zoodra het muisje begraven was, werd zij weder zwakker, maar moeder zorgde voor hare verpleging, zoodat zij gezond bleef. Ik leefde met haar als een vader met zijn kind. Zij was zoo vriendelijk! Doch zoodra ik haar naderen wilde en haar mijne liefde toonen, dan keek ze mij aan, en de demon in hare oogen dreef mij terug en ik liet haar alleen. Zij werd gezonder, sterker en steeds schooner, zoo schoon zelfs, dat ik haar voor anderen verborgen hield, en het verlangen mij verteerde haar tot mijne vrouw te maken. Eene rechte huisvrouw kon zij wel nooit worden; hare handjes waren zoo teer, en zij wist niet eens hoe zij geiten moest melken. Dat en al het overige deed moeder voor haar. Overdag bleef zij in de hut en werkte, want zij was zeer bedreven in vrouwelijke handwerken, en kon kanten vlechten zoo fijn als spinrag, die moeder verkocht om voor de opbrengst reukwerken aan te schaffen. Daar hield zij veel van, en ook van bloemen; dat heeft Warda daarbinnen van haar. ’s Avonds, als de menschen van de overzijde de doodenstad hadden verlaten, wandelde zij hier in het dal op en neer in gepeins, nu en dan eens opziende naar de maan, die zij zeer liefhad.

»Eens, het was in den wintertijd, kwam ik naar huis. Het was reeds donker en ik dacht haar als naar gewoonte voor de deur te vinden. Daar hoor ik, zoowat honderd schreden achter het hol van de oude Hekt, een troep jakhalzen zoo geweldig blaffen, dat ik dadelijk bij mijzelf zeide: ze hebben een mensch aangevallen. Ik begreep ook wie, al had niemand het mij gezegd. De vrouw kon immers niet schreeuwen of om hulp roepen? Razend van angst rukte ik de paal, waaraan de geit vaststond, uit den grond en een brandend stuk hout van den haard, vloog de ongelukkige te hulp, verjoeg de beesten en droeg de arme vrouw geheel bewusteloos in de hut. Moeder hielp mij en wij brachten haar gelukkig weder bij. Toen wij alleen waren, schreide ik als een kind van vreugde, dat ik haar gered had. Zij liet zich doormij kussen, en — toen is zij mijne vrouw geworden, drie jaren nadat ik haar gekocht had.

»Zij heeft mij een meisje geschonken, dat zij zelve Warda noemde. Want zij toonde mij eene roos en wees op het kind, en wij begrepen haar, ook al sprak zij niet. — Niet lang daarna is zij gestorven.

»Gij zijt een priester, maar ik verzeker u, wanneer ik ooit voor Osiris word geroepen en mij toegang wordt verleend tot de gezaligden, dan wil ik vragen of ik die vrouw daar ook weder vinden zal. Als de portier mij dan een ontkennend antwoord geeft, mag hij mij gerust naar de verdoemden verwijzen, wanneer ik haar daar terugvind.”

»En heeft zij door geen enkel teeken verraden, welke hare afkomst was?” vroeg de arts.

De soldaat bedekte zijn aangezicht met beide handen, weende luide en hoorde hem niet. Doch de Paraschiet zeide: »Zij was de dochter van een hooggeplaatst man, want wij vonden in haar kleed een gouden kleinood met een edelsteen, waarop vreemde teekens zijn gegraveerd. Het is zeer kostbaar, en mijne vrouw bewaart het zorgvuldig voor de kleine.”

124)Vazen van gebakken klei, kalksteen of albast, die gebruikt werden voor het bewaren der ingewanden van gebalsemde Egyptenaars. Zij moesten de vier geniën van den dood voorstellen: Amset, Hapi, Toeamoetef en Khebsennoef. In plaats van met een deksel, werd elke kanope gesloten met den kop van den genius, waaraan zij gewijd was. Amset (onder bescherming van Isis) had het hoofd van een mensch, Hapi (beschermd door Nephtys) den kop van een aap, Toeamoetef (beschermd door Neith) van een jakhals, Khebsennoef (beschermd door Selk) van een sperwer. In een Christelijk-Koptisch handschrift worden, in plaats van deze vier kanopen-goden, de vier aartsengelen aangeroepen.125)Zie Dl. I, bl.64.126)Dit is de titel van het eerste hoofdstuk van het zoogenaamde Doodenboek. Het begint: Ha em re’ em per em hroe, welke woorden de Grieken later aanleiding gaven te spreken van een boek der Egyptenaars, „De heilige Ambres” geheeten, dat bij Horappollo (Hiërogl. I, 38) voorkomt.Het Doodenboek, door Champollion minder juist „Rituel funéraire” genoemd, bevat eene reeks van opstellen of hoofdstukken, die onder elkander niet onmiddellijk samenhangen, of een aaneengesloten doorloopend geheel vormen. Het is eene verzameling van heilige teksten, alle op een hoofdonderwerp: de verrijzenis, het doodengericht en het leven aan gene zijde van het graf, betrekkelijk, en uit verschillende tijden afkomstig. Het behoorde tot de heilige schriften, die aan Toth of Hermes worden toegekend, en kan zoo al niet tot de door Clemens van Alexandrië vermelde 42 Hermetische boeken, dan toch tot de andere geschriften van dezelfde afkomst (Jamblichus gewaagt zelfs van 20000) gebracht worden. Het Doodenboek bevat alles wat men weten moet, om op aarde zich reeds voor zijn dood voor te bereiden. Het levert de beschrijving en den inhoud der formulieren, die bij het vervaardigen der amuletten en andere voorbehoedmiddelen aan den overledene werden medegegeven; de gebeden en toespraken, die hij tot de goden van het doodenrijk richt, en waardoor hij de beletselen overwint, hem door vijandige geesten en booze machten in den weg gesteld. Zelfs treedt hij telkens als handelende op. De inhoud heeft alleen betrekking op hem en zijn tocht door het doodenrijk, waarbij gezegd wordt, waarheen hij gaat, wat hij doet, hoort en ziet en wie hij is. Eigenlijk is de overledene reeds voor de begrafenis, of de plaatsing van zijn gebalsemd lijk in de grafkamer, door zijn leven gerechtvaardigd, als de door Toth tegen zijne vijanden gerechtvaardigde Osiris, in de gemeenschap der zalige geesten en vereenzelvigd met Ra. Een volledige tekst in hiëroglyphisch schrift is, naar het oorspronkelijke in het Egyptisch museum te Turyn, in 1842 door Lepsius, een ander insgelijks volledige tekst, doch in hiëratisch schrift, in het vorige jaar naar een papyrus van het museum te Leiden door Dr. Leemans in het licht gegeven. Laatstgemelde hield in eene vergadering van de Afdeeling Letterkunde der Kon. Academie van wetenschappen onlangs eene voordracht over het doodenboek, waarvan een overzicht in deVerslagen en Mededeelingender Afdeeling werd opgenomen, en waaraan wij bovenstaande opmerkingen ontleenden. Vert.127)De teksten van het Doodenboek werden onder de windsels (bij de dij of onder den arm), dikwijls ook in de lijkkist onder of naast de mummie gevonden.128)Toth. Zie Dl. I, bl.27.129)De afbeeldingen bij het 125ste hoofdstuk van het Doodenboek stellen het doodengericht der Egyptenaars voor. De opperrechter Osiris zit op een troon onder een baldakijn, met de twee en veertig rechters bij hem. In de zaal staat de weegschaal; de hondskopaap, het heilige dier van Toth, bestuurt den evenaar. Op de eene schaal staat het hart van den afgestorvene, op de andere het beeld van de godin der waarheid, die de ziel in de rechtszaal binnenleidt. — Toth schrijft het protokol. De ziel verklaart zich niet schuldig te hebben gemaakt aan de twee en veertig doodzonden, en wordt, wanneer zij geloof heeft gevonden, „maä cheroe,” d. i. „waarheid sprekende” genoemd en alzoo zalig gesproken. Zij krijgt nu haar hart terug en gaat over tot een nieuw goddelijk leven.130)De stad Ramses, die in den bijbel voorkomt. Exodus I, 11.131)Semieten.132)Zie over hetgeen men van het verblijf der Joden in Egypte op de monumenten en in de papyrussen heeft gevonden: Chabas,Mélanges égyptologiques II, en Ebers,Aegypten und die Bücher Mose’s.133)Zie over Gosen, waarvan ook op de monumenten gewag wordt gemaakt: Ebers,Durch Gosen zum Sinai, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek. In een brief van een schrijver aan zijn opziener wordt de heerlijkheid van dit landschap zeer geprezen.134)Exodus I, 13, 14; V, 7, 8.135)Zie Dl. I, blz.12.136)Een groot feest, dat gevierd werd, ter eere van Amon-Chem.137)Pennoe beteekent in het Oud-Egyptisch: muis.

