ELFDE HOOFDSTUK.

220)De godin der waarheid.221)Over de vestinglinie, die Egypte moest verdedigen tegen de invallen der Aziaten, is breedvoerig gehandeld in mijn boek:Aegypten und die Bücher Mose. Bd. II, s, 78 ff.222)De Ibis religiosa, thans uit Egypte verdwenen. Er waren twee soorten van dit aan Toth geheiligde dier, waarvan men op vele plaatsen mummiën heeft gevonden. Volgens Aelianus toonde men in Hermopolis een onsterfelijken Ibis. „De Ibis,” zegt Plutarchus (Isis en Osiris c. 75) „verdelgt de giftige kruipende dieren, en heeft het eerst getoond, hoe men door middel van inwendige reiniging kranken kan genezen, daar men zag dat hij door inspuiting (met den snavel) zichzelf reinigde. De meest nauwgezette onder de priesters, scheppen het reinigend wijwater daarwaar de Ibis gedronken heeft, want hij drinkt nooit ongezond of vergiftigd water, noch zoekt daarin zijn voedsel” enz.223)Zie Dl. I, bl.145.

220)De godin der waarheid.

220)De godin der waarheid.

221)Over de vestinglinie, die Egypte moest verdedigen tegen de invallen der Aziaten, is breedvoerig gehandeld in mijn boek:Aegypten und die Bücher Mose. Bd. II, s, 78 ff.

221)Over de vestinglinie, die Egypte moest verdedigen tegen de invallen der Aziaten, is breedvoerig gehandeld in mijn boek:Aegypten und die Bücher Mose. Bd. II, s, 78 ff.

222)De Ibis religiosa, thans uit Egypte verdwenen. Er waren twee soorten van dit aan Toth geheiligde dier, waarvan men op vele plaatsen mummiën heeft gevonden. Volgens Aelianus toonde men in Hermopolis een onsterfelijken Ibis. „De Ibis,” zegt Plutarchus (Isis en Osiris c. 75) „verdelgt de giftige kruipende dieren, en heeft het eerst getoond, hoe men door middel van inwendige reiniging kranken kan genezen, daar men zag dat hij door inspuiting (met den snavel) zichzelf reinigde. De meest nauwgezette onder de priesters, scheppen het reinigend wijwater daarwaar de Ibis gedronken heeft, want hij drinkt nooit ongezond of vergiftigd water, noch zoekt daarin zijn voedsel” enz.

222)De Ibis religiosa, thans uit Egypte verdwenen. Er waren twee soorten van dit aan Toth geheiligde dier, waarvan men op vele plaatsen mummiën heeft gevonden. Volgens Aelianus toonde men in Hermopolis een onsterfelijken Ibis. „De Ibis,” zegt Plutarchus (Isis en Osiris c. 75) „verdelgt de giftige kruipende dieren, en heeft het eerst getoond, hoe men door middel van inwendige reiniging kranken kan genezen, daar men zag dat hij door inspuiting (met den snavel) zichzelf reinigde. De meest nauwgezette onder de priesters, scheppen het reinigend wijwater daarwaar de Ibis gedronken heeft, want hij drinkt nooit ongezond of vergiftigd water, noch zoekt daarin zijn voedsel” enz.

223)Zie Dl. I, bl.145.

223)Zie Dl. I, bl.145.

Tegelijk met den bakker lieten honderde lieden, ondanks het vergevorderde uur, zich naar de Nekropolis overzetten. Het was hun geoorloofd daar, onder het oog der veiligheidsbeambten, in den nacht, die aan het feest voorafging, te vertoeven. Zij toch moesten de tafels voor hunne handelsartikelen en de schutdaken daarboven in gereedheid brengen, hunne waren uitstallen en hunne tenten opslaan. Want zoodra de zon zich den volgenden morgen zou vertoonen, was alle handelsverkeer op den heiligen stroom verboden, en mochten slechts feestbarken en zulke booten van Thebe afvaren, die de bedevaartgangers voor de groote processie, mannen, vrouwen en kinderen, burgers en vreemdelingen naar gindschen oever hadden over te voeren.

In de zalen en laboratoriën van het Seti-huis was insgelijks meer drukte dan gewoonlijk. De heiligverklaring van het wonderhart had de toebereidselen tot het feest voor korten tijd afgebroken. Thans werden weder hier de koren geoefend, daar de repetitie gehouden van de vertooning, die op het heilige meer224)zou worden uitgevoerd, ginds de godenbeelden afgestoft en bekleed225), en de kleuren der heilige emblemen verfrischt.Sommigen waren bezig met de pantherhuiden en verdere kleedingstukken van het priesterlijk ornaat te luchten en in orde te brengen, anderen poetsten de schepters, wierookpannen en overige koperen gereedschappen, nog anderen tooiden de feestbark op226), die bij de processie moest worden rondgedragen. De jongere kweekelingen vlochten, onder toezicht van de tempelhoveniers, in het heilige bosch van het Seti-huis guirlanden en kransen, om de landingsplaats, de sphinxen, den tempel en de godenbeelden te versieren. Aan de met koper beslagene masten227)vóor de pylonen werden de vanen geheschen, en purperkleurige zeilen gespannen over het midden van het groote voorhof, om straks de brandende zonnestralen te weren.

Richtte men den blik naar eene der nevenpoorten, dan kon men den opzichter der offergaven opmerken, die reeds nu het vee, het koren en de vruchten in ontvangst nam. Dit was de schatting, die op het feest van het dal, door burgers uit alle deelen des lands aan het Seti-huis werd gebracht. Schrijvers die alles wat werd afgeleverd aanteekenden, Neokoren die de gaven aannamen, en lijfeigenen, die voor den landbouw werden gebruikt, stonden den priester bij dit werk ter zijde.

Ameni was nu eens bij de zangers, dan weder bij de wonderdoeners, die voor het volk verrassende gedaanteverwisselingen moesten vertoonen. Pas had hij zijne bevelen gegeven aan de Neokoren, die den troon en de zetels voor den stadhouder, de gezanten van de andere priestercollegiën des lands228)en de profeten van Thebe opsloegen, of hij begaf zich weder naar de priesters, die de reukwerken in orde brachten, en naar de dienaars, die de duizende lampen voor den feestnacht gereed maakten en ophingen. Kortom, hij was overal, hier een woord van goedkeuring sprekende, daar de tragen wat aanzettende. Toen hij overtuigd was dat alles goed ging, beval hij een der heilige vaders Pentaoer te roepen.

De jonge priester had zich, na afscheid genomen te hebben van Rameri, den uit het Seti-huis verbannen zoon van Ramses, met zijn vriend Nebsecht in diens studeerkamer teruggetrokken. De arts liep onrustig tusschen zijne flesschen en kooien op en neer. In koortsachtige spanning nu eens een bundel planten met den voet wegschoppende, dan weder met zijn vuist op de tafel slaande, vertelde hij Pentaoer, terwijl zijne anders stijve ledematenin heftige beweging waren, in welk een toestand hij zijn studeervertrek bij zijne terugkomst had gevonden. Zijne lievelingsvogels waren verhongerd; zijne slangen hadden zich weten vrij te maken; ook zijn aap was, misschien wel uit angst voor de gevaarlijke dieren, losgebroken.

»Dat beest, dat monster!” riep hij toornig, »heeft de potten met kevers omgeworpen, de kist met het meel, dat ik mijne vogels en wormen te eten geef, opengemaakt en zich daarin rondgewenteld. Het heeft mijne messen, naalden, tangen, mijne stiften, cirkels en rietpennen het venster uitgeworpen. Toen ik de kamer inkwam, zat hij zoo wit als een Ethiopische slaaf die dag en nacht den molen draait, daarboven op de kast. Hij hield de rol, die mijne aanteekeningen bevat over den bouw van het dierlijk lichaam, de resultaten van jarenlange studiën, in zijne voorpooten, en zat er met zijn scheeven kop ernstig in te kijken. Ik wil hem het geschrift afnemen, ja wel: hij springt met de rol het venster uit, zet zich neer op den rand van den put, plukt en bijt daar woedend den papyrus in flarden. Ik spring hem na, maar hij kruipt in den emmer, trekt aan den ketting, en laat zich, terwijl hij mij spottend aangrijnst, in den put naar beneden. Ik trek hem naar boven, maar hij springt met de rest van mijn geschrift er weer in.”

»Is het arme beest verdronken?” vroeg Pentaoer.

»Ik heb hem met den emmer er weer uitgevischt en in de zon te drogen gelegd. Maar het hielp niet; hij had ook allerlei artsenijen gedronken en is heden middag gestorven. Mijne aanteekeningen zijn ook verloren. Veel heb ik nog overgehouden, maar over het geheel kan ik toch weer van voren aan beginnen. Gij ziet het, de apen hebben het zoowel als de wijzen op mijne studiën voorzien. Daar in de lade ligt het beest!”

Pentaoer had bij het verhaal van zijn vriend eerst gelachen, en toen zijn verlies betreurd. Thans vroeg hij met eenige bezorgdheid: »Ligt het dier dáar? Gij vergeet toch niet, dat het in den tempel van Toth bij de boekerij verpleegd moest worden? Het behoorde tot de heilige soort van hondskop-apen229)en alle goede kenteekenen werden er aan gevonden. De bibliothecaris heeft het u toevertrouwd om zijn ziek oog te genezen.”

