VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

»Uwe oogen vonkelen,” zeide Ameni, »als hadt gij een heldendaad verricht. Toch hebt gij slechts weerlooze en vrome burgers verslagen, die vol ontzetting waren over eene schandelijke misdaad. Ik begrijp niet hoe in den tuinmanszoon, den dienaar der godheid, de geest van een krijgsman is gevaren.”

»Ja,” hernam Pentaoer, »toen de menigte op mij indrong, en ik haar met inspanning van al mijne krachten van mij afweerde,toen heb ik iets gevoeld van den wellust van den krijgsman, die het hem toevertrouwde krijgsteeken verdedigt tegen het geweld van den aandringenden vijand. In een priester is dit zeker zondig, en ik wil er voor boeten, maar het is niet anders, ik heb het gevoeld.”

»Gij hebt het gevoeld en gij zult er voor boeten,” sprak Ameni ernstig. »Bovendien was uw bericht niet geheel overeenkomstig de waarheid. Waarom hebt gij verzwegen, dat Bent-Anat, de dochter van Ramses, zich in den strijd gemengd en u gered heeft, door zich aan de menigte te doen kennen en haar te bevelen u met vrede te laten? Hebt gij haar dit voor het volk heeten liegen, omdat gij haar niet voor Bent-Anat hield? Nu man, die zoo vast staat op den hoogen trap, gij die de banier der waarheid altijd omhoog heft, geef antwoord!”

Pentaoer was onder deze woorden zijns meesters al bleeker en bleeker geworden, Zijn antwoord luidde, terwijl hij met zijn oog op den stadhouder: »Wij zijn niet alleen.”

»Daar is maar éene waarheid,” zeide Ameni koeltjes. »Wat gij geneigd zijt mij toe te vertrouwen, dat mag deze hoogverheven heer, de vertegenwoordiger des konings, ook vernemen. Nu dan, hebt gij Bent-Anat herkend, ja of neen?”

»Zij die mij redde geleek haar, en zij geleek haar toch niet,” antwoordde de dichter, wien de fijne spot in de woorden des meesters opnieuw het bloed deed koken. »En al had ik ook even zeker geweten dat zij de prinses was, als ik weet dat gij, die mij eerst zoo hoog hebt gewaardeerd, mij nu tracht te vernederen, dan zou ik toch gehandeld hebben gelijk ik deed, om eene jonkvrouw booze uren te besparen, die meer godin is dan vrouw, en die om mij ongelukkige te redden, van den troon steeg in het stof.”

»Altijd nog de feestredenaar,” zeide Ameni spottend. Daarop vervolgde hij streng: »Ik bid u mij korte en duidelijke antwoorden te geven. Wij weten zeker dat Bent-Anat — zij heeft zich aan den koninklijken gids kenbaar gemaakt — in het gewaad van eene burgervrouw aan het feest heeft deel genomen; dat niemand anders dan zij u gered heeft. Wist gij, dat zij den Nijl zou over steken?”

»Hoe zou ik het geweten hebben?” was Pentaoer’s wedervraag.

»Gij geloofdet toch Bent-Anat voor u te zien, toen zij zich op de kampplaats waagde?”

»Ik geloofde het,” antwoordde Pentaoer aarzelend, met neergeslagen oogen.

»Dan was het zeer stout van u, de dochter des konings als eene bedriegster weg te jagen.”

»Dat was het ook,” gaf Pentaoer ten antwoord, »maar ommijnentwil bracht zij de eer van haar naam en die van haar voortreffelijken vader in gevaar, en zou ik dan niet mijne vrijheid en mijn leven hebben gewaagd om....”

»Wij hebben genoeg gehoord,” viel Ameni hem in de rede.

»Nog niet,” zoo begon nu de stadhouder te spreken. »Wat is er geworden van het meisje, dat gij gered hebt?”

»Eene oude tooveres, Hekt geheeten, die in de nabijheid van den Paraschiet woont, nam haar met hare grootmoeder bij zich in haar hol,” antwoordde de dichter. — Hierna werd hij op bevel van den opperpriester in de gevangenis van het Seti-huis teruggebracht.

Nauwelijks was hij verdwenen, of de stadhouder riep uit: »Een gevaarlijk mensch! Een dweeper! Een vurig vereerder van Ramses!”

»En van zijne dochter,” zeide Ameni lachend. »Maar ook slechts een vereerder. Gij hebt niets van hem te vreezen, want ik sta u borg voor de reinheid zijner bedoelingen.”

»Maar hij is schoon, en vermag veel door zijne groote welsprekendheid,” hernam Ani. »Ik verlang hem als mijn gevangene, want hij heeft een soldaat van mijne troepen gedood.”

Ameni’s voorhoofd rimpelde zich, zijn gelaat nam eene sombere uitdrukking aan, en met hoogen ernst sprak hij: »Het komt, volgens onzen vrijbrief, enkel den raad onzer priesters toe, over de leden van dit huis te richten. Gij zelf, de toekomstige koning, hebt ons, de verdedigers van uw eigen oud en heilig recht, vrijwillig toegezegd, dat ook onze rechten geëerbiedigd zouden worden.”

»Dat zal ook geschieden,” zeide Ani, met een lachje, dat den toorn van den opperpriester moest bezweren. »Maar deze man is gevaarlijk, en gij zult hem toch niet ongestraft willen laten?”

»Hij zal streng gevonnist worden,” zeide Ameni, »maar door ons en in dit huis.”

»Hij heeft een, ja meer dan éen moord begaan,” hernam Ani, »Hij is des doods schuldig!”

»Hij handelde door den nood gedrongen, om zich te verdedigen,” antwoordde Ameni, »en een door de godheid begenadigd man als deze geeft men niet op, al verleidde ook eene zeer ontijdige edelmoedigheid hem tot ergerlijke daden. Ik weet, ik zie het u bovendien aan, dat gij hem kwalijk zijt gezind. Zoo ge mij als bondgenoot waardeert, beloof mij dan hem niet naar het leven te zullen staan.”

»Gaarne!” antwoordde Ani met zijn gewone lachje, terwijl hij den opperpriester zijne hand reikte.

»Wees overtuigd van mijn dank,” zeide Ameni. »Pentaoer was de meest belovende van mijne kweekelingen, en ondanks menigeafdwaling is hij mij nog altijd dierbaar. Toen hij van den strijdlust gewaagde, die hem heden overviel, zag hij er toen niet uit als de groote Assa, of zijn zoon, de ontslapen Mohar, de Osirische vader van den gids Paäker?”

»Deze gelijkenis is inderdaad treffend,” gaf de ander ten antwoord. »En toch moet hij van lage afkomst zijn. Wie was zijne moeder?”

»De dochter van onzen poortwachter, eene stille en vrome ziel, maar die niet door schoonheid uitmuntte.”

»Ik keer nu tot het drinkgelag terug,” zeide de stadhouder, na zich een oogenblik bezonnen te hebben. »Doch ik zou u nog wel een verzoek willen doen. Ik vertelde u van het geheim, dat den gids Paäker geheel tot ons werktuig kan maken. De tooveres Hekt, die de Paraschieten-vrouw tot zich nam, moet er van weten. Zend politie-wachters tot haar, en laat haar gevangen hierheen brengen. Ikzelf neem haar in het verhoor, en kan haar op deze wijze uitvragen, zonder opzien te wekken.”

Ameni zond dadelijk eenige gewapenden uit, en beval daarop in stilte een zijner meest vertrouwde dienaars, het zoogenaamde gehoor-vertrek te verlichten, en in de ruimte daarnaast een zetel voor hem te plaatsen.