124)Vazen van gebakken klei, kalksteen of albast, die gebruikt werden voor het bewaren der ingewanden van gebalsemde Egyptenaars. Zij moesten de vier geniën van den dood voorstellen: Amset, Hapi, Toeamoetef en Khebsennoef. In plaats van met een deksel, werd elke kanope gesloten met den kop van den genius, waaraan zij gewijd was. Amset (onder bescherming van Isis) had het hoofd van een mensch, Hapi (beschermd door Nephtys) den kop van een aap, Toeamoetef (beschermd door Neith) van een jakhals, Khebsennoef (beschermd door Selk) van een sperwer. In een Christelijk-Koptisch handschrift worden, in plaats van deze vier kanopen-goden, de vier aartsengelen aangeroepen.

124)Vazen van gebakken klei, kalksteen of albast, die gebruikt werden voor het bewaren der ingewanden van gebalsemde Egyptenaars. Zij moesten de vier geniën van den dood voorstellen: Amset, Hapi, Toeamoetef en Khebsennoef. In plaats van met een deksel, werd elke kanope gesloten met den kop van den genius, waaraan zij gewijd was. Amset (onder bescherming van Isis) had het hoofd van een mensch, Hapi (beschermd door Nephtys) den kop van een aap, Toeamoetef (beschermd door Neith) van een jakhals, Khebsennoef (beschermd door Selk) van een sperwer. In een Christelijk-Koptisch handschrift worden, in plaats van deze vier kanopen-goden, de vier aartsengelen aangeroepen.

125)Zie Dl. I, bl.64.

125)Zie Dl. I, bl.64.

126)Dit is de titel van het eerste hoofdstuk van het zoogenaamde Doodenboek. Het begint: Ha em re’ em per em hroe, welke woorden de Grieken later aanleiding gaven te spreken van een boek der Egyptenaars, „De heilige Ambres” geheeten, dat bij Horappollo (Hiërogl. I, 38) voorkomt.Het Doodenboek, door Champollion minder juist „Rituel funéraire” genoemd, bevat eene reeks van opstellen of hoofdstukken, die onder elkander niet onmiddellijk samenhangen, of een aaneengesloten doorloopend geheel vormen. Het is eene verzameling van heilige teksten, alle op een hoofdonderwerp: de verrijzenis, het doodengericht en het leven aan gene zijde van het graf, betrekkelijk, en uit verschillende tijden afkomstig. Het behoorde tot de heilige schriften, die aan Toth of Hermes worden toegekend, en kan zoo al niet tot de door Clemens van Alexandrië vermelde 42 Hermetische boeken, dan toch tot de andere geschriften van dezelfde afkomst (Jamblichus gewaagt zelfs van 20000) gebracht worden. Het Doodenboek bevat alles wat men weten moet, om op aarde zich reeds voor zijn dood voor te bereiden. Het levert de beschrijving en den inhoud der formulieren, die bij het vervaardigen der amuletten en andere voorbehoedmiddelen aan den overledene werden medegegeven; de gebeden en toespraken, die hij tot de goden van het doodenrijk richt, en waardoor hij de beletselen overwint, hem door vijandige geesten en booze machten in den weg gesteld. Zelfs treedt hij telkens als handelende op. De inhoud heeft alleen betrekking op hem en zijn tocht door het doodenrijk, waarbij gezegd wordt, waarheen hij gaat, wat hij doet, hoort en ziet en wie hij is. Eigenlijk is de overledene reeds voor de begrafenis, of de plaatsing van zijn gebalsemd lijk in de grafkamer, door zijn leven gerechtvaardigd, als de door Toth tegen zijne vijanden gerechtvaardigde Osiris, in de gemeenschap der zalige geesten en vereenzelvigd met Ra. Een volledige tekst in hiëroglyphisch schrift is, naar het oorspronkelijke in het Egyptisch museum te Turyn, in 1842 door Lepsius, een ander insgelijks volledige tekst, doch in hiëratisch schrift, in het vorige jaar naar een papyrus van het museum te Leiden door Dr. Leemans in het licht gegeven. Laatstgemelde hield in eene vergadering van de Afdeeling Letterkunde der Kon. Academie van wetenschappen onlangs eene voordracht over het doodenboek, waarvan een overzicht in deVerslagen en Mededeelingender Afdeeling werd opgenomen, en waaraan wij bovenstaande opmerkingen ontleenden. Vert.