»Nu, dat is weer gezond geworden,” antwoordde Nebsecht losweg.

»Maar zij zullen het lijk ongeschonden van u verlangen, om het te balsemen,” hernam Pentaoer.

»Zullen zij?” prevelde Nebsecht, en hij zag daarbij zijn vriend aan als een knaap, van wien men een appel terugvraagt, dien hij sedert lang heeft opgegeten.

»Ge hebt zeker weer wat heel fraais uitgevoerd!” riep Pentaoer, met een vriendelijke bedreiging.

De arts knikte en zeide: »Ik heb het beest geopend en zijn hart onderzocht.”

»Gij zijt toch op harten verzot, als waart gij een behaagziek meisje!” riep de dichter. »Wat is er toch van het menschenhart geworden, dat de oude Paraschiet u zou bezorgen?”

Nebsecht vertelde nu zonder terughouding, wat Warda’s grootvader voor hem had gedaan; dat hij het hart van een mensch had onderzocht maar daarin niets gevonden, wat ook niet in het hart van een dier te vinden was. »Maar ik moet het zien werken in samenhang met de overige organen van een mensch,” riep hij opgewekt, »en mijn besluit staat vast. Ik verlaat het Seti-huis, en zal de Kolchyten vragen mij in hun gild op te nemen. Als het niet anders zijn kan, verricht ik aanvankelijk den dienst der laagste Paraschieten.”

Pentaoer deed den arts opmerken, welk een slechten ruil hij zou doen, en zeide eindelijk, toen Nebsecht hem met vuur tegensprak: »Dat opensnijden van harten keur ik af. Gij zelf zegt dat gij er niets door geleerd hebt. Keurt gij het goed, schoon, of ook maar nuttig op zichzelf?”

»Wat geef ik er om,” antwoordde Nebsecht, »of dat wat ik onderzoek goed of slecht, schoon of leelijk, nuttig of ijdel schijnt. Ik wil weten hoe het is, verder niets!”

»Alzoo uit bloote nieuwsgierigheid,” riep Pentaoer, »wilt gij de zaligheid van duizenden in gevaar brengen, het ellendigste handwerk bij de hand nemen, en deze edele werkplaats verlaten, waar wij streven naar verlichting, naar inwendige loutering en waarheid!”

De natuuronderzoeker kon een spottend lachje niet bedwingen.

Maar nu zwollen ook van verontwaardiging de aderen op het voorhoofd van Pentaoer, en dreigend klonk zijn stem, toen hij, vroeg: »Gelooft gij waarlijk, dat uwe vingers en oogen de waarheid hebben gevonden, waarnaar edele geesten sedert duizende jaren zoeken, met inspanning van al hunne krachten? Met uw onverstandig wroeten in het stof daalt gij af tot den zinnelijken mensch, en hoe zekerder gij meent de waarheid gegrepen te hebben, des te meer zijt gij het schandelijk slachtoffer van uwe ellendige dwaling!”

»Zoudt gij denken dat, indien ik meende werkelijk de waarheid te bezitten, ik nog naar haar zoeken zou?” vroeg Nebsecht. »Hoe rijker ik word in ervaring en in wetenschap, des te dieper gevoel ik, wat er aan ons kunnen en weten ontbreekt.”

»Dat klinkt zeer bescheiden,” hernam de dichter, »doch ik weet maar al te wel, hoe uw onderzoek u er toe brengt, de waarde er van te overschatten. Alles wat gij met uwe oogen zien en met uwe vingers tasten kunt, schijnt u boven allen twijfel verheven, en met een voornaam glimlachje noemt gij in uw hart alles onwaar, wat met uwe ervaring in strijd is. Maar uwe ervaringen reiken niet verder dan de zinnelijke wereld, en gij vergeet dat er dingen zijn, die tot een ander gebied behooren.”

»Van deze dingen draag ik geen kennis,” antwoordde Nebsecht bedaard.

»Wij ingewijden,” vervolgde de dichter, »schenken ook daaraan onze opmerkzaamheid. Voor eeuwen zijn er onder ons volk reeds vermoedens uitgesproken over hun wezen en hunne werkzaamheid; ontelbare geslachten hebben die vermoedens getoetst, goedgekeurd, en ze ons als geloofsartikelen nagelaten. Al ons weten is gebrekkig: toch vermogen bevoorrechte profeten een blik in de toekomst te slaan; toch worden aan vele stervelingen magische krachten verleend. Dat is echter in strijd met de wetten van de stoffelijke wereld, die gij alleen wilt erkennen, en laat zich nochtans zoo gemakkelijk verklaren, wanneer wij eene hoogere orde van zaken aannemen. Gods geest leeft zoowel in ons als in de natuur. De zinnelijke mensch kan het niet verder brengen dan tot het alledaagsche weten, maar bij de profeten werkt de goddelijke eigenschap van het weten onvermengd; zij bezitten de alwetendheid. De wonderdoener heeft bij de uitvoering van zijne bovennatuurlijke werken niet alleen over menschelijke krachten te beschikken, maar ook over de geheel onbeperkte goddelijke kracht, dat is de almacht.”

»Loop heen met uwe profeten en wonderen!” riep de arts.

»Ik dacht,” antwoordde Pentaoer, »dat toch ook de orde in de natuur, die gij niet loochent, u dagelijks de heerlijkste wonderen doet aanschouwen. Ja, de Eenige wijkt van tijd tot tijd opzettelijk van de gewone orde der dingen af, ten einde dat deel van zijn wezen, hetwelk wij onze ziel noemen, op het verheven geheel te richten, waartoe zij behoort. Heden weder hebt gij gezien, hoe het hart van den heiligen ram....”

»Maar man!” viel Nebsecht zijn vriend opeens in de rede. »Het heilige hart is niet anders dan het armzalige hart van een hamel, dat een beschonken soldaat voor eene kleine som heeft gekocht van een vetweider, en dat bij eene onreine op het erf geslacht is. Een gevloekte Paraschiet stak het in de borst van Roeïen...en.” Bij deze woorden trok hij de lade open, wierp den dooden aap en eenige kleedingstukken op den grond, en haalde eindelijk een albasten schaaltje te voorschijn, dat hij den dichter voorhield — »en de spieren in deze zoutoplossing, dat orgaan hier, heeft eens in de borst van den profeet Roeï geklopt. Mijn hamelhart zullen zij morgen in processie ronddragen! — Ik zou het u wel dadelijk verteld hebben, indien ik mijzelven niet het stilzwijgen had opgelegd, terwille van dien ouden man, en dan... Maar man! man, wat scheelt er aan?”

Pentaoer had zich van zijn vriend afgewend, bedekte zijn aangezicht met beide handen, en steunde, als ware hij overvallen door hevige hoofdpijn.

Nebsecht begon te begrijpen, wat er in den dichter omging. Hij naderde hem als een kind, hetwelk zijne moeder iets wil afsmeeken, dat het eigenlijk niet vragen mag. Aarzelend bleef hij achter hem staan, en waagde het niet hem aan te spreken. Zoo verliepen er eenige oogenblikken.

Plotseling verhief Pentaoer zich in zijn volle lengte, strekte de handen hemelwaarts en riep: »Gij Eenige, al laat gij in den zomernacht ook sterren van den hemel vallen, zoo houdt toch uwe eeuwige onveranderlijke wet, in schoone harmonie, de nimmer rustenden230)in hunne banen. Gij heldere geest, die de wereld vervult, die u in mij openbaart als ik een afschuw gevoel van de leugen, werk in mij voort, wanneer ik denk als Licht, wanneer ik handel als Goedheid, wanneer ik spreek als Waarheid, — ja steeds als Waarheid!”

De dichter ontboezemde deze woorden uit innige overtuiging. Nebsecht hoorde ze aan, als waren het de toonen uit een verre schoone wereld. Liefderijk naderde hij den vriend en bood hem de hand. Pentaoer greep haar aan, drukte haar stevig en zeide: »Dat was een bange worsteling! Gij weet niet wat Ameni voor mij geweest is, en nu, nu....”

Hij had nog niet uitgesproken, toen voetstappen werden gehoord, die de kamer van den arts naderden. Een jong priester kwam de vrienden roepen, om terstond te verschijnen in de vergaderzaal der ingewijden. Een oogenblik later betraden beiden de door lampen helder verlichte zaal, waar de zitting werd gehouden. Geen van de leidslieden uit het Seti-huis ontbrak. Ameni zat aan eene langwerpige tafel op een hoogen troon. Aan zijne rechterhand had Gagaboe, de tweede, aan zijne linker- de derde profeet des tempels plaats genomen. De hoofden der afzonderlijke priesterklassen, en onder hen de eerste der Horoscopen, waren insgelijks aan de tafel gezeten, terwijl de overige priesters,allen in hunne sneeuwwitte linnen kleederen, zich in een grooten dubbelen halven cirkel hadden geschaard, in welks midden zich het beeld verhief van de godin der waarheid en gerechtigheid. Achter Ameni’s troon stond de bontgeschilderde gestalte van Toth met den ibis-kop, den god die de maat en de orde der dingen bewaarde, die met wijze redenen de goden zoowel als de menschen raad gaf, en de wetenschappen en kunsten beschermde. In eene nis aan het uiterste einde van de zaal kon men de trias der goden van Thebe opmerken, tot wie Ramses I en zijn zoon Seti, de grondvester dezer inrichting, met offers naderden. De priesters waren streng volgens hunne waardigheid en den tijd hunner opneming in het mysterie geordend. Pentaoer zat geheel onderaan.