255)Het oude Egyptische Saka, het tegenwoordige Samakoet, waar Anubis als hoofdgodheid vereerd werd. Plutarchus verhaalt, dat de Oxyrynchiten, die den Oxyrynchos-visch vereerden, met hunne naburen, de Kynopoliten, die den hond voor heilig hielden, een strijd begonnen over deze dieren. De strijd nam hiermede een aanvang, dat de Kynopoliten, Oxyrynchos-visschen aten, en de Oxyrynchiten uit wraak honden vingen, die ze slachten en als een offermaal gebruikten. Eene dergelijke geschiedenis verhaalt Juvenalis in de 15de satire van de Omiten (waarschijnlijk Koptiten) en Tentyriten.256)Zie boven blz.183. Bijna alle koningen van het nieuwe rijk zorgden, zelfs met verkwistende vrijgevigheid, voor den tempel van Karnak. De oudste koningsnaam, die op de overblijfselen van dit heiligdom bewaard bleef, is die van Oesertesen I (12e dynastie). Gedurende den tijd der Hyksos werd de arbeid gestaakt, maar de Koningen der 18e en 19e dynastie breidden den tempel uit met gebouwen van buitengewone afmetingen. De groote zaal, waartoe Ramses I den grondslag legde, die Seti I deed bouwen en Ramses II versierde, had 134 zuilen en was 102 bij 51 Meters groot. Ook de met Karnak verbonden tempel van Loeqsor, onder de 18e dynastie aangelegd, werd door Ramses II met grootere gebouwen voltooid. Aan de oostzijde van Karnak werden nieuwe gedeelten aangebracht, en onnoemelijk vele koninklijke geschenken, in de schatkamers van dit heiligdom samengebracht. Mariëtte heeft onlangs in zijn Karnak, voortreffelijke teekeningen van alle deelen en onderdeelen van dezen tempel in het licht gegeven.257)Het was een zeer gewoon verschijnsel, dat koningen akkerland aan de tempels schonken. Op ontelbare gedenkteekenen is het aandenken aan zulke schenkingen bewaard. Doch ook rijke burgers begiftigden niet alleen de heiligdommen met stukken grond en bouwland, maar stelden soms bovendien een kapitaal vast tot ontginning of tot onderhoud. Zoo bijv. Amon-en-apt te Medinet Haboe.258)Volgens Diodorus (I. 80) hadden de dieven in Egypte een eigen gild. Alle burgers moesten zich in registers van den burgerlijken stand laten inschrijven, en opgeven waarvan zij leefden, zoo ook de dieven. De namen werden ingeschreven bij de dievenhoofdman, aan wien al het gestolene moest worden uitgeleverd. De bestolene moest eene schriftelijke aanwijzing inleveren van de hem ontvreemde voorwerpen, met opgave van dag en uur waarop hij ze vermist had. Op deze wijze vond men het gestolene gemakkelijk bij den hoofdman weder, die het aan den bezitter uitleverde, tegen betaling van het vierde deel der waarde, ten voordeele van de dieven. Eene soortgelijke inrichting moet nog betrekkelijk kort geleden te Kaïro hebben bestaan.259)Zie Dl. I, bl.100.260)Gebal-Byblos in Phoenicië. Daar wies eene wijnsoort, die ook onder de Grieken zeer beroemd was.261)Eene gewoonte, waarvan Herodotus (II 78) gewag maakt. Lucianus was ooggetuige dat zulke mummiën bij een gastmaal werden rondgegeven. De Grieken namen deze zede over, maar gewoon om aan alles zekere bekoorlijkheid bij te zetten, stelden zij een gevleugelden genius des doods in de plaats van de mummie. Men herinnere zich hierbij ook de „larva” der Romeinen.262)Deze vergelijking is zuiver Oostersch. Kisrâ noemde den wijn „de zeep der zorg.” Ofschoon den Mohamedanen de wijn verboden was, hebben zij toch de heerlijkheid van het druivennat, niet minder dan de gasten van het Seti-huis, geroemd. Zoo zegt Abdelmâlik ibn Sâlih Hâschimî: „Het uitnemendste waarmede de wereld zich verheugt, is de wijn.” Gâhiz zegt: „De wijn, wanneer hij in uwe beenderen dringt en door uwe leden vloeit, verleent u de waarheid van het gevoel en de volmaking der ziel; hij maakt uw geest buigzaam, neemt alle beklemdheid weg, veredelt uwe stemming;” enz. Toen men Ibn Aischah van iemand vertelde, dat hij geen wijn dronk, zeide hij: „De wereld heeft dien man reeds driemaal verstooten.” Ibn el Moe tazz zong:„Zorg niet of de tijd blijft dralen, of wel rusteloos verder gaat!Klaag alleen den wijn uw kommer, als hij schuimend voor u staat.Hebt gij driemaal reeds gedronken, zoo behoed vooral uw hart,Zal de vreugd het niet ontvlieden en u blijven alle smart.Dit is de een’ge welbeproefde aller zorgen artsenij;Daarom hoor toch wat ik rade, wetend wat u dienstig zij.Zorg niet, want hoe menig wenschte d’armen, droeven menschengeestVan zijn zwaren last te ontheffen — ’t Is al vruchteloos geweest!”263)Deze staat nog heden overeind in den tempel van Karnak, en is 33 meter hoog. De obelisk, die de Franschen van Loeqsor naar Parijs overbrachten, en thans de Place de la Concorde versiert, is 11 meter kleiner.

255)Het oude Egyptische Saka, het tegenwoordige Samakoet, waar Anubis als hoofdgodheid vereerd werd. Plutarchus verhaalt, dat de Oxyrynchiten, die den Oxyrynchos-visch vereerden, met hunne naburen, de Kynopoliten, die den hond voor heilig hielden, een strijd begonnen over deze dieren. De strijd nam hiermede een aanvang, dat de Kynopoliten, Oxyrynchos-visschen aten, en de Oxyrynchiten uit wraak honden vingen, die ze slachten en als een offermaal gebruikten. Eene dergelijke geschiedenis verhaalt Juvenalis in de 15de satire van de Omiten (waarschijnlijk Koptiten) en Tentyriten.

255)Het oude Egyptische Saka, het tegenwoordige Samakoet, waar Anubis als hoofdgodheid vereerd werd. Plutarchus verhaalt, dat de Oxyrynchiten, die den Oxyrynchos-visch vereerden, met hunne naburen, de Kynopoliten, die den hond voor heilig hielden, een strijd begonnen over deze dieren. De strijd nam hiermede een aanvang, dat de Kynopoliten, Oxyrynchos-visschen aten, en de Oxyrynchiten uit wraak honden vingen, die ze slachten en als een offermaal gebruikten. Eene dergelijke geschiedenis verhaalt Juvenalis in de 15de satire van de Omiten (waarschijnlijk Koptiten) en Tentyriten.

256)Zie boven blz.183. Bijna alle koningen van het nieuwe rijk zorgden, zelfs met verkwistende vrijgevigheid, voor den tempel van Karnak. De oudste koningsnaam, die op de overblijfselen van dit heiligdom bewaard bleef, is die van Oesertesen I (12e dynastie). Gedurende den tijd der Hyksos werd de arbeid gestaakt, maar de Koningen der 18e en 19e dynastie breidden den tempel uit met gebouwen van buitengewone afmetingen. De groote zaal, waartoe Ramses I den grondslag legde, die Seti I deed bouwen en Ramses II versierde, had 134 zuilen en was 102 bij 51 Meters groot. Ook de met Karnak verbonden tempel van Loeqsor, onder de 18e dynastie aangelegd, werd door Ramses II met grootere gebouwen voltooid. Aan de oostzijde van Karnak werden nieuwe gedeelten aangebracht, en onnoemelijk vele koninklijke geschenken, in de schatkamers van dit heiligdom samengebracht. Mariëtte heeft onlangs in zijn Karnak, voortreffelijke teekeningen van alle deelen en onderdeelen van dezen tempel in het licht gegeven.

256)Zie boven blz.183. Bijna alle koningen van het nieuwe rijk zorgden, zelfs met verkwistende vrijgevigheid, voor den tempel van Karnak. De oudste koningsnaam, die op de overblijfselen van dit heiligdom bewaard bleef, is die van Oesertesen I (12e dynastie). Gedurende den tijd der Hyksos werd de arbeid gestaakt, maar de Koningen der 18e en 19e dynastie breidden den tempel uit met gebouwen van buitengewone afmetingen. De groote zaal, waartoe Ramses I den grondslag legde, die Seti I deed bouwen en Ramses II versierde, had 134 zuilen en was 102 bij 51 Meters groot. Ook de met Karnak verbonden tempel van Loeqsor, onder de 18e dynastie aangelegd, werd door Ramses II met grootere gebouwen voltooid. Aan de oostzijde van Karnak werden nieuwe gedeelten aangebracht, en onnoemelijk vele koninklijke geschenken, in de schatkamers van dit heiligdom samengebracht. Mariëtte heeft onlangs in zijn Karnak, voortreffelijke teekeningen van alle deelen en onderdeelen van dezen tempel in het licht gegeven.

257)Het was een zeer gewoon verschijnsel, dat koningen akkerland aan de tempels schonken. Op ontelbare gedenkteekenen is het aandenken aan zulke schenkingen bewaard. Doch ook rijke burgers begiftigden niet alleen de heiligdommen met stukken grond en bouwland, maar stelden soms bovendien een kapitaal vast tot ontginning of tot onderhoud. Zoo bijv. Amon-en-apt te Medinet Haboe.

257)Het was een zeer gewoon verschijnsel, dat koningen akkerland aan de tempels schonken. Op ontelbare gedenkteekenen is het aandenken aan zulke schenkingen bewaard. Doch ook rijke burgers begiftigden niet alleen de heiligdommen met stukken grond en bouwland, maar stelden soms bovendien een kapitaal vast tot ontginning of tot onderhoud. Zoo bijv. Amon-en-apt te Medinet Haboe.

