236)Den 29sten Paophi. De Egyptenaars hadden drie jaargetijden of Tetrameniën, elk van vier maanden. Het waren de jaargetijden der overstrooming, van zaaiing en oogst (“Scha”, „per” en „schemoe”). De tweede overstroomingsmaand heet Paophi en de 29ste Paophi, waarop het feest van het dal gevierd werd, kwam overeen met den 8sten November volgens onze tijdrekening.237)Maspero,Mémoire sur quelques Papyrus de Louvre, p. 75 Pap. 3. Boulaq, T. 3, p. 22, 23.238)Uit den te Boulaq bewaarden Papyrus IV, die zedelijke voorschriften behelst. Hij werd door Mariëtte uitgegeven, en vertaald door Brugsch, E. de Rougé, en ten laatste op voortreffelijke wijze analytisch verklaard en toegelicht door Chabas in zijn tijdschriftl’Egyptologie.239)Bij de beschrijving van de processie, heb ik voornamelijk de voorstellingen gevolgd van den grooten optocht bij het feest van den trap op den tempel van Medinet Haboe.240)Pterophoren, zooals de priesters heeten, omdat zij zich onderscheidden door twee vederen op hun hoofd.Vert.241)Er waren in Egypte geene vrouwelijke sphinxen. De sphinx heet Neb, d. i. de heer. De liggende leeuwengestalten dragen òf het hoofd van een man, òf den kop van een ram.242)Elke nomos of provincie van Egypte (daar waren er 44) had haar kenteeken, een soort van wapen, dat bij feestelijke optochten op banieren werd rondgedragen. Volledige lijsten werden reeds in den tijd van Seti I op de muren van den tempel te Abydus uitgebeiteld. Op de tempels uit den tijd der Ptolemaeën, te Philae, Edfoe en Dendera, leeren de teksten, die aan de lijsten der provinciën zijn toegevoegd, ons vele belangrijke bijzonderheden kennen, vooral betreffende het godsdienstig leven in elke nomos. Harris, Brugsch, Dümichen en J. de Rougé hebben zich in het bijzonder bezig gehouden met de geografische indeeling van het Nijldal.243)Zulke vreemde dieren namen in grooten getale aan een feestelijken optocht deel, dien Ptolemaeus Philadelphus liet houden, en die ons door een ooggetuige, Kallixenos, in Athenaeus Deipnosophist, uitvoerig beschreven wordt. De vorst uit het geslacht der Lagiden volgde hiermede de gewoonte van vroeger tijd, gelijk ons blijkt uit voorstellingen in het graf van Rechma-Ra (18e dynastie) en in andere groeven.244)De Egyptenaars wisten met groote kunstvaardigheid zulke edelgesteenten na te maken. Er zijn exemplaren van verschillenden vorm en kleur bewaard gebleven. In de verzameling van Minutoli en in andere, met name die te Boelaq, zijn mozaïek-paarlen, die onze tegenwoordige kunstenaars op dit gebied bezwaarlijk zullen kunnen namaken.
236)Den 29sten Paophi. De Egyptenaars hadden drie jaargetijden of Tetrameniën, elk van vier maanden. Het waren de jaargetijden der overstrooming, van zaaiing en oogst (“Scha”, „per” en „schemoe”). De tweede overstroomingsmaand heet Paophi en de 29ste Paophi, waarop het feest van het dal gevierd werd, kwam overeen met den 8sten November volgens onze tijdrekening.
236)Den 29sten Paophi. De Egyptenaars hadden drie jaargetijden of Tetrameniën, elk van vier maanden. Het waren de jaargetijden der overstrooming, van zaaiing en oogst (“Scha”, „per” en „schemoe”). De tweede overstroomingsmaand heet Paophi en de 29ste Paophi, waarop het feest van het dal gevierd werd, kwam overeen met den 8sten November volgens onze tijdrekening.
237)Maspero,Mémoire sur quelques Papyrus de Louvre, p. 75 Pap. 3. Boulaq, T. 3, p. 22, 23.
237)Maspero,Mémoire sur quelques Papyrus de Louvre, p. 75 Pap. 3. Boulaq, T. 3, p. 22, 23.
238)Uit den te Boulaq bewaarden Papyrus IV, die zedelijke voorschriften behelst. Hij werd door Mariëtte uitgegeven, en vertaald door Brugsch, E. de Rougé, en ten laatste op voortreffelijke wijze analytisch verklaard en toegelicht door Chabas in zijn tijdschriftl’Egyptologie.
238)Uit den te Boulaq bewaarden Papyrus IV, die zedelijke voorschriften behelst. Hij werd door Mariëtte uitgegeven, en vertaald door Brugsch, E. de Rougé, en ten laatste op voortreffelijke wijze analytisch verklaard en toegelicht door Chabas in zijn tijdschriftl’Egyptologie.
239)Bij de beschrijving van de processie, heb ik voornamelijk de voorstellingen gevolgd van den grooten optocht bij het feest van den trap op den tempel van Medinet Haboe.
239)Bij de beschrijving van de processie, heb ik voornamelijk de voorstellingen gevolgd van den grooten optocht bij het feest van den trap op den tempel van Medinet Haboe.
240)Pterophoren, zooals de priesters heeten, omdat zij zich onderscheidden door twee vederen op hun hoofd.Vert.
240)Pterophoren, zooals de priesters heeten, omdat zij zich onderscheidden door twee vederen op hun hoofd.Vert.
241)Er waren in Egypte geene vrouwelijke sphinxen. De sphinx heet Neb, d. i. de heer. De liggende leeuwengestalten dragen òf het hoofd van een man, òf den kop van een ram.
241)Er waren in Egypte geene vrouwelijke sphinxen. De sphinx heet Neb, d. i. de heer. De liggende leeuwengestalten dragen òf het hoofd van een man, òf den kop van een ram.
242)Elke nomos of provincie van Egypte (daar waren er 44) had haar kenteeken, een soort van wapen, dat bij feestelijke optochten op banieren werd rondgedragen. Volledige lijsten werden reeds in den tijd van Seti I op de muren van den tempel te Abydus uitgebeiteld. Op de tempels uit den tijd der Ptolemaeën, te Philae, Edfoe en Dendera, leeren de teksten, die aan de lijsten der provinciën zijn toegevoegd, ons vele belangrijke bijzonderheden kennen, vooral betreffende het godsdienstig leven in elke nomos. Harris, Brugsch, Dümichen en J. de Rougé hebben zich in het bijzonder bezig gehouden met de geografische indeeling van het Nijldal.
242)Elke nomos of provincie van Egypte (daar waren er 44) had haar kenteeken, een soort van wapen, dat bij feestelijke optochten op banieren werd rondgedragen. Volledige lijsten werden reeds in den tijd van Seti I op de muren van den tempel te Abydus uitgebeiteld. Op de tempels uit den tijd der Ptolemaeën, te Philae, Edfoe en Dendera, leeren de teksten, die aan de lijsten der provinciën zijn toegevoegd, ons vele belangrijke bijzonderheden kennen, vooral betreffende het godsdienstig leven in elke nomos. Harris, Brugsch, Dümichen en J. de Rougé hebben zich in het bijzonder bezig gehouden met de geografische indeeling van het Nijldal.
243)Zulke vreemde dieren namen in grooten getale aan een feestelijken optocht deel, dien Ptolemaeus Philadelphus liet houden, en die ons door een ooggetuige, Kallixenos, in Athenaeus Deipnosophist, uitvoerig beschreven wordt. De vorst uit het geslacht der Lagiden volgde hiermede de gewoonte van vroeger tijd, gelijk ons blijkt uit voorstellingen in het graf van Rechma-Ra (18e dynastie) en in andere groeven.
243)Zulke vreemde dieren namen in grooten getale aan een feestelijken optocht deel, dien Ptolemaeus Philadelphus liet houden, en die ons door een ooggetuige, Kallixenos, in Athenaeus Deipnosophist, uitvoerig beschreven wordt. De vorst uit het geslacht der Lagiden volgde hiermede de gewoonte van vroeger tijd, gelijk ons blijkt uit voorstellingen in het graf van Rechma-Ra (18e dynastie) en in andere groeven.
244)De Egyptenaars wisten met groote kunstvaardigheid zulke edelgesteenten na te maken. Er zijn exemplaren van verschillenden vorm en kleur bewaard gebleven. In de verzameling van Minutoli en in andere, met name die te Boelaq, zijn mozaïek-paarlen, die onze tegenwoordige kunstenaars op dit gebied bezwaarlijk zullen kunnen namaken.
244)De Egyptenaars wisten met groote kunstvaardigheid zulke edelgesteenten na te maken. Er zijn exemplaren van verschillenden vorm en kleur bewaard gebleven. In de verzameling van Minutoli en in andere, met name die te Boelaq, zijn mozaïek-paarlen, die onze tegenwoordige kunstenaars op dit gebied bezwaarlijk zullen kunnen namaken.
Een uur later voer eene slanke, zeer eenvoudig gekleede burgervrouw, bij welker jeugdig gelaat eenige donkere plooien op voorhoofd en wangen slecht wilden passen, over den Nijl, vergezeld van een donker gekleurden opgeschoten jongen en een tenger knaapje. Het was moeielijk in dit drietal de fiere Bent-Anat, den lichtkleurigen Rameri en de schoone Nefert te herkennen. Deze laatste maakte, in het lange witte kleed van de kweekelingen eener priesterschool, alles behalve een slecht figuur. Toen zij aan wal waren gestapt, werden zij gevolgd door de beide sterke en trouwe opzichters van de draagstoeldragers der prinses. Zij had hun bevolen, dat zij den schijn moesten aannemen, als stonden zij in geenerlei betrekking tot hunne meesteres en die haar vergezelden.