126)Dit is de titel van het eerste hoofdstuk van het zoogenaamde Doodenboek. Het begint: Ha em re’ em per em hroe, welke woorden de Grieken later aanleiding gaven te spreken van een boek der Egyptenaars, „De heilige Ambres” geheeten, dat bij Horappollo (Hiërogl. I, 38) voorkomt.

Het Doodenboek, door Champollion minder juist „Rituel funéraire” genoemd, bevat eene reeks van opstellen of hoofdstukken, die onder elkander niet onmiddellijk samenhangen, of een aaneengesloten doorloopend geheel vormen. Het is eene verzameling van heilige teksten, alle op een hoofdonderwerp: de verrijzenis, het doodengericht en het leven aan gene zijde van het graf, betrekkelijk, en uit verschillende tijden afkomstig. Het behoorde tot de heilige schriften, die aan Toth of Hermes worden toegekend, en kan zoo al niet tot de door Clemens van Alexandrië vermelde 42 Hermetische boeken, dan toch tot de andere geschriften van dezelfde afkomst (Jamblichus gewaagt zelfs van 20000) gebracht worden. Het Doodenboek bevat alles wat men weten moet, om op aarde zich reeds voor zijn dood voor te bereiden. Het levert de beschrijving en den inhoud der formulieren, die bij het vervaardigen der amuletten en andere voorbehoedmiddelen aan den overledene werden medegegeven; de gebeden en toespraken, die hij tot de goden van het doodenrijk richt, en waardoor hij de beletselen overwint, hem door vijandige geesten en booze machten in den weg gesteld. Zelfs treedt hij telkens als handelende op. De inhoud heeft alleen betrekking op hem en zijn tocht door het doodenrijk, waarbij gezegd wordt, waarheen hij gaat, wat hij doet, hoort en ziet en wie hij is. Eigenlijk is de overledene reeds voor de begrafenis, of de plaatsing van zijn gebalsemd lijk in de grafkamer, door zijn leven gerechtvaardigd, als de door Toth tegen zijne vijanden gerechtvaardigde Osiris, in de gemeenschap der zalige geesten en vereenzelvigd met Ra. Een volledige tekst in hiëroglyphisch schrift is, naar het oorspronkelijke in het Egyptisch museum te Turyn, in 1842 door Lepsius, een ander insgelijks volledige tekst, doch in hiëratisch schrift, in het vorige jaar naar een papyrus van het museum te Leiden door Dr. Leemans in het licht gegeven. Laatstgemelde hield in eene vergadering van de Afdeeling Letterkunde der Kon. Academie van wetenschappen onlangs eene voordracht over het doodenboek, waarvan een overzicht in deVerslagen en Mededeelingender Afdeeling werd opgenomen, en waaraan wij bovenstaande opmerkingen ontleenden. Vert.

127)De teksten van het Doodenboek werden onder de windsels (bij de dij of onder den arm), dikwijls ook in de lijkkist onder of naast de mummie gevonden.

127)De teksten van het Doodenboek werden onder de windsels (bij de dij of onder den arm), dikwijls ook in de lijkkist onder of naast de mummie gevonden.

128)Toth. Zie Dl. I, bl.27.

128)Toth. Zie Dl. I, bl.27.

129)De afbeeldingen bij het 125ste hoofdstuk van het Doodenboek stellen het doodengericht der Egyptenaars voor. De opperrechter Osiris zit op een troon onder een baldakijn, met de twee en veertig rechters bij hem. In de zaal staat de weegschaal; de hondskopaap, het heilige dier van Toth, bestuurt den evenaar. Op de eene schaal staat het hart van den afgestorvene, op de andere het beeld van de godin der waarheid, die de ziel in de rechtszaal binnenleidt. — Toth schrijft het protokol. De ziel verklaart zich niet schuldig te hebben gemaakt aan de twee en veertig doodzonden, en wordt, wanneer zij geloof heeft gevonden, „maä cheroe,” d. i. „waarheid sprekende” genoemd en alzoo zalig gesproken. Zij krijgt nu haar hart terug en gaat over tot een nieuw goddelijk leven.

129)De afbeeldingen bij het 125ste hoofdstuk van het Doodenboek stellen het doodengericht der Egyptenaars voor. De opperrechter Osiris zit op een troon onder een baldakijn, met de twee en veertig rechters bij hem. In de zaal staat de weegschaal; de hondskopaap, het heilige dier van Toth, bestuurt den evenaar. Op de eene schaal staat het hart van den afgestorvene, op de andere het beeld van de godin der waarheid, die de ziel in de rechtszaal binnenleidt. — Toth schrijft het protokol. De ziel verklaart zich niet schuldig te hebben gemaakt aan de twee en veertig doodzonden, en wordt, wanneer zij geloof heeft gevonden, „maä cheroe,” d. i. „waarheid sprekende” genoemd en alzoo zalig gesproken. Zij krijgt nu haar hart terug en gaat over tot een nieuw goddelijk leven.

130)De stad Ramses, die in den bijbel voorkomt. Exodus I, 11.

130)De stad Ramses, die in den bijbel voorkomt. Exodus I, 11.

131)Semieten.

131)Semieten.

132)Zie over hetgeen men van het verblijf der Joden in Egypte op de monumenten en in de papyrussen heeft gevonden: Chabas,Mélanges égyptologiques II, en Ebers,Aegypten und die Bücher Mose’s.

132)Zie over hetgeen men van het verblijf der Joden in Egypte op de monumenten en in de papyrussen heeft gevonden: Chabas,Mélanges égyptologiques II, en Ebers,Aegypten und die Bücher Mose’s.

133)Zie over Gosen, waarvan ook op de monumenten gewag wordt gemaakt: Ebers,Durch Gosen zum Sinai, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek. In een brief van een schrijver aan zijn opziener wordt de heerlijkheid van dit landschap zeer geprezen.

