NEGENDE HOOFDSTUK.

Nauwelijks had hij uitgesproken, of prins Rameri trad op den voorgrond en zeide met bescheidenheid: »Wij zien nu in, heilige vader, dat wij een dommen streek hebben begaan, en ik betreur dien dubbel, omdat ik hem heb verzonnen en de anderen heb verleid mij te volgen. Ik heb Pentaoer innig lief, en na u is er niemand in het Seti-huis, die hem nabij komt.”

Er kwam eene wolk op het gelaat van Ameni, en onwillig antwoordde hij: »Scholieren staat het niet vrij over hunne leermeesters te oordeelen, ook u niet. Waart gij niet de zoon des konings, die als Ra over Egypte heerscht, zoo zou ik uwe onbezonnenheid met slagen doen straffen. Tegenover u zijn de handen mij gebonden, en toch moet ik ze overal en te ieder ure kunnen uitstrekken, opdat de honderden die mij zijn toevertrouwd geen schade lijden.”

»Straf mij dan!” riep Rameri. »Als ik eene dwaasheid bega, ben ik ook bereid er de gevolgen van te dragen.”

Ameni zag den levendigen jongeling weder met welgevallen aan, en zou hem gaarne de hand geschud en zijn kroeskop gestreeld hebben. Maar de straf Rameri toegedacht, moest een groot doel helpen bevorderen, en Ameni kende ook aan geene opwelling van zijn gemoed het recht toe, hem in de uitvoering van een wél overwogen plan te verhinderen. Daarom antwoordde hij den prins met strengen ernst: »Ik moet en zal u straffen, en doe het met u te verzoeken nog heden het Seti-huis te verlaten.”

De prins verbleekte; Ameni ging echter vergoelijkend voort:

»Ik verjaag u niet met schande uit ons midden, maar zeg u vriendelijk vaarwel. Binnen weinige weken zoudt gij deze inrichting toch verlaten, en overeenkomstig het bevel des konings, wiens leven, heil en kracht bloeie! het oefeningskamp der wagenstrijders betrokken hebben. Ik heb ten uwen opzichte over geene andere straf te beschikken dan deze. Reik mij nu de hand. Gij zult een degelijk man en misschien een groot krijgsheld worden.”

Overbluft bleef Rameri tegenover Ameni staan, zonder zijne hem aangebodene rechterhand aan te nemen. Toen naderde de priester hem en zeide: »Gij zeidet mij, dat gij bereid waart degevolgen uwer dwaasheid op u te nemen, en het woord van een koningszoon is onwankelbaar. Vóor zonsondergang geleiden wij u uit den tempel.”

De opperpriester keerde daarop den kweekelingen den rug toe en verliet den schoolhof. Rameri zag hem na. Zijn anders zoo frisch gelaat was doodelijk bleek geworden, en het bloed scheen uit zijne lippen verdwenen. Geen zijner makkers durfde hem naderen, want ieder hunner was overtuigd, dat de gedachten die ’s jongelings ziel vervulden, niet lichtvaardig mochten worden verstoord. Niemand sprak een woord, maar allen zagen op hem.

Zoodra Rameri dit bespeurde, trachtte hij zich te beheerschen en zeide op een toon, die zijne aandoeningen verried, terwijl hij Anana en een anderen vriend zijne handen toestak: »Ben ik dan zoo slecht, dat men mij aldus uit uw midden verstooten en mijn vader zulk een leed berokkenen moet?”

»Gij hebt Ameni uw hand geweigerd,” zeide Anana. »Ga heen, reik hem de uwe, smeek hem, dat hij wat minder streng zij, mogelijk laat hij u dan nog in deze inrichting.”

Rameri antwoordde enkel »neen!” Maar datneenklonk zoo bepaald, dat allen die hem kenden wel wisten, dat er niets aan te veranderen was.

Eer de zon onderging verliet hij de school. Ameni zegende hem, zeggende, dat de prins, als hij zelf te bevelen zou hebben, zijne strengheid zou begrijpen. Aan de overige leerlingen was het vergund hem tot aan den Nijl te begeleiden. Pentaoer nam hartelijk afscheid van hem aan de tempelpoort.

Toen Rameri met zijn hofmeester alleen was in de kajuit van zijne vergulde bark, gevoelde hij dat zijne oogen zwommen in tranen.

»Mijn prins weent toch niet?” vroeg de beambte.

»Waarom?” gaf de koningszoon barsch ten antwoord.

»Ik meende op de wangen van mijn prins tranen te hebben opgemerkt,” hernam de ander.

»Tranen van vreugde, omdat ik uit den val ben,” riep Rameri sprong aan land en was weinige minuten later in het paleis der pharao’s bij zijne zuster Bent-Anat.

216)Feestredenaar. Wij kunnen ons niet vereenigen met hen, die den naam van dezen redenaar, onder de priesters, met dien der Kolchyten overeen willen brengen.217)Deze waren in Egypte bekend. Volgens Plinius namen zij wijn, waarin asperges waren afgekookt, als middel tegen tandpijn in den mond.

216)Feestredenaar. Wij kunnen ons niet vereenigen met hen, die den naam van dezen redenaar, onder de priesters, met dien der Kolchyten overeen willen brengen.

216)Feestredenaar. Wij kunnen ons niet vereenigen met hen, die den naam van dezen redenaar, onder de priesters, met dien der Kolchyten overeen willen brengen.

217)Deze waren in Egypte bekend. Volgens Plinius namen zij wijn, waarin asperges waren afgekookt, als middel tegen tandpijn in den mond.

217)Deze waren in Egypte bekend. Volgens Plinius namen zij wijn, waarin asperges waren afgekookt, als middel tegen tandpijn in den mond.

Deze dag, zoo rijk aan gebeurtenissen, zou niet alleen vele onverwachte dingen brengen aan de bewoners van de doodenstad, maar ook aan onze bekenden in Thebe.

Vrouwe Katoeti was na een slapeloozen nacht vroeg opgestaan. Nefert was laat te huis gekomen, had zich over haar lang uitblijven verontschuldigd en hare moeder kortelijk medegedeeld, hoe Bent-Anat haar geruimen tijd had opgehouden. Vriendelijk was zij heengegaan, nadat Katoeti haar een nachtkus op het voorhoofd had gedrukt. Toen de weduwe zich in haar slaapvertrek wilde terugtrekken en Nemoe de pit van hare lamp aanstak, kwam haar het geheim weder in de gedachte, dat Paäker geheel in de handen van den stadhouder zou overleveren. Zij beval den dwerg haar mede te deelen wat hij wist, en de kleine vertelde haar eindelijk, hoewel met ongeveinsden tegenzin, want hij was bang voor zijne moeder, dat de gids zijne meesteres Nefert de helft van een liefdedrank had aangeboden, waarvan de andere helft vermoedelijk nog in zijn bezit was.

