TIENDE HOOFDSTUK.

Wanneer hij nu eens aanzoek deed om de hand van Bent-Anat, en zij hem verhoorde, wat dan? Dit was het juist wat hem bewoog tot Katoeti te gaan, die altijd het rechte woord wist te vinden, wanneer hij in verwarring gebracht door alles wat er voor en wat er tegen was te zeggen, aarzelde een beslissenden stap te doen. Op haar raad had hij de prinses tot vrouw begeerd, als een nieuw eerbewijs, als eene verhooging van zijn inkomen, als een pand, dat zijn persoon zou beschermen. Zij had nooit meer of minder indruk op zijn hart gemaakt, dan iedere andere schoone vrouw in Egypte. Thans stond de fiere edele persoon voor zijne verbeelding, en het was hem als moest hij tot haar opzien als tot een wezen, dat hoog boven hem verheven was. Hij had er spijt van Katoeti’s raad gevolgd te hebben, en hij begon te wenschen, dat zij het aanzoek mocht afslaan. Een huwelijk met Bent-Anat kwam hem bezwarend voor. Hij was te moede als een man, die een schitterend ambt tracht te verwerven, hoewel hij weet, dat zijne krachten niet berekend zullen zijn voor de eischen die het hem stelt. Hij had het gevoel van een eerzuchtige, wien de koninklijke waardigheid wordt aangeboden onder voorwaarde, dat hij de zware kroon nooit van zijn hoofd mag nemen. Doch ja, wanneer eens wat anders gelukte — en zijne oogen fonkelden levendig bij deze gedachte — wanneer het noodlot hem eens op de plaats van Ramses zette, dan verloor die verbintenis met de prinses al dat schrikwekkende, dan was hij ook haar onbeperkte koning, heer en gebieder, en niemand had hem rekenschap te vorderen van hetgeen hij voor haar zijn zou en haar deed ondervinden.

83)De schrijflustige Egyptenaars schreven vele brieven, waarvan er een groot aantal voor ons bewaard bleven. Zij kenden ook eene vereeniging van briefbestellers en hadden daarvoor in hunne taal het woord „faï sjaat.” Vgl. het voortreffelijk geschrift van Maspero,Du genre épistolaire chez les anciens Egyptiens de l’époque pharaonique.84)Stammen die uit het oosten kwamen, toen zij door eene Aziatische volksverhuizing naar Egypte werden verdrongen. Zij maakten zich meester van het Nijldal, dat zij bijna 500 jaren beheerschten, totdat zij door de nakomelingen van het oude wettige geslacht der pharao’s, die gedurende dien tijd zich tot Opper-Egypte beperkt zagen, na langdurigen strijd verjaagd werden.85)Reeds bij zijne geboorte. In een opschrift te Abydus, door Mariëtte uitgegeven en door Maspero verklaard, beroemt Ramses zich, „dat hij reeds koning was in het ei.” Hij is de Sesostris der Grieken. Zijn bijnaam Seseroe-Ra is op de gedenkteekenen bewaard gebleven. Wanneer de Grieken van de groote daden van Sesostris spreken, dan bedoelen zij wat Seti en Ramses te zamen hebben verricht.86)Ethiopië.87)Hoofd van een nomos of provincie.88)„Bij eene goede cultuur,” zeide Napoleon I, „bereikt de Nijl de woestijn, bij eene slechte de woestijn den Nijl.”89)Eene formule, die zelfs in particuliere brieven van Egyptenaars achter den naam van den pharao voorkomt.90)In de medische papyrussen zijn tweeërlei recepten voor pillen bewaard, zonder honig voor mannen, met honig voor vrouwen.

83)De schrijflustige Egyptenaars schreven vele brieven, waarvan er een groot aantal voor ons bewaard bleven. Zij kenden ook eene vereeniging van briefbestellers en hadden daarvoor in hunne taal het woord „faï sjaat.” Vgl. het voortreffelijk geschrift van Maspero,Du genre épistolaire chez les anciens Egyptiens de l’époque pharaonique.

83)De schrijflustige Egyptenaars schreven vele brieven, waarvan er een groot aantal voor ons bewaard bleven. Zij kenden ook eene vereeniging van briefbestellers en hadden daarvoor in hunne taal het woord „faï sjaat.” Vgl. het voortreffelijk geschrift van Maspero,Du genre épistolaire chez les anciens Egyptiens de l’époque pharaonique.

84)Stammen die uit het oosten kwamen, toen zij door eene Aziatische volksverhuizing naar Egypte werden verdrongen. Zij maakten zich meester van het Nijldal, dat zij bijna 500 jaren beheerschten, totdat zij door de nakomelingen van het oude wettige geslacht der pharao’s, die gedurende dien tijd zich tot Opper-Egypte beperkt zagen, na langdurigen strijd verjaagd werden.

84)Stammen die uit het oosten kwamen, toen zij door eene Aziatische volksverhuizing naar Egypte werden verdrongen. Zij maakten zich meester van het Nijldal, dat zij bijna 500 jaren beheerschten, totdat zij door de nakomelingen van het oude wettige geslacht der pharao’s, die gedurende dien tijd zich tot Opper-Egypte beperkt zagen, na langdurigen strijd verjaagd werden.

85)Reeds bij zijne geboorte. In een opschrift te Abydus, door Mariëtte uitgegeven en door Maspero verklaard, beroemt Ramses zich, „dat hij reeds koning was in het ei.” Hij is de Sesostris der Grieken. Zijn bijnaam Seseroe-Ra is op de gedenkteekenen bewaard gebleven. Wanneer de Grieken van de groote daden van Sesostris spreken, dan bedoelen zij wat Seti en Ramses te zamen hebben verricht.

85)Reeds bij zijne geboorte. In een opschrift te Abydus, door Mariëtte uitgegeven en door Maspero verklaard, beroemt Ramses zich, „dat hij reeds koning was in het ei.” Hij is de Sesostris der Grieken. Zijn bijnaam Seseroe-Ra is op de gedenkteekenen bewaard gebleven. Wanneer de Grieken van de groote daden van Sesostris spreken, dan bedoelen zij wat Seti en Ramses te zamen hebben verricht.

86)Ethiopië.

86)Ethiopië.

87)Hoofd van een nomos of provincie.

87)Hoofd van een nomos of provincie.

88)„Bij eene goede cultuur,” zeide Napoleon I, „bereikt de Nijl de woestijn, bij eene slechte de woestijn den Nijl.”

88)„Bij eene goede cultuur,” zeide Napoleon I, „bereikt de Nijl de woestijn, bij eene slechte de woestijn den Nijl.”

89)Eene formule, die zelfs in particuliere brieven van Egyptenaars achter den naam van den pharao voorkomt.

89)Eene formule, die zelfs in particuliere brieven van Egyptenaars achter den naam van den pharao voorkomt.

90)In de medische papyrussen zijn tweeërlei recepten voor pillen bewaard, zonder honig voor mannen, met honig voor vrouwen.

90)In de medische papyrussen zijn tweeërlei recepten voor pillen bewaard, zonder honig voor mannen, met honig voor vrouwen.

Terwijl dit alles gebeurde, had het niet stil gestaan van bezoekers in het huis van den wagenmenner Mena. Uitwendig geleek het op Paäkers belendend erfgoed, maar de gebouwen waren hier wat ouder, de kleuren van het schilderwerk op zuilen en wanden waren verbleekt, en de groote tuin werd blijkbaar niet met zooveel zorg onderhouden. Alleen in de nabijheid van het woonhuis had men eenige rijke bloembedden aangelegd, die er keurig uitzagen, en de opene galerij, waarin Katoeti zich met hare dochter ophield, was inderdaad vorstelijk gemeubeld. Daar stonden sierlijk bewerkte elpenbeenen stoelen en eene ebbenhouten tafel, die evenals de rustbedden door vergulden voeten werd gedragen. Men zag er op de schenktafel, de kleine tafeltjes en consoles, Syrische drinkschalen van kunstrijken arbeid. Overal waren prachtige vazen met bloemen gevuld, neergezet. Heerlijke geuren stegen er op uit albasten schalen, en de vloer was bedekt met een mollig wollen tapijt, waarin de voet bijna wegzonk. Ofschoon al deze kostbaarheden hier zonder orde schenen bijeengebracht, lag er over het geheel toch een waas van bekoorlijkheid, iets onbeschrijfelijk lieflijks.

De schoone Nefert lag op een rustbed uitgestrekt, spelende met eene witte zachtharige kat. Een negerinnetje was bezig haar met een waaier af te koelen, terwijl hare moeder Katoeti nog een afscheidsgroet gaf aan hare zuster Setchem en diens zoon Paäker, die de galerij verlieten. Beide hadden voor het eerst sedert vier jaren, dat was sedert Mena’s huwelijk met de schoone Nefert, dezen drempel overschreden, en het scheen dat de oude vijandschap zou plaats maken voor eene nieuwe hartelijke verstandhouding en samenleving. Nadat de gids met zijne moederverdwenen waren achter de granaatstruiken aan den ingang van den tuin, wendde Katoeti zich tot hare dochter en zeide: »Wie had dat gisteren gedacht? Ik geloof dat Paäker u nog altijd liefheeft.”

Nefert bloosde en sprak zacht, terwijl zij haar zijden katje met den waaier sloeg: »Moeder!”