133)Zie over Gosen, waarvan ook op de monumenten gewag wordt gemaakt: Ebers,Durch Gosen zum Sinai, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek. In een brief van een schrijver aan zijn opziener wordt de heerlijkheid van dit landschap zeer geprezen.

134)Exodus I, 13, 14; V, 7, 8.

134)Exodus I, 13, 14; V, 7, 8.

135)Zie Dl. I, blz.12.

135)Zie Dl. I, blz.12.

136)Een groot feest, dat gevierd werd, ter eere van Amon-Chem.

136)Een groot feest, dat gevierd werd, ter eere van Amon-Chem.

137)Pennoe beteekent in het Oud-Egyptisch: muis.

137)Pennoe beteekent in het Oud-Egyptisch: muis.

De arts Nebsecht verliet den volgenden morgen de hut van den Paraschiet toen het begon te schemeren. Hij was tevreden over den toestand van zijne kranke, en richtte, in ernstige gedachten verzonken, zijne schreden naar den terrassentempel van Hatasoe, om zijn vriend Pentaoer op te zoeken en bij hem het geschrift op te stellen, dat hij den ouden man had toegezegd. Hij kwam bij het heiligdom, op het oogenblik dat de zonnegod zich in zijn stralenkrans boven den horizont verhief. Hij verwachtte natuurlijk het morgengezang van de priesters te hooren, maar alles bleef stil. Hij klopte aan, en de portier opende slaperig de poort.

Nebsecht vroeg naar den tempelopziener.

»Die is dezen nacht gestorven,” geeuwde de man.

»Wat zegt ge?” riep de arts, hevig ontroerd. »Wie is gestorven?”

»Onze oude opziener Roeï, die brave man.”

Nebsecht haalde vrijer adem en vroeg naar Pentaoer.

»Gij zijt uit het Seti-huis,” sprak de portier, »en weet gij dan niet, dat men hem van zijn ambt heeft ontzet? De heilige vaders hebben geweigerd met hem de wedergeboorte van Ra te begroeten. Misschien zingt hij voor zich alleen boven op de wachtplaats. Daar zult gij hem vinden.”

De arts klom haastig de trappen op. Verschillende priesters gingen zingende bij elkaar staan, zoodra zij hem in ’t oog kregen, doch hij gaf geen acht op hen. Hij vond zijn vriend op het bovenste terras bezig met schrijven.

Weldra wist hij wat er gebeurd was, en toornig riep hij: »Gij zijt die slimme heeren in het Seti-huis te oprecht en te waarheidlievend, en dit vee hier te ijverig en te rein. Ik begreepwel dat het hierop uitloopen zou, toen zij u in de mysteriën inleidden. Wij ingewijden hebben slechts te kiezen tusschen liegen of zwijgen.”

»Al weder de oude dwaling!” zeide Pentaoer. »Wij weten dat de godheid éen is; wij noemen hem het Al138), het omhulsel van het Al139)of kortweg Ra. Maar onder Ra verstaan wij wat anders dan de zinnelijke menschen, want voor ons is het heelal de godheid, en in elk zijner deelen erkennen wij een openbaringsvorm van het hoogste wezen, buiten hetwelk er niets is in de hoogte en in de diepte.”

»Dat alles moogt gij mij alleen zeggen, een mede-ingewijde,” viel Nebsecht hem in de rede.

»Maar ik ontwikkel het ook niet geheel voor de leeken,” haastte Pentaoer zich te zeggen: »alleen toon ik hen, die alles nog niet begrijpen kunnen, enkele deelen. Ben ik een leugenaar, wanneer ik bijvoorbeeld niet zeg: ‚ik spreek,’ maar: ‚mijn mond spreekt,’ wanneer ik beweer dat uw oog ziet, hoewel gijzelf het zijt die ziet? Wanneer het licht van den Eenen zich vertoont, dan dank ik hem in liederen uit den diepsten grond mijns harten, en ik noem den vorm waarin hij zijn licht het glansrijkst aan mij vertoont, Ra. Wanneer ik mijn oog laat weiden over de groenende velden daarginds, dan roep ik de geloovigen op om Rennoet140)te danken, dat wil zeggen: om hulde te brengen aan de werkzaamheid van dien Eenen, door welke het koorn in de aren rijpt. Word ik met bewondering vervuld, zoo vaakik denk aan de ontelbare zegeningen, die gindsche goddelijke stroom, waarvan de oorsprong ons onbekend is, over ons land uitstort, dan prijs ik den Eenen in de gedaanten van den god Hapi141), den geheimzinnige. Hetzij wij de zon aanschouwen, of den milden oogst, of den Nijl, hetzij in de zichtbare of in de onzichtbare wereld de eenheid en harmonie met bewondering opmerken, wij hebben toch altijd met dien Eenen te doen, die alles omvat, tot wien ook wij behooren, als zijnde de vormen zijner openbaring, waarin hij zijn zelfbewustzijn heeft gelegd. De kring der voorstellingen, waarin de groote menigte zich beweegt is klein....”

»En zoo geven wij als leeuwen het volk de beten, die wij in eens verslinden142), in fijn gesneden brokjes, met saus overgoten gelijk een kranke met eene zwakke maag.”

»Neen, niet alzoo. Wij achten ons verplicht den sterk werkenden drank, die zelfs mannen kan neerwerpen, te verzachten en te verzoeten, eer wij dien aan kinderen, de geestelijke onmondigen toedienen. De wijzen uit den voortijd hebben de verhevenste waarheden in allegorische beelden en symbolen, en eindelijk in schoone en veelkleurige mythen omsluierd, maar haar op deze wijze verstaanbaar tot de menigte gebracht”143).

»Verstaanbaar?” vroeg de arts. »Verstaanbaar? Waartoe dan de sluier?”

»Meent gij dat het volk de naakte waarheid in het aangezicht zou kunnen zien144), zonder te vertwijfelen?”