Weinige uren geleden zou dit bericht Katoeti met weerzin, ja, met ontzetting hebben vervuld. Thans keurde zij de daad van den Mohar ook wel af, maar zij vroeg toch met belangstelling, of zulk een drank werkelijk eenige uitwerking kon hebben.

»Zeker wel,” antwoordde de dwerg, »wanneer de geheele inhoud van het fleschje wordt gebruikt; doch Nefert kreeg maar de helft te drinken.”

Laat in den avond begaf Katoeti zich naar haar slaapvertrek, geheel vervuld met de gedachte aan Paäker’s waanzinnige liefde, Mena’s trouwbreuk en de groote verandering, die er met Nefert had plaats gegrepen. Toen zij op haar rustbed lag, werd zij gekwelddoor duizend angsten, vermoedens en vreezen. Niet het minst verontrustte haar, dat een gevoel, hetwelk tegen elken aanval bestand moest zijn, de liefde van het kind voor hare moeder, bij Nefert zoo geweldig was geschokt. Dadelijk na zonsopgang begaf zij zich naar de huiskapel, offerde daar aan het in de gestalte van Osiris bewerkte beeld van haar gestorven echtgenoot, reed naar den tempel en bracht daar een poos in het gebed door. Bij haar terugkomst vond zij hare dochter echter nog niet in de openbare galerij, die wij kennen en waar zij gewoon was haar ontbijt te gebruiken.

Katoeti bleef in het morgenuur gaarne ongestoord, en daarom verzette zij zich niet tegen de neiging harer dochter, die gaarne nog wat in de kunstmatige duisternis van haar vertrek bleef slapen, als de zon reeds aan den hemel was. Wanneer de weduwe naar den tempel reed, dronk Nefert gewoonlijk op haar bed eene schaal melk, waarna zij zich liet kleeden. Keerde hare moeder terug, dan vond zij haar in de ons welbekende veranda. Heden nu moest Katoeti alleen ontbijten. Toen zij een weinig had gegeten, bedekte zij Nefert’s ontbijt, bestaande uit een tarwekoek en wat wijn in een zilveren bekertje, zorgvuldig met een dunnen doek tegen stof en insecten, waarop zij zich naar het slaapvertrek harer dochter begaf. Zij schrikte toen zij dit ledig vond, maar weldra vernam zij, dat Nefert zich veel vroeger dan andere dagen naar den tempel had laten dragen.

Zij haalde vrijer adem, toen zij in de veranda terugkwam, om haar neef Paäker te ontvangen, die inmiddels gekomen was om naar de gezondheid zijner betrekkingen te vernemen. Hij liet zich twee prachtige bloemruikers218)door een slaaf nadragen, en had den grooten hond bij zich, die reeds aan zijn vader had behoord. Den eenen ruiker, zeide hij, had hij voor Nefert, den anderen voor hare moeder laten snijden. Katoeti stelde nog te meer belang in Paäker, sedert zij wist, dat hij zich van den liefdedrank had bediend. Maar zelden liet een jongeling uit den stand waartoe hij behoorde, zich zoo door hartstochtelijke liefde voor eene vrouw beheerschen als deze man, die met taai geduld en vaste wilskracht op zijn doel afging, en geen middel ontzag om het te bereiken. De gids, die onder hare oogen was opgegroeid, wiens zwakheden zij kende en op wien zij gewoon was neer te zien, stond daar opeens voor haar als een ander vreemd mensch, eenredder voor zijne vrienden, een onbarmhartig tegenstander van zijne vijanden.

Maar enkele oogenblikken hadden deze gedachten haar bezig gehouden, toen zij haar oog op de ineengedrongen gestalte van haar sterk gespierden neef liet rusten, en het trof haar dat hij uiterlijk zoo weinig geleek op zijn vader, die slank en schoon gebouwd was. Dikwijls had zij de fijne handen van haar overleden zwager bewonderd, die toch ook den greep van het zwaard zoo vast wisten te omklemmen; maar de handen van zijn zoon waren breed en lomp. Terwijl Paäker vertelde, dat hij weldra zou opbreken om naar Syrië te vertrekken, volgde zij onwillekeurig de beweging van zijne hand, die telkens naar den gordel greep, als had hij daar een zeker iets te verbergen. Dat zeker iets was niets anders dan het langwerpige albasten fleschje met den liefdedrank. Katoeti bemerkte het, en hare wangen verbleekten; want zij begon te vermoeden wat het inhield.

Den gids kon de ontroering van zijne nicht niet ontgaan, en daarom zeide hij deelnemend: »Ik kan het u aanzien, dat gij lijdt. De opzichter van Mena’s stoeterij in Hermonthis is zeker bij u geweest. — Niet? Gisteren kwam hij mij vragen, of ik hem wilde vergunnen zich bij mijne troepenafdeeling aan te sluiten. Hij is boos op u, omdat hij enkele spannen van Mena’s geelvossen heeft moeten afgeven. Het schoonste heb ik gekocht. Prachtige beesten! Nu wil hij naar zijn meester, om hem de oogen te openen, zoo als hij zegt. — Ga toch zitten, nicht; gij zijt zoo bleek!”

Katoeti voldeed echter volstrekt niet aan dit verzoek; integendeel, zij glimlachte en zeide half onwillig half medelijdend: »Die oude gek gelooft waarlijk, dat ons wel en wee aan die geelvossen hangt. Zult gij hem medenemen? — Hij wil Mena’s oogen openen? Maar niemand heeft ze hem nog doen sluiten!”

De laatste woorden werden zachter door haar uitgesproken, terwijl zij hare oogen nedersloeg. Ook Paäker zag vóor zich en zweeg. Weldra herstelde hij zich echter en zeide: »Als Nefert nog lang uitblijft, dan ga ik heen.”

»Neen, neen! Blijf!” sprak de weduwe haastig. »Zij verlangt u te zien en kan ieder oogenblik terugkomen. Zie, daar staat haar broodkoek en haar wijn nog onaangeroerd.”

Bij deze woorden nam zij het doekje van de onbijttafel, hief het zilveren bekertje even op en vervolgde toen, het doekje in de hand houdende: »Ik moet u een oogenblik alleen laten, om te onderzoeken of zij misschien niet reeds terug is.”

Nauwelijks had zij de veranda verlaten, of Paäker, na zich overtuigd te hebben dat hij door niemand gezien kon worden, greep driftig het fleschje uit zijn gordel, hield het onder aanroepingvan zijn Osirischen vader in de hoogte, en goot het ledig in het bekertje, dat nu boordevol was.