Tot hiertoe hadden de eigenlijke beraadslagingen in deze vergadering nog geen aanvang genomen, want Ameni vroeg slechts, luisterde naar de antwoorden en gaf bevelen met betrekking tot het feest, dat den volgenden dag gevierd zou worden. Alles scheen goed te zijn voorbereid en geordend, zoodat men verwachten mocht, dat de plechtige feestviering zonder stoornis zou afloopen. De heilige schrijvers klaagden alleen over de schrale ontvangst van offervee, daar de boeren gebukt gingen onder zware krijgslasten. Zij betreurden ook, dat aan de processie ditmaal de elementen zouden ontbreken, die daaraan den grootsten luister plegen bij te zetten, namelijk de koning en zijne familie.

Deze laatste omstandigheid wekte het ongenoegen van eenige priesters. Zij waren van oordeel, dat het zeer bedenkelijk was, de beide kinderen van Ramses, die in Thebe vertoefden, van de deelneming aan de feestviering uit te sluiten.

Toen Ameni dit hoorde, stond hij op. »Wij hebben,” zeide hij, »den knaap Rameri uit dit huis moeten verbannen, en Bent-Anat voor onrein verklaard. Al hebben de meer toegevende bestuurders van den Amon-tempel te Thebe haar ook vrijgesproken, zoo mag zij voor rein gehouden worden aan de overzijde, waar men enkel denkt aan het leven, maar niet hier. Want op ons rust de taak de zielen op den dood voor te bereiden. De stadhouder, de kleinzoon van den grooten koning dien men onttroond heeft, zal bij de processie verschijnen in al den glans van zijn hoogen rang. Ik zie, mijne vrienden, dat ge u hierover verbaast! Weet voor heden slechts dit éene. Groote dingen worden voorbereid, en het kan gebeuren, dat weldra eene nieuwe, lieflijk schijnende zon des vredes zal opgaan over ons door den krijg verarmd volk. — Er gebeuren wonderen en ik aanschouwde in den droom een vrome, die zich gemakkelijk laat leiden, op den troon van den vertegenwoordiger van Ra op aarde. Hij luisterde naar onze stem; hij gaf ons wat ons toekomt; hij bracht onze naar het leger gezondene onderhoorigen op onze akkers terug;hij wierp de altaren der buitenlandsche goden omver en verjoeg onreine vreemdelingen van onzen heiligen bodem.”

»Gij zinspeelt op den stadhouder Ani!” riep de eerste der Horoscopen.

Er ontstond eene levendige beweging in de vergadering. Ameni ging echter voort: »Misschien was de persoon, dien ik in den droom zag, hem niet ongelijk. In elk geval is dit zeker: hij had de trekken van den echten en rechtmatigen afstammeling van Ra, dien Roeï aanhing, in wiens borst het heilige hart van den ram een toevlucht zocht. Morgen zal dit onderpand der goddelijke genade den volke getoond worden, en nog een ander wonder zal het worden kenbaar gemaakt. Hoort en looft de beschikkingen van den Allerhoogste. Een uur geleden kreeg ik het bericht, dat onder de kudden van Ani te Hermonthis een nieuwe Apis is ontdekt, dragende al de heilige teekenen.”

Andermaal ontstond er eene groote beroering onder de luisterende schare. Ameni liet aan de uitingen van verrassing onder de priesters den vrijen loop. Eindelijk sprak hij: »Gaan wij thans over tot het afdoen van de laatste vraag! Aan den priester Pentaoer, hier tegenwoordig, werd het ambt van feestredenaar opgedragen. Hij heeft zwaar misdreven, doch ik meen dat wij hem eerst na het feest mogen verhooren, en hem de vereerende vervulling van dezen plicht niet mogen ontzeggen, gedachtig aan zijne reine bedoelingen. Deelt gij mijn wensch? Verheft niemand zijn stem hiertegen? — Treed dan vooruit, gij jongste van allen, wien deze heilige vereeniging zulk eene groote taak toevertrouwt!”

Pentaoer stond op en plaatste zich eerst vóor Ameni, ten einde op diens verlangen een schets te ontwerpen, in breede en scherpe omtrekken, van hetgeen hij tot het volk en de aanzienlijken dacht te spreken. De vergadering, en zelfs zijne tegenstanders, luisterden naar hem met welgevallen. Ook Ameni prees hem en zeide daarop: »Ik mis maar éen onderwerp, waarbij gij langer moet stilstaan en dat gij met bijzondere warmte moet behandelen. Ik bedoel het wonder, dat heden ons zoo getroffen heeft. Het komt er op aan te toonen, dat de goden het heilige hart....”

»Veroorloof mij,” viel Pentaoer den opperpriester in de rede, en zag hem ernstig in zijne doordringende, nog kort geleden door hemzelve bezongene oogen. »Veroorloof mij u dringend te verzoeken, mij niet tot verkondiger van het nieuwe wonder te verkiezen.”

Op het gelaat van al de hier verzamelde ingewijden was verbazing te lezen. Menigeen zag eerst zijne buren, dan den dichter, eindelijk Ameni vragend aan. De laatste kende Pentaoer en wistdat geen luim van het oogenblik maar ernstige overwegingen hem hadden moeten doen weigeren. Was het niet geweest alsof zijne heldere stem aarzelend, ja met tegenzin de woorden: »het nieuwe wonder” had uitgesproken? Hij twijfelde derhalve aan de echtheid van het goddelijk teeken!

De profeet nam Pentaoer bedaard en onderzoekend met zijne oogen op, en zeide toen: »Gij hebt gelijk, mijn vriend. Alvorens het oordeel over u is uitgesproken, en gij weder voor ons staat in dezelfde reinheid, die wij bij u zoo hoog waardeeren, is uw mond niet waardig het goddelijk wonder den volke te verkondigen. Tast diep in uwe eigene ziel, en toon den vromen het afschuwelijke van het kwade, wijst hun ook den door u thans te betreden weg van reiniging des harten. Ik zelf zal het wonder verkondigen.”

Dit besluit van den meester werd door de in ’t wit gekleeden met blijdschap begroet. Ameni drukte den een dit, den ander dat nog eens op het hart. Na allen een onbepaald stilzwijgen over het verhandelde, inzonderheid over den meegedeelden droom te hebben bevolen, sloot hij deze bijeenkomst. Alleen den ouden Gagaboe en Pentaoer verzocht hij te blijven.

Zoodra zij alleen waren vroeg Ameni den dichter: »Waarom hebt gij geweigerd aan het volk het wonder te verkondigen, dat alle priesters uit de Nekropolis met vreugde vervult?”

»Omdat gij mij geleerd hebt,” antwoordde de dichter, »dat waarheid de hoogste trap is, die men bereiken kan, en dat er geen hoogere is.”

»Dit leer ik u andermaal in deze ure,” hernam Ameni. »En daar gij deze leer belijdt, zoo vraag ik u, in den naam van de lichtdochter van Ra: twijfelt gij aan de echtheid van het wonder, dat tastbaar duidelijk voor onze oogen is geschied?”

»Ja, ik twijfel,” antwoordde Pentaoer.

»Blijf volharden op den hoogen trap der waarheid,” ging Ameni voort, »en zeg ons verder, opdat ook wij het weten mogen, welke bedenkingen u beletten te gelooven.”

»Ik weet,” antwoordde de dichter, somber vóor zich ziende, »dat het hart, aan hetwelk de menigte goddelijke eer zal bewijzen, waarvoor zelfs ingewijden zich nederbuigen, als ware het een tempel voor de ziel van Ra, gescheurd is uit de bloedende borst van een gemeen stuk vee, en dat het heimelijk in de kanopen is gelegd, die de ingewanden van den profeet Roeï bevatten.”

Ameni deed van schrik eene schrede achterwaarts, en Gagaboe riep: »Wie heeft dat gezegd? Wie kan dat bewijzen? ’t Is of men oud moet worden, om van dag tot dag schrikkelijker dingen te hooren!”

»Ik weet het,” zeide Pentaoer op stelligen toon, »maar ik moet den naam verzwijgen van hem, die het mij heeft medegedeeld.”

»Dan gelooven wij dat gij dwaalt, en dat een bedrieger den draak met u stak,” zeide Ameni. »Wij zullen onderzoeken, wie zulk een leugen uitstrooit, en hem niet ongestraft laten! Het is zondig de stem der godheid te hoonen, en ieder die gewillig zijn oor leent aan de leugen, is ver van de waarheid. Heilig, ja driemaal heilig, verblinde dwaas, is het hart, dat ik morgen met deze handen aan het volk denk te toonen, en waarvoor ook gij u, zij ’t niet gewillig, dan toch gedwongen zult nederwerpen, aanbiddende in het stof. Ga nu heen en overdenk de woorden waarmede gij morgen de zielen van het volk zult stichten. — Weet nog dit: Ook de waarheid heeft verschillende trappen, en hare gestalte is even menigvuldig als die der godheid. Gelijk de zon zich niet voortbeweegt langs eene effen baan en een rechten weg; gelijk ook de sterren gebogene paden bewandelen, die wij vergelijken met de kronkelingen van de slang Mehen231); zoo staat het den uitverkorenen, die ruimte en tijd overzien en aan wie het te beurt viel over het lot der menschen te mogen beschikken, — dien uitverkorenen staat het vrij, zelfs wordt hun geboden langs kronkelende wegen te wandelen, om een hooger doel te doen zegevieren. Gij verstaat die wegen niet, en in uwe onnoozelheid meent gij, dat zij ver afwijken van de paden der waarheid. Gij ziet het heden alleen, maar wij zien ook de toekomst, en wat wij u als waarheid aanbieden, dat hebt gij te gelooven! Vergeet ook vooral niet: de leugen bevlekt, maar de twijfel vermoordt de ziel!”