De vaart over den Nijl had lang geduurd. De vorstelijke broeder en zuster hadden daarbij ondervonden, met hoeveel tegenspoeden gewone stervelingen te worstelen hebben om tot een doel te geraken, dat zij die een kroon dragen als vanzelf bereiken. Want niemand baande hun den weg; geen boot week voor hun uit. Ieder was er op uit hun den voorrang te betwisten, en eerder dan zij aan genen oever te landen. Toen zij eindelijk bij de landingstrap uitstegen, was de processie reeds aan het Seti-huis genaderd. Ameni was haar tegemoet gegaan, met zijne zangerskoren, en had aan den Nijloever den god ontvangen. De profeten van de Nekropolis plaatsten hem met eigene handen in de heilige van cederhout en verguld zilver kunstig vervaardigde Sam-bark245)van het Seti-huis, die overal met edelgesteentenwas bezet. Dertig Pastophoren namen het kostbaar vaartuig op hunne schouders en droegen het door de sphinxenlaan, die de haven met den tempel verbond, in het allerheiligste van het Seti-huis, waar Amon vertoefde, terwijl de feestgezanten uit alle provinciën des lands hunne offergaven in het voorhof van het heiligdom nederlegden. Op weg naar den tempel liepen Kolchyten vooruit, om naar oud gebruik zand voor den god te strooien246).
Na verloop van een uur trad de processie weder naar buiten. Zij bewoog zich in eene zuidelijke richting voorwaarts, rustte het eerst in den reuzentempel van Amenophis III, voor welken de twee grootste kolossen van het Nijldal als wachters stonden, en daarna in den tempel van den grooten Thotmes, die nog zuidelijker was gelegen247). Daar keerde zij om, ging vlak langs de oostelijke helling van het Libysch gebergte, waarin tal van graven waren248), besteeg vervolgens de terrassen van den tempel van Hatasoe, dien wij kennen, hield zich in de nabij dit heiligdom gelegen graven der oudere koningen249)eenige oogenblikken op, en bereikte tegen zonsondergang het eigenlijke feestterrein, aan den ingang van het dal, waarin het graf van Seti was aangelegd250), terwijl zich in de naar het westen loopende dwarsdalen eenige groeven bevonden van pharao’s uit het onttroonde koningshuis. Men was gewoon dit gedeelte van de Nekropolis bij het licht der lampen en het schijnsel der fakkels te bezoeken, voordat de god terugkeerde, en vóor de tegen middernacht aanvangende feestspelen op het heilige meer in het zuidelijkste gedeelte van de doodenstad. Achter den god werd in eene vaas van doorzichtig kristal, die op een hoogen staak bevestigd was, opdat iedereen het zou kunnen zien, het heilige hart van den ram rondgedragen.
Onze vrienden sloten zich, nadat zij, zonder door iemand herkend te zijn, hun krans op het rijke offeraltaar hunner koninklijke voorvaderen gelegd hadden, eerst laat in den middag aan bij de volksmenigte, die de processie volgde. Bij de groeve van Mena’s voorvaderen bestegen zij de oostelijke helling der Libysche bergen. De stamvader van Mena, Neferhotep, een profeet van Amon, had dat graf laten aanleggen, welks enge ingang door een groote volksmassa als belegerd was. Want in de eerste in de rots uitgehouwengrafkamer zat, bij elk feest, een harpspeler het doodenlied te zingen van den sedert lang ontslapen profeet, en van zijne gemalin en zuster. Zijn huiszanger had het gedicht. Het was in de tweede grafkamer in den wand gebeiteld, en Neferhotep had aan het bestuur van de doodenstad een stuk grond vermaakt, met de verplichting, dat de inkomsten ervan gebruikt moesten worden tot bezoldiging van een harpspeler, die verplicht was zijn lied bij elk doodenfeest, onder begeleiding van snarenspel te zingen. De wagenmenner Mena kende dit doodenlied van zijn stamvader zeer goed, en had het Nefert dikwijls voorgezongen, terwijl zij hem met de luit begeleidde. Want ook in de uren van vreugde, ja, bij voorkeur in deze, gedachten de Egyptenaars aan hunne dooden. Zij luisterde nu met die haar vergezelden naar den harpspeler, die zong251):
»Ruste in vrede deze groote!Schenker van de schoonste gaven!Sinds de heerschappij der goden,Moet het kroost der menschen sterven.Ouden wijken voor de jongen.Schitterend rijst de nieuwe zongodElken morgen, nadat de oudeRust vond in den schoot van ’t westen252).. . . . . . . . . . . . . . .Vier nu, mijn profeet, den feestdag!Geur’ge zalven, specerijenBieden wij, en bloemenkransenSlingren wij om borst en armenUwer veelgeliefde zuster,Die daar neerzit aan uw zijde.Laat ons voor uw vriendelijk aanschijnLied’ren zingen, snaren tokk’len:Laat toch achter u de zorgen,Wees gedachtig aan de vreugde,Tot de dag der reize nadert,Als men landend rust mag vindenIn het rijk, waar allen zwijgen.”
»Ruste in vrede deze groote!Schenker van de schoonste gaven!Sinds de heerschappij der goden,Moet het kroost der menschen sterven.Ouden wijken voor de jongen.Schitterend rijst de nieuwe zongodElken morgen, nadat de oudeRust vond in den schoot van ’t westen252).. . . . . . . . . . . . . . .Vier nu, mijn profeet, den feestdag!Geur’ge zalven, specerijenBieden wij, en bloemenkransenSlingren wij om borst en armenUwer veelgeliefde zuster,Die daar neerzit aan uw zijde.Laat ons voor uw vriendelijk aanschijnLied’ren zingen, snaren tokk’len:Laat toch achter u de zorgen,Wees gedachtig aan de vreugde,Tot de dag der reize nadert,Als men landend rust mag vindenIn het rijk, waar allen zwijgen.”
»Ruste in vrede deze groote!Schenker van de schoonste gaven!Sinds de heerschappij der goden,Moet het kroost der menschen sterven.Ouden wijken voor de jongen.Schitterend rijst de nieuwe zongodElken morgen, nadat de oudeRust vond in den schoot van ’t westen252).. . . . . . . . . . . . . . .Vier nu, mijn profeet, den feestdag!Geur’ge zalven, specerijenBieden wij, en bloemenkransenSlingren wij om borst en armenUwer veelgeliefde zuster,Die daar neerzit aan uw zijde.Laat ons voor uw vriendelijk aanschijnLied’ren zingen, snaren tokk’len:Laat toch achter u de zorgen,Wees gedachtig aan de vreugde,Tot de dag der reize nadert,Als men landend rust mag vindenIn het rijk, waar allen zwijgen.”
Toen de zanger zweeg, drongen eenige lieden de eenvoudige grafkapel binnen, om hun dank voor dit lied uit te spreken in het nederleggen van eenige bloemen op het offeraltaar van den profeet. Nefert en Rameri traden insgelijks het graf binnen, en de eerste legde, nadat zij in een lang en stil gebed den verheerlijktengeest van den gestorvene had aangeroepen, om Mena te beschermen, haar krans naast de mummie-groeve, waarin de moeder van haar gemaal rustte.
Vele leden van het hofgezin gingen zelfs rakelings de koningskinderen voorbij zonder hen te herkennen. Zij haastten zich nu om op het feestterrein te komen, maar het gedrang was zoo groot, dat de vrouwen zich nu en dan genoodzaakt zagen in een graf uit te wijken. In alle grafkapellen vonden zij de offeraltaren met gaven overladen, en in de meeste de familiebetrekkingen gezellig bijeen, die onder het genot van vleesch en vruchten, bier en wijn, hunne afgestorvenen gedachten, alsof het reizigers gold, die ver van den geboortegrond hun geluk hadden gevonden, en die men vroeger of later hoopte weer te zien. De zon neigde reeds ten ondergang, toen zij op het eigenlijk feestterrein aankwamen.
Welk een levendig tooneel deed zich hier aan hen voor. Overal stonden tafels en tenten met eetwaren, voornamelijk met zoet gebak voor de kinderen, en verder met dadels, vijgen, granaatappelen en andere vruchten. Onder lichte afdaken, die echter voldoende waren om de zonnestralen te weren, zag men sandalen te koop, en goed voor kleedingstukken in alle stoffen en kleuren. Daar vond men snuisterijen, amuletten, waaiers en zonneschermen, geurige reukwerken van allerlei soort, kortom al wat men verlangen kon voor het offeraltaar zoowel als voor de toilettafel. De korven der hoveniers en bloemenverkoopster waren reeds ledig, maar de wisselaars hadden nog handen vol werk, en aan de schenk- en dobbeltafels ging het reeds levendig toe. Vrienden en bekenden begroetten elkander met vrome spreuken, terwijl kinderen elkander hunne nieuwe sandalen, en de koeken die zij met dobbelspel gewonnen hadden, of de koperen ringetjes die zij hadden gekregen en nog heden besteed moesten worden, lieten kijken. Het meeste succes hadden wel de wonderdoeners van het Seti-huis. Eene menigte toeschouwers zat, op den grond neergehurkt, rondom hen geschaard; men had echter vrijwillig voor de kinderen de eerste rijen ingeruimd.
Toen onze wandelaars deze plek betraden, was het godsdienstige feest reeds afgeloopen. Nog stond er de troonhemel, waaronder de koninklijke familie de feestrede pleegde te hooren en in welks schaduw heden de stadhouder Ani had gezeten. Men zag nog de zitplaatsen der aanzienlijken staan en de staketsels, die het volk verwijderd hielden van den adel, de priesters en de leden der koninklijke familie. Hier had Ameni met eigen mond het wonder van het ramshart aan het jubelende volk medegedeeld, en kenbaar gemaakt, dat er een nieuwe Apis onderde kudden van den stadhouder gevonden was. Zijne verklaring dezer goddelijke teekenen ging van mond tot mond. Zij voorspelden het land vrede en geluk, door een lieveling der goden. Al sprak de opperpriester het niet uit, zoo kon het zelfs den onnoozelste niet ontgaan, dat met dien lieveling niemand anders werd bedoeld dan Ani, de afstammeling van de groote Hatasoe, welker profeet met het hart van den heiligen ram begenadigd was geworden. Ieder zag bij Ameni’s woorden op Ani, en deze offerde voor het oog van het volk onder het heilige hart en ontving den zegen van den opperpriester.