Een oogenblik later verscheen Nefert, en onmiddellijk achter haar Katoeti, in de veranda. Paäker greep naar den ruiker, dien zijn slaaf op een stoel had gelegd, en naderde met aarzelende schreden de jonge vrouw, die heden met zulk een vasten stap vooruittrad en zoo helder en fier de oogen opsloeg, dat zelfs hare moeder haar met verbazing aanzag. Paäker zeide tot zichzelven, dat hij haar nog nooit zoo schoon en levenslustig had gezien. Kon zij haar echtgenoot wel liefhebben, wanneer zij zich diens trouwbreuk zoo weinig aantrok? Behoorde haar hart nu aan een ander? Zou de liefdedrank hem werkelijk in Mena’s plaats hebben gesteld? Ja waarlijk! want hoe begroette zij hem! Reeds van verre reikte zij hem de hand, en liet haar lang in de zijne rusten. Zij dankte hem in hartelijke woorden en prees zijne trouw en grootmoedigheid. Daarna ging zij naar de ontbijttafel, verzocht Paäker zich bij haar neder te zetten, brak haar koek door en vroeg belangstellend naar hare tante Setchem, zijne moeder.

Katoeti zoowel als Paäker volgden met een kloppend hart elke harer bewegingen. Nu greep zij naar den beker, bracht dien aan de lippen, maar zette hem terstond weder neder, toen de Mohar opmerkte, dat zij haar ontbijt zoo laat gebruikte. Want terwijl een blosje hare wangen kleurde, antwoordde zij: »Tot hiertoe was ik recht lui, maar heden ben ik vroeg opgestaan, om nog in de morgenkoelte naar den tempel te gaan en te bidden. Gij weet zeker, wat er met den heiligen ram van Amon gebeurd is. Een vreeselijk ongeluk! De priesters waren geweldig ontsteld. Doch de edele Bek-en-Choensoe ontving mij en verklaarde mijn droom, en nu gevoel ik mij verlicht en recht vroolijk gestemd.”

»En dat alles zonder mij?” vroeg Katoeti, op zacht verwijtenden toon.

»Ik wilde u niet storen,” antwoordde Nefert. »En ’s morgens,” voegde zij er bij, op nieuw blozende, »neemt ge mij toch nooit mede naar de stad en den tempel.”

Wederom greep zij naar het bekertje, bekeek den wijn en zeide, zonder nog te drinken: »Wilt gij hooren wat ik gedroomd heb, Paäker? Het was een wonderbaar gezicht!”

De gids verkeerde in zulk eene spanning, dat hij bijna geen adem durfde halen. Toch verzocht hij haar te willen vertellen.

»Verbeeld u,” begon Nefert, en zij schoof het bekertje op het gladde voetje, dat reeds bevochtigd was door eenige overgestorte droppels, heen en weer. »Verbeeld u, Paäker, ik droomde vanden Neha-boom219)daarginds in die groote kuip, die uw vader voor mij, toen ik nog een kind was, uit Poent heeft medegebracht, en die sedert zoo heerlijk is opgegroeid. Geen boom in den tuin is mij zoo lief als deze, want hij herinnert mij altijd aan uw onvergetelijken vader, die zooveel van mij hield.”

Paäker knikte toestemmend.

Nefert zag hem aan, brak haar verhaal af en zeide, toen zij zag dat zijne wangen gloeiden: »Het wordt heet. Wilt gij ook een dronk wijn of water?”

Terwijl zij dit zeide, nam zijzelve het bekertje op en dronk het half leeg. Eene rilling voer haar door de leden, en terwijl zij haar schoon gelaat tot een komisch lachje plooide, keerde zij zich om naar Katoeti, die achter haar stoel stond, en reikte haar den beker toe, zeggende: »Heden is de wijn toch wat al te zuur. Proef maar eens, moeder!”

De weduwe nam het zilveren bekertje in de hand, en bracht het werkelijk aan hare lippen, zonder die echter te bevochtigen. Toen zij den beker van den mond nam, zweefde er een lachje over haar gezicht, terwijl zij hare oogen richtte op den gids, die haar verschrikt aanstaarde. Bliksemsnel schoot de gedachte door haar brein: »Ik smachtend verliefd op hem, en hij vol angst voor zulk eene neiging!” — Hoe zelfzuchtig hare ziel ook was, hoe vol listen en lagen, zij was niet ruw, en toch had zij hartelijk in lachen kunnen uitbarsten, terwijl zij de schandelijkste daad haars levens beging. In goede luim gaf zij Nefert den wijn terug, en zeide: »Ik heb dien wel eens zoeter gedronken, maar de zure verfrischt meer in de hitte.”

»Dat is ook waar,” antwoordde de vrouw van Mena, ledigde den beker tot den bodem, en zeide, alsof het haar verkwikt had: »Nu wil ik ook mijn droom ten einde vertellen. Ik zag dan den Neha-boom, het geschenk uws vaders, fraai en duidelijk voor mij staan. Ja, ik meen zelfs zijn geur te hebben opgevangen, ofschoon de droomuitlegger zeide, dat dit niet mogelijk was, daar men in den droom niet ruiken kan. Vol bewondering naderde ik de schoone plant. Daar vertoonden zich opeens wel honderd bijlen in de lucht, en hieuwen, als door onzichtbare handen gedreven, op den armen boom zoo duchtig in, dat de eene tak voor, de andere na, en eindelijk ook de boom op den grond viel. Als gij nu meent, dat mij dit verontrustte, dan bedriegt ge u. Ik schepte veeleer vermaak in de blinkende bijlen en vliegende spaanders. Toen er eindelijk niets meer over was om te vernielen, behalve de wortel in de aarde, besloot ik denboom tot een nieuw leven te wekken. Mijne zwakke armen werden plotseling buitengemeen sterk, mijne voeten uitermate vlug. Ik haalde veel water uit den vijver en goot het op de wortels. Toen ik eindelijk van inspanning niet langer kon, vertoonde zich een zacht groen, ter plaatse waar de boom was afgehakt. Een knopje kwam te voorschijn, een groen blaadje wikkelde er zich uit los, een saprijk stengeltje schoot in een oogwenk naar boven, verhardde zich tot een stam, die zijne takken en twijgjes begon uit te spreiden, waaraan groene blaadjes wiesen en witte, roode en blauwe bloesems. Toen kwamen vele schoon gevederde vogels aangevlogen; zij zetten zich in de kroon van den boom en begonnen te zingen. Ach, mijn hart zong bij dit gezicht nog luider dan de vogels, en ik zeide tot mij zelve: dat die boom zonder mij gestorven zou zijn, en aan mij zijn leven te danken had.”

»Een schoone droom,” zeide Katoeti, »die mij den tijd herinnert, toen gij nog een jong meisje waart, en halve nachten lang wakker kondt liggen, terwijl gij allerlei wonderlijke sprookjes bedacht. Welke verklaring gaf de priester u?”

»O, hij beloofde mij van alles,” zeide Nefert, »en gaf mij de verzekering, dat het voor mij bestemde geluk, na gewelddadige stoornissen, eindelijk als het frissche groen zou ontluiken.”

»En Paäker’s vader schonk u den Neha-boom?” vroeg Katoeti, terwijl zij de veranda verliet, en naar buiten trad in den tuin.

»Mijn vader bracht hem voor u van de oostelijke grenzen naar Thebe,” zeide de gids, de laatste woorden van de weduwe bevestigende.