Ameni had met groote gemoedsbeweging gesproken. Toen Pentaoer zich zwijgend verwijderd had, en hij met Gagaboe alleen was, riep hij uit: »Waar moet het nu heen? Wie bezoedelt toch den reinen kinderlijken zin van dezen hoogbegenadigden jongeling?”

»Hij bederft zichzelven,” zeide Gagaboe. »Hij schuift de oudewet op zij, daar hij voelt, dat er eene nieuwe wet in zijn scheppenden geest is ontwaakt!”

»Doch wetten,” hernam Ameni, »ontstaan vanzelf en groeien als schaduwrijke wouden; er is nooit iemand, die ze maakt! Ik had den dichter lief, maar ik moet hem toch inbinden, anders wast hij als de hooggezwollen Nijl, die de dammen doorbreekt. En wat hij daar zegt van het wonder....”

»Hebt gij daar aanleiding toe gegeven?” vroeg Gagaboe.

»Bij den Eenen, neen!” zeide Ameni.

»Doch Pentaoer is waarheidlievend, en geneigd te gelooven,” hernam de oude bedenkelijk.

»Ik begrijp het,” hernam Ameni. »Wat hij zeide zal geschied zijn. Doch wie heeft het gedaan, en hem in deze misdaad ingewijd?”

Beide priesters zagen nadenkend vóor zich. Ameni brak het eerst het stilzwijgen af, zeggende: »Pentaoer trad met Nebsecht hier binnen, en beiden zijn boezemvrienden. Waar was de arts, terwijl ik in Thebe vertoefde?”

»Hij verpleegde het door Bent-Anat verwonde kind van den Paraschiet Pinem, en bleef daar drie dagen lang,” antwoordde Gagaboe.

»En het was Pinem,” sprak de opperpriester, »die de borst van Roeï geopend heeft. Nu weet ik wie Pentaoer’s geloof aan het wankelen heeft gebracht. Het was die wroetende stamelaar. Hij zal het mij boeten. — Denken wij nu aan het feest van morgen, maar overmorgen neem ik dien zonderlingen kwant in ’t verhoor, en ik zal onverbiddelijk streng zijn!”

»Laat ons liever den natuuronderzoeker rustig verhooren,” zeide Gagaboe. »Hij is een sieraad van onzen tempel, want hij doorgrondt vele dingen, en is een man van buitengewone bekwaamheid.”

»Dat alles kunnen wij overwegen na het feest,” viel Ameni den ouden profeet in de rede. »Er is nu nog veel gereed te maken.”

»En later nog meer te overleggen,” hernam Gagaboe. »Wij zijn een gevaarlijken weg ingeslagen. Gij weet het, ik blijf een stormlooper, niettegenstaande ik, wat mijne jaren betreft een grijsaard ben. Helaas, ik was nooit te schroomvallig! Maar Ramses is een geweldig man en mijn plicht gebiedt mij u te vragen: Verleidt uw haat u niet tot een al te haastig en al te onvoorzichtig optreden tegen den koning?”

»Ik gevoel geen haat tegen Ramses,” antwoordde Ameni ernstig. »Als hij de kroon niet droeg, zou ik hem kunnen liefhebben. Ik ken hem alsof ik zijn broeder was, en weet in hem alles wat groot is te waardeeren, wat meer zegt: ik wil gaarne erkennen, dat hem niets ontsiert wat klein moet heeten. Als ikniet wist hoe sterk hij was, zouden wij hem wel met geringe middelen kunnen doen vallen! Doch gij weet zoo goed als ik, dat hij onze vijand is. Niet de uwe noch de mijne persoonlijk, ook niet van onzen goden, maar de vijand van de door hunne oudheid eerwaardige inzettingen, naar welke dit volk en dit land bestuurd moeten worden. Daarom is hij inzonderheid de vijand van hen, wier levensroeping is de heilige leer van den voortijd te verdedigen, en een vorst den weg te wijzen; van de priesterschap bedoel ik, die ik leiden moet en voor welker rechten ik kamp met alle geestelijke middelen. Bij deze worsteling bekleeden, zooals gij weet, volgens onze geheime wet, de goden alles met den glans van het reine licht der waarheid, ook wat anders als leugen, verraad en arglistig doemwaardig schijnt. Gelijk de arts het mes en het vuur gebruikt om kranken te genezen, zoo mogen wij onze toevlucht nemen tot schrikkelijke maatregelen om het geheel te redden wanneer het bedreigd wordt. Gij ziet mij thans strijden met elk wapen, dat mij ten dienste staat, want blijven wij rustig afwachten, zoo zullen wij weldra van leiders der staatkundige aangelegendheden tot slaven des konings vernederd worden.”

Gagaboe gaf een teeken van instemming. Ameni vervolgde echter met klimmende warmte, sprekende in rhytmische volzinnen, waarin hij de bevelen der godheid placht te verkondigen, zoo vaak hij uit het Allerheiligste kwam: »Gij waart mijn meester, ik acht u zeer hoog, daarom moogt gij nu alles vernemen, wat mij beweegt en vast doet besluiten, den vreeslijken kamp te aanvaarden. Dit huis zoo gij weet, was voor mij gelijk ook voor Ramses de kweekplaats, en het was wijs van Seti dat hij hier zijnen zoon met andere knapen liet leeren. Slechts de kroonprins en ik wij wonnen de prijzen, in werken en spelen. Wel was hij mijn meester in vlugge bevatting, in stoute gedachten; mijn nauwgezetheid was grooter en dieper mijn denken. Vaak spotte hij met mijn moeitevol streven; doch mij scheen zijn schittrend vermogen slechts ijdele begoochling te zijn. Ik werd een gewijde, maar hij stuurde het roer van den staat met zijn vader; ten laatste alleen, toen Seti niet meer was. Wij werden ouder, maar onveranderd bleef steeds de diepste grond van ons wezen. Hij stormde naar buiten tot heerlijke daden! volken bij volken wierp hij ter aarde; en door de stroomen bloeds zijner burgers verhief hij den glans van d’ Egyptischen naam tot duizelingwekkende hoogte.

»Ik sleet mijn leven in ijverig werken, ik leerde de jeugd en bewaakte de inzetting, die het samenwonen der menschen regelt en het volk met de godheid verbindt. Met ijver doorzocht ik de schriften der oudheid, en menig heerlijk woord heb ik van haarwijzen vernomen. ’k Vergeleek met elkander ’t verleden en ’t heden. Wat waren de priesters? Hoe zijn ze geworden tot dat wat ze zijn? Wat toch, zoo wij er niet waren, wat werd dan Egypte? Geen wetenschap bloeit er, geen kunst, geen vermogen, die wij niet verwierven, bedachten en kweekten. Wij kroonden de vorsten, wij noemden ze goden en leerden het volk ze als goden dienen. Want de menigte zoekt een hand die haar leidt, waarvoor zij kan beven, als voor de vuist van het overmachtige noodlot. Gaarne dienden wij den god op zijn troon, die als de Eene naar eeuwige wetten, naaronzewet gebood en heerschte. Uit ons midden koos hij zijn raadsliên, wat tot heil is voor ’t land dat deden wij hem weten. Hij hoorde ons gewillig aan en voerde het uit. De oude koningen waren de handen, wij, de priesters, wij waren het hoofd. En nu, mijn vader! Wat zijn wij geworden? Wij worden gebruikt om het volk bij het geloof te bewaren. Want als het ophield de goden te eeren, hoe zou ’t zich dan voor den pharao buigen? Veel waagde Seti, en meer nog zijn zoon, daarom begeerden zij beiden de hulpe des hemels. Een vrome is Ramses, hij offert vlijtig en mint het gebed. Voor hem zijn wij onmisbaar als wierookvat-slingeraars en hecatomben-slachters, als die voor hem bidden en zijn droomen verklaren, maar zijn raadslieden zijn wij niet meer. Mijn Osirische vader, een waardiger opperpriester dan ik, bad den zijnen, op last van den grooten raad der profeten, hij zou het vermetele plan laten varen, door een bevaarbaar kanaal de noordelijke zee te verbinden met de onreine golven der Schelfzee. Den Aziaten alleen komt zulk een werk ten goede232). Doch Seti sloeg onzen raad in den wind233). Wij wilden ’s lands oude verdeeling bewaren, doch Ramses voerde de nieuwe in, tot schade der priesters. Wij waarschuwden voor nieuwe bloedige oorlogen, en de koning trok weder en weder te velde. Wij bezitten de oude geheiligde brieven, die onze boeren van krijgsdienst ontslaan; gij weet het hoe hij ze laatdunkend verscheurde. Sinds oude tijden mag niemand in dit land voor vreemde goden tempels bouwen, en Ramses begunstigt de zonen der vreemden, en bouwt in ’t Noorderland niet alleen, maar ook in het oude eerwaardige Memphis en hier in het vreemden-kwartier in Thebe, altaren en statigeheiligdommen voor de bloedige leugengoden234)van ’t oosten.”