258)Volgens Diodorus (I. 80) hadden de dieven in Egypte een eigen gild. Alle burgers moesten zich in registers van den burgerlijken stand laten inschrijven, en opgeven waarvan zij leefden, zoo ook de dieven. De namen werden ingeschreven bij de dievenhoofdman, aan wien al het gestolene moest worden uitgeleverd. De bestolene moest eene schriftelijke aanwijzing inleveren van de hem ontvreemde voorwerpen, met opgave van dag en uur waarop hij ze vermist had. Op deze wijze vond men het gestolene gemakkelijk bij den hoofdman weder, die het aan den bezitter uitleverde, tegen betaling van het vierde deel der waarde, ten voordeele van de dieven. Eene soortgelijke inrichting moet nog betrekkelijk kort geleden te Kaïro hebben bestaan.

258)Volgens Diodorus (I. 80) hadden de dieven in Egypte een eigen gild. Alle burgers moesten zich in registers van den burgerlijken stand laten inschrijven, en opgeven waarvan zij leefden, zoo ook de dieven. De namen werden ingeschreven bij de dievenhoofdman, aan wien al het gestolene moest worden uitgeleverd. De bestolene moest eene schriftelijke aanwijzing inleveren van de hem ontvreemde voorwerpen, met opgave van dag en uur waarop hij ze vermist had. Op deze wijze vond men het gestolene gemakkelijk bij den hoofdman weder, die het aan den bezitter uitleverde, tegen betaling van het vierde deel der waarde, ten voordeele van de dieven. Eene soortgelijke inrichting moet nog betrekkelijk kort geleden te Kaïro hebben bestaan.

259)Zie Dl. I, bl.100.

259)Zie Dl. I, bl.100.

260)Gebal-Byblos in Phoenicië. Daar wies eene wijnsoort, die ook onder de Grieken zeer beroemd was.

260)Gebal-Byblos in Phoenicië. Daar wies eene wijnsoort, die ook onder de Grieken zeer beroemd was.

261)Eene gewoonte, waarvan Herodotus (II 78) gewag maakt. Lucianus was ooggetuige dat zulke mummiën bij een gastmaal werden rondgegeven. De Grieken namen deze zede over, maar gewoon om aan alles zekere bekoorlijkheid bij te zetten, stelden zij een gevleugelden genius des doods in de plaats van de mummie. Men herinnere zich hierbij ook de „larva” der Romeinen.

261)Eene gewoonte, waarvan Herodotus (II 78) gewag maakt. Lucianus was ooggetuige dat zulke mummiën bij een gastmaal werden rondgegeven. De Grieken namen deze zede over, maar gewoon om aan alles zekere bekoorlijkheid bij te zetten, stelden zij een gevleugelden genius des doods in de plaats van de mummie. Men herinnere zich hierbij ook de „larva” der Romeinen.

262)Deze vergelijking is zuiver Oostersch. Kisrâ noemde den wijn „de zeep der zorg.” Ofschoon den Mohamedanen de wijn verboden was, hebben zij toch de heerlijkheid van het druivennat, niet minder dan de gasten van het Seti-huis, geroemd. Zoo zegt Abdelmâlik ibn Sâlih Hâschimî: „Het uitnemendste waarmede de wereld zich verheugt, is de wijn.” Gâhiz zegt: „De wijn, wanneer hij in uwe beenderen dringt en door uwe leden vloeit, verleent u de waarheid van het gevoel en de volmaking der ziel; hij maakt uw geest buigzaam, neemt alle beklemdheid weg, veredelt uwe stemming;” enz. Toen men Ibn Aischah van iemand vertelde, dat hij geen wijn dronk, zeide hij: „De wereld heeft dien man reeds driemaal verstooten.” Ibn el Moe tazz zong:„Zorg niet of de tijd blijft dralen, of wel rusteloos verder gaat!Klaag alleen den wijn uw kommer, als hij schuimend voor u staat.Hebt gij driemaal reeds gedronken, zoo behoed vooral uw hart,Zal de vreugd het niet ontvlieden en u blijven alle smart.Dit is de een’ge welbeproefde aller zorgen artsenij;Daarom hoor toch wat ik rade, wetend wat u dienstig zij.Zorg niet, want hoe menig wenschte d’armen, droeven menschengeestVan zijn zwaren last te ontheffen — ’t Is al vruchteloos geweest!”

262)Deze vergelijking is zuiver Oostersch. Kisrâ noemde den wijn „de zeep der zorg.” Ofschoon den Mohamedanen de wijn verboden was, hebben zij toch de heerlijkheid van het druivennat, niet minder dan de gasten van het Seti-huis, geroemd. Zoo zegt Abdelmâlik ibn Sâlih Hâschimî: „Het uitnemendste waarmede de wereld zich verheugt, is de wijn.” Gâhiz zegt: „De wijn, wanneer hij in uwe beenderen dringt en door uwe leden vloeit, verleent u de waarheid van het gevoel en de volmaking der ziel; hij maakt uw geest buigzaam, neemt alle beklemdheid weg, veredelt uwe stemming;” enz. Toen men Ibn Aischah van iemand vertelde, dat hij geen wijn dronk, zeide hij: „De wereld heeft dien man reeds driemaal verstooten.” Ibn el Moe tazz zong:

„Zorg niet of de tijd blijft dralen, of wel rusteloos verder gaat!Klaag alleen den wijn uw kommer, als hij schuimend voor u staat.Hebt gij driemaal reeds gedronken, zoo behoed vooral uw hart,Zal de vreugd het niet ontvlieden en u blijven alle smart.Dit is de een’ge welbeproefde aller zorgen artsenij;Daarom hoor toch wat ik rade, wetend wat u dienstig zij.Zorg niet, want hoe menig wenschte d’armen, droeven menschengeestVan zijn zwaren last te ontheffen — ’t Is al vruchteloos geweest!”

„Zorg niet of de tijd blijft dralen, of wel rusteloos verder gaat!Klaag alleen den wijn uw kommer, als hij schuimend voor u staat.Hebt gij driemaal reeds gedronken, zoo behoed vooral uw hart,Zal de vreugd het niet ontvlieden en u blijven alle smart.Dit is de een’ge welbeproefde aller zorgen artsenij;Daarom hoor toch wat ik rade, wetend wat u dienstig zij.Zorg niet, want hoe menig wenschte d’armen, droeven menschengeestVan zijn zwaren last te ontheffen — ’t Is al vruchteloos geweest!”

„Zorg niet of de tijd blijft dralen, of wel rusteloos verder gaat!Klaag alleen den wijn uw kommer, als hij schuimend voor u staat.Hebt gij driemaal reeds gedronken, zoo behoed vooral uw hart,Zal de vreugd het niet ontvlieden en u blijven alle smart.Dit is de een’ge welbeproefde aller zorgen artsenij;Daarom hoor toch wat ik rade, wetend wat u dienstig zij.Zorg niet, want hoe menig wenschte d’armen, droeven menschengeestVan zijn zwaren last te ontheffen — ’t Is al vruchteloos geweest!”

263)Deze staat nog heden overeind in den tempel van Karnak, en is 33 meter hoog. De obelisk, die de Franschen van Loeqsor naar Parijs overbrachten, en thans de Place de la Concorde versiert, is 11 meter kleiner.

263)Deze staat nog heden overeind in den tempel van Karnak, en is 33 meter hoog. De obelisk, die de Franschen van Loeqsor naar Parijs overbrachten, en thans de Place de la Concorde versiert, is 11 meter kleiner.

Terwijl de gasten van het Seti-huis nog feestvierden, en Ameni’s boden het dal der koningsgraven introkken, om de oude Hekt uit den slaap te wekken, stak er uit het zuid-westen een heete storm op, die den hemel bedekte met zwarte nevelen, en dichte bruine stofwolken voor zich uitjoeg. Hij kromde de slanke stammen der palmen, als een schutter het hout van zijn boog. Hij rukte op het feestterrein de pennen der tenten uit den grond, voerde de lichte linnen zeilen hoog in de lucht en dreef ze als ontzaglijke witte spookgestalten, met geweldige vaart door de duisternis voort. Hij zweepte den anders zoo gladden waterspiegel van den Nijl, tot zijne geelachtige wateren zich verhieven en de golven sloegen als op de onrustige Zoutzee.

Paäker had zijne bevende matrozen gedwongen hem over den stroom te zetten. De boot was meer dan eens op het punt van om te slaan, maar met zijne ongedeerde rechterhand had hij zelf vast en zeker het roer gestuurd, hoewel hem, bij het onophoudelijk schommelen van het vaartuig, zijne gebrokene vingers hevig pijn deden. Na herhaalde vruchtelooze pogingen gelukte het hem eindelijk te landen. De storm had de lantaarns aan de mastboomen, de teekens waarnaar zijne lieden aan den anderen oever uitzagen, gebluscht en hij vond geen dienaars of fakkeldragers aan de landingsplaats. In den stikdonkeren nacht en worstelende tegen den verzengenden stormwind, bereikte hij ten laatste de trotsche poort van zijn huis. Vroeger was het eigenaardig geblaf van zijn dog voor den portier een bewijs, dat de meester terugkeerde; heden echter moesten de matrozen die hem vergezelden, lang te vergeefs op de vleugeldeuren van het poortgebouw kloppen.