»Dat is het juist wat mij zoo hartelijk verheugt,” hernam Nefert. »Want ik had uw vader zoo lief; hij was mij zoo dierbaar, als ware hij mijn eigen vader geweest. Weet gij nog hoe wij samen den vijver omzeilden, hoe de boot toen omsloeg, en gij mij bewusteloos uit het water hebt gedragen? Nooit zal ik den blik vergeten, waarmede de kloeke man mij aanzag, toen ik in zijne armen weder bijkwam. Zulke verstandige en trouwhartige oogen als hij, heeft niemand ooit gehad.”

»Hij was goed en had u innig lief,” zeide Paäker, insgelijks de ure gedenkende, waarin hij het voor ’t eerst gewaagd had, het schoone bewustelooze kind een kus op de lippen te drukken.

»Hoe verheug ik mij,” riep Nefert, »dat de dag eindelijk gekomen is, waarop wij te zamen over hem kunnen spreken; dat de oude boosheid, die mijn hart zoo bezwaarde, eindelijk vergeten is! Ik heb nu ondervonden, hoe goed gij zijt! Mijn gemoed schiet vol, wanneer ik mij weder in mijne kindsheid verplaats en gedenk, hoe ik al het schoone en onvergetelijke van die jaren aan u en de uwen verschuldigd ben. Zie eens, hoe zich de hond, de groote Descher, tegen mij aandringt. Hij wil mij toonen, dat hij mijnog niet vergeten heeft! Al wat uit uw huis komt wekt in mij zulke vriendelijke herinneringen!”

»Wij hadden u allen ook zoo lief,” zeide Paäker, en zag haar daarbij met teederheid aan.

»En wat zag het er mooi uit in uw tuin!” vervolgde Nefert. »Deze bloemen, die ge mij gebracht hebt, moeten in het water gezet en lang bewaard worden, als een groet van de plek, waar ik zoo gelukkig en zorgeloos spelen en droomen kon!”

Bij deze woorden drukte zij hare lippen op de veelkleurige bloemen. Doch Paäker stond op, greep hare rechterhand en bedekte haar met vurige kussen.

Nefert schrikte, en trok haar hand snel terug. Hij strekte echter zijn arm uit, om haar, terwijl zij terugweek, te omvatten. Reeds raakte zijne bevende hand haar slanke middel aan, toen er een luid geroep uit den tuin werd vernomen. Het was Nemoe, die de galerij binnenvloog om te berichten, dat de prinses Bent-Anat gekomen was. Op hetzelfde oogenblik verscheen Katoeti en weinige oogenblikken later de lievelingsdochter van Ramses.

Paäker trad terug en nam afscheid, alvorens Nefert tijd had gevonden aan hare ontroering woorden te geven. Van vreugde dronken bereikte hij zijn wagen. Hij hield zich zeker overtuigd, dat de vrouw van den wagenmenner hem liefhad. Zijn hart jubelde en hij nam zich voor, de oude Hekt met goud te beloonen. Onverwijld reed hij naar het paleis, om den stadhouder Ani te verzoeken hem naar Syrië te laten trekken. Daar zou het gelden: hem of Mena!.....

218)De voorstellingen op de gedenkteekenen leeren ons, dat reeds in het oude Egypte, evenals bij ons, bloemruikers als teeken van vriendschap werden gegeven.219)Wierookboom. Zie boven, bl.220.

218)De voorstellingen op de gedenkteekenen leeren ons, dat reeds in het oude Egypte, evenals bij ons, bloemruikers als teeken van vriendschap werden gegeven.

218)De voorstellingen op de gedenkteekenen leeren ons, dat reeds in het oude Egypte, evenals bij ons, bloemruikers als teeken van vriendschap werden gegeven.

219)Wierookboom. Zie boven, bl.220.

219)Wierookboom. Zie boven, bl.220.

Terwijl Nefert daar van verontwaardiging als aan den grond genageld stond, zoodat zij geene woorden kon vinden om hare vorstelijke vriendin te begroeten, maakte Bent-Anat met koninklijke waardigheid aan de weduwe haar besluit kenbaar om aan hare dochter de eereplaats op te dragen, die door den dood van hare aanzienlijke vriendin was opengevallen. Heden nog, zoo beval zij, moet de vrouw van Mena in het paleis haar intrek nemen.

Zóo had de prinses nog nooit tot Katoeti gesproken, en het kon de weduwe niet ontgaan, dat Bent-Anat met voordacht thans niet sprak op den ouden vertrouwelijken toon. »Nefert,” zeide zij tot zichzelve, »heeft mij bij haar aangeklaagd, en zij acht mij voortaan de vriendschap en goedheid, waarmede zij mij vroeger bejegende, onwaardig.”

Zij gevoelde zich beleedigd en verontrust tevens. Ofschoon zij zich zeer goed bewust was van de gevaren, waarmede zij bedreigd werd, nu de oogen van hare dochter geopend waren, werd haar hart toch pijnlijk aangedaan door de gedachte haar kind te zullen verliezen. De tranen die in haar oogen welden, en de weemoed die er lag in hare bevende stem, waren daarom oprecht gemeend, toen zij de prinses antwoordde: »Gij vordert de betere helft van mijn leven! Doch gij hebt te bevelen en ik te gehoorzamen.”

Bent-Anat gaf trotsch een wenk met de rechterhand, als om te bevestigen wat de weduwe had gezegd. Maar Nefert vloog naar hare moeder toe, sloeg de armen om haar hals en weende lang aan haar boezem. Ook in de oogen van de prinses parelden tranen, toen Katoeti eindelijk hare dochter tot haar leidde en nog een laatsten hartelijken kus op haar schoon voorhoofd drukte.Bent-Anat vatte Nefert’s hand en liet haar niet weder los. Zij verzocht de weduwe al de kleederen en sieraden harer dochter ter hand te stellen aan de dienstmaagden en huisslaven, die zij zenden zou.

»Vergeet toch niet de doos met gedroogde bloemen, en mijn godenbeeldjes en de amuletten,” vroeg Nefert. »Ook den Neha-boom, dien oom mij schonk, zou ik gaarne hebben.”

Aan hare voeten speelde haar wit katje met den op den grond gevallen bloemruiker van Paäker. Zoodra zij het beestje opmerkte, nam zij het op en gaf het een kus.

»Neem ook dat diertje mede,” zeide de prinses. »Gij speeldet er zoo gaarne mede.”

»Neen,” antwoordde Nefert, terwijl zij bloosde.

De prinses begreep haar, drukte hare hand en vroeg, terwijl zij op Nemoe wees: »De dwerg is immers ook uw eigendom? Zal hij u volgen?”

»Ik geef hem mijne moeder ten geschenke,” antwoordde Nefert. Daarop liet zij door den kleine haar kleed en hare voeten kussen, omarmde Katoeti nog eens en verliet den tuin met hare vorstelijke vriendin.