»Gij spreekt als een ziener,” riep de oude Gagaboe. »En wat gij zegt is in alle opzichten waar! Wij heeten nog priesters, maar zelden wordt onze raad gevraagd. ‚Gij hebt de menschen in eene andere wereld een heerlijke toekomst te bereiden’, heeft Ramses gezegd, ‚maar hun lot op aarde bestuur ik alleen’!”

»Zoo sprak hij,” ging Ameni voort. »En al had hij niet anders gezegd dan dát, hij zou reeds daardoor zijn geoordeeld! Hij en zijn huis zijn onzen rechten vijandig, en vijanden mee, van dit ons edel land. Behoef ik u te zeggen, wat pharao’s stamboom is? Eens noemden wij de van ’t oosten komende scharen, die ons vaderland als sprinkhaan-zwermen overvielen, die het hebben uitgemergeld en gekneveld, ‚pestplagen en roovers’. Tot deze behoorden Ramses’ vaderen. Toen Ani’s vaderen de Hyksos verdreven, verkreeg de dappere familie van ’t stamhoofd, wier nazaat thans Egypte regeert, het voorrecht aan den Nijl te verblijven. Zij diende in het leger, zij trad op den voorgrond, en eindelijk gelukte het den eersten Ramses de troepen voor zich te winnen, en het oude, in ketterijen verwarde geslacht der echte zonen van Ra van den troon te berooven. Ongaarne erken ik ’t: de rechtgeloovige priesters — uw grootvader was onder hen, en de mijne — ondersteunden den koenen roover der kroon, die de oude leer trouwhartig aanhing. Niet minder dan honderd voorzaten van mijn huis en niet minder van ’t uwe en vele andere priestergeslachten, zijn hier aan den heiligen Nijl gestorven. Van Ramses’ vaderen kennen wij er slechts tien, en wij weten van dezen, dat zij behoorden tot uitlandschen stam, tot de bende der Amoe! Als alle Semieten, zoo is ook hij. Zij houden van zwerven en noemen ons ‚ploegers’235), bespottend de wijze afgemeten orde, waarin wij, den zwarten bodem bebouwend, in nuttigen arbeid des geestes en des lichaams, den langen dood te gemoet gaan. Zij dwalen rond om buit te behalen, en stuwen het zeeschip door ziltige wateren, en kennen geen vast en dierbaar tehuis. Waar winst is te halen, daar strijken zij neder; is er niets meer voor hen te rooven, dan slaan zij elders hun woning weer op. Zoo nu was Seti, zoo is ook Ramses! Een jaar verblijven zij wel in Thebe, maar trekken dan weg, de grenzen over ten oorlog. Zich vroom te onderwerpen, naar den raad te vernemen der wijze vermaners, zij verstaan ’t niet en zullen ’tnooit leeren. Gelijk de vaders zoo zijn ook de kinderen! Denk aan de vermetele daad van Bent-Anat. Pharao, zeide ik, stelt de vreemden op prijs. Hebt gij bedacht wat dat wel beteekent? Ons doel is naar ’t hoogere en edele te streven; wij hebben ons aan de banden der zinnen ontworsteld tot verzorgers der zielen. Ook de armste leeft veilig, beschermd door de wetten, en door ons neemt hij deel aan de gaven des geestes. Heerlijke schatten van kunst en van kennis worden door ons den rijken geboden. Zie nu naar den vreemdeling! Nomadenzwermen, in armzalige tenten, doortrekken in ’t oost en ’t west de woestijn. In ’t zuiden bidt een verdierlijkt gepeupel tot vederschachten en ellendige goden, die zij slaan, als ’t geluk hun ontbreekt. In het noorden vindt men geordende staten; maar wat zij aan kunst en aan kennis bezitten, dat danken zij ons voor het meeste; en altijd nog bloeden op hun altaren, als afgrijselijke offers, de lijken van menschen. Slechts afval van ’t goede, die schenkt ons de vreemdeling, dus is het verstandig zich van hem te keeren, dies is hij ook bij onze goden gehaat. En Ramses, de koning, is vreemdeling, door zijn bloed en zijn neiging, zijn hart en zijn aanschijn. Zijn geest vliegt al verder, dit land is voor hem te bekrompen. Hoe vlug ook zijn geest zij, wat waarachtig hem goed is zal hij nimmer begrijpen. Hij luistert naar raad niet, hij benadeelt Egypte; dus zeg ik: naar beneden met hem van den troon!”

»Naar beneden met hem!” herhaalde Gagaboe in geestdrift.

Ameni reikte den grijsaard zijne van opgewondenheid bevende hand, en ging kalmer voort: »De stadhouder Ani is van vaders en moeders zijde een echte zoon van het land. Ik ken hem door en door, en weet dat hij wel is waar verstandig maar angstvallig voorzichtig is, en dat hij ons in ons voormalig, ons rechtmatig toekomend erfdeel weder herstellen zal. Hier valt de keus niet zwaar. Ik heb gekozen en ben gewoon door te zetten, wat ik eens begonnen ben. Gij weet nu alles en zult mij helpen!”

»Met lijf en ziel!” riep Gagaboe.

»Versterk dan ook de harten onzer medepriesters,” zeide Ameni, afscheid nemende. »Ieder ingewijde mag vermoeden wat er eigenlijk gebeurt, maar het mag volstrekt niet uitgesproken worden.”

224)Aan elken tempel was een heilig meer verbonden. Herodotus (II 171) spreekt van de voorstellingen, die op het heilig meer van Neith te Saïs, bij nacht werden gegeven. „Men noemt ze mysteriën,” zegt hij, „maar ofschoon ik er veel van weet, zwijg ik daarover uit eerbied.” Men stelde er de mythe van Isis, Osiris en Seth-Typhon voor. — Vgl. Ebers,Eene Egyptische koningsdochter, B. III.225)De Stolisten moesten de godenbeelden bekleeden, en bij eenige reliefs worden nog de haken gevonden, waaraan de kleedingstukken werden bevestigd. Het uit- en aankleeden dier godenbeelden moest bij de godsdienstoefening volgens eene vastgestelde orde geschieden. De door A. Mariëtte uitgegeven opschriften in de zeven sanctuariën van Abydus, zijn voor deze handelingen, die allen eene bepaalde beteekenis hadden, bijzonder leerrijk.226)De „Sam-bark” geheeten, volgens de voorstellingen, die men nog zien kan in de overblijfselen van het Seti-huis, of den tempel van Qoernah.227)Zie boven bl.216.228)De opschriften in den zuilengang aan de oostzijde van den tempel van Qoernah doen ons zien, dat zelfs uit den Delta, feestboden naar het Seti-huis werden gezonden.229)De hondskop-apen (cynocephali) waren geheiligd aan Toth-Hermes, den maangod. Men heeft van dit dier te Thebe en bij het oude Hermopolis mummiën gevonden. Dikwijls werden er treffende afbeeldingen gemaakt van zulke hondskop-apen, die met schijnbaren ernst in een boek verdiept zijn. Ook is er een groot aantal beelden van dit beest gevonden. In het bibliotheekvertrek van den Isis-tempel te Philae is op den linkerwand een relief-beeld van een cynocephalus aangebracht, dat bijzonder goed is uitgevallen.230)Zoo worden de planeten genoemd in de heilige teksten.231)De slang Mehen, met hare golvende kronkelingen, die dikwijls voorkomt in de teksten „van hetgeen zich in de diepte (onderwereld) bevindt,” stelt symbolisch de kronkelingen voor, die de zon op haar weg bij nacht door de onderwereld heeft af te leggen. Slangvormige mythologische figuren hebben even dikwijls eene gunstige als eene vijandige beteekenis. In elken tempel werden heilige slangen onderhouden. In Thebe zijn slangenmummiën gevonden en wel van de vipera cetastes. Plutarchus (Isis en Osiris c. 74) zegt, dat de slang voor heilig werd gehouden, omdat zij niet veroudert, en zich zonder ledematen al schuifelend gemakkelijk kon voortbewegen op eene wijze als de sterren.232)De havens aan de Schelf- of Roode zee waren in handen van Phoeniciërs, die van hier naar het zuiden zeilden om de reukwerken uit Arabië en de schatten van Ophir te halen.233)Koning Necho begon ook een Suez-kanaal aan te leggen, maar hij voltooide het niet, omdat, volgens Herodotus II 58, het orakel hem verkondigde, dat de vreemdelingen alleen voordeel van de onderneming zouden trekken.234)Door de Egyptenaars werden de menschenoffers, zooals er nog in later tijd door de Phoeniciërs aan Moloch werden gebracht, afgeschaft.235)De Bedoeïenen noemen thans nog de landbouwende bevolking van Egypte met minachting Fellah, meerv. Fellahin, of ploegers.

224)Aan elken tempel was een heilig meer verbonden. Herodotus (II 171) spreekt van de voorstellingen, die op het heilig meer van Neith te Saïs, bij nacht werden gegeven. „Men noemt ze mysteriën,” zegt hij, „maar ofschoon ik er veel van weet, zwijg ik daarover uit eerbied.” Men stelde er de mythe van Isis, Osiris en Seth-Typhon voor. — Vgl. Ebers,Eene Egyptische koningsdochter, B. III.