Toen de Mohar eindelijk zijn voorhof binnentrad, vond hij alles donker. De storm had ook hier de fakkels en lantaarns uitgedoofd.Alleen de vensters van het woonvertrek zijner moeder waren verlicht. Thans begonnen de honden in hunne ongedekte perken zich te doen hooren, maar hun geblaf klonk trillend en jankend, want het onweder maakte de dieren angstig. Hun gehuil sneed den gids door de ziel, want hij dacht aan zijn verslagen Descher, wiens zware stem hij miste. In zijne vertrekken heette zijn oude Ethiopische slaaf hem welkom met een luiden jammerkreet, die den hond gold; want de man had hem voor Paäker’s vader grootgebracht en zeer liefgehad. De gids wierp zich in een stoel neder en beval, dat men hem water zou brengen, om zijne pijnlijke hand daarin af te koelen, naar het voorschrift van den arts Nebsecht.

Zoodra de oude slaaf de gebroken vingers zag, barstte hij andermaal in jammerkreten uit. Toen Paäker hem gebood stil te zijn, vroeg hij: »Is de onverlaat nog in leven, die dit gedaan en Descher geveld heeft?”

Paäker knikte toestemmend en staarde op den grond, terwijl zijne hand in het koele water lag. Hij gevoelde zich ellendig en vroeg zichzelven, waarom de storm toch zijn boot niet omgeslagen en de Nijl hem niet verzwolgen had? Eene naamlooze verbittering vervulde zijn gemoed; hij wenschte nog een kind te zijn en te kunnen weenen. Doch deze stemming ging ras voorbij; weldra bewoog zijne breede borst bij eene diepe ademhaling zich weder op en neder, en zijne oogen straalden met een akeligen glans. Hij dacht niet meer aan zijne liefde, maar alleen aan zijne wraak, die hem thans zoeter scheen dan gene.

»Dat Ramses-gebroed!” prevelde hij in zichzelf, terwijl hij zijn gebalde vuist dreigend omhoog hief. »Ik offer ze allen te zamen, den koning en Mena, ook die trotsche prinses en nog veel meer van dat geslacht. Ik weet wel hoe! Wacht maar, wacht!”

Daar werd de deur van zijne kamer geopend. De brullende stormwind was oorzaak, dat niemand den voetstap van vrouwe Setchem had gehoord. Zij naderde haren wraakgierigen zoon, en riep hem bij zijn naam, toen zij vol ontzetting de wilde trekken zag, die zijn gelaat verwrongen.

Paäker kromp van schrik ineen, maar zeide met schijnbare kalmte: »Zijt gij het moeder? De morgen nadert, en op dit uur is het beter te slapen dan te waken.”

»Ik had geen rust in mijn vertrek,” antwoordde Setchem. »De storm huilt ijselijk en ik ben zoo beangst, zoo vreeselijk gejaagd, evenals vóor den dood uws vaders.”

»Blijf dan bij mij,” zeide Paäker vriendelijk, »en leg u op mijn bed ter ruste.”

»Ik kwam niet hierheen om te slapen,” hernam Setchem.

»Wat u aan de landingstrap overkwam is zoo verschrikkelijk en beklemt mijn hart! — Neen, neen, mijn zoon, het is niet om den verslagen hond, niet omdat gij pijn lijdt; hoe innig leed mij dit ook doet, maar het is om den koning en zijne verbolgenheid, wanneer hij bericht zal ontvangen van uw gevecht. Hij is u minder genegen dan uw overleden vader, dat weet ik helaas! Uw wilde lach, uw geheele uiterlijk, toen ik binnenkwam, dat is mij door merg en been gegaan!”

Beiden zwegen een tijdlang en luisterden naar den storm, die steeds razender woedde. Eindelijk zeide Setchem: »Daar is ook nog iets anders, dat mij geheel en al in verwarring brengt. Ik kan den feestredenaar van heden, den jongen Pentaoer, niet vergeten. Zijn voorkomen, zijn aangezicht, zijne bewegingen, ja zijne stem zijn geheel als die uws vaders in de dagen toen hij mijne hand vroeg. Het is als wilden de goden den besten man, dien zij van hier hebben weggenomen, andermaal voor hunne oogen zien wandelen.”

»Ja meesteres,” riep de oude Ethiopische slaaf, »zulk eene gelijkenis heeft nog geen sterfelijk oog gezien. Ik zag hem vechten voor de hut van den Paraschiet, en ook daar was hij het sprekend evenbeeld van den gestorvene. Hij zwaaide met een paal, gelijk mijn heer met zijn strijdbijl in den slag.”

»Zwijg!” riep Paäker. »Maak dat je wegkomt, domkop! — De priester, moeder, lijkt op mijn vader, dat geef ik toe, maar hij is een onbeschaamde kerel, die mij schandelijk heeft beleedigd, en met wien ik moet afrekenen, gelijk met zoo menig ander.”

»Wat zijt gij wild,” viel Setchem hem in de rede, »en vol bitteren haat! Uw vader was zoo vriendelijk gezind en had de menschen lief.”

»Hebben zij mij lief?” vroeg de gids met een pijnlijken lach. »Zelfs de hemelsche goden zijn mij niet genegen en werpen doornen op mijn weg. Maar ik ruim ze op met eigene hand, en ik zal mij ook zonder de hulp van die daarboven wel verwerven wat ik begeer, en nederwerpen, wat zich tegen mij durft verzetten!”

»Wij kunnen geen veertje omhoog blazen, zonder de hulp der hemelsche goden,” zeide Setchem. »Zoo sprak uw vader, die naar lichaam en ziel een ander man was dan gij zijt! Ik gruw van u sedert dezen avond, en den vloek dien gij hebt uitgestooten tegen de kinderen van uw heer en koning, den vriend uws vaders!”

»Maar mijn vijand!” schreeuwde Paäker. »Gij zult nog wel andere dingen van mij moeten hooren dan vloeken. En het Ramses-gebroed zal ondervinden, of de zoon van uw echtgenoot zichlaat verachten en mishandelen zonder wraak. Ik zal ze in den afgrond stooten en schaterlachen, als zij onder mij in het zand liggen te rochelen.”

»Jongen!” riep Setchem buiten zichzelve. »Ik ben maar eene vrouw, en dikwijls hebt gij gescholden op mijne weekelijkheid en zwakheid. Maar zoo waarachtig als ik uw gestorven vader, wien gij juist zooveel gelijkt als een doornstruik een palmboom, trouw ben gebleven, zoo zeker ruk ik mij de liefde voor u uit het hart, als gij de.... de — Ha, nu zie ik het! Nu weet ik het! Antwoord mij, moordenaar! Waar zijn de zeven pijlen met de zondige woorden, die hier vroeger hingen? Waar zijn die wapentuigen, waarop gij hebt gekrast: Dood aan Mena!”

Zichzelve niet meer meester en met gejaagde ademhaling, had Setchem deze woorden uitgebracht. De gids ging voor haar achteruit als toen hij nog een knaap was, wanneer zij hem dreigde te tuchtigen wegens zijne ondeugendheid. Doch zij volgde hem, greep hem bij den gordel en herhaalde haar vraag met heesche stem.

Onwillig trok Paäker zich terug, rukte haar hand van zijn gordel los en zeide trotsch: »Ik heb ze in mijn pijlkoker gestoken, en dat niet voor eene aardigheid. Nu weet gij ’t!”

Niet meer in staat een woord uit te brengen, hief de beleedigde moeder nog eens hare hand op tegen den ontaarden zoon; maar hij stiet haar arm terug, zeggende: »Ik ben geen kind meer, en meester van dit huis. Wat ik wil dat doe ik, al trachtten honderd vrouwen mij tegen te houden!”

Bij deze woorden wees hij met de hand naar de deur. Setchem begon luide te snikken en keerde hem den rug toe. Bij de deur van zijne kamer gekomen, zag zij nog eenmaal naar hem om. Hij was gaan zitten en lag met zijn voorhoofd op de tafel, waarop het koele water stond. Setchem had een zwaren strijd te strijden. Eindelijk noemde zij nog eens onder tranen zijn naam, breidde hare armen uit en zeide: »Daar ben ik, daar ben ik weder! Kom hier aan mijn hart! Laat toch die afgrijselijke gedachte aan wraak varen!”