Zoodra Katoeti alleen was, ijlde zij naar hare kapel, waarin de beelden harer voorvaderen stonden, afgezonderd van die van Mena. Half klagend, half dankend wierp zij zich neder voor het beeld van haar gestorven echtgenoot. De scheiding was haar zeker moeilijk gevallen, en het gemis harer dochter vervulde haar hart met smart, doch het verloste haar tevens van een zwaren last, die als een berg hare borst beklemde. Sedert gisteren was zij te moede geweest als een wandelaar, die zijne schreden richt langs de helling van een diepen afgrond, terwijl zijn vijand hem op de hielen volgt. Weldra kreeg het gevoel van verlost te zijn van hetgeen haar bedreigde de overhand, en onderdrukte hare moedersmart. Het was alsof de afgronden waren aangevuld, als lag daar voor haren voet een effen weg, dien zij slechts te bewandelen had, om het laatste doel van haar streven te bereiken.

De weduwe, die anders zoo statig daarheen ging, doorliep nu haastig en in heftige beweging de paden van den tuin, toen zij uit de kapel was teruggekeerd. Voor de eerste maal, sedert die ongeluksbode kwam uit het leger te velde, gelukte het haar den stand der zaken duidelijk en klaar te overzien, en na te denken over de maatregelen, die Ani in de naaste toekomst nemen moest. Het slot van hare overwegingen was, dat alles goed stond, en dat het tijdstip gekomen was, om snel en kloek te handelen.

Toen de boden van de prinses verschenen, was zij kalm en bestuurde zij met overleg het inpakken van alle voorwerpen,die Nefert had verlangd mede te nemen. Zoodra dit was afgeloopen, zond zij den dwerg tot Ani met het verzoek, dat hij haar spoedig mocht bezoeken. Doch eer Nemoe nog het erf van Mena verlaten had, zag hij reeds de voorloopers van den stadhouder, en daarop zijn wagen, omgeven door de trawanten, die gewoon waren hem te volgen. Weinige oogenblikken later wandelde Katoeti met haar vorstelijken vriend in den tuin op en neder, vertelde hem dat Bent-Anat hare dochter had medegenomen, en herhaalde alles, wat zij in de laatste uren overwogen en vastgesteld had.

»Gij hebt met mannelijke kloekheid alles overlegd,” zeide Ani, »en ditmaal zult gij mij niet tevergeefs aanzetten. Ameni is bereid te handelen en Paäker verzamelt reeds zijne strijdbare lieden. Hij wil morgen nog het feest van het dal bijwonen, en overmorgen trekt hij naar Syrië.”

»Is hij dan bij u geweest?” vroeg Katoeti.

»Uit uw huis kwam hij regelrecht naar het paleis,” antwoordde Ani. »Zijne wangen gloeiden. Hij is tot het uiterste besloten, hoewel hij nog niet vermoedt, dat ik hem in mijne macht heb.”

Zoo voortpratende kwamen zij aan de veranda, waar Nemoe zich had opgehouden, die zich nu om te luisteren achter de bladplanten had verborgen. Zij zetten zich naast elkander neer aan Nefert’s ontbijttafel. Ani vroeg zijne vriendin, of Nemoe haar het geheim zijner moeder had toevertrouwd. Katoeti hield zich van alles onkundig, en speelde de rol eener door schrik en ontzetting aangegrepene moeder zoo bijzonder goed, toen zij de geschiedenis van den liefdedrank vernam, dat de stadhouder haar tot kalmte moest brengen door te verzekeren, dat de werking van zulke dranken maar eene inbeelding was.

»Nu versta, nu begrijp ik mijne dochter eerst,” zeide Katoeti echter. »Paäker moet den drank in haren wijn hebben gegoten, want zoodra Nefert heden morgen haar beker geledigd had, was zij als veranderd. Zij richtte tot Paäker de teederste woorden, en wanneer hij straks zich zoo blijmoedig ter uwer beschikking heeft gesteld, dan deed hij dit ongetwijfeld, omdat hij zeker meent te zijn van de liefde mijner dochter. De artsenij van de oude tooveres heeft waarlijk gewerkt!”

»Mogelijk zijn er toch wel zulke dranken,” zeide Ani nadenkend. »Maar zij zullen alleen de harten van jonge mannen kunnen doen winnen. Is dit het geval, dan maakt die oude slechte zaken, want de jeugd is op zichzelve wel in staat door hare betoovering liefde te wekken. Ja, als ik nog zoo jong was als Paäker! — Gij lacht om deze mijne verzuchting? Laat ik het maar uitspreken: ik ben een zuchtend oud man! Ja, waarlijk, een oud man, want de middag mijns levens ligt reeds achtermij. En toch, Katoeti, vriendin, verstandigste der vrouwen, verklaar mij dit eene! Toen ik jong was, werd ik zeer geliefd. Ik heb ook vele vrouwen liefgehad, maar ik beschouwde ze allen als speelgoed; zelfs mijne vroeg gestorvene gade maakte hierop geene uitzondering. En thans steek ik mijne hand uit naar eene jonkvrouw, wier vader ik zou kunnen zijn, niet om mij in haar bezit te verheugen, maar om haar dienstbaar te maken aan mijne plannen. En nu zij mij versmaadt, gevoel ik mij zoo verontrust, zoo zwaar als... ja, het verschilt niet veel of ik gelijk Paäker, die een liefdedrank kocht.”

»Hebt gij met Bent-Anat gesproken?” vroeg de weduwe.

»Ik was zoo onnoozel,” antwoordde Ani, »om de prinses hare afwijzing, die zij mij door u had laten overbrengen, met eigen mond te doen herhalen. Gij ziet het, mijn verstand heeft geleden.”

»En onder welke voorwendsels wees zij uw hand af?” vroeg de weduwe.

»Voorwendsels?” riep Ani. »Bent-Anat en voorwendsels! Dit moet erkend worden: deze vrouw bezit koninklijken trots en de groote Ma220)in eigen persoon is niet waarachtiger dan zij. Ik kom er rond voor uit: tegenover haar scheen mij alles wat wij in het schild voeren al zeer erbarmelijk! In mijne aderen vloeien nu eenmaal vele droppels van Thotmes’ bloed, en ofschoon het leven mij geleerd heeft den rug te krommen, zoo doet mij het bukken toch pijn. Het blijmoedig gevoel van tevredenheid met mijn toestand en met al mijne handelingen heb ik nooit gekend, want ik was altijd meer dan ik zijn mocht en deed minder dan ik had moeten doen. Om niet ten alle tijde een droefgeestig gezicht te zetten, lachte ik maar altijd. Mijn gelaat is met niets anders bedekt dan met de huid, waarmede mijne moeder mij ter wereld bracht, en toch draag ik altijd een masker. Ik dien hem, wiens heer ik meen te zijn, krachtens mijne geboorte. Ik haat Ramses, die mij, al of niet oprecht gemeend, zijn broeder noemt, en terwijl ik mij voordoe als bevestigde ik den grondslag zijner heerschappij, ben ik ijverig bezig om dien te ondermijnen. Mijn geheele bestaan is een leugen!”