224)Aan elken tempel was een heilig meer verbonden. Herodotus (II 171) spreekt van de voorstellingen, die op het heilig meer van Neith te Saïs, bij nacht werden gegeven. „Men noemt ze mysteriën,” zegt hij, „maar ofschoon ik er veel van weet, zwijg ik daarover uit eerbied.” Men stelde er de mythe van Isis, Osiris en Seth-Typhon voor. — Vgl. Ebers,Eene Egyptische koningsdochter, B. III.

225)De Stolisten moesten de godenbeelden bekleeden, en bij eenige reliefs worden nog de haken gevonden, waaraan de kleedingstukken werden bevestigd. Het uit- en aankleeden dier godenbeelden moest bij de godsdienstoefening volgens eene vastgestelde orde geschieden. De door A. Mariëtte uitgegeven opschriften in de zeven sanctuariën van Abydus, zijn voor deze handelingen, die allen eene bepaalde beteekenis hadden, bijzonder leerrijk.

225)De Stolisten moesten de godenbeelden bekleeden, en bij eenige reliefs worden nog de haken gevonden, waaraan de kleedingstukken werden bevestigd. Het uit- en aankleeden dier godenbeelden moest bij de godsdienstoefening volgens eene vastgestelde orde geschieden. De door A. Mariëtte uitgegeven opschriften in de zeven sanctuariën van Abydus, zijn voor deze handelingen, die allen eene bepaalde beteekenis hadden, bijzonder leerrijk.

226)De „Sam-bark” geheeten, volgens de voorstellingen, die men nog zien kan in de overblijfselen van het Seti-huis, of den tempel van Qoernah.

226)De „Sam-bark” geheeten, volgens de voorstellingen, die men nog zien kan in de overblijfselen van het Seti-huis, of den tempel van Qoernah.

227)Zie boven bl.216.

227)Zie boven bl.216.

228)De opschriften in den zuilengang aan de oostzijde van den tempel van Qoernah doen ons zien, dat zelfs uit den Delta, feestboden naar het Seti-huis werden gezonden.

228)De opschriften in den zuilengang aan de oostzijde van den tempel van Qoernah doen ons zien, dat zelfs uit den Delta, feestboden naar het Seti-huis werden gezonden.

229)De hondskop-apen (cynocephali) waren geheiligd aan Toth-Hermes, den maangod. Men heeft van dit dier te Thebe en bij het oude Hermopolis mummiën gevonden. Dikwijls werden er treffende afbeeldingen gemaakt van zulke hondskop-apen, die met schijnbaren ernst in een boek verdiept zijn. Ook is er een groot aantal beelden van dit beest gevonden. In het bibliotheekvertrek van den Isis-tempel te Philae is op den linkerwand een relief-beeld van een cynocephalus aangebracht, dat bijzonder goed is uitgevallen.

229)De hondskop-apen (cynocephali) waren geheiligd aan Toth-Hermes, den maangod. Men heeft van dit dier te Thebe en bij het oude Hermopolis mummiën gevonden. Dikwijls werden er treffende afbeeldingen gemaakt van zulke hondskop-apen, die met schijnbaren ernst in een boek verdiept zijn. Ook is er een groot aantal beelden van dit beest gevonden. In het bibliotheekvertrek van den Isis-tempel te Philae is op den linkerwand een relief-beeld van een cynocephalus aangebracht, dat bijzonder goed is uitgevallen.

230)Zoo worden de planeten genoemd in de heilige teksten.

230)Zoo worden de planeten genoemd in de heilige teksten.

231)De slang Mehen, met hare golvende kronkelingen, die dikwijls voorkomt in de teksten „van hetgeen zich in de diepte (onderwereld) bevindt,” stelt symbolisch de kronkelingen voor, die de zon op haar weg bij nacht door de onderwereld heeft af te leggen. Slangvormige mythologische figuren hebben even dikwijls eene gunstige als eene vijandige beteekenis. In elken tempel werden heilige slangen onderhouden. In Thebe zijn slangenmummiën gevonden en wel van de vipera cetastes. Plutarchus (Isis en Osiris c. 74) zegt, dat de slang voor heilig werd gehouden, omdat zij niet veroudert, en zich zonder ledematen al schuifelend gemakkelijk kon voortbewegen op eene wijze als de sterren.

231)De slang Mehen, met hare golvende kronkelingen, die dikwijls voorkomt in de teksten „van hetgeen zich in de diepte (onderwereld) bevindt,” stelt symbolisch de kronkelingen voor, die de zon op haar weg bij nacht door de onderwereld heeft af te leggen. Slangvormige mythologische figuren hebben even dikwijls eene gunstige als eene vijandige beteekenis. In elken tempel werden heilige slangen onderhouden. In Thebe zijn slangenmummiën gevonden en wel van de vipera cetastes. Plutarchus (Isis en Osiris c. 74) zegt, dat de slang voor heilig werd gehouden, omdat zij niet veroudert, en zich zonder ledematen al schuifelend gemakkelijk kon voortbewegen op eene wijze als de sterren.

232)De havens aan de Schelf- of Roode zee waren in handen van Phoeniciërs, die van hier naar het zuiden zeilden om de reukwerken uit Arabië en de schatten van Ophir te halen.

232)De havens aan de Schelf- of Roode zee waren in handen van Phoeniciërs, die van hier naar het zuiden zeilden om de reukwerken uit Arabië en de schatten van Ophir te halen.

233)Koning Necho begon ook een Suez-kanaal aan te leggen, maar hij voltooide het niet, omdat, volgens Herodotus II 58, het orakel hem verkondigde, dat de vreemdelingen alleen voordeel van de onderneming zouden trekken.

233)Koning Necho begon ook een Suez-kanaal aan te leggen, maar hij voltooide het niet, omdat, volgens Herodotus II 58, het orakel hem verkondigde, dat de vreemdelingen alleen voordeel van de onderneming zouden trekken.

234)Door de Egyptenaars werden de menschenoffers, zooals er nog in later tijd door de Phoeniciërs aan Moloch werden gebracht, afgeschaft.

234)Door de Egyptenaars werden de menschenoffers, zooals er nog in later tijd door de Phoeniciërs aan Moloch werden gebracht, afgeschaft.

235)De Bedoeïenen noemen thans nog de landbouwende bevolking van Egypte met minachting Fellah, meerv. Fellahin, of ploegers.

235)De Bedoeïenen noemen thans nog de landbouwende bevolking van Egypte met minachting Fellah, meerv. Fellahin, of ploegers.

De zon was op den negen en twintigsten morgen van de tweede maand der overstrooming236)reeds opgegaan, en de burgers en burgeressen, de grijsaards en de kinderen, de vrijen en de slaven in Thebe brachten het opgaand daggesternte hunne hulde, onder de leiding der priesters, voor de poorten van den tempel, waartoe het door hen bewoonde kwartier van de stad behoorde. De inwoners van Thebe stonden in familie-groepen bijeen voor de pylonen, wachtende op den optocht der priesters. Zij wilden zich daarbij aansluiten om zoo te trekken naar den grooten rijkstempel en van dezen uit met de feestbarken den stroom over te steken naar de Nekropolis.

Heden, op het feest van het dal, werd Amon, de groote god van Thebe, in plechtstatigen optocht overgebracht naar de doodenstad, ten einde daar, zooals de priesters zeiden, te offeren voor zijne ouders in de andere wereld237). Zijn tocht ging naar het westen, en gelijk daar het stoffelijk overschot der menschen rust vond in de graven, zoo waren daar ook de millioenen zonnen verdwenen, waarop dagelijks een nieuwe gevolgd was, weder uit den nacht verrijzende. Het verjongde licht, zeiden de priesters, vergeet het uitgebluschte niet, waaruit het geworden is; het brengt als Amon daaraan zijne hulde, om de vromen te herinneren, dat zij de afgestorvenen niet mogen vergeten, waaraan zijhun leven hadden te danken. »Breng offers,” zoo luidde eene godsdienstige spreuk, »aan uw vader en uwe moeder, die in het dal der graven rusten, want dit is den goden welgevallig, die deze gaven willen aannemen, als waren ze aan henzelven gebracht. Bezoek uwe ontslapenen dikwijls, opdat uw zoon voor u moge doen, wat gij voor hen doet”238).

Het feest van het dal was een doodenfeest, maar het droeg geen somber karakter; het werd niet met gejammer en weeklachten gevierd. Het was integendeel een vroolijk feest, gewijd aan de liefdevolle nagedachtenis van de zoodanigen, die men ook na den dood nog bleef liefhebben. Men verhief het geluk dier gezaligden en herdacht hen vriendschappelijk, terwijl men, gezellig in de grafkapel of vóor hunne groeve gezeten, offers bracht en maaltijd hield. Ouders en kinderen sloten zich bij elkander aan. De huisslaven volgden hen met voorraad van spijzen en fakkels, om het donkere graf te verlichten, of ze ook te ontsteken, wanneer men laat in den nacht huiswaarts keerde. Ook de armste had reeds een dag te voren gezorgd voor een plaatsje op een der groote schuiten, die de bedevaartgangers den stroom moesten overzetten. De barken der aanzienlijken lagen schitterend getooid aan den oever gereed, wachtende op de eigenaars met hun gevolg. De kinderen hadden ’s nachts van het heilige feestschip van Amon gedroomd; want de moeders hadden hen verteld, dat dit vaartuig in pracht weinig onderdeed voor de heerlijkheid der gouden zonneschuit, waarin de zonnegod met zijn gevolg den oceaan des hemels bevoer.