Paäker bleef aan de tafel zitten, zag haar niet aan, zweeg en schudde ontkennend het hoofd.

Setchem liet de handen weder zinken en sprak zacht: »Wat heeft uw vader u geleerd uit de schriften? Uw hoogste lof, zoo luidt het, moet daarin bestaan, dat gij uwe moeder vergeldt, wat zij voor u gedaan heeft, toen zij u opvoedde; opdat hare handen zich niet opheffen tot God, en hij hare klachten niet verhoore”264).Paäker begon bij deze woorden hoorbaar te snikken, maar hij zag niet op naar Zijne moeder. Zij riep hem met teederheid bij zijn naam, maar hij verroerde zich niet.

Opeens vielen hare oogen op den pijlkoker, die met andere wapenen op eene rustbank lag. Haar hart kromp ineen, en met bevende hand riep zij: »Ik verbied u deze onzinnige wraak, hoort gij? Wilt gij er afstand van doen? — Gij verroert u niet. — Neen? — Niet? — Eeuwige goden, wat zal ik doen!”

In vertwijfeling hief zij de handen omhoog. Doch opeens was haar besluit genomen. Zij liep naar den koker, greep er een pijl uit en beproefde dien te breken.

Plotseling sprong Paäker van zijn zetel op en rukte haar het wapen uit de hand. De scherpe punt drong even in haar vleesch, zoodat enkele donkere bloeddruppels te voorschijn kwamen en op den steenen vloer van het vertrek neervielen.

Zoodra de Mohar dit zag, wilde hij haar gewonde hand grijpen. Setchem, die doodsbleek was geworden, omdat zij, week van aard, geen bloed kon zien, noch van haar zelve noch van een ander, wees hem terug. Op een doffen toon, die vreemd was aan hare anders zoo vriendelijke stem, zeide zij: »Deze bloedende moederhand zal de uwe niet eer omvatten, voordat gij daarin met een duren eed hebt gezworen, alle gedachten aan wraak en moord te zullen afwijzen en den naam uws vaders niet te zullen onteeren! Ik heb het gezegd; de verheerlijkte geest uws vaders geve mij kracht dit vol te houden, en zij mijn getuige!”

Paäker was op de knieën gezonken, en voerde een geweldigen strijd met zichzelven, terwijl zij naar de deur ging. Daar bleef zij nog eenige oogenblikken staan. Hare lippen zwegen, maar hare oogen riepen hem tot haar. —

Te vergeefs. Eindelijk verliet zij het vertrek. De stormwind wierp de deur met kracht achter haar dicht.

Paäker steunde, terwijl hij met de rechterhand zijne oogen bedekte! »Moeder! Moeder! Ik kan niet terug, ik kan niet!”

Een vreeselijke windvlaag overstemde zijne klacht. Te gelijkertijd hoorde men twee heftige slagen, als waren er rotsblokken van den hemel gevallen. Hij schrikte op en liep naar het venster, waardoor de schemering grauwde van den somberen morgen, ten einde zijne slaven te roepen. Zij kwamen weldra aanloopen, en de hofmeester riep hem reeds van verre buiten adem toe: »De storm heeft de masten aan de hooge poort van het huis omvergeworpen!”

»Onmogelijk!” riep Paäker.

»Toch is het zoo,” antwoordde de beambte. »Zij zijn gedeeltelijk boven den grond afgezaagd. Dat heeft de mattenvlechterzeker gedaan, wiens sleutelbeen gij half verbrijzeld hebt. Hij is in dezen schrikkelijken nacht weggeloopen!”

»De honden los!” riep de Mohar woedend. »Alles wat beenen heeft jage den ellendeling achterna. De vrijheid en vijf handen vol goud voor den man die hem terug brengt!”

De gasten van het Seti-huis hadden zich reeds ter ruste begeven, toen men den opperpriester Ameni kwam berichten, dat de tooveres Hekt was gekomen. Hij begaf zich dadelijk naar de zaal, waar de stadhouder op de heks zat te wachten.

Ani schrikte op uit diep gepeins, zoodra hij de voetstappen van den opperpriester hoorde, en vroeg gejaagd: »Is zij gekomen?” Toen Ameni een bevestigend antwoord had gegeven, vervolgde hij, terwijl hij de lange lokken van zijn pruik, die tamelijk in verwarring waren geraakt, zorgvuldig in orde bracht, en zijn breeden halsband recht schoof: »Die heks moet nog al veel macht hebben. Wilt gij niet uw zegen over mij uitspreken om mij voor betoovering te bewaren? Wel is waar draag ik dit Horus-oog en dit Isis-bloed265)bij mij, maar men kan toch niet weten....”

»Mijne tegenwoordigheid zou u kunnen beschermen,” antwoordde Ameni. »Maar.... neen, neen, ik weet dat gij haar alleen wenscht te spreken! Men zal u daarom in een vertrek brengen, waar heilige spreuken u voor alle betoovering bewaren. Vaarwel, ik ga ter ruste. — Heilige vader, laat de heks in een der gewijde vertrekken, en nadat gij den drempel hebt besprengd, zult gij den verheven heer Ani tot haar leiden.”

De opperpriester verwijderde zich en begaf zich naar een klein kamertje, dat grensde aan het vertrek, waarin het onderhoud met de tooveres zou plaats hebben. Daar kon men, met behulp van eene ter juister plaatse aangebrachte spreekbuis, zelfs het zachtste woord opvangen, dat in het aangrenzende vertrek gesproken werd.

Toen Ani de tooveres in het oog kreeg, ging hij van schrik een paar passen achteruit. Haar uiterlijk was in dit uur wel geschikt om ontzetting te wekken. De storm had hare kleederen gescheurd en hare grijze, maar nog overvloedige haren, zoo verwaaid,dat zij voor een deel over haar gelaat neerhingen. In ver voorover gebogene houding, leunende op haar stokje, zag zij den stadhouder aan met een paar gloeiende oogen, die vuurrood waren van het woestijnzand, dat de wind haar in het aangezicht had gedreven. Zij zag er uit als eene op buit loerende hyena, en eene koude rilling voer Ani door de leden, toen zij hare heesche stem verhief om hem te begroeten en tegelijk te verwijten, dat hij zulk een buitengewoon tijdstip had gekozen om haar te spreken. Toen zij hem hierop dank had gezegd voor het vernieuwen van den vrijbrief, en bevestigd had dat Paäker een liefdedrank van haar had ontvangen, streek zij de haren wat uit haar gezicht. Het viel haar opeens in, dat zij eene vrouw was.

De stadhouder zette zich op een leunstoel, terwijl zij bleef staan. Maar die nachtelijke tocht tegen den stormwind op, had hare oude leden vermoeid, en daarom bad zij Ani haar te willen vergunnen zich neer te zetten. Zij had hem eene geschiedenis te vertellen, die hem in staat zou stellen den Mohar als was te kneden.

Ani wees naar een hoek van het vertrek. Zij begreep dezen wenk, en hurkte daar op de vloertegels neer.

Nadat hij haar bevolen had met haar verhaal te beginnen, staarde zij langen tijd zwijgend op den grond. Eindelijk sprak zij, half voor zich: »Ik zal het vertellen, want ik wil rust hebben. Ik mag niet ongebalsemd blijven, als de dood komt. Men kan het niet weten, er is misschien in gene wereld nog wat te verkrijgen, en dat wil ik niet missen. Ik mocht hem eens wederzien aan de andere zijde des grafs, al ware het ook uit de ziedende ketels der verdoemden. — Hoor mij dan! Maar beloof mij, eer ik spreek, dat gij, wat gij ook verneemt, mij in vrede zult laten wonen, en dat gij voor mijne balseming zorg zult dragen als ik sterf. Anders zwijg ik.”

Ani knikte toestemmend.

»Neen, neen,” zeide de oude, »zoo niet! Ik zal u den eed voorzeggen: ‚Als ik aan Hekt, wanneer zij den Mohar in mijne handen overlevert, mijn woord niet gestand doe, dan zullen de geesten, waarover zij te gebieden heeft, mij laten vallen vóor ik den troon bestijg!’ — Wees niet onwillig, heer, gij hebt niet anders te zeggen dan ‚ja’. Wat gij in deze ure zult vernemen, is meer waard dan een armzalig woord!”

»Nu dan, ja!” riep de stadhouder, die in de grootste spanning verkeerde omtrent de gewichtige ontdekkingen.

De oude prevelde eenige onverstaanbare woorden. Daarop zette zij zich in postuur, rekte haar mageren hals zoo lang mogelijk uit, en vroeg, terwijl zij den man die tegenover haar zatmet vonkelende oogen aanzag »Hebt gij ook, toen gij nog jong waart, van de zangeres Beki gehoord? He? — Nu, zie mij slechts aan: zij zit voor u!”