Ook Pentaoer had zijne rede reeds uitgesproken, toen Bent-Anat met die haar vergezelden op het feestterrein kwam. Zij hoorde hoe een grijsaard tot zijn zoon zeide: »Het leven is niet gemakkelijk. Dikwijls kwam het mij voor als een last, die onbarmhartige goden ons op de schouders leggen. Maar toen ik den jongen priester uit het Seti-huis hoorde, gevoelde ik toch dat de hemelsche goden goed zijn, en dat wij hen voor veel te danken hebben.”
Elders zeide de vrouw van een priester tot haar jongske: »Hebt ge dien Pentaoer wel eens goed in ’t aangezicht gezien, Hor-oeza? Hij is van lage afkomst, maar hij overtreft de grootsten in geest en gaven, en zal het ver brengen.”
Twee meisjes stonden ginds met elkander te praten. »Die feestredenaar is de schoonste man, dien ik ooit gezien heb,” zeide de eene tegen de andere; »en zijne stem klonk als welluidend gezang.”
»En hoe vol vuur waren zijne oogen, toen hij de waarheid prees als de hoogste deugd,” antwoordde het andere meisje. »Ik zou denken dat alle goden in hem woonden.”
Bent-Anat bloosde, toen zij deze woorden opving. Zij wilde terugkeeren, want de duisternis begon te vallen, doch Rameri wenschte ook de processie te volgen, die nu met lampen en fakkels door het westelijk dal zou trekken, ten einde dan tevens het graf van hun grootvader Seti een bezoek te brengen. De prinses gaf ongaarne toe. Het was echter op dit tijdstip uiterst moeielijk den Nijl te bereiken, want de dichte volksmenigte bewoog zich juist in de tegenovergestelde richting. De prins en zijne zuster lieten zich dus met Nefert door den stroom medesleepen en kwamen, toen de zon reeds was ondergegaan, in het westelijk dal. Geen roofdier vertoonde zich daar in dezen nacht, want jakhalzen en hyena’s hadden de wijk genomen naar de woestijn, zoodra zij het licht zagen der ontelbare fakkels en uit gekleurd papyrus samengestelde lantaarns, die de bezoekers van de Nekropolis in de handen droegen. De rook van fakkels en andere lichten, en de stof die werd opgedreven door de beweging van zulk een menschenmassa, waren oorzaak, dat men den sterrenhemelniet kon zien en de processie met de daarop volgende menigte in eene wolk was gehuld.
Bent-Anat, Nefert en Rameri hadden zich een weg gebaand tot bij de hut van den Paraschiet Pinem. Hier waren zij echter gedwongen te blijven staan, want veiligheidswachters drongen het volk met hunne staven rechts en links uit den weg te gaan, ten einde ruimte te maken voor de naderende processie.
»Zie, Rameri,” zeide Bent-Anat, terwijl zij wees naar den tuin van den Paraschiet, die slechts enkele schreden van haar verwijderd was, »daar woont het blanke meisje, dat ik overreden heb. Zij wordt toch beter. Keer u eens om: dáar, achter de doornheg bij het kleine vuurtje, dat haar juist in het gezicht schijnt, zit zij naast haar grootvader.”
De prins ging op de teenen staan, wierp een blik in den armoedigen hof, en zeide daarop met zachte stem: »Is dat nu zulk een mooi meisje? — Maar wat doet zij toch met den oude? Die schijnt te bidden, en zij houdt hem het eene oogenblik een doek voor den mond, en dan weder wrijft zij zijne slapen. En wat ziet zij er angstig uit!”
»De Paraschiet zal ziek zijn,” antwoordde Bent-Anat.
»Misschien heeft hij op het feestterrein wel een kan wijn te veel gedronken,” zeide de prins lachend. »O zeker! Zie eens hoe krampachtig zijne lippen zich bewegen, hoe zijne oogen rollen. Akelig! Hij ziet er uit als een bezetene.”
»Hij is een onreine,” zeide Nefert.
»Maar toch een goed en braaf man, met een teergevoelig hart,” antwoordde de prinses levendig. »Ik heb naar hem onderzoek gedaan. Hij moet zeer rechtschapen zijn en altijd nuchter. Hij is dus zeker ziek en niet dronken.”
»Nu staat het meisje op,” riep Rameri, terwijl hij de papieren lantaarn, die hij op het feestterrein gekocht had, wat lager hield. »Ga wat opzij, Bent-Anat; zij schijnt iemand te wachten. Hebt ge ooit zulk een blank menschenkind gezien, en zulk een aanvallig kopje? Zelfs die typhonische haren staan haar buitengewoon schoon. Maar zij zelve waggelt. Zij moet zeker nog heel zwak zijn! — Daar zit zij weer bij den oude en wrijft hem het voorhoofd. Het arme schepsel! Zie eens hoe zij snikt. Ik wil haar mijn beurs toewerpen!”
»Doe het niet,” zeide Bent-Anat. »Ik heb haar een rijk geschenk gegeven, en de tranen die daar worden gestort schijnen van dien aard, dat zij met geen goud kunnen worden gedroogd. Ik zal morgen de oude Anath hierheen zenden en laten vragen, of ik ook ergens mee helpen kan. — Zie nu vóór u, Nefert, daar komt de processie. Foei, hoe onfatsoenlijk dringt dat volk! — Als de god voorbij is, gaan wij naar huis!”
»Ach,” zeide Nefert, »ik ben zoo beangst!” Bij deze woorden klemde zij bevend zich zoo vast mogelijk aan de prinses.
»Ik wenschte ook wel, dat wij te huis waren,” antwoordde Bent-Anat.
»Zie toch eens,” riep Rameri. »Daar zijn zij! Niet waar, dat is heerlijk. Ziet hoe dat hart licht, alsof het eene ster was!”
Al het volk en ook onze vrienden wierpen zich op de knieën.
Vlak voor hen hield de processie een oogenblik stil. Dit geschiedde telkens, wanneer men duizend schreden had afgelegd. Een heraut trad vooruit en prees met eene ver klinkende stem het groote wonder, waarbij kort geleden nog een nieuw was gekomen. Want het heilige hart van den ram was, toen de duisternis aanbrak, begonnen te lichten.
Sedert zijn terugkeer uit het huis der balsemers had de Paraschiet Pinem geen voedsel willen gebruiken. Op alle vragen der zijnen, die zich doodelijk ongerust maakten, had hij niet willen antwoorden. Strak voor zich uit ziende, prevelde hij allerlei onverstaanbare woorden, terwijl hij de hand gedurig aan zijn voorhoofd bracht. Eenige uren geleden had hij het plotseling uitgeschaterd van lachen. Zijne vrouw hierdoor nog ongeruster geworden, was dadelijk naar het Seti-huis gegaan om den arts Nebsecht te roepen. Gedurende hare afwezigheid moest Warda grootvaders slapen wrijven met de bladeren, die de tooveres Hekt op hare borst had gelegd. Deze hadden eens zoo goed gewerkt, en zouden ook nu voor de tweede maal den demon der krankheid wel kunnen verjagen.
Toen de door duizende fakkels en lampions verlichte processie stilhield voor de hut van den Paraschiet, die echter geheel in de duisternis was weggedoken, en een burger zijn buurman toeriep: »Het heilige ramshart komt!” verschrikte de oude en richtte hij zich op. Zijne oogen staarden onafgebroken op het flikkerende wonderhart in zijne kristallen vaas. Langzaam rees hij overeind, met uitgerekten hals en bevende over zijn gansche lichaam. — De heraut verkondigde den lof van het wonder. Daar vloog, vóor hij nog geëindigd had, terwijl het volk eerbiedig geknield lag en onder diepe stilte luisterde naar de woorden van den spreker, de Paraschiet de deur van zijn huis uit, sloeg met vuisten tegen zijn voorhoofd en brak weder vlak tegenover het heilige hart in een waanzinnig schaterlachen, uit, zoo luide, dat het wijd en zijd langs de naakte rotsen van het dal weerkaatste.
Vol ontzetting rees de menigte van de knieën op. Ook Ameni, die dicht achter het hart liep, verschrikte, en zag rond naar de persoon, die zoo afgrijselijk had gelachen. Hij had den Paraschiet nooit gezien, maar hij ontwaarde door stof en duisternis heen de doffe schemering van het kleine vuur in den hof. Hij wist dat de opensnijder van de lijken op deze hoogte woonde. Dadelijk was zijn besluit genomen. Hij fluisterde een der officieren, die met hunne soldaten aan beide zijden van den trein marcheerden, eenige woorden in het oor, die deze alleen verstond, gaf daarop een teeken, en de processie zette zich weder in beweging, alsof er niets gebeurd was.
De oude spande al zijne krachten in om, steeds luider en akeliger lachende, op het hart los te stormen, maar het volk wierp hem terug. Terwijl de laatste groepen van den feesttrein hem voorbij trokken, sleepte hij zich, vreeslijk mishandeld, weder naar de deur van zijn hut. Daar zonk hij ineen, en Warda wierp zich op den grijsaard, die onkenbaar op den grond lag te midden van stof en duisternis.
»Vertrapt den spotter!”
»Scheurt hem in stukken!”
»Verbrandt dat onreine nest!”
»Werpt hem met de deerne in de vlammen!”
Zoo brulde het in zijne aanbidding gestoorde volk in dolle woede. Twee oude vrouwen rukten de lantaarnen van hare stokken, en sloegen op den ongelukkige los, terwijl een Ethiopisch soldaat, Warda bij de haren greep en van haar grootvader wegsleepte.