Reeds wemelde het van priesters op de oevertrappen van den rijkstempel, van burgers op de kade en van booten op den vloed. Reeds overstemden de ruischende tonen der feestmuziek het gejoel der volksmenigte, waaronder de een den ander te midden van stofwolken verdrong, om de barken en booten te bereiken. Reeds waren alle huizen en hutten van Thebe ontvolkt, en zag men in gespannen verwachting het oogenblik te gemoet, waarop de godheid uit de tempelpoort te voorschijn zou treden. Maar nog altijd ontbraken de leden der koninklijke familie, die anders op dezen dag gewoon waren te voet naar den grooten tempel van Amon te gaan. Onder de menigte vroeg de een den ander, waarom Bent-Anat, de schoone dochter van Ramses, zoo lang uitbleef, en het opbreken van de processie deed vertragen.

Reeds hieven de priesters hunne gezangen aan achter de tempelmuren, die het volk verhinderden de veelkleurig beschilderde voorhoven te zien. Reeds had de stadhouder met een luisterrijk gevolg het heiligdom betreden. Reeds werden de deuren van het feestgebouw geopend en vertoonden zich de enkel met een schort gekleede knapen, die voor de godheid op den weg bloemen moesten strooien. Reeds verkondigden de wierookgeuren, dat Amon naderde — maar nog altijd vertoonde de dochter van Ramses zich niet.

Allerlei geruchten werden verbreid, waaronder zeer onzinnige. Dit stond in elk geval vast, en werd ook tot teleurstelling van het volk door de tempeldienaars bevestigd: de prinses nam geen deel aan de processie; Bent-Anat was uitgesloten van het feest van het dal. Zij stond met haar broeder Rameri en de vrouw van Mena op het balkon van haar vaderlijk paleis, uitziende naar den stroom en het naderen der godheid. Gisteren morgen had de oude opperpriester van Amon te Thebe, Bek-en-Choensoe, haar de reinheid teruggegeven, maar aan den avond was hij haar komen melden, dat Ameni haar verbood de Nekropolis te betreden, zoolang de goden van het westen haar voor het misdrevene geene vergeving hadden geschonken. Terwijl zij nog in den staat van onreinheid verkeerde, had zij den Hatasoe-tempel betreden en dien bevlekt, en Bek-en-Choensoe moest toestemmen, dat de overste van de doodenstad in zijn recht was, wanneer hij het gebied van het westen voor haar sloot. Bent-Anat had toen Ani’s hulp ingeroepen, maar ofschoon de stadhouder haar zijn tusschenkomst beloofde, zoo kwam hij toch laat in den avond tot haar, om haar mede te deelen, dat Ameni onvermurwbaar bleef, ook zelfs voor zijne bede. De stadhouder had haar hierover zijn leedwezen betuigd, maar tevens den raad gegeven, elke aanleiding tot openbare ergernis te vermijden, de eerwaarde gestrengheid van Ameni niet te trotseeren en zich niet op het feest te laten zien. Terzelfder ure had vrouwe Katoeti den dwerg Nemoe tot hare dochter gezonden, om deze uit te noodigen met haar aan den optocht deel te nemen, en in het voorvaderlijk graf te offeren. Doch Nefert had haar doen antwoorden, dat zij van hare meesteres en vriendin niet konde of wilde scheiden.

Bent-Anat had aan de voornaamste personen van hare hofhouding vergunning gegeven om het feest mede te vieren, en hun verzocht harer bij deze schoone plechtigheid te willen gedenken. Toen zij van het balkon het volk zag samenstroomen, en de booten wemelden op den stroom, ging zij in haar vertrek terug. Zij riep Rameri tot zich, die in woede losbrak over de onbeschaamdheid van Ameni, vatte zijne beide handen en zeide:»Wij hebben beiden misdreven, broeder! Laten wij de gevolgen van onze schuld geduldig dragen, en handelen alsof onze vader bij ons was.”

»Hij zou den overmoedigen priester het panthervel van de schouders scheuren,” riep de prins, »wanneer deze het waagde in zijne tegenwoordigheid u zoo te vernederen.” En bij deze woorden rolden tranen van boosheid langs zijne jeugdige wangen.

»Wees nu niet langer toornig,” antwoordde Bent-Anat. »Gij waart nog klein, toen vader voor de laatste maal aan dit feest deelnam.”

»O, ik herinner mij dien morgen zeer goed,” riep Rameri, »en ik zal dien nooit vergeten.”

»Ik dacht het wel,” zeide Bent-Anat. — »Blijf gerust, Nefert; gij zijt immers nu mijne zuster! Hoor! het was op een heerlijken morgen. Wij, kinderen, waren feestelijk uitgedost verzameld in de groote zaal des konings. Toen liet hij ons roepen in deze vertrekken, die onze moeder bewoond had. Weinige maanden geleden was zij gestorven. Hij nam ons een voor een bij de hand en zeide aan elk, dat hij hem alles vergaf wat hij misdreven had, mits hij er ernstig berouw over had, en drukte ieder een kus op het voorhoofd. Toen wenkte hij ons tot zich, en zeide zoo bescheiden, alsof hij een onzer was, en niet de geduchte koning: ‚Misschien heb ik ook iemand uwer onrecht gedaan, of hem niet volledig recht laten wedervaren. Ik ben mij daarvan niet bewust, maar als het gebeurd is, dan doet het mij leed!’ — Toen vlogen wij allen naar hem toe, want ieder wilde hem kussen. Hij weerde ons echter lachend af en zeide: ‚Van een ding heeft ieder van u een gelijk deel genoten, gelijk gij wel weet; ik bedoel de liefde uws vaders. Nu zie ik dat gij mij weder wilt geven, wat ik u schonk.’ — Hij herinnerde ons daarop onze overledene moeder en zeide, dat ook de hartelijkste vader niet in staat was het gemis eener moeder te vergoeden. Toen hing hij ons een schoon tafereel op van de zelfverloochenende liefde, waarmede de afgestorvene zich geheel aan ons had gewijd, en noodigde ons uit aan hare rustplaats met hem te bidden en te offeren. Dáar moesten wij beloven harer waardig te leven, niet enkel in het groote, maar ook in het kleine. Want juist dat kleine vormde het leven, gelijk de uren den dag en het jaar. — Wij grooteren drukten toen elkander de handen, en nooit ben ik zeker beter geweest dan in die ure, en aan het graf mijner moeder!”

Nefert sloeg hare oogen op, waarin tranen blonken, en zeide: »Als men zulk een vader heeft, moet het gemakkelijk vallen goed te blijven.”

»Heeft uw moeder ook niet altijd aan den morgen van dezenfeestdag goede woorden in uw hart gelegd?” vroeg Bent-Anat.

Nefert bloosde en zeide: »Het werd altijd laat met ons toilet, en dan moesten wij ons haasten, om ter rechter tijd in den tempel te komen.”

»Kom, laat mij dan heden uwe moeder zijn!” sprak Bent-Anat. »En ook de uwe, Rameri. Weet gij ook nog, hoe vader aan de hofbeambten en dienaars vergeving schonk, en hoe hij hun zoowel als ons op het hart drukte, op dien dag elke opwelling van toorn in onze borst te onderdrukken? ‚Bij dit feest,’ zeide hij, ‚behoort niet enkel een rein kleed, maar ook een onbevlekt hart.’ Derhalve, broeder, geen boos woord meer over Ameni, wien zijn wet waarschijnlijk tot zulke eene gestrengheid dwingt. Onze vader zal dit alles vernemen en richten. Het hart is mij zoo vol, als moest het overvloeien. Kom, Nefert, geef mij een kus, en ook gij, broeder! Ik ga thans in mijne kapel, waar de beelden der voorvaderen staan, om aan mijne moeder te denken en aan de zalige geesten onzer geliefden, waaraan ik heden niet offeren mag.”

»Ik ga met u,” zeide Rameri.

»Nefert,” sprak Bent-Anat, »blijf gij hier en snijd zoo vele van mijne bloemen, als gij wilt. De schoonste moogt gij nemen! Vlecht daarvan een krans, en wanneer die gereed is, laten wij hem door een bode met andere gaven naar de overzijde brengen, die zorgen moet dat hij in het graf van Mena’s moeder gelegd wordt.”

Toen broeder en zuster na een half uur tot de jonge vrouw terugkeerden, hield Nefert twee sierlijke kransen in de hand, éen voor de gestorvene koningin, en éen voor Mena’s moeder.

»Ik zal de kransen overbrengen,” riep Rameri, »en in de graven nederleggen.”

»Ani meent, dat het beter zal zijn, wanneer wij ons niet aan het volk vertoonen,” zeide Bent-Anat waarschuwend. »Men merkt ter nauwernood op, dat gij onder de scholieren wordt gemist, maar....”

»Maar ik wil mij niet als zoon van Ramses, maar als een tuinmansjongen laten overzetten,” viel de prins haar in de rede. »Hoort gij het bazuingeschal? Thans dragen zij den god naar buiten!”

Rameri betrad het balkon, de beide vrouwen volgden hem en richtten hare blikken naar de plaats, waar de stoet zou scheep gaan. Met hare scherpe oogen konden zij alles overzien.