Bij deze woorden lachte zij met een heesch geluid en trok de flarden van haar kleed over haar dorren boezem samen, als schaamde zij zich over haar afzichtelijk uiterlijk.

»Ja,” ging zij voort, »met welgevallen beschouwt men de druiven en perst ze uit, en als men den most gedronken heeft, werpt men de schillen op den mesthoop. Zulk eene schil ben ik! Zie mij maar zoo medelijdend niet aan! Eens was ik toch ook eene druif, en hoe arm en veracht ik ook ben, niemand kan mij toch ontnemen wat ik ben geweest. Dit eene is mij boven duizenden ten deel gevallen, namelijk: een geheel leven vol van alle mogelijke vreugde en van elke smart, van liefde en haat, van zaligheid, vertwijfeling en wraak. — Verlangt gij dat ik alles vertellen zal en mij op gindschen zetel neerzetten? Laat mij, ik ben gewoon zoo op den grond te hurken. Ik wist wel, dat ge mij tot het einde zoudt laten uitspreken. Ik behoorde eens tot uws gelijken! De uitersten houden het er licht voor, dat zij aan elkander verwant zijn. Dat heb ik ondervonden! De aanzienlijksten strekten naar de schoonsten de handen uit, en er is een tijd geweest, waarin ik lieden van uw stand aan mijn koord leidde.

»Zal ik van den aanvang beginnen? Nu goed! Ik ben heden zoo wonderlijk te moede. Vijftig jaren geleden heb ik in deze zelfde stemming een lied gezongen, ja een lied! Ik, eene zwarte kraai, en zingen! — Nu dan: Mijn vader was een aanzienlijk man, de gouverneur van Abydus. Toen de eerste Ramses zich van den troon meester maakte, bleef hij het huis uwer voorvaderen trouw. De nieuwe koning zond hem en zijne geheele geslacht naar de Ethiopische goudmijnen, waar ze zijn omgekomen, mijne ouders, broeders, zusters, allen. Ik alleen ontkwam als door een wonder. Daar ik er mooi uitzag en zingen kon, nam een muzikant mij onder zijn troep en ging met mij naar Thebe. Waar slechts een feest werd gevierd in het huis van een aanzienlijke, daar mocht Beki niet worden gemist. Ik oogstte in die dagen bloemen en goud en teedere blikken, zooveel ik maar wilde. Doch ik was trotsch en ongevoelig; het ongeluk mijner betrekkingen had mij verbitterd in de jaren, waarin anders ook een wrange drank als honig smaakt. Geen van de jonge zonen van vorsten en grooten, die mij voor zich begeerden, durfde ook slechts mijne hand aanraken! Maar ook mijne ure kwam! De jonge Assa, de vader van den ouderen Mohar, de grootvader van den dichter Pentaoer, ik wil zeggen van Paäker, den gids, zag er schooner en statiger uit dan alle anderen. Gij hebt hem toch nog gekend? Waar ik zong,daar zat hij tegenover mij en zag mij aan. En ik kon de blikken niet van hem afgewend houden. Het overige moogt gij er bij denken. Doch neen, dat kunt gij niet. Want zoo als ik blaakte voor Assa, heeft nooit, noch vóor noch na mij, eene vrouw liefgehad. —

»Waarom lacht gij niet? Mij dunkt het is toch nog al grappig, zoo iets uit den tandeloozen mond van eene heks te hooren! Hij is sedert lang gestorven. Zeker haat ik hem, maar hoe waanzinnig het ook klinkt, toch geloof ik dat ik hem nog liefheb. En Assa heeft mij toen ook liefgehad, en was twee jaren lang de mijne. Daarna toog hij met Seti ten krijg en bleef zeer lang weg. Toen ik hem wederzag, had hij eene vrouw uit een aanzienlijk en rijk huis getrouwd. Ik was in die dagen nog mooi genoeg, maar bij de feesten zag hij mij niet meer aan. Ik trad hem wel twintigmaal in den weg, hij ontvlood mij echter altijd, als ware ik eene melaatsche. Ik begon van verdriet te verkwijnen; ten laatste wierp eene koorts mij op het ziekbed neder. De artsen zeiden, dat het met mij gedaan was. Toen zond ik hem een brief, waarin niets anders stond dan deze woorden: ‚De stervende Beki wil Assa nog eenmaal zien,’ en in den papyrus legde ik zijn eerste geschenk, een eenvoudigen ring. En wat was het antwoord?.... Een hand vol goud. — Dat goud, ja dat goud, geloof mij, dat heeft, toen ik het zag, mijne oogen meer zeer gedaan, dan het gloeiend staal, hetwelk men misdadigers in de oogholte stoot, om ze blind te maken! Heden nog wanneer ik aan die ure denk, dan....

»Maar wat weet gij mannen, gij voorname heeren, van hetgeen een hart kan lijden. Wanneer twee of drie van u bij elkander zitten, en gij vertelt deze geschiedenis, dan zal zelfs de waardigste met eene deftige stem zeggen: ‚Voorwaar, die man heeft braaf gehandeld. Hij was getrouwd en zou door zijne vrouw met booze woorden zijn bejegend, wanneer hij tot de zangeres was gegaan’. — Heb ik gelijk of ongelijk? Ja, ik weet het wel, geen hunner zal denken, dat andere schepsel had toch ook menschelijk gevoel, was toch ook eene vrouw; geen hunner zal zeggen, dat zijne handelwijze dáar, in zijn huis, eene booze ure heeft voorkomen, maar hier eene halve eeuw van vertwijfeling heeft doen aanbreken! Assa heeft zich gevrijwaard voor de booze woorden van zijne vrouw, maar daarvoor zijn duizende vloeken over hem en zijn huis uitgesproken. Hoe deugdzaam meende hij zich te gedragen, toen hij een hart dat hem zoo genegen was, dat niet anders had misdreven dan hem lief te hebben, zoo diep wondde, en voor altijd vergiftigde! Ja, en hij zou toch zeker gekomen zijn, wanneer hij niet nog iets voor mij gevoeld had, wanneer hij zichzelven niet had gewantrouwd, niet hadgevreesd, dat de stervende, de oude, kunstmatig gedoofde vlam nog eens weder tot nieuwen gloed zou kunnen aanblazen. Ware hij gekomen, ik zou hem beklaagd hebben, maar dat hij mij goud zond, dat goud.... zie, dat heb ik hem nooit vergeven, dat boet hij thans aan zijn kleinkind.”

De oude vrouw had de laatste woorden gesproken, als droomde zij, zonder acht te geven op den man, die naar haar zat te luisteren. Ani gevoelde eene huivering, als ware hij tegenover eene waanzinnige gezeten, en onwillekeurig schoof hij zijn stoel achteruit.

De heks merkte het op. Na een oogenblik rust ging zij voort: »Gij heeren, die op de hoogten wandelt, weet niet hoe het er in de afgronden en diepten uitziet, en gij wilt het ook niet weten. Laat mij kort zijn! Ik genas, maar vermagerd en zonder mijne welluidende stem, stond ik van het ziekbed op. Goud had ik genoeg, en daarvoor kocht ik bij alle lieden, die zich in Thebe met magische kunsten inlieten, eerst middelen om Assa opnieuw in liefde voor mij te doen ontvlammen; daarna liet ik bezweringen uitspreken en toovermiddelen gereed maken, om hem in het verderf te storten. Ik trachtte ook mijne stem terug te krijgen, maar de dranken die ik daarvoor gebruikte, maakten mijn geluid eer rauwer dan zachter. Een uitgeworpen priester, de beroemdste onder de magiërs, nam mij in zijn huis op, en van hem heb ik veel geleerd. Toen zijne voormalige standgenooten aan de overzijde hem vervolgden, trok hij zich hier in de Nekropolis terug en ik vergezelde hem. Toen zij hem gevangen namen en ophingen, bleef ik in zijn hol en werd zelve eene heks. De kinderen wijzen mij met den vinger na; eerlijke mannen en vrouwen gaan voor mij uit den weg. De menschen zijn mij een gruwel en ik veracht mij zelve. Van dit alles is maar éen de schuld, de eerwaardigste burger van Thebe, de vrome Assa!