Katoeti lachte even. — Zij was eene flinke vrouw van edele houding, die met hare scherpe maar toch fijne gelaatstrekken en levendige oogen nog altijd aanspraak mocht maken op vrouwelijke schoonheid. Zij droeg een lang gewaad van kostbare stof, dat tot over hare enkels reikte, maar waarvan de eenvoudige donkere kleur met opzet scheen gekozen te zijn. In de plaats van arm- en enkelbanden, oor- en vingerringen, van een halsketen en gouden sloten, waarvan de Egyptische dames en ook hare dochter en zuster zich rijkelijk plachten te bedienen, had zij zich getooid met frissche bloemen, die in den tuin van haar schoonzoon nooit vruchteloos werden gezocht. Een gladde, gouden diadeem alleen, het teeken harer koninklijke afkomst, bedekte van den vroegen morgen tot den laten avond haar, voor eene schoone vrouw wel wat al te hoog maar toch edel gevormd voorhoofd. Deze diadeem hield tevens hare lange blauw-zwarte haren samen, die ongevlochten, alsof zij de kunstige schikking van dit hoofdtooisel een ijdel werk achtte, over haar rug nedervielen. Doch in het uiterlijk van deze vrouw was niets zonder berekening, en de draagster van deze diadeem, al was haar kleed eenvoudig en zonder kostbaar sieraad, kon er, dank zij hare koninklijke gestalte, zeker van zijn, dat zij werd opgemerkt, dat anderen haar kleederdracht, ja zelfs hare bewegingen zouden navolgen.

Toch had Katoeti langen tijd behoeftig geleefd; ja op het oogenblik waarop wij haar leeren kennen, kon zij weinig haar eigendom noemen. Immers zij leefde op het goed van haar schoonzoon als zijn gast en bestuurderes van zijne bezittingen, terwijl zij vóor het huwelijk van hare dochter, met hare kinderen had gewoond in een huis, dat aan hare zuster Setchem toebehoorde. Zij was de gade geweest van haar eigen jong gestorven broeder91), die door zijne toomelooze praalzucht het gansche vermogen had verkwist, dat het nieuwe koningsgeslacht hem gelaten had. Alsweduwe was zij met hare kinderen door Paäkers vader, haar zwager, als eene zuster opgenomen. Zij bewoonde een eigen huis, genoot de inkomsten van een landgoed, dat de oudere Mohar haar had geschonken, en liet aan haar zwager de zorg over voor de opvoeding van haar zoon, die, zich onderscheidende door zijne schoonheid en zijn overmoed, alle aanspraken deed gelden van een jongeling van aanzienlijke geboorte.

Zulke groote weldaden zouden de trotsche Katoeti hebben neergedrukt en beschaamd, wanneer zij er mede tevreden was geweest en zich had kunnen voegen naar den aard en de handelwijze der gevers. Dit was echter in geenen deele het geval. Veeleer meende zij aanspraak te kunnen maken op eene schitterender positie. Zij voelde zich beleedigd, wanneer men haar lichtzinnigen jongen, terwijl hij nog op school was, vermaande zich met meer ernst op zijn werk toe te leggen, daar hij later geheel op eigene wieken zou moeten drijven. Ook had het haar gegriefd, zoo vaak haar zwager als het te pas kwam op zuinigheid aandrong, en haar openhartig als hij was, herinnerde aan haar beperkte middelen en aan de onzekere toekomst harer kinderen. Bovendien wilde zij zich gaarne gekrenkt achten, want zij begreep op dien grond te mogen beweren, dat hare bloedverwanten met al hunne gaven de beleedigingen haar aangedaan toch niet goed konden maken. Bij haar bevestigde zich de ervaring, dat wij op niemand gemakkelijker boos worden dan op een weldoener, wien wij het goede, dat hij ons gedaan heeft, niet vergelden kunnen.

Nochtans, toen haar zwager voor zijn zoon aanzoek deed om de hand harer dochter, gaf zij gaarne hare toestemming. Nefert en Paäker waren te zamen opgegroeid, en door deze verbintenis werd hare eigene toekomst en die harer kinderen, verzekerd. Kort na den dood van den ouden Mohar, vroeg de wagenmenner Mena Nefert ten huwelijk. Zij zou hem echter hebben afgewezen, wanneer de koning zelf niet het aanzoek van zijn bijzonderen vriend ondersteund had. Na de bruiloft nam zij haar intrek in Mena’s huis, en belastte zich, toen hij ten krijg trok, met de zorg voor zijn aanzienlijke, maar reeds door zijn vader met eenige schulden bezwaarde goederen. Het lot gaf haar nu een middel aan de hand, om zich en hare kinderen schadeloos te stellen voor lange ontberingen. Zij maakte er dan ook gebruik van, door toe te geven aan hare aangeborene neiging om opgemerkt en bewonderd te worden. Haar zoon deed zij schitterend uitgerust opnemen onder eene afdeeling van de aanzienlijke jonge wagenstrijders, en hare dochter omringde zij met vorstelijke pracht.

Toen de stadhouder, een vriend van haar overleden gemaal, het paleis der pharao’s te Thebe betrok, knoopte hij met haar betrekkingen aan, en de scherpzinnige vrouw, die zich bewustwas van hetgeen zij wilde, wist zich bij den besluiteloozen man eerst aangenaam; eindelijk onontbeerlijk te maken. Zij maakte behendig gebruik van de omstandigheid, dat zij evenals hij gesproten was uit het oude koningshuis, ten einde zijne eerzucht te prikkelen en hem uitzichten te openen, waaraan hij, vóor zijn vertrouwelijken omgang met haar, zelfs niet gedacht zou hebben, zonder zich als misdadig te beschouwen. Dat Ani pogingen in het werk stelde om de hand der prinses Bent-Anat te verkrijgen, was Katoeti’s werk. Zij hoopte in stilte, dat de pharao den stadhouder afwijzen, ja persoonlijk beleedigen zou. Het zou hem gemakkelijker den gevaarlijken weg doen inslaan, die zij bezig was voor hem te effenen.

Bij dit alles was de dwerg Nemoe haar gehoorzaam werktuig. Zij had hem met geen enkel woord in hare plannen ingewijd. Toch sprak hij hare gemoedsaandoeningen in ronde woorden uit, die alleen door een tik met den waaier bestraft werden. Nemoe had het gisteren voor het eerst gewaagd te zeggen, dat, als de pharao eens niet Ramses maar Ani heette, Katoeti dan geene koningin zou zijn, maar eene godin. Want zij zou den pharao, die zelfs tot de hemelsche goden behoorde, niet moeten gehoorzamen, maar hem veeleer besturen. —

Katoeti had het blosje van hare dochter niet opgemerkt, want zij keek in gespannen verwachting naar de tuindeur, en zeide: »Waar blijft Nemoe? Er zullen toch voor ons wel tijdingen uit het leger zijn gekomen?”

»Mena heeft in zoolang niet geschreven,” zeide Nefert. »Ha, daar is de hofmeester!”

Katoeti richtte zich tot den beambte, die door een zijdeur der veranda was binnengekomen, met de vraag: »Wat nieuws brengt gij?”

»De koopman Abscha,” luidde het antwoord, »dringt op betaling aan. De nieuwe Syrische wagen en de purperstof....”

»Verkoop koren!” beval Katoeti.

»Onmogelijk, want de belastingen voor den tempel zijn nog niet voldaan, en er is reeds zooveel aan de kooplieden geleverd, dat er ter nauwernood genoeg overblijft voor de huishouding en den zaaitijd.”

»Betaal dan met runderen.”

»Maar meesteres,” gaf de hofmeester angstig ten antwoord, »wij hebben eerst heden weder een kudde aan den Mohar verkocht, en de schepraderen moeten in beweging gehouden, het koren moet gedorscht worden; voorts hebben wij offervee noodig, en melk, boter en kaas voor het huishouden en mest om te stoken”92).

Katoeti zag nadenkend vóor zich, en zeide toen: »Er moet toch geld zijn. Rijd naar Hermonthis, en zeg den opzichter van de stoeterij, dat hij tien van Mena’s geelvossen hierheen laat brengen.”

»Ik heb reeds met hem gesproken,” hernam de hofmeester; »hij zegt echter dat Mena hem streng verboden heeft een enkel van zijne paarden, op welk ras hij zeer trotsch is, prijs te geven. Alleen voor den wagen van onze meesteres Nefert...”

»Ik verlang gehoorzaamheid,” sprak Katoeti op beslissenden toon, terwijl zij den beambte belette verder te spreken, »en verwacht morgen de paarden!”

»Maar de opzichter van de stoeterij is een koppig man, dien Mena voor onontbeerlijk houdt, en die...”

Nefert was onder dit gesprek uit hare gemakkelijke houding opgerezen. Op de laatste woorden van Katoeti verliet zij het rustbed en zeide zóo bepaald, dat zelfs hare moeder er van schrikte: »Men moet de bevelen van mijn echtgenoot gehoorzamen. De paarden, die Mena lief heeft, blijven in hunne stallen. Neem dezen armband, die de koning mij schonk, hij is meer waard dan twintig paarden.”

De hofmeester monsterde het met edelgesteenten rijk bezette kleinood en zag Katoeti vragend aan. Zij haalde de schouders op, gaf met een knikje hare toestemming en zeide: »Abscha mag dit sieraad als onderpand bewaren tot Mena’s buit hier zal zijn aangekomen. Sedert een jaar zond uw man niets van eenige beteekenis.”

Zoodra de beambte zich verwijderd had, strekte Nefert zich weder op haar rustbed uit en zeide vermoeid: »Ik dacht dat wij rijk waren.”

»Wij zouden het kunnen zijn,” antwoordde Katoeti bitter. Toen zij echter bespeurde, dat Nefert’s wangen op nieuw begonnen te gloeien, vervolgde zij vriendelijk: »Onze hooge rang legt ons groote plichten op. In onze aderen vloeit vorstelijk bloed en de oogen des volks zijn gericht op de gemalin van den roemrijksten held in ’s konings leger. Men mag niet zeggen, dat gij door uw echtgenoot veronachtzaamd wordt. — Wat blijft die Nemoe toch lang uit!”