»Ik troost mij met de gedachte,” zeide Rameri, »dat het een magere en armzalige optocht239)zal zijn, zonder mijn vader enons. Hoe statig rollen de tonen der muziek! Nu komen de vederdragers240)en zangers. Daar is de eerste profeet van den rijkstempel, de oude Bek-en-Choensoe. Wat ziet hij er eerwaardig uit! Maar het loopen begint hem moeielijk te vallen. Nu nadert de godheid; reeds vang ik de wierookgeuren op....”

Bij deze woorden wierp de prins zich op de knieën, en de vrouwen volgden zijn voorbeeld, toen zich ten eerste een prachtige stier vertoonde, in wiens helder gladde huid de zon zich spiegelde. Hij droeg eene gouden, met glanzend witte struisvederen getooide schijf tusschen de horens. Daarachter, voorafgegaan door eenige waaierdragers, verscheen de god zelf, nu en dan zichtbaar, maar meestal voor het oog der menigte onzichtbaar, door de groote halfronde, aan lange staven bevestigde schermen van zwarte en witte struisvederen, waarmede de priesters hem beschaduwden. Geheimzinnig als zijn naam was ook zijn gang, want hij scheen op zijn kostbaren zetel langzaam van de tempelpoort naar den stroom te zweven. Zijn troon stond op eene tafel met kostelijke bouquetten en bloemguirlanden getooid, bedekt met een kleed van purper goudbrocaat, dat tevens de priesters bedekte, die den god op zijn troon langzaam en met gelijkmatige schreden voortdroegen.

Zoodra de godheid in het feestschip eene plaats had gevonden stonden broeder en zuster benevens Nefert van hunne knieën op. Er kwamen nu priesters te voorschijn, die een kist droegen met de altijd groene heilige boomen van Amon, en toen op nieuw het gezang der liederen en de geur van den wierook ooren en oogen bereikten van hen, die van het feest waren uitgesloten, prevelde Bent-Anat: »Nu zou mijn vader zijn gekomen.”

»En gij!” riep Rameri, »en onmiddellijk daarachter Nefert’s gemaal met de garde. Neef Ani gaat te voet. Hoe zonderling heeft hij zich gekleed; juist het tegengestelde van een sphinx241)!”

»Hoe zoo?” vroeg Nefert.

»Een sphinx,” antwoordde Rameri lachend, »heeft het lichaam van een leeuw en het hoofd van een mensch, en neef draagt om zijn lichaam een vreedzaam priesterlijk gewaad en op zijn hoofd den helm van een krijgsman.”

»Ware de koning hier, de leven schenkende,” zeide Nefert, »gij zoudt onder zijne dragers niet worden gemist, Rameri.”

»Zeker niet!” gaf de prins ten antwoord. »Het zou er ook anders uitzien als de heldengestalte van onzen vader op zijn gouden troon was gezeten; achter hem zou het beeld van waarheid en gerechtigheid beschermend zijne vleugelen over hem uitspreiden, vóor hem zou zijn geweldige metgezel in den slag, de leeuw, nederliggen, en boven hem zou een troonhemel versierd met Uraeus-slangen zich welven. — De Horoscopen en de Pastophoren met de standaarden en godenbeelden en kudden van slachtvee, schijnen geen einde te nemen! Ziet eens, ook het Noorderland heeft zijne feestgezanten gezonden, als ware onze vader hier. Ik onderscheid de teekenen op de standaarden242). Herkent gij de beelden der koninklijke voorvaderen, Bent-Anat? — Niet goed? Ik ook niet; maar het scheen mij toe als was het de eerste Ahmes, de verdrijver der Hyksos, waarvan onze grootmoeder afstamt, en niet grootvader Seti, die den stoet opende, zooals het toch behoorde te zijn. — Daar komen de krijgslieden! Het zijn de regimenten die Ani heeft uitgerust, en die eerst heden nacht als overwinnaars uit Ethiopië terugkeerden. Hoort hoe het volk hen toejuicht! Zij hebben zich ook dapper gedragen. — Denkt eens, Bent-Anat en Nefert, wat dat zijn zal, als onze vader terugkeert met wel honderd gevangen vorsten, die zijn tweespan, door uwen Mena bestuurt, deemoedig volgen, met al onze broeders, de edelen des lands, en de garden op hunne prachtige wagens!” —

»Helaas,” zuchtte Nefert, »zij denken nog niet aan hunne terugkomst!”

Terwijl telkens nieuwe regimenten van den stadhouder, muziekkoren en vreemde dieren243)zich in den optocht vertoonden, voer het feestschip van Amon van de landingstrap af. Het was een voortreffelijk groot vaartuig geheel van glanzend gepolijst en rijkmet goud ingelegd hout. De boorden prijkten met versiersels van gesmolten glas, alsof het zoovele smaragden of robijnen waren244). De masten en de raas waren verguld, en van de laatste hingen purperen zeilen af. Rondom het schip, zijne masten en zijn touwwerk slingerden zich guirlanders van leliën, doorvlochten met rozen. De priesters zaten op elpenbeenen zetels. — De Nijlboot van den stadhouder was niet minder rijk. Het houtwerk blonk van al het verguldsel. Het kajuithuisje was bekleed met veelkleurige Babylonische tapijten. Aan de snebbe zag men, gelijk weleer aan de zeeschepen van Hatasoe, een gouden leeuwenkop, waarin als oogen twee groote robijnen vonkelden.

Nadat de priesters zich hadden ingescheept en de heilige bark aan gindschen oever was geland, stormde het volk op de booten los, die weldra, soms tot zinkens toe geladen, den stroom langs de geheele lengte van Thebe en in zijn gansche breedte zoo bedekten, dat de zon maar hier en daar een plekje vond, om zich in het geelachtige water te spiegelen.

»Nu ga ik toch het pak van een hovenier leenen,” riep Rameri, »en laat ik mij met de kransen overzetten.”

»Wilt gij ons dan alleen laten?” vroeg Bent-Anat.

»Maak het mij niet te moeielijk, zuster,” smeekte Rameri.

»Ga dan,” zeide de prinses. »Als onze vader hier was, hoe gaarne voer ik dan met u naar de overzijde!”

»Waag het met mij!” hernam de jongeling. »Mogelijk is er voor u ook wel eene vermomming te vinden.”

»Dwaasheid!” antwoordde Bent-Anat, en zag Nefert vragend aan, die de schouders ophaalde, als wilde zij zeggen: »Wat gij wilt is mij goed.”

Die oogentaal der vriendinnen was den slimmen Rameri niet ontgaan, en met levendigheid riep hij uit: »Gij zult met mij gaan, dat kon ik u wel aanzien. Iedere bedelaarsknaap werpt heden zijne bloemen in het algemeene graf, dat de mummie zijns vaders bevat, en de kinderen van Ramses en de vrouw van zijn wagenmenner zouden uitgesloten zijn en hunne afgestorvenen geen krans mogen brengen?”

»Ik zou het graf door mijne tegenwoordigheid bezoedelen,” zeide Bent-Anat blozend.

»Gij, gij!” riep de prins terwijl hij zijne zuster omhelsde en kuste. »Gij, het beste en grootmoedigste schepsel dat er leeft;gij, die altijd gereed zijt om smarten te lenigen en tranen te drogen; gij het schoone evenbeeld van onzen vader, zoudt onrein zijn! Eer geloof ik, dat de zwanen onder ons zoo zwart zijn als de kraaien, en de rozenranken hier aan het balkon scheerlingstruiken. Bek-en-Choensoe heeft u de reinheid teruggegeven, en wanneer Ameni....”

»Ameni is echter in zijn recht,” zeide Bent-Anat vriendelijk, »en gij weet, wat wij beloofd hebben. Ik wil heden geen kwaad woord over hem hooren.”

»Goed dan! Hij heeft zich goed en genadig jegens ons betoond,” hernam Rameri spottend, terwijl hij zich diep boog met het aangezicht naar de Nekropolis gekeerd, »en gij zijt onrein! Betreed dan, wat mij betreft, het graf en den tempel niet, maar blijf met ons onder het volk. De wegen dáar aan de overzijde zijn zoo teergevoelig niet; zij worden toch dagelijks door onreine Paraschieten en huns gelijken betreden. Wees verstandig, Bent-Anat, en kom mede! Wij verkleeden ons, ik geleid u, ik leg de kransen op hunne plaats, wij bidden te zamen vóor de groeve, wij zien den heiligen optocht, en de werken der wonderdoeners, en hooren de feestrede. Bedenkt eens dat Pentaoer, niettegenstaande alles wat zij tegen hem hebben, haar houden mag. Het Seti-huis wil heden schitteren, en Ameni weet zeer goed dat Pentaoer, als hij den mond opent, dieper indruk te weeg brengt, dan alle wijze heeren, wanneer zij te zamen zingen in het heilige koor! Kom dan mede, zuster!”

»Het zij zoo!” sprak Bent-Anat, opeens besloten.

Rameri schrikte, toen hij dit haastig gesproken woord vernam, dat hem echter verblijdde. Nefert zag Bent-Anat vragend aan, om echter hare groote oogen weldra weder neder te slaan. Zij toch wist wie de uitverkorene was van hare vriendin, en in haar binnenste rees de angstige vraag: »Waar zal dit op uitloopen?”


Back to IndexNext