»Gedurende vele jaren had ik mij met tooverij bezig gehouden, en ik was ervaren geworden in allerlei kunsten. Toen bracht mij op zekeren dag de hovenier Sent, van wien ik sedert lang planten kocht voor mijne dranken — hij had een stuk grond van het Seti-huis gepacht — een pasgeboren kind, dat met zes teenen ter wereld gekomen was. Hij verlangde, dat ik het overtollige lid door mijne kunst zou wegnemen. De vrome moeder van den kleine lag in de koorts, zij zou het anders nooit hebben toegestaan. Ik hield het schreeuwertje bij mij, want zoo iets laat zich wel genezen. Den volgenden morgen, kort vóor zonsopgang, hoorde ik beweging voor mijn hol. De dienstmaagd van eene aanzienlijke familie kwam mij roepen. Hare meesteres, zeide de maagd, had zich met haar naar het graf van haren vader begeven,en was daar van een zoon bevallen. Hare meesteres lag bewusteloos, ik moest dadelijk mede om hulp te verleenen. Ik nam terstond het zesteenig knaapje in mijn mantel, beval mijne slavin mij water na te dragen, en stond weldra — waar? Dat kunt gij wel raden. Ik stond voor het graf van Assa’s vader. De moeder, die daar stuiptrekkend nederlag, was zijne schoondochter, vrouwe Setchem. Het jongske, waaraan zij het levenslicht had geschonken, was volmaakt gezond, maar zij zelve verkeerde in zeer groot gevaar. Ik zond de dienstmaagd met den draagstoel, die buiten stond te wachten, naar het Seti-huis om hulp te ontbieden. Het meisje zeide mij, dat haar meester, de vader van het kind, de Mohar in het leger te velde was. Maar de grootvader van het knaapje, de eerwaardige Assa, had vrouwe Setchem beloofd haar in dit graf te ontmoeten, en zou dus weldra komen. Zij ging heen met den draagstoel. Ik wiesch het kind en kuste het, alsof het mijn eigen was. Daar hoorde ik in de verte voetstappen in het dal. De ure, waarin ik doodziek het goud van Assa ontving en waarin ik hem vloekte, stond mij weder levendig voor den geest. Opeens — nog weet ik zelve niet hoe het zoo in mij opkwam — gaf ik mijne slavin den pasgeboren kleinzoon van Assa in den arm, en beval haar het kind in mijn hol te brengen; het zesteenig knaapje legde ik, in mijne lompen gehuld, in mijn schoot. Terwijl ik daar zoo met dit kind zat te wachten tot Assa kwam, schenen de minuten mij uren toe. Toen hij eindelijk voor mij stond, wel-is-waar vergrijsd, maar nog altijd statig en ongebogen, legde ikzelve den tuinmansjongen den zesteenigen in zijn arm, en duizend demonen lachten daarbij vroolijk in mijn hart. Hij herkende mij niet, zeide mij dank en gaf mij wederom een hand vol goud. Ik nam het aan, en hoorde hoe de priesters, die inmiddels uit het Seti-huis gekomen waren, aan het kind, dat in zulk eene gelukkige ure geboren was, veel schoons voorspelden. Daarna ging ik naar mijn hol terug, en heb daar verder gelachen, tot de tranen mij langs de wangen liepen. Ik weet echter niet, of dit van het lachen kwam. Na verloop van eenige dagen gaf ik den hovenier het kleinkind van Assa, zeggende, dat de zesde teen geheel was weggenomen. Ik had den kleine een lichte insnijding aan het voetje gegeven, om den domkop nog eerder te doen gelooven. Zoo werd Assa’s kleinzoon, de zoon van den Mohar, als het kind van den hovenier grootgebracht. Het ontving den naam van Pentaoer, werd in het Seti-huis opgevoed, en geleek volmaakt op Assa. Het zesteenig kind van den hovenier is niemand anders dan de gids Paäker. Ziedaar het geheim.”

Ani had de schrikkelijke mededeelingen van de tooveres aangehoord, zonder een woord te spreken. Men gevoelt zich onwillekeurigaan ieder verplicht, die ons iets weet te berichten, dat boeit en wel waard is medegedeeld te worden. Het kwam niet bij hem op de euveldaad van de oude te straffen, veeleer dacht hij aan de verrukking, waarmede zijne oudere vrienden van de liederen en de schoonheid van de zangeres Beki konden vertellen. Hij zag de heks aan, en wederom liep er eene koude rilling over zijne leden. Ten laatste zeide hij: »Gij zult in vrede wonen, en als gij sterft, zal ik voor uw balseming zorg dragen. Maar laat nu die tooverkunsten varen. Gij moet rijk zijn, en zijt gij het niet, zeg maar wat gij behoeft. Waarlijk, ik durf het nauwelijks wagen u goud aan te bieden, want dat wekt uw haat, zoo ik hoorde.”

»Het uwe kan ik gebruiken. Maar laat mij nu gaan!”

Zij stond van den grond op en ging naar de deur. De stadhouder verzocht haar echter nog te blijven, en vroeg: »Is Assa de vader van uw zoon, den kleinen Nemoe, den dwerg van vrouwe Katoeti?”

De heks barstte uit in lachen en zeide: »Lijkt dan die dreumes in iets den grooten Assa of de schoone Beki? Ik heb hem opgeraapt, zooals vele andere kinderen.”

»Maar hij is slim,” zeide Ani.

»Dat is hij! Hij steekt vol plannen, en is met hart en ziel aan zijne meesteres Katoeti gehecht. Hij zal u helpen uw doel te bereiken, want hij zelf heeft er ook een.”

»En dat is?”

»Dat Katoeti groot moge worden door u en rijk door Paäker, die morgen optrekt, om de vrouw, die hij voor zich begeert, tot weduwe te maken.”

»Gij weet veel,” zeide Ani nadenkend. »Eén ding zou ik nog willen vragen, ofschoon ik, na uw verhaal, mij zelven het antwoord wel geven kan. Maar misschien hebt gij thans geleerd, wat u in uw jeugd verborgen was. Zijn er werkelijk liefdedranken?”

»Ik wil u niet bedriegen, omdat ik niet wenschen kan, dat ge aan mij uw woord zult breken,” antwoordde Hekt. »Een liefdedrank werkt maar zelden, en dan altijd bij zulke vrouwen, die nog niet lief hebben. Geeft gij de artsenij aan eene vrouw, wier gemoed vervuld is met het beeld van een ander man, dan verhoogt gij slechts den hartstocht voor den eersten geliefde.”

»Dan nog iets anders,” vroeg Ani. »Zijn er middelen om een vijand uit de verte in het verderf te storten?”

»Ongetwijfeld!” zeide Hekt. »Geringe lieden kunnen gemakkelijker lasteren, en de groote zijn altijd bij machte anderen te laten uitvoeren, wat zij zelve niet kunnen doen. Mijn verhaal heeft uw gal maar weinig geprikkeld; toch komt hetmij voor, dat gij den dichter Pentaoer niet genegen zijt. — Gij glimlacht! Nu, goed. Ik heb hem niet uit het oog verloren, en weet dat hij zoo schoon en zoo trotsch is geworden als Assa. Hij gelijkt hem ook sprekend, en ik zou wel lust hebben hem te beminnen, zooals dit dwaze hart nog alleen lief hebben kan. Het is toch wonderlijk! Bij vele vrouwen die tot mij komen, merk ik op, dat zij gehecht zijn aan de kinderen der mannen, die hunne trouwbelofte hebben gebroken, en wij vrouwen gelijken allen in de meeste dingen op elkander. Doch ik wil Assa’s kleinzoon niet liefhebben, ik mag niet. Ik wil hem benadeelen en ieder helpen die hem vervolgt, want Assa is wel dood, maar dat wat hij mij heeft aangedaan blijft in mij leven, zoolang ik leef. Er kome over Pentaoer wat wil! Staat gij hem naar het leven, treed dan met Nemoe in overleg, die hem ook niet genegen is, en u beter zal dienen dan mijne nietige bezweringen en het onzinnig brouwsel van mijne dranken. Laat mij nu naar huis gaan.”

Weinige uren later noodigde Ameni den stadhouder aan het ontbijt.

»Weet gij, wie die tooveres Hekt is?” vroeg Ani.

»Hoe zou ik dat niet weten? Zij is de zangeres Beki, die vroeger in Thebe ieders hoofd op hol bracht. — Mag ik weten wat zij u verteld heeft?”

Ani begreep het geheim van Pentaoer’s geboorte voor den opperpriester geheim te moeten houden, en gaf een ontwijkend antwoord. Toen vroeg Ameni hem vergunning om iets mede te deelen, waarbij de oude hare handen in het spel had gehad. Hij vertelde den stadhouder daarop, hoewel met eenige weglatingen en veranderingen, als iets wat hem sedert lang bekend was, de geschiedenis, die hij weinige uren geleden had afgeluisterd.

De stadhouder toonde zich niet weinig verrast en was het met den opperpriester eens, toen deze hem verzocht Paäker nog niet op de hoogte te brengen van zijn ware afkomst.

»Hij is een man van een zonderling karakter,” zeide Ameni, »en het zou kunnen zijn, dat hij ons leelijk in de wielen reed, als hij, vóor hij het zijne heeft gedaan, te weten kwam, wie hij eigenlijk is.”