»Ik hoor gerucht in den hof,” zeide Nefert. »De stadhouder zal komen.”

Katoeti zag weder naar den tuin. Daar zag zij een slaaf, die buiten adem kwam aanloopen met de tijding, dat Bent-Anat, de, dochter des konings, vóor de poort van het huis uit haar wagen gestegen en in aantocht was met prins Rameri. Nefert verliethet rustbed, en ging met Katoeti de hooge gasten in den tuin tegemoet. Zoodra moeder en dochter zich neerbogen, om het kleed der prinses te kussen, weerde Bent-Anat haar af en zeide: »Blijft op een afstand van mij; de priesters hebben de onreinheid nog niet geheel van mij weggenomen.”

»In weerwil hiervan zijt gij rein als het oog van Ra,” riep de prins, die haar begeleidde, terwijl hij haar kuste, eer zij het beletten kon. Het was haar zeventienjarige broeder, die in het Seti-huis werd opgevoed, dat hij echter binnen weinige weken verlaten zou.

»Ik zal den wildzang bij Ameni aanklagen,” zeide Bent-Anat lachend. »Hij wilde mij volstrekt begeleiden. Uw gemaal heeft hij zich ten voorbeeld genomen, Nefert. Maar ook ik had te huis geen rust, want wij komen om u eene goede boodschap te brengen.”

»Van Mena?” vroeg de jonge vrouw, de hand tegen haar hart drukkende.

»Van hem!” antwoordde Bent-Anat. »Mijn vader prijst zijne dapperheid en schrijft, dat hij bij de verdeeling van den buit vóor allen zal mogen kiezen.”

Nefert sloeg op hare moeder een zegevierenden blik, en Katoeti haalde ruimer adem. Bent-Anat streelde Nefert’s wangen, alsof zij een kind was. Toen wendde zij zich tot Katoeti, nam haar mede in den tuin en bad haar, die zoo vroeg hare moeder had moeten missen, in eene gewichtige aangelegenheid te willen raden. »Mijn vader,” zeide zij, na eenige inleidende woorden, »deelt mij mede, dat de stadhouder Ani mij tot vrouw vraagt, en raadt mij de trouw van den waardigen man met mijne hand te beloonen. Hij raadt, versta mij wel, hij beveelt niet.”

»En gij?” vroeg Katoeti.

»En ik,” antwoordde Bent-Anat beslist, »moet hem afwijzen.”

»Moet gij dat?”

Bent-Anat gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: »Ik ben mij volkomen bewust van hetgeen ik doe. Ik kan niet anders.”

»Dan hebt gij mijn raad niet meer noodig, want ik weet dat niemand, zelfs niet uw vader, u van een besluit kan afbrengen.”

»Zelfs geene godheid,” zeide Bent-Anat op vasten toon. »Maar gij zijt Ani’s vriendin, en daar ik hem hoogacht, wil ik trachten hem eene vernedering te besparen. Beproef of gij hem bewegen kunt van zijn aanzoek af te zien. Wanneer ik hem ontmoet, wil ik mij houden als wist ik niets van zijn brief aan mijn vader.”

Katoeti zag weder peinzend naar den grond. Daarna zeide zij: »De stadhouder brengt zijne uren van uitspanning gaarne bij mij door, pratende of aan het dambord: doch ik weet niet ofik het durf wagen over zulke gewichtige zaken met hem te spreken.”

»Huwelijksplannen zijn vrouwenzaken,” hernam Bent-Anat met een lachje.

»Doch het huwelijk van eene prinses is eene staatsaangelegenheid,” zeide de weduwe op haar beurt. »En in dit geval vraagt een neef de hand zijner nicht, die hem dierbaar is, en hem, gelijk hij hoopt, de tweede meest gevreesde helft zijns levens tot de schoonste kan maken. Ani is goed en niet hard. Gij zult in hem een echtgenoot ontvangen, die zorgvuldig op elk uwer wenken zal letten en zich gaarne voegen naar uw vasten wil.”

Bent-Anat’s oogen helderden op en vol vuur riep zij uit: »Dat is het juist wat mij een beslist en onveranderlijkneenop de lippen legt. Omdat ik fier ben als mijne moeder, en weet wat ik wil, gelijk mijn vader, meent gij misschien dat ik een echtgenoot begeer, dien ik beheerschen en in alles leiden kan? Hoe weinig kent ge mij nog. Mijne honden, mijne dienaars, mijne beambten, en zoo de godheid zulks wil, mijne kinderen mogen mij gehoorzamen. Onderworpelingen, die mij de voeten kussen, zijn overal op straat te vinden, en kan ik, als ik wil, bij honderden op de slavenmarkt koopen. Wel twintigmaal is mijne hand gevraagd en wel twintig vrijers wees ik af, niet omdat ik vreesde, dat zij mijn trots en mijn wil konden buigen, maar omdat ik voelde tegen hen opgewassen te zijn. De man, wien ik mijn hart wil schenken, moet hooger staan, moet grooter, beter, sterker zijn dan ik ben. Ik wil trachten hem achterna te fladderen, waar zijn machtige geest de wieken uitslaat, en daarbij lachen over mijne zwakheid en vol bewondering zijne meerderheid prijzen.”

Katoeti hoorde de jonkvrouw aan met het goedig lachje, waardoor de man van ervaring zoo gaarne den dweper zijne meerderheid doet gevoelen, en zeide: »In vroeger eeuwen mag er zulk een man geleefd hebben, maar zoo gij in onze dagen op hem wachten wilt, moet gij de lok der jeugd93)dragen tot zij grijs wordt. Onze denkers zijn geen helden en onze helden geen wijzen. — Daar komt uw broeder aan met mijne Nefert.”

»Wilt gij Ani bewegen zijn plan te laten varen?” vroeg de prinses dringend.

»U ten gevalle wil ik het beproeven,” gaf Katoeti ten antwoord. Daarop keerde zij zich half tot den jongen Rameri halftot zijne zuster en zeide: »De man die aan het hoofd staat van het Seti-huis, Ameni, was in zijn jeugd juist gelijk gij hem hebt geschilderd, Bent-Anat. — Zeg ons, gij zoon van Ramses, die onder de jonge sykomoren opwast, bestemd om eens dit land te overschaduwen, wien schat gij ’t hoogst onder uwe metgezellen? Is er iemand onder hen, die alle anderen verre overtreft in edelen zin en geestkracht?”

De jonge Rameri zag de vraagster aan met levendige oogen en antwoordde lachend: »Wij zijn allen zooals wij zijn, en doen meer of minder gaarne wat wij doen moeten, en liefst alles wat wij niet doen mogen.”

»Kent gij dan in het Seti-huis,” vroeg de weduwe verder, »geen jongeling met een grootschen aanleg, die een Snefroe94), een Thotmes, of ook maar een Ameni belooft te worden?”

»Voorzeker!” riep Rameri dadelijk, zonder aarzelen.

»En die is?” vroeg Katoeti.

»Pentaoer, de dichter!” hernam de jongeling.

Bent-Anat’s wangen werden hoog rood, terwijl haar broeder zijne woorden nader toelichtte: »Hij is edel, verheven van geest, en alle goden wonen in hem als hij spreekt. Dikwijls gevoelen wij veel lust om in de schoolhoven te slapen, maar zijne woorden slepen ons mede, en al vatten wij niet altijd wat er in zijne verhevene denkbeelden ligt opgesloten, toch weten wij dat zij waar zijn en grootsch.”

Bent-Anat haalde bij deze woorden sneller adem, en hare oogen hingen aan de lippen haars broeders.

»Gij kent hem, Bent-Anat,” sprak Rameri verder. »Hij was met u bij den Paraschiet en in den voorhof des tempels toen Ameni u onrein verklaarde. Zijn uiterlijk is schoon en indrukwekkend als dat van den god Menth95), en ik geloof dat hij behoort tot zeker soort van menschen, die men niet vergeten kan, als men ze eens heeft gezien. Gisteren, toen gij den tempel had verlaten, sprak hij als nimmer te voren. ’t Was of hij vuur uitgoot in onze zielen. Lach niet, Katoeti. Ik voel het nog branden. Heden morgen deelde men ons mede, dat hij uit den tempel was overgeplaatst, wie weet waar heen, en dat hij ons vaarwel liet zeggen. Men acht het altijd overbodig ons de gronden van zulke handelingen mede te delen; wij weten echter meer dan de heeren denken.Hij moet u niet streng genoeg de les gelezen hebben, Bent-Anat, en daarom zal hij uit het Seti-huis gebannen zijn. Wij hebben echter besloten gezamenlijk zijne terugroeping te verzoeken. De jonge Anana schrijft aan den opperpriester een brief, dien wij allen zullen onderteekenen. Als éen het alleen deed, zou hem dit slecht bekomen, maar als we allen tegelijk opkomen, kunnen zij niets doen. Mogelijk zijn zij ook wel zoo verstandig om hem terug te roepen. Zoo niet, dan beklagen wij ons allen bij onze vaders, die tot de eersten des lands behooren!”

»Dat heeft iets van een volledigen opstand,” zeide Katoeti. »Heertjes, neemt u in acht! Ameni en de andere profeten laten niet met zich spotten.”

»Wij ook niet,” antwoordde Rameri lachend. »Blijft Pentaoer gebannen, dan vraag ik mijn vader, of hij mij naar de school van Heliopolis of Chennoe wil verplaatsen en de anderen zullen mijn voorbeeld volgen. — Kom, Bent-Anat! Ik moet vóor zonsondergang weder in den val zijn. Vergeving, Katoeti, zoo noemen wij de school. — Daar komt ook uw kleine Nemoe aan!”