»Kan ik het dan? Kan een ander het, al ziet hij recht voor zich uit, en al is het hem om niets en volstrekt niets anders dan waarheid te doen?” riep de arts. »Wij beiden weten toch, dat de dingen alleen zóo zijn, als zij zich vertoonen in den spiegel onzer ziel, al naarmate deze op eene of andere wijze is gepolijst. Wat grijs is zie ik grijs, en wat wit is wit, en ik heb mij gewend, wanneer ik iets tracht te weten te komen, er niet het minste van het mijne bij te voegen, als er al zoo iets in mijn nuchter hoofd voorhanden is. Gij beschouwt de dingenevenals ik, maar iedere voorstelling wordt in u gewijzigd. Want in uwe ziel zijn onzichtbare beeldhouwers werkzaam, die het scheeve rechtbuigen, aan het alledaagsche zekere bekoorlijkheid weten bij te zetten, en het indrukwekkende in een schoon gewaad kunnen kleeden. Gij zijt een dichter, een kunstenaar, en ik maar eenvoudig iemand die naar waarheid zoekt.”

»Juist,” hernam Pentaoer, »om dit uw streven alleen acht ik u hoog, en gij weet het wel, ook ik verlang niets dan waarheid.”

De arts boog het hoofd ten teeken van toestemming en zeide weder: »Ik weet het, ik weet het! Maar onze wegen loopen naast elkander, zonder elkander te raken. Ons beider einddoel is de oplossing van een raadsel, waarvan velerlei verklaringen te geven zijn. Gij meent in het bezit te zijn van de ware, en misschien bestaat er in ’t geheel geene.”

»Dan willen wij ons tevreden stellen met die het meest beantwoordt aan onze behoeften en tevens de schoonste is,” zeide Pentaoer.

»De schoonste!” riep Nebsecht onwillig. »Wilt gij dat wangedrocht schoon noemen, dat gij God heet, dat reuzenlichaam, dat eeuwig zichzelf doet geboren worden en zichzelf weder verslindt? God is het Al, zegt gij, dat zichzelf genoeg is. Hij moet eeuwig zijn en is het ook, wijl alles wat van hem uitgaat ook weder door hem opgeslokt wordt, en de groote gierigaard geen zaadkorrel, geen lichtstraal, geen luchtblaasje weggeeft, zonder ze terug te eischen voor zijne huishouding, die geen doel heeft, die niet door rede en goedheid wordt bestuurd, maar door een tyranniek: gijzult! waarvan hijzelf een slaaf is. Hij is alleen door zichzelf te begrijpen, de bloodaard, die zich verborgen houdt achter een ondoordringbaren sluier, dien ik hem zou willen afrukken als ik kon. Zie, zoo beschouw ik dat ding, hetwelk gij God noemt!”

»Zeker een walgelijk beeld,” hernam Pentaoer, »omdat gij vergeet, dat wij de rede erkend hebben als het wezen van het Al, als de kracht, die het gansche heelal doordringt en beweegt, de rede, die in de harmonie der samenwerking van alle deelen, en in ons zelven, gevormd uit zijn stof en bezield met zijne ziel, zich openbaart.”

»Is er iets redelijks in dat worstelspel des levens?” vroeg Nebsecht. »Is dat eeuwig nederwerpen om weder te laten opstaan zoo bijzonder wijs, en heeft het zulk een verheven doel? En terwijl gij aan de verschijnselen van het Al zulk eene rede ten grondslag legt, paait gij uzelven met een opperheer van uw eigen maaksel, die verbazend veel heeft van de meesters en meesteressen, waarvoor gij het volk laat nederknielen.”

»Slechts schijnbaar,” antwoordde Pentaoer. »Het is een noodzakelijk gevolg van de omstandigheid, dat het bovenzinnelijke alleen in zinnelijken vorm kan worden medegedeeld. Daar God zich aan ons doet kennen als de wereldrede, noemen wij hem ‚het woord’. ‚Die zijne leden met namen bekleedt’145), zooals de heilige teksten zich uitdrukken, beteekent zooveel als de kracht, die aan de dingen hunne eigenaardige vormen verleent, waardoor zij zich van elkander onderscheiden. De scarabeüs-kever146), die ‚als zijn eigen zoon in het leven treedt’, wijst ons op de zich altijd verjongende scheppingskracht in de natuur. En wilt gij daarom onzen goeden God een wangedrocht noemen? Gij kunt het bestaan van zulk een kracht niet loochenen, en evenmin ontkennen, dat wij daarvoor een gelukkig beeld hebben gekozen. Immers gij weet, dat er alleen mannelijke scarabeën zijn, en dat deze dieren zichzelven voorttelen”147).

Nebsecht kon niet nalaten te glimlachen en zeide: »Als alle leerstellingen der mysteriën zoo waar zijn, als dit beeld gelukkig heet gekozen te zijn, dan ziet het er met ulieden treurig uit. De mestkevers zijn sedert jaren mijne vrienden, die met mij dezelfde kamer bewonen. Ik ken hun familieleven en geef u de verzekering, dat er onder hen mannetjes en wijfjes zijn, evenals onder de katten, apen en menschen. Uw ‚goede God’ is mij onbekend. Wat meer is, als ik kalm nadenk, dan kan ik mij maar niet begrijpen, hoe gij over het geheel een goed en een kwaad beginsel in de wereld wilt onderscheiden. Is het Al werkelijk god; is God, zooals de schriften leeren, inderdaad de goedheid zelve, en is er niets buiten hem, waar is dan nog plaats voor het kwade?”

»Gij spreekt als een schooljongen,” zeide Pentaoer onwillig. »Goed en redelijk op zichzelf is al wat bestaat, maar de Eene, die oneindig is, die zichzelf de wet voorschrijft en de wegen van zijne werkzaamheid aanwijst, verleent aan het eindige zijn bestaan door altijddurende vernieuwing, en gaat zonder ophouden in de wisselende vormen van het eindige over. Wat wij kwaad, boos, duister noemen is, op zichzelf beschouwd, goddelijk, goed, redelijk en helder. Doch het vertoont zich aan ons beneveld verstand in een ander licht, wijl wij alleen den weg zien en het doel niet kennen, enkel de op zichzelf staande dingen waarnemen en het geheel niet overzien kunnen. Evenals gij berispenoppervlakkige hoorders de muziek, waarin zij een wanklank hooren, die de harpspeler echter opzettelijk aan zijne snaren ontlokte, om zijne hoorders de reinheid der volgende harmonieën dieper te doen gevoelen. Zoo bedilt een gek den schilder, die zijn paneel zwart maakt, zonder te wachten tot het beeld voltooid is, dat juist op dien donkeren grond helderder zal uitkomen. Zoo scheldt een kind op den edelen boom, waarvan de vruchten rotten, zonder te begrijpen dat uit hunne kernen nieuw leven zal ontwaken. Het schijnbaar kwade is slechts de voorbereiding tot hooger geluk en de dood de drempel des nieuwen levens, gelijk het avondrood door den nacht oversluierd wordt, om weldra weder te voorschijn te komen als morgengloed, die den rijzenden dag aankondigt.”