Op dit oogenblik verscheen de vrouw van den Paraschiet en met haar Pentaoer. De oude vrouw had Nebsecht niet gevonden maar wel den dichter, die na het uitspreken van zijne rede naar het Seti-huis was teruggekeerd. Zij vertelde hem van de demonen253), die haar man hadden aangegrepen, en smeekte hem met haar mede te gaan. Pentaoer volgde haar onverwijld in zijn huiskleed, zooals hij ging en stond, zonder het witte gewaad aan te trekken, dat hem bij dit bezoek niet wenschelijk voorkwam. Toen hij in de nabijheid van de Paraschietenhut was gekomen, vernam hij het getier der menigte en boven allen uit den schrillen angstkreet van Warda. Hij vloog vooruit en zag bijhet flauwe schijnsel van het smeulend haardvuur en het gekleurde doffe licht der lantaarns, de hand van den zwarten soldaat in de haren van het hulpelooze kind. Dadelijk was zijn besluit genomen, en op hetzelfde oogenblik hadden reeds zijne ijzeren handen den soldaat bij de keel gegrepen. Daarop vatte hij den kerel om zijn middel, tilde hem op en wierp hem als een rotsblok in den tuin van den Paraschiet. Dit deed de woede der menigte opnieuw ontvlammen, en zij stormden op hem los. Pentaoer gevoelde zich door een tot hiertoe ongekenden vechtlust aangegrepen. Met een enkelen ruk haalde hij den paal van zwaar Ethiopisch hout uit den grond, die de tent steunde, door grootvaders zorgzame hand voor zijne kleindochter opgericht. Hij slingerde dit wapen alsof het een rietstaf was, met onbegrijpelijke snelheid rondom zijn hoofd, joeg de menigte terug, en riep Warda toe, dat zij zich aan hem moest vastklemmen.
»Die dat meisje durft aanraken,” schreeuwde hij, »is een kind des doods. Is het geen schande dat gij een zwakken grijsaard en een hulpeloos kind dus aanvalt op dit heilige feest!”
De menigte zweeg een oogenblik, maar om dadelijk weder op te dringen, en nog wilder dan zoo even te brullen: »Verscheurt die onreinen! Steekt het nest in brand!”
Eenige handwerkslieden uit Thebe gingen op den dichter af, in wien niemand den priester kon herkennen. Maar deze slingerde zijn paal, die hen ter aarde wierp, eer hunne vuisten en stokken hem konden raken. Waar het zware stuk hout trof, daar viel een man. Maar lang kon de worsteling niet duren, want eenige van het gepeupel waren over de omheining gesprongen, om hem in den rug aan te vallen. Pentaoer stond nu opeens in het volle licht. Men had vuur geworpen in de hut achter hem, de droge palmtakken van het dak waren dadelijk in brand geraakt, en knetterende vlammen stegen op naar den nachtelijken hemel. De dichter hoorde het razen van het volk achter zich. Met zijne linkerhand omvatte hij het hoofd van het bevende meisje, dat zich steeds dichter aan hem vastklemde, terwijl hij met de rechter den paal bleef slingeren, overtuigd dat zij beiden verloren waren, maar dat hij de onschuld en het leven van dit lieve schepsel tot zijn laatsten ademtocht moest verdedigen.
Doch het wapen snorde voor het laatst, door de lucht. Het gelukte twee mannen het vreeselijk hout te grijpen; anderen ijlden ter hulp en wrongen het den worstelaar uit de hand. Van beide zijden naderden woedende vijanden, die echter ongewapend waren, en door vrees voor de ontembare kracht van zulk een tegenstander op zekeren afstand werden gehouden. Hijgend naar adem en bevende over al hare leden, als een opgejaagde antilope, hield Warda zich aan haar beschermer vast.
Pentaoer liet niet anders hooren dan een somber gesteun, toen hij zich ontwapend zag. Daar sprong, alsof hij uit den grond was opgekomen, een jongeling aan zijne zijde, duwde hem het zwaard van den gevallen soldaat, dat voor zijne voeten had gelegen, in de hand, en plaatste zich achter den dichter, rug aan rug. Terstond richtte Pentaoer zich weder op in zijne volle lengte, met den wapenkreet van een held op de laatste vrije schans van zijne bestormde vesting, en zwaaide zijn nieuwe wapen. Met de vlammende oogen van een leeuw, dien de jachthonden van het wild dat hij velde, willen verjagen, stond hij daar, en een oogenblik weken zijne tegenstanders terug. Want ook zijn bondgenoot, de jonge Rameri, had dreigend zijn bijl opgeheven.
»Die laffe moordenaars werpen met vuur,” riep de prins. »Kom hier, meisje! Laat ik het brandend pek op uw kleedje uitdooven.”
Bij deze woorden greep hij Warda’s hand, trok haar naar zich toe, en bluschte de vlam op haar kleedje, terwijl Pentaoer hen met zijn zwaard beschermde.
Eenige oogenblikken hadden de prins en de dichter rug aan rug gestaan, toen een steen het hoofd van den laatsten trof. Pentaoer wankelde, en reeds drong de tierende menigte naar voren, toen de omheining van den kleinen tuin door krachtige handen werd omvergehaald, en eene vrouw lang van gestalte, op het tooneel van de worsteling verscheen. »Laat dezen met rust!” riep zij het verbaasde volk toe. »Ik beveel het! Ik ben Bent-Anat, de dochter van Ramses!”
Als door den bliksem getroffen, week de woedende menigte terug.
De dichter kreeg zijn bewustzijn terug, en toch geloofde hij dat alles maar zinsbegoocheling was. Hij zag en hoorde, en toch meende hij een hemelschen droom te droomen. Het kwam hem voor, dat hij zich moest nederwerpen voor den dochter van Ramses. Maar met de vlugheid van geest, die hij in de school van Ameni had geleerd, overzag hij op eens Bent-Anat’s toestand. In plaats van de knie te buigen, riep hij: »Menschen, wie deze vrouw ook zijn mag, al gelijkt zij misschien ook op de dochter van Ramses, zij is Bent-Anat niet. Maar ik ben, al draag ik het witte kleed niet, een priester uit het Seti-huis. Ik ben Pentaoer, de Cherheb254)van het feest van heden. — Vrouw, verlaat deze plaats! Ik beveel het u in naam van mijn heilig ambt!”
Bent-Anat gehoorzaamde.
Pentaoer was gered. Want toen het volk van zijn verbazing begon te bekomen; toen zij, die door hem verwond waren, en hunne metgezellen zich opnieuw tegen hem verhieven; toen een opgeschoten jongen, wiens hand hij verbrijzeld had, in woede schreeuwde: »Hij is een vechter, maar geen heilige vader! Verscheurt den bedrieger!” riep eene stem uit het volk: »Maak plaats voor mijn wit gewaad, en blijft met uwe handen van den feestredenaar Pentaoer, die mijn vriend is. — Velen uwer zullen mij kennen!”
»Gij zijt de arts Nebsecht, die mijn gebroken been hebt genezen,” riep een matroos.
»En mijn ziek oog,” zeide een wever.
»Die schoone groote man is de redenaar. Ja, ik herken hem wel,” riep een der meisjes, wier oordeel over Pentaoer, Bent-Anat op het feestterrein had opgevangen.
»Redenaar of niet!” schreeuwde de jongen en drong naar voren. — Maar het volk hield hem tegen en ging eerbiedig op zij, toen Nebsecht verzocht plaats voor hem te maken, om naar de gewonden onderzoek te doen.
Allereerst boog hij zich heen over den ouden Paraschiet, en riep vol ontzetting: »Schande over u; gij hebt den ouden man doodgeslagen!”
»En ik,” zeide Pentaoer »moest mijne vreedzame handen met bloed bevlekken, om zijn onschuldig ziek kleinkind voor hetzelfde lot te bewaren.”
»Gij giftharten, addergebroed, schorpioenen, uitvaagsel van het menschdom!” schreeuwde Nebsecht de menigte toe, en sprong driftig overeind om Warda met zijne oogen te zoeken. Toen hij haar behouden zag zitten aan de voeten van de tooveres Hekt, die den tuin was binnengedrongen, haalde hij weder vrij adem, en begon zich met de gewonden bezig te houden.
»Hebt gij deze allen, die hier rondom liggen, in het stof doen bijten?” vroeg hij zijn vriend fluisterend.
Pentaoer knikte toestemmend en lachte: doch niet zegevierend, maar beschaamd als een knaap, die het vogeltje dat hij ving, tegen zijn wil, in zijne hand verstikte.
Nebsecht zag hem aan met verwondering en bezorgdheid, en vroeg: »Waarom hebt gij u niet dadelijk kenbaar gemaakt?”
»Omdat de geest van den krijgsgod Menth mij had aangegrepen,” antwoordde Pentaoer, »toen ik zag hoe die verwenschte schurk dáar het meisje bij de haren sleurde. Ik zag, ik hoorde niets meer; ik.....”
»Gij hebt recht gehandeld,” viel Nebsecht hem in de rede. »Maar waar moet dit op uitloopen?”
Op dit oogenblik klonk het geschetter van trompetten. Dehoofdman, die door Ameni was afgezonden om den Paraschiet gevangen te nemen, naderde met zijne soldaten. Alvorens den tuin binnen te rukken beval hij het volk uiteen te gaan. De weerspannigen werden met geweld uit elkaar gedreven. In weinige oogenblikken was de huilende en razende menigte uit het dal weggeveegd en het brandende huis omsingeld. Ook de kinderen van Ramses met Nefert werden gedwongen hun plaats bij de heining van den hof te verlaten. Rameri was zijne zuster gevolgd, zoodra hij zag dat Warda gered was. Nefert was op het punt van ineen te zijgen. Angst en deelneming hadden haar te sterk aangegrepen. De oversten der draagstoeldragers gaven elkaar de handen, tilden haar op en droegen haar voor de prinses en haar broeder uit. Geen van het drietal sprak een woord, zelfs Rameri niet, want hij kon Warda niet vergeten, noch den dankbaren blik, waarmede zij hem had nageoogd. Maar opeens brak Bent-Anat het zwijgen af, om te zeggen: »De Paraschieten-hut brandt nog altijd. Waar zullen de armen nu slapen?”
Nadat het dal van volk gezuiverd was, verscheen de officier in den hof en vond hier, behalve de tooveres Hekt en Warda, ook den dichter en Nebsecht, die bezig was met het verbinden der gewonden. Pentaoer lichtte den hoofdman kortelijk omtrent het gebeurde in, en noemde hem zijn naam.