»Maar het zal waarheid worden,” sprak Katoeti, »zoodra de goden u vergunnen te worden wat gij zijt, de echte koning van het land.”

»Zonderling,” zeide de stadhouder glimlachend. »De opperpriester Ameni bediende zich heden bijna van dezelfde woorden. De slimheid van priesters en vrouwen heeft veel overeenkomst;gij strijdt dan ook met gelijksoortige wapenen. In plaats van zwaarden bedient gij u van woorden, in plaats van lansen gebruikt gij strikken, die gij ons niet om het lichaam maar om de ziel werpt.”

»Wilt gij ons hiermede berispen of prijzen?” vroeg de weduwe. »In elk geval zijn wij niet onmachtig, en daarom bruikbare bondgenooten, zou ik meenen.”

»Dat zijt gij,” zeide Ani, wederom lachend. »Er vloeit toch in dit land geen traan, hetzij uit smart hetzij uit vreugde geweend, waarvan niet ten slotte een priester of eene vrouw de oorzaak is. In ernst, Katoeti, van tien groote gebeurtenissen hebt gij vrouwen in negen de hand in het spel. Gij zijt de aanleiding tot alles wat er thans wordt voorbereid. Ik wil u oprecht belijden, dat ik voor weinige uren, niettegenstaande ons laatste succes, mijne aanspraken op den troon zou hebben laten varen, indien de jonkvrouw Bent-Anat in plaats vanneen, ja had gezegd.”

»Gij wilt mij wijs maken,” hernam Katoeti, »dat het zwakker geslacht met een krachtiger wil is begaafd dan het sterkere. Gij noemt ons dan in het huwelijk ook: ‚de meesteressen van het huis,’ en wanneer de ouders der burgers zwak worden, dan is het hier te lande de gewoonte, dat niet de zonen maar de dochters hen onderhouden. Maar wij vrouwen hebben ook onze zwakheden, en daaronder in de eerste plaats de nieuwsgierigheid. Mag ik vragen op welke gronden Bent-Anat u afwees?”

»Gij weet zoo veel,” antwoordde Ani, »dat gij alles wel moogt weten. Zij vergunde mij dan haar alleen te spreken. Het was nog vroeg en zij kwam juist uit den tempel, waar haar de oude en zwakke eerste profeet de reinheid teruggegeven had. In al hare jeugdige frischheid, schoon en fier trad zij mij te gemoet, sterk en gezond als eene godin en vorstin. Mij klopte het hart in den boezem, alsof ik nog een jongeling was, en terwijl zij mij hare bloemen toonde, zeide ik tot mij zelven: Gij zijt gekomen om door haar een nieuw recht op den troon te winnen, maar stemt zij er in toe de uwe te worden, dan wil ik Ramses’ trouwe broeder en stadhouder zijn, rust en geluk genieten aan hare zij en door haar, eer het te laat is. Wijst zij mij af, dan moge het noodlot worden vervuld; dan kies ik in plaats van liefde en vrede, de worsteling om de kroon, die aan mijn huis werd ontroofd. — Ik begon met mijn aanzoek, maar zij nam mij het woord uit den mond, noemde mij een edel man, een waardig minnaar...”

»Doch nu kwam hetmaar,” viel Katoeti in de rede.

»Het kwam,” hernam Ani bevestigend, »en wel in den vorm van een openhartigneen! Ik vroeg naar de gronden dezer weigering.Zij bad, dat ik mij met dit ‚neen’ tevreden zou stellen. Toen begon ik met meer kracht aan te dringen, tot zij mij in de rede viel, en op trotschen vastbesloten toon erkende, dat zij aan een ander boven mij de voorkeur gaf. Ik wenschte den naam van dien gelukkige te weten. Zij weigerde dien te noemen. Toen eerst begon mijn bloed te koken, mijn verlangen naar haar nog grooter te worden. Toch moest ik haar verlaten, afgewezen zonder hoop, en met een nieuw brandend gif in het hart.”

»Gij zijt ijverzuchtig,” zeide Katoeti. »En weet gij op wien?”

»Neen,” antwoordde Ani. »Maar ik hoop het door u te weten te komen. Wat hier in mijn binnenste woelt, weet ik geen naam te geven. Eén ding echter weet ik, en dat is, dat ik weifelde toen ik het paleis betrad, maar dat ik vast besloten was toen ik het verliet. Ik storm nu voorwaarts, om niet meer op mijne schreden terug te kunnen keeren. Van nu aan zult ge mij niet meer behoeven voort te drijven, maar veeleer tegen te houden. Als hadden de goden mij willen toonen, dat zij genegen zijn mij bij te staan, vond ik bij mijne tehuiskomst den opperpriester Ameni en den gids Paäker op mij wachten. Ameni zal voor mij in Egypte, Paäker in Syrië handelen. Mijne zegevierend uit Ethiopië teruggekeerde troepen, trekken morgen vroeg in triumf Thebe binnen, als had de koning aan hun hoofd gevochten. Zij zullen ook deelnemen aan het feest van het dal. Later zenden wij ze in het noorderland, en leggen ze in de vestingen, die Egypte tegen de uit het oosten komende vijanden beschermen221), Tanis, Pelusium, Daphne, en Migdol. Ramses verlangt, zooals gij weet, dat de onderhoorigen van de priesters geoefend, en hem als hulptroepen nagezonden zullen worden. Welnu, ik zend hem de helft der lijfeigenen, de andere helft zal mij dienen bij de uitvoering mijner plannen. De bezetting van Memphis, die Ramses geheel is toegedaan, wordt naar Nubië gezonden, en vervangen door troepen die op mijne hand zijn. Het volk van Thebe laat zich door de priesters leiden, en morgen zal Ameni het toonen, wie zijn ware koning is, wie aan den krijg een einde maken en de burgers van hunne drukkende lasten bevrijden zal. Zij zullen zien wie den goden welgevalliger is: de laatste nakomeling van het oude koningshuis of een uitwas van het nieuwe. De kinderen van Ramses zullen van het feest worden uitgesloten, want, ondanks hetgeen de eerste profeet van Amon in Thebe gezegd heeft, verklaart Amenide prinses Bent-Anat voor onrein. De jonge Rameri heeft een misdrijf begaan, en Ameni, die nog andere grootere dingen in den zin heeft, zal hem uit het Seti-huis verbannen. Dat werkt op de menigte. Hoe de zaken in Syrië staan, weet gij. Ramses heeft veel te lijden van de Cheta en de met hen verbonden volken. De soldaten zijn bij duizenden te tellen, die dat eeuwigdurende in ’t veld liggen moede zijn, en als het er op aankomt, zullen zij ons aanhangen. Misschien zullen wij overwinnen, zonder dat het tot eene worsteling komt, ten minste wanneer Paäker zijn plicht doet. Thans is vóor alles noodig met spoed te handelen.”