De storm was gaan liggen, en de hemel, nog vroeg in den morgen bedekt met vaneengescheurde wolken, die met eenesnelle vaart werden voortgedreven, werd steeds helderder. Op den heeten wind volgde eene scherpe koelte, doch weldra verhitte de gloeiende zon weder de lucht van Thebe. In de tuinen en op de straten lag menige ontwortelde boom. Vele luchtig opgeslagen hutten en de meeste tenten in het vreemden-kwartier waren omvergewaaid, terwijl honderde lichte daken van palmtakken door den wind waren medegesleurd. De stadhouder reed thans met Ameni, die zich met eigen oogen wilde overtuigen van de verwoestingen, die de storm in zijne tuinen had aangericht, naar Thebe. Op den Nijl ontmoetten zij Paäker’s boot. Zij riepen dien aan, en Ani noodigde den gids hem spoedig in zijn paleis een bezoek te brengen.

De tuinen van den opperpriester behoefden in grootte en schoonen aanleg niet onder te doen voor die van den Mohar. Het erf, dat sedert onheuglijke tijden aan zijn geslacht behoorde, was zeer uitgestrekt, en zijn prachtig huis geleek wel een paleis. Hij zette zich nu onder het schaduwrijk priëel om met zijne schoone vrouw en zijn jonge lieftallige dochtertjes aan het ontbijt deel te nemen. Op vriendelijken toon troostte hij zijne gemalin over menige kleine schade, die het onweder had aangericht, beloofde de meisjes in plaats van de omgewaaide duiventil eene veel fraaiere te laten maken, speelde en schertste met haar. De strenge bestuurder van het Seti-huis, het ernstige opperhoofd van de Nekropolis, was hier een gewoon mensch, een hartelijke echtgenoot, een teedere vader, een zorgzaam vriend voor zijne lievelingen: de bloemen en bontgevederde vogels.

Het jongste dochtertje hing aan zijn rechterarm en het oudste aan zijn linker, toen hij van de tafel opstond om met haar een bezoek te brengen aan den hoenderhof. Doch op weg daarheen, kwam een dienaar vrouwe Setchem, de moeder van Paäker, bij hem aanmelden.

»Breng haar bij mijne vrouw,” beval hij.

Toen echter de slaaf, die een rijk geschenk in geld in de hand hield, verzekerde, dat de weduwe van den Mohar hem alleen wenschte te spreken, zeide hij onwillig: »Kan ik dan nooit als andere menschen rust genieten? De meesteres moet haar ontvangen, zij kan bij haar op mij wachten. Niet waar, meisjes, thans behoor ik aan u, en aan de hoenders, de eenden en de duiven!”

Zijne jongste dochter kuste en de oudste liefkoosde hem hartelijk, en vroolijk voerden zij hem met zich mede.

Een uur later noodigde hij vrouwe Setchem uit hem in den tuin te volgen. De diep bedroefde en beangstigde moeder had noode tot dezen gang besloten. Haar goedige oogen zwommen in tranen, toen zij den opperpriester mededeelde wat haar drukte.»Gij zijt de raadsman van zijn geweten,” zeide zij, »en gij weet ook, hoe mijn zoon de goden van het Seti-huis eert door geschenken en offers. Naar zijne moeder wil hij niet meer luisteren, maar gij bezit nog macht over zijn gemoed. Schrikkelijke dingen voert hij in ’t schild, en wanneer gij hem geen vrees aanjaagt met de straf der hemelsche goden, dan heft hij zijne hand op tegen Mena, en mogelijk, mogelijk ook....”

»Tegen den koning,” zeide Ameni ernstig. »Ik weet het, en zal met hem spreken.”

»Neem mijn dank aan,” riep de weduwe, diep geroerd, en greep naar het gewaad van den priester om het te kussen. »Gij waart het toch zelf, die na zijne geboorte mijn echtgenoot hebt aangekondigd, dat hij onder een gelukkig teeken geboren was, en dat hij tot eer van zijn huis en tot sieraad van zijn geslacht zou opwassen. En nu wil hij zich rampzalig maken voor dit leven en het toekomende!”

»Wat ik uw zoon heb aangekondigd,” viel Ameni haar in de rede, »dat zal geschieden, al voeren de goden en menschen hem ook langs allerlei kronkelpaden.”

»Hoe doen die woorden mij goed!” riep Setchem. »O, als gij wist welk een vreeselijke angst dit hart beklemde, toen ik besloot tot u te gaan! Maar gij weet ook nog niet alles. De trotsche masten van cederhout, die Paäker uit Syrië van den verren Libanon naar Egypte zond, om de vanen te dragen en de hooge poort van ons huis te sieren, heeft de geweldige storm tegen zonsopgang ter aarde gesmeten.”

»Zoo zal de trots van uw zoon gebroken worden,” zeide Ameni. »Maar voor u zal, wanneer gij slechts geduldig wacht, een nieuw tijdperk van vreugde geboren worden.”

»Nogmaals zeg ik uw dank,” hernam Setchem. »Maar ik heb nog iets op ’t hart. Ik weet wel hoe gierig gij zijt op de uren, die gij schenkt aan uw gezin. Ik herinner mij zeer goed, hoe gij eens aan mijn echtgenoot zeidet, dat gij u hier in Thebe gevoeldet als een vrachtpaard, dat men het zware tuig heeft afgenomen, en zich mag vermeien in de groene weide. Ik wil u ook niet langer meer ophouden, maar de goden zonden mij ook zulk een vreemd droomgezicht. — Paäker had naar mijn moederlijken raad niet geluisterd. Vol kommer ging ik naar mijne vertrekken terug. De zon stond reeds aan den hemel, toen eene sluimering van eenige oogenblikken mijne oogleden sloot. Toen zag ik den feestredenaar Pentaoer, die zoo zonderling gelijkt op mijn gestorven echtgenoot in gedaante en stem. Paäker trad hem tegen, hij schold hem vreeselijk en ging hem met vuisten te lijf. De priester hief zijne armen op, als om te bidden, juist zooals ik het gisteren op het feestterrein heb gezien. Doch het was nietom de goden te prijzen, maar om mijn zoon te omvatten en met hem te worstelen. De worsteling duurde maar kort, want Paäker kromp ineen, en verloor zijne menschelijke gedaante. Het was niet mijn kind, dat aan de voeten des dichters neerviel, maar een groot vochtig stuk klei, gelijk de pottebakkers gebruiken, om er vazen uit te vormen.”

»Een vreemde droom!” sprak Ameni, niet zonder ontroering. »Een vreemde droom! Maar hij verkondigt u goede dingen. De klei, vrouwe Setchem, laat zich kneden. Let daarom wel op hetgeen de goden u aankondigen. De hemelsche goden willen een nieuwen, een beteren zoon, uit den ouden voor u doen geboren worden. Langs welke wegen dit geschieden zal, is mij nog verborgen. Ga nu heen en offer, en vertrouw op de wijze raadsbesluiten van hen, die het leven der wereld en der stervelingen besturen. Nog een anderen raad moet ik u geven. Als Paäker soms berouwvol tot u komt, ontvang hem dan liefderijk en deel het mij mede. Maar blijft hij halsstarrig weigeren zijn wil te buigen, sluit dan uwe vertrekken voor hem, en laat hem zonder afscheid heengaan.”

Toen Setchem zich met een verlicht hart verwijderd had, prevelde Ameni: »Zij zal eene schoone vergoeding ontvangen, voor dien ruwen kerel; zij moet ons echter het wapen, waarmede wij onzen slag willen slaan, niet week maken. Dikwijls heb ik er aan getwijfeld, of droomen wel in staat waren ons de toekomst te voorspellen, maar heden gevoel ik mijn geloof versterkt. Inderdaad, een moederhart ziet meer dan dat van andere menschen.”

Toen Setchem terugkeerde, ontmoette zij bij de poorten van het paleis den wagen van haar zoon. Beiden merkten elkander op, maar keerden het hoofd om; zij konden elkander niet hartelijk en wilden elkander niet vormelijk groeten. Eerst toen de paarden de draagstoeldragers voorbij waren gerend, zag de moeder op naar den zoon, en de zoon om naar zijne moeder. Hunne blikken ontmoetten elkander en beiden gevoelden als een dolksteek in het hart. Aan den avond van denzelfden dag vertrok de gids naar Syrië, nadat hij met den stadhouder gesproken, in het Seti-huis Ameni’s zegen over al zijne ondernemingen ontvangen, en in het graf zijns vaders geofferd had. Juist toen hij den wagen wilde bestijgen, werd hem bericht dat de mattenvlechter, die de mastboomen vóor zijne poort had doorgezaagd, gevangen was.

»Laat hem de oogen uitsteken!” Dit waren de laatste woorden, die hij op zijn erfgoed sprak.

Setchem zag hem lang achterna. Zij had hem een afscheidsgroet geweigerd en bad nu de goden zijn hart te veranderen, en hem te behoeden voor gevaren en booze daden.


Back to IndexNext