Deze reikte hem de hand en zeide: »Waren er vele krijgers van uw slag, heilige vader, in het leger van Ramses, de Cheta-oorlog zou spoedig geëindigd zijn! Maar gij hebt geen Aziaten, gij hebt burgers uit Thebe geveld, en hoeveel leed het mij ook doet, ik moet u als mijn gevangene voor Ameni brengen.”
»Doe wat uw plicht vordert,” antwoordde Pentaoer, zich buigende voor den hoofdman, die zijne lieden intusschen beval het lijk van den Paraschiet op te nemen en naar het Seti-huis te dragen.
»Ik moet het meisje ook gevangen nemen,” zeide de officier zich tot Pentaoer richtende.
»Zij is krank,” antwoordde de dichter.
»En wanneer zij niet spoedig tot rust komt,” voegde de arts er bij, „dan is het met haar gedaan. Laat haar; zij is de bijzondere beschermeling van de prinses Bent-Anat, die haar onlangs heeft overreden.”
»Ik zal haar in mijn verblijf nemen,” zeide de tooveres, »en wil voor haar zorgen. Dáar ligt haar grootmoeder reeds; zij is half gestikt in de vlammen, maar komt weer bij. Ik heb plaats voor beiden.”
»Tot morgen dan,” antwoordde de arts, »dan zal ik haar een ander tehuis bezorgen.”
De oude lachte hem onopgemerkt uit, prevelende: »Daar zullen ook nog wel anderen voor haar willen zorgen!”
De soldaten volgden het bevel van hun aanvoerder, namen de verwonden op, en verwijderde zich met Pentaoer en het lijk van den Paraschiet.
Intusschen was Bent-Anat met haar broeder en Nefert, na veel oponthoud, gekomen aan de landingsplaats van de Nijlschepen. Een der draagstoeldragers werd uitgezonden om de boot te halen, die hen zou wachten. Hij moest zich bijzonder haasten, want reeds zag men de lichten van de processie naderen, die den god naar den Amontempel te Thebe terugbracht. Gelukte het hun thans niet onverwijld in hunne boot plaats te nemen, dan hadden zij het vooruitzicht uren lang te kunnen wachten. Wanneer de processie in den nacht den stroom werd overgezet, dan mocht geen vaartuig, dat niet voor dit doel werd gebruikt, ja, zelfs geen bark van een der aanzienlijksten van land afsteken. Ongeduldig en in groote spanning zagen broeder en zuster uit naar het teeken van hun boot, want Nefert zonk van uitputting bijna ineen, en Bent-Anat, op wier arm zij steunde, gevoelde dat al hare leden begonnen te beven. Eindelijk wenkte de draagstoeldrager. Het snelle maar onaanzienlijke bootje, dat gewoonlijk alleen bij het jagen op vogels werd gebruikt, schoot naderbij. Rameri liet een der matrozen zijn roeispaan toesteken, en trok zoo het vaartuig dichter bij de landingstrap.
Juist op dit oogenblik verscheen de overste der veiligheidswachten, en riep: »Deze boot is de laatste die van wal mag steken, vóor den overtocht van den god.”
Zoo haastig als de zwakke Nefert zulks toeliet, die zoo zwaar aan haar arm hing, liep Bent-Anat de trappen af, die nog maar spaarzaam verlicht waren door het matte schijnsel van enkele lantaarns. Straks als de godheid naderde, en de pekpannen en fakkels ontstoken zouden worden, zou het hier daghelder zijn. Maar eer zij de laatste trede bereikt had, voelde zij eene harde hand op haar schouder, en de ruwe stem van den gids Paäker riep: »Terug vee! Wij eerst!”
De veiligheidswachten hielden hem niet tegen, want zij kenden den gids en zijne onbesuisde manier van handelen. Paäker stak dadelijk de vingers in den mond en floot, zóo schel, dat het door de lucht suisde. Terstond daarop hoorde men riemslagen.
»Stoot die boot hier op zij! Dat volk kan wachten!” riep de Mohar zijn scheepsvolk toe.
Het vaartuig van den gids was grooter en sterker bemand, dan dat der koningskinderen.
»Snel in de boot!” riep echter Rameri.
Bent-Anat ging weder zwijgend vooruit, want zij durfde zich hier om der wille van het volk en van Nefert niet andermaal kenbaar maken. Doch Paäker trad haar in den weg, en riep: »Heb je ’t niet gehoord, schorremorrie, dat je wachten zult tot wij weg zijn? Mannen, haalt de boot van dat volk in den stroom terug!”
Het was Bent-Anat alsof haar bloed verstijfde, toen zij terstond hierop eene luide woordenwisseling beneden aan de landingstrap vernam. Rameri’s stem werd boven alle anderen uitgehoord.
»Die schooiers durven weerstand bieden!” riep de gids. »Ik zal ze leeren! Hola, hier, Descher! Pak dat wijf en dien jongen!”
Op dien stem sprong de groote roodharige dog, die reeds aan zijn vader had toebehoord, en hem altijd vergezelde wanneer hij als heden met zijne moeder het graf van den gestorven Mohar bezocht, blaffend op het tweetal los. Nefert gaf een gil van angst. Doch de hond herkende haar terstond, drong tegen haar aan, en scheen met zijn gewoon gehuil zijne blijdschap te kennen te geven.
Paäker, die de booten reeds genaderd was, keerde zich verbaasd om, zag hoe het dier kwispelstaartend rondom Nefert liep, die in haar jongensgewaad voor hem onherkenbaar was, sprong terug en riep: »Ik zal je leeren, vlegel, mijn hond door gif of tooverij te bederven.” Daarbij hief hij zijn zweep op en sloeg naar de schouders van Mena’s vrouw, die met een gillenden angstkreet bewusteloos ineenzonk.
De snoeren van de zweep waren vlak langs de wangen der teedere vrouw gegaan, dank zij Bent-Anat’s tegenwoordigheid van geest. Want zij had met een krachtigen greep Paäkers arm tegengehouden. Ontzetting, afschuw en toorn beletten haar een woord te spreken. Doch Rameri had Nefert’s gil gehoord en was met een paar sprongen bij de vrouwen.
»Laffe schurk!” riep hij, terwijl hij den roeiriem ophief, dien hij in de hand hield. Paäker, aan den strijd gewoon, behield zijne bedaardheid, en riep alleen zijn hond met een eigenaardig gesis van zijne lippen toe: »Pak hem beet, Descher!”
De hond sprong op den prins los. Rameri echter, die zijn vader reeds als kind op menige jacht vergezelde, gaf het woedende dier met den zwaren riem zulk een geweldigen slag op zijn kop, dat hij rochelend neerstortte.
Paäker meende in de gansche wereld geen warmer vriend te bezitten dan dit dier, zijn trouwen metgezel op al zijne tochten door de woestijn en door vijandige landstreken. Toen hij het daar stuiptrekkend zag neerzinken, geraakte hij buiten zichzelven van woede. Met de zweep in zijn opgeheven arm stormde hij opden jongeling los. Maar deze, uitermate opgewonden door alles wat hij in dezen nacht had doorleefd, geheel vervuld van den krijgszuchtigen geest zijner vaderen, ten hoogste verbolgen op den ruwen beleediger der vrouwen, als welker beschermer hij zich beschouwde, gevoelde zich tegen dien man opgewassen, en sloeg den gids met de roeispaan zoo hevig op zijne linkerhand, dat de zweep hem ontviel, en hij huilend van pijn met de rechter naar den dolk in zijn gordel greep.
Op dit oogenblik wierp Bent-Anat zich tusschen den man en den jongeling, die nauwelijks den kinderleeftijd was ontwassen, noemde andermaal haar eigen en ook haars broeders naam, beval Paäker zijne matrozen tot bedaren te brengen, geleidde Nefert, die onbekend was gebleven, naar het bootje, steeg erin met die haar geleidden, en landde in weinig tijd aan het paleis.
Paäker en zijne moeder Setchem, voor welke hij zijne Nijlboot had voorgeroepen, en die boven aan de landingstrap uit haar draagstoel den strijd had gezien, zonder echter de oorzaak te begrijpen en de personen te herkennen, moesten nog eenigen tijd op de trap blijven wachten. Zijn hond was dood, zijne hand deed hem gevoelig pijn en in zijn gemoed kookte het van nieuwe woede. »Dat Ramses-gebroed!” bromde hij in zichzelf; »die gelukzoekers! Zij zullen mij leeren kennen! Mena en Ramses staan dicht genoeg bij elkaar! Ik offer hen beiden op!”
245)Zie boven bl.272.246)Peyron,Papyri Graeci regii Taurinensis, T. I, p. 41, 42, 85-88.247)Het goed onderhouden oudste deel des tempels van Medinet Haboe.248)Het tegenwoordige Qoernet Moerraï Ald el Qoernah.249)Het tegenwoordige el Assassif en Drah aboe’l Negga.250)Het tegenwoordige Biban el Moeloek.251)Het graf van Neferhotep bleef voortreffelijk bewaard, alsmede de tekst van het lied, dat het eerst door Dümichen (Historische Inschriften, II) werd uitgegeven, daarna door L. Stern (Zeitschr. für ägyptische Sprache, 1873) werd verklaard. De volgende regels zijn daaruit vertaald.252)Manoen,Doodenboek15 z. 44; 110, z. 11.253)Men geloofde dat waanzinnigen door demonen bezeten waren. De beroemde stêle in de bibliotheek van Parijs, die door E. de Rougé uitnemend is verklaard, verhaalt ons van de door demonen bezetene schoonzuster van Ramses XII, dat de booze geesten, waardoor zij bevangen was, uitgedreven waren door het beeld van Choensoe, dat naar haar Aziatisch vaderland was gezonden.254)Feestredenaar.
245)Zie boven bl.272.
245)Zie boven bl.272.
246)Peyron,Papyri Graeci regii Taurinensis, T. I, p. 41, 42, 85-88.
246)Peyron,Papyri Graeci regii Taurinensis, T. I, p. 41, 42, 85-88.
247)Het goed onderhouden oudste deel des tempels van Medinet Haboe.