»Ik herken den wikkenden en wegenden, den altijd behoedzamen talmer niet meer,” zeide Katoeti.

»Omdat voorzichtig overleg thans onvoorzichtigheid zou zijn,” antwoordde Ani.

»En wanneer nu de koning eens te vroeg bericht kreeg van alles wat hier omgaat?” vroeg Katoeti.

»Ik zeide het u reeds,” hernam Ani. »Wij hebben onze rollen verwisseld.”

»Gij dwaalt,” antwoordde de weduwe. »Ik dring ook thans op handelen aan. Maar ik mag u toch wel herinneren aan een maatregel van voorzorg, die volstrekt dient genomen te worden. Uwe brieven alleen en geene andere mogen in de eerste weken het leger bereiken.”

»Ook hierin stemt gij met den priester overeen,” zeide de stadhouder lachend, »want Ameni heeft mij denzelfden raad gegeven. Alle brieven, die de vestinglinie tusschen Pelusium en de Schelfzee willen passeeren, zullen worden aangehouden. Mijn schrijven alleen, waarin ik klagen wil over roovers uit de woestijn, die onze boden overvallen, mag den koning in handen komen.”

»Wijs gehandeld!” zeide de weduwe. »Laat ook de havens van de Schelfzee bewaken en toezicht houden op de schrijvers. Wanneer gij koning zijt, zult gij weten wie hunner u wel, en wie u kwalijk gezind was.”

Ani schudde ontkennend het hoofd en zeide, in antwoord op deze laatste opmerking: »Dat zou mij in groote moeielijkheden brengen, want wilde ik hen, die thans hun koning aanhangen, bestraffen en de anderen verheffen, zoo zou ik de trouwe dienaars moeten verstooten en met de ontrouwe regeeren. Gij behoeft niet te blozen, mijne vriendin, want wij zijn van éenen bloede, en uw belang is ook het mijne.”

Katoeti greep de haar toegestoken hand en zeide: »Dat is zoo. Ook verlang ik geen ander loon, dan het huis mijner vaderen op nieuw te zien oprichten.”

»Misschien zal het gelukken,” hernam Ani, »maar voor hoe korten tijd, wanneer niet — wanneer niet.... Denk eens na, Katoeti, tracht eens uit te vorschen, waartoe gij de hulp van uwe dochter kunt inroepen. — Wie is hij toch dien zij — Gij weet wien ik bedoel. — Wien heeft Bent-Anat lief?”

De weduwe verschrikte, want met eene heftigheid, die geheel in strijd was met zijne gewone hoffelijkheid, had Ani de laatste woorden uitgeroepen. Maar spoedig plooide haar gelaat zich weder tot een glimlach, terwijl zij voor den stadhouder de weinige jonge edelen optelde, die den koning niet in het leger gevolgd maar te Thebe gebleven waren. »Zou het haar broeder Chamoes zijn?” vroeg zij eindelijk. »Deze is wel-is-waar in het leger; intusschen....”

Op dit oogenblik liep Nemoe, wien geen woord van het gehouden gesprek ontgaan was, de open zaal binnen, als kwam hij zoo juist uit den tuin, en zeide: »Vergeef mij, meesteres, maar ik heb daar wonderlijke dingen gehoord.”

»Spreek!” zeide Katoeti met een wenk.

»De edele prinses Bent-Anat, de goddelijke dochter van Ramses, moet openlijk in eene liefdesbetrekking staan met een priester van het Seti-huis.”

»Onbeschaamde!” riep Ani, en het was of zijn toornige blik den dwerg wilde doorboren. »Bewijs wat gij zegt, of ik laat je de tong uit den mond halen!”

»Ben ik een lasteraar en verrader van den staat, dan moogt ge mij volgens de wet de tong laten uitsnijden,” zei de kleine onderworpen, hoewel met een ondeugend lachje. »Maar ditmaal mag ik haar zeker behouden, want wat ik zeg kan ik bewijzen. Gij weet dat Bent-Anat onrein is verklaard, omdat zij een uur of langer in het huis van een Paraschiet vertoefde. Daar had zij eene samenkomst met den priester. Bij eene tweede in den Hathor-tempel van Hatasoe, werd zij overvallen door Septah, den eersten Horoscoop van het Seti-huis.”

»Wie is die priester?” vroeg Ani, schijnbaar bedaard.

»Een man van lage afkomst,” antwoordde Nemoe, »dien men kosteloos in het Seti-huis heeft laten opvoeden, en die zich thans als droomuitlegger en verzenmaker bekend heeft gemaakt. Hij heet Pentaoer, en men moet erkennen, dat hij er schoon en deftig uitziet. Hij gelijkt op een haar den overleden vader van den gids Paäker. — Hebt gij hem wel eens gezien, mijn vorst?”

De stadhouder gaf een teeken van toestemming, fronste zijn voorhoofd en zag naar den grond. Doch Katoeti vervolgde:

»Dwaze die ik ben! De dwerg heeft gelijk! Ik zag hoe hare wangen zich kleurden, toen haar broeder de verzekering gaf, dat alleknapen om zijnentwil tegen Ameni zouden opstaan. Zeker, zij denkt aan Pentaoer en aan geen ander.”

»Het is goed,” zeide Ani, »wij zullen zien!”

Met deze woorden nam hij afscheid van de weduwe, die, terwijl hij in den tuin verdween, in zichzelve prevelde: »Hij was heden zoo beslist en zoo helder, als ik dat niet van hem gewoon ben. Maar de ijverzucht begint hem reeds te verblinden en zal hem weldra doen gevoelen, dat hij mijne scherpe oogen niet missen kan.”

Nemoe was den stadhouder nageloopen. Achter het vijgenboschje riep hij hem aan en fluisterde snel, terwijl hij zich eerbiedig boog: »Mijne moeder weet zeer veel, edele heer! De heilige Ibis222)schroomt niet het moeras te doorwaden, wanneer zij op buit uitgaat; waarom zoudt gij ook niet eens goud in het stof gaan zoeken? Ik weet wel hoe ge de oude ongemerkt spreken kunt.”

»Spreek op,” bromde Ani.

»Werp haar voor éen dag in de gevangenis, verhoor haar en laat haar dan loopen, met een geschenk, als zij u gediend heeft, in het tegenovergesteld geval met een pak slagen. Maar gij zult iets onuitsprekelijk gewichtigs vernemen, dat zij zelfs voor mij hardnekkig verzwijgt.”

»Wij zullen zien,” antwoordde de stadhouder, wierp den kleinen man eenige gouden ringen toe en besteeg zijn wagen.