»Inderdaad, dat klinkt zeer overtuigend,” hernam Nebsecht. »Alles, zelfs het afschrikwekkendste, wordt bekoorlijk op uwe lippen. Doch ik zou uwe stelling kunnen omkeeren en zeggen: het kwaad regeert de wereld, slechts nu en dan wordt ons een enkel drupje zalig genot te proeven gegeven, om ons de bitterheid van het leven des te harder te doen gevoelen. Gij ziet in alles harmonie en goedheid; mijne ervaring is echter, dat het leven door den hartstocht wordt gewekt, dat ons gansche bestaan een strijd is, en dat het eene schepsel bestemd is het andere op te eten.”

»En bemerkt gij dan niets van de schoonheid der zichtbare dingen? Vervult die onveranderlijke orde van het heelal u niet met deemoedige bewondering?”

»Naar schoonheid,” antwoordde de arts, »heb ik nooit gezocht; mogelijk mis ik ook wel het orgaan, om haar zelfstandig waar te nemen, hoewel ik mij gaarne door u er op laat wijzen. Aan de orde in de natuur laat ik ten volle recht wedervaren, want zij is de ware wereldziel. Temt148)noemt gij den Eene, dat wil zeggen: de som, de eenheid, verkregen door de optelling van vele getallen, en dat bevalt mij. Want de bestanddeelen van het heelal, en de krachten die bepalen, in welke verschillende richtingen het leven zich bewegen moet, zijn nauwkeurig berekend volgens maat en getal, maar zonder dat daarbij van goed of schoon sprake kan zijn.”

»Zulke opvattingen,” zeide Pentaoer, die bezorgd werd over zijn vriend, »zijn de gevolgen uwer zonderlinge bezigheden. Gij doodt en vernielt om, zooals gij dat noemt, het geheim des levens op te sporen. Beschouw het worden der dingen in de natuur: open het orgaan, dat u ontbreekt zoo gij meent, namelijk uwe oogen en de schoonheid van de zichtbare wereld zal uook zonder mijne hulp leeren, dat het een valsche god is, dien gij aanbidt.”

»Ik bid in het geheel niet,” zeide Nebsecht, »want de wet, die de wereld in beweging brengt, laat zich evenmin als uwe regelmatig afloopende zandloopers door bidden vermurwen. Maar wie zegt u toch, dat ik het worden der dingen niet op het spoor tracht te komen? Ik zeide u reeds, dat ik beter dan gij weet, hoe de scarabeën ontstaan. Ja, ik heb menig dier van kant gemaakt, en dat niet alleen om zijn organisme te leeren kennen, maar ook om uit te vorschen, hoe het zich gevormd had. Doch juist bij dezen arbeid heeft zich mijn orgaan voor het schoone eer gesloten dan geopend. Ik verzeker u, dat het even weinig opwekkend is, het ontstaan als de vernietiging en de verandering der dingen na te gaan.”

Pentaoer zag den heelmeester vragend aan.

»Ik wil ook eens,” ging de laatste voort, »in beelden spreken. Daar, zie dezen wijn! Wat is hij klaar en geurig! En toch hebben de wijngaardeniers hem met hunne eeltachtige voeten uit de druiven geperst. Ziehier deze volle aar! Welk eene goudgele glans! En zij zal, als wij haar malen, sneeuwwit meel geven. Niettemin wies zij op uit een rottenden zaadkorrel. Onlangs roemdet ge de schoonheid van de groote bijna voltooide zuilenzaal in den tempel van Amon aan de overzijde in Thebe149). Hoe zal de nakomelingschap dit werk bewonderen! Ik heb het zien worden. Daar lagen vierkante steenblokken in de grootste wanorde door elkaar. Hoopen stof dwarrelden op, zoodat ik bijna niet ademen kon. Drie maanden geleden werd ik er heen gezonden, omdat men meer dan honderd arbeiders, bij het steenslijpen in de brandende zonnehitte, zoo had geslagen, dat zij het bijna bestierven. Als ik nu een dichter was als gij zijt, dan zou ik u duizend zulke tafereelen ophangen, die u zeker niet bevallen zouden. Vooreerst hebben wij genoeg te doen met het bestaande waar te nemen, en de wetten op te sporen, waardoor alles in beweging wordt gebracht.”

»Ik heb uw streven nooit geheel kunnen verstaan, en het heeft mij altijd moeite gekost te begrijpen, waarom gij u toch eigenlijk niet op de wetenschap der Horoscopen hebt toegelegd,” zeide Pentaoer. »Gelooft gij dan, dat het leven van planten en dieren in zijne oneindige afwisseling, dat zoo geheel afhankelijk is van zijne omgeving, waardoor het bepaald wordt, zich totwetten, getallen en afmetingen laat terugbrengen, evenals de beweging der sterren?”

»Vraagt gij dit? Zou de ontzaglijk sterke reuzenhand, die de lichten daarboven dwingt zich voort te bewegen in hun nauwkeurige afgebakende banen, ook niet fijn genoeg ontwikkeld zijn, om aan de vlucht der vogels en den slag van het menschelijk hart bepaalde wetten voor te schrijven?”

»Daar zijn wij weder bij de harten,” zeide de dichter lachend. »Zijt gij uw doel al wat nader gekomen?”

De arts werd ernstig en zeide: »Misschien zal ik morgen reeds in het bezit zijn van hetgeen ik noodig heb. Daar ligt uw palet met roode en zwarte verf, papyrus en schrijfriet; mag ik een blad gebruiken?”

»Natuurlijk; maar vertel mij eerst.....”

»Vraag maar niets; gij zoudt mijn voornemen niet billijken, en het zou aanleiding geven tot nieuw verschil.”

»Ik denk,” hernam de dichter, terwijl hij zijn hand op den schouder van den arts legde, »dat wij den strijd niet behoeven te vreezen. Hij is tot hiertoe het cement en de verfrisschende dauw van onze vriendschap geweest.”

»Zoolang de strijd ten minste liep over meeningen en opvattingen, en niet over daden.”