247)Het goed onderhouden oudste deel des tempels van Medinet Haboe.
248)Het tegenwoordige Qoernet Moerraï Ald el Qoernah.
248)Het tegenwoordige Qoernet Moerraï Ald el Qoernah.
249)Het tegenwoordige el Assassif en Drah aboe’l Negga.
249)Het tegenwoordige el Assassif en Drah aboe’l Negga.
250)Het tegenwoordige Biban el Moeloek.
250)Het tegenwoordige Biban el Moeloek.
251)Het graf van Neferhotep bleef voortreffelijk bewaard, alsmede de tekst van het lied, dat het eerst door Dümichen (Historische Inschriften, II) werd uitgegeven, daarna door L. Stern (Zeitschr. für ägyptische Sprache, 1873) werd verklaard. De volgende regels zijn daaruit vertaald.
251)Het graf van Neferhotep bleef voortreffelijk bewaard, alsmede de tekst van het lied, dat het eerst door Dümichen (Historische Inschriften, II) werd uitgegeven, daarna door L. Stern (Zeitschr. für ägyptische Sprache, 1873) werd verklaard. De volgende regels zijn daaruit vertaald.
252)Manoen,Doodenboek15 z. 44; 110, z. 11.
252)Manoen,Doodenboek15 z. 44; 110, z. 11.
253)Men geloofde dat waanzinnigen door demonen bezeten waren. De beroemde stêle in de bibliotheek van Parijs, die door E. de Rougé uitnemend is verklaard, verhaalt ons van de door demonen bezetene schoonzuster van Ramses XII, dat de booze geesten, waardoor zij bevangen was, uitgedreven waren door het beeld van Choensoe, dat naar haar Aziatisch vaderland was gezonden.
253)Men geloofde dat waanzinnigen door demonen bezeten waren. De beroemde stêle in de bibliotheek van Parijs, die door E. de Rougé uitnemend is verklaard, verhaalt ons van de door demonen bezetene schoonzuster van Ramses XII, dat de booze geesten, waardoor zij bevangen was, uitgedreven waren door het beeld van Choensoe, dat naar haar Aziatisch vaderland was gezonden.
254)Feestredenaar.
254)Feestredenaar.
Eindelijk was ook de boot van den gids van wal gestoken met zijne moeder Setchem en het lijk van zijn hond. Zijn plan was het beest te laten balsemen, en te Kynopolis255), de stad waarin men de honden meer dan andere dieren voor heilig hield, te laten bijzetten. Hijzelf begaf zich naar het Seti-huis, waar in den nacht die op het feest volgde een groot gastmaal werd gehouden, waaraan zich de aanzienlijke priesters uit de Nekropolis zoowel als uit Thebe, benevens de feestgezanten en de keur der waardigheidbekleeders plachten te vereenigen. Zijn vader werd, als hij ten minste in Thebe vertoefde, nooit bij dien maaltijd gemist. Hemzelven viel heden voor het eerst de buitengewone onderscheiding ten deel van als gast tegenwoordig te zijn, eene eer, die velen hem konden benijden. Hij had dit alleen aan den stadhouder te danken, zoo als Ameni hem uitdrukkelijk zeide, toen hij hem gisteren noodigde.
Voordat hij van haar afscheid nam, had zijne moeder de door Rameri verwonde hand verbonden. Hij gevoelde hevige pijn, maar hij zou voor geen prijs het gastmaal in het Seti-huis hebben willen verzuimen, hoezeer hij er ook tegen opzag. Zijn geslacht was zoo oud en aanzienlijk als eenig ander in Egypte,zijn bloed zuiverder dan dat des konings, en toch gevoelde hij zich nooit in het gezelschap van rijksgrooten op zijn plaats. Hij was geen priester en toch een schrijver, hij was een krijgsman en toch stond hij niet in de gelederen van ’s konings helden. Bij zijne opvoeding had hij strenge plichtsbetrachting geleerd, en hij wijdde zich ook geheel aan zijn beroep. Doch zijne levensgewoonten verschilden hemelsbreed van die dergenen, in wier kring hij was opgewassen, en waarvan zijn schoone, dappere en grootmoedige vader het sieraad was geweest. Hij was niet als een gierigaard gehecht aan het vermogen, dat hij geërfd had; integendeel, de edele deugd der vrijgevigheid scheen hem niet vreemd te zijn. Hij liet echter de ongevoeligheid van zijn hart juist het meest blijken als hij gaf. Want behalve dat hij van zijne geschenken zooveel mogelijk vertoon maakte, werd hij niet moede de beweldadigden, die van hem afhankelijk waren, telkens voor te houden, welk een dank zij hem verschuldigd waren. Hij meende door zijne gaven het recht verworven te hebben, elk die ze aannam naar welgevallen ruw en onbeschaamd te mogen bejegenen. Ziedaar, waarom zelfs zijne beste daden hem meer vijanden dan vrienden bezorgden.
Paäker was derhalve een man van een onedel, of liever van een uiterst zelfzuchtig karakter. Als hij langs een korter weg zijn doel bereiken kon, was het hem volmaakt onverschillig, of hij op bloemen trad, dan op het zand der woestijn. Deze zijn gemoedsgesteldheid openbaarde zich in alles, en was ook merkbaar in zijn uiterlijk voorkomen, zooals in den klank van zijn stem, in de breede trekken van zijn gelaat en in de pronkerige bewegingen van zijne ineengedrongen gestalte. In het leger kon hij zich gedragen zooals hij wilde, maar dit was niet geoorloofd in het gezelschap van lieden, die tot zijn stand behoorden. Daarom, en omdat hij de gave miste van vlug te kunnen spreken en met gevatheid te kunnen antwoorden, eene gave die hun eigen was, gevoelde hij zich niet op zijn gemak en niet op zijne plaats in hun midden. Hij zou aan de uitnoodiging van Ameni waarschijnlijk geen gevolg hebben gegeven, wanneer zij niet zijne ijdelheid gestreeld had.
Het was reeds laat geworden, maar het maal begon eerst omstreeks middernacht, want de gasten waren vooraf tegenwoordig bij de voorstellingen, die op het heilige meer in het zuiden van de Nekropolis bij lamp- en fakkellicht werden gegeven, en die betrekking hadden op de lotgevallen van Isis en Osiris. Toen hij de feestelijk getooide zaal betrad, waarin de tafels waren opgeslagen, vond hij alle gasten verzameld. Ook de stadhouder Ani was tegenwoordig en gezeten ter rechterzijde van Ameni, aan het hoofd van de voornaamste tafel in het midden, waaraan verschillendeplaatsen onbezet waren, want de profeten en ingewijden van Amon in Thebe hadden zich laten verontschuldigen. Zij waren trouw gehecht aan Ramses en zijn huis, en hun grijze overste keurde de stoutmoedige handelwijze van Ameni tegen de kinderen des konings ten strengste af. Zij hielden ook het wonder van het ramshart voor een vijandigen streek der priesters in de Nekropolis tegen den rijkstempel te Thebe, door den pharao zoozeer begunstigd256).
De Mohar ging naar de tafel, aan welke de bevelhebber der als overwinnaars uit Ethiopië teruggekeerde troepen, met andere officieren van hoogen rang was gezeten. Naast eerstgenoemde was een plaats open. Paäker wilde er regelrecht op afgaan; toen hij echter bemerkte, dat de generaal zijn buurman een wenk gaf om aan te sluiten, begreep de gids dat deze hem beletten wilde aan zijne zijde plaats te nemen. Hij keerde dus met spijtigen blik aan de tafel der krijgslieden den rug toe. De Mohar was hem geen welkom feestgenoot. »Het is of de wijn mij zuur smaakt, als die lomperd er in ziet,” zeide de bevelhebber.
De oogen aller gasten richtten zich op Paäker, die naar eene plaats uitzag. Toen niemand hem een wenk gaf om bij hem te komen, begon zijn bloed weder te koken. Het liefst zou hij terstond met een vloek de feestzaal verlaten hebben. Reeds keerde hij zich naar de deur, toen de stadhouder, die met Ameni eenige woorden gefluisterd had, hem toeriep en verzocht de plaats in te nemen, die voor hem bestemd was, daarbij wijzende op den stoel aan zijne zijde, die voor den eersten profeet van den rijkstempel was bestemd geweest.
Paäker zette zich onder eene diepe buiging op deze eereplaats neder, doch hij durfde niet van de tafel op te zien, want hij vreesde verwonderde en spottende gezichten te ontmoeten. En toch had hij zich kunnen voorstellen, hoe zijn grootvader Assa en zijn vaderin de nabijheid waren gezeten van deze plaats, die hun ook werkelijk meermalen was ingeruimd. Was hij niet hun opvolger en erfgenaam? Stamde zijne moeder Setchem niet uit een koninklijk geslacht? Was het Seti-huis hem niet grooter dank schuldig, dan alle overigen?
Een dienaar hing hem een krans over de breede schouders en een ander bood hem wijn en spijzen aan. Nu eerst waagde hij het op te zien en daarbij ontmoette hij de helder vonkelende oogen van den tweeden profeet Gagaboe, die tegenover hem zat. Hij begon weder op de tafel te staren. Toen sprak de stadhouder hem aan en vertelde, zich daarbij half wendend tot die in zijne nabijheid waren gezeten, dat de Mohar morgen naar Syrië dacht te trekken, ten einde zijne zware taak weder op zich te nemen.
Het klonk Paäker in de ooren, als had Ani zich bij de aanwezigen willen verontschuldigen, dat hij hem zulk eene eereplaats had gegeven. Eindelijk hief de stadhouder den beker op, en dronk op den goeden uitslag der verkenningstochten en het zegenrijk einde van elken strijd, die de Mohar te voeren zou hebben. Ook de opperpriester wijdde hem een dronk, en dankte hem luide in naam van het Seti-huis voor het kostelijk stuk bouwland, dat hij hedenmorgen als feestgave aan den tempel had vereerd257). Een gemompel van bijval werd door de geheele zaal vernomen, en eerst nu begon het gevoel van onzekerheid den gids te verlaten.