Broeder en zuster verlieten den tuin. Zoodra de vrouwen, die hen uitgeleide deden, haar den rug hadden toegekeerd, drukte Bent-Anat de hand haars broeders met buitengewone warmte en zeide: »Pas op, dat ge niet onvoorzichtig handelt! Maar uw eisch is billijk, en gaarne help ik u.”

91)Huwelijken tusschen broeders en zusters waren in het oude Egypte geoorloofd. Ofschoon dit in strijd was met de Macedonische zeden, namen Ptolemaeën deze gewoonten toch over. Toen Ptolemaeus II Philadelphus, zijne zuster Arsinoë huwde, schijnt men het echter noodig geacht te hebben dit te verontschuldigen door den stand van de planeet Venus met betrekking tot Saturnus en den onvermijdelijken invloed van deze constellatie.92)In het aan hout zoo arme Egypte is heden nog gedroogde koemest de voornaamste brandstof. — Ook in sommige gedeelten van ons land wordt deze brandstof (bijv. de plaggen in ’t Gooi) door arme lieden gebruikt. Vert.93)Eene naar beneden gebogen haarvlecht, die alle jonge leden van vorstelijke huizen droegen. Ook de jeugdige Horus wordt er mede afgebeeld.94)De eerste koning van de 4e dynastie, die ook in later tijd nog in eere werd gehouden. Van hem heet het op meer dan ééne plaats: „een dergelijke is niet gezien sedert de dagen van Snefroe.” Voor de vereering zijner nagedachtenis waren ook later priesters aangewezen. De gedenkteekenen van zijn tijd zijn de oudste van alle die tot ons kwamen.95)De krijgsgod der Egyptenaars.

91)Huwelijken tusschen broeders en zusters waren in het oude Egypte geoorloofd. Ofschoon dit in strijd was met de Macedonische zeden, namen Ptolemaeën deze gewoonten toch over. Toen Ptolemaeus II Philadelphus, zijne zuster Arsinoë huwde, schijnt men het echter noodig geacht te hebben dit te verontschuldigen door den stand van de planeet Venus met betrekking tot Saturnus en den onvermijdelijken invloed van deze constellatie.

91)Huwelijken tusschen broeders en zusters waren in het oude Egypte geoorloofd. Ofschoon dit in strijd was met de Macedonische zeden, namen Ptolemaeën deze gewoonten toch over. Toen Ptolemaeus II Philadelphus, zijne zuster Arsinoë huwde, schijnt men het echter noodig geacht te hebben dit te verontschuldigen door den stand van de planeet Venus met betrekking tot Saturnus en den onvermijdelijken invloed van deze constellatie.

92)In het aan hout zoo arme Egypte is heden nog gedroogde koemest de voornaamste brandstof. — Ook in sommige gedeelten van ons land wordt deze brandstof (bijv. de plaggen in ’t Gooi) door arme lieden gebruikt. Vert.

92)In het aan hout zoo arme Egypte is heden nog gedroogde koemest de voornaamste brandstof. — Ook in sommige gedeelten van ons land wordt deze brandstof (bijv. de plaggen in ’t Gooi) door arme lieden gebruikt. Vert.

93)Eene naar beneden gebogen haarvlecht, die alle jonge leden van vorstelijke huizen droegen. Ook de jeugdige Horus wordt er mede afgebeeld.

93)Eene naar beneden gebogen haarvlecht, die alle jonge leden van vorstelijke huizen droegen. Ook de jeugdige Horus wordt er mede afgebeeld.

94)De eerste koning van de 4e dynastie, die ook in later tijd nog in eere werd gehouden. Van hem heet het op meer dan ééne plaats: „een dergelijke is niet gezien sedert de dagen van Snefroe.” Voor de vereering zijner nagedachtenis waren ook later priesters aangewezen. De gedenkteekenen van zijn tijd zijn de oudste van alle die tot ons kwamen.

94)De eerste koning van de 4e dynastie, die ook in later tijd nog in eere werd gehouden. Van hem heet het op meer dan ééne plaats: „een dergelijke is niet gezien sedert de dagen van Snefroe.” Voor de vereering zijner nagedachtenis waren ook later priesters aangewezen. De gedenkteekenen van zijn tijd zijn de oudste van alle die tot ons kwamen.

95)De krijgsgod der Egyptenaars.

95)De krijgsgod der Egyptenaars.

Zoodra Bent-Anat Mena’s erf verlaten had, kwam de dwerg Nemoe met een brief in den tuin, en vertelde kort maar op zulk eene komische manier al wat hem was wedervaren, dat de beide vrouwen wel moesten lachen, en Katoeti met zekere uitgelatene vroolijkheid, die haar anders vreemd was, zijne bekwaamheid prees, hoewel zij hem tevens waarschuwde wat voorzichtiger te zijn. »Dat was een kostelijke dag, die groote dingen bracht en nog grootere in de toekomst doet verwachten,” zeide zij, terwijl zij het zegel van den brief beschouwde.

Nefert ging zoo dicht mogelijk naast haar staan en vroeg: »Open toch den brief, en zie of er niets in staat over hem?”

Katoeti maakte het was los, doorliep het schrijven met een vluchtigen blik, streelde de wangen harer dochter en zeide troostend: »Wellicht heeft uw broeder voor hem geschreven; ik zie geen regel van zijne hand.”

Nefert keek nu ook eens in den brief, niet zoozeer om te lezen, als wel om naar het haar welbekende handschrift van haar man te zoeken. Evenals alle Egyptische vrouwen van goeden huize, zoo verstond ook zij de kunst om te lezen, en zij had in de beide eerste jaren van haar huwelijk zeer dikwijls gelegenheid gehad zich te verwonderen en toch te verheugen over de gebrekkige letters, die de ijzeren hand van den wagenmenner op den papyrus had gekrabbeld voor haar, die met hare teedere vingers vast en zeker het schrijfriet wist te hanteeren. Opmerkzaam gluurde zij in den brief en zeide eindelijk, met tranen in de oogen: »Niets! — Ik ga naar mijne kamer, moeder!”

Katoeti kuste haar en zeide: »Hoor toch eens wat uw broeder schrijft.”

Maar Nefert schudde het hoofd, wendde zich zwijgend af en verdween in het huis.

Katoeti was haar schoonzoon niet bijzonder genegen, maar zij hing met geheel haar hart aan haren schoonen lichtzinnigen zoon, het evenbeeld van haar gestorven gemaal, den lieveling der vrouwen, den vroolijksten jongeling onder de jonge edelen, die de koninklijke garde van wagenstrijders uitmaakten. Hoe uitvoerig had hij, die zoo moeielijk met het schrijfriet kon omgaan, ditmaal geschreven! Anders was hij gewoon in korte woorden te vragen om nieuwe middelen tot bevrediging van zijne spilzucht, maar dit was nu eens een degelijke brief. Heden mocht zij ook eene dankzegging verwachten, want nog kort geleden had hij eene aanzienlijke toelage ontvangen, die zij weder had afgezonderd van de inkomsten der goederen, die haar schoonzoon haar had toevertrouwd. — Zij begon nu te lezen. De blijdschap waarmede zij den dwerg had ontvangen was geveinsd geweest, en niet ongelijk aan de fraaie regenboog-kleuren, die de sombere oppervlakte van een moeras bedekken: Werp een steen in den poel, de glans zal verdwijnen; troebele wolken borrelen op en verven het water met onreine donkere tinten. Zoo vielen de berichten, die de brief van haar zoon inhield, als zware rotsblokken in Katoeti’s ziel. De diepste smart welt voor ons altijd op uit dezelfde bron, die ons met vreugde kan verzadigen, en die wonden branden het heetst, die eene geliefde hand ons slaat. Hoe meer Katoeti zich verdiepte in de moeilijk te ontcijferen volzinnen van haar lieveling, die jammerlijk vol fouten waren, des te bleeker werd haar gelaat, dat zij telkens bedekte met de bevende handen, waaraan ten laatste het blad ontviel.

Nemoe zat tegenover haar neergehurkt op den grond en volgde elke harer bewegingen. Toen zij eindelijk opsprong met een gil, die door merg en been drong, en haar voorhoofd drukte tegen een ruwen palmstam, kroop hij naar haar toe, kuste hare voeten, en riep zoo hartelijk, dat het Katoeti zelfs verraste, zij die enkel gewoon was jolige of scherpe woorden uit den mond van haar dwerg te vernemen: »Meesteres, meesteres! Wat is er toch gebeurd?”

Katoeti kwam weer tot zich zelve, keerde zich om en trachtte te spreken; maar haar doodsbleeke lippen bleven gesloten, en hare oogen staarden zoo dof in de ruimte, als ware zij door doodskramp overvallen.

»Meesteres, meesteres!” sprak de dwerg op nieuw, en steeds hartelijker. »Wat deert u toch? Zal ik uwe dochter roepen?”

Katoeti maakte eene ontkennende beweging met de hand en riep halffluisterend uit: »Die ellendigen, die laaghartigen!”

Haar adem begon sneller te gaan; het bloed steeg haar naarwangen en oogen. Zij vertrapte den brief, en snikte zoo luid en hevig, dat de dwerg, die nog nooit tranen in hare oogen had gezien, angstig opstond en zacht berispend durfde zeggen: »Katoeti!”