In de nabijheid van zijn paleis had zich zulk eene dichte menschenmassa verzameld, dat de stadhouder een of ander onheil duchtte. Hij beval zijn wagenmenner de paarden wat in te houden, en eenige soldaten van de politie, zijne voorloopers te helpen. Doch het scheen dat eene blijde boodschap hem wachtte, want bij de poort van het slot hoorde hij duidelijk het gejubel der menigte, en in het voorhof van het paleis vond hij een gezantschap uit het Seti-huis, dat hem en heel het volk op last van Ameni het bericht kwam brengen van een groot wonder. Want het hart van den door wilde dieren verscheurden ram vanAmon was teruggevonden in de borst van den vromen, gestorven profeet Roeï.

Ani steeg dadelijk van zijn wagen, knielde neder voor het aangezicht der menigte, die zijn voorbeeld volgde, hief biddend de handen omhoog en dankte de goden met luider stem. Toen hij na eenige oogenblikken weder was opgestaan en het paleis was binnengetreden, kwamen eenige slaven naar buiten, die op last van Ani brood onder de menigte verdeelden.

»De stadhouder heeft toch eene milde hand,” zeide een schrijnwerker uit Thebe tot eene vrouw, die bij hem stond. »Zie eens hoe wit dit brood is. Ik steek het bij mij en breng het aan mijne kinderen.”

»Geef mij een stukje,” riep een naakte jongen, greep den schrijnwerker het broodje uit de hand en liep weg, terwijl hij zeer behendig tusschen de beenen der menschen doorsloop.

»Krokodillengebroed!” schreeuwde de man, die zijn deel verloren had. »De onbeschaamdheid dier jongens wordt met den dag erger.”

»Ze zijn hongerig,” zeide de vrouw, om den knaap te verontschuldigen. »Hun vaders zijn te velde en hunne moeders hebben niet anders voor hen dan papyrus-merg en lotuskorrels”223).

»’t Moge hem goed bekomen,” zeide de schrijnwerker. »Dringen wij wat naar de linker zijde. Daar komt een dienaar met nieuwe brooden.”

»De stadhouder moet zich bijzonder verblijden over dit wonder,” zeide een schoenmaker. »Hij spaart er geen geld voor.”

»Er is ook in lang niets dergelijks gebeurd,” sprak een mandenmaker, zich in het gesprek mengende, »en Ani verheugt het zeker uitermate, dat juist Roeï met dat heilige hart werd begenadigd. — Gij vraagt waarom? Domkop, die ge zijt! Hatasoe is Ani’s grootmoeder.”

»En Roeï was profeet in den Hatasoe-tempel,” zeide de schrijnwerker.

»De priesters aan de overzijde zijn aanhangers van het oude koningshuis,” verzekerde een bakker. »Dat weet ik.”

»Alsof dat een geheim was!” zeide de schoenmaker. »De oude tijden waren ook beter dan de tegenwoordige. De krijg verslindt alles, en zeer fatsoenlijke lieden loopen nu barrevoets, omdat zij het leder niet betalen kunnen. Met den buit ziet het er ook mager uit sedert het laatste jaar. Ramses is een groot krijgsheld en een zoon van Ra, maar wat vermag hij zonder de goden, wien het thans in Thebe niet meer schijnt te bevallen? Waarom anders zoekt het heilige hart van den ram zich eenenieuwe woning in de Nekropolis, en wel in de borst van een aanhanger van het oude....”

»Houd je mond,” waarschuwde de mandenmaker, »daar komt de politie-wacht.”

»Ik moet ook aan mijn werk,” zeide de bakker, »want ik heb voor het feest van morgen mijne handen vol.”

»Ik ook,” zuchtte de schoenmaker, »want wie kan den koning der goden barrevoets in de Nekropolis volgen?”

»Gij zult mooi geld verdienen,” hernam de mandenmaker.

»Het zou nog al wat zijn,” antwoordde de schoenmaker, »als men beter hulp had; maar de gezellen zijn allen in den krijg. Men moet zich behelpen met onhandige jongens. En dan die vrouwen! De mijne heeft zich voor de processie een nieuw kleed aangeschaft, en voor de kinderen, zelfs voor de kleine, halsbanden gekocht. Men eert wel gaarne zijne dooden, en zij vergelden het ons ook dikwijls door hun bijstand, maar wat die offers mij kosten is niet te zeggen. Nog meer dan de helft van mijne verdienste gaat daarmee heen.”

»In mijne eerste droefheid over mijne overledene vrouw,” zeide de bakker, »heb ik mij verbonden elke nieuwe maan een kleiner en elk jaar een grooter offer te brengen. De priesters schelden niets kwijt van eene gelofte, en de tijden worden steeds slechter. Bovendien is de afgestorvene mij kwalijk gezind, en even ondankbaar als bij haar leven. Want verschijnt ze mij in den droom, dan heeft zij geen goed woord voor mij en kwelt mij als altijd.”

»Zij is thans een lichtende en alwetende geest,” zeide de vrouw van den mandenmaker, »en ge zijt haar zeker ontrouw geweest. De verheerlijkten weten alles wat op aarde gebeurt en gebeurd is.”

De bakker kreeg toevallig eene hoestbui, doch de schoenmaker riep: »Bij Anubis, den heer der onderwereld, ik wensch vóor mijn oudje te sterven, want wanneer zij bij Osiris te weten komt wat ik hier op aarde al zoo gedaan heb, en zij in staat zal zijn zich in elke gedaante te veranderen, waarin zij maar wil, dan verschijnt ze mij zeker elken nacht, om mij als kreeft te knijpen, of als eene zware nachtmerrie mij te benauwen.”

»Als gij ’t eerst sterft,” hernam de vrouw, »dan komt zij toch later bij je in de onderwereld, waar zij je ook zal doorzien.”

»Dat is minder gevaarlijk,” sprak de schoenmaker lachend, »want dan ben ik zelf een verheerlijkte, en ligt ook haar verleden voor mij open. Dat zal ook wel zoo voortreffelijk niet zijn. En werpt ze mij met den schoen, dan werp ik haar met de leest.”

»Kom mede naar huis,” zeide de mandenmakersvrouw, terwijl zij haar man met zich voorttrok. »Ge hoort hier niets goeds.”

De omstanders lachten, doch de bakker sprak: »Het is meer dan tijd om heen te gaan; ik moet in de Nekropolis zijn vóor het donker wordt, en mijne tafel laten opslaan voor het feest van morgen. Mijne waren staan dicht bij den smallen ingang van het dal. Breng je kleinen maar bij mij, schoenmaker, dan zal ik ze wat zoetigheid geven. — Vaart gij met mij naar de overzijde?”

»Mijn jongere broeder,” antwoordde de schoenmaker, »is reeds met de waren aan den overkant. We hebben nog werk voor onze klanten in Thebe, en nu sta ik hier mijn tijd te verbabbelen! — Zoudt ge denken dat het wonderhart van den heiligen ram morgen vertoond zal worden?”

»Wel zeker,” zeide de bakker. »Vaarwel! Daar zijn mijne kisten.”


Back to IndexNext