»Zijt gij gewond?” vroeg de stadhouder. Want Paäker had nog altijd zijne hand, die hem hevig pijn deed, in de zwachtels, die zijne moeder er omgelegd had.
»Het heeft niets te beteekenen,” antwoordde de gids. »Toen ik mijne moeder naar de boot bracht, viel er....”
»Er viel,” haastte zich een zijner vroegere medescholieren, de opperbevelhebber van de wachtsoldaten in Thebe, die zeer hoog aan tafel geplaatst was, lachende te zeggen: »er viel een stok of roeiriem op zijne vingers.”
»Dat is wat te zeggen,” riep de stadhouder.
»Een nog zeer jonge knaap heeft zich tegen hem durven verzetten,” ging de bevelhebber voort. »Mijne lieden hebben mij alles haarfijn bericht. De jongen sloeg eerst zijn hond dood....”
»Den fraaien Descher?” vroeg de grijze opperjachtmeester, met innig leedwezen. »Uw vader stond dikwijls met dit dier mij ter zijde, wanneer wij jacht maakten op everzwijnen.”
Paäker knikte. De bevelhebber echter, in het trotsch gevoel van zijne positie en waardigheid, begon opnieuw, zonder erop te letten dat het bloed den gids naar het hoofd steeg en zijne wangen kleurde: »Toen de hond op den grond lag, sloeg de waaghals u de zweep uit de hand.”
»De strijd heeft toch geene aanleiding gegeven tot rustverstoring?” vroeg Ameni ernstig.
»Neen,” zeide de bevelhebber. »Het feest van heden is overigens bijzonder rustig afgeloopen. Als niet het ongelukkig interval met dien waanzinnige Paraschiet de processie had gestoord, dan zouden wij de volksmenigte over hare houding slechts kunnen prijzen. Behalve den vechtlustigen priester, dien wij u hebben uitgeleverd, zijn er enkel een paar dieven opgebracht. Zij behoorden allen tot de caste258), daarom ontnamen wij hun alleen het geroofde, en lieten ze verder loopen. — Maar zeg mij toch eens, Paäker, welke vriendelijke geesten zijn er in u gevaren dat gij dien vlegel ongestraft de wijk liet nemen?”
»Hebt gij dat waarlijk gedaan?” riep de oude Gagaboe. »Gewoonlijk toch is haat uw handwerk....”
Ameni wierp den grijsaard zulk een verwijtenden blik toe, dat hij zweeg. Hij vroeg daarop den Mohar: »Hoe ontstond deze strijd, en wie was die jongen?”
»Onbeschaamd volk,” antwoordde Paäker, »wilde zijn schuitje met geweld aan de landingsplaats brengen, vóor de boot waarop mijne moeder wachtte. Ik verdedigde mijn recht. Toen viel die knaap mij aan, en sloeg mijn hond dood. Ja, bij mijn Osirischen vader, die het dier liefhad, de krokodillen zouden hem al lang hebben verslonden, wanneer niet eene vrouw zich geplaatst had tusschen hem en mij, en zich had doen kennen als Bent-Anat, de dochter van Ramses. Zij was het in eigen persoon, en de knaap de jonge prins Rameri, dien gij gisteren uit dit huis hebt gebannen.”
»Oho,” riep de oude jachtmeester, »oho, mijnheer de Mohar, spreekt men zoo van de kinderen des konings?”
Ook andere beambten, die den pharao aanhingen, gaven duidelijk hun ongenoegen te kennen. Doch Ameni fluisterde den gids toe: »Zwijg voor het oogenblik!” Daarop zeide hij overluid: »Het wegen van woorden, mijn vriend, was nooit uw zaak en heden spreekt gij naar ’t mij toeschijnt, als iemand die de koorts heeft. Kom hier Gagaboe, onderzoek Paäkers wond, waarover hij zich niet behoeft te schamen, want een koningszoon heeft hem geslagen.”
De grijsaard maakte de zwachtels los, die de sterk gezwollen hand van den Mohar omgaven, en riep: »Die slag is duchtig aangekomen! Drie vingers zijn gebroken, en bovendien, zie maar, de smaragd van uw zegelring.”
Paäker zag naar zijne pijnlijke vingers en haalde weder vrij adem, want niet zijn orakelring met den naam van Thotmes III was verbrijzeld, maar de kostbare ring, dien de regeerende koning eens aan zijn vader had geschonken. In de gouden kast hingen nog maar enkele splinters van den vlak geslepen zegelsteen. De naam des konings was met de ontbrekende stukken op den grond gevallen en verdwenen. Paäkers bleeke lippen bewogen zich weer en eene stem in zijn binnenste riep hem toe: »De goden wijzen u den weg! De naam is vernietigd; hij die hem droeg moet volgen!”
»Jammer van den ring,” zeide Gagaboe; »en als de hand niet denzelfden weg op zal gaan, — gelukkig is het maar de linker — raad ik u niet meer te drinken en u naar den arts Nebsecht te laten brengen, met verzoek de gebrokene beentjes te zetten en te verbinden.”
Paäker stond op en nam afscheid, nadat Ameni hem den volgenden dag in het Seti-huis en de stadhouder hem in het paleis had genoodigd.
Zoodra de deur zich achter den gids had gesloten, zeide de schatmeester van het Seti-huis: »Dat was een kwade dag voor den Mohar, die hem misschien leeren zal, dat men er hier in Thebe niet op los kan trekken, gelijk in het veld. Er is heden nog wat anders met hem gebeurd. Wilt gij het hooren?”
»Vertel het ons,” riep een zijner dischgenooten.
»Gij kent den ouden Seni,” zoo begon de schatmeester. »Hij was een rijk man, maar gaf al wat hij bezat aan de armen, toen hij zijne zeven bloeiende zonen, den een na den ander, in den krijg of door ziekten verloren had. Hij behield voor zich niet meer dan een klein huisje met een tuintje en zeide, dat hij zich wilde erbarmen over de verlatenen hier op aarde, gelijk de goden zich over zijne kinderen in de andere wereld zouden ontfermen.Spijst de hongerigen, drenkt de dorstigen, kleedt de naakten, zegt de wet259), en daar Seni niets meer heeft weg te geven, trekt hij, zoo gij weet, zelf honger en dorst lijdende en ter nauwernood gekleed, de stad door en naar elke plaats waar feest wordt gevierd, bedelende voor zijne aangenomen kinderen, de armen. Wij hebben hem allen wat gegeven, want ieder weet voor wie hij zich vernedert en de hand houdt uitgestrekt. Heden trok hij weder met zijn zakje rond, en smeekte met zijne goedige oogen om een aalmoes. Paäker heeft ons op dit feest een kostelijk stuk land gegeven, en meent nu, misschien te recht, dat hij het zijne heeft gedaan.”
»Toen Seni hem aansprak, beval hij hem heen te gaan. De oude man hield echter niet op te smeeken, en volgde hem onafgebroken tot aan het graf zijns vaders, terwijl vele lieden hen naliepen. Daar voer de gids hevig tegen hem uit, wees hem nog eens af, en toen de bedelaar het waagde hem bij zijn kleed te grijpen, hief hij zijne zweep op en sloeg den armen man twee, ja, driemaal, roepende: ‚Daar heb je wat je toekomt!’ De oude man hield zich geduldig en bedaard, en zeide, terwijl hij zijn zakje opendeed, met betraande oogen: ‚Mijn deel heb ik dus ontvangen; maar nu mijne armen!’”
»Ik stond er bij, toen dit plaats had, en zag hoe Paäker zich ijlings in het graf terugtrok, en hoe zijne moeder Setchem aan Seni haar vollen buidel toewierp. Haar voorbeeld werd door anderen gevolgd, en de oude heeft nooit zoo’n rijken oogst gehad als heden. De armen mogen den Mohar wel dankbaar zijn! Eene groote massa volk vatte post voor zijne groeve, en het zou slecht met hem zijn afgeloopen, als de politie-wacht de menigte niet uit elkaar had gedreven.”
Dit verhaal werd natuurlijk met grooten bijval aangehoord. Want niemand is zoo zeker van de algemeene instemming, als hij die de nederlaag kan vertellen van een overmoedige, dien men niet liefheeft. Intusschen hadden de stadhouder en de opperpriester druk met elkander gefluisterd.
»Het is derhalve aan geen twijfel onderhevig,” zeide Ameni, »dat Bent-Anat het feest heeft bijgewoond.”
»En zij liet zich opnieuw in met den priester, dien gij altijd zoo warm verdedigt,” fluisterde de ander.
»Pentaoer zal nog dezen nacht verhoord worden,” antwoordde de opperpriester. »Reeds worden de schotels weggenomen en het drinkgelag begint. Laten wij opbreken en den dichter een bezoek brengen.”
»Wij missen thans getuigen,” hernam Ani.
»Die hebben wij niet noodig,” verzekerde Ameni. »Hij kan niet liegen.”
»Nu, breek dan op,” zeide de stadhouder lachend, »want ik ben waarlijk ook nieuwsgierig naar dezen blanken neger, en wil wel eens weten hoe hij met de waarheid zal omspringen. Gij vergeet echter, dat hier eene vrouw in het spel is.”
»Dat is altijd het geval,” antwoordde Ameni. Hij riep Gagaboe bij zich, droeg zijn zetel aan hem over, en verzocht hem om aan het gesprek eene vroolijke wending te geven, de gasten aan te moedigen om duchtig te drinken, en elk onderhoud over den koning, den staat en den krijg af te snijden. »Gij weet,” zoo besloot hij, »dat wij heden niet onder ons zijn. Wat heeft de wijn niet reeds doen verraden! Wees daaraan indachtig! Zich aan anderen te spiegelen, leert voorzichtigheid!”