Zij begon hierop bitter te lachen en sprak met bevende stem: »Waarom roept gij dezen naam zoo luid? Hij is onteerd, geschandvlekt. Hoe zullen de heeren en vrouwen zich nu verheugen! Nu kan de nijd zijn geliefd kind, den spot, tegen ons in ’t harnas jagen. En ik heb dezen dag zooeven nog geprezen! Men zegt: vertoon uw geluk op de straten en verberg uw ongeluk. Omgekeerd! omgekeerd! Den goden mag men zelfs niet laten blijken, dat men zich verblijdt en hoopt, want ook zij zijn naijverig en hebben vermaak in ons leed.”

Andermaal liet zij haar hoofd tegen den palmboom rusten.

»Gij spreekt van schande en niet van dood,” zeide Nemoe, »en toch heb ik van u geleerd, dat men niets verloren moet achten, behalve de afgestorvenen.”

Deze woorden misten hare krachtige uitwerking niet op de vrouw, die bijna vertwijfelde. Driftig en onstuimig wendde zij zich tot den dwerg en sprak: »Gij zijt verstandig en zeker wel te vertrouwen. Hoor dan! Doch al waart gij Amon zelf, er is geene redding meer mogelijk; neen, geene!”

»Toch moet men een middel trachten uit te denken,” hernam Nemoe, en zijne slimme oogen ontmoetten die van zijne meesteres. »Spreek toch! en geef mij uw vertrouwen. Mogelijk kan ik u helpen. Gij weet dat ik de kunst versta om te zwijgen.”

»Weldra zullen de kinderen elkaar op straat vertellen, wat deze brief mij heeft gemeld,” zeide Katoeti met bittere ironie. »Nefert alleen mag van het gebeurde niets weten, niets, hoort gij! — Wat is dat? De stadhouder komt! Ga dadelijk tot hem! Zeg hem dat ik plotseling ongesteld ben geworden, zeer erg! Ik kan hem niet zien, nu althans niet! — Niemand mag toegelaten worden, niemand! Verstaat ge?”

De dwerg verdween terstond. Toen hij zijn last had volbracht en terugkwam, vond hij zijne meesteres nog altijd in koortsachtige overspanning. »Hoor dan,” zeide zij. »Eerst wat van minder beteekenis is, dan het verschrikkelijke, het onuitsprekelijke. Ramses overlaadt Mena met gunstbewijzen. Men is overgegaan tot de verdeeling van den krijgsbuit van dit jaar. Voor elken aanvoerder lagen groote schatten gereed, en de wagenmenner mocht vóor allen kiezen.”

»Welnu?” vroeg de dwerg.

»Welnu?” herhaalde Katoeti. »Welnu? Hoe zorgde de waardige huisheer voor de zijnen in het vaderland; hoe eerde hij zijne arme verlatene vrouw; hoe zocht hij zijn bezwaard erfdeel van schulden te ontheffen? Het is schandelijk, afschuwelijk! Hetzilver, het goud, de edelgesteenten ging hij met een glimlach voorbij, en hij nam de schoone krijgsgevangene dochter van den vorst der Danaërs en voerde haar naar zijne tent.”

»’t Is schandelijk!” prevelde de dwerg.

»Arme, arme Nefert!” riep Katoeti, en zij verborg haar aangezicht met beide handen.

»En het andere?” vroeg Nemoe somber.

»Dat,” zeide Katoeti, »dat is... Maar ik wil kalm blijven, dood bedaard en koel. Gij kent mijn zoon. Hij is lichtzinnig, maar hij heeft mij lief en zijne zuster meer dan alles in de wereld. Dwaze die ik was! Om hem tot spaarzaamheid te bewegen, had ik hem onze benarde omstandigheden geschilderd. Toen nu die schandelijke daad door Mena was bedreven, dacht hij aan ons en onze zorgen. Zijn aandeel in den buit was gering en kon ons niet helpen. Zijne kameraden dobbelden om de gewonnen deelen; hij zette het zijne op ’t spel, om meer voor ons te winnen. Alles verloor hij, alles! Eindelijk — het is afgrijselijk, schier niet om uit te spreken — eindelijk zette hij tegenover eene ongehoorde som, altijd aan ons denkende en aan ons alleen, de mummie van zijn afgestorven vader96). Hij verloor! Lost hij dit heilig onderpand niet in vóor het einde van de derde nieuwe maan, dan wordt hij eerloos verklaard97), en de mummie valt den winner ten deel. Verachting en verbanning uit de samenleving zullen dan zijn en mijn deel zijn.”

Katoeti drukte de handen stijf tegen het gelaat. De dwerg prevelde echter bij zichzelf: »Die speler en huichelaar!” Toen zijne meesteres wat bedaarde, zeide hij overluid: »Dat is ontzettend; maar toch is alles nog niet verloren. Hoeveel bedraagt de schuld?”

Het klonk als een zware vloek, toen Katoeti antwoordde: »Dertig Babylonische talenten”98)!

De dwerg sprong op met een gil, als had hem een adder gebeten, en vroeg: »Wie waagde het tegen zulk een waanzinnigen inzet?”

»Antef, de zoon van vrouw Hathor,” antwoordde Katoeti,»die reeds in Thebe het erfgoed zijns vaders heeft verspeeld.”

»Die laat geen graankorrel van zijne vordering vallen!” riep de dwerg. »En Mena?”

»Hoe kon mijn zoon, na al het gebeurde, zich tot hem wenden? Het arme kind smeekt mij de hulp van den stadhouder in te roepen.”

»Van den stadhouder?” vroeg de dwerg, terwijl hij zijn groot hoofd schudde. »Onmogelijk!”

»Ik weet hoe het met hem gesteld is; maar zijn stand, zijn naam!”

»Meesteres!” sprak de dwerg, en in zijne woorden lag hooge ernst, »bederf de toekomst niet ter wille van het tegenwoordige. Wanneer uw zoon zijne eer verliest onder koning Ramses, kan zij hem door den toekomstigen pharao Ani teruggegeven worden! Bewijst de stadhouder u thans zulk een ongehoorden dienst, dan zal hij meenen met u afgerekend te hebben, wanneer dat werk gelukt en hij den troon beklimt. Op dit oogenblik laat hij zich geheel door u leiden, terwijl gij hem niet noodig hebt en enkel om zijnentwil voor zijne verheffing schijnt te werken. Zoodra gij nu zijne hulp inroept en hij u redt, verliest gij de vrijheid en belangeloosheid, waarin tegenover hem uw kracht is gelegen. Hij zal met te meer onwil bemerken dat gij van hem denkt partij te trekken, naarmate het hem moeielijker vallen zal zulk eene groote som in korten tijd bijeen te brengen. Gij weet toch in welke omstandigheden hij verkeert.”

»Hij steekt in schulden,” zeide Katoeti, »dat weet ik.”

»Dat moet gij ook weten,” ging de dwerg voort, »want gij zelve drijft hem tot ongehoorde uitgaven. Door schitterende feesten aan te richten, heeft hij de bevolking van Thebe voor zich gewonnen; als verzorger van den heiligen Apis heeft hij te Memphis schatten uitgegeven99); de aanvoerders der door hem uitgeruste troepen, die naar Ethiopië bestemd zijn, heeft hij met duizenden begiftigd; en gijzelve weet wat zijne geheime agenten kosten in het koninklijk leger. Van de meeste rijken hier te lande heeft hij sommen geleend, en dat is goed, want zoovele schuldeischers zijn tevens zoovele bondgenooten. De stadhouder Ani is volgens hunne berekening een slecht schuldenaar, maar koning Ani zal een dankbaar betaler zijn.”

Katoeti zag den dwerg verbaasd aan en kon niet nalaten te zeggen: »Gij kent de menschen.”

»Helaas, ja!” antwoordde de dwerg. »Wend u niet tot den stadhouder. Eer gij het werk van jaren afbreekt en de toekomstige grootheid van u en de uwen opoffert, moet gij liever de eer van uw zoon prijsgeven.”

»En die van mijn gemaal en mijne eigene?” vroeg Katoeti. »Maar gij weet niet wat dat beteekent!Eeris een woord dat de onvrije wel kan nastamelen maar nimmer begrijpen. Gij wrijft de eeltplekken die men u geslagen heeft; mij zal elke vinger, die met minachting op mij wijst, verwonden als eene lans van essenhout met eene vergiftigde koperen punt. O eeuwige goden, wie kan hier helpen?!”

De gefolterde vrouw bedekte hare oogen weder met de handen, als wilde zij hare eigene smaadheid niet aanschouwen. De dwerg zag haar medelijdend aan en zeide op zachter toon: »Herinnert ge u den diamant, die uit Nefert’s schoonsten ring was gevallen? Wij zochten dien maar vonden hem niet. Den volgenden dag liep ik door de kamer en trapte op iets hards. Ik bukte en vond den steen. Wat aan het edele gezichtsorgaan, het oog, was ontsnapt, dat had de verachte eeltachtige voetzool gevonden. Wellicht gelukt het den onvrijen kleinen Nemoe, die niet weet wat eer is, een redmiddel uit te denken, dat zich aan den verheven geest zijner meesteres niet voordoet.”

»Waaraan denkt gij dan?” vroeg Katoeti.

»Aan redding!” antwoordde de dwerg. »Is het waar dat uwe zuster Setchem u heeft bezocht en dat gij u met elkander hebt verzoend?”

»Zij bood mij de hand, en ik nam haar aan.”

»Ga dan tot haar. De menschen zijn nooit dienstvaardiger dan na eene verzoening. De vijandschap die werd uitgedelgd beschouwen zij als eene pas geheelde wond, die men met voorzichtigheid moet aanraken. Setchem is van uw bloed en zij heeft een gevoelig hart.”

»Zij is niet rijk,” gaf Katoeti ten antwoord. »Elke palm in haar tuin komt van haar echtgenoot en behoort aan hare kinderen.”

»Was ook Paäker niet bij u?”