»Gij wilt u toch niet meester maken van een menschenhart?” riep de dichter. »Bedenk wel wat gij doet! Het hart is de woning van het in ons levend uitvloeisel der wereldziel.”

»Weet gij dat zoo zeker?” vroeg de heelmeester gevoelig. »Lever mij dan het bewijs! Hebt gij ooit een hart onderzocht; heeft een mijner ambtgenooten het gedaan? Zij verklaren zelfs het hart van een boosdoener, een krijgsgevangene onaantastbaar. Wanneer wij ten einde raad naast een kranke staan, en onze geneesmiddelen even dikwijls schaden als baten, vanwaar komt dat? Daarvan alleen, dat wij, artsen, gedwongen zijn om te arbeiden als de sterrenkundigen, van wien men zegt dat zij de sterren door eene plank beschouwen. Te Heliopolis bad ik den grooten oerma150)Rahotep, dien inderdaad zoo geleerden oversten van ons gild, die mij hoogschatte, het hart van een gestorven Amoe te mogen onderzoeken. Doch hij weigerde het, omdat de groote Sechet151)ook de vrome Semieten in de velden der gezaligden binnenleidt152). Daarop volgden weder de oude bedenkingen, namelijk: dat het zelfs zondig is een dierenhart te ontleden, aangezienook dit de drager is eener ziel, misschien de bevlekte en veroordeelde ziel van een mensch, die, eer zij tot den Eenen mag terugkeeren, den louteringsweg moet voleindigen door de lichamen van dieren. Ik liet mij door deze tegenwerping niet uit het veld slaan, en verklaarde hem, dat mijn overgrootvader Nebsecht, vóor hij zijne verhandeling over het hart schreef153), ongetwijfeld zulk een orgaan onderzocht had. Toen gaf hij het antwoord, dat de godheid hem zeker had geopenbaard wat hij geschreven had, waarom dan ook zijn werk onder de heilige schriften van Toth154)was opgenomen, die vast stonden en onaantastbaar waren als de wereldrede. Hij wilde mij, zeide hij verder, rust bezorgen tot stillen arbeid, want ik was een uitverkoren geest; de hemelsche goden zouden mij wellicht insgelijks met openbaringen begenadigen. — Ik was toen jong en heb mijne nachten in gebeden doorgebracht, maar ik viel met den dag af, en mijn geest werd doffer in plaats van helderder. Toen slachtte ik in stilte eerst een hoen, vervolgens ratten, daarna een konijntje. Ik ontleedde hunne harten en volgde de bloedvaten, die vandaar uitgaan. ’t Is waar, ik weet nu slechts weinig meer dan te voren, maar ik moet achter de waarheid komen en het hart van een mensch hebben.”

»Wat zal u dat geven?” vroeg Pentaoer. »Verwacht ge dan dat gij het onzichtbare en oneindige met uwe menschelijke oogen zult waarnemen?”

»Kent gij de verhandeling van mijn grootvader?”

»Zoowat,” gaf de dichter ten antwoord. »Hij zegt dat, waar men ook den vinger legt, hetzij op het hoofd, hetzij op de handen of de maag, overal het hart wordt gevonden, daar zijne bloedvaten naar alle leden uitgaan, en dat het hart het uitgangspunt is van al deze vaten. Verder geeft Nebsecht aan, hoe de aderen over de leden verdeeld zijn, en toont aan — is het niet zoo? — hoe de verschillende zielstoestanden, als toorn, verdriet, afschuw, ja ook het gebruik van het woord hart, in het algemeen voor zijne opvatting getuigen.”

»Juist, wij hebben daarover reeds gesproken, en ik geloof dat hij gelijk heeft, wat het bloed en de dierlijke gewaarwordingen betreft. Maar het rein en helder verstand in ons heeft een anderen zetel,” en de arts sloeg bij deze woorden met de hand op zijn breed maar laag voorhoofd. »Koppen heb ik bij honderdenbestudeerd, daarginds bij het hooggerechtshof; ook lichtte ik de hersenpan van levende dieren155). — Doch laat mij nu schrijven, voor wij gestoord worden.”

De arts nam het schrijfriet, lengde de zwarte uit verkoolden papyrus bereide verfkleur aan, en schreef in sierlijke hiëratische letters156)het document voor den Paraschiet, waarbij hij bekende voor hem geëischt te hebben, dat hij het hart van een mensch zou stelen, en kort en bondig verklaarde voor Osiris en de doodenrechters de schuld van den oude op zich te willen nemen. Toen hij gereed was, strekte Pentaoer zijne hand uit naar het geschreven stuk, maar Nebsecht vouwde het samen, stak het in een taschje, waarin zich de amulet bevond, die zijne stervende moeder hem om den hals had gehangen, en zeide, na eene diepe ademhaling: »Daarmede zijn we klaar. Vaarwel Pentaoer!”

De dichter hield zijn vriend staande, sprak hem met ernst en warmte toe, en smeekte hem toch van zijn voornemen af te zien. Doch Nebsecht bleef ongeroerd door deze beden en trachtte zijne vingers los te rukken uit de verbazend sterke handen van Pentaoer, die ze als met ijzeren klemmen vasthielden. De dichter vermoedde in zijne vervoering niet, dat hij zijn vriend pijn deed, tot deze, na eene vruchtelooze poging om vrij te komen, uitriep: »Gij verwringt mijne vingers!”

Er kwam een glimlach op het gelaat van den dichter. Hij liet den heelmeester los en zeide, terwijl hij diens vuurroodehanden streelde als eene moeder, die de pijn van haar kind weg wil strijken: »Wees niet boos op mij, Nebsecht; gij kent mijne ongelukkige vuisten. Heden moesten ze u inderdaad vasthouden, want wat gij voorhebt is al te dolzinnig.”

»Dolzinnig?” vroeg de arts, terwijl hij op zijn beurt lachte. »Mij goed, maar weet gij dan niet, dat wij Egyptenaars met bijzondere angstvalligheid aan onze dwaasheden hangen, en zelfs ons niet ontzien er huis en hof voor op te offeren?”

»Jaeigenhuis eneigenhof!” riep de dichter, en voegde er daarna bij: »maar niet het leven, niet het welzijn van een ander.”

»Heb ik u dan niet reeds gezegd, dat ik het hart niet voor den zetel van het verstand kan houden? Wat mij betreft, het is mij om ’t even, of ik met het hart van een hamel of met mijn eigen hart begraven zal worden.”