De stadhouder Ani klopte den oude op den schouder en zeide: »Er zal heden een bres gemaakt worden in uwe wijnschuren. Men zegt van u, dat gij nooit een leeg glas, en ook geen vol kunt zien! Welnu, vier heden aan uw tegenzin tegen beiden den vrijen teugel, en wanneer gij meent dat het tijd is, wenk dan mijn hofmeester, die daar in den hoek zit. Hij heeft eene kruik van het edelst druivennat van Byblos260)van de overzijde medegebracht en zal u daarvan schenken. Ik kom nog weder om u goeden nacht te zeggen.”
Ameni was gewoon bij het begin van drinkgelagen zich te verwijderen. Toen de deur achter hem en den stadhouder gesloten was, werden nieuwe rozenkransen om den hals der gasten gelegd, lotusbloemen boven op hun hoofd gestoken en de bekers opnieuw gevuld. Er verschenen eenige muzikanten, die op harpen, luiten, fluiten en handtrommels, vroolijke deuntjes speelden. De directeur gaf de maat aan met in de handen te klappen en naarmate de gasten opgewondener werden, hielpen zij door gelijkmatige slagen mede. De levendige Gagaboe handhaafde zijn roem als lustig drinker en leider van eene drinkpartij. Weldra straalden de ernstige priestergezichten van uitgelaten vreugde, en krijgslieden, zoowel als hofbeambten deden hun best elkander de loef af te steken in dartele scherts.
Nu wenkte de grijsaard, en dadelijk verscheen een jeugdig, met kransen getooid tempeldienaar, die een rijk verguld mummiebeeldje bracht. Hij gaf het rond in den kring en riep: »Ziet dit beeld! Weest vroolijk en drinkt, zoolang gij op aarde wandelt, want eerlang zult gij aan deze mummie gelijk zijn”261).
Gagaboe wenkte nog eens, en nu bracht de hofmeester van den stadhouder den edelen wijn van Byblos. Men prees den milden gever, Ani, en roemde den geurigen smaak van dezen kostelijken drank.
»Zulke wijn,” riep de anders zoo bijzonder ernstige overste der Pastophoren, »is als de zeep”262).
»Welk eene wonderlijke vergelijking!” zeide Gagaboe, hartelijk lachende. »Dat moet gij nader verklaren!”
»Wel,” hernam de ander, »hij wascht de zorgen der ziel weg.”
»Bravo, mijn vriend!” riep de oude. »Nu moet ook ieder den roem van dit heerlijk druivensap met een woord prijzen. Kom gij, eerste profeet van den Amenophis-tempel, maak maar een begin.”
»De zorg is vergif,” sprak hij, »en de wijn is het tegengif tegen het gif der zorg.”
»Heel goed! Nu verder! De beurt is aan u, geheimraad des konings!”
»Elk ding heeft zijn geheim,” sprak de beambte, »en het geheim van dezen wijn is de vreugde.”
»Nu aan u, zegelbewaarder!”
»De wijn grendelt de deuren der droefheid, en sluit de poorten der zorgen!”
»Ja, dat doet hij, dat doet hij zeker! Nu gij, eerwaarde gouverneur van Hermonthis, die van ons allen de oudste zijt!”
»De wijn rijpt eigenlijk alleen voor ons oudjes, en niet voor u, jong volk!”
»Dat zult ge ons nader verklaren,” klonk een stem van de tafel der krijgslieden.
»Hij maakt,” zeide de tachtigjarige lachend, »van grijsaards jongelingen, maar van jongelingen kinderen.”
»Die kaatst moet den bal verwachten, gij jongens!” riep Gagaboe. »Uw spreuk, overste der Horoscopen!”
»De wijn is vergif,” sprak de knorrige priester, »want hij maakt wijzen tot gekken.”
»Dan hebt gij, helaas, weinig van hem te vreezen,” antwoordde Gagaboe ondeugend. »Verder, jachtmeester!”
»De rand van den beker,” sprak deze, »is als de lippen onzer geliefde. Raakt men hem aan, en bevochtigt de wijn onze tong, dan kust ons de bruid.”
»Veldoverste, de beurt is thans aan u!”
»Ik wenschte dat de Nijl in plaats van water zulk een wijn inhield,” riep de krijgsman, »en dat ik zoo groot was als de kolos van Amenophis, en dat Hatasoe’s grootste obelisk263)mijn drinkglas was, en dat ik drinken mocht zooveel ik maar wilde. Laat ons nu, eerwaarde Gagaboe, ook uw spreuk hooren tot lof van den wijn.”
De tweede profeet hief zijn beker omhoog, bekeek met welgevallen het gulden vocht, slurpte het langzaam op, en zeide toen met ten hemel geslagene oogen: »Ik vrees dat ik te nietig ben om de verheven goden voor zulk eene weldaad te danken.”
»Goed gesproken!” riep de stadhouder Ani, die tot de gasten was teruggekeerd, zonder dat ze hem opgemerkt hadden. »Wanneer mijn wijn spreken kon, dan zou hij u danken, voor hetgeen gij van hem gezegd hebt.”
»Heil den stadhouder Ani!” riepen de drinkers, en hieven hunne schalen omhoog, die met zijn edel vocht gevuld waren.
Hij beantwoordde dien dronk, stond daarna op en riep: »Wie uwer deze wijn heeft geproefd, dien noodig ik morgen aan mijne tafel. Dáar zal hij hem wedervinden, en blijft dit druivennat hem dan nog altijd smaken, zoo zal hij mij als gast elken avond recht welkom zijn! Goeden nacht thans mijne vrienden!”
Een daverend gejuich klonk hem achterna.
De morgen begon reeds te schemeren, toen de gasten de zaal verlieten. Daar waren maar weinigen, die hun weg alleen konden vinden. De meesten werden gewoonlijk opgenomen door hunne slaven, die hen stonden te wachten, ze als balken op hunne hoofden droegen en zoo naar de draagstoelen brachten, om ze naar huis te voeren. Doch heden werden hun slaapplaatsen in het Seti-huis ingeruimd, want er was een schrikkelijk onweder losgebroken.
Terwijl de gasten de bekers omhoog hieven en hunne vreugde steeds hooger klom, was Pentaoer, weinige uren te voren als gevangene opgebracht, in tegenwoordigheid van den stadhouder verhoord. Ameni’s boden hadden den priester geknield gevonden en zoo diep in gedachten verzonken, dat hij hen zelfs niet hoorde naderen. Zijne zielsrust was geweken; zijn gemoed was in oproer en het wilde hem maar niet gelukken kalm over alles na te denken, en tot klaarheid te komen omtrent dat nieuw onstuimig leven in zijn binnenste. Tot dusver had hij zich nooit ter ruste gelegd, zonder zich rekenschap te geven van den afgeloopen dag, en het was hem gemakkelijk gevallen in zijn doen en laten nauwkeurig het goede van het kwade te onderscheiden. Maar heden vertoonden zich voor zijne terugziende oogen niet anders dan verwarde beelden. Als hij moeite deed ze van elkander te scheiden en te ordenen, zag hij de gestalte van Bent-Anat, die zijn hart en zijne zinnen aan banden legde.
Zijne vreedzame hand had zich tegen zijne medemenschen opgeheven en bloed vergoten. Hij wilde zich overtuigen dat hij slecht had gehandeld en berouw gevoelen; doch het was hem niet mogelijk, want zoo vaak hij zichzelven verwijten deed en veroordeelde, zag hij de hand van den soldaat in het haar van het meisje, en het oog van de prinses, dat zijne handelwijze billijkte, ja van bewondering sprak. En hij moest voor zichzelven erkennen, dat hij goed had gehandeld, en morgen in gelijke omstandigheden weder hetzelfde zou doen. Tegelijk begreep hij echter, dat hij de hem door de beschikking der goden gestelde grenzen aan alle zijden had overschreden, en het scheen hemtoe, als zou het hem nimmer weder gelukken zich te huis te gevoelen in het stille, beperkte en vreedzame leven van weleer.
Hij bad tot den Eenen, en tot den verheerlijkten geest van de eenvoudige vrome vrouw, die hij zijne moeder had genoemd, om zielsrust en tevredenheid met zijn lot. Maar te vergeefs; want hoe langer hij op de knieën lag, en de armen smeekend omhoog hief, des te stouter werden zijne wenschen, des te minder gelukte het hem zijn schuld te erkennen en berouw te gevoelen. De roepstem van Ameni scheen hem daarom eene verlossing toe, en hij volgde den bode, overtuigd dat hij streng gestraft zou worden, maar zonder vrees, ja zelfs blijmoedig.
Pentaoer gehoorzaamde terstond het bevel van den opperpriester, die hem hoog ernstig aanzag, en gaf van alles bericht. Hij vertelde hoe hij, daar geen der artsen tehuis was, de oude Paraschietenvrouw was gevolgd naar haar man, die door demonen bezeten was, en hoe hij om een meisje te redden, dat het volk mishandelen wilde, zijne hand had opgeheven en daarbij harde slagen had uitgedeeld.
»Gij hebt vier menschen gedood en wel tweemaal zoovelen zwaar gewond,” zeide Ameni. »Waarom deedt ge u niet als priester kennen, en als de de feestredenaar van dezen dag? Waarom hebt gij geene poging gedaan om het volk, in plaats van door geweld, door vermanende woorden tot rust te brengen?”
»Ik droeg geen priesterlijk gewaad,” antwoordde Pentaoer.
»Ook daarin hebt gij misdreven,” zeide Ameni, »want gij weet dat de wet ieder onzer verbiedt zonder het witte kleed dit huis te verlaten. En gij zoudt de macht van uwe stem niet kennen? Durft ge mij tegenspreken, wanneer ik beweer, dat gij ook in het eenvoudig arbeiderskleed in staat geweest zoudt zijn met woorden hetzelfde uit te werken als met doodelijke slagen?”
»Het zou mij misschien gelukt zijn,” gaf Pentaoer ten antwoord. »Maar eene dierlijke woede had zich van de menigte meester gemaakt. Ik vond geen tijd tot kalm overleg, en toen ik den booswicht, die het onschuldige kind bij de haren sleurde, als een gifslang had weggeslingerd, werd er een strijdlustige geest in mij wakker. Mijn leven was mij niets meer waard, en ik zou duizenden hebben verslagen, om dat arme kind te redden.”