»O ja, maar op verlangen zijner moeder,” zeide Katoeti. »Gij weet, hij haat mijn schoonzoon.”

»Ik weet het,” zeide de dwerg, half binnen ’s monds; »doch als Nefert hem wilde verbidden....”

De trotsche weduwe schrikte. Zij gevoelde dat zij den dwerg te veel vrijheid had gegeven, en beval haar alleen te laten.

Nemoe kuste haar gewaad en vroeg schuchter: »Zal ik vergetenwat ge mij hebt toevertrouwd, of veroorlooft ge mij, dat ik verder over middelen peins om uw zoon te redden?”

Katoeti bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan, en zeide toen: »Gij hebt zeer verstandig uiteengezet wat ik laten moet: mogelijk openbaart eene godheid u wat ik doen zal. Laat mij nu alleen!”

»Hebt ge mij morgen vroeg ook noodig?” vroeg het manneke.

»Neen!”

»Dan rijd ik naar de Nekropolis om te offeren.”

»Ga,” zeide Katoeti, en ging met den noodlottigen brief het huis binnen.

Nemoe bleef alleen staan. Peinzend keek hij voor zich en prevelde: »Zij mogen niet tot eerloosheid vervallen, nu ten minste niet, want anders is alles verloren. Wat is toch dieeer! Alle menschen komen zonder haar ter wereld, en de meeste onzer dalen als goede lieden ten grave, zonder haar ooit gekend te hebben. Maar enkelen, die rijk zijn en niets te doen hebben, bestrijken daarmede het gladde weefsel hunner ziel, evenals de Koeschiten100)hun haar met vet en balsem, tot het een kapsel wordt101), dat hun leelijk staat, maar waarop zij zoo trotsch zijn, dat zij zich liever de ooren dan dit onding laten afsnijden. Ik vermoed, ja ik vermoed.... doch eer ik mijn mond weder open doe, ga ik naar mijne moeder, die meer weet dan twintig profeten.”

96)De koning, dien Herodotus Asychis noemt, en die waarschijnlijk tot de 4e dynastie gebracht moet worden, zal het eerst hebben toegelaten de mummiën der voorvaderen te verpanden. „Wie dit onderpand gaf, en de schuld niet had willen terugbetalen, dien zou na zijn dood noch in zijn vaderlijk, noch in eenig ander graf eene plaats worden ingeruimd. Ook aan zijne nakomelingen zou de begrafenis worden geweigerd.” Herodotus II, 136.97)De zwaarste straf, die een Egyptisch soldaat treffen kon. Het schijnt dat deze straf ook alleen voor krijgslieden bestond.98)Ongeveer 81,000 gulden.99)Toen onder Ptolemaeus I Soter, de Apis stierf, gaf zijn verpleger voor de begrafenis van het heilige dier, niet alleen al het geld uit, waarover hij te beschikken had, maar hij borgde bovendien van den koning nog 50 talenten zilver, ongeveer 135,000 gulden. In den tijd van Diodorus gaf de Apis-verzorger voor hetzelfde doel 100 talenten, d. i. 270,000 gulden uit.100)Ethiopiërs.101)Wij weten uit de gedenkteekenen, dat de zwarte bewoners van den Boven-Nijl, reeds in den tijd der pharao’s, de leelijke mode huldigden, die nog steeds door hunne nakomelingen wordt gevolgd.

96)De koning, dien Herodotus Asychis noemt, en die waarschijnlijk tot de 4e dynastie gebracht moet worden, zal het eerst hebben toegelaten de mummiën der voorvaderen te verpanden. „Wie dit onderpand gaf, en de schuld niet had willen terugbetalen, dien zou na zijn dood noch in zijn vaderlijk, noch in eenig ander graf eene plaats worden ingeruimd. Ook aan zijne nakomelingen zou de begrafenis worden geweigerd.” Herodotus II, 136.

96)De koning, dien Herodotus Asychis noemt, en die waarschijnlijk tot de 4e dynastie gebracht moet worden, zal het eerst hebben toegelaten de mummiën der voorvaderen te verpanden. „Wie dit onderpand gaf, en de schuld niet had willen terugbetalen, dien zou na zijn dood noch in zijn vaderlijk, noch in eenig ander graf eene plaats worden ingeruimd. Ook aan zijne nakomelingen zou de begrafenis worden geweigerd.” Herodotus II, 136.

97)De zwaarste straf, die een Egyptisch soldaat treffen kon. Het schijnt dat deze straf ook alleen voor krijgslieden bestond.

97)De zwaarste straf, die een Egyptisch soldaat treffen kon. Het schijnt dat deze straf ook alleen voor krijgslieden bestond.

98)Ongeveer 81,000 gulden.

98)Ongeveer 81,000 gulden.

99)Toen onder Ptolemaeus I Soter, de Apis stierf, gaf zijn verpleger voor de begrafenis van het heilige dier, niet alleen al het geld uit, waarover hij te beschikken had, maar hij borgde bovendien van den koning nog 50 talenten zilver, ongeveer 135,000 gulden. In den tijd van Diodorus gaf de Apis-verzorger voor hetzelfde doel 100 talenten, d. i. 270,000 gulden uit.

99)Toen onder Ptolemaeus I Soter, de Apis stierf, gaf zijn verpleger voor de begrafenis van het heilige dier, niet alleen al het geld uit, waarover hij te beschikken had, maar hij borgde bovendien van den koning nog 50 talenten zilver, ongeveer 135,000 gulden. In den tijd van Diodorus gaf de Apis-verzorger voor hetzelfde doel 100 talenten, d. i. 270,000 gulden uit.

100)Ethiopiërs.

100)Ethiopiërs.

101)Wij weten uit de gedenkteekenen, dat de zwarte bewoners van den Boven-Nijl, reeds in den tijd der pharao’s, de leelijke mode huldigden, die nog steeds door hunne nakomelingen wordt gevolgd.

101)Wij weten uit de gedenkteekenen, dat de zwarte bewoners van den Boven-Nijl, reeds in den tijd der pharao’s, de leelijke mode huldigden, die nog steeds door hunne nakomelingen wordt gevolgd.

Voordat de zon den volgenden dag was opgegaan, liet Nemoe zich met den kleinen witten ezel, dien de overleden vader van den wagenmenner Mena hem jaren geleden geschonken had, over den Nijl zetten. Voor zijn rit door de Nekropolis maakte hij wijselijk gebruik van de morgenkoelte, die de verschijning der dagvorstin voorafgaat. Goed bekend met alle wegen en paden, vermeed hij met opzet de straat, die naar de plaats voerde waar hij zijn wilde. Hij draafde voort in de richting van den berg, die het dal der koningsgraven van de Nijlvlakte scheidt. Vóór zich zag hij hemelhooge kalkrotsen indrukwekkend in een halfrond oprijzen; zij maakten den achtergrond uit van den statigen op terrassen gebouwden tempel, die de groote Hatasoe, de trotsche voogdes van twee pharao’s uit het gevallen koningshuis, tot haar eigen aandenken en ter eere van de godin Hathor had opgericht. Nemoe liet het heiligdom links liggen en reed het steile bergpad op, den naasten weg van de vlakte naar het dal der koningsgraven. Weldra kon hij den terrasvormigen Hatasoe-tempel in alle zijne onderdeelen beneden zich zien; en vóor zich de Nekropolis met hare gebouwen, tempels en kolossen, nog sluimerende in de koele ochtendschemering; en daarachter den breeden zilveren stroom, half gesluierd door de witte zeilen en de langzaam optrekkende morgennevelen; en nog verder de woonstad Thebe met hare reuzentempels, duidelijk uitkomende tegen de oosterkim, door de opgaande zon gloeiend rood gekleurd.

Doch de dwerg zag niets van dit heerlijk tafereel aan zijne voeten. In gedachten verzonken, ver over den hals van zijn beest gebogen, liet hij den hijgenden ezel naar welgevallen nu eens klimmen dan weder stilstaan. Toen hij zoowat ter halver hoogtewas gekomen, hoorde hij de voetstappen kraken van een wandelaar, die hem langzamerhand naderde. De man, die bedaard naar boven klom, had hem weldra ingehaald, en bracht hem een morgengroet. Het bergpad was smal, en zoodra de dwerg had opgemerkt, dat de persoon die achter hem liep een priester was, hield hij op een minder steil gedeelte van den weg zijn ezeltje stil en zeide eerbiedig: »Wandel voorbij, heilige vader, want uw beide voeten loopen harder dan mijne vier hoeven.”

»Eene lijdende heeft mijne hulp noodig,” antwoordde de arts Nebsecht, Pentaoer’s vriend, dien wij in het Seti-huis en bij het gewonde Paraschieten-meisje hebben leeren kennen; en hij versnelde zijn stap, om den tragen ruiter vooruit te komen.

Juist verscheen in het oosten aan den purperen horizont de vurige zonneschijf, en uit het heiligdom beneden hen klommen de tonen op van een godsdienstig lied, door een veelstemmig mannenkoor aangeheven. Nemoe liet zich van zijn ezel glijden en nam de houding van een biddende aan. De priester volgde zijn voorbeeld, doch terwijl de dwerg aandachtig zijne oogen richtte op de wedergeboorte van den zonnegod achter de oostelijke bergketen, staarden de zijnen naar den grond, en een zijner ten hemel geheven handen daalde onopgemerkt neder, en greep naar eene zeldzame versteende schelp die op den weg lag. Eenige oogenblikken later stond Nebsecht op, door Nemoe gevolgd.

»Een schoone morgen,” zeide de dwerg. »De heilige vaders daar beneden zijn heden vroeger op dan gewoonlijk.”