»Ik spreek niet van den doode, die van dit lichaamsdeel beroofd zal zijn, maar van den levende,” hernam Pentaoer. »Wanneer de daad van den Paraschiet ontdekt wordt, dan is hij verloren, en het lieve kind daarginds in de hut zoudt gij alleen gered hebben, om het in de diepste ellende te storten.”

Nebsecht zag zijn vriend zoo verbluft en onthutst aan, alsof hij door een ongeluksbode opeens uit den slaap was gewekt. Na een oogenblik zeide hij echter: »Ik zou met den oude en Warda deelen al wat ik heb.”

»En wie zal u beschermen?”

»Haar vader.”

»Die ruwe dronkaard, dien zij morgen of overmorgen wie weet waarheen zullen zenden....!”

»Hij is een braaf man,” viel de arts zijn vriend in de rede, terwijl hij merkbaar ontroerd was en heel erg stotterde. »Maar wie zou het wagen het meisje iets te doen? Zij is zoo.... zoo.... Zij is zoo lieftallig, zoo schoon en heeft zoo iets eigenaardigs!”

Bij de laatste woorden sloeg hij de oogen neder en bloosde als een meisje. »Gij begrijpt dat beter dan ik,” ging hij voort, »ja, gij vindt haar ook schoon! Zonderling! — Gij moet niet lachen, wanneer ik erken — ik ben immers ook een mensch als ieder ander? — wanneer ik erken, dat ik het orgaan, het mij ontbrekende orgaan voor de schoonheid der vormen toch eindelijk ook in mij meen ontdekt te hebben; neen, niet meen, maar werkelijk ontdekt heb. Want het heeft van het eerste oogenblik hier niet gesproken maar geschreeuwd, geraasd, dat mij de ooren suisden, en voor het eerst in mijn leven trok de lijdende mij meer aan dan het leed op zichzelf. Hoe heb ik daar gezeten als aan die hut gekluisterd, en haar haren bewonderd en hare oogen en haar ademtocht opgevangen! Zij hebben mijlang in het Seti-huis gemist; misschien hebben zij ook mijne preparaten ontdekt, toen ze mij in mijne kamer zochten. Twee dagen en nachten heb ik mij van den arbeid laten afhouden door dit kind! Dacht ik als de leeken, die gij u aantrekt, dan zou ik zeggen: demonen hebben mij betooverd. Maar dat is het niet” — en bij deze woorden was het alsof zijne oogen vlammen schoten — »dat is het niet! Het dierlijke in mij, de lage natuurdriften, waarvan het hart de zetel is, deze dreigden mijne borst aan haar ziekbed te doen bersten; zij hebben de andere fijnere en reine opwellingen hier, hier in deze hersens overmeesterd. En zoo moet ik, op het oogenblik dat ik hoop te zullen weten als God zelf, dien gij den vorst van alle wetenschap noemt, helaas ondervinden, dat het dier in mij sterker is dan wat ik mijn god noem.”

Onder deze laatste woorden had de arts gejaagd en verbolgen naar den grond gezien, en niet eens op den dichter gelet, die verbaasd en vol deelneming naar hem luisterde. Beiden zwegen eene poos, tot Pentaoer zijne hand op die van zijn vriend legde en met aandoening zeide: »Waarlijk, mijne ziel is niet vreemd aan hetgeen gij thans gevoelt. Het heeft bij mij, als ik u naspreken mag, hoofd en hart tegelijk aangedaan. Maar ik weet dat hetgeen wij voelen wel is waar vreemd is, aan onze gewone gewaarwordingen, dat het echter hooger en edeler is, in plaats van daar beneden te staan. Het is niet het dierlijke, Nebsecht, dat gij in u waarneemt, maar het goddelijke. Het goede is de schoonste eigenschap van het hemelsche, en gij zijt altijd liefderijk gezind geweest jegens groot en klein. Doch ik vraag u of ooit iets zulk eene onweerstaanbare macht op u heeft uitgeoefend, om een oceaan van goedheid over een ander wezen uit te storten; of gij aan Warda niet alles wat gij zijt en hebt blijmoediger en met grooter zelfverloochening zoudt geven, dan aan vader en moeder en uwe oudste vrienden?”

Nebsecht boog zijn hoofd ten teeken van toestemming; Pentaoer vervolgde echter: »Welaan dan! Volg de nieuwe goddelijke stem in u, heb Warda lief en offer haar niet op aan uwe ijdele wenschen. Arme vriend! Bij al uw zoeken naar de verborgenheden van het leven, hebt gij nog nooit naar het leven zelf omgezien, dat zich daar open en uitlokkend uitbreidt voor onzen blik in al zijn omvang en zijne diepte. Gelooft gij dat de jonkvrouw, die den kalmsten denker in Thebe zoo in vlam kan zetten, niet door honderd zinnelijke menschen zal worden begeerd, wanneer zij geen beschermer heeft? Moet ik u zeggen, dat onder de danseressen in het vreemden-kwartier negen van de tien, dochters zijn van uit de maatschappij gebannen ouders? Kunt gij vrede hebben met de gedachte dat door uw toedoen de onschuld aan demisdaad zal worden prijs gegeven en de roos in het slijk getreden? Is het menschenhart, waarnaar gij zoozeer verlangt, eene Warda waard? — Ga nu, en kom morgen weder bij mij, uw vriend, die in staat is alles te gevoelen wat gij gevoelt, wien gij heden zooveel nader zijt gekomen, omdat gij geleerd hebt in zijn reinst geluk te deelen.”

Pentaoer stak den arts zijne hand toe, Nebsecht nam haar aan, maar langzaam. Nadenkend en met loome schreden ging hij heen, en zonder te letten op den brandenden gloed van de middagzon, daalde hij over den berg af in het dal der koningsgraven, in de richting van de Paraschieten-hut. Hier vond hij den soldaat bij zijne dochter en vroeg met nadruk: »Waar is de oude?”

»Hij ging naar den arbeid in het huis van de balsemers,” luidde het antwoord. »Hij laat u weten dat, als hem iets overkomt, gij de schriftelijke verklaring niet moogt vergeten, noch het boek. Hij was als gek, toen hij ons verliet, en heeft het hart van den hamel bij zich gestoken en medegenomen. Blijft gij wat bij de kleine; moeder verricht dienstwerk, en ik moet krijgsgevangenen naar Hermonthis157)brengen.”


Back to IndexNext