De arts lachte toestemmend en vroeg: »Behoort gij in de Nekropolis te huis? Wie houdt er hier dwergen op na?”

»Niemand,” antwoordde het manneke. »Maar vergun mij eene wedervraag. Welk aanzienlijk persoon woont er hier achter de bergen, dat een priester uit het Seti-huis zijne nachtrust voor hem opoffert.”

»Mijn bezoek geldt iemand uit den geringeren stand. Maar zij lijdt veel,” zeide Nebsecht.

Nemoe zag hem verwonderd aan en zeide: »Dat is edel, dat is....” Maar hij voltooide den volzin niet, hij sloeg zich opeens tegen het voorhoofd en zeide: »Gij gaat, ingevolge eene last van de prinses Bent-Anat, naar het overreden Paraschieten-kind; ja, ik begreep het wel. De spijs waarvoor de heeren zoo vroeg opstaan, moet toch een voornamen bijsmaak hebben. Hoe gaat het met het arme kind?”

In de laatste woorden lag zooveel warme deelneming, dat de arts, die de opmerking van den dwerg niet zoo onnatuurlijk vond, vriendelijk antwoordde: »Niet slecht; zij kan behouden worden.”

»Den goden zij dank!” riep Nemoe, terwijl de priester hem voorbijging.

Met verdubbelde snelheid steeg Nebsecht den berg op en weder af, en hij had reeds lang in de hut van den Paraschiet naast het leger van de gewonde Warda plaats genomen, toen Nemoe de woning naderde van zijne moeder Hekt, de tooveres, van wie Paäker den liefdedrank had ontvangen. De oude vrouw zat weder voor de deur van haar hol. Naast haar lag eene plank met dwarshouten, waartusschen een kleine knaap lag uitgestrekt, zoodat de houten juist zijn hoofd en zijne voetzolen raakten. Hekt verstond de kunst om dwergen te maken. Dit soort van speelgoed in de gedaante van een mensch werd goed betaald, en het kind op de martelplank, met zijn aardig gezichtje, beloofde een kostbaar artikel te worden.

Zoodra de tooveres bemerkte dat er iemand naderde, boog zij zich over het knaapje, nam het met plank en al in de armen, droeg het in haar hol en zeide streng: »Verroer je niet jongen, anders krijg je slagen! Laat je nu binden.”

»Niet binden!” smeekte het kind. »Ik zal stil zijn en rustig blijven liggen.”

»Strek je uit!” beval de oude, en sjorde het schreiende kind met een touw aan de plank vast. »Als je stil bent, geef ik je later een honigkoek en mag je met de jonge hoenders spelen.”

Het jongske kwam tot bedaren; een lachje speelde om zijn mond en zijne lieve oogjes straalden van vreugde en hoop. Het greep met beide handen het kleed van de oude en zeide op dien zoet vleienden toon, dien de godheid in eene aanvallige kinderstem heeft gelegd. »Ik zal als een muisje zoo stil zijn, en niemand zal weten dat ik er ben. Doch als ge mij een honigkoek geeft, toe, laat mij dan vrij en naar Warda gaan hierover.”

»Warda is ziek; wat wilt ge hierover doen?” vroeg de oude.

»Ik zou haar den koek willen brengen,” zeide het knaapje zacht, en tranen glinsterden in zijne oogen.

De oude streelde het kind met den vinger om zijn kin, en eene geheimzinnige macht trok haar naar omlaag, om het te kussen. Doch vóor hare lippen zijn gezichtje vonden, keerde zij zich af en zeide streng: »Blijf rustig. Straks zullen wij zien!” Zij raapte een bruinen zak van den grond op en wierp dien over den knaap. Daarop ging zij weder naar buiten begroette Nemoe, zette hem melk, brood en honig voor, gaf hem op zijn verlangen inlichtingen aangaande het overreden meisje, wier ongeluk hem zeer ter harte scheen te gaan, en vroeg eindelijk: »Wat voert u hierheen? De Nijl stond nog laag, toen ge mij de laatste maal een bezoek hebt gebracht, en thans is hij reeds lang beginnen te vallen102). Zendt uwe meesteres u hierheen, of begeert gij zelf mijnehulp? Al dat gespuis blijft zich toch gelijk. Niemand gaat tot een ander, als hij hem niet noodig heeft. Wat zal ik je geven?”

»Ik heb niets noodig,” antwoordde de dwerg, »maar....”

»Maar gij komt op last van een derde,” sprak de heks lachend. »’t Is alles één en ’t zelfde! Wie iets voor een ander verlangt, denkt toch aan zichzelf alleen.”

»’t Kan zijn,” hernam de kleine man. »Uwe woorden bewijzen in elk geval, dat gij, sedert ik u het laatst zag, niet minder wijs zijt geworden, en dat doet mij genoegen, want ik heb uw raad noodig.”

»Die is goedkoop te krijgen. Wat is er dan gaande aan de overzijde?”

Nemoe vertelde zijne moeder kort, duidelijk en zonder terughouding, van welke gedachten men zwanger ging in het huis zijner meesteres, en van de verschrikkelijke schande, waarmede zij door haar zoon werd bedreigd. De oude schudde bij herhaling bedenkelijk het grijze hoofd, maar zij liet den dwerg uitspreken, zonder hem in de rede te vallen. Daarop vroeg zij, met bliksemende oogen: »En gelooft gij werkelijk, dat het u gelukken zal een adelaar door een musch te vervangen, een Ani te plaatsen op den troon van een Ramses?”

»De troepen die in Ethiopië strijden zijn aan onze zijde,” riep Nemoe; »de priesters verklaren zich tegen den koning en erkennen in Ani het echte bloed van Ra.”

»Dat zegt veel,” hernam de oude.

»En vele honden zijn de dood eener gazel,” voegde Nemoe er lachend bij.

»Doch Ramses is geen vluchtend wild, maar een leeuw,” sprak de heks weder ernstig. »Inderdaad, gijlieden speelt hoog spel.”

»Dat weten we,” antwoordde Nemoe, »maar daar is ook iets groots mede te winnen.”

»Of alles mede te verliezen,” mompelde de oude, terwijl zij met de vingers over de dikke spieren van haar hals wreef. »Doe echter wat ge wilt; mij kan ’t niet schelen wie het jonger geslacht naar het slagveld stuurt, en het vee der ouderen van het veld laat drijven. Wat wilt ge van mij?”

»Mij zendt niemand,” antwoordde de dwerg. »Ik kom uiteigen beweging, om u te vragen wat Katoeti doen moet ten einde haar zoon en haar huis voor eerloosheid te bewaren.”

»Hm,” bromde de heks, en zij zag Nemoe met beide oogen vragend aan, terwijl zij zich aan het stokje in haar hand zoo hoog mogelijk oprichtte. »Wat is er dan toch met je gebeurd dat ge het lot der grooten zóo ter harte neemt, alsof het je eigen was?”

De dwerg kreeg een kleur en antwoordde aarzelend: »Katoeti is eene goede meesteres, en als het haar welgaat, kan er voor u en voor mij nog al wat afvallen.”

De heks schudde ongeloovig het hoofd en zeide met schamperen lach: »Misschien een brood voor u en voor mij een kruimel! — Gij voert ook nog iets anders in het schild, en ik lees in uw hart alsof ge deze opengesneden raaf waart. Gij behoort tot het soort van lieden, die hunne vingers niet stil kunnen houden en dag aan dag elk deeg kneden, overal schuiven, wrijven, iets maken moeten. Elke rok is u te eng. Waart ge drie hoofden grooter en het kind van een priester dan hadt ge het misschien ver gebracht. Hoog wilt ge vliegen en hoog zult ge ook eindigen, als vriend van een koning of — aan de galg!”

De oude lachte weder, maar Nemoe beet zich op de lippen en zeide: »Hadt ge mij naar de school gezonden, ware ik niet de zoon van een heks en geen dwerg, dan speelde ik met de menschen, gelijk gij met mij hebt gespeeld. Want ik ben slimmer dan zij allen, en geen hunner drijfveeren blijft mij verborgen. Honderd wegen liggen voor mij open, als zij heg noch steg weten, en waar zij zorgeloos voortjagen, zie ik den afgrond waarin zij onvermijdelijk zullen nederstorten.”

»En toch komt ge bij mij?” hernam de oude spottend.

»Ik verlang uw raad,” antwoordde Nemoe ernstig, »omdat vier oogen meer opmerken dan twee; omdat de belangelooze toeschouwer helderder ziet dan de speler, en omdat gij verplicht zijt mij te helpen.”

De heks keek verwonderd op en vroeg: »Ik? Verplicht? En waartoe dan?”

»Mij te helpen,” herhaalde de dwerg half smeekend. »Gij hebt mijn groei belemmerd en mij tot een wangedrocht gemaakt.”

»Eenvoudig omdat niemand het in de wereld beter heeft dan gij dwergen,” haastte de oude zich te zeggen.

Nemoe schudde het hoofd en vervolgde droefgeestig: »Dat hebt ge mij reeds zoo dikwijls verteld. Ten aanzien van menig ander, die als ik in ellende werd geboren, moogt gij gelijk hebben. Doch gij hebt mij het leven bedorven; ge hebt mij niet alleen naar het lichaam, maar ook naar de ziel verminkt. Mij hebt gij tot een nameloos lijden gedoemd, dat met geen woorden is te beschrijven.”

Het groote hoofd van den dwerg zonk neder op zijn borst, en hij drukte zijne linkerhand tegen zijn snelkloppend hart. De oude naderde hem daarop en vroeg wat vriendelijker: »Wat hebt gij dan toch? Ik dacht dat het u goed ging in Mena’s huis.”

»Dat denkt ge,” sprak de kleine, »gij, die mij zooeven als in een spiegelbeeld toondet, wie ik ben, en hoe geheimzinnige krachten mij dringen en drijven! Kunstmatig hebt ge mij gemaakt tot hetgeen ik ben. Gij hebt mij verkocht aan den schatmeester van Ramses, en deze schonk mij aan Mena’s vader, zijn zwager. Dat is nu vijftien jaren geleden! Ik was toen nog een jongeling, een knaap als zoovele anderen, alleen wat levendiger van geest, wat onrustiger en driftiger dan zij. Men gaf mij als speelgoed aan den kleinen Mena, en hij spande mij voor zijn wagentje en schikte mij op met linten en vederen, en sloeg mij met de zweep, als ik hem niet hard genoeg voorttrok. Wat heeft dat meisje, waarvoor ik mijn leven zou hebben gegeven, dat dochtertje van den portier, om mij gelachen, als ik in mijn maskeradetuig hijgend voor het wagentje huppelde, en de geeselstriemen van het jongeheertje mij om de ooren suisten, het zweet mij van het voorhoofd gutste en mijn diep gewond hart bloedde! Toen stierf Mena’s vader; de knaap kwam in het Seti-huis, en van toen aan diende ik de vrouw van zijn hofmeester, dien Katoeti later naar het erfgoed in Hermonthis verbande. Dat waren jaren! De dochtertjes van den huize speelden met mij als met eene pop103), legden mij in de wieg en dwongen mij de oogen te sluiten en mij te houden alsof ik sliep, terwijl liefde en haat strijd voerden in mijne ziel en groote ontwerpen mijn brein vervulden. Zoodra ik poogde mij te verzetten, sloegen ze mij met roeden, en toen ik eens in boosheid mijzelf had vergeten, de kleine Mertitefs geslagen en gewond had, hing Mena, die er ongelukkig juist opaan kwam, mij met mijn gordel aan een spijker in de schuur, en liet mij daar eenvoudig bengelen, later zeggende, dat hij vergeten had mij af te nemen. De ratten vielen mij op ’t lijf! Daar zijn nog de litteekens, de kleine witte puntjes hier. Zie maar! Misschien zullen zij eens geheel vergroeien, maar de wonden, die mijn hart in die ure geslagen zijn, zullen niet ophouden te bloeden! Daarna huwde Mena met Nefert, en met deze vrouw kwam ook zijne schoonmoeder Katoeti in huis. Zij verloste mij van den hofmeester. Ik werd voor haar onontbeerlijk. Zij behandelt mij als een man. Zij weet de gaven mijns geestes te schattenen luistert naar mijn raad. Daarom wil ik haar groot maken, met haar en door haar machtig worden. Als Ani den troon bestijgt, dan zullen wij hem besturen, gij en ik en zij! Ramses moet vallen en met hem Mena, die mijn lichaam onteerd en mijne ziel vergiftigd heeft.”

De oude had onder deze woorden zwijgend tegenover den dwerg gestaan. Zij zette zich thans op haar ruwen houten zetel neer en zeide, terwijl zij eene hoppe begon te plukken: »Nu begrijp ik u. Gij verlangt u te wreken. Gij wenscht hoog te stijgen, en ik zal uw mes wetten en de ladder voor u vasthouden. Arme kleine! Kom, zet je neder; drink om tot bedaren te komen nog een slok melk en hoor mijn raad. Katoeti heeft veel geld noodig om eerloosheid te voorkomen. Welnu, zij heeft het maar op te nemen, want het ligt voor haar deur.”

De dwerg zag de heks met verbazing aan.

»De Mohar Paäker,” vervolgde zij, »is de zoon van hare zuster Setchem, niet waar?”

»Zoo als gij zegt.”

»Katoeti’s dochter Nefert is de vrouw van uw meester Mena en ik geloof dat een ander dit verlaten hoentje gaarne in zijn hof zou lokken.”

»Gij doelt op Paäker, die met Nefert verloofd was, voor zij Mena volgde.”

»Paäker was eergisteren bij mij.”

»Bij u?”

»Ja, bij mij, de oude Hekt, en wel om een liefdedrank te koopen. Ik gaf hem zoo iets, en daar ik nieuwsgierig ben, liep ik hem achterna, zag hoe hij het vrouwtje het water aanbood, en vorschte uit hoe zij heette.”

»En Nefert dronk den tooverdrank?” vroeg de dwerg met ontzetting.

»Azijn en wortelsap!” spotte de oude. »Een groot heer, die tot mij komt om eene vrouw te winnen, is tot alles in staat. Laat Nefert Paäker om het geld smeeken, en de schulden van den lichtzinnigen jonkman zijn betaald.”

»Katoeti is trotsch en heeft mij streng afgewezen, toen ik zoo iets durfde voorslaan.”

»Dan moet Paäker zelf haar het geld aanbieden. Ga tot hem, wek in hem de hoop op Nefert’s genegenheid, vertel hem wat de vrouwen beangstigt, en laat hem, als hij weigert, maar ook dan eerst, merken dat gij iets van het drankje weet.”

De dwerg zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en sprak toen, terwijl hij de oude vol bewondering aanstaarde: »Juist, dat is de rechte weg.”

»Den verkeerden vindt ge ook wel zonder mij,” prevelde deheks. »Uw zaak is misschien toch nog zoo slecht niet, als ze mij in den beginne wel toescheen. Katoeti mag den deugniet, die zijns vaders mummie verspeelde, danken. — Begrijpt ge mij niet! Nu, als gij van allen daarginds de slimste heet, wat moeten de anderen dan wel zijn?!”

»Gij meent dat men mijne meesteres roemen zal,” zeide de dwerg, »dat zij er zulk eene groote som voor overheeft, om den naam....”

»Wat naam, wat roemen!” riep de oude ongeduldig. »Wij hebben met andere, met werkelijke dingen te doen! Dáar staat Paäker, dàar de vrouw van Mena. Wanneer de Mohar voor de jonge vrouw een geheel vermogen weggeeft, dan wil hij haar bezitten, en Katoeti zal hem niet in den weg staan. Zij weet toch, waarvoor hij haar schuld betaalt. Maar een ander verspert haar den weg, en dat is Mena. Hij moet uit den weg geruimd! De wagenmenner staat dicht bij den pharao, en de strik dien men naar den een werpt kan ook licht om den hals van den ander heenslaan. Maak den Mohar tot uw bondgenoot; gebruik hem met verstand. En dan zou het wel eens kunnen gebeuren, dat uwe rattenbeten en doodswonden vergolden werden; dat Ramses, die u omver blaast, wanneer gij openlijk tegen hem optreedt, getroffen werd door eene lans uit eene hinderlaag geslingerd. Is de troon eens ledig, dan zullen de zwakke beenen van den stadhouder misschien er op kunnen klimmen, wanneer de priesters hem een handje helpen. — Zie, daar zit ge nu met open mond te luisteren, en ik heb u toch niets geraden, wat gij zelf niet hadt kunnen vinden.”

»Gij zijt een vat vol wijsheid!” riep Nemoe.

»En nu zult gij heengaan,” vervolgde Hekt, »en uwe meesteres en den stadhouder uwe plannen onthullen, opdat zij uwe slimheid bewonderen. Heden weet gij nog, wat ik u aan het verstand hebt gebracht en wat u te doen staat; morgen zult gij het weder vergeten zijn, en overmorgen beeldt ge u in, dat de geest der negen groote goden u bezielt. Ik ken dat. Maar ik kan niets geven om niet. Gij leeft van uwe kleinheid; een ander voedt zich door zijne sterke handen; ik verdien mijn schamel brood door wat hier in mijn hoofd omgaat. Hoor! Als gij Paäker half gewonnen hebt en Ani blijkt genegen te zijn om zich te laten gebruiken, dan kunt ge den stadhouder zeggen, dat ik een geheim weet — en ik weet er een, ik alleen! — een geheim, dat den Mohar tot zijn speelbal maakt. Ik ben bereid mij dit geheim te laten afkoopen.”

»Dat zal geschieden! ja stellig moeder!” riep de dwerg. »Wat verlangt gij?”

»Weinig,” zeide de oude. »Alleen een vrijbrief, die mij waarborgtongehinderd, ook van de zijde der priesters, te mogen doen en laten wat mij lust, en die mij verzekert, dat ik na mijn dood eene eerlijke begrafenis zal hebben.”

»De stadhouder zal zich daar niet gemakkelijk toe laten overhalen, want hij moet alles vermijden, wat de dienaars der godheid kwetsen kan.”

»En alles doen,” ging de oude voort, »wat Ramses in hunne oogen vernedert. Ani, hoort ge, behoeft mij geen nieuwen vrijbrief te schrijven, hij kan volstaan met den ouden te hernieuwen, dien Ramses mij verleende, nadat ik zijn ziek lievelingspaard had genezen. Zij hebben dien met al mijne overige bezittingen verbrand, toen zij mijne hut plunderden, mij voor eene tooveres en al mijn huisraad typhonisch verklaarden. Wat de begrafenis aangaat, dat heeft voorloopig nog den tijd. Ik verlang den vrijbrief van Ramses, meer niet.”

»Gij zult dien hebben,” zeide de dwerg. »Vaarwel! Ik heb in last in het familiegraf mijner meesteres te onderzoeken, of de doodenoffers naar behooren geplaatst zijn, verder nieuwe reukwerken te plengen, en nog andere dingen te laten vernieuwen. Als Sechet niet meer woedt104)en het koeler wordt, kom ik hier nog eens voorbij, want ik zou den Paraschiet Pinem wel willen spreken en zien hoe het die arme Warda gaat.”


Back to